Zevende hoofdstuk.

Sedert vijftig dagen had Cyprianus geen enkelen diamant in zijne mijn gevonden. Dat mijnwerkersbaantje, dat hem voorkwam een ellendig baantje te zijn, wanneer men althans geen geld genoeg heeft om een uitstekenden claim te koopen en een dozijn Kaffers daarin te werk te stellen, begon hem dan ook mooi de keel uit te hangen.

Dientengevolge liet Cyprianus op zekeren morgen Makatit en Bardik alleen met Thomas Staal vertrekken en bleef in zijne hut achter. Hij wilde een brief van zijn vriend Pharamond Barthés beantwoorden, die hem tijdingen had doen toekomen door tusschenkomst van een ivoorhandelaar, die op reis naar de Kaapstad was.

Pharamond Barthés was in de wolken over zijne jagersleven en over de door hem ondervonden avonturen. Hij had reeds drie leeuwen gedood, zestien olifanten en zeven tijgers, zonder nog te spreken van een onnoemlijk aantal giraffen en antilopen. Van het kleine wild maakte hij eenvoudig geen gewag.

Hij voedde, zeide hij, den oorlog door den oorlog, evenals dat de historische veroveraars deden. Hij slaagde er niet alleen in om het geheele expeditionaire korps, dat hij met zich voerde, te onderhouden, maar het zou hem gemakkelijk gevallen zijn, wanneer hij zulks gewild had, groote winsten te behalen met den verkoop van de pelterijen en van het ivoor, van die jachtpartijen afkomstig, of door ruilhandel te drijven met de Kafferstammen, in welker midden hij leefde.

Hij eindigde zijn schrijven in dier voege:

“Zult gij mij niet vergezellen bij het volvoeren eener reis langs de boorden van de Limpopo-rivier? Ik zal er tegen het eind van de aanstaande maand aankomen. Ik heb het plan dien stroom af te zakken tot zijne ontwatering in de Delagoa-baai, om vervolgens over zee naar Durban terug te keeren, waarheen ik volgens contract mijne Bassuto’s terugvoeren moet. Laat toch dat schrikkelijke Grikwaland voor eenige weken links liggen en kom mee....”

Cyprianus las en herlas dien brief, toen eensklaps eene vreeselijke losbarsting vernomen werd, die onmiddellijk door een helsch spektakel in het kamp gevolgd werd. Hij vloog natuurlijk in alle haast op en stormde zijne tent uit.

Al de mijnwerkers liepen in de grootste wanorde en met al de teekenen eener buitengewone radeloosheid naar de mijn.

“Eene aardstorting!” schreeuwde men van alle kanten.

De nacht was inderdaad zeer frisch, ja, koud te noemen geweest, terwijl de vorige dag als een der warmsten, die men in langen tijd beleefd had, kon aangerekend worden. Gewoonlijk na zulke groote en spoedig ingevallen temperatuursverschillen hadden samenkrimpingen van de blootgestelde aardmassa’s plaats, waardoor zulke rampen als de hier aangeduide mogelijk werden.

Cyprianus haastte zich naar de Kopjes-mijn.

Toen hij daar aankwam, overzag hij het gebeurde met één blik.

Een aarden wal van minstens zestig meter hoogte en van twee honderd meter lengte was van boven tot onder gespleten en vormde eene gaping, die heel veel geleek op de bres van een door geschut geteisterden muur. Verscheidene duizenden kubieke meters grind waren losgeraakt en naar beneden gestort, waar zij de claims met zand, met steenen en met aarde bedolven. Alles wat zich op het oogenblik der aardstorting boven op den rand bevonden had, als menschen ossen, karren enz., was plotseling in den afgrond te recht gekomen en lag daar door elkander.

Gelukkig dat het grootste gedeelte der mijnwerkers nog niet in de mijn afgedaald was, want anders ware meer dan de helft van de kampbewoners bedolven geweest.

De eerste gedachte van Cyprianus betrof zijn vennoot, Thomas Staal. Hij had weldra het genoegen hem te ontdekken te midden van een groep mannen, die zich rekenschap trachtten te geven van den omvang van de ramp en daartoe op den rand der gevormde spleet stonden. Hij liep naar hem toe en ondervroeg hem.

“Ja, wij zijn het mooi ontsnapt!” zei de mijnwerker uit Lancashire, terwijl hij den Franschman de hand drukte.

“En Makatit?” vroeg Cyprianus.

“De arme jongen ligt daaronder,”antwoordde Thomas Staal, op de puinhoopen wijzende, die zich op hun gemeenschappelijk eigendom opgestapeld hadden. “Nauwelijks had ik hem bevel gegeven om in de groeve af te dalen, en stond ik reeds te wachten op den eersten emmer, om dien op te hijschen, toen de noodlottige gebeurtenis plaats vond.”

“Maar wij kunnen zoo niet met de armen over elkander geslagen staan toekijken, zonder iets uit te richten!” riep Cyprianus uit. “Misschien leeft hij nog.”

Thomas Staal schudde het hoofd.

“Het is onwaarschijnlijk, dat hij onder een last van minstens twintig ton aarde nog in leven zoude zijn,” antwoordde hij. “Daarenboven tien menschen zouden zeker twee of drie dagen moeten arbeiden om den boel op te ruimen.”

“Dat kan me niet schelen,” was de meening van den jongen ingenieur, vastbesloten. “Ik wil niet dat gezegd zal worden, dat wij een menschelijk wezen in dat graf bedolven hebben gelaten, zonder dat wij alle pogingen aangewend hebben, om hem er uit te halen.”

En zich door tusschenkomst van Bardik tot eenige andere Kaffers wendende, die daar in de nabijheid stonden, bood hij hen een hoog loon, van vijf shillings per dag aan, voor ieder, die onder zijne aanwijzing arbeiden wilde om zijn claim te ontruimen.

Een dertig negers boden terstond hunne diensten aan, en de arbeid werd zonder een oogenblik verloren te laten gaan, aanvaard. De pikhouweelen, de schoppen en spaden ontbraken niet, de emmers en de kabels waren geheel gereed, de karretjes ook. Een groot aantal blanke mijnwerkers boden op de tijding, dat het gold een armen sukkel van onder de aardstorting te voorschijn te halen, grootmoedig hunne hulp aan. Thomas Staal, ontvonkt door den moed en den ijver van Cyprianus, bestuurde met geestdrift den arbeid, die dienen moest, om een menschenleven te redden.

Tegen het middaguur waren reeds eenige tonnen zand en steenen verwerkt en buiten den claim gebracht.

Bardik liet zoowat tegen drie uur een rauwen kreet hooren. Hij bespeurde onder zijne schop een zwarten voet, die boven den grond uitstak.

Men verdubbelde natuurlijk de inspanningen, en weinige minuten later was het lichaam van Makatit geheel uitgegraven. De ongelukkige Kaffer lag op den rug uitgestrekt, bewegingloos en was volgens alle waarschijnlijkheid dood als een pier. Een der lederen emmers evenwel, die hij bij zijn arbeid bezigde, was met de opening op zijn gelaat gevallen en bedekte dat zooals een mombakkes dat zoude gedaan hebben.

Die omstandigheid, die door Cyprianus niet onopgemerkt bleef, deed de gedachte bij hem opkomen, dat hij den ongelukkige wellicht in het leven kon terugroepen; maar die hoop was in werkelijkheid uiterst zwak; want het hart klopte niet meer, de huid was koud, de ledematen waren verstijfd, de handen waren door den doodstrijd gesloten en gebald, en het gelaat, dat met die eigenaardige bleekheid der negers in het stervensuur overtogen was, was schrikkelijk verwrongen door de stuiptrekkingen bij dien verstikkingsdood.

Toch verloor Cyprianus den moed niet. Hij deed Makatit naar de hut van Thomas Staal, die het dichtste in de nabijheid lag, overbrengen. Men strekte hem op een tafel uit, die gewoonlijk gebezigd werd om het grind en het zand der mijn uit te zoeken, en hij werd toen onderworpen aan stelselmatige wrijvingen en aan bewegingen van de wervelkolom en van de borstkas, geschikt om eene kunstmatige ademhaling in het leven te roepen. In één woord men wendde alle hulpmiddelen aan, die bij drenkelingen gebezigd worden. Cyprianus wist, dat die middelen bij alle soorten van verstikking dienstig kunnen zijn. Ook was er in het gegeven geval niets anders te verrichten, want geene wond, geene breuk, noch eenige ernstige beleediging waren te bespeuren.

“Kijk toch, mijnheer Méré, hij houdt nog eene kluit aarde in de vuist geknepen!” deed Thomas Staal, die het beste hielp, om dat groote zwarte lichaam te wrijven, opmerken.

En hij wreef goed, die brave mijnwerker van Lancashire. Wanneer hij bezig ware geweest de groote krukas eener stoommachine van twaalfhonderd paardenkracht met amaril en olie te polijsten, dan zou hij aan dat werk zijne vuisten niet met meer kracht hebben kunnen gebruiken!

Die inspanningen droegen eindelijkgoede vruchten. De lijkenstijfheid van den jeugdigen Kaffer scheen langzamerhand te verdwijnen. De temperatuur zijner huid wijzigde zich aanmerkelijk. Cyprianus, die met het oor op de hartstreek het geringste teeken van leven bespiedde, meende onder zijne hand eene lichte trilling te gevoelen, die hem een goed voorteeken scheen.

Die kenteekenen werden weldraduidelijker. De pols begon te kloppen, eene zachte inademing van lucht tilde bijna onmerkbaar de borstkas van Makatit op, terwijl een daarop volgende sterkere uitademing kenteekende, dat het lichaam tot zijne levensverrichtingen terugkeerde.

Plotseling traden twee heftige niesbuien in, die de groote zwarte karkas, vroeger zoo bewegingloos, van het hoofd tot de voeten deden schudden. Makatit opende de oogen, haalde diep adem en herkreeg zijn bewustzijn.

“Hoera! hoera! De kameraad is uit de klem!” riep Thomas Staal, wien het zweet van het lichaam gutste en die thans met zijne wrijvingen ophield. “Maar kijk dan toch, mijnheer Méré, hij laat zijne kluit aarde, die hij steeds in de samengeknepen vuist houdt, maar niet los.”

Onze jonge ingenieur had wel wat anders te doen in die oogenblikken, dan op die bijzonderheid te letten. Hij liet den lijder een kleinen lepel vol rum inslikken en tilde hem op, om zijne ademhalingswerktuigen in hunne werking behulpzaam te zijn. Toen hij hem eindelijk goed en wel tot het leven teruggeroepen zag, wikkelde hij hem in eenige dekens en deed hem door drie of vier gewillige kerels naar zijne hut, die op het erf van Watkins gelegen was, overbrengen.

Daar werd de arme Kaffer op zijn bed gelegd en deed Bardik hem een kop heete thee drinken. Makatit sliep na een half uur rustig en kalm in en kon nu als gered beschouwd worden.

Cyprianus gevoelde in zijn binnenste die onvergelijkelijke vreugdevolle gewaarwording, die ieder mensch ondervindt, wanneer hij een menschenleven aan de klemmende vuist des doods ontrukt heeft. Terwijl Thomas Staal en zijne makkers, dorstig geworden door zooveel therapeutische handelingen, hun goeden uitslag bij den naburigen kroeghouder gingen vieren, door een groote hoeveelheid bier te verorberen, greep Cyprianus bij Makatit wenschende te blijven, een boek en zette zich naast zijne sponde, en onderbrak slechts zijne lectuur om den Kaffer te zien slapen zooals een vader den slaap van een van ziekte herstellenden zoon zoude bewaakt hebben.

Makatit was sedert zes weken in dienst bij Cyprianus getreden, en deze had niet anders dan redenen gehad om tevreden, ja, zelfs opgetogen over hem te zijn. Zijne schranderheid, zijne gewilligheid, zijn ijver bij den arbeid waren uitmuntend en werkelijk bij die van geen andere te vergelijken. Hij was moedig, goedhartig, dienstvaardig en begaafd met een bijzonder zacht en vroolijk karakter. Geen werk was hem te zwaar, geen moeilijkheid rees boven zijn ijver en moed. Er kon met recht gezegd worden, dat er geen verheven maatschappelijk standpunt bestond, hetwelk een Franschman, met zulke hoedanigheden en eigenschappen begaafd, niet zou hebben kunnen bereiken. En het noodlot wilde, dat al die kostbare gaven onder die zwarte huid en in den gekroesden schedel van een eenvoudigen Kaffer gehuisvest waren!

Toch had Makatit een gebrek—een ernstig gebrek—een gevolg waarschijnlijk van de eerste opleiding, die hem deelachtig werd, en van de al te Spartaansche gewoonten, die hij in zijne kraal aangeleerd had. Zullen wij dat gebrek mededeelen? Makatit was een weinig diefachtig; maar was dat geheel onbewust. Wanneer hij een voorwerp ontwaarde, dat hem aanstond, vond hij het heel natuurlijk zich dat voorwerp toe te eigenen.

Te vergeefs hield hem zijn meester, die door de neiging zich beangstigd gevoelde, hem de meest ernstige en de meest strenge vertoogen. Te vergeefs dreigde hij hem te zullen heen zenden, wanneer hij hem andermaal betrappen of schuldig bevinden mocht. Bij zulke gelegenheid beloofde Makatit beterschap, hij huilde dan en smeekte om vergeving! maar.... den volgenden morgen, wanneer de gelegenheid zich aanbood, was hij weer de oude zondaar.

Zijne ontvreemdingen betroffen gewoonlijk dingen, die niet belangrijk waren. Al de zaken, die zijne hebzucht in het bijzonder opwekten, hadden nietveel waarde, zooals een mes, een das, een potloodhouder, of dergelijke nietigheid. Toch deed het Cyprianus pijnlijk aan, dat een zoo edel karakter met zulk eene ondeugd behept was.

“Laat mij wachten.... laat mij de hoop niet verliezen!” zei hij tot zich zelven. “Wellicht gelukt het mij, hem het slechte van die diefstallen te doen begrijpen!”

En terwijl hij hem zoo gedurende zijn slaap aankeek, overdacht Cyprianus die zoo scherpe afwijkingen in zijne hoedanigheden, die haren oorsprong vonden in Makatit’s verleden, te midden van zijn stam doorgebracht.

Toen de avond begon te vallen, ontwaakte de jeugdige Kaffer zoo frisch en zoo welbehaaglijk mogelijk, net alsof hij geen twee uren lang in een staat van verstikking doorgebracht had. Hij kon thans vertellen, wat hem wedervaren was.

De emmer, waarmede zijn aangezicht zeer bij toeval bedekt was geworden, en een lange ladder, die als een korbeelstut boven hem dienst gedaan had, hadden hem aanvankelijk tegen de onmiddellijke mechanische gevolgen van de aardstorting beschermd en ook geruimen tijd voor een volkomen verstikking behoed, daar zij hem in zijne onderaardsche gevangenis een kleinen voorraad lucht verschaft hadden. Hij had zich zeer goed rekenschap weten te geven van die gelukkige omstandigheid en had alles aangewend om haar zoo veel mogelijk te benuttigen, door slechts met groote tusschenpoozen adem te halen. Maar die geringe voorraad lucht was langzamerhand bedorven geraakt. Toen had Makatit zijne geestvermogens langzamerhand voelen benevelen. Eindelijk was hij in een soort van zwaargeestigen slaap vol doodsangsten geraakt waaruit hij bij wijlen ontwaakte en dan met een uiterste inspanning lucht poogde in te ademen. Eindelijk was zijn denk- en herinneringsvermogen als uitgewischt. Hij wist niet meer, wat met hem gebeurde en was nu dood.... want het was werkelijk uit den dood, dat hij verrezen was.

Cyprianus liet hem een poos voortpraten; hij liet hem daarna drinken en eten en noodzaakte hem, in weerwil van zijne tegenstribbelingen, om den geheelen nacht op het bed te blijven liggen, waarop hij hem had doen uitstrekken. Toen hij eindelijk zag, dat alle gevaar geweken was, liet hij hem alleen en begaf zich naar de hoeve van Watkins, om daar zijn gewoon bezoek af te leggen.

De jeugdige ingenieur gevoelde behoefte, om aan Alice zijne ondervonden indrukken op dien dag mede te deelen, als ook den afkeer van het mijnwerk, dien hij ondervond en die sedert het ongeval van dien morgen nog vermeerderd was. Het denkbeeld hinderde hem, dat het leven van Makatit in gevaar gesteld was alleen voor de twijfelachtige kans om eenige kleine en onbeduidende diamanten te vinden.

“Dat ik dien arbeid zelf verricht,” mompelde hij in zich zelven, “kan er nog door. Maar dat gevaarvolle werk op te dragen aan dien ongelukkigen Kaffer, en dat voor een ellendig loon, is eenvoudig verachtelijk te noemen!”

Hij deelde dus het jonge meisje zijne gewetenswroeging en zijne teleurstellingen mede. Hij vertelde haar van den brief, dien hij van Pharamond Barthès ontvangen had, en vroeg haar raad of hij niet beter zou handelen met de uitnoodiging van zijn vriend op te volgen. Wat zou hij er bij verliezen, wanneer hij naar de boorden van de Limpopo-rivier vertrok en het jachtveld betrad. Het zou in ieder geval edeler zijn dan in de aarde te wroeten als een gierigaard of daarin arme drommels voor zijne rekening te doen wroeten.

“Wat denkt gij er van, miss Watkins,” vroeg hij, “gij die zooveel wijsheid aan zooveel practischen zin paart? Geef mij toch raad! Ik heb goeden raad hard noodig! Ik ben waarachtig mijn weerstandsvermogen kwijt. Er is waarlijk een vriendinnenhand noodig om mij weer op het rechte pad te brengen.”

Zoo sprak hij in alle oprechtheid en vond er een onverklaarbaar genoegen in, nu hij zijne terughoudendheid verbroken had, zoo te praten en voor dat lieve en bekoorlijke kind de ellende zijner besluiteloosheid bloot te leggen.

Dat gekeuvel werd sedert eenige minuten in het Fransch voortgezet en ontleende aan die eenvoudige omstandigheid een grooten graad van vertrouwelijkheid, hoewel John Watkins, sedert eenige oogenblikken, na zijn derde pijp gerookt te hebben, ingedommeld, nooit eenige aandacht verleend had aan hetgeende twee jongelieden met elkander praatten in het Engelsch of in welke taal ook.

Alice hoorde hem met belangstelling aan.

“Alles wat gij mij thans zegt, mijnheer Méré,” antwoordde zij, “heb ik reeds lang gedacht. Ik kan moeilijk begrijpen, hoe een ingenieur, een geleerde zoo als gij zijt, er goedsmoeds heeft toe kunnen overgaan zoo een leven te leiden! Is dat geene misdaad jegens u zelven? Is dat geene misdaad jegens de wetenschap? Uw kostbaren tijd te verknoeien met een oppermanswerk, dat een eenvoudige Kaffer of een domme Hottentot beter dan gij verricht. Vergeef mij, maar dat is niet goed gehandeld; het is zelfs slecht gehandeld, geloof mij.”

Cyprianus zou slechts een enkel woord behoeven te zeggen, om dat raadsel op te lossen, om voor het jonge meisje helder en duidelijk te maken, hetgeen haar zoo verwonderde en zoo ergerde.... Wie weet trouwens, of zij hare verontwaardiging niet een weinig overdreef om hem tot eene verklaring te brengen!.... Maar.... hij had zich voorgenomen die verklaring in zijn hart te bewaren, en hij zou zich zelven geminacht hebben, wanneer hij haar liet ontsnappen. Hij weerhield haar dus en zweeg.

Miss Watkins ging evenwel voort:

“Als gij er zoo op gesteld zijt om diamanten te vinden, mijnheer Méré, waarom zoekt gij die niet daar, waar gij, volgens mij, wel kans zoudt hebben om ze te vinden, namelijk in uw kroes? Hoe nu! gij zijt scheikundige, gij beter dan iemand weet wat die ellendige steenen, waaraan zooveel waarde gehecht wordt, eigenlijk zijn, en gij gaat ze verwachten van een ondankbaren en werktuigelijken arbeid? Wat mij betreft, ik herhaal mijn denkbeeld: als ik in uwe plaats was, dan zou ik eerder trachten diamanten te vervaardigen dan dat ik moeite zou doen ze geheel gereed te vinden!”

Alice sprak met zulk eene opgewondenheid, met zulk eene hoop en geloof in de kracht der wetenschap, en ook in de kunde van Cyprianus zelven, dat het hart van den jongen man zich als met een verkwikkenden dauw gedrenkt gevoelde.

Jammer, doodjammer, in dit oogenblik ontwaakte John Watkins uit zijn dut en vroeg berichten omtrent de Vandergaart-Kopjesmijn. De jongelieden waren dus genoodzaakt hun afzonderlijk gesprek te staken en de Engelsche taal weer te bezigen. De betoovering was verbroken.

Maar het uitgestrooide zaad was in goede aarde te recht gekomen en moest ontkiemen. De jeugdige ingenieur overdacht bij het naar huis gaan die zoo juiste woorden, welke in zijn binnenste trilden en daar een zoo grooten weerklank vonden, en die miss Watkins hem met haar lieven mond toegevoegd had. Wat die woorden hersenschimmigs hadden, verdween voor zijne oogen, om hem slechts te laten zien, wat zij aan edelmoedigheid, aan vertrouwen en teederheid jegens hem inhielden.

“En waarom niet.... alles wel beschouwd?” vroeg hij zich af. “De kunstmatige bereiding van het diamant kon eene eeuw geleden hersenschimmig heeten, thans is zij als het ware een voldongen feit! De heeren Frémy en Peil te Parijs hebben robijnen, smaragden en saffieren vervaardigd, die in werkelijkheid niets anders zijn dan aluminiumkristallen, die verschillend gekleurd zijn. De heer Mac Tear van Glasgow en de heer M.J. Ballantine Hannay uit dezelfde stad, hebben in 1880 gekristalliseerde koolstof verkregen, die al de eigenschappen van het diamant bezat, doch het eenige gebrek had schrikkelijk duur te zijn—veel duurder dan de natuurlijke diamanten van Brazilië, van Indië, van Borneo of van Grikwaland, en dus aan de behoefte van den handel niet voldeed. Maar wanneer de wetenschappelijke oplossing van een vraagstuk gevonden is, dan is de nijverheids-oplossing niet verre meer af! Waarom haar niet op te sporen? Al die geleerden, die er niet in slaagden haar te vinden, waren theoretici, mannen van het studeervertrek, boekenwurmen, laboratorium-bewoners. Zij hebben het diamant niet plaatselijk bestudeerd, in zijn oorspronkelijk terrein, in zijne bakermat, in zijne wieg om zoo te zeggen. Ik kan mijn voordeel met hunne studiën, met hunne ondervinding doen, en ook mijne eigene gebruiken. Ik heb het diamant met eigen handen opgedolven. Ik heb de terreinen, waarin het zich bevindt, onder alle opzichten ontleed!Wanneer iemand slagen moet om de laatste moeilijkheden te boven te komen, dan, met een weinig geluk, moet ik dat zijn.... ja, ik!”

Ziedaar wat Cyprianus gedurig in zich zelven herhaalde en waarmede hij gedurende den ganschen nacht bijna zijn geest bezig hield.

Zijn besluit was weldra genomen. Den volgenden ochtend reeds gaf hij Thomas Staal kennis, dat hij niet meer, ten minste voorloopig niet meer, in zijn claim zou werken of doen werken. Hij kwam er zelfs voor uit, dat wanneer hij zijn gedeelte zou kunnen verkoopen, hij hem daartoe machtigde. Daarna sloot hij zich in zijn laboratorium op, om zijne nieuwe plannen te overpeinzen.

Cyprianus had te midden van herhaalde nasporingen over de oplosbaarheid der vaste lichamen in de luchtvormige—nasporingen die hem het geheele vorige jaar beziggehouden hadden—zeer goed opgemerkt, dat sommige zelfstandigheden, als het silicium en het aluminium bijvoorbeeld, onoplosbaar in water, evenwel oplosbaar in waterdamp zijn, die onder hooge drukking gebracht en uitermate verhit is.

Vandaar de beweegreden van het besluit, hetwelk hij nam, om te onderzoeken of er geen oplossingsmiddel van de koolstof te vinden was, om zoo tot hare kristalvorming te geraken.

Maar al zijne pogingen in die richting bleven vruchteloos, en na zoo eenige weken in ijdele nasporingen doorgebracht te hebben, was hij verplicht van batterij te veranderen.

Batterij is hier het ware woord, zooals men zien zal, want bij de nu volgende proef zou een kanon eene voorname rol spelen.

Verschillende vergelijkings-theorieën brachten er den jeugdigen ingenieur toe om als aanneembaar te beschouwen, dat het diamant zich wel in de Kopjes zelven vormde, op dezelfde wijze als de zwavel zich in de solfatara’s of zwavelbronnen vormde. Men weet toch dat de zwavel ontstaat uit eene halve oxydatie of verzuring van zwavelwaterstofgas, nadat een gedeelte daarvan in zwaveligzuur omgezet is, waardoor het andere zich in kristallen langs de wanden van de zwavelbron neerslaat.

“Wie weet,” sprak Cyprianus in zich zelven, “of de diamantlegeringen geen ware carbonataren of koolstofbronnen zijn? Vermits een mengsel van waterstof en koolstof er noodwendig met het water en de aanslibbingsafzettingen onder den vorm van moerasgas aangevoerd wordt, waarom zou dan eene oxydatie van het waterstofgas met eene gedeeltelijke oxydatie van de koolstof niet de kristalvorming van de in te groote hoeveelheid aanwezige koolstof teweegbrengen?”

Om van dat denkbeeld tot de proef, om door eene gelijksoortige maar geheel kunstmatige reactie tot de theoretische werking van de zuurstof te besluiten en over te gaan, had voor een waren scheikundige niet veel om het lijf.

Tot de onmiddellijke uitvoering van dat program werd dan ook door Cyprianus besloten.

Het kwam er in de eerste plaats op aan, om eene proefondervindelijke handeling uit te denken, die zooveel mogelijk de veronderstelde gegevens omtrent de voortbrenging van den natuurlijken diamant nabijkwam. Die handeling moest vooral zeer eenvoudig wezen. Alles wat de natuur groot en verheven wrocht, geschiedt op die wijze. Hoe weinig samengesteld toch zijn de schoonste ontdekkingen, door het menschdom veroverd; de zwaartekracht, de magneetnaald, de boekdrukkunst, het stoomwerktuig, de electrische telegraaf bij voorbeeld?

Cyprianus ging zelf een voorraad aarde uit de diepte der mijn te voorschijn halen, die volgens zijne meening de meest gunstige hoedanigheid bezat tot het welslagen zijner proef. Toen bereidde hij met die aardsoort een dikke brij, waarmede hij het binnenste eener stalen buis bestreek, die een halven meter lang en vijf centimeter dik was en een kaliber had van acht centimeter.

Die buis was niets anders dan het langeveld van een buiten dienst gesteld kanon, dat hij te Kimberley van een troep vrijwilligers, die na een veldtocht tegen de Kafferstammen afgedankt was, had kunnen koopen.

Dat kanon werd in de werkplaats van Jacobus Vandergaart op behoorlijke lengte afgezaagd en verschafte het werktuig wat noodig was, dat wil zeggen: een ontvanger, die weerstandskracht had om een buitengewoon hooge drukking in zijn binnenholte te kunnen verdragen.

Cyprianus plaatste in die buis, nadat hij een harer uiteinden degelijk gesloten had, stukjes koper en ongeveer twee kannen water, en vulde haar vervolgens met moerasgas. Daarna sloot hij haar zorgvuldig met een soort verkitsel en deed de beide uiteinden met stevige en beproefde metaalbouten verzekeren.

Het werktuig was thans klaar. Er bleef niets anders over dan het aan eene zeer groote hitte bloot te stellen.

De buis werd dan ook in een grooten hoogoven geplaatst, welks vuur nacht en dag door zoodanig gestookt moest worden, dat zij wit gloeiend bleef en dat gedurende twee weken.

Buis en oven waren daarenboven nog overdekt met een dikken mantel van vuurvaste klei, die bestemd was om de grootst mogelijke hoeveelheid warmte te bewaren, alsook om het geheel niet dan zeer langzaam te laten afkoelen, wanneer het oogenblik daarvan zoude gekomen zijn.

Het geheel geleek vrij wel op een overgrooten bijenkorf, of ook wel op een Eskimo’s hut.

Thans was Makatit in staat zijn meester eenige diensten te bewijzen. Hij had al de voorbereidende maatregelen van de proef met de uiterste aandacht gevolgd, en toen hij begreep dat dat alles diende om diamant te vervaardigen toen was hij wel de ijverigste om de onderneming met den besten uitslag te doen bekronen. Hij had weldra geleerd het vuur te stoken en te onderhouden, en wel zoo, dat Cyprianus hem dat gedeelte der taak gerust kon toevertrouwen.

Men kan zich bezwaarlijk een begrip vormen hoeveel moeilijkheden die overigens zoo eenvoudige maatregelen ontmoetten en welk tijdverlies ze vorderden, alvorens ze getroffen waren. In een groot laboratorium te Parijs zou zulk eene proef binnen twee uren, nadat ze ontworpen was, in vollen gang zijn; te midden van dat half wilde land had Cyprianus niet minder dan drie weken noodig, om zijn ontwerp tot een begin van uitvoering te brengen, en dat nog zoo gebrekkig mogelijk. En toch moest hij erkennen, dat de omstandigheden hem meeliepen, namelijk dat hij op het juiste oogenblik niet alleen een oud kanonstuk kon machtig worden, maar ook dat hij de noodige houtskool kon aanschaffen. En inderdaad, die voor zijn proef zoo onmisbare brandstof was te Kimberley zoo zeldzaam, dat om er zich de hoeveelheid van eene ton van te verschaffen, Cyprianus zich ter zelfder tijd tot drie handelaren in die soort van dingen moest wenden.

Eindelijk waren al de moeilijkheden en hinderpalen overwonnen, en toen het vuur maar eenmaal ontstoken was, zorgde Makatit voorbeeldig dat het niet meer uitging.

Het moet gezegd worden, de jeugdige Kaffer was uitermate trotsch op zijn emplooi. Zijne werkzaamheden moesten hem niet al te vreemd van de hand gaan, want ongetwijfeld had hij bij zijn stam wel voor heetere vuren gestaan en daar meer dan eens in de keuken van den duivel dienst gedaan.

En waarlijk, Cyprianus had, sedert Makatit in zijn dienst getreden was, meer dan eens kunnen opmerken, dat deze bij de andere Kaffers als een wezenlijke toovenaar bekend stond. Eenige onbeduidende grondbeginselen van heelkunde, een zeker aantal behendige goochelkunstjes, die hij van zijn vader geleerd had, vormden den geheelen inventaris van zijne toovenaars-wetenschap. Maar men kwam hem over werkelijke en ingebeelde kwalen raadplegen; men kwam de uitlegging van droomen van hem verzoeken; men nam hem als scheidsrechter bij allerhande geschillen. Nooit verraste men Makatit of schoot hij te kort, steeds gaf hij een recept, steeds voorspelde hij de toekomst, steeds was hij met zijn uitspraak gereed. Die recepten waren soms vreemdsoortig, en de vonnissen allerdwaast, maar zijne landgenooten waren er mede tevreden. Wat wil men meer?

Er moet nog bijgevoegd worden, dat de kolven en de ontvangers, waarmede hij tegenwoordig in het laboratorium van den jeugdigen ingenieur omringdwas, zonder nog te gewagen van de geheimzinnige handelingen, die hij moest helpen volvoeren, het hunne krachtig er toe bijbrachten, om zijne toovenaars-beruchtheid te vermeerderen.

Cyprianus moest telkens glimlachen over het solemneele uiterlijk, dat die brave kerel aannam om zijn nederig baantje van stoker en voorbereider waar te nemen, wanneer hij den oven met houtskolen opstookte, of wel eene reeks reageerbuizen of kroesjes reinigde en waschte of afstofte. En toch was er iets verteederends in dien ernst, in die deftigheid; want zij ontstonden uit den eerbied, dien de wetenschap aan iedere onwetende maar schrandere ziel inboezemt, die naar onderwijs hunkert.

Makatit had buitendien ook zijne kwajongensbuien en zijne uren van vroolijkheid, vooral wanneer hij zich in gezelschap van Li bevond. Een diepgewortelde vriendschap was tusschen die twee wezens, zoo verschillend van oorsprong, ontstaan gedurende de bezoeken, die de Chinees thans aan de hoeve Watkins bracht. Beiden spraken genoegzaam Fransch, beiden waren door Cyprianus van een dreigenden dood gered, waarvoor zij hem zeer dankbaar waren. Het was dus natuurlijk, dat eene onderlinge sympathie hen verbond; en die sympathie was weldra in eene hartelijke toegenegenheid overgegaan.

Wanneer zij onder elkander waren, dan gaven Li en Makatit den jongen ingenieur een eenvoudigen en aandoenlijken naam, die den aard van het gevoel, dat zij voor hem koesterden, volkomen aanduidde.

Zij noemden hem “vadertje” en bezigden slechts uitdrukkingen van bewondering en van de meest opgewonden toewijding, wanneer zij van hem spraken.

Die toewijding openbaarde zich van de zijde van Li door de zorg, waarmede hij het linnengoed van Cyprianus waschte, steef en streek,—van den kant van Makatit, door de schier godsdienstige oplettendheid en nauwkeurigheid, waarmede hij al de aanwijzingen en bevelen zijns meesters opvolgde.

Maar de beide makkers gingen soms wel een beetje ver in hun ijver om “vadertje” genoegen te doen. Het gebeurde bijvoorbeeld wel eens, dat Cyprianus op zijne tafel—hij gebruikte thans zijne maaltijden bij zich aan huis—vruchten of lekkernijen zag waaraan hij niet gedacht en die hij dus ook niet bevolen had te koopen, en waarvan de herkomst geheim bleef, want hij zag ze op geen der rekeningen zijner leveranciers verschijnen. Of wel het waren hemden waaraan, wanneer zij van den waschbaas kwamen, gouden knoopjes prijkten, terwijl niemand wist vanwaar die kwamen. Een anderen keer was het eene gemakkelijke en elegante zitting, of een geborduurd kussen, of een pantervel, of de een of andere kostbare snuisterij, die het ameublement van het huis kwam vermeerderen.

En als Cyprianus hetzij Li, hetzij Makatit daarover ondervroeg, dan kon hij er niets anders dan onduidelijke of ontwijkende antwoorden uithalen, zooals:

“Ik weet niet!.... Ik heb het niet gedaan!.... Dat zijn zaken die mij niet aangaan!....”

Cyprianus had wellicht vrede met die geschenken gehad, maar zij hinderden hem thans, omdat hij niet zeker was of ze wel uit zuivere bron verkregen waren. Intusschen bevestigde niets die meening, en de meest zorgvuldige nasporingen dienaangaande verspreidden volstrekt geen licht.

En achter zijn rug wisselden Makatit en Li glimlachjes, steelsche blikken en geheimzinnige teekens, die blijkbaar beteekenden:

“Eh eh, “vadertje” begrijpt er toch niets van!”

Daarenboven, andere zorgen, ernstige, gewichtige zorgen kwelden het brein van Cyprianus. John Watkins scheen besloten Alice uit te huwelijken, en te dien einde had hij sedert eenigen tijd zijn huis tot een museum van mededingers naar hare hand gemaakt. Niet alleen bracht James Hilton er bijna iederen avond door; maar al de ongehuwde mijnwerkers die door het slagen hunner ontginning volgens de opvatting van den pachter begiftigd schenen met de meest onontbeerlijke hoedanigheden, die te bedenken waren om tot schoonzoon bevorderd te worden, werden te zijnen huize gelokt, werden ten eten verzocht, en eindelijk aan de keuze zijner dochter onderworpen.

De Duitscher Friedel en de Napolitaan Pantalucci behoorden onder dat getal. Beiden telden thans onder de meest gelukkige mijnwerkers van het kamp. Het aanzien, dat overal het succes vergezelt, ontbrak hun niet, zoowel in de Kopjesmijn als op de hoeve. Friedel was pedanter en scherper dan ooit te voren, nu zijn onverdraaglijke trots gesteund werd door eenige duizenden ponden sterling. Wat Hannibal Pantalucci betreft,die was in een kolonialen modekwast veranderd, die schitterde van gouden kettingen, ringen en diamanten spelden. Hij droeg kleeren van wit linnen, die zijn huid nog geler en nog aardachtiger deden uitkomen.

Maar dat belachelijk persoontje poogde te vergeefs Alice te verlokken met zijne snakerijen, met zijne Napolitaansche liedjes en met zijne valsche geestigheid. Neen, zij verwaardigde zich niet eens hem in het bijzonder te kleinachten,ook niet om te bespeuren wat hij op de hoeve verrichten kwam. Zij vergenoegde zich met ongaarne hem aan te hooren, en lachte noch om zijne aardigheden, noch om zijne gebaren. Hoewel zij nog te onbekend was met de zedelijke leelijkheden, om het treurige doel van al dat gepraal te beseffen, zag zij in hem niets anders dan een gewoon bezoeker van het huis haars vaders, die niet minder vervelend was dan de anderen. Dit bleek duidelijk voor Cyprianus uit hare handelingen, en hij zou vreeselijk geleden hebben, wanneer hij haar, die hij eene zoo hooge plaats in zijn eerbied en zijne teederheid ingeruimd had, in een geregeld gesprek zou gezien hebben met dat verachtelijk wezen.

En hij zou er te meer onder geleden hebben, omdat zijne natuurlijke fierheid hem belet zoude hebben daarover iets te laten blijken, omdat hij het te vernederend vond een poging te wagen en in de oogen van miss Watkins zelfs een zoo onwaardigen mededinger te hekelen. Welk recht had hij daartoe buitendien? Waarop zijn hekel te gronden? Hij wist niets omtrent Hannibal Pantalucci, en werd slechts geleid door een instinctmatigen afkeer bij de ongunstige oordeelvelling, die hij over hem uitbracht. Een poging om Hannibal uit een ernstig oogpunt te doen beschouwen, zou hemzelven slechts belachelijk maken. Ziedaar wat Cyprianus duidelijk begreep, en hij zou wanhopig geweest zijn, wanneer Alice zulk een man zelfs de minste aandacht schonk.

Daarenboven, hij had zijne taak weer hervat met zulk een ijver, dat zijn gedachtengang daardoor dag en nacht in beslag werd genomen. Het was niet alleen de diamantfabricage, die hem bezig hield, maar hij had tien, twintig verschillende proeven in bewerking, die hij hoopte allen tot een goed einde te brengen, wanneer zijne hoofdproef zou geslaagd zijn. Hij vergenoegde zich niet meer met theoretische gegevens, met formules, waarmede hij uren lang zijne aanteekeningboeken overdekte. Ieder oogenblik vloog hij naar de Kopjesmijn, om daar nieuwe monsters van rotsblokken en van grondsoorten te halen. Dan hervatte hij zijne scheikundige ontledingen wellicht voor den honderdsten keer, maar dan met eene stiptheid en eene nauwkeurigheid, die geen enkele dwaling toelieten. Hoe meer het gevaar dreigde, dat miss Watkins hem zou ontsnappen, hoe meer hij vast besloten was niets na te laten om zich van de overwinning te verzekeren.

En toch zijn wantrouwen in zijn kracht was zoodanig, dat hij niets aan het jonge meisje had willen mededeelen van de proef die hij onder handen had. Miss Watkins wist alleen, dat hij op haren raad het mijnwerkersvak had vaarwel gezegd en de scheikunde weer beoefende, en gevoelde zich daardoor gelukkig.

De dag waarop de proef eindelijk ten einde zoude loopen, kon een groote dag genoemd worden.

Het vuur werd sedert twee weken niet meer opgestookt, hetgeen ten gevolge had dat het geheele toestel langzamerhand was afgekoeld. Cyprianus oordeelde dat de kristalvorming van de koolstof, wanneer zij onder deze omstandigheden had kunnen plaats hebben, thans moest geschied zijn en ging er dan ook toe over om de laag klei, die om den oven een mantel vormde, weg te nemen.

Die mantel moest met het pikhouweel afgebikt worden, want hij was als de baksteen in den oven van een steenbakker zoo hard geworden. Maar onder de ijverige krachtsinspanning van Makatit was hij weldra in zoover weggeruimd, dat het bovenste gedeelte van den oven—wat men het kapiteel noemt—zichtbaar was. Daarna kwam de geheele oven te voorschijn.

Het hart van den jeugdigen ingenieur bonsde hem in het lijf. Het telde zeker honderd-twintig slagen in de minuut op het oogenblik dat de jonge Kaffer en Li dat kapiteel afnamen.

Hij geloofde zelf niet aan het welslagen zijner pogingen, want hij was een dier menschen die steeds aan hunne eigen krachten twijfelen. Maar, alles goed bekeken, was het toch mogelijk! En wat vreugde zoude het zijn, wanneer dat zoo eens was! Was al zijne hoop op geluk, op roem, op vermogen niet in dien dikken zwarten cylinder besloten, die daar na weken wachtens weer voor zijn oog opdoemde?

O! ellende!.... Het kanon was gesprongen.

Ja, inderdaad, aan de vreeselijke drukking, door den waterdamp en door het moerasgas, die uitermate verhit waren geworden, uitgeoefend, had het staal zelfs geen weerstand kunnen bieden. De buiswand, hoewel die eene dikte van vijf centimeter had, was gebarsten alsof hij van glas geweest ware. Hij vertoonde ter zijde, zoowat op de helft zijner lengte, een gapenden barst, die zich als een breede zwarte muil voordeed, die door de vlammen aangezwart en verwrongen was en die den ontstelden geleerde boosaardig scheen uit te lachen.

Dat was wel ongelukkig! Zoo vele moeiten om dat ellendige resultaat te bereiken! Waarlijk, Cyprianus zou zich minder vernederd gevoeld hebben, wanneer zijn toestel, beter beschermd en beter verzekerd, die vuurproef had kunnen doorstaan! Dat er in den cylinder geen gekristalliseerde koolstof zou gevonden worden, zou hem minder gedeerd hebben, op die teleurstelling had hij zich herhaaldelijk voorbereid! Maar die oude rol staal, die thans slechts bij het oudroest kon geworpen worden, gedurende een maand verhit, afgekoeld, ja, laten wij gerust zeggen gekoesterd te hebben, zie, dat was spotternij van het noodlot. Waarachtig, hij zou die buis met zijn hiel de heuvelhelling hebben willen afschoppen, wanneer hare zwaarte zich niet tegen zulk eene behandeling verzet had!

Cyprianus wilde haar in den oven laten en maakte zich gansch bedroefd gereed om aan Alice dien ellendigen uitslag te gaan mededeelen, toen de weetgierigheid van den scheikundige weer boven kwam en hem er toe bracht een aangestoken lucifer bij de opening der buis te brengen om de binnenruimte te onderzoeken.

“Ongetwijfeld is de laag aarde, waarmede ik den binnenwand bestreken heb, in baksteen veranderd, evenals de buitenmantel van den oven.”

De veronderstelling was gegrond. Evenwel, door een uiterst zeldzaam verschijnsel, dat Cyprianus zich aanvankelijk niet verklaren kon, scheen een soort kleibal zich van die laag aarde afgescheiden te hebben en was afzonderlijk in de buis verhard.

Die bal had eene roode, zwartachtige kleur en omstreeks de doorsnede van een oranjeappel. Hij kon best door den barst van den cylinder heen. Cyprianus greep dien bal vrij onverschillig, om hem te onderzoeken. Hij bemerkte dat het een stuk van de leembrei was, die zich gedurende de verhitting van den cylinderwand kon afgescheiden hebben, en dat daardoor afzonderlijk gebakken was. Hij wilde het wegwerpen, toen hij bespeurde dat het hol klonk, evenals, een aarden pot.

Het geleek wel op eene kleine kruik zonder opening, waarin een soort zware knikker rammelde.

“Net een aarden kinderspaarpotje,” zei Cyprianus.

Indien hij evenwel op verbeurte van zijn leven den uitleg van dat geheimzinnige ding had moeten geven, dan was hij er gek aan toe geweest.

Hij wilde toch weten, wat er in dien bal zat. Hij greep dus een hamer en sloeg dien spaarpot stuk.

Ja waarlijk, het was een spaarpot, en nog wel een, die een onwaardeerbaren schat bevatte. Neen! waarachtig niet! men kon zich niet vergissen met betrekking tot den zwaren keisteen, dien de jeugdige ingenieur toen in de handen hield. Die keisteen waseen diamant, in zijne legering besloten evenals gewone diamanten; maar het was een diamant van kolossale afmetingen, van afmetingen die onwaarschijnlijk, en nimmer te voren gezien waren!

Dat de lezer oordeele! Die diamant was dikker dan een hoender-ei en had het uitzicht van een aardappel. Hij moest minstens driehonderd gram wegen. “Een diamant!.... Een kunstmatige diamant!....” herhaalde Cyprianus mompelend en met gedempte stem, want hij was letterlijk verplet. “Ik heb dus de oplossing van het vraagstuk omtrent deze fabriekmatige bereiding gevonden!.... En dat nog wel in weerwil van het ongeval aan de buis overkomen!.... Ik ben dus rijk.... Ik! rijk!!.... En Alice, mijn dierbare Alice, behoort mij dus!”

Maar dan begon hij zijne oogen weer te wantrouwen. Hij geloofde niet wat hij zag.

“Maar dat is onmogelijk!.... Dat is een droombeeld!.... eene zinsbegoocheling!” herhaalde hij, terwijl de duivel des twijfels hem aan het hart knaagde.

En zonder zich den tijd te gunnen om zijn hoed op te zetten, buiten zich zelven, waanzinnig van vreugde, zooals Archimedes moet geweest zijn, toen hij bij het verlaten van zijn bad zijn beroemd grondbeginsel vond en zijn “Eureka” uitgalmde, vloog Cyprianus, eerder dan hij liep, met ongekende vaart, in één rek door naar de woning van Jacobus Vandergaart en viel bij den oude als een bom binnen.

Hij vond den ouden diamantslijper bezig met steenen te onderzoeken, die de makelaar Nathan hem gebracht had om geslepen te worden.

“O! mijnheer Nathan, gij komt juist van pas!” riep Cyprianus uit. “Kijk!.... en gij ook, mijnheer Vandergaart, kijk wat ik u daar breng en zeg mij wat dat is.”

Hij legde daarbij zijn keisteen op de tafel en kruiste zich de armen over de borst.

Nathan nam ’t eerst den steen en verbleekte van verbazing, en gaf hem daarna met opengesperde oogen en geopenden mond aan Jacobus Vandergaart over. Deze bracht het voorwerp ter hoogte van zijne oogen onder het daglicht, dat door zijne vensters binnenviel, en beschouwde het op zijne beurt door zijn bril. Daarna legde hij het op de tafel neer en zei tot Cyprianus met uiterst bedaarde stem:

“Dat, dat is de grootste diamant, die ter wereld bestaat!”

“Ja!.... de grootste,” herhaalde Nathan. “Hij is twee of drie malen grooter dan deKohinoor, de Berg van Licht, de prachtigste van de Engelsche kroonjuweelen, die honderd negen en zeventig karaten weegt!”

“Hij is twee of driemaal grooter dan deGroote Mogol, de grootste bekende diamant, die twee honderd en tachtig karaten weegt!” hernam de oude diamantslijper.

“Hij is vier of vijfmaal grooter dan de diamant van den Czaar, die honderd drie en negentig karaten weegt,” voegde Nathan er geheel verbouwereerd aan toe.

“Zeven of achtmaal grooter dan deRegent, die honderd zes en dertig karaten weegt,” ging Jacobus Vandergaart voort.

“Twintig of dertigmaal grooter dan de diamant van Dresden, die er slechts een en dertig weegt!” riep Nathan.

En hij voegde er aan toe:

“Ik reken dat deze, na geslepen te zijn, nog vier honderd karaten zal wegen! Maar hoe kan men zich aan eene taxeering van zoo’n steen als deze wagen? Die ontsnapt aan iedere berekening!”

“Waarom zou men hem niet kunnen taxeeren?” vroeg Jacobus Vandergaart, die het kalmste van alles gebleven was. “De waarde van denKohinooris op vijftien millioen gulden geschat; die van denGrooten Mogolop zes millioen; die van den diamant van den Czaar op vier millioen; die van denRegentop drie millioen!.... Welnu, deze moet voorzeker op zijn minst gerekend vijftig millioen waard zijn!”

“Ho, ho! dat hangt van zijn kleur en van zijn kwaliteit af!” hernam Nathan, die zijne kalmte herkreeg en de voorbereidende maatregelen reeds meende te moeten nemen met het vooruitzicht op een mogelijken koop van dien steen. “Wanneer hij geheel kleurloos en zonder gebreken is, ja, dan, ja, dan is de waarde onschatbaar! Maar is hij geelachtig getint, zooals de meeste diamanten van Grikwaland,dan zal de waarde minder zijn!.... Maar ik weet niet of ik voor een steen van dezen omvang niet eene fraaie saffierblauwachtige schakeering zou verkiezen, zooals de diamant van Hope, of rooskleurig zooals deGroote Mogol, of zelfs smaragdgroen zooals de diamant van Dresden.”

“Waarachtig niet.... neen!...... neen!” riep de oude diamantslijper met vuur uit. “Ik stel niets boven de kleurlooze steenen!.... Spreek mij van denKohinoorof van denRegent! Dat is edelgesteente! Daarbij vergeleken zijn de andere maar fantasie-steenen!”

Cyprianus hoorde reeds niet meer.

“Mijne heeren, gij zult mij verontschuldigen,” sprak hij haastig, “maar ik ben verplicht heen te gaan.”

En na zijn steen weer bij zich gestoken te hebben, sloeg hij met de grootst mogelijke haast den weg naar de hoeve in.

Zonder er zelfs aan te denken om aan te kloppen, deed hij de deur der spreekkamer open en hij bevond zich terstond tegenover Alice, die hij, zonder over de onbetamelijkheid van zijn gedrag na te denken, in zijne armen sloot en op beide wangen zoende.

“Welnu, wat heeft dat te beduiden?” riep John Watkins geërgerd over dat onverwacht gedrag uit.

Hij zat aan tafel tegenover Hannibal Pantalucci en was bezig met dien akeligen grappemaker een partij piket te spelen.

“Vergeef mij, miss Watkins!” stamelde Cyprianus, geheel uit het veld geslagen door zijne onbetamelijke daad, hoewel hij van vreugde straalde. “Ik voel mij gelukkig! Ik ben krankzinnig van geluk! Kijk.... wat ik u breng!”

En hij wierp zijn diamant, meer dan hij hem legde, op de tafel tusschen de beide spelers.

Evenals Nathan en Jacobus Vandergaart, begrepen deze beide mannen dadelijk wat er gaande was. John Watkins, die nog maar zeer weinig gin gebruikt had, was buitengewoon helder van geest.

“Gij hebt dien gevonden.... gij zelf.... in uwen claim?” vroeg hij met buitengewone levendigheid.

“Gevonden?.... dezen?” antwoordde Cyprianus met zegevierende stem. “Ik heb beter dan dat gedaan!.... Ik heb hem zooals hij daar ligt, zelf vervaardigd!.... O! mijnheer Watkins, wat is de scheikunde, goed beschouwd, toch eene prachtige wetenschap!”

En hij lachte en hij drukte de fijne vingertjes van Alice in zijne handen, die geheel bedremmeld was over die hartstochtelijke uitingen, maar toch ook verrukt over het geluk van haren vriend. Een bekoorlijk lieve glimlach zweefde om hare lippen.

“O! u ben ik die ontdekking verschuldigd, juffrouw Alice!” hernam de gelukkige Cyprianus. “Wie heeft mij geraden om de scheikunde weer ter hand te nemen? Wie heeft gevorderd, dat ik mij zoude toeleggen op het zoeken naar de vervaardiging van den kunstmatigen diamant? Niemand anders dan uwe bekoorlijke, uwe aanbiddenswaardige dochter, mijnheer Watkins!.... O! ik kan haar mijn eerbied betoonen, zooals de dapperen van vroegere tijden aan hunne dame brachten, en ik kan overal verkondigen dat haar, haar alleen de geheele verdienste dezer ontdekking toekomt!.... Zou ik zonder haar aan zoo iets gedacht hebben?”

John Watkins en Hannibal Pantalucci bekeken den diamant, wierpen elkander een blik toe en schudden het hoofd. Zij waren ten zeerste ontsteld.

“Gij zegt, dat gij dezen vervaardigd hebt.... gij zelf?” hernam eindelijk John Watkins. “Het is dus een valsche steen?”

“Een valsche steen!” riep Cyprianus uit. “Welnu ja!.... een valsche steen!.... Maar Jacobus Vandergaart en de makelaar Nathan schatten hem op een waarde van minstens vijftig millioen, misschien wel meer. Indien het slechts een kunstmatige diamant is, dien ik door eene wijze van bewerking, waarvan ik de uitvinder ben verkregen heb, dan is hij toch behoorlijk authentiek en in niets van een natuurlijken te onderscheiden!.... Ziet zelf, er ontbreekt niets aan.... zelfs de steenlegering niet, waarin de natuurlijke besloten is!”

“En neemt gij op u andere dergelijke diamanten te vervaardigen?” vroeg John Watkins met aandrang.

“Of ik dat op mij neem, mijnheer Watkins! Voorzeker. Ik zal u diamanten leveren in zoo grooten getale dat gijze met een schop zult kunnen opscheppen!.... Ik zal er u een vervaardigen, die tienmaal, honderdmaal zwaarder zijn dan deze, als gij dat verlangt!.... Ik zal er in zoo groote menigte maken, dat gij uw terras daarmede bevloeren, de wegen van Grikwaland bestraten kunt, als gij dat zult willen!.... De eerste proef is bij zulke zaken de moeilijkste, en de eerste steen eenmaal verkregen, kan het overige als bijzaak beschouwd worden, niets anders dan het regelen van eenige technische bijzonderheden!”

“Maar als dat zoo is,” hernam de Engelschman, die bleek geworden was, “dan zal dat de ondergang der mijnbezitters zijn, zoowel voor mij als voor geheel Grikwaland!”

“Klaarblijkelijk!” riep Cyprianus uit. “Welk belang zal iemand nog hebben om in den grond te wroeten, om kleine bijna waardelooze diamanten te vinden, van het oogenblik af dat het even gemakkelijk zal zijn om door de nijverheid diamanten van alle afmetingen te vervaardigen als een brood van vier pond te bakken!”

“Maar dat is monsterachtig!....” hernam John Watkins. “Maar dat is infaam!.... dat is afgrijselijk!.... Wanneer, wat gij zegt, waar is, wanneer gij werkelijk dat geheim bezit....”

Hij bleef half verstikt in zijne woorden steken.

“Gij ziet,” sprak Cyprianus kalm, “ik vertel geen bakersprookjes. Ik heb hier mijn eerste fabrikaat medegebracht, en ik denk, dat het fraai genoeg is om u te overtuigen!”

“Welnu,” hernam eindelijk John Watkins, nadat hij weer bij adem gekomen was, “welnu, wanneer het waar is.... dan moest men u oogenblikkelijk doodschieten op den grooten weg bij het kamp!.... Ziedaar mijn gevoelen, mijnheer Méré!”

“En het mijne ook!” meende HannibalPantaluccimet een gebaar van bedreiging er bij te moeten voegen.

Miss Watkins was doodsbleek van haren stoel opgesprongen.

“Mij doodschieten, omdat ik een vraagstuk opgelost heb, dat sedert vijftig jaren ongeveer gesteld is?” vroeg de jeugdige ingenieur, terwijl hij onverschillig de schouders optrok. “Drommels, dat zou toch een beetje al te kras zijn!”

“Er valt niet te lachen, of de schouders op te halen,” hernam de pachter woedend. “Hebt gij wel eens over de gevolgen van uwe zoogenaamde ontdekking nagedacht?.... Aan den gestoorden mijnarbeid.... aan Grikwaland, dat gij van zijne voornaamste nijverheid berooft.... aan mij dien gij tot den bedelstaf brengt?”

“Drommels, ik erken gaarne, dat ik daaraan niet gedacht heb,” antwoordde Cyprianus zeer openhartig, “maar dat zijn de onvermijdelijke gevolgen van den vooruitgang in de nijverheidszaken, en daaromtrent heeft de zuivere wetenschap zich niet te bekreunen!.... Daarenboven, gij persoonlijk hebt u daaromtrent niet te bekommeren, mijnheer Watkins. Weest gij zonder vrees! Wat mij toebehoort is het uwe, en gij kent zeer goed de beweegreden van mijn arbeid in die richting!”

John Watkins begreep eensklaps hoeveel partij hij trekken kon van de ontdekking van den jeugdigen ingenieur. Wat dan ook de Napolitaan er van denken mocht, hij aarzelde geen oogenblik om van meening te veranderen.

“Goed beschouwd,” hernam hij, “is het mogelijk, dat gij gelijk hebt, en gij spreekt als een degelijke, brave kerel, die gij ook zijt, mijnheer Méré! Ja!.... als ik de zaak goed overdenk komt het mij voor, dat wij ons wel verstaan zullen. Waarom zoudt gij eene buitensporige menigte diamanten maken? Dat zou uwe uitvinding verkleinen, onder den voet brengen! Ware het niet wijzer het geheim daarvan te bewaren en er een matig gebruik van te maken, door bij voorbeeld slechts een of twee dergelijke steenen te vervaardigen, of zelfs het bij dit welslagen te laten, daar hij u op eens een aanmerkelijken schat verschaft en u den rijksten man van het geheele land maakt!.... Zoodoende zal iedereen tevreden zijn: de zaken kunnen haar gang gaan, zooals zij tot heden deden, en gij zult de meest eerbiedwaardige belangen niet gedwarsboomd hebben.”

Dat was waarlijk een nieuw gezichtspunt van de kwestie, waaraan Cyprianus nog niet gedacht had; maar het dilemma stelde zich daar plotseling voor zijne oogen, in zijne onvermurwbare gestrengheid:òf het geheim der uitvinding voor zich behouden, de wereld er onkundig van laten en er misbruik van maken, om zich te verrijken, òf wel, zooals John Watkins met recht bemerkte, al de diamanten, de natuurlijke zoowel als de kunstmatige, in waarde te doen verminderen en bijgevolg de fortuin af te wijzen om wat te doen?.... om al de mijnwerkers van Grikwaland, van Brazilië, van Indië en van Borneo ten gronde te richten!

Op dien tweesprong geplaatst, aarzelde Cyprianus een oogenblik, maar ook slechts één enkel. En toch, hij begreep dat wanneer hij partij koos voor de eer, voor de oprechtheid, voor de getrouwheid aan de wetenschap, hij zich daarna onherroepelijk den weg afsloot tot de hoop, die de voornaamste aanleiding was van zijne ontdekking!

De smart was bitter, was knagend, vooral omdat zij hem onverwacht overviel. Zoo’n fraaie droom, en.... zoo neer te storten!

“Mijnheer Watkins,” zei hij ernstig, “indien ik het geheim van mijne ontdekking voor mij hield, dan zou ik slechts een falsaris zijn. Ik zou gelijkstaan, met hem, die met vervalscht gewicht verkoopt; ik zou het publiek omtrent de koopwaar bedriegen! De ontdekkingen door een geleerde gedaan, zijn zijn eigendom niet! Zij maken deel uit van het bezit van allen. Zich eene ontdekking toeëigenen uit eene baatzuchtige beweegreden, zou zich schuldig maken zijn aan de verachtelijkste daad, die een mensch bedrijven kan. Dat zal ik nooit doen!.... Neen! waarachtig niet!.... Ik zal geen week, geen dag wachten om de formule, welke het toeval mij, geholpen door een weinig nadenken, mededeelde, tot publiek domein te maken. Mijne eenige bedenking is hierbij, dat ik het billijk en betamelijk vind, die formule het eerst aan mijn vaderland te doen kennen, aan Frankrijk, dat mij in staat stelde het te kunnen dienen!.... Morgen reeds zal ik het geheim mijner bewerking aan de Academie van Wetenschappen aanbieden. Vaarwel, mijnheer, ik ben u dankbaar mij mijn plicht zoo scherp begrensd onder het oog te hebben gebracht. Ik erken, dat ik aan dien plicht niet gedacht heb!.... Miss Watkins, ik heb een fraaien droom gedroomd!.... Helaas, ik moet er afstand van doen!”

En nog vóór het jonge meisje eene beweging had kunnen doen, om hem in de armen te vliegen, had Cyprianus zijn diamant gegrepen, een buiging voor miss Watkins gemaakt, en was naar buiten geijld.


Back to IndexNext