Zevende Boek

Zevende BoekHoofdstuk IVan de liefde van Gil Blas en van de dame Lorença Séphora.Dus ging ik naar Xelva, om den goeden Samuel Simon de drieduizend ducaten te brengen, welke wij hem hadden ontstolen. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik op weg veel lust gevoelde, om mij van dat geld meester te maken en zoodoende mijn werk onder gunstige voorteekenen te beginnen. Ik kon dat ongestraft doen; ik had slechts vijf dagen op reis te blijven en dan te zeggen, dat ik mij van mijn taak had gekweten. Don Alphonse en zijn vader waren mij te gunstig gezind om mij te verdenken. Maar ik wist aan de verzoeking weerstand te bieden, als man van eer, mag ik wel zeggen, betaalde den koopman, die daarop in het geheel niet had gerekend, het geld uit, en keerde naar het kasteel de Leyva terug. De graaf de Polan was er niet meer, hij was met Julie en don Fernand naarTolédogegaan. Ik vond mijn nieuwen meester verliefder dan ooit op zijn Séraphine, zijn Séraphine verrukt bij hem te zijn en don César gelukkig, hen beiden te bezitten. Ik legde er mij op toe, dezen goeden vader voor mij te winnen en ik slaagde er ook in.Als intendant van het heele huis, ontving ik het geld van de boeren, deed de uitgaven en had een onbeperkte macht over het personeel, waarvan ik echter geen misbruik maakte, zooals mijn collega’s vaak doen. De bewijzen van genegenheid, welke mijn meesters mij steeds gaven, boezemden mij grooten ijver in voor hun dienst. Ik had alleen maar oog voor hun belang, mijn administratie was goed en eerlijk; ik waseen intendant, zooals men er geen beteren vindt.Terwijl ik mij zoo verheugde in mijn uitstekende positie, wilde de god van de liefde mij ook zijn gunsten betoonen en deed in het hart van Lorença Séphora, een van de vrouwen van Séraphine, een sterke neiging geboren worden voor mijnheer den intendant. Om als getrouw geschiedschrijver de waarheid te zeggen, betrof mijn verovering een vijftigjarige. Ze had echter een frisch, aangenaam uiterlijk en mooie oogen, waarmee ze goed wist te werken. Haar kleur had ik gaarne wat rooder gezien, ze was me te bleek, wat ik aan haar oude vrijster-schap toeschreef.Deze dame wierp mij eerst voortdurend blikken toe, waarin hare liefde voor mij was te lezen, maar ik deed of ik de beteekenis ervan niet begreep. Daardoor scheen ik haar nog onbedreven in die zaken, wat haar wel beviel. Zij verbeeldde zich dus, dat ze bij zulk een onervaren jongeman zich niet bepalen kon tot de taal der oogen en bij het eerste onderhoud, dat ik met haar had, begon ze van haar gevoelens te spreken. Zij gedroeg zich daarbij als een vrouw, die ondervinding had, ze was verlegen en toen ze alles gezegd had wat ze wilde, bedekte ze haar gelaat met de handen, om mij te doen gelooven, dat ze er schaamte over gevoelde, dat ze mij haar zwakheid had getoond. Hoewel de ijdelheid mij meer bewoog dan het gevoel, toonde ik mij zeer dankbaar voor het blijk van hare genegenheid, ik deed zelfs alsof ik hartstochtelijk verliefd op haar was. Ze vreesde zeker, dat het geen goeden indruk zou maken, indien ze zich zoo gemakkelijk liet overwinnen en deed mij op zachten toon verwijten over mijn al te groote vermetelheid, maar scheen toch niet boos. Séphora verbeeldde zich, dat zij door haar voorgewenden tegenstand in mijn oog voor een Vestaalsche maagd doorging.Aan dit avontuur kwam echter spoedig een einde. Een van de lakeien van don César, een van die nieuwsgierigen, die graag alles zien wat er in een huis voorvalt endat dan oververtellen, deelde mij op zekeren dag mee, dat Lorença iederen avond den chirurgijn van het dorp in het geheim in haar kamer ontving en dat die jonge man er lang bleef.Mijn ijdelheid werd door dit bericht zeer getroffen en ik was bijna even kwaad, als ik geweest zou zijn, wanneer ik werkelijk jaloersch was geweest. Ik beheerschte mijn gevoelens en lachte zelfs om het nieuwtje, maar zoodra ik alleen was, stelde ik mij schadeloos door te razen en te tieren. Ik meende, dat mijn eer gebood, om den chirurgijn te verjagen en besloot hem tot een duel uit de dagen. ’s Avonds stelde ik mij in hinderlaag op en zag werkelijk den man, met een geheimzinnig gezicht de kamer van mijn geliefde binnengaan. Ik wachtte hem bij zijn terugkomst op den weg op en ieder oogenblik groeide mijn vechtlust aan, maar zoodra mijn vijand verscheen, die een groote en sterke man was, voelde ik mij plotseling als een held van Homerus, door een soort van vrees teruggehouden. Ik was even verward als Paris, wanneer hij Menelaus bevechten moet. Niettemin, hoewel zijn degen mij buitengewoon lang leek, trad ik op hem toe.Mijn handelwijze verraste hem. “Wat is er, mijnheer Gil Blas? Waartoe die bewegingen van een dolenden ridder?”“Mijnheer de barbier,” zei ik, “ik ben ernstiger dan ooit en wil weten, of gij even dapper zijt als galant. Reken er niet op, dat ik u rustig de gunsten zal laten genieten van de dame, die ge iederen avond in het kasteel bezoekt.”De chirurgijn begon hartelijk te lachen en riep: “Bij den Heiligen Côme, hoe kan de schijn bedriegen! Dat is waarlijk een vermakelijk avontuur!”Daar ik uit die woorden meende te mogen afleiden, dat hij even weinig lust had om te vechten als ik, werd ik brutaler en zei: “Spot met anderen, mijnheer! Mij zult ge met zulk een antwoord niet afschepen.”“Ik zie wel,” hernam hij, “dat ik verplicht ben te spreken,om een ongeluk te voorkomen, dat u of mij zou kunnen treffen. Dus zal ik u een geheim vertellen, hoewel mannen van ons vak niet discreet genoeg kunnen zijn. Weet dan, dat die dame een verouderde zweer in haar rug heeft en dat ik die iederen avond ga verbinden. Om haar kwaal voor de bedienden te verbergen, laat zij mij ongemerkt binnenkomen. Dat is de reden van mijn bezoeken, die u zoo schijnen te verontrusten. Maar zijt ge met mijn verklaring niet tevreden, dan hebt ge slechts te spreken.” Bij die laatste woorden sloeg hij de hand aan zijn rapier.Ik haastte mij hem te zeggen, dat ik niet een van die menschen was, die niet vatbaar zijn voor rede en dat ik hem niet meer als mijn vijand beschouwde. Wij drukten elkaar de hand en scheidden als de beste vrienden.Van dat oogenblik af vertoonde Séphora zich niet bekoorlijker aan mijn geest en ik vermeed alle gelegenheid om met haar alleen te zijn, wat ze al spoedig opmerkte. Verwonderd over zulk een verandering, wilde zij er de redenen van weten en vond eindelijk gelegenheid mij zonder het bijzijn van anderen te spreken. Ze zei: “Mijnheer de intendant, zeg mij als ’t u belieft waarom ge mij ontvlucht. Inplaats van, zooals vroeger, de gelegenheid te zoeken, met mij te spreken, vermijdt ge mij. Het is waar, den eersten stap heb ik gedaan, maar gij hebt er op geantwoord, herinner u maar het onderhoud, dat wij toen hadden; gij waart een en al vuur, nu zijt ge als ijs. Wat heeft dat te beteekenen?”De kwestie was wel een weinig kiesch en zeer moeilijk; ik weet niet goed meer welk antwoord ik gaf, maar wel, dat het haar geenszins beviel. Séphora, die er zacht en goedig uitzag als een lam, was gelijk een tijgerin als haar woede opgewekt werd.“Ik geloof,” zei ze en ze wierp mij een blik toe, vol woede en spijt, “dat ik een man van geringe afkomst te veel eer heb bewezen, door hem gevoelens te openbaren, waarop adellijke heeren trotsch zouden zijn. Ik ben er wel voor gestraft, dat ik mij onwaardiglijk heb verlaagd tot een ongelukkigen avonturier.”Het bleef daar niet bij, ze had nog honderd andere namen voor mij. Ik was te levendig van natuur om kalm te blijven en de beleedigingen te verdragen, waarom een ander, verstandiger man misschien zou hebben gelachen. Mijn geduld was ten einde en ik zei: “Mevrouw, als die adellijke heeren, waarvan ge spreekt, uw rug hadden gezien, dan geloof ik, dat hunne nieuwsgierigheid daartoe wel beperkt zou zijn gebleven.”Ik had dat nog niet gezegd, of ik kreeg een slag in mijngezicht, zooals een gebelgde vrouw er misschien nog nooit een heeft gegeven. Ik wachtte er niet meer af en liep weg. Zeer dankbaar, dat dit pijnlijk onderhoud was afgeloopen, verbeeldde ik mij, dat ik verder niets had te vreezen, daar de dame zich gewroken had. Voor haar eer scheen het mij beter, dat ze over het avontuur zweeg en werkelijk verliepen er veertien dagen, dat ik er niet over hoorde spreken. Ik begon het reeds te vergeten, toen ik op zekeren dag hoorde, dat Séphora ziek was. Niettegenstaande al het gebeurde, had ik toch medelijden met haar; ik dacht, dat misschien haar ongelukkige liefde voor mij haar deze ziekte had veroorzaakt. Spoedig bemerkte ik, hoe die liefde in hevigen haat was veranderd en zij niets onbeproefd had gelaten om mij te benadeelen.Op een ochtend, dat ik met don Alphonse alleen was, vond ik hem in een neerslachtige stemming. Ik vroeg hem, wat er was en hij zei, dat het hem verdriet deed Séraphine zoo zwak en ondankbaar te zien. “Dat verwondert u,” voegde hij eraan toe, “maar het is waar. Ik weet niet welke redenen ge aan Lorença hebt gegeven om u te haten, maar ik kan u verzekeren, dat ze u verfoeit en ze zegt, dat ge ongetwijfeld haar dood zult veroorzaken, indien gij niet spoedig het kasteel verlaat. Ge moet niet denken, dat Séraphine zich in het begin daar niet tegen verzet heeft, maar ze is een vrouw, en zeer gehecht aan Lorença, die haar opgevoed heeft. Wat mij betreft, ik zal nooit toegeven hoe lief ik Séraphine ook heb. Alle duenna’s in Spanje mogen omkomen vóór ik een jongen man wegstuur, die voor mij meer een broeder dan een ondergeschikte is.”Ik antwoordde hem: “Mijnheer, ik ben nu eenmaal geboren om een speelbal van de fortuin te zijn. Hier, waar alles mij zulke gelukkige dagen voorspelde, had ik gedacht, dat daaraan een eind gekomen zou zijn, maar het is niet zoo. Dus zal ik heengaan.”Don Alphonse wilde daarvan niet weten. “Neen, neen,” riep de edelmoedige zoon van don César. “Laat mij Séraphinetot rede brengen. Men zal niet kunnen zeggen, dat gij opgeofferd zijt aan de grillen van een duenna, aan wie toch al te veel wordt toegegeven.” Ik overwoog echter, dat alleen mijn heengaan de rust op het kasteel kon herstellen. Den volgenden morgen vroeg vertrok ik, zonder afscheid te nemen van mijn meesters. In mijn kamerliet ik een schrijven achter, waarin ik uitvoerig verslag deed van de door mij gevoerde administratie.Hoofdstuk IIWat Gil Blas werd, nadat hij het kasteel de Leyva had verlaten en van de gelukkige gevolgen, die zijn ongelukkige liefde had.Ik reed op een goed paard, dat mij toebehoorde en had in mijn valies tweehonderd pistolen, grootendeels afkomstig van de gedoode roovers en van de drieduizend gestolen ducaten, die don Alphonse uit zijn eigen zak had terugbetaald; ik kon dus onbezorgd de toekomst tegemoet gaan, met het vertrouwen bovendien, dat men altijd heeft op een leeftijd, dien ik toen had. Mijn doel stond nog niet vast; wel kon ik naarTolédogaan, waar de graaf de Polan mij als een van zijn bevrijders ongetwijfeld zeer goed zou ontvangen, maar ik wilde eerst reizen en verlangde om Murcia en Granada eens te zien. In die laatste stad kwam ik na enigen tijd zonder eenigen tegenspoed aan. Het scheen, dat de fortuin, voldaan over zooveel parten, die ze mij den laatsten tijd gespeeld had, mij eindelijk met rust wilde laten. Echter bereidde zij mij andere voor, zooals men vernemen zal.Een van de eerste personen, die ik in de straten van Granada ontmoette, was don Fernand de Leyva, schoonzoon van den graaf de Polan. Wij waren beiden even verrast elkaar daar te zien. Hij vroeg mij, hoe ik in Granada kwam. Ik deelde hem mee, dat ik den dienst van don César en diens zoon had verlaten en vertelde hem uitvoerig al wat er tusschen Séphora en mij was gebeurd. Hij lachte er hartelijk om en wilde aan zijn schoonzuster schrijven en als bemiddelaar optreden. Ik dankte hem voor zijn aanbod, maar verklaarde hem, in geengeval naar het kasteel de Leyva terug te zullen gaan. Wel verzocht ik zijn voorspraak, indien soms een van zijn vrienden een intendant of secretaris mocht noodig hebben.Hij beloofde mij zijn hulp, zei, dat hij in Granada was om een oude, zieke tante te bezoeken en dat ik hem over eenige dagen maar eens in zijn hotel moest komen opzoeken. Misschien wist hij dan wel een goede betrekking voor mij. Toen ik hem eenige dagen later bezocht, zei hij, dat de aartsbisschop van Granada, een bloedverwant en vriend van hem, een man noodig had, op de hoogte van literatuur en met een goede hand, om zijne geschriften in het net over te schrijven. Hij had don Fernand beloofd mij te zullen nemen, dus moest ik mij gaan presenteeren.Ik kwam in een paleis, dat even prachtig was als dat van onze koningen en vond in de zalen een groot gezelschap, geestelijken en edellieden. De lakeien hadden zeer fraaie kleeren, men zou hen eerder voor groote heeren dan voor knechts hebben aangezien. Ik moest lachen toen ik ze gewichtig zag doen en dacht bij mezelf: “die menschen zijn wel gelukkig, dat zij het juk der dienstbaarheid niet voelen, want anders zouden ze zich minder hooghartig toonen.” Ik richtte mij tot een grooten en dikken man, die voor de deur van het kabinet van den aartsbisschop stond, om die te openen en te sluiten, wanneer het noodig was. Ik vroeg hem beleefd, of er gelegenheid was monseigneur een oogenblik te spreken. Op hoogen toon zei hij mij, dat ik moest wachten, dat monseigneur zou uitgaan om de mis te hooren en mij dan een oogenblik audientie geven zou in het voorbijgaan.Ik wapende mij met geduld en sprak eenige officieren aan, maar ze namen mij van het hoofd tot de voeten op, verwaardigden mij met geen woord en keken elkaar met een trotschen glimlach aan, omdat ik de vrijheid had genomen mij in hun gesprek te mengen.Nog had ik mij niet geheel hersteld van mijne verlegenheid op zulke wijze te worden behandeld, toen dedeur openging en de aartsbisschop verscheen. Allen namen dadelijk een zeer eerbiedige houding aan. De prelaat was een man van ongeveer zeventig jaar, kort en dik, ongeveer als mijn oom de deken Gil Perez. Hij had krommebeenen en was zóó kaal, dat er alleen nog maar een klein bosje haar achter op zijn hoofd zat. Zijn gelaat vond ik als dat van een voornaam man, misschien wel omdat ik wist, dat hij dat was. Wij gewone menschen beschouwen groote heeren dikwijls met een vooringenomenheid, die hun een uiterlijk van grootheid geeft, dat de natuur hun heeft geweigerd.De aartsbisschop naderde mij en vroeg op zachten toon, wat ik verlangde. Ik antwoordde, dat ik de man was, van wien don Fernand de Leyva hem had gesproken. “Ah! zijt gij het, van wien hij mij zooveel goeds heeft verteld? Ik verbind u aan mijn dienst, ge zijt een goede aanwinst voor mij. Ge kunt hier wonen.” Na die woorden sprak hij nog een oogenblik met eenige geestelijken en verliet het vertrek. Nauwelijks was hij weg, of dezelfde officieren, die eerst niet met mij hadden willen spreken, kwamen naar mij toe. Ze betuigden mij hun vreugde, dat ik met hen in het paleis zou wonen. Ze hadden de woorden gehoord, die hun meester tot mij had gesproken en brandden van verlangen om te weten in welke positie ik was geplaatst, maar ik had er een genoegen in om hun nieuwsgierigheid onbevredigd te laten en mij op die wijze te wreken over de minachting, die ze mij eerst hadden betoond.Monseigneur kwam spoedig terug en liet mij bij zich komen in zijn kabinet. Zooals ik wel vermoed had, begon hij met een onderzoek naar mijn kennis. Hij deed mij verschillende vragen op het gebied van geschiedenis en letterkunde. Op alles gaf ik hem voldoende antwoorden en hij maakte de opmerking, dat mijn opvoeding niet verwaarloosd was geworden. Vervolgens moest hij mijn schrift zien, ook daarover was hij zeer tevreden. Hij zei, dat hij zijn neef dankbaar was, dat deze hem een zoo geschikt persoon had aanbevolen.Er werd bezoek aangediend en ik begaf mij onder de officieren, die mij met beleefdheden overlaadden. Toen het tijd er voor was, ging ik met hen eten. Wederkeerigbeschouwden wij elkaar en ik vond, dat de geestelijke heeren er zeer wijs uitzagen. Zij leken mij heilige personages, zoo was ik onder den indruk van de plaats waar ik mij bevond. De gedachte kwam niet bij mij op, dat het valsche schijn was, alsof zooiets uitgesloten was bij de vorsten der kerk.Aan tafel zat ik naast een ouden kamerdienaar, genaamd Melchior de la Ronda. Daar hij de attentie had, om er voor te zorgen, dat ik van het beste bediend werd, was ik zeer beleefd tegen hem, wat hem kennelijk genoegen deed. Na tafel zei hij me, dat hij graag een onderhoud met mij wilde hebben en hij nam mij mee naar een gedeelte van het paleis, waar wij door niemand beluisterd konden worden. Hij zei: “Mijn zoon, van het eerste oogenblik, dat ik u heb gezien, heb ik mij tot u aangetrokken gevoeld. Ik wil u daarvan een zeker bewijs geven, door u vertrouwelijke mededeelingen te doen, die u van groot nut zullen zijn. Ge zijt hier in een huis, waarin ware en valsche vromen met elkaar leven. Er zou voor u een heele tijd noodig zijn, om het terrein te verkennen. Ik wil u die lange en onaangename studie besparen, door u het een en ander mee te deelen omtrent het karakter van verschillende personen. Daarnaar kunt ge u gedragen.Ik zal beginnen met monseigneur. Hij is een zeer vrome prelaat. Al sinds vijf en twintig jaar leeft hij uitsluitend voor het heil van zijn kudde. Hij is een zeer geleerd man en een groot redenaar. Hij preekt graag en zijn toehoorders hangen aan zijn lippen. Misschien is hij daar een weinig ijdel op. Indien het mij overigens geoorloofd was aanmerkingen op mijn meester te maken, zou ik zeggen, dat hij voor zwakke broeders dikwijls te streng is en hen te zwaar straft. Een ander gebrek heeft hij met vele andere aanzienlijke heeren gemeen; hij houdt wel van de personen, die in zijn dienst zijn, maar let weinig op hun werk en hunne verdiensten. Hij zal ze oud laten worden in zijn huis zonder er aan te denken voor hen te zorgen. Wanneer hij hun soms een gratificatie geeft, danhebben zij die te danken aan de goedheid van iemand, die voor hen gesproken heeft.”Na dit portret van onzen meester kreeg ik er een van de verschillende geestelijken, met wie wij gedineerd hadden. Naar wat ik ervan hoorde, waren het niet zoozeer slechte menschen, dan wel slechte priesters. Hij zonderde er enkelen uit, wier deugd hij prees. Van dien avond af was ik niet verlegen meer met mijn houding tegenover de heeren. Dienzelfden dag nog aan het souper schafte ik mij een wijs gezicht aan net als zij. Dat kost niets. Men moet zich niet erover verbazen, dat er zooveel huichelaars zijn.Hoofdstuk IIIGil Blas wordt de gunsteling van den aartsbisschop en het kanaal van zijn gunsten.Men had in het gebouw een zeer goede en zindelijke slaapkamer voor mij in orde gemaakt en den volgenden dag werd ik al vroeg bij monseigneur geroepen. Hij gaf mij een preek om over te schrijven en drukte mij op het hart dat zoo nauwkeurig mogelijk te doen. Ik voldeed daaraan en vergat geen punt en geen komma. Hij keek mijn copie in en was verrukt daarover. “Zeg me eens eerlijk,” zei hij, “ge zijt een te goed copiïst, om ook niet een taalkundige te zijn, hebt ge al schrijvende niets gevonden, dat u hinderde? Geen slordigheid in mijn stijl, of eenige onjuiste uitdrukking? Die kunnen mij gemakkelijk ontsnapt zijn in het vuur van mijn scheppingsdrang.”“O, monseigneur,” zei ik bescheiden, “ik ben niet ontwikkeld genoeg, om critische aanmerkingen te maken en wanneer ik het zou doen, dan ben ik toch overtuigd, dat uw werken mijn censuur zouden trotseeren.” De prelaat glimlachte en antwoordde mij niet, maar hij liet duidelijk merken, dat hij met al zijn vroomheid, niet ongestraft schrijver was.Door deze en andere vleierijen won ik zijn vertrouwen. Van dag tot dag bleek hij meer op mij gesteld en ik hoorde van don Fernand, die hem dikwijls opzocht, dat mijn fortuin gemaakt was.Op een avond repeteerde hij voor mij een preek, bestemd om den volgenden dag in de cathedraal te worden uitgesproken. Hij bepaalde zich er niet toe met mij te vragen, wat ik er over het algemeen van dacht, maarnoodzaakte mij ook om te zeggen, welke gedeelten mij het meest hadden getroffen. Ik had het geluk hem eenige passages op te noemen, die voor hem geliefkoosde stukken waren. Daardoor ging ik bij hem door voor een man, die een fijnen smaak bezat voor het schoone en goede in een werk. Hij was zoo tevreden, dat hij mij zei, dat ik in het vervolg gerust kon wezen over mijn lot en dat hij dat zoo aangenaam mogelijk zou maken. “Ik houd van je en om je dat te bewijzen zal ik je tot mijn Vertrouweling maken.”Hij had die woorden nog niet uitgesproken, of ik viel op de knieën en omklemde zijn kromme beenen, om een bewijs te geven van mijn dankbaarheid. Hij ging voort met spreken en zei: “Ik wil u een bewijs geven van mijn groot vertrouwen. Ik heb genoegen in preeken, de Heer zegent mijn woorden. Ik breng den gierigaard ertoe zijn kisten te openen en den inhoud kwistig uit te deelen, den wellusteling zijn genietingen op te geven, de hermitages bevolk ik met geloovigen en een onstandvastige vrouw doe ik haar verleider ontvlieden. Deze veelvuldige bekeeringen moesten voldoende zijn om mij aan het werk te houden. Maar ik zal je mijn zwakheid bekennen, ik stel er grooten prijs op, dat de wereld mijn geschriften bewondert. En ik moet het zeggen, de roem om voor een uitmuntend prediker door te gaan heeft voor mij veel bekoring. Ook mijn werken prijst men algemeen, maar ik wil de fout vermijden van vele schrijvers, die te lang schrijven en daardoor een gedeelte van hunne reputatie verliezen. Dus, mijn waarde Gil Blas, ik vraag van u, als een bewijs van uw toewijding en ijver, mij te waarschuwen wanneer ge zult merken, dat mijn pen den ouderdom gaat gevoelen. Ik vertrouw ook in dit opzicht op u.”“Monseigneur,” zei ik, “den Hemel zij dank, dat die tijd nog ver verwijderd is. Een geest als de uwe blijft langer groot dan een andere. Ik beschouw u als een tweeden kardinaal Ximenès, wiens buitengewoon genie, inplaats van door de jaren te verzwakken, steeds nieuwe krachtenontving.” “Vlei mij niet, mijn vriend. Op mijn leeftijd begint men gebreken te voelen en de gebreken van het lichaam veranderen den geest. Wees niet bevreesd om eerlijk te zijn. Ik zal je waarschuwing beschouwen als eenbewijs van je genegenheid. Bovendien gaat het om je eigen belang. Als ik bij ongeluk vernam, dat men in de stad zei, dat mijn preeken minder werden en dat ik rust moest gaan nemen, verklaar ik je, dat je tegelijk met mijn vriendschap het fortuin zou verliezen, dat ik je beloofd heb.”Van dat oogenblik af was ik de verklaarde gunsteling van den aartsbisschop. Het personeel liet mij dat ook merken door buitengewone beleefdheden tegenover mij, om mijn gunst te winnen; ik kon bijna niet begrijpen, dat het uit Spanjaarden bestond. Van mijn positie maakte ik gebruik door te bewerken, dat mijn vriend Melchior een goede gratificatie kreeg.Wat ik op zekeren dag voor een priester wist gedaan te krijgen, mag worden vermeld. Ik maakte kennis met een jongen priester, Louis Garcia, iemand met een zeer gunstig uiterlijk, naar ik vernam een eerlijk man, die aalmoezenier was geweest, maar dien men belasterd had bij monseigneur, die niets meer van hem wilde weten. Alle pogingen door verschillende personen in Granada gedaan, om hem weer in genade te doen opnemen, waren vruchteloos geweest. Gelukkig schreef hij een buitengewoon mooie hand en daardoor meende ik hem te kunnen helpen. Ik stak een door hem beschreven vel papier bij mij en toen ik alleen met den aartsbisschop was, liet ik hem dat zien. Mijn patroon prees het zeer en van die gelegenheid besloot ik gebruik te maken. “Monseigneur,” zei ik, “daar ge weigert om uwe preeken te laten drukken, zou ik althans wenschen, dat ze zóó geschreven waren.”“Ik ben over uw schrift tevreden,” zei de prelaat, “maar ik geef toe, dat ik wel graag van die hand een copie van mijn werk zou hebben.” “U hebt maar te spreken,” zei ik, “die man is een bekende van mij en misschien kunt u hem op die wijze helpen uit den treurigen toestand, waarin hij zich bevindt.”De aartsbisschop vroeg mij naar den naam. “Hij heet Louis Garcia,” zei ik, “en is wanhopig over de ongenade,waarin hij bij u gevallen is.” “Die Garcia,” viel hij mij in de rede, “is, geloof ik, aalmoezenier geweest. Ik herinner mij nog de memories, die tegen hem zijn ingekomen. Op zijn gedrag moet nog al iets te zeggen zijn geweest.” “Monseigneur,” hernam ik, “het is niet mijn bedoeling, hem te rechtvaardigen, maar ik weet, dat de man vijanden heeft en hij zegt, dat die memories meer ingegeven zijn door zucht om hem te benadeelen, dan om de waarheid te zeggen.” ”’t Is mogelijk,” zei de prelaat, “er zijn zulke slechte menschen in de wereld. Overigens, wanneer hij zich niet goed gedragen heeft, kan hij berouw daarover hebben. Voor alle zonden is er vergeving. Breng mij dien man maar.”Zoo ziet men, dat zelfs de meest strenge menschen hun strengheid vergeten, wanneer hun belang dit meebrengt.Den volgenden dag bracht ik Garcia bij mijn meester, die hem eerst een kleine berisping gaf en daarna aan het werk zette, om zijn preeken in het net over te schrijven. Later benoemde hij hem weer tot priester en zelfs kreeg hij de parochie van Gabië, een groote plaats in de buurt van Granada. Wat een bewijs is, dat weldaden niet altijd bewezen worden aan hen, die ze verdienen.Hoofdstuk IVDe aartsbisschop krijgt een beroerte. Van de verlegenheid, waarin Gil Blas zich bevindt en op welke wijze hij er weer uitkomt.Don Fernand de Leyva maakte zich gereed, om Granada te verlaten; ik ging afscheid van hem nemen en bedankte hem opnieuw voor de mooie betrekking, die ik gekregen had. “Ik ben daar zeer tevreden,” zei ik. “de prelaat is buitengewoon goed voor mij en dat troost mij over het verlaten van don César en zijn zoon.”“Ik ben er van overtuigd,” zei hij bij het scheiden, “dat uw vroegere meesters door uw heengaan een groot verlies hebben geleden, maar misschien zijt gij wel niet voor altijd van hen gescheiden. De geheele familie zal steeds levendig belang blijven stellen in uw lot.”Twee maanden later was er een groote opschudding in het bisschoppelijk paleis; mijn meester had een beroerte gekregen. Na eenige dagen echter, scheen hij weer te herstellen. Maar zijn geest had een gevoeligen schok gekregen. Ik merktedat al dadelijk toen hij weer een preek maakte. Ik wachtte nog een tweede af en die was voor mij beslissend. Niet ik alleen merkte dit op, ook zijn toehoorders fluisterden het elkaar in stilte toe. “Komaan, mijnheer de criticus,” zei ik tot mijzelf, “nu moet gij u voorbereiden op uw taak. Ge ziet, dat monseigneur minder wordt en ge moet hem waarschuwen; anders is een van zijn vrienden misschien vrijmoedig genoeg, om u voor te wezen. Ge zult dan geschrapt worden in zijn testament.”Maar bij die overdenkingen kwamen er weer andere.De waarschuwing was niet gemakkelijk te geven. Ik meende, dat een auteur, ingenomen met zijn werk, die misschien slecht zou kunnen opvatten. Maar ik verwierp die gedachte weer en geloofde, dat hij er onmogelijk kwaad om kon worden, na het van mij op zoo dringende wijze geëischt te hebben. Bovendien kon ik het handig inkleeden, om zoodoende de pil te vergulden. Bij slot van rekening vond ik het gevaarlijker om het stilzwijgen te bewaren, dan het te verbreken. Dus besloot ik te spreken.Ik was er nu alleen nog maar verlegen mee, hoe te beginnen. Gelukkig kwam de redenaar mij onverwachts zelf te hulp, door mij te vragen, wat men zei van zijn laatste preek. Ik antwoordde hem, dat men altijd zijn preeken bewonderde, maar dat zijn laatste niet zulk een diepen indruk op het gehoor had gemaakt als de andere. Hij toonde zich daar verwonderd over en ik haastte mij te zeggen, dat niemand het waagde zijn werk te critiseeren, maar dat hij mij zelf had bevolen ronduit met hem te spreken en dat ik daarom de opmerking waagde, dat zijn laatste preek in kracht bij de andere achterstond.Mijn woorden deden hem verbleeken en hij zeide met een gedwongen glimlach: “Dat stuk is dus niet naar uw zin geweest, mijnheer Gil Blas?” “Ik vond het uitstekend,” hernam ik, “maar het stond niet even hoog als uw ander werk.”“Ik begrijp u,” antwoordde hij, “Het schijnt u toe, dat ik minder word en dat ik eraan moet gaan denken, om mij terug te trekken.” Ik zei hem, dat ik nooit de stoutmoedigheid zou hebben gehad, zoo tot hem te spreken, indien hij het niet zelf mij had bevolen, dat ik dus niet anders had gedaan dan hem gehoorzamen en dat ik hoopte, dat hij mij dit niet kwalijk zou nemen. “Daar denk ik niet aan, om het u kwalijk te nemen,” zei hij, “ik zou al zeer onrechtvaardig zijn, indien ik dat deed en ik vind het volstrekt niet verkeerd, dat ge mij uw meening zegt. ’t Is alleen uw meening zelve, die ik verkeerdvind. Ik ben de dupe geworden van uw bekrompen verstand.”Hoe ontdaan ook, zocht ik toch nog naar woorden om den redenaar, die niet anders gewoon was, dan zich te hooren prijzen, zachter te stemmen. “Laten wij er niet verder over spreken, mijn zoon,” zei hij, “ge zijt nogte jong, om het ware van het valsche te onderscheiden. Neem van mij aan, dat ik nooit een betere preek heb geleverd dan de laatste, die niet naar uw smaak was. Mijn geest heeft gelukkig nog niets van zijn kracht verloren. Voortaan zal ik echter beter mijn vertrouwelingen kiezen. Ik wil bekwamere mannen dan gij zijt, om mijn werk te beoordeelen. Ga mijn schatmeester zeggen, dat hij u honderd ducaten uitbetaalt en met die som hoop ik, dat de hemel u zal geleiden. Vaarwel, mijnheer Gil Blas! Ik wensch u allen voorspoed en een weinig meer smaak,”Hoofdstuk VWat Gil Blas deed, nadat de aartsbisschop hem zijn ontslag had gegeven. Door welk toeval hij den geestelijke ontmoette, die zooveel verplichting aan hem had en welke bewijzen van erkentelijkheid hij van hem ontving.Ik verliet het kabinet, de gril, of liever de zwakheid van den aartsbisschop verwenschende en meer vervuld van toorn tegen hem, dan met droefheid over het verlies van zijn gunst. Eenigen tijd aarzelde ik zelfs, of ik zijn honderd ducaten wel zou gaan ontvangen; maar na goed te hebben nagedacht, besloot ik niet zoo dwaas te zijn, die te laten loopen. Ik meende, dat dit geld mij niet het recht zou ontnemen, om den prelaat belachelijk te maken, wat ik voornam te doen bij elke gelegenheid, dat zijn preeken ter sprake zouden komen.Dus ging ik de honderd ducaten aan den schatmeester vragen, zonder hem met een enkel woord te spreken over hetgeen er tusschen zijn meester en mij was voorgevallen. Daarna ging ik afscheid nemen van Melchior de la Ronda. Hij hield te veel van mij, om niet getroffen te zijn door mijn ongeluk. Dat kon ik aan zijn gelaat zien, terwijl ik hem het geheele verhaal deed. Niettegenstaande al het respect, dat hij voor den aartsbisschop had, keurde hij deze handelwijze sterk in hem af; maar, toen ik in mijn toorn riep, dat ik het hem betaald zou zetten, zei hij: “Mijn waarde Gil Blas, geloof mij, ’t is beter uw verdriet in stilte te dragen. Gewone menschen moeten altijd personen van hoogen stand respecteeren, ook al hebben zij reden zich over hen te beklagen. Wel geef ik toe, dat zij vaak verdienen, om met minder eerbied behandeld te worden,maar zij kunnen ons benadeelen, dus moeten wij hen vreezen.”Ik bedankte mijn ouden vriend voor zijn raad en besloot daarvan te profiteeren. Daarna zei hij nog: “Indien ge naar Madrid gaat, bezoek dan Jozeph Navarro, mijn neef, hij is chef van dienst bij don Baltazar de Zuniga en ik durf te zeggen, dat hij uw vriendschap waard is, hij is levendig, flink en voorkomend. Ik zou wel wenschen, dat ge met hem kennis maakte.” Ik antwoordde, dat ik niet zou nalaten Joseph Navarro te gaan opzoeken, zoodraik in Madrid zou zijn, waarheen ik wel zou terugkeeren. Vervolgens verliet ik het bisschoppelijk paleis, om er nooit weer een voet in te zetten. Indien ik mijn paard nog had gehad, zou ik zonder twijfel naarTolédozijn gegaan, maar ik had het verkocht, omdat ik het niet meer dacht noodig te hebben. Het eerste wat ik nu deed, was een kamer zoeken, want ik wilde nog een maand in Granada blijven en daarna den graaf de Polan opzoeken.Toen de tijd voor het diner naderde, vroeg ik mijn hospita of er niet een goede restauratie in de buurt was. Ze antwoordde mij, dat er een uitstekende was op twee passen afstand van haar huis, waar men zeer goed werd bediend en waar veel nette lieden kwamen.Ik ging er dadelijk heen en trad een zaal binnen, waar tien of twaalf personen aan een niet al te zindelijke tafel zaten. De portie eten, die men mij bracht, was van dien aard, dat ik op een anderen tijd zeker mijn vorige tafel zou hebben betreurd, maar ik was daarover nu te kwaad op den aartsbisschop.Terwijl ik zoo, zonder dat ik reden had om bang te zijn, dat ik mijn maag zou overladen, zat te eten, kwam Louis Garcia, die pastoor van Gabie, bij Granada, was geworden, de zaal binnen. Hij was zeer verheugd mij te zien, kwam naast mij zitten en zei, na nogmaals van zijn dankbaarheid te hebben gesproken: “Nu de fortuin mij u doet ontmoeten, zullen we niet scheiden voor we samen hebben gedronken. Maar, daar er hier geen goeden wijn te krijgen is, zullen we op een andere plaats een fijne flesch nemen. Wij moeten ons dit genoegen veroorloven, weiger het mij niet. Wat zal ik gelukkig zijn, wanneer ik u eens in mijn pastorie te Gabie mag zien! Ge zult daar ontvangen worden als een edelmoedige Mécénas, aan wien ik het gemakkelijke leven, dat ik nu leid, dank.”Hij begon te eten en intusschen vertelde ik hem zoo nauwkeurig mogelijk alles wat er tusschen den aartsbisschop en mij was voorgevallen. Ik had verwacht, dat hij zijn leedwezen daarover zou hebben betuigd, dat hijbitter en scherp over den aartsbisschop zou zijn uitgevallen. Maar niets van dit alles, hij werd stil en nadenkend. Toen hij gegeten had, stond hij plotseling van tafel op, groette mij koel en vertrok. Toen hij zag, dat ik hem niet meer nuttig kon zijn, bespaarde die ondankbare zich zelfs de moeite niet mij zijn gevoelens te verbergen. Ik lachte om zijn ondankbaarheid en hem aanziende met al de minachting, die hij verdiende, riep ik, hard genoeg om gehoord te worden: “Hallo! mijnheer de wijze aalmoezenier, ga de fijne flesch vast laten afkoelen, waarop ge mij zoudt onthalen!”Hoofdstuk VIGil Blas gaat de comedie te Granada bezoeken. Van de verwondering, die het zien van een actrice bij hem opwekte en hetgeen daardoor gebeurde.Garcia was nog niet uit de zaal, of er traden twee fatsoenlijk gekleede heeren binnen, die dicht bij mij kwamen zitten. Ze begonnen te spreken over den schouwburg te Granada en het nieuwste stuk, dat men speelde. Volgens hen trok dat stuk algemeen de aandacht. Door wat ik hoorde, kreeg ik lust het eens te gaan zien. Ik had de comedie nog niet bezocht, sedert ik te Granada was, want bij den aartsbisschop wilde men daar niets van weten. De preeken waren mijn eenig amusement geweest.Toen het tijd werd, ging ik dus naar den schouwburg, waar een talrijk publiek bijeen was. Om mij heen hoorde ik niets dan beschouwingen over het stuk en ik merkte op, dat de geheele wereld zich tot oordeelen bevoegd achtte. De een verklaarde zich er voor, de ander er tegen. “Heeft men wel ooit een beter geschreven werk gezien?” werd rechts gevraagd. “Wat een erbarmelijke stijl!” klonk het links. Waarlijk, indien er al veel slechte schrijvers zijn, moet men toegeven, dat er nog meer slechte critici bestaan. En als ik denk aan alles wat de dichters van drama’s te slikken krijgen, verwonder ik er mij over, dat er nog zijn, die de onwetendheid van het groote publiek en de gevaarlijke kritiek van z. g. deskundigen, die soms het oordeel van de menigte bederven, trotseeren.Dadelijk toen de meest gewilde acteur op de planken verscheen, was er een algemeen handgeklap. Het bleekme een van die tooneelspelers aan wie het parterre alles vergeeft. Ik merkte, dat hij sommige oogenblikken uit zijn rol was en dan eigenlijk meer verdiende om uitgefloten, dan om toegejuicht te worden.Ook bij het opkomen van enkele andere acteurs werd er geklapt en eveneens bij het verschijnen van een actrice, die een kamenier’s rol had te vervullen. Ik keek haar goed aan en kon geen woorden vinden, om mijn verbazing te uiten, toen ik Laura zag, mijn dierbare Laura, die ik nog te Madrid bij Arsénia waande. Ik kon er niet aan twijfelen, of zij was het. Haar taille, haar trekken, de toon van haar stem, alles verzekerde mij, dat ik mij niet vergiste. Daar ik echter mijn oogen en ooren niet vertrouwde, vroeg ik haar naam aan een heer, die naast mij zat. “Ge zijt zeker een nieuweling hier, dat ge de schoone Estelle niet kent,” zei hij.De gelijkenis was echter te treffend, dan dat ik mij kon vergissen. Dus besloot ik, dat Laura haar naam had verwisseld en benieuwd om iets anders omtrent haar te weten—want het publiek weet in den regel alles van bekende acteurs en actrices—vroeg ik den man naast mij, of ze ook een minnaar had, die zich in haar bijzondere onderscheiding mocht verheugen. Hij antwoordde mij, dat er sinds twee maanden in Granada een Portugeesch heer was, genaamd markies de Marialva, die zich zeer veel aan haar gelegen liet liggen. Mijn gedachten waren door hetgeen ik van mijn buurman had gehoord, zoo in beslag genomen, dat ik weinig aandacht meer schonk aan het stuk. Ik dacht slechts aan Laura, aan Estelle, en nam mij voor haar den volgenden dag te gaan bezoeken.In de schitterende omstandigheden, waarin ze zich nu bevond, had ik reden te vermoeden, dat het zien van mij haar geen groot genoegen zou doen. Ook had zij er wel aanleiding toe, om ontevreden op mij te zijn, maar dat alles kon mij niet van mijn plan terughouden. Na een karig maal (er waren n.l. geen andere in mijn hotel)ging ik naar mijn kamer en wachtte vol ongeduld op den volgenden morgen.Ik sliep dien nacht slecht en stond op bij het krieken van den dag. Daar ik onderstelde, dat de maîtresse van een grooten mijnheer ’s morgens wel niet te vroeg op zou zijn, besteedde ik drie of vier uur om mij te kleeden, kappen, scheren en poederen. Ik wilde mij zoo aan haar vertoonen, dat ze zich niet voor mij behoefde te schamen. Over tienen was ik aan een groot huis, waarvan zij de eerste verdieping bewoonde. Tegen de dienstbode, die voor mij de deur opende, zei ik, dat een jonge man mevrouw Estelle wenschte te spreken. De boodschap werd overgebracht en ik hoorde met luide stem vragen: “Waar is die jonge man? Wat wil hij van mij? Laat hem binnenkomen!”Ik leidde daaruit af, dat ik mijn tijd slecht had gekozen,dat haar Portugeesche beminde zeker aan zijn toilet bezig was en dat zij alleen maar zoo hard praatte, om hem te overtuigen, dat zij niet iemand was, die verdachte bezoeken ontving. Wat ik vermoedde, bleek waarheid; de markies de Marialva bracht steeds de ochtend met haar door. Ik verwachtte dus een alles behalve vriendelijke ontvangst, toen de actrice met open armen op mij toeliep en riep: “O, mijn broer! wat ben ik blij je te zien!” Bij die woorden omhelsde ze mij en keerde zich daarna tot den Portugees: “Vergeef mij, wij hebben elkaar in geen drie jaren gezien en ik heb mijn broer innig lief.” Daarna wendde zij zich weer tot mij en zei: “Mijn waarde Gil Blas, vertel mij nu eens spoedig al het nieuws omtrent de familie.”In het begin was ik wel een beetje verlegen, maar spoedig kwam ik op mijn gemak, ik vertelde, dat het met onze ouders zeer goed ging en het werd een aardige scène.“Ik twijfel er niet aan,” zei ze, “of ge zult verwonderd zijn, mij als actrice in Granada te zien, maar veroordeel mij niet zonder mij te hooren. Het is nu, zooals ge weet, drie jaar geleden, dat mijn vader mij goed dacht uit te huwelijken, door mijn hand te schenken aan den kapitein, don Antonio Coello, die mij van Asturië meenam naar Madrid, zijn geboorteplaats. Zes maanden na onze aankomst, werd hij door zijn heftig karakter in een eerezaak gewikkeld. Hij doodde een edelman, die het gewaagd had mij eenige attenties te bewijzen. Daar de gevallene tot een aanzienlijke familie behoorde, moest mijn man dadelijk vluchten naar Catalonië. Al het geld en het edelgesteente, dat hij in ons huis vond, had hij meegenomen. Hij scheepte zich te Barcelona in, stak over naar Italië, trad in dienst van Venetië en verloor na eenigen tijd het leven in een gevecht tegen de Turken. Het landgoed, dat wij bezaten en dat zeer bezwaard was, werd verkocht en ik bleef als een onvermogende weduwe achter. Ik zag geen kans naar Asturië terug te keeren. Wat zou ik er hebben moeten doen? Van mijn familie zou ik voor troostniets als condoleanties hebben gekregen. Wat moest ik doen in dien ongelukkigen toestand? Voor een jonge weduwe was dat een moeilijke zaak. Ik had een zeer goede opvoeding gehad en om mijn goeden naam te bewaren, werd ik actrice.Hoewel ik bepaald moeite had, om bij het einde van den roman van Laura niet in lachen uit te barsten, zei ik op ernstigen toon: “Mijn zuster, ik kan niet anders dan uw gedrag goedkeuren en het verheugt mij u in Granada zoo goed te zien ingericht.”De markies de Marialva, die geen woord gemist had van het verhaal, dat de weduwe van don Antonio had verzonnen, mengde zich in ons gesprek en vroeg mij, of ik in Granada of elders een betrekking had. Ik dacht er een oogenblik aan, om te liegen, maar daar ik dat niet noodzakelijk vond, besloot ik de waarheid te zeggen en vertelde hem hoe ik bij den aartsbisschop was gekomen en op welke wijze ik hem had verlaten, een verhaal, waarmee hij zich kostelijk amuseerde. Vermakelijk ook was het lachen, dat Laura herhaaldelijk deed. Natuurlijk dacht zij, dat ik haar voorbeeld volgde en een fabeltje vertelde.Nauwelijks had ik mijn verhaal geëindigd, of een huisknecht kwam zeggen, dat de tafel klaar was. Ik wilde opstaan en mij verwijderen, maar daarvan wilde Laura niet hooren. “Waar denkt ge aan? Ge dineert met ons. En ik wil niet hebben, dat ge langer op die kamer blijft wonen. Laat uw goed vanavond hier brengen en neem bij ons uw intrek.”De Portugeesche heer, wien die gastvrijheid zeker geen genoegen deed, zei: “Neen Estelle, ge zijt er hier niet op ingericht, om nog iemand te huisvesten. Uw broer schijnt mij een beminnelijk man en zijn verwantschap met u boezemt mij belangstelling voor hem in. Ik wil hem in mijn dienst nemen, hij kan mijn secretaris worden en is dan verzekerd van een goede positie. Hij kan bij mij wonen, ik zal heden nog een kamer in orde laten maken.Ik geef hem vierhonderd ducaten salaris en wanneer ik reden heb over hem tevreden te zijn, waaraan ik niet twijfel, dan zal hij zich er wel spoedig over troosten, dat hij te oprecht is geweest tegen zijn aartsbisschop.”Laura en ik putten ons uit in dankbetuigingen, maar de markies wilde er niets van hooren, hij groette zijn theaterprinses en ging heen.Nauwelijks was hij vertrokken, of Laura nam mij mee in haar kabinet, viel in een fauteuil en begon onbedaarlijk te lachen, welk voorbeeld ik onmogelijk na kon laten te volgen.“Gil Blas! Wat hebben wij daar een mooie comedie gespeeld! Maar ik had op zulk een ontknooping niet gerekend. Ik wilde je alleen maar een kamer en eten besparen en om je die met goed fatsoen te kunnen aanbieden, liet ik je voor mijn broer doorgaan. Maar ’t is verrukkelijk, dat je door het toeval nu zoo’n goeden post is aangeboden. Markies de Marialva is een edelmoedig man, die nog wel meer voor je doen zal, dan hij nu beloofde. Een andere vrouw dan ik zou misschien een man, die haar verlaten heeft zonder haar vaarwel te zeggen, niet zoo vriendelijk hebben ontvangen, maar ik ben nu eenmaal van dat goede slag meisjes, die altijd met genoegen een oude liefde weerzien.”Ik vroeg vergiffenis voor mijn onbeleefd gedrag en Laura bracht me daarna in een zeer nette eetzaal, waar we ons aan tafel zetten en elkaar, daar er bedienden tegenwoordig waren, als broeder en zuster behandelden. Na het diner gingen wij weer in het kabinet. Daar moest ik Laura alles vertellen, wat er na onze scheiding met mij was gebeurd. Ik deed haar een zoo getrouw mogelijk rapport en toen ik aan haar nieuwsgierigheid had voldaan, bevredigde zij de mijne.

Zevende BoekHoofdstuk IVan de liefde van Gil Blas en van de dame Lorença Séphora.Dus ging ik naar Xelva, om den goeden Samuel Simon de drieduizend ducaten te brengen, welke wij hem hadden ontstolen. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik op weg veel lust gevoelde, om mij van dat geld meester te maken en zoodoende mijn werk onder gunstige voorteekenen te beginnen. Ik kon dat ongestraft doen; ik had slechts vijf dagen op reis te blijven en dan te zeggen, dat ik mij van mijn taak had gekweten. Don Alphonse en zijn vader waren mij te gunstig gezind om mij te verdenken. Maar ik wist aan de verzoeking weerstand te bieden, als man van eer, mag ik wel zeggen, betaalde den koopman, die daarop in het geheel niet had gerekend, het geld uit, en keerde naar het kasteel de Leyva terug. De graaf de Polan was er niet meer, hij was met Julie en don Fernand naarTolédogegaan. Ik vond mijn nieuwen meester verliefder dan ooit op zijn Séraphine, zijn Séraphine verrukt bij hem te zijn en don César gelukkig, hen beiden te bezitten. Ik legde er mij op toe, dezen goeden vader voor mij te winnen en ik slaagde er ook in.Als intendant van het heele huis, ontving ik het geld van de boeren, deed de uitgaven en had een onbeperkte macht over het personeel, waarvan ik echter geen misbruik maakte, zooals mijn collega’s vaak doen. De bewijzen van genegenheid, welke mijn meesters mij steeds gaven, boezemden mij grooten ijver in voor hun dienst. Ik had alleen maar oog voor hun belang, mijn administratie was goed en eerlijk; ik waseen intendant, zooals men er geen beteren vindt.Terwijl ik mij zoo verheugde in mijn uitstekende positie, wilde de god van de liefde mij ook zijn gunsten betoonen en deed in het hart van Lorença Séphora, een van de vrouwen van Séraphine, een sterke neiging geboren worden voor mijnheer den intendant. Om als getrouw geschiedschrijver de waarheid te zeggen, betrof mijn verovering een vijftigjarige. Ze had echter een frisch, aangenaam uiterlijk en mooie oogen, waarmee ze goed wist te werken. Haar kleur had ik gaarne wat rooder gezien, ze was me te bleek, wat ik aan haar oude vrijster-schap toeschreef.Deze dame wierp mij eerst voortdurend blikken toe, waarin hare liefde voor mij was te lezen, maar ik deed of ik de beteekenis ervan niet begreep. Daardoor scheen ik haar nog onbedreven in die zaken, wat haar wel beviel. Zij verbeeldde zich dus, dat ze bij zulk een onervaren jongeman zich niet bepalen kon tot de taal der oogen en bij het eerste onderhoud, dat ik met haar had, begon ze van haar gevoelens te spreken. Zij gedroeg zich daarbij als een vrouw, die ondervinding had, ze was verlegen en toen ze alles gezegd had wat ze wilde, bedekte ze haar gelaat met de handen, om mij te doen gelooven, dat ze er schaamte over gevoelde, dat ze mij haar zwakheid had getoond. Hoewel de ijdelheid mij meer bewoog dan het gevoel, toonde ik mij zeer dankbaar voor het blijk van hare genegenheid, ik deed zelfs alsof ik hartstochtelijk verliefd op haar was. Ze vreesde zeker, dat het geen goeden indruk zou maken, indien ze zich zoo gemakkelijk liet overwinnen en deed mij op zachten toon verwijten over mijn al te groote vermetelheid, maar scheen toch niet boos. Séphora verbeeldde zich, dat zij door haar voorgewenden tegenstand in mijn oog voor een Vestaalsche maagd doorging.Aan dit avontuur kwam echter spoedig een einde. Een van de lakeien van don César, een van die nieuwsgierigen, die graag alles zien wat er in een huis voorvalt endat dan oververtellen, deelde mij op zekeren dag mee, dat Lorença iederen avond den chirurgijn van het dorp in het geheim in haar kamer ontving en dat die jonge man er lang bleef.Mijn ijdelheid werd door dit bericht zeer getroffen en ik was bijna even kwaad, als ik geweest zou zijn, wanneer ik werkelijk jaloersch was geweest. Ik beheerschte mijn gevoelens en lachte zelfs om het nieuwtje, maar zoodra ik alleen was, stelde ik mij schadeloos door te razen en te tieren. Ik meende, dat mijn eer gebood, om den chirurgijn te verjagen en besloot hem tot een duel uit de dagen. ’s Avonds stelde ik mij in hinderlaag op en zag werkelijk den man, met een geheimzinnig gezicht de kamer van mijn geliefde binnengaan. Ik wachtte hem bij zijn terugkomst op den weg op en ieder oogenblik groeide mijn vechtlust aan, maar zoodra mijn vijand verscheen, die een groote en sterke man was, voelde ik mij plotseling als een held van Homerus, door een soort van vrees teruggehouden. Ik was even verward als Paris, wanneer hij Menelaus bevechten moet. Niettemin, hoewel zijn degen mij buitengewoon lang leek, trad ik op hem toe.Mijn handelwijze verraste hem. “Wat is er, mijnheer Gil Blas? Waartoe die bewegingen van een dolenden ridder?”“Mijnheer de barbier,” zei ik, “ik ben ernstiger dan ooit en wil weten, of gij even dapper zijt als galant. Reken er niet op, dat ik u rustig de gunsten zal laten genieten van de dame, die ge iederen avond in het kasteel bezoekt.”De chirurgijn begon hartelijk te lachen en riep: “Bij den Heiligen Côme, hoe kan de schijn bedriegen! Dat is waarlijk een vermakelijk avontuur!”Daar ik uit die woorden meende te mogen afleiden, dat hij even weinig lust had om te vechten als ik, werd ik brutaler en zei: “Spot met anderen, mijnheer! Mij zult ge met zulk een antwoord niet afschepen.”“Ik zie wel,” hernam hij, “dat ik verplicht ben te spreken,om een ongeluk te voorkomen, dat u of mij zou kunnen treffen. Dus zal ik u een geheim vertellen, hoewel mannen van ons vak niet discreet genoeg kunnen zijn. Weet dan, dat die dame een verouderde zweer in haar rug heeft en dat ik die iederen avond ga verbinden. Om haar kwaal voor de bedienden te verbergen, laat zij mij ongemerkt binnenkomen. Dat is de reden van mijn bezoeken, die u zoo schijnen te verontrusten. Maar zijt ge met mijn verklaring niet tevreden, dan hebt ge slechts te spreken.” Bij die laatste woorden sloeg hij de hand aan zijn rapier.Ik haastte mij hem te zeggen, dat ik niet een van die menschen was, die niet vatbaar zijn voor rede en dat ik hem niet meer als mijn vijand beschouwde. Wij drukten elkaar de hand en scheidden als de beste vrienden.Van dat oogenblik af vertoonde Séphora zich niet bekoorlijker aan mijn geest en ik vermeed alle gelegenheid om met haar alleen te zijn, wat ze al spoedig opmerkte. Verwonderd over zulk een verandering, wilde zij er de redenen van weten en vond eindelijk gelegenheid mij zonder het bijzijn van anderen te spreken. Ze zei: “Mijnheer de intendant, zeg mij als ’t u belieft waarom ge mij ontvlucht. Inplaats van, zooals vroeger, de gelegenheid te zoeken, met mij te spreken, vermijdt ge mij. Het is waar, den eersten stap heb ik gedaan, maar gij hebt er op geantwoord, herinner u maar het onderhoud, dat wij toen hadden; gij waart een en al vuur, nu zijt ge als ijs. Wat heeft dat te beteekenen?”De kwestie was wel een weinig kiesch en zeer moeilijk; ik weet niet goed meer welk antwoord ik gaf, maar wel, dat het haar geenszins beviel. Séphora, die er zacht en goedig uitzag als een lam, was gelijk een tijgerin als haar woede opgewekt werd.“Ik geloof,” zei ze en ze wierp mij een blik toe, vol woede en spijt, “dat ik een man van geringe afkomst te veel eer heb bewezen, door hem gevoelens te openbaren, waarop adellijke heeren trotsch zouden zijn. Ik ben er wel voor gestraft, dat ik mij onwaardiglijk heb verlaagd tot een ongelukkigen avonturier.”Het bleef daar niet bij, ze had nog honderd andere namen voor mij. Ik was te levendig van natuur om kalm te blijven en de beleedigingen te verdragen, waarom een ander, verstandiger man misschien zou hebben gelachen. Mijn geduld was ten einde en ik zei: “Mevrouw, als die adellijke heeren, waarvan ge spreekt, uw rug hadden gezien, dan geloof ik, dat hunne nieuwsgierigheid daartoe wel beperkt zou zijn gebleven.”Ik had dat nog niet gezegd, of ik kreeg een slag in mijngezicht, zooals een gebelgde vrouw er misschien nog nooit een heeft gegeven. Ik wachtte er niet meer af en liep weg. Zeer dankbaar, dat dit pijnlijk onderhoud was afgeloopen, verbeeldde ik mij, dat ik verder niets had te vreezen, daar de dame zich gewroken had. Voor haar eer scheen het mij beter, dat ze over het avontuur zweeg en werkelijk verliepen er veertien dagen, dat ik er niet over hoorde spreken. Ik begon het reeds te vergeten, toen ik op zekeren dag hoorde, dat Séphora ziek was. Niettegenstaande al het gebeurde, had ik toch medelijden met haar; ik dacht, dat misschien haar ongelukkige liefde voor mij haar deze ziekte had veroorzaakt. Spoedig bemerkte ik, hoe die liefde in hevigen haat was veranderd en zij niets onbeproefd had gelaten om mij te benadeelen.Op een ochtend, dat ik met don Alphonse alleen was, vond ik hem in een neerslachtige stemming. Ik vroeg hem, wat er was en hij zei, dat het hem verdriet deed Séraphine zoo zwak en ondankbaar te zien. “Dat verwondert u,” voegde hij eraan toe, “maar het is waar. Ik weet niet welke redenen ge aan Lorença hebt gegeven om u te haten, maar ik kan u verzekeren, dat ze u verfoeit en ze zegt, dat ge ongetwijfeld haar dood zult veroorzaken, indien gij niet spoedig het kasteel verlaat. Ge moet niet denken, dat Séraphine zich in het begin daar niet tegen verzet heeft, maar ze is een vrouw, en zeer gehecht aan Lorença, die haar opgevoed heeft. Wat mij betreft, ik zal nooit toegeven hoe lief ik Séraphine ook heb. Alle duenna’s in Spanje mogen omkomen vóór ik een jongen man wegstuur, die voor mij meer een broeder dan een ondergeschikte is.”Ik antwoordde hem: “Mijnheer, ik ben nu eenmaal geboren om een speelbal van de fortuin te zijn. Hier, waar alles mij zulke gelukkige dagen voorspelde, had ik gedacht, dat daaraan een eind gekomen zou zijn, maar het is niet zoo. Dus zal ik heengaan.”Don Alphonse wilde daarvan niet weten. “Neen, neen,” riep de edelmoedige zoon van don César. “Laat mij Séraphinetot rede brengen. Men zal niet kunnen zeggen, dat gij opgeofferd zijt aan de grillen van een duenna, aan wie toch al te veel wordt toegegeven.” Ik overwoog echter, dat alleen mijn heengaan de rust op het kasteel kon herstellen. Den volgenden morgen vroeg vertrok ik, zonder afscheid te nemen van mijn meesters. In mijn kamerliet ik een schrijven achter, waarin ik uitvoerig verslag deed van de door mij gevoerde administratie.Hoofdstuk IIWat Gil Blas werd, nadat hij het kasteel de Leyva had verlaten en van de gelukkige gevolgen, die zijn ongelukkige liefde had.Ik reed op een goed paard, dat mij toebehoorde en had in mijn valies tweehonderd pistolen, grootendeels afkomstig van de gedoode roovers en van de drieduizend gestolen ducaten, die don Alphonse uit zijn eigen zak had terugbetaald; ik kon dus onbezorgd de toekomst tegemoet gaan, met het vertrouwen bovendien, dat men altijd heeft op een leeftijd, dien ik toen had. Mijn doel stond nog niet vast; wel kon ik naarTolédogaan, waar de graaf de Polan mij als een van zijn bevrijders ongetwijfeld zeer goed zou ontvangen, maar ik wilde eerst reizen en verlangde om Murcia en Granada eens te zien. In die laatste stad kwam ik na enigen tijd zonder eenigen tegenspoed aan. Het scheen, dat de fortuin, voldaan over zooveel parten, die ze mij den laatsten tijd gespeeld had, mij eindelijk met rust wilde laten. Echter bereidde zij mij andere voor, zooals men vernemen zal.Een van de eerste personen, die ik in de straten van Granada ontmoette, was don Fernand de Leyva, schoonzoon van den graaf de Polan. Wij waren beiden even verrast elkaar daar te zien. Hij vroeg mij, hoe ik in Granada kwam. Ik deelde hem mee, dat ik den dienst van don César en diens zoon had verlaten en vertelde hem uitvoerig al wat er tusschen Séphora en mij was gebeurd. Hij lachte er hartelijk om en wilde aan zijn schoonzuster schrijven en als bemiddelaar optreden. Ik dankte hem voor zijn aanbod, maar verklaarde hem, in geengeval naar het kasteel de Leyva terug te zullen gaan. Wel verzocht ik zijn voorspraak, indien soms een van zijn vrienden een intendant of secretaris mocht noodig hebben.Hij beloofde mij zijn hulp, zei, dat hij in Granada was om een oude, zieke tante te bezoeken en dat ik hem over eenige dagen maar eens in zijn hotel moest komen opzoeken. Misschien wist hij dan wel een goede betrekking voor mij. Toen ik hem eenige dagen later bezocht, zei hij, dat de aartsbisschop van Granada, een bloedverwant en vriend van hem, een man noodig had, op de hoogte van literatuur en met een goede hand, om zijne geschriften in het net over te schrijven. Hij had don Fernand beloofd mij te zullen nemen, dus moest ik mij gaan presenteeren.Ik kwam in een paleis, dat even prachtig was als dat van onze koningen en vond in de zalen een groot gezelschap, geestelijken en edellieden. De lakeien hadden zeer fraaie kleeren, men zou hen eerder voor groote heeren dan voor knechts hebben aangezien. Ik moest lachen toen ik ze gewichtig zag doen en dacht bij mezelf: “die menschen zijn wel gelukkig, dat zij het juk der dienstbaarheid niet voelen, want anders zouden ze zich minder hooghartig toonen.” Ik richtte mij tot een grooten en dikken man, die voor de deur van het kabinet van den aartsbisschop stond, om die te openen en te sluiten, wanneer het noodig was. Ik vroeg hem beleefd, of er gelegenheid was monseigneur een oogenblik te spreken. Op hoogen toon zei hij mij, dat ik moest wachten, dat monseigneur zou uitgaan om de mis te hooren en mij dan een oogenblik audientie geven zou in het voorbijgaan.Ik wapende mij met geduld en sprak eenige officieren aan, maar ze namen mij van het hoofd tot de voeten op, verwaardigden mij met geen woord en keken elkaar met een trotschen glimlach aan, omdat ik de vrijheid had genomen mij in hun gesprek te mengen.Nog had ik mij niet geheel hersteld van mijne verlegenheid op zulke wijze te worden behandeld, toen dedeur openging en de aartsbisschop verscheen. Allen namen dadelijk een zeer eerbiedige houding aan. De prelaat was een man van ongeveer zeventig jaar, kort en dik, ongeveer als mijn oom de deken Gil Perez. Hij had krommebeenen en was zóó kaal, dat er alleen nog maar een klein bosje haar achter op zijn hoofd zat. Zijn gelaat vond ik als dat van een voornaam man, misschien wel omdat ik wist, dat hij dat was. Wij gewone menschen beschouwen groote heeren dikwijls met een vooringenomenheid, die hun een uiterlijk van grootheid geeft, dat de natuur hun heeft geweigerd.De aartsbisschop naderde mij en vroeg op zachten toon, wat ik verlangde. Ik antwoordde, dat ik de man was, van wien don Fernand de Leyva hem had gesproken. “Ah! zijt gij het, van wien hij mij zooveel goeds heeft verteld? Ik verbind u aan mijn dienst, ge zijt een goede aanwinst voor mij. Ge kunt hier wonen.” Na die woorden sprak hij nog een oogenblik met eenige geestelijken en verliet het vertrek. Nauwelijks was hij weg, of dezelfde officieren, die eerst niet met mij hadden willen spreken, kwamen naar mij toe. Ze betuigden mij hun vreugde, dat ik met hen in het paleis zou wonen. Ze hadden de woorden gehoord, die hun meester tot mij had gesproken en brandden van verlangen om te weten in welke positie ik was geplaatst, maar ik had er een genoegen in om hun nieuwsgierigheid onbevredigd te laten en mij op die wijze te wreken over de minachting, die ze mij eerst hadden betoond.Monseigneur kwam spoedig terug en liet mij bij zich komen in zijn kabinet. Zooals ik wel vermoed had, begon hij met een onderzoek naar mijn kennis. Hij deed mij verschillende vragen op het gebied van geschiedenis en letterkunde. Op alles gaf ik hem voldoende antwoorden en hij maakte de opmerking, dat mijn opvoeding niet verwaarloosd was geworden. Vervolgens moest hij mijn schrift zien, ook daarover was hij zeer tevreden. Hij zei, dat hij zijn neef dankbaar was, dat deze hem een zoo geschikt persoon had aanbevolen.Er werd bezoek aangediend en ik begaf mij onder de officieren, die mij met beleefdheden overlaadden. Toen het tijd er voor was, ging ik met hen eten. Wederkeerigbeschouwden wij elkaar en ik vond, dat de geestelijke heeren er zeer wijs uitzagen. Zij leken mij heilige personages, zoo was ik onder den indruk van de plaats waar ik mij bevond. De gedachte kwam niet bij mij op, dat het valsche schijn was, alsof zooiets uitgesloten was bij de vorsten der kerk.Aan tafel zat ik naast een ouden kamerdienaar, genaamd Melchior de la Ronda. Daar hij de attentie had, om er voor te zorgen, dat ik van het beste bediend werd, was ik zeer beleefd tegen hem, wat hem kennelijk genoegen deed. Na tafel zei hij me, dat hij graag een onderhoud met mij wilde hebben en hij nam mij mee naar een gedeelte van het paleis, waar wij door niemand beluisterd konden worden. Hij zei: “Mijn zoon, van het eerste oogenblik, dat ik u heb gezien, heb ik mij tot u aangetrokken gevoeld. Ik wil u daarvan een zeker bewijs geven, door u vertrouwelijke mededeelingen te doen, die u van groot nut zullen zijn. Ge zijt hier in een huis, waarin ware en valsche vromen met elkaar leven. Er zou voor u een heele tijd noodig zijn, om het terrein te verkennen. Ik wil u die lange en onaangename studie besparen, door u het een en ander mee te deelen omtrent het karakter van verschillende personen. Daarnaar kunt ge u gedragen.Ik zal beginnen met monseigneur. Hij is een zeer vrome prelaat. Al sinds vijf en twintig jaar leeft hij uitsluitend voor het heil van zijn kudde. Hij is een zeer geleerd man en een groot redenaar. Hij preekt graag en zijn toehoorders hangen aan zijn lippen. Misschien is hij daar een weinig ijdel op. Indien het mij overigens geoorloofd was aanmerkingen op mijn meester te maken, zou ik zeggen, dat hij voor zwakke broeders dikwijls te streng is en hen te zwaar straft. Een ander gebrek heeft hij met vele andere aanzienlijke heeren gemeen; hij houdt wel van de personen, die in zijn dienst zijn, maar let weinig op hun werk en hunne verdiensten. Hij zal ze oud laten worden in zijn huis zonder er aan te denken voor hen te zorgen. Wanneer hij hun soms een gratificatie geeft, danhebben zij die te danken aan de goedheid van iemand, die voor hen gesproken heeft.”Na dit portret van onzen meester kreeg ik er een van de verschillende geestelijken, met wie wij gedineerd hadden. Naar wat ik ervan hoorde, waren het niet zoozeer slechte menschen, dan wel slechte priesters. Hij zonderde er enkelen uit, wier deugd hij prees. Van dien avond af was ik niet verlegen meer met mijn houding tegenover de heeren. Dienzelfden dag nog aan het souper schafte ik mij een wijs gezicht aan net als zij. Dat kost niets. Men moet zich niet erover verbazen, dat er zooveel huichelaars zijn.Hoofdstuk IIIGil Blas wordt de gunsteling van den aartsbisschop en het kanaal van zijn gunsten.Men had in het gebouw een zeer goede en zindelijke slaapkamer voor mij in orde gemaakt en den volgenden dag werd ik al vroeg bij monseigneur geroepen. Hij gaf mij een preek om over te schrijven en drukte mij op het hart dat zoo nauwkeurig mogelijk te doen. Ik voldeed daaraan en vergat geen punt en geen komma. Hij keek mijn copie in en was verrukt daarover. “Zeg me eens eerlijk,” zei hij, “ge zijt een te goed copiïst, om ook niet een taalkundige te zijn, hebt ge al schrijvende niets gevonden, dat u hinderde? Geen slordigheid in mijn stijl, of eenige onjuiste uitdrukking? Die kunnen mij gemakkelijk ontsnapt zijn in het vuur van mijn scheppingsdrang.”“O, monseigneur,” zei ik bescheiden, “ik ben niet ontwikkeld genoeg, om critische aanmerkingen te maken en wanneer ik het zou doen, dan ben ik toch overtuigd, dat uw werken mijn censuur zouden trotseeren.” De prelaat glimlachte en antwoordde mij niet, maar hij liet duidelijk merken, dat hij met al zijn vroomheid, niet ongestraft schrijver was.Door deze en andere vleierijen won ik zijn vertrouwen. Van dag tot dag bleek hij meer op mij gesteld en ik hoorde van don Fernand, die hem dikwijls opzocht, dat mijn fortuin gemaakt was.Op een avond repeteerde hij voor mij een preek, bestemd om den volgenden dag in de cathedraal te worden uitgesproken. Hij bepaalde zich er niet toe met mij te vragen, wat ik er over het algemeen van dacht, maarnoodzaakte mij ook om te zeggen, welke gedeelten mij het meest hadden getroffen. Ik had het geluk hem eenige passages op te noemen, die voor hem geliefkoosde stukken waren. Daardoor ging ik bij hem door voor een man, die een fijnen smaak bezat voor het schoone en goede in een werk. Hij was zoo tevreden, dat hij mij zei, dat ik in het vervolg gerust kon wezen over mijn lot en dat hij dat zoo aangenaam mogelijk zou maken. “Ik houd van je en om je dat te bewijzen zal ik je tot mijn Vertrouweling maken.”Hij had die woorden nog niet uitgesproken, of ik viel op de knieën en omklemde zijn kromme beenen, om een bewijs te geven van mijn dankbaarheid. Hij ging voort met spreken en zei: “Ik wil u een bewijs geven van mijn groot vertrouwen. Ik heb genoegen in preeken, de Heer zegent mijn woorden. Ik breng den gierigaard ertoe zijn kisten te openen en den inhoud kwistig uit te deelen, den wellusteling zijn genietingen op te geven, de hermitages bevolk ik met geloovigen en een onstandvastige vrouw doe ik haar verleider ontvlieden. Deze veelvuldige bekeeringen moesten voldoende zijn om mij aan het werk te houden. Maar ik zal je mijn zwakheid bekennen, ik stel er grooten prijs op, dat de wereld mijn geschriften bewondert. En ik moet het zeggen, de roem om voor een uitmuntend prediker door te gaan heeft voor mij veel bekoring. Ook mijn werken prijst men algemeen, maar ik wil de fout vermijden van vele schrijvers, die te lang schrijven en daardoor een gedeelte van hunne reputatie verliezen. Dus, mijn waarde Gil Blas, ik vraag van u, als een bewijs van uw toewijding en ijver, mij te waarschuwen wanneer ge zult merken, dat mijn pen den ouderdom gaat gevoelen. Ik vertrouw ook in dit opzicht op u.”“Monseigneur,” zei ik, “den Hemel zij dank, dat die tijd nog ver verwijderd is. Een geest als de uwe blijft langer groot dan een andere. Ik beschouw u als een tweeden kardinaal Ximenès, wiens buitengewoon genie, inplaats van door de jaren te verzwakken, steeds nieuwe krachtenontving.” “Vlei mij niet, mijn vriend. Op mijn leeftijd begint men gebreken te voelen en de gebreken van het lichaam veranderen den geest. Wees niet bevreesd om eerlijk te zijn. Ik zal je waarschuwing beschouwen als eenbewijs van je genegenheid. Bovendien gaat het om je eigen belang. Als ik bij ongeluk vernam, dat men in de stad zei, dat mijn preeken minder werden en dat ik rust moest gaan nemen, verklaar ik je, dat je tegelijk met mijn vriendschap het fortuin zou verliezen, dat ik je beloofd heb.”Van dat oogenblik af was ik de verklaarde gunsteling van den aartsbisschop. Het personeel liet mij dat ook merken door buitengewone beleefdheden tegenover mij, om mijn gunst te winnen; ik kon bijna niet begrijpen, dat het uit Spanjaarden bestond. Van mijn positie maakte ik gebruik door te bewerken, dat mijn vriend Melchior een goede gratificatie kreeg.Wat ik op zekeren dag voor een priester wist gedaan te krijgen, mag worden vermeld. Ik maakte kennis met een jongen priester, Louis Garcia, iemand met een zeer gunstig uiterlijk, naar ik vernam een eerlijk man, die aalmoezenier was geweest, maar dien men belasterd had bij monseigneur, die niets meer van hem wilde weten. Alle pogingen door verschillende personen in Granada gedaan, om hem weer in genade te doen opnemen, waren vruchteloos geweest. Gelukkig schreef hij een buitengewoon mooie hand en daardoor meende ik hem te kunnen helpen. Ik stak een door hem beschreven vel papier bij mij en toen ik alleen met den aartsbisschop was, liet ik hem dat zien. Mijn patroon prees het zeer en van die gelegenheid besloot ik gebruik te maken. “Monseigneur,” zei ik, “daar ge weigert om uwe preeken te laten drukken, zou ik althans wenschen, dat ze zóó geschreven waren.”“Ik ben over uw schrift tevreden,” zei de prelaat, “maar ik geef toe, dat ik wel graag van die hand een copie van mijn werk zou hebben.” “U hebt maar te spreken,” zei ik, “die man is een bekende van mij en misschien kunt u hem op die wijze helpen uit den treurigen toestand, waarin hij zich bevindt.”De aartsbisschop vroeg mij naar den naam. “Hij heet Louis Garcia,” zei ik, “en is wanhopig over de ongenade,waarin hij bij u gevallen is.” “Die Garcia,” viel hij mij in de rede, “is, geloof ik, aalmoezenier geweest. Ik herinner mij nog de memories, die tegen hem zijn ingekomen. Op zijn gedrag moet nog al iets te zeggen zijn geweest.” “Monseigneur,” hernam ik, “het is niet mijn bedoeling, hem te rechtvaardigen, maar ik weet, dat de man vijanden heeft en hij zegt, dat die memories meer ingegeven zijn door zucht om hem te benadeelen, dan om de waarheid te zeggen.” ”’t Is mogelijk,” zei de prelaat, “er zijn zulke slechte menschen in de wereld. Overigens, wanneer hij zich niet goed gedragen heeft, kan hij berouw daarover hebben. Voor alle zonden is er vergeving. Breng mij dien man maar.”Zoo ziet men, dat zelfs de meest strenge menschen hun strengheid vergeten, wanneer hun belang dit meebrengt.Den volgenden dag bracht ik Garcia bij mijn meester, die hem eerst een kleine berisping gaf en daarna aan het werk zette, om zijn preeken in het net over te schrijven. Later benoemde hij hem weer tot priester en zelfs kreeg hij de parochie van Gabië, een groote plaats in de buurt van Granada. Wat een bewijs is, dat weldaden niet altijd bewezen worden aan hen, die ze verdienen.Hoofdstuk IVDe aartsbisschop krijgt een beroerte. Van de verlegenheid, waarin Gil Blas zich bevindt en op welke wijze hij er weer uitkomt.Don Fernand de Leyva maakte zich gereed, om Granada te verlaten; ik ging afscheid van hem nemen en bedankte hem opnieuw voor de mooie betrekking, die ik gekregen had. “Ik ben daar zeer tevreden,” zei ik. “de prelaat is buitengewoon goed voor mij en dat troost mij over het verlaten van don César en zijn zoon.”“Ik ben er van overtuigd,” zei hij bij het scheiden, “dat uw vroegere meesters door uw heengaan een groot verlies hebben geleden, maar misschien zijt gij wel niet voor altijd van hen gescheiden. De geheele familie zal steeds levendig belang blijven stellen in uw lot.”Twee maanden later was er een groote opschudding in het bisschoppelijk paleis; mijn meester had een beroerte gekregen. Na eenige dagen echter, scheen hij weer te herstellen. Maar zijn geest had een gevoeligen schok gekregen. Ik merktedat al dadelijk toen hij weer een preek maakte. Ik wachtte nog een tweede af en die was voor mij beslissend. Niet ik alleen merkte dit op, ook zijn toehoorders fluisterden het elkaar in stilte toe. “Komaan, mijnheer de criticus,” zei ik tot mijzelf, “nu moet gij u voorbereiden op uw taak. Ge ziet, dat monseigneur minder wordt en ge moet hem waarschuwen; anders is een van zijn vrienden misschien vrijmoedig genoeg, om u voor te wezen. Ge zult dan geschrapt worden in zijn testament.”Maar bij die overdenkingen kwamen er weer andere.De waarschuwing was niet gemakkelijk te geven. Ik meende, dat een auteur, ingenomen met zijn werk, die misschien slecht zou kunnen opvatten. Maar ik verwierp die gedachte weer en geloofde, dat hij er onmogelijk kwaad om kon worden, na het van mij op zoo dringende wijze geëischt te hebben. Bovendien kon ik het handig inkleeden, om zoodoende de pil te vergulden. Bij slot van rekening vond ik het gevaarlijker om het stilzwijgen te bewaren, dan het te verbreken. Dus besloot ik te spreken.Ik was er nu alleen nog maar verlegen mee, hoe te beginnen. Gelukkig kwam de redenaar mij onverwachts zelf te hulp, door mij te vragen, wat men zei van zijn laatste preek. Ik antwoordde hem, dat men altijd zijn preeken bewonderde, maar dat zijn laatste niet zulk een diepen indruk op het gehoor had gemaakt als de andere. Hij toonde zich daar verwonderd over en ik haastte mij te zeggen, dat niemand het waagde zijn werk te critiseeren, maar dat hij mij zelf had bevolen ronduit met hem te spreken en dat ik daarom de opmerking waagde, dat zijn laatste preek in kracht bij de andere achterstond.Mijn woorden deden hem verbleeken en hij zeide met een gedwongen glimlach: “Dat stuk is dus niet naar uw zin geweest, mijnheer Gil Blas?” “Ik vond het uitstekend,” hernam ik, “maar het stond niet even hoog als uw ander werk.”“Ik begrijp u,” antwoordde hij, “Het schijnt u toe, dat ik minder word en dat ik eraan moet gaan denken, om mij terug te trekken.” Ik zei hem, dat ik nooit de stoutmoedigheid zou hebben gehad, zoo tot hem te spreken, indien hij het niet zelf mij had bevolen, dat ik dus niet anders had gedaan dan hem gehoorzamen en dat ik hoopte, dat hij mij dit niet kwalijk zou nemen. “Daar denk ik niet aan, om het u kwalijk te nemen,” zei hij, “ik zou al zeer onrechtvaardig zijn, indien ik dat deed en ik vind het volstrekt niet verkeerd, dat ge mij uw meening zegt. ’t Is alleen uw meening zelve, die ik verkeerdvind. Ik ben de dupe geworden van uw bekrompen verstand.”Hoe ontdaan ook, zocht ik toch nog naar woorden om den redenaar, die niet anders gewoon was, dan zich te hooren prijzen, zachter te stemmen. “Laten wij er niet verder over spreken, mijn zoon,” zei hij, “ge zijt nogte jong, om het ware van het valsche te onderscheiden. Neem van mij aan, dat ik nooit een betere preek heb geleverd dan de laatste, die niet naar uw smaak was. Mijn geest heeft gelukkig nog niets van zijn kracht verloren. Voortaan zal ik echter beter mijn vertrouwelingen kiezen. Ik wil bekwamere mannen dan gij zijt, om mijn werk te beoordeelen. Ga mijn schatmeester zeggen, dat hij u honderd ducaten uitbetaalt en met die som hoop ik, dat de hemel u zal geleiden. Vaarwel, mijnheer Gil Blas! Ik wensch u allen voorspoed en een weinig meer smaak,”Hoofdstuk VWat Gil Blas deed, nadat de aartsbisschop hem zijn ontslag had gegeven. Door welk toeval hij den geestelijke ontmoette, die zooveel verplichting aan hem had en welke bewijzen van erkentelijkheid hij van hem ontving.Ik verliet het kabinet, de gril, of liever de zwakheid van den aartsbisschop verwenschende en meer vervuld van toorn tegen hem, dan met droefheid over het verlies van zijn gunst. Eenigen tijd aarzelde ik zelfs, of ik zijn honderd ducaten wel zou gaan ontvangen; maar na goed te hebben nagedacht, besloot ik niet zoo dwaas te zijn, die te laten loopen. Ik meende, dat dit geld mij niet het recht zou ontnemen, om den prelaat belachelijk te maken, wat ik voornam te doen bij elke gelegenheid, dat zijn preeken ter sprake zouden komen.Dus ging ik de honderd ducaten aan den schatmeester vragen, zonder hem met een enkel woord te spreken over hetgeen er tusschen zijn meester en mij was voorgevallen. Daarna ging ik afscheid nemen van Melchior de la Ronda. Hij hield te veel van mij, om niet getroffen te zijn door mijn ongeluk. Dat kon ik aan zijn gelaat zien, terwijl ik hem het geheele verhaal deed. Niettegenstaande al het respect, dat hij voor den aartsbisschop had, keurde hij deze handelwijze sterk in hem af; maar, toen ik in mijn toorn riep, dat ik het hem betaald zou zetten, zei hij: “Mijn waarde Gil Blas, geloof mij, ’t is beter uw verdriet in stilte te dragen. Gewone menschen moeten altijd personen van hoogen stand respecteeren, ook al hebben zij reden zich over hen te beklagen. Wel geef ik toe, dat zij vaak verdienen, om met minder eerbied behandeld te worden,maar zij kunnen ons benadeelen, dus moeten wij hen vreezen.”Ik bedankte mijn ouden vriend voor zijn raad en besloot daarvan te profiteeren. Daarna zei hij nog: “Indien ge naar Madrid gaat, bezoek dan Jozeph Navarro, mijn neef, hij is chef van dienst bij don Baltazar de Zuniga en ik durf te zeggen, dat hij uw vriendschap waard is, hij is levendig, flink en voorkomend. Ik zou wel wenschen, dat ge met hem kennis maakte.” Ik antwoordde, dat ik niet zou nalaten Joseph Navarro te gaan opzoeken, zoodraik in Madrid zou zijn, waarheen ik wel zou terugkeeren. Vervolgens verliet ik het bisschoppelijk paleis, om er nooit weer een voet in te zetten. Indien ik mijn paard nog had gehad, zou ik zonder twijfel naarTolédozijn gegaan, maar ik had het verkocht, omdat ik het niet meer dacht noodig te hebben. Het eerste wat ik nu deed, was een kamer zoeken, want ik wilde nog een maand in Granada blijven en daarna den graaf de Polan opzoeken.Toen de tijd voor het diner naderde, vroeg ik mijn hospita of er niet een goede restauratie in de buurt was. Ze antwoordde mij, dat er een uitstekende was op twee passen afstand van haar huis, waar men zeer goed werd bediend en waar veel nette lieden kwamen.Ik ging er dadelijk heen en trad een zaal binnen, waar tien of twaalf personen aan een niet al te zindelijke tafel zaten. De portie eten, die men mij bracht, was van dien aard, dat ik op een anderen tijd zeker mijn vorige tafel zou hebben betreurd, maar ik was daarover nu te kwaad op den aartsbisschop.Terwijl ik zoo, zonder dat ik reden had om bang te zijn, dat ik mijn maag zou overladen, zat te eten, kwam Louis Garcia, die pastoor van Gabie, bij Granada, was geworden, de zaal binnen. Hij was zeer verheugd mij te zien, kwam naast mij zitten en zei, na nogmaals van zijn dankbaarheid te hebben gesproken: “Nu de fortuin mij u doet ontmoeten, zullen we niet scheiden voor we samen hebben gedronken. Maar, daar er hier geen goeden wijn te krijgen is, zullen we op een andere plaats een fijne flesch nemen. Wij moeten ons dit genoegen veroorloven, weiger het mij niet. Wat zal ik gelukkig zijn, wanneer ik u eens in mijn pastorie te Gabie mag zien! Ge zult daar ontvangen worden als een edelmoedige Mécénas, aan wien ik het gemakkelijke leven, dat ik nu leid, dank.”Hij begon te eten en intusschen vertelde ik hem zoo nauwkeurig mogelijk alles wat er tusschen den aartsbisschop en mij was voorgevallen. Ik had verwacht, dat hij zijn leedwezen daarover zou hebben betuigd, dat hijbitter en scherp over den aartsbisschop zou zijn uitgevallen. Maar niets van dit alles, hij werd stil en nadenkend. Toen hij gegeten had, stond hij plotseling van tafel op, groette mij koel en vertrok. Toen hij zag, dat ik hem niet meer nuttig kon zijn, bespaarde die ondankbare zich zelfs de moeite niet mij zijn gevoelens te verbergen. Ik lachte om zijn ondankbaarheid en hem aanziende met al de minachting, die hij verdiende, riep ik, hard genoeg om gehoord te worden: “Hallo! mijnheer de wijze aalmoezenier, ga de fijne flesch vast laten afkoelen, waarop ge mij zoudt onthalen!”Hoofdstuk VIGil Blas gaat de comedie te Granada bezoeken. Van de verwondering, die het zien van een actrice bij hem opwekte en hetgeen daardoor gebeurde.Garcia was nog niet uit de zaal, of er traden twee fatsoenlijk gekleede heeren binnen, die dicht bij mij kwamen zitten. Ze begonnen te spreken over den schouwburg te Granada en het nieuwste stuk, dat men speelde. Volgens hen trok dat stuk algemeen de aandacht. Door wat ik hoorde, kreeg ik lust het eens te gaan zien. Ik had de comedie nog niet bezocht, sedert ik te Granada was, want bij den aartsbisschop wilde men daar niets van weten. De preeken waren mijn eenig amusement geweest.Toen het tijd werd, ging ik dus naar den schouwburg, waar een talrijk publiek bijeen was. Om mij heen hoorde ik niets dan beschouwingen over het stuk en ik merkte op, dat de geheele wereld zich tot oordeelen bevoegd achtte. De een verklaarde zich er voor, de ander er tegen. “Heeft men wel ooit een beter geschreven werk gezien?” werd rechts gevraagd. “Wat een erbarmelijke stijl!” klonk het links. Waarlijk, indien er al veel slechte schrijvers zijn, moet men toegeven, dat er nog meer slechte critici bestaan. En als ik denk aan alles wat de dichters van drama’s te slikken krijgen, verwonder ik er mij over, dat er nog zijn, die de onwetendheid van het groote publiek en de gevaarlijke kritiek van z. g. deskundigen, die soms het oordeel van de menigte bederven, trotseeren.Dadelijk toen de meest gewilde acteur op de planken verscheen, was er een algemeen handgeklap. Het bleekme een van die tooneelspelers aan wie het parterre alles vergeeft. Ik merkte, dat hij sommige oogenblikken uit zijn rol was en dan eigenlijk meer verdiende om uitgefloten, dan om toegejuicht te worden.Ook bij het opkomen van enkele andere acteurs werd er geklapt en eveneens bij het verschijnen van een actrice, die een kamenier’s rol had te vervullen. Ik keek haar goed aan en kon geen woorden vinden, om mijn verbazing te uiten, toen ik Laura zag, mijn dierbare Laura, die ik nog te Madrid bij Arsénia waande. Ik kon er niet aan twijfelen, of zij was het. Haar taille, haar trekken, de toon van haar stem, alles verzekerde mij, dat ik mij niet vergiste. Daar ik echter mijn oogen en ooren niet vertrouwde, vroeg ik haar naam aan een heer, die naast mij zat. “Ge zijt zeker een nieuweling hier, dat ge de schoone Estelle niet kent,” zei hij.De gelijkenis was echter te treffend, dan dat ik mij kon vergissen. Dus besloot ik, dat Laura haar naam had verwisseld en benieuwd om iets anders omtrent haar te weten—want het publiek weet in den regel alles van bekende acteurs en actrices—vroeg ik den man naast mij, of ze ook een minnaar had, die zich in haar bijzondere onderscheiding mocht verheugen. Hij antwoordde mij, dat er sinds twee maanden in Granada een Portugeesch heer was, genaamd markies de Marialva, die zich zeer veel aan haar gelegen liet liggen. Mijn gedachten waren door hetgeen ik van mijn buurman had gehoord, zoo in beslag genomen, dat ik weinig aandacht meer schonk aan het stuk. Ik dacht slechts aan Laura, aan Estelle, en nam mij voor haar den volgenden dag te gaan bezoeken.In de schitterende omstandigheden, waarin ze zich nu bevond, had ik reden te vermoeden, dat het zien van mij haar geen groot genoegen zou doen. Ook had zij er wel aanleiding toe, om ontevreden op mij te zijn, maar dat alles kon mij niet van mijn plan terughouden. Na een karig maal (er waren n.l. geen andere in mijn hotel)ging ik naar mijn kamer en wachtte vol ongeduld op den volgenden morgen.Ik sliep dien nacht slecht en stond op bij het krieken van den dag. Daar ik onderstelde, dat de maîtresse van een grooten mijnheer ’s morgens wel niet te vroeg op zou zijn, besteedde ik drie of vier uur om mij te kleeden, kappen, scheren en poederen. Ik wilde mij zoo aan haar vertoonen, dat ze zich niet voor mij behoefde te schamen. Over tienen was ik aan een groot huis, waarvan zij de eerste verdieping bewoonde. Tegen de dienstbode, die voor mij de deur opende, zei ik, dat een jonge man mevrouw Estelle wenschte te spreken. De boodschap werd overgebracht en ik hoorde met luide stem vragen: “Waar is die jonge man? Wat wil hij van mij? Laat hem binnenkomen!”Ik leidde daaruit af, dat ik mijn tijd slecht had gekozen,dat haar Portugeesche beminde zeker aan zijn toilet bezig was en dat zij alleen maar zoo hard praatte, om hem te overtuigen, dat zij niet iemand was, die verdachte bezoeken ontving. Wat ik vermoedde, bleek waarheid; de markies de Marialva bracht steeds de ochtend met haar door. Ik verwachtte dus een alles behalve vriendelijke ontvangst, toen de actrice met open armen op mij toeliep en riep: “O, mijn broer! wat ben ik blij je te zien!” Bij die woorden omhelsde ze mij en keerde zich daarna tot den Portugees: “Vergeef mij, wij hebben elkaar in geen drie jaren gezien en ik heb mijn broer innig lief.” Daarna wendde zij zich weer tot mij en zei: “Mijn waarde Gil Blas, vertel mij nu eens spoedig al het nieuws omtrent de familie.”In het begin was ik wel een beetje verlegen, maar spoedig kwam ik op mijn gemak, ik vertelde, dat het met onze ouders zeer goed ging en het werd een aardige scène.“Ik twijfel er niet aan,” zei ze, “of ge zult verwonderd zijn, mij als actrice in Granada te zien, maar veroordeel mij niet zonder mij te hooren. Het is nu, zooals ge weet, drie jaar geleden, dat mijn vader mij goed dacht uit te huwelijken, door mijn hand te schenken aan den kapitein, don Antonio Coello, die mij van Asturië meenam naar Madrid, zijn geboorteplaats. Zes maanden na onze aankomst, werd hij door zijn heftig karakter in een eerezaak gewikkeld. Hij doodde een edelman, die het gewaagd had mij eenige attenties te bewijzen. Daar de gevallene tot een aanzienlijke familie behoorde, moest mijn man dadelijk vluchten naar Catalonië. Al het geld en het edelgesteente, dat hij in ons huis vond, had hij meegenomen. Hij scheepte zich te Barcelona in, stak over naar Italië, trad in dienst van Venetië en verloor na eenigen tijd het leven in een gevecht tegen de Turken. Het landgoed, dat wij bezaten en dat zeer bezwaard was, werd verkocht en ik bleef als een onvermogende weduwe achter. Ik zag geen kans naar Asturië terug te keeren. Wat zou ik er hebben moeten doen? Van mijn familie zou ik voor troostniets als condoleanties hebben gekregen. Wat moest ik doen in dien ongelukkigen toestand? Voor een jonge weduwe was dat een moeilijke zaak. Ik had een zeer goede opvoeding gehad en om mijn goeden naam te bewaren, werd ik actrice.Hoewel ik bepaald moeite had, om bij het einde van den roman van Laura niet in lachen uit te barsten, zei ik op ernstigen toon: “Mijn zuster, ik kan niet anders dan uw gedrag goedkeuren en het verheugt mij u in Granada zoo goed te zien ingericht.”De markies de Marialva, die geen woord gemist had van het verhaal, dat de weduwe van don Antonio had verzonnen, mengde zich in ons gesprek en vroeg mij, of ik in Granada of elders een betrekking had. Ik dacht er een oogenblik aan, om te liegen, maar daar ik dat niet noodzakelijk vond, besloot ik de waarheid te zeggen en vertelde hem hoe ik bij den aartsbisschop was gekomen en op welke wijze ik hem had verlaten, een verhaal, waarmee hij zich kostelijk amuseerde. Vermakelijk ook was het lachen, dat Laura herhaaldelijk deed. Natuurlijk dacht zij, dat ik haar voorbeeld volgde en een fabeltje vertelde.Nauwelijks had ik mijn verhaal geëindigd, of een huisknecht kwam zeggen, dat de tafel klaar was. Ik wilde opstaan en mij verwijderen, maar daarvan wilde Laura niet hooren. “Waar denkt ge aan? Ge dineert met ons. En ik wil niet hebben, dat ge langer op die kamer blijft wonen. Laat uw goed vanavond hier brengen en neem bij ons uw intrek.”De Portugeesche heer, wien die gastvrijheid zeker geen genoegen deed, zei: “Neen Estelle, ge zijt er hier niet op ingericht, om nog iemand te huisvesten. Uw broer schijnt mij een beminnelijk man en zijn verwantschap met u boezemt mij belangstelling voor hem in. Ik wil hem in mijn dienst nemen, hij kan mijn secretaris worden en is dan verzekerd van een goede positie. Hij kan bij mij wonen, ik zal heden nog een kamer in orde laten maken.Ik geef hem vierhonderd ducaten salaris en wanneer ik reden heb over hem tevreden te zijn, waaraan ik niet twijfel, dan zal hij zich er wel spoedig over troosten, dat hij te oprecht is geweest tegen zijn aartsbisschop.”Laura en ik putten ons uit in dankbetuigingen, maar de markies wilde er niets van hooren, hij groette zijn theaterprinses en ging heen.Nauwelijks was hij vertrokken, of Laura nam mij mee in haar kabinet, viel in een fauteuil en begon onbedaarlijk te lachen, welk voorbeeld ik onmogelijk na kon laten te volgen.“Gil Blas! Wat hebben wij daar een mooie comedie gespeeld! Maar ik had op zulk een ontknooping niet gerekend. Ik wilde je alleen maar een kamer en eten besparen en om je die met goed fatsoen te kunnen aanbieden, liet ik je voor mijn broer doorgaan. Maar ’t is verrukkelijk, dat je door het toeval nu zoo’n goeden post is aangeboden. Markies de Marialva is een edelmoedig man, die nog wel meer voor je doen zal, dan hij nu beloofde. Een andere vrouw dan ik zou misschien een man, die haar verlaten heeft zonder haar vaarwel te zeggen, niet zoo vriendelijk hebben ontvangen, maar ik ben nu eenmaal van dat goede slag meisjes, die altijd met genoegen een oude liefde weerzien.”Ik vroeg vergiffenis voor mijn onbeleefd gedrag en Laura bracht me daarna in een zeer nette eetzaal, waar we ons aan tafel zetten en elkaar, daar er bedienden tegenwoordig waren, als broeder en zuster behandelden. Na het diner gingen wij weer in het kabinet. Daar moest ik Laura alles vertellen, wat er na onze scheiding met mij was gebeurd. Ik deed haar een zoo getrouw mogelijk rapport en toen ik aan haar nieuwsgierigheid had voldaan, bevredigde zij de mijne.

Hoofdstuk IVan de liefde van Gil Blas en van de dame Lorença Séphora.Dus ging ik naar Xelva, om den goeden Samuel Simon de drieduizend ducaten te brengen, welke wij hem hadden ontstolen. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik op weg veel lust gevoelde, om mij van dat geld meester te maken en zoodoende mijn werk onder gunstige voorteekenen te beginnen. Ik kon dat ongestraft doen; ik had slechts vijf dagen op reis te blijven en dan te zeggen, dat ik mij van mijn taak had gekweten. Don Alphonse en zijn vader waren mij te gunstig gezind om mij te verdenken. Maar ik wist aan de verzoeking weerstand te bieden, als man van eer, mag ik wel zeggen, betaalde den koopman, die daarop in het geheel niet had gerekend, het geld uit, en keerde naar het kasteel de Leyva terug. De graaf de Polan was er niet meer, hij was met Julie en don Fernand naarTolédogegaan. Ik vond mijn nieuwen meester verliefder dan ooit op zijn Séraphine, zijn Séraphine verrukt bij hem te zijn en don César gelukkig, hen beiden te bezitten. Ik legde er mij op toe, dezen goeden vader voor mij te winnen en ik slaagde er ook in.Als intendant van het heele huis, ontving ik het geld van de boeren, deed de uitgaven en had een onbeperkte macht over het personeel, waarvan ik echter geen misbruik maakte, zooals mijn collega’s vaak doen. De bewijzen van genegenheid, welke mijn meesters mij steeds gaven, boezemden mij grooten ijver in voor hun dienst. Ik had alleen maar oog voor hun belang, mijn administratie was goed en eerlijk; ik waseen intendant, zooals men er geen beteren vindt.Terwijl ik mij zoo verheugde in mijn uitstekende positie, wilde de god van de liefde mij ook zijn gunsten betoonen en deed in het hart van Lorença Séphora, een van de vrouwen van Séraphine, een sterke neiging geboren worden voor mijnheer den intendant. Om als getrouw geschiedschrijver de waarheid te zeggen, betrof mijn verovering een vijftigjarige. Ze had echter een frisch, aangenaam uiterlijk en mooie oogen, waarmee ze goed wist te werken. Haar kleur had ik gaarne wat rooder gezien, ze was me te bleek, wat ik aan haar oude vrijster-schap toeschreef.Deze dame wierp mij eerst voortdurend blikken toe, waarin hare liefde voor mij was te lezen, maar ik deed of ik de beteekenis ervan niet begreep. Daardoor scheen ik haar nog onbedreven in die zaken, wat haar wel beviel. Zij verbeeldde zich dus, dat ze bij zulk een onervaren jongeman zich niet bepalen kon tot de taal der oogen en bij het eerste onderhoud, dat ik met haar had, begon ze van haar gevoelens te spreken. Zij gedroeg zich daarbij als een vrouw, die ondervinding had, ze was verlegen en toen ze alles gezegd had wat ze wilde, bedekte ze haar gelaat met de handen, om mij te doen gelooven, dat ze er schaamte over gevoelde, dat ze mij haar zwakheid had getoond. Hoewel de ijdelheid mij meer bewoog dan het gevoel, toonde ik mij zeer dankbaar voor het blijk van hare genegenheid, ik deed zelfs alsof ik hartstochtelijk verliefd op haar was. Ze vreesde zeker, dat het geen goeden indruk zou maken, indien ze zich zoo gemakkelijk liet overwinnen en deed mij op zachten toon verwijten over mijn al te groote vermetelheid, maar scheen toch niet boos. Séphora verbeeldde zich, dat zij door haar voorgewenden tegenstand in mijn oog voor een Vestaalsche maagd doorging.Aan dit avontuur kwam echter spoedig een einde. Een van de lakeien van don César, een van die nieuwsgierigen, die graag alles zien wat er in een huis voorvalt endat dan oververtellen, deelde mij op zekeren dag mee, dat Lorença iederen avond den chirurgijn van het dorp in het geheim in haar kamer ontving en dat die jonge man er lang bleef.Mijn ijdelheid werd door dit bericht zeer getroffen en ik was bijna even kwaad, als ik geweest zou zijn, wanneer ik werkelijk jaloersch was geweest. Ik beheerschte mijn gevoelens en lachte zelfs om het nieuwtje, maar zoodra ik alleen was, stelde ik mij schadeloos door te razen en te tieren. Ik meende, dat mijn eer gebood, om den chirurgijn te verjagen en besloot hem tot een duel uit de dagen. ’s Avonds stelde ik mij in hinderlaag op en zag werkelijk den man, met een geheimzinnig gezicht de kamer van mijn geliefde binnengaan. Ik wachtte hem bij zijn terugkomst op den weg op en ieder oogenblik groeide mijn vechtlust aan, maar zoodra mijn vijand verscheen, die een groote en sterke man was, voelde ik mij plotseling als een held van Homerus, door een soort van vrees teruggehouden. Ik was even verward als Paris, wanneer hij Menelaus bevechten moet. Niettemin, hoewel zijn degen mij buitengewoon lang leek, trad ik op hem toe.Mijn handelwijze verraste hem. “Wat is er, mijnheer Gil Blas? Waartoe die bewegingen van een dolenden ridder?”“Mijnheer de barbier,” zei ik, “ik ben ernstiger dan ooit en wil weten, of gij even dapper zijt als galant. Reken er niet op, dat ik u rustig de gunsten zal laten genieten van de dame, die ge iederen avond in het kasteel bezoekt.”De chirurgijn begon hartelijk te lachen en riep: “Bij den Heiligen Côme, hoe kan de schijn bedriegen! Dat is waarlijk een vermakelijk avontuur!”Daar ik uit die woorden meende te mogen afleiden, dat hij even weinig lust had om te vechten als ik, werd ik brutaler en zei: “Spot met anderen, mijnheer! Mij zult ge met zulk een antwoord niet afschepen.”“Ik zie wel,” hernam hij, “dat ik verplicht ben te spreken,om een ongeluk te voorkomen, dat u of mij zou kunnen treffen. Dus zal ik u een geheim vertellen, hoewel mannen van ons vak niet discreet genoeg kunnen zijn. Weet dan, dat die dame een verouderde zweer in haar rug heeft en dat ik die iederen avond ga verbinden. Om haar kwaal voor de bedienden te verbergen, laat zij mij ongemerkt binnenkomen. Dat is de reden van mijn bezoeken, die u zoo schijnen te verontrusten. Maar zijt ge met mijn verklaring niet tevreden, dan hebt ge slechts te spreken.” Bij die laatste woorden sloeg hij de hand aan zijn rapier.Ik haastte mij hem te zeggen, dat ik niet een van die menschen was, die niet vatbaar zijn voor rede en dat ik hem niet meer als mijn vijand beschouwde. Wij drukten elkaar de hand en scheidden als de beste vrienden.Van dat oogenblik af vertoonde Séphora zich niet bekoorlijker aan mijn geest en ik vermeed alle gelegenheid om met haar alleen te zijn, wat ze al spoedig opmerkte. Verwonderd over zulk een verandering, wilde zij er de redenen van weten en vond eindelijk gelegenheid mij zonder het bijzijn van anderen te spreken. Ze zei: “Mijnheer de intendant, zeg mij als ’t u belieft waarom ge mij ontvlucht. Inplaats van, zooals vroeger, de gelegenheid te zoeken, met mij te spreken, vermijdt ge mij. Het is waar, den eersten stap heb ik gedaan, maar gij hebt er op geantwoord, herinner u maar het onderhoud, dat wij toen hadden; gij waart een en al vuur, nu zijt ge als ijs. Wat heeft dat te beteekenen?”De kwestie was wel een weinig kiesch en zeer moeilijk; ik weet niet goed meer welk antwoord ik gaf, maar wel, dat het haar geenszins beviel. Séphora, die er zacht en goedig uitzag als een lam, was gelijk een tijgerin als haar woede opgewekt werd.“Ik geloof,” zei ze en ze wierp mij een blik toe, vol woede en spijt, “dat ik een man van geringe afkomst te veel eer heb bewezen, door hem gevoelens te openbaren, waarop adellijke heeren trotsch zouden zijn. Ik ben er wel voor gestraft, dat ik mij onwaardiglijk heb verlaagd tot een ongelukkigen avonturier.”Het bleef daar niet bij, ze had nog honderd andere namen voor mij. Ik was te levendig van natuur om kalm te blijven en de beleedigingen te verdragen, waarom een ander, verstandiger man misschien zou hebben gelachen. Mijn geduld was ten einde en ik zei: “Mevrouw, als die adellijke heeren, waarvan ge spreekt, uw rug hadden gezien, dan geloof ik, dat hunne nieuwsgierigheid daartoe wel beperkt zou zijn gebleven.”Ik had dat nog niet gezegd, of ik kreeg een slag in mijngezicht, zooals een gebelgde vrouw er misschien nog nooit een heeft gegeven. Ik wachtte er niet meer af en liep weg. Zeer dankbaar, dat dit pijnlijk onderhoud was afgeloopen, verbeeldde ik mij, dat ik verder niets had te vreezen, daar de dame zich gewroken had. Voor haar eer scheen het mij beter, dat ze over het avontuur zweeg en werkelijk verliepen er veertien dagen, dat ik er niet over hoorde spreken. Ik begon het reeds te vergeten, toen ik op zekeren dag hoorde, dat Séphora ziek was. Niettegenstaande al het gebeurde, had ik toch medelijden met haar; ik dacht, dat misschien haar ongelukkige liefde voor mij haar deze ziekte had veroorzaakt. Spoedig bemerkte ik, hoe die liefde in hevigen haat was veranderd en zij niets onbeproefd had gelaten om mij te benadeelen.Op een ochtend, dat ik met don Alphonse alleen was, vond ik hem in een neerslachtige stemming. Ik vroeg hem, wat er was en hij zei, dat het hem verdriet deed Séraphine zoo zwak en ondankbaar te zien. “Dat verwondert u,” voegde hij eraan toe, “maar het is waar. Ik weet niet welke redenen ge aan Lorença hebt gegeven om u te haten, maar ik kan u verzekeren, dat ze u verfoeit en ze zegt, dat ge ongetwijfeld haar dood zult veroorzaken, indien gij niet spoedig het kasteel verlaat. Ge moet niet denken, dat Séraphine zich in het begin daar niet tegen verzet heeft, maar ze is een vrouw, en zeer gehecht aan Lorença, die haar opgevoed heeft. Wat mij betreft, ik zal nooit toegeven hoe lief ik Séraphine ook heb. Alle duenna’s in Spanje mogen omkomen vóór ik een jongen man wegstuur, die voor mij meer een broeder dan een ondergeschikte is.”Ik antwoordde hem: “Mijnheer, ik ben nu eenmaal geboren om een speelbal van de fortuin te zijn. Hier, waar alles mij zulke gelukkige dagen voorspelde, had ik gedacht, dat daaraan een eind gekomen zou zijn, maar het is niet zoo. Dus zal ik heengaan.”Don Alphonse wilde daarvan niet weten. “Neen, neen,” riep de edelmoedige zoon van don César. “Laat mij Séraphinetot rede brengen. Men zal niet kunnen zeggen, dat gij opgeofferd zijt aan de grillen van een duenna, aan wie toch al te veel wordt toegegeven.” Ik overwoog echter, dat alleen mijn heengaan de rust op het kasteel kon herstellen. Den volgenden morgen vroeg vertrok ik, zonder afscheid te nemen van mijn meesters. In mijn kamerliet ik een schrijven achter, waarin ik uitvoerig verslag deed van de door mij gevoerde administratie.

Dus ging ik naar Xelva, om den goeden Samuel Simon de drieduizend ducaten te brengen, welke wij hem hadden ontstolen. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik op weg veel lust gevoelde, om mij van dat geld meester te maken en zoodoende mijn werk onder gunstige voorteekenen te beginnen. Ik kon dat ongestraft doen; ik had slechts vijf dagen op reis te blijven en dan te zeggen, dat ik mij van mijn taak had gekweten. Don Alphonse en zijn vader waren mij te gunstig gezind om mij te verdenken. Maar ik wist aan de verzoeking weerstand te bieden, als man van eer, mag ik wel zeggen, betaalde den koopman, die daarop in het geheel niet had gerekend, het geld uit, en keerde naar het kasteel de Leyva terug. De graaf de Polan was er niet meer, hij was met Julie en don Fernand naarTolédogegaan. Ik vond mijn nieuwen meester verliefder dan ooit op zijn Séraphine, zijn Séraphine verrukt bij hem te zijn en don César gelukkig, hen beiden te bezitten. Ik legde er mij op toe, dezen goeden vader voor mij te winnen en ik slaagde er ook in.

Als intendant van het heele huis, ontving ik het geld van de boeren, deed de uitgaven en had een onbeperkte macht over het personeel, waarvan ik echter geen misbruik maakte, zooals mijn collega’s vaak doen. De bewijzen van genegenheid, welke mijn meesters mij steeds gaven, boezemden mij grooten ijver in voor hun dienst. Ik had alleen maar oog voor hun belang, mijn administratie was goed en eerlijk; ik waseen intendant, zooals men er geen beteren vindt.

Terwijl ik mij zoo verheugde in mijn uitstekende positie, wilde de god van de liefde mij ook zijn gunsten betoonen en deed in het hart van Lorença Séphora, een van de vrouwen van Séraphine, een sterke neiging geboren worden voor mijnheer den intendant. Om als getrouw geschiedschrijver de waarheid te zeggen, betrof mijn verovering een vijftigjarige. Ze had echter een frisch, aangenaam uiterlijk en mooie oogen, waarmee ze goed wist te werken. Haar kleur had ik gaarne wat rooder gezien, ze was me te bleek, wat ik aan haar oude vrijster-schap toeschreef.

Deze dame wierp mij eerst voortdurend blikken toe, waarin hare liefde voor mij was te lezen, maar ik deed of ik de beteekenis ervan niet begreep. Daardoor scheen ik haar nog onbedreven in die zaken, wat haar wel beviel. Zij verbeeldde zich dus, dat ze bij zulk een onervaren jongeman zich niet bepalen kon tot de taal der oogen en bij het eerste onderhoud, dat ik met haar had, begon ze van haar gevoelens te spreken. Zij gedroeg zich daarbij als een vrouw, die ondervinding had, ze was verlegen en toen ze alles gezegd had wat ze wilde, bedekte ze haar gelaat met de handen, om mij te doen gelooven, dat ze er schaamte over gevoelde, dat ze mij haar zwakheid had getoond. Hoewel de ijdelheid mij meer bewoog dan het gevoel, toonde ik mij zeer dankbaar voor het blijk van hare genegenheid, ik deed zelfs alsof ik hartstochtelijk verliefd op haar was. Ze vreesde zeker, dat het geen goeden indruk zou maken, indien ze zich zoo gemakkelijk liet overwinnen en deed mij op zachten toon verwijten over mijn al te groote vermetelheid, maar scheen toch niet boos. Séphora verbeeldde zich, dat zij door haar voorgewenden tegenstand in mijn oog voor een Vestaalsche maagd doorging.

Aan dit avontuur kwam echter spoedig een einde. Een van de lakeien van don César, een van die nieuwsgierigen, die graag alles zien wat er in een huis voorvalt endat dan oververtellen, deelde mij op zekeren dag mee, dat Lorença iederen avond den chirurgijn van het dorp in het geheim in haar kamer ontving en dat die jonge man er lang bleef.

Mijn ijdelheid werd door dit bericht zeer getroffen en ik was bijna even kwaad, als ik geweest zou zijn, wanneer ik werkelijk jaloersch was geweest. Ik beheerschte mijn gevoelens en lachte zelfs om het nieuwtje, maar zoodra ik alleen was, stelde ik mij schadeloos door te razen en te tieren. Ik meende, dat mijn eer gebood, om den chirurgijn te verjagen en besloot hem tot een duel uit de dagen. ’s Avonds stelde ik mij in hinderlaag op en zag werkelijk den man, met een geheimzinnig gezicht de kamer van mijn geliefde binnengaan. Ik wachtte hem bij zijn terugkomst op den weg op en ieder oogenblik groeide mijn vechtlust aan, maar zoodra mijn vijand verscheen, die een groote en sterke man was, voelde ik mij plotseling als een held van Homerus, door een soort van vrees teruggehouden. Ik was even verward als Paris, wanneer hij Menelaus bevechten moet. Niettemin, hoewel zijn degen mij buitengewoon lang leek, trad ik op hem toe.

Mijn handelwijze verraste hem. “Wat is er, mijnheer Gil Blas? Waartoe die bewegingen van een dolenden ridder?”

“Mijnheer de barbier,” zei ik, “ik ben ernstiger dan ooit en wil weten, of gij even dapper zijt als galant. Reken er niet op, dat ik u rustig de gunsten zal laten genieten van de dame, die ge iederen avond in het kasteel bezoekt.”

De chirurgijn begon hartelijk te lachen en riep: “Bij den Heiligen Côme, hoe kan de schijn bedriegen! Dat is waarlijk een vermakelijk avontuur!”

Daar ik uit die woorden meende te mogen afleiden, dat hij even weinig lust had om te vechten als ik, werd ik brutaler en zei: “Spot met anderen, mijnheer! Mij zult ge met zulk een antwoord niet afschepen.”

“Ik zie wel,” hernam hij, “dat ik verplicht ben te spreken,om een ongeluk te voorkomen, dat u of mij zou kunnen treffen. Dus zal ik u een geheim vertellen, hoewel mannen van ons vak niet discreet genoeg kunnen zijn. Weet dan, dat die dame een verouderde zweer in haar rug heeft en dat ik die iederen avond ga verbinden. Om haar kwaal voor de bedienden te verbergen, laat zij mij ongemerkt binnenkomen. Dat is de reden van mijn bezoeken, die u zoo schijnen te verontrusten. Maar zijt ge met mijn verklaring niet tevreden, dan hebt ge slechts te spreken.” Bij die laatste woorden sloeg hij de hand aan zijn rapier.

Ik haastte mij hem te zeggen, dat ik niet een van die menschen was, die niet vatbaar zijn voor rede en dat ik hem niet meer als mijn vijand beschouwde. Wij drukten elkaar de hand en scheidden als de beste vrienden.

Van dat oogenblik af vertoonde Séphora zich niet bekoorlijker aan mijn geest en ik vermeed alle gelegenheid om met haar alleen te zijn, wat ze al spoedig opmerkte. Verwonderd over zulk een verandering, wilde zij er de redenen van weten en vond eindelijk gelegenheid mij zonder het bijzijn van anderen te spreken. Ze zei: “Mijnheer de intendant, zeg mij als ’t u belieft waarom ge mij ontvlucht. Inplaats van, zooals vroeger, de gelegenheid te zoeken, met mij te spreken, vermijdt ge mij. Het is waar, den eersten stap heb ik gedaan, maar gij hebt er op geantwoord, herinner u maar het onderhoud, dat wij toen hadden; gij waart een en al vuur, nu zijt ge als ijs. Wat heeft dat te beteekenen?”

De kwestie was wel een weinig kiesch en zeer moeilijk; ik weet niet goed meer welk antwoord ik gaf, maar wel, dat het haar geenszins beviel. Séphora, die er zacht en goedig uitzag als een lam, was gelijk een tijgerin als haar woede opgewekt werd.

“Ik geloof,” zei ze en ze wierp mij een blik toe, vol woede en spijt, “dat ik een man van geringe afkomst te veel eer heb bewezen, door hem gevoelens te openbaren, waarop adellijke heeren trotsch zouden zijn. Ik ben er wel voor gestraft, dat ik mij onwaardiglijk heb verlaagd tot een ongelukkigen avonturier.”

Het bleef daar niet bij, ze had nog honderd andere namen voor mij. Ik was te levendig van natuur om kalm te blijven en de beleedigingen te verdragen, waarom een ander, verstandiger man misschien zou hebben gelachen. Mijn geduld was ten einde en ik zei: “Mevrouw, als die adellijke heeren, waarvan ge spreekt, uw rug hadden gezien, dan geloof ik, dat hunne nieuwsgierigheid daartoe wel beperkt zou zijn gebleven.”

Ik had dat nog niet gezegd, of ik kreeg een slag in mijngezicht, zooals een gebelgde vrouw er misschien nog nooit een heeft gegeven. Ik wachtte er niet meer af en liep weg. Zeer dankbaar, dat dit pijnlijk onderhoud was afgeloopen, verbeeldde ik mij, dat ik verder niets had te vreezen, daar de dame zich gewroken had. Voor haar eer scheen het mij beter, dat ze over het avontuur zweeg en werkelijk verliepen er veertien dagen, dat ik er niet over hoorde spreken. Ik begon het reeds te vergeten, toen ik op zekeren dag hoorde, dat Séphora ziek was. Niettegenstaande al het gebeurde, had ik toch medelijden met haar; ik dacht, dat misschien haar ongelukkige liefde voor mij haar deze ziekte had veroorzaakt. Spoedig bemerkte ik, hoe die liefde in hevigen haat was veranderd en zij niets onbeproefd had gelaten om mij te benadeelen.

Op een ochtend, dat ik met don Alphonse alleen was, vond ik hem in een neerslachtige stemming. Ik vroeg hem, wat er was en hij zei, dat het hem verdriet deed Séraphine zoo zwak en ondankbaar te zien. “Dat verwondert u,” voegde hij eraan toe, “maar het is waar. Ik weet niet welke redenen ge aan Lorença hebt gegeven om u te haten, maar ik kan u verzekeren, dat ze u verfoeit en ze zegt, dat ge ongetwijfeld haar dood zult veroorzaken, indien gij niet spoedig het kasteel verlaat. Ge moet niet denken, dat Séraphine zich in het begin daar niet tegen verzet heeft, maar ze is een vrouw, en zeer gehecht aan Lorença, die haar opgevoed heeft. Wat mij betreft, ik zal nooit toegeven hoe lief ik Séraphine ook heb. Alle duenna’s in Spanje mogen omkomen vóór ik een jongen man wegstuur, die voor mij meer een broeder dan een ondergeschikte is.”

Ik antwoordde hem: “Mijnheer, ik ben nu eenmaal geboren om een speelbal van de fortuin te zijn. Hier, waar alles mij zulke gelukkige dagen voorspelde, had ik gedacht, dat daaraan een eind gekomen zou zijn, maar het is niet zoo. Dus zal ik heengaan.”

Don Alphonse wilde daarvan niet weten. “Neen, neen,” riep de edelmoedige zoon van don César. “Laat mij Séraphinetot rede brengen. Men zal niet kunnen zeggen, dat gij opgeofferd zijt aan de grillen van een duenna, aan wie toch al te veel wordt toegegeven.” Ik overwoog echter, dat alleen mijn heengaan de rust op het kasteel kon herstellen. Den volgenden morgen vroeg vertrok ik, zonder afscheid te nemen van mijn meesters. In mijn kamerliet ik een schrijven achter, waarin ik uitvoerig verslag deed van de door mij gevoerde administratie.

Hoofdstuk IIWat Gil Blas werd, nadat hij het kasteel de Leyva had verlaten en van de gelukkige gevolgen, die zijn ongelukkige liefde had.Ik reed op een goed paard, dat mij toebehoorde en had in mijn valies tweehonderd pistolen, grootendeels afkomstig van de gedoode roovers en van de drieduizend gestolen ducaten, die don Alphonse uit zijn eigen zak had terugbetaald; ik kon dus onbezorgd de toekomst tegemoet gaan, met het vertrouwen bovendien, dat men altijd heeft op een leeftijd, dien ik toen had. Mijn doel stond nog niet vast; wel kon ik naarTolédogaan, waar de graaf de Polan mij als een van zijn bevrijders ongetwijfeld zeer goed zou ontvangen, maar ik wilde eerst reizen en verlangde om Murcia en Granada eens te zien. In die laatste stad kwam ik na enigen tijd zonder eenigen tegenspoed aan. Het scheen, dat de fortuin, voldaan over zooveel parten, die ze mij den laatsten tijd gespeeld had, mij eindelijk met rust wilde laten. Echter bereidde zij mij andere voor, zooals men vernemen zal.Een van de eerste personen, die ik in de straten van Granada ontmoette, was don Fernand de Leyva, schoonzoon van den graaf de Polan. Wij waren beiden even verrast elkaar daar te zien. Hij vroeg mij, hoe ik in Granada kwam. Ik deelde hem mee, dat ik den dienst van don César en diens zoon had verlaten en vertelde hem uitvoerig al wat er tusschen Séphora en mij was gebeurd. Hij lachte er hartelijk om en wilde aan zijn schoonzuster schrijven en als bemiddelaar optreden. Ik dankte hem voor zijn aanbod, maar verklaarde hem, in geengeval naar het kasteel de Leyva terug te zullen gaan. Wel verzocht ik zijn voorspraak, indien soms een van zijn vrienden een intendant of secretaris mocht noodig hebben.Hij beloofde mij zijn hulp, zei, dat hij in Granada was om een oude, zieke tante te bezoeken en dat ik hem over eenige dagen maar eens in zijn hotel moest komen opzoeken. Misschien wist hij dan wel een goede betrekking voor mij. Toen ik hem eenige dagen later bezocht, zei hij, dat de aartsbisschop van Granada, een bloedverwant en vriend van hem, een man noodig had, op de hoogte van literatuur en met een goede hand, om zijne geschriften in het net over te schrijven. Hij had don Fernand beloofd mij te zullen nemen, dus moest ik mij gaan presenteeren.Ik kwam in een paleis, dat even prachtig was als dat van onze koningen en vond in de zalen een groot gezelschap, geestelijken en edellieden. De lakeien hadden zeer fraaie kleeren, men zou hen eerder voor groote heeren dan voor knechts hebben aangezien. Ik moest lachen toen ik ze gewichtig zag doen en dacht bij mezelf: “die menschen zijn wel gelukkig, dat zij het juk der dienstbaarheid niet voelen, want anders zouden ze zich minder hooghartig toonen.” Ik richtte mij tot een grooten en dikken man, die voor de deur van het kabinet van den aartsbisschop stond, om die te openen en te sluiten, wanneer het noodig was. Ik vroeg hem beleefd, of er gelegenheid was monseigneur een oogenblik te spreken. Op hoogen toon zei hij mij, dat ik moest wachten, dat monseigneur zou uitgaan om de mis te hooren en mij dan een oogenblik audientie geven zou in het voorbijgaan.Ik wapende mij met geduld en sprak eenige officieren aan, maar ze namen mij van het hoofd tot de voeten op, verwaardigden mij met geen woord en keken elkaar met een trotschen glimlach aan, omdat ik de vrijheid had genomen mij in hun gesprek te mengen.Nog had ik mij niet geheel hersteld van mijne verlegenheid op zulke wijze te worden behandeld, toen dedeur openging en de aartsbisschop verscheen. Allen namen dadelijk een zeer eerbiedige houding aan. De prelaat was een man van ongeveer zeventig jaar, kort en dik, ongeveer als mijn oom de deken Gil Perez. Hij had krommebeenen en was zóó kaal, dat er alleen nog maar een klein bosje haar achter op zijn hoofd zat. Zijn gelaat vond ik als dat van een voornaam man, misschien wel omdat ik wist, dat hij dat was. Wij gewone menschen beschouwen groote heeren dikwijls met een vooringenomenheid, die hun een uiterlijk van grootheid geeft, dat de natuur hun heeft geweigerd.De aartsbisschop naderde mij en vroeg op zachten toon, wat ik verlangde. Ik antwoordde, dat ik de man was, van wien don Fernand de Leyva hem had gesproken. “Ah! zijt gij het, van wien hij mij zooveel goeds heeft verteld? Ik verbind u aan mijn dienst, ge zijt een goede aanwinst voor mij. Ge kunt hier wonen.” Na die woorden sprak hij nog een oogenblik met eenige geestelijken en verliet het vertrek. Nauwelijks was hij weg, of dezelfde officieren, die eerst niet met mij hadden willen spreken, kwamen naar mij toe. Ze betuigden mij hun vreugde, dat ik met hen in het paleis zou wonen. Ze hadden de woorden gehoord, die hun meester tot mij had gesproken en brandden van verlangen om te weten in welke positie ik was geplaatst, maar ik had er een genoegen in om hun nieuwsgierigheid onbevredigd te laten en mij op die wijze te wreken over de minachting, die ze mij eerst hadden betoond.Monseigneur kwam spoedig terug en liet mij bij zich komen in zijn kabinet. Zooals ik wel vermoed had, begon hij met een onderzoek naar mijn kennis. Hij deed mij verschillende vragen op het gebied van geschiedenis en letterkunde. Op alles gaf ik hem voldoende antwoorden en hij maakte de opmerking, dat mijn opvoeding niet verwaarloosd was geworden. Vervolgens moest hij mijn schrift zien, ook daarover was hij zeer tevreden. Hij zei, dat hij zijn neef dankbaar was, dat deze hem een zoo geschikt persoon had aanbevolen.Er werd bezoek aangediend en ik begaf mij onder de officieren, die mij met beleefdheden overlaadden. Toen het tijd er voor was, ging ik met hen eten. Wederkeerigbeschouwden wij elkaar en ik vond, dat de geestelijke heeren er zeer wijs uitzagen. Zij leken mij heilige personages, zoo was ik onder den indruk van de plaats waar ik mij bevond. De gedachte kwam niet bij mij op, dat het valsche schijn was, alsof zooiets uitgesloten was bij de vorsten der kerk.Aan tafel zat ik naast een ouden kamerdienaar, genaamd Melchior de la Ronda. Daar hij de attentie had, om er voor te zorgen, dat ik van het beste bediend werd, was ik zeer beleefd tegen hem, wat hem kennelijk genoegen deed. Na tafel zei hij me, dat hij graag een onderhoud met mij wilde hebben en hij nam mij mee naar een gedeelte van het paleis, waar wij door niemand beluisterd konden worden. Hij zei: “Mijn zoon, van het eerste oogenblik, dat ik u heb gezien, heb ik mij tot u aangetrokken gevoeld. Ik wil u daarvan een zeker bewijs geven, door u vertrouwelijke mededeelingen te doen, die u van groot nut zullen zijn. Ge zijt hier in een huis, waarin ware en valsche vromen met elkaar leven. Er zou voor u een heele tijd noodig zijn, om het terrein te verkennen. Ik wil u die lange en onaangename studie besparen, door u het een en ander mee te deelen omtrent het karakter van verschillende personen. Daarnaar kunt ge u gedragen.Ik zal beginnen met monseigneur. Hij is een zeer vrome prelaat. Al sinds vijf en twintig jaar leeft hij uitsluitend voor het heil van zijn kudde. Hij is een zeer geleerd man en een groot redenaar. Hij preekt graag en zijn toehoorders hangen aan zijn lippen. Misschien is hij daar een weinig ijdel op. Indien het mij overigens geoorloofd was aanmerkingen op mijn meester te maken, zou ik zeggen, dat hij voor zwakke broeders dikwijls te streng is en hen te zwaar straft. Een ander gebrek heeft hij met vele andere aanzienlijke heeren gemeen; hij houdt wel van de personen, die in zijn dienst zijn, maar let weinig op hun werk en hunne verdiensten. Hij zal ze oud laten worden in zijn huis zonder er aan te denken voor hen te zorgen. Wanneer hij hun soms een gratificatie geeft, danhebben zij die te danken aan de goedheid van iemand, die voor hen gesproken heeft.”Na dit portret van onzen meester kreeg ik er een van de verschillende geestelijken, met wie wij gedineerd hadden. Naar wat ik ervan hoorde, waren het niet zoozeer slechte menschen, dan wel slechte priesters. Hij zonderde er enkelen uit, wier deugd hij prees. Van dien avond af was ik niet verlegen meer met mijn houding tegenover de heeren. Dienzelfden dag nog aan het souper schafte ik mij een wijs gezicht aan net als zij. Dat kost niets. Men moet zich niet erover verbazen, dat er zooveel huichelaars zijn.

Ik reed op een goed paard, dat mij toebehoorde en had in mijn valies tweehonderd pistolen, grootendeels afkomstig van de gedoode roovers en van de drieduizend gestolen ducaten, die don Alphonse uit zijn eigen zak had terugbetaald; ik kon dus onbezorgd de toekomst tegemoet gaan, met het vertrouwen bovendien, dat men altijd heeft op een leeftijd, dien ik toen had. Mijn doel stond nog niet vast; wel kon ik naarTolédogaan, waar de graaf de Polan mij als een van zijn bevrijders ongetwijfeld zeer goed zou ontvangen, maar ik wilde eerst reizen en verlangde om Murcia en Granada eens te zien. In die laatste stad kwam ik na enigen tijd zonder eenigen tegenspoed aan. Het scheen, dat de fortuin, voldaan over zooveel parten, die ze mij den laatsten tijd gespeeld had, mij eindelijk met rust wilde laten. Echter bereidde zij mij andere voor, zooals men vernemen zal.

Een van de eerste personen, die ik in de straten van Granada ontmoette, was don Fernand de Leyva, schoonzoon van den graaf de Polan. Wij waren beiden even verrast elkaar daar te zien. Hij vroeg mij, hoe ik in Granada kwam. Ik deelde hem mee, dat ik den dienst van don César en diens zoon had verlaten en vertelde hem uitvoerig al wat er tusschen Séphora en mij was gebeurd. Hij lachte er hartelijk om en wilde aan zijn schoonzuster schrijven en als bemiddelaar optreden. Ik dankte hem voor zijn aanbod, maar verklaarde hem, in geengeval naar het kasteel de Leyva terug te zullen gaan. Wel verzocht ik zijn voorspraak, indien soms een van zijn vrienden een intendant of secretaris mocht noodig hebben.

Hij beloofde mij zijn hulp, zei, dat hij in Granada was om een oude, zieke tante te bezoeken en dat ik hem over eenige dagen maar eens in zijn hotel moest komen opzoeken. Misschien wist hij dan wel een goede betrekking voor mij. Toen ik hem eenige dagen later bezocht, zei hij, dat de aartsbisschop van Granada, een bloedverwant en vriend van hem, een man noodig had, op de hoogte van literatuur en met een goede hand, om zijne geschriften in het net over te schrijven. Hij had don Fernand beloofd mij te zullen nemen, dus moest ik mij gaan presenteeren.

Ik kwam in een paleis, dat even prachtig was als dat van onze koningen en vond in de zalen een groot gezelschap, geestelijken en edellieden. De lakeien hadden zeer fraaie kleeren, men zou hen eerder voor groote heeren dan voor knechts hebben aangezien. Ik moest lachen toen ik ze gewichtig zag doen en dacht bij mezelf: “die menschen zijn wel gelukkig, dat zij het juk der dienstbaarheid niet voelen, want anders zouden ze zich minder hooghartig toonen.” Ik richtte mij tot een grooten en dikken man, die voor de deur van het kabinet van den aartsbisschop stond, om die te openen en te sluiten, wanneer het noodig was. Ik vroeg hem beleefd, of er gelegenheid was monseigneur een oogenblik te spreken. Op hoogen toon zei hij mij, dat ik moest wachten, dat monseigneur zou uitgaan om de mis te hooren en mij dan een oogenblik audientie geven zou in het voorbijgaan.

Ik wapende mij met geduld en sprak eenige officieren aan, maar ze namen mij van het hoofd tot de voeten op, verwaardigden mij met geen woord en keken elkaar met een trotschen glimlach aan, omdat ik de vrijheid had genomen mij in hun gesprek te mengen.

Nog had ik mij niet geheel hersteld van mijne verlegenheid op zulke wijze te worden behandeld, toen dedeur openging en de aartsbisschop verscheen. Allen namen dadelijk een zeer eerbiedige houding aan. De prelaat was een man van ongeveer zeventig jaar, kort en dik, ongeveer als mijn oom de deken Gil Perez. Hij had krommebeenen en was zóó kaal, dat er alleen nog maar een klein bosje haar achter op zijn hoofd zat. Zijn gelaat vond ik als dat van een voornaam man, misschien wel omdat ik wist, dat hij dat was. Wij gewone menschen beschouwen groote heeren dikwijls met een vooringenomenheid, die hun een uiterlijk van grootheid geeft, dat de natuur hun heeft geweigerd.

De aartsbisschop naderde mij en vroeg op zachten toon, wat ik verlangde. Ik antwoordde, dat ik de man was, van wien don Fernand de Leyva hem had gesproken. “Ah! zijt gij het, van wien hij mij zooveel goeds heeft verteld? Ik verbind u aan mijn dienst, ge zijt een goede aanwinst voor mij. Ge kunt hier wonen.” Na die woorden sprak hij nog een oogenblik met eenige geestelijken en verliet het vertrek. Nauwelijks was hij weg, of dezelfde officieren, die eerst niet met mij hadden willen spreken, kwamen naar mij toe. Ze betuigden mij hun vreugde, dat ik met hen in het paleis zou wonen. Ze hadden de woorden gehoord, die hun meester tot mij had gesproken en brandden van verlangen om te weten in welke positie ik was geplaatst, maar ik had er een genoegen in om hun nieuwsgierigheid onbevredigd te laten en mij op die wijze te wreken over de minachting, die ze mij eerst hadden betoond.

Monseigneur kwam spoedig terug en liet mij bij zich komen in zijn kabinet. Zooals ik wel vermoed had, begon hij met een onderzoek naar mijn kennis. Hij deed mij verschillende vragen op het gebied van geschiedenis en letterkunde. Op alles gaf ik hem voldoende antwoorden en hij maakte de opmerking, dat mijn opvoeding niet verwaarloosd was geworden. Vervolgens moest hij mijn schrift zien, ook daarover was hij zeer tevreden. Hij zei, dat hij zijn neef dankbaar was, dat deze hem een zoo geschikt persoon had aanbevolen.

Er werd bezoek aangediend en ik begaf mij onder de officieren, die mij met beleefdheden overlaadden. Toen het tijd er voor was, ging ik met hen eten. Wederkeerigbeschouwden wij elkaar en ik vond, dat de geestelijke heeren er zeer wijs uitzagen. Zij leken mij heilige personages, zoo was ik onder den indruk van de plaats waar ik mij bevond. De gedachte kwam niet bij mij op, dat het valsche schijn was, alsof zooiets uitgesloten was bij de vorsten der kerk.

Aan tafel zat ik naast een ouden kamerdienaar, genaamd Melchior de la Ronda. Daar hij de attentie had, om er voor te zorgen, dat ik van het beste bediend werd, was ik zeer beleefd tegen hem, wat hem kennelijk genoegen deed. Na tafel zei hij me, dat hij graag een onderhoud met mij wilde hebben en hij nam mij mee naar een gedeelte van het paleis, waar wij door niemand beluisterd konden worden. Hij zei: “Mijn zoon, van het eerste oogenblik, dat ik u heb gezien, heb ik mij tot u aangetrokken gevoeld. Ik wil u daarvan een zeker bewijs geven, door u vertrouwelijke mededeelingen te doen, die u van groot nut zullen zijn. Ge zijt hier in een huis, waarin ware en valsche vromen met elkaar leven. Er zou voor u een heele tijd noodig zijn, om het terrein te verkennen. Ik wil u die lange en onaangename studie besparen, door u het een en ander mee te deelen omtrent het karakter van verschillende personen. Daarnaar kunt ge u gedragen.

Ik zal beginnen met monseigneur. Hij is een zeer vrome prelaat. Al sinds vijf en twintig jaar leeft hij uitsluitend voor het heil van zijn kudde. Hij is een zeer geleerd man en een groot redenaar. Hij preekt graag en zijn toehoorders hangen aan zijn lippen. Misschien is hij daar een weinig ijdel op. Indien het mij overigens geoorloofd was aanmerkingen op mijn meester te maken, zou ik zeggen, dat hij voor zwakke broeders dikwijls te streng is en hen te zwaar straft. Een ander gebrek heeft hij met vele andere aanzienlijke heeren gemeen; hij houdt wel van de personen, die in zijn dienst zijn, maar let weinig op hun werk en hunne verdiensten. Hij zal ze oud laten worden in zijn huis zonder er aan te denken voor hen te zorgen. Wanneer hij hun soms een gratificatie geeft, danhebben zij die te danken aan de goedheid van iemand, die voor hen gesproken heeft.”

Na dit portret van onzen meester kreeg ik er een van de verschillende geestelijken, met wie wij gedineerd hadden. Naar wat ik ervan hoorde, waren het niet zoozeer slechte menschen, dan wel slechte priesters. Hij zonderde er enkelen uit, wier deugd hij prees. Van dien avond af was ik niet verlegen meer met mijn houding tegenover de heeren. Dienzelfden dag nog aan het souper schafte ik mij een wijs gezicht aan net als zij. Dat kost niets. Men moet zich niet erover verbazen, dat er zooveel huichelaars zijn.

Hoofdstuk IIIGil Blas wordt de gunsteling van den aartsbisschop en het kanaal van zijn gunsten.Men had in het gebouw een zeer goede en zindelijke slaapkamer voor mij in orde gemaakt en den volgenden dag werd ik al vroeg bij monseigneur geroepen. Hij gaf mij een preek om over te schrijven en drukte mij op het hart dat zoo nauwkeurig mogelijk te doen. Ik voldeed daaraan en vergat geen punt en geen komma. Hij keek mijn copie in en was verrukt daarover. “Zeg me eens eerlijk,” zei hij, “ge zijt een te goed copiïst, om ook niet een taalkundige te zijn, hebt ge al schrijvende niets gevonden, dat u hinderde? Geen slordigheid in mijn stijl, of eenige onjuiste uitdrukking? Die kunnen mij gemakkelijk ontsnapt zijn in het vuur van mijn scheppingsdrang.”“O, monseigneur,” zei ik bescheiden, “ik ben niet ontwikkeld genoeg, om critische aanmerkingen te maken en wanneer ik het zou doen, dan ben ik toch overtuigd, dat uw werken mijn censuur zouden trotseeren.” De prelaat glimlachte en antwoordde mij niet, maar hij liet duidelijk merken, dat hij met al zijn vroomheid, niet ongestraft schrijver was.Door deze en andere vleierijen won ik zijn vertrouwen. Van dag tot dag bleek hij meer op mij gesteld en ik hoorde van don Fernand, die hem dikwijls opzocht, dat mijn fortuin gemaakt was.Op een avond repeteerde hij voor mij een preek, bestemd om den volgenden dag in de cathedraal te worden uitgesproken. Hij bepaalde zich er niet toe met mij te vragen, wat ik er over het algemeen van dacht, maarnoodzaakte mij ook om te zeggen, welke gedeelten mij het meest hadden getroffen. Ik had het geluk hem eenige passages op te noemen, die voor hem geliefkoosde stukken waren. Daardoor ging ik bij hem door voor een man, die een fijnen smaak bezat voor het schoone en goede in een werk. Hij was zoo tevreden, dat hij mij zei, dat ik in het vervolg gerust kon wezen over mijn lot en dat hij dat zoo aangenaam mogelijk zou maken. “Ik houd van je en om je dat te bewijzen zal ik je tot mijn Vertrouweling maken.”Hij had die woorden nog niet uitgesproken, of ik viel op de knieën en omklemde zijn kromme beenen, om een bewijs te geven van mijn dankbaarheid. Hij ging voort met spreken en zei: “Ik wil u een bewijs geven van mijn groot vertrouwen. Ik heb genoegen in preeken, de Heer zegent mijn woorden. Ik breng den gierigaard ertoe zijn kisten te openen en den inhoud kwistig uit te deelen, den wellusteling zijn genietingen op te geven, de hermitages bevolk ik met geloovigen en een onstandvastige vrouw doe ik haar verleider ontvlieden. Deze veelvuldige bekeeringen moesten voldoende zijn om mij aan het werk te houden. Maar ik zal je mijn zwakheid bekennen, ik stel er grooten prijs op, dat de wereld mijn geschriften bewondert. En ik moet het zeggen, de roem om voor een uitmuntend prediker door te gaan heeft voor mij veel bekoring. Ook mijn werken prijst men algemeen, maar ik wil de fout vermijden van vele schrijvers, die te lang schrijven en daardoor een gedeelte van hunne reputatie verliezen. Dus, mijn waarde Gil Blas, ik vraag van u, als een bewijs van uw toewijding en ijver, mij te waarschuwen wanneer ge zult merken, dat mijn pen den ouderdom gaat gevoelen. Ik vertrouw ook in dit opzicht op u.”“Monseigneur,” zei ik, “den Hemel zij dank, dat die tijd nog ver verwijderd is. Een geest als de uwe blijft langer groot dan een andere. Ik beschouw u als een tweeden kardinaal Ximenès, wiens buitengewoon genie, inplaats van door de jaren te verzwakken, steeds nieuwe krachtenontving.” “Vlei mij niet, mijn vriend. Op mijn leeftijd begint men gebreken te voelen en de gebreken van het lichaam veranderen den geest. Wees niet bevreesd om eerlijk te zijn. Ik zal je waarschuwing beschouwen als eenbewijs van je genegenheid. Bovendien gaat het om je eigen belang. Als ik bij ongeluk vernam, dat men in de stad zei, dat mijn preeken minder werden en dat ik rust moest gaan nemen, verklaar ik je, dat je tegelijk met mijn vriendschap het fortuin zou verliezen, dat ik je beloofd heb.”Van dat oogenblik af was ik de verklaarde gunsteling van den aartsbisschop. Het personeel liet mij dat ook merken door buitengewone beleefdheden tegenover mij, om mijn gunst te winnen; ik kon bijna niet begrijpen, dat het uit Spanjaarden bestond. Van mijn positie maakte ik gebruik door te bewerken, dat mijn vriend Melchior een goede gratificatie kreeg.Wat ik op zekeren dag voor een priester wist gedaan te krijgen, mag worden vermeld. Ik maakte kennis met een jongen priester, Louis Garcia, iemand met een zeer gunstig uiterlijk, naar ik vernam een eerlijk man, die aalmoezenier was geweest, maar dien men belasterd had bij monseigneur, die niets meer van hem wilde weten. Alle pogingen door verschillende personen in Granada gedaan, om hem weer in genade te doen opnemen, waren vruchteloos geweest. Gelukkig schreef hij een buitengewoon mooie hand en daardoor meende ik hem te kunnen helpen. Ik stak een door hem beschreven vel papier bij mij en toen ik alleen met den aartsbisschop was, liet ik hem dat zien. Mijn patroon prees het zeer en van die gelegenheid besloot ik gebruik te maken. “Monseigneur,” zei ik, “daar ge weigert om uwe preeken te laten drukken, zou ik althans wenschen, dat ze zóó geschreven waren.”“Ik ben over uw schrift tevreden,” zei de prelaat, “maar ik geef toe, dat ik wel graag van die hand een copie van mijn werk zou hebben.” “U hebt maar te spreken,” zei ik, “die man is een bekende van mij en misschien kunt u hem op die wijze helpen uit den treurigen toestand, waarin hij zich bevindt.”De aartsbisschop vroeg mij naar den naam. “Hij heet Louis Garcia,” zei ik, “en is wanhopig over de ongenade,waarin hij bij u gevallen is.” “Die Garcia,” viel hij mij in de rede, “is, geloof ik, aalmoezenier geweest. Ik herinner mij nog de memories, die tegen hem zijn ingekomen. Op zijn gedrag moet nog al iets te zeggen zijn geweest.” “Monseigneur,” hernam ik, “het is niet mijn bedoeling, hem te rechtvaardigen, maar ik weet, dat de man vijanden heeft en hij zegt, dat die memories meer ingegeven zijn door zucht om hem te benadeelen, dan om de waarheid te zeggen.” ”’t Is mogelijk,” zei de prelaat, “er zijn zulke slechte menschen in de wereld. Overigens, wanneer hij zich niet goed gedragen heeft, kan hij berouw daarover hebben. Voor alle zonden is er vergeving. Breng mij dien man maar.”Zoo ziet men, dat zelfs de meest strenge menschen hun strengheid vergeten, wanneer hun belang dit meebrengt.Den volgenden dag bracht ik Garcia bij mijn meester, die hem eerst een kleine berisping gaf en daarna aan het werk zette, om zijn preeken in het net over te schrijven. Later benoemde hij hem weer tot priester en zelfs kreeg hij de parochie van Gabië, een groote plaats in de buurt van Granada. Wat een bewijs is, dat weldaden niet altijd bewezen worden aan hen, die ze verdienen.

Men had in het gebouw een zeer goede en zindelijke slaapkamer voor mij in orde gemaakt en den volgenden dag werd ik al vroeg bij monseigneur geroepen. Hij gaf mij een preek om over te schrijven en drukte mij op het hart dat zoo nauwkeurig mogelijk te doen. Ik voldeed daaraan en vergat geen punt en geen komma. Hij keek mijn copie in en was verrukt daarover. “Zeg me eens eerlijk,” zei hij, “ge zijt een te goed copiïst, om ook niet een taalkundige te zijn, hebt ge al schrijvende niets gevonden, dat u hinderde? Geen slordigheid in mijn stijl, of eenige onjuiste uitdrukking? Die kunnen mij gemakkelijk ontsnapt zijn in het vuur van mijn scheppingsdrang.”

“O, monseigneur,” zei ik bescheiden, “ik ben niet ontwikkeld genoeg, om critische aanmerkingen te maken en wanneer ik het zou doen, dan ben ik toch overtuigd, dat uw werken mijn censuur zouden trotseeren.” De prelaat glimlachte en antwoordde mij niet, maar hij liet duidelijk merken, dat hij met al zijn vroomheid, niet ongestraft schrijver was.

Door deze en andere vleierijen won ik zijn vertrouwen. Van dag tot dag bleek hij meer op mij gesteld en ik hoorde van don Fernand, die hem dikwijls opzocht, dat mijn fortuin gemaakt was.

Op een avond repeteerde hij voor mij een preek, bestemd om den volgenden dag in de cathedraal te worden uitgesproken. Hij bepaalde zich er niet toe met mij te vragen, wat ik er over het algemeen van dacht, maarnoodzaakte mij ook om te zeggen, welke gedeelten mij het meest hadden getroffen. Ik had het geluk hem eenige passages op te noemen, die voor hem geliefkoosde stukken waren. Daardoor ging ik bij hem door voor een man, die een fijnen smaak bezat voor het schoone en goede in een werk. Hij was zoo tevreden, dat hij mij zei, dat ik in het vervolg gerust kon wezen over mijn lot en dat hij dat zoo aangenaam mogelijk zou maken. “Ik houd van je en om je dat te bewijzen zal ik je tot mijn Vertrouweling maken.”

Hij had die woorden nog niet uitgesproken, of ik viel op de knieën en omklemde zijn kromme beenen, om een bewijs te geven van mijn dankbaarheid. Hij ging voort met spreken en zei: “Ik wil u een bewijs geven van mijn groot vertrouwen. Ik heb genoegen in preeken, de Heer zegent mijn woorden. Ik breng den gierigaard ertoe zijn kisten te openen en den inhoud kwistig uit te deelen, den wellusteling zijn genietingen op te geven, de hermitages bevolk ik met geloovigen en een onstandvastige vrouw doe ik haar verleider ontvlieden. Deze veelvuldige bekeeringen moesten voldoende zijn om mij aan het werk te houden. Maar ik zal je mijn zwakheid bekennen, ik stel er grooten prijs op, dat de wereld mijn geschriften bewondert. En ik moet het zeggen, de roem om voor een uitmuntend prediker door te gaan heeft voor mij veel bekoring. Ook mijn werken prijst men algemeen, maar ik wil de fout vermijden van vele schrijvers, die te lang schrijven en daardoor een gedeelte van hunne reputatie verliezen. Dus, mijn waarde Gil Blas, ik vraag van u, als een bewijs van uw toewijding en ijver, mij te waarschuwen wanneer ge zult merken, dat mijn pen den ouderdom gaat gevoelen. Ik vertrouw ook in dit opzicht op u.”

“Monseigneur,” zei ik, “den Hemel zij dank, dat die tijd nog ver verwijderd is. Een geest als de uwe blijft langer groot dan een andere. Ik beschouw u als een tweeden kardinaal Ximenès, wiens buitengewoon genie, inplaats van door de jaren te verzwakken, steeds nieuwe krachtenontving.” “Vlei mij niet, mijn vriend. Op mijn leeftijd begint men gebreken te voelen en de gebreken van het lichaam veranderen den geest. Wees niet bevreesd om eerlijk te zijn. Ik zal je waarschuwing beschouwen als eenbewijs van je genegenheid. Bovendien gaat het om je eigen belang. Als ik bij ongeluk vernam, dat men in de stad zei, dat mijn preeken minder werden en dat ik rust moest gaan nemen, verklaar ik je, dat je tegelijk met mijn vriendschap het fortuin zou verliezen, dat ik je beloofd heb.”

Van dat oogenblik af was ik de verklaarde gunsteling van den aartsbisschop. Het personeel liet mij dat ook merken door buitengewone beleefdheden tegenover mij, om mijn gunst te winnen; ik kon bijna niet begrijpen, dat het uit Spanjaarden bestond. Van mijn positie maakte ik gebruik door te bewerken, dat mijn vriend Melchior een goede gratificatie kreeg.

Wat ik op zekeren dag voor een priester wist gedaan te krijgen, mag worden vermeld. Ik maakte kennis met een jongen priester, Louis Garcia, iemand met een zeer gunstig uiterlijk, naar ik vernam een eerlijk man, die aalmoezenier was geweest, maar dien men belasterd had bij monseigneur, die niets meer van hem wilde weten. Alle pogingen door verschillende personen in Granada gedaan, om hem weer in genade te doen opnemen, waren vruchteloos geweest. Gelukkig schreef hij een buitengewoon mooie hand en daardoor meende ik hem te kunnen helpen. Ik stak een door hem beschreven vel papier bij mij en toen ik alleen met den aartsbisschop was, liet ik hem dat zien. Mijn patroon prees het zeer en van die gelegenheid besloot ik gebruik te maken. “Monseigneur,” zei ik, “daar ge weigert om uwe preeken te laten drukken, zou ik althans wenschen, dat ze zóó geschreven waren.”

“Ik ben over uw schrift tevreden,” zei de prelaat, “maar ik geef toe, dat ik wel graag van die hand een copie van mijn werk zou hebben.” “U hebt maar te spreken,” zei ik, “die man is een bekende van mij en misschien kunt u hem op die wijze helpen uit den treurigen toestand, waarin hij zich bevindt.”

De aartsbisschop vroeg mij naar den naam. “Hij heet Louis Garcia,” zei ik, “en is wanhopig over de ongenade,waarin hij bij u gevallen is.” “Die Garcia,” viel hij mij in de rede, “is, geloof ik, aalmoezenier geweest. Ik herinner mij nog de memories, die tegen hem zijn ingekomen. Op zijn gedrag moet nog al iets te zeggen zijn geweest.” “Monseigneur,” hernam ik, “het is niet mijn bedoeling, hem te rechtvaardigen, maar ik weet, dat de man vijanden heeft en hij zegt, dat die memories meer ingegeven zijn door zucht om hem te benadeelen, dan om de waarheid te zeggen.” ”’t Is mogelijk,” zei de prelaat, “er zijn zulke slechte menschen in de wereld. Overigens, wanneer hij zich niet goed gedragen heeft, kan hij berouw daarover hebben. Voor alle zonden is er vergeving. Breng mij dien man maar.”

Zoo ziet men, dat zelfs de meest strenge menschen hun strengheid vergeten, wanneer hun belang dit meebrengt.

Den volgenden dag bracht ik Garcia bij mijn meester, die hem eerst een kleine berisping gaf en daarna aan het werk zette, om zijn preeken in het net over te schrijven. Later benoemde hij hem weer tot priester en zelfs kreeg hij de parochie van Gabië, een groote plaats in de buurt van Granada. Wat een bewijs is, dat weldaden niet altijd bewezen worden aan hen, die ze verdienen.

Hoofdstuk IVDe aartsbisschop krijgt een beroerte. Van de verlegenheid, waarin Gil Blas zich bevindt en op welke wijze hij er weer uitkomt.Don Fernand de Leyva maakte zich gereed, om Granada te verlaten; ik ging afscheid van hem nemen en bedankte hem opnieuw voor de mooie betrekking, die ik gekregen had. “Ik ben daar zeer tevreden,” zei ik. “de prelaat is buitengewoon goed voor mij en dat troost mij over het verlaten van don César en zijn zoon.”“Ik ben er van overtuigd,” zei hij bij het scheiden, “dat uw vroegere meesters door uw heengaan een groot verlies hebben geleden, maar misschien zijt gij wel niet voor altijd van hen gescheiden. De geheele familie zal steeds levendig belang blijven stellen in uw lot.”Twee maanden later was er een groote opschudding in het bisschoppelijk paleis; mijn meester had een beroerte gekregen. Na eenige dagen echter, scheen hij weer te herstellen. Maar zijn geest had een gevoeligen schok gekregen. Ik merktedat al dadelijk toen hij weer een preek maakte. Ik wachtte nog een tweede af en die was voor mij beslissend. Niet ik alleen merkte dit op, ook zijn toehoorders fluisterden het elkaar in stilte toe. “Komaan, mijnheer de criticus,” zei ik tot mijzelf, “nu moet gij u voorbereiden op uw taak. Ge ziet, dat monseigneur minder wordt en ge moet hem waarschuwen; anders is een van zijn vrienden misschien vrijmoedig genoeg, om u voor te wezen. Ge zult dan geschrapt worden in zijn testament.”Maar bij die overdenkingen kwamen er weer andere.De waarschuwing was niet gemakkelijk te geven. Ik meende, dat een auteur, ingenomen met zijn werk, die misschien slecht zou kunnen opvatten. Maar ik verwierp die gedachte weer en geloofde, dat hij er onmogelijk kwaad om kon worden, na het van mij op zoo dringende wijze geëischt te hebben. Bovendien kon ik het handig inkleeden, om zoodoende de pil te vergulden. Bij slot van rekening vond ik het gevaarlijker om het stilzwijgen te bewaren, dan het te verbreken. Dus besloot ik te spreken.Ik was er nu alleen nog maar verlegen mee, hoe te beginnen. Gelukkig kwam de redenaar mij onverwachts zelf te hulp, door mij te vragen, wat men zei van zijn laatste preek. Ik antwoordde hem, dat men altijd zijn preeken bewonderde, maar dat zijn laatste niet zulk een diepen indruk op het gehoor had gemaakt als de andere. Hij toonde zich daar verwonderd over en ik haastte mij te zeggen, dat niemand het waagde zijn werk te critiseeren, maar dat hij mij zelf had bevolen ronduit met hem te spreken en dat ik daarom de opmerking waagde, dat zijn laatste preek in kracht bij de andere achterstond.Mijn woorden deden hem verbleeken en hij zeide met een gedwongen glimlach: “Dat stuk is dus niet naar uw zin geweest, mijnheer Gil Blas?” “Ik vond het uitstekend,” hernam ik, “maar het stond niet even hoog als uw ander werk.”“Ik begrijp u,” antwoordde hij, “Het schijnt u toe, dat ik minder word en dat ik eraan moet gaan denken, om mij terug te trekken.” Ik zei hem, dat ik nooit de stoutmoedigheid zou hebben gehad, zoo tot hem te spreken, indien hij het niet zelf mij had bevolen, dat ik dus niet anders had gedaan dan hem gehoorzamen en dat ik hoopte, dat hij mij dit niet kwalijk zou nemen. “Daar denk ik niet aan, om het u kwalijk te nemen,” zei hij, “ik zou al zeer onrechtvaardig zijn, indien ik dat deed en ik vind het volstrekt niet verkeerd, dat ge mij uw meening zegt. ’t Is alleen uw meening zelve, die ik verkeerdvind. Ik ben de dupe geworden van uw bekrompen verstand.”Hoe ontdaan ook, zocht ik toch nog naar woorden om den redenaar, die niet anders gewoon was, dan zich te hooren prijzen, zachter te stemmen. “Laten wij er niet verder over spreken, mijn zoon,” zei hij, “ge zijt nogte jong, om het ware van het valsche te onderscheiden. Neem van mij aan, dat ik nooit een betere preek heb geleverd dan de laatste, die niet naar uw smaak was. Mijn geest heeft gelukkig nog niets van zijn kracht verloren. Voortaan zal ik echter beter mijn vertrouwelingen kiezen. Ik wil bekwamere mannen dan gij zijt, om mijn werk te beoordeelen. Ga mijn schatmeester zeggen, dat hij u honderd ducaten uitbetaalt en met die som hoop ik, dat de hemel u zal geleiden. Vaarwel, mijnheer Gil Blas! Ik wensch u allen voorspoed en een weinig meer smaak,”

Don Fernand de Leyva maakte zich gereed, om Granada te verlaten; ik ging afscheid van hem nemen en bedankte hem opnieuw voor de mooie betrekking, die ik gekregen had. “Ik ben daar zeer tevreden,” zei ik. “de prelaat is buitengewoon goed voor mij en dat troost mij over het verlaten van don César en zijn zoon.”

“Ik ben er van overtuigd,” zei hij bij het scheiden, “dat uw vroegere meesters door uw heengaan een groot verlies hebben geleden, maar misschien zijt gij wel niet voor altijd van hen gescheiden. De geheele familie zal steeds levendig belang blijven stellen in uw lot.”

Twee maanden later was er een groote opschudding in het bisschoppelijk paleis; mijn meester had een beroerte gekregen. Na eenige dagen echter, scheen hij weer te herstellen. Maar zijn geest had een gevoeligen schok gekregen. Ik merktedat al dadelijk toen hij weer een preek maakte. Ik wachtte nog een tweede af en die was voor mij beslissend. Niet ik alleen merkte dit op, ook zijn toehoorders fluisterden het elkaar in stilte toe. “Komaan, mijnheer de criticus,” zei ik tot mijzelf, “nu moet gij u voorbereiden op uw taak. Ge ziet, dat monseigneur minder wordt en ge moet hem waarschuwen; anders is een van zijn vrienden misschien vrijmoedig genoeg, om u voor te wezen. Ge zult dan geschrapt worden in zijn testament.”

Maar bij die overdenkingen kwamen er weer andere.De waarschuwing was niet gemakkelijk te geven. Ik meende, dat een auteur, ingenomen met zijn werk, die misschien slecht zou kunnen opvatten. Maar ik verwierp die gedachte weer en geloofde, dat hij er onmogelijk kwaad om kon worden, na het van mij op zoo dringende wijze geëischt te hebben. Bovendien kon ik het handig inkleeden, om zoodoende de pil te vergulden. Bij slot van rekening vond ik het gevaarlijker om het stilzwijgen te bewaren, dan het te verbreken. Dus besloot ik te spreken.

Ik was er nu alleen nog maar verlegen mee, hoe te beginnen. Gelukkig kwam de redenaar mij onverwachts zelf te hulp, door mij te vragen, wat men zei van zijn laatste preek. Ik antwoordde hem, dat men altijd zijn preeken bewonderde, maar dat zijn laatste niet zulk een diepen indruk op het gehoor had gemaakt als de andere. Hij toonde zich daar verwonderd over en ik haastte mij te zeggen, dat niemand het waagde zijn werk te critiseeren, maar dat hij mij zelf had bevolen ronduit met hem te spreken en dat ik daarom de opmerking waagde, dat zijn laatste preek in kracht bij de andere achterstond.

Mijn woorden deden hem verbleeken en hij zeide met een gedwongen glimlach: “Dat stuk is dus niet naar uw zin geweest, mijnheer Gil Blas?” “Ik vond het uitstekend,” hernam ik, “maar het stond niet even hoog als uw ander werk.”

“Ik begrijp u,” antwoordde hij, “Het schijnt u toe, dat ik minder word en dat ik eraan moet gaan denken, om mij terug te trekken.” Ik zei hem, dat ik nooit de stoutmoedigheid zou hebben gehad, zoo tot hem te spreken, indien hij het niet zelf mij had bevolen, dat ik dus niet anders had gedaan dan hem gehoorzamen en dat ik hoopte, dat hij mij dit niet kwalijk zou nemen. “Daar denk ik niet aan, om het u kwalijk te nemen,” zei hij, “ik zou al zeer onrechtvaardig zijn, indien ik dat deed en ik vind het volstrekt niet verkeerd, dat ge mij uw meening zegt. ’t Is alleen uw meening zelve, die ik verkeerdvind. Ik ben de dupe geworden van uw bekrompen verstand.”

Hoe ontdaan ook, zocht ik toch nog naar woorden om den redenaar, die niet anders gewoon was, dan zich te hooren prijzen, zachter te stemmen. “Laten wij er niet verder over spreken, mijn zoon,” zei hij, “ge zijt nogte jong, om het ware van het valsche te onderscheiden. Neem van mij aan, dat ik nooit een betere preek heb geleverd dan de laatste, die niet naar uw smaak was. Mijn geest heeft gelukkig nog niets van zijn kracht verloren. Voortaan zal ik echter beter mijn vertrouwelingen kiezen. Ik wil bekwamere mannen dan gij zijt, om mijn werk te beoordeelen. Ga mijn schatmeester zeggen, dat hij u honderd ducaten uitbetaalt en met die som hoop ik, dat de hemel u zal geleiden. Vaarwel, mijnheer Gil Blas! Ik wensch u allen voorspoed en een weinig meer smaak,”

Hoofdstuk VWat Gil Blas deed, nadat de aartsbisschop hem zijn ontslag had gegeven. Door welk toeval hij den geestelijke ontmoette, die zooveel verplichting aan hem had en welke bewijzen van erkentelijkheid hij van hem ontving.Ik verliet het kabinet, de gril, of liever de zwakheid van den aartsbisschop verwenschende en meer vervuld van toorn tegen hem, dan met droefheid over het verlies van zijn gunst. Eenigen tijd aarzelde ik zelfs, of ik zijn honderd ducaten wel zou gaan ontvangen; maar na goed te hebben nagedacht, besloot ik niet zoo dwaas te zijn, die te laten loopen. Ik meende, dat dit geld mij niet het recht zou ontnemen, om den prelaat belachelijk te maken, wat ik voornam te doen bij elke gelegenheid, dat zijn preeken ter sprake zouden komen.Dus ging ik de honderd ducaten aan den schatmeester vragen, zonder hem met een enkel woord te spreken over hetgeen er tusschen zijn meester en mij was voorgevallen. Daarna ging ik afscheid nemen van Melchior de la Ronda. Hij hield te veel van mij, om niet getroffen te zijn door mijn ongeluk. Dat kon ik aan zijn gelaat zien, terwijl ik hem het geheele verhaal deed. Niettegenstaande al het respect, dat hij voor den aartsbisschop had, keurde hij deze handelwijze sterk in hem af; maar, toen ik in mijn toorn riep, dat ik het hem betaald zou zetten, zei hij: “Mijn waarde Gil Blas, geloof mij, ’t is beter uw verdriet in stilte te dragen. Gewone menschen moeten altijd personen van hoogen stand respecteeren, ook al hebben zij reden zich over hen te beklagen. Wel geef ik toe, dat zij vaak verdienen, om met minder eerbied behandeld te worden,maar zij kunnen ons benadeelen, dus moeten wij hen vreezen.”Ik bedankte mijn ouden vriend voor zijn raad en besloot daarvan te profiteeren. Daarna zei hij nog: “Indien ge naar Madrid gaat, bezoek dan Jozeph Navarro, mijn neef, hij is chef van dienst bij don Baltazar de Zuniga en ik durf te zeggen, dat hij uw vriendschap waard is, hij is levendig, flink en voorkomend. Ik zou wel wenschen, dat ge met hem kennis maakte.” Ik antwoordde, dat ik niet zou nalaten Joseph Navarro te gaan opzoeken, zoodraik in Madrid zou zijn, waarheen ik wel zou terugkeeren. Vervolgens verliet ik het bisschoppelijk paleis, om er nooit weer een voet in te zetten. Indien ik mijn paard nog had gehad, zou ik zonder twijfel naarTolédozijn gegaan, maar ik had het verkocht, omdat ik het niet meer dacht noodig te hebben. Het eerste wat ik nu deed, was een kamer zoeken, want ik wilde nog een maand in Granada blijven en daarna den graaf de Polan opzoeken.Toen de tijd voor het diner naderde, vroeg ik mijn hospita of er niet een goede restauratie in de buurt was. Ze antwoordde mij, dat er een uitstekende was op twee passen afstand van haar huis, waar men zeer goed werd bediend en waar veel nette lieden kwamen.Ik ging er dadelijk heen en trad een zaal binnen, waar tien of twaalf personen aan een niet al te zindelijke tafel zaten. De portie eten, die men mij bracht, was van dien aard, dat ik op een anderen tijd zeker mijn vorige tafel zou hebben betreurd, maar ik was daarover nu te kwaad op den aartsbisschop.Terwijl ik zoo, zonder dat ik reden had om bang te zijn, dat ik mijn maag zou overladen, zat te eten, kwam Louis Garcia, die pastoor van Gabie, bij Granada, was geworden, de zaal binnen. Hij was zeer verheugd mij te zien, kwam naast mij zitten en zei, na nogmaals van zijn dankbaarheid te hebben gesproken: “Nu de fortuin mij u doet ontmoeten, zullen we niet scheiden voor we samen hebben gedronken. Maar, daar er hier geen goeden wijn te krijgen is, zullen we op een andere plaats een fijne flesch nemen. Wij moeten ons dit genoegen veroorloven, weiger het mij niet. Wat zal ik gelukkig zijn, wanneer ik u eens in mijn pastorie te Gabie mag zien! Ge zult daar ontvangen worden als een edelmoedige Mécénas, aan wien ik het gemakkelijke leven, dat ik nu leid, dank.”Hij begon te eten en intusschen vertelde ik hem zoo nauwkeurig mogelijk alles wat er tusschen den aartsbisschop en mij was voorgevallen. Ik had verwacht, dat hij zijn leedwezen daarover zou hebben betuigd, dat hijbitter en scherp over den aartsbisschop zou zijn uitgevallen. Maar niets van dit alles, hij werd stil en nadenkend. Toen hij gegeten had, stond hij plotseling van tafel op, groette mij koel en vertrok. Toen hij zag, dat ik hem niet meer nuttig kon zijn, bespaarde die ondankbare zich zelfs de moeite niet mij zijn gevoelens te verbergen. Ik lachte om zijn ondankbaarheid en hem aanziende met al de minachting, die hij verdiende, riep ik, hard genoeg om gehoord te worden: “Hallo! mijnheer de wijze aalmoezenier, ga de fijne flesch vast laten afkoelen, waarop ge mij zoudt onthalen!”

Ik verliet het kabinet, de gril, of liever de zwakheid van den aartsbisschop verwenschende en meer vervuld van toorn tegen hem, dan met droefheid over het verlies van zijn gunst. Eenigen tijd aarzelde ik zelfs, of ik zijn honderd ducaten wel zou gaan ontvangen; maar na goed te hebben nagedacht, besloot ik niet zoo dwaas te zijn, die te laten loopen. Ik meende, dat dit geld mij niet het recht zou ontnemen, om den prelaat belachelijk te maken, wat ik voornam te doen bij elke gelegenheid, dat zijn preeken ter sprake zouden komen.

Dus ging ik de honderd ducaten aan den schatmeester vragen, zonder hem met een enkel woord te spreken over hetgeen er tusschen zijn meester en mij was voorgevallen. Daarna ging ik afscheid nemen van Melchior de la Ronda. Hij hield te veel van mij, om niet getroffen te zijn door mijn ongeluk. Dat kon ik aan zijn gelaat zien, terwijl ik hem het geheele verhaal deed. Niettegenstaande al het respect, dat hij voor den aartsbisschop had, keurde hij deze handelwijze sterk in hem af; maar, toen ik in mijn toorn riep, dat ik het hem betaald zou zetten, zei hij: “Mijn waarde Gil Blas, geloof mij, ’t is beter uw verdriet in stilte te dragen. Gewone menschen moeten altijd personen van hoogen stand respecteeren, ook al hebben zij reden zich over hen te beklagen. Wel geef ik toe, dat zij vaak verdienen, om met minder eerbied behandeld te worden,maar zij kunnen ons benadeelen, dus moeten wij hen vreezen.”

Ik bedankte mijn ouden vriend voor zijn raad en besloot daarvan te profiteeren. Daarna zei hij nog: “Indien ge naar Madrid gaat, bezoek dan Jozeph Navarro, mijn neef, hij is chef van dienst bij don Baltazar de Zuniga en ik durf te zeggen, dat hij uw vriendschap waard is, hij is levendig, flink en voorkomend. Ik zou wel wenschen, dat ge met hem kennis maakte.” Ik antwoordde, dat ik niet zou nalaten Joseph Navarro te gaan opzoeken, zoodraik in Madrid zou zijn, waarheen ik wel zou terugkeeren. Vervolgens verliet ik het bisschoppelijk paleis, om er nooit weer een voet in te zetten. Indien ik mijn paard nog had gehad, zou ik zonder twijfel naarTolédozijn gegaan, maar ik had het verkocht, omdat ik het niet meer dacht noodig te hebben. Het eerste wat ik nu deed, was een kamer zoeken, want ik wilde nog een maand in Granada blijven en daarna den graaf de Polan opzoeken.

Toen de tijd voor het diner naderde, vroeg ik mijn hospita of er niet een goede restauratie in de buurt was. Ze antwoordde mij, dat er een uitstekende was op twee passen afstand van haar huis, waar men zeer goed werd bediend en waar veel nette lieden kwamen.

Ik ging er dadelijk heen en trad een zaal binnen, waar tien of twaalf personen aan een niet al te zindelijke tafel zaten. De portie eten, die men mij bracht, was van dien aard, dat ik op een anderen tijd zeker mijn vorige tafel zou hebben betreurd, maar ik was daarover nu te kwaad op den aartsbisschop.

Terwijl ik zoo, zonder dat ik reden had om bang te zijn, dat ik mijn maag zou overladen, zat te eten, kwam Louis Garcia, die pastoor van Gabie, bij Granada, was geworden, de zaal binnen. Hij was zeer verheugd mij te zien, kwam naast mij zitten en zei, na nogmaals van zijn dankbaarheid te hebben gesproken: “Nu de fortuin mij u doet ontmoeten, zullen we niet scheiden voor we samen hebben gedronken. Maar, daar er hier geen goeden wijn te krijgen is, zullen we op een andere plaats een fijne flesch nemen. Wij moeten ons dit genoegen veroorloven, weiger het mij niet. Wat zal ik gelukkig zijn, wanneer ik u eens in mijn pastorie te Gabie mag zien! Ge zult daar ontvangen worden als een edelmoedige Mécénas, aan wien ik het gemakkelijke leven, dat ik nu leid, dank.”

Hij begon te eten en intusschen vertelde ik hem zoo nauwkeurig mogelijk alles wat er tusschen den aartsbisschop en mij was voorgevallen. Ik had verwacht, dat hij zijn leedwezen daarover zou hebben betuigd, dat hijbitter en scherp over den aartsbisschop zou zijn uitgevallen. Maar niets van dit alles, hij werd stil en nadenkend. Toen hij gegeten had, stond hij plotseling van tafel op, groette mij koel en vertrok. Toen hij zag, dat ik hem niet meer nuttig kon zijn, bespaarde die ondankbare zich zelfs de moeite niet mij zijn gevoelens te verbergen. Ik lachte om zijn ondankbaarheid en hem aanziende met al de minachting, die hij verdiende, riep ik, hard genoeg om gehoord te worden: “Hallo! mijnheer de wijze aalmoezenier, ga de fijne flesch vast laten afkoelen, waarop ge mij zoudt onthalen!”

Hoofdstuk VIGil Blas gaat de comedie te Granada bezoeken. Van de verwondering, die het zien van een actrice bij hem opwekte en hetgeen daardoor gebeurde.Garcia was nog niet uit de zaal, of er traden twee fatsoenlijk gekleede heeren binnen, die dicht bij mij kwamen zitten. Ze begonnen te spreken over den schouwburg te Granada en het nieuwste stuk, dat men speelde. Volgens hen trok dat stuk algemeen de aandacht. Door wat ik hoorde, kreeg ik lust het eens te gaan zien. Ik had de comedie nog niet bezocht, sedert ik te Granada was, want bij den aartsbisschop wilde men daar niets van weten. De preeken waren mijn eenig amusement geweest.Toen het tijd werd, ging ik dus naar den schouwburg, waar een talrijk publiek bijeen was. Om mij heen hoorde ik niets dan beschouwingen over het stuk en ik merkte op, dat de geheele wereld zich tot oordeelen bevoegd achtte. De een verklaarde zich er voor, de ander er tegen. “Heeft men wel ooit een beter geschreven werk gezien?” werd rechts gevraagd. “Wat een erbarmelijke stijl!” klonk het links. Waarlijk, indien er al veel slechte schrijvers zijn, moet men toegeven, dat er nog meer slechte critici bestaan. En als ik denk aan alles wat de dichters van drama’s te slikken krijgen, verwonder ik er mij over, dat er nog zijn, die de onwetendheid van het groote publiek en de gevaarlijke kritiek van z. g. deskundigen, die soms het oordeel van de menigte bederven, trotseeren.Dadelijk toen de meest gewilde acteur op de planken verscheen, was er een algemeen handgeklap. Het bleekme een van die tooneelspelers aan wie het parterre alles vergeeft. Ik merkte, dat hij sommige oogenblikken uit zijn rol was en dan eigenlijk meer verdiende om uitgefloten, dan om toegejuicht te worden.Ook bij het opkomen van enkele andere acteurs werd er geklapt en eveneens bij het verschijnen van een actrice, die een kamenier’s rol had te vervullen. Ik keek haar goed aan en kon geen woorden vinden, om mijn verbazing te uiten, toen ik Laura zag, mijn dierbare Laura, die ik nog te Madrid bij Arsénia waande. Ik kon er niet aan twijfelen, of zij was het. Haar taille, haar trekken, de toon van haar stem, alles verzekerde mij, dat ik mij niet vergiste. Daar ik echter mijn oogen en ooren niet vertrouwde, vroeg ik haar naam aan een heer, die naast mij zat. “Ge zijt zeker een nieuweling hier, dat ge de schoone Estelle niet kent,” zei hij.De gelijkenis was echter te treffend, dan dat ik mij kon vergissen. Dus besloot ik, dat Laura haar naam had verwisseld en benieuwd om iets anders omtrent haar te weten—want het publiek weet in den regel alles van bekende acteurs en actrices—vroeg ik den man naast mij, of ze ook een minnaar had, die zich in haar bijzondere onderscheiding mocht verheugen. Hij antwoordde mij, dat er sinds twee maanden in Granada een Portugeesch heer was, genaamd markies de Marialva, die zich zeer veel aan haar gelegen liet liggen. Mijn gedachten waren door hetgeen ik van mijn buurman had gehoord, zoo in beslag genomen, dat ik weinig aandacht meer schonk aan het stuk. Ik dacht slechts aan Laura, aan Estelle, en nam mij voor haar den volgenden dag te gaan bezoeken.In de schitterende omstandigheden, waarin ze zich nu bevond, had ik reden te vermoeden, dat het zien van mij haar geen groot genoegen zou doen. Ook had zij er wel aanleiding toe, om ontevreden op mij te zijn, maar dat alles kon mij niet van mijn plan terughouden. Na een karig maal (er waren n.l. geen andere in mijn hotel)ging ik naar mijn kamer en wachtte vol ongeduld op den volgenden morgen.Ik sliep dien nacht slecht en stond op bij het krieken van den dag. Daar ik onderstelde, dat de maîtresse van een grooten mijnheer ’s morgens wel niet te vroeg op zou zijn, besteedde ik drie of vier uur om mij te kleeden, kappen, scheren en poederen. Ik wilde mij zoo aan haar vertoonen, dat ze zich niet voor mij behoefde te schamen. Over tienen was ik aan een groot huis, waarvan zij de eerste verdieping bewoonde. Tegen de dienstbode, die voor mij de deur opende, zei ik, dat een jonge man mevrouw Estelle wenschte te spreken. De boodschap werd overgebracht en ik hoorde met luide stem vragen: “Waar is die jonge man? Wat wil hij van mij? Laat hem binnenkomen!”Ik leidde daaruit af, dat ik mijn tijd slecht had gekozen,dat haar Portugeesche beminde zeker aan zijn toilet bezig was en dat zij alleen maar zoo hard praatte, om hem te overtuigen, dat zij niet iemand was, die verdachte bezoeken ontving. Wat ik vermoedde, bleek waarheid; de markies de Marialva bracht steeds de ochtend met haar door. Ik verwachtte dus een alles behalve vriendelijke ontvangst, toen de actrice met open armen op mij toeliep en riep: “O, mijn broer! wat ben ik blij je te zien!” Bij die woorden omhelsde ze mij en keerde zich daarna tot den Portugees: “Vergeef mij, wij hebben elkaar in geen drie jaren gezien en ik heb mijn broer innig lief.” Daarna wendde zij zich weer tot mij en zei: “Mijn waarde Gil Blas, vertel mij nu eens spoedig al het nieuws omtrent de familie.”In het begin was ik wel een beetje verlegen, maar spoedig kwam ik op mijn gemak, ik vertelde, dat het met onze ouders zeer goed ging en het werd een aardige scène.“Ik twijfel er niet aan,” zei ze, “of ge zult verwonderd zijn, mij als actrice in Granada te zien, maar veroordeel mij niet zonder mij te hooren. Het is nu, zooals ge weet, drie jaar geleden, dat mijn vader mij goed dacht uit te huwelijken, door mijn hand te schenken aan den kapitein, don Antonio Coello, die mij van Asturië meenam naar Madrid, zijn geboorteplaats. Zes maanden na onze aankomst, werd hij door zijn heftig karakter in een eerezaak gewikkeld. Hij doodde een edelman, die het gewaagd had mij eenige attenties te bewijzen. Daar de gevallene tot een aanzienlijke familie behoorde, moest mijn man dadelijk vluchten naar Catalonië. Al het geld en het edelgesteente, dat hij in ons huis vond, had hij meegenomen. Hij scheepte zich te Barcelona in, stak over naar Italië, trad in dienst van Venetië en verloor na eenigen tijd het leven in een gevecht tegen de Turken. Het landgoed, dat wij bezaten en dat zeer bezwaard was, werd verkocht en ik bleef als een onvermogende weduwe achter. Ik zag geen kans naar Asturië terug te keeren. Wat zou ik er hebben moeten doen? Van mijn familie zou ik voor troostniets als condoleanties hebben gekregen. Wat moest ik doen in dien ongelukkigen toestand? Voor een jonge weduwe was dat een moeilijke zaak. Ik had een zeer goede opvoeding gehad en om mijn goeden naam te bewaren, werd ik actrice.Hoewel ik bepaald moeite had, om bij het einde van den roman van Laura niet in lachen uit te barsten, zei ik op ernstigen toon: “Mijn zuster, ik kan niet anders dan uw gedrag goedkeuren en het verheugt mij u in Granada zoo goed te zien ingericht.”De markies de Marialva, die geen woord gemist had van het verhaal, dat de weduwe van don Antonio had verzonnen, mengde zich in ons gesprek en vroeg mij, of ik in Granada of elders een betrekking had. Ik dacht er een oogenblik aan, om te liegen, maar daar ik dat niet noodzakelijk vond, besloot ik de waarheid te zeggen en vertelde hem hoe ik bij den aartsbisschop was gekomen en op welke wijze ik hem had verlaten, een verhaal, waarmee hij zich kostelijk amuseerde. Vermakelijk ook was het lachen, dat Laura herhaaldelijk deed. Natuurlijk dacht zij, dat ik haar voorbeeld volgde en een fabeltje vertelde.Nauwelijks had ik mijn verhaal geëindigd, of een huisknecht kwam zeggen, dat de tafel klaar was. Ik wilde opstaan en mij verwijderen, maar daarvan wilde Laura niet hooren. “Waar denkt ge aan? Ge dineert met ons. En ik wil niet hebben, dat ge langer op die kamer blijft wonen. Laat uw goed vanavond hier brengen en neem bij ons uw intrek.”De Portugeesche heer, wien die gastvrijheid zeker geen genoegen deed, zei: “Neen Estelle, ge zijt er hier niet op ingericht, om nog iemand te huisvesten. Uw broer schijnt mij een beminnelijk man en zijn verwantschap met u boezemt mij belangstelling voor hem in. Ik wil hem in mijn dienst nemen, hij kan mijn secretaris worden en is dan verzekerd van een goede positie. Hij kan bij mij wonen, ik zal heden nog een kamer in orde laten maken.Ik geef hem vierhonderd ducaten salaris en wanneer ik reden heb over hem tevreden te zijn, waaraan ik niet twijfel, dan zal hij zich er wel spoedig over troosten, dat hij te oprecht is geweest tegen zijn aartsbisschop.”Laura en ik putten ons uit in dankbetuigingen, maar de markies wilde er niets van hooren, hij groette zijn theaterprinses en ging heen.Nauwelijks was hij vertrokken, of Laura nam mij mee in haar kabinet, viel in een fauteuil en begon onbedaarlijk te lachen, welk voorbeeld ik onmogelijk na kon laten te volgen.“Gil Blas! Wat hebben wij daar een mooie comedie gespeeld! Maar ik had op zulk een ontknooping niet gerekend. Ik wilde je alleen maar een kamer en eten besparen en om je die met goed fatsoen te kunnen aanbieden, liet ik je voor mijn broer doorgaan. Maar ’t is verrukkelijk, dat je door het toeval nu zoo’n goeden post is aangeboden. Markies de Marialva is een edelmoedig man, die nog wel meer voor je doen zal, dan hij nu beloofde. Een andere vrouw dan ik zou misschien een man, die haar verlaten heeft zonder haar vaarwel te zeggen, niet zoo vriendelijk hebben ontvangen, maar ik ben nu eenmaal van dat goede slag meisjes, die altijd met genoegen een oude liefde weerzien.”Ik vroeg vergiffenis voor mijn onbeleefd gedrag en Laura bracht me daarna in een zeer nette eetzaal, waar we ons aan tafel zetten en elkaar, daar er bedienden tegenwoordig waren, als broeder en zuster behandelden. Na het diner gingen wij weer in het kabinet. Daar moest ik Laura alles vertellen, wat er na onze scheiding met mij was gebeurd. Ik deed haar een zoo getrouw mogelijk rapport en toen ik aan haar nieuwsgierigheid had voldaan, bevredigde zij de mijne.

Garcia was nog niet uit de zaal, of er traden twee fatsoenlijk gekleede heeren binnen, die dicht bij mij kwamen zitten. Ze begonnen te spreken over den schouwburg te Granada en het nieuwste stuk, dat men speelde. Volgens hen trok dat stuk algemeen de aandacht. Door wat ik hoorde, kreeg ik lust het eens te gaan zien. Ik had de comedie nog niet bezocht, sedert ik te Granada was, want bij den aartsbisschop wilde men daar niets van weten. De preeken waren mijn eenig amusement geweest.

Toen het tijd werd, ging ik dus naar den schouwburg, waar een talrijk publiek bijeen was. Om mij heen hoorde ik niets dan beschouwingen over het stuk en ik merkte op, dat de geheele wereld zich tot oordeelen bevoegd achtte. De een verklaarde zich er voor, de ander er tegen. “Heeft men wel ooit een beter geschreven werk gezien?” werd rechts gevraagd. “Wat een erbarmelijke stijl!” klonk het links. Waarlijk, indien er al veel slechte schrijvers zijn, moet men toegeven, dat er nog meer slechte critici bestaan. En als ik denk aan alles wat de dichters van drama’s te slikken krijgen, verwonder ik er mij over, dat er nog zijn, die de onwetendheid van het groote publiek en de gevaarlijke kritiek van z. g. deskundigen, die soms het oordeel van de menigte bederven, trotseeren.

Dadelijk toen de meest gewilde acteur op de planken verscheen, was er een algemeen handgeklap. Het bleekme een van die tooneelspelers aan wie het parterre alles vergeeft. Ik merkte, dat hij sommige oogenblikken uit zijn rol was en dan eigenlijk meer verdiende om uitgefloten, dan om toegejuicht te worden.

Ook bij het opkomen van enkele andere acteurs werd er geklapt en eveneens bij het verschijnen van een actrice, die een kamenier’s rol had te vervullen. Ik keek haar goed aan en kon geen woorden vinden, om mijn verbazing te uiten, toen ik Laura zag, mijn dierbare Laura, die ik nog te Madrid bij Arsénia waande. Ik kon er niet aan twijfelen, of zij was het. Haar taille, haar trekken, de toon van haar stem, alles verzekerde mij, dat ik mij niet vergiste. Daar ik echter mijn oogen en ooren niet vertrouwde, vroeg ik haar naam aan een heer, die naast mij zat. “Ge zijt zeker een nieuweling hier, dat ge de schoone Estelle niet kent,” zei hij.

De gelijkenis was echter te treffend, dan dat ik mij kon vergissen. Dus besloot ik, dat Laura haar naam had verwisseld en benieuwd om iets anders omtrent haar te weten—want het publiek weet in den regel alles van bekende acteurs en actrices—vroeg ik den man naast mij, of ze ook een minnaar had, die zich in haar bijzondere onderscheiding mocht verheugen. Hij antwoordde mij, dat er sinds twee maanden in Granada een Portugeesch heer was, genaamd markies de Marialva, die zich zeer veel aan haar gelegen liet liggen. Mijn gedachten waren door hetgeen ik van mijn buurman had gehoord, zoo in beslag genomen, dat ik weinig aandacht meer schonk aan het stuk. Ik dacht slechts aan Laura, aan Estelle, en nam mij voor haar den volgenden dag te gaan bezoeken.

In de schitterende omstandigheden, waarin ze zich nu bevond, had ik reden te vermoeden, dat het zien van mij haar geen groot genoegen zou doen. Ook had zij er wel aanleiding toe, om ontevreden op mij te zijn, maar dat alles kon mij niet van mijn plan terughouden. Na een karig maal (er waren n.l. geen andere in mijn hotel)ging ik naar mijn kamer en wachtte vol ongeduld op den volgenden morgen.

Ik sliep dien nacht slecht en stond op bij het krieken van den dag. Daar ik onderstelde, dat de maîtresse van een grooten mijnheer ’s morgens wel niet te vroeg op zou zijn, besteedde ik drie of vier uur om mij te kleeden, kappen, scheren en poederen. Ik wilde mij zoo aan haar vertoonen, dat ze zich niet voor mij behoefde te schamen. Over tienen was ik aan een groot huis, waarvan zij de eerste verdieping bewoonde. Tegen de dienstbode, die voor mij de deur opende, zei ik, dat een jonge man mevrouw Estelle wenschte te spreken. De boodschap werd overgebracht en ik hoorde met luide stem vragen: “Waar is die jonge man? Wat wil hij van mij? Laat hem binnenkomen!”

Ik leidde daaruit af, dat ik mijn tijd slecht had gekozen,dat haar Portugeesche beminde zeker aan zijn toilet bezig was en dat zij alleen maar zoo hard praatte, om hem te overtuigen, dat zij niet iemand was, die verdachte bezoeken ontving. Wat ik vermoedde, bleek waarheid; de markies de Marialva bracht steeds de ochtend met haar door. Ik verwachtte dus een alles behalve vriendelijke ontvangst, toen de actrice met open armen op mij toeliep en riep: “O, mijn broer! wat ben ik blij je te zien!” Bij die woorden omhelsde ze mij en keerde zich daarna tot den Portugees: “Vergeef mij, wij hebben elkaar in geen drie jaren gezien en ik heb mijn broer innig lief.” Daarna wendde zij zich weer tot mij en zei: “Mijn waarde Gil Blas, vertel mij nu eens spoedig al het nieuws omtrent de familie.”

In het begin was ik wel een beetje verlegen, maar spoedig kwam ik op mijn gemak, ik vertelde, dat het met onze ouders zeer goed ging en het werd een aardige scène.

“Ik twijfel er niet aan,” zei ze, “of ge zult verwonderd zijn, mij als actrice in Granada te zien, maar veroordeel mij niet zonder mij te hooren. Het is nu, zooals ge weet, drie jaar geleden, dat mijn vader mij goed dacht uit te huwelijken, door mijn hand te schenken aan den kapitein, don Antonio Coello, die mij van Asturië meenam naar Madrid, zijn geboorteplaats. Zes maanden na onze aankomst, werd hij door zijn heftig karakter in een eerezaak gewikkeld. Hij doodde een edelman, die het gewaagd had mij eenige attenties te bewijzen. Daar de gevallene tot een aanzienlijke familie behoorde, moest mijn man dadelijk vluchten naar Catalonië. Al het geld en het edelgesteente, dat hij in ons huis vond, had hij meegenomen. Hij scheepte zich te Barcelona in, stak over naar Italië, trad in dienst van Venetië en verloor na eenigen tijd het leven in een gevecht tegen de Turken. Het landgoed, dat wij bezaten en dat zeer bezwaard was, werd verkocht en ik bleef als een onvermogende weduwe achter. Ik zag geen kans naar Asturië terug te keeren. Wat zou ik er hebben moeten doen? Van mijn familie zou ik voor troostniets als condoleanties hebben gekregen. Wat moest ik doen in dien ongelukkigen toestand? Voor een jonge weduwe was dat een moeilijke zaak. Ik had een zeer goede opvoeding gehad en om mijn goeden naam te bewaren, werd ik actrice.

Hoewel ik bepaald moeite had, om bij het einde van den roman van Laura niet in lachen uit te barsten, zei ik op ernstigen toon: “Mijn zuster, ik kan niet anders dan uw gedrag goedkeuren en het verheugt mij u in Granada zoo goed te zien ingericht.”

De markies de Marialva, die geen woord gemist had van het verhaal, dat de weduwe van don Antonio had verzonnen, mengde zich in ons gesprek en vroeg mij, of ik in Granada of elders een betrekking had. Ik dacht er een oogenblik aan, om te liegen, maar daar ik dat niet noodzakelijk vond, besloot ik de waarheid te zeggen en vertelde hem hoe ik bij den aartsbisschop was gekomen en op welke wijze ik hem had verlaten, een verhaal, waarmee hij zich kostelijk amuseerde. Vermakelijk ook was het lachen, dat Laura herhaaldelijk deed. Natuurlijk dacht zij, dat ik haar voorbeeld volgde en een fabeltje vertelde.

Nauwelijks had ik mijn verhaal geëindigd, of een huisknecht kwam zeggen, dat de tafel klaar was. Ik wilde opstaan en mij verwijderen, maar daarvan wilde Laura niet hooren. “Waar denkt ge aan? Ge dineert met ons. En ik wil niet hebben, dat ge langer op die kamer blijft wonen. Laat uw goed vanavond hier brengen en neem bij ons uw intrek.”

De Portugeesche heer, wien die gastvrijheid zeker geen genoegen deed, zei: “Neen Estelle, ge zijt er hier niet op ingericht, om nog iemand te huisvesten. Uw broer schijnt mij een beminnelijk man en zijn verwantschap met u boezemt mij belangstelling voor hem in. Ik wil hem in mijn dienst nemen, hij kan mijn secretaris worden en is dan verzekerd van een goede positie. Hij kan bij mij wonen, ik zal heden nog een kamer in orde laten maken.Ik geef hem vierhonderd ducaten salaris en wanneer ik reden heb over hem tevreden te zijn, waaraan ik niet twijfel, dan zal hij zich er wel spoedig over troosten, dat hij te oprecht is geweest tegen zijn aartsbisschop.”

Laura en ik putten ons uit in dankbetuigingen, maar de markies wilde er niets van hooren, hij groette zijn theaterprinses en ging heen.

Nauwelijks was hij vertrokken, of Laura nam mij mee in haar kabinet, viel in een fauteuil en begon onbedaarlijk te lachen, welk voorbeeld ik onmogelijk na kon laten te volgen.

“Gil Blas! Wat hebben wij daar een mooie comedie gespeeld! Maar ik had op zulk een ontknooping niet gerekend. Ik wilde je alleen maar een kamer en eten besparen en om je die met goed fatsoen te kunnen aanbieden, liet ik je voor mijn broer doorgaan. Maar ’t is verrukkelijk, dat je door het toeval nu zoo’n goeden post is aangeboden. Markies de Marialva is een edelmoedig man, die nog wel meer voor je doen zal, dan hij nu beloofde. Een andere vrouw dan ik zou misschien een man, die haar verlaten heeft zonder haar vaarwel te zeggen, niet zoo vriendelijk hebben ontvangen, maar ik ben nu eenmaal van dat goede slag meisjes, die altijd met genoegen een oude liefde weerzien.”

Ik vroeg vergiffenis voor mijn onbeleefd gedrag en Laura bracht me daarna in een zeer nette eetzaal, waar we ons aan tafel zetten en elkaar, daar er bedienden tegenwoordig waren, als broeder en zuster behandelden. Na het diner gingen wij weer in het kabinet. Daar moest ik Laura alles vertellen, wat er na onze scheiding met mij was gebeurd. Ik deed haar een zoo getrouw mogelijk rapport en toen ik aan haar nieuwsgierigheid had voldaan, bevredigde zij de mijne.


Back to IndexNext