Nooit had John Watkins in zulk een booze luim verkeerd, dan sedert het vertrek der vier mededingers, die den vluchtenden Makatit zouden vervolgen. Iedere dag, iedere week, die voorbij snelde, scheen hem een karaktergebrek te meer te verleenen, terwijl de kansen, die hij meende te hebben tot terugerlanging van den kostbaren diamant, al minder en minder werden. Daar kwam nog bij, dat hem zijne gewone tafelschuimers ontbraken, te weten: James Hilton, Friedel, Hannibal Pantalucci en zelfs Cyprianus, dien hij gewoon was in zijn gezelschap te zien. Hij zocht dus zijn troost in zijne jeneverkruik en, het moet wel erkend worden, die alcoholische troost was niet geschikt om zijne inborst te verzachten.
Men had bovendien wel reden op de hoeve zich omtrent het lot der overblijvenden van den tocht ongerust te maken. Want inderdaad, Bardik, die door eene bende Kaffers opgelicht werd, was er in geslaagd, eenige dagen later te ontsnappen. Bij zijn terugkeer in Grikwaland had hij John Watkins den dood van James Hilton en van Friedel medegedeeld. Dat was wel een slecht voorteeken voor de overlevenden, namelijk voor Cyprianus Méré, voor Hannibal Pantalucci en voor den Chinees Li.
Alice gevoelde zich dan ook zeer ongelukkig. Zij zong niet meer en haar piano bleef volmaakt stom. Ter nauwernood konden hare struisvogels haar nog eenige belangstelling inboezemen. Zelfs Dada had het voorrecht niet meer hare meesteres door haar gulzigheidte doen glimlachen. Zij slokte straffeloos de meest uiteenloopende zaken naar binnen, zonder dat iemand dat belette.
Miss Watkins zat nu tusschen twee vreezen benepen, die al grooter en grooter in hare verbeelding werden. De eerste was: dat Cyprianus nimmer van dien verwenschten tocht zoude wederkeeren; de tweede: dat Hannibal Pantalucci, de meest verafschuwde der drie mededingers om hare hand deZuidsterkon terugbrengen en den prijs van zijn welslagen kon vorderen. Het denkbeeld dat zij genoodzaakt zou kunnen worden als de wederhelft op te treden van dien boosaardigen en sluwen Napolitaan, die haar eene onoverwinnelijke walging inboezemde, vooral sedert zij een meer bevallig mensch, als Cyprianus Méré van nabij had leeren kennen en waardeeren, was haar onverdragelijk, maar die gedachte was toch niet te verdrijven. Zij dacht er over dag en zij droomde er des nachts van. Hare frissche kleur verbleekte en hare blauwe oogen benevelden zich met een somber waas.
Nu wachtte zij zoo reeds drie maanden in zak en asch. Dien avond juist zat zij bij de lamp, terwijl haar vader bij zijne kruik jenever ingedommeld was. Zij had het hoofd over eenig borduurwerk, dat zij ter hand genomen had, om de verwaarloosde muziek te vervangen, voorover gebogen, en mijmerde zoo droefgeestig mogelijk.
Een bescheiden geklop brak plotseling hare droomerijen af.
“Binnen!” riep zij, vrij verwonderd, dat iemand nog zoo laat kon komen.
“Ik ben het slechts, miss Watkins,” antwoordde eene stem, die haar deed trillen. Het was de stem van Cyprianus.
Hij was het waarlijk, maar bleek, vermagerd, door de zon gebruind, met een langen baard, die hem schier onherkenbaar maakte, met kleêren aan het lijf, die door de gebeurtenissen, welke zij beleefd hadden, meer dan geleden hadden. Maar al zag hij er armzalig uit, hij was steeds vlug ter been, steeds beschaafd en beleefd, met een helderen blik en een glimlach op de lippen.
Alice was met een kreet van verwondering en vreugde opgesprongen. Met hare eene hand poogde zij het kloppen van haar hart te bedwingen, de andere stak zij evenwel den jeugdigen ingenieur toe, die haar greep, haar tusschen de zijne sloot, toen master Watkins, uit zijne dommeling ontwakende, de oogen opende en vroeg wat er toch gaande was.
De dronkaard had een paar minuten noodig, om zich omtrent de werkelijkheid rekenschap te geven. Maar nauwelijks was een sprank van bewustzijn in dat hoofd teruggekeerd, toen hem een kreet—ja, waarlijk een kreet des harten ontsnapte:
“En de diamant?”
De diamant? Helaas! neen, die was niet mee teruggekomen.
Cyprianus verhaalde vlug al de verschillende tafereelen der expeditie: hoe Friedel, Hannibal Pantalucci en James Hilton den dood gevonden hadden. Hij vertelde de vervolging van Makatit, diens gevangenschap bij Tonaïa, maar hij verzweeg diens terugkeer in Grikwaland,—hoewel hij openhartig zijn zekerheid mededeelde, omtrent de onschuld van den jeugdigen Kaffer. Hij vergat niet zijn volle waardeering omtrent de toewijding van Bardik en van Li te doen blijken; hij bracht alle hulde aan de vriendschap van Pharamond Barthès en herinnerde zich gaarne alles, wat hij aan den koenen jager verschuldigd was, en hoe hij door zijne tusschenkomst het geluk had, om terug te komen van eene reis, die zoo noodlottig voor zijne tochtgenooten geweest was. Geheel onder den indruk van de aandoening, die hem zijn eigen tragisch verhaal inboezemde, bedekte hij wetens en willens met den mantel der liefde al de tekortkomingen en al de snoode en misdadige plannen zijner mededingers, en verkoos hij in hen niets anders te zien dan slachtoffers, omgekomen bij het najagen van een gemeenschappelijk doel. Hij verhaalde alles, behalve datgene waarvan hij geheimhouding gezworen had, te weten het bestaan van de wondergrot en van de rijkdommen aan mineralen, welke zij bevatte en waarbij vergeleken, al de diamanten van Grikwaland waardeloos grint waren.
“Tonaïa,” zoo eindigde hij zijn verhaal, “heeft stipt alle zijne overeenkomsten vervuld. Twee dagen nadat wij in zijne hoofdstad aangekomen waren, was alles tot ons vertrek gereed.Alles, alles: zoowel mondvoorraad als de bespanningen en het eskorte. Ongeveer drie honderd negers, die met meel en gerookt vleesch beladen waren en onder de bevelen van den koning in persoon stonden, hebben ons tot bij het kampement vergezeld, waar wij onzen wagen in zeer goeden staat en onder struikgewas verborgen, terugvonden. Wij hebben toen afscheid van onzen gastheer genomen, na hem vijf geweren te hebben gegeven in plaats van vier, waarop hij rekende, waardoor hij de machtigste potentaat geworden is, die tusschen de Limpopo en de Zambezi-rivier aangetroffen kan worden!”
“Maar hoe is de reis geweest van dat kampement af?”.... vroeg miss Watkins.
“O, die terugreis ging zeer langzaam,” antwoordde Cyprianus, “hoewel wij daarbij geen moeielijkheden of wederwaardigheden ondervonden. Het eskorte heeft ons eerst op de grenzen van de Transvaal verlaten, waar ook Pharamond Barthès en zijne Bassuto’s afscheid van ons hebben genomen om naar Durban te reizen. Eindelijk na een marsch van veertien dagen dwars door het Veld, zijn wij hier aangekomen, evenwel niet rijker dan toen wij vertrokken.”
“Maar waarom is Makatit ontvlucht?” vroeg master Watkins, die dat verhaal met eene levendige belangstelling aangehoord had, evenwel zonder eene bijzondere aandoening te laten blijken omtrent de drie mannen, die niet meer terugkomen zouden.
“Makatit vluchtte, omdat hij ijlhoofdig van angst was,” antwoordde de jeugdige ingenieur.
“Bestaat er dan geen gerechtigheid meer in Grikwaland?” vroeg de pachter, terwijl hij de schouders optrok.
“Hoe het ook zij, ik herhaal dat hij niet schuldig is, en ik hoop dat men hem met rust zal laten.”
“Hm!” kuchte John Watkins, die de waarde van die betuiging niet bijster hoog scheen te schatten. “Zoudt ge niet eerder gelooven, dat die looze Makatit slechts de bangoor gespeeld heeft, om buiten het bereik der politie te geraken?”
“Neen!.... hij is onschuldig!.... Mijne overtuiging is dienaangaande onherroepelijk gevestigd!” antwoordde Cyprianus wel wat kortaf, “en ik heb die overtuiging duur genoeg gekocht, dunkt mij.”
“O, ik tast uwe overtuiging niet aan!” riep John Watkins uit, “maar laat mij ook de mijne!”
Alice zag in, dat die woordenwisseling in twist ontaarden zou. Zij haastte zich dus er eene afleiding aan te geven:
“A propos, mijnheer Cyprianus Méré,” zeide zij, “weet gij wel dat uwe claim gedurende uwe afwezigheid uitmuntend is geworden en dat uw vennoot Thomas Staal op weg is een der rijkste mijnwerkers van de Kopjes-mijn te worden?”
“Neen,” antwoordde Cyprianus openhartig, “dat wist ik niet. Mijn eerste bezoek heeft u gegolden, miss Watkins, en ik weet niets van hetgeen in mijne afwezigheid is voorgevallen.”
“Misschien hebt gij zelfs niet gegeten?” vroeg Alice met dat vrouwelijke instinct, hetwelk eene goede huismoeder kenmerkt.
“Dat beken ik gul uit,” antwoordde Cyprianus met een blos, hoewel er geen reden tot blozen bestond.
“Maar gij kunt toch zoo niet heengaan, zonder iets gegeten te hebben, mijnheer Méré!.... Een pas van ziekte herstellende.... na eene zoo moeielijke reis!.... Denk er toch aan, het is reeds elf uur in den avond!”
En zonder naar zijne tegenkantingen te luisteren, liep zij naar de huiskamer en kwam weldra met een blaadje terug, dat met een helderwitten doek overdekt was en waarop een paar borden met koud vleesch stonden, alsook een fraaie perziken-taart, die zij zelve gemaakt had.
De tafel was weldra gedekt voor Cyprianus, die geheel verlegen was. En daar hij scheen te aarzelen, om het mes in eene prachtige “biltong”, een soort verduurzaamd struisvogelenvleesch, te zetten, vroeg miss Watkins met haren frisschen glimlach:
“Zal ik het u voorsnijden?”
De vader van het meisje scheen bij dat gastronomisch vertoon eetlust te krijgen. Hij vroeg althans ook een bord en eene snede biltong. Alice haastte zich snel, om hem niet te laten wachten en, om de heeren gezelschap te houden, begon zij eenige amandelen te knabbelen.
Dat geïmproviseerde souper was verrukkelijk.Nimmer had de jeugdige ingenieur zooveel eetlust ondervonden. Hij bediende zich drie malen van de perziken-taart, dronk twee glazen Constantiawijn en bekroonde die heldendaden luisterrijk door er in toe te stemmen de gin te proeven van master Watkins, die evenwel weer spoedig insliep.
“En wat hebt gij sedert drie maanden uitgevoerd?” vroeg Cyprianus aan Alice. “Ik vrees, dat gij al wat gij van de scheikunde geleerd hebt, vergeten zijt!”
“Daarin vergist gij u, mijnheer Méré,” antwoordde miss Watkins op ietwat verwijtenden toon. “Ik heb integendeel hard gestudeerd en ik heb mij zelfs veroorloofd eenige proeven in uw laboratorium te nemen. O! wees gerust, ik heb niets gebroken en ik heb alles weer op zijne plaats gezet. Ik houd veel van de scheikunde en ik heb nimmer kunnen begrijpen, dat gij die prachtige wetenschap hebt kunnen vaarwel zeggen, om mijnwerker in de Kopjes-mijn te worden!”
“Gij zijt wreed, miss Watkins. Gij weet zeer goed, waarom ik de scheikunde vaarwel gezegd had!”
“Ik.... ik weet er niets van,” antwoordde Alice hevig blozende. Ik vind dat gij zeer verkeerd gedaan hebt. Als ik in uwe plaats was dan zou ik andermaal beproeven diamanten te vervaardigen. Dat is veel netter dan zoo in den grond te wroeten.”
“Is dat een bevel, hetwelk gij mij geeft?” vroeg Cyprianus met eene ietwat bevende stem.
“O! geen bevel waarlijk niet,” antwoordde miss Watkins met een bekoorlijken glimlach. “Het is hoogstens een verzoek!.... Och, mijnheer Méré,” hernam zij ernstig, als om den luchtigen toon harer woorden te doen vergeten, “als gij wist hoe ongelukkig ik mij gevoelde bij het bewustzijn van al de vermoeienissen, van al de gevaren, die gij ondergaan, die gij geloopen hebt. Ik was natuurlijk onkundig van al die bijzonderheden, maar toch meende ik er het algemeene overzicht van geraden te hebben. Ik zei zoo in mij zelve: moet een man, die zoo geleerd is, die zoo voorbestemd is om groote zaken tot stand te brengen, groote ontdekkingen te doen, moet zoo iemand blootgesteld zijn, om ellendig in de woestijn om te komen, om te sterven tengevolge van den beet eener slang of onder den klauw van een tijger, zonder eenig voordeel voor de wetenschap en voor de menschheid?.... Maar, het is waarlijk eene misdaad, hem te hebben laten vertrekken!.... En, ik had gelijk!.... want is het geen wonder bijna, dat gij teruggekomen zijt? Zonder uw vriend Pharamond Barthès, dien de hemel zegene, zoudt....”
Zij kon niet voortgaan; hare stem hokte; maar twee dikke tranen ontrolden aan hare schoone oogen en voltooiden haren gedachtengang, dien zij niet vermocht uit te spreken.
Cyprianus was op zijne beurt ook zeer ontroerd.
“Zie daar twee tranen, die voor mij kostbaarder zijn dan alle diamanten ter wereld en die mij alle de ondergane vermoeienissen, al waren zij nog veel grooter geweest, zouden doen vergeten,” sprak hij op eenvoudigen toon.
Er trad eene stilte in, die het meisje met haren gewonen takt verbrak, door het gesprek weer op het terrein der scheikunde terug te voeren.
Middernacht was reeds voorbij, toen Cyprianus naar zijne hut terugkeerde, waar een pak brieven uit Frankrijk aangekomen, op hem lagen te wachten. Die brieven waren zorgvuldig door miss Watkins op zijne werktafel gerangschikt.
Zooals het meermalen na eene lange afwezigheid gebeurt, hij was bang om die brieven te openen. Als zij hem eens de tijding van eenig ongeluk overbrachten!.... Zijn vader, zijn moeder, zijn zusje Johanna!.... Zoo veel had toch gedurende die drie maanden kunnen gebeuren!
Hem ontsnapte een zucht van verlichting, toen hij zich overtuigd had, dat die brieven slechts stof tot tevredenheid bevatten. Al de zijnen waren welvarend. Van het ministerie ontving hij slechts warme lofuitingen ten opzichte van zijne fraaie stelling omtrent de diamantvormingen. Hij kon zijn verblijf in Grikwaland nog een semester rekken, wanneer hij dat dienstig voor de wetenschap achtte. Alles was dus ten beste geschikt en Cyprianus sliep dien nacht in, met zulk een verlicht gemoed als hij in lang niet ondervonden had.
De voormiddag van den anderen dag werd besteed om zijne vrienden te bezoeken, voornamelijk Thomas Staal, die werkelijk prachtige vondsten op de gezamenlijke claim gedaan had. De brave kerel uit Lancashire ontving zijn vennoot met de meeste hartelijkheid en kwam met Cyprianus overeen, dat Bardik en Li evenals vroeger hunne werkzaamheden hervatten zouden. Hij behield zich voor, om, wanneer hunne nasporingen met goed gevolg bekroond werden, hun een deel van de winst af te staan en zoodoende een klein kapitaal te verzekeren.
Wat Cyprianus betrof, hij was vastbesloten de kansen van het mijnleven die hem steeds ongunstig geweest waren, niet meer te beproeven. Hij volgde daarbij den wensch op van Alice en besloot derhalve zijne scheikundige nasporingen te hervatten.
Zijn onderhoud met het jonge meisje had tot niets anders geleid, dan om zijne eigene overwegingen te bekrachtigen. Hij had zich zelven reeds sedert lang gezegd, dat zijn pad, het pad niet was van handenarbeid, ook niet der avontuurlijke tochten. Hij was te loyaal van karakter en te trouw aan het eenmaal gegeven woord, om er een oogenblik aan te denken misbruik van het vertrouwen van Tonaïa te maken, en de kennis der onmetelijke grot, metkristalformatiëngevuld, te benuttigen; maar hij vond in die daadwerkelijke zekerheid eene te kostbare bevestiging van zijne stelling over de diamantlegeringen, om daaruit niet een nieuwen grond voor zijne onderzoekingen te putten.
Cyprianus hervatte dus zijn laboratorium-bestaan, zooals hij dat noemde. Hij wilde evenwel het pad niet verlaten, waarop hij reeds eenmaal geslaagd was en was dan ook vast besloten op dien weg zijne eerste nasporingen te vervolgen.
Er was daarvoor een reden, een der meest geldende redenen, zooals men zien zal.
Sedert toch de kunstmatige diamant als onherroepelijk verloren moest beschouwd worden, sprak master Watkins, die eerst met het huwelijk van Cyprianus en Alice scheen in te stemmen, er in het geheel niet meer over.
Nu was het waarschijnlijk, dat wanneer de jeugdige ingenieur er in slaagde, andermaal een diamant van overgroote waarde te vervaardigen, die bijvoorbeeld op ettelijke millioenen zou geschat worden, de Engelschman wel weer tot zijn vroegere opvattingen zou terug te brengen zijn.
Vandaar dan ook het besluit, om zich zonder dralen weer aan den arbeid te zetten; en Cyprianus hield dat niet genoegzaam geheim voor de arbeiders in de Vandergaart-Kopjes-mijn.
Nadat hij zich andermaal eene buis, welker wanden een groot weerstandsvermogen bezaten, aangeschaft had, begon hij andermaal zijne werkzaamheid.
“En toch, wat mij ontbreekt,” zei hij tot Alice, “om gekristalliseerde koolstof, d.w.z. diamant te bekomen, dat is een doelmatig oplossingsmiddel, dat hetzij door verdamping, hetzij door afkoeling, de koolstof laat kristalliseeren. Voor het aluminium heeft men dat oplossingsmiddel in de zwavelzure koolstof gevonden. Het komt er nu op aan om bij wijze van overeenkomst voor de koolstof, of voor de daarmee vrijwel overeenkomende lichamen als het borium en silicium, zulk een oplossingsmiddel te vinden.”
Intusschen zette Cyprianus, hoewel hij dat oplossingsmiddel niet bezat, alle haast bij zijn werk. Bij afwezigheid van Makatit, die zich voorzichtigheidshalve nog niet in het kamp vertoond had, was Bardik thans belast om het vuur dag en nacht levendig te houden. Die taak vervulde hij met denzelfden ijver als zijn voorganger.
Inmiddels wilde Cyprianus, in het vooruitzicht van na afloop van zijn verlenging van verblijf in Grikwaland, genoodzaakt te zijn naar Europa terug te keeren, zich van een arbeid kwijten, die op het programma zijner uit te voeren verrichtingen voorkwam, maar dien hij nog niet had kunnen ondernemen. Dat was de nauwkeurige ligging aan te geven eener terreinplooi, die noordwestwaarts van de vlakte aangetroffen werd. De terreinplooi beschouwde hij, of beter verdacht hij te zijn de trechter waardoor de wateren weggevloeid waren in het lang vervlogen tijdperk, waarin de diamant-vormingen van het district door de natuur tot stand gebracht waren.
Vijf of zes dagen na zijn terugkeerin de Transvaal, hield hij zich dus onledig met die plaatsbepaling en deed dat met de hem eigene nauwgezetheid, die hij bij alles wat hij ondernam, betrachtte. Nu was hij sedert een uur bezig om bakens te plaatsen en die op eene topografische kaart op groote schaal, die hij zich te Kimberley aangeschaft had, als vaste punten aan te teekenen. Maar opmerkenswaardig was het daarbij, dat zich steeds bij zijne becijfering eene groote vergissing of minstens eene minder goede overeenkomst met die kaart voordeed. Eindelijk was het niet meer te ontkennen, dat die kaart onnauwkeurig georiënteerd was; de breedten en de lengten daarvan waren foutief.
Cyprianus had nauwkeurig op het middaguur gebruik gemaakt van een uitmuntenden chronometer, die volgens de Sterrenwacht van Parijs geregeld was, om de lengte van de plaats te bepalen. Hij was daarbij volkomen verzekerd van de onfeilbaarheid van zijne boussole en van zijn deklinatie-kompas. Hij kon dus geen oogenblik aarzelen om te erkennen, dat de kaart waarop hij zijne punten vastlegde, geheel dwaalde door een groote fout in deoriëntatie.
En inderdaad, het noorden van die kaart, hetwelk op Britsche wijze door een opstaanden pijl aangegeven was, bevond zich in het werkelijke noord-noord-westen. Een gevolg daarvan was, dat al de aanwijzingen der kaart noodwendig in diezelfde evenredigheid dwaalden.
“Ik zie wat er aan hapert!” riep eensklaps de jeugdige ingenieur uit. “De ezels,—die deze streek in kaart brachten, hebben eenvoudig geen rekening gehouden met de magnetische afwijking van de kompasnaald. En die afwijking bedraagt hier niet minder dan negen en twintig graden westerring.1Daaruit volgt dat al hunne aanwijzingen van breedte en lengte, om nauwkeurig te zijn, langs een boogje van negen en twintig graden van het westen naar het oosten rondom het middelpunt van de kaart moeten verplaatst worden!.... Het is aan te nemen dat Engeland zijne kundigste topografen niet uitgezonden heeft, om die opmetingen te doen!”
Hij lachte om den beganen bok. Hij had evenwel geen enkele reden om hem te herstellen in de ligging ten opzichte der diamanthoudende terreinen van het district, hetwelk noodzakelijk plaats moest hebben. Toen hij dienzelfden avond naar de pachthoeve terugkeerde, ontmoette hij Jakobus Vandergaart en deelde hij hem zijne bevinding mede.
“Het is waarachtig opmerkenswaardig,” zeide hij, “dat zulk eene groote geodesische dwaling, die op al de terreinplannen van het district invloed heeft moeten hebben, nog niet opgemerkt en aangewezen is. Zij maakt eene aanmerkelijke verbetering van al de kaarten van het geheele land noodzakelijk.”
De oude diamantslijper keek Cyprianus met een zonderlingen blik aan.
“Is het waar, wat ge zegt?” vroeg hij. “En zoudt gij bereid zijn dat feit voor de rechtbank te bevestigen?”
“Wel voor tien rechtbanken, als het noodig ware!”
“En dat feit is niet te weerspreken?”
“Volstrekt niet, daar het voldoende zal zijn, de oorzaak van de dwaling op te geven. Zij is bij mijne ziel tastbaar genoeg! Het veronachtzamen van de afwijking van de magneetnaald bij topografische opnemingen! Het is ongehoord!”
Jakobus Vandergaart verwijderde zich zonder verder iets te zeggen, en Cyprianus had weldra vergeten met welk zonderlinge oplettendheid de diamantslijper het feit nagegaan had, welke invloed door die geodesische dwaling op de terreinplannen van het distrikt veroorzaakt was.
Toen evenwel Cyprianus twee of drie dagen later den ouden diamantslijper een bezoek wilde brengen, vond hij de deur gesloten.
Op de lei, die aan den klopper vastgehecht was, las hij de woorden, die kort geleden met krijt daarop geschreven waren: “Afwezig voor zaken.”
1Historisch.
1Historisch.
Gedurende de volgende dagen hieldCyprianus zich ijverig bezig met de verschillende tijdperken aandachtig te volgen van zijne nieuwe proef. Tengevolge van eenige verbeteringen in den weerkaatsing-oven aangebracht, waardoor een betere luchtaanvoer mogelijk was, zou de diamant-vervaardiging, zoo hoopte hij tenminste, in veel minder tijd plaats vinden dan bij de eerste proef.
Er zal niet behoeven verteld te worden, dat miss Watkins die tweede poging, waar zij de bezieling van was, met alle belangstelling volgde. Zij vergezelde den jeugdigen ingenieur dan ook herhaalde malen bij zijn gang naar den oven, dien hij verscheidene malen per dag bezocht, en daar vond zij er een genoegen in, om door de kijkgaten, die in het metselwerk uitgespaard waren, de hevigheid van het vuur, dat in het innerlijke van dien oven brulde, waar te nemen.
John Watkins stelde niet minder belang dan zijne dochter in die proef. Hij was ongeduldig om andermaal weer in het bezit van een steen te komen, welks waarde bij millioenen berekend kon worden. Zijn eenige vrees was, dat die tweede proef niet als de eerste gelukken zou, waarbij het toeval een aanmerkelijke rol kon hebben gespeeld.
Maar indien de Engelschman en zijne dochter den jongen scheikundige aanmoedigden bij zijn werk, zoo kon dat niet van de andere mijnwerkers van Grikwaland gezegd worden. Hoewel Hannibal Pantalucci, James Hilton en Herr Friedel niet meer op deze wereld waren, zoo dachten toch hunne makkers aangaande de diamant-vervaardiging evenals zij. Geheime bijeenkomsten, die door den jood Nathan ontworpen waren, brachten het hunne er toe bij, om de eigenaars van claims tegen den jongen ingenieur op te hitsen. Want als die kunstmatige vervaardiging gelukte, dan was dat de ondergang van de diamantdelvers aan de Kaap en op andere plaatsen.
Dat was reeds lang als uitgemaakt beschouwd, maar thans werd dat met meer bitterheid, met meer woestheid dan voorheen besproken. Er werden samenkomsten gehouden, die niet veel goeds voorspelden, maar Cyprianus toch niet bevreesd maakten. Hij was vastbesloten zijn werk ten einde te brengen, wat men er ook van zeggen of wat men ook doen wilde.
Miss Watkins was evenwel bij dat alles niet gerust. Zij was op de hoogte van al de gesprekken, en zij begon voor Cyprianus te vreezen. Zij verweet zich, dat zij hem op dien weg gevoerd had. Zij kon op de politie van Grikwaland niet rekenen, en een slechte daad was ras bedreven. Zij deelde hem hare onrust mede. Hij dankte haar voor die belangstelling, want hij zag daarin de uiting van een teeder gevoel, dat trouwens geen geheim meer voor hem was.
“Wat ik verricht, is voor ons beiden arbeiden,” zei hij.
Maar miss Watkins, die vernam wat in de claims besproken werd, leefde thans in gestadige onrust. En dat was niet zonder reden. Er begon een soort haat jegens Cyprianus te heerschen, die weldra niet meer bij schelden en bij schimpscheuten bleef, maar zich zelfs door bedreigingen uitte.
Werkelijk op een avond, toen Cyprianus zijn oven wenschte te bezoeken, vond hij hem geheel verwoest. Gedurende eene afwezigheid van Bardik was een troep mannen gekomen, die van de duisternis gebruik hadden gemaakt, om den arbeid van lange dagen in weinige minuten te vernielen. Het gebouwtje was afgebroken, de oven was verbrijzeld, de vuren waren uitgedoofd, de werktuigen verbroken en weggeworpen. Er bleef niets meer van het materieel over, dat aan Cyprianus zoo veel zorgen en moeite gekost had. Alles moest weer opnieuw begonnen worden, òf hij moest de plaats ruimen.
“Neen,” riep hij uit. “Ik zal niet toegeven. Ik zal eene klacht tegen de ellendelingen inbrengen, die mijn goed vernield hebben. Ik zal zien of er in Grikwaland geene gerechtigheid meer is.”
Ja, er was eene gerechtigheid, maar niet eene zoodanige, als waarop de ingenieur rekende.
Zonder iets aan iemand te zeggen, zonder zelfs miss Watkins iets te vertellen, omtrent hetgeen voorgevallen was, uit vrees haar nieuwen angst aan te jagen, was Cyprianus naar zijne hut wedergekeerd en weldra in slaap gevallen.
Hij kon zoo omstreeks twee of drie uren geslapen hebben, toen het openen van eene deur hem met schrik deedwakker worden. Vijf mannen met zwarte maskers voor het gelaat en met revolvers en geweren gewapend, drongen zijne kamer binnen. Zij droegen een soort dievenlantaarn en plaatsten zich rondom het bed.
Het kwam bij Cyprianus volstrekt niet op, dat geheele tooneel als ernst te beschouwen. Hij geloofde aan eene grap en begon dan ook al dadelijk te lachen, hoewel hij er niet veel lust toe had, daar hij de klucht zouteloos vond.
Maar een brutale hand daalde op zijn schouder neer, terwijl een der gemaskerde mannen een papier ontvouwde, dat hij in de hand hield, en begon voor te lezen met eene stem, die niets grappigs had:
“Cyprianus Méré. Hierbij wordt u aangekondigd, dat de geheime rechtbank van het Kamp in de Vandergaart-Kopjes-mijn, die ten getale van twee en twintig leden zitting heeft genomen en uit naam van het algemeen welzijn handelt, u heden, juist op het middernachtuur, met algemeene stemmen ter dood veroordeeld heeft.
“Gij zijt beschuldigd en overtuigd van door eene ontijdige en deloyale uitvinding al de mannen van Grikwaland, die belang bij het vinden, het kloven, het slijpen en het verkoopen van diamanten hebben, in hun bestaan, in hun leven, in hunne gezinnen te hebben aangetast.
“De rechtbank heeft in hare wijsheid uitspraak gedaan, dat eene dergelijke uitvinding vernietigd moet worden en dat de dood van een enkele niet opweegt tegen den dood en de ellende van duizenden menschenlevens.
“Zij heeft bevolen, dat u tien minuten gelaten zullen worden om u tot den dood voor te bereiden; dat de keuze van de wijze waarop gij sterven zult, aan u zal worden overgelaten; dat al uwe papieren verbrand zullen worden, behalve eene zoodanige geopende mededeeling die gij noodig zult achten voor uwe nabestaanden, en eindelijk dat uwe woning met den grond gelijk zal gemaakt worden!
“Zoo zal het iederen verrader gaan!”
Toen hij zich zoo hoorde veroordeelen, begon Cyprianus in zijn geloof aan eene grap wel te wankelen, en vroeg hij zich af of die vertooning, in aanmerking genomen de ruwe zeden van de bewoners van dat land, niet ernstiger was dan hij eerst gemeend had.
De man, die hem bij den schouder gegrepen had, zou zijne laatste twijfelingen verdrijven.
“Sta dadelijk op!” zei hij ruwweg. “Wij hebben geen tijd te verliezen!”
“Maar dat is sluipmoord,” antwoordde Cyprianus, die van zijn bed sprong om eenige kleederen aan te trekken.
Hij was meer verontwaardigd dan ontroerd, en spande al de kracht zijner zinnen op hetgeen met hem voorviel, evenwel met de koelbloedigheid van iemand, die bezig was een zeker vraagstuk op te lossen. Wie waren die mannen? Dat kon hij niet raden. Hij herkende zelfs den toon hunner stem niet. Ongetwijfeld zwegen zij voorzichtig, die hem persoonlijk bekend waren, wanneer die zich onder de aanvallers bevonden.
“Hebt gij eene keus gedaan omtrent de wijze van sterven?....” vroeg een der gemaskerden.
“Ik heb geen keus te doen. Ik kan slechts protesteeren tegen de afschuwelijke misdaad, die gij gaat bedrijven!” antwoordde Cyprianus met vaste stem.
“Protesteer! dat zal u niet baten. Gij zult toch gehangen worden. Hebt gij eenige beschikking te maken?”
“Niets, wat ik aan sluipmoordenaars zou wenschen toe te vertrouwen.”
“Vooruit dan maar,” beval het opperhoofd van den troep.
Twee mannen plaatsten zich ter weerszijden van den ingenieur en de optocht stelde zich in beweging.
Maar op ditoogenblikhad een onverwacht voorval plaats. Te midden van die scherprechters van de Vandergaart-Kopjes-mijn was een man met één sprong gevlogen. Dat was Makatit, de jonge Kaffer, die des nachts gewoonlijk rond het kamp omdoolde en die er uit instinct toe overgegaan was die gemaskerde mannen te volgen, juist toen zij zich naar de woning van den ingenieur begaven. Daar had hij alles gehoord wat er gezegd was geworden, en had het gevaar begrepen, waaraan zijn baas blootgesteld was. Dadelijk, zonder aarzeling, wat er ook met hem gebeuren mocht, had hij de mijnwerkers op zij gedrongen en zich aan de voeten van Cyprianus geworpen.
“Vadertje, waarom willen die mannen je dooden?” vroeg hij, terwijl hij zichaan zijn baas vastklemde.
“Omdat ik een kunstmatigen diamant vervaardigd heb,” antwoordde Cyprianus die de handen van Makatit met ontroering drukte.
“O! vadertje, wat voel ik mij ongelukkig, en wat ben ik beschaamd over wat ik gedaan heb!” herhaalde de Kaffer al weenende.
“Wat wilt ge daarmeê zeggen?” riep Cyprianus uit.
“Ja, ik zal alles bekennen, daar men u ter dood wil brengen,” kreet Makatit.“Ja.... ik moet sterven! want ik ben het, die den grooten diamant in den oven gedaan heb.”
“Smijt dien schreeuwer op zijde!” beval het hoofd van de bende.
“Ik herhaal, dat ik den diamant in het toestel gelegd heb!” herhaalde Makatit, zich verzettende. “Ja, ik heb vadertje bedrogen!.... Ik heb hem willen doen gelooven, dat zijne bewerking geslaagd was!....”
Hij sprak zoo overtuigend, dat men hem eindelijk gehoor verleende.
“Spreekt ge waarheid?” vroeg Cyprianus, tegelijkertijd verbaasd en teleurgesteld over hetgeen hij vernam.
“Ja! honderdmaal ja!.... ik spreek de waarheid!”
Hij zat thans neergehurkt op den grond en allen hoorden hem aan; want wat hij zeide, zou den gang van zaken zeer veranderen.
“Op den dag van de groote aardstorting, toen ik levend begraven werd onder het puin, had ik juist een grooten diamant gevonden. Ik hield hem in de hand en ik dacht er aan om hem te verbergen, toen de wand der mijn instortte en mij bedolf, om mij te straffen voor die misdadige gedachte. Toen ik tot het bewustzijn wederkeerde, vond ik dien steen in het bed terug, waarin vadertje mij had doen uitstrekken. Ik heb toen dien diamant willen teruggeven, maar ik was te beschaamd om te bekennen, dat ik eigenlijk een dief was en heb ik eene gunstige gelegenheid afgewacht!.... Juist wilde vadertje eenigen tijd later beproeven om een diamant te vervaardigen en droeg hij mij op om op het vuur te passen. Maar ziet op den tweeden dag, terwijl ik alleen in de werkplaats was, is het toestel met een vreeselijken knal gebarsten, en het heeft weinig gescheeld of ik was op de plaats gedood. Toen dacht ik dat vadertje bedroefd zoude zijn, dat zijne proef mislukt was. Ik heb den diamant toen in een laag klei gewikkeld en door den barst in het kanon geplaatst. Ik heb daarop alles zoo goed mogelijk hersteld, opdat vadertje niets zoude merken!.... Ik heb vervolgens zonder iets te zeggen gewacht en toen vadertje den diamant gevonden heeft, was hij zeer verheugd en ik ook!”
Een uitbarsting van uitbundig gelach, dat die vijf mannen niet konden weerhouden, volgde op de laatste woorden van Makatit. Cyprianus lachte in het geheel niet, maar beet zich op de lippen van kwaadaardigheid. Want het was onmogelijk de woorden van den Kaffer verkeerd te verstaan. Die geschiedenis was klaarblijkelijk waar. Cyprianus zocht tevergeefs naar redenen om aan hare werkelijkheid te kunnen twijfelen. Hij poogde haar te weerspreken en zei tot zich zelven:
“Een natuurlijke diamant, die aan zulk een temperatuur ware blootgesteld, zou voorzeker vergaan zijn.”
Maar het gezond verstand zei hem ook, dat de steen, door een korst van leem of klei beschermd, aan de werking van de warmte ontsnapt was of haar slechts gedeeltelijk ondergaan had. Misschien was de steen wel zijn zwarte kleur aan die verhitting verschuldigd. Misschien was hij ook vervluchtigd, maar in zijne schaal andermaal gekristalliseerd.
Al die gedachten doorkruisten bliksemsnel het brein van den ingenieur.
“Ik herinner mij nog zeer goed dien aardbrok, dien de Kaffer in de hand geklemd hield op den dag der aardstorting,” merkte een der mannen op, toen de lachbui een weinig bedaard was. “Hij klemde hem zelfs zoo stevig in zijne samengeknepen vingeren, dat men er van moest afzien om hem los te laten.”
“Er is geen twijfel meer!” sprak een andere. “Is het mogelijk diamant te vervaardigen? Waarlijk, wij waren wel gek, toen wij dat geloofden! Men kan even goed pogen een ster te maken!”
En allen begonnen weer te lachen.
Cyprianus leed voorzeker meer door die vroolijkheid, dan hij geleden had tengevolge van hunne ruwheid.
Nadat die vijf mannen elkandermet zachte stem geraadpleegd hadden, hernam hun hoofd het woord.
“Wij zijn van gevoelen,” zei hij, “dat er redenen zijn om de uitvoering van het vonnis te schorsen. Gij zult vrij zijn, Cyprianus Méré. Maar bedenk dat dit vonnis steeds op u drukt. Een woord, een teeken slechts om de politie te waarschuwen, kost u het leven. Een goed verstaander heeft slechts één woord noodig.”
Daarop vertrokken hij en zijn makkers, terwijl het vertrek in het donker gedompeld bleef. Cyprianus had kunnen gelooven, dat hij slechts akelig gedroomd had, maar het snikken van Makatit, die op den grond uitgestrekt lag en hardop huilde, liet niet toe dat hij aan de wezenlijkheid van het afgespeelde tooneel twijfelde. Het was dus waar! Hij was aan den dood ontsnapt, maar ten koste van een bloedige vernedering! Hij, mijn-ingenieur! hij, leerling van de Polytechnische school, uitstekend scheikundige, beroemd geoloog, hij was door de list van een ellendigen Kaffer gefopt geworden! Of beter, hij was dat alles verschuldigd aan zijn eigen ijdelheid, aan zijn zelfoverschatting. Ja, daaraan had hij dien vreeselijken bok te wijten.
Hij had zich door verblinding zoover laten vervoeren, dat hij zelfs eene stelling voor die kristalvorming opgebouwd had!.... Het kon niet bespottelijker!.... Was het dan de natuur alleen niet, die in staat is, om met der eeuwen hulp zulke meesterstukken te vervaardigen?.... Maar wie zou door den schijn niet bedrogen zijn? Hij had op een welslagen gehoopt, hij had alles voorbereid om dat te bereiken en moest dus logisch gelooven, dat hij geslaagd was. De buitengewone afmetingen zelfs van den diamant leidden er toe om hem in die meening te stijven!.... Een Despretz zou haar gedeeld hebben!.... Gebeuren zulke vergissingen niet dagelijks?.... Ziet men niet de meest ervaren muntkundigen vaak valsche medailles voor echte aannemen?
Cyprianus beproefde zich zoo moed in te spreken. Maar plotseling deed hem een gedachte verstijven.
“En mijne memorie voor de Akademie! Als die fielten die maar niet meegenomen hebben!”
Hij stak eene kaars aan. Goddank, neen! dat stuk lag daar nog. Niemand had het gezien. Hij ademde eerst gerust, toen hij het verbrand had.
Het verdriet van Makatit was zoo hartverscheurend, dat zijn baas er wel toe overgaan moest het te stillen. Dat was zoo moeielijk niet. Bij de eerste welwillende woorden, die vadertje sprak, scheen de arme jongen tot het leven weer te keeren. Maar al vergaf hem Cyprianus volgaarne zijne misleiding, dan was dat toch op voorwaarde, dat hij het niet weer zou doen. Makatit beloofde dat plechtig, waarna beiden gingen slapen.
Zoo besloot dat tooneel, dat in den aanvang een meer tragisch einde in het verschiet toonde.
Voor Makatit zou het einde toch iets anders wezen.
Toen men den volgenden dag in het kamp vernam, dat deZuidsterniets minder dan een natuurlijke diamant door den Kaffer gevonden was, die er de volle waarde van kende, toen ontstond al de verdenking jegens hem opnieuw en thans met nog meerder kracht. John Watkins schreeuwde het hardst. Die Makatit kon niet anders dan de dief zijn van dien onschatbaren steen. Hij had hem zich een eerste maal willen toeëigenen—had hij dat zelf niet bekend?—dus luidde de gevolgtrekking, was hij het, die hem ook uit de feestzaal gestolen had.
Cyprianus had goed protesteeren en zich tot borg voor de eerlijkheid van den Kaffer stellen. Men luisterde niet naar hem. Dit bewees ten overvloede hoezeer Makatit, die zijne onschuld bezwoer, honderd malen gelijk had gehad met te ontvluchten en hoezeer hij honderd malen ongelijk had met in Grikwaland terug te keeren.
Maar toen deed de ingenieur, die het niet opgaf, een argument hooren, waarop men geenszins verdacht was en dat volgens zijne meening Makatit redden moest.
“Ik geloof aan de onschuld van den Kaffer,” zei hij tot John Watkins, “en daarenboven het geheele geval gaat mij slechts aan! Natuurlijk of kunstmatig, de diamant behoorde mij toe, vóór dat ik hem mejuffrouw Alice aanbood....”
“O zoo, hij hoorde u toe?” vroeg master Watkins op spottenden toon.
“Ongetwijfeld,” hernam Cyprianus. “Is hij niet op mijn claim gevonden, door Makatit, die in mijn dienst was?”
“Voorzeker, dat is waar,” antwoordde de Engelschman, “en dus behoort hij mij toe, daar ons contract luidt dat de eerste drie diamanten, die op uwen gepachten grond gevonden worden, mijn eigendom zijn.”
Daarop wist de onthutste Cyprianus niets te antwoorden.
“Is mijne bewering juist?” vroeg master Watkins.
“Zeer juist,” antwoordde Cyprianus.
“Gij zult mij dus zeer verplichten, wanneer gij mijn recht schriftelijk zult erkennen, voor het geval dat wij er toe komen dien ellendeling te noodzaken den diamant, dien hij zoo onbeschaamd gestolen heeft, terug te geven.”
Cyprianus nam een vel wit papier en schreef:
“Ik erken dat de diamant, op mijn claim door een Kaffer in mijnen dienst gevonden, volgens contract het eigendom is van Master John Stapleton Watkins.Cyprianus Méré.”
“Ik erken dat de diamant, op mijn claim door een Kaffer in mijnen dienst gevonden, volgens contract het eigendom is van Master John Stapleton Watkins.
Cyprianus Méré.”
Helaas! dat was eene omstandigheid, die al de fraaie droomen van den ingenieur verwoestte. Want inderdaad, als de diamant ooit teruggevonden werd, dan zou hij niet als een ontvangen geschenk, maar volgens contract toebehooren aan John Watkins, waardoor eene nieuwe klove, die slechts door zoo en zooveel millioenen aan te vullen zoude zijn, tusschen Alice en Cyprianus zou ontstaan.
Maar was de eisch van den Engelschman nadeelig voor de belangen der twee verliefden, hij was dat nog veel meer voor Makatit! Het was nu aan John Watkins, dat hij nadeel had toegebracht. En John Watkins was er de man niet naar, om werkeloos te blijven, wanneer hij meende overtuigd te zijn, dat hij den dief te pakken had.
De arme drommel werd dan ook gearresteerd, gevangen gezet en nauwelijks waren twaalf uren verloopen of hij werd veroordeeld, en alles wat men op de vertoogen van Cyprianus ten zijnen gunste doen wilde, was dat hij gehangen zoude worden, wanneer hij er niet toe besloot deZuidsterterug te geven.
Maar daar hij haar niet kon teruggeven, omdat hij haar nooit gestolen had, zoo stond zijn zaak slecht, en Cyprianus wist niet meer wat te doen om het leven van den ongelukkige te redden, dien hij in weerwil van alles voor onschuldig hield.
Miss Watkins had intusschen alles vernomen, wat voorgevallen was, zoowel het tooneel der gemaskerde mannen als de teleurstelling, die den ingenieur overkomen was.
“Och, mijnheer Cyprianus,” zei zij, toen deze haar alles verteld had, “is uw leven niet meer waard dan alle diamanten ter wereld?”
“Waarde Alice....”
“Laten wij dat alles maar trachten te vergeten en denk er voortaan niet meer aan zulke proeven te nemen!”
“Gij beveelt het?”.... vroeg Cyprianus.
“Ja zeker,” antwoordde het jonge meisje. “Ik beveel u om op te houden, zooals ik u bevolen had om te beginnen.... daar gij wel bevelen van mij wilt ontvangen.”
“O, ik zal ze allen uitvoeren!” antwoordde Cyprianus, terwijl hij de hand greep, die miss Watkins hem toestak.
Maar toen de ingenieur haar het vonnis mededeelde, waartoe Makatit veroordeeld was, voelde zij zich verpletterd, vooral door het aandeel dat haar vader daaraan genomen had.
Zij ook geloofde niet aan de schuld van den armen Kaffer. Zij ook zou alles hebben willen aanwenden om hem te redden en was daarin geheel eenstemmig met Cyprianus. Maar hoe dat aan te leggen? En vooral hoe moest John Watkins tot hun gevoelen overgehaald worden, hij de onhandelbare aanklager in die zaak? Hoe hem gunstig te stemmen voor een ongelukkige, dien hij zelf zoo met onbillijke beschuldigingen overladen had?
Er moet bij gevoegd worden, dat de Engelschman nog geen enkele bekentenis uit Makatit had kunnen verkrijgen, hoewel hij hem levensbehoud en genadein het uitzicht stelde, wanneer hij bekende. Hij was dus genoodzaakt de hoop op te geven deZuidsterooit terug te vinden en was daardoor dan ook in een verschrikkelijk booze luim. Intusschen wilde zijne dochter nog eene laatste poging bij hem wagen.
Daags na de veroordeeling had master Watkins een weinig minder last dan gewoonlijk van het pootje en had hij van die verademing gebruik gemaakt om zijne papieren in orde te brengen. Gezeten voor een schrijftafel van zwart ebbenhout, die met gele versierselen ingelegd was,—een antiek stuk uit den oud Hollandschen tijd, dat daar in Grikwaland na tal van wederwaardigheden was komen aanlanden,—bezag hij een voor een zijne verschillende eigendomsbewijzen, zijne contracten en zijne correspondentiën.
Alice zat achter hem over haar borduurraam gebogen en hield zich bezig met haar werk, zonder veel op haren struisvogel Dada te letten. Dit dier kwam en ging door de zaal met zijnen gewonen ernst, keek nu eens door het venster en sloeg dan weer eens den blik op de bewegingen van master Watkins en van zijne dochter.
Plotseling uitte de Engelschman een kreet, die zijne dochter deed schrikken.
“Dat dier is onverdragelijk,” zei hij. “Daar heeft het waarachtig een mijner dokumenten gepakt.... Dada!.... hier!.... Geef dat dadelijk terug!”
Maar die woorden waren nauwelijks uitgesproken of daar volgde een stroom verwenschingen op.
“O, dat vreeselijke dier heeft het ingeslikt!.... Een zeer belangrijk document!.... Het origineel van het besluit, waarbij mij de ontginning der Kopjes-mijn is toegewezen....! Maar dat kan zoo niet!.... Ik zal dat stuk terug hebben—al moest ik het dier verworgen!”
John Watkins was rood van kwaadheid en geheel en al buiten zich zelven. Hij sprong plotseling op en liep den struisvogel achterna, die een paar malen rond het vertrek liep en toen het raam uitwipte, dat met den grond gelijkvloers was.
“Vader,” zei Alice, die de nieuwe misdaad van haren gunsteling betreurde, “vader, wees bedaard! Luister naar mij!.... Gij zult u eene ziekte berokkenen!”
Maar de woede van John Watkins was ten top gestegen. Die vlucht van den vogel gaf er den doorslag aan.
“Neen!” riep hij met bevende stem, “dat is me te sterk!.... Daar moet een einde aan komen!.... Ik kan zoo niet mijn meest belangrijk eigendomsbewijs prijs geven. Een flinke kogel in zijn kop zal dat verwenschte dier dien streek wel betaald zetten. Ik zal mijn perkament terug hebben! Dat beloof ik je!”
Alice volgde hem met betraande oogen.
“Ik smeek u vader,” zei ze, “spaar dat arme dier. Is dat papier wel zoo belangrijk? Kan men er geen duplikaat van bekomen?.... Zoudt gij mij het verdriet willen aandoen mijn arme Dada voor zoo’n gering vergrijp voor mijne oogen te willen dooden?”
Maar John Watkins wilde naar niets hooren, hij keek overal naar zijn slachtoffer om. Hij bespeurde den vogel eindelijk op het oogenblik, toen hij zich in de nabijheid van de hut van Cyprianus trachtte te verschuilen. De Engelschman bracht dadelijk zijn geweer in die richting; maar alsof Dada dat noodlottige plan jegens haar gesmeed, raadde, nauwelijks zag zij die beweging of zij kroop achter het huis.
“Wacht, Wacht maar! Ik zal je toch vinden, verwenscht beest!” riep John Watkins, terwijl hij zich naar de hut begaf.
Alice, al meer en meer beangst, volgde hem om een laatste poging bij hem aan te wenden. Beiden kwamen zoo voor het huis van den ingenieur en gingen er achter kijken. Maar geen struisvogel meer! Dada was onzichtbaar. Het was toch onmogelijk dat zij den heuvel afgerend was, dan had men haar moeten zien. Zij had dus eene toevlucht in de hut moeten zoeken langs een der deuren, die van achteren toegang verleenden. Zoo dacht althans John Watkins. Hij schreed dan ook dadelijk naar de voordeur en klopte aan. Het was Cyprianus zelf, die hem open deed.
“Mijnheer Watkins!.... Juffrouw Watkins!.... Verrukt om u in mijne nederige stulp te zien!” zei hij beteuterd.
De Engelschman was buiten adem en vol woede. Met horten en stooten deelde hij den ingenieur mede, wat er gebeurd was.
“Welnu, wij zullen den schuldigezoeken!” zei Cyprianus, John Watkins en Alice uitnoodigende zijne woning binnen te treden.
“Ik verzeker u, dat hare rekening gauw opgemaakt zal zijn!” antwoordde John Watkins, terwijl hij zijn geweer als een strijdbijl zwaaide.
In hetzelfde oogenblik openbaarde aan Cyprianus een smeekende blik van het jonge meisje al den afschuw, dien zij voor dat wreede plan koesterde. Zijn voornemen was dan ook spoedig opgevat. Het was eenvoudig genoeg, hij besloot den struisvogel niet te vinden.
“Li,” riep hij den Chinees, die pas binnengetreden was, in het Fransch toe. “Ik vermeen, dat de struisvogel in uw kamer is. Zoek hem en tracht hem behendig te doen ontsnappen, terwijl ik mijnheer Watkins langs den anderen kant rondleid.”
Ongelukkig moest dit plan falen; want de struisvogel had juist eene toevlucht gezocht in het eerste vertrek, waar de nasporingen begonnen. Dada had daar, zeer ineengedrongen om zich onzichtbaar te maken, het hoofd onder een stoel verborgen, maar was overigens zoo duidelijk te zien als de zon op vollen middag.
“O, schurk! jou rekening is gemaakt!” riep master Watkins, terwijl hij zijn geweer aan den schouder bracht. Toch, hoe verwoed hij ook was, deinsde hij terug voor die daad van geweld: een geweerschot te lossen in een huis, dat toch het zijne niet was. Alice had het hoofd omgekeerd, om van den gruwel niets te zien. Toen bracht hare smart een schitterend denkbeeld in het brein van den ingenieur te weeg.
“Mijnheer Watkins,” zei hij eensklaps, “het is u slechts te doen om uw document terug te hebben, niet waar? Welnu, het is volstrekt noodeloos Dada daarvoor te dooden. Het is voldoende haar den krop te openen, dien het perkament nog niet voorbij kan zijn. Wilt gij mij toestaan de bewerking uit te voeren? Ik heb het in Museum te Parijs een cursus in de dierkunde bijgewoond en ik geloof dat ik die heelkundige bewerking tot een goed einde zal brengen.”
Hetzij dat een vooruitzicht van zulk een proef op het levende dier den wraakzuchtigen Engelschman streelde, hetzij dat zijne woede begon te verminderen, hetzij eindelijk dat hij zijns ondanks getroffen was door het verdriet zijner dochter, hij liet zich vermurven en stemde in dien middenweg toe.
“Maar ik wil mijn document niet kwijt zijn,” zeide hij. “Bevindt het zich niet in den krop, welnu, dan moet het maar in de maag of in de andere ingewanden gezocht worden! Ik moet het terug hebben, het koste wat het wil!”
De bewerking was niet zoo gemakkelijk, als men wel gemeend had, toen men de onderworpen houding van de arme Dada zag; want een struisvogel, al is het er ook een van slechts kleine gestalte, bezit een verbazende spierkracht. Nauwelijks zou de huid van den vogel door het mes van den nieuwbakken heelkundige aangetast zijn, of, daarvan was Cyprianus zeker, Dada zou weerstand bieden, in woede ontsteken, en zich met razernij verdedigen. Li en Bardik werden dan ook geroepen om als assistenten dienst te doen.
Men kwam overeen dat de struisvogel vooraf gebonden zou worden. Daartoe had Li steeds touw genoeg bij de hand. Weldra waren de pooten, de vlerken en de bek van de ongelukkige Dada stevig omwoeld en was zij in de onmogelijkheid gesteld om weerstand te bieden. Maar Cyprianus liet het daar niet bij. Om de gevoeligheid van miss Watkins te ontzien, wilde hij haren struisvogel ieder lijden sparen. Hij omwikkelde het hoofd van den vogel dus ook met een doek, dien hij vooraf met cloroform gedrenkt had. Daarna eerst ging hij over tot de bewerking, hoewel hij er niet geheel zonder ongerustheid over was. Alice had doodsbleek een toevlucht in het daarnaast gelegen vertrek gezocht.
Cyprianus begon met den hals van het dier met de hand te betasten, om de ligging van den krop goed te bepalen. Dat was niet moeielijk; want die krop vormde bij het bovengedeelte van de kliermaag een aanmerkelijke dikte, die hard was en door de vingers zeer duidelijk te midden der weekere deelen, die hem omsloten, waargenomen kon worden. In de huid van den hals, die wijd en week was als de huid van een kalkoen en met een grijs dons bedekt, dat gemakkelijk verwijderd kon worden,werd toen met een pennemes eene insnijding gemaakt. Er had daarbij slechts weinig verbloeding plaats, die nog gemakkelijk met eene natte spons verwijderd kon worden. Cyprianus verkende nu aandachtig de ligging van twee of drie belangrijke aderen, die hij zorgvuldig met behulp van haakjes van ijzerdraad, die hij door Bardik liet vasthouden, ter zijde schoof. Daarna zette hij het mes in een wit paarlmoerachtig weefsel, dat eene uitgestrekte holte boven de sleutelbeenderen afsloot, en had weldra den krop van den struisvogel blootgelegd.
Als men zich den krop van een hoen voorstelt, die honderdmaal in omvang, in dikte en in gewicht toegenomen is, dan zal men een vrij juist denkbeeld hebben van het bekken, wat thans zichtbaar was.
Dada’s krop vertoonde zich als een bruine zak, die door de vreemde lichamen, welke het vraatzuchtige dier op dien dag en ook al vroeger ingeslikt had, zeer uitgerekt was. Het gezicht van dat vleeschachtige orgaan, dat zich krachtig en gezond voordeed, was alleen voldoende, om te doen begrijpen, dat er geen gevaar bestond door er eene insnijding in te maken. Cyprianus nam dan ook zonder aarzelen het jachtmes, dat Li hem aanreikte na het eerst goed aangescherpt te hebben, en maakte een diepe snede in die massa. Het was daarna zeer gemakkelijk de hand door die spleet tot onder in den krop te brengen. Al dadelijk werd het zoozeer verlangde document te voorschijn gebracht. Het was als in een bal samengerold, zeer gekreukeld, maar overigens ongedeerd.
“Er zit nog wat anders in,” zei Cyprianus, die de hand andermaal in de holte gebracht had en ditmaal een ivoren bal te voorschijn bracht. “De maasbal van miss Watkins!” riep hij uit. “Men bedenke, dat het vijf maanden geleden is, dat die vermist is. Bepaald heeft die de beneden-opening van den krop niet voorbij kunnen komen!”
Na dien maasbal aan Bardik overgereikt te hebben, vervolgde hij zijne nasporingen in dien vreemdsoortigen zak, zooals een oudheidkundige in een pas opgedolven Romeinsch kamp zoude gedaan hebben.
“Een koperen blaker!” riep hij verrast uit, terwijl hij een van die nederige huishoudelijke voorwerpen te voorschijn bracht, dat er gedeukt, platgedrukt uitzag en vol kopergroen, maar toch nog volkomen herkenbaar was.
Het lachen van Bardik en Li daarover was zoo aanstekelijk, dat Alice zelf, die intusschen het vertrek weer binnengetreden was, moest meedoen.
“Muntstukken!.... Een sleutel!.... Een hoornen kam!....” vervolgde Cyprianus, terwijl hij voortging den inventaris van den inhoud van dien krop op te maken.
Hij verbleekte plotseling. Zijne vingers beroerden thans een voorwerp van niet alledaagschen vorm!.... Neen, hij kon zich niet vergissen omtrent den aard van hetgeen hij daar in dien zak betastte.... En toch.... aan zoo’n toeval kon hij niet gelooven!
Hij trok eindelijk zijne hand uit de holte terug en vertoonde het voorwerp, hetwelk hij gegrepen had....
Maar welke kreet ontsnapte aan den mond van John Watkins!
“DeZuidster!” gilde hij.
Ja, de beroemde diamant was gaaf en wel teruggevonden. Hij had niets van zijn glans verloren en hij schitterde onder het daglicht, dat door het venster binnenviel, als eene ster van de eerste grootte!
Maar zonderling en opmerkenswaardig was het feit, dat alle getuigen van dat tooneel dadelijk opviel. De diamant was van kleur veranderd. DeZuidsterwas van zwart, zooals zij vroeger was, rooskleurig geworden, van dat bevallige roséachtige, hetwelk, als het mogelijk ware, hare helderheid en pracht nog vermeerderde.
“Denkt ge niet dat dit hare waarde vermindert?” vroeg John Watkins, zoodra hij weer spreken kon, met levendige stem. De verrassing en de vreugde hadden hem waarachtig den adem benomen.
“Volstrekt niet!” antwoordde Cyprianus. “Het is integendeel eene merkwaardigheid te meer, die dezen steen tot de zoo zeldzamen groep van de “cameleon-diamanten” doet behooren!.... Drommels!.... het schijnt dat het niet koud in den krop van Dada is; want die verandering van tint bij de gekleurde diamanten geschiedt gewoonlijk niet dan tengevolge van eeneplotselinge en aanmerkelijke temperatuursafwisseling. Zoo is tenminste het oordeel der geleerden.”
“Oh!.... Goddank!.... dat ik u teruggevonden heb, mijne schoone!” herhaalde master Watkins, terwijl hij den diamant met angstvalligheid in zijne handen besloot, alsof hij zich verzekeren wilde, dat hij niet droomde. “God, wat hebt ge mij zorg en verdriet berokkend door uw uitstapje, o, ondankbare ster! Maar ik zal oppassen, dat gij mij niet weer ontsnapt!”
Hij bracht den steen daarbij ter hoogte zijner oogen, streelde hem met den blik en zou waarlijk haast het voorbeeld van Dada gevolgd hebben door hem op te slikken, zoo bang was hij hem andermaal kwijt te raken!
Onderwijl liet Cyprianus zich door Bardik een naald, voorzien van een dikken, stevigen draad, aanreiken, waarmede hij den krop van den struisvogel zorgvuldig dichtnaaide. Daarna sloot hij de wondvlakken aan den hals met hechtpleister en ontdeed het dier van zijne banden, die het tot machteloosheid doemden.
Dada scheen zeer afgemat en terneergeslagen; zij boog het hoofd en legde geen neiging aan den dag om weg te loopen.
“Zal zij er van opkomen, mijnheer Cyprianus?” vroeg Alice, die meer begaan was met het lijden van hare gunstelinge dan dat zij ingenomen was met het terugvinden van den diamant.
“Of zij er van zal opkomen, miss Watkins?” antwoordde Cyprianus. “Zoudt gij dan kunnen denken, dat ik de bewerking ondernomen had, wanneer ik daarvan niet zeker was?.... Geloof mij, over drie dagen zal er van die snede niets meer te bespeuren zijn, en over drie uren zal Dada weer neiging aan den dag leggen, dien zonderlingen zak, dien ik daar geledigd heb, andermaal te vullen!”
Door die woorden gerustgesteld, schonk Alice den jeugdigen ingenieur een dankbaren blik, die hem voor al zijne moeiten ruimschoots beloonde.
Eindelijk was John Watkins er in geslaagd tot de overtuiging te geraken, dat hij zijn gezond verstand had, en dat hij weer in het bezit was van zijn bewonderenswaardige ster. Hij verliet het venster en zich tot Cyprianus wendende:
“Mijnheer Méré,” sprak hij op statigen toon, “gij hebt mij daar een grooten dienst bewezen en ik weet niet hoe ik dien ooit zal kunnen vergelden.”
Vergelden!.... O! John Watkins had daartoe een zeer eenvoudig middel! Zou het hem zoo moeilijk vallen zijn belofte te houden, namelijk den jongen man de hand zijner dochter te schenken? Hij had die hand toch beloofd aan hem, die deZuidsterzou terugbrengen. En waarlijk, was het niet alsof Cyprianus den diamant van uit het binnenste der Transvaal had aangebracht?
Ziedaar wat de verliefde in zich zelven prevelde; maar hij was te fier om die gedachte met luider stem voor te dragen. Hij meende daarenboven zeker te zijn, dat die gedachte van zelf in het brein van den Engelschman zou opwellen.
Maar John Watkins repte daarvan geen woord. Hij wenkte zijne dochter om hem te volgen en verdween in zijne woning.
Het is bijna onnoodig te vertellen, dat weinige oogenblikken later Makatit zijne vrijheid herkreeg. Maar het had toch weinig gescheeld of de arme drommel had de slokkerigheid van Dada met zijn leven betaald. Hij moest zich zelf bekennen, dat hij den dans ter nauwernood ontsprongen was.