1Dit werk werd geschreven in 18.... Sedert is, zooals men weet, heel wat verandering in dien toestand gekomen. (De Vertaler).
1Dit werk werd geschreven in 18.... Sedert is, zooals men weet, heel wat verandering in dien toestand gekomen. (De Vertaler).
Er waren drie dagen van onderzoekingen en loodingen noodig om eene waadbare plaats dwars door de bedding van de Limpopo te vinden. En het was nog maar zeer twijfelachtig, of men haar gevonden zou hebben, wanneer niet eenige Macalaccasche Kaffers, die daar bij den oever der rivier rondzwierven, waren aangetroffen en zich hadden bereid verklaard om de karavaan tot gidsen te verstrekken.
De Kaffers van dat ras zijn arme domme duivels, die door de meer ontwikkelde Betjuanen in eene afzichtelijke dienstbaarheid gehouden worden. Zij worden, zonder op eenige belooning uitzicht te hebben, tot den meest zwaren arbeid gedwongen, en daarbij met hardheid en ruwheid behandeld. Wat meer zeggen wil: het is hun op straffe des doods verboden vleeschspijzen te eten. De rampzalige Macalaccassen kunnen zooveel wild dooden, als zij op hun pad ontmoeten, op voorwaarde dat zij het bij hunne heeren en meesters te huis brengen. En die laten hun niets anders dan de ingewanden over, zooals de Europeesche jagers ongeveer met hunne jachthonden handelen.
Een Macalaccasche Kaffer bezit niets in eigendom, zelfs de ellendige hut, niet, die hij bewoont, zelfs de kalabas niet, waaruit hij drinkt. Hij loopt nagenoeg naakt rond, is mager en zonder vleesch, en draagt buffeldarmen over den schouder, die men op eenigen afstand voor ellenlange zwarte worsten zoude kunnen houden en die in werkelijkheid niets anders zijn dan zeer oorspronkelijke ontvangers, waarin hij zijn voorraad water met zich voert.
De handelsgeest van Bardik openbaarde zich weldra in het volleerde kunststukje, waardoor hij die ongelukkigen tot bekentenis wist te brengen, dat zij in weerwil van hunne ellende eenige struisveeren bezaten, die zij zorgvuldig in naburige struiken verborgen hadden. Hij deed hen onmiddellijk den voorslag om ze te koopen, waartoe hij met hen des avonds op eene bepaalde plaats zou samenkomen.
“Gij hebt dus geld om hen in ruil daarvoor te geven?” vroeg Cyprianus tamelijk verwonderd.
Bardik haalde al lachende een handvol koperen knoopen te voorschijn, die hij sedert een paar maanden opgezameld had en die hij in een linnen zakje bij zich droeg.
“Dat’s gekheid!” zeide Cyprianus. “Dat is geen gangbare munt, en ik mag niet toestaan, dat die arme drommels met eenige dozijnen knoopen gefopt worden!”
Hij had mooi praten; het was onmogelijk Bardik te doen begrijpen, dan in zoo’n handel iets berispelijks gelegen was.
“Wanneer de Macalaccassen mijne knoopen tegen hunne struisveeren willen inruilen,” antwoordde hij in allen ernst, “wie zal er dan wat tegen te zeggen hebben? Gij weet zeer goed, dat de inzameling van die veêren hen niets gekost heeft. Zij hebben zelfs het recht niet om die te bezitten; zij durven ze slechts ter sluiks vertoonen! Een knoop daarentegen is een nuttig voorwerp, veel nuttiger dan een veer van een struisvogel! Waarom zou het mij dan verboden zijn hen een of twee dozijn van die nuttige knoopen in ruil voor een gelijk aantal veeren aan te bieden?”
Die redeneering was wel spitsvondig, maar toch niet eerlijk. Wat de Kaffer niet inzag was, dat de Macalaccassen zijne knoopen zouden aannemen niet zoozeer voor het gebruik, dat zij er van zouden kunnen maken, daar zij bijna geen kledingstukken aan het lijf droegen, maar wel voor de veronderstelde waarde, die zij aan die metalen schijfjes, welke zoozeer op muntstukken geleken, toekenden. Zoo beschouwd, was die ruil werkelijk bedrog.
Toch moest Cyprianus tot de erkenning komen, dat zijne redeneering te hoog was voor het begrip van dien wilde, die op het gebied van warenomzetting een ruim geweten had. Hij liet hem dus handelen zooals hij wilde.
De handelsoperatie van Bardik werd des avonds met fakkellicht volvoerd. De Macalaccassen waren klaarblijkelijk zeer bevreesd door hun opkooper bedrogen te worden. Zij vergenoegden zich dan ook niet met de lichten, die de blanken ontstoken hadden, maar zij brachten elk een bos maïs-stengels mede, die zij in den grond plantten en daarna aanstaken.
Vervolgens haalden die inboorlingen hunne struisveeren voor den dag en beijverden zich om de knoopen van Bardik te bezichtigen.
Toen begonnen zij onder een oorverdoovend geschreeuw, gepaard met buitensporige gebaren, een redetwist over den aard en de waarde van die metalen schijfjes.
Niemand verstond een woord van hetgeen zij in hunne snelsprakige taal vertelden, maar het was voldoende om hunne met bloed beloopen oogen, hunne welsprekende gebaren en hunnen toorn te zien, om te begrijpen, dat de woordentwist over een hoogst belangrijk vraagstuk voor hen liep.
Dit hartstochtelijke gekakel werd plotseling door eene onverwachte verschijning afgebroken.
Een neger van hooge gestalte, die zich waardiglijk in een leelijken mantel van rood katoen gewikkeld had en wiens voorhoofd getooid was met een soort van diadeem, die door de Kaffersche krijgslieden wordt gedragen en van schapendarmen vervaardigd is, trad uit het struikgewas te voorschijn, in welker nabijheid het loven en bieden geschiedde. Hij sloeg woest met den steel zijner lans op de Macalaccassen, die op heeter daad betrapt waren, zich met verboden handelszaken in te laten.
“Lopepo!...... Lopepo!......” schreeuwden de ongelukkige wilden, terwijl zij uit elkaar stoven als een troep overvallen ratten.
Een kring van zwarte krijgslieden kwam evenwel uit al de omliggende struiken te voorschijn en omgaf de schuldigen, die natuurlijk in hunne vlucht weerhouden werden.
Toen deed Lopepo zich al de knoopen overhandigen. Hij bekeek ze zeerzorgvuldig bij het schijnsel der toortsen en borg ze met een lach van vergenoegen in zijn leeren tasch. Daarna trad hij op Bardik toe, nam hem de reeds geleverde struisveêren uit de handen en eigende zich die ook toe, zooals hij met de knoopen gedaan had.
De blanken waren lijdzame toeschouwers van dat geheele tooneel gebleven. zij wisten niet, wat zij doen zouden, òf lijdzaam blijven òf tusschenbeiden komen. Lopepo hakte den knoop door. Hij trad hen te gemoet, en op eenige passen afstand van hen gekomen, maakte hij halt en hield eene aanspraak op zeer bevelenden toon, die voor allen, op een na, geheel onverstaanbaar was.
James Hilton evenwel, die eenige woorden van de Betjuanen-taal verstond, slaagde er in om den algemeenen zin van die redevoering te vatten en vertaalde haar voor zijn makkers. De grondtoon van die toespraak was, dat het Kaffer-opperhoofd er zich over beklaagde, dat men Bardik veroorloofd had handel te drijven met de Macalaccassen, die niets in eigendom mochten bezitten. De neger verklaarde bij het slot van zijn gebabbel, dat hij de verboden koopwaren benaderde, en vroeg of de blanken daartegen iets hadden in te brengen.
De meening van dezen omtrent de te kiezen partij was verdeeld. Hannibal Pantalucci was van oordeel, dat men dadelijk moest toegeven, om niet in twist met het Betjuanen-opperhoofd te geraken. James Hilton en Cyprianus erkenden wel, dat er iets goeds in die opvatting was, maar vreesden, dat wanneer men zich te meegaande in die zaak toonde; Lopepo daardoor overmoedig zoude worden en dan wellicht eischen zoude stellen, die tot eene onherroepelijke vredebreuk konden leiden.
Men hield spoedig raad met gedempte stem, waarin overeengekomen werd, dat men de knoopen aan de Betjuanen zou laten, maar dat zij de struisveeren moesten teruggeven.
James Hilton had alle moeite om dat door middel van gebaren en van eenige Kafferwoorden verstaanbaar te maken. Eerst vermeende Lopepo eene staatkundige houding te moeten aannemen en van aarzeling te doen blijken. Hij ontwaarde evenwel het glinsteren van de loopen der geweren in handen van de Europeanen; dat gaf den doorslag, zoodat hij de veeren teruggaf.
Maar van stonde af aan bleek dat opperhoofd, dat inderdaad zeer slim was, meer meegaande te zijn. Hij bood aan de drie blanken, aan Bardik en Li een snuifje uit zijne groote snuifdoos, en nam vervolgens in het bivouac plaats. De Napolitaan bood hem een glas brandewijn aan, hetgeen hem goed gemutst maakte. Eindelijk stond hij op, na daar anderhalf uur stom als een visch gezeten te hebben, en noodigde de karavaan uit om hem den volgenden dag een bezoek in zijne kraal te brengen.
Men deed hem de verlangde belofte, waarop hij vervolgens, na met allen een handdruk gewisseld te hebben, met deftigen stap heen ging.
Iedereen ging na zijn vertrek slapen, behalve Cyprianus, die, na zich in zijne dekens gewikkeld te hebben, bij het beschouwen der sterren wakend droomde. Het was nieuwe maan, maar de nacht was overheerlijk helder door het groot aantal sterren, dat zichtbaar was. Het wachtvuur was uitgegaan zonder dat de jeugdige ingenieur er op gelet had.
Hij dacht aan zijne verwanten, die waarlijk niet konden gissen dat hij in dit oogenblik door een zoodanig avontuur als hem voortjoeg, in de volle woestijn van Zuid-Afrika getrokken was; hij dacht aan de bekoorlijke Alice, die op hare beurt thans ook misschien naar de sterren keek; hij dacht, in één woord, aan al de wezens, die hem dierbaar waren. En zich door die zachte droomerijen latende vervoeren, welke door de stilte van die onmetelijke vlakten in een dichterlijk waas gehuld werden, was hij op het punt van in te dommelen, toen een hoefgetrappel, een zonderling leven, komende van den kant, waar de trekossen voor den nacht gestald waren, hem wakker maakte en hem deed opspringen.
Cyprianus meende toen in het duister eene gedaante te onderscheiden, die minder hoog en meer ineengedrongen was dan die der ossen en die al dat spektakel veroorzaakte.
Zonder zich recht rekenschap te geven, wat die gedaante eigenlijk was, greep Cyprianus eene zweep, die voor de hand lag, en schreed voorzichtignaar de plek, waar de ossen gestald waren.
Hij had zich niet vergist: er was daar in de nabijheid der trekdieren een vreemd beest, dat hun slaap gestoord had.
Nog niet geheel wakker, en zonder na te denken over hetgeen hij uitvoerde, hief Cyprianus zijne zweep omhoog en striemde den muil van den ongenoodigden gast met een fermen zweepslag.
Een verschrikkelijk gebrul was het antwoord op dien aanval!.... Het was waarachtig een leeuw, die door den jongen ingenieur als een stouten poedel behandeld was!
Onze Franschman had nauwelijks den tijd om een der revolvers ter hand te nemen, die hij steeds aan zijn gordel droeg, en om een zijsprong uit te voeren, toen het dier op hem toesprong zonder hem te bereiken, zich omwendde en andermaal op hem toevloog en zijn arm greep.
Cyprianus voelde de scherpe klauwen zijn vleesch verscheuren. Door den schok viel hij omver en rolde in het stof met het schrikkelijke wilde dier. Een schot knalde eensklaps! Het lichaam van den leeuw trilde onder eene laatste stuiptrekking, rekte zich uit en bleef bewegingloos liggen.
Cyprianus, die niets van zijne koelbloedigheid verloren had, had met de hand, die nog vrij gebleven was, den loop van de revolver in het oor van het monster geplaatst, wiens schedel door een ontplofbaren kogel verbrijzeld werd.
De slapende makkers van den ingenieur, door het gebrul van den leeuw en door den knal van het revolverschot gewekt, stonden naar het gevecht te zien. Men bevrijdde Cyprianus, die half verpletterd onder het gewicht van het overgroote dier lag; men onderzocht zijne wonden, die niets te beduiden hadden. Li verbond ze met eenige zwachtels met brandewijn bevochtigd; daarna werd de beste plaats in den wagen voor den dappere ingeruimd, en weldra was de geheele karavaan weer ingeslapen onder de hoede van Bardik, die tot het aanbreken van den dag wilde waken.
De dageraad vertoonde zich nauwelijks aan den hemel, toen de stem van James Hilton weerklonk, die zijne makkers smeekte hem te hulp te komen, en aldus een nieuw onheil aankondigde. James Hilton had zich geheel gekleed op het voorgedeelte van den wagen te slapen gelegd. Thans verried zijne stem den vreeselijksten angst, terwijl hij geene beweging durfde maken.
“Eene slang heeft zich rondom mijn rechterknie onder mijn broek gerold,” zeide hij. “Beweegt u niet, of ik ben verloren! Wat moet er toch gedaan worden?”
Zijne oogen puilden uit hunne kassen van angst; zijn gelaat was met eene lijkkleur overtogen. Men ontwaarde inderdaad ter hoogte van zijn rechterknie, onder het blauwe linnen van zijn broek, de tegenwoordigheid van een vreemd lichaam—een soort kabel, die rondom het been gewikkeld was.
De toestand was ernstig. Zooals James Hilton zelf zeer te recht opmerkte, bij de eerste beweging, die hij deed, zou de slang niet nalaten hem te bijten!
Maar te midden van de algemeene verslagenheid nam Bardik op zich om te handelen.
Na het jachtmes van zijn meester, zonder gedruisch te maken, uit de scheede getrokken te hebben, naderde hij James Hilton met eene bijna onmerkbare beweging. Hij schoof vooruit als ware hij een worm. Toen bracht hij zijne oogen ter hoogte van de slang en onderzocht gedurende eenige seconden nauwkeurig de ligging van het gevaarlijke dier. Ongetwijfeld zocht hij zich rekenschap te geven van de plaats, waar de kop der slang zich bevond.
Plotseling richtte hij zich met eene snelle beweging op; daarop bracht hij zijn arm bliksemsnel omlaag, en het staal van het mes drong met een droog en kort geluid ter hoogte van de knie van James Hilton door het linnen zijner broek.
“Gij kunt de slang afschudden!.... Zij is dood!” zei Bardik, terwijl hij glimlachende al zijne tanden liet zien.
James Hilton gehoorzaamde werktuiglijk en schudde het been.... De slang viel voor zijne voeten.
Het was een adder met zwarten kop van slechts een duim middellijn, maar welks beet voldoende zoude geweest zijn om een schrikkelijken dood te veroorzaken. De jeugdige Kaffer had haar met eene bewonderenswaardige juistheid onthoofd. De broek van James Hilton vertoonde een snee van nauwelijkszes centimeters, en de huid van den Amerikaan was niet geraakt.
Eene afschuwelijke omstandigheid, die Cyprianus diep verontwaardigde, was dat James Hilton er zelfs niet aan scheen te denken om zijn redder te bedanken. Nu hij uit den knel was, vond hij zijne tusschenkomst heel natuurlijk. Het denkbeeld kon niet bij hem opkomen, om de zwarte hand van den Kaffer in de zijne te nemen en hem toe te voegen: ik ben u het leven verschuldigd.
“Dat mes is waarachtig zeer scherp,” merkte hij eenvoudig op, terwijl Bardik het afwischte en in de scheede stak, zonder zelf groote beteekenis te hechten aan hetgeen hij verricht had.
Het ontbijt bracht verstrooiing aan en wischte weldra de indrukken van dien bewogen nacht uit. Dat ontbijt bestond dien morgen uit slechts één struisvogel-ei, dat met boter gekookt was en voldoende bleek om den eetlust der vijf gasten te verzadigen.
Cyprianus had een lichten aanval van koorts, ter gevolge van zijne wonden die wel ietwat pijnlijk waren. Hij drong er evenwel op aan om Hannibal Pantalucci en James Hilton naar de kraal van Lopepo te vergezellen. Het kamp werd bijgevolg onder de hoede van Bardik en van Li achtergelaten. Deze twee hadden op zich genomen den dooden leeuw te villen. Het was inderdaad een monster van de soort die “hondenbek” geheeten wordt.
De drie ruiters togen alleen op weg.
Het Betjuaansche opperhoofd wachtte hen bij den ingang van zijne kraal op en was door al zijn krijgers omringd. Achter dezen hadden zich de vrouwen en kinderen uit nieuwsgierigheid opgesteld, om de vreemdelingen te zien. Toch speelden sommige van die huismoedertjes de onverschilligen. Voor hunne halfronde hutten gezeten, hielden zij zich ongedwongen met hun huiselijken arbeid bezig.
Eenigen knoopten netten van lang vezelig gras, hetwelk zij als touw draaiden.
Het algemeene uiterlijk was ellendig, hoewel de hutten zeer goed gebouwd waren. Die van Lopepo was veel ruimer dan de anderen, was daarenboven van binnen met stroomatten bekleed en stond in het midden van de kraal.
Het opperhoofd geleidde zijne gasten naar binnen, wees hun drie bankjes aan en zette zich op zijne beurt voor hen neder, terwijl zijne eerewacht zich achter hem in een kring schaarde.
Men begon met de gebruikelijke plichtplegingen te betrachten, die zich gewoonlijk bepalen tot het drinken van een kom gegisten drank, die in de keuken van den gastheer vervaardigd werd. Om evenwel te bewijzen, dat deze geene trouwelooze voornemens koesterde, begon hij met de kom aan zijne lippen te brengen, alvorens haar aan de vreemde gasten aan te bieden. Het zou een doodelijke beleediging zijn, wanneer de drank na die beleefde uitnoodiging geweigerd werd. De drie blanken slikten dus dat Kafferbrouwsel, evenwel niet zonder dat Hannibal Pantalucci afschuwelijk leelijke gezichten getrokken had, terwijl hij ter zijde mompelde dat hij de voorkeur zoude gegeven hebben aan een glas Lacryma-Christi boven dit walgelijk Betjuaansch apothekersdrankje.
Daarna begon men over zaken te kouten. Lopepo verlangde een geweer te koopen. Dat was evenwel een wensch, die niet ingewilligd kon worden, hoewel hij in ruil aanbood een tamelijk bruikbaar paard en honderd vijftig ponden ivoor. Op dit punt zijn de koloniale verordeningen zeer streng. Zij verbieden de Europeanen wapentuig aan de grenskaffers over te doen, behalve wanneer zij daartoe speciale vergunning van den gouverneur hebben. Om het opperhoofd evenwel tevreden te stellen, hadden de drie gasten van Lopepo voor hem medegebracht een flanellen hemd, een stalen ketting en eene flesch rum, hetgeen een vorstelijk geschenk mocht heeten en hem zichtbaar veel genoegen deed.
Het gevolg daarvan was dan ook, dat het Betjuanen-opperhoofd zich uiterst goed gestemd toonde om al de inlichtingen te verschaffen, die van hem verlangd werden en die, om begrepen te worden, door tusschenkomst van James Hilton verkregen moesten worden.
Vooreerst kreeg men te weten dat een reiziger, die geheel en al aan de beschrijving van Makatit voldeed, de kraal vijf dagen vroeger voorbijgetrokken was. Dat was de eerste tijding, die men sedert weldra twee weken vanden vluchteling inwon. Zij was dan ook heel aangenaam en werd dankbaar opgenomen. De jeugdige Kaffer had blijkbaar een paar dagen zoek gebracht met naar de waadbare plaats in de Limpopo te zoeken, en trok thans naar het bergland in het noorden.
Of dat bergland nog ver was? En hoeveel marschdagen die afstand nog bedroeg?
O, slechts zeven of acht.
Of Lopepo in vriendschappelijke verhouding stond met den souvereinen gebieder van het land, waarin Cyprianus en zijne makkers trekken wilden?
Ja zeker, daar stelde Lopepo een eer in! Daarenboven, wie zou niet vriendschappelijk gestemd jegens en den trouwen bondgenoot willen zijn van Tonaïa den Grooten, den onoverwinnelijken overheerscher van de Kafferlanden?
Ontving Tonaïa de Groote de blanken voorkomend?
Ja, omdat hij bij ervaring wist, dat de blanken steeds eene beleediging aan een hunner aangedaan wreken. Waarom met de blanken in oneenigheid te leven? Zijn zij niet de sterksten, dank zij hunne geweren, die zichzelven laden? Neen, het was het beste in vrede met hen te leven, hen goed te ontvangen en eerlijk handel met hunne kooplieden te drijven.
Dat waren de inlichtingen, die Lopepo verschafte. De voornaamste daarvan was verreweg dat Makatit verscheidene marschdagen verloren had, alvorens de rivier te kunnen oversteken, ook dat men nog steeds op zijn spoor was.
Toen Cyprianus, Hannibal Pantalucci en James Hilton in hunne legerplaats terugkeerden, vonden zij Bardik en Li geheel en al overstuur.
Zij hadden, zooals zij verhaalden, een bezoek gekregen van een bende Kaffersche krijgslieden van een anderen stam dan waartoe Lopepo behoorde. Dezen hadden hen eerst omsingeld en daarna aan eene nauwkeurige ondervraging onderworpen. Wat kwamen zij in dit land uitvoeren? Was het niet om de Betjuanen te bespionneeren, om berichten in te winnen, om hunne getalsterkte, hunne krijgsmacht en hunne bewapening te leeren kennen? De vreemdelingen handelden niet wel, wanneer zij zich met zoo’n bedrijf afgaven. Het is waar, hun koning Tonaïa had niets in te brengen, zoolang zij zijne grenzen niet overschreden hadden; maar de zaken veranderden geheel van gedaante, wanneer zij zijn grondgebied zouden binnen dringen.
Dat was de slotsom geweest van hunne gesprekken. De Chinees toonde zich niet erg bewogen; maar Bardik, die gewoonlijk zoo kalm, steeds zoo koelbloedig was, scheen thans uitermate beangst te zijn en wel zoodanig dat Cyprianus zich dat moeilijk verklaren kon.
“Zeer boosaardige krijgslieden!” zei hij, terwijl hij groote verschrikte oogen rolde, “krijgslieden die de blanken haten en hen “kouïk” doen zeggen.
Die uitdrukking beteekende bij de half ontbolsterde Kaffers iemand een gewelddadigen dood doen ondergaan.
Wat nu te doen? Zou men groote waarde aan die mededeeling moeten hechten? Ongetwijfeld neen. Want die krijgslieden hadden, hoewel zij, volgens de medegedeelde berichten, ruim dertig man sterk waren, Bardik en Li, die ongewapend waren, geen kwaad gedaan en hadden geene neiging tot stelen of plunderen aan den dag gelegd. Hunne bedreigingen waren slechts ijdele praatjes, zooals wilden gewoon zijn tegenover vreemdelingen te bezigen. Het zou voldoende zijn het groote opperhoofd Tonaïa eenige beleefdheden te bewijzen en eene openhartige mededeeling te doen omtrent het doel, dat de blanken in zijn land bracht. Dat zou wel allen achterdocht verdrijven en hen eene goede ontvangst verzekeren.
Het werd dan ook afgesproken, dat men de reis voortzetten zou. De hoop van Makatit in te halen en hem den gestolen diamant afhandig te maken, deed iedere andere beschouwing of hinderpaal vergeten.
Na eene week reizens was de karavaan in een streek aangekomen, die in geenen deele geleek op eenig land dat onze spoorzoekers doorreisd hadden, sedert zij Grikwaland verlieten. Men naderde thans het bergland, hetwelk Makatitzich volgens alle ingewonnen berichten waarschijnlijk tot einddoel zijner reis gesteld had. Het hooge land, dat men nader kwam, werd genoegzaam aangekondigd door de vele bergstroomen, die van de hellingen afdaalden, en door eene planten- en dierenwereld, geheel verschillend van die der vlakte.
Een der eerste valleien, die zich voor hunne oogen opdeed, leverde hun bij zons-ondergang een buitengewoon frisch en lachend schouwspel.
Eene rivier, welker water zoo helder was, dat men overal de bedding zien kon, kronkelde tusschen twee smaragd-groene grasvelden. Talrijke vruchtboomen met hun rijk geschakeerden bladerdos tooiden de hellingen der heuvels, die dit bekken omsloten. Op dien bodem, die gedeeltelijk door de zon nog beschenen, gedeeltelijk door de kolossale broodboomen beschaduwd werd, graasden vreedzaam talrijke kudden van roode antilopen, van zebra’s of van buffels. Iets verder schreed een rhinoceros met loggen tred door eene breede open plek en begaf zich naar den rivieroever en knorde reeds van blijdschap bij de gedachte, dat hij die heldere wateren troebel zou maken door er zijne vleeschachtige massa in te plompen. Hier en daar vernam men het gegeeuw van eenig wild dier, dat zich onder het struikgewas verveelde. Men zag er een wilden ezel die balkte, terwijl boven hem geheele troepen apen in de boomen dartelden en elkander nazaten als kwajongens.
Cyprianus en zijne beide makkers hadden boven op een heuvel halt gemaakt, om dat voor hen zoo nieuwe tooneel op hun gemak te kunnen genieten. Zij waren eindelijk in een van de oerstreken aangekomen, waar het wilde dier als onbetwiste heerscher van den grond, zoo gelukkig en zoo vrij leefde, dat het zelfs het bestaan van eenig gevaar niet giste. Wat vooral opmerkenswaardig genoemd kon worden, was niet alleen de talrijkheid en de rustige aard van die dieren, maar ook de bewonderenswaardige verscheidenheid van het dierenrijk, hetwelk zij in dit gedeelte van Afrika vertegenwoordigden. Men zou waarlijk geloofd hebben een van die vreemdsoortige schilderijen onder de oogen te hebben, waarop de schilder zich tot taak schijnt gesteld te hebben, binnen een engen kring al de voornaamste typen van het dierenrijk te vereenigen.
Weinig menschelijke bewoners werden evenwel aangetroffen. De Kaffers, wel is waar, konden slechts te midden van de onmetelijke streken zeer dun gezaaid zijn op deze oppervlakten. Het was nog niet de woestijn, maar veel scheelde het niet.
Cyprianus in zijne neigingen van geleerde en van kunstenaar geprikkeld, was er niet verre van af te gelooven, dat hij in den voorhistorischen tijd, waarin het megatherum en andere voorzondvloedlijke dieren leefden, terug gebracht was.
“Er ontbreken hier nog maar olifanten,” sprak hij, “om het feest volkomen te maken!”
Hij werd evenwel als op zijn woord bediend. Li strekte den arm uit en toonde hem te midden van eene uitgestrekte vlakte, verscheidene grijsachtige massa’s. Van uit de verte gezien, was het alsof het zooveel rotsen waren en men zou in die meening gestijfd zijn zoowel door hunne onbeweeglijkheid als door hunne kleur. Inderdaad, het was eene kudde olifanten. Het grasveld was er mede gevlekt over eene uitgestrektheid van verscheidene mijlen.
“Je hebt dus ook verstand van olifanten?” vroeg Cyprianus aan den Chinees, terwijl men aanstalten maakte om het nachtelijke verblijf in gereedheid te brengen.
Li knipte met zijne kleine scheefstaande oogen.
“Ik heb twee jaar op Ceylon gewoond en daar als helper ijverig aan de drijfjachten deelgenomen,” antwoordde hij met die geheimzinnige terughouding, die bij hem steeds waar te nemen was, wanneer het zijne levensgeschiedenis gold.
“Ik wilde wel, dat wij een paar van die monsters konden neerleggen,” sprak James Hilton. “O! dat is zoo’n prettige jacht!”
“Ja,” vulde Hannibal Pantalucci aan, “en eene jacht, waarbij het wild waarachtig het schot kruit wel waard is. Bij voorbeeld twee olifantstanden kunnen een’ aanzienlijken buit genoemd worden en wij zouden in het achtergedeelte van onzen wagen wel ruimte vinden om drie of vier dozijn van dietanden te bergen!....Beseftge wel, makkers, dat niet meer noodig ware om de kosten van onze reis te dekken?”
“Maar, dat is een denkbeeld—en een uitmuntend zelfs,” riep James Hilton uit. “Waarom zouden wij morgen niet reeds die jacht beproeven, voor dat wij de reis voortzetten?”
Men besprak het voorstel en eindelijk werd besloten, dat men bij het krieken van den dag het kamp zoude opbreken en dat men het geluk zou gaan beproeven, naar den kant van de vallei, waar olifanten bespeurd waren.
Nadat die beslissing genomen en het middagmaal zoo haastig mogelijk verorberd was, kroop ieder onder de huif van den wagen, behalve James Hilton, die de wacht had, en derhalve dien nacht bij het vuur moest waken.
Hij had zoo omstreeks twee uren in de eenzaamheid doorgebracht, en hij begon reeds in te dutten, toen hij zich zachtkens tegen den elleboog voelde stooten. Hij opende de oogen en zag dat Hannibal Pantalucci naast hem gezeten was.
“Ik kan niet slapen,” zei de Napolitaan, “en in dat geval denk ik, dat ik even goed bij u kan komen zitten.”
“Dat is zeer vriendelijk van u,” antwoordde James Hilton, terwijl hij zich uitrekte, “mij zouden eenige uren slapens niet onwelkom zijn. Als gij zoudt willen, zouden wij het met elkander kunnen vinden! Ik zou onder de huif uwe plaats kunnen gaan innemen en gij de mijne hier?”
“Neen!.... blijf! Ik heb met u te praten!” hernam Hannibal Pantalucci met gedempte stem.
Hij keek rond om zich te overtuigen, of zij wel alleen waren, en hernam daarna:
“Hebt gij ooit een olifantsjacht bijgewoond?”
“Ja, twee malen,” antwoordde James Hilton.
“Welnu, dan weet gij, dat het eene gevaarlijke jacht is. De olifant is zeer verstandig, zeer slim en zeer goed gewapend. Het is zelden, dat de mensch bij een strijd tegen dat dier niet het onderspit moet delven.”
“Jawel, dat is zoo, als gij van de onhandigen spreekt!” antwoordde James Hilton. “Met een goede karabijn evenwel, die met ontplofbare kogels geladen is, is het gevaar nul en valt er niet veel te vreezen!”
“Zoo dacht ik er ook over,” hernam de Napolitaan. “Er kunnen evenwel ongelukken gebeuren!.... Veronderstel eens, dat er morgen den Franschman een overkomt, dan zou het een ramp voor de wetenschap zijn!”
“Een ware ramp!” herhaalde James Hilton.
Hij lachte evenwel daarbij met een boosaardigen lach.
“Voor ons zou die ramp zoo heel groot niet zijn,” hernam Hannibal Pantalucci, aangemoedigd door den lach van zijn makker. “Wij zouden dan slechts twee zijn om Makatit en zijn diamant na te zetten!.... Nu kan men zich met zijn tweeën beter verstaan dan....”
Beide mannen bleven het stilzwijgen bewaren, met de oogen op de brandende takken gericht en de gedachten vervuld met hunne misdadige ontwerpen.
“Ja, zeker.... met zijn tweeën verstaat men elkander beter,” herhaalde de Napolitaan. “Met zijn drieën is dat moeielijker!”
Weer trad een oogenblik van stilte in.
Hannibal Pantalucci hief eensklaps het hoofd op en peilde den donkeren nacht, die hem omgaf.
“Hebt gij niets gehoord?” vroeg hij zacht fluisterend. “Ik meende eene schaduw achter dien broodboom te zien.”
James Hilton keek op zijne beurt uit, maar al was zijn oog ook nog zoo scherp, hij ontwaarde niets verdachts in den omtrek der legerplaats.
“Ik zie niets!” zei hij. “Wellicht heeft het linnen, dat de Chinees in den nachtdauw te bleeken heeft gelegd, uw oog getrokken.”
Het gesprek werd weldra tusschen de twee medeplichtigen hervat, maar fluisterend ditmaal:
“Ik zou de patronen van zijn geweer kunnen aftrekken, zonder dat hij zulks merkte,” zei Hannibal Pantalucci. “Ik zou vervolgens bij het aanvallen van een olifant een schot achter hem kunnen lossen, zoodat het dier hem dan moest bespeuren.... Nu, dan zou het niet lang meer duren!....”
“Jongens, dat is niet van gewicht ontbloot, wat ge daar zegt,” antwoordde James Hilton ontwijkend.
“Kom, laat mij begaan, en gij zult zien dat de geheele zaak van een leien dakje zal glijden,” hernam de Napolitaan.
Toen Hannibal Pantalucci zijne plaats onder de huif een uur later weer innam, stak hij voorzichtig een lucifer aan om zich te overtuigen dat niemand zich verroerd had. Deze voorzorg veroorloofde hem zich te overtuigen dat Cyprianus, Bardik en de Chinees Li in diepen slaap gedompeld waren.
Zij hadden er ten minste al het uiterlijke van. Als de Napolitaan er evenwel op verdacht was geweest, dan had hij wellicht opgemerkt dat het luide gesnurk van Li eenigszins kunstmatig klonk.
Bij het aanbreken van den dag was iedereen op de been. Hannibal Pantalucci wist van een oogenblik gebruik te maken, toen Cyprianus zich naar de bijgelegen beek begeven had om zijn morgenwasschingen te verrichten, om de patronen van diens geweer af te trekken. Dat was snel genoeg verricht en vereischte niet eens twintig seconden. Hij bevond zich geheel alleen. Bardik zette koffie en Li was bezig met zijn linnen te verzamelen, dat hij in den nachtdauw op zijn berucht touw, dat hij tusschen twee takken gespannen had, uitgehangen had. Er viel niet aan te twijfelen, niemand had iets gezien.
Toen de koffie gedronken en het ontbijt genuttigd was, vertrokken de jagers te paard, den wagen en de trekossen onder de hoede van Bardik achterlatende.
Li had verzocht de ruiters te mogen volgen en had als eenig wapen het jachtmes zijns meesters medegenomen. De jagers kwamen binnen een half uur op hetzelfde punt aan, waar zij den vorigen avond de olifanten bespeurd hadden. Maar dien dag moest men een weinig verder trekken om hen op te sporen en eene open vlakte bereiken, die zich tusschen den voet van het gebergte en den rechter-oever der rivier uitstrekte.
Een geheele kudde olifanten, twee of drie honderd op zijn minst, waren bezig, terwijl zij in de heldere lucht, die door de opkomende zon nog schitterender was, scherp uitkwamen, hun ontbijt te genieten op het tapijt eener onmetelijke vlakte, die met fijn gras nog bepareld met dauwdroppels, overdekt was. De kleinen sprongen en dartelden allerdwaast rond om hunne moeders of zogen in stilte. De grooten verorberden met voorovergebukten kop en met regelmatig slingerende slurven, het dichte gras van het weiland. Bijna allen waaiden zich versche lucht toe met hunne breede ooren, die, aan lederen mantels gelijk, als indiaansche punka’s bewogen werden.
Er was in de kalmte van dat huiselijk geluk zoo iets heiligs te ontwaren, dat Cyprianus zich diep bewogen gevoelde en aan zijne makkers vroeg om de jacht op te geven.
“Waarom die schuldelooze dieren te dooden?” zei hij. “Is het niet beter hen in vrede in hunne eenzaamheid te laten?”
Maar dit voorstel viel om meer dan ééne reden niet in den smaak van Hannibal Pantalucci.
“Waarom?” vroeg hij spottend. “Wel, om mijne beurs te vullen door ons een goeden voorraad ivoor te verschaffen. Jagen die dikke dieren u angst aan, mijnheer Méré?”
Cyprianus trok de schouders op, zonder die ongepaste vraag te beantwoorden. Toen hij den Napolitaan en zijn makkers zag voortschrijden naar de bedoelde vlakte, deed hij als zij en ging mede.
Alle drie waren thans tot op een afstand van ongeveer drie honderd meters van de olifanten genaderd. De redenen, waarom die slimme dieren met hun fijn gehoor, dat hen zoo spoedig waarschuwde, de nabijheid der jagers nog niet ontwaard hadden, lag daarin dat deze onder den wind naderden en bovendien beschermd waren door een dik boschgedeelte van broodboomen.
Toch begon een der olifanten teekenen van onrust te geven. Hij hief zijn snuit als een vraagteeken in de hoogte.
“Het oogenblik is gekomen,” zei Hannibal Pantalucci met fluisterende stem. “Als wij tot eenig resultaat willen geraken, moeten wij ons op eenigen afstand van elkander plaatsen en ieder ons doelwit kiezen, dan moeten wij te gelijker tijd op een afgesproken sein vuur geven. Dit moeten wij te eerder in acht nemen, daar de geheele kudde op het eerste schot de vlucht gaat nemen.”
Toen dat voorstel aangenomen was,week James Hilton ter rechterzijde uit, terwijl Hannibal Pantalucci datzelfde te gelijkertijd ter linkerzijde deed, en Cyprianus Méré in het centrum der positie bleef voortgaan. Alle drie reden toen op het gemeenschappelijke doel, de open vlakte toe.
Cyprianus voelde op dit oogenblik tot zijne overgroote verwondering twee armen, die hem met bovenmatige kracht om het middel omstrengelden, terwijl Li’s stem hem in het oor fluisterde:
“Ik ben het!.... Ik ben op het achterstel van uw paard gesprongen!...Spreek geen woord!.... Gij zult straks mijne beweegredenen wel begrijpen!”
Cyprianus kwam toen juist bij den rand van het broodboomenboschje aan en was op niet meer dan dertig meters van de olifanten verwijderd. Hij maakte zijn geweer reeds vaardig om op iedere gebeurlijkheid voorbereid te zijn, toen de Chinees hem nog toefluisterde:
“Uw geweer is ontladen!.... Maar laat u dat niet ongerust maken!.... Alles gaat goed!.... Waarachtig alles gaat goed!”
Op hetzelfde oogenblik weerklonk de toon van een scherp fluitje, dat het teeken voor den algemeenen aanval moest zijn. Dadelijk daarop knalde een geweerschot—een enkel slechts—vlak achter Cyprianus.
Deze keerde zich onmiddellijk om en zag Hannibal Pantalucci, die zich achter een boomstam trachtte te verschuilen. Maar hij had geen tijd om daar lang zijne aandacht op te vestigen, want die werd elders geroepen.
Een der olifanten, door dat schot waarschijnlijk gekwetst en ten gevolge van zijne verwonding woedend gemaakt, stormde op hem los. De andere dieren namen, zooals de Napolitaan voorzien had, dadelijk de vlucht met een schrikkelijk getrappel, dat de grond over een omtrek van twee duizend meters deed dreunen.
“Nu zijn we er!” riep Li, die zich steeds aan Cyprianus vastgeklemd hield. “Zoodra het dier op het punt zal zijn om u te bereiken, moet gij Templar een zijsprong doen uitvoeren!.... Draai dan rondom dien struik daar en laat u door den olifant vervolgen.... Het overige neem ik op mij.”
Cyprianus had slechts den tijd om die aanwijzingen werktuigelijk uit te voeren, want de dikhuid stormde met den snuit hoog verheven, met bloed beloopen oogen, met open mond en met de voortanden vooruitstekend en daarbij eene ongeloofelijke snelheid ontwikkelend, op hem los.
Templar gedroeg zich in die omstandigheden als een oud krijger. Het edele dier gehoorzaamde met de meest bewonderenswaardige stiptheid aan de drukking der knieën en aan het aanleggen der beenen van zijnen berijder, en volvoerde juist op het gewilde oogenblik een hevigen zijsprong ter rechterzijde. De olifant, door de zwaartekracht voortgedreven, vloog het paard zonder het te raken voorbij ter zelfder plaats, die ruiter en paardternauwernood verlaten hadden.
Intusschen had de Chinees zich op den grond laten glijden, na zijn mes zonder een woord te spreken uit de scheede gehaald te hebben. Met een vluggen sprong wierp hij zich achter den struik, dien hij zijn baas getoond had.
“Daar!.... daar!.... wend nu om den struik en laat u vervolgen!” riep hij andermaal.
De olifant was omgekeerd en kwam nu op hem terug, dubbel verwoed, doordat hij bij zijn eersten aanslag niet geslaagd was. Cyprianus, alhoewel hij de door Li aangeduide beweging niet begreep, volvoerde haar toch stiptelijk. Hij draaide en wendde rondom den struik, door het woest ademende dier op de hielen vervolgd. Twee malen ontweek hij nog den schok door een plotselingen zijsprong van zijn paard. Maar zou die taktiek langen tijd slagen? Hoopte Li het dier zoo af te maken?
Die vragen stelde zich Cyprianus, zonder daarop een voldoend antwoord te kunnen geven, toen hij plotseling den olifant tot zijn groote verbazing op de knieën zag ineenzakken.
Li, met eene onvergelijkelijke behendigheid van het gunstige oogenblik gebruik makende, was door het gras voortgekropen tot onder de pooten van het dier en had met één enkelen houw van zijn jachtmes de spier van den hiel, die bij den mensch de Achillespees genoemd wordt, doorgesneden.
Zoo gaan de Hindoes bij hunne jachtondernemingen op den olifant te werk en de Chinees moest die handelingmeermalen op Ceylon beoefend hebben, af te leiden uit de juistheid en de koelbloedigheid, waarmede zij uitgevoerd was. Machteloos en op den grond uitgestrekt, bleef de olifant liggen, terwijl zijn kop in het dichte gras verborgen scheen. Een beek van bloed stroomde uit de wond en verzwakte hem klaarblijkelijk.
“Hoerah!.... Bravo....” riepen Hannibal Pantalucci en James Hilton, terwijl zij toen eerst op het tooneel van den strijd verschenen.
“Men moet hem met een kogelschot in het oog afmaken!” zei James Hilton, die een onbedwingbare behoefte ondervond, om in beweging te blijven en een rol in dit drama te spelen.
Daarop bracht hij den kolf van zijn geweer aan den schouder en gaf vuur.
Bijna ter zelfder tijd hoorde men in het lichaam van het reusachtige dier het springen van den ontplofbaren kogel. Het ondervond eene laatste stuiptrekking en bleef daarna onbeweeglijk liggen evenals eene grijsachtige rots langs de boorden van den weg.
“Het is uit met hem!” riep James Hilton, terwijl hij zijn paard vooruit dreef tot dicht bij het dier, om beter te kunnen zien.
“Wacht!.... wacht nog!....” scheen de sluwe blik van den Chinees tot zijn baas te zeggen.
Er viel niet lang naar het schrikkelijk, maar niet te vermijden uiteinde van dat tooneel te wachten.
Inderdaad, nauwelijks was James Hilton dicht bij den olifant gekomen en boog hij zich over zijn stijgbeugel om bij wijze van spotternij een van zijn groote ooren op te heffen, toen het dier eensklaps zijn snuit met eene onverwachte beweging op den onvoorzichtigen jager deed neerkomen, hem de wervelkolom brak en het hoofd verbrijzelde,voordatde toeschouwers van die schrikkelijke ontknooping den tijd hadden om tusschenbeide te treden, ten einde haar te voorkomen.
James Hilton kon slechts een laatsten gil doen hooren. In minder dan vier seconden bleef van hem niets anders meer over dan een bloedige vleeschklomp, waarop de olifant zich liet neervallen, om niet weer op te staan.
“Ik was er zeker van, dat hij zich slechts dood hield,” zei de Chinees met rustige stem, terwijl hij het hoofd schudde. “De olifanten handelen nooit anders, wanneer de gelegenheid er zich toe aanbiedt.”
Dat was het eenige rouwbeklag van James Hilton. De jeugdige ingenieur, nog onder den indruk van de verraderlijke streek, waarvan hij bijna het slachtoffer was geworden, kon de gedachte aan eene rechtvaardige wedervergelding niet onderdrukken ten opzichte van een der ellendelingen, die hem weerloos aan de blinde woede van een zoo schrikkelijk dier had willen overleveren.
Wat de gedachten van den Napolitaan waren? Hij achtte het geraden ze voor zich te houden.
De Chinees was middelerwijl reeds met zijn jachtmes bezig om een kuil onder de graszoden van de vlakte te maken, waarin hij door Cyprianus geholpen, weldra de vormlooze overblijfselen van diens vijand ter aarde bestelde.
Dat alles deed eenigen tijd verloren gaan, en de zon stond reeds hoog boven den horizon, toen de drie jagers naar het kamp terugkeerden.
Toen zij daar evenwel aankwamen, was hunne verwondering groot!.... Want Bardik was er niet meer.
Wat was er gedurende de afwezigheid van Cyprianus en van zijne beide makkers in het kamp voorgevallen? Het was moeielijk te gissen zoolang de jeugdige Kaffer niet teruggekomen was.
Men wachtte Bardik dus; men riep hem, men zocht hem langs alle kanten. Geen spoor zelfs werd van hem ontdekt. Het ontbijt dat hij bezig was geweest klaar te maken, stond naast het uitgedoofde vuur en duidde er op, dat zijn verdwijnen eerst sedert twee of drie uren geleden plaats had gehad.
Cyprianus kon dus slechts gissen waardoor die verdwijning veroorzaakt kon zijn; maar die gissingen werden door niets toegelicht. Het was niet waarschijnlijk dat de jeugdige Kaffer door een wild dier kon zijn aangevallen;er was geen spoor van een bloedigen strijd, zelfs niet de minste wanorde in den omtrek te bespeuren. Dat hij gedrost zou zijn om naar zijn land terug te keeren, zooals de Kaffers meermalen doen, was noch minder aanneembaar van een kerel, zoo vol toewijding als hij was, en de jeugdige ingenieur weigerde bepaald die veronderstelling door Hannibal Pantalucci vooropgesteld, voor waar aan te nemen.
Om kort te gaan, de jonge Kaffer bleef, nadat men hem gedurende een halven dag gezocht had, afwezig en, wat meer zegt, zijne verdwijning bleef geheel onverklaarbaar.
Hannibal Pantalucci en Cyprianus hielden dus raad en kwamen na eenige woordenwisseling overeen tot den volgenden morgen te wachten alvorens het kamp op te breken. Wellicht kon Bardik nog terugkeeren in die tijdsruimte, wanneer hij namelijk verdwaald was geraakt bij de vervolging van eenig stuk wild, dat zijne jagersbegeerte kon hebben opgewekt.
Maar toen zij zich herinnerden het bezoek dat eene Kafferbende hun op een hunner pleisterplaatsen gebrachthaden zij rekening hielden met de vragen, die toen aan Bardik en aan Li gedaan waren, met de vrees, die toen aan den dag gelegd was dat de reizigers, die wellicht verspieders waren, het land vanTonaïazouden binnentrekken, toen rees bij hen de vraag, en niet zonder reden, of Bardik niet in handen van die inboorlingen gevallen en als gevangene naar hunne hoofdplaats gevoerd was.
De dag werd treurig ten einde gebracht en de avond was nog droefgeestiger. Het ongeluk scheen op de onderneming te rusten. Hannibal Pantalucci was nurks en zweeg als een pot. Zijne twee medeplichtigen Friedel en James Hilton waren reeds dood, zoodat hij alleen tegenover zijn jeugdigen medeminnaar overbleef. Hij was intusschen meer dan ooit besloten zich van dezen te ontdoen. Hij wilde alleen blijven, zoowel in de zaak van den diamant als in de huwelijkskwestie. En beide gevallen waren voor hem slechts zaken.
Wat Cyprianus aangaat, daar Li hem alles verteld had, wat hij aangaande het aftrekken van de patronen van Méré’s geweer vernomen had, moest hij nacht en dag waakzaam zijn tegenover zijn reismakker. Het is waar, dat de Chinees een gedeelte van die waakzaamheid voor zijne rekening wilde nemen.
Cyprianus en Hannibal Pantalucci brachten hun avond onder het rooken eener pijp of sigaar bij het vuur stilzwijgend door en kropen onder de huif van den wagen, zonder elkander zelfs goeden nacht toe te wenschen. Het was toen de beurt van Li om bij het vuur te waken, dat ontstoken was om de wilde dieren op een afstand te houden.
De jonge Kaffer was den volgenden ochtend bij het krieken van den dag niet in het kamp terug.
Cyprianus had nog wel vier en twintig uren willen wachten, ten einde aan zijn dienaar nog een laatste kans te verschaffen om terug te kunnen keeren; maar de Napolitaan drong er ten sterkste op aan om dadelijk te vertrekken.
“Wij kunnen het zeer goed zonder Bardik doen”, zei hij “en iedere vertraging stelt ons aan de mogelijkheid bloot, Makatit niet meer te kunnen inhalen!”
Dat moest Cyprianus erkennen. De Chinees ging er dan ook toe over om de trekossen bij elkander te drijven, ten einde te kunnen vertrekken.
Nieuwe teleurstelling; maar dezen keer veel ernstiger dan den eersten. Ook de ossen waren niet terug te vinden. Den avond te voren lagen zij nog te rusten in het hooge gras, dat rondom het kamp groeide.... Thans was er geen enkele te bespeuren.
Toen eerst kon men den omvang van het verlies, dat de expeditie in den persoon van Bardik geleden had gevoelen! Indien die intelligente dienaar nog op zijn post aanwezig ware geweest, dan zou hij met zijn kennis van de gewoonten van het rundergeslacht in Zuid-Afrika, niet in gebreke zijn gebleven die dieren, die den geheelen dag rust genoten hadden, aan boomstammen of aan piketpalen vast te maken. Gewoonlijk was die voorzorg na een langen dagmarsch bij het aankomen van een pleisterplaats overbodig. De ossen waren dan uitgeput van vermoeienis en dachten aan niets anders dan aan het grazen in de onmiddellijke nabijheid van den wagen, waarna zij zich neervlijden, om de nachtrust te genieten; zij verwijderden zich dandes morgens hoogstens tot op een afstand van honderd meter. Maar zoo was het niet na zulk een dag van rust en van volop voeder doorgebracht te hebben.
Klaarblijkelijk was de eerste zorg dier dieren geweest, toen zij ontwaakten, om een malscher gras op te zoeken dan dat waaraan zij zich den vorigen dag verzadigd hadden. Nog al van dolenden aard zijnde, hadden zij zich langzamerhand verwijderd, en waren uit het gezicht van het kampement geraakt. Toen door huninstinctvoortgezweept, dat hen dreef hunne stal op te zoeken, waren zij waarschijnlijk, de een achter den ander voortschrijdende, op weg naar de Transvaal getogen.
Dat was een ramp, die wel is waar niet zeldzaam bij dergelijke tochten in beneden-Afrika voorkwam, maar daarom niet minder ernstig was; want zonder bespanning werd de wagen nutteloos en de wagen is voor de Afrikaansche reizigers tegelijkertijd eene woning, een magazijn en een versterking.
De teleurstelling van Cyprianus en van Hannibal Pantalucci was dan ook groot, toen zij, na een ijverige verkenning van het spoor der ossen gedurende twee of drie uren, tot de overtuiging kwamen, dat alle hoop om ze terug te krijgen ijdel was.
De toestand was buitengewoon verergerd en men was verplicht andermaal raad te beleggen.
Nu was er in de gegeven omstandigheden slechts ééne practische oplossing mogelijk en die was: den wagen te verlaten, zich met zooveel mondbehoeften en met zooveel munitie te beladen als zij slechts dragen konden, en de reis te paard voort te zetten. Werd men dan door de omstandigheden begunstigd, dan zou men wellicht weldra in de gelegenheid komen om bij een Kafferhoofd een nieuw span ossen tegen een geweer of tegen scherpe patronen in te ruilen. Wat Li betreft, die zou het paard van James Hilton bestijgen, dat zoo als men weet, sedert diens dood zonder meester was.
Men toog toen ijverig aan het werk, om doornachtige takken te kappen, om daar mede den wagen zoodanig te bedekken, dat hij onder kunstmatig struikgewas verborgen was. Daarna belaadde een ieder zich met hetgeen hij in zijne zakken en in zijn ransel bergen kon, zooals linnen, laarzen, verduurzaamde levensmiddelen en munitie. Het speet den Chinees zeer dat hij zijne roode kist niet kon medenemen van wege de zwaarte; maar het was onmogelijk hem te doen besluiten zijn touw achter te laten, dat hij onder zijn kiel als een buikband om het middel wond.
Toen de voorbereidingen getroffen waren, wierp men nog een blik op de vallei, waarin zooveel treurige gebeurtenissen voorgevallen waren, waarna de drie ruiters den weg naar de hoogte insloegen. Die weg was, als al de wegen in dit land, een door de wilde dieren platgetrapt pad, die steeds, wanneer zij zich naar hunne drenkplaatsen begeven, den kortsten weg kiezen.
Het middaguur was voorbij en Cyprianus, Hannibal Pantalucci en Li stapten, in weerwil van de brandende zonnestralen, met een goeden pas voort totdat de avond viel. Toen zij eindelijk hun kamp in een diep ravijn onder een groote overhellende rots opgeslagen hadden en zij rondom een flink vuur van droog hout gelegerd waren, erkenden zij, dat, alles wel beschouwd, het verlies van hun wagen geen onherstelbaar verlies was.
Zoo trokken zij nog gedurende twee dagen voort zonder eigenlijk te weten, of zij wel op het spoor waren van den man, dien zij zochten. Toch was het zoo. Want toen zij op het einde van den tweeden dag bij het vallen van den avond met loome schreden naar een klein boschje stapten, waaronder zij den nacht wilden doorbrengen, liet Li eensklaps een doordringenden keelklank aan zijne lippen ontsnappen.
“Hugh!” kreet hij, terwijl hij met de hand naar een klein zwart punt wees, dat zich bij de laatste lichtstralen, die de avondschemering schonk, dicht bij den gezichteinder bewoog.
De blikken van Cyprianus en van Hannibal Pantalucci volgden natuurlijk de richting door den vinger van den Chinees aangeduid.
“Dat is Makatit zelf!” hernam Cyprianus, die zich gehaast had zijn kijker voor het oog te brengen. “Ik herken zijn karretje en zijn struisvogel zeer goed!.... Ja, hij is het!”
Hij reikte zijn kijker aan HannibalPantalucci over, die zich van de juistheid van het feit kon overtuigen.
“Op welken afstand rekent gij dat die man zich thans van ons bevindt?” vroeg Cyprianus.
“Op zijn minst op zeven of acht mijlen,” antwoordde de Napolitaan. “Wellicht wel op tien.”
“Dan behoeven wij er niet aan te denken om hem heden nog, vóór dat wij onze dagreis staken, in te halen.”
“Dat zeker niet,” antwoordde Hannibal Pantalucci. “Binnen een uur tijd zal de nacht ingevallen zijn, en dan valt er geen pas meer te doen in welke richting ook!”
“Nu goed! maar morgen zullen wij hem wel bereiken, wanneer wij vroeg genoeg vertrekken!”
“Dat is mijn gevoelen ook.”
De ruiters waren toen bij het boschje aangekomen, alwaar zij afstegen. Als gevolg eener onveranderlijke gewoonte, begonnen zij eerst hunne paarden te verzorgen. Zij wreven hen zorgvuldig af en borstelden hen duchtig, alvorens hen aan de veldpiketten vast te binden, om hen te laten grazen. De Chinees ontstak middelerwijl het vuur.
De nacht viel intusschen in. Bij het diner gevoelden zich de reizigers dien avond misschien een weinig vroolijker dan zij in de drie laatste dagen geweest waren. Toch gingen zij, na het maal verorberd en na het wachtvuur behoorlijk voorzien te hebben, zich in hunne dekens rollen en legden hunne hoofden op de zadels, ten einde een verkwikkenden slaap te genieten; want het was van veel belang, dat zij den volgenden morgen vóór het aanbreken van den dageraad op de been waren ten einde haastig op reis te kunnen gaan om Makatit in te halen.
Cyprianus en de Chinees waren weldra in een diepen slaap gedompeld—wat niet zeer voorzichtig van hun kant mocht heeten.
De Napolitaan althans sliep niet. Hij woelde gedurende twee of drie uren onder zijne dekens, als iemand die door een nare gedachte gekweld wordt. Een misdadig plan begon zich van hem meester te maken.
Hij kon het eindelijk niet meer uithouden. Hij stond op zonder eenig gerucht te maken, naderde de paarden, en zadelde het zijne, waarna hij Templar en het paard van den Chinees van de piketten los maakte en hen bij het halstertouw wegvoerde. Het fijne gras dat den bodem als met een dik mollig tapijt bedekte, belette volkomen het getrappel der drie dieren te hooren, die zich met eene domme lijdzaamheid lieten heenvoeren, versuft als zij waren, zoo ontijdig gewekt te worden. Hannibal Pantalucci geleidde ze tot in het diepste gedeelte van het ravijn, op welks helling het kamp opgeslagen was, bond hen aan een boom vast en kwam in de kampementsplaats weer, alwaar noch de een, noch de andere der beide slapers ontwaakt waren, of zich ook maar bewogen hadden.
Toen bracht de Napolitaan zijn reisdeken, zijn karabijn, zijn munitie en eenige mondbehoefte bij elkander, waarna hij koelbloedig, wetens en willens, zijne makkers te midden van die woestenij verliet.
De gedachte, die hij sedert het ondergaan van de zon gekoesterd had, was dat wanneer hij de paarden meevoerde, hij Cyprianus en Li buiten staat stelde Makatit te kunnen inhalen. Dat was zich zelven dus de overwinning voorbereiden. Het verachtelijke van dat verraad, de lafhartigheid die er in gelegen was zijne makkers zoo te berooven, makkers, waarvan hij slechts goede diensten ondervonden had, dat alles begreep de ellendeling niet, of, begreep hij het toch, het kon hem niet doen terugdeinzen. Hij sprong in den zadel en leidde de twee andere dieren, die de plek niet verlaten hadden, waar hij ze gelaten had, als handpaarden weg. Hij verwijderde zich bij helder maanlicht in sterken draf. Cyprianus en Li sliepen steeds. Eerst tegen drie uren ontwaakte de Chinees en keek met lodderige oogen naar de sterren, die bij den oostelijken gezichteinder begonnen te verbleeken.
“Het is waarachtig tijd om koffie te zetten!” mompelde hij.
En zonder dralen wierp hij zijn deken, waarin hij gerold lag, van zich af, sprong op en begon zijn morgentoilet te maken, eene bezigheid, die hij in de woestijn evenmin veronachtzaamde als overal elders.
“Waar hangt Pantalucci toch uit?” vroeg hij zich eensklaps af.
De dageraad begon aan te breken en de voorwerpen werden minder onduidelijkin het kampement.
“En de paarden zijn er ook niet!” sprak Li in zich zelven. “Zou dat puikje der kameraden wellicht....”
En vermoedende wat plaats had gehad, liep hij naar de piketpalen, waaraan hij de paarden den vorigen avond gebonden had, maakte de ronde om het kampement en kreeg weldra de zekerheid dat de bagage van den Napolitaan met hem verdwenen was.
Dat was zoo helder als de dag.
Een blanke zou waarschijnlijk de behoefte geen weerstand hebben kunnen bieden om Cyprianus te wekken, ten einde hem dadelijk die zeer belangrijke tijding mede te deelen, maar de Chinees was niet van het blanke maar van het gele ras, en dacht dat er geen haast bij bestond, wanneer het gold eene slechte tijding aan te kondigen. Hij bleef zich dus bedaard onledig houden met zijn koffiezetten.
“Het is inderdaad nog lief van dien schoft, dat hij ons onzen voorraad levensmiddelen gelaten heeft,” mompelde hij.
Toen de koffie behoorlijk en wel door een linnen zak, dien hij daartoe bepaald vervaardigd had, gefiltreerd was, schonk Li twee kopjes, die uit de schaal van een struisvogelen-ei gesneden waren, en die hij gewoonlijk aan zijn knoopsgat opgehangen droeg, vol met het geurige mengsel. Daarna naderde hij Cyprianus, die steeds sliep.
“Hier is uw koffie, lekker en wel, vadertje,” zei hij beleefd, terwijl hij hem den schouder met den vinger aanraakte.
Cyprianus deed lui eerst een en daarna het andere oog open, rekte zich de ledematen uit, schonk den Chinees een glimlach, rees overeind en verorberde de heerlijke warme koffie.
Toen eerst bemerkte hij de afwezigheid van den Napolitaan, wiens slaapplaats natuurlijk leeg was.
“Waar zit Pantalucci toch?” vroeg hij.
“Weg, vadertje!” antwoordde Li op een zoo natuurlijken toon, alsof de afwezigheid van den Napolitaan ten gevolge van eene afspraak plaats had.
“Hoe?.... Wat?.... Weg?”
“Ja, vadertje, weg met de drie paarden!”
Cyprianus smeet zijn deken van zich en overtuigde zich met één blik dat Li waarheid sprak. Die blik zei hem alles. Hij had evenwel eene te hooghartige ziel om ook maar in het minste iets van zijn onrust of van zijne verontwaardiging te laten blijken.
“Zoo,” zei hij, “dat is aardig! Maar de ellendeling moet niet denken, dat wij het daarbij laten zullen!”
Cyprianus liep een wijl de kampementsplaats op en neer, in gedachten verzonken, om te beslissen wat er nu gedaan moest worden.
“Wij moeten dadelijk vertrekken,” zei hij tot den Chinees. “Wij zullen dat zadel, dien toom en alles wat ons te lastig is of te zwaar zal zijn, hier laten. Wij zullen onze geweren en onze levensmiddelen medenemen. Als wij goed doorstappen, kunnen wij bijna even snel vooruitkomen, vooral wanneer wij te voet omwegen kunnen mijden of afsnijden!”
Li haastte zich om de ontvangen bevelen ten uitvoer te leggen. In weinige minuten had hij de dekens opgerold en stonden de reizigers gepakt en gezakt gereed. Toen werd alles wat men op deze plek achterlaten moest, onder een dichten, grooten hoop struiken verborgen, en stapte men voort.
Cyprianus had gelijk gehad, dat het in sommige gevallen gemakkelijker zou wezen te voet te reizen. Men kon zoo, door over steile hellingen te trekken, die te paard onmogelijk te overschrijden waren, den kortsten weg nemen. Maar dat kostte dan ook veel inspanning.
Het was ongeveer één uur in den namiddag, toen beiden de noordelijke helling van den bergketen, dien zij sedert drie dagen volgden, bereikten. Volgens de inlichtingen, die zij te Lopepo ingewonnen hadden, kon men niet ver meer van de hoofdstad van Tonaïa verwijderd zijn. Ongelukkiglijk waren de aanwijzingen over den te volgen weg zoo oppervlakkig, zoo verward, en waren de uitdrukkingen in hetBetjuanenspraakeigen zoo weinig te vertrouwen, dat het moeielijk was van te voren te weten of men twee, of wel vijf dagen te marcheeren had om aan te komen.
Toen Cyprianus en Li de hellingen van het eerste dal, dat zich voor hen opende, nadat zij den bergnok overschreden hadden, afdaalden, liet de Chinees een keelachtig geluid hooren,dat wel iets van een lach had.
“Giraffen!” riep hij eindelijk uit.
Cyprianus keek uit en bespeurde inderdaad, daar, diep beneden zich een twintigtal van die dieren, die bezig waren met grazen in het diepste gedeelte van het dal. Niets was bevalliger te zien op dien afstand dan hun lange halzen als masten overeind staande of uitgestrekt als lange slangen in het gras op een afstand van drie of vier meters van hun met gele vlekken bezaaid lichaam.
“Men zou een van die giraffen kunnen vangen,” merkte Li op, “om dienst te doen in de plaats van Templar.”
“Wat, op een giraffe rijden? Wie heeft ooit zoo iets gezien?” riep Cyprianus uit.
“Ik weet niet of ooit zoo iets te zien geweest is, maar het hangt maar van u af, om zoo iets te kunnen zien,” antwoordde de Chinees. “Laat mij maar begaan!”
Nooit begon Cyprianus met een zaak vooronmogelijkte houden, wanneer zij nog nieuw voor hem was. Hij gaf dus te kennen, dat hij gereed was Li in zijne onderneming behulpzaam te zijn.
“Wij bevinden ons beneden ’s winds van de giraffen,” zei de Chinees, “dat is zeer gelukkig voor ons; want zij hebben een zeer fijnen neus en zouden ons in het tegenovergestelde geval reeds geroken hebben; dus als gij nu langs den rechterkant wilt omtrekken, om hen daarna door een geweerschot te verschrikken, zoodanig dat zij naar mijn kant gedreven worden, dan is er niet meer noodig, en ik neem het overige voor mijne rekening.”
Cyprianus legde alles op den grond neer wat zijne bewegingen kon hinderen en ging daarop, alleen met zijn geweer gewapend, in de aangewezen richting voort, om de beweging te volvoeren, die hem door zijn dienaar aangeduid was.
Deze verloor intusschen zijn tijd niet. Hij daalde met vluggen pas de steile helling van het dal af, totdat hij bij een gebaand pad aangekomen was, dat in het benedengedeelte kronkelde. Dat was klaarblijkelijk de gebruikelijke weg der giraffen, te oordeelen althans naar de ontelbare afdruksels, welke hunne hoeven in den bodem gelaten hadden. Daar nam de Chinees stelling achter een dikken boom, ontrolde het lange touw, dat hem nimmer verliet, en sneed het in twee stukken van gelijke lengte, die dus dertig meters lang waren. Daarna bond hij aan een der uiteinden van elk stuk een dikken keisteen om er een voortreffelijken lasso van te maken en maakte het andere uiteinde aan een der benedentakken van den boom stevig vast, echter zoodanig dat nog een eind touw overschoot dat hij zich om den linkerarm wond. Toen dat alles gereed was, verborg hij zich achter den dikken stam en wachtte.
Geen vijf minuten waren voorbijgegaan, toen een geweerschot op eenigen afstand knalde. Dadelijk werd een driftig getrappel vernomen, dat evenals dat van een eskadron kavallerie iedere seconde al meer en meer naderde, en aanduidde dat de giraffen vluchtten, zooals Li voorspeld had. Zij volgden hun gewoon pad en kwamen recht op hem aan, zonder evenwel de tegenwoordigheid van een vijand te gissen, daar deze zich onder den wind bevond.
Het gezicht van die giraffen was inderdaad prachtig. Zij kwamen daar aanstuiven met hunne wijd geopende neusgaten, die zij naar de windzijde richtten om het gevaar te verkennen, met hunne kleine hoofden, die er zeer verschrikt uitzagen, en met hunne hangende tongen. Wat Li betreft, die verzuimde geen tijd met hen te bewonderen. Zijne stelling was oordeelkundig gekozen, dicht bij eene vernauwing van het pad, waar de dieren slechts twee aan twee voorbij konden komen. Hij behoefde slechts te wachten.
Hij liet er eerst drie of vier voorbijtrekken, toen er een opmerkende, die van een buitengewone grootte was wierp hij zijn eerste lasso uit. Het touw floot door de lucht en omsnoerde den hals van het fraaie dier, dat nog eenige sprongen deed. Het touw liep evenwel strak en belette de ademhaling van het arme slachtoffer, dat dan ook stil moest blijven staan.
De Chinees had alweer geen tijd verloren met er naar te staan kijken. Nauwelijks had hij gezien, dat zijn lasso het doel bereikt had, of hij greep de tweede ter hand en omstrikte daarmede een andere giraffe.
Dit lukte niet minder. Dat alles waszoo snel in zijn werk gegaan, dat er niet meer dan een halve minuut voor gevorderd was. De geheele kudde was reeds uitermate verschrikt uit elkander en naar alle windrichtingen gestoven, de gevangen en half geworgde dieren evenwel achterlatende.
“Kom dan toch, vadertje,” riep de Chinees tot Cyprianus, die, hoewel hij niet veel vertrouwen in de onderneming stelde, toch zoo spoedig mogelijk kwam aanloopen.
Hij moest evenwel zijne oogen wel gelooven. Er waren daar twee prachtige dieren gevangen, die groot en sterk waren, goed in het vleesch zaten, fijne en sterke pooten bezaten en welker huid glom van gezondheid. Maar hoe Cyprianus hen ook bekeek en bewonderde, hij kon er maar niet toe komen om het denkbeeld, dat die dieren berijdbaar te maken zouden zijn, voor verwezenlijking vatbaar te houden.
“Hoe zich inderdaad op zoo’n ruggestreng te houden, die naar het achter stel onder een hoek van minstensvijfen veertig graden afdaalt?” vroeg hij lachende.
“Door zich op de voorschotten en niet op den rug van het dier te zetten,” antwoordde Li. “Zou het daarenboven zoo moeilijk zijn een opgerolden deken onder het achterstuk van het zadel te plaatsen?”
“Wij hebben geen zadel.”
“Ik zal het uwe straks gaan halen.”
“En welk gebit wilt ge in zoo’n mond aanleggen?”
“Dat zult ge spoedig zien.”
De Chinees had antwoord op alles, een deksel op alle pannetjes, zooals men zegt, en bij hem volgden de daden al heel spoedig op de woorden.
Het tijdstip om het middagmaal te nuttigen, was nog niet aangebroken, of de slimme bewoner van het Hemelsche rijk had reeds twee stevige halsters van een gedeelte van zijn touw gemaakt, en deed die om de hoofden en de halzen van de giraffen. De arme dieren waren zoo versuft door het ongeval, hetwelk hen overkomen was, en waren daarenboven zoo zacht van aard, dat zij volstrekt geen weerstand boden. Andere stukken touw zouden tot teugels dienen.
Toen die voorbereidende maatregelen getroffen en beëindigd waren, was er ter wereld niets gemakkelijker dan de gevangen dieren bij het halstertouw heen te voeren. Toen keerden Cyprianus en Li naar hunne kampementsplaats van den vorigen dag terug, om het zadel en de voorwerpen, die zij achter hadden moeten laten, te halen.
De namiddag en de avond gingen voorbij onder het nemen dier beschikkingen. De Chinees bewees werkelijk eene bewonderenswaardige behendigheid te bezitten. Niet alleen had hij weldra het zadel van Cyprianus zoodanig gewijzigd dat het horizontaal op den rug van een der giraffen kon gelegd worden, maar hij vervaardigde er ook een voor zich, en dat wel van takken van het geboomte. Vervolgens hield hij zich uit overmaat van voorzorg gedurende het overige gedeelte van den nacht onledig met den weerstand der twee giraffen te fnuiken, door hen herhaaldelijk te bestijgen en door hen door afdoende en gevoelige middelen aan het verstand te brengen dat zij hem gehoorzamen moesten.