Vijfde Hoofdstuk.

4)Koning Lodewijk.

Hoe de Amsterdammers Napoleon ontvingen.

Een zware dag voor vrouw Stargardt!” Met die verzuchting was mijnheer Vermaat uit den winkel gekomen, waar men hem juist verteld had, dat een uur geleden het doodvonnis aan den kreupele was voltrokken.

„Ik ga er dadelijk heen!” had juffrouw Vermaat toen gezegd. „De arme ziel zal wel wat troost en opbeuring noodig hebben.” En zóó eenvoudig was haarbinnenkomen, zóó hartelijk en natuurlijk haar deelneming geweest, dat sedert langzamerhand een warme genegenheid tusschen de beide vrouwen was ontstaan.

Maar ook Jakob Stargardt en Reinier Vermaat waren van lieverlede groote vrienden geworden, die men weldra schier geen Zondag buiten elkanders gezelschap zag.

Van Willem had moeder Jane, sinds Ep de Breukelaar nog eens was komen zeggen dat hij behouden aan boord van een Engelsch schip geraakt was, nooit weer iets vernomen.

Trouwens, ze had niet anders kunnen verwachten, wijl Napoleon's continentaal stelsel alle briefwisseling met Engeland verbood. Maar moeder Jane was het onder die omstandigheid, of zij niet één, maar twee dooden had te betreuren en al haar liefde droeg zij sedert op haar zoon Jakob over. Zij zou hem graag den heelen Zondag bij zich thuis gehad hebben, maar spoorde hem niettemin zelf aan, om met zijn vriend Reinier de stad in te wandelen, wat te roeien op den Amstel of zich op eenige andere betamelijke wijze te verstrooien. 't Is het recht van zijn jeugd, redeneerde zij, en ze was er al tevreden mee, dat hij 's avonds gewoonlijk thuis bleef.

Na een hunner Zondagsche uitstapjes, toen de beide vrienden in een koffiehuis een glas bier gingen drinken, vernamen zij daar als het groote nieuws, dat keizer Napoleon een reis door Holland ging doen en natuurlijk dan ook te Amsterdam zou komen.

Zij geloofden er aanvankelijk weinig van, maar weldra bleek, dat er aan het gerucht niet langer viel te twijfelen.

Reeds den 8stenAugustus had mijnheerDe Cellesden maire kennis gegeven van de komst des Keizers en hem uitgenoodigd, maatregelen voor een waardige ontvangst te beramen. Deze aanschrijving werd door meer dan twintig andere gevolgd, want op alle toebereidselen moest de goedkeuring van den prefect worden gegeven; hij moest een lijst hebben van de personen,die aan Zijne Majesteit zouden worden voorgesteld; zelfs mocht niet aan de versiering der loge in den schouwburg worden begonnen, voor mijnheerDe Cellesde inrichting had goedgekeurd. Ja, de geldsom, die de stad bij deze gelegenheid ten koste wilde leggen, moest ter beoordeeling aan den prefect worden toegezonden, een post, waarvoor de gemeenteraad den 25stenSeptember 165.000 francs had toegestaan. Nog meer, de prefect geliefde zelfs over de beurs der ingezetenen te beschikken.

Dra wist men ook, wat het doel van Napoleon's reis door Holland was.

De keizer stond in die dagen op het toppunt van zijn glorie. Zijn monarchieën strekten zich uit van dePyreneeëntot de bergen van Epirus, van de Middellandsche zee tot het Baltische strand. Van het Rijnverbond voerde hij den titel van beschermer, van het Zwitschersche bondgenootschap dien van bemiddelaar. Leden van zijn geslacht bekleedden de koninklijke of vorstelijke waardigheid in Spanje, in Napels, in Westfalen, in Lucca en in Berg. Een zijner generaals was erfgenaam geworden van den Zweedschen troon, een ander heerschte over het vorstendom Neuchâtel. Door staatszucht hiertoe genoopt, had de Keizer van Oostenrijk zijn dochter Maria Louise aan den gelukkige tot vrouw gegeven, en al de overige souvereinen van het vasteland waren Napoleon's gedweeë bondgenooten. De geboorte van een zoon, den Koning van Rome, op den 20stenMaart, had Napoleon's stamhuis bevestigd. Zij was gevierd met een praal zóó overweldigend, als nog nooit bij de geboorte van een vorstenkind aanschouwd was. In Bonaparte, door al dien voorspoed bedwelmd, begon in deze dagen hoe langer hoe meer de aan hoogmoeds-waanzin grenzende gedachte vorm te krijgen, dat de Voorzienigheid hem met een bepaalde roeping hier op aarde had doen verschijnen.

En toch, in weerwil van al de glorie die hem omgaf, bleef Napoleon onbevredigd.

Even als de hartstochtelijke speler, prikkelde ieder nieuw geluk hem, om nog grooter kansen te wagen, naar nog grooter gewin te trachten. Landen te veroveren,volken te bedwingen, vorsten te vernederen, overwonnenen, aan zijn voeten te zien, het was hem een onverzadelijke behoefte geworden, en het bleek ook deze behoefte die hem aanzette, Holland te bezoeken. Het trotsche Engeland, dat hem stoutmoedig bleef tarten, hem Egypte en Syrië had ontwrongen, hem de eene Fransche kolonie na de andere in Oost en West had ontrukt, hem belette om vasten voet op Sicilië te krijgen, hem in Portugal en Spanje niet zonder voordeel bestreed en ter zee de heerschappij voerde, dat Engeland bleef hem immer de donkere wolk boven den in hellen zonneglans badenden horizon van zijn bestaan. Kon hij Engeland vernederen en ten onder brengen, dan achtte hij geen macht meer ter wereld in staat, om perk te stellen aan zijn veroveringen, dan kon hij alleenheerscher worden van geheel Europa.

De vereeniging nu der Fransche en Hollandsche zeemacht deed hem een uitbreiding zijner marine verwachten, welke hem in staat stellen zou om met zijn vloten die van Brittanje te vernietigen. Daarom achtte hij het van het hoogste belang, Holland's maritime krachten te leeren kennen uit eigen aanschouwing.

Zoo waren de hooge autoriteiten te Amsterdam dan rusteloos in de weer, om den Keizer bij zijn bezoek aan „de derde hoofdstad” van zijn rijk, een schitterende ontvangst te bereiden en van wege den prefect, den maire of den politie-directeurDuterrageverscheen het eene bevel na het andere. Bevelen aan de voornaamste ingezetenen, om personen uit het Keizerlijk gevolg behoorlijk te huisvesten; bevelen omtrent de militaire inkwartiering der hoogstwaarschijnlijk te wachten vermeerdering van krijgsbezetting, verbodsbepalingen met betrekking tot het opslaan van kramen, stellages en stalletjes, het klimmen in boomen tijdens den intocht, het afsteken van voetzoekers of ander vuurwerk binnen de stad, kortom, het regende aanschrijvingen.

En weldra kwamen Reiniers nog schoolgaande broers Bert en Bruno, die als echte jongens overal bij waren, op een Zaterdagmiddag thuis, druk en opgewonden over al het moois dat zij gezien hadden.

„Aan den Outelerweg wordt een eereboog gemaakt,” zei Bert, „toch zóó prachtig, ò!!...”

„Nee maar, dan moet je de Muiderpoort eens zien!” riep Bruno,„die is nog veel, véél mooier!”

„En in 't midden van de Plantage zijn ze óók al aan een eereboog te maken!” begon Bert nu weer.

„En op de Reguliers-Breêstraat!” viel Bruno in.

„En op het Kadijksplein!” vulde zijn broer weer dadelijk aan.

„Jongens, jongens!” riep juffrouw Vermaat ten slotte wanhopig, „jullie maakt ons nog doof met al dat geschreeuw.”

Na zoo'n waarschuwing zwegen ze wel, maar de volgende dagen ging het precies hetzelfde. Dan waren zij in verrukking over de drie zegezuilen welke op de hooge Amstelbrug werden opgericht, over den fraaien tempel, die aan het einde der Keizersgracht getimmerd werd, of over het prachtige salon, dat op de muren der schutsluisen werd gemaakt, om den Keizer en de Keizerin te ontvangen, wanneer zij het vuurwerk op den Amstel zouden bijwonen.

„En op school heb ik gehoord,” zei Bruno, „dat àlle klokken bij den intocht moeten luiden!”

„En àlle torens en openbare gebouwen moeten vlaggen!” viel Bert dadelijk in.

„En àlle geestelijken in vol ornaat voor hun kerken staan!” wist Bruno weer te vertellen.

Zij waren er vòl van, de jongens, en konden maar niet begrijpen, hoe hun vader en moeder er zoo weinig mee òp schenen te hebben.

Op zekeren dag kwamen zij met vuurroode gezichten thuis, zwoegend onder den last van eenige potten met planten en bloemen, die ze met moeite in hun armen droegen.

„Wat heb iknuaan de hand?” zei mijnheer Vermaat verbaasd.

„Gekregen! Allemaal gekregen!” juichten de knapen, hun vracht behoedzaam neerzettend.

Hun vader vertrouwde de zaak echter niet. Hij maaktezich erg ongerust, dat zijn jongens misschien de Bloemmarkt geplunderd hadden en ging onmiddellijk op onderzoek uit.

Tot zijn onuitsprekelijke vreugde bleek hem dra, dat Bert en Bruno werkelijk op een eerlijke wijze aan al die bloemen gekomen waren.

Van wege Napoleon's hofhouding—zoo vernam de tabaksverkooper—was de groot-hofmaarschalk Duroc in het paleis aangekomen, om de vorstelijke verblijven in gereedheid te brengen. Niets veroorzaakte hem meer zorg dan de stallen. Die, waarvan Koning Lodewijk zich had bediend, waren te ver van de hand, daar de Keizer dikwijls onverwacht uitreed en het rijtuig dan oogenblikkelijk vóór moest zijn. De naburige Bloemmarkt werd eindelijk als de meest geschikte plaats beschouwd. Maar, daarbij deed zich een zwarigheid op. Duroc wist, dat de Keizer,—in kleinigheden althans,—de denkbeelden en gebruiken van het volk niet wilde kwetsen en wanneer hij nu de Amsterdammers hun bloemenmarkt ontnam, dan zou de groote menigte dit wel eens als een nieuwe grief kunnen opvatten.

Om dit te voorkomen, bedacht hij een aardige vond.

Hij gaf bevel aan eenige bedienden, om al de bloemen en planten, die ter markt waren gebracht, op te koopen tegen den prijs dien men er voor vroeg en ze weg te schenken aan de omstanders op voorwaarde, dat zij er dadelijk mee naar huis zouden gaan.

De menschen wilden in het eerst niet best gelooven, dat het met dit aanbod ernst was. Zij aarzelden, om het aangebodene in ontvangst te nemen, maar toen zij ten leste begrepen, dat de Keizerlijke bedienden het werkelijk méénden, verwekte dit evenveel verbazing als genoegen. Elk nam nu zooveel hij dragen kon en ging er opgeruimd en blijmoedig mee naar huis.

Oningewijde voorbijgangers, de Keizerlijke bedienden overal op de markt zoo ijverig bloemen ziende koopen, meenden eerst dat die tot versiering van het paleis moesten strekken, maar toen zij daarop menschen van allerlei slag in verschillende richtingen met bloempottenen planten zagen aftrekken, begrepen zij er niets van.

Zonder wanorde of vechtpartijen geraakte het terrein op die manier in een oogenblik ontruimd. Ja, de heele zaak had zóó 'n rustig en kalm verloop, dat in het overige van de stad geen mensen gewaar werd, wat er was voorgevallen. Wie dus een uur later ter markt kwamen keken niet weinig verwonderd, dat er geen bloemen meer te koop waren, doch een honderdtal werklieden ijverig zwoegden om er stallen op te slaan.

Mijnheer Vermaat behoefde zich dus over de herkomst van de bloemenschat zijner bengels niet langer te bekommeren en ging welgemoed weer aan zijn werk.

Toen hij 's avonds met enkele bekenden, waaronder de humoristische schrijver en dichter, Fokke Simonsz., in een der koffiehuizen van de Kalverstraat te praten zat, vertelde hij het voorgevallene op de Bloemmarkt aan zijn gezelschap, en als vanzelf kwam toen het gesprek op Napoleon's reis door Holland en zijn aanstaande komst in Amsterdam.

„Ik zal er geen voet om verzetten!” zei Fokke Simonsz., zoo los weg en daarmee werd het onderwerp beëindigd.

Maar nauwelijks zat de dichter den volgenden morgen aan zijn schrijftafel, of hij ontving bezoek van een hem welbekend Fransch ambtenaar. Het was de tooneelschrijver Alexander van Ray, berucht om den ijver waarmee hijDe Cellesdiende, en daardoor gehaat bij al zijn stadgenooten.

De bezoeker begon met een luchtig praatje, dat in het minst geen kwaad deed vermoeden, sprak verder over allerlei onbeduidendheden, maar eindigde met de verklaring, dat de dichter zijn huis verlaten en met hem mee moest gaan.

Fokke Simonsz., begrijpend dat het doelloos zijn zou, zich te verzetten, onderwierp zich, ondanks het gejammer van zijn gezin, aan het lot dat hem wachten mocht. Want zijn bezoeker liet hem in het onzekere, wat de aanleiding tot deze inhechtenisneming was.

De dichter, die op de Prinsengracht bij het Aalmoezeniershuis woonde, had maar weinig schreden buitenzijn deur te doen, daar Van Ray hem geleidde naar een der beide gevangenissen, waarin bij voorkeur dergelijke ongelukkigen achter slot werden gebracht.

Weldra zat Fokke Simonsz. in een akelige cel van het Verbeterhuis, vergeefs vorschend naar de reden, waarom men hem zijn vrijheid ontnomen had. De oppasser, die hem het levensonderhoud bracht, haalde bij zijn vragen de schouders op, en de politie gaf geen verantwoording van haar daden.

Fokke Simonsz. was de eenige niet, wien in deze dagen het lot van inkerkering te beurt viel; hij deelde het met verscheidene anderen, terwijl daarenboven ettelijke burgers last hadden, om hun woning tot wederopzeggens niet te verlaten, of wel voor den tijd van enkele weken de stad te ontruimen.

Op deze manier beijverde zichDe Cellesom alle, voor een gunstig verloop der aanstaande feestelijkheden gevaarlijk geachte elementen, intijds te isoleeren en onschadelijk te maken.

't Was dus waarlijk geen wonder—toen Jakob den Zondag vóór 's Keizers intocht zijn vriend Reinier tot een roeitochtje afhaalde—dat mijnheer Vermaat bij het heengaan hun meer dan ooit tot voorzichtigheid in hun spreken aanspoorde.

Nauwelijks echter kon Jakob zijn woorden volkomen onbereikbaar achten voor ieder verraders-oor, of hij moest zich uiten over iets dat hem zeeronaangenaamhad getroffen.

„Kijk”, begon hij, „dat je vader ons voortdurend tot voorzichtigheid aanmaant, is natuurlijk te prijzen. Aan mijn eigen vader hebben we kunnen zien, hoeveel ellende een enkel woord wel kan te weeg brengen. Maar voorzichtigheid is toch nog heel iets anders dan wat jullie doet...”

„O, ik begrijp het al!” viel Reinier dadelijk in. „Je bedoelt, dat ons huis versierd is, nietwaar?...”

„Ja, ronduit gezegd is me dat vreeselijk tegengevallen...”

„Dacht je dan, dat het ons zèlf niet ergerde?” vroeg Reinier bitter. „Maar wij móeten wel!De Cellesheeftden maire last gegeven om te zorgen, dat al de huizen, waar de Keizer bij zijn intocht langs moet komen, versierd zullen zijn. En de politie zorgt natuurlijk, dat die last behoorlijk wordt uitgevoerd.

Begrijp je wel? 't Is den prefect niet genoeg dat deautoriteitenhun hulde bewijzen, neen, ook deburgerijmoet den Keizer huldigen!

Met hetzelfde doel zijn er van de week drie eerewachten opgericht, een eerewacht te paard, een te voet, en een marinewacht. Ook dáár was bij een heeleboel lui al even weinig liefhebberij voor. MaarDe Celleswist al weer raad. Hij liet biljetten bij de voornaamste Amsterdammers rondbrengen, waarin gedreigd werd, dat zij voor hun zoons, als die straks in de loting mochten vallen, geen plaatsvervanger konden stellen, wanneer die zoons weigerden om den Keizer te verwelkomen.”

„Jawel”, zei Jakob, „de prefect wil blijkbaar met alle mogelijke middelen Napoleon in het idée brengen, dat Amsterdam wonderveel van hem houdt, gedwongen stadsversieringen, gedwongen versiering vanwege de burgerij, gedwongen eerewachten,—och, och, wat een komedie! Maar bij eenwelkomenintocht behoort nu eenmaal óók gejuich en gejubel, en meneerDe Cellesmoet knap zijn, als hij dàt weet klaar te spelen!”

„Neen, dáár zal hij toch wel geen kans toe zien!” gaf Reinier toe.

Het bleek echter bij den intocht, hoe deerlijk zij zich hierin vergisten.

't Is waar, de algemeene stemming bij de burgerij was dof, somber, mokkend; en de prefect begreep zéér goed, van een dergelijke burgerij geen kreten van geestdrift te kunnen verwachten. Maar toch had hij het er op gezet, dat Napoleon bij zijn intocht zou toegejuicht worden, en tot het uiten van die jubelklanken had hij de tweeduizend manschappen op 's Rijks werf en de stedelijke werkwinkels bestemd. Die allen moesten zich bij 's Keizers intocht, onder contrôle hunner kommandeurs—doch zonder eenige onderscheidingsteekens—op bepaalde plaatsen vereenigen, daar hun „Leve de Keizer!” aanheffenen dan zoo gauw mogelijk langs een anderen weg opnieuw den stoet zien te bereiken, om dit spelletje te herhalen.

Den 9denOctober, den dag, dat Napoleon zijn intocht zou houden, kon de prefect dus met volle gerustheid achten, de ontvangst behoorlijken scênete hebben gezet.

Te middag begaf zich Jakob, die vrijaf gekregen had, naar het huis van den tabaksverkooper over de Munt, om er den stoet voorbij te zien trekken, gedreven als hij werd door een onweerstaanbaar begeeren, om nu eindelijk den man zelf eens te zien, wiens naam en daden geheel Europa vervulden.

Hij vond de geheele familie Vermaat op de voorbovenkamer vereenigd.

Bert en Bruno stormden dadelijk naar hem toe, in de overtuiging dat zij reeds wonderveel nieuws te vertellen wisten.

„O, o, wat ben je laat! MijnheerLe Brunis den Keizer al te gemoet gereden!” riep Bert.

„Met den prefect en den maire!” viel Bruno in.

„MijnheerDuterragewas er ook bij!” vervolledigde Bert weer,„en nog een heele boel andere heeren, wel twintig!”

„Twintig?!—Puh! Wel dertig!” meende Bruno. Toen begonnen zij te kibbelen over het aantal, tot vader hun vermaande om wat rustig te zijn.

Nu tuurden zij om de vijf minuten de straat in, keken aanhoudend op de klok en zuchtten gedurig: „Wat duurt het toch lang, wat duurt het toch lang!”

Eindelijk, te drie uur ongeveer, daar ving het bulderen der kanonnen aan en in 't zelfde oogenblik begonnen alle klokken in de stad vroolijk te beieren...

Bert en Bruno vlogen naar de ramen, schoon daar natuurlijk nog niemendal te zien was dan de dubbele rij van nationale garden, die heel den weg van de Muiderpoort tot aan het paleis bezet hadden en van dit oogenblik af niemand meer door mochten laten.

„Blijf gerust nog maar wat zitten jongens”, vermaande de tabaksverkooper, „de Keizer is de Muiderpoort nog pas genaderd!”

Thans begon het wachten die onrustige jongens echter moeilijker te vallen dan ooit.

Dáár klonk de kreet:Le cheval blanc! Le cheval blanc!aangeheven door eenige personen, die den naderenden stoet voorafgaande, blijkbaar in last hadden de tallooze toeschouwers tot vreugdebetoon op te wekken.

Allen namen nu aan de ramen plaats.

Het eerste wat zij te zien kregen, was een piket van de eerewacht te paard.

Toen volgde de Hollandsche ruiterij onder aanvoering van den generaal Colbert en nog was die niet voorbij of Bert en Bruno riepen om strijd: „Kijk, kijk! Allemaal vreemde soldaten, soldaten met pieken!”

„Dat zijn Poolsche lanciers!” lichtte hun vader in.

Na de Polen kwamen vijf statiekoetsen en zij begrepen onmiddellijk, dat in het laatste op een na de Keizerin moest zitten, want het was bespannen met niet minder dan acht melkwitte paarden, terwijl acht pages terzijde van het rijtuig gingen.

Nu volgde een piket van vijf-en-twintig grenadiers te paard; daarop drie afdeelingen kurassiers, het piket van 's Keizers lijfwacht, de jagers der garde, deordonnance-officieren en eindelijk, op een wit Arabisch paard—de Keizer!

Plotseling daverde een zwaar en krachtig:Vivel'Empereur!Want de stadstimmerlieden en stratenmakers, die kort te voren hun jubelkreet op de Botermarkt5)hadden uitgegalmd, waren langs de Kistenmakersgracht naar de Muntsluis geijld, om thans ook hier hun gejuich aan te heffen.

„Is dàt nu de Keizer!” zeiden Bert en Bruno teleurgesteld.

„Stil, jongens!” waarschuwde hun vader, „of je gaat onmiddellijk naar de achterkamer!”

Maar ook hij was zichtbaar teleurgesteld en evenzeer Reinier en Jakob.

Die kleine, tamelijk gezette persoon, met zijn rondenrug, gekleed in de eenvoudige uniform van kolonel der garde-jagers te paard, die man, met zijn fluweelzachte oogen in het bleek-bolle gezicht, was dàt nu die geduchte Napoleon, waar heel Europa voor sidderde?

En toch,—terwijl het vervolg van den schitterenden stoet, de officieren van 's Keizers Huis, de maarschalken, de generaals en stafofficieren, de grenadiers van de lijfwacht te paard, de dragonders der lijfwacht en eindelijk de zevende afdeeling kurassiers, terwijl dat alles aan hun blikken voorbijtrok, zagen zij in hun verbeelding nog altoos die kleine, gezette figuur met de raadselachtige oogen in het bleek-bolle gelaat.

Toen de Keizer, in het paleis aangekomen, zich op het balkon vertoonde aan de menigte, die geheel den Dam vulde, klonk het gejuich en gejoel nog luider dan ergens anders.

Geen wonder, het stads- en landswerkvolk, dat gecontroleerd door zijn kommandeurs, zich op verschillende plaatsen bij de geheime politie had moeten aansluiten, om hetVive l' Empereuraan te heffen, had nergens gelegenheid gevonden, de Kalverstraat troepsgewijze binnen te dringen, om de voorgeschreven kreten te herhalen, doch het kreeg gelegenheid te over, om naar den Dam te snellen. Daar was ieder op het appèl en hetVive l' Empereurdaverde schier onafgebroken door de lucht.

MijnheerDe Celleskon te vreden zijn: Amsterdam had den Keizer met gejuich ontvangen, schoon de prefect hierdoor met zijn eigen rapporten in tegenspraak gekomen was, die herhaaldelijk van de ontevreden stemming onder het volk gerept hadden. Om de waarheid dezer beweringen te staven, had hij niets anders behoeven te doen, dan de ontvangst van den Keizer geheel aan het volk over te laten. Maar—hij wist het—in dat geval zou aan Napoleons triomftocht een volkomenfiascoten deel zijn gevallen.

Intusschen, men kon Napoleon niet straffeloos misleiden, zelfs niet om hem te vleien. Hij weesDe Celles, die hem op het balkon gevolgd was, op de juichende menigte en zei: „Zie eens, mijnheer de prefect, hoezeer u zich vergist heeft!”

De Celleswas echter voorbereid op die aanmerking en met een buiging antwoordde hij hoffelijk: „Sire, dat is de cijns, die ieder volk brengt aan den grootsten man zijner eeuw.”

Onmiddellijk daarop ontving de Keizer de ministers en den staatsraad ten gehoor en zoolang hij te Amsterdam vertoefde werden iederen dag opnieuw mannen van rang en aanzien ter audiëntie ontvangen.

Evenals bij zijn luisterrijken intocht deed hij bij deze gehooren de zeldzaamste pracht en weelde ten toon spreiden. Men kon zich inderdaad niets schitterenders voorstellen dan het Keizerlijk hof op het paleis te Amsterdam. De rijke en smaakvolle tooisels der dames van het Huis der Keizerin, de kostbare en verblindende costumes der groot-officieren, der hooge ambtenaren, deraides-de-campen ordonnance-officieren, het civile en militaire Huis des Keizers uitmakende, de rijke mengeling van uniformen der officieren van land- en zeemacht, de met goud geborduurde kleeding der hoofdambtenaren van verschillendeburgerlijkeadministratiën, de menigte van ordelinten, grootkruisen, versierselen van alle ridderorden in Europa, zetten aan de plechtige ontvangsten en feesten aldaar een ongemeenen luister bij.

Over deze tentoonspreiding van schier nooit geziene weelde uitte Napoleon zich tot zijn vertrouwde,Caulincourt:

„Denk toch niet, dat de pracht, die ik op deze reis ten toon spreid, het gevolg zou wezen van een kleingeestige ijdelheid! 't Is louter een middel, dat ik te baat neem. De menschen geraken gaarne in beweging en hun geestdrift valt hèm ten deel, die ze weet op te wekken. De verleiding gaat door de oogen tot het hart. Het Keizerlijk hof moet zich groot en indrukwekkend vertoonen; men is altijd geneigd zich te buigen voor hetgeen men bewondert.”

Herhaaldelijk liet Napoleon zich in een sloep naar de werf en de haven roeien, bezocht Muiden en Naarden om de linie van Amsterdam te leeren kennen, begaf zich over Broek-in-Waterland, Hoorn en Medemblik naar DenHelder, om er den staat der vloot en vesting- en havenwerken op te nemen, gaf overal bevelen, wilde alles zelf zien en was ook nu weer, door zijn juisten blik en afdoend ingrijpen waar hij fouten zag, als altoos en overal een raadsel voor allen die hem vergezelden.

Den 21stenOctober vertrokken de Keizer en de Keizerin weer uit Amsterdam, om hun tocht naar de Hollandsche departementen voort te zetten. Den laatsten dier zelfde maand verlieten zij het Hollandsche grondgebied en keerden over Wezel en Keulen naar Frankrijk terug.

5)Tegenwoordig het Rembrandtsplein.

Moeder Jane neemt een kloekmoedig besluit.

De burgers, die door de Fransche gezaghebbers, als gevaarlijk voor de rust, gedurende Napoleons reis in den kerker waren gezet, doch van geen misdaad of samenspanning konden beticht worden, kregen na 's Keizers vertrek hun vrijheid weer. Die ontsluiting kwam voor hen even onverwacht als de gevangenneming.

Den dichter Fokke Simonsz. werd zijn vrijheid enkel aangekondigd met een kort: „Je bent ontslagen!” Dit moest hem genoeg zijn, en niet voor hij thuis gekomen was werd het hem duidelijk, dat hijgedurendeNapoleons verblijf te Amsterdam achter slot en grendel had moeten zitten.

Hadden sommigen van de reis des Keizers naar Holland verzachting der drukkendste beperkingen, van de knevelarijen der ambtenaren, van de kwellingen der hooggeplaatste gezaghebbers gehoopt, die hoop werd ten volle verijdeld. Ja, weldra bleek, dat de naaste toekomst nog drukkender worden zou.

Tegen betaling van een daalder per maand werd aan mijnheer Vermaat, uit het koffiehuis aan den overkant, iederen avond na zevenen, als de bezoekers de krant al gelezen hadden, hetStaatkundig Dagblad van het Departement der Zuiderzeebezorgd. Daar dit het orgaan der regeering was, werden alle stukken er dus het eerst in opgenomen. Bovenaan stond het Keizerlijk wapen, de Fransche adelaar, en het blad was, evenals toen al de andere bladen in ons land, in twee kolommen gedrukt, waarvan de eene in het Fransch was geschreven, de andere hetzelfde in het Hollandsch bevatte.

Op een avond, nadat mijnheer Vermaat den winkel gesloten had, ging hij, als naar gewoonte, bij de familie in de huiskamer zitten, om de courant te lezen.

Maar hij had het blad nog nauwelijks ingezien of wanhopig riep hij: „Groote God!... Dat wordt mijn ondergang!...”

„Manlief, watiser?” riep juffrouw Vermaat ontsteld. Ook Reinier en de beide schooljongens keken vragend en angstig hun vader aan. Zijn gezicht zag doodsbleek en strak tuurde hij op de courant, die beefde tusschen zijn handen.

„Een nieuw decreet... De Regie wordt ingevoerd!”

Bert en Bruno begrepen daar niet veel van. Maar voor hun moeder en Reinier waren die enkele woorden droevig-duidelijk. Zij wisten dat ze beteekenden: Weldra is alleen de Keizer tabakshandelaar, dan mag niemand meer tabak verkoopen dan enkel de door Napoleon aangestelde ambtenaren.

Door dit decreet werd alzoo hun welvaart, tegelijk met die van duizenden andere nijvere kooplieden, winkeliers en fabrikanten als met één slag vernield en zouden knechts en werklui met hun gezinnen tot volslagen armoede geraken.

Op den eersten Januari 1812 moesten alle kerfbanken, snuifmolens en andere werktuigen, benevens al de nog voorhanden tabak onder eede en tegen vastgestelde prijzen aan de magazijnen van het Bestuur worden afgeleverd. De overneming en beoordeeling der waarde zou geschiedenten overstaan van twee rijksambtenaren en twee schatters; de eersten zouden de belangen van den Keizer, de beide anderen die van den koopman behartigen.

Alle tabaksverkoopers werden niet meer dan slijters. Zij moesten naar die betrekking dingen en konden ze in geen geval zonder belangrijke geldelijke offers verwerven. Gelukte hun dit, dan kregen zij borden met het Keizerlijk wapen voor hun deur en verkochten de regie-tabak, door de magazijnen geleverd, in kleine pakjes, voorzien van het Keizerlijk merk.

Mijnheer Vermaat had het onmogelijk van zich kunnen verkrijgen, om Fransch ambtenaar te worden en het Keizerlijk wapen voor zijn deur te dulden. Hij had zich dan ook niet aangegeven en zou dus op den 1stenJanuari eensklaps zonder bestaansmiddel zijn.

't Was alzoo een treurige Oudejaarsavond voor de familie Vermaat, die Oudejaarsavond van 1811.

In den winkel bleek het heel dien dag drukker dan ooit. Iedere klant wenschte zich zoo lang mogelijk van tabak te voorzien, om vooreerst althans niet van de, naar alle waarschijnlijkheid zeer dure rijkstabak, te moeten koopen. Niemand mocht echter meer dan tien pond in huis hebben. Toen zij later, wijl hun voorraad opgerookt was, van de Regie moesten inslaan, bleek die tabak, meerendeels inlandsch gewas, zóó duur en zóó slecht, dat men ze haast niet rooken kon.

In den winkel hadden vader en Reinier het dus overdruk met het bedienen der klanten en intusschen was juffrouw Vermaat met toebereidselen tot de Oudejaarsavondviering beslommerd: Misschien is het voor de laatste maal dat we het doen kunnen, had ze gemeend.

Terwijl ze juist even de deur was uitgewipt om nog wat inslag te doen, had Bert toevallig een ontdekking gedaan.

„Psst!...” wenkte hij, het hoofd om de kamerdeur stekend, geheimzinnig fluisterend tegen Bruno, „Kom eens mee!”

Bruno, die in een boek te lezen zat, was dadelijk gereed hem te volgen.

Bert bracht hem in de keuken voor de aanrechtbank, waar hun moeder al een en ander had klaargezet, en gewichtig op een groote kan wijzend, vroeg hij:

„Wat is dat?”

„Melk!...”

„En dat?”

„Eieren!...”

„En dàt?” ging Bert met onverstoorbare geheimzinnigheid voort, op een papieren zak wijzend.

„Meel!” zei Bruno. „Maar wat wil je toch?”

„Weet je, wat je van meel en melk wel maken kunt?...”

Bruno bedacht opeens, dat het straks Oudejaarsavond was, een glans van begrijpen vloog over zijn gezicht, lichtte tintelend zijn oogen uit en van blijdschap een bokkesprong makend riep hij vroolijk:

„Oliebollen!... O, heerlijk, we krijgen oliebollen van avond!”

„Echt, hè?” zei Bert en uit den blij-tintelenden blik waarmee hij Bruno in de oogen zag straalde tegelijkertijd de trotsch dathijhet was die de verrassende ontdekking deed. „Maar laten we nu weer naar de kamer gaan.”

Nauwelijks was echter hun moeder teruggekomen, of ook de jongens waren al weer in de keuken.

„Komen er geen rozijnen in, moe?” vroeg Bert.

„Wáárin?” glimlachte moeder, om hem te plagen.

„Hè, nee, dat wéét u wel!” zei Bert met een verlegen lachje.

„Nietwaar, we krijgen immers oliebollen van avond?” informeerde Bruno vrijmoediger.

„Met rozijnen, hè moe?” vleide Bert.

„Goed, met rozijnen dan! Maarnuook verder nietlastigwezen, hoor!”

De jongens beloofden het en muisstil zagen zij toe, hoe herhaaldelijk witte scheuten meel of melk in een grooten aarden pot gestort en tot deeg gemengd werden. Eén voor één sloeg moeder daarop de eieren stuk, ze klutsend tot een egale, lichtgeele gelei; met welbehagen snoven zij den geur van de smeltende, goudkleurigeboter, en het sissen en pruttelen was hun als een zoete muziek.

Het beslag was eindelijk gereed, werd toegedekt en op een warme plaats gezet om behoorlijk te rijzen.

„Vooruit, jongens! Nu de keuken uit!” zei moeder.

Maar 's avonds, toen het bakken begon, waren Bert en Bruno er dadelijk weer bij. Op hun knieën lagen zij bij den pot met beslag en zagen met onverdeelde belangstelling toe, hoe moeder met een ijzeren lepel telkens een schepje van het geurige beslag in de pan met kokende olie deed tot er geen plaats meer was, de bollen nu en dan naar onder stootend en ze er uit nemend, die een mooi-bruine kleur bekomen hadden.

En in den winkel liep het intusschen nog altoos maar af en aan.

Eindelijk was echter de laatste klant vertrokken, het laatste tonnetje met gekorven tabak schier leeg verkocht.

Juffrouw Vermaat zat haar man en Reinier met een ketel warmen wijn en een schaal, hoog opgestapeld met versche, heerlijke oliebollen te wachten.

Bert en Bruno speelden op het ganzebord, maar de rechte lust was er toch niet bij, verlangend als ze waren, dat vader nu toch eindelijk eens in den winkel gedààn had.

Daar hoorden zij dan toch de winkeldeur sluiten, de kaarsen werden gesnoten, vader en Reinier kwamen binnen.

„Ziezoo, vrouw,” zei de tabaksverkooper mistroostig, „dat zijn de laatste ontvangsten geweest.Verdienendoen we niet meer, als alles dus opgeteerd is, mogen we gaan bedelen.”

„Kom, kom! Moed houden!” troostte juffrouw Vermaat. „Is 't niet een zegen, dat we vooreerst geen gebrek behoeven te lijden? Geen ellende vóór den tijd, zeg ik maar en met zuinigheid en overleg kunnen we nog een heele poos voor armoe bewaard blijven.”

„Jawel, maar 't is zoo'n ellendig gevoel voor een man, te weten, dat hij niets voor zijn gezin meer kan verdienen...”

„Komaan, zet nu al die zorg eens op zij en laatons nog eens een onbekommerden Oudejaarsavond vieren. Wat helpt al dat getob? De zaken worden er toch niet beter door!”

„Och nee, dat is wel zoo, maar...”

„En dan—hebben we niet alle reden, om nog dankbaar te zijn? Bleven we niet allen met en voor elkaar gespaard en mochten we ons niet, het geheele jaar door, in een goede gezondheid verheugen?”

„Ja, dat is waar!” gaf Vermaat grif toe.

„Vergelijken we ons bij anderen, hoeveel gelukkiger zijn we dan niet!Bedenk eens, wat droevigeOudejaarsavondvrouw Stargardt en Jakob hebben!”

Zoo voortgaande slaagde juffrouw Vermaat er in, haar man weer een weinig te bemoedigen. Maar toch bleef het een Oudejaarsavondviering, triestiger dan zij ooit beleefd hadden.

Treurig ook was de Nieuwjaarsdag, de eerste Januari van het jaar 1812, treurig voor de Vermaats, treurig voor duizenden bij duizenden in ons land. In steê van vrienden, verwanten en kennissen te gaan gelukwenschen, konden groot- en kleinhandelaars in tabak zich naar de magazijnen der Regie begeven, om daar hun goed dat ze niet kwijt wilden zijn, om daar hun werktuigen die hun een eerlijk stuk brood verschaften, te zien taxeeren tot een prijs, die—misschien nooit zou worden uitbetaald. Op verscheidene plaatsen althans hebben de tabaksfabrikanten nooit een enkelen penning ontvangen.

Dat was dan het Nieuwjaarscadeau, hetwelk Napoleon Bonaparte aan zijn Hollandsche onderdanen gaf, die, tot slot van alles, nog in de kerken van den kansel God hoorden danken voor het gespaarde leven van hun onderdrukker, God hoorden bidden om voorspoed en geluk voor hem, die het geluk en den voorspoed van duizenden verwoestte.

Ook onze landsbibliotheken en museums van schilderijen ontzag de Fransche Keizer niet. Wat had een overwonnen volk met kunsten en wetenschappen noodig? Belastingen opbrengen, soldaten leveren, zich onderwerpen en daarbij de zweep nog prijzen die hen striemde, datwas de taak voor slaven, voor een volk, dat zijn naam en zijn onafhankelijkheid verloren had. De zeldzaamste boekwerken, de meestberoemde schilderijen en de merkwaardigste prenten, ja, zelfs het stuk van den Munsterschen vrede, dat document onzer vroegere onafhankelijkheid, werden uit onze verzamelingen gehaald, in kisten gepakt en naar Parijs gevoerd.

In dat zelfde jaar 1812 werd tevens de druk van het continentaal-stelsel nog weer dermate verzwaard, dat alle Engelsche fabriekswaren verbrand moesten worden.

Toevallig was Jakob Stargardt van de eerste verbranding getuige, toen hij op een middag door zijn baas voor een karweitje naar den Kadijk was gestuurd.

In 't Park bij de Plantage gekomen, zag hij een volksmenigte saamgehoopt, kijkend naar een groot vuur dat door eenige douanen werd gestookt. Pakken manufacturen, messen, scharen, horloges, van alles werd op den brandstapel geworpen, of het niet de minste waarde had.

„'t Is verschrikkelijk! 't Is een schandaal!” hoorde hij mompelend om zich heen.

„Wat zullen die Engelschen razend op Napoleon wezen!” zei een eenvoudige hals.

„'t Mocht wat!” onderrichtte de man, die naast hem stond. „Hoe meer van hun goederen de Keizer hier laat verbranden, des te liever zij het hebben. Al die goederen hebben onze winkeliers van de Engelschen gekocht en aan hen betaald. 't Is dus niethuneigendom, maar het eigendom van onze eigen landslui, dat door die kerels daar, zoo roekeloos wordt vernield.”

„Maar dan...”

„Is 't een schandaal, bedoel je!”

„Stil toch, man, ze mochten je er voor achter de tralies brengen!” waarschuwde zijn vrouw.

„Och wat, de gevangenis op de Heiligenweg is al veel te vol! Daar is dus geen plaats meer.”

„Het Verbeterhuis en het Spinhuis zitten ook al opgepropt!” wist er een aan toe te voegen.

„En in 't Werkhuis is al net zoo min plaats meer,” zei een ander.

„Goeie genade, kijk toch! Is het geen zonde!” riep een vischwijf, „daar smijten ze me handen vol horloges in 't vuur!”

„Ben je mal, Kee!” zei een mosselmeid,„denk je dat die nakende rotten de beste niet achterbaks houden? Mijn kop er af,—alleen de zilveren horloges gooien zij in den brandhoop en de gouden steken ze in hun hongerige zakken.”

Daar kwamen eenige douanen met wat balen koffie en een paar kisten suiker aan slepen.

„'t Is God geklaagd!” zuchtte een kruidenier, toen die eveneens in den vuurgloed werden geworpen. „Onslaten ze er veertig of vijftig procent belasting voor betalen enzijsmijten den boel maar zóó op het vuur!”

„Kijk me daar nou toch ereis ân!” riep een groentevrouw. „Enwij, arme stakkers, kunnen maar suikerij lebberen, omdat we zelfs nog aan geen loodje koffie kunnen toekomen!”

„Ik wou, dat er per ongeluk een vaatje buskruit bij was, en dat heel dat douanentuig in de lucht vloog!” gromde een visscherman.

Jakob durfde onmogelijk langer blijven. Wie weet, wat hij anders nog gehoord had. Maar hij zou zich niet gaarne de ontevredenheid van zijn baas berokkend hebben, bang als hij was, daardoor eens zonder werk te geraken. En dàn?—wat zou er dan van hem en zijn moeder worden?

Met angst dacht hij dikwijls aan den dag, dat hij loten moest en die met onrustbarende snelheid naderde.

Als hij nu toch eens in de conscriptie viel!

Hijwildeer niet aan denken, want dan scheen hem de toekomst zóó droevig, zóó troosteloos, dat hij er wanhopig onder worden kon. En toch werd hij er voortdurend aan herinnerd, overal ging het gerucht, dat er een oorlog met Rusland op til was en met zorg en kommer sprak men over de, reeds in 't vorige jaar uitgetrokken, lichtingen en van de nieuwe loting die in zicht was. Zijn moeder had het daar nimmer over, doch zij werd gaandeweg stil en mijmerend, schoon zij haaruiterste best deed om Jakob eenige opgeruimdheid te toonen.

Eindelijk gebeurde wat moeder en zoon al zoo lang hadden gevreesd—Jakob werd soldaat!

Het afscheid was van een wilde smart en toen hij, na een laatste omhelzing, schok-snikkend de deur uitging, viel de vereenzaamde vrouw bewusteloos op den grond.

Medelijdende buren brachten haar te bed, oordeelend, dat rust het allernoodzakelijkst voor haar wezen zou.

Maar toen de ongelukkige weduwe weer bij kwam, bleek ze geheel veranderd. Zij was stil en somber geworden, haar hooge, kloeke gestalte scheen opeens verslapt en ontzenuwd, haar krachtige natuur in één enkelen dag verlamd door denknotsslagvan het noodlot die haar trof. Versuft zat zij uren lang in haar hoekje neer, starend, altoos starend... Maar naderde de tijd, dat de postbode in aantocht moest zijn, dan werd ze onrustig, opende de deur, keek het Kattenburgerplein over, liep weer in huis, deed wéér de deur open en tuurde opnieuw over het plein, soms wel tien maal achtereen.

Maar als ze den man ten leste zag aankomen, dan was het haar onmogelijk, weer naar binnen te gaan. Ze bleef aan de deur staan wachten, in zenuwstrakkende aandacht elk zijner bewegingen verspiedend. Een schok doorsidderde haar het lijf, wanneer hij een greep in zijn tasch soms mocht doen...

Maar onveranderlijk klonk het steeds, zoodra de bode haar nabij gekomen was: „Geen brief nog, moeder Jane!”

Dan trok zij zich zuchtend terug en ging weer als wezenloos in haar hoekje zitten, of poogde wat te werken. Doch van het werken kwam gewoonlijk niet veel en haar huishouding liet zij meer en meer verwaarloozen. Want als zij begon met den leuningstoel af te stoffen, dan herinnerde dit meubel haar aan Franciscus; mijmerend over den armen kreupele stond zij dan langen tijd roerloos met den stofdoek in de werkelooze hand; nam zij eenmat op, de indrukken van zijn kruk werden haar als smartvertrokken monden, die klagelijk van den dierbaren doode spraken; die stoelen, de tafel, dat kastje, de Friesche klok daar, al die voorwerpen, samen hadden zij ze gekozen en gekocht, elk meubelstuk had zijn kleine geschiedenis, onderdeel van het familieleven der Stargardts vormend; ieder ding kreeg een ziel voor moeder Jane, en de zielen van al die lieve dierbare voorwerpen om haar heen, begonnen nu met weeke, weenende stemmen van hun verleden te fluisteren...

„Zóó kan het niet langer!” zei juffrouw Vermaat tegen haar man, toen zij weer eens tevergeefs gepoogd had moeder Jane wat op te beuren: „Het arme mensch verkniest hoe langer hoe meer en haar huishouden laat ze heelemaal verwaarloozen. Wist ik toch maar, wat ik er aan verhelpen kon!”

Beiden hadden zij innig te doen met de ongelukkige weduwe. 't Is waar, ookzijhadden hun zoon Reinier aan de legers van den Keizer moeten afstaan, maar bezaten zij niet elkánder, hadden zij niet hun luidruchtige bengels van jongens? Doch moeder Jane bezat thans niets meer en zij konden het zich dus zoo begrijpen, dat de vereenzaamde vrouw verkwijnde naar lichaam en ziel.

Eindelijk meende het echtpaar Vermaat er iets op te hebben gevonden, waardoor de weduwe Stargardt een groot deel van den dag uit haar omgeving en daardoor allicht ook eenigermate aan haar herinneringen zou worden ontrukt: Zij zou namelijk, door hun bemoeiingen en voorspraak, in het Munthôtel als werkster kunnen komen.

Met doffe onverschilligheid hoorde moeder Jane deze beschikking aan, maar toen juffrouw Vermaat op een morgen gekomen was om haar er heen te geleiden, maakte ze ook in het minst geen tegenwerping.

Sedert kwam zij geregeld iederen dag in het hôtel haar werk verrichten en schoon de nieuwe werkster weinig spraakzaam bleek, wat zij dóen moest, dat deed zij met de nauwgezetheid van een machine.

Op een avond—ze was juist een poosje te voren uit het hôtel weer thuis gekomen—had de postbode een brief voor haar.

Nauwelijks had zij de acht stuivers port betaald, of ze scheurde het couvert open en zenuwachtig begon zij te lezen, want het was een brief van hèm, van Jakob, haar jongen! De letters dansten haar voor de oogen, onderwijl zij in jachtende haast de bladzijden doorvloog. Toen begon zij weer van voren af, en nu veel kalmer:


Back to IndexNext