21080 gulden.
21080 gulden.
De beide vennooten togen reeds den volgenden morgen al heel vroeg aan den arbeid. Hun claim was bij den rand van de Kopjes-Mijn gelegen en moest dus rijk zijn, wanneer namelijk de theorie van Cyprianus Méré gegrond was. Die claim was ongelukkig reeds vlijtig ontgonnen en reikte tot op een diepte van vijftig en meer meters de ingewanden der aarde.
Dat was in zeker opzicht een voordeel omdat, daar de bodem van die claim veel lager was dan die der omringenden, de huurders, volgens de wetten des lands, in eigendom verkregen al den grond en bijgevolg ook al de diamanten, die van de rondom liggende hoogten eens naar beneden mochten rollen.
De arbeid was zeer eenvoudig. De vennooten begonnen met schop, spade en pikhouweel zoo eenvoudig mogelijk een zeker gedeelte aarde los te maken. Toen dat klaar was, klom een hunner op den rand der mijn en heesch met een ijzeren kabel de emmers naar boven, die de andere met grond vulde.
Die grond werd vervolgens met eene kar naar de hut van Thomas Staal vervoerd. Daar werd hij met behulp van groote stukken hout grovelijk geplet en vervolgens van de waardelooze keisteenen ontdaan; men liet hem vervolgens door een netvormige zeef loopen, welker mazen vijftien millimeters wijdte hadden, om de kleinere steenen af te zonderen, die eerst goed onderzocht werden, alvorens ze weg te werpen. De grond werd eindelijk ten tweede male gezift, maar in een zeef met zeer kleine openingen, om er het stof van te scheiden, waarna hij geschikt was, om aandachtig onderzocht te worden.
Die aarde werd dan op een tafel uitgeschud, waaraan de beide mijnwerkers plaats namen, gewapend met een soort hark, die van blik vervaardigd was. Zij doorzochten die aarde alsdan handvol voor handvol met de grootste zorg, waarna zij haar onder de tafel wierpen, om later opgeruimd te worden, wanneer het afgeloopen was.
Al die werkzaamheden hadden ten doel om te ontdekken of er geen diamant in was al ware ’t slechts ter dikte van een halve linskorrel; maar de vennooten boogden op zeer veel geluk, wanneer de dag niet eindigde, zonder dat zij een enkel steentje gevonden hadden. Zij werkten met de meest mogelijke vlijt en ziftten de aarde van den claim met de uiterste zorg, maar de resultaten waren, dat viel niet te ontkennen, gedurende de eerste dagen geheel onbeduidend, ja bijna nul.
Vooral scheen Cyprianus geen geluk te hebben. Werd er een enkel diamantje in den grond aangetroffen, dan was het bijna altijd Thomas Staal, die het vond. De eerste, die hij het genoegen had te ontdekken, woog niet eens ten volle een zesde gedeelte van eene karaat, het omhulsel er onder begrepen.
De karaat is een gewicht dat vier grein zwaar is, dus ongeveer het vijfde gedeelte van een gram of wichtje.1Een diamant van het helderste water, dat wil zeggen, die zuiver, droogachtig en kleurloos is, heeft eene waarde, nadat hij geslepen is, van honderd vijf en twintig gulden, wanneer hij een karaat zwaar is. Maar hebben de diamanten, die minder wegen, eene evenredig mindere waarde, daarentegen rijzen zij, die zwaarder zijn, sneller en in immer toenemende rede aan waarde. Men rekent gewoonlijk, dat de handelswaarde van een onberispelijken steen gelijk is aan het vierkant van zijn gewicht, uitgedrukt in karaten, vermenigvuldigd met denmarktprijsvan de karaat. Veronderstelt men dus, dat die marktprijs honderd vijf en twintig gulden is, dan is de prijs van een diamant van tien karaten, die aan de bovenomschreven hoedanigheden voldoet, tien maal tien of honderd maal honderd vijf en twintig of twaalf duizend vijf honderd gulden.
Maar de steenen van tien karaten en zelfs van een karaat zijn zeer zeldzaam. Het is juist daarom, dat zij zoo duur zijn. Er dient hier ook nog bij verteld te worden, dat de diamanten bijna allen een gele tint vertoonen, waardoor hunne waarde aanmerkelijk vermindert.
De vondst van een steentje, dat niet eens een zesde gedeelte van een karaat woog, was, na een onafgebroken arbeid van zeven of acht dagen, weleen magere vergoeding voor al de moeiten en den afmattenden arbeid, die het gekost had. Tegen dat resultaat was het voordeeliger geweest, den akker te bebouwen, schapen te hoeden of keien langs de wegen stuk te kloppen. Dat herhaalde Cyprianus voortdurend in zich zelven.
Toch dreef hem de hoop, dat hij vroeg of laat een fraaien diamant zou vinden, die hem opeens voor den arbeid van vele weken of van vele maanden schadeloos zou stellen, tot volhouden aan. Die hoop ondersteunde hem, zooals zij alle mijnwerkers,zelfsde minst geloovige doet. Wat Thomas Staal betrof, die arbeidde zooals een werktuig dit zou doen, dat wil zeggen: zonder er bij te denken. Het scheen, althans oppervlakkig beschouwd, dat hij het door zijn vlug werken zoo ver gebracht had.
De beide vennooten ontbeten gewoonlijk te zamen en vergenoegden zich met een paar broodjes, die zij met bier besproeiden, dat zij bij een drankverkooper kochten, die zijn handel in de open lucht dreef; maar zij gebruikten hun maaltijd aan een der talrijke openbare tafels, die elkander de klandiezie van de mijnwerkers van het kamp betwistten. Thomas Staal ging des avonds wanneer zij van elkander scheidden om ieder zijns weegs te gaan, gewoonlijk naar de een of andere biljartzaal, om eene partij te spelen. Cyprianus daarentegen ging gewoonlijk een paar uren op de hoeve van John Watkins doorbrengen.
Daar had de jeugdige ingenieur heel dikwijls het ongenoegen, zijn medeminnaar James Hilton te ontmoeten, een grooten lummel met rosachtig haar, blankwitte huid, en een met vlekken bezaaid gelaat, die machtig veel van groote zomersproeten hadden. Dat die mededinger zeer veel vorderingen in de gunst van JohnWatkinsmaakte, zal door den lezer niet betwijfeld worden, wanneer wij er bijvoegen, dat de slungel nog meer gin dronk en nog meer Hamburger tabak rookte dan de modelvader zelf.
Daartegenover, stond evenwel, dat Alice slechts eene hooge mate van minachting koesterde voor de boerenbevalligheden en het weinig smakelijk onderhoud van den jongen Hilton. Maar zijne tegenwoordigheid was toch onverdraaglijk voorCyprianus, en soms zelfs in die mate, dat hij, voelende zich niet meer te kunnen bedwingen, opstond, het gezelschap goeden avond wenschte en heenging.
“Die Frenchman is ontevreden!” zei dan John Watkins, terwijl hij een oog tegen zijn makker knipte. “Het schijnt, dat de diamanten niet van zelf in zijn zak vloeien!”
En dan lachte James Hilton zoo dom mogelijk bij die woorden.
Wanneer zoo iets gebeurde, dan ging Cyprianus gewoonlijk zijn avond doorbrengen, bij een braven Boer, die zich dicht bij het kamp gevestigd had en Jacobus Vandergaart heette.
Het was naar zijn naam, dat de Kopjes-mijn, op welker grond hij zich in de eerste tijden der concessie neergezet had, genoemd werd. Als men hem mocht gelooven, dan was hij door een oneerlijke uitspraak der rechterlijke macht ten gerieve van John Watkins van zijn eigendom ontzet. Thans was hij geheel geruïneerd en leefde in eene leemen hut, waarin hij zich onledig hield met het diamantslijpen, welk ambacht hij vroeger in Amsterdam, zijne geboorteplaats uitgeoefend had.
De mijnwerkers toch brachten hem zeer dikwijls steenen, hetzij om de waarde te weten te komen die zij zouden behouden, na aan het snijden en slijpen onderworpen te zijn, hetzij om ze te laten kloven, hetzij om ze meer fijne bewerkingen te doen ondergaan. Maar die laatste arbeid vereischte eene vaste hand en een scherp gezicht, en oude JacobusVandergaart, die vroeger een voortreffelijk werkman was, ondervond tegenwoordig veel moeite om het hem opgedragen werk uit te voeren.
Cyprianus, die hem opgedragen had den door hem gevonden diamant te slijpen en in een ring te zetten, had spoedig eene zekere genegenheid voor hem opgevat. Hij hield er van den eenvoudigen Boer in zijne werkplaats te gaan opzoeken, om wat met hem te praten of eenvoudig om hem wat gezelschap te houden, wanneer hij bezig was met diamantslijpen. Jacobus Vandergaart zag er met zijn witten baard, zijn kaal hoofd, dat met een kalotje van zwart fluweel bedekt was, met zijn langen spitsen neus, waarop een bril met groote ronde oogen prijkte, geheel en al uitals een oude alchimist van de vijftiende eeuw, zooals hij daar te midden zijner vreemdsoortige werktuigen en zijne flesschen met allerhande zuren troonde.
Op eene werktafel, die voor het raam geplaatst was, bevonden zich in een houten nap de ruwe diamanten, die Jacobus Vandergaart toevertrouwd waren, en welker waarde soms aanmerkelijk was. Wilde hij er een kloven, welks kristalvlakken hem niet volmaakt voorkwamen, dan begon hij eerst met zijn vergrootglas de richting der snijdingslijnen na te gaan, die alle kristallen in stukken met evenwijdigloopende vlakken verdeelen. Dan maakte hij met den scherpen kant van een reeds gekloofden diamant eene insnijding in de gewenschte richting, bracht daarin een klein stalen lemmet en sloeg daarop een korten, krachtigen slag.
Daardoor werd de diamant langs een zijner kristalvlakken gekloofd, en de beweging werd verder langs de andere herhaald.
Wilde daarentegen Jacobus Vandergaart een steen snijden, of, om juister te spreken, hem volgens een vastgestelden vorm afslijpen, dan begon hij met de vaststelling van dien vorm, dien hij er aan geven wilde, door op het omhulsel van den diamant met krijt de voorgestelde kleine vakken of facetten te teekenen. Daarna bracht hij ieder dezer vakken in aanraking met een anderen diamant, en onderwierp die beide aan een langdurige wrijving, den een tegen den anderen. De beide steenen sleten alsdan elkander af, en zoo vormde zich de gemelde facet langzamerhand.
Zoo slaagde Jacobus Vandergaart er in, om aan den steen een der vormen te verleenen, die door het gebruik het meest aangenomen zijn en die tot drie groote afdeelingen teruggebracht kunnen worden, namelijk: de “dubbele briljant”, de “enkele briljant”, en de “roos”.
De “dubbele briljant” bestaat uit vier-en-zestig facetten, uit een achtkantig vlak, dat tafel genoemd wordt, en uit een culas of broek, die het benedengedeelte vormt.
De “enkele briljant” vertoont eenvoudig de helft van een dubbelen briljant.
De “roos” is van onderen plat, terwijl het bovenste gedeelte met facetten koepelvormig bijgeslepen is.
Zeer zelden kreeg Jacobus Vandergaart een “briolet” te slijpen, dat wil zeggen: een diamant die noch bovenvlak, noch benedenvlak geeft, maar die den vorm eener peer aangenomen heeft. De brioletten worden in Indië bij hun dun einde doorboord, om er een koordje door te kunnen rijgen.
Wat de “pendeloquen” of oorhangers betreft, die de oude diamantslijper meermalen te slijpen kreeg, dit waren halve peervormige steenen met tafels en culas, die slechts facetten op hunne voorzijde vertoonen.
Was de diamant eenmaal gesneden, dan bleef er slechts nog over hem te polijsten om het werk geëindigd te noemen. Die bewerking geschiedde met behulp van eene soort slijpsteen, die eenvoudig uit eene stalen schijf bestond, die ongeveer acht-en-twintig centimeters doorsnede had en plat op tafel neergelegd werd, maar die toch onder de werking van een groot rad met zwengel om eene as kon draaien met eene snelheid van twee- of drieduizend omwentelingen in de minuut. Die schijf werd met olie besmeerd en daarna met diamantstof, afkomstig van het snijden, bestrooid, waarna Jacobus Vandergaart de facetten van zijn steen de eene voor de andere na tegen die schijf drukte, totdat zij volmaakt gepolijst waren. De zwengel werd óf door een kleinen Hottentotschen jongen gedraaid, die daartoe, wanneer dit noodzakelijk was, bij den dag ingehuurd werd, óf door een vriend, zooals Cyprianus er een was, en die dan ook nimmer er tegen opzag dien dienst uit loutere vriendschap te bewijzen.
En gedurende den arbeid bleven de monden niet dicht; integendeel, men praatte veel. Somwijlen zelfs staakte Jacobus Vandergaart plotseling zijn arbeid, om eenige geschiedenis uit een lang vervlogen tijd te vertellen, waarbij hij dan niet vergat zijn bril tot op zijn voorhoofd te schuiven. En inderdaad, hij wist veel, zoo niet alles, aangaande dit gedeelte van zuidelijk Afrika, hetwelk hij sedert veertig jaren bewoonde. En wat zijne verhalen eene ongemeene aantrekkelijkheid bijzette, was juist, dat hij de overlevering des lands ongeschonden weergaf, eene overlevering welke geheel jeugdig en levendig was.
Die oude diamantslijper kon vooralniet zwijgen, wanneer hij op het kapittel zijner patriotsche en personeele grieven gebracht werd. Volgens hem waren de Engelschen de grootste afzetters, die door de aarde ooit gedragen werden.Hieromtrent moest hem de geheele verantwoordelijkheid zijner meeningen, die blijkbaar overdreven waren, gelaten worden, hoewel ze alleszins vergeeflijk waren.
“Het is waarachtig niet te verwonderen,” herhaalde hij steeds met voldoening, “dat de Vereenigde Staten van Amerika zich onafhankelijk verklaard hebben. Indië en Australië zullen ook wel zoo handelen; dat kan niet uitblijven! Welk volk wil zulke tirannie verdragen?.... O, mijnheer Méré, als de wereld al de onrechtvaardige bedrijven kende, welke die Engelschen, die zoo trotsch op hunne gouden guinjes en op hunne zeemacht zijn, over de geheele oppervlakte der aarde gepleegd hebben, dan bestond er geen woord in de menschelijke taal, dat beleedigend genoeg zou kunnen klinken, om hen in het aangezicht te spuwen.”
Cyprianus keurde die taal niet goed. Hij keurde ze ook niet af. Hij luisterde slechts, zonder te antwoorden.
“Wil ik u verhalen, wat ze mij geleverd hebben, mij, die thans tot u spreek?” hernam Jacobus Vandergaart terwijl hij zich opwond. “Luister naar mij, en dan zult gij kunnen uitmaken of er twee meeningen omtrent die schavuiten bestaan kunnen.”
Toen Cyprianus hem verzekerd had, dat hij hem daarmede veel genoegen zou doen, verhaalde de brave Boer het navolgende:
“Ik ben in 1806 gedurende eene reis, die mijne ouders ondernomen hadden, te Amsterdam geboren. Later ben ik daar teruggekomen om er mijn ambacht te leeren; maar ik heb mijne kindsheid aan de Kaap doorgebracht, waarheen mijne familie een vijftig jaren vroeger getrokken was. Wij waren Hollanders, en daar zijn wij nog zeer trotsch op, toen Groot-Brittanje zich van de kolonie meester maakte, voorloopig, zooals het beweerde. Maar John Bull geeft niet licht weer, wat hij eenmaal geroofd heeft. In 1815 werden wij door Europa, dat in Congres vereenigd was, plechtig tot onderdanen van het Vereenigd Koninkrijk verklaard.
“Ik vraag u in gemoede, wat Europa zich met deze Afrikaansche landstreken te bemoeien had?
“Engelsche onderdanen! maar mijnheer Méré, dat wilden wij niet zijn! Toen, overwegende dat Afrika wel groot genoeg zou zijn om ons een vaderland in vollen eigendom te verschaffen, verlieten wij de Kaapkolonie, om in de wilde binnenlanden, die zich ten noorden van ons uitstrekten, binnen te dringen. Men noemde ons toen Boeren of ook wel Voortrekkers. Ja, dat zijn wij! Boeren! d.w.z. landbouwers! Voortrekkers! d.w.z. pioniers, die steeds vooruit willen!
“Nauwelijks hadden wij die nieuwe gronden in akkers ontgonnen; nauwelijks hadden wij ons met hard werken en noesten vlijt andermaal een onafhankelijk bestaan geschapen, toen het Engelsche gouvernement die streek ook opeischte—steeds onder voorwendsel dat wij Britsche onderdanen waren.
“Toen had onze groote Exodus plaats. Dat was in 1833. Andermaal trokken wij in massa uit. Na onze wagens met onze meubelen, akkergereedschappen en graan beladen te hebben, spanden wij er onze ossen voor en drongen wij dieper de woestijn binnen.
“In dien tijd was Natal nagenoeg geheel ontvolkt. Een bloeddorstige veroveraar, Tchaka genaamd, een ware Neger-Attila, tot den stam der Zoeloe’s behoorende, had daar meer dan een millioen menschen om het leven gebracht in het tijdvak van 1812 tot 1828. Zijn opvolger, Dingaan, heerschte ook slechts door schrik en angst te verspreiden. Het was deze wilden-koning, die ons toestond, om ons in die landstreek te vestigen, waar thans de steden Durban en Port-Natal verrijzen.
“Maar het was slechts met de bijgedachte om ons aan te vallen, wanneer ons land bloeien zou, dat die gluiperd van een Dingaan, ons deze toestemming verleende! Ieder wapende zich dan ook om tegenweer te kunnen bieden, en het was slechts ten gevolge onzer overgroote inspanningen, en ik durf er bijvoegen, ten gevolge der heldenfeiten, in meer dan honderd gevechten tentoongespreid, waarbij onze vrouwen en onze kinderen aan onze zijde streden, dat het mogelijk was, ons in het bezit dielanden, die wij met ons zweet en bloed besproeid hadden, te handhaven.
“Maar ziet, nauwelijks hadden wij over den zwarten despoot gezegevierd en zijne macht vernietigd, toen het gouvernement van de Kaap ons eene Engelsche kolonne toezond, met opdracht om het grondgebied van Natal in bezit te nemen in naam van Hare Majesteit de Koningin van Engeland!.... Gij ziet, men beschouwde ons steeds als Britsche onderdanen! Dat gebeurde in 1842.
“Andere emigranten van onzen landaard hadden de Transvaal ten onder gebracht en de macht van den tyran Moselekatze langs de boorden der Oranje-rivier vernietigd. Ook zij zagen zich hun nieuw vaderland, dat zij met zooveel moeite verworven hadden, bij eene eenvoudige dagorder ontnemen!
“Och, ik sla de bijzonderheden maar over. Die strijd duurde twintig jaren. Steeds trokken wij verder, maar ook steeds strekte Groot-Brittanje de roofzuchtige hand naar ons uit, als naar zoovele slaven, die haar toebehoorden, zelfs na haar verlaten te hebben.
“Eindelijk, na zeer vele moeilijkheden en na vele bloedige gevechten, geraakten wij er toe onze onafhankelijkheid in den Oranje-Vrijstaat te doen erkennen. Een koninklijke verordening, door Koningin Victoria, op den 8sten April 1854 geteekend, verzekerde ons de vrije bezitting onzer gronden en het recht om ons bestuur naar onzen zin in te richten. Wij vestigden dientengevolge eindelijk eene Republiek, en toen eerst kon beweerd worden, dat onze Staat gegrond was op de stipte eerbiediging der wettelijke bepalingen, op de vrije ontwikkeling der individueele geestkracht, en op het zuiver onderwijs, waarmede alle maatschappelijke klassen bedeeld werden. Inderdaad, die jeugdige Staat kon tot voorbeeld strekken aan menige natie, die zich waarschijnlijk meer beschaafd achtte dan dat kleine uithoekje van de Zuidpunt van Afrika.
“Grikwaland maakte daar deel van uit. Het was tegen dien tijd, dat ik mij als pachter in hetzelfde huis, waarin wij ons thans bevinden, met mijne arme vrouw en mijne twee kinderen vestigde. Toen zette ik de omheining uit van mijne kraal of veepark op de plek zelve der mijn, die gij thans ontgint. Tien jaren later kwam John Watkins in het land en trok er zijne eerste hut op. Men wist toen niet, dat de streek diamanten opleverde, en wat mij betreft, ik had sedert dertig jaren, dat ik hier woonde, zoo weinig gelegenheid om mijn oud handwerk van diamantslijper uit te oefenen, dat ik mij ternauwernood het bestaan van edelgesteente herinnerde!
“Het gerucht verspreidde zich plotseling, in het jaar 1867, dat onze gronden hier diamanthoudend waren. Een Boer, bewoner van de oevers van de Hart, had zelfs de diamanten in de uitwerpselen zijner struisvogels ontdekt, zelfs in de leemen muren zijner pachthoeve.2
“Dat was nauwelijks bekend, of het Engelsche gouvernement, aan zijne oneerlijke en inhalige staatkunde getrouw, verklaarde, met terzijdestelling van al de gesloten verdragen en van alle mogelijke rechten, dat Grikwaland Britsch grondgebied was.
“Onze Republiek protesteerde te vergeefs! Zij bood te vergeefs aan, het geschil aan de scheidsrechterlijke beslissing van een Regeeringshoofd in Europa te onderwerpen. Engeland weigerde stoutweg iedere scheidsrechterlijke tusschenkomst en nam ons eigendom in bezit.
“Nu mocht men hopen, dat de private eigendomsrechten door onze onrechtvaardige bestuurders geëerbiedigd zouden worden! Ik voor mij, die ten gevolge der schrikkelijke besmettelijke ziekte, die in 1878 woedde, weduwnaar was geworden en mijne kinderen verlorenhad, zag er tegen op, om alweer een nieuw huis te gaan bouwen, het zesde of zevende gedurende mijn lange loopbaan! Ik bleef dus in Grikwaland en bleef misschien geheel alleen bevrijd van de diamantkoorts, die bijna iedereen aangetast had. Ik ging voort met het bebouwen van mijn groententuin, even alsof de diamantelegering van Du Toit’s Pan niet op een geweerschotsafstand van mijn huis ontdekt was.
“Maar verbeeld u mijne verwondering toen ik op zekeren morgen ontwaarde, dat de muur van mijn kraal, die volgens gewoonte in drogen steen opgeschoten was, gedurende den nacht afgebroken was en dat de materialen op driehonderd meter verder in de vlakte gebracht waren. John Watkins, geholpen door een honderdtal Kaffers, had ter zelf der plaats een andere kraal opgericht, die zich aan de zijne aansloot en die een heuvel van roodachtige zandaarde omsloot, die tot op dat oogenblik mijn onbetwistbaar eigendom was.
“Ik beklaagde mij bij John Watkins over die wederrechtelijke toeëigening..... hij lachte mij openlijk uit. Ik dreigde hem een proces aan te doen, hij raadde mij aan dit te beproeven.
“Drie dagen later gingen mij de oogen open en begreep ik de raadselachtige handeling. Die zandheuvel was eene diamantlegering. Toen John Watkins daar de zekerheid van bekomen had, haastte hij zich mijne omheining te verbreken en te verplaatsen. Daarna vertrok hij naar Kimberley om de nieuwe mijn officieel op zijn naam te laten inschrijven.
“Ik begon een proces.... Och, mijnheer Méré, geve de hemel, dat gij nooit een geding voor een Engelsch gerechtshof te voeren moogt hebben....! Ik raakte voor en na mijne ossen, mijne paarden en mijne schapen kwijt!.... Ik verkocht tot mijne meubelen, tot mijne schamele kleeding, om die bloedzuigers in menschengedaante, die men solicitors, attorney’s, sherifs en deurwaarders noemt, de handen te vullen... Om kort te gaan, na een jaar lang heen en weer gedobberd en in gespannen verwachting doorgebracht te hebben, na voortdurend de hoop teleurgesteld te zien, werd het vraagstuk omtrent mijn eigendomsrecht eindelijk in laatste instantie uitgemaakt, zonder dat er eenig beroep of cassatie meer mogelijk was....
“Ik had mijn proces verloren, en, wat erger was, ik was totaal ten gronde gericht. Een vonnis verklaarde mijne vorderingen ongegrond en ontzegde mij mijn eisch, aangezien—zoo stond er in te lezen—het der rechtbank onmogelijk was het wederzijdsche recht van beide partijen helder en overtuigend uit te maken, maar dat het voor de toekomst van belang was, dat thans eene niet te veranderen grens getrokken werd. Men stelde dan ook denvijf-en-twintigstengraad westerlengte van Greenwich als grenslijn vast, die de beide eigendommen zou scheiden. Het terrein, ten westen daarvan gelegen, werd toegewezen aan John Watkins, en dat oostwaarts daarvan gelegen aan Jacobus Vandergaart.
“De motieven, die de rechters tot deze zonderlinge grensverdeeling leidden, was dat werkelijk die vijf-en-twintigste lengtegraad op den plattegrond van het district over het grondgebied, waarop mijn kraal gestaan had, getrokken was.
“Maar de mijn, helaas! lag ten westen van die lijn en viel dus natuurlijk John Watkins ten deel.
“Evenwel, om onuitwischbaar aan te duiden, hoe de openbare meening over dat onrechtvaardig vonnis dacht werd de mijn sedert steeds de Vandergaart-Kopjes-mijn genoemd.
“Welnu, mijnheer Méré, heb ik niet eenigermate het recht om te beweren, dat de Engelschen schurken zijn?” vroeg de oude Boer, toen hij zijne geschiedenis, die stipt met de waarheid overeenkwam, eindigde.
1Weegt zuiver, 0,2052 gram.
1Weegt zuiver, 0,2052 gram.
2Die Boer heette Jacobs. Een zekere Niekerk, Hollandsch handelaar, die daarin die streken in gezelschap van een struisvogelen-jager, O’Reilly genaamd, reisde, herkende in de handen der kinderen van dien Boer een steen, waarmede zij speelden, een echten diamant, dien hij voor weinige stuivers kocht en dien hij voor zes-duizend-twee-honderd-vijftig gulden van de hand zette aan sir Philip Woodehouse, Gouverneur van de Kaapkolonie. Deze steen, die onmiddellijk geslepen naar Parijs gezonden werd, verscheen op de Parijsche tentoonstelling op het Marsveld in 1867 gehouden. Sedert dat tijdstip is er gemiddeld voor een jaarlijksche bedrag van twintig millioen aan diamanten uit den bodem van Grikwaland te voorschijn gehaald. Een zeer wetenswaardige bijzonderheid is, dat het bestaan der diamanthoudende legeringen in dat land vroeger bekend, maar sedert in het vergeetboek geraakt was. Er bestaan oude kaarten van de XVe eeuw, waarop deze vermelding te lezen staat:Here diamonds, hetgeen beteekent: Hier zijn diamanten te vinden.
2Die Boer heette Jacobs. Een zekere Niekerk, Hollandsch handelaar, die daarin die streken in gezelschap van een struisvogelen-jager, O’Reilly genaamd, reisde, herkende in de handen der kinderen van dien Boer een steen, waarmede zij speelden, een echten diamant, dien hij voor weinige stuivers kocht en dien hij voor zes-duizend-twee-honderd-vijftig gulden van de hand zette aan sir Philip Woodehouse, Gouverneur van de Kaapkolonie. Deze steen, die onmiddellijk geslepen naar Parijs gezonden werd, verscheen op de Parijsche tentoonstelling op het Marsveld in 1867 gehouden. Sedert dat tijdstip is er gemiddeld voor een jaarlijksche bedrag van twintig millioen aan diamanten uit den bodem van Grikwaland te voorschijn gehaald. Een zeer wetenswaardige bijzonderheid is, dat het bestaan der diamanthoudende legeringen in dat land vroeger bekend, maar sedert in het vergeetboek geraakt was. Er bestaan oude kaarten van de XVe eeuw, waarop deze vermelding te lezen staat:Here diamonds, hetgeen beteekent: Hier zijn diamanten te vinden.
Dat onderwerp van gesprek kon voor den jeugdigen ingenieur niet aangenaam zijn. Dat zal iedereen moeten toegeven. Dergelijke inlichtingen omtrent de minder stipte eerlijkheid van den man, dien hij als zijn toekomstigen schoonvader bleef beschouwen, konden onmogelijk in zijn smaak vallen. Hij kwam er dan ook weldra toe, om de meening van Jacobus Vandergaart over de Kopjes-mijn te beschouwen als hetidée fixevan een pleiter, die zijn procesverloren heeft en waarvan dus veel af te dingen valt.
Hij had eens over die zaak een enkel woord tegen John Watkins gezegd. Deze was eerst in lachen uitgebarsten, had verder geen antwoord gegeven, maar zijn wijsvinger aan het voorhoofd gebracht, alsof hij wilde te kennen geven, dat het met Jacobus Vandergaart mis was en dat zijn gezond verstand hem al meer en meer in den steek liet.
Zou het inderdaad niet mogelijk zijn, dat de grijsaard, onder den indruk van de ontdekking der zoo rijke diamantlegering, zich zonder voldoende motieven in het hoofd gehaald had, dat die mijn zijn eigendom was? Maar alles goed bezien, de rechtbanken hadden hem geheel in het ongelijk gesteld, en het was zeer onwaarschijnlijk dat de rechters hem verongelijkt zouden hebben. Zoo was de redeneering, die de jonge ingenieur zich zelven gedurig herhaalde, om een verontschuldiging voor zijn eigen geweten te hebben, dat hij nog eenige gemeenschap met John Watkins onderhield, na al hetgeen Jacob Vandergaart omtrent dien man medegedeeld had.
Er was nog een andere buurman in het kamp, bij wien Cyprianus ook bij gelegenheid gaarne een praatje ging maken, omdat hij er het leven der Boeren in al zijne oorspronkelijkheid terugvond. Die bevoorrechte was een pachter, die Matthijs Pretorius heette en bij al de mijnwerkers van geheel Grikwaland goed bekend was.
Die Matthijs Pretorius had ook, hoewel hij te nauwernood veertig jaren oud was, langen tijd in het uitgestrekte bekken der Oranje-rivier rondgezworven, alvorens hij zich in deze streek neergezet had. Maar dat zwervend leven had voor hem hetzelfde gevolg niet gehad als voor den ouden Jacobus Vandergaart. Hij was er namelijk niet door vermagerd en ook niet door verbitterd. Hij was er eerder door verwilderd en zoodanig in vetheid toegenomen, dat hij moeite had om te gaan. Men kon hem gevoegelijk met een olifant vergelijken.
Hij was bijna altijd in een kolossalen houten armstoel gezeten, die speciaal vervaardigd was, om zijne zwaarwichtige vormen te bevatten. Matthijs Pretorius bewoog zich buitenshuis niet anders dan in een rijtuig, in een soort van tentwagen, van gevlochten teenen vervaardigd, waarvoor een reusachtige struisvogel gespannen was. De gemakkelijkheid, waarmede deze steltlooper de zware massa achter zich aansleepte, was wel geschikt, om een zeer hoog denkbeeld van de kracht zijner spieren te geven.
Matthijs Pretorius kwam gewoonlijk naar het kamp, ten einde den een of anderen groentenhandel, met de kooplieden in die waren te sluiten. Hij was er zeer gewild, hoewel niet op zeer benijdenswaardige wijze; want zijn populariteit grondde zich op zijn buitengewone bangheid. De mijnwerkers vonden er dan ook het grootste genoegen in, om hem vreeselijk beangst te maken en bereikten dat doel door hem allerhande dwaasheden te verhalen.
Nu eens vertelde men hem dat een inval van de Bassuto’s of van de Zoeloe’s te duchten was. Een andermaal hield men zich in zijne tegenwoordigheid, alsof men uit een dagblad las, dat een wetsontwerp aanhangig was, om in de geheele uitgestrektheid der Engelsche bezittingen de doodstraf in te voeren op een ieder, die overtuigd zou worden van meer dan driehonderd pond zwaar te zijn! Of ook deelde men hem mede, dat een dolle hond bespeurd was op den weg van Driefontein, waardoor de arme Matthijs Pretorius, die langs den weg naar huis terug moest keeren, duizend en meer redenen en uitvluchten vond om in het kamp te blijven toeven.
Maar al die hersenschimmige angsten haalden niets bij den werkelijken angst, dien hij koesterde, dat op zijn grondeigendom eene diamantmijn zou worden ontdekt. Bij voorbaat ontwierp hij reeds een schrikkelijke schildering van hetgeen dan zou gebeuren, wanneer hebzuchtige menschen zijn groententuin zouden binnendringen, daar zijne perken en bedden zouden omwoelen, en hem eindelijk van zijne bezittingen zouden verdrijven en die onteigenen. Want, er viel niet aan te twijfelen, dan zou hem een dergelijk lot als dat van Jacobus Vandergaart treffen! De Engelschen zouden wel drogredenen vinden, om te bewijzen dat zijne bezitting hun eigendom was.
Wanneer die sombere gedachten hem overvielen, dan martelden zij hem letterlijk. Wanneer hij bij ongeluk eenlandmeter of een opnemer in de nabijheid zijner woning zag rondzwerven, dan was hem alle lust benomen, dan at en dronk hij dien dag niet!.... En toch, het viel niet te ontkennen, hij werd steeds vetter!
Een zijner bitterste plaaggeesten was thans Hannibal Pantalucci. Die boosaardige Napolitaan—wien het, tusschen twee haakjes gezegd, zeer naar wensch scheen te gaan, want hij had drie Kaffers op zijn claim in dienst en stalde een kolossalen diamant op het borststuk van zijn plooihemd uit—had het zwak van den rampzaligen Boer ontdekt. Hij liet dan ook niet na, zich eens per week het genoegen van zeer twijfelachtig allooi te verschaffen, om grondboringen in de nabijheid van de hoeve van Pretorius te gaan verrichten of den grond daar in den omtrek te gaan omspitten.
Het eigendom van den Boer strekte zich op den linkeroever van de Vaalrivier uit en was ongeveer op twee mijlen bovenstrooms van het kamp gelegen. Het bestond voornamelijk uit aanslibbingsgronden, die waarachtig zeer goed diamanthoudend konden zijn, hoewel tot heden niets daarvan was gebleken. Hannibal Pantalucci nam de voorzorg, om zijne akelige scherts te doen slagen, door zich zoodanig voor de vensters van Matthijs Pretorius te plaatsen, dat deze hem zien moest, terwijl hij daarenboven steeds een paar vrienden medenam om van die grap te genieten.
Men kon dan den armen drommel zien, zooals hij verborgen achter zijne katoenen gordijnen, stond te gluren om al hunne bewegingen met angstvalligheid gade te slaan en om al hunne gebaren te spionneeren. Hij was dan steeds gereed om naar zijn stal te ijlen, ten einde zijn struisvogel aan te spannen, om te kunnen ontvluchten, zoodra hij zeker meende te zijn dat zijn eigendom hem zoude ontweldigd worden.
Waarom was hij ook zoo ongelukkig of beter zoo dom geweest, om aan een zijner vrienden toe te vertrouwen dat hij zijntrek-vogel dag en nacht opgetuigd gereed hield, dat hij de bergplaatsen van zijn tentwagen steeds voorzien hield van mondbehoeften, om in staat te zijn, bij het eerste daadwerkelijke begin van wederrechtelijke toeëigening, weg te ijlen.
“Ik ga dan naar de Boschjesmannen, die ten noorden van de Limpopo-rivier wonen,” zei hij. “Tien jaren geleden dreef ik ivoorhandel met hen. En het is duizendmaal meer verkieslijk zich te midden der wilden te bevinden, of te midden der leeuwen, tijgers, jakhalzen en ander wild gedierte, dan te midden van die onverzadelijke Engelschen te blijven!”
Maar die vertrouwde vriend van den ongelukkigen pachter had zich als echt vertrouwde gehaast die plannen aan Jan en Alleman te vertellen! Het zal wel onnoodig zijn er bij te voegen, dat Hannibal Pantalucci daar zijn voordeel mee deed, om de mijnwerkers uit den omtrek van tijd tot tijd een koddig schouwspel te bezorgen.
Een ander slachtoffer van de zoutelooze snakerijen van dien Napolitaan was, zooals wij vroeger reeds verteld hebben, de Chinees Li.
Die had zich ook bij de Vandergaart-Kopjes-mijn gevestigd en had eenvoudig een waschhuis opgericht. Het is bekend, dat de zonen van het Hemelsche Rijk uiterst geschikt zijn om als waschbazen op te treden.
Waarachtig, die roode doos, welke gedurende de geheele reis van de Kaap naar Grikwaland de nieuwsgierigheid van Cyprianus geprikkeld had, bevatte slechts borstels, soda, stukken zeep en blauwsel. Alles goed gerekend, heeft een ontwikkeld Chinees niet meer noodig om in dat land een vermogen te verzamelen. Onze jeugdige ingenieur kon veelal een glimlach niet weerhonden, wanneer hij Li ontmoette, die, steeds zwijgend en achterhoudend, met zijn mand aan den arm daarheen stapte, om het linnengoed bij zijne klanten terug te brengen.
Maar wat hem toch woedend maakte, was dat Hannibal Pantalucci inderdaad wreed ten opzichte van dien armen drommel te werk ging. Nu eens wierp hij eenige flesschen inkt in zijn zeepsop; dan weder spande hij een touw dwars voor zijn deur ten einde hem te doen vallen; een anderen keer nagelde hij hem aan zijn bank vast, door met een mes zijn kiel in het hout vast te steken. Als de gelegenheid schoon was, dan liet hij haar nooit ontglippen om den armen drommel tegen de beenen te schoppenen hem daarbij voor heidenhond uit te schelden. En dat hij hem zijne klandizie geschonken had, was alleen om zich wekelijks aan zijne plagerijen te kunnen overgeven. Hij vond nimmer zijn linnen helder genoeg, hoewel Li zijn uiterste best deed en het zeer zorgvuldig streek. Om de minste verkeerde plooi werd hij schrikkelijk boos, en dan ranselde hij den ongelukkigen Chinees, alsof hij zijn slaaf ware.
Zoodanig waren de ruwe genoegens van het kamp, die evenwel soms als een treurspel eindigden. Zoo gebeurde het wel eens, bij voorbeeld, dat een neger, die in de mijn te werk gesteld was, beschuldigd werd een diamant gestolen te hebben. Dan begeleidde een ieder den beklaagde tot voor den magistraat, terwijl hij onderweg met vuistslagen overladen werd, zoodat, wanneer de rechter hem onschuldig bevond en hem ontsloeg, hij die mishandelingen toch alvast beet had. Hoewel er bij verklaard moet worden, dat in dergelijke gevallen een bevel tot invrijheidstelling zeer zelden gegeven werd. De rechter was nog eerder met eene veroordeeling klaar dan met het verorberen van een schijfje van een oranjeappel in zout gedoopt,—hetgeen een der lekkerste snoeperijen van het land is. Het vonnis verwees gewoonlijk den beschuldigde tot veertien dagen dwangarbeid en tot twintig slagen met decat of nine tails, de kat met negen staarten, eene soort van uitklopper met knoopen, waarvan men nu nog in Groot-Brittanje en in de overzeesche bezittingen van dat Rijk gebruikt maakt, om de gevangenen te ranselen.
Maar er was eene misdaad, die nog minder genade in de oogen der mijnwerkers vond dan de diefstal; dat was het helen.
De Yankee Ward, dezelfde die te gelijkertijd met den jongen ingenieur in Grikwaland aangekomen was, deed daarvan eens de wreede ondervinding op, door eenige diamanten van een Kaffer op te koopen. Nu kan een Kaffer geen wettig bezitter van diamanten zijn, daar de wet hem het recht ontzegt, die bij een claim te koopen of een mijn voor eigen rekening te ontginnen.
Het feit was nauwelijks bekend geworden,—dat gebeurde tegen den avond, op het tijdstip dat de bevolking van het kamp na haren maaltijd het meest rumoerig was,—of eene woedende menigte viel op het huis van den schuldige aan, brak dat tot op den grond toe af en stak de materialen daarna in brand. Zeer waarschijnlijk had men den Yankee opgehangen aan eene galg, die gewillige borsten reeds overeindstelden, toen zeer gelukkig een dozijn rijdende politiedienaren bij tijds aankwam en hem het leven redde, maar hem daartoe naar de gevangenis moest meênemen.
Tooneelen van geweld kwamen daarenboven te midden van die gemengde, hartstochtelijke en half wilde bevolking veelvuldig voor. Daar kwamen al de rassen in botsing met elkander. Daar werkten de gouddorst, de dronkenschap, de invloed van een verzengend klimaat, de teleurstellingen en de misrekeningen te zamen om de hersenen te verhitten en de gewetens te verwarren. Wellicht wanneer al die mannen gelukkig in hunne delvingen waren, zouden zij meer hunne kalmte en hun geduld bewaard hebben; maar tegen een enkele, die van tijd tot tijd eens een steen van groote waarde vond, stonden er honderden, die moeitevol een plantenleven leidden en te nauwernood zooveel verdienden om in hunne eerste behoeften te voorzien. Veelal vervielen zij in de grootste ellende. De mijn kon beschouwd worden als de groene tafel in een speelhol, waarop men niet alleen zijn kapitaal, maar ook zijn tijd, zijne moeite en zijne gezondheid waagde. En het getal der gelukkige spelers, die de claims van de Vandergaart-Kopjes-mijn met hunne pikhouweelen doorwroetten, was zeer klein.
Dat begon Cyprianus van dag tot dag meer en meer helder in te zien. Hij vroeg zich dan ook ernstig af, of hij al dan niet voortgaan moest met een arbeid, die hem zoo bitter weinig voordeel opbracht, toen hij er eensklaps toe kwam om zijne gewone wijze van doen bij zijn werk te wijzigen.
Hij bevond zich namelijk op een morgen vlak tegenover eene bende, bestaande uit een dozijn Kaffers, die naar het kamp toe kwam om er werk te zoeken.
Die arme lieden kwamen uit het verre gebergte, dat het eigenlijke Kafferland van het land der Bassuto’s scheidt. Zij hadden meer dan honderd-vijftiguren gaans afgelegd langs de Oranjerivier, en daarbij op Indiaansche wijze, dat wil zeggen: de een achter den ander, geloopen. Onderweg hadden zij geleefd van hetgeen zij vonden, van wortels, bessen en sprinkhanen. Zij waren dan ook zoo vermagerd, dat zij eerder op geraamten geleken dan op levende wezens.Methunne uitgeteerde spillebeenen, met hunne geheel naakte ruggen, die als met perkament overtogen waren en veel van een leegen romp hadden, met hunne vooruitstekende ribben, hunne ingevallen wangen, hadden zij er meer van op een flinken beafsteak van menschenvleesch belust te zijn, dan wel geneigd bevonden te worden eene goede karwei te volvoeren. Niemand was dan ook genegen om hen in dienst te nemen, en zij zaten thans op den kant van den weg neergehurkt, met een weifelachtig uiterlijk, terneergeslagen en als het ware verdierlijkt door de ellende.
Bij dat schouwspel voelde Cyprianus zich diep bewogen. Hij gaf hun door teekens te verstaan, dat zij hem zouden wachten, liep toen naar het hotel terug, waar hij gewoonlijk zijn maaltijd gebruikte, en bestelde daar een grooten ketel gevuld met maïsmeel, dat in kokend water opgelost was, dien hij de arme drommels deed brengen, te gelijker tijd met eenige blikken bussen verduurzaamd vleesch en twee flesschen rum.
Daarna schonk hij zich de pret, die lieden te zien smullen aan een maaltijd, welks weerga zij nimmer onder de oogen gehad hadden.
Waarachtig, men zou gemeend hebben schipbreukelingen voor zich te zien, die, na gedurende veertien dagen honger geleden en in doodsangst doorgebracht te hebben, van een watervlot gered waren! Zij aten zooveel, dat hunne buiken een kwartier later tot barstens toe gevuld waren. In het belang hunner gezondheid moest een eind gemaakt worden aan die smulpartij, anders kon eene algemeene verstikking de gasten naar het rijk der dooden doen verhuizen.
Een enkele van die negers, met een slim en ontwikkeld uiterlijk—de jongste van allen, voor zooveel een oordeel over hun ouderdom te vellen was,—had eenige matigheid bij het stillen van zijn honger aan den dag gelegd. En wat nog meer zeldzaam was, hij kwam op de goede gedachte zijn weldoener te bedanken, wat in het brein der anderen in het geheel niet opkwam. Hij naderde Cyprianus, greep zijne hand met een kinderlijk en bevallig gebaar, en legde deze daarna op zijn gekroesd hoofd.
“Hoe heet gij?” vroeg de jonge ingenieur, door dat dankbaarheidsbetoon getroffen, om wat te zeggen.
De Kaffer, die bij toeval eenige woorden Engelsch verstond, antwoordde dadelijk:
“Makatit.”
Zijn heldere en vertrouwvolle blik beviel Cyprianus. Hij vatte dan ook dadelijk het denkbeeld op, dien flink gebouwden jongen aan te werven, om in zijn claim te arbeiden, en dat denkbeeld kon niet anders dan goed wezen.
“Iedereen hier in het district doet zoo, alles wel beschouwd!” sprak hij tot zich zelven. “En voor dien armen Kaffer zal het ook beter zijn mij tot meester te hebben, dan den een of anderen Pantalucci.
“Welnu, Makatit, je komt voorzeker werk zoeken?” vroeg hij.
De Kaffer gaf een bevestigend teeken.
“Wil je bij mij arbeiden? Ik zal je te eten geven, ik zal je de noodige gereedschappen leveren, en daarenboven krijg je nog twintig shillings per maand!”
Dat was de bepaalde prijs, en Cyprianus wist wel, dat hij niet meer mocht uitloven, zonder zich aan de woede van de kampbewoners bloot te stellen. Maar hij maakte bij zich zelven de afspraak, die schrale betaling te vergoeden door hem kleedingstukken te schenken, alsook huisraad en andere dingen, die hij denken kon, dat kostbaar in het oog eens Kaffers waren.
Makatit lachte en vertoonde voor eenig antwoord zijn beide rijen hagelwitte tanden. Daarna plaatste hij andermaal de hand van zijn beschermer op zijn hoofd. Zoo was het wederzijdsche contract geteekend.
Cyprianus voerde dadelijk zijn nieuwen bediende in zijne woning. Hij nam uit zijn valies een linnen broek, een flanellen hemd en een ouden hoed, en gaf dit alles aan Makatit, die daar bedremmeld stond en zijne oogen niet durfde gelooven. Wat! zich reeds bijzijne komst in het kamp in het bezit gesteld te zien van een zoo prachtig kostuum! Zie, dat overtrof de stoutste verwachtingen, de meest buitensporige droomen van den armen drommel. Hij wist niet hoe hij zijne dankbaarheid zoude te kennen geven. Hij danste van vreugde, hij lachte en weende te gelijker tijd.
“Ik geloof dat je een goede jongen bent, Makatit,” zei Cyprianus. “En ik geloof dat je een beetje Engelsch verstaat.... Maar kan je geen enkel woord spreken?”
De Kaffer wenkte: neen.
“Welnu, als dat zoo is, dan raad ik je aan, om het Fransch te leeren,” hernam Cyprianus.
En zonder dralen begon hij zijn leerling eene eerste les te geven. Hij wees hem de meest gebruikelijke voorwerpen aan, sprak de namen dan uit en deed ze hem herhalen.
Nu was Makatit niet alleen een kloeke jongen, maar hij had ook een ontwikkelden geest en was begaafd met een meer dan gewoon geheugen. Hij had in minder dan twee uren meer dan honderd woorden geleerd, die hij zeer zuiver uitsprak.
De jonge ingenieur was opgetogen over zulk een gemakkelijk bevattingsvermogen, en nam zich voor, dat nog meer te ontwikkelen.
Er waren voor den jongen Kaffer zeven of acht dagen rust noodig, gepaard aan eene degelijke voeding, om zich van de vermoeienissen der reis te herstellen en volkomen in staat te zijn den arbeid te beginnen. Nu waren die acht dagen zoo goed door hem en door zijn professor aangewend, dat Makatit bij het einde der week reeds in staat was zijne gedachten in het Fransch uit te drukken, nog slechts onnauwkeurig wel is waar, maar toch volkomen verstaanbaar. Cyprianus benuttigde dien staat van zaken om den neger zijne geheele geschiedenis te laten vertellen. Zij was vrij eenvoudig.
Makatit wist zelfs den naam van zijn land niet, dat in het gebergte naar den kant van de opgaande zon gelegen was. Alles wat hij er van wist te vertellen, was, dat hij het er zeer ellendig gehad had. Toen was hij op de gedachte gekomen, zijn fortuin te beproeven, zooals ettelijke krijgslieden van zijn stam gedaan hadden, die daartoe hun vaderland verlaten hadden, en zoo was hij evenals zij naar de Diamantvelden gekomen.
Wat dacht hij daar te verdienen? Niets anders dan een rooden rok en tienmaal tien zilveren geldstukken.
De Kaffers versmaden werkelijk goud geld. Dit spruit voort uit een onuitroeibaar vooroordeel, dat hun de eerste Europeanen, die met hen handel dreven, medegedeeld hebben.
En wat zou nu de hebzuchtige Makatit met die zilveren geldstukken uitvoeren?
Welnu, hij zou zich een rooden rok aanschaffen, een geweer en buskruit; daarna zou hij naar zijne kraal terugkeeren. Daar zou hij zich eene vrouw koopen, die voor hem zou werken, zijne koe zou oppassen en zijn akker met maïs beplanten. In dien toestand zou hij een belangrijk man zijn, een groot opperhoofd. Iedereen zou hem zijn geweer en zijn groot vermogen benijden, en hij zou na lange jaren geacht en geëerd ten grave dalen.
Dat was niet zeer ingewikkeld, niet waar?
Cyprianus verzonk in gedachten, toen hij dit zoo eenvoudige programma vernam. Zou hij er zich toe leenen dat te wijzigen? Moest hij den bekrompen gezichteinder van dien armen wilde verruimen? Moest hij voor zijn ijver en werkzaamheid een ander doel aanwijzen, een grootscher en verhevener dan het veroveren van een rooden rok en een prullig vuursteengeweer? Of was het niet beter, hem in zijne kinderlijke onwetendheid te laten, hem in vrede het leven in zijne kraal te laten leiden en genieten, zooals hij zoo vurig gewenscht had? Dat was een belangrijk vraagstuk, dat de jonge ingenieur niet durfde oplossen, maar dat Makatit zelf weldra tot oplossing bracht.
En waarlijk, nauwelijks waren den jeugdigen Kaffer de grondbeginselen der Fransche taal medegedeeld, of hij toonde een onverzadelijken leerlust te bezitten. Hij vroeg steeds, hij verlangde alles te weten, niet alleen den naam van ieder voorwerp, maar ook zijn gebruik, zijn oorsprong, waarvan het gemaakt was, enz. Toen kwam het leeren lezen, het leeren schrijven, het leeren rekenen aan de beurt, om hem hartstochtelijkleerlustig te maken. Waarachtig, die negerjongen was onverzadelijk.
Het besluit van Cyprianus was weldra genomen. Tegenover zulk eene blijkbare roeping viel er niet te aarzelen. Hij besloot dus iederen avond een uur les aan Makatit te geven, die na zijne werkzaamheden in de mijn volbracht te hebben, al zijn vrijen tijd, die hem beschikbaar bleef, aan zijne vorming besteedde.
Miss Watkins, op hare beurt ook getroffen door dien zeldzamen ijver, nam op zich den jeugdigen Kaffer bij haar een herhalingscursus te laten doorloopen. Dat was eigenlijk minder noodig; want hij zei zijne lessen gedurende den geheelen dag bij zich zelven op, terwijl hij in den claim met krachtigen arm het pikhouweel hanteerde.
Zijn ijver bij het werk was zoo aanstekelijk, dat hij zich aan het geheele personeel mededeelde als eene besmetting zoodat de mijnarbeid veel beter en met meer zorg scheen te geschieden.
Cyprianus had daarenboven op aanbeveling van Makatit zelf een anderen Kaffer van denzelfden stam in dienst genomen, die Bardik heette en wiens ijver en schranderheid insgelijks opmerkelijk waren.
Het was in die dagen, dat den jeugdigen ingenieur een gelukje ten deel viel, dat hem nog niet overkomen was; namelijk van een steen van ongeveer zeven karaten te vinden, dien hij onmiddellijk voor twee-duizend-vijf-honderd gulden aan den makelaar Nathan verkocht.
Dat was waarlijk een fraaie vondst. Een mijnwerker, die van de opbrengst zijns arbeids slechts een normale vergoeding verwachtte zou zich met recht tevreden gesteld gezien hebben. Voorzeker! Ongetwijfeld! Toch was Cyprianus het niet.
“Als mij alle twee of drie maanden zoo’n buitenkansje wedervoer,” vroeg hij zich zelven af, “zou ik dan wel veel verder zijn? Ik moet niet één steen van zeven karaten hebben, ik zou duizend of vijftien-honderd dergelijke steenen moeten vinden,.... of Miss Watkins is voor mij verloren, om ten buit te vallen aan James Hilton of aan eenigen anderen mededinger, die haar even onwaardig is?”
Het hoofd vol van die treurige gedachten, keerde Cyprianus op een snikheeten dag, dat de atmosfeer met fijn rood verblindend stof, hetwelk in de lucht der diamantvelden steeds zwevende is, bezwangerd was, naar de Kopjes-mijn terug, toen hij plotseling, bij het omslaan van den hoek eener hut, met afgrijzen achteruit deinsde. Een treurig schouwspel trof daar zijne oogen.
Aan den disselboom eener ossenkar, die rechtop tegen den gevelmuur der hut, met het onderste gedeelte op den grond rustende en het andere einde omhoog gesteld was, was een man opgehangen. Bewegingloos, met uitgestrekte voeten, de handen machteloos omlaag, hing dat lichaam daar te midden van eene verblindende lichtstraal recht als het koord van een schietlood en vormde met den disselboom een hoek van twintig graden.
Dat was een akelig gezicht.
Cyprianus, die eerst zeer ontsteld was, werd weldra door groot medelijden bewogen, toen hij den Chinees Li herkende, die daar door middel van zijne lange haarvlecht, die om den hals was geslagen, opgehangen was.
De jeugdige ingenieur aarzelde geen oogenblik over hetgeen hij te doen had. Naar het boveneind van dien disselboom opklimmen, het lichaam des gehangenen onder de armen aanvatten, het ophijschen om de verdere werking der verstikking te doen ophouden, en eindelijk de haarvlecht met zijn zakmes doorsnijden, dat alles was het werk van een halve minuut. Toen dat volvoerd was, liet hij zich langzaam en voorzichtig naar beneden glijden en legde zijn last in de schaduw, door de hut geworpen, neer.
Het was waarlijk tijd, Li was nog wel niet koud; zijn hart klopte zwakjes, maar het klopte nog. Weldra opende hij de oogen en wat het zonderlingste was, met die beweging kreeg hij ook zijn geheele bewustzijn terug.
Op het strakke gelaat van den armen drommel was zelfs in dit uiterste beproevingsuur noch schrik noch eenige verwondering merkbaar. Men zou waarlijk gezegd hebben, dat hij eenvoudig uit een lichten slaap ontwaakt was.
Cyprianus liet hem wat water met azijn vermengd, dat hij in zijne veld flesch bij zich droeg, drinken.
“Kunt gij thans spreken?” vroeg hij werktuiglijk, vergetende dat Li hem niet begreep.
De andere knikte evenwel bevestigend.
“Wie heeft u opgehangen?”
“Ik,” antwoordde de Chinees met kalmte, zonder dat iets aanduidde, dat hij er zich van bewust was iets buitengewoons of iets berispelijks verricht te hebben.
“Gij?.... Maar ongelukkige, gij wildet dan zelfmoord plegen?.... Wat bewoog u daartoe?”
“Li had het te warm!.... Li verveelde zich!....”
Daarop sloot hij de oogen, als om aan meerdere vragen te ontsnappen.
Thans bemerkte Cyprianus eerst de vreemde bijzonderheid, dat het gesprek in het Fransch gevoerd was.
“Spreekt gij ook Engelsch?” vroeg hij.
“Ja,” antwoordde Li, terwijl hij de oogen opende.
Waarachtig, het was of twee schuine knoopsgaten ter weerszijden van zijn kleinen stompneus gaapten.
Cyprianus meende thans weer in dien blik iets van die spotzucht te ontwaren, die hij herhaaldelijk meende te betrappen gedurende de reis van Kaapstad naar Kimberley.
“Uwe beweegredenen zijn al te dwaas!” zei hij gestreng. “Men doet zijn leven niet te kort omdat men het te warm heeft!.... Spreek ernstig.... Ik wed dat daaronder weer een gemeene streek van dien Pantalucci schuilt?”
De Chinees boog het hoofd.
“Hij wilde mij mijne haarvlecht afsnijden,” fluisterde hij zacht; “en ik ben zeker, dat hij in dat opzet geslaagd zoude zijn, eer wij twee dagen verder waren.”
Maar in hetzelfde oogenblik zag hij dien belangrijken haarstaart, dien Cyprianus nog steeds in de hand hield, en kreeg daardoor de overtuiging dat hetgeen wat hij boven alles gevreesd had, geschied was.
“O, mijnheer!....” riep hij met een hartverscheurenden kreet uit. “Wat!..... Hebt gij.... gij mij mijn staart afgesneden?”
“Ik moest wel, om u van dien strik los te maken, mijn vriend,” antwoordde Cyprianus. “Maar wat duivel, zult gij in dit land zonder staart een stuiver minder waard zijn? Kom, stel u niet zoo dwaas aan!”
De Chinees scheen evenwel zoo wanhopig over dat verlies te zijn, dat Cyprianus, vreezende dat hij weer het een of ander middel tot zelfmoord te baat zou nemen, besloot naar huis terug te keeren en hem mede te nemen.
Li volgde hem gewillig, zette zich aan tafel met zijn redder, liet zich geduldig kapittelen en beloofde zijne poging niet te herhalen. Zelfs ging hij zoover in zijne vertrouwelijkheid, dat hij onder het genot van een kop brandend heete thee eenige mededeelingen betreffende zijne levensgeschiedenis leverde.
Li, die te Kanton geboren werd, was in een Engelsch handelshuis voor den handel opgeleid. Daarna was hij naar Ceylon en van daar naar Australië overgestoken, om eindelijk in Afrika terecht te komen. Nergens was het hem meegeloopen. De wasch-affaire hier in het mijndistrict ging al evenslechtals twintig andere handwerken, die hij uitgeoefend had. Zijne nachtmerrie was Hannibal Pantalucci. Dat wezen maakte hem ellendig, en zonder dien kerel zou hij tevreden zijn met de schamele bete broods, die hij in Grikwaland verdiende. Om kort te gaan, het was om die vervolgingen en die martelingen te ontgaan, dat hij een einde aan zijn leven had willen maken.
Cyprianus troostte den armen kerel en sprak hem moed in. Hij beloofde hem tegenover den Napolitaan te zullen beschermen, gaf hem al zijn vuil linnen, dat hij onder de hand had, om te wasschen, en zond hem heen niet alleen getroost, maar volmaakt genezen van zijn bijgeloof betreffende zijn harig aanhangsel.
En wil de lezer weten hoe de jonge ingenieur dat doel bereikt had? Niets eenvoudiger dan dit: Hij had hem met den meest mogelijken ernst verzekerd, dat de strop eens gehangenen geluk aanbrengt en dat de invloed van zijn ongelukkig gesternte een einde zou nemen, nu hij zijn staart in den zak had.
“In ieder geval zal Pantalucci hem nu niet meer kunnen afsnijden!”
Deze echt Chineesche redeneering bracht Li’s genezing tot volmaking.