Zeventiende hoofdstuk.

Toen de twee ruiters den volgenden morgen vertrokken, was hun aanblik inderdaad koddig en vreemdsoortig. Het is twijfelachtig of Cyprianus zich zoo wel voor miss Watkins in de groote straat van het kamp Vandergaart zou hebben willen vertoonen. Maar men moest zich in de omstandigheden schikken. Men bevond zich in de woestijn, en, alles wel beschouwd, waren de giraffen geen vreemdsoortiger rijdieren dan de drommedarissen. Hun gang had zelfs eenige overeenkomst met die “woestijn-schepen”. Die gang was afgrijselijk hard en ging gepaard met een daadwerkelijk stampen als een vaartuig in een moeielijke zee. Dit bezorgde dan ook als onmiddellijk gevolg onzen beiden reizigers bij den aanvang der reis een gevoel als van beginnende zeeziekte.

Maar, na twee of drie uren boven op die dieren doorgebracht te hebben, waren Cyprianus en de Chinees genoegzaam aan die beweging gewend. Nu moet erkend worden dat de giraffenmet een goeden pas doorstapten en zich zeer onderdanig betoonden, na evenwel eenige pogingen tot opstand aangewend te hebben, die echter dadelijk onderdrukt werden. Alles liep dus ten beste uit.

Het kwam er nu op aan, met kracht al den verloren tijd van de laatste drie of vier dagen der reis zoo spoedig mogelijk in te halen. Makatit moest hen thans een goed eind weegs vooruit zijn. Zou Hannibal Pantalucci hem niet reeds bereikt hebben? Wat er ook van aan mocht zijn, Cyprianus was vastbesloten niets te verwaarloozen wat hem tot zijn doel kon voeren.

Na drie dagen marsch waren de cavalleristen, of beter de girafferuiters in het vlakke land aangekomen. Zij volgden thans den rechteroever van een bochtigen waterstroom, welks hoofdrichting juist naar het noorden was.

Het was waarschijnlijk een cijnsplichtige nevenrivier van de Zambesi. De giraffen waren nu behoorlijk getemd. Daarenboven verzwakt door de lange dagreizen, die zij afgelegd hadden, maar niet minder door de schrale voeding, waaraan Li hen met voordacht stelselmatig onderwierp, lieten zij zich zeer gemakkelijk mennen. Cyprianus kon nu de lange teugels van zijn rijdier laten glippen, om het alleen door het aanleggen van de knieën te besturen.

Toen hij dan ook van die zorg bevrijd was, ondervond hij een waar genoegen, bij het verlaten van die woeste en verlaten streken, die hij tot nu toe doorreisd had, thans al de sporen eener reeds vrij ontwikkelde beschaving rondom zich te ontwaren. Hij bemerkte van afstand tot afstand manioc- of taro-velden, die zeer regelmatig aangelegd waren en besproeid werden door een stelsel van bamboebuizen, die aan elkander bevestigd waren en het water uit de rivier aanvoerden. Voorts zag hij breede en goed verharde wegen, zoodat het algemeene uiterlijk van eenige welvaart getuigde. Op de heuvelen, die den gezichteinder begrensden, verhieven zich witte hutten, die een dungezaaide bevolking huisvesting verleenden.

Toch gevoelde men dat men zich nog op de grenzen der woestijn bevond; dit was ten minste af te leiden uit het verbazend groot aantal wilde dieren, herkauwers en ook andere, die allerwege ontwaard werden en die deze vlakte bevolkten. Hier en daar verduisterden groote zwermen gevogelte als het ware de lucht. Men zag geheele kudden van gazellen of antilopen, die voorbij trokken. Soms verhief een monsterachtig nijlpaard zijn kop boven de oppervlakte der rivier, blies met kracht het water uit zijne neusgaten en dook weer onder, waarbij hij het gedruisch en het geklots van een waterval maakte.

Cyprianus was zoo geheel in de beschouwing van die tooneelen verdiept, dat hij onmogelijk bedacht kon zijn op een ander, dat het toeval hem bij een der buigingen van den heuvel, welken hij met zijn makker volgde, bereidde.

Dat was niet meer of minder dan de aanblik van Hannibal Pantalucci, die steeds te paard, met lossen teugel jacht maakte op Makatit in eigen persoon. Hoogstens een mijl scheidde hen nog van elkander, maar de afstand, die tusschen hen en Cyprianus en den Chinees bestond, was wel op vier mijlen te schatten.

De zon scheen helder en hare stralen schoten schier loodrecht neer in de vlakte, die als met een schitterend licht overstroomd werd. De dampkring was helder doorschijnend, gezuiverd als hij was door een heviger, oostenwind, die toen heerschte. Neen, er viel geen twijfel te koesteren; het oog kon zich niet vergissen.

Beiden waren zoo opgewonden door die ontdekking, dat hun eerste beweging was haar te vieren met eene wezenlijk arabische fantasia. Cyprianus liet een vroolijk hoerah hooren, en Li een keelklankachtig “hugh”, wat hetzelfde moest beduiden. Daarna zetten zij hunne giraffen in sterken draf.

Klaarblijkelijk had Makatit den Napolitaan, die veld op hem begon te winnen, bespeurd, maar hij kon zijn ouden baas en zijn makker van het Vandergaarts-kopje niet zien, daar zij nog te ver verwijderd waren en zich op den rand der vlakte bevonden.

De jonge Kaffer bespoedigde dan ook zooveel mogelijk den gang van zijn karretje. Hij wist dat Hannibal Pantalucci de man niet was om hem genade te schenken. Integendeel, hij zou hem, zonder naar eenigen uitleg te willen luisteren, als een hond dooden. De struisvogel, die het karretje trok vloogover de vlakte en wel met zulk een snelheid en zulk een kracht, dat toen hij plotseling tegen een zwaren steen stuitte, er zoo’n hevige schok plaats had, dat de as van het voertuig, dat toch al op zulk eene lange en moeielijke reis veel geleden had, afknapte. Een der wielen ontsnapte aan de as, en Makatit en zijn voertuig rolden over den weg.

De arme Kaffer werd wel gehavend bij zijn val. Maar de schrik, die hem beheerschte, hield de overhand zelfs bij dien schok, of beter gezegd: hij werd daardoor verdubbeld. Hij was overtuigd dat het met hem gedaan zou zijn, wanneer hij door den Napolitaan ingehaald werd. Hij vloog dan ook zoo spoedig mogelijk op, spande dadelijk zijn struisvogel af en, schrijlings op het dier springende, bracht hij het in galop.

Nu begon een dolle wedren, een wedren, die iemand duizelingen kon bezorgen, een wedren, die nimmer op aarde gezien was, sedert de Romeinsche voorstellingen in het circus afgeschaft waren, alwaar de wedrennen van struisvogels en giraffen soms op het programma voorkwamen.

En inderdaad, terwijl HannibalPantalucciMakatit vervolgde, zetten Cyprianus en Li hem en ook den andere achterna. Hadden die beide laatsten niet allen grond om beiden te willen vatten, zoowel den jongen Kaffer om aan de kwestie van den gestolen diamant een einde te maken, als den valschen Napolitaan om hem te tuchtigen, zooals hij verdiende?

De giraffen, behoorlijk aangezet door hunne ruiters, die het ongeval van Makatit gezien hadden, spoedden zoo snel voort, alsof het raspaarden van zuiver bloed waren. Zij strekten hunne lange halzen vooruit, openden den mond, draaiden de ooren achteruit en stoven zoo voort, terwijl zij met alle kracht gespoord en gekarwatst werden, om hen tot de grootst mogelijke snelheid die zij ontwikkelen konden, te brengen.

Wat den struisvogel van Makatit aangaat, diens snelheid grensde aan het wonderbaarlijke. Er was geen enkel raspaard, al ware het ook de overwinnaar te Derby geweest, al had het ook den eersten prijs te Parijs gewonnen, dat in staat zoude geweest zijn om het tegen dat pluimdier vol te houden. Zijne korte vleugels, die ongeschikt waren om te vliegen, werden nu als roeispanen gebezigd om de lucht te klieven en zoo den gang te versnellen. Dat alles ging zoo gauw in zijn werk, dat in minder dan weinige minuten de jeugdige Kaffer een aanmerkelijken voorsprong op zijn vervolger gewonnen had.

Ja zeker, Makatit had zijn trek- nu rijdier goed gekozen, toen hij daartoe het oog op een struisvogel sloeg!

Als hij dien gang nog maar een kwartier uurs kon volhouden, dan was hij voorzeker buiten het bereik van den Napolitaan gekomen. Dan was hij gered!

Hannibal Pantalucci begreep zeer goed, dat de minste draling hem geheel en al zijn voordeel zou doen verliezen. Reeds groeide de afstand tusschen hem en den vluchteling aan. Aan den anderen kant van het maisveld, waarin die jacht plaats had, strekte zich een dicht bosch van slingerplanten en Indische vijgeboomen, dat hevig door den wind gezweept werd, tot op eene gezichtsverte uit. Wanneer Makatit die wildernis bereikte, dan zou het onmogelijk zijn hem terug te vinden, omdat men hem dan niet meer zien kon. Hij zou daarin even verscholen zijn als eene naald in een hooischelf.

Cyprianus en de Chinees volgden, terwijl zij voortgaloppeerden, dien wedstrijd met de meeste belangstelling, hetgeen de lezer wel begrijpen zal. Zij waren eindelijk aan den voet van den heuvel aangekomen en renden nu door de vlakte, maar drie mijlen scheidden hen nog van den jager en van den gejaagde.

Zij bemerkten evenwel dat de Napolitaan door eene ongehoorde inspanning eenigermate op den vluchteling gewonnen had. Hetzij dat de struisvogel van Makatit vermoeid begon te worden, hetzij dat het arme dier zich gewond had aan een boomstronk of aan een rotssteen, maar zijne snelheid was verbazend verminderd. Hannibal Pantalucci bevond zich weldra niet meer dan drie honderd meter van den Kaffer verwijderd.

Maar Makatit had eindelijk den rand van de bovenbedoelde wildernis bereikt. Hij verdween er plotseling in, terwijl in hetzelfde oogenblik het paard van Hannibal Pantalucci struikelde,hij zandruiter werd en over den weg rolde, en het dier over de vlakte ontsnapte.

“Wij zijn Makatit kwijt!” riep Li uit.

“Ja, maar die Pantalucci, die ellendeling is ons!” antwoordde Cyprianus.

En beiden zetten hun giraffen nog meer aan.

Een half uur later hadden zij bijna geheel het maisveld in zijne volle breedte overgestoken en bevonden zich op niet meer dan vijfhonderd passen van de plek, waar de Napolitaan gevallen was. De vraag voor hen was thans of Hannibal Pantalucci had kunnen opstaan en of hij de wildernis van lianen had kunnen bereiken, of wel op den grond lag, zwaar gekwetst door zijn val—wellicht gedood.

Neen, de ellendeling lag daar. Honderd pas verder brachten Cyprianus en Li hunne giraffen tot staan. Zie hier wat er was gebeurd.

De Napolitaan, verblind door de opgewondenheid van de jacht, die hij maakte, had een reusachtig net niet bespeurd, hetwelk door de Kaffers gespannen was om de vogels te vangen, die hunnen oogst zoo zeer plunderden en hun daardoor veel schade berokkenden. Welnu, in zulk een net was Hannibal Pantalucci te recht gekomen en daarin had hij zich verward.

En het was waarlijk geen klein net ook! Het bedroeg langs de zijden minstens vijftig meters en bevatte reeds vele duizendtallen vogels van allerhande soort, van alle grootte, van allerhande bontgekleurde gevederte, onder andere ook een half dozijn van die groote gypaëten, die eene vlucht hebben van anderhalven meter en die zich in Zuid-Afrika te huis gevoelden.

De val van den Napolitaan te midden van die vogelen-wereld had deze laatste natuurlijk ten hoogste verschrikt en deed hen wild door elkander vliegen.

Hannibal Pantalucci, eerst verdoofd en duizelig door zijn val, had evenwel getracht dadelijk op te staan. Maar zijne handen en voeten zaten zoo degelijk gevangen in de mazen van het net, dat het hem bij de eerste poging niet gelukte, zich daaruit te ontwarren.

Hij had echter geen tijd te verliezen. Hij deed dan ook schrikkelijke rukken en trok uit alle macht aan het net, terwijl hij het optilde en het los trok van de piketpalen, waarmede het aan den grond vastgemaakt was; terwijl de vogels groot en klein, hem bij dat werk hielpen om te kunnen ontvluchten.

Maar hoe meer de Napolitaan zich afsloofde, hoe meer hij zich in de stevige mazen van het onmetelijke net verwarde.

Een groote vernedering werd hem bovendien niet gespaard. Een der giraffen had hem eindelijk bereikt en wel die, welke door den Chinees bereden werd. Li was van zijn rijdier afgesprongen en had zich met zijne koelbloedige spotzucht gehaast den kant van het net, dat het dichtst bij hem was,los te maken, om de hoekvleugels daarvan op elkaar te leggen, daarbij van de gedachte uitgaande, dat het zekerste middel om zich van den gevangene meester te maken, daarin bestond, dat hij hem in dat net moest rollen.

Maar in dat oogenblik gebeurde iets zeer onverwachts, dat inderdaad naar tooverij zweemde.

De wind kwam namelijk met een buitengewone kracht opzetten en boog daarbij al de boomen in den omtrek, alsof een machtige hoos over den bodem voortschreed.

Nu had Pantalucci bij zijne wanhopige pogingen reeds een groot aantal piketpalen, die het net bij den benedenkant weerhielden, uit den grond gerukt. Toen hij zich op het punt zag gevangen genomen te worden, deed hij nog heviger rukken.

Plotseling werd het net door een nieuwen aanval van de bui losgerukt. De laatste banden, die dat onmetelijke touwweefsel aan den grond bevestigd hielden, werden stuk getrokken en de gevederde kolonie, die daarin besloten was, nam hare vlucht. De kleine vogels slaagden er in om te ontsnappen; maar de grootere hadden de klauwen in de mazen verward, terzelfder tijd toen hunne vleugels vrij raakten en zich met een eenparige beweging bewogen. Al die vereenigde lucht-roeiriemen, al die borstspieren, welker bewegingen gelijkmatig geschiedden, vormden met de bui, die inviel, eene zoo kolossale kracht, dat voor haar honderd kilogrammen niet meer dan eene veer wogen.

Het net, dat over elkander roldeen zoo meer vat aan den wind aanbood, werd met Hannibal Pantalucci, die nog slechts met de handen in de mazen verward was, plotseling opgenomen en opgevoerd tot vijf-en-twintig of dertig meters van den grond.

Cyprianus kwam in dit oogenblik op het terrein aan, om getuige te zijn van de opstijging van zijn vijand naar de wolkenstreek.

De gypaëten, door die krachtsinspanning uitgeput, neigden in dat oogenblik zichtbaar ter aarde en beschreven een uitgestrekte parabool. In minder dan drie seconden kwam het net bij den bovenrand van de wildernis aan, waarvan het de boventakken scheerde op drie of vier meters hoog van den grond. Toen steeg het evenwel weer voor de laatste maal in de lucht.

Cyprianus en Li zagen met schrik dien rampzalige aan dat net hangen, dat dezen keer meer dan honderd vijftig voet door eene laatste krachtsinspanning van die reusachtige vogels, door de bui geholpen, werd opgevoerd.

Plotseling bezweken eenige mazen onder de wanhopige stuiptrekkingen van den Napolitaan. Men zag hem gedurende een ondeelbaar oogenblik aan zijne handen hangen en pogingen aanwenden om de touwen van het net andermaal te grijpen.... Maar zijne krachten schoten te kort, zijne handen openden zich, hij liet los, viel als een blok naar beneden en werd op den grond verbrijzeld.

Het net, van dat gewicht ontlast, vloog hooger in de lucht en ontrolde zich eenige mijlen verder, terwijl de gypaëten eindelijk losgeraakt, zich in het hemelruim voor het oog verloren.

Toen Cyprianus toeschoot om hulp te bieden, was het te laat. Zijn vijand was een naren dood gestorven.

Van de vier mededingers, die met hetzelfde doel voor oogen de vlakten van de Transvaal ingetrokken waren, bleef hij nog maar alleen over.

Cyprianus en Li hadden slechts één gedachte na die verschrikkelijke ontknooping, namelijk: de plek zoo spoedig mogelijk te ontvlieden, waar zij had plaats gehad.

Zij besloten derhalve om langs den noorderkant der wildernis voort te trekken en bereikten zoo na een marsch van meer dan een uur de bedding van een bergstroom, die evenwel in dit jaargetijde bijna droog was en die in die wildernis eene bres maakte, waarlangs men dat moeielijke terreingedeelte kon omtrekken.

Daar wachtte den reizigers een nieuwe verrassing. Die bergstroom mondde in een vrij uitgestrekt meer uit, op welks oevers een weelderige plantengroei zich vertoonde, die tot nu het gezicht van die wateroppervlakte verborgen had gehouden.

Cyprianus had willen terugkeeren, door langs de oevers van dat meer voort te trekken; maar die oevers waren bij wijle zoo steil, dat hij dat plan moest laten varen. Van een anderen kant, wanneer hij langs den weg, dien hij gekomen was terugkeerde, ging de hoop verloren om Makatit te ontmoeten.

Intusschen verrezen op den tegenoverliggenden oever van het meer eenige heuvelen, die door eene aaneenschakeling van terreingolvingen aan elkander en aan hoogere, meer achterwaarts gelegen bergen verbonden waren. Cyprianus opperde het denkbeeld, dat, wanneer zij den top daarvan zouden bereikt hebben, men een beter overzicht van het terrein zou hebben en het dan mogelijk was een verder plan te beramen.

Li en hij gingen dus andermaal op weg, om het meer om te trekken. De afwezigheid van ieder gebaand pad maakte dien tocht zeer moeielijk, vooral daar zij meestal genoodzaakt waren de twee giraffen bij de teugels voort te trekken. Zij hadden dan ook meer dan drie volle uren noodig, om een afstand van zeven of acht kilometers in rechte lijn af te leggen.

Toen zij eindelijk het meer omgetrokken en nagenoeg aangekomen waren, vlak tegenover het punt aan de overzijde gelegen, vanwaar zij vertrokken waren, was de nacht nabij. Zij besloten dan ook, doodvermoeid als zij waren, om op die plek te kampeeren. Maar met de weinige middelen, die zij thans nog bezaten, kon die inrichting niet veel gemakken aanbieden. Maar Li hield er zich met zijn gewonen ijvermede bezig. Toen hij klaar was, voegde hij zich bij zijn meester.

“Vadertje,” zei hij met zijne fleemende maar toch opwekkende stem, “ik zie dat ge zeer vermoeid zijt. Onze mondvoorraad is bijna uitgeput. Ik zal een dorp gaan opzoeken, waar men mij niet weigeren zal ons te hulp te komen.”

“Wilt ge mij verlaten, Li?” riep Cyprianus eerst uit.

“Het moet, vadertje!” antwoordde de Chinees. “Ik zal een der giraffen nemen en dan noordwaarts optrekken!.... De hoofdstad van Tonaïa, waarvan Lopepo ons gesproken heeft, kan thans niet ver meer verwijderd zijn en ik zal het wel zoo maken, dat gij daar een goede ontvangst zult vinden. Daarna zullen wij naar Grikwaland terugkeeren, waar gij niets meer te vreezen zult hebben van die ellendelingen, die alle drie op deze expeditie bezweken zijn.”

De jeugdige ingenieur dacht over het voorstel na, dat hem door den hem zoo toegewijden Chinees gedaan was. Hij begreep dat, wanneer de Kaffer kon teruggevonden worden, het in die streek zou zijn, waarin hij daags te voren een blik had kunnen werpen. Het was dus zaak die niet te verlaten. Maar van den anderen kant moest er aan gedacht worden om hunne hulpmiddelen aan te vullen, die nu geheel onvoldoende geworden waren. Cyprianus besloot dan ook, hoewel hij het zeer betreurde, van Li te scheiden en er werd overeengekomen dat hij hem op deze plek gedurende acht-en-veertig uren wachten zou. In die acht-en-veertig uren zou de Chinees, zijne snelvoetige giraffe berijdende, in deze streek een eind weegs kunnen afleggen en gemakkelijk op de kampementsplaats terug zijn.

Toen men tot dat besluit gekomen was, wilde Li geen oogenblik verliezen. Aan rusten dacht hij volstrekt niet. Hij zei het wel zonder slapen te kunnen doen! Hij zei dus Cyprianus vaarwel door goedhartig hem de hand te kussen, vatte zijn giraffe bij den teugel, sprong er op en verdween in de nachtelijke duisternis.

Cyprianus Méré bevond zich thans, voor de eerste maal sedert zijn vertrek van de Vandergaart-Kopjes-mijn, alleen in de woestijn. Hij gevoelde zich uitermate treurig gestemd en kon niet nalaten, nadat hij zich in zijn reisdeken gewikkeld had, zich aan de naarste voorgevoelens over te geven. Hij was daar alleen, bijna zonder levensmiddelen en munitie! Wat moest er van hem worden in dit onbekende land, op honderden mijlen afstands van ieder beschaafd oord? Makatit bereiken? Ja, daartoe was thans de kans gering. Kon die zich niet op een afstand van een halven kilometer van hem bevinden, zonder dat hij, Cyprianus, zulks kon gissen? Inderdaad, die geheele onderneming was een zeer rampspoedige geweest en was slechts door tragische gebeurtenissen gekenmerkt geworden. Bijna iedere honderd mijlen, die voorwaarts geschreden waren, had aan een der leden van het gezelschap het leven gekost. Eén bleef nog over.... Eén.... en dat was hijzelf.... Was hij wellicht ook voorbeschikt om even ellendig aan den eindpaal van zijn leven te komen als de anderen?

Dat waren de droeve nabetrachtingen, die het brein van Cyprianus bestormden; toch slaagde hij er in om in te slapen.

De morgenkoelte en de rust, die hij gesmaakt had, gaven bij zijn ontwaken een meer vertrouwvolle richting aan zijne gedachten. Hij besloot, in afwachting van den terugkeer van den Chinees, den hoogen heuvel te beklimmen, aan wiens voet hij halt gemaakt had. Hij zou zoo met den blik een meer uitgestrekt terrein kunnen overzien en wellicht zou hij, met behulp van zijn verrekijker, er in slagen eenig spoor van Makatit te ontdekken. Maar om die beklimming te kunnen uitvoeren, moest hij zijne giraffe achterlaten; geen dierkundige had toch ooit zoo’n viervoeter onder de klauteraars gerangschikt.

Cyprianus begon haar te ontdoen van den halster, die door Li zoo behendig en vlug vervaardigd was.

Daarna bond hij haar met een poot aan een boom vast, die met overvloedig malsch gras omringd was en liet het touw zoolang schieten, dat het dier voldoende en gemakkelijk kon grazen. En waarlijk, wanneer men de lengte van den hals van de giraffe bij die van het touw voegde, dan was de kring, waarbinnen het bevallige dier grazen kon, vrij uitgestrekt en meer dan voldoende te rekenen.

Toen die voorbereiding getroffen was, nam Cyprianus zijn geweer over den eenen schouder, zijn deken behoorlijk opgerold over den anderen en na met een vriendschappelijken klap afscheid van zijn giraffe genomen te hebben, begon hij de bestijging van den berg.

Die bestijging was lang en moeitevol. Hij bracht den geheelen dag door met uiterst steile hellingen op te klimmen, met rotsen of onoverkomelijke spitsen om te trekken en met langs den oost- of zuidkant te beproeven, wat hij te vergeefs langs den noord- of westkant beproefd had.

Toen de nacht begon te dalen, was Cyprianus nog maar ter halver hoogte van den berg aangekomen en moest dus de verdere bestijging tot den volgenden morgen uitstellen.

Bij het aanbreken van den dag steeg hij verder, na eerst goed uitgekeken te hebben, of Li nog niet in de kampementsplaats teruggekeerd was, en kwam hij tegen elf uur des voormiddags op den top van den berg aan. Eene groote teleurstelling wachtte hem daar. De hemel was met wolken bedekt. Dichte nevelen zweefden langs de benedenhellingen van den berg. Cyprianus trachtte te vergeefs met den blik dat gordijn te doorboren, ten einde de dalen te doorzoeken. Maar het geheele landschap verdween onder eene opeenhooping van vormlooze dampen, die niet toelieten iets daaronder te onderscheiden.

Cyprianus hield evenwel vol, en wachtte, steeds hopende dat die nevels zouden optrekken en dat hij dien uitgestrekten gezichteinder zou ontwaren, dien hij hoopte te zien. Het was te vergeefs. Naar mate de dag vorderde, schenen de wolken in dikte toe te nemen, terwijl het bij het invallen van den nacht bepaald begon te regenen.

De jeugdige ingenieur werd dus door dat prozaïsche luchtverschijnsel overvallen, juist toen hij op dien kalen top zich bevond, waarop geen enkele boom, zelfs geen rots te vinden was, die eenige beschutting kon aanbieden; niets dan de kale uitgedroogde bodem, terwijl de nacht spoedig inviel, vergezeld van dien fijnen regen, die langzamerhand alles, zoowel de deken als de kleeding, door en door nat maakte.

De toestand werd kritiek en toch moest Cyprianus er vrede mede hebben. Want in de gegeven omstandigheden de afklimming van den berg te beproeven, zou inderdaad eene dwaasheid genoemd moeten worden. Hij was dus verplicht zich tot op het lichaam nat te laten regenen; maar hij rekende er op, zich den volgenden morgen in de zonnestralen te kunnen laten drogen.

Toen het eerste oogenblik van kwade luim voorbij was, beschouwde hij dien regen als een verkwikkend stortbad, dat hem de droogte en de warmte van de vorige dagen vergoedde. Hij maakte zich wijs, om zich zelven over dat koopje te troosten, dat die regen niets onaangenaams in zich had. Wat hem evenwel minder beviel, was dat hij zijn middagmaal zoo niet geheel rauw, dan toch geheel koud moest gebruiken. Vuur toch te doen ontbranden, of ook maar een lucifer te doen ontvlammen in zoo’n weer, was totaal onmogelijk en daaraan kon niet gedacht worden. Hij vergenoegde zich dus met een blik verduurzaamde levensmiddelen te openen en den inhoud, zooals hij was, op te peuzelen.

Een of twee uur later voelde de jeugdige ingenieur zich verkleumd door den killen regen. Hij legde zijn hoofd op een zwaren steen, wikkelde zich in zijne druipende deken en sliep in. Toen hij wakker werd, was het reeds geheel dag en leed hij aan eene zware koorts.

Cyprianus begreep dat hij verloren was, wanneer hij in dien stortregen bleef, want het weer was al slechter en slechter geworden, zoodat nu het water met stroomen uit de lucht viel. Hij poogde overeind te komen en geleund op zijn geweer, hetwelk hij als een steunstok gebruikte, begon hij den berg af te dalen.

Hoe kwam hij beneden? Dat zou hij waarachtig niet hebben kunnen zeggen. Nu eens rolde hij langs de kletsnatte hellingen, dan weer liet hij zich langs kletsnatte rotsen afglijden en zoo zette hij gehavend, hijgend, verblind, door de koorts verteerd, den weg voort en kwam tegen het middaguur in de kampementsplaats aan, waar hij zijne giraffe had achtergelaten.

Maar het dier was weg. Het was waarschijnlijk ongeduldig geworden, toen het zich zoo alleen zag; het was waarschijnlijk ook door den honger gekweldgeworden, want het gras was, tot zoover het touw het dier toegelaten had te reiken, schoon afgegraasd. Het had dan ook dat touw aangetast en was vrij geworden, toen het dit doorgeknabbeld had.

Cyprianus zou dien nieuwen slag, dien het ongeluk hem toebracht, gevoeld hebben, wanneer hij in zijn normalen toestand geweest ware. Maar hij was uitermate moede en de loomheid daardoor veroorzaakt, liet hem de kracht daar niet toe. Toen hij aangekomen was, kon hij nog slechts zijn ransel grijpen, dien hij gelukkig terug vond, om droge kleederen aan te trekken. Daar nu viel hij doodvermoeid onder een broodvruchtenboom neer, die de kampementsplaats overschaduwde.

Toen ondervond hij een zonderlingen toestand van slaperigheid, van koortsachtigheid, van ijlhoofdigheid, waarin al zijne gewaarwordingen zich oplosten, waarin de tijd, de ruimte, de afstanden geen beteekenis voor hem hadden. Was het nacht of dag? Regende het, of scheen de zon? Hoe lang lag hij daar? Sedert twaalf uren of sedert zestig? Leefde hij nog, of was hij dood reeds? Hij was onmachtig daarop te antwoorden. De meest behaaglijke droomen en de verschrikkelijkste spookgezichten wisselden elkander voortdurend in zijn ziek brein af. Parijs, de mijnschool, de ouderlijke haard, de hoeve te Vandergaart-Kopje Kopje, Miss Watkins, Hannibal Pantalucci, Hilton, Friedel en legioenen olifanten. Makatit en geheele vluchten vogels die over een hemel zonder grenzen verspreid waren, al zijne herinneringen, al zijne gewaarwordingen, al zijneantipathieën, al zijne teedere gevoelens, woelden in zijne hersenen als in eene onmetelijken maalstroom. Bij die scheppingen der koorts mengden zich soms gewaarwordingen, die hare oorzaak buiten hem hadden. Wat vooral vreeselijk was, dat was dat de zieke te midden van een ontzettend gejank van jakhalzen, van een gemauw van tijgerkatten, van een gegrinnik van hyena’s den roman, door zijne ijlhoofdigheid opgewekt, onbewust, onafgebroken voortzette en eindelijk een geweerschot meende te hooren, dat door eene diepe stilte opgevolgd werd. Daarna viel het helsche concert andermaal met vernieuwde kracht in, om tot het aanbreken van den dag te duren.

Ongetwijfeld zou Cyprianus in die ijlhoofdigheid en zonder er eenig bewustzijn van te hebben, uit de koorts in de armen des doods overgegaan zijn, wanneer niet de meest vreemde, de meest buitensporige gebeurtenissen, ten minste oppervlakkig beschouwd, den natuurlijken gang van zaken hadden komen storen.

Toen de dageraad aangebroken was, had de regen opgehouden, en toen Cyprianus ontwaakte, stond de zon reeds vrij hoog boven den horizon. Hij deed flauw en mat de oogen open en ontwaarde, maar zonder dat dit zijne nieuwsgierigheid opwekte, een grooten struisvogel, die naar hem toe kwam en op een afstand van twee of drie passen bleef staan.

“Zou dat de struisvogel van Makatit zijn?” vroeg de ingenieur zich af, steeds meenende te doen te hebben met de ijle beelden zijner zieke hersenen.

De steltlooper in persoon zou hem antwoorden en—wat meer wil zeggen—zou hem in zuiver Fransch antwoorden.

“Waarachtig, ik bedrieg mij niet!.... Cyprianus Méré!.... Wat drommel, mijn arme makker, voer jij hier uit?”

Een struisvogel, die Fransch sprak! Een struisvogel, die zijn naam wist! Inderdaad daar was stof genoeg voorhanden, om een gewoon verstand en om gezonde hersenen van streek te brengen. Welnu, Cyprianus was volstrekt niet verwonderd over dat schier onmogelijk verschijnsel; hij vond het integendeel geheel natuurlijk. Zijne droomen hadden hem wel andere tafereelen gedurende den afgeloopen nacht doen zien! Het scheen hem het eenvoudige gevolg toe van zijne ijlhoofdigheid, van zijne zieke hersenen.

“Gij zijt niet zeer beleefd, mijnheer de struisvogel!” antwoordde hij. “Met welk recht spreekt gij mij zoo gemeenzaam met jij aan?”

Die woorden werden op dien drogen, hortenden toon, zoo gewoon bij koortslijders, die geen twijfel omtrent denaard hunner ziekte overlaat, uitgestoten. De struisvogel scheen er bewogen door.

“Cyprianus!.... mijn vriend!.... Je bent ziek en.... zoo geheel alleen in de wildernis!” riep hij uit, terwijl hijzich bij den zieke op de knieën wierp.

Dat was een psychiologisch verschijnsel nog gekker bij dien steltlooper dan het spraakvermogen; want het buigen der knieën is eene beweging, welke aan die dieren door de natuur gewoonlijk verboden is. Maar Cyprianus verwonderde zich in zijn koortsachtigen toestand ook daarover niet. Hij vond het zelfs zeer natuurlijk, dat die struisvogel een lederen flesch met frisch water gevuld, dat met cognac aangemengd was, van onder zijn linkervlerk te voorschijn haalde en hem de halsopening tusschen de lippen bracht.

Het eenige wat hem begon te verwonderen, was toen het vreemdsoortige dier opstond en daarbij eene soort opperhuid afwierp, die zijn natuurlijk gevederte scheen te zijn, en daarna ook een langen hals, waarop een vogelkop prijkte, aflegde; maar toen, toen eerst vertoonde zich die struisvogel, nadat hij zijn geleende pak had ter zijde geschopt, onder de gedaante van een grooten, stevigen kerel, die niemand anders was dan Pharamond Barthès, groot jager voor Gods aangezicht en voor de menschen!

“Welnu ja!.... ik ben het,” riep Pharamond uit. “Heb je dan mijne stem bij de eerste woorden, die ik sprak, niet herkend?.... Je bent over mijn opschik verwonderd? Dat is een krijgslist, die ik van de Kaffers geleerd heb, om de echte struisvogels dicht genoeg te kunnen naderen, om hen met de assagaai te kunnen dooden!.... Maar laat ons over jou spreken, arme vriend!.... Hoe kom je hier, zoo ziek en verlaten?.... Het is wel het grootste toeval van de wereld te noemen, dat ik je ontdekt heb, terwijl ik hier ronddrentelde. Ik wist niet eens, dat je in dit land waart!”

Cyprianus was niet in staat veel te spreken. Hij kon zijn vriend dan ook slechts zeer oppervlakkige inlichtingen geven omtrent zijn persoon. Daarenboven, Pharamond begreep van zijn kant zeer goed, dat in de gegeven omstandigheden het verleenen van hulp aan den zieke wel de meeste haast vereischte. Die hulp had den armen drommel tot nu toe ontbroken en daarin moest nu voorzien worden.

Die koene jager had sedert zijn aankomst in dat land veel ervaring der woestijn opgedaan. Hij had onder anderen eene bijzondere maar afdoende geneeswijze voor de moeraskoorts, waaraan zijn arme makker leed, van de Kaffers geleerd.

Pharamond Barthès begon dan ook dadelijk in den grond een soort kuil te graven, die hij met hout vulde, nadat hij eene opening uitgespaard had, om de lucht toe te laten. Hij stak dat hout in brand en toen het tot asch verteerd was, kon die kuil als een werkelijke oven beschouwd worden. Daarna legde Pharamond Barthès zijn vriend Cyprianus er in, dekte hem zorgvuldig toe en liet slechts zijn hoofd vrij. Geen tien minuten waren nog verloopen, toen bij den zieke een geweldig zweet uitbrak. De zweetkuur werd door den nieuwbakken dokter zoo overvloedig mogelijk onderhouden, door de toediening van vijf of zes koppen van een aftreksel, dat hij van eenige hem bekende kruiden vervaardigd had. Cyprianus viel weldra in die stoof in een diepen en weldadigen slaap.

De zon neigde ten ondergang, toen hij de oogen weer opende. Hij gevoelde zich toen zoo bepaald verlicht en beter, dat hij om eten vroeg. Zijn vindingrijke vriend wist voor alles raad. Hij zette hem dadelijk een overheerlijke soep voor, die hij van de opbrengst zijner jacht en van verschillende soorten wortels gekookt had. Een vleugel van een gebraden trapgans en een kommetje met water, waarin een scheutje cognac, voltooiden dat maal, hetwelk aan Cyprianus eenigermate zijne krachten terugschonk, en de nevelen, die zijn brein verduisterden, verdreef.

Een uur later was Pharamond Barthès, die op zijn beurt ook voor den stoffelijken mensch gezorgd had, bij den jongen ingenieur neergezeten en verhaalde hem, hoe hij hier kwam in dien zoo vreemden tooi, waarin hij zich voor zijn vriend vertoond had.

“Ge weet,” zei hij, “waartoe ik in staat ben, wanneer het geldt eenig nieuw wild na te jagen. Nu heb ik in de laatste zes maanden zooveel olifanten neergelegd, zooveel zebra’s, zooveel giraffen, zooveel leeuwen en andere wildstukken van den meest uiteenloopenden pels of van het meest verschillend gevederte—onder welke laatste een menschenvretende arend,de trots van mijne verzameling,—dat het denkbeeld eenige dagen geleden bij mij opkwam, om mijne jachtvermaken eenigermate af te wisselen. Tot dusver reisde ik steeds rond, omgeven door mijne Bassuto’s—een dertigtal stevige vastbesloten kerels, die ik maandelijks met een zakje glaskoralen betaal, en die zoo veel toewijding voor mij gevoelen, dat zij zich voorzeker voor hunnen heer en meester in het vuur zouden werpen. Maar onlangs genoot ik gastvrijheid bij Tonaïa, het groote opperhoofd in deze streken. Ik had hem bezocht om het jachtrecht op zijn grondgebied te verkrijgen, een recht waaraan hij nog meer gehecht is dan een Schotsche lord. Hij verzocht mij mijneBassuto’sen vier geweren te leen om een krijgstocht te ondernemen, dien hij tegen een van zijne naburen beraamde. De vermeerdering van macht en die bewapening hadden hem eenvoudig onoverwinnelijk gemaakt, en hij heeft dan ook den meest schitterenden triomf op den vijand behaald. Dat is de oorzaak van eene onverbreekbare vriendschap, die ons verbindt, eene vriendschap, welke wij met ons bloed bezegeld hebben, dat wil zeggen: dat wij ons zelven eene kleine verwonding aan den voorarm toegebracht hebben en dat wij dit wondje uitgezogen hebben, wel te verstaan hij het mijne en ik het zijne! Voortaan zijn wij, Tonaïa en ik, vrienden tot in den dood! Overtuigd dat ik voortaan in de geheele uitgestrektheid zijner bezittingen niets meer te vreezen heb, ben ik eergisteren op weg gegaan om jacht op tijgers en op struisvogels te maken. Wat de eersten betreft, ik heb het genoegen gehad verleden nacht een tijger neer te leggen, en het zou mij verwonderen, wanneer je het spektakel niet gehoord hebt, hetwelk mijn schot voorafging. Verbeeld je, ik had mijne veldtent opgeslagen bij het lichaam van een buffel, dien ik in den loop van den dag gedood had, natuurlijk in de hoop om zoo’n roofdier in het midden van den nacht te zien verschijnen. En werkelijk mijne hoop werd verwezenlijkt: een dier snuiters werd door den doordringenden reuk van het aas aangelokt; maar het ongeluk wilde, dattwee-of driehonderd jakhalzen, hyena’s en tijgerkatten dezelfde werking ondervonden en ook genaderd waren. Die voerden een wanluidend concert uit, dat voorzeker tot hier heeft moeten doordringen.”

“Ik geloof, dat ik zoo iets gehoord heb,” antwoordde Cyprianus. “Ja, zeker, ik meende zelfs, dat dit concert ter mijner eere gegeven werd.”

“Waarachtig niet, waarde vriend!” riep Pharamond Barthès uit. “Niet ter uwer eer, maar ter eere van een buffelkreng, dat daar ginds lag in dat dal, wat gij van hier aan uwe rechterzijde zien kunt.Toen de dag aangebroken was, bleef niets anders over van den kolossalen herkauwer dan zijn geraamte! Ik zal je dat vertoonen; het is een kunststuk op het gebied der ontleedkunde!.... Je zult ook mijn tijger zien, het fraaiste dier, dat ik neergelegd heb, sedert ik Afrika’s jachtvelden betreden heb. Ik heb hem afgestroopt en zijn pels hangt aan een boom om te drogen!”

“Maar die vreemdsoortige opschik, dien je heden morgen droegt?” vroeg Cyprianus.

“Dat was een struisvogel-costuum. Zooals ik je gezegd heb, gebruiken de Kaffers vaak die list, om die steltloopers, die zeer wantrouwend en daardoor moeielijk te schieten zijn, te kunnen naderen!.... Ge zult zeggen, dat ik daarvoor mijne uitmuntende buks heb!.... Dat is wel waar, maar wat zal ik u zeggen? De gril om op Kafferwijze te jagen, heeft mij verleid en zie, die gril heeft mij het geluk verschaft, u te ontmoeten en dat zeer van pas, nietwaar?”

“Ja zeker, zeer van pas, Pharamond!.... Ik geloof zelfs, dat ik, zonder u, reeds niet meer tot deze aarde zou behooren!” antwoordde Cyprianus, terwijl hij zijn vriend hartelijk de hand schudde.

Hij bevond zich nu buiten zijn stooftoestel en lag op een bed uitgestrekt, dat zijn makker hem aan den voet van den broodboom gespreid had.

Maar de wakkere kerel liet het daar niet bij. Hij wilde zijne veldtent, die hij steeds bij zijne omzwervingen bij zich droeg, in het naburige dal gaan halen, en een kwartier was nog niet verloopen, toen hij reeds bij zijn dierbaren zieke terug was en hij die tent opgeslagen had.

“En nu, vriend Cyprianus,” zei hij, “laat mij thans uwe geschiedenis vernemen, wanneer ten minste het verhaal u niet vermoeien zal?”

Cyprianus voelde zich krachtig genoeg, om aan de zeer natuurlijke nieuwsgierigheid van Pharamond Barthès te kunnen voldoen. Zeer ter loops vertelde hij wat hem in Grikwaland overkomen was, waarom hij dat land verlaten had, waarom hij Makatit en zijn diamant achtervolgde. Hij verhaalde de voornaamste gebeurtenissen van dien tocht, hoe Hannibal Pantalucci, hoe Friedel en hoe James Hilton omgekomen waren. Hij vertelde het verdwijnen van Bardik en eindelijk hoe hij op Li zat te wachten, die naar het kampement moest terugkeeren.

Pharamond Barthès luisterde met alle aandacht. Toen Cyprianus hem vroeg of hij niet een jongen Kaffer, waarvan hij hem het signalement gaf, en die niemand anders dan Bardik was, ontmoet had, antwoordde hij ontkennend.

“Maar,” zei hij, “ik heb een ronddolend paard opgevangen, dat het uwe wel kan zijn.”

Hij verhaalde daarop, hoe hem dat paard in handen was gevallen.

“Het is juist twee dagen geleden,” zei hij, “toen ik met drie mijner Bassuto’s in het zuidelijk gebergte jaagde. Eensklaps zag ik een prachtig grijs paard uit een hollen weg komen aansnellen. Het had niets anders dan een halster om, waaraan een lang touw sleepte. Het dier scheen onbesloten wat te doen, en kwam dadelijk naar mij toe, toen ik het een handvol suikerriet liet zien. Zie, zoo heb ik hem gevangen.—Het is een prachtig dier vol vuur en vol moed en hard van vleesch als een gerookte ham.”

“Dat is mijn paard.... Dat is Templar!” zei Cyprianus.

“Welnu, waarde vriend, dan is Templar weer uw eigendom! Het is mij een waar genoegen het u te kunnen teruggeven. Kom, ik wensch u goeden nacht. Slaap thans weer in. Morgen ochtend bij het krieken van den dag zullen wij deze heerlijke plek verlaten!”

En zijn raad met het voorbeeld gepaard doende gaan, wikkelde Pharamond Barthès zich in zijn deken en sliep in.

Den volgenden ochtend kwam de Chinees juist met eenigeprovisieënin het kampement terug. Pharamond had dan ook al den tijd om hem op de hoogte te stellen, voor dat Cyprianus ontwaakt was. Hij droeg hem op zijn baas te bewaken, terwijl hij het paard ging halen, welks verlies voor den jeugdigen ingenieur zoo smartelijk was geweest.

Het was inderdaad Templar, dien Cyprianus bij zijn ontwaken voor zich zag. Het wederzien was van beide kanten uitermate liefderijk. Men zou gezegd hebben, dat het paard bijna evenveel genoegen smaakte als zijn berijder over de ontmoeting.

Cyprianus voelde zich sterk genoeg om na het ontbijt te paard te stijgen, ten einde dadelijk te vertrekken. Pharamond laadde al de bagage, die niet veel was, op het achterstel van Templar, greep het dier bij den teugel en aanvaardde de reis naar de hoofdstad van Tonaïa.

Onderweg verhaalde Cyprianus, thans evenwel in meerdere bijzonderheden, de voornaamste voorvallen van zijn tocht sedert zijn vertrek uit Grikwaland. Toen hij de laatste verdwijning van Makatit verteld had, wiens signalement hij beschreef, begon Pharamond te lachen.

“Kijk, kijk,” zei deze, “dat is aardig! Ik geloof, dat ik u tijdingen van den dief kan geven.”

“Hoe dat zoo?” vroeg Cyprianus verrast.

“Luister. Mijne Bassuto’s hebben nu zoo wat vier en twintig uren geleden een jongen Kaffer gevangen genomen, die in deze streken rondzwierf, en gebonden aan Tonaïa overgeleverd. Ik geloof wel, dat die voornemens was, hem van een leelijke kermis te huis te laten komen; want hij is erg bang voor verspieders, en de Kaffer, tot een vijandigen stam behoorende, kon van niets anders verdacht worden. Men heeft hem evenwel tot nu toe het leven gespaard. Tot zijn geluk kende de arme drommel eenige goochelaarstoeren, waardoor hij zich voor een toovenaar kon uitgeven....”

“O! een toovenaar,” riep Cyprianusuit. “Nu is er geen twijfel meer, dat is Makatit.”

“Welnu, hij kan er op pochen, dat hij een fameusen dans ontsprongen is. Tonaïa heeft voor zijne vijanden een groote verscheidenheid van folteringen uitgevonden, die niets te wenschen overlaat. Maar, ik herhaal het, ge kunt tamelijk gerust over zijn lot zijn. Hij wordt door zijne hoedanigheid van toovenaar beschermd, en wij zullen hem heden avond nog gezond en wel aantreffen.”

Het zal wel niet noodig zijn er op te wijzen, dat die tijding Cyprianus aangenaam was. Zijn doel was dus bereikt; want hij twijfelde er niet aan of Makatit zou, wanner hij nog in het bezit van den diamant was, hem wel overgeven.

Zoo koutten de twee vrienden gedurende den geheelen dag, terwijl zij de vlakte overstaken, die Cyprianus eenige dagen te voren, op eene giraffe gezeten, doorsneden had.

Denzelfden avond kregen zij Tonaïa’s hoofdplaats in het gezicht. Zij was amphitheatersgewijs aangelegd op een terreinverhevenheid, die den gezichteinder in het noorden begrensde. Het was eene wezenlijke stad van tien tot vijftien duizend zielen, met goed aangelegde straten, met ruime en bijna bevallige hutten, waarin welvaart en vooruitgang te bespeuren waren. Het paleis des konings was omgeven door hooge palissaden en werd bewaakt door zwarte krijgslieden, met lansen gewapend. Dat gebouw besloeg alleen bijna het vierde gedeelte van de oppervlakte dier stad.

Toen Pharamond zich vertoonde, gingen alle poorten en barrièren voor hem open. Hij en Cyprianus werden dadelijk langs eene opeenvolging van uitgestrekte plaatsen en pleinen tot in de ceremoniezaal gevoerd, alwaar zich de onoverwinnelijke overheerscher ophield te midden van eene talrijke menigte, waaronder noch de wachters, noch de officieren ontbraken.

Tonaïa, kon zoo wat veertig jaren oud zijn. Hij was groot en krachtig van gestalte. Zijn voorhoofd was met een soort diadeem getooid, die van wilde-zwijnen-tanden vervaardigd was. Zijn kostuum bestond uit een overkleed dat den vorm eener tunika zonder mouwen had, en van roode stof vervaardigd was. Hij droeg een voorschoot van dezelfde kleur, dat rijkelijk met glazen kralen geborduurd was. Zijne armen en beenen waren met talrijke koperen braceletten getooid. Zijn gelaat teekende veel bevatting, maar ook sluwheid, en was daarenboven listig en niet innemend.

Hij ontving Pharamond Barthès, dien hij sedert verscheidene dagen niet gezien had, zeer goed, en ook Cyprianus, als den vriend van zijn getrouwen bondgenoot.

“De vrienden onzer vrienden zijn onze vrienden,” drukte hij zich uit, evenals een kruidenier uit de Marais, het meest burgerlijke kwartier van Parijs, zou gedaan hebben.

Toen hij evenwel vernam, dat zijn nieuwe gast lijdende was, deed hij hem de beste kamers van zijn paleis geven, en daarenboven een heerlijk avondmaal voordienen.

Volgens Pharamond’s meening was ’t het oogenblik nog niet om van Makatit te gewagen. Men zou dat tot den volgenden dag uitstellen.

Cyprianus was toen geheel hersteld en in staat om voor den koning te verschijnen. Het geheele hof was in de groote zaal van het paleis bijeen; Tonaïa en zijn beide gasten waren gezeten in het midden van den kring, door de hovelingen gevormd. Pharamond begon dadelijk in de landstaal, die hij vloeiend sprak, de onderhandeling:

“Mijne Bassuto’s hebben u onlangs een jongen Kaffer, dien zij gevangen genomen hadden, aangebracht. Nu is die Kaffer de dienaar van mijn makker, van den grooten, wijzen Cyprianus Méré, die hem van uwe edelmoedigheid terug verwacht. Ik, zijn vriend en tevens de uwe, ondersteun dat billijk verzoek.”

Reeds bij de eerste woorden had Tonaïa een zeer diplomatisch gezicht gezet.

“De groote, wijze blanke is welkom bij mij!” zei hij. “Maar wat biedt hij als losprijs voor mijne gevangene aan?”

“Een uitmuntend geweer, tienmaal tien patronen en een zakje met glazen kralen,” antwoordde Pharamond.

Een gemompel van goedkeuring liet de vergadering hooren. Zij was blijkbaar zeer ingenomen door de pracht van dat aanbod. Alleen Tonaïa bleef zijn strak staatkundig gezicht behouden, en gafgeen blijk van ingenomenheid.

“Tonaïa is een groot vorst,” hernam hij, terwijl hij zich op zijn zitbankje rechtop zette, “en hij wordt door de Goden beschermd! Zij zonden hem een maand geleden Pharamond Barthès met zijne kloeke krijgslieden en zijne nimmer missende geweren, om hem te helpen zijne tegenstanders te overwinnen! Daarom zal ik op verlangen van Pharamond Barthès dien dienaar heelhuids aan zijn meester teruggeven.”

“En waar bevindt hij zich thans?” vroeg de jager.

“In de heilige grot, waar hij nacht en dag bewaakt wordt!” antwoordde Tonaïa met eene gelegenheids-hoogdravendheid, die den meest machtigen souverein van Kafferland zeer goed afging.

Pharamond vertaalde die antwoorden in het kort voor Cyprianus en vroeg aan den koning de gunst om met zijn makker den gevangene uit de heilige grot te mogen gaan halen.

Er werd op dat verzoek evenwel een afkeurend gemompel in de geheele vergadering vernomen. De eisch van die Europeanen scheen te ver gedreven. Nimmer was een vreemdeling in die geheimzinnige grot toegelaten. Een tot nu toe geëerbiedigde overlevering hield in, dat het rijk van Tonaïa in stof zoude ineenstorten, wanneer de blanken het geheim van die grot zouden kennen.

De koning hield er echter niet van, dat zijn hof zijne besluiten vooruitliep. Dat gemompel prikkelde dan ook zijn grillig alleen-heerschers-karakter, en bracht hem er toe, om toe te staan wat hij ongetwijfeld, zonder die uitbarsting van het algemeen gevoelen, geweigerd zoude hebben.

“Tonaïa heeft een bloedruil met zijn bondgenoot Pharamond Barthès aangegaan,” antwoordde hij op afdoenden toon, “hij houdt niets verborgen voor hem. Kunt gij en uw vriend een eed houden?”

Pharamond knikte bevestigend.

“Welnu,” hernam de negerkoning, “zweert dat gij niets zult aanraken van al hetgeen gij in die grot zien zult!.... Zweert, dat gij nimmer zult laten bemerken, dat gij het bestaan dier grot kent!.... Zweert, dat gij nimmer zult trachten om er andermaal in te dringen, of ook maar den ingang er van op te sporen!.... Zweert eindelijk, dat gij aan niemand mededeelen zult, wat gij gezien hebt!”

Pharamond en Cyprianus staken de hand uit en herhaalden woord voor woord het eedsformulier, dat hen voorgezegd werd. Tonaïa gaf dadelijk daarop metfluisterendestem bevelen. Zijn hofhouding stond op en zijn krijgslieden formeerden twee gelederen. Een paar dienaren brachten twee lappen van fijn linnen, waarmede de twee vreemdelingen geblinddoekt werden; daarna nam de koning tusschen hen beiden plaats in een grooten strooien palankijn, die door een paar dozijn Kaffers op hunne schouders genomen werd en die nu in optocht voortstapten.

De reis duurde vrij lang, minstens twee uren. Wanneer rekening gehouden werd met den aard der schokken, die de palankijn ondervond, moesten Pharamond en Cyprianus erkennen, dat zij door eene bergachtige streek vervoerd werden.

Daarna merkten zij een afkoeling der lucht op, terwijl het geluid der stappen van de lijfwacht en der dragers door de echo weerkaatst werd, alsof tusschen dicht bij elkander staande wanden gemarcheerd werd. Daaruit maakten zij op, dat men een onderaardsche gang binnengetreden was. Eindelijk trof een harsachtige rook hunne reukzenuwen, waaruit zij afleidden dat men fakkels ontstoken had om den optocht te verlichten.

De marsch duurde nog ongeveer een kwartier uurs, waarna de palankijn op den bodem neergezet werd. Tonaïa liet zijne gasten uitstappen en liet hun den blinddoek afnemen.

Onder den invloed van de flikkeringen, welke het oog gewoonlijk ondervindt, wanneer het, nadat zijn gezichtskracht voor een lange poos opgeheven is geweest, plotseling aan de inwerking van het licht blootgesteld wordt, verbeeldden Pharamond en Cyprianus zich eerst dat zij aan eene soort van geestverrukking onderworpen waren, zulk een prachtig en onverwacht schouwspel bood zich voor hunne oogen aan.

Beiden bevonden zich te midden van eene onmetelijke grot. De bodem was bezaaid met fijn zand, dat glinsterde van de gouden lovertjes, die er zich in bevonden. Het gewelf, hetwelkzich als dat eener Gothische kathedraal verhief, verloor zich in eene voor den blik onpeilbare hoogte. De wanden van dat onderaardsche bouwgewrocht waren getooid met stalactiten, die eene groote verscheidenheid van kleuren en een ongehoorden rijkdom ten toon spreidden, en waarop de weerkaatsing van het licht der toortsen, stralenbundels te voorschijn tooverde, die met de kleuren van den regenboog prijkten, en met schitteringen vermengd waren, die aan gloeiovens, maar ook aan de pracht van noorderlicht deden denken. De meest verschillende kleuren flikkerden en smolten ineen, de meest grillige vormen, de meest onvoorziene hellingen kenmerkten die ontelbare kristalvormingen. Het waren niet, zooals in de meeste grotten voorkomen, eenvoudige legeringen van gedroppelde kwarts, welker vormen zich met eene wanhopige regelmaat en eentonigheid herhaalden. Hier had de natuur hare grillige luim geheel en al botgevierd. Zij scheen zich tot taak gesteld te hebben, al de combinatiën en schakeeringen der tinten, waartoe zich de glazuren der minerale rijkdommen zoo verwonderlijk leenen, effectvol te vertoonen.

Rotsen van amethist, wanden van sardonix, legeringen van robijnen, naalden van smaragd, die zuilenrijen als scheepsmasten vansafier, ijsbergen getooid met zeealgen, girandollen van turkooizen, spiegels van opaal, aders van rooskleurige gips en van lapislazuli met goudaderen gemarmerd,—in één woord, alles wat de kristalwereld het meest schitterend kan aanbieden, was hier bijeengebracht om die wonderbaarlijke spitsbogen op te trekken. Meer nog dan dat: alle vormen, zelfs die uit de plantenwereld, schenen in beslag genomen te zijn voor dien arbeid, welke geheel en al buiten het menschelijke bevattingsvermogen viel. Tapijten van mineralische moskorsten, die zoo wollig waren als de fijnste graszoden, boomvormige kristallen, bloemen en vruchten in edelgesteenten, riepen bij wijlen die tooverachtige lusthoven en tuinen in het geheugen terug, die door de Japansche kunstenaars met zoo veel naïveteit weergegeven worden. Verder vertoonde zich een kunstmatig meer, door een diamant van twintig meters lang gevormd, die door het zand omlijst werd en eene geheel gereede baan was voor luchtige schaatsenrijders. Luchtkasteelen van witten agaatsteen, kiosken en torentjes van baryl of topazen, hoopten zich in ontelbare verdiepingen op, totdat het oog, vermoeid door zooveel pracht, eindelijk weigerde verder hen na te sporen. De straalbreking eindelijk, de ontleding der lichtbundels te midden der prisma’s, die schitterende vuurwerkvonken, die overal als het ware opspatten en in veelkleurige aren neervielen, riepen het meest verwonderlijke akkoord van licht en kleuren te voorschijn, waardoor een menschenoog ooit is verrast geworden.

Cyprianus Méré koesterde geen twijfel meer. Hij bevond zich plotseling vervoerd in een van die verwonderlijke vergaarplaatsen, waarvan hij sedert lang het bestaan gegist had en waarin de gierige natuur die legeringen heeft kunnen ophoopen en kristalliseeren, welke zij slechts noode, en dan nog maar in zeldzame en kleine stukken, aan den mensch in de meest begunstigde placers afstaat. Gedurende een kort oogenblik bekroop hem de twijfel omtrent de werkelijkheid van hetgeen hij onder de oogen had, maar het was voldoende geweest, terwijl hij langs een onmetelijke kristalbank voorbijging, haar te wrijven met den ring, dien hij aan den vinger droeg, om verzekerd te zijn dat zij het inkrassen weerstond. Zij bestond dus wel degelijk uit diamant, uit robijn en uit safier, en wel in zulke onmetelijke massa, dat hare waarde, naar den maatstaf, welken de menschen aan die mineralogische bestanddeelen hechten, aan iedere berekening moest ontsnappen.

Alleen de sterrenkundige cijfergetallen zouden eene benadering, weinig bevattelijk bovendien, hebben kunnen leveren. Inderdaad er lagen daar onbekend en improductief, trillioenen en quadrillioenen van milliarden aan waarde in den schoot der aarde verborgen.

Giste Tonaïa iets omtrent de onmetelijke rijkdommen, die hij daar ter zijner beschikking had? Dat was niet waarschijnlijk; want Pharamond Barthès, weinig op de hoogte van die zaken, scheen zelfs geen begrip hoegenaamd te hebben, dat die verwonderlijke kristallen, fijne edelgesteenten waren. Denegerkoning meende ongetwijfeld slechts de bewaker van een hoogst bijzondere grot te zijn, waarvan hem eene godsspraak of eenige andere bijgeloovigheid belette het geheim te openbaren.

Wat die opvatting bevestigde, was de opmerking, die Cyprianus weldra maakte, dat een groot aantal menschenbeenderen op sommige plaatsen in enkele hoeken van de grot opgehoopt lagen. Was zij dus eene begraafplaats van den stam, of—wat eene nog vreeselijker, maar toch meer waarschijnlijke vooronderstelling was—had zij gediend, en diende zij nog, om eenige afschuwelijke godsdienstplechtigheid te voltrekken, waarin menschenbloed vergoten werd, wellicht om aan kannibalische neigingen te kunnen voldoen?

Tot deze laatste meening helde Pharamond Barthès over, want hij zeide fluisterend tot zijn vriend:

“Tonaïa heeft mij toch verzekerd, dat sedert zijne troonsbestijging geene dergelijke plechtigheid heeft plaats gehad. Maar ik erken, dat het zien van die beenderen mijn vertrouwen zeer schokt!”

Hij wees daarbij op een hoop, die eerst sedert kort scheen opgericht en waarop de werking van het vuur, alsof die beenderen gekookt en gebraden waren, niet te miskennen was.

Die indruk werd eenige oogenblikken later geheel en al bevestigd.

De koning en zijn beide gasten waren in het achterste gedeelte van de grot voor eene opening aangekomen, die wel iets had van eene zijkapel, die in de lagere zijwaartsche gangen onzer basilieken uitgespaard zijn. Achter een hek van ijzerhout, dat er den toegang van afsloot, werd een gevangene ontwaard, die in eene houten kooi opgesloten zat, welke ternauwernood ruimte genoeg bezat om hem toe te staan, gehurkt er in te verwijlen. Blijkbaar was hij bestemd om vetgemest te worden, waarna hij het hoofdbestanddeel van een feestmaaltijd zou uitmaken.

Dat was Makatit.

“Gij!.... gij!.... vadertje!” riep de rampzalige Kaffer uit, toen hij Cyprianus herkende. “O, neem mij mede!—Verlos mij!.... Ik wil nog liever naar Grikwaland terugkeeren, al moest ik gehangen worden, dan hier in die kippenkooi te blijven verwijlen, in afwachting van de vreeselijke marteling, die de wreede Tonaïa mij zal laten ondergaan, alvorens mij op te peuzelen!”

Dat werd in het Fransch met eene zoo weemoedige stem geuit, dat Cyprianus er zeer door bewogen werd.

“Het zal geschieden, zooals gij wenscht Makatit,” antwoordde hij. “Ik kan uwe invrijheidsstelling bewerken, maar gij komt uit die kooi niet, alvorens den diamant teruggegeven te hebben.”

“De diamant, vadertje!” riep Makatit uit. “De diamant.... maar dien heb ik niet!.... Ik heb hem nooit gehad!.... Dat zweer ik.... ja, dat zweer ik!”

Hij zeide dat op zulk een toon van oprechtheid, dat Cyprianus zeer goed begreep, dat hij zijne eerlijkheid niet meer kon in twijfel trekken. Men weet het bovendien, het had hem steeds veel moeite gekost om Makatit voor den schuldige aan den gepleegden diefstal te houden.

“Maar,” vroeg hij hem, “als gij dien diamant niet gestolen hebt, waarom hebt ge dan de vlucht genomen?”

“Waarom, vadertje? Wel omdat men, toen mijne makkers de stokjesproef ondergingen, zeide dat niemand anders de dief kon zijn dan ik, dat ik listig te werk was gegaan om achterdocht te verijdelen. Nu weet gij zeer goed, dat in Grikwaland, wanneer het een Kaffer geldt, men veel spoediger met veroordeelen en hangen gereed is dan met onderzoeken en ondervragen!.... Toen ben ik beangst geworden en heb ik als een schuldige de vlucht genomen.”

“Wat die arme duivel daar zegt, komt mij zeer waarschijnlijk voor,” meende Pharamond Barthès.

“Ik twijfel er in het geheel niet meer aan,” antwoordde Cyprianus, “en waarlijk, ik kan hem geen ongelijk geven, dat hij gepoogd heeft zich aan de rechtsbedeeling in Grikwaland te onttrekken!” En zich tot Makatit wendende:

“Welnu, neen,” ging hij voort, “ik twijfel aan uwe onschuld niet meer ten opzichte van den diamant-diefstal. Maar men zal ons waarschijnlijk in de Vandergaart-Kopjes-mijn niet gelooven wanneer wij uwe onschuld zullen betuigen. Wilt gij die kans loopen, en er terugkeeren?”

“Ja!.... ik wil alles wagen, alles doorstaan, om niet langer hier te blijven!” riep Makatit uit, die aan denhevigsten angst ten prooi scheen.

“Wij zullen die zaak in behandeling nemen,” antwoordde Cyprianus, “en mijn vriend Pharamond Barthès zal haar ongetwijfeld wel tot een goed einde brengen!”

En inderdaad, de jager, die geen tijd verloren liet gaan was reeds met Tonaïa in onderhandeling.

“Spreek vrij uit!....” vroeg hij aan den negerkoning, “wat moet gij in ruil voor uwen gevangene hebben?”

“Ik moet vier geweren tien maal tien patronen voor elk wapen en vier zakjes met glazen kralen hebben.—Dat is niet te veel niet waar?”

“Dat is twintigmaal te veel; maar Pharamond Barthès is uw vriend en hij zal alles doen om u aangenaam te zijn. Luister, Tonaïa,” ging hij na een poos nadenkens voort, “gij zult de vier geweren, de vier honderd patronen en de vier zakjes met glazen kralen hebben. Maar gij van uwen kant zult ons een span ossen leveren, eene eerewacht met de noodige levensmiddelen, om mijn geheele gezelschap door de Transvaal te voeren.”

“Top!” antwoordde Tonaïa. Die zaak is beklonken!”

Daarop boog hij zich vertrouwvol tot Pharamond en fluisterde hem in het oor:

“De ossen zijn dadelijk gevonden. Het zijn die, welke mijne lieden ontmoet hebben, toen zij naar hunne stallen wilden terugkeeren en die zij naar mijne kraal gedreven hebben. Dat was geheel en al volgens het oorlogsgebruik, niet waar?”

De gevangene werd toen terstond ontslagen, en na nog een laatsten blik gewijd te hebben aan de pracht der grot, keerden Cyprianus, Pharamond en Makatit, na zich geduldig te hebben laten blinddoeken, naar het paleis van Tonaïa terug, waar een groot feestmaal gegeven werd, om het sluiten van het verdrag te vieren.

Eindelijk werd nog besloten dat Makatit niet dadelijk in de Vandergaart-Kopjes-mijn zoude verschijnen; dat hij in de omstreken zou verwijlen en dan eerst zijn dienst bij den jongen ingenieur zou hervatten, wanneer deze laatste verzekerd er van zoude zijn, dat zulks zonder gevaar kon geschieden. Zooals men wel zien zal, was dat geen noodelooze voorzorg.

Pharamond, Cyprianus en Makatit vertrokken dientengevolge den volgenden morgen met een flinke eskorte naar Grikwaland. Maar men kon zich thans geene illusiën meer scheppen! DeZuidsterwas onherroepelijk verloren en master Watkins zou haar niet kunnen laten schitteren in den Tower van Londen, te midden van de schoonste kroonjuweelen van Engeland!


Back to IndexNext