Tiende Hoofdstuk.

Napoleon had de overwinning behaald. Maar welk een overwinning! Te duur gekocht, om zoo onvolledig te zijn. In de naaste omgeving des Keizers betreurde ieder den dood van een vriend, een bloedverwant, een broeder: want de aanzienlijksten waren gevallen. Drie-en-veertig generaals waren gesneuveld of gekwetst. Meer dan zeventigduizend man van beide kanten, dood of gewond, bedekten het slagveld. Op de veroverde schansen lagen meer dooden dan er levenden stonden. Allen die de Keizer bij zich had laten roepen, hoorden hem over de overwinning spreken—en zwegen. Maar hun houding, hun naar den grond gerichte oogen, hun stilzwijgen waren niet sprakeloos.

De Russen bleken in den nacht te zijn afgetrokken. Kutusof was tot de inzichten van Barclay overgegaan enhad de verdediging van Moscou opgegeven, overtuigd dat de oude Czarenstad het graf van het Fransche leger worden zou en dat hij heel wat bloed zou gespaard hebben, wanneer hij van den aanvang af Barclay's raad gevolgd had.

Den volgenden morgen bezocht Napoleon het slagveld. Nooit wellicht was er een, dat afgrijselijker gezicht opleverde. Alles liep te zamen: een donkere lucht, een koude regen, een hevige wind, de omliggende woningen in asch, een verwoeste vlakte bedekt met overblijfselen en puin, aan den gezichteinder het sombere groen der denneboomen, overal soldaten die tusschen de lijken dwaalden en eenig voedsel zochten, tot zelfs in de ransels hunner gesneuvelde metgezellen; doodsche bivakken; geen gezang meer, geen verhalen; een treurige stilzwijgendheid.

Bij de monstering zijner troepen zag de Keizer het overschot der officieren en onderofficieren en eenige soldaten rondom de standaarden, nauwelijks genoeg om het vaandel te beschermen. Hun kleeren waren met bloed bevlekt, verscheurd door de verwoedheid van den strijd en zwart van den kruitdamp. Een enkele maal hoorde men het oude „Leve de Keizer!”—; echter zeer zeldzaam en zonder gloed.

In en bij de schansen lagen de dooden op hoopen! Men begon de gekwetsten op te nemen en ze te vervoeren naar het groote klooster van Kolotskoï. Er waren er twintig duizend. Men vond ze vooral in de diepten der droge stroombeddingen, in welke de meeste der Franschen waren neergestort en waar verscheidene zich naar toe gesleept hadden om meer beveiligd te zijn voor den vijand en voor de stormvlagen. Sommigen spraken kermend den naam van hun vaderland uit of van hun moeder; dit waren de jongsten. De oudsten wachtten den dood met een gevoelloos of stuiptrekkend gelaat, zonder te klagen of om hulp te roepen; anderen verzochten, dat men hen oogenblikkelijk doodde; maar men ging die ongelukkigen haastig voorbij, terwijl men noch het nuttelooze medelijden had hun bijstand te bieden,noch het wreede mededoogen hen af te maken.

De opperste heelmeester, dokter Larray, had uit alle regimenten helpers betrokken. De veldhospitalen waren aangekomen, maar alles was ontoereikend. Daarbij had hij hoegenaamd geen troepen om de hoogstnoodzakelijke dingen uit de omliggende dorpen te gaan halen.

Zóó verwoed was er aan beide zijden gevochten, dat men niet meer dan achthonderd gevangenen had gemaakt.

Het Hollandsche regiment huzaren waar Jakob Stargardt toe behoorde, op een onverantwoordelijke wijze zonder ondersteuning aangevoerd tegen de batterijen der Russische achterhoede en door drie regimenten vijandelijke ruiterij omsingeld, was versmolten tot zes-en-veertig weerbare manschappen. Een paar dagen later werd het weer wat aangevuld door een gedeelte der versterkingstroepen van den linkervleugel, welke, na den overtocht van den Niemen, tot de Duna was voortgedrongen.

Jakob Stargardt had, bij deze reorganisatie, zijn aanstelling tot ritmeester ontvangen.

Na aan zijn escadron voorgesteld te zijn trad hij op den pas gearriveerden wachtmeester toe, teneinde nader kennis te maken.

Eensklaps deed hij een stap achteruit. Ook de ander deed een stap achterwaarts. Het bleek Reinier Vermaat, die met een gezichtsuitdrukking vol haat en afgunst tegenover hem stond.—Een oogenblik staarden beiden elkander diep in de oogen; toen ging ritmeester Stargardt met een lichte buiging voorbij.

Nog dienzelfden morgen kwamen beiden opnieuw met elkander in aanraking.

„Ik had niet gedacht, dat het noodlot ons zoo spoedig en op deze manier bij elkaar zou brengen, mijnheer,” begon de ritmeester.

„Desurpriseis stellig voor u aangenamer dan voor mij, ritmeester,” antwoordde Reinier stug.

„U vergist u, mijnheer!—desurpriseis mij volstrèkt niet aangenaam: de veete die tusschen ons bestaat, maaktmijnpositie onaangenamer dan de uwe.”

De ander haalde de schouders op.

„Luister! mijnheer Vermaat,” zei Jakob Stargardt. „Wanneer u even aan ons laatste onderhoud te Koningsbergen terug wilt denken dan zult u weten, dat u mij bij die gelegenheid allergrievendst beleedigd heeft en het nog erger maakte, door spottend mijn uitdaging van de hand te wijzen. Ik zwoer toen, nietwaar?—mij te zullen wreken en het was mijn vaste voornemen, eenmaal met u gelijk te worden en dan een bloedige voldoening van u te eischen. Ik heb mijn doel al voorbij gestreefd: het lot heeft mij op een zonderlinge manier begunstigd. De rollen zijn nu omgekeerd,—maar de enkele maanden van dezen rampzaligen veldtocht, al de jammer en ellende die ik van Wilna tot Borodino om mij heen heb gezien, hebben mij tot andere en betere gedachten gebracht.——De haat en de wraakzucht zijn verdwenen. Wel zwoer ik mij te zullen wreken,—maar hetschèndenvan zoo'n eed is, geloof ik, beter en christelijker dan dien nà te komen. Daarom, laat ons trachten het gebeurde te vergeten,—laat ons weer vrienden zijn.”

De ritmeester maakte een beweging om den ander de hand te reiken, maar deze verried niet de minste gezindheid om dat verzoeningsblijk te beantwoorden. Hij bleef met strakken blik zijn chef aanstaren en trok zoo mogelijk zijn stuursch gelaat in nog stuurscher plooi.

„Het schijnt,” zei de ritmeester, terwijl zijn gezicht opeens vuurrood werd,—„het schijnt datikde beleediger was en datuhet recht hebt voldoening te eischen.”

„Ritmeester, u heeft me indertijd bedreigd, en dien blaam mag ik niet op mij laten rusten. Wat zouden mijn kameraden van mij denken als zij morgen hoorden, wat er vroeger tusschen ons is voorgevallen,—wat u toen tegen mij gezegd hebt—en hoe wij nu die zaak bijgelegd hebben? Neen, ik ben u voldoening verschuldigd, dus zal ik u die geven...”

„Genoeg, mijnheer,—ik begrijp u volkomen. Ik zal u daarom een pijnlijke bekentenis sparen en u ronduit zeggen wat er in u omgaat: 't Is enkelwangunstdat u zoo kunt spreken!Ik, uw vroegere ondergeschikte, benthans uw ritmeester, en dàt, nietwaar mijnheer, dat stéékt u!Uhad ritmeester moeten zijn, of hóóger liefst! Het spijt me voor u—maar, hetisnu eenmaal niet anders.”

„Niet onmogelijk, dat u de waarheid spreekt,” antwoordde Vermaat,—„de Keizer schijnt nu eenmaal meer op te hebben met zoons van marketentsters en zoetelaars dan met jonge mannen uit den koopmansstand...”

„Foei, mijnheer Vermaat,” zei Jakob Stargardt, „schaam u! Ik dacht dat een braaf en fatsoenlijk Amsterdammer zich nooit zóó ver door wangunst kon laten meesleepen! Maar omdat het dienen onder denzoon van een marketentster, in wien u tevens uw vijand ziet, u stellig bijzonder zwaar moet vallen, raad ik u ernstig aan, om overplaatsing naar een ander escadron te vragen;—ik zal uw verzoek ondersteunen.”

„Men zou kunnen denken dat ik u vrees,” antwoordde de onhandelbare Reinier,—„dáárom wilde ik liever blijven,—hoewel ik om de eer blijf solliciteeren, die u mij hebt toegezegd toen ik nog uw wachtmeester was:—U herinnert u?...”

„Zeer goed!” zei de ritmeester koel.—„Maar die eer kan ik u op 't oogenblik niet bewijzen. We staan tegenwoordig aanhoudend tegenover den vijand: wij kunnen er nu niet aan denken, personeele veeten te vereffenen. Na den veldtocht ben ik tot uw dienst.”

„Dus zal ik eerst nog de eer genieten, gedurende de campagne door u gekommandeerd te worden? Dat zal een voordeelige campagne voor mij zijn!”

„Ei zoo, mijnheer!—Gelooft u, dat ik mij wreken zou door u onrecht te doen?”

„Zoo'n gemakkelijke gelegenheid om u te wreken zou u voorbij laten gaan?” zei Reinier met een medelijdend lachje.

„Naar welken maatstaf beoordeelt u zoons van marketentsters, mijnheer Vermaat?” vroeg de ritmeester, hem strak in de oogen ziend. „Niet naar u zelf, is 't wel? Want de familie Vermaat bleek mij altoos veel te nobel om lafhartig wraak te kunnen uitoefenen.”

Reinier beet zich op de lippen. Hij wist niets teantwoorden en maakte zich gereed om heen te gaan.

„Ik twijfel niet, mijnheer,” zei de ritmeester ten slotte,—„of u zult u in den dienst niet over mij te beklagen hebben. En evenzeer staat het bij mij buiten twijfel, ofikzal ten opzichte vanueven tevreden zijn.”

Hij boog, en Reinier vertrok.

Niet lang daarna kreeg de koning van Napels, Napoleons zwager, Murat, eindelijk verlof om met de cavalerie den terugtrekkenden vijand na te zetten.

Tot bij Mohaisk werd de Russische achterhoede vervolgd. Toen Murat Mohaisk zag, waande hij zich er meester van en zond zijn adjudant naar den Keizer, om hem te zeggen, dat hij er kon overnachten. Maar de Russische achterhoede had stand genomen voor de muren van die stad, waarachter men het geheele overschot van het vijandelijke leger op een hoogte bespeurde. Een schermutseling kostte den Franschen weer eenig volk; ook een hunner generaals werd gekwetst. Men durfde, om de nabijheid van het Russische leger, niet verder te gaan en Murat was genoodzaakt, vóór de stad te overnachten.

Hij had zijn volk kunnen sparen, want den volgenden morgen vond hij de poorten open en de Russische achterhoede, die de stad verlaten had, op de hoogten. Hij trok Mohaisk binnen, maar vond er inwoners noch levensmiddelen; wèl dooden, die men uit de vensters wierp, om er zelf te kunnen verblijven, en gekwetsten, die men op één plaats bij elkander bracht. Terwille van die gekwetsten hadden de Russen de houten stad niet durven verbranden, maar nauwelijks trokken de Franschen binnen, of ze werden door den vijand met eenige granaten ontvangen, die een gedeelte der huizen, met de ongelukkigen die er in waren achter gelaten, vernielden.

Reeds den anderen morgen werd de vervolging van den vijand weer voortgezet en te Krimkoïé viel Murat verwoed op het leger van Kutusof aan, waarbij hij echter, geheel noodeloos, twee duizend man verloor.

Ook bij Zelkowo had het maar weinig gescheeld of het Fransche leger zou opnieuw een gevoelig verliesgeleden hebben. Hier echter redde het elfde regiment huzaren, door zijn moedig stand houden onder het moorddadig vuur des vijands, de brigade waartoe het behoorde, toen deze plotseling volkomen door het Russische leger omsingeld bleek geraakt.

't Was op een der volgende dagen, even na zonsondergang, dat een groepje van vier personen zich gezellig bij elkander had gevoegd onder een afdak van stroo, opgezet in de luwte van enkele zware boomen. Een hunner haalde van onder een strooleger een kleine mand te voorschijn, waarvan hij den inhoud op den grond uitstalde.

„Te deksel!”—zei een oude wachtmeester met het eerelegioen,—„zouden we den Keizer niet te dineeren vragen!—'t Is een waar feestmaal, dat Vermaat voor ons aanricht. Hoe ter wereld kom je aan al die heerlijke zaken: ham, brood, worst?—En die flesschen zien er zoo eerwaardig uit als hadden ze hunhonderdstenverjaardag gevierd... Zeg Vermaat, wie is je leverancier?”

„Dat is de bewaarder van het halfverwoeste kasteel daarginds;—maar de goeie man is mijn leverancier geweest tegen wil en dank, natuurlijk. Maar oneindig veel meer heeft hij aan den Keizer moeten afstaan.”

„Dan behoeven we Zijne Majesteit niet te inviteeren,” zei een jonge korporaal,—„maar we konden toch wel iemand anders noodigen—bijvoorbeeld den ritmeester.”

„Ja, dat moesten we doen!” riepen de anderen, behalve Vermaat.

„Wat zegt de gastheer ervan?” vroeg deoudewachtmeester.

„Ik ben er tegen,” antwoordde Vermaat.

„Je bent de eenige van het geheele escadron, die niet met onzen chef is ingenomen,—wat heb je toch tegen hem?”vroeg een fourier, de vierde van het clubje.

„Vraag dat maar eens aan de anderen;—ik heb het hun verteld,” antwoordde Vermaat, terwijl hij een flesch open trok.

„Och, oude nesterijen!” zei de grijze wachtmeester schouder-ophalend. „Maar de ritmeester handelt verstandigerdan jij, Vermaat;—hij toont, dat hij 't geen vroeger tusschen jullie is voorgevallen, vergeten en vergeven heeft.”

„Wie zègt je, dat hij vergeten heeft?” vroeg Reinier.

„Hij is toch immers altijd even beleefd tegen je.”

„Dat bewijst niemendal! Ik heb de overtuiging, dat die beleefdheid maar een masker is. 'k Wou de rapporten wel eens zien, die hij over mij uitbrengt.”

„Hij kan niet anders dan goeds van je zeggen.”

„Weet jij, wat een ander achter je rug van je zegt?” vroeg Reinier eenigszins bits.

„De ritmeester is de man niet om u iets na te geven, dat hij u niet in 't gezicht durft zeggen,” bracht de jonge korporaal, die bij ondervinding sprak, in het midden.

„Nieuwe bezems vegen schoon,” zei Reinier met een medelijdend schouder-ophalen.—„Wij zullen zien, mijneheeren.”

Reinier wilde juist zijn glas aan de lippen brengen, toen Ros, die Stargardts oppasser geworden was, aankwam en zich, salueerend, tot den gastheer richtte met de boodschap:

„Commandant, de ritmeester wou u graag even spreken.”

„Verduiveld!...” riep Reinier, niet in staat een opwelling van drift te bedwingen.—„'t Is goed!” zei hij tegen den huzaar, die daarop rechtsom-keert maakte en aftrok.

„Mijneheeren,—gaat uw gang!—Ringsma,”—dit gold den korporaal, „wil jij dehonneursvoor mij waarnemen? Ik kom zoo spoedig mogelijk terug.”

Na verloop van een klein half uur kwam Reinier weer bij het drietal en ging, zonder een woord te spreken, zijn plaats weer innemen.

„Te deksel—wat zie ik?” riep eensklaps de oude wachtmeester.

De anderen keken op en deden gelijktijdig een uitroep van verrassing.

Vermaat zat ernstig en bleek voor zich te staren: op zijn borst prijkte het vijf-armig kruis van het eere-legioen.

Allen reikten den nieuwen legionaris de hand, om hem geluk te wenschen; maar Reinier Vermaat bleef ernstig, zelfs somber, voor zich zitten staren.

„Het schijnt, amice, dat je niet bijzonder opgewonden bent,” sprak de fourier, wiens grootste illusie het was, gedecoreerd te worden.

„Dat ik het aan hèm te danken heb—dat hindert me,” zei Vermaat en schonk zijn glas vol, dat hij vervolgens in één teug ledigde.

„Je ziet nu, dat je den man ten onrechte verdacht hebt,” sprak de oude wachtmeester.—„Hij heeft op een ridderlijke manier jullie wederzijdsche rekening vereffend.”

Reinier schonk zich opnieuw in, dronk wéér zijn glas in één teug leeg en schoof toen de flesch verder.

„De gezondheid van den nieuwen legionaris!” riep de wachtmeester, zijn glas opheffend.

Gedurende een half uur werd er nu niet veel anders gedaan dan gegeten en gedronken; vervolgens werden de pijpen opgestoken, terwijl de flesch bleef rondgaan.

„En vertel ons nu eens, Vermaat, hoe de ritmeester je het kruis heeft overhandigd;—heeft hij niets gesproken?” vroeg de fourier.

„Dat wil ik jullie in een paar woorden wel even zeggen. Toen ik binnenkwam wees hij me met een vrij stuursch gezicht een stoel en ging tegenover mij zitten. „Mijnheer,” zei hij,—„ik heb een aangename tijding voor u.”

Ik boog; maar ik was al dadelijk hoogstverwonderd.

„De Keizer heeft u benoemd tot ridder van het legioen van eer. Mag ik u geluk wenschen en u meteen de insigniën der orde overhandigen. De omstandigheden laten niet toe, dit op 't oogenblik met de gebruikelijke ceremoniën te doen: u had de decoratie moeten ontvangen te gelijk met de anderen, maar een verzuim aan het hoofdkwartier is de reden, dat het achteraan komt.”

„Is het mij vergund u te vragen, aan wien ik die onderscheiding verschuldigd ben?” zei ik.

„Aan u zelf, mijnheer,” was zijn antwoord.

„Maar ù hebt me toch zeker voorgedragen, ritmeester.”

„Natuurlijk—wie anders?”

„Maar ik dacht dat we vijanden waren?”

„Ik weet ook niet beter, maar wat doet dit tot uw voordracht af?”

„Zóóveel,” antwoordde ik, „dat ik zeer verwonderd ben; ik had mij iets heel anders voorgesteld.”

„U schijnt teleurgesteld,” zei hij.

„Ik ben thans uw schuldenaar,—en dat hindert me.”

„U vergist u,—u bent mijn schuldenaar volstrekt niet, ik ben in zeker opzicht de uwe, daar u het mij zoo gemakkelijk gemaakt heeft u te toonen, dat ik jegens u de billijkheid niet uit het oog zou verliezen.””

„Nobele kerel!” riep de fourier enthousiast.

„Maar, mijneheeren—wat moet ik nu doen?” riep Reinier, die tamelijk veel had gedronken en op wien de wijn nimmer een vervroolijkenden invloed uitoefende.—„Wat moet ik doen? Want ronduit gezegd,—nu voel ik pas, dat ik den man, die mij in mijn eigen oogen vernederd heeft, meer haat dan ik ooit gedaan heb.”

„Kom, kom!” zei de oude wachtmeester afkeurend.

„Je weet niet wat het is,” riep Vermaat driftig,—„op die manier te worden getergd en geprikkeld; ik was veel liever met arrest gestraft—dan had ik ten minste mij kunnen beklagen, terwijl hij mij nu den mond gestopt heeft...”

„St! St!” klonk het afkeurend van de anderen.

„Wat!” riep de legionaris, zich al meer opwindend, „wat!—die decoratie!—ze heeft voor mij geen waarde...!”

Allen sprongen overeind, en tegelijk verscheen aan den ingang van de hut—ritmeester Stargardt.

Een poos stonden de vier krijgslieden zwijgend bij elkaar. De maan scheen helder aan den met sterren bezaaiden hemel, zoodat zij elkanders gelaatstrekken even duidelijk konden waarnemen als was het helder dag. De ritmeester zag ernstig en nadenkend. Vermaat,zoo meteen nog rood en opgezet, van drift niet minder dan van den wijn, was nu bleek en er lag iets zorgelijks in zijn trekken. Had zijn vijand zijn uitroep gehoord?—Dan was zijn loopbaan misschien voor altijd bedorven: de Keizer vergaf zoo iets nooit.

„Goeden avond, heeren!” groette de ritmeester. „Neem me niet kwalijk, dat ik u een oogenblik stoor. Maar, wachtmeester Vermaat, zou ik u nog éven mogen spreken?”

Reinier volgde zijn chef, die zich enkele schreden buiten het afdak met hem verwijderde.

„U bent onvoorzichtig geweest,” fluisterde hij toen zacht. „U spreekt te hard, en er zijn daar geen muren waarbinnen het geluid blijft opgesloten. U weet heel goed, dat uw ondoordachte woorden u groote onaangenaamheden zouden kunnen bezorgen;—maar wij zijn vijanden—daarom moet ik in dit geval doen, als had iknietsgehoord.”

Hij groette en vervolgde zijn wandeling.

„Dat is nu zeker, wat ze, geloof ik, een „edelmoedig vijand” gelieven te noemen,” mompelde Vermaat woedend. „Bah, wat een onverdrágelijk ras!”

In de oude hoofdstad der Czaren.

Den 14denSeptember was Napoleon met de voorhoede van zijn leger tot op weinige mijlen het groote Moscou genaderd.

Hij reed langzaam en met omzichtigheid voort. Alle bosschen en ravijnen voor zich uit liet hij onderzoeken,de toppen van alle heuvels deed hij bestijgen, of men het vijandelijke leger ook ontdekken mocht. Hij verwachtte een veldslag: de grond was er geschikt voor; er bleken zelfs verschansingen op afgeteekend, maar alles was blijven liggen en men ondervond niet den geringsten tegenstand.

Eindelijk kwam men aan de laatste hoogte. Het was de Berg der Begroeting, aan Moscou grenzend en zoo genoemd, omdat de inwoners, van zijn kruin hun heilige stad ziende, zich knielend nederbogen en een kruis maakten.

Spoedig waren de scherpschutters op den top en daar zagen zij Moscou aan hun voeten; Moscou, de stad der gulden koepeldaken, onmetelijke verzameling van tweehonderd vijf-en-negentig kerken en vijftien honderd kasteelen, met hun tuinen en bijgebouwen, zonderling vermengd met houten huizen en hutten zelfs, alles over een oneffen grond verspreid. Zij vormden een groep rondom een hooge citadel van een halve mijl in omtrek, die zelf weer verscheidene paleizen, verscheidene kerken en onbebouwde tusschenruimten in zich besloot, met daar omheen een onmetelijke bazaar, stad van kooplieden, waarin de vereenigde rijkdommen van vier werelddeelen schitterden. Die gebouwen, die paleizen, ja die winkels, waren alle met gepolijst en gekleurd ijzer bedekt en de kerken hadden platte daken en onderscheidene torens, uitloopend in vergulde bollen, al hetwelk aan de stad een Oostersch voorkomen gaf.

Het was twee uur in den middag; de zonnestralen deden de oude Czarenstad glanzen en schitteren van duizenden kleuren.

„Moscou! Moscou!” jubelden de soldaten, en verrukt bleven zij staan, want het was hun, of daar een Koningsstad uit een sprookje aan hun voeten lag, of een der wonderen uit de „Duizend en één Nacht,” die zij in hun kindsheid gelezen hadden, plotseling voor hun verbaasde oogen tot werkelijkheid was geworden.

Toen verhaastte een ieder zijn marsch, ijlde in wanorde aan en juichend herhaalde heel het leger: „Moscou! Moscou!” zooals voor eeuwen de Kruisvaarders onderGodfried van Bouillon „Jeruzalem! Jeruzalem!” hadden uitgeroepen.

Ook Napoleon zelf was toegesneld, ook hem trof dat gezicht.

„Ziedaar dan eindelijk die vermaarde stad!” riep hij verheugd. Maar onmiddellijk liet hij er op volgen: „Het werd tijd!”

Doch heerlijk mochten de vergulde koepeldaken in het zonlicht flonkeren, verrukt mocht de Keizer dit panorama der uitgestrekte, half Oostersche hoofdstad overzien, tevergeefs wachtte hij op het openen der poorten, op de komst van afgevaardigden, die de bevolking, den senaat, den adel met hun schatten aan zijn voeten zou voeren.

Een zekere ongerustheid begint hem te kwellen. Reeds ziet hij, op zijn linker- en rechtervleugel, prins Eugenius en Poniatowsky ongedeerd de vijandelijke stad omtrekken. Murat bereikt reeds haar poorten en nòg geen ambassade; slechts een Russisch luitenant, die hem op hoogen toon dreigt, dat zijn generaal de stad in brand zal steken, wanneer men aan de achterhoede den tijd niet laat, om haar te ontruimen.

Napoleon staat alles toe.

De voorhoede van het Fransche leger en de achterhoede van het leger der Russen ontmoeten elkander zonder het lossen van ook maar een enkel schot. Ondertusschen loopt de dag ten einde en Moscou blijft somber, stilzwijgend en als levenloos; in de vlakte vóór de poort van Dorogomilow vereenigt zich een groot gedeelte van het Fransche leger; een bivakvuur wordt voor den Keizer aangelegd en men ziet hem wel twee uur lang onrustig heen en weer loopen. Hij wacht nog steeds het gezantschap dat hem de sleutels zal komen aanbieden.

Eenige officieren zijn tot in het binnenste der stad door gedrongen. Zij brengen den Keizer de boodschap: „Moscou is ledig!”

Napoleon gelooft het niet, wordt zelfs boos bij dat bericht—en wacht.

Daar brengt Murat dezelfde tijding, hem aansporend, de stad maar in te trekken.

Nòg kan hij het niet aannemen. „Ga er weer heen,”beveelt hij, „en zorg voor de strengste orde!” Hij hoopt nog.—„Misschien,” zegt hij, „weten de inwoners niet hoe zij zich moeten overgeven; want hier is alles nieuw, zij voor ons, en wij voor hen.”

Maar weldra volgt het eene bericht het andere; en alle komen overeen. Eenige Franschen, inwoners van Moscou, hebben het gewaagd uit de schuilplaats te komen, die hen, sedert eenige dagen, voor de volkswoede verborg. Zij bevestigen de noodlottige tijding.

De Keizer laat Daru, den kwartiermeester-generaal bij zich komen en zegt: „ze vertellen, dat Moscou ledig is! welk een onwaarschijnlijke gebeurtenis! Ga er heen en breng mij de raadsheeren hier.”

Hij denkt dat die menschen, òf uit hoogmoed, of van schrik, in hun woningen blijven. Het schijnt hem nu eenmaal onmogelijk dat men die prachtige paleizen, die schitterende kerken, die rijke magazijnen zou verlatenhebben, evenals die eenvoudige hutten, welke hij was voorbijgetrokken.

Ondertusschen is Daru's poging mislukt. Er vertoont zich hoegenaamd geen Moscoviet; er verheft zich hoegenaamd geen rook uit eenig huis; men hoort niet het minste gerucht uit die reusachtige en volkrijke stad komen; haar driemaal honderdduizend inwoners schijnen als met verlamming en stomheid geslagen; het is de stilte eener woestijn!

Maar nog is Napoleon ongeloovig, nòg blijft hij wachten.

Eindelijk begeeft zich een officier in de stad, laat vijf of zes landloopers oppakken en drijft ze voor zijn paard uit, naar den Keizer, als was dat een gezantschap. Bij het eerste antwoord reeds dat die mannen hem geven bemerkt Napoleon, dat hij slechts ongelukkige daglooners voor zich heeft.

Nu kan hij wel niet langer aan de volslagen ontruiming van Moscou twijfelen. Hij trekt de schouders op en zegt met die minachtende beweging waarmee hij alles bejegent wat zijn wenschen tegenstaat: „O, de Russenweten nog niet welk gevolg het innemen van hun hoofdstad voor hen zal hebben!”

Het was een treurige intocht dien Murat met zijn lange, ineengedrongene colonne ruiterij in de groote stad deed. Het was, of zij in de stad der dooden reden. Met huivering hoorden de krijgslieden alleen de stappen hunner paarden tusschen die verlaten paleizen weergalmen. Somber en zwijgend reden zij voort, als gingen zij over een met lijken bezaaid slagveld of over een reusachtig kerkhof...

Na aldus eenige uren de stad verkend te hebben gingen de troepen voorloopig op de straten en pleinen bivakkeeren.

Eerst in den nacht kwam Napoleon zelf Moscou binnen, waar hij een der eerste huizen in de voorstad Dorogomilow betrok. Hier stelde hij maarschalk Mortier tot bevelhebber der stad aan, met de bijvoeging: „Met uw hoofd blijft ge mij borg, dat er niet geplunderd wordt! Verdedig Moscou tegen allen!”

Omstreeks twee uur in den morgen, vernam de Keizer eensklaps, dat er brand was uitgebroken. De handelsbeurs, in het rijkste kwartier der stad, stond in lichter laaie. Oogenblikkelijk gaf Napoleon zijn orders tot blusschen en toen de dag aanbrak, begaf hij zelf zich er heen, uitvarend tegen de jonge garde en Mortier, wijl hij meent, dat de brand door onvoorzichtigheid der soldaten is veroorzaakt. Mortier toont hem echter, dat de huizen nog altoos gesloten zijn en er geen enkel soldaat binnen geweest is.

De Keizer rijdt daarop naar het Kremlin, het oude paleis der Czaren. Een gevoel van hoogmoed en trots bevangt hem, als hij dat eerwaardige gebouw binnentreedt.

„Eindelijk dan te Moscou,” zegt hij. „Eindelijk dan toch in het Kremlin!”

Door Mortier's zorg was de brand in den loop van dien dag gebluscht en nu werd de stad onder de verschillende legercorpsen ter bezetting verdeeld. Aan de officieren van het elfde regiment huzaren was een prachtig paleistoegewezen, dat zij nog dienzelfden dag betrokken. Moeder Jane, die een der vertrekken tot gebruik bekomen had, zou voor tafel en keuken zorgen.

Blijkbaar hadden de bewoners in allerijl het huis verlaten; de zalen en vertrekken zagen er uit, alsof ze gisteren nog bewoond waren. Kristallen spiegels, rijk gesneden mahoniehouten meubelen, kostbare divans waarop de vermoeide officieren zich behagelijk neervleiden, de breede marmeren gangen en met zachte loopers belegde trappen, alles bewees dat de aanzienlijke bewoners van het gebouw niet den tijd of de gelegenheid hadden gehad, de meubelen te vervoeren of hun overige bezittingen mee te nemen.

Slechts levensmiddelen bleken schaarsch aanwezig, doch voorloopig werd er toch een voldoende hoeveelheid gevonden, om een behoorlijken maaltijd aan te richten.

Toen de officieren van tafel gingen was het reeds avond geworden en de marketentster stak een lamp op, om in de keuken nog het een en ander te beredderen.

Tot haar verbazing vond ze het haardvuur geheel uit elkander geworpen en sterk verminderd; asch en stukken half verkoold vuur lagen tot midden op den steenen vloer. Zóó had zij de keuken niet verlaten...

Daar ziet ze een koperen tabaksdoos op de tafel liggen...Geen twijfel meer, er moest hier iemand geweest zijn!...

Een hevige ontroering bevangt haar, nu zij de doos opneemt. Want zij herkent die aan het inschrift:

„Voor Willem Stargardt, op zijn 18denverjaardag.”

„Hemel, hoe komt die doos hier, in het hartje van Rusland? Willem, als hij nog leefde, moest nu immers in Engeland zijn?”

„Stom voorwerp,” prevelde zij, „kon je nu maar praten! Kon je nu maar antwoord geven!” Zij keek en keek naar dat zwijgende, koperen ding, draaide het in haar vingers rond, opende doelloos het deksel...

Dáár zag zij een met potlood beschreven briefjeliggen! Willems naam stond er onder! En zenuwachtig doorvloog zij den inhoud.

„Lieve moeder,” las ze, „ik schrijf dit in groote haast. Hoe ik hier in Rusland gekomen ben kan ik u dus niet uitleggen, daarvoor zou veel meer tijd noodig zijn. Maar ik heb u beiden heimelijk kunnen zien, u en Jakob, en ik moet u dringend waarschuwen, dit gebouw onmiddellijk te verlaten, want binnen korten tijd zal het in brand staan en in de lucht vliegen.Uw liefhebbende zoonWillem.”

„Lieve moeder,” las ze, „ik schrijf dit in groote haast. Hoe ik hier in Rusland gekomen ben kan ik u dus niet uitleggen, daarvoor zou veel meer tijd noodig zijn. Maar ik heb u beiden heimelijk kunnen zien, u en Jakob, en ik moet u dringend waarschuwen, dit gebouw onmiddellijk te verlaten, want binnen korten tijd zal het in brand staan en in de lucht vliegen.

Uw liefhebbende zoon

Willem.”

Als in een droom bevangen, bleef de ontstelde marketentster op die enkele regels staren, zoo schrikwekkend en duidelijk vaninhoud, zoo raadselachtig wat hun hèrkomst betrof. Dan begrijpt ze, onmiddellijk Jakob met haar vondst in kennis te moeten stellen. Zij vindt hem echter niet. Van zijn oppasser verneemt ze, dat hij wegens dienstzaken de stad is ingegaan. Zij laat nu den ouden Ros het briefje lezen. Maar de veteraan schudt glimlachend het hoofd:

„Ze hebben je bang willen maken, moeder Jane. Een misselijke laffe streek, da's zeker! Maar—maak je nou heusch toch niet zoo ongerust. Dit huis is immers onbewoond; wie zou het dan in de lucht laten vliegen, als we het zèlf niet deden?... Nou ja, misschien lijkt het schrift een beetje op dat van je zoon...”

„Dat weet ik niet—want hij was bij ons thuis en schrijven kwam dus zoo niet voor...”

„Wel, kijk nou 'ereis aan! Dus enkel om dat de een of andere miserabele vent wat bangmakerij op zoo'n vodje neerkrabbelt, zou je dwaas genoeg zijn, je zoo van streek te laten brengen?”

„Maar—die dóós, hoe komt die doos daar dan?” vroeg zij gejaagd en zij haalde de tabaksdoos uit haar zak, vertellend dat die van haar Willem was.

De oudgediende begon de zaak nu toch wat ernstiger in te zien.

„Te deksel! Dat is een vreemde historie!” gromde hij, bedenkelijk aan zijn knevel trekkend.

„En kom dan eens mee naar de keuken!” drong de marketentster opgewonden, „dan zal ik je nog vreemder dingen laten zien!”

De oude Ros ging begrijpen, dat hij mogelijk wijs zou doen, een onderzoek in te stellen om te kunnen beoordeelen, of allicht de aanwezige officieren moesten gewaarschuwd worden.

Onderweg kwamen zij nog twee andere oppassers tegen.

„Jongens, ga eens even mee!” zei Ros. „Moeder Jane schijnt onraad ontdekt te hebben!”

Met hun vieren kwamen zij in de keuken. Daar toonde de marketentster aan de soldaten het verspreide haardvuur, hun vertellend hoe zij het geheel anders verlaten had. Ook wees zij de asch en stukken houtskool op den vloer.

„Da's verdacht!” zei Ros.—Met aandacht volgde hij het spoor, dat de gemorste asch met vrij groote duidelijkheid afteekende. Het liep tot aan een der wanden. Hij bekeek dien met aandacht, klopte er tegen, tuurde nog eens onderzoekend langs het eikenhouten beschot en trok vervolgens zijn sabel.

„Hier vind ik wat!” zei hij zacht. Toen stak hij de punt van het staal wrikkend in een naad van den wand en peuterde, na eenig tobben, een door niemand verwachte deur open.

Allen drongen haastig naderbij! Een kille kelderlucht kwam hun tegen; maar het was volslagen donker in die ruimte, daar voor hen. Alleen de bovenste treden van een steenen trap waren zichtbaar.

De marketentster stak een kaars aan.

„Heb jullie wapens?” vroeg Ros aan zijn makkers.

De een greep zijn pistool, de ander trok zijn sabel.

Ros, met de brandende kaars in zijn linker, en zijn zwaard in de rechterhand, daalde behoedzaam de trap af. De kameraden volgden hem.

„Hm, wat een scherpe, prikkelende lucht!” gromde Ros. „Ruik jullie niets?”

„Nou, òf ik!” kuchte zijn eerste volger. „Me dunkt, daar smeult hier het een of ander!”

De trap kwam op een breede dwarsgang uit. Ook dáár was het donker; maar ze vernamen een zacht gepraat dat zich meer en meer verwijderde. Dra hoorden zij niets meer.

„Daar dienen we meer van te weten!” fluisterde Ros. „Die schelmen voerden hier stellig niet veel goeds uit...”

Nauwelijks echter waren zij een tiental schreden gevorderd, of een dichte, zwavelachtige damp sloeg hun tegen. De kaarsvlam gloeide op eenmaal blauwachtig-rood.

„We moeten teruggaan!” waarschuwde de achterste.

„Ja, 't wordt hier onsecuur!” meende de ander.

„Kom, kom,” zei Ros, „de terugweg blijft toch immers nog altoos vrij!”

Weer gingen zij eenige schreden verder; de zwaveldamp werd dichter en dichter; het ademhalen ging moeilijker bij iederen stap. Plotseling woei hun een koelte tegemoet, of opeens de wind ergens een vrijen doortocht gekregen had. Op 't zelfde oogenblik was de kaars uit.

Terwijl zij besluiteloos in 't donker stonden, dreunde een doffe knal, die het gansche gebouw deed sidderen...

„Dat was een mijn!” riep een der soldaten.„We moeten onmiddellijk terug!”

Ook Ros begreep, dat verder voortgaan dolzinnig zou wezen.

Zij keerden dus om, tastend langs den muur van het gewelf, om de trap weer te vinden. Het gelukte. Maar zij voelden zich steeds dichter omwolkt van een verstikkenden walm en een verzengenden gloed. Met beklemden adem repten zij zich de trap op en stormden de keuken binnen. Maar ook dáár vonden zij reeds alles met rook en smook vervuld. Ros stiet met zijn sabel eenige ruiten stuk; kletterend rinkelden zij op straat... Nu kregen zij lucht en konden weer onbelemmerd ademhalen.

„Brand! Brand!” klonk het opeens van buiten. Bijna te zelfder tijd roffelden de trommen en schetterden detrompetten op het bivak, onder de vensters... Officieren, soldaten, alles vloog langs de breede marmertrappen naar beneden, om op de straat veiligheid te zoeken.

Bij de poort kwam Jakob in volle vaart op hen toesnellen.

„Goddank dat u gered bent!” riep hij zijn moeder toe. „Ik was al bang, dat ik te laat mocht wezen... Maar we moeten ons haasten om buiten te komen... De vlammen slaan al overal door de vensters en boven het dak uit!...”

Op straat pas konden zij het gevaar overzien in al zijn omvang. Een reusachtig wolkgevaarte van zwarten, dichten rook lag over het paleis, waar roodflakkerende vuurtongen aanhoudenddoorheenflitsten. Rook wervelde tegelijkertijd uit alle vensters, spiraalde uit de benedenverdiepingen naar boven, steeg in zware kolommen uit de dakgoten op. Niemand kon twijfelen, of de brand was moedwillig aangelegd. Licht-ontvlambare stoffen moesten door het gansche gebouw verspreid geweest zijn en door een plotswerkend middel overal tegelijk zijn aangestoken, om zulk een brand te kunnen geven.

Met moeite wist men de paarden, die op het binnenplein stonden vastgebonden, benevens eenigen voorraad te redden.

Maar déze brand was de eenige niet. In verschillende wijken der stad stegen er vlammen omhoog; in verscheidene huizen werden eveneens ontploffingen vernomen. Dan week men naar de nog overeind staande stadsgedeelten uit, om een nieuw onderkomen te vinden. Maar op het punt om die geheel gesloten en onbewoonde huizen te betreden, hoorden zij een zwakke ontploffing; er steeg een lichte rook uit op, zich onmiddellijk verdichtend en verdonkerend; die zwarte rook kreeg schielijk een rosbruinen gloed; dat rosbruin nam even spoedig een vuurkleur aan; en welhaast verdween het gebouw in een maalstroom van vlammen.

Velen hadden mannen van een afschuwelijk voorkomen, met lompen bedekt, en verwoede vrouwen nabij die vlammen zien ronddwalen. Door den wijn en door hetgoed gevolg hunner brandstichtingen bedwelmd, deden die ellendelingen niet eens meer de moeite, zich verborgen te houden; zij liepen in dollen triomf door de brandende straten; men verraste hen, met brandende toortsen en verwoed voortgaande om de vlammen te verspreiden; men moest hen met de sabel over de handen slaan om hen te doen ophouden. 't Was het uitvaagsel des volks, uit de gevangenissen losgelaten om, onder aanvoering van enkele lijfeigenen en politiedienaars, Moscou te verbranden tot verderf van de Fransche armee.

Terstond werd bevel gegeven, om de brandstichters die men ontdekte zonder omslag dood te schieten. Maar wat de Franschen toen nog niet wisten was, dat het Kremlin een kruitmagazijn inhield; daarenboven hadden de in slaap gevallen en onachtzaam uitgezette wachtposten dienzelfden nacht een geheel artilleriepark laten binnenrukken en zich onder de vensters van Napoleon plaatsen. Eén enkele vonk op een der kruitkisten gevallen en de Keizer en de keur van het leger waren verloren geweest.

De Russen, die wél wisten dat het kruitmagazijn er zich bevond, hadden juistdiehuizen aangestoken, welke gevaarlijk voor het Kremlin konden worden. Driemalen veranderde de vrij hevige wind dien nacht en telkens barstten nieuwe vlammen uit van den kant waar hij op dat oogenblik vandaan kwam.

't Was een vreeselijke nacht! De helle vlammen verlichtten alles met een rooden schijn en op sommige plaatsen vreesde men te stikken van den zwaren rook. En—nergens bluschmiddelen, nergens water zelfs: want de vijand had alle brandspuiten meegenomen, de waterleidingen afgesneden, de wellen en putten der stad ontoegankelijk gemaakt.

Het geheele leger was op de been. Geheel de oude garde, die een gedeelte van het Kremlin betrokken had, was onder de wapenen. De bagage stond gepakt, paarden en wagens waren klaar, om, als de brand hen uit Moscou verjoeg, buiten de poorten te gaan bivakkeeren.

Terwijl de soldaten schier wanhopig tegen de vlammenworstelden en aan het vuur zijn prooi betwistten, was Napoleon, wiens slaap men gedurende den nacht niet had durven storen, bij de dubbele helderheid van daglicht en vlammen ontwaakt. Zijn eerste gemoedsbeweging was gramschap, en terstond gaf hij bevel, den brand te blusschen, maar men overtuigt hem, dat dit onmogelijk is. Verwonderd van in een rijk, dat hij in het hart getroffen had, een andere gewaarwording te vinden dan vrees en onderwerping, gevoelt hij zich overwonnen en in doortastendheid overtroffen.

Die verovering, waarvoor hij alles had opgeofferd, thans bleek zij als het ware een schaduw, welke hij had vervolgd en meenen te grijpen, maar die hij op dit oogenblik, te midden van rook en vlammen, in de lucht zag verzwinden.

Een groote gejaagdheid maakt zich nu van hem meester. Elk oogenblik staat hij op, loopt met snelle schreden door zijn vertrekken, en gaat eensklaps weer zitten. Zijn korte en driftige gebaren duiden een hevige onrust aan; hij verlaat een dringend werk, neemt het vervolgens weer op, en laat het opnieuw liggen om naar zijn vensters te ijlen, en den brand te beschouwen. Driftige en korte uitroepen ontsnappen zijn beklemde borst: „Welk een afgrijselijk schouwspel! En zèlf hebben zij den brand gesticht! Hoe is 't mogelijk! Al die prachtige paleizen! Welk een besluit! Wat menschen toch!”

Tusschen den brand en zijn verblijf lag een groote uitgestrektheid woeste bouwgrond, tot aan de Moskowa met haar beide kaden; en toch waren de glazen van het vensterraam, waartegen hij leunde, reeds heet, en de rustelooze arbeid der vegers, op de ijzeren daken van het paleis geplaatst, was onvoldoende om er de talrijke vuursprankels af te houden.

Op dit oogenblik verspreidt zich het gerucht, dat het Kremlin ondermijnd is; Russen zeiden het en gevonden geschriften schenen het te bevestigen. Eenige bedienden worden zinneloos van schrik; de soldaten wachten gevoelloos af, wat het bevel des Keizers en hun noodlot zullen beslissen... En—de Keizer beantwoordt deze ontsteltenis slechts met een glimlach van ongeloof.

Toch loopt hij nog altijd rusteloos heen en weer, houdt bij elk venster stil, en ziet het overwinnend verschrikkingselement zijn schitterende verovering met woede vernielen; zich van al de bruggen, van al de doortochten zijner vesting meester maken; elk oogenblik de omringende huizen overweldigen, om hem ten slotte binnen de muren van het Kremlin als op te sluiten.

Reeds ademde men daar schier louter in rook en asch. Orde en krijgstucht bestonden niet meer; de soldaten, begeerig om aan de vlammen hun roof te betwisten, drongen de nog gespaarde paleizen en magazijnen binnen, plunderend wat van hun gading was. De nacht naderde, en zou door zijn duisternis de gevaren voor Napoleon en zijn omgeving nog vermeerderen; de wind, die de Russen behulpzaam was, werd heviger nog dan den nacht te voren. Toen zag men den koning van Napels en prins Eugenius toesnellen: zij voegden zich bij Berthier, drongen tot den Keizer door en op hun knieën smeekten zij hem, die gevaarlijke plaats toch te verlaten.

Het was vergeefs.

Eindelijk meester van het paleis der Czaren, blijft Napoleon halsstarrig weigeren die verovering af te staan, zelfs niet aan den brand, tot eensklaps de kreet weerklinkt: „Het Kremlin staat in vlammen!”

De Keizer gaat naar buiten om het gevaar te beoordeelen. Tweemaal bleek de brand reeds uitgebroken en ook weer gebluscht in het gebouw waarin hij zich bevond; maar de toren van het tuighuis brandt nog. Men had er een politiesoldaat gevonden. Men voert hem mee, en Napoleon laat hem in zijn tegenwoordigheid ondervragen. Die Rus blijkt de brandstichter. Hij verklaart, te hebben gehandeld op hoog bevel. Alles, tot zelfs het oude geheiligde Kremlin, was dus ter vernieling gewijd.

De Keizer maakte een gebaar van afkeer en gramschap; daarop bracht men den brandstichter naar het eerste voorplein, waar de woedende grenadiers hem met hun bajonetten afmaakten.

Dit voorval had echter Napoleons onverzettelijkheid om te blijven, doen zwichten. Hij beval dat men hemnaar het keizerlijk kasteel Petrowsky geleiden zou, een mijl buiten de stad.

Van de zijnen vergezeld, wilde de Keizer zich nu naar de Dorogomilowsche poort begeven. Maar men zag zich reeds door een heir van vlammen belegerd; zij omsingelden al de poorten der vesting en weerden de eerste uittochtpogingen met verwoedheid af. Na eenigen tijd nauwlettend rondgezocht te hebben, ontdekte men een poortje, dat op de Moskowa uitkwam. Door dezen nauwen uitweg gelukte het Napoleon, met zijn staf en zijn garde uit het Kremlin te ontsnappen.

Maar het scheen, dat men daarmee eigenlijk nog niets gewonnen had: Terwijl zij zich dichter bij den brand bevonden, konden zij noch terugkeeren, noch staan blijven; en hoe kon men vooruit gaan, hoe zou men door de golven van die onstuimige vuurzee heenkomen? Zelfs zij, die reeds de stad doorkruist hadden, waren het spoor volslagen bijster; de asch had hen schier blind gemaakt en de straten waren in den rook en onder de puinen verdwenen.

Toch drong het gevaar tot spoed. Elk oogenblik vermeerderde rondom hen het knappend en loeiend vlammengedruisch...

Een nauwe, kromme en geheel brandende straat deed zich eerder als de intrede dan als de uitgang van die hel op... De Keizer snelde te voet, en zonder aarzelen, dien gevaarlijken doortocht in. Onder het geknetter van die geweldige vuren, onder het geraas van krakende gewelven, het neerploffen van brandende balken, het donderend ineenstorten van gloeiende ijzeren daken, schreed de Keizer voort... Boven hem vormden de vlammen, door den wind gekromd en neergebogen, een gloeiend verwulf...

Men liep op een grond van vuur, onder een hemel van vuur, tusschen twee muren van vuur! Schroeihitte pijnde stekend hun oogen, die zij nochtans open en op het gevaar moesten houden. Een verstikkende rook folterde hun keel en longen; de gloeiende lucht en verzengende asch verhitten steeds meer en meer hun korte, droge,hijgende ademhaling. Hun handen brandden, als zij hun gelaat tegen de onverdragelijke hitte poogden te beschermen en de vonken afsloegen, die elk oogenblik hun kleeren bedekten en invraten.

Eensklaps staat de gids stil. Hij weet geen weg meer! Napoleon en de zijnen achten zich reddeloos verloren. Doch eenige plunderaars van het eerste corps hebben, in het midden van die vlammen, hun Keizer herkend; zij snellen toe en geleiden hem langs de rookende puinen van een des morgens reeds verbrande wijk.

Daar ontmoet men maarschalkDavoust, die, in den slag bij Borodino gekwetst en nog niet hersteld, zich door de vlammen had laten dragen om er zijn Keizer uit te bevrijden of er met hem in om te komen. Ontroerd werpt hij zich in Napoleons armen; deze ontvangt hem hartelijk, maar met die bedaardheid, welke hem in het gevaar nooit begeeft.

Alvorens hij echter geheel aan de rampzalige stad ontsnapt is, moet hij nog een convooi buskruit voorbij, dat te midden dier vuurzee wordt weggevoerd. Dit is niet zijn minste gevaar, maar het laatste en men komt met den nacht behouden te Petrowsky aan.

Eindelijk gewroken.


Back to IndexNext