Derde hoofdstuk.

Ter wille van de billijkheid wordt het tijd om te verklaren, dat onze jonge ingenieur niet in Grikwaland gekomen was om zijn tijd in die atmosfeer van schraapzucht, van dronkenschap en tabakslucht door te brengen. Neen, hij had in opdracht om topographische en geologische opnemingen van sommige gedeelten van die landstreek te bewerkstelligen, om monsters van rotssteenen en van diamanthoudende lagen te verzamelen, en om ter plaatse zorgvuldige analyses uit te voeren. Zijne eerste zorg moest dan ook zijn om zich een stille woning te verschaffen, waarin hij zijn laboratorium kon onder dak brengen en die als het uitgangspunt van zijn verkenningstochten door het geheele mijndistrict moest aangemerkt worden.

De heuvel of het bergje waarop de pachthoeve van Watkins gelegen was, trok weldra zijne aandacht tot zich als eene standplaats, die als buitengewoon gunstig voor zijne werkzaamheden beschouwd kon worden. Zij was ver genoeg van het mijnwerkerskamp verwijderd, om slechts weinig van de luidruchtigheid van die nabuurschap te lijden te hebben. Cyprianus was daar ongeveer op een uur afstand van de meest verwijderde Kopjes—want het geheele diamantdistrict meet ter nauwernood een omtrek van tien of twaalf kilometers. Hij kwam er dus toe om een der huizen, door John Watkins verlaten, te kiezen, daarvan de huur te bepalen, en er in te trekken, hetgeenalles bij elkander geteld hem ter nauwernood een halven dag ontroofde. Overigens toonde de Engelschman zich niet schraapzuchtig bij de verhuur; want eigenlijk verveelde hij zich zeer in zijne eenzaamheid, en hij zag met genoegen dat de jonkman zich in zijne nabijheid kwam vestigen, overtuigd als hij was, dat hij van hem wel eenige verstrooiing verwachten kon.

Maar als Mr. Watkins er op gerekend had, in zijn huurder een tafelmakker of een partner bij zijn bestormingsplannen ten opzichte van zijne ginkruik te vinden, dan had hij toch buiten den waard gerekend. Nauwelijks had Cyprianus zijn laboratorium met zijn kolven, zijne haardvuren en zijne reaktiven in orde gebracht in het huis dat hij gehuurd had—en zelfs nog voordat de voornaamste bestanddeelen van zijn laboratorium aangekomen waren—of hij had reeds een begin met zijne geologische omzwervingen in het mijndistrict gemaakt. Wanneer hij dan ook des avonds, doodmoe en zijn zinken doos, zijne jachttasch, zijne zakken en zijn hoed zelfs met rotsblokken gevuld te huis kwam, dan had hij meer lust om zijn bed op te zoeken en in den slaap herstel van krachten te zoeken, dan de oudbakken praatjes en vertellingen van Mr. Watkins te gaan aanhooren. Daarenboven, hij rookte weinig en dronk nog minder, zoodat hij eigenlijk het ideaal van den vroolijken makker, dien zich de pachter gedroomd had, niet verwezenlijkte.

Toch was Cyprianus zoo loyaal en zoo goedhartig, zoo eenvoudig van manieren en van gevoelen, zoo geleerd en evenwel zoo bescheiden en zedig, dat het onmogelijk was, wanneer men voortdurend met hem in aanraking kwam, zich niet aan hem te hechten. Mr. Watkins—misschien deed hij het geheel onbewust—koesterde dan ook meer eerbied voor den jeugdigen ingenieur, dan hij ooit iemand bewezen had. Als die jongen slechts een fatsoenlijk slokje had kunnen drinken! Maar wat toch aan te vangen met iemand die den kleinsten droppel gin niet in het keelgat verdragen kon? Zoo eindigden regelmatig de oordeelvellingen, die de pachter over zijn huurder uitbracht.

Wat miss Watkins betreft, deze had zich dadelijk met den jeugdigen geleerde op den voet eener goede en vrije kameraadschap geplaatst. Zij trof in hem eene geestesmeerderheid aan, die zij in hare gewone omgeving te vergeefs zocht, en zij had dan ook de gelegenheid, die zich zoo onverwacht aangeboden had, met gretigheid waargenomen, om door eenige grondbeginselen der practische scheikunde de zeer degelijke en uiteenloopende opvoeding te voltooien, die zij vooral geput had uit de wetenschappelijke werken, welke zij bij voorkeur tot onderwerp van lectuur koos.

Het laboratorium van den jeugdigen ingenieur met zijne vreemdsoortige toestellen wekte verbazend hare belangstelling op. Zij wenschte vooral alles te weten wat op het wezen der diamanten betrekking had, op die kostbare steenen, die in de gesprekken en in den handel van het land eene zoo groote plaats innamen. En inderdaad, Alice had wel neiging om dat gesteente slechts als een leelijken keisteen te beschouwen. Cyprianus—dat begreep zij wel—deelde op dat punt geheel en al hare geringschatting. Die eensgezindheid van denkbeelden was niet vreemd gebleven aan de vriendschap, die tusschen de twee jonge lieden ontstaan was. Zij waren de eenigen in Grikwaland, dat kon veilig betuigd worden, die er niet aan geloofden, dat het eenige doeleinde van het menschelijk leven was of moest zijn: het zoeken, het kloven, het slijpen en het verkoopen van die kleine steentjes, die door de geheele wereld zoo zeer begeerd worden.

“Het diamant,” legde haar eens de jonge ingenieur uit, “is heel eenvoudig niets anders dan zuivere koolstof. Het is een stuk gekristaliseerde kool, niets anders. Men kan het verbranden evenals een gewone doove kool, en die eigenschap van verbrandbaarheid heeft voor de eerste maal den aard zijner vorming, zijner grondbestanddeelen doen gissen. Newton, die zooveel zaken waargenomen heeft, had opgemerkt dat de geslepen diamant het licht meer weerkaatst dan eenig ander doorschijnend lichaam. Daar hij nu wist dat die hoedanigheid den meesten brandbaren lichamen eigen is, zoo trok hij met zijne gewone stoutmoedigheid daaruit de gevolgtrekking, dat het diamant brandbaarmoestzijn. Er eene kort daaropgevolgde proefneming stelde hem geheel in het gelijk.”

“Maar, mijnheer Méré,” vroeg het jonge meisje, “als hetdiamantslechts kool is, waarom is het dan zoo duur?”

“Omdat het zeer zeldzaam is, mejuffrouw Alice,” antwoordde Cyprianus, “en omdat het nog maar in zeer kleine hoeveelheden in de natuur aangetroffen wordt. Gedurende langen tijd trok men het alleen uit Indië, uit Brazilië en uit het eiland Borneo. Gij moet het u ongetwijfeld nog herinneren, want gij waart toen zeven of acht jaren oud, het tijdstip waarop voor de eerste maal de tegenwoordigheid van diamant in dit gedeelte van Zuid-Afrika aangeduid werd.”

“Voorzeker herinner ik mij dat,” antwoordde miss Watkins. “Een ieder in Grikwaland gedroeg zich of hij gek was! Men zag slechts lieden, gewapend met schoppen en spaden, die al de terreinen nauwkeurig onderzochten, die den loop der beken afleidden en wijzigden, om hare beddingen na te pluizen, en die slechts over diamanten droomden en spraken! Hoe klein ik destijds ook was, mijnheer Méré, zoo verveelden die gesprekken mij toch somtijds. Maar gij zeidet straks, dat het diamant duur is, omdat het zeldzaam voorkomt.... Bestaat zijn waarde alleen in die zeldzaamheid?”

“Dat nu juist niet, miss Watkins. Zijne doorschijnendheid, zijn glans, wanneer hij doelmatig genoeg geslepen is om de lichtstralen te weerkaatsen, de verbazende moeilijkheid van dat slijpen en eindelijk zijne buitengewone hardheid zijn zoovele oorzaken, dat de diamant voor den geleerde een zeer belangwekkend lichaam oplevert, waarbij ik voeg, dat hij voor de nijverheid zeer veel nuttigs heeft. Gij weet zeker dat men hem alleen met zijn eigen stof kan polijsten, en het is die niet genoeg te waardeeren hardheid, die veroorlooft om hem sedert eenige jaren voor de doorboring van rotsen te bezigen. Zonder zijne hulp zou het bewerken van het glas en van andere zeer harde zelfstandigheid niet alleen zeer moeilijk zijn, maar ook het boren van tunnels, het openen van mijngalerijen, het vervaardigen van artesische putten zou meer moeilijkheden aanbieden.”

“O! nu begrijp ik het,” zei Alice, die plotseling een soort achting in zich voelde opwellen voor die arme diamanten, die zij tot heden zoozeer versmaad had. “Maar, mijnheer Méré, wat is die koolstof toch waaruit het diamant in kristalvorm bestaat? Ik druk mij immers goed uit, niet waar? Waaruit bestaat zij?”

“Dat is een enkelvoudig, niet samengesteld lichaam, tot de metaalloïden of niet metalen behoorende, hetwelk het meest verbreid in de natuur voorkomt,” antwoordde Cyprianus. “Alle organisch samengestelde lichamen, zonder eenige uitzondering, als het hout, het vleesch, het brood, het gras, bevatten het in groote en belangrijke hoeveelheid. Zij zijn zelfs aan de aanwezigheid der koolstof in hare bestanddeelen, den graad van verwantschap verschuldigd, dien men onder hen opmerkt.”

“Wat vreemde overeenkomst!” zei miss Watkins. “Zoodat die struiken daarginds, en het gras van dat weiland, en de boom, die ons met zijne schaduw beschut, en het vleesch van mijn struisvogel Dada, en ik zelf, en gij ook, mijnheer Méré, allen gedeeltelijk van koolstof vervaardigd zijn, evenals de diamanten? Alles is dus maar kool in deze wereld?”

“Zeker, juffrouw Alice! Men had daarvan reeds sedert lang een voorgevoel; maar de hedendaagsche wetenschap heeft de strekking, dat al meer en meer en ook afdoend aan te toonen. Of, om duidelijker te spreken, zij heeft de strekking om het getal enkelvoudige lichamen al minder te doen worden; en toch werd dat getal vroeger als onwrikbaar vastgesteld beschouwd. De spectroscopische waarnemingen hebben in den laatsten tijd dienaangaande een nieuw licht over de scheikunde doen opgaan. Zoo kan het wel zijn, dat de twee en zestig lichamen, die als enkelvoudige of niet samengestelde gerangschikt waren, slechts eene enkele atomische zelfstandigheid—de waterstof wellicht—bestaan, die op verschillende elektrische, dynamische en warmtegevende wijzen bewerktuigd zijn.”

“O! gij jaagt mij angst aan, mijnheer Méré, met al die groote woorden,” riep Miss Watkins uit. “Spreek mij maar liever over koolstof: Zoudt gij, heeren deskundigen, die stof ook niet kunnen kristalliseeren, zooals gij met de zwaveldoet en waarvan gij mij onlangs zulke fraaie aangeschoten naalden hebt laten zien? Dat zou oneindig gemakkelijker zijn, dan daar gaten in den grond te gaan graven om er diamanten te zoeken!”

“Men heeft dikwijls trachten te verwezenlijken, wat gij daar zegt,” antwoordde Cyprianus. “Ja, men heeft dikwerf getracht om langs kunstmatigen weg diamant te vervaardigen, en dat wel door zuivere koolstof te kristalliseeren. Ik ben verplicht er bij te voegen, dat men zelfs in zekere mate geslaagd is, Despretz heeft in 1853, en nu nog kort geleden in Engeland een ander geleerde, diamantstof verkregen, door cilinders van koolstof, die van iedere mineralische stof gezuiverd en van kandijsuiker vervaardigd waren, aan een zeer sterken elektrischen stroom in het luchtledige te onderwerpen. Maar tot heden heeft dat succes hoegenaamd geene handelswaarde, hoewel het zeer waarschijnlijk is, dat dit nu slechts meer een quaestie van tijd zal zijn. Den eenen of anderen dag zal de vervaardiging van diamant gevonden worden, en wie weet, miss Watkins, of die vinding op het oogenblik dat wij er over spreken, niet reeds geschied is!”

Zoo koutten zij, terwijl zij op het met zand bestrooide plein, hetwelk zich langs de pachthoeve uitstrekte, heen en weer wandelden, of als zij des avonds onder de lichte veranda gezeten waren en naar het glinsteren van den zuidelijken sterrenhemel keken.

Dan verliet Alice gewoonlijk den jeugdigen ingenieur, om naar de hoeve terug te keeren, tenzij zij hem meenam om hare kleine kudde struisvogels te zien, die in eene kleine omsloten ruimte bewaakt werden, welke aan den voet van den heuvel gelegen was, waarop de woning van John Watkins was gebouwd. De kleine witte kop dezer dieren, die zich op een zwartachtig lichaam verhief, hunne dikke stijve pooten, de bossen geelachtige veeren, die hun lichaam ter zijde en op de vleugels en aan den staart versieren, dat alles boezemde het jonge meisje belang in, waardoor zij er dan ook sedert een of twee jaren toe gekomen was, om eene geheele kudde van die reusachtige steltloopers op te voeden.

Gewoonlijk gaat men er niet toe over, deze vogels tot huisdieren te vervormen. De pachters aan de Kaap laten hen eer in een zekeren wilden staat voortleven. Zij vergenoegen zich om hen in een omheining van een buitengewoon grooten omvang af te sluiten, die door hooge schuttingen van ijzerdraad gevormd wordt, nagenoeg gelijk aan die welke in sommige landen langs de spoorwegen aangetroffen worden. De struisvogels, die weinig geschikt zijn om te kunnen vliegen, kunnen daar niet over heen. Daarin leven zij het geheele jaar door in een gevangenschap, die zij zelfs niet vermoeden, voeden zich met hetgeen zij vinden, en zoeken afgelegen hoekjes uit om hunne eieren, die door zeer strenge wetten tegen diefstal beschermd worden, te leggen. Tegen den ruitijd evenwel, wanneer het er op aan komt om de mooie veeren machtig te worden, die door de dames in Europa zoo gezocht zijn, dan jagen de drijvers de struisvogels in eene reeks van afgesloten perken, die al nauwer en nauwer worden, totdat het gemakkelijk is hen te vatten, als wanneer hun vederentooi hun ontrukt wordt.

Die tak van nijverheid heeft sedert de laatste jaren in de omstreken van de Kaap eene buitengewone vlucht genomen, en het is waarachtig te verwonderen, dat die ter nauwernood in Algiers is ingevoerd, waar er niet minder goede resultaten van verwacht konden worden. Iedere struisvogel, die zoo in gevangenschap leeft, brengt zijn bezitter een jaarlijksch inkomen op, dat tusschen twee en drie honderd francs mag geraamd worden, en dat zonder eenige kosten hoegenaamd te veroorzaken. Om dit den lezer goed te doen begrijpen, dienen wij mede te deelen, dat een groote veer, wanneer zij van goede kwaliteit is, voor zestig en zelfs voor tachtig francs, de gewone handelsprijs, verkocht wordt, alsook dat de middelsoort veeren en de kleine ook eene vrij groote waarde vertegenwoordigen.

Miss Watkins onderhield slechts voor haar vermaak een twaalftal van die groote dieren! Zij schepte er genoegen in, hen hunne groote eieren te zien uitbroeden, en vond het een verrukkelijk gezicht, wanneer zij met hare kuikens haar voeder kwam nuttigen, evenals gewone kippen of kalkoenen zouden gedaan hebben. Cyprianus begeleiddehet jonge meisje soms daarbij, en schepte er zelfs genoegen in om een der fraaiste van den troep, een zekeren struisvogel met zwarten kop en gulden oogen, te streelen, juist den zoo gevierden Dada, die den ivoren maasbal opgeslikt had, waarvan Alice zich bij het kousenstoppen gewoonlijk bediende.

Cyprianus voelde allengs een dieper en teederder gevoel ten opzichte van dat jonge meisje zijn hart binnensluipen.Hij overreedde zich, dat hij nimmer eene gezellin zou vinden, aan wier hand hij het leven wenschte te doorwandelen, dat leven van arbeid en overdenkingen, hetwelk hij leidde, die zoo eenvoudig van harte was, die levendiger van begrip, daarbij even zacht, beminnenswaardig en volmaakt zoude zijn als zij. En werkelijk, daar miss Watkins hare moeder reeds op jeugdigen leeftijd verloren had, was zij verplicht geweest reeds vroegtijdig de zorgen in het vaderlijke huis voor hare rekening te nemen, waardoor zij tot een degelijke huisvrouw, zoowel, als tot eene vrouw, die zich in de wereld beschaafd voordeed, gevormd werd. Het was zelfs juist dat mengsel van volmaakte voornaamheid en van ongekunstelde eenvoudigheid, hetwelk haar zooveel bekoorlijkheid bijzette. Zonder dat haar de dwaze vooroordeelen en pretenties van zooveel bevallige bewoonsters van de Europeesche steden aankleefden, zag ze er volstrekt niet tegen op hare blanke handjes te gebruiken om een puddingdeeg te kneeden, ook niet om een oog op het gereed maken van het middagmaal te houden, en nog minder om na te gaan of het linnen in het huisgezin in goeden staat was. En dat alles belette haar niet om de fraaiste sonaten van Beethoven even goed, zoo niet beter dan eenige andere ten gehoore te brengen, om twee of meer talen zoo zuiver mogelijk te spreken om de lectuur hartstochtelijk lief te hebben, om de meesterstukken van iedere soort letterkunde te kunnen apprecieeren, en eindelijk om heel veel succes te genieten in de kleine vereenigingen, die bij de rijke pachters van het district gehouden werden.

Niet dat de bekoorlijke en welopgevoede vrouwen schaarsch zouden geweest zijn in die vereenigingen. In Transvaal zoowel als in Amerika, als in Australië en als in die jeugdige landen, waar de materieele arbeidskrachten bij het invoeren eener ontluikende beschaving der mannen uitsluitend deel is, daar is degeestesontwikkelingnog meer dan in Europa het uitsluitend deel der vrouw. Daar zijn zij dan ook meestal meer ontwikkeld dan hare echtgenooten of zonen, wat algemeene opvoeding en kunstzin aangaat. Bijna alle reizigers hebben niet zonder groote verwondering bij menige echtgenoote van een Australische mijnwerker of van een squatter in het Far-West een muzikaal talent van de eerste orde aangetroffen, soms gepaard aan de degelijkste litterarische of wetenschappelijke kennis. De dochter van den voddenrapper te Omaha of van een spekslager in Melbourne zou bij de gedachte blozen, dat zij in opvoeding, onderricht, goede manieren en verdere volmaaktheden beneden eene vorstin van het oude Europa zoude kunnen staan. In den Oranje-Vrijstaat, waar de opvoeding der meisjes reeds sedert lang aan die der jongens gelijk is, maar waar deze laatsten de schoolbanken veel vroeger ontvlieden, is dat contrast tusschen de beide geslachten meer waar te nemen dan ergens anders. De man is daar in het huishouden de broodwinner. Hij behoudt daarbij de hem aangeboren ruwheid, en verkrijgt die, welke hem door zijn arbeid in de open lucht, en door een geheel leven vol moeiten en gevaren medegedeeld worden. De vrouw integendeel aanvaardt dan, behalve hare huiselijke plichten, ook de beoefening der kunsten en der letteren, die door haren echtgenoot veronachtzaamd of verwaarloosd worden.

En zoo gebeurt het, dat eene wezenlijke bloem van schoonheid, van voornaamheid en bekoorlijkheid op de grenzen der woestijn bloeit. En zoo was het ook hier het geval met de dochter van den pachter John Watkins.

Cyprianus had dat alles overwogen en, daar hij recht op het doel afging, zoo had hij geen oogenblik geaarzeld, om zijn aanzoek te doen.

Helaas, zijn schoone droom was thans geëindigd. Hij zag thans voor de eerste maal den bijna onoverkomelijken afgrond, die hem van Alice scheidde. Hij kwam dan ook na dat onderhoud met een benepen hart te huis. Hij was evenwel de man niet, om zich aan een ijdele wanhoop over te geven. Hij was beslotente strijden, te strijden op dat terrein, terwijl hij in den arbeid weldra een zekere afleiding voor zijne smart vond.

De jeugdige ingenieur eindigde, nadat hij aan zijne kleine schrijftafel plaats genomen had, met een loopend en fijn schrift, den langen en vertrouwelijken brief, dien hij des morgens begonnen was en die geadresseerd was aan zijn hooggeachten onderwijzer, den heer M.J. .... lid van de Akademie van Wetenschappen en professor aan de Mijnschool.

“.... Wat ik niet heb moge neerschrijven in mijne officiëele memorie,” schreef hij, “omdat het voor mij nog slechts eene hypothese vormt, is het denkbeeld, dat ik wel geneigd ben aan te nemen na de veelvuldige geologische waarnemingen, die ik gedaan heb op het terrein, omtrent de ware wijze van ontstaan van den diamant. Noch de hypothese, die hem een vulkanischen oorsprong verleent, noch die, welke zijne verschijning in de tegenwoordige lagen, waarin hij aangetroffen wordt, aan ontzettende omkeeringen in de natuur toeschrijft, kunnen mij evenmin als u, waarde leermeester, voldoen. Ik heb voor u de beweegredenen niet op te sommen, die mij hun doen miskennen. De vorming van den diamant op de plaats door de werking van het vuur, is ook eene te nevelachtige opvatting, die mij evenmin voldoet. Welken aard zou dat vuur gehad hebben, en hoe komt het dat het vuur de kalkgesteenten van allerhande soorten, die in de diamanten legeringen aangetroffen worden, niet gewijzigd heeft? Die stelling komt mij eenvoudig kinderachtig voor, geheel en al als de evenknie van de leer der dwarrelwinden of van die der gehaakte atomen.

“De eenige uitlegging, die mij zou kunnen voldoen, zoo niet geheel dan toch binnen zekere grenzen, is die van den aanvoer door waterkracht van de bestanddeelen der oorspronkelijke kiem, en van hare latere kristalvorming op de plaats. Ik ben zeer getroffen door het bijzondere, bijna gelijkvormige profiel van de verschillende legeringen, die ik in oogenschouw genomen en met de meeste zorg gemeten heb. Allen vertoonen min of meer den vorm van een soort beker of een soort kopvormige schaal of nog eerder, wanneer rekening gehouden wordt met de korst die ze omgeeft, van eene jagerflesch, die op haren kant zoude liggen. Het is als een ontvanger van dertig of veertig duizend kubieke meters, waarin een geheel agglomeraat van zand, van modder en van aanslibbingsgrond, op een bodem van oorspronkelijk rotsgesteente verzameld zoude zijn. Dit karakter valt vooral op te merken bij de Vandergaart-Kopjes-Mijn, een van de laatst ontdekte legeringen, die, zooals ik het ter loops kan mededeelen, toebehoort aan den eigenaar van de hut, waarin ik u zit te schrijven.

“Wanneer men in eene kop- of komvormige schaal een vocht schenkt, waarin vreemde stoffen in oplossing zijn, wat gebeurt er dan? Al die vreemde lichamen ploffen voornamelijk op den bodem en langs de wanden van de kopvormige schaal neer. Welnu, hetzelfde wordt in de Kopjes-mijn waargenomen. Vooral in den bodem, in het centrum van het bekken, maar ook langs de uiterste grens daarvan worden de diamanten aangetroffen. En dat feit staat zoo vast en is zoo zeer bekend, dat de daartusschen liggende claims spoedig beneden den middelbaren prijs dalen, terwijl de centrale concessiën of die in de nabijheid der wanden van het bekken al zeer spoedig een buitensporigen prijs erlangen, wanneer maar eenmaal de vorm van de legering bepaald is. Die overeenkomst pleit dus ten sterkste ten voordeele van een vervoer der bestanddeelen door het water.

“Van een anderen kant bestaan een groot aantal omstandigheden, die gij allen in mijne memorie zult vinden, en die op eene vorming op de plaats der kristallen wijzen bij voorkeur boven een vervoer in reeds gevormden toestand. Om daarvan maar twee of drie aan te halen, kan dienen, dat de diamanten bijna altijd vereenigd bij groepen van dezelfde geaardheid en van dezelfde kleur aangetroffen worden, wat zeker niet gebeurd zou zijn, wanneer zij door een bergstroom aangevoerd waren in reeds gevormden staat. Men vindt er zeer dikwijls twee die samengevoegd, als aan elkander gegroeid zijn, maar die zich bij den minsten schok scheiden. Hoe zouden zij aan het gewrijf en aan de wisselvalligheden, van een vervoer door stroomend water veroorzaakt, hebben kunnen weerstand bieden? Daarbijde zware diamanten worden steeds als beschut door eene rots aangetroffen, hetgeen er op zou duiden, dat het de invloed van die rots is—hare warmte-uitstraling of wie weet welke andere oorzaak, die de kristalvorming bevorderd heeft. Het is zeldzaam ten slotte, zeer zeldzaam zelfs, dat groote en kleine diamanten bij elkander worden aangetroffen. Telkens wanneer een fraaie steen aangetroffen wordt, is geen andere in de onmiddellijke nabijheid gevonden. Het is alsof alle diamantenstof-houdende bestanddeelen van het omringende nest, om dat zoo eens uit te drukken, zich ditmaal onder den invloed van bijzondere omstandigheden, tot één enkelen kristal verdicht hebben.

“Deze omstandigheden en vele anderen daarenboven doen mij dus overhellen tot de hypothese der wording op de plaats zelve, nadat de bestanddeelen voor de kristalvorming door den waterstroom bijgebracht zijn.

“Maar vanwaar kwamen die wateren die de organische bestanddeelen meeslibden, die bestemd waren om in diamanten omgezet te worden? Zie, dat heb ik in weerwil van de meest oplettende studie, die ik van de verschillende terreinsoorten gemaakt heb, niet kunnen opsporen.

“Die ontdekking zou toch niet van belang ontbloot zijn. Want kon men inderdaad den weg volgen, die door de wateren gebaand is, waarom zou men dan, door steeds hooger op te gaan, het uitgangspunt niet vinden, waaruit al de diamanten hunnen oorsprong gehad hebben, daar waar er voorzeker een veel grootere menigte aanwezig moeten zijn, dan in de tegenwoordige kleine bekkens, die ontgonnen worden, het geval is? Dat zou een volledig bewijs voor mijne stelling zijn en dat zou mij zeer gelukkig maken.

“Ik ben evenwel bij mijne ontledingen der rotsen gelukkiger geweest.”

En nu trad de jonge ingenieur, terwijl hij zijn verhaal voortzette ten opzichte van zijne werkzaamheden, in technische bijzonderheden, die ongetwijfeld van het hoogste belang voor hem en zijnen correspondent waren, maar die van den minder wetenschappelijke gevormden lezer waarschijnlijk diezelfde uitspraak niet zouden erlangen. Daarom achten wij het voorzichtig hem die te besparen.

Cyprianus doofde te middernacht, na zijn langen briefgeëindigdte hebben, zijne lamp uit, kroop in zijn hangmat en sliep weldra den gerusten slaap des rechtvaardigen.

De arbeid had de smart althans gedurende eenige uren verstompt. Een bevallige verschijning evenwel liet zich herhaalde malen te midden der droomen van den jongen geleerde bespeuren en die verschijning zeide hem dat hij nog niet moest wanhopen.

“Waarachtig, ik moet vertrekken,” sprak Cyprianus Méré den volgenden morgen tot zich zelven, terwijl hij bezig was zijn morgentoilet te maken. “Ja, ik moet Grikwaland verlaten! Na alles wat die man mij voorgespiegeld heeft, zou het meer dan zwakheid wezen, wanneer ik nog een dag hier bleef! Hij wil mij zijne dochter niet geven? Misschien heeft hij wel gelijk! In ieder geval past het mij niet bij deze gelegenheid verzachtende omstandigheden te bepleiten. Ik moet met mannelijken moed die uitspraak, hoe smartelijk zij mij ook is, aanvaarden en mag slechts op de toekomst hopen!”

En zonder langer te dralen, begon Cyprianus zijne werktuigen in de kisten te pakken, die hij bewaard had om ze bij wijze van buffetten en kasten te bezigen. Hij was ijverig in de weer en hij arbeidde sedert een uur of twee dapper, toen een heldere stem door het geopende venster met de morgenlucht naar binnen drong en weerklonk alsof een leeuweriken-gezang van den voet van het buitenplein tot hem opsteeg en een der heerlijkste melodiën van den dichter Moor voordroeg:

“It is the last rose of summer,

Left blooming alone;

All her lovely companions

Are faded and gone”.

“Dit is de laatste zomerroos, die thans nog bloeit, alle hare beminnelijke gezellinnen zijn verwelkt of dood.”

Cyprianus liep naar het venster en bemerkte Alice, die zich naar de omheinde plaats begaf, waar hare struisvogelsgestald waren. Zij had haren voorschoot vol lekkernijen volgens hunnen smaak. En zij was het, die zoo de rijzende zon met haar gezang begroette.

“I will not leave thee, thou lone one!

To pine on the stem,

Since the lovely are sleeping.

Go sleep with them....”

“Ik zal u niet laten—u geheel alleen—kwijnen op uw stengel, terwijl de andere schoonen zijn gaan slapen. Kom, slaap met haar!”

De jeugdige ingenieur meende, dat hij niet bijzonder gevoelig was voor de dichtkunst, en toch, die verzen maakten diepen indruk op hem. Hij bleef bij het raam staan, hield zijn adem in en luisterde naar die lieve woorden, of beter uitgedrukt, hij dronk ze.

Het zingen hield op. Miss Watkins deelde het voeder aan hare struisvogels uit en schepte er groot genoegen in, hen hunne lange halzen en hunne eigenaardige bekken te zien uitrekken bij het naderen van hare kleine plaagzieke hand. Toen zij hare uitdeeling beëindigd had, keerde zij naar het woonhuis terug en zong andermaal:

“It is the last rose of summer,

Left blooming alone....

Oh! who would inhabit

This black world alone?”....

“Dit is de laatste zomerroos, die thans nog bloeit. Ach, wie zou geheel alleen deze sombere wereld willen bewonen?”

Cyprianus stond met vochtige oogen steeds op dezelfde plaats en scheen als vastgenageld door eene betoovering.

De stem verwijderde zich. Alice zou weldra de hoeve binnentreden. Zij was nog maar op ongeveer twintig meter er van verwijderd, toen een gedruisch van versnelde schreden haar deed omkijken en haar noodzaakte plotseling stil te staan.

Cyprianus was onbewust, maar door een onweerstaanbaar gevoel gedreven, blootshoofds zijne hut uitgestormd en liep het jonge meisje achterna:

“Juffrouw Alice!....”

“Mijnheer Méré?....”

Thans stonden zij, terwijl de opkomende zon hen bescheen, vlak tegenover elkander op den weg, die rondom de hoeve voerde. Hunne rijzige schaduwen vertoonden zich bevallig, maar scherp geteekend tegen de wit houten omrastering, die zich in dat kale landschap verhief. Nu Cyprianus het jonge meisje ingehaald had, scheen hij over zijne eigene daad verwonderd en zweeg thans besluiteloos.

“Hebt gij mij iets te zeggen, mijnheer Méré?” vroeg zij belangstellend.

“Ik wil afscheid van u nemen, juffrouw Alice!.... Ik vertrek heden nog”.... antwoordde hij met haperende stem.

De zachte kleur, die de fijne huid van miss Watkins tintte, verdween plotseling.

“Vertrekken?.... Gij wilt vertrekken?.... Waarheen?” vroeg zij geheel van haar stuk gebracht.

“Naar mijn vaderland terug.... naar Frankrijk,” antwoordde Cyprianus. “Mijne werkzaamheden zijn hier geëindigd!.... Mijne zending is afgeloopen.... Ik heb niets meer in Grikwaland uit te voeren.... en ik ben verplicht naar Parijs terug te keeren.”

Terwijl hij zoo met weifelende en afgebroken stem sprak, had hij wel het uiterlijk van een schuldige, die zich verontschuldigde.

“Ach!.... Ja!.... Dat’s waar!.... Dat moest zoo gebeuren, niet waar?” stamelde Alice, zonder eigenlijk te weten wat zij zeide.

Het jonge meisje was geheel van haar stuk gebracht. De tijding overviel haar zoodanig te midden van haar onbewust gelukkig bestaan, dat het was alsof zij door een knotsslag getroffen was. Plotseling parelden dikke tranen in hare oogen en pinkten aan de lange wimpers, die hen beschaduwden. En daar die uitbarsting van smart haar tot de werkelijkheid teruggevoerd had, herkreeg zij eenige kracht om te glimlachen:

“Vertrekken!....” herhaalde zij. “En uwe toegenegen leerlinge dan? Wilt gij haar verlaten, vóór dat zij haren scheikundigen cursus voltooid heeft?.... Wilt gij, dat ik bij de zuurstof steken blijf, en dat de geheimenissen van de stikstof mij nimmer geopenbaard zullen worden?.... Dat is zeer slecht, mijnheer!”

Zij trachtte zich goed te houden en te spotten; maar de toon van hare stem logenstrafte hare woorden.

Ook schuilde onder die luchthartigewoorden een diepe zin, die recht toe het hart van den jonkman bereikte. Want eigenlijk kon het door haar gesprokene aldus vertolkt worden:

“Welnu, en ik dan?.... Telt gij mij niet mede?.... Voor u besta ik eenvoudig niet, zooals het schijnt. Gij zijt u hier te midden van die Boeren, van die hebzuchtige mijnwerkers komen vertoonen als een hooger en meer bevoorrecht wezen, als een geleerd, fier, belangeloos en uitstekend man!.... Gij hebt mij een blik doen slaan in uwe studiën en uwe werkzaamheden.... Gij hebt mij uw hart geopend; gij hebt mij uwe neigingen, uwe literarische voorliefde, uwen kunstsmaak doen deelen!.. Gij hebt mij geopenbaard, welke afstand bestaat tusschen een denker zoo als gij zijt en de tweevoetige dieren, die mij omringen!.... Gij hebt alles aangewend om u te doen bewonderen en te doen beminnen!.... Daarin zijt gij volkomen geslaagd!.... En dan komt gij mij zoo maar zonder eenigen omhaal mededeelen, dat gij heengaat, dat het uit is, dat gij naar Parijs terugkeert en trachten zult, mij hoe eer hoe liever te vergeten!....

“En gij gelooft daarbij voorzeker, dat ik mij wijsgeerig en met berusting aan mijn lot zal onderwerpen?”

Ja, dat alles straalde in de woorden van Alice door, en hare vochtige oogen verkondigden dat zoo duidelijk, dat Cyprianus op het punt was dat onuitgesproken en toch zoo welsprekend verwijt te beantwoorden. Het scheelde inderdaad weinig, of hij riep onbewust uit:

“Ik moet heen!.... Gisteren smeekte ik uwen vader, dat hij mij u tot vrouw zou geven!.... Hij weigerde zonder eenige hoop te laten koesteren! Begrijpt gij nu, waarom ik vertrekken moet?”

Maar hij herinnerde zich bij tijds zijne belofte. Hij had zich verbonden, nimmer aan de dochter van John Watkins iets te openbaren omtrent den schoonen droom, dien hij gedroomd had; en hij zou zich zelven als verachtelijk veroordeeld hebben, wanneer hij zijn woord niet hield.

Hij gevoelde evenwel hoe ruw dat plan was om te vertrekken, hetwelk hij onder den invloed zijner teleurstelling gevormd had. Het kwam hemzelfs onzinnig en wreed voor. Het scheen hem thans onmogelijk toe, dat bekoorlijke kind, hetwelk hij beminde en dat hem wederkeerig liefhad, zoo zonder voorbereiding, zoo zonder uitstel te verlaten. En dat zij hem liefhad, dat was maar al te zichtbaar. Ongetwijfeld, zij was onder den invloed eener oprechte en diepgewortelde genegenheid.

Hij gevoelde thans afschuw voor dat besluit, hetwelk hij twee uren vroeger genomen, en dat hij toen als uiterst noodzakelijk beschouwd had. Thans durfde hij het zelfs niet meer bekennen.

Ja, hij ging er toe over dat besluit te loochenen.

“Als ik over mijn vertrek spreek, juffrouw Alice,” zei hij, “dan moet gij niet denken, dat ik dezen morgen of zelfs heden reeds wil heengaan!.... Ik moet nog eenige aanteekeningen maken,—dan moet ik ook mijne maatregelen treffen!.... In ieder geval, ik zal de eer hebben om u weer te zien, om met u te praten.... over uwe studieplannen.”

Toen draaide Cyprianus plotseling op de beide hielen rond en nam de vlucht niet ongelijk aan een dwaas! Hij vloog naar zijne hut, liet zich daar op een stoel vallen en verviel in een diep gepeins.

Zijn gedachtengang was geheel veranderd.

“Zou ik, bij gebrek aan wat geld, van zoo veel bevalligheid afstand doen?” sprak hij tot zich zelven. “Zou ik reeds bij den eersten hinderpaal de partij als verloren beschouwen? Is dat wel zoo manmoedig, als ik mij dat verbeeld? Zou het niet beter zijn eenige vooroordeelen op te offeren en mij harer waardig trachten te maken?.... Er bestaan zoo vele lieden, die met diamantzoeken in weinige maanden een vermogen verwerven! Waarom zou ik dat ook niet doen? Wat zou kunnen beletten, dat ook ik er in slaagde een steen van honderd karaten te vinden, zooals dat zoovelen wedervaren is; of beter, waarom zou ik geen nieuwe legering ontdekken? Ik bezit voorzeker meer theoretische en practische kennis dan het meerendeel der menschen hier! Waarom zou de wetenschap mij niet verschaffen, wat de arbeid, door een weinig geluk geholpen, aan zoo velen gegeven heeft?.... En goed beschouwd, ik waag er niets bij met te probeeren.Zelfs van het standpunt mijner zending beschouwd, kan het niet als eene overbodige daad aangemerkt worden, wanneer ik de schop ter hand neem en mijnwerker word!.... En, als ik eens mocht slagen?.... als ik eens rijk werd door dat oorspronkelijke middel?.... wie weet, of John Watkins zich dan niet liet vermurwen, wie weet of hij dan niet op zijn eerstgenomen besluit zou terugkomen. Dat doeleinde is wel waard, dunkt me, dat er de proef van genomen wordt!....”

Cyprianus liep daarop zijn laboratorium op en neer. Zijne armen waren daarbij evenwel in rust; zijn denkvermogen alleen arbeidde.

Plotseling bleef hij stilstaan, daarop greep hij zijn hoed en ging naar buiten.

Nadat hij het pad ingeslagen had, dat naar de vlakte voerde stapte hij met groote passen in de richting van de Vandergaart-Kopjes-Mijn voort.

In minder dan een uur had hij die bereikt.

De mijnwerkers keerden juist in dit oogenblik in menigte naar hun kampement terug, om hun tweede ontbijt te nuttigen. Cyprianus vroeg zich af, terwijl hij al die getaande gezichten in oogenschouw nam, tot wien hij zich zou wenden om de inlichtingen in te winnen, die hij noodig had, toen hij eindelijk te midden van een groep het open gelaat herkende van Thomas Staal den gewezen mijnwerker van Lancashire. Hij had al twee of driemaal gelegenheid gehad om hem te ontmoeten, sedert zij te zamen in Grikwaland gekomen waren en hij had zich daarbij overtuigd, dat de brave kerel welvarende was, zooals zijn blozend gelaat, zijne spiksplinternieuwe kleeren en vooral de breede lederen riem, die zijn middel omsloot, afdoende getuigden.

Cyprianus besloot om hem aan te spreken en hem deelgenoot van zijne plannen te maken, hetgeen trouwens in weinige woorden geschiedde.

“Gij wilt een claim pachten? Wel niets is gemakkelijker dan dat: wel te verstaan, als gij geld hebt!” antwoordde hem de mijnwerker. “Er is juist een beschikbaar naast de mijne. Vier honderd pond sterling1, dit is te geef! Met vijf of zes negers, die hem voor uwe rekening ontginnen zullen, kunt gij er op rekenen, dat gij per week voor drie of vier honderd gulden minstens zult vinden!”

“Maar, ik heb geen vier honderd pond sterling en ik bezit zelfs geen enkel negertje,” zei Cyprianus.

“Welnu, koop dan een gedeelte van een claim, een achtste of een zestiende zelfs, en bewerk dat zelf. Dan komt gij met een groote vijf honderd gulden al ver.”

“Dat komt meer met mijne middelen overeen,” antwoordde de jeugdige ingenieur. “Maar, gij mijnheer Staal, hoe hebt gij het aangelegd. Vertel mij dat eens, als ik niet te onbescheiden ben. Zijt gij hier als bezitter van een kapitaal aangekomen?”

“Ik ben hier met mijn beide armen aangekomen, maar had daarenboven drie kleine goudstukken in den zak,” antwoordde de andere. “Maar, het is mij meegeloopen. Ik heb eerst een achtste in halve rekening met een ander ontgonnen, die evenwel liever in het koffiehuis zat dan dat hij zijne zaken behartigde. Wij waren overeengekomen dat wij de vondsten zouden deelen, en waarlijk, ik was niet ongelukkig. Ik vond onder anderen een steen van vijf karaten, die wij voor twee honderd pond sterling verkochten! Maar, het begon mij te vervelen voor dien luilak te arbeiden. Ik kocht toen een zestiende, dat ik voor mij alleen ontgon. Daar ik er slechts kleine steenen vond, heb ik dat tien dagen geleden van de hand gedaan. Ik werk thans weer in halve rekening met een man, afkomstig van Australië, in zijn claim; maar wij hebben in de eerste week slechts vijf pond met ons beiden gewonnen.”

“Als ik een gedeelte van een goeden claim voor een niet te duren prijs kan koopen, zoudt gij dan genegen zijn u met mij te associeeren, om dien te ontginnen?” vroeg de jonge ingenieur.

“Voorzeker,” antwoordde Thomas Staal; “echter op de uitdrukkelijke voorwaarde, dat ieder onzer behouden zal, wat hij vindt. Dat is geen wantrouwen jegens u, mijnheer Méré. Maar ziet ge, ik bemerk wel, dat ik, sedert ik hier ben, steeds de lijdende partij ben wanneer er gedeeld wordt, want de schop en het pikhouweel kennen mij en ik verricht tweemaal meer werk dananderen!”

“Die voorwaarde komt mij billijk voor,” antwoordde Cyprianus.

“O!” riep eensklaps de Lancashire-man uit, terwijl hij den ingenieur in de rede viel. “Een inval en waarschijnlijk een goede ook!.... Als wij met ons beiden een der claims van John Watkins pachtten?”

“Hoe, een zijner claims? Is de geheele grond van de Kopjes-Mijn niet zijn eigendom?”

“Ongetwijfeld, mijnheer Méré; maar gij weet dat het koloniale gouvernement er zich dadelijk meester van maakt, zoodra het bekend is, dat er diamantlegeringen bestaan. Het is het gouvernement die de mijnen bestuurt, voor het kadaster zorgt, die de claims afdeelt en daarbij het grootste gedeelte van den pachtprijs voor zich behoudt en aan den eigenaar slechts een vaste som uitbetaalt. Het moet evenwel erkend worden, dat die vaste som nog een prachtig inkomen daarstelt, wanneer de mijn zoo uitgestrekt als de Kopjes-Mijn is; terwijl van een anderen kant de eigenaar steeds de voorkeur geniet, om een zoo groot getal claims te kunnen terugkoopen, als hij slechts kan laten bewerken. Dat is juist het geval met John Watkins. Hij heeft behalve den feitelijken eigendom van de geheele mijn, bovendien nog verscheidene claims in ontginning. Maar die ontginning gaat niet zoo als hij wel zou willen, omdat het pootje hem belet ter plaatse zelve tegenwoordig te zijn, en ik ben van meening, dat hij u wel aanneembare voorwaarden zoude stellen, wanneer ge hem voorsloegt een claim van hem over te nemen.”

“Toch zou ik wenschen, dat de onderhandeling daarover tusschen u en hem gevoerd werd,” antwoordde Cyprianus.

“Och, als het slechts daar op aan komt” hernam Thomas Staal. “Die zaak kan spoedig in het reine gebracht worden.”

Drie uren later was de halve claim, numero 942, die behoorlijk met paaltjes afgebakend en op de kaart aangeduid werd, in deugdelijken vorm herverpacht aan de heeren Méré en Thomas Staal, tegen de onmiddellijke betaling van een premie van negentig pond2en tegen de voldoening van de patent-onkosten bij den ontvanger. Bovendien was in het huurcontract wel degelijk vermeld, dat de huurders de opbrengst hunner ontginning met John Watkins moesten deelen en dat zij hem bij wijze van royalty of koningsrecht de drie eerste diamanten boven de tien karaten zouden afstaan, die mochten gevonden worden. Niets duidde aan dat die gebeurlijkheid zich zoude voordoen, maar zij was mogelijk. In de diamantvelden was alles mogelijk.

Alles wel bezien, kon de zaak als buitengewoon voordeelig voor Cyprianus beschouwd worden en Mr. Watkins gaf hem dat met zijne gewone vrijmoedigheid, terwijl hij met hem klonk bij de onderteekening van het contract, genoegzaam te kennen.

“Gij hebt de wijste partij gekozen, mijn jongen,” zei hij, terwijl hij hem op den schouder klopte. “Er zit pit in u en het zou mij niet verwonderen, wanneer gij een der beste mijnwerkers van geheel Grikwaland werdt.”

Cyprianus meende in die woorden een gelukkig voorteeken voor de toekomst te ontdekken.

Miss Watkins, die bij de onderhandeling tegenwoordig was, vertoonde een overheerlijken, helderen zonnestraal in hare blauwe oogen! Neen, waarachtig niet; niemand zou ooit geloofd hebben, dat die oogen gedurende den geheelen morgen geweend hadden!

Als bij stilzwijgende overeenkomst, werd door beide partijen iedere nadere verklaring omtrent het treurige tooneel, op dien morgen voorgevallen, vermeden. Cyprianus bleef, dat was buiten kijf en dat was toch, alles wel beschouwd, het voornaamste.

De jonge ingenieur verwijderde zich thans met een verruimd hart, om zijne maatregelen nopens zijne verhuizing te treffen. Hij nam slechts eenige kleedingstukken in een valies mede, daar hij voornemens was zich onder eene tent in de onmiddellijke nabijheid van de Vandergaart-Kopjes-Mijn te vestigen en slechts naar de hoeve weer te keeren om daar eenige uren van uitspanning door te brengen.

14800 gulden.

14800 gulden.


Back to IndexNext