Tiende Hoofdstuk.

Tiende Hoofdstuk.Hoe Flipsen zocht.Frans Thor en Klaas Zwart hadden zich van lieverlede zeer nauw bij elkander aangesloten, en waren boezemvrienden geworden. Eindelijk waren zij samen een handeltje begonnen. Steeds kon men hen in elkanders gezelschap vinden met een mand tusschen hen in, of ieder met een zak op den arm of over den schouder. Dan trokken zij er op uit om vodden en beenen te zoeken, die langs de wegkanten, bij huizen en schuren, of in weilanden en boschjes verspreid lagen. En ʼt was inderdaad niet weinig, wat zij vonden. Elken avond keerden zij met een goed gevulden zak huiswaarts, en als de voorraad groot genoeg was, verkochten zij dien aan den pottenschipper.De pottenschipper was een man, die eenzaam in een zolderschuit leefde. Hij had vrouw noch kind op de wereld, en ging met niemand om. De menschen hielden ook niet veel van hem, want het was bekend, dat hij geen gunstig verleden achter zich had. En in elk geval had hij een zeer ongunstig uiterlijk. Hij leefde van zijn handel in potten en pannen, en ook kocht hij vodden en beenen op.Alles, wat Klaas Zwart en Frans Thor vonden, brachten zij bij den pottenschipper, zooals hij algemeen werd genoemd. En zij ontvingen er menig centje voor. Soms verkochten zij wel voor dertig à vijftig centen in eene week, en al dat geld versnoepten zij. Of zij kochten er sigaren voor, en rookten die op.Maar langzamerhand begon hun vondst kleiner te worden, want ze hadden het geheele dorp al meermalen afgezocht. En eindelijk raakte de voorraad uitgeput.Dat merkte de pottenschipper, en hij zei:“Wat hebben jullie een beetje, jongens. Ik geef voor dit zoodje niet meer dan vijf centen. Je bent een paar groote domkoppen, dat moet ik zeggen.”“Domkoppen?” vroeg Frans. “Wij kunnen er toch niets aan doen, dat we maar zoo weinig hebben? ʼt Heele dorp hebben we al meermalen afgezocht, en er is eenvoudig niet meer. Ik zie niet in, dat wij daarom domkoppen moeten zijn.”“Neen,” zei Klaas Zwart, “ik ook niet.”De pottenschipper lachte slim.“Toch is het zoo,” zei hij. “Toen ik nog een jongen was, wist ik altijd wel aan een zakduitje te komen. Vond ik geen vodden en beenen, dan wist ik wel wat anders te bemachtigen. Ha, ha,—als je maar slim bent en zorgt, dat de menschen ʼt niet zien.”Frans en Klaas keken hem vragend aan.De pottenschipper legde zijn wijsvinger tegen den neus, en knipoogde tegen de jongens.“Och wat,” zei hij, “als je ʼt slim weet te overleggen, is er nog genoeg te vinden. Je behoeft me juist geen vodden te brengen, jongens. Ik kan wel hemden, broeken, borstrokken en andere kleedingstukken ook gebruiken. Er zijn menschen genoeg, die hun wasch den geheelen nacht buiten laten liggen.—Ha, ha, ik zeg, als je maar slim bent en er voor zorgt, dat de menschen je niet zien...”“Maar dat is stelen,” zei Klaas Zwart.“Ja,” zei Frans, “dat is stelen.”De pottenschipper richtte zich op.“Zooals ik zeg, jongens, ik geef voor dit zoodje niet meer dan vijf centen. ʼt Is maar een rommeltje. Voor goede kleedingstukken, die nog gedragen kunnen worden, geef ik natuurlijk heel wat meer, en voor ijzer, zink, lood enwat dies meer zij, wil ik je zelfs wel guldens betalen in plaats van centen.”“Ja, maar dat hebben we niet,” zei Frans.“Als je wilt, is er genoeg te vinden,” lachte de schipper weer. “Bij den smid, bij den loodgieter, bij den timmerman, overal is wel wat te snorren, als je maar goed uit je oogen kijkt en voorzichtig te werk gaat.”“Maar,” herhaalden de jongens, die eerst niet goed begrepen, wat de pottenschipper bedoelde, “dat is stelen...”“Ik zeg niet, dat je ʼt stelen moet,” zei de schipper weer met een listig knipoogje, “je moet die dingen vinden, jongens, je moet ze eerlijk vinden. Alles wat je vindt, al is het ook nog zoo gek, wil ik wel van je opkoopen. Als je er maar eerlijk aankomt...”De jongens gingen heen.Maar na dien tijd vermisten de menschen op het dorp telkens kleinigheden. Van Dril raakte op voor hem onbegrijpelijke wijze een nijptang kwijt, de loodgieter een soldeerbout, de timmerman een hamer en een zaag, en vele huismoeders vermisten verschillende kleedingstukken. Van de een waren kousen zoek, van een ander een hemd, van een derde een nachtjapon, en zoo verder.Toch dacht men eerst niet aan diefstal. Van Dril vertelde het verlies van zijn nijptang niet aan anderen, om de eenvoudige reden, dat hij wel eens meer een of ander stuk gereedschap kwijtraakte.“Zeker hier of daar laten liggen,” dacht hij. En spoedig was zijn verlies vergeten. De knechts gingen wel eens meer slordig met het gereedschap te werk, niet allen natuurlijk, maar enkelen. Op dezelfde wijze dachten ook de andere menschen er over, die het een of ander vermisten.Maar toen het winter werd en er lange, donkere avonden kwamen, verdwenen er op geheimzinnige wijze allerleivoorwerpen uit werkplaatsen en huizen, en ʼt werd zoo erg, dat de menschen er onder elkander over spraken.“Er wordt bepaald gestolen,” was de algemeene opinie. En menigeen sloot ʼs avonds de deuren van huis en werkplaats zorgvuldiger dan vroeger. De ondervinding leerde, dat wat men ʼs nachts buiten liet staan, den volgenden morgen gewoonlijk verdwenen was. En niemand kon er eenig vermoeden van krijgen, wie de dief was en waar de gestolen voorwerpen belandden.Van Dril pruttelde tegen zijn knechts, als er weer ʼt een of ander spoorloos verdwenen was, maar dezen verklaarden, dat zij het vermiste voorwerp niet hadden laten slingeren. ʼt Was op geheimzinnige wijze verdwenen.Eindelijk kwam een en ander den burgemeester ter oore, en hij liet Flipsen bij zich komen.“Zeg Flipsen, heb je ook gehoord, dat er den laatsten tijd op ʼt dorp gestolen wordt? Telkens worden kleinigheden van meer of minder waarde vermist, en het waschgoed van de huismoeders ligt niet meer veilig op de bleek.”“Ja burgemeester, ik heb er ook van gehoord,” zei Flipsen.“En heb je al eens hier en daar gesurveilleerd?” vroeg de burgemeester.“O ja, al meermalen, maar tot nog toe is het mij niet gelukt, den dader op ʼt spoor te komen.”“Zoo, ʼt is een gek geval. Ik begrijp ook niet, wie de dief zou kunnen zijn. Voor zoover ik weet, wonen er enkel knappe menschen op het dorp. Waar zouden die gestolen voorwerpen toch allemaal blijven?”“Ik denk in de stad, burgemeester. Daar wonen wel menschen, die gestolen goederen opkoopen. Ik vermoed, dat zij in den nacht naar Amsterdam worden vervoerd...”“Dan zou ik eens een oog in ʼt zeil houden, wie bijnacht of ontijd daarheen gaat, Flipsen. ʼt Is best mogelijk, dat je gelijk hebt. In elk geval is het hoog tijd, dat de dief gesnapt wordt. De menschen dienen in ʼt rustige bezit te kunnen blijven van ʼt geen hun eigendom is. Zoolang ik hier burgemeester ben, is er van geen dieverij sprake geweest, en wij moeten het kwaad zoo spoedig mogelijk den kop indrukken.”Flipsen sloeg op militaire wijze aan, en zeide:“Ik zal mʼn best doen, burgemeester. ʼt Zal aan mij niet liggen, als de dief niet gesnapt wordt.”“Dat is goed, en daar vertrouw ik ook op.”Met eene handbeweging gaf de burgemeester Flipsen zijn afscheid, en deze was vastbesloten zijn uiterste best te doen, om den dief te ontdekken. Maar dat het moeilijk zou gaan, stond bij hem vast.Den geheelen avond liep hij buiten het dorp te loeren, of ook iemand zich verwijderde in de richting van Amsterdam,—maar tevergeefs. Alles was en bleef rustig op het dorp. ʼt Was dan ook een koude, gure avond, en de menschen bleven liever bij de warme kachel. Flipsen zag den geheelen avond geen levende ziel buiten, en hij liep te bibberen van de koû. ʼt Was al haast elf uur geworden, en nog stond hij trouw op zijn post. Eindelijk hoorde hij in de verte iets naderen.“Wacht,” dacht hij, “nu zal het komen.”Hij verschool zich achter een boom.ʼt Geluid kwam nader. Duidelijk hoorde hij, dat het een wagen was.“ʼt Is een hondenkar,” prevelde Flipsen. “Ik denk, dat ik den dief op het spoor ben. De gestolen voorwerpen worden zeker met een hondenkar naar Amsterdam gebracht.”“Halt!” riep hij plotseling, want het voertuig was hem nu genaderd.De man, die op de kar zat, schrok er niet weinig van, en sprong dadelijk van den wagen. Maar zijn stok hield hij opgeheven, want hij dacht niet anders, of hij had met een aanrander te doen.Flipsen sprong van achter zijn boom te voorschijn.“Wie ben je,—en waarheen ga je?” vroeg hij op bevelenden toon.“O, Flipsen, ben jij het?” vroeg de man van de hondenkar. “Kerel, is me dat laten schrikken. Ik dacht waarlijk met...”“ʼt Doet er niet toe, wat jij denkt,” viel Flipsen norsch in. “Ik vraag, wie je bent,—maar dat zie ik nu al,—en waar je heengaat.”“Wel, ik ben Dirk Kroeze, de slager, en ik ga naar Amsterdam. Daar steekt toch niets achter, zou ik zeggen?”“Juist, Kroeze, de slager. Wat heb je in dien wagen?”“Twee doode schapen, anders niet,” was het antwoord. “Ik ga ze naar Amsterdam brengen, waar ze met een dood schaap altijd wel raad weten. Nu er zooʼn strenge keuring is op het vleesch, worden doode beesten altijd ʼs nachts de stad ingevoerd. Vroeger gebeurde dat overdag. Zie je, dat is het eenige verschil...”Kroeze was een derderangs-slager. Hij kocht bij de boeren de doode beesten op, die andere slagers niet hebben wilden, en wist daarmede het brood te verdienen voor zich en zijn gezin. En de kroegbazen kregen er ook rijkelijk hun deel van, want Kroeze maakte veel misbruik van sterken drank. Hij was dikwijls dronken.Flipsen was den wagen genaderd en bekeek den inhoud.“Denk je soms, dat ik een dief ben?” vroeg Kroeze een beetje beleedigd. “Ik verdien op eerlijke manier mijn brood, man, en ik heb mijn vingers nog nooit uitgestokennaar een andermans goed. Of weet jij iemand te noemen, die iets op Kroeze te zeggen heeft?”“Neen,” zei Flipsen. “Maar er wordt tegenwoordig gestolen op ʼt dorp, en ʼt is meer dan tijd, dat wij den dief vinden.”“Ach zoo, is dàt de zaak?” zei Kroeze. “Dan is het goed, hoor, en kijk mijn wagen maar na. Je hebt gelijk, er wordt tegenwoordig meer gestolen, dan mij lief is. Verleden week ben ik mijn beste mes uit de slagerij kwijt geraakt, en nog een zwaren vleeschhaak op den koop toe. Ik heb mʼn hoofd gek gezocht om ze terug te vinden, maar jawel, ze zijn weg en ze blijven weg. En ik zal ze wel nooit terugzien, vrees ik.”“Dat vrees ik ook,” zei Flipsen. “Je kunt wel verder gaan, Kroeze, ik heb er het mijne van gezien. Goeden avond.”“Ook goeden avond,” zei Kroeze. Hij duwde de kar voort, en riep:“Allo, honden, kssssss, kssssss! Vooruit zeg ʼk! Allo!”Hij sloeg met zijn stok tegen den wagen.De honden, die tijdens het onderzoek op den weg waren gaan liggen, richtten zich met tegenzin op, en trokken den wagen voort. Maar ʼt ging Kroeze niet hard genoeg. Hij maakte veel lawaai met zijn stok, en riep:“Ksssss! Ksssss! Allo, Allo! Vooruit honden. Kssssss!”Een oogenblik later sprong hij op den wagen, en weldra was hij in de duisternis verdwenen.“Dat was mis!” mompelde Flipsen, huiverend van de koude. Hij trok den kraag van zijn jas en zijne schouders omhoog, en bleef geduldig wachten. Maar toen er na een uur nog niemand gekomen was, besloot hij naar huis te gaan.Den volgenden avond was hij echter weer op zijn post, want hij was iemand, die zijne plichten trouw nakwam.Als hij zich eenmaal voorgenomen had, dit of dat te doen, was hem geen moeite te veel, en stoorde hij zich aan koude noch warmte.Maar hoe hij zich ook inspande, het gelukte hem niet, den dief te snappen. Daarom besloot hij de wacht te houden op den weg, die naar Haarlem voerde. Avond aan avond verschool hij zich op eenigen afstand buiten het dorp, maar alweer tevergeefs. Hij vond van den dief geen spoor.“Dan zal ik gedurende enkele avonden in het dorp zelf eens goed uitkijken. Wie weet betrap ik den dief dan niet op heeterdaad,” dacht hij.En zoo deed hij ook.Zoodra het donker geworden was en in de huizen overal de lichten opgestoken waren, verliet Flipsen zijn woning, om over de veiligheid van zijne medeburgers te waken. Eerst begaf hij zich naar verschillende werkplaatsen, van welke het hem bekend was, dat er al meermalen voorwerpen vermist waren. Hij vond ze echter alle zorgvuldig gesloten. De menschen waren, door de ondervinding geleerd, al voorzichtiger geworden.Eindelijk bemerkte hij, dat er achter het huis van de weduwe Butter eenig waschgoed op een bleekveldje lag.“Wacht,” dacht hij. “Hier zal ik mij ergens verschuilen. Waschgoed is den laatsten tijd ook dikwijls ontvreemd.”Achter het schuurtje stond, naast het bleekveld, een groote ton, waarin het regenwater, dat van het schuurtje in de goot kwam, opgevangen werd. Achter die ton maakte Flipsen zich zoo klein mogelijk. Geduldig wachtte hij, of de dief komen zou.Dat gebeurde echter niet. Toen hij een half uur in zijne gebogen houding had doorgebracht, kon hij bijna niet blijven zitten van de pijn, die hij in zijne beenen kreeg. Voorzichtig richtte hij zich een weinigje op.Alles bleef stil in den omtrek.Flipsen gaf echter den moed nog niet verloren.En waarlijk, eer er een tweede half uur voorbijgegaan was, hoorde hij eenig gerucht.Hij richtte zich op en keek over de ton.Ha, daar zag hij een gestalte, die haastig naar het bleekveld ging en vliegensvlug enkele kleedingstukken bij elkaar greep.Met een vluggen sprong kwam Flipsen op de gestalte af.“Ha, dief, daar heb ik je!” schreeuwde hij in de vreugde zijns harten, nu hij eindelijk in zijn pogingen geslaagd was.Een hevige gil was het antwoord. Flipsen hoorde, dat het een vrouwenstem was, hetgeen hem verwonderde.Met groote snelheid liep hij op de gestalte af, en greep haar bij den schouder. De onbekende sloeg de armen ten hemel en slaakte een tweeden, hartverscheurenden gil.“Wie ben jij?” beet Flipsen haar toe.Er kwam geen antwoord. De schrik verlamde als het ware haar tong.“Hoor je me niet? Wie ben jij?” herhaalde Flipsen.“O,—ik ben—ik ben Trijntje—de meid.—O, wat een schrik!”“Trijntje—de meid?” vroeg Flipsen spijtig. “Ik dacht, dat jij de dief was. Waarom laat je dat waschgoed ook buiten liggen?”“Ik—de dief!” riep het meisje uit, half schreiende van schrik en half lachende van blijdschap, nu zij bemerkte, dat zij met geen spoken te doen had. Want Trijntje geloofde nog aan spoken. “Ja,—dat zei de juffrouw ook, dat ik het waschgoed niet mocht laten liggen, en daarom ging ik het nog maar gauw eventjes halen. Hè—hè—ik beef over mijn heele lijf van den schrik...”Flipsen ging zonder groeten heen. Het speet hem, dat hij zich ten tweeden male vergist had.Maar het meest speet het hem, dat hij den volgenden dag moest vernemen van den burgemeester, dat er bij den molenaar tien meelzakken gestolen waren en dat er bij Legels, een herbergier, een mandje met ledige flesschen verdwenen was. Flipsen begreep daaruit, dat hij in een geheel verkeerde richting had gezocht. Hij wist er, zooals men dat wel noemt, geen touw meer aan vast te knoopen, en hij verdiepte zich in gissingen, wie toch wel de brutale dief kon zijn. Het trok zijn opmerkzaamheid, dat het altijd kleinigheden waren, die gestolen werden, en dat er nooit sprake was van inbraak. Langzamerhand vestigde zich de overtuiging bij hem, dat de dief geen man, maar een jongen moest zijn. En hij besloot voortaan in die richting te zoeken.Jan Trom merkte op, dat Flipsen hem telkens onderzoekend aankeek, als hij hem tegenkwam. Eens, toen hij met zijn bokkenwagen bij Van Dril vandaan kwam, schoot plotseling Flipsen op hem af, en vroeg hem:“Waar kom jij vandaan?”“Van Van Dril,” zei Jan.“Zoo,—wat heb je daar gedaan?”“Eventjes in de smederij gekeken,” was het antwoord.“Stap eens uit je wagen!” gebood Flipsen.Jan gehoorzaamde dadelijk, niet weinig verwonderd, wat dit alles wel te beduiden had.Flipsen doorsnuffelde het geheele karretje. Het bankje bestond uit een bak met een plankje er op als deksel. Flipsen lichtte dat plankje op en keek, wat er zich in den bak bevond. Maar hij zag niets verdachts.“ʼt Is goed,” zeide hij. “Je kunt wel weer gaan.” En Jan ging.Dienzelfden middag kwam Flipsen Frans Thor en Klaas Zwart tegen. Hij zag ze uit het schoolboschje komen. De school werd door drie boschjes elzenhout omringd, die te zamen altoos het schoolbosch werden genoemd. Tusschen die boschjes in lagen vrije strooken gronds, die tot speelplaats dienden.Frans en Klaas droegen een mand tusschen zich in. Elk hield een oor vast.“Daar is Flipsen,” zei Klaas Zwart. Hij voelde zich nooit bizonder op zijn gemak, als hij den politiedienaar zag. Geen wonder trouwens, want hij en zijn makker hadden al menig diefstalletje op hun geweten.“Ja, dat zie ik,” zei Frans. “ʼt Hindert niet; laat hem komen.”Zoodra Flipsen deze jongens zag, schoot hem dadelijk de gedachte door het hoofd, dat zij wel eens de schuldigen konden zijn, want zij liepen altoos overal te “schuimen,” zooals Flipsen dat noemde. En ʼt verwonderde hem, dat hij al niet eerder aan deze twee knapen had gedacht. Met groote schreden liep hij op hen af, en ʼt scheen wel, of zijne scherpe oogen hen wilden doorboren.Klaas Zwart werd er bang van en keek een anderen kant op, wat Flipsen niet ontging.“Waar komen jullie vandaan?” vroeg hij barsch. Hij boog zich voorover en hield zijn blik stijf op Klaas Zwart gericht. Klaas werd er bleek van, en zijne stem hokte hem in de keel.“Uit het boschje,” zei Frans, die niet zoo bang was als Klaas.“En wat deed je daar?”“Wij zoeken beenen en vodden,” gaf Frans ten antwoord. En hij hield de mand een weinig naar voren, om er Flipsen in te laten kijken. Deze wierp er een blik inen zag, dat er inderdaad enkele beenderen in lagen.“Vind-je die in het schoolboschje?” vroeg Flipsen verwonderd. “Hoe komen die daar dan?”“Misschien door de honden, die er daar aan kluiven, omdat het er een rustig plekje is,” zei Frans. “Wij vinden er daar maar zelden een. Eigenlijk is er op het geheele dorp bijna geen beentje meer te vinden, want wij hebben alles al meermalen afgezocht.”“Zoo,” zei Flipsen. “Ja, aan alles komt een einde. En aan wien verkoop je dien rommel?”“Och,” zei Frans, “aan voddenkoopers...”“En aan den pot...” zei Klaas. Maar Frans viel hem in de rede:“Aan voddenkoopers uit Haarlem, die hier wel met hondenwagens komen.”“Ja, ja,” zei Flipsen. “Houd jij je mond nu maar eens. Wat wou jij straks zeggen, Klaas Zwart? Aan den pot...”“Dat heb ik niet gezegd,” loog Klaas. “U heeft me verkeerd verstaan. Ik zei: aan de vod.... Maar toen viel Frans mij in de rede.”“Juist,—juist,” zei Flipsen met een onmerkbaar lachje om zijne lippen. “Nu jongens, zoekt maar goed. Er zal hier of daar nog wel wat te vinden zijn.”Hij liet de jongens staan en ging naar huis. Maar hij lachte inwendig van pret, want hij twijfelde niet, of hij was thans de daders wel degelijk op het spoor.“De pottenschipper,” mompelde hij tusschen de tanden. “Ja, ja, die jongen verklapte het leelijk: de pottenschipper is de opkooper. Wacht maar, zij zullen mij niet ontsnappen...”Frans en Klaas gingen zwijgend verder. Het korte onderhoud met den veldwachter had hun eenigen schrik aangejaagd. Na een poosje zei Frans:“Stommerd!—Jij had de heele zaak daar bijna verklapt.”“Ja,” zei Klaas angstig. “Maar ik geloof niet, dat hij het verstaan heeft. Zou je denken, dat hij me verstond?”“Dat weet ik niet,” zei Frans, “ʼk Geloof haast van niet, maar toch moeten wij voorzichtig zijn. We dienen ons een poos althans rustig te houden. Ik vertrouw Flipsen niet.”“Ik ook niet,” zei Klaas met een zucht. “Als hij me maar niet verstaan heeft.Potlijkt erg veel opvod. Zeg Frans, ik ga naar huis; ik heb geen zin meer in het zoeken.”“Ga dan,” zei Frans.Zoo scheidden de jongens.Flipsen lette na dien dag zorgvuldig op de zolderschuit van den pottenschipper. Hij twijfelde er niet aan, of den een of anderen dag zou het raadsel nu wel worden opgelost.Maar dagen en zelfs enkele weken gingen voorbij, en Flipsen bleef even wijs, als hij was. De pottenschipper leefde even eenzaam en verlaten in zijn schuit als altoos, en Frans en Klaas zag Flipsen er nooit heengaan.Doch,—en dit trok zijne opmerkzaamheid, er werd niet meer gestolen ook op het dorp. En dat was hem een troost.Elfde Hoofdstuk.De bestorming van het sneeuwkasteel, en eene heldendaad van Jan.ʼt Was in het begin van December. De winter was vroeg ingevallen, en het vroor, dat het kraakte. Eerst had het geducht gesneeuwd, tot groot vermaak van Jan Trom enzijne makkers. Ha, wat hadden zij gesneeuwbald! De kogels vlogen de jongens om de ooren. Toen hadden zij bedacht op het marktplein een fort op te werpen. Dat was een heel werk voor hen, want zij waren maar niet tevreden met een opgeworpen hoogte van sneeuw, neen, zij wilden een mooi fort hebben met schuin afloopende kanten, met torens op de hoeken en kanteelen daartusschen. ʼt Leek, toen het klaar was, veel meer op een kasteel dan op een fort. De jongens vonden het prachtig, en zij werkten er aan met een ijver en toewijding, zooals die alleen bij jongens gevonden kan worden.Eindelijk was het kasteel klaar, en nu besloten zij, zich in twee gelijke troepen te verdeelen. De eene helft zou het kasteel aanvallen, de andere zou het verdedigen.Aan de twee vrienden Jan Trom en Karel van Dril viel eene groote onderscheiding ten deel. Jan Trom werd namelijk verkozen tot bevelhebber van het sneeuwslot, en Karel tot aanvoerder van de vijanden.“Eventjes wachten, jongens!” riep Jan zijn makkers toe. “We moeten twee vlaggen hebben, voor elke troep één.”“Ja, best!” zei Karel. “Maar weet je, wat het ergste is? Alle vlaggen zijn rood, wit en blauw, en ʼt is niet aardig, als onze vlaggen hetzelfde zijn.”“O, daar weet ik wel raad op. ʼt Kasteel is een Hollandsch slot, dus daar zetten we de nationale vlag op, dat spreekt vanzelf. Als jij nu je vlag onderst-boven aan den stok bindt, lijkt hij heel veel op de Duitsche vlag. Jullie stelt dan het Duitsche leger voor, dat een inval doet op Hollandsch grondgebied. Zeg jongens, dat kan leuk worden, zou ik meenen.”Dit voorstel vond algemeen goedkeuring, en Jan en Karel haastten zich naar huis, om eene vlag te halen. Binnen tien minuten waren zij terug. De Hollandsche vlagwerd op den hoogsten toren van het kasteel geplant, en Karel benoemde een van zijne soldaten tot vaandrig. Jan en zijne krijgers maakten een ontzaglijken voorraad sneeuwballen, die achter de kanteelen werden opgestapeld, maar ook de Duitsche veldheer maakte zich zijn tijd ten nutte. Eindelijk waren beide partijen slagvaardig.De Duitschers omringden het fort aan alle kanten, en wachtten op het sein om aan te vallen. Karel, als bevelhebber, ging met den vaandrig aan zijn zijde naar het fort, en riep de bezetting toe:“Hallo! Hei daar!”“Werda!” antwoordde Jan Trom, wiens bovenlijf boven den gekanteelden muur verscheen. “Wat is er van uw begeeren.”“In naam van mijn meester, den Keizer van Duitschland, eisch ik dit kasteel op,” was het antwoord van Karel. “Mijn soldaten omringen het van alle kanten, geef u dus goedschiks over, dan beloof ik vrijen uittocht aan de manschappen. Zoo niet, wacht u dan voor de gevolgen.”“Die komen voor mijne verantwoording. Dit slot behoort aan Koningin Wilhelmina der Nederlanden, en zoolang ik leef, zal geen Duitscher het binnenkomen. Dat is mijn antwoord. Leve de Koningin!”“Leve de Koningin!” juichten Janʼs volgelingen.“Leve de Keizer!” riep Karel van Dril, en zijn krijgers herhaalden:“Leve de Keizer!”“Dan is het oorlog!” riep Karel zijn vriend Jan nog toe, terwijl hij zich met zijn vaandrig verwijderde.“Oorlog op leven of dood!” schreeuwde Jan.Weldra vloog de eerste sneeuwbal over de muren van het kasteel, en de belegerden keken hem lachend na.“Je moet beter mikken, mannetje!” riep Willem Kroeze, de zoon van den slager. “Op deze manier!”En hij wierp den Duitschen bevelhebber heel netjes zijne pet van het hoofd, tot groot vermaak van de andere Hollanders.Maar toen kwam er een regen van kogels op het kasteel af. De Hollanders moesten zich zelfs achter de kanteelen verbergen, want de Duitschers ontzagen hen niet. Zij wierpen uit alle macht, en de ballen kwamen hard aan, als zij raakten.“Hoera, zij worden bang!” riep Karel zijne mannen toe. “Allo, allo, beklimt de muren, en werpt den vijand naar beneden.”ʼt Werd een geweldige bestorming. Van alle kanten schoten de vijanden toe, en behendig klauterden zij tegen de hoogte op.Maar Jan zag het gevaar.“Zij wagen eene bestorming, jongens! Geeft ze de volle laag!” riep hij. Zijn bevel werd uitgevoerd, en de Duitschers werden haast onder de sneeuw bedolven. Sommigen kregen oogen, mond en neus vol, zoodat zij hoestend en proestend het hazenpad moesten kiezen, en anderen kregen een flinken voorraad tusschen den kraag van hun jas, zoodat het water hun over den rug liep. Weldra was de storm met glans afgeslagen. De Duitschers trokken zich terug. De vaandrig liep zelfs wel wat erg hard voor ʼt mooi. Hij viel met vaandel en al voorover in eene greppel, tot groot vermaak van de Hollanders.“Het Duitsche vaandel valt!” riepen zij lachend. “Dat is een goed voorteeken. Hoera! Leve de Koningin!”“Kijk ze eens loopen!” riep Jan, wiens oogen schitterden van opgewondenheid. “Die storm is afgeslagen, jongens, en tot een tweeden zullen zij zoo spoedig wel niet overgaan.”Dat was ook zoo. Er werd zelfs geen bal meer gegooid. Karel hield met zijn makkers krijgsraad, want het washem gebleken, dat het niet gemakkelijk zou gaan het fort te veroveren.“Wat dunkt je, jongens,” zei hij, “als we met ons allen eens op één punt een zóó geweldig vuur openden, dat de kanteelen in puin vallen? Dan zijn de belegerden ongedekt en vinden nergens beschutting. Als we ze dan de volle laag geven, kunnen zij het onmogelijk uithouden.”“Ja, ja, dat is goed. De kanteelen moeten we wegkogelen,” zei de vaandrig, “en dan wil ik wel eens zien, of ze ʼt volhouden.”“Afgesproken!” zei Karel. “Hierheen, jongens, aan dezen kant hebben we de sneeuw maar voor ʼt grijpen. Zeg, weet je, wat we in ons voordeel hebben?”“Wat dan?”“Wel,—wij kunnen zooveel sneeuwballen maken, als we willen, maar hun voorraad raakt eenmaal uitgeput. En dan kunnen zij niets meer beginnen.”“Dat is waar, ha ja, dat is waar!” lachten de Duitschers.Op ʼt volgende oogenblik openden zij een zoo geweldig bombardement op de kanteelen, dat deze het werkelijk kwaad te verantwoorden kregen. Hier en daar begonnen zij al spoedig af te brokkelen en in te storten, tot groote vreugde van de vijanden, die soms even ophielden om hunne vingers in den mond te steken,—want die werden erg koud,—en dan maakten zij tevens van de gelegenheid gebruik, om een oorverdoovend gejuich aan te heffen. Onder ʼt sneeuwballen gunden zij zich daar den tijd niet toe.Inderdaad kreeg de bezetting het kwaad te verantwoorden.Maar Jan toonde zich iemand van groote veldheerstalenten. Hij zag niet alleen het gevaar, dat hem dreigde, maar hij doorzag ook de bedoeling van zijne vijanden.“Jongens,” riep hij zijne soldaten toe, “als we dekanteelen niet behouden, zijn we verloren. Neemt de schoppen en werpt op elke bres een nieuwen muur op. Maar slaat de sneeuw stevig in elkander, zoodat de kogels er geen vat op hebben. Weest echter voorzichtig, want als je een bal tegen je gezicht krijgt, dan ben je—zuur!”De soldaten lachten smakelijk om dezelaatsteuitdrukking, maar zij begrepen de bedoeling van hun aanvoerder toch zeer goed, en gingen dadelijk met ijver aan ʼt werk. Een deel van hen wierp de bressen dicht, en zij zorgden er voor, dat de sneeuw goed in elkaar geslagen werd, zoodat zij een harde koek vormde,—een ander deel maakte nieuwe sneeuwballen, waarvoor zij het fort als het ware onder hunne voeten moesten afbreken, en de rest bekogelde den vijand.Al spoedig verstomde daar het gejuich, want ʼt was duidelijk, dat de pogingen om de gekanteelde muren te vernietigen, schipbreuk zouden lijden. Zoodra was het den Duitschers niet gelukt een bres in den muur te schieten, of op ʼt volgende oogenblik waren wel tien handen gereed om het gat weer te stoppen. De vijanden waren verder van de overwinning dan ooit, en zij werden er moedeloos onder. Hun ijver verflauwde, het bombardement werd minder hevig, en eindelijk trokken zij af om opnieuw krijgsraad te beleggen.Wat de Hollanders juichten!Zij zwaaiden met hunne mutsen, en riepen:“Hoezee! Leve de Koningin! Hoezee!”Zij waren echter wel blij, dat zij nu ook een poosje rust kregen, want de strijd was hevig geweest, en zij waren erg vermoeid.“Ik kan haast niet meer,” zei Willem Kroeze.“Ik ook niet,” zuchtte Jacob Boors. “En wat zijn mijne vingers koud. Ze tintelen!”Hij kreeg haast tranen in de oogen van de pijn, die ze hem deden.“Steek ze een poosje in je mond, en blaas dan hard. Dan worden ze wel weer warm,” zei Jan Trom. “Zeg jongens, wat hebben we ons goed gehouden, hè? Als we oppassen, krijgen zij ons fort nooit. Kijk ze ʼt eens druk hebben. Ze houden zeker weer krijgsraad.”“Laat ze maar!” zei Tines Wobbe. “We zullen ze ontvangen, zooals het behoort. Weg met de Duitschers!”“Weg met de Duitschers!” riepen ze allen, en weer zwaaiden ze met hunne hoofddeksels.“En leve de Koningin!” juichte Jan Trom.“Ja, ja, leve de Koningin!” riepen allen.Na een paar minuten werd de krijg hervat. De vijanden waren tot het besluit gekomen, eene nieuwe bestorming te wagen. In gesloten rijen liepen zij op het fort toe, en opnieuw probeerden zij tegen den schuinen kant op te klauteren. Maar weer werden zij lang niet malsch ontvangen.Een hagelbui van sneeuwballen begroette hen, en de verdedigers wierpen schoppen vol losse sneeuw over hunne hoofden uit.Maar Karel wilde niet opnieuw wijken.“Sterven of overwinnen!” riep hij zijne volgelingen toe, en hij klauterde moedig omhoog, zich niet storende aan de projectielen der belegerden.Zijne soldaten, aangevuurd door zijn geestdrift, volgden hem met mannenmoed. Ha, daar had Karel den gekanteelden muur bereikt, en reeds richtte hij zich op om victorie te roepen, toen Jan plotseling op hem toesprong, en hem pardoes achterover naar beneden wierp.“Weg met de Duitschers!” schreeuwde hij.Karel was veel gauwer beneden, dan hij boven gekomen was. Eerst keek hij een oogenblik beteuterd rond, maar toenhij zag, dat zijne soldaten voet bij stuk hielden, bestormde hij de vesting opnieuw. ʼt Was een verwoede aanval, en de belegerden konden niet dan met de uiterste inspanning stand houden. Met ongebreidelde geestdrift drongen de Duitschers op hen in, maar de een na den ander werd van de borstwering afgeduwd en naar beneden geworpen. Daar werden zij haast onder de sneeuw bedolven, die hun bij schoppenvol nageworpen werd.Eindelijk deinsden de Duitschers af. Zij waren opnieuw afgeslagen. Maar het fort verkeerde in een deerniswaardigen toestand, want om zich te verdedigen waren de Hollanders genoodzaakt geweest, zich den grond onder de voeten weg te spitten. De torens helden dientengevolge sterk over naar den binnenkant van het slot, en dreigden elk oogenblik in te storten. Ook de muren geleken wel bouwvallen. Maar nog wapperde de Hollandsche vlag fier van den hoofdtoren. Jan was daar trotsch op, en hij prees zijne soldaten om den betoonden moed.“Maar mijne vingers vallen haast af van de kou!” zei Tines.“Dat doet er niet toe!” riep Jan hem toe. “Zoolang de vlag nog van den toren wappert, is er niets verloren, al hadden wij geen van allen meer een vinger over! Leve de Koningin!”“Leve de Koningin, en weg met de Duitschers!” schreeuwden zij om het hardst.“Dat is niet om uit te staan!” riep Karel zijne soldaten toe. “Komt jongens, opnieuw aangevallen, en niet gerust, voordat het fort ons is!”De vijanden bestormden den burcht opnieuw, en de aanval was zoo mogelijk nog verwoeder dan de vorige.“Nu of nooit!” schreeuwde Karel, die zich op en top krijgsman voelde.“Sterven of overwinnen!” antwoordde Jan Trom, en de jongens vochten van weerskanten als leeuwen.Eindelijk gelukte het Karel ten tweeden male op het fort te komen, vlak bij den hoofdtoren. Maar Jan en zijne soldaten wierpen zooveel sneeuw tegen zijn hoofd en schouders, dat hij zijn evenwicht verloor en tegen den toren viel. Deze was echter al zoo bouwvallig, dat hij den schok niet meer kon weerstaan en instortte. De vlag der Hollanders verdween van hare hooge standplaats.“De toren stort in!” riep Willem Kroeze.“De vlag duikt!” schreeuwden de Duitschers.“Hoera! Hoera!”Karel lag te spartelen onder de sneeuw in het fort, want de toren had hem half bedolven. De Hollanders sprongen op hem aan en grepen hem.“Een gevangene! Een gevangene!” juichten zij. “De bevelhebber is gevangen! Weg met de Duitschers! Leve de Koningin!”De Duitschers, ontsteld door het gevangennemen van hun Commandant, deinsden af, maar spoedig kwamen zij terug met het stellige voornemen, hun hoofdman te verlossen.Het kasteel was nu een puinhoop geworden. De torens waren ingestort, en van de gekanteelde muren was geen spoor meer overgebleven. De belegerden waren thans geheel ongedekt aan het vuur der vijanden blootgesteld, en het maken van nieuwe sneeuwballen, of zooals zij zeiden het gieten van nieuwe kogels was hun zoo goed als onmogelijk geworden, omdat de sneeuw, waarop zij stonden, door de soldaten als het ware tot een harden koek was vastgestampt. Met hunne schoppen moesten zij de sneeuw omspitten om kogels te kunnen gieten.En toen kwam een nieuwe storm. De vijanden klauterden als katten tegen den muur op, en de belegerden haddengeen middelen meer om hen te keeren. Zij vochten nog wel als leeuwen en wierpen menigen Duitscher naar beneden, maar tevergeefs. Het fort was verloren. Voor en na verschenen de vijanden op de hoogte, en eindelijk moest Jan zich overgeven.“Hoera! Hoera!” riepen Karel en zijn mannen. “Het kasteel is ons! Leve de Keizer!”De Hollandsche vlag, waarvan de stok gewoon in de sneeuw gestoken was, daar de torens totaal verdwenen waren, werd omvergeworpen, en de vijandelijke vlag kwam er voor in de plaats.“Leve de Keizer!” juichten de Duitschers, en zij zwaaiden met hunne mutsen.“Goed, goed!” zei Jan. “Maar wat heb je nu? Wat is er van het kasteel overgeschoten? Een puinhoop, meer niet. Veel pleizier er mede.”“Ja, ja, dat is waar!” zei Karel. “Jelui hebt je kolossaal goed gehouden, dat moet ik zeggen.—Hè, hè, jongens, dat was een mooi spelletje!—ʼt Is nu tijd om naar huis te gaan. Doen we het morgen weer?”“Ja, ja!” werd er van alle kanten geroepen. “Dat is afgesproken.”Zingende verlieten vriend en vijand het marktplein, om naar huis te gaan. Zij hadden heerlijk gespeeld en dachten er nog lang daarna met pleizier aan. Zij waren vast besloten, den volgenden dag een nieuw kasteel te bouwen en den strijd te hervatten.Maar den volgenden morgen merkten zij al dadelijk, dat het niet kon. ʼt Had namelijk dien nacht verbazend hard gevroren, en ʼt was daardoor onmogelijk geworden sneeuwballen te maken. De sneeuw wilde niet pakken. Zij vonden dat wel erg jammer, maar daarentegen verheugden zij er zich weer in, dat het zoo hard gevroren had, enzij hoopten, dat het ijs spoedig sterk zou worden. De twee kanalen, die in het hart van het dorp elkander kruisten, lagen al dicht. De jongens wierpen er steentjes op, om te zien, of zij er doorheen konden gooien, maar dat konden zij niet. Alleen klinkers gingen er ongeveer voor de helft doorheen.Zij vermaakten zich nu met glijbanen te maken en daar in lange risten overheen te glijden. De grond werd hier en daar spiegelglad. Opeens bedachten zij, dat het nu prachtig zou glijden langs de helling buiten het dorp, bij het fort, waar Jan met zijn automobile den veldwachter bij ongeluk van de been gereden had. En nauwelijks hadden zij dat bedacht, of zij snelden er heen. Ha ja, ze hadden zich niet bedrogen. De helling was er prachtig voor geschikt, en er lag dik sneeuw. Spoedig was het er zoo glad, dat men er haast niet op de beenen kon blijven staan, en als de jongens eenmaal op de helling waren, mòèsten zij verder, of zij wilden of niet. Zij vonden het meer dan verrukkelijk, en wisten van geen ophouden. ʼt Was een koddig gezicht, als een van hen het ongeluk had te vallen. Dan buitelden allen, die achter hem kwamen aanglijden, hals over kop over hem heen, en werd het een levende berg van jongens.Menigeen riep dan au, au! en sommigen kwamen erg in de verdrukking, maar daarom werd niet getreurd. Een volgend oogenblik gleed de geheele rij weer met statie verder, en ʼt ging vliegensvlug.ʼt Was al laat, eer de jongens thuiskwamen, en voordat zij de deur instapten, wierpen zij eerst nog een blik op het hemelgewelf om te zien, of de lucht naar vorst stond. En dat deed ze gelukkig. De sterretjes fonkelden aan den hemel, en er was geen wolkje aan te zien.Dien nacht vroor het kolossaal! Toen Jan ʼs morgenszijn neus buiten de bedgordijnen stak, zag hij al dadelijk, dat de bloemen dik op de ruiten stonden.“De pomp is bevroren!” riep zijn vader van uit de keuken. “Jongen, jongen, wat een vorst. ʼt Is buitengewoon! Zeg Jan, nog één nachtje zoo, en we kunnen schaatsenrijden. Dan is het kanaal sterk genoeg. Maar vandaag nog voorzichtig wezen, hoor, ʼt kan nog niet vertrouwd zijn.”“Ja Vader,” zei Jan.Hij was van nature geen waaghals. Niet, dat hij bang was, in het geheel niet, maar hij vond het dwaasheid zijn leven roekeloos in gevaar te stellen. Toch waren er wel jongens, die zich al op het kanaal waagden. Voorzichtig, voetje voor voetje, liepen zij het ijs op, dat door een sterk gekraak waarschuwde om terug te gaan. De waaghalzen hoorden het wel, en als het heel erg kraakte, bleven zij even stilstaan, maar spoedig gingen zij weer verder. Tines Wobbe bereikte zelfs de overzijde van het kanaal, waar hij niet weinig trotsch op was.ʼs Middags na schooltijd liep Jan met zijn vriend Karel van Dril het dorp in, en kwam bij de drie bruggen. Zij zagen, dat het water daar nog open lag. Dat was bijna altoos zoo in den winter. Alleen als het lang bleef vriezen, werd het daar ook sterk genoeg, om er over te loopen. Zij stonden er een poosje naar te kijken, toen plotseling hunne aandacht werd getrokken door Frans Thor, die een vuilen hond vervolgde. Hij wierp het beest met steenen. ʼt Was een broodmager beest, dat er vreeselijk vervuild uitzag. De jongens herkenden dadelijk Fik in hem, den hond van den orgeldraaier Klaas Touw.“Houdt hem! Houdt hem!” riep Frans hun toe.“Een heldendaad van Frans,” zei Jan tot Karel. “Hij kan geen hond met rust laten.”“Houdt hem! Houdt hem!” riep Frans nog eens.De hond was nu op het midden van de brug. Jan en Karel deden, of zij Frans niet hoorden. Maar juist kwam Klaas Zwart van den anderen kant de brug op.“Houd hem, Klaas!” riep Frans zijn vriend toe. “Jaag hem op!”“Ja,—ja!” was het antwoord. En met zijn armen zwaaiende en onder een luid geschreeuw joeg hij het verhongerde beest terug.Spoedig kwam Fik nu Frans weer tegen, en deze joeg hem ook terug. De dierenkwellers hadden braaf schik in den angst van den hond, die, naarmate de jongens elkander naderden, meer in het nauw gedreven werd. Eindelijk wist het arme dier geen raad meer, en toen het probeerde om langs de beenen van Frans te ontsnappen, op gevaar af een schop van dien jongen te krijgen, gaf deze hem een duw, waardoor hij van de brug af in het water viel.Wat hadden Frans en Klaas een pret. En hoe vermaakten zij zich met de wanhopige pogingen van het dier om zich te redden.De lantaarnopsteker, die op zijn laddertje stond, om de lantaren schoon te maken en de peer van de lamp te vullen, was er verontwaardigd over, en hij riep de jongens toe, dat zij zich schamen moesten. Hij klom naar beneden en zag, hoe het beest tevergeefs poogde zich te redden.“ʼt Is meer dan schandelijk!” riep de man nog eens. “ʼt Beest is onherroepelijk verloren. Wie zal het wagen, het te redden? Wie het doet, loopt groot gevaar om zelf te verdrinken. Zulke dierenbeulen!”Ook Jan en Karel zagen met smart de pogingen van den armen hond, om zich te redden, ʼt Was duidelijk, dat het beest verdrinken moest. Eene hevige verontwaardiging maakte zich van Jan meester, en ook Karel vond het eene schandelijke daad.Fik zwom in het breede wak rond, nu hier, dan daar pogingen doende, om op het ijs te klimmen. Maar dit was te glad. Telkens gleden zijn pootjes uit en zakte hij in het water terug.Jan kon het niet langer aanzien.“Mag ik dat laddertje gebruiken?” vroeg hij aan den lantaarnopsteker. Zonder antwoord af te wachten, lichtte hij de haken los, waarmede het aan den paal bevestigd was, en liep er mede naar den kanaalkant.“Niet doen, Jan, niet doen!” riep Karel hem toe.Maar Jan antwoordde niet.“Dàn zal ik je helpen!” hernam Karel, en hij voegde zich bij zijn vriend. Maar deze stond al op het ijs.“Blijf daar, Karel, ik ben lichter,” zei Jan kortaf.Hij schoof het laddertje voor zich uit en naderde behoedzaam het wak. Al was Jan nòg zoo mager, en al woog zijn lichaampje nòg zoo licht, toch liet het ijs, dat bij de brug erg dun was, een dreigend gekraak hooren. Jan liet er zich echter niet door weerhouden. Bedaard ging hij verder, half steunende op het laddertje, dat hij met kleine stootjes voortduwde.“Fik! Fik!” riep hij den hond toe.Het beest zag hem komen. Met verkleumde pooten zwom het in het ijskoude water. Het jankte van vreugde.... Bijna kon het zich niet meer bewegen. Het uiterste einde van het laddertje had het begin van het wak bereikt.Vele menschen verzamelden zich langs de brugleuning, en met angstige spanning volgden zij de bewegingen van den knaap. Ook Janʼs vader was op de brug. Zijne oogen waren geen seconde van zijn dapperen jongen af. Ha, hoe verheugde hij zich over deze kranige daad van zijn kind. Hij was trotsch op hem!Jan keek op noch om. Al zijne gedachten waren op éénpunt gericht, namelijk, dat het zijn plicht was den armen hond te redden. Op handen en knieën kroop hij behoedzaam verder.Het ijs boog door. Er kwam water op. De ladder werd nat. Maar Jan keerde niet terug. Hij zag, dat de hond op ʼt punt was van verdrinken.Nog een sport,—daarna nog een....Hij legde zich lang-uit op de ladder. Zijne kleêren werden nat. Toen strekte hij den arm uit, en met een krachtigen greep trok hij den hond uit het wak. Verkleumd bleef het dier liggen.Jan durfde zich niet omkeeren. Hij wist bijna zeker, dat het ijs dan breken zou. Zoo voorzichtig mogelijk kroop hij achteruit, langzaam—langzaam verder. Den hond trok hij meê.Eindelijk had hij het achtereinde van het laddertje bereikt en moest hij op het ijs stappen. Maar daar was het niet zoo erg zwak meer. De hond kwam eenigszins tot zichzelven. Bevend op zijne pooten liep het dier naar den walkant. Daar hielp Karel het omhoog, tegen den walkant op. Eindelijk had ook Jan den oever bereikt....En op ʼt zelfde oogenblik klonk een daverend handgeklap hem in de ooren. De menschen, die gezien hadden, welk heldenstuk hij had verricht, verbraken de stilte en juichten hem toe. Jan kreeg er een kleur van. En zijn vader drong door het volk heen en drukte hem in zijn armen. Hij had er zoowaar tranen van in de oogen.“Ben je erg nat?” vroeg Dik.“Haast niet, Vader,” zei Jan. “Ik ga met Karel den hond even thuisbrengen, want hij kan bijna niet loopen.”“Goed, goed,” zei Dik, “maar dan direct droog goed aantrekken.”Jan en Karel vertrokken met den verkleumden hond,en de menschen vervolgden hun weg. Met lof werd over Jan gesproken. Iedereen had er den mond vol van. Maar de dierenbeulen Frans en Klaas waren stilletjes afgedropen.Het huisje van Klaas Touw, den orgeldraaier, stond een weinigje achteraf, aan een achterweg. De jongens hadden het spoedig bereikt. Zij deden de deur van het armoedig hutje open en traden binnen.Mietje zat bij de tafel. Zij zag er bleek en mager uit, en hare oogen keken de jongens droevig aan. De bedsteêdeuren aan den achterkant van het kamertje stonden open, en de jongens zagen, dat Klaas Touw te bed lag. Hij was ziek.“Hier is uw hond, Mietje,” zei Jan, die den hond in de kamer liet loopen. “We hebben hem uit het water gehaald. Hij lag in het wak bij de brug.”“Neen,wijniet, maar Jan heeft hem er uitgehaald,” zei Karel, die zijn vriend om diens heldendaad bewonderde. “Met levensgevaar heeft hij hem gered.”“Zoo,—arme Fik,” zei Mietje. “Was hij maar verdronken.”“Waarom?” vroegen de jongens als uit één mond. Zij waren niet weinig verwonderd over die woorden.“Waarom? Wel, dan was hij meteen uit zijn lijden. Klaas is ziek, en hij zal wel zoo gauw niet beter wezen, zegt de dokter. We hebben zelf niet eens te eten, hoe zal ik dan voor den hond zorgen?”De jongens keken de vrouw zwijgend aan. En hun blik dwaalde door het armoedige vertrek en naar het bed van den zieke. Zij zagen ook, dat er geen vuur was in de oude kachel, en dat de bloemen dik op de ruiten stonden.“En uw orgel dan?” vroeg Jan na een poosje.“Dat is weggehaald, omdat wij de huur ervan niet betalen konden,” zei Mietje, en zij kreeg de oogen vol tranen. “Wij lijden armoê, jongens, erger dan ik het zeggen kan.”De jongens wisten niet veel te zeggen, maar zij kregen diep medelijden met die arme menschen.“Weet je wat, Mietje,” zei Jan. “Morgen is het ijs wel sterk. Ga dan met een tentje op het ijs staan, om melk en koek te verkoopen.”Vrouw Touw lachte droevig.“Hoe moet ik aan melk komen?” zei ze met een zucht. “En aan chocolade en suiker en koek? Wie zal mij dat alles borgen?”“Mijn vader wel,” zei Jan beslist. “Ik ga het hem vragen. Ga je mee, Karel?”De jongens liepen op een drafje naar huis. En toen Jan verteld had, hoe het met den orgeldraaier en diens vrouw gesteld was, zei Dik:“Zeker wil ik helpen, jongen! Ga maar aan Mietje zeggen, dat ik haar alles wil voorschieten, wat zij noodig heeft.”“Hoera!” riep Jan. “Wat is u toch goed, Vader. En mogen ze een paar oude stoelen hebben, en wat palen en een paar banken?”“Ja,” zei Dik lachend, want het verheugde hem, dat Jan en Karel zich zoo druk maakten om een paar arme menschen te helpen, die in nood verkeerden. “Maar weet je, wat in de eerste plaats noodig is? De stakkers hebben niets in huis, zelfs geen brandstof om de kachel te stoken. Span je bok voor den wagen, en breng er dadelijk flink wat turven naar toe. Ik zal dan meteen een en ander uit den winkel inpakken, zoodat ze van avond wat te eten hebben ook.”“Ja, ja,—ik met den bokkenwagen, en Karel met de automobiel! Dat zal leuk wezen.”ʼt Was intusschen al donker geworden, en de sterretjes begonnen al weder aan het hemelgewelf te flonkeren.Jan en Karel hadden het druk, want zij maakten van Dikʼs mildheid een ruim gebruik. De automobile werd volgestapeld met turven en kachelblokjes, en in het bakje van den bokkenwagen kwamen verscheidene zakjes met levensmiddelen. Dik wist wel, wat het meest noodig was.Toen de jongens wegreden, keken Dik en Anneke hen lachend na, en Dik herinnerde zich op dat oogenblik weer levendig, hoe hij zich als kind op een donkeren avond geheel alleen op weg begeven had, om aan de heks op den achterweg, die ook in nood verkeerde, levensmiddelen te brengen. En hij voelde zich gelukkig, dat hij zulk een goed kind had.In het hutje van de twee arme menschen heerschte dien avond groote blijdschap. Jan en Karel werden hartelijk door den orgeldraaier en diens vrouw bedankt.“Morgen zullen we een tent voor u bouwen, Mietje,” zei Jan. “En Vader wil u al het noodige voorschieten, om alles te kunnen inslaan. Wacht maar, u zal eens zien, hoe ʼn mooie tent wij zullen maken.”De jongens keerden naar huis terug. De bok liep met opgetrokken pooten, want hij vond de bevroren sneeuw erg koud, en hij was er slecht over gestemd, dat hij zijn warm plaatsje bij den hit had moeten verlaten. Karel draaide lustig aan het wiel van de automobile. “Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf klonk het achter den bokkenwagen. De beide lantarens gaven een helder licht, en de jongens vonden het een prettig tochtje. Zij spraken af, den volgenden morgen vroeg op te staan en dan ijverig te gaan bouwen aan de tent. Met een prettig gevoel in hun borst keerden zij in huis terug. Zij voelden zich tevreden en gelukkig.

Tiende Hoofdstuk.Hoe Flipsen zocht.Frans Thor en Klaas Zwart hadden zich van lieverlede zeer nauw bij elkander aangesloten, en waren boezemvrienden geworden. Eindelijk waren zij samen een handeltje begonnen. Steeds kon men hen in elkanders gezelschap vinden met een mand tusschen hen in, of ieder met een zak op den arm of over den schouder. Dan trokken zij er op uit om vodden en beenen te zoeken, die langs de wegkanten, bij huizen en schuren, of in weilanden en boschjes verspreid lagen. En ʼt was inderdaad niet weinig, wat zij vonden. Elken avond keerden zij met een goed gevulden zak huiswaarts, en als de voorraad groot genoeg was, verkochten zij dien aan den pottenschipper.De pottenschipper was een man, die eenzaam in een zolderschuit leefde. Hij had vrouw noch kind op de wereld, en ging met niemand om. De menschen hielden ook niet veel van hem, want het was bekend, dat hij geen gunstig verleden achter zich had. En in elk geval had hij een zeer ongunstig uiterlijk. Hij leefde van zijn handel in potten en pannen, en ook kocht hij vodden en beenen op.Alles, wat Klaas Zwart en Frans Thor vonden, brachten zij bij den pottenschipper, zooals hij algemeen werd genoemd. En zij ontvingen er menig centje voor. Soms verkochten zij wel voor dertig à vijftig centen in eene week, en al dat geld versnoepten zij. Of zij kochten er sigaren voor, en rookten die op.Maar langzamerhand begon hun vondst kleiner te worden, want ze hadden het geheele dorp al meermalen afgezocht. En eindelijk raakte de voorraad uitgeput.Dat merkte de pottenschipper, en hij zei:“Wat hebben jullie een beetje, jongens. Ik geef voor dit zoodje niet meer dan vijf centen. Je bent een paar groote domkoppen, dat moet ik zeggen.”“Domkoppen?” vroeg Frans. “Wij kunnen er toch niets aan doen, dat we maar zoo weinig hebben? ʼt Heele dorp hebben we al meermalen afgezocht, en er is eenvoudig niet meer. Ik zie niet in, dat wij daarom domkoppen moeten zijn.”“Neen,” zei Klaas Zwart, “ik ook niet.”De pottenschipper lachte slim.“Toch is het zoo,” zei hij. “Toen ik nog een jongen was, wist ik altijd wel aan een zakduitje te komen. Vond ik geen vodden en beenen, dan wist ik wel wat anders te bemachtigen. Ha, ha,—als je maar slim bent en zorgt, dat de menschen ʼt niet zien.”Frans en Klaas keken hem vragend aan.De pottenschipper legde zijn wijsvinger tegen den neus, en knipoogde tegen de jongens.“Och wat,” zei hij, “als je ʼt slim weet te overleggen, is er nog genoeg te vinden. Je behoeft me juist geen vodden te brengen, jongens. Ik kan wel hemden, broeken, borstrokken en andere kleedingstukken ook gebruiken. Er zijn menschen genoeg, die hun wasch den geheelen nacht buiten laten liggen.—Ha, ha, ik zeg, als je maar slim bent en er voor zorgt, dat de menschen je niet zien...”“Maar dat is stelen,” zei Klaas Zwart.“Ja,” zei Frans, “dat is stelen.”De pottenschipper richtte zich op.“Zooals ik zeg, jongens, ik geef voor dit zoodje niet meer dan vijf centen. ʼt Is maar een rommeltje. Voor goede kleedingstukken, die nog gedragen kunnen worden, geef ik natuurlijk heel wat meer, en voor ijzer, zink, lood enwat dies meer zij, wil ik je zelfs wel guldens betalen in plaats van centen.”“Ja, maar dat hebben we niet,” zei Frans.“Als je wilt, is er genoeg te vinden,” lachte de schipper weer. “Bij den smid, bij den loodgieter, bij den timmerman, overal is wel wat te snorren, als je maar goed uit je oogen kijkt en voorzichtig te werk gaat.”“Maar,” herhaalden de jongens, die eerst niet goed begrepen, wat de pottenschipper bedoelde, “dat is stelen...”“Ik zeg niet, dat je ʼt stelen moet,” zei de schipper weer met een listig knipoogje, “je moet die dingen vinden, jongens, je moet ze eerlijk vinden. Alles wat je vindt, al is het ook nog zoo gek, wil ik wel van je opkoopen. Als je er maar eerlijk aankomt...”De jongens gingen heen.Maar na dien tijd vermisten de menschen op het dorp telkens kleinigheden. Van Dril raakte op voor hem onbegrijpelijke wijze een nijptang kwijt, de loodgieter een soldeerbout, de timmerman een hamer en een zaag, en vele huismoeders vermisten verschillende kleedingstukken. Van de een waren kousen zoek, van een ander een hemd, van een derde een nachtjapon, en zoo verder.Toch dacht men eerst niet aan diefstal. Van Dril vertelde het verlies van zijn nijptang niet aan anderen, om de eenvoudige reden, dat hij wel eens meer een of ander stuk gereedschap kwijtraakte.“Zeker hier of daar laten liggen,” dacht hij. En spoedig was zijn verlies vergeten. De knechts gingen wel eens meer slordig met het gereedschap te werk, niet allen natuurlijk, maar enkelen. Op dezelfde wijze dachten ook de andere menschen er over, die het een of ander vermisten.Maar toen het winter werd en er lange, donkere avonden kwamen, verdwenen er op geheimzinnige wijze allerleivoorwerpen uit werkplaatsen en huizen, en ʼt werd zoo erg, dat de menschen er onder elkander over spraken.“Er wordt bepaald gestolen,” was de algemeene opinie. En menigeen sloot ʼs avonds de deuren van huis en werkplaats zorgvuldiger dan vroeger. De ondervinding leerde, dat wat men ʼs nachts buiten liet staan, den volgenden morgen gewoonlijk verdwenen was. En niemand kon er eenig vermoeden van krijgen, wie de dief was en waar de gestolen voorwerpen belandden.Van Dril pruttelde tegen zijn knechts, als er weer ʼt een of ander spoorloos verdwenen was, maar dezen verklaarden, dat zij het vermiste voorwerp niet hadden laten slingeren. ʼt Was op geheimzinnige wijze verdwenen.Eindelijk kwam een en ander den burgemeester ter oore, en hij liet Flipsen bij zich komen.“Zeg Flipsen, heb je ook gehoord, dat er den laatsten tijd op ʼt dorp gestolen wordt? Telkens worden kleinigheden van meer of minder waarde vermist, en het waschgoed van de huismoeders ligt niet meer veilig op de bleek.”“Ja burgemeester, ik heb er ook van gehoord,” zei Flipsen.“En heb je al eens hier en daar gesurveilleerd?” vroeg de burgemeester.“O ja, al meermalen, maar tot nog toe is het mij niet gelukt, den dader op ʼt spoor te komen.”“Zoo, ʼt is een gek geval. Ik begrijp ook niet, wie de dief zou kunnen zijn. Voor zoover ik weet, wonen er enkel knappe menschen op het dorp. Waar zouden die gestolen voorwerpen toch allemaal blijven?”“Ik denk in de stad, burgemeester. Daar wonen wel menschen, die gestolen goederen opkoopen. Ik vermoed, dat zij in den nacht naar Amsterdam worden vervoerd...”“Dan zou ik eens een oog in ʼt zeil houden, wie bijnacht of ontijd daarheen gaat, Flipsen. ʼt Is best mogelijk, dat je gelijk hebt. In elk geval is het hoog tijd, dat de dief gesnapt wordt. De menschen dienen in ʼt rustige bezit te kunnen blijven van ʼt geen hun eigendom is. Zoolang ik hier burgemeester ben, is er van geen dieverij sprake geweest, en wij moeten het kwaad zoo spoedig mogelijk den kop indrukken.”Flipsen sloeg op militaire wijze aan, en zeide:“Ik zal mʼn best doen, burgemeester. ʼt Zal aan mij niet liggen, als de dief niet gesnapt wordt.”“Dat is goed, en daar vertrouw ik ook op.”Met eene handbeweging gaf de burgemeester Flipsen zijn afscheid, en deze was vastbesloten zijn uiterste best te doen, om den dief te ontdekken. Maar dat het moeilijk zou gaan, stond bij hem vast.Den geheelen avond liep hij buiten het dorp te loeren, of ook iemand zich verwijderde in de richting van Amsterdam,—maar tevergeefs. Alles was en bleef rustig op het dorp. ʼt Was dan ook een koude, gure avond, en de menschen bleven liever bij de warme kachel. Flipsen zag den geheelen avond geen levende ziel buiten, en hij liep te bibberen van de koû. ʼt Was al haast elf uur geworden, en nog stond hij trouw op zijn post. Eindelijk hoorde hij in de verte iets naderen.“Wacht,” dacht hij, “nu zal het komen.”Hij verschool zich achter een boom.ʼt Geluid kwam nader. Duidelijk hoorde hij, dat het een wagen was.“ʼt Is een hondenkar,” prevelde Flipsen. “Ik denk, dat ik den dief op het spoor ben. De gestolen voorwerpen worden zeker met een hondenkar naar Amsterdam gebracht.”“Halt!” riep hij plotseling, want het voertuig was hem nu genaderd.De man, die op de kar zat, schrok er niet weinig van, en sprong dadelijk van den wagen. Maar zijn stok hield hij opgeheven, want hij dacht niet anders, of hij had met een aanrander te doen.Flipsen sprong van achter zijn boom te voorschijn.“Wie ben je,—en waarheen ga je?” vroeg hij op bevelenden toon.“O, Flipsen, ben jij het?” vroeg de man van de hondenkar. “Kerel, is me dat laten schrikken. Ik dacht waarlijk met...”“ʼt Doet er niet toe, wat jij denkt,” viel Flipsen norsch in. “Ik vraag, wie je bent,—maar dat zie ik nu al,—en waar je heengaat.”“Wel, ik ben Dirk Kroeze, de slager, en ik ga naar Amsterdam. Daar steekt toch niets achter, zou ik zeggen?”“Juist, Kroeze, de slager. Wat heb je in dien wagen?”“Twee doode schapen, anders niet,” was het antwoord. “Ik ga ze naar Amsterdam brengen, waar ze met een dood schaap altijd wel raad weten. Nu er zooʼn strenge keuring is op het vleesch, worden doode beesten altijd ʼs nachts de stad ingevoerd. Vroeger gebeurde dat overdag. Zie je, dat is het eenige verschil...”Kroeze was een derderangs-slager. Hij kocht bij de boeren de doode beesten op, die andere slagers niet hebben wilden, en wist daarmede het brood te verdienen voor zich en zijn gezin. En de kroegbazen kregen er ook rijkelijk hun deel van, want Kroeze maakte veel misbruik van sterken drank. Hij was dikwijls dronken.Flipsen was den wagen genaderd en bekeek den inhoud.“Denk je soms, dat ik een dief ben?” vroeg Kroeze een beetje beleedigd. “Ik verdien op eerlijke manier mijn brood, man, en ik heb mijn vingers nog nooit uitgestokennaar een andermans goed. Of weet jij iemand te noemen, die iets op Kroeze te zeggen heeft?”“Neen,” zei Flipsen. “Maar er wordt tegenwoordig gestolen op ʼt dorp, en ʼt is meer dan tijd, dat wij den dief vinden.”“Ach zoo, is dàt de zaak?” zei Kroeze. “Dan is het goed, hoor, en kijk mijn wagen maar na. Je hebt gelijk, er wordt tegenwoordig meer gestolen, dan mij lief is. Verleden week ben ik mijn beste mes uit de slagerij kwijt geraakt, en nog een zwaren vleeschhaak op den koop toe. Ik heb mʼn hoofd gek gezocht om ze terug te vinden, maar jawel, ze zijn weg en ze blijven weg. En ik zal ze wel nooit terugzien, vrees ik.”“Dat vrees ik ook,” zei Flipsen. “Je kunt wel verder gaan, Kroeze, ik heb er het mijne van gezien. Goeden avond.”“Ook goeden avond,” zei Kroeze. Hij duwde de kar voort, en riep:“Allo, honden, kssssss, kssssss! Vooruit zeg ʼk! Allo!”Hij sloeg met zijn stok tegen den wagen.De honden, die tijdens het onderzoek op den weg waren gaan liggen, richtten zich met tegenzin op, en trokken den wagen voort. Maar ʼt ging Kroeze niet hard genoeg. Hij maakte veel lawaai met zijn stok, en riep:“Ksssss! Ksssss! Allo, Allo! Vooruit honden. Kssssss!”Een oogenblik later sprong hij op den wagen, en weldra was hij in de duisternis verdwenen.“Dat was mis!” mompelde Flipsen, huiverend van de koude. Hij trok den kraag van zijn jas en zijne schouders omhoog, en bleef geduldig wachten. Maar toen er na een uur nog niemand gekomen was, besloot hij naar huis te gaan.Den volgenden avond was hij echter weer op zijn post, want hij was iemand, die zijne plichten trouw nakwam.Als hij zich eenmaal voorgenomen had, dit of dat te doen, was hem geen moeite te veel, en stoorde hij zich aan koude noch warmte.Maar hoe hij zich ook inspande, het gelukte hem niet, den dief te snappen. Daarom besloot hij de wacht te houden op den weg, die naar Haarlem voerde. Avond aan avond verschool hij zich op eenigen afstand buiten het dorp, maar alweer tevergeefs. Hij vond van den dief geen spoor.“Dan zal ik gedurende enkele avonden in het dorp zelf eens goed uitkijken. Wie weet betrap ik den dief dan niet op heeterdaad,” dacht hij.En zoo deed hij ook.Zoodra het donker geworden was en in de huizen overal de lichten opgestoken waren, verliet Flipsen zijn woning, om over de veiligheid van zijne medeburgers te waken. Eerst begaf hij zich naar verschillende werkplaatsen, van welke het hem bekend was, dat er al meermalen voorwerpen vermist waren. Hij vond ze echter alle zorgvuldig gesloten. De menschen waren, door de ondervinding geleerd, al voorzichtiger geworden.Eindelijk bemerkte hij, dat er achter het huis van de weduwe Butter eenig waschgoed op een bleekveldje lag.“Wacht,” dacht hij. “Hier zal ik mij ergens verschuilen. Waschgoed is den laatsten tijd ook dikwijls ontvreemd.”Achter het schuurtje stond, naast het bleekveld, een groote ton, waarin het regenwater, dat van het schuurtje in de goot kwam, opgevangen werd. Achter die ton maakte Flipsen zich zoo klein mogelijk. Geduldig wachtte hij, of de dief komen zou.Dat gebeurde echter niet. Toen hij een half uur in zijne gebogen houding had doorgebracht, kon hij bijna niet blijven zitten van de pijn, die hij in zijne beenen kreeg. Voorzichtig richtte hij zich een weinigje op.Alles bleef stil in den omtrek.Flipsen gaf echter den moed nog niet verloren.En waarlijk, eer er een tweede half uur voorbijgegaan was, hoorde hij eenig gerucht.Hij richtte zich op en keek over de ton.Ha, daar zag hij een gestalte, die haastig naar het bleekveld ging en vliegensvlug enkele kleedingstukken bij elkaar greep.Met een vluggen sprong kwam Flipsen op de gestalte af.“Ha, dief, daar heb ik je!” schreeuwde hij in de vreugde zijns harten, nu hij eindelijk in zijn pogingen geslaagd was.Een hevige gil was het antwoord. Flipsen hoorde, dat het een vrouwenstem was, hetgeen hem verwonderde.Met groote snelheid liep hij op de gestalte af, en greep haar bij den schouder. De onbekende sloeg de armen ten hemel en slaakte een tweeden, hartverscheurenden gil.“Wie ben jij?” beet Flipsen haar toe.Er kwam geen antwoord. De schrik verlamde als het ware haar tong.“Hoor je me niet? Wie ben jij?” herhaalde Flipsen.“O,—ik ben—ik ben Trijntje—de meid.—O, wat een schrik!”“Trijntje—de meid?” vroeg Flipsen spijtig. “Ik dacht, dat jij de dief was. Waarom laat je dat waschgoed ook buiten liggen?”“Ik—de dief!” riep het meisje uit, half schreiende van schrik en half lachende van blijdschap, nu zij bemerkte, dat zij met geen spoken te doen had. Want Trijntje geloofde nog aan spoken. “Ja,—dat zei de juffrouw ook, dat ik het waschgoed niet mocht laten liggen, en daarom ging ik het nog maar gauw eventjes halen. Hè—hè—ik beef over mijn heele lijf van den schrik...”Flipsen ging zonder groeten heen. Het speet hem, dat hij zich ten tweeden male vergist had.Maar het meest speet het hem, dat hij den volgenden dag moest vernemen van den burgemeester, dat er bij den molenaar tien meelzakken gestolen waren en dat er bij Legels, een herbergier, een mandje met ledige flesschen verdwenen was. Flipsen begreep daaruit, dat hij in een geheel verkeerde richting had gezocht. Hij wist er, zooals men dat wel noemt, geen touw meer aan vast te knoopen, en hij verdiepte zich in gissingen, wie toch wel de brutale dief kon zijn. Het trok zijn opmerkzaamheid, dat het altijd kleinigheden waren, die gestolen werden, en dat er nooit sprake was van inbraak. Langzamerhand vestigde zich de overtuiging bij hem, dat de dief geen man, maar een jongen moest zijn. En hij besloot voortaan in die richting te zoeken.Jan Trom merkte op, dat Flipsen hem telkens onderzoekend aankeek, als hij hem tegenkwam. Eens, toen hij met zijn bokkenwagen bij Van Dril vandaan kwam, schoot plotseling Flipsen op hem af, en vroeg hem:“Waar kom jij vandaan?”“Van Van Dril,” zei Jan.“Zoo,—wat heb je daar gedaan?”“Eventjes in de smederij gekeken,” was het antwoord.“Stap eens uit je wagen!” gebood Flipsen.Jan gehoorzaamde dadelijk, niet weinig verwonderd, wat dit alles wel te beduiden had.Flipsen doorsnuffelde het geheele karretje. Het bankje bestond uit een bak met een plankje er op als deksel. Flipsen lichtte dat plankje op en keek, wat er zich in den bak bevond. Maar hij zag niets verdachts.“ʼt Is goed,” zeide hij. “Je kunt wel weer gaan.” En Jan ging.Dienzelfden middag kwam Flipsen Frans Thor en Klaas Zwart tegen. Hij zag ze uit het schoolboschje komen. De school werd door drie boschjes elzenhout omringd, die te zamen altoos het schoolbosch werden genoemd. Tusschen die boschjes in lagen vrije strooken gronds, die tot speelplaats dienden.Frans en Klaas droegen een mand tusschen zich in. Elk hield een oor vast.“Daar is Flipsen,” zei Klaas Zwart. Hij voelde zich nooit bizonder op zijn gemak, als hij den politiedienaar zag. Geen wonder trouwens, want hij en zijn makker hadden al menig diefstalletje op hun geweten.“Ja, dat zie ik,” zei Frans. “ʼt Hindert niet; laat hem komen.”Zoodra Flipsen deze jongens zag, schoot hem dadelijk de gedachte door het hoofd, dat zij wel eens de schuldigen konden zijn, want zij liepen altoos overal te “schuimen,” zooals Flipsen dat noemde. En ʼt verwonderde hem, dat hij al niet eerder aan deze twee knapen had gedacht. Met groote schreden liep hij op hen af, en ʼt scheen wel, of zijne scherpe oogen hen wilden doorboren.Klaas Zwart werd er bang van en keek een anderen kant op, wat Flipsen niet ontging.“Waar komen jullie vandaan?” vroeg hij barsch. Hij boog zich voorover en hield zijn blik stijf op Klaas Zwart gericht. Klaas werd er bleek van, en zijne stem hokte hem in de keel.“Uit het boschje,” zei Frans, die niet zoo bang was als Klaas.“En wat deed je daar?”“Wij zoeken beenen en vodden,” gaf Frans ten antwoord. En hij hield de mand een weinig naar voren, om er Flipsen in te laten kijken. Deze wierp er een blik inen zag, dat er inderdaad enkele beenderen in lagen.“Vind-je die in het schoolboschje?” vroeg Flipsen verwonderd. “Hoe komen die daar dan?”“Misschien door de honden, die er daar aan kluiven, omdat het er een rustig plekje is,” zei Frans. “Wij vinden er daar maar zelden een. Eigenlijk is er op het geheele dorp bijna geen beentje meer te vinden, want wij hebben alles al meermalen afgezocht.”“Zoo,” zei Flipsen. “Ja, aan alles komt een einde. En aan wien verkoop je dien rommel?”“Och,” zei Frans, “aan voddenkoopers...”“En aan den pot...” zei Klaas. Maar Frans viel hem in de rede:“Aan voddenkoopers uit Haarlem, die hier wel met hondenwagens komen.”“Ja, ja,” zei Flipsen. “Houd jij je mond nu maar eens. Wat wou jij straks zeggen, Klaas Zwart? Aan den pot...”“Dat heb ik niet gezegd,” loog Klaas. “U heeft me verkeerd verstaan. Ik zei: aan de vod.... Maar toen viel Frans mij in de rede.”“Juist,—juist,” zei Flipsen met een onmerkbaar lachje om zijne lippen. “Nu jongens, zoekt maar goed. Er zal hier of daar nog wel wat te vinden zijn.”Hij liet de jongens staan en ging naar huis. Maar hij lachte inwendig van pret, want hij twijfelde niet, of hij was thans de daders wel degelijk op het spoor.“De pottenschipper,” mompelde hij tusschen de tanden. “Ja, ja, die jongen verklapte het leelijk: de pottenschipper is de opkooper. Wacht maar, zij zullen mij niet ontsnappen...”Frans en Klaas gingen zwijgend verder. Het korte onderhoud met den veldwachter had hun eenigen schrik aangejaagd. Na een poosje zei Frans:“Stommerd!—Jij had de heele zaak daar bijna verklapt.”“Ja,” zei Klaas angstig. “Maar ik geloof niet, dat hij het verstaan heeft. Zou je denken, dat hij me verstond?”“Dat weet ik niet,” zei Frans, “ʼk Geloof haast van niet, maar toch moeten wij voorzichtig zijn. We dienen ons een poos althans rustig te houden. Ik vertrouw Flipsen niet.”“Ik ook niet,” zei Klaas met een zucht. “Als hij me maar niet verstaan heeft.Potlijkt erg veel opvod. Zeg Frans, ik ga naar huis; ik heb geen zin meer in het zoeken.”“Ga dan,” zei Frans.Zoo scheidden de jongens.Flipsen lette na dien dag zorgvuldig op de zolderschuit van den pottenschipper. Hij twijfelde er niet aan, of den een of anderen dag zou het raadsel nu wel worden opgelost.Maar dagen en zelfs enkele weken gingen voorbij, en Flipsen bleef even wijs, als hij was. De pottenschipper leefde even eenzaam en verlaten in zijn schuit als altoos, en Frans en Klaas zag Flipsen er nooit heengaan.Doch,—en dit trok zijne opmerkzaamheid, er werd niet meer gestolen ook op het dorp. En dat was hem een troost.

Hoe Flipsen zocht.

Hoe Flipsen zocht.

Frans Thor en Klaas Zwart hadden zich van lieverlede zeer nauw bij elkander aangesloten, en waren boezemvrienden geworden. Eindelijk waren zij samen een handeltje begonnen. Steeds kon men hen in elkanders gezelschap vinden met een mand tusschen hen in, of ieder met een zak op den arm of over den schouder. Dan trokken zij er op uit om vodden en beenen te zoeken, die langs de wegkanten, bij huizen en schuren, of in weilanden en boschjes verspreid lagen. En ʼt was inderdaad niet weinig, wat zij vonden. Elken avond keerden zij met een goed gevulden zak huiswaarts, en als de voorraad groot genoeg was, verkochten zij dien aan den pottenschipper.

De pottenschipper was een man, die eenzaam in een zolderschuit leefde. Hij had vrouw noch kind op de wereld, en ging met niemand om. De menschen hielden ook niet veel van hem, want het was bekend, dat hij geen gunstig verleden achter zich had. En in elk geval had hij een zeer ongunstig uiterlijk. Hij leefde van zijn handel in potten en pannen, en ook kocht hij vodden en beenen op.

Alles, wat Klaas Zwart en Frans Thor vonden, brachten zij bij den pottenschipper, zooals hij algemeen werd genoemd. En zij ontvingen er menig centje voor. Soms verkochten zij wel voor dertig à vijftig centen in eene week, en al dat geld versnoepten zij. Of zij kochten er sigaren voor, en rookten die op.

Maar langzamerhand begon hun vondst kleiner te worden, want ze hadden het geheele dorp al meermalen afgezocht. En eindelijk raakte de voorraad uitgeput.

Dat merkte de pottenschipper, en hij zei:

“Wat hebben jullie een beetje, jongens. Ik geef voor dit zoodje niet meer dan vijf centen. Je bent een paar groote domkoppen, dat moet ik zeggen.”

“Domkoppen?” vroeg Frans. “Wij kunnen er toch niets aan doen, dat we maar zoo weinig hebben? ʼt Heele dorp hebben we al meermalen afgezocht, en er is eenvoudig niet meer. Ik zie niet in, dat wij daarom domkoppen moeten zijn.”

“Neen,” zei Klaas Zwart, “ik ook niet.”

De pottenschipper lachte slim.

“Toch is het zoo,” zei hij. “Toen ik nog een jongen was, wist ik altijd wel aan een zakduitje te komen. Vond ik geen vodden en beenen, dan wist ik wel wat anders te bemachtigen. Ha, ha,—als je maar slim bent en zorgt, dat de menschen ʼt niet zien.”

Frans en Klaas keken hem vragend aan.

De pottenschipper legde zijn wijsvinger tegen den neus, en knipoogde tegen de jongens.

“Och wat,” zei hij, “als je ʼt slim weet te overleggen, is er nog genoeg te vinden. Je behoeft me juist geen vodden te brengen, jongens. Ik kan wel hemden, broeken, borstrokken en andere kleedingstukken ook gebruiken. Er zijn menschen genoeg, die hun wasch den geheelen nacht buiten laten liggen.—Ha, ha, ik zeg, als je maar slim bent en er voor zorgt, dat de menschen je niet zien...”

“Maar dat is stelen,” zei Klaas Zwart.

“Ja,” zei Frans, “dat is stelen.”

De pottenschipper richtte zich op.

“Zooals ik zeg, jongens, ik geef voor dit zoodje niet meer dan vijf centen. ʼt Is maar een rommeltje. Voor goede kleedingstukken, die nog gedragen kunnen worden, geef ik natuurlijk heel wat meer, en voor ijzer, zink, lood enwat dies meer zij, wil ik je zelfs wel guldens betalen in plaats van centen.”

“Ja, maar dat hebben we niet,” zei Frans.

“Als je wilt, is er genoeg te vinden,” lachte de schipper weer. “Bij den smid, bij den loodgieter, bij den timmerman, overal is wel wat te snorren, als je maar goed uit je oogen kijkt en voorzichtig te werk gaat.”

“Maar,” herhaalden de jongens, die eerst niet goed begrepen, wat de pottenschipper bedoelde, “dat is stelen...”

“Ik zeg niet, dat je ʼt stelen moet,” zei de schipper weer met een listig knipoogje, “je moet die dingen vinden, jongens, je moet ze eerlijk vinden. Alles wat je vindt, al is het ook nog zoo gek, wil ik wel van je opkoopen. Als je er maar eerlijk aankomt...”

De jongens gingen heen.

Maar na dien tijd vermisten de menschen op het dorp telkens kleinigheden. Van Dril raakte op voor hem onbegrijpelijke wijze een nijptang kwijt, de loodgieter een soldeerbout, de timmerman een hamer en een zaag, en vele huismoeders vermisten verschillende kleedingstukken. Van de een waren kousen zoek, van een ander een hemd, van een derde een nachtjapon, en zoo verder.

Toch dacht men eerst niet aan diefstal. Van Dril vertelde het verlies van zijn nijptang niet aan anderen, om de eenvoudige reden, dat hij wel eens meer een of ander stuk gereedschap kwijtraakte.

“Zeker hier of daar laten liggen,” dacht hij. En spoedig was zijn verlies vergeten. De knechts gingen wel eens meer slordig met het gereedschap te werk, niet allen natuurlijk, maar enkelen. Op dezelfde wijze dachten ook de andere menschen er over, die het een of ander vermisten.

Maar toen het winter werd en er lange, donkere avonden kwamen, verdwenen er op geheimzinnige wijze allerleivoorwerpen uit werkplaatsen en huizen, en ʼt werd zoo erg, dat de menschen er onder elkander over spraken.

“Er wordt bepaald gestolen,” was de algemeene opinie. En menigeen sloot ʼs avonds de deuren van huis en werkplaats zorgvuldiger dan vroeger. De ondervinding leerde, dat wat men ʼs nachts buiten liet staan, den volgenden morgen gewoonlijk verdwenen was. En niemand kon er eenig vermoeden van krijgen, wie de dief was en waar de gestolen voorwerpen belandden.

Van Dril pruttelde tegen zijn knechts, als er weer ʼt een of ander spoorloos verdwenen was, maar dezen verklaarden, dat zij het vermiste voorwerp niet hadden laten slingeren. ʼt Was op geheimzinnige wijze verdwenen.

Eindelijk kwam een en ander den burgemeester ter oore, en hij liet Flipsen bij zich komen.

“Zeg Flipsen, heb je ook gehoord, dat er den laatsten tijd op ʼt dorp gestolen wordt? Telkens worden kleinigheden van meer of minder waarde vermist, en het waschgoed van de huismoeders ligt niet meer veilig op de bleek.”

“Ja burgemeester, ik heb er ook van gehoord,” zei Flipsen.

“En heb je al eens hier en daar gesurveilleerd?” vroeg de burgemeester.

“O ja, al meermalen, maar tot nog toe is het mij niet gelukt, den dader op ʼt spoor te komen.”

“Zoo, ʼt is een gek geval. Ik begrijp ook niet, wie de dief zou kunnen zijn. Voor zoover ik weet, wonen er enkel knappe menschen op het dorp. Waar zouden die gestolen voorwerpen toch allemaal blijven?”

“Ik denk in de stad, burgemeester. Daar wonen wel menschen, die gestolen goederen opkoopen. Ik vermoed, dat zij in den nacht naar Amsterdam worden vervoerd...”

“Dan zou ik eens een oog in ʼt zeil houden, wie bijnacht of ontijd daarheen gaat, Flipsen. ʼt Is best mogelijk, dat je gelijk hebt. In elk geval is het hoog tijd, dat de dief gesnapt wordt. De menschen dienen in ʼt rustige bezit te kunnen blijven van ʼt geen hun eigendom is. Zoolang ik hier burgemeester ben, is er van geen dieverij sprake geweest, en wij moeten het kwaad zoo spoedig mogelijk den kop indrukken.”

Flipsen sloeg op militaire wijze aan, en zeide:

“Ik zal mʼn best doen, burgemeester. ʼt Zal aan mij niet liggen, als de dief niet gesnapt wordt.”

“Dat is goed, en daar vertrouw ik ook op.”

Met eene handbeweging gaf de burgemeester Flipsen zijn afscheid, en deze was vastbesloten zijn uiterste best te doen, om den dief te ontdekken. Maar dat het moeilijk zou gaan, stond bij hem vast.

Den geheelen avond liep hij buiten het dorp te loeren, of ook iemand zich verwijderde in de richting van Amsterdam,—maar tevergeefs. Alles was en bleef rustig op het dorp. ʼt Was dan ook een koude, gure avond, en de menschen bleven liever bij de warme kachel. Flipsen zag den geheelen avond geen levende ziel buiten, en hij liep te bibberen van de koû. ʼt Was al haast elf uur geworden, en nog stond hij trouw op zijn post. Eindelijk hoorde hij in de verte iets naderen.

“Wacht,” dacht hij, “nu zal het komen.”

Hij verschool zich achter een boom.

ʼt Geluid kwam nader. Duidelijk hoorde hij, dat het een wagen was.

“ʼt Is een hondenkar,” prevelde Flipsen. “Ik denk, dat ik den dief op het spoor ben. De gestolen voorwerpen worden zeker met een hondenkar naar Amsterdam gebracht.”

“Halt!” riep hij plotseling, want het voertuig was hem nu genaderd.

De man, die op de kar zat, schrok er niet weinig van, en sprong dadelijk van den wagen. Maar zijn stok hield hij opgeheven, want hij dacht niet anders, of hij had met een aanrander te doen.

Flipsen sprong van achter zijn boom te voorschijn.

“Wie ben je,—en waarheen ga je?” vroeg hij op bevelenden toon.

“O, Flipsen, ben jij het?” vroeg de man van de hondenkar. “Kerel, is me dat laten schrikken. Ik dacht waarlijk met...”

“ʼt Doet er niet toe, wat jij denkt,” viel Flipsen norsch in. “Ik vraag, wie je bent,—maar dat zie ik nu al,—en waar je heengaat.”

“Wel, ik ben Dirk Kroeze, de slager, en ik ga naar Amsterdam. Daar steekt toch niets achter, zou ik zeggen?”

“Juist, Kroeze, de slager. Wat heb je in dien wagen?”

“Twee doode schapen, anders niet,” was het antwoord. “Ik ga ze naar Amsterdam brengen, waar ze met een dood schaap altijd wel raad weten. Nu er zooʼn strenge keuring is op het vleesch, worden doode beesten altijd ʼs nachts de stad ingevoerd. Vroeger gebeurde dat overdag. Zie je, dat is het eenige verschil...”

Kroeze was een derderangs-slager. Hij kocht bij de boeren de doode beesten op, die andere slagers niet hebben wilden, en wist daarmede het brood te verdienen voor zich en zijn gezin. En de kroegbazen kregen er ook rijkelijk hun deel van, want Kroeze maakte veel misbruik van sterken drank. Hij was dikwijls dronken.

Flipsen was den wagen genaderd en bekeek den inhoud.

“Denk je soms, dat ik een dief ben?” vroeg Kroeze een beetje beleedigd. “Ik verdien op eerlijke manier mijn brood, man, en ik heb mijn vingers nog nooit uitgestokennaar een andermans goed. Of weet jij iemand te noemen, die iets op Kroeze te zeggen heeft?”

“Neen,” zei Flipsen. “Maar er wordt tegenwoordig gestolen op ʼt dorp, en ʼt is meer dan tijd, dat wij den dief vinden.”

“Ach zoo, is dàt de zaak?” zei Kroeze. “Dan is het goed, hoor, en kijk mijn wagen maar na. Je hebt gelijk, er wordt tegenwoordig meer gestolen, dan mij lief is. Verleden week ben ik mijn beste mes uit de slagerij kwijt geraakt, en nog een zwaren vleeschhaak op den koop toe. Ik heb mʼn hoofd gek gezocht om ze terug te vinden, maar jawel, ze zijn weg en ze blijven weg. En ik zal ze wel nooit terugzien, vrees ik.”

“Dat vrees ik ook,” zei Flipsen. “Je kunt wel verder gaan, Kroeze, ik heb er het mijne van gezien. Goeden avond.”

“Ook goeden avond,” zei Kroeze. Hij duwde de kar voort, en riep:

“Allo, honden, kssssss, kssssss! Vooruit zeg ʼk! Allo!”

Hij sloeg met zijn stok tegen den wagen.

De honden, die tijdens het onderzoek op den weg waren gaan liggen, richtten zich met tegenzin op, en trokken den wagen voort. Maar ʼt ging Kroeze niet hard genoeg. Hij maakte veel lawaai met zijn stok, en riep:

“Ksssss! Ksssss! Allo, Allo! Vooruit honden. Kssssss!”

Een oogenblik later sprong hij op den wagen, en weldra was hij in de duisternis verdwenen.

“Dat was mis!” mompelde Flipsen, huiverend van de koude. Hij trok den kraag van zijn jas en zijne schouders omhoog, en bleef geduldig wachten. Maar toen er na een uur nog niemand gekomen was, besloot hij naar huis te gaan.

Den volgenden avond was hij echter weer op zijn post, want hij was iemand, die zijne plichten trouw nakwam.Als hij zich eenmaal voorgenomen had, dit of dat te doen, was hem geen moeite te veel, en stoorde hij zich aan koude noch warmte.

Maar hoe hij zich ook inspande, het gelukte hem niet, den dief te snappen. Daarom besloot hij de wacht te houden op den weg, die naar Haarlem voerde. Avond aan avond verschool hij zich op eenigen afstand buiten het dorp, maar alweer tevergeefs. Hij vond van den dief geen spoor.

“Dan zal ik gedurende enkele avonden in het dorp zelf eens goed uitkijken. Wie weet betrap ik den dief dan niet op heeterdaad,” dacht hij.

En zoo deed hij ook.

Zoodra het donker geworden was en in de huizen overal de lichten opgestoken waren, verliet Flipsen zijn woning, om over de veiligheid van zijne medeburgers te waken. Eerst begaf hij zich naar verschillende werkplaatsen, van welke het hem bekend was, dat er al meermalen voorwerpen vermist waren. Hij vond ze echter alle zorgvuldig gesloten. De menschen waren, door de ondervinding geleerd, al voorzichtiger geworden.

Eindelijk bemerkte hij, dat er achter het huis van de weduwe Butter eenig waschgoed op een bleekveldje lag.

“Wacht,” dacht hij. “Hier zal ik mij ergens verschuilen. Waschgoed is den laatsten tijd ook dikwijls ontvreemd.”

Achter het schuurtje stond, naast het bleekveld, een groote ton, waarin het regenwater, dat van het schuurtje in de goot kwam, opgevangen werd. Achter die ton maakte Flipsen zich zoo klein mogelijk. Geduldig wachtte hij, of de dief komen zou.

Dat gebeurde echter niet. Toen hij een half uur in zijne gebogen houding had doorgebracht, kon hij bijna niet blijven zitten van de pijn, die hij in zijne beenen kreeg. Voorzichtig richtte hij zich een weinigje op.

Alles bleef stil in den omtrek.

Flipsen gaf echter den moed nog niet verloren.

En waarlijk, eer er een tweede half uur voorbijgegaan was, hoorde hij eenig gerucht.

Hij richtte zich op en keek over de ton.

Ha, daar zag hij een gestalte, die haastig naar het bleekveld ging en vliegensvlug enkele kleedingstukken bij elkaar greep.

Met een vluggen sprong kwam Flipsen op de gestalte af.

“Ha, dief, daar heb ik je!” schreeuwde hij in de vreugde zijns harten, nu hij eindelijk in zijn pogingen geslaagd was.

Een hevige gil was het antwoord. Flipsen hoorde, dat het een vrouwenstem was, hetgeen hem verwonderde.

Met groote snelheid liep hij op de gestalte af, en greep haar bij den schouder. De onbekende sloeg de armen ten hemel en slaakte een tweeden, hartverscheurenden gil.

“Wie ben jij?” beet Flipsen haar toe.

Er kwam geen antwoord. De schrik verlamde als het ware haar tong.

“Hoor je me niet? Wie ben jij?” herhaalde Flipsen.

“O,—ik ben—ik ben Trijntje—de meid.—O, wat een schrik!”

“Trijntje—de meid?” vroeg Flipsen spijtig. “Ik dacht, dat jij de dief was. Waarom laat je dat waschgoed ook buiten liggen?”

“Ik—de dief!” riep het meisje uit, half schreiende van schrik en half lachende van blijdschap, nu zij bemerkte, dat zij met geen spoken te doen had. Want Trijntje geloofde nog aan spoken. “Ja,—dat zei de juffrouw ook, dat ik het waschgoed niet mocht laten liggen, en daarom ging ik het nog maar gauw eventjes halen. Hè—hè—ik beef over mijn heele lijf van den schrik...”

Flipsen ging zonder groeten heen. Het speet hem, dat hij zich ten tweeden male vergist had.

Maar het meest speet het hem, dat hij den volgenden dag moest vernemen van den burgemeester, dat er bij den molenaar tien meelzakken gestolen waren en dat er bij Legels, een herbergier, een mandje met ledige flesschen verdwenen was. Flipsen begreep daaruit, dat hij in een geheel verkeerde richting had gezocht. Hij wist er, zooals men dat wel noemt, geen touw meer aan vast te knoopen, en hij verdiepte zich in gissingen, wie toch wel de brutale dief kon zijn. Het trok zijn opmerkzaamheid, dat het altijd kleinigheden waren, die gestolen werden, en dat er nooit sprake was van inbraak. Langzamerhand vestigde zich de overtuiging bij hem, dat de dief geen man, maar een jongen moest zijn. En hij besloot voortaan in die richting te zoeken.

Jan Trom merkte op, dat Flipsen hem telkens onderzoekend aankeek, als hij hem tegenkwam. Eens, toen hij met zijn bokkenwagen bij Van Dril vandaan kwam, schoot plotseling Flipsen op hem af, en vroeg hem:

“Waar kom jij vandaan?”

“Van Van Dril,” zei Jan.

“Zoo,—wat heb je daar gedaan?”

“Eventjes in de smederij gekeken,” was het antwoord.

“Stap eens uit je wagen!” gebood Flipsen.

Jan gehoorzaamde dadelijk, niet weinig verwonderd, wat dit alles wel te beduiden had.

Flipsen doorsnuffelde het geheele karretje. Het bankje bestond uit een bak met een plankje er op als deksel. Flipsen lichtte dat plankje op en keek, wat er zich in den bak bevond. Maar hij zag niets verdachts.

“ʼt Is goed,” zeide hij. “Je kunt wel weer gaan.” En Jan ging.

Dienzelfden middag kwam Flipsen Frans Thor en Klaas Zwart tegen. Hij zag ze uit het schoolboschje komen. De school werd door drie boschjes elzenhout omringd, die te zamen altoos het schoolbosch werden genoemd. Tusschen die boschjes in lagen vrije strooken gronds, die tot speelplaats dienden.

Frans en Klaas droegen een mand tusschen zich in. Elk hield een oor vast.

“Daar is Flipsen,” zei Klaas Zwart. Hij voelde zich nooit bizonder op zijn gemak, als hij den politiedienaar zag. Geen wonder trouwens, want hij en zijn makker hadden al menig diefstalletje op hun geweten.

“Ja, dat zie ik,” zei Frans. “ʼt Hindert niet; laat hem komen.”

Zoodra Flipsen deze jongens zag, schoot hem dadelijk de gedachte door het hoofd, dat zij wel eens de schuldigen konden zijn, want zij liepen altoos overal te “schuimen,” zooals Flipsen dat noemde. En ʼt verwonderde hem, dat hij al niet eerder aan deze twee knapen had gedacht. Met groote schreden liep hij op hen af, en ʼt scheen wel, of zijne scherpe oogen hen wilden doorboren.

Klaas Zwart werd er bang van en keek een anderen kant op, wat Flipsen niet ontging.

“Waar komen jullie vandaan?” vroeg hij barsch. Hij boog zich voorover en hield zijn blik stijf op Klaas Zwart gericht. Klaas werd er bleek van, en zijne stem hokte hem in de keel.

“Uit het boschje,” zei Frans, die niet zoo bang was als Klaas.

“En wat deed je daar?”

“Wij zoeken beenen en vodden,” gaf Frans ten antwoord. En hij hield de mand een weinig naar voren, om er Flipsen in te laten kijken. Deze wierp er een blik inen zag, dat er inderdaad enkele beenderen in lagen.

“Vind-je die in het schoolboschje?” vroeg Flipsen verwonderd. “Hoe komen die daar dan?”

“Misschien door de honden, die er daar aan kluiven, omdat het er een rustig plekje is,” zei Frans. “Wij vinden er daar maar zelden een. Eigenlijk is er op het geheele dorp bijna geen beentje meer te vinden, want wij hebben alles al meermalen afgezocht.”

“Zoo,” zei Flipsen. “Ja, aan alles komt een einde. En aan wien verkoop je dien rommel?”

“Och,” zei Frans, “aan voddenkoopers...”

“En aan den pot...” zei Klaas. Maar Frans viel hem in de rede:

“Aan voddenkoopers uit Haarlem, die hier wel met hondenwagens komen.”

“Ja, ja,” zei Flipsen. “Houd jij je mond nu maar eens. Wat wou jij straks zeggen, Klaas Zwart? Aan den pot...”

“Dat heb ik niet gezegd,” loog Klaas. “U heeft me verkeerd verstaan. Ik zei: aan de vod.... Maar toen viel Frans mij in de rede.”

“Juist,—juist,” zei Flipsen met een onmerkbaar lachje om zijne lippen. “Nu jongens, zoekt maar goed. Er zal hier of daar nog wel wat te vinden zijn.”

Hij liet de jongens staan en ging naar huis. Maar hij lachte inwendig van pret, want hij twijfelde niet, of hij was thans de daders wel degelijk op het spoor.

“De pottenschipper,” mompelde hij tusschen de tanden. “Ja, ja, die jongen verklapte het leelijk: de pottenschipper is de opkooper. Wacht maar, zij zullen mij niet ontsnappen...”

Frans en Klaas gingen zwijgend verder. Het korte onderhoud met den veldwachter had hun eenigen schrik aangejaagd. Na een poosje zei Frans:

“Stommerd!—Jij had de heele zaak daar bijna verklapt.”

“Ja,” zei Klaas angstig. “Maar ik geloof niet, dat hij het verstaan heeft. Zou je denken, dat hij me verstond?”

“Dat weet ik niet,” zei Frans, “ʼk Geloof haast van niet, maar toch moeten wij voorzichtig zijn. We dienen ons een poos althans rustig te houden. Ik vertrouw Flipsen niet.”

“Ik ook niet,” zei Klaas met een zucht. “Als hij me maar niet verstaan heeft.Potlijkt erg veel opvod. Zeg Frans, ik ga naar huis; ik heb geen zin meer in het zoeken.”

“Ga dan,” zei Frans.

Zoo scheidden de jongens.

Flipsen lette na dien dag zorgvuldig op de zolderschuit van den pottenschipper. Hij twijfelde er niet aan, of den een of anderen dag zou het raadsel nu wel worden opgelost.

Maar dagen en zelfs enkele weken gingen voorbij, en Flipsen bleef even wijs, als hij was. De pottenschipper leefde even eenzaam en verlaten in zijn schuit als altoos, en Frans en Klaas zag Flipsen er nooit heengaan.

Doch,—en dit trok zijne opmerkzaamheid, er werd niet meer gestolen ook op het dorp. En dat was hem een troost.

Elfde Hoofdstuk.De bestorming van het sneeuwkasteel, en eene heldendaad van Jan.ʼt Was in het begin van December. De winter was vroeg ingevallen, en het vroor, dat het kraakte. Eerst had het geducht gesneeuwd, tot groot vermaak van Jan Trom enzijne makkers. Ha, wat hadden zij gesneeuwbald! De kogels vlogen de jongens om de ooren. Toen hadden zij bedacht op het marktplein een fort op te werpen. Dat was een heel werk voor hen, want zij waren maar niet tevreden met een opgeworpen hoogte van sneeuw, neen, zij wilden een mooi fort hebben met schuin afloopende kanten, met torens op de hoeken en kanteelen daartusschen. ʼt Leek, toen het klaar was, veel meer op een kasteel dan op een fort. De jongens vonden het prachtig, en zij werkten er aan met een ijver en toewijding, zooals die alleen bij jongens gevonden kan worden.Eindelijk was het kasteel klaar, en nu besloten zij, zich in twee gelijke troepen te verdeelen. De eene helft zou het kasteel aanvallen, de andere zou het verdedigen.Aan de twee vrienden Jan Trom en Karel van Dril viel eene groote onderscheiding ten deel. Jan Trom werd namelijk verkozen tot bevelhebber van het sneeuwslot, en Karel tot aanvoerder van de vijanden.“Eventjes wachten, jongens!” riep Jan zijn makkers toe. “We moeten twee vlaggen hebben, voor elke troep één.”“Ja, best!” zei Karel. “Maar weet je, wat het ergste is? Alle vlaggen zijn rood, wit en blauw, en ʼt is niet aardig, als onze vlaggen hetzelfde zijn.”“O, daar weet ik wel raad op. ʼt Kasteel is een Hollandsch slot, dus daar zetten we de nationale vlag op, dat spreekt vanzelf. Als jij nu je vlag onderst-boven aan den stok bindt, lijkt hij heel veel op de Duitsche vlag. Jullie stelt dan het Duitsche leger voor, dat een inval doet op Hollandsch grondgebied. Zeg jongens, dat kan leuk worden, zou ik meenen.”Dit voorstel vond algemeen goedkeuring, en Jan en Karel haastten zich naar huis, om eene vlag te halen. Binnen tien minuten waren zij terug. De Hollandsche vlagwerd op den hoogsten toren van het kasteel geplant, en Karel benoemde een van zijne soldaten tot vaandrig. Jan en zijne krijgers maakten een ontzaglijken voorraad sneeuwballen, die achter de kanteelen werden opgestapeld, maar ook de Duitsche veldheer maakte zich zijn tijd ten nutte. Eindelijk waren beide partijen slagvaardig.De Duitschers omringden het fort aan alle kanten, en wachtten op het sein om aan te vallen. Karel, als bevelhebber, ging met den vaandrig aan zijn zijde naar het fort, en riep de bezetting toe:“Hallo! Hei daar!”“Werda!” antwoordde Jan Trom, wiens bovenlijf boven den gekanteelden muur verscheen. “Wat is er van uw begeeren.”“In naam van mijn meester, den Keizer van Duitschland, eisch ik dit kasteel op,” was het antwoord van Karel. “Mijn soldaten omringen het van alle kanten, geef u dus goedschiks over, dan beloof ik vrijen uittocht aan de manschappen. Zoo niet, wacht u dan voor de gevolgen.”“Die komen voor mijne verantwoording. Dit slot behoort aan Koningin Wilhelmina der Nederlanden, en zoolang ik leef, zal geen Duitscher het binnenkomen. Dat is mijn antwoord. Leve de Koningin!”“Leve de Koningin!” juichten Janʼs volgelingen.“Leve de Keizer!” riep Karel van Dril, en zijn krijgers herhaalden:“Leve de Keizer!”“Dan is het oorlog!” riep Karel zijn vriend Jan nog toe, terwijl hij zich met zijn vaandrig verwijderde.“Oorlog op leven of dood!” schreeuwde Jan.Weldra vloog de eerste sneeuwbal over de muren van het kasteel, en de belegerden keken hem lachend na.“Je moet beter mikken, mannetje!” riep Willem Kroeze, de zoon van den slager. “Op deze manier!”En hij wierp den Duitschen bevelhebber heel netjes zijne pet van het hoofd, tot groot vermaak van de andere Hollanders.Maar toen kwam er een regen van kogels op het kasteel af. De Hollanders moesten zich zelfs achter de kanteelen verbergen, want de Duitschers ontzagen hen niet. Zij wierpen uit alle macht, en de ballen kwamen hard aan, als zij raakten.“Hoera, zij worden bang!” riep Karel zijne mannen toe. “Allo, allo, beklimt de muren, en werpt den vijand naar beneden.”ʼt Werd een geweldige bestorming. Van alle kanten schoten de vijanden toe, en behendig klauterden zij tegen de hoogte op.Maar Jan zag het gevaar.“Zij wagen eene bestorming, jongens! Geeft ze de volle laag!” riep hij. Zijn bevel werd uitgevoerd, en de Duitschers werden haast onder de sneeuw bedolven. Sommigen kregen oogen, mond en neus vol, zoodat zij hoestend en proestend het hazenpad moesten kiezen, en anderen kregen een flinken voorraad tusschen den kraag van hun jas, zoodat het water hun over den rug liep. Weldra was de storm met glans afgeslagen. De Duitschers trokken zich terug. De vaandrig liep zelfs wel wat erg hard voor ʼt mooi. Hij viel met vaandel en al voorover in eene greppel, tot groot vermaak van de Hollanders.“Het Duitsche vaandel valt!” riepen zij lachend. “Dat is een goed voorteeken. Hoera! Leve de Koningin!”“Kijk ze eens loopen!” riep Jan, wiens oogen schitterden van opgewondenheid. “Die storm is afgeslagen, jongens, en tot een tweeden zullen zij zoo spoedig wel niet overgaan.”Dat was ook zoo. Er werd zelfs geen bal meer gegooid. Karel hield met zijn makkers krijgsraad, want het washem gebleken, dat het niet gemakkelijk zou gaan het fort te veroveren.“Wat dunkt je, jongens,” zei hij, “als we met ons allen eens op één punt een zóó geweldig vuur openden, dat de kanteelen in puin vallen? Dan zijn de belegerden ongedekt en vinden nergens beschutting. Als we ze dan de volle laag geven, kunnen zij het onmogelijk uithouden.”“Ja, ja, dat is goed. De kanteelen moeten we wegkogelen,” zei de vaandrig, “en dan wil ik wel eens zien, of ze ʼt volhouden.”“Afgesproken!” zei Karel. “Hierheen, jongens, aan dezen kant hebben we de sneeuw maar voor ʼt grijpen. Zeg, weet je, wat we in ons voordeel hebben?”“Wat dan?”“Wel,—wij kunnen zooveel sneeuwballen maken, als we willen, maar hun voorraad raakt eenmaal uitgeput. En dan kunnen zij niets meer beginnen.”“Dat is waar, ha ja, dat is waar!” lachten de Duitschers.Op ʼt volgende oogenblik openden zij een zoo geweldig bombardement op de kanteelen, dat deze het werkelijk kwaad te verantwoorden kregen. Hier en daar begonnen zij al spoedig af te brokkelen en in te storten, tot groote vreugde van de vijanden, die soms even ophielden om hunne vingers in den mond te steken,—want die werden erg koud,—en dan maakten zij tevens van de gelegenheid gebruik, om een oorverdoovend gejuich aan te heffen. Onder ʼt sneeuwballen gunden zij zich daar den tijd niet toe.Inderdaad kreeg de bezetting het kwaad te verantwoorden.Maar Jan toonde zich iemand van groote veldheerstalenten. Hij zag niet alleen het gevaar, dat hem dreigde, maar hij doorzag ook de bedoeling van zijne vijanden.“Jongens,” riep hij zijne soldaten toe, “als we dekanteelen niet behouden, zijn we verloren. Neemt de schoppen en werpt op elke bres een nieuwen muur op. Maar slaat de sneeuw stevig in elkander, zoodat de kogels er geen vat op hebben. Weest echter voorzichtig, want als je een bal tegen je gezicht krijgt, dan ben je—zuur!”De soldaten lachten smakelijk om dezelaatsteuitdrukking, maar zij begrepen de bedoeling van hun aanvoerder toch zeer goed, en gingen dadelijk met ijver aan ʼt werk. Een deel van hen wierp de bressen dicht, en zij zorgden er voor, dat de sneeuw goed in elkaar geslagen werd, zoodat zij een harde koek vormde,—een ander deel maakte nieuwe sneeuwballen, waarvoor zij het fort als het ware onder hunne voeten moesten afbreken, en de rest bekogelde den vijand.Al spoedig verstomde daar het gejuich, want ʼt was duidelijk, dat de pogingen om de gekanteelde muren te vernietigen, schipbreuk zouden lijden. Zoodra was het den Duitschers niet gelukt een bres in den muur te schieten, of op ʼt volgende oogenblik waren wel tien handen gereed om het gat weer te stoppen. De vijanden waren verder van de overwinning dan ooit, en zij werden er moedeloos onder. Hun ijver verflauwde, het bombardement werd minder hevig, en eindelijk trokken zij af om opnieuw krijgsraad te beleggen.Wat de Hollanders juichten!Zij zwaaiden met hunne mutsen, en riepen:“Hoezee! Leve de Koningin! Hoezee!”Zij waren echter wel blij, dat zij nu ook een poosje rust kregen, want de strijd was hevig geweest, en zij waren erg vermoeid.“Ik kan haast niet meer,” zei Willem Kroeze.“Ik ook niet,” zuchtte Jacob Boors. “En wat zijn mijne vingers koud. Ze tintelen!”Hij kreeg haast tranen in de oogen van de pijn, die ze hem deden.“Steek ze een poosje in je mond, en blaas dan hard. Dan worden ze wel weer warm,” zei Jan Trom. “Zeg jongens, wat hebben we ons goed gehouden, hè? Als we oppassen, krijgen zij ons fort nooit. Kijk ze ʼt eens druk hebben. Ze houden zeker weer krijgsraad.”“Laat ze maar!” zei Tines Wobbe. “We zullen ze ontvangen, zooals het behoort. Weg met de Duitschers!”“Weg met de Duitschers!” riepen ze allen, en weer zwaaiden ze met hunne hoofddeksels.“En leve de Koningin!” juichte Jan Trom.“Ja, ja, leve de Koningin!” riepen allen.Na een paar minuten werd de krijg hervat. De vijanden waren tot het besluit gekomen, eene nieuwe bestorming te wagen. In gesloten rijen liepen zij op het fort toe, en opnieuw probeerden zij tegen den schuinen kant op te klauteren. Maar weer werden zij lang niet malsch ontvangen.Een hagelbui van sneeuwballen begroette hen, en de verdedigers wierpen schoppen vol losse sneeuw over hunne hoofden uit.Maar Karel wilde niet opnieuw wijken.“Sterven of overwinnen!” riep hij zijne volgelingen toe, en hij klauterde moedig omhoog, zich niet storende aan de projectielen der belegerden.Zijne soldaten, aangevuurd door zijn geestdrift, volgden hem met mannenmoed. Ha, daar had Karel den gekanteelden muur bereikt, en reeds richtte hij zich op om victorie te roepen, toen Jan plotseling op hem toesprong, en hem pardoes achterover naar beneden wierp.“Weg met de Duitschers!” schreeuwde hij.Karel was veel gauwer beneden, dan hij boven gekomen was. Eerst keek hij een oogenblik beteuterd rond, maar toenhij zag, dat zijne soldaten voet bij stuk hielden, bestormde hij de vesting opnieuw. ʼt Was een verwoede aanval, en de belegerden konden niet dan met de uiterste inspanning stand houden. Met ongebreidelde geestdrift drongen de Duitschers op hen in, maar de een na den ander werd van de borstwering afgeduwd en naar beneden geworpen. Daar werden zij haast onder de sneeuw bedolven, die hun bij schoppenvol nageworpen werd.Eindelijk deinsden de Duitschers af. Zij waren opnieuw afgeslagen. Maar het fort verkeerde in een deerniswaardigen toestand, want om zich te verdedigen waren de Hollanders genoodzaakt geweest, zich den grond onder de voeten weg te spitten. De torens helden dientengevolge sterk over naar den binnenkant van het slot, en dreigden elk oogenblik in te storten. Ook de muren geleken wel bouwvallen. Maar nog wapperde de Hollandsche vlag fier van den hoofdtoren. Jan was daar trotsch op, en hij prees zijne soldaten om den betoonden moed.“Maar mijne vingers vallen haast af van de kou!” zei Tines.“Dat doet er niet toe!” riep Jan hem toe. “Zoolang de vlag nog van den toren wappert, is er niets verloren, al hadden wij geen van allen meer een vinger over! Leve de Koningin!”“Leve de Koningin, en weg met de Duitschers!” schreeuwden zij om het hardst.“Dat is niet om uit te staan!” riep Karel zijne soldaten toe. “Komt jongens, opnieuw aangevallen, en niet gerust, voordat het fort ons is!”De vijanden bestormden den burcht opnieuw, en de aanval was zoo mogelijk nog verwoeder dan de vorige.“Nu of nooit!” schreeuwde Karel, die zich op en top krijgsman voelde.“Sterven of overwinnen!” antwoordde Jan Trom, en de jongens vochten van weerskanten als leeuwen.Eindelijk gelukte het Karel ten tweeden male op het fort te komen, vlak bij den hoofdtoren. Maar Jan en zijne soldaten wierpen zooveel sneeuw tegen zijn hoofd en schouders, dat hij zijn evenwicht verloor en tegen den toren viel. Deze was echter al zoo bouwvallig, dat hij den schok niet meer kon weerstaan en instortte. De vlag der Hollanders verdween van hare hooge standplaats.“De toren stort in!” riep Willem Kroeze.“De vlag duikt!” schreeuwden de Duitschers.“Hoera! Hoera!”Karel lag te spartelen onder de sneeuw in het fort, want de toren had hem half bedolven. De Hollanders sprongen op hem aan en grepen hem.“Een gevangene! Een gevangene!” juichten zij. “De bevelhebber is gevangen! Weg met de Duitschers! Leve de Koningin!”De Duitschers, ontsteld door het gevangennemen van hun Commandant, deinsden af, maar spoedig kwamen zij terug met het stellige voornemen, hun hoofdman te verlossen.Het kasteel was nu een puinhoop geworden. De torens waren ingestort, en van de gekanteelde muren was geen spoor meer overgebleven. De belegerden waren thans geheel ongedekt aan het vuur der vijanden blootgesteld, en het maken van nieuwe sneeuwballen, of zooals zij zeiden het gieten van nieuwe kogels was hun zoo goed als onmogelijk geworden, omdat de sneeuw, waarop zij stonden, door de soldaten als het ware tot een harden koek was vastgestampt. Met hunne schoppen moesten zij de sneeuw omspitten om kogels te kunnen gieten.En toen kwam een nieuwe storm. De vijanden klauterden als katten tegen den muur op, en de belegerden haddengeen middelen meer om hen te keeren. Zij vochten nog wel als leeuwen en wierpen menigen Duitscher naar beneden, maar tevergeefs. Het fort was verloren. Voor en na verschenen de vijanden op de hoogte, en eindelijk moest Jan zich overgeven.“Hoera! Hoera!” riepen Karel en zijn mannen. “Het kasteel is ons! Leve de Keizer!”De Hollandsche vlag, waarvan de stok gewoon in de sneeuw gestoken was, daar de torens totaal verdwenen waren, werd omvergeworpen, en de vijandelijke vlag kwam er voor in de plaats.“Leve de Keizer!” juichten de Duitschers, en zij zwaaiden met hunne mutsen.“Goed, goed!” zei Jan. “Maar wat heb je nu? Wat is er van het kasteel overgeschoten? Een puinhoop, meer niet. Veel pleizier er mede.”“Ja, ja, dat is waar!” zei Karel. “Jelui hebt je kolossaal goed gehouden, dat moet ik zeggen.—Hè, hè, jongens, dat was een mooi spelletje!—ʼt Is nu tijd om naar huis te gaan. Doen we het morgen weer?”“Ja, ja!” werd er van alle kanten geroepen. “Dat is afgesproken.”Zingende verlieten vriend en vijand het marktplein, om naar huis te gaan. Zij hadden heerlijk gespeeld en dachten er nog lang daarna met pleizier aan. Zij waren vast besloten, den volgenden dag een nieuw kasteel te bouwen en den strijd te hervatten.Maar den volgenden morgen merkten zij al dadelijk, dat het niet kon. ʼt Had namelijk dien nacht verbazend hard gevroren, en ʼt was daardoor onmogelijk geworden sneeuwballen te maken. De sneeuw wilde niet pakken. Zij vonden dat wel erg jammer, maar daarentegen verheugden zij er zich weer in, dat het zoo hard gevroren had, enzij hoopten, dat het ijs spoedig sterk zou worden. De twee kanalen, die in het hart van het dorp elkander kruisten, lagen al dicht. De jongens wierpen er steentjes op, om te zien, of zij er doorheen konden gooien, maar dat konden zij niet. Alleen klinkers gingen er ongeveer voor de helft doorheen.Zij vermaakten zich nu met glijbanen te maken en daar in lange risten overheen te glijden. De grond werd hier en daar spiegelglad. Opeens bedachten zij, dat het nu prachtig zou glijden langs de helling buiten het dorp, bij het fort, waar Jan met zijn automobile den veldwachter bij ongeluk van de been gereden had. En nauwelijks hadden zij dat bedacht, of zij snelden er heen. Ha ja, ze hadden zich niet bedrogen. De helling was er prachtig voor geschikt, en er lag dik sneeuw. Spoedig was het er zoo glad, dat men er haast niet op de beenen kon blijven staan, en als de jongens eenmaal op de helling waren, mòèsten zij verder, of zij wilden of niet. Zij vonden het meer dan verrukkelijk, en wisten van geen ophouden. ʼt Was een koddig gezicht, als een van hen het ongeluk had te vallen. Dan buitelden allen, die achter hem kwamen aanglijden, hals over kop over hem heen, en werd het een levende berg van jongens.Menigeen riep dan au, au! en sommigen kwamen erg in de verdrukking, maar daarom werd niet getreurd. Een volgend oogenblik gleed de geheele rij weer met statie verder, en ʼt ging vliegensvlug.ʼt Was al laat, eer de jongens thuiskwamen, en voordat zij de deur instapten, wierpen zij eerst nog een blik op het hemelgewelf om te zien, of de lucht naar vorst stond. En dat deed ze gelukkig. De sterretjes fonkelden aan den hemel, en er was geen wolkje aan te zien.Dien nacht vroor het kolossaal! Toen Jan ʼs morgenszijn neus buiten de bedgordijnen stak, zag hij al dadelijk, dat de bloemen dik op de ruiten stonden.“De pomp is bevroren!” riep zijn vader van uit de keuken. “Jongen, jongen, wat een vorst. ʼt Is buitengewoon! Zeg Jan, nog één nachtje zoo, en we kunnen schaatsenrijden. Dan is het kanaal sterk genoeg. Maar vandaag nog voorzichtig wezen, hoor, ʼt kan nog niet vertrouwd zijn.”“Ja Vader,” zei Jan.Hij was van nature geen waaghals. Niet, dat hij bang was, in het geheel niet, maar hij vond het dwaasheid zijn leven roekeloos in gevaar te stellen. Toch waren er wel jongens, die zich al op het kanaal waagden. Voorzichtig, voetje voor voetje, liepen zij het ijs op, dat door een sterk gekraak waarschuwde om terug te gaan. De waaghalzen hoorden het wel, en als het heel erg kraakte, bleven zij even stilstaan, maar spoedig gingen zij weer verder. Tines Wobbe bereikte zelfs de overzijde van het kanaal, waar hij niet weinig trotsch op was.ʼs Middags na schooltijd liep Jan met zijn vriend Karel van Dril het dorp in, en kwam bij de drie bruggen. Zij zagen, dat het water daar nog open lag. Dat was bijna altoos zoo in den winter. Alleen als het lang bleef vriezen, werd het daar ook sterk genoeg, om er over te loopen. Zij stonden er een poosje naar te kijken, toen plotseling hunne aandacht werd getrokken door Frans Thor, die een vuilen hond vervolgde. Hij wierp het beest met steenen. ʼt Was een broodmager beest, dat er vreeselijk vervuild uitzag. De jongens herkenden dadelijk Fik in hem, den hond van den orgeldraaier Klaas Touw.“Houdt hem! Houdt hem!” riep Frans hun toe.“Een heldendaad van Frans,” zei Jan tot Karel. “Hij kan geen hond met rust laten.”“Houdt hem! Houdt hem!” riep Frans nog eens.De hond was nu op het midden van de brug. Jan en Karel deden, of zij Frans niet hoorden. Maar juist kwam Klaas Zwart van den anderen kant de brug op.“Houd hem, Klaas!” riep Frans zijn vriend toe. “Jaag hem op!”“Ja,—ja!” was het antwoord. En met zijn armen zwaaiende en onder een luid geschreeuw joeg hij het verhongerde beest terug.Spoedig kwam Fik nu Frans weer tegen, en deze joeg hem ook terug. De dierenkwellers hadden braaf schik in den angst van den hond, die, naarmate de jongens elkander naderden, meer in het nauw gedreven werd. Eindelijk wist het arme dier geen raad meer, en toen het probeerde om langs de beenen van Frans te ontsnappen, op gevaar af een schop van dien jongen te krijgen, gaf deze hem een duw, waardoor hij van de brug af in het water viel.Wat hadden Frans en Klaas een pret. En hoe vermaakten zij zich met de wanhopige pogingen van het dier om zich te redden.De lantaarnopsteker, die op zijn laddertje stond, om de lantaren schoon te maken en de peer van de lamp te vullen, was er verontwaardigd over, en hij riep de jongens toe, dat zij zich schamen moesten. Hij klom naar beneden en zag, hoe het beest tevergeefs poogde zich te redden.“ʼt Is meer dan schandelijk!” riep de man nog eens. “ʼt Beest is onherroepelijk verloren. Wie zal het wagen, het te redden? Wie het doet, loopt groot gevaar om zelf te verdrinken. Zulke dierenbeulen!”Ook Jan en Karel zagen met smart de pogingen van den armen hond, om zich te redden, ʼt Was duidelijk, dat het beest verdrinken moest. Eene hevige verontwaardiging maakte zich van Jan meester, en ook Karel vond het eene schandelijke daad.Fik zwom in het breede wak rond, nu hier, dan daar pogingen doende, om op het ijs te klimmen. Maar dit was te glad. Telkens gleden zijn pootjes uit en zakte hij in het water terug.Jan kon het niet langer aanzien.“Mag ik dat laddertje gebruiken?” vroeg hij aan den lantaarnopsteker. Zonder antwoord af te wachten, lichtte hij de haken los, waarmede het aan den paal bevestigd was, en liep er mede naar den kanaalkant.“Niet doen, Jan, niet doen!” riep Karel hem toe.Maar Jan antwoordde niet.“Dàn zal ik je helpen!” hernam Karel, en hij voegde zich bij zijn vriend. Maar deze stond al op het ijs.“Blijf daar, Karel, ik ben lichter,” zei Jan kortaf.Hij schoof het laddertje voor zich uit en naderde behoedzaam het wak. Al was Jan nòg zoo mager, en al woog zijn lichaampje nòg zoo licht, toch liet het ijs, dat bij de brug erg dun was, een dreigend gekraak hooren. Jan liet er zich echter niet door weerhouden. Bedaard ging hij verder, half steunende op het laddertje, dat hij met kleine stootjes voortduwde.“Fik! Fik!” riep hij den hond toe.Het beest zag hem komen. Met verkleumde pooten zwom het in het ijskoude water. Het jankte van vreugde.... Bijna kon het zich niet meer bewegen. Het uiterste einde van het laddertje had het begin van het wak bereikt.Vele menschen verzamelden zich langs de brugleuning, en met angstige spanning volgden zij de bewegingen van den knaap. Ook Janʼs vader was op de brug. Zijne oogen waren geen seconde van zijn dapperen jongen af. Ha, hoe verheugde hij zich over deze kranige daad van zijn kind. Hij was trotsch op hem!Jan keek op noch om. Al zijne gedachten waren op éénpunt gericht, namelijk, dat het zijn plicht was den armen hond te redden. Op handen en knieën kroop hij behoedzaam verder.Het ijs boog door. Er kwam water op. De ladder werd nat. Maar Jan keerde niet terug. Hij zag, dat de hond op ʼt punt was van verdrinken.Nog een sport,—daarna nog een....Hij legde zich lang-uit op de ladder. Zijne kleêren werden nat. Toen strekte hij den arm uit, en met een krachtigen greep trok hij den hond uit het wak. Verkleumd bleef het dier liggen.Jan durfde zich niet omkeeren. Hij wist bijna zeker, dat het ijs dan breken zou. Zoo voorzichtig mogelijk kroop hij achteruit, langzaam—langzaam verder. Den hond trok hij meê.Eindelijk had hij het achtereinde van het laddertje bereikt en moest hij op het ijs stappen. Maar daar was het niet zoo erg zwak meer. De hond kwam eenigszins tot zichzelven. Bevend op zijne pooten liep het dier naar den walkant. Daar hielp Karel het omhoog, tegen den walkant op. Eindelijk had ook Jan den oever bereikt....En op ʼt zelfde oogenblik klonk een daverend handgeklap hem in de ooren. De menschen, die gezien hadden, welk heldenstuk hij had verricht, verbraken de stilte en juichten hem toe. Jan kreeg er een kleur van. En zijn vader drong door het volk heen en drukte hem in zijn armen. Hij had er zoowaar tranen van in de oogen.“Ben je erg nat?” vroeg Dik.“Haast niet, Vader,” zei Jan. “Ik ga met Karel den hond even thuisbrengen, want hij kan bijna niet loopen.”“Goed, goed,” zei Dik, “maar dan direct droog goed aantrekken.”Jan en Karel vertrokken met den verkleumden hond,en de menschen vervolgden hun weg. Met lof werd over Jan gesproken. Iedereen had er den mond vol van. Maar de dierenbeulen Frans en Klaas waren stilletjes afgedropen.Het huisje van Klaas Touw, den orgeldraaier, stond een weinigje achteraf, aan een achterweg. De jongens hadden het spoedig bereikt. Zij deden de deur van het armoedig hutje open en traden binnen.Mietje zat bij de tafel. Zij zag er bleek en mager uit, en hare oogen keken de jongens droevig aan. De bedsteêdeuren aan den achterkant van het kamertje stonden open, en de jongens zagen, dat Klaas Touw te bed lag. Hij was ziek.“Hier is uw hond, Mietje,” zei Jan, die den hond in de kamer liet loopen. “We hebben hem uit het water gehaald. Hij lag in het wak bij de brug.”“Neen,wijniet, maar Jan heeft hem er uitgehaald,” zei Karel, die zijn vriend om diens heldendaad bewonderde. “Met levensgevaar heeft hij hem gered.”“Zoo,—arme Fik,” zei Mietje. “Was hij maar verdronken.”“Waarom?” vroegen de jongens als uit één mond. Zij waren niet weinig verwonderd over die woorden.“Waarom? Wel, dan was hij meteen uit zijn lijden. Klaas is ziek, en hij zal wel zoo gauw niet beter wezen, zegt de dokter. We hebben zelf niet eens te eten, hoe zal ik dan voor den hond zorgen?”De jongens keken de vrouw zwijgend aan. En hun blik dwaalde door het armoedige vertrek en naar het bed van den zieke. Zij zagen ook, dat er geen vuur was in de oude kachel, en dat de bloemen dik op de ruiten stonden.“En uw orgel dan?” vroeg Jan na een poosje.“Dat is weggehaald, omdat wij de huur ervan niet betalen konden,” zei Mietje, en zij kreeg de oogen vol tranen. “Wij lijden armoê, jongens, erger dan ik het zeggen kan.”De jongens wisten niet veel te zeggen, maar zij kregen diep medelijden met die arme menschen.“Weet je wat, Mietje,” zei Jan. “Morgen is het ijs wel sterk. Ga dan met een tentje op het ijs staan, om melk en koek te verkoopen.”Vrouw Touw lachte droevig.“Hoe moet ik aan melk komen?” zei ze met een zucht. “En aan chocolade en suiker en koek? Wie zal mij dat alles borgen?”“Mijn vader wel,” zei Jan beslist. “Ik ga het hem vragen. Ga je mee, Karel?”De jongens liepen op een drafje naar huis. En toen Jan verteld had, hoe het met den orgeldraaier en diens vrouw gesteld was, zei Dik:“Zeker wil ik helpen, jongen! Ga maar aan Mietje zeggen, dat ik haar alles wil voorschieten, wat zij noodig heeft.”“Hoera!” riep Jan. “Wat is u toch goed, Vader. En mogen ze een paar oude stoelen hebben, en wat palen en een paar banken?”“Ja,” zei Dik lachend, want het verheugde hem, dat Jan en Karel zich zoo druk maakten om een paar arme menschen te helpen, die in nood verkeerden. “Maar weet je, wat in de eerste plaats noodig is? De stakkers hebben niets in huis, zelfs geen brandstof om de kachel te stoken. Span je bok voor den wagen, en breng er dadelijk flink wat turven naar toe. Ik zal dan meteen een en ander uit den winkel inpakken, zoodat ze van avond wat te eten hebben ook.”“Ja, ja,—ik met den bokkenwagen, en Karel met de automobiel! Dat zal leuk wezen.”ʼt Was intusschen al donker geworden, en de sterretjes begonnen al weder aan het hemelgewelf te flonkeren.Jan en Karel hadden het druk, want zij maakten van Dikʼs mildheid een ruim gebruik. De automobile werd volgestapeld met turven en kachelblokjes, en in het bakje van den bokkenwagen kwamen verscheidene zakjes met levensmiddelen. Dik wist wel, wat het meest noodig was.Toen de jongens wegreden, keken Dik en Anneke hen lachend na, en Dik herinnerde zich op dat oogenblik weer levendig, hoe hij zich als kind op een donkeren avond geheel alleen op weg begeven had, om aan de heks op den achterweg, die ook in nood verkeerde, levensmiddelen te brengen. En hij voelde zich gelukkig, dat hij zulk een goed kind had.In het hutje van de twee arme menschen heerschte dien avond groote blijdschap. Jan en Karel werden hartelijk door den orgeldraaier en diens vrouw bedankt.“Morgen zullen we een tent voor u bouwen, Mietje,” zei Jan. “En Vader wil u al het noodige voorschieten, om alles te kunnen inslaan. Wacht maar, u zal eens zien, hoe ʼn mooie tent wij zullen maken.”De jongens keerden naar huis terug. De bok liep met opgetrokken pooten, want hij vond de bevroren sneeuw erg koud, en hij was er slecht over gestemd, dat hij zijn warm plaatsje bij den hit had moeten verlaten. Karel draaide lustig aan het wiel van de automobile. “Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf klonk het achter den bokkenwagen. De beide lantarens gaven een helder licht, en de jongens vonden het een prettig tochtje. Zij spraken af, den volgenden morgen vroeg op te staan en dan ijverig te gaan bouwen aan de tent. Met een prettig gevoel in hun borst keerden zij in huis terug. Zij voelden zich tevreden en gelukkig.

De bestorming van het sneeuwkasteel, en eene heldendaad van Jan.

De bestorming van het sneeuwkasteel, en eene heldendaad van Jan.

ʼt Was in het begin van December. De winter was vroeg ingevallen, en het vroor, dat het kraakte. Eerst had het geducht gesneeuwd, tot groot vermaak van Jan Trom enzijne makkers. Ha, wat hadden zij gesneeuwbald! De kogels vlogen de jongens om de ooren. Toen hadden zij bedacht op het marktplein een fort op te werpen. Dat was een heel werk voor hen, want zij waren maar niet tevreden met een opgeworpen hoogte van sneeuw, neen, zij wilden een mooi fort hebben met schuin afloopende kanten, met torens op de hoeken en kanteelen daartusschen. ʼt Leek, toen het klaar was, veel meer op een kasteel dan op een fort. De jongens vonden het prachtig, en zij werkten er aan met een ijver en toewijding, zooals die alleen bij jongens gevonden kan worden.

Eindelijk was het kasteel klaar, en nu besloten zij, zich in twee gelijke troepen te verdeelen. De eene helft zou het kasteel aanvallen, de andere zou het verdedigen.

Aan de twee vrienden Jan Trom en Karel van Dril viel eene groote onderscheiding ten deel. Jan Trom werd namelijk verkozen tot bevelhebber van het sneeuwslot, en Karel tot aanvoerder van de vijanden.

“Eventjes wachten, jongens!” riep Jan zijn makkers toe. “We moeten twee vlaggen hebben, voor elke troep één.”

“Ja, best!” zei Karel. “Maar weet je, wat het ergste is? Alle vlaggen zijn rood, wit en blauw, en ʼt is niet aardig, als onze vlaggen hetzelfde zijn.”

“O, daar weet ik wel raad op. ʼt Kasteel is een Hollandsch slot, dus daar zetten we de nationale vlag op, dat spreekt vanzelf. Als jij nu je vlag onderst-boven aan den stok bindt, lijkt hij heel veel op de Duitsche vlag. Jullie stelt dan het Duitsche leger voor, dat een inval doet op Hollandsch grondgebied. Zeg jongens, dat kan leuk worden, zou ik meenen.”

Dit voorstel vond algemeen goedkeuring, en Jan en Karel haastten zich naar huis, om eene vlag te halen. Binnen tien minuten waren zij terug. De Hollandsche vlagwerd op den hoogsten toren van het kasteel geplant, en Karel benoemde een van zijne soldaten tot vaandrig. Jan en zijne krijgers maakten een ontzaglijken voorraad sneeuwballen, die achter de kanteelen werden opgestapeld, maar ook de Duitsche veldheer maakte zich zijn tijd ten nutte. Eindelijk waren beide partijen slagvaardig.

De Duitschers omringden het fort aan alle kanten, en wachtten op het sein om aan te vallen. Karel, als bevelhebber, ging met den vaandrig aan zijn zijde naar het fort, en riep de bezetting toe:

“Hallo! Hei daar!”

“Werda!” antwoordde Jan Trom, wiens bovenlijf boven den gekanteelden muur verscheen. “Wat is er van uw begeeren.”

“In naam van mijn meester, den Keizer van Duitschland, eisch ik dit kasteel op,” was het antwoord van Karel. “Mijn soldaten omringen het van alle kanten, geef u dus goedschiks over, dan beloof ik vrijen uittocht aan de manschappen. Zoo niet, wacht u dan voor de gevolgen.”

“Die komen voor mijne verantwoording. Dit slot behoort aan Koningin Wilhelmina der Nederlanden, en zoolang ik leef, zal geen Duitscher het binnenkomen. Dat is mijn antwoord. Leve de Koningin!”

“Leve de Koningin!” juichten Janʼs volgelingen.

“Leve de Keizer!” riep Karel van Dril, en zijn krijgers herhaalden:

“Leve de Keizer!”

“Dan is het oorlog!” riep Karel zijn vriend Jan nog toe, terwijl hij zich met zijn vaandrig verwijderde.

“Oorlog op leven of dood!” schreeuwde Jan.

Weldra vloog de eerste sneeuwbal over de muren van het kasteel, en de belegerden keken hem lachend na.

“Je moet beter mikken, mannetje!” riep Willem Kroeze, de zoon van den slager. “Op deze manier!”

En hij wierp den Duitschen bevelhebber heel netjes zijne pet van het hoofd, tot groot vermaak van de andere Hollanders.

Maar toen kwam er een regen van kogels op het kasteel af. De Hollanders moesten zich zelfs achter de kanteelen verbergen, want de Duitschers ontzagen hen niet. Zij wierpen uit alle macht, en de ballen kwamen hard aan, als zij raakten.

“Hoera, zij worden bang!” riep Karel zijne mannen toe. “Allo, allo, beklimt de muren, en werpt den vijand naar beneden.”

ʼt Werd een geweldige bestorming. Van alle kanten schoten de vijanden toe, en behendig klauterden zij tegen de hoogte op.

Maar Jan zag het gevaar.

“Zij wagen eene bestorming, jongens! Geeft ze de volle laag!” riep hij. Zijn bevel werd uitgevoerd, en de Duitschers werden haast onder de sneeuw bedolven. Sommigen kregen oogen, mond en neus vol, zoodat zij hoestend en proestend het hazenpad moesten kiezen, en anderen kregen een flinken voorraad tusschen den kraag van hun jas, zoodat het water hun over den rug liep. Weldra was de storm met glans afgeslagen. De Duitschers trokken zich terug. De vaandrig liep zelfs wel wat erg hard voor ʼt mooi. Hij viel met vaandel en al voorover in eene greppel, tot groot vermaak van de Hollanders.

“Het Duitsche vaandel valt!” riepen zij lachend. “Dat is een goed voorteeken. Hoera! Leve de Koningin!”

“Kijk ze eens loopen!” riep Jan, wiens oogen schitterden van opgewondenheid. “Die storm is afgeslagen, jongens, en tot een tweeden zullen zij zoo spoedig wel niet overgaan.”

Dat was ook zoo. Er werd zelfs geen bal meer gegooid. Karel hield met zijn makkers krijgsraad, want het washem gebleken, dat het niet gemakkelijk zou gaan het fort te veroveren.

“Wat dunkt je, jongens,” zei hij, “als we met ons allen eens op één punt een zóó geweldig vuur openden, dat de kanteelen in puin vallen? Dan zijn de belegerden ongedekt en vinden nergens beschutting. Als we ze dan de volle laag geven, kunnen zij het onmogelijk uithouden.”

“Ja, ja, dat is goed. De kanteelen moeten we wegkogelen,” zei de vaandrig, “en dan wil ik wel eens zien, of ze ʼt volhouden.”

“Afgesproken!” zei Karel. “Hierheen, jongens, aan dezen kant hebben we de sneeuw maar voor ʼt grijpen. Zeg, weet je, wat we in ons voordeel hebben?”

“Wat dan?”

“Wel,—wij kunnen zooveel sneeuwballen maken, als we willen, maar hun voorraad raakt eenmaal uitgeput. En dan kunnen zij niets meer beginnen.”

“Dat is waar, ha ja, dat is waar!” lachten de Duitschers.

Op ʼt volgende oogenblik openden zij een zoo geweldig bombardement op de kanteelen, dat deze het werkelijk kwaad te verantwoorden kregen. Hier en daar begonnen zij al spoedig af te brokkelen en in te storten, tot groote vreugde van de vijanden, die soms even ophielden om hunne vingers in den mond te steken,—want die werden erg koud,—en dan maakten zij tevens van de gelegenheid gebruik, om een oorverdoovend gejuich aan te heffen. Onder ʼt sneeuwballen gunden zij zich daar den tijd niet toe.

Inderdaad kreeg de bezetting het kwaad te verantwoorden.

Maar Jan toonde zich iemand van groote veldheerstalenten. Hij zag niet alleen het gevaar, dat hem dreigde, maar hij doorzag ook de bedoeling van zijne vijanden.

“Jongens,” riep hij zijne soldaten toe, “als we dekanteelen niet behouden, zijn we verloren. Neemt de schoppen en werpt op elke bres een nieuwen muur op. Maar slaat de sneeuw stevig in elkander, zoodat de kogels er geen vat op hebben. Weest echter voorzichtig, want als je een bal tegen je gezicht krijgt, dan ben je—zuur!”

De soldaten lachten smakelijk om dezelaatsteuitdrukking, maar zij begrepen de bedoeling van hun aanvoerder toch zeer goed, en gingen dadelijk met ijver aan ʼt werk. Een deel van hen wierp de bressen dicht, en zij zorgden er voor, dat de sneeuw goed in elkaar geslagen werd, zoodat zij een harde koek vormde,—een ander deel maakte nieuwe sneeuwballen, waarvoor zij het fort als het ware onder hunne voeten moesten afbreken, en de rest bekogelde den vijand.

Al spoedig verstomde daar het gejuich, want ʼt was duidelijk, dat de pogingen om de gekanteelde muren te vernietigen, schipbreuk zouden lijden. Zoodra was het den Duitschers niet gelukt een bres in den muur te schieten, of op ʼt volgende oogenblik waren wel tien handen gereed om het gat weer te stoppen. De vijanden waren verder van de overwinning dan ooit, en zij werden er moedeloos onder. Hun ijver verflauwde, het bombardement werd minder hevig, en eindelijk trokken zij af om opnieuw krijgsraad te beleggen.

Wat de Hollanders juichten!

Zij zwaaiden met hunne mutsen, en riepen:

“Hoezee! Leve de Koningin! Hoezee!”

Zij waren echter wel blij, dat zij nu ook een poosje rust kregen, want de strijd was hevig geweest, en zij waren erg vermoeid.

“Ik kan haast niet meer,” zei Willem Kroeze.

“Ik ook niet,” zuchtte Jacob Boors. “En wat zijn mijne vingers koud. Ze tintelen!”

Hij kreeg haast tranen in de oogen van de pijn, die ze hem deden.

“Steek ze een poosje in je mond, en blaas dan hard. Dan worden ze wel weer warm,” zei Jan Trom. “Zeg jongens, wat hebben we ons goed gehouden, hè? Als we oppassen, krijgen zij ons fort nooit. Kijk ze ʼt eens druk hebben. Ze houden zeker weer krijgsraad.”

“Laat ze maar!” zei Tines Wobbe. “We zullen ze ontvangen, zooals het behoort. Weg met de Duitschers!”

“Weg met de Duitschers!” riepen ze allen, en weer zwaaiden ze met hunne hoofddeksels.

“En leve de Koningin!” juichte Jan Trom.

“Ja, ja, leve de Koningin!” riepen allen.

Na een paar minuten werd de krijg hervat. De vijanden waren tot het besluit gekomen, eene nieuwe bestorming te wagen. In gesloten rijen liepen zij op het fort toe, en opnieuw probeerden zij tegen den schuinen kant op te klauteren. Maar weer werden zij lang niet malsch ontvangen.

Een hagelbui van sneeuwballen begroette hen, en de verdedigers wierpen schoppen vol losse sneeuw over hunne hoofden uit.

Maar Karel wilde niet opnieuw wijken.

“Sterven of overwinnen!” riep hij zijne volgelingen toe, en hij klauterde moedig omhoog, zich niet storende aan de projectielen der belegerden.

Zijne soldaten, aangevuurd door zijn geestdrift, volgden hem met mannenmoed. Ha, daar had Karel den gekanteelden muur bereikt, en reeds richtte hij zich op om victorie te roepen, toen Jan plotseling op hem toesprong, en hem pardoes achterover naar beneden wierp.

“Weg met de Duitschers!” schreeuwde hij.

Karel was veel gauwer beneden, dan hij boven gekomen was. Eerst keek hij een oogenblik beteuterd rond, maar toenhij zag, dat zijne soldaten voet bij stuk hielden, bestormde hij de vesting opnieuw. ʼt Was een verwoede aanval, en de belegerden konden niet dan met de uiterste inspanning stand houden. Met ongebreidelde geestdrift drongen de Duitschers op hen in, maar de een na den ander werd van de borstwering afgeduwd en naar beneden geworpen. Daar werden zij haast onder de sneeuw bedolven, die hun bij schoppenvol nageworpen werd.

Eindelijk deinsden de Duitschers af. Zij waren opnieuw afgeslagen. Maar het fort verkeerde in een deerniswaardigen toestand, want om zich te verdedigen waren de Hollanders genoodzaakt geweest, zich den grond onder de voeten weg te spitten. De torens helden dientengevolge sterk over naar den binnenkant van het slot, en dreigden elk oogenblik in te storten. Ook de muren geleken wel bouwvallen. Maar nog wapperde de Hollandsche vlag fier van den hoofdtoren. Jan was daar trotsch op, en hij prees zijne soldaten om den betoonden moed.

“Maar mijne vingers vallen haast af van de kou!” zei Tines.

“Dat doet er niet toe!” riep Jan hem toe. “Zoolang de vlag nog van den toren wappert, is er niets verloren, al hadden wij geen van allen meer een vinger over! Leve de Koningin!”

“Leve de Koningin, en weg met de Duitschers!” schreeuwden zij om het hardst.

“Dat is niet om uit te staan!” riep Karel zijne soldaten toe. “Komt jongens, opnieuw aangevallen, en niet gerust, voordat het fort ons is!”

De vijanden bestormden den burcht opnieuw, en de aanval was zoo mogelijk nog verwoeder dan de vorige.

“Nu of nooit!” schreeuwde Karel, die zich op en top krijgsman voelde.

“Sterven of overwinnen!” antwoordde Jan Trom, en de jongens vochten van weerskanten als leeuwen.

Eindelijk gelukte het Karel ten tweeden male op het fort te komen, vlak bij den hoofdtoren. Maar Jan en zijne soldaten wierpen zooveel sneeuw tegen zijn hoofd en schouders, dat hij zijn evenwicht verloor en tegen den toren viel. Deze was echter al zoo bouwvallig, dat hij den schok niet meer kon weerstaan en instortte. De vlag der Hollanders verdween van hare hooge standplaats.

“De toren stort in!” riep Willem Kroeze.

“De vlag duikt!” schreeuwden de Duitschers.

“Hoera! Hoera!”

Karel lag te spartelen onder de sneeuw in het fort, want de toren had hem half bedolven. De Hollanders sprongen op hem aan en grepen hem.

“Een gevangene! Een gevangene!” juichten zij. “De bevelhebber is gevangen! Weg met de Duitschers! Leve de Koningin!”

De Duitschers, ontsteld door het gevangennemen van hun Commandant, deinsden af, maar spoedig kwamen zij terug met het stellige voornemen, hun hoofdman te verlossen.

Het kasteel was nu een puinhoop geworden. De torens waren ingestort, en van de gekanteelde muren was geen spoor meer overgebleven. De belegerden waren thans geheel ongedekt aan het vuur der vijanden blootgesteld, en het maken van nieuwe sneeuwballen, of zooals zij zeiden het gieten van nieuwe kogels was hun zoo goed als onmogelijk geworden, omdat de sneeuw, waarop zij stonden, door de soldaten als het ware tot een harden koek was vastgestampt. Met hunne schoppen moesten zij de sneeuw omspitten om kogels te kunnen gieten.

En toen kwam een nieuwe storm. De vijanden klauterden als katten tegen den muur op, en de belegerden haddengeen middelen meer om hen te keeren. Zij vochten nog wel als leeuwen en wierpen menigen Duitscher naar beneden, maar tevergeefs. Het fort was verloren. Voor en na verschenen de vijanden op de hoogte, en eindelijk moest Jan zich overgeven.

“Hoera! Hoera!” riepen Karel en zijn mannen. “Het kasteel is ons! Leve de Keizer!”

De Hollandsche vlag, waarvan de stok gewoon in de sneeuw gestoken was, daar de torens totaal verdwenen waren, werd omvergeworpen, en de vijandelijke vlag kwam er voor in de plaats.

“Leve de Keizer!” juichten de Duitschers, en zij zwaaiden met hunne mutsen.

“Goed, goed!” zei Jan. “Maar wat heb je nu? Wat is er van het kasteel overgeschoten? Een puinhoop, meer niet. Veel pleizier er mede.”

“Ja, ja, dat is waar!” zei Karel. “Jelui hebt je kolossaal goed gehouden, dat moet ik zeggen.—Hè, hè, jongens, dat was een mooi spelletje!—ʼt Is nu tijd om naar huis te gaan. Doen we het morgen weer?”

“Ja, ja!” werd er van alle kanten geroepen. “Dat is afgesproken.”

Zingende verlieten vriend en vijand het marktplein, om naar huis te gaan. Zij hadden heerlijk gespeeld en dachten er nog lang daarna met pleizier aan. Zij waren vast besloten, den volgenden dag een nieuw kasteel te bouwen en den strijd te hervatten.

Maar den volgenden morgen merkten zij al dadelijk, dat het niet kon. ʼt Had namelijk dien nacht verbazend hard gevroren, en ʼt was daardoor onmogelijk geworden sneeuwballen te maken. De sneeuw wilde niet pakken. Zij vonden dat wel erg jammer, maar daarentegen verheugden zij er zich weer in, dat het zoo hard gevroren had, enzij hoopten, dat het ijs spoedig sterk zou worden. De twee kanalen, die in het hart van het dorp elkander kruisten, lagen al dicht. De jongens wierpen er steentjes op, om te zien, of zij er doorheen konden gooien, maar dat konden zij niet. Alleen klinkers gingen er ongeveer voor de helft doorheen.

Zij vermaakten zich nu met glijbanen te maken en daar in lange risten overheen te glijden. De grond werd hier en daar spiegelglad. Opeens bedachten zij, dat het nu prachtig zou glijden langs de helling buiten het dorp, bij het fort, waar Jan met zijn automobile den veldwachter bij ongeluk van de been gereden had. En nauwelijks hadden zij dat bedacht, of zij snelden er heen. Ha ja, ze hadden zich niet bedrogen. De helling was er prachtig voor geschikt, en er lag dik sneeuw. Spoedig was het er zoo glad, dat men er haast niet op de beenen kon blijven staan, en als de jongens eenmaal op de helling waren, mòèsten zij verder, of zij wilden of niet. Zij vonden het meer dan verrukkelijk, en wisten van geen ophouden. ʼt Was een koddig gezicht, als een van hen het ongeluk had te vallen. Dan buitelden allen, die achter hem kwamen aanglijden, hals over kop over hem heen, en werd het een levende berg van jongens.

Menigeen riep dan au, au! en sommigen kwamen erg in de verdrukking, maar daarom werd niet getreurd. Een volgend oogenblik gleed de geheele rij weer met statie verder, en ʼt ging vliegensvlug.

ʼt Was al laat, eer de jongens thuiskwamen, en voordat zij de deur instapten, wierpen zij eerst nog een blik op het hemelgewelf om te zien, of de lucht naar vorst stond. En dat deed ze gelukkig. De sterretjes fonkelden aan den hemel, en er was geen wolkje aan te zien.

Dien nacht vroor het kolossaal! Toen Jan ʼs morgenszijn neus buiten de bedgordijnen stak, zag hij al dadelijk, dat de bloemen dik op de ruiten stonden.

“De pomp is bevroren!” riep zijn vader van uit de keuken. “Jongen, jongen, wat een vorst. ʼt Is buitengewoon! Zeg Jan, nog één nachtje zoo, en we kunnen schaatsenrijden. Dan is het kanaal sterk genoeg. Maar vandaag nog voorzichtig wezen, hoor, ʼt kan nog niet vertrouwd zijn.”

“Ja Vader,” zei Jan.

Hij was van nature geen waaghals. Niet, dat hij bang was, in het geheel niet, maar hij vond het dwaasheid zijn leven roekeloos in gevaar te stellen. Toch waren er wel jongens, die zich al op het kanaal waagden. Voorzichtig, voetje voor voetje, liepen zij het ijs op, dat door een sterk gekraak waarschuwde om terug te gaan. De waaghalzen hoorden het wel, en als het heel erg kraakte, bleven zij even stilstaan, maar spoedig gingen zij weer verder. Tines Wobbe bereikte zelfs de overzijde van het kanaal, waar hij niet weinig trotsch op was.

ʼs Middags na schooltijd liep Jan met zijn vriend Karel van Dril het dorp in, en kwam bij de drie bruggen. Zij zagen, dat het water daar nog open lag. Dat was bijna altoos zoo in den winter. Alleen als het lang bleef vriezen, werd het daar ook sterk genoeg, om er over te loopen. Zij stonden er een poosje naar te kijken, toen plotseling hunne aandacht werd getrokken door Frans Thor, die een vuilen hond vervolgde. Hij wierp het beest met steenen. ʼt Was een broodmager beest, dat er vreeselijk vervuild uitzag. De jongens herkenden dadelijk Fik in hem, den hond van den orgeldraaier Klaas Touw.

“Houdt hem! Houdt hem!” riep Frans hun toe.

“Een heldendaad van Frans,” zei Jan tot Karel. “Hij kan geen hond met rust laten.”

“Houdt hem! Houdt hem!” riep Frans nog eens.

De hond was nu op het midden van de brug. Jan en Karel deden, of zij Frans niet hoorden. Maar juist kwam Klaas Zwart van den anderen kant de brug op.

“Houd hem, Klaas!” riep Frans zijn vriend toe. “Jaag hem op!”

“Ja,—ja!” was het antwoord. En met zijn armen zwaaiende en onder een luid geschreeuw joeg hij het verhongerde beest terug.

Spoedig kwam Fik nu Frans weer tegen, en deze joeg hem ook terug. De dierenkwellers hadden braaf schik in den angst van den hond, die, naarmate de jongens elkander naderden, meer in het nauw gedreven werd. Eindelijk wist het arme dier geen raad meer, en toen het probeerde om langs de beenen van Frans te ontsnappen, op gevaar af een schop van dien jongen te krijgen, gaf deze hem een duw, waardoor hij van de brug af in het water viel.

Wat hadden Frans en Klaas een pret. En hoe vermaakten zij zich met de wanhopige pogingen van het dier om zich te redden.

De lantaarnopsteker, die op zijn laddertje stond, om de lantaren schoon te maken en de peer van de lamp te vullen, was er verontwaardigd over, en hij riep de jongens toe, dat zij zich schamen moesten. Hij klom naar beneden en zag, hoe het beest tevergeefs poogde zich te redden.

“ʼt Is meer dan schandelijk!” riep de man nog eens. “ʼt Beest is onherroepelijk verloren. Wie zal het wagen, het te redden? Wie het doet, loopt groot gevaar om zelf te verdrinken. Zulke dierenbeulen!”

Ook Jan en Karel zagen met smart de pogingen van den armen hond, om zich te redden, ʼt Was duidelijk, dat het beest verdrinken moest. Eene hevige verontwaardiging maakte zich van Jan meester, en ook Karel vond het eene schandelijke daad.

Fik zwom in het breede wak rond, nu hier, dan daar pogingen doende, om op het ijs te klimmen. Maar dit was te glad. Telkens gleden zijn pootjes uit en zakte hij in het water terug.

Jan kon het niet langer aanzien.

“Mag ik dat laddertje gebruiken?” vroeg hij aan den lantaarnopsteker. Zonder antwoord af te wachten, lichtte hij de haken los, waarmede het aan den paal bevestigd was, en liep er mede naar den kanaalkant.

“Niet doen, Jan, niet doen!” riep Karel hem toe.

Maar Jan antwoordde niet.

“Dàn zal ik je helpen!” hernam Karel, en hij voegde zich bij zijn vriend. Maar deze stond al op het ijs.

“Blijf daar, Karel, ik ben lichter,” zei Jan kortaf.

Hij schoof het laddertje voor zich uit en naderde behoedzaam het wak. Al was Jan nòg zoo mager, en al woog zijn lichaampje nòg zoo licht, toch liet het ijs, dat bij de brug erg dun was, een dreigend gekraak hooren. Jan liet er zich echter niet door weerhouden. Bedaard ging hij verder, half steunende op het laddertje, dat hij met kleine stootjes voortduwde.

“Fik! Fik!” riep hij den hond toe.

Het beest zag hem komen. Met verkleumde pooten zwom het in het ijskoude water. Het jankte van vreugde.... Bijna kon het zich niet meer bewegen. Het uiterste einde van het laddertje had het begin van het wak bereikt.

Vele menschen verzamelden zich langs de brugleuning, en met angstige spanning volgden zij de bewegingen van den knaap. Ook Janʼs vader was op de brug. Zijne oogen waren geen seconde van zijn dapperen jongen af. Ha, hoe verheugde hij zich over deze kranige daad van zijn kind. Hij was trotsch op hem!

Jan keek op noch om. Al zijne gedachten waren op éénpunt gericht, namelijk, dat het zijn plicht was den armen hond te redden. Op handen en knieën kroop hij behoedzaam verder.

Het ijs boog door. Er kwam water op. De ladder werd nat. Maar Jan keerde niet terug. Hij zag, dat de hond op ʼt punt was van verdrinken.

Nog een sport,—daarna nog een....

Hij legde zich lang-uit op de ladder. Zijne kleêren werden nat. Toen strekte hij den arm uit, en met een krachtigen greep trok hij den hond uit het wak. Verkleumd bleef het dier liggen.

Jan durfde zich niet omkeeren. Hij wist bijna zeker, dat het ijs dan breken zou. Zoo voorzichtig mogelijk kroop hij achteruit, langzaam—langzaam verder. Den hond trok hij meê.

Eindelijk had hij het achtereinde van het laddertje bereikt en moest hij op het ijs stappen. Maar daar was het niet zoo erg zwak meer. De hond kwam eenigszins tot zichzelven. Bevend op zijne pooten liep het dier naar den walkant. Daar hielp Karel het omhoog, tegen den walkant op. Eindelijk had ook Jan den oever bereikt....

En op ʼt zelfde oogenblik klonk een daverend handgeklap hem in de ooren. De menschen, die gezien hadden, welk heldenstuk hij had verricht, verbraken de stilte en juichten hem toe. Jan kreeg er een kleur van. En zijn vader drong door het volk heen en drukte hem in zijn armen. Hij had er zoowaar tranen van in de oogen.

“Ben je erg nat?” vroeg Dik.

“Haast niet, Vader,” zei Jan. “Ik ga met Karel den hond even thuisbrengen, want hij kan bijna niet loopen.”

“Goed, goed,” zei Dik, “maar dan direct droog goed aantrekken.”

Jan en Karel vertrokken met den verkleumden hond,en de menschen vervolgden hun weg. Met lof werd over Jan gesproken. Iedereen had er den mond vol van. Maar de dierenbeulen Frans en Klaas waren stilletjes afgedropen.

Het huisje van Klaas Touw, den orgeldraaier, stond een weinigje achteraf, aan een achterweg. De jongens hadden het spoedig bereikt. Zij deden de deur van het armoedig hutje open en traden binnen.

Mietje zat bij de tafel. Zij zag er bleek en mager uit, en hare oogen keken de jongens droevig aan. De bedsteêdeuren aan den achterkant van het kamertje stonden open, en de jongens zagen, dat Klaas Touw te bed lag. Hij was ziek.

“Hier is uw hond, Mietje,” zei Jan, die den hond in de kamer liet loopen. “We hebben hem uit het water gehaald. Hij lag in het wak bij de brug.”

“Neen,wijniet, maar Jan heeft hem er uitgehaald,” zei Karel, die zijn vriend om diens heldendaad bewonderde. “Met levensgevaar heeft hij hem gered.”

“Zoo,—arme Fik,” zei Mietje. “Was hij maar verdronken.”

“Waarom?” vroegen de jongens als uit één mond. Zij waren niet weinig verwonderd over die woorden.

“Waarom? Wel, dan was hij meteen uit zijn lijden. Klaas is ziek, en hij zal wel zoo gauw niet beter wezen, zegt de dokter. We hebben zelf niet eens te eten, hoe zal ik dan voor den hond zorgen?”

De jongens keken de vrouw zwijgend aan. En hun blik dwaalde door het armoedige vertrek en naar het bed van den zieke. Zij zagen ook, dat er geen vuur was in de oude kachel, en dat de bloemen dik op de ruiten stonden.

“En uw orgel dan?” vroeg Jan na een poosje.

“Dat is weggehaald, omdat wij de huur ervan niet betalen konden,” zei Mietje, en zij kreeg de oogen vol tranen. “Wij lijden armoê, jongens, erger dan ik het zeggen kan.”

De jongens wisten niet veel te zeggen, maar zij kregen diep medelijden met die arme menschen.

“Weet je wat, Mietje,” zei Jan. “Morgen is het ijs wel sterk. Ga dan met een tentje op het ijs staan, om melk en koek te verkoopen.”

Vrouw Touw lachte droevig.

“Hoe moet ik aan melk komen?” zei ze met een zucht. “En aan chocolade en suiker en koek? Wie zal mij dat alles borgen?”

“Mijn vader wel,” zei Jan beslist. “Ik ga het hem vragen. Ga je mee, Karel?”

De jongens liepen op een drafje naar huis. En toen Jan verteld had, hoe het met den orgeldraaier en diens vrouw gesteld was, zei Dik:

“Zeker wil ik helpen, jongen! Ga maar aan Mietje zeggen, dat ik haar alles wil voorschieten, wat zij noodig heeft.”

“Hoera!” riep Jan. “Wat is u toch goed, Vader. En mogen ze een paar oude stoelen hebben, en wat palen en een paar banken?”

“Ja,” zei Dik lachend, want het verheugde hem, dat Jan en Karel zich zoo druk maakten om een paar arme menschen te helpen, die in nood verkeerden. “Maar weet je, wat in de eerste plaats noodig is? De stakkers hebben niets in huis, zelfs geen brandstof om de kachel te stoken. Span je bok voor den wagen, en breng er dadelijk flink wat turven naar toe. Ik zal dan meteen een en ander uit den winkel inpakken, zoodat ze van avond wat te eten hebben ook.”

“Ja, ja,—ik met den bokkenwagen, en Karel met de automobiel! Dat zal leuk wezen.”

ʼt Was intusschen al donker geworden, en de sterretjes begonnen al weder aan het hemelgewelf te flonkeren.

Jan en Karel hadden het druk, want zij maakten van Dikʼs mildheid een ruim gebruik. De automobile werd volgestapeld met turven en kachelblokjes, en in het bakje van den bokkenwagen kwamen verscheidene zakjes met levensmiddelen. Dik wist wel, wat het meest noodig was.

Toen de jongens wegreden, keken Dik en Anneke hen lachend na, en Dik herinnerde zich op dat oogenblik weer levendig, hoe hij zich als kind op een donkeren avond geheel alleen op weg begeven had, om aan de heks op den achterweg, die ook in nood verkeerde, levensmiddelen te brengen. En hij voelde zich gelukkig, dat hij zulk een goed kind had.

In het hutje van de twee arme menschen heerschte dien avond groote blijdschap. Jan en Karel werden hartelijk door den orgeldraaier en diens vrouw bedankt.

“Morgen zullen we een tent voor u bouwen, Mietje,” zei Jan. “En Vader wil u al het noodige voorschieten, om alles te kunnen inslaan. Wacht maar, u zal eens zien, hoe ʼn mooie tent wij zullen maken.”

De jongens keerden naar huis terug. De bok liep met opgetrokken pooten, want hij vond de bevroren sneeuw erg koud, en hij was er slecht over gestemd, dat hij zijn warm plaatsje bij den hit had moeten verlaten. Karel draaide lustig aan het wiel van de automobile. “Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf klonk het achter den bokkenwagen. De beide lantarens gaven een helder licht, en de jongens vonden het een prettig tochtje. Zij spraken af, den volgenden morgen vroeg op te staan en dan ijverig te gaan bouwen aan de tent. Met een prettig gevoel in hun borst keerden zij in huis terug. Zij voelden zich tevreden en gelukkig.


Back to IndexNext