Eenige dagen achtereen bleef de brand voortwoeden. Toen verminderde hij, uit gebrek aan voedsel. Den 20stentrok Napoleon naar het Kremlin terug, dat een bataljon zijner garde had weten te behouden.
De bivakken, welke de Keizer op zijn weg naarMoscou doorreed, leverden een zonderling gezicht op. Te midden van een dikke, koude modder vlamden groote vuren, gevoed door mahoniehouten meubels, vergulde deuren en vensters. Daar omheen zag men, naast van vochtig stroo gemaakte bedden, slechts armelijk beschut door enkele planken, de soldaten en hun officieren, geheel met slijk bedekt en zwart geworden door den rook, doch zittend in kostbare leuningstoelen of liggend op met zijde bekleede divans. Aan hun voeten lagen, uitgespreid of opeengehoopt, de fijnste cachemiren sjaals, rijke Perzische weefsels, de zeldzaamste pelzen vanSiberië. Hun eten gebruikten zij uit zilveren schotels en borden, maar het bestond slechts uit een zwart baksel, onder de asch bereid, en een lap half geroosterd, bloederig paardevleesch; 't was overal de zonderlingste vereeniging van overvloed en gebrek, van rijkdom en morsigheid, van weelde en ellende!
Tusschen die bivakken en de stad ontmoette men groote scharen van soldaten, die zwoegend hun buit voortsleepten, of hun roof door ongelukkige Russen lieten torsen, die zij als lastdieren voor zich uitdreven; want de brand deed bijna twintig duizend inwoners voor den dag komen, welke tot dien tijd in de onmetelijke stad onopgemerkt waren gebleven.
Toen de Keizer de stad zelf binnen kwam, vond hij van het groote Moscou slechts weinige verspreide huizen over, en de brandlucht overal was ondragelijk. De loop der straten bleek alleen nog maar kenbaar aan groote hoopen asch en puin en, van afstand tot afstand, half omvergestorte stukken muur of pilaren. Schier heel het leger was roovend en plunderend door de stad verspreid. Napoleon vond zich herhaaldelijk in zijn voortgang belemmerd door een lange reeks van stroopers, uittrekkend op buit of er mee terugkeerend; door oproerige benden van soldaten, zich opeenhoopend voor de keldergaten en voor de deuren der paleizen, om die open te breken, eer de vlammen ze bereikten.
Overal ook was de weg versperd door kostbare meubelen, welke men uit de ramen geworpen had om zeaan den brand te onttrekken en die men nochtans, ter wille van een anderen buit, daar onverschillig had laten liggen. Pleinen en legerplaatsen bleken in markten herschapen, waar een ieder het overbodige tegen het noodzakelijke kwam verruilen. Daar werden de zeldzaamste voorwerpen, door hun bezitters niet gewaardeerd, voor een spotprijs verkocht; andere, die een bedriegelijk voorkomen hadden, daarentegen ver boven de waarde overgenomen. Overal zag men soldaten, die op balen met koopwaren zaten, in het midden der uitgezochtste wijnen en likeuren, welke zij tegen een stuk brood zouden willen verruilen. Door afmatting en dronkenschap overmeesterd vielen er verscheidene dicht bij de vlammen neer, door welke zij bereikt en verbrand werden.
Onder zulke omstandigheden kwam Napoleon Moscou weer binnen. Hij liet de stad aan de plundering over, hopend dat zijn over de puinen verspreid leger deze niet vruchteloos doorzoeken zou. Toen hij echter vernam, dat zelfs de oude garde ook al aan het plunderen was geslagen, dat de Russische boeren, die men den voorraad welken zij aanbrachten ruim betaalde om er meer te lokken, door zijn soldaten beroofd werden; toen hij hoorde, dat de verschillende corpsen elkander de overblijfselen van Moscou met geweld begonnen te betwisten; dat eindelijk al de nog overgebleven hulpbronnen door de onregelmatige plundering verloren gingen; gaf hij gestrenge orders. Maar het was te laat; de boeren kwamen niet terug en vele levensmiddelen waren nutteloos verspild.
Na zijn terugkomst in het Kremlin was Napoleon's eerste werk, er een vast bestuur op te richten; hij benoemde een gouverneur en stedelijke overheidspersonen en gaf bevel, om er zich van leeftocht voor den winter te voorzien. Reusachtige voorraden wijn en levensmiddelen van allerlei aard, meel en pekelvleesch werden door de zorg der korpscommandanten in het Kremlin of in magazijnen bijeengebracht. Ook in het onderhoud der troepen werd behoorlijk voorzien, terwijl door een krachtig optreden orde en krijgstucht weer spoedig bijkans volkomen waren teruggekeerd. Om aan Europa den indrukte geven, dat in Rusland alles naar wensch ging, schonk de Keizer aan een te Moscou achter gebleven troep Fransche comedianten zelfs verlof, voorstellingen te geven en voor de costumes gebruik te maken van de gevonden goederen. De troep maakte goede zaken; die voorstellingen werden door de soldaten druk bezocht.
Inmiddels verwachtte de Keizer, in den vreeselijksten waan, dag op dag boden uit Sint-Petersburg, die hem den vrede zouden komen afsmeeken, althans tot onderhandelingen uitnoodigen. Want schoon het verbrande Moscou geen waarde meer voor hem bezat, en hij het hachelijke van zijn toestand zeer wel inzag, schrikte hij voor een achterwaartsche beweging. Alles achtte hij verloren, wanneer hij voor de oogen van het verbaasde Europa terugtrok, alles gewónnen, zoo hij Alexander in volharding overtreffen kon.
Middelerwijl verdubbelde Napoleon de zorg voor zijn troepen. Zooveel doenlijk werden zij in Moscou zelf onder dak gebracht. De officieren van Jakob Stargardt's regiment hadden reeds dadelijk twee andere huizen betrokken, en na al de doorgestane ellende leefden zij daar over het algemeen zeer tevreden.
Iederen dag trok moeder Jane met haar wagen op levensmiddelen uit. Vergezeld van een der officieren met enkele manschappen reed zij dan naar het midden der stad en kocht van de soldaten de eetwaren welke zij geplunderd hadden. Op deze manier kregen zij wijn, suiker, thee en nog tal van andere artikelen. Vleesch en brood werden dagelijksch uitgedeeld en daar in de moestuinen volop groenten werden gevonden, kon de marketentster steeds een vrij goeden maaltijd bereiden.
Over niets werd door moeder Jane en haar zoon zoo dikwijls gesproken als over Willem's geheimzinnige waarschuwing,—het eenige levensteeken dat zij sedert van hem vernomen hadden—; en voorts, over den naderenden winter. Het scheen toch, dat men dien in het afgebrande Moscou zou doorbrengen. En nu hoorden zij wel, dat er groote magazijnen van granen, brandewijn en lakens in handen der Franschen waren gevallen, dochde juiste maatregelen voor een winter-campagne werden niet genomen. De lakens bleven in de magazijnen en aan de officieren en soldaten werd geen uitdeeling van een goede winterkleeding gedaan. Onder die omstandigheden besloten de marketentster en haar zoon, zichzelf zooveel mogelijk tegen de zoo geduchte Russische koude intijds te voorzien.
In verband hiermee ging Jakob herhaaldelijk er op uit, om nu dit, dan dat aan te koopen.
In de nabijheid van het Kremlin hielden namelijk de soldaten der garde een markt van geplunderde zaken. Zoo kocht hij daar op zekeren dag twee bonten mutsen met lange pelsooren voor slechts één franc per stuk; een ander maal twee pelzen voor tienfrancssamen; daarentegen moest men er tot honderd francs voor een paar nieuwe laarzen geven.
Op een dier tochten had hij bijna het leven verloren. In de laatste weken van het verblijf der Franschen te Moscou was het plunderen strenger dan ooit verboden, ten gevolge waarvan er eenig vertier op de straten kwam. Nu wilde het toeval dat Jakob, door een afgelegen straat naar zijn kwartier terug rijdend, een soldaat van een der Duitsche contingenten met een Russische vrouw zag worstelen. De ellendeling had haar met geweld de oorbellen uitgetrokken, zoodat het arme schepsel bloedde over het geheele gezicht. Op het oogenblik dat Jakob naderde, wilde de kerel haar de amulet, die alle Russen dragen, van de borst afrukken. Deze amuletten, van goud, zilver of ook wel van papier, zijn door de Kerk gezegende voorwerpen, die men het vermogen toekent om den drager of de draagster te beschermen. Begrijpelijk was het dus, dat de Russin zich tegen dezen roof met wanhoop en woede verdedigde.
Verontwaardigd steeg Jakob van zijn paard en beval den kerel, alles wat hij haar ontstolen had, aan de vrouw terug te geven. Morrend voldeed de soldaat hier aan en Jakob wachtte nog eenigen tijd, om de Russin in de gelegenheid te stellen te ontvluchten.
Toen steeg hij weer op en vervolgde stapvoets zijnweg. Maar nog geen twintig passen verder hoorde hij een schot vallen in zijn onmiddellijke nabijheid. Verrast omziende bemerkte hij, dat die schelm van een soldaat, uit wraak dat hij zijn roof had moeten afstaan, op hem geschoten had. Woedend trok hij zijn degen en stormde op den deugniet los, die echter in een leegstaand huis de vlucht nam.
Jakob wendde nu den teugel en reed in bedaarden stap weer voort. Zoo veel mogelijk toch werd zijn paard door hem ontzien, want wijl steeds grooter gebrek aan fourage begon te komen, had het arme dier in de laatste dagen weinig meer dan het dakstroo van een boerenwoning tusschen de kiezen gehad. Wat men tot onderhoud der paarden in de stad zelf had gevonden, was reeds opgebruikt en nu moesten de omliggende dorpen daarin voorzien. Men kon echter geen toevoer aanbrengen, noch fourageeren, zonder te vechten. Daarenboven zwierven groote troepen kozakken rond, die aan de flanken allerlei nadeelen toebrachten. Op den weg naar Moshaisk werden zelfs honderd en vijftig dragonders van de garde overrompeld en hun opperhoofd gevangen genomen. Ook hadden zij reeds twee aanzienlijke transporten opgelicht: het eene door de achteloosheid, het andere door de lafhartigheid van den aanvoerder. Elken morgen moesten de soldaten van de ruiterij het voedsel voor den avond en den volgenden morgen ver weg gaan zoeken. En daar de omstreken van Moscou en van Winkowo hoe langer hoe minder levensmiddelen opleverden, moesten zij die weldra op 4 à 6 uur afstand vandaan halen. Zoowel de menschen als de paarden keerden uitgeput terug—àls zij nog terug keerden; want elke maat haver, elke bundel fourage werd hun betwist. Men moest ze geregeld den vijand ontweldigen. Het waren aanhoudende overrompelingen, gevechten, verliezen.
Ook de boeren werden lastig. Diegenen onder hen, welke uit winstbejag met eenige levensmiddelen naar de Fransche legerplaatsen waagden te gaan, straften zij met den dood. Anderen staken hun eigen dorpen in brand om er de fourageurs uit te verjagen en aan de kozakkenover te leveren. Murat zelfs, die bij de dagelijksche schermutselingen de helft van het overschot zijner ruiterij had zien verloren gaan, begon eindelijk ongerust te worden.
En steeds nog bleef keizer Alexander zwijgen.
Napoleon werd hoe langer hoe onrustiger. In zijn toorn deed hij de kerken van het Kremlin berooven van al wat tot zegeteekenen van het Groote Leger kon verstrekken. Ook het reusachtige gouden kruis op den toren van Iwan den Grooten moest er worden afgenomen om er het hôtel des Invalides te Parijs mee te versieren. Het kostte enorm veel inspanning, om dat kolossale gedenkstuk naar beneden te krijgen, aan welks bezit het Russische volk het heil van 't rijk hechtte.
Hoewel Napoleon toenmaals reeds zeer goed begreep, dat een langer verblijf in Moscou voor hem ondoenlijk was, bleef hij zijn besluit om heen te gaan nochtans uitstellen van den eenen dag in den anderen. Hij gevoelde, ja wist, dat hij de kracht van zijn strategisch kunnen had uitgeput, dat hij een grens had bereikt, die niet kon overschreden worden zonder gevaar voor vernietiging; dat hij niet verder in Rusland doordringen, niet tegen St. Petersburg oprukken, een nieuw doel zich stellen kon, omdat zijn leger hiertoe te zwak was geworden, te veel had geleden.
Daar begon eensklaps de eerste sneeuw te vallen. Van dit oogenblik dacht hij slechts aan den aftocht, al wilde hij er ook den naam niet van uitspreken, geen bevel geven, dat dien stellig aankondigde.
„Het leger moet zich over twintig dagen in zijn winterkwartieren bevinden,” gelastte hij. „Men dient te zorgen voor het vervoer der gekwetsten.”
Er was gebrek aan paarden voor zijn grof geschut, dat voortaan te talrijk was voor zulk een verminderd leger; men ried hem aan, een gedeelte van zijn kanonnen in Moscou te laten.
„Neen,” stoof hij op, „de vijand zou er zich een gedenkteeken van oprichten. Alles moet worden meegevoerd!”
Hij gaf, in dat woeste land, bevel tot het aankoopen van twintig duizend paarden en wilde, dat men zich voor twee maanden van fourage zou voorzien op een grond, waar de verste en gevaarlijkste tochten nauwelijks voldoende bleken om zich gedurende één dag te voeden.
Ondertusschen verzamelde Napoleon zijn legercorpsen; de monsteringen, welke hij in het Kremlin hield, werden menigvuldiger; hij rangschikte al de van paarden beroofde ruiters in bataljons en liet al de vervoerbare gekwetsten naar Mohaisk brengen.
Nog te midden van deze voorbereidselen dwong de vijand hem reeds tot handelen, want den 18denOctober greep deze Murats linkervleugel onverhoeds met overmacht aan en wierp hem met een geweldig verlies in Noordelijke richting terug.
Thans was Napoleons besluit terstond genomen. Het gansche leger ontving bevel, zich den volgenden morgen buiten Moscou aan den weg naar Kaluga te verzamelen.
In den avond van dienzelfden dag en gedurende heel den nacht trok het zonder ophouden Moscou uit. In die colonne van honderdveertig duizend menschen en omstreeks vijftig duizend paarden van allerlei soort, herkende men aan de krijgslieden, die, gepakt en gewapend, met meer dan vijfhonderd en vijftig stukken geschut en twee duizend artilleriewagens vooruittrokken, nog het Groote Leger van weleer. Maar de rest geleek meer op een bende Tartaren, die van een goed geslaagden rooftocht huiswaarts keerden.
Het was een samenmengsel van kalessen, kruitwagens, prachtige rijtuigen en karren van allerlei soort, beladen met zegeteekenen van Russische, Turksche en Perzische standaards, alsook het reusachtige kruis van den Heiligen Iwan met al de kostbaarheden, welke men uit de stad der Czaren geroofd had. Lieden van allerlei volken, zonder wapenen; bedienden die verschillende talen spraken; Fransche neringdoenden met hun vrouwen en kinderen; gepreste Russische boeren wier paarden een gedeelte van den buit moesten dragen of voortsleepen; komedianten; heel die bonte karavaan zonder regelmaat en orde, deedaan een zwervend volk der oudheid denken. Eén enkele stoute aanval der kozakken—en deze gansche nasleep van het leger viel in hun handen.
Ondanks de breedte van den weg en het geschreeuw van zijn escorte, had de Keizer moeite om door die zonderlinge menigte heen te komen. Toen hem dit eindelijk gelukt was, ging hij op den ouden weg naar Kaluga voort. Tegen den middag op het kasteel Krasnopasra aankomend, beval hij eensklaps, dat zijn leger den nieuwen weg zou gaan, dien het na drie marschen langs ongebaande wegen bereikte. Maar niet zonder moeite en gevaar; want een zware regen maakte dien weg schier onbegaanbaar. Door deze manoeuvre echter misleidde hij Kutusof, die hem op den ouden weg afwachtte en dien hij nu in één dagmarsch voorbijtrekken kon, om vóór hem te Kaluga te zijn.
Den 23stenOctober bereikte de Keizer het geheel verlaten stadje Borowsk, waar hij, vertrouwende dat Kutusof achter hem was, een zorgeloozen en gerusten nacht doorbracht.
Den volgenden dag werd prins Eugenius bij Malo-Jaroslawitzslaags met een gedeelte van Kutusofs armee en behaalde een bloedige overwinning: zij kostte Napoleon niet minder dan vierduizend man en zeven generaals.
Ook het huzaren-regiment van Jakob Stargardt had aan den veldslag deelgenomen. Na den moorddadigen slag bij Borodino slechts zeer onvoldoende aangevuld, had het in de herhaalde gevechten en schermutselingen rondom Moscou nog weer tal van manschappen verloren; thans was dit overschot tot op de helft geslonken.
Toen de Russen afgetrokken waren, reden Stargardt en de oude Ros in draf naar de plaats terug, waar hun escadron het hevigst had gevochten. Daar stegen zij af en zochten er tusschen de tallooze dooden en gewonden.
„Wáár heb je den wachtmeester zien vallen?” vroeg Jakob Stargardt aan zijn oppasser.
„'t Moet niet ver van deze plaats wezen,” zei Ros.
„Zàg je hem vallen?”
„Ik zag, dat hij een officier een houw gaf; meteenkreeg zijn paard een slag, waardoor het begon te steigeren... Op dat oogenblik schoot een Russische dragonder zijn pistool af, vlak langs mijn oor, en wachtmeester Vermaat kreeg het schot in zijn borst. Hij stak zijn armen in de lucht en viel achterover; en het paard viel op hem.”
„Dus weet je niet zeker, of hij werkelijk dood is?”
„Hm!.... zèker,—neen, zeker kan ik het niet zeggen... Maar 't is toch wel waarschijnlijk, ritmeester:—ik heb nog een paar keer naar hem gekeken, maar geen lid zag ik hem verroeren... Zoowáár,—daar zie ik hem liggen!”
Tusschen doode paarden en gesneuvelde ruiters lag Reinier Vermaat, het hoofd rustend op den schouder van een gesneuvelden Franschman, die dwars over het lijk van een Rus gevallen was. Reinier scheen te sluimeren; zijn oogen waren half gesloten, heel zijnhoudingwas die van een man, die na een zware vermoeienis was ingeslapen; zijn opengerukte dolman en vest, waardoor het van bloed doorweekte hemd zichtbaar werd, weersprak echter droevig die schijnbaar kalme rust.
„Zoo heeft hij niet gelegen,” zei Ros. Onwillekeurig sprak hij fluisterend, als vreesde hij, den wachtmeester te zullen wekken. „Hij lag met zijn gezicht naar den grond.”
„Dan is er wellicht nog leven in,” zei Jakob Stargardt.
Hij knielde bij den gewonde neer.
Reinier opende de oogen, en staarde zijn ritmeester vlak in 't gezicht.
„Laat mij sterven!” zei hij met zwakke stem,„en vervolg mij niet tot aan mijn dood!”
„Je zult niet sterven, Vermaat,” antwoordde Jakob Stargardt, zijn klamme hand grijpend, die geheel bebloed was;—„je zult niet sterven; we zullen doen wat we maar kunnen om je te laten genezen.”
„Waarom ben je me komen opzoeken?” vroeg de gekwetste, terwijl zijn oogen zich langzaam weer sloten.
„Omdat ik het niet kon verdragen dat iemand die berouw voelde, wellicht de eeuwigheid kon ingaan, zonder in de gelegenheid te zijn, dat berouw te bekennen.”
„Ik heb geen berouw!” antwoordde Reinier somber.
„Dat heb je wèl, Vermaat,—mij dunkt datmoetje hebben. Ik heb je nooit eenig kwaad gedaan; ik heb je rechtvaardig behandeld,—en toch heb je nu eenmaal jezelf opgedrongen, dat je mij haten moest.—Kom, laat ons weer vrienden zijn.—Er is te veel goeds in je—je bent veel te verstandig om je gemoed door haat te laten vergiftigen.”
Reinier draaide zich om en streek met zijn mouw over de oogen.
„Drommels!” pruttelde hij, „die wond schijnt ook al op mijn oogen te werken.”
De gekwetste zweeg, maar liet zijn hand in die van zijn vijand.
„Zou je op een paard kunnen zitten, als je wat ondersteund werd?” vroeg Stargardt nu.
„Ik weet het niet,” antwoordde Reinier week.
„We moeten het maar eens probeeren,” zei Jakob, „Maar eerst wil ik zoo goed mogelijk je wonden zien te verbinden.”
Hij ging naar zijn paard, rukte het chabrak los en haalde uit een der holsters een rol linnen: Moeder Jane had hem geleerd, dat hij dit altijd bij zich diende te hebben.
Reinier Vermaat bleek een schot in de borst te hebben; het bloed vloeide nog langzaam uit de wond. Jakob, bijgestaan door zijn oppasser, verbond de kwetsuur zoo goed hij kon, om het bloed te stelpen. Toen werd de gekwetste voorzichtig op Ros zijn paard getild, dat door den oppasser bij den teugel geleid werd. Stargardt ging naast Reinier rijden, om hem te ondersteunen.
Op den wagen van moeder Jane werd daarop den gewonde zoo goed mogelijk een ligplaats ingeruimd. Daarop kwam een der chirurgijns hem van den Russischen kogel bevrijden en vervolgens verbinden.
Den volgenden dag ging Jakob Stargardt den gekwetste zoo gauw mogelijk bezoeken. Hij lag stil voor zich uit te kijken.
„Ik heb goeie berichten,” zeide de ritmeester,—„dechirurgijn staat er voor in, dat je geneest; maar—je moet je rustig houden! Ook heb ik ander mooi nieuws voor je: Je bent tot ritmeester bevorderd.”
Reinier had geen enkele beweging gemaakt; hij sloot zijn oogen, maar twee dikke tranen rolden langzaam over zijn verbleekte wangen neer.
„Ik zie,” zei Stargardt, „dat ik je alleen moet laten; je bent wat van streek,—dat deugt niet voor je.”
Hij wilde weggaan, maar Vermaat greep zijn hand.
„Vergeef me,” zei hij met een weeke stem, „ik heb je beleedigd en miskend;—ik had gezworen mij niet door je edelmoedigheid te laten vermurwen, maar je hebt overwonnen. Je hebt je verschrikkelijk gewroken.”
Op Smolensk terug.
Met welk een vijand Napoleon van nu af rekening zou moeten houden, bleek hem reeds den morgen toen hij, het slagveld willende bezoeken, zich eensklaps omsingeld zag door een horde kozakken, die hij in de verte aanvankelijk voor Fransche cavalerie had aangezien. Aan de garde-grenadiers te paard gelukte het echter nog juist bijtijds, dien onverhoedschen aanval af te slaan.
Napoleon keerde naar zijn hoofdkwartier terug, eerst somber en zwijgend, toen woedend, dat een handvol kozakken hem, den beheerscher van Europa, op de vlucht had gejaagd.
Er werd nu langen tijd beraadslaagd en ten leste nam de Keizer het besluit om af te trekken en dat wellangs den weg, die hem vooreerst het spoedigst van den vijand zou verwijderen.
Het is opmerkenswaardig, dat hij het bevel tot dien aftocht naar het Noorden gaf op hetzelfde oogenblik, dat Kutusof en zijn Russen, geheel tot wankelen gebracht door den bloedigen slag bij Malo-Jaroslawitz, naar het Zuiden aftrokken.
Den 28stenOctober zag het Fransche leger Moshaisk weer. Deze stad was nog vol gewonden; sommige werden meegenomen, andere op één plaats vereenigd en, even als te Moscou, aan de edelmoedigheid van den vijand overgelaten. Na een verschrikkelijken strijd en na tien dagen met marschen en contra-marschen te hebben doorgebracht, was het leger drie dagreizen van Moscou af en—begon de winter!
Het was de Russische winter, en er was gebrek aan levensmiddelen! In de eerste dagen van den aftocht had men devoorraadwagens, welke de paarden niet meer konden voorttrekken, reeds verbrand. Daarna kwam het bevel, om alles achter zich in brand te steken; men voldeed slechts gedeeltelijk daaraan, door de kruitwagens, welker paarden uitgeput waren, in de lucht te laten springen.
Reeds bezweken er eenige manschappen; wat zou het dus zijn, als de winter zich in volle strengheid deed gevoelen? Het leger werd zelfs nu al bedrukt en neerslachtig. Al mokkend marcheerde men verder.
Eensklaps gingen er kreten van ontroering op en een ieder zag om zich heen. Men ontwaarde een geheel plat getreden, naakten, vernielden grond; al de boomen bleken op eenige voeten boven de aarde afgehouwen en verderop zag men van spitsen ontbloote heuvels; de hoogste scheen de meest misvormde. Overal was de aarde bezaaid met overblijfsels van helmen en harnassen, met gebroken trommels, vernielde wapenen, lompen van monteeringen en met bloed bevlekte standaards.
Op dien verwoesten grond lagen dertigduizend half verteerde lijken! Het was het slagveld van Borodino!
De Keizer trok er haastig voorbij. Niemand hieldzich op. De koude, de honger en de vijand drongen tot spoed; slechts wendde men, terwijl men voortging, nog eens het hoofd om, teneinde een droeven en laatsten blik te werpen op dat onmetelijke graf van zoo vele wapenbroeders, die nutteloos waren opgeofferd.
In den nacht bereikte Napoleon Gjatz en twee dagen later Wiasme. Hier vertoefde hij, om de corpsen van Prins Eugenius enDavoustaf te wachten, die van Malo-Jaroslawitz de achterhoede hadden gevormd.
Den eersten November trok de Keizer weer verder, terwijl hij Ney te Wiasme liet, om metDavousten Prins Eugenius den aftocht te dekken.
Twee dagen later had een Russisch legercorps die stad bereikt en moest de achterhoede daar een formeelen veldslag leveren, om den terugtocht te kunnen voortzetten.
De Franschen kostte dit treffen vierduizend man aan dooden en gewonden. Het overschot van het Hollandsche regiment huzaren was zoo goed als volkomen vernietigd. Slechts Jakob Stargardt, Ros en nog een stuk of wat anderen waren ongedeerd gebleven, maar hun paarden waren bezweken, zij zelf moedeloos en diep neerslachtig.
Moeder Jane poogde haar zoon te troosten: Weldra zouden zij immers Smolensk bereikt hebben: en daar was overvloed, daar wachtten hun goede winterkwartieren; daar nam hun ellende een einde.
„Maar vóór we zoo ver gekomen zijn, kunnen wij al lang verhongerd wezen,” zei Ros. „Uitdeelingen worden niet meer gedaan en nergens langs den weg vinden we eenige levensmiddelen, want de voor ons uit gaande corpsen zijn zoo roekeloos, om de meeste huizen en dorpen te verbranden. De achterhoede vindt niets dan asch.”
Inderdaad had de ellende reeds een groote hoogte bereikt. Het eenig voedsel, nu bijna elk zijn kleinen voorraad zoo zoetjes aan had verbruikt, was een stuk paardevleesch. En wijl iederen dag, door gebrek aan voeding, honderden paarden neervielen, was dááraan geen gebrek.
Ook de beide paarden voor moeder Jane's voertuigkonden nog slechts moeizaam meer voort. Tegen den avond van den volgenden dag, juist toen zij ze uit wilde spannen, stortte een der uitgeputte beesten plotseling in elkaar, door zijn val ook het andere deerlijk verzwakte dier omver werpend. De marketentster maakte de gareelen los en poogde de dieren weer overeind en althans op zij van den weg te krijgen. Maar haar inspanning bleek vergeefs. Vermoeid moest zij van alle verder pogen afzien en even later bleken de dieren reeds dood.
Terwijl moeder Jane, diep verslagen, nog altoos naar haar arme, van honger gestorven beesten te kijken stond, kwam plotseling een troep soldaten aan, samenmengsel van verschillende regimenten. Zij wierpen zich als een zwerm roofvogels op de doode paarden neer, hieuwen er lappen vleesch van af, en ondanks het protest van Reinier Vermaat en enkele andere vrienden, ondanks de smeekingen van moeder Jane, sloegen zij den wagen tot brandhout, om het vleesch aan de punt van sabel of bajonet een weinig te roosteren en daarop half rauw te verslinden.
Jakob, Ros en nog een tiental anderen waren er op uit gegaan om te zien, of zij niet eenig voedsel op konden sporen. Toen zij met het invallen van de duisternis terugkeerden, vonden zij de marketentster zonder wagen en paarden.
Maar zij waren zoo gelukkig geweest een vos te schieten en brachten bovendien een flinken voorraad hout mee.
Dadelijk werd het bivakvuur gemaakt en het vleesch geroosterd, dat zij vervolgens, te gelijk met het laatste overblijfsel van den uit Moscou meegevoerden leeftocht, verorberden.
Toen kwam het gesprek weer, als gewoonlijk in de laatste dagen, op den rampzaligen toestand van het leger en natuurlijk ook weer op het jongste verlies, dat de marketentster geleden had.
„Och,” zei moeder Jane, „het spijt me natuurlijk om de arme dieren. Maar ik was het immers ieder oogenblik te wachten dat ik ze kwijt zou raken. En den wagenhadden we tòch niet mee kunnen nemen. Wel beschouwd is het dus maar beter, dat onze ongelukkige soldaten er zich nog mee verwarmen, dan dat hij in handen van die roofzieke Kozakken gevallen was. Maar ja, op zoo'n eerste oogenblik zie je dat zoo niet in! Dan meen je, dat je het grootste onrecht wordt aangedaan.”
„Maarwijhadden toch anders het vleesch gehad, dat zullie daar nu verslonden hebben,” zei een der soldaten van hun groepje, wijzend naar de mannen rondom een naburig bivakvuur.
„Zou je dan denken, dat ik ook maar een enkele beet van mijn eigen paarden zou kunnen eten?” vroeg moeder Jane. „En jullie hebt toch van avond óók geen gebrek gehad, is 't wel?”
„Neen, neen,” zei Reinier, „het maal heeft me kostelijk gesmaakt!”—De Russische kogel die hem op het slagveld bij Malo-Jaroslawitz getroffen had, bleek gelukkig niet diep gegaan te zijn en had geen edele deelen geraakt. De zorgvuldige oppassing van Jakob en zijn moeder, gepaard aan zijn gezond en krachtig lichaamsgestel, brachten dan ook een wonderbaarlijk voorspoedige genezing. Bovendien was ook hij zoo verstandig geweest, zich in Moscou voor den naderenden winter uit te rusten.
Gelukkig echter werkte de natuur tot heden mee, om den tocht niet nòg zwaarder te maken. Overdag was het meestal zonnig, zacht weer; alleen 's nachts was het merkbaar, dat het koude jaargetijde naderde.
Maar den volgenden morgen veranderde opeens de lucht; het azuur verdween in een sluier van koude dampen. Deze dampen werden al dichter en vormden zich weldra tot een ontzaggelijke wolk, die in groote sneeuwvlokken op de voorttrekkende legerbenden neerdaalde. Het scheen alsof de hemel nederviel en zich vereenigde met den vijandelijken grond en zijn bewoners, om hun verderf volkomen te maken. Alles werd verward en onkenbaar; de dingen veranderden van gedaante; men trok voort zonder te weten waar men was, zonder zijn doel te bespeuren, alles werd verhindering.
Terwijl de soldaat zijn pogingen in het werk steldeom zich, te midden van ijzige wervelwinden een doortocht te verschaffen, hoopten zich de sneeuwvlokken, door den wind voortgedreven, opéén, en bleven in elke holte liggen. Zoo verborg haar oppervlakte aanhoudend onbekende diepten, welke zich trouweloos onder de voeten openden. De krijgsman zonk er in weg, en de zwaksten werden er in bedolven. Zij, die achter hen kwamen, maakten dan een omweg, maar de storm joeg de sneeuw des hemels en die welke hij van de aarde opjoeg hun grimmig in het gezicht en verblindde hun oogen; verwoed scheen hij zich tegen hun marsch te willen verzetten.
Onder deze nieuwe gedaante viel de Russische winter hun van alle kanten aan: hij drong snijdend door hun dun gewaad en opengescheurd schoeisel heen. Hun natte kleeren bevroren op hun lichamen; het ijs hechtte zich op hun vel en verstijfde al hun leden. De scherpe en hevige wind deed hun de lippen op elkander klemmen, maakte zich meester van hun adem, als zij dien uitbliezen en herschiep hem in ijskegels, welke langs hun baard om hun mond hingen.
Klappertandend sleepten de ongelukkigen zich voort, totdat de sneeuw, die zich aan hun voeten klompte, een tak, een verloren wapen, of het lichaam van een hunner kameraden hen deed struikelen en vallen. Onmachtig de handen te roeren, was hun kermen te vergeefs; zij werden spoedig door de sneeuw bedekt: een kleine verhevenheid slechts deed hen dan nog onderkennen: dáár was hun graf!...
De weg was vòl van zulke verhevenheden; de onverschilligsten, de onverschrokkensten werden er door geroerd; met de oogen er van afgekeerd, gingen zij er voorbij.
Maar vóór hen, achter hen, overal was de sneeuw; hun gezicht verloor zich in die onoverzienbare en treurige gelijkvormigheid; het was als een onmetelijk doodskleed, waarmee de natuur het leger omhangen had. De eenige voorwerpen, die er zich van losrukten, waren de donkere mastboomen, boomen des grafs, met hun ontzettendesomberheid en de reusachtige onbewogenheid van hun zwarte stammen, waardoor zij dit ijselijk schouwspel van een stervend wereldleger, te midden eener doode natuur, slechts volmaakten.
Het geweer werd voor de verstijfde armen der nog levenden een ondragelijk gewicht. Zij wierpen het niet weg, maar in hun menigvuldig vallen ontschoot het aan hun handen, het brak in stukken, of ging verloren in de sneeuw. Van vele anderen vroren de vingers aan het geweer dat zij nog vasthielden en dat hun de beweging ontnam, vereischt om er een overschot van leven en warmte in te behouden.
Welhaast ontmoette men een menigte menschen van allerlei corpsen, nu eens afgezonderd, dan weer bij troepen. Zij waren niet laf van hun standaards weggeloopen, het was de koude, de afmatting, die hen van hun colonnes had gescheiden. En nu dwaalden zij rond, ongewapend, overwonnen, zonder verdediging, zonder opperhoofden, slechts gehoorzamend aan den drang tot zelfbehoud.
Velen, door het zien van eenige zijdelingsche paden verlokt, verspreidden zich in de velden met de hoop, er brood en een schuilplaats voor den naderenden nacht te zullen vinden; maar alles bleek over een breedte tusschen de zeven en acht mijlen verwoest; zij ontmoetten slechts kozakken of gewapende boeren, die hen omringden, mishandelden, uitplunderden en hen, onder een woest gelach, naakt op de sneeuw lietenomkomen.
Spoedig naderde de nacht, een nacht van zestien uren. Maar in die sneeuw, welke alles bedekte, wist men niet wáár stil te houden en zich neer te zetten om te rusten, of waar droog hout te vinden om de vuren te ontsteken.
Toch dwongen vermoeidheid en duisternis om stand te houden. Maar de storm die nog altijd woedde, verspreidde de eerste toebereidselen der bivakken; de denneboomen, geheel met sneeuw beladen, weigerden gewoonlijk halsstarrig vuur te vatten en al vlamden zij soms een oogenblik op,—de sneeuw die door de warmte smolt, doofde die opflikkerende vlam en daarmee tevens den moed en de hoop op redding.
„Neen, jongens, zóó gaat het niet!” zei moeder Jane, toen eenigen van haar troepje met het bijeengebrachte dennenhout reeds een vuur wilden maken: „We moeten eerst de sneeuw wegvegen!”
„Dat is gemakkelijk genoeg gezegd,” meende een der soldaten, „maar, waarmee?”
„Wel, met bezems natuurlijk!”
„Die we niet hebben!” gromde een ander.
„Maar die we best kunnen maken!” viel de marketentster in. „Dit bosch heeft takken genoeg! Een bundeltje daarvan bij elkander gebonden, een dikken tak tot steel, en—de bezem is klaar!”
„Warempel, je hebt gelijk!” zei Ros. „Komt, mannen, dan maar dadelijk aan 't werk!”
Met hun drieën gingen zij nu aan het hakken en snijden; Jakob Stargardt, Reinier en moeder Jane bonden de takken met eenige dunne twijgen bijeen, terwijl de overigen met deze bezems het terrein schoon veegden.
De plaats voor het bivak gaf blijk van een verstandige keuze. Een hoogte beschutte tegen den fellen wind; als het hun dus gelukken mocht om vuur aan te maken, dan zou dit ten minste niet verwaaid worden. Maar het versch gekapte hout wilde slecht branden. Schier een half uur tobbens was reeds voorbijgegaan, zonder noemenswaardig resultaat, toen Ros en Jakob, na veel zoekens, ieder met een arm vol dood hout kwamen aandragen.
Nu laaide de vlam in een oogenblik hoog op, zoodat ook het andere hout bruikbaar werd en waarvan men een genoegzame hoeveelheid bijeen had gebracht om het vuur den ganschen nacht te kunnen onderhouden.
Zij roosterden nu hun paardevleesch en het weinigje roggemeel dat ieder nog bezat kneedde hij met sneeuwwater tot deeg, om dit vervolgens in de heete asch te laten bakken.
Dat was hun avondmaal.
Niet lang bleven zij echter alleen. Tal van ongelukkigen, aangelokt door het flikkerende vuur, hadden zich al spoedig bij hen gevoegd en slechts met moeitekonden zij hun plaats behouden. Er werd afgesproken, dat telkens twee hunner bij beurten het vuur zouden bewaken en voeden, terwijl de overigen mochten slapen. Zoo ging men den nacht in.
Toen zij den volgenden morgen, ondanks het goed onderhouden vuur, verkleumd en huiverend van het bivak opstonden om den vreeselijken tocht weer voort te zetten, moesten zij over een dubbelen kring van lijken stappen: soldaten, die, uit plaatsgebrek, buiten de warmtesfeer van het vuur gebleven, in den fellen vriesnacht waren doodgevroren. Overal elders zagen zij de bivakken door dergelijke gruwbare kringen afgeteekend, en verder bleek de grond bedekt met honderden doode paarden.
Sedert dien dag zonderden zich bij elk bivak, bij elken slechten overtocht, voortdurend een gedeelte der nog georganiseerde troepen af, om zich bij den ordeloozen nasleep te voegen.
Alleen bij de Keizerlijke garde bleef nog altoos de krijgstucht bestaan. Maar men had zich genoodzaakt gezien, den buit van Moscou in een meer te werpen: Kanonnen, Gotische wapenrustingen, uit het Kremlin meegenomen om als zegeteekenen naar Parijs te worden gevoerd, zelfs het reusachtige gouden kruis van den heiligen Iwan, alles verzonk in de diepte. Op dezen ontzettenden terugtocht wierp het leger, evenals een groot schip dat door den verschrikkelijksten storm geteisterd wordt, zonder aarzelen alles wat zijn voortgang kon bemoeilijken of vertragen, in die zee van sneeuw en ijs. Het was niet meer te doen om zijn leven áángenaam te maken, maar om het te redden!
Eindelijk zag het leger Smolensk weer, waar men het eind van al zijn rampen dacht te vinden. Reeds van verre wezen de soldaten het elkander aan. Dáár was het beloofde land, waar hun hongersnood den begeerden overvloed, hun vermoeidheid de rust zou erlangen; waar de bivakken van negentien graden koude in wèl verwarmde huizen zouden vergeten worden. Dààr zouden zij een herstellenden slaap genieten; hun havelooze plunje kunnen oplappen; dáár zouden hun nieuwe schoenen envoor het klimaat geschikte kleeren worden uitgedeeld!
Alleen de garde en eenige andere uitgelezen korpsen bleven in hun gelederen, de overigen liepen weg en snelden naar de lang verbeide stad. Duizenden van menschen, meest zonder wapenen, bedekten de twee steile oevers van den Dnieper; zij verdrongen zich voor de hooge muren en poorten der stad; maar hun onordelijke menigte, hun vervuilde gezichten, zwart geworden door aarde en rook, hun gescheurde monteeringen, de zonderlinge kleeding waarmee zij zich behielpen, heel hun vreemd, afzichtelijk voorkomen en hun vervaarlijke drift, schrikten af. Uit vrees dat die van honger razende menigte, wanneer men haar binnen liet, alles zou uitplunderen, sloot men de poorten. Men hoopte door deze gestrengheid tevens te bewerken, dat die verstrooiden zich weer zouden vereenigen.
Toen ontstond er onder het overschot van het rampzalige leger een verschrikkelijke strijd tusschen de orde en de wanorde. Het was te vergeefs, dat sommigen baden, weenden, smeekten, dat zij dreigden en trachtten de poorten open te breken, dat zij stervende neervielen voor de voeten van hun metgezellen, die belast waren hen terug te drijven.
Daar kwamen de oude en de jonge garde aan. Zij waren met den Keizer meegekomen, die hen voor het vuur der Russen gespaard had, en niet de minste wanorde was in hun gelederen voorgekomen, want voor hun voeding was wel gezorgd. Eerst nà hen konden de ongelukkigen die voor de poorten stonden binnentrekken, voor zoover ze niet dood of stervende aan de steile oevers der rivier nederlagen; zij snelden naar de magazijnen, maar men dreef hen er uit terug, omdat zij hun korps verlaten hadden en niet in het bezit van volgbriefjes waren, waarmee de magazijnmeesters zich verantwoorden konden en die door daartoe gemachtigde officieren moesten worden ingeleverd. Zij hàdden geen officieren meer, ze wisten niet eens waar hun regimenten waren. In dezen toestand bevond zich tweederde van het leger.
Toen verspreidden zich die rampzaligen door de straten, geen hoop meer hebbend dan in de plundering. Maar overal kondigden tot op de beenderen toe ontlede paarden hun den hongersnood aan: overal waren de vernielde en losgerukte deuren en ramen gebruikt om de bivakvuren te onderhouden der doortrekkende troepen. Er waren geen winterkwartieren voorbereid, men vond er geen hout; de zieken, de gekwetsten bleven in de straten, op de wagens, die hen hadden vervoerd. Het was en bleef steeds de noodlottige groote weg, dwars door een ijdelen naam heenloopende; het was een nieuw bivak te midden van bedriegelijke puinen, die nog kouder waren dan de bosschen, welke zij hadden verlaten. Kortom, datzelfde Smolensk, door het leger als de grens van zijn lijden beschouwd, scheen er slechts het eigenlijke begin van te worden. Honderden bij honderden stierven ook hier van koude en gebrek; en toen het bleek, dat de magazijnen slechts zeer onvoldoende werden bewaakt, kwamen de uitgehongerde benden ze eensklaps plunderen, waarbij nog heel wat voedsel nutteloos verloren ging.
Moeder Jane, Jakob, Reinier en Ros waren de eenigen van hun troepje, die zich te midden van al die wanorde bij elkander hadden gehouden. Maar juist door hun gering aantal was het hun des te gemakkelijker gelukt, een vrij dragelijk verblijf te bekomen.
Reeds van Wiasme af droegen zij hun pelzen, in Moscou gekocht, op het bloote lichaam, waardoor de koude hun weinig nadeel toebracht. Steeds waren zij matig geweest, wanneer er onderweg nog eens voedsel gevonden werd, en ook van het paardevleesch, soms overvloedig voorhanden, hadden zij altoos maar weinig gebruikt. Daarenboven bezaten zij alle vier een gezond en sterk gestel. In vergelijking van duizenden hunner metgezellen waren zij er dus nog zoo slecht niet aan toe, maar wijl zij uit de magazijnen niets hadden ontvangen, hadden zij thans volslagen gebrek aan voedsel.
Gelukkig echter werden te Smolensk de achterstallige soldijen uitbetaald, met een voorschot van twee maanden, waardoor hun beurzen opeenmaal goed gevuld raakten.
Zij kochten nu zooveel mogelijk van de geroofde eetwaren der anderen, wel wetend, dat nog tweehonderd uren gaans moesten afgelegd worden, alvorens zij de Weichsel zouden bereikt hebben. Want dat men te Smolensk niet overwinteren kon, was voor ieder nu wel duidelijk.
Onderweg had Jakob geducht met zijn laarzen gesukkeld: zijn pelslaarzen, te Moscou opgedaan, waren wel warm geweest te paard, maar niet geschikt om te loopen. Na eenige dagen marcheeren waren zij dan ook reeds zonder zolen. Voor tachtig francs had hij toen een paar oude laarzen van een rijdend artillerist gekocht, maar deze bleken hem te nauw, zoodat hij ze hier en daar had moeten opensnijden. In Smolensk kocht hij thans voor twintig francs een paar nieuwe soldatenschoenen.
Napoleon had er op gerekend, dat er voor vijftien dagen levensmiddelen en fourage aanwezig zouden zijn voor een leger van honderd duizend man; hij vond nog niet de helft dezer hoeveelheden aan meel, rijst en brandewijn. Vleesch was er niet.
Onder die omstandigheden moest het verbazing wekken, dat de Keizer niettemin zijn verblijf onnoodig te rekken scheen.
„We zijn hier nu al vier dagen,” zei Jakob, „en onze aangekochte eetwaren zijn al zoo goed als op. Wat heeft Napoleon in dit afgebrande, verwoeste Smolensk anders te doen dan van de aanwezige levensmiddelen gebruik te maken en zoo gauw mogelijk verder te gaan?”
„Misschien meent de Keizer,” vond Reinier, „wanneer hij gedurende verscheidene dagen zijn brieven uit Smolensk dateert, dat hij zijn vlucht zal laten voorkomen als een langzame, roemrijke terugtocht. Hij heeft ten minste bevel gegeven, de torens op de wallen te vernielen, omdat hij niet meer door die muren wil opgehouden worden, zooals hij zegt.”
„Jawel,” zei Ros, „alsof de mogelijkheid bestaat dat hij er weer terug zal keeren, terwijl het nog niet eens zeker is, of hij er wel uit zal kunnen komen.”
„Licht wacht hij hier wel zoo lang, om de artilleristengelegenheid te geven, hun paarden op scherp te zetten,” giste moeder Jane.
„Alsof er arbeid te verwachten is van werklui die uitgeput zijn van honger en van de langdurige marschen!” zei Jakob. „De dag is voor de meesten nog niet toereikend om de noodige levensmiddelen te vinden en ze gereed te maken.”
„En dan,” zei Ros, „de smidswagens zijn achter gelaten of vernield en alle materiaal ontbreekt voor zoo'n omvangrijk werk. Dàt kan het dus óók niet zijn.”
Evenwel, den volgenden dag, den 14denNovember, verliet Napoleon eindelijk Smolensk toch weer. Prins Eugenius had bevel gekregen, om de stad op den 15den,Davoustom ze op den 16dente ontruimen. Ney daarentegen moest eerst den 17denvertrekken. Hem was opgedragen, de assen der affuiten van de kanonnen die hij moest achterlaten, te laten doorzagen; die kanonnen zelf te begraven, de munitie onbruikbaar te maken, alle achterblijvers voor zich uit te drijven en de torens op de wallen te laten springen.
Tegen vijf uur in den morgen vertrok de Keizerlijke colonne. Zij marcheerde nog ordelijk, doch de houding der manschappen was somber en zwijgend. De nachtelijke stilte werd slechts afgebroken door het geluid der slagen waarmee de arme paarden voortdurend aangezet werden, alsook door de driftige verwenschingen bij het doortrekken van een ravijn, wanneer er op de gladde hellingen, in de duisternis, paarden voor de kanonnen neerstortten en de geheele bespanning in een verwarden hoop naar beneden tuimelde.
Op dezen eersten dag werden vijf mijlen afgelegd. De artillerie van de garde had er twee en twintig uur voor noodig gehad.
Van Smolensk naar Orcha.