Sabelsdorph, 20 April 1812.Lieve moeder, dit is dan de eerste brief, dien u van mij krijgt. Waarom ik niet vroeger schreef, zal u hieruit straks wel blijken.Zoodra wij te Wezel waren aangekomen, werden Reinier en ik met nog verscheiden andere Amsterdamsche lotelingen als huzaren uitgerust. En van toen af, na de eerste oefeningen in het paardrijden te hebben doorstaan, is het niet anders geweest dan marcheeren en exerceeren, over Munster en Osnabrück op Maagdenburg aan en toen verder, altijd verder maar weer, en dat langs zùlke slechte wegen en meestal onder zulk slecht weer, dat ik 's avonds geregeld doodmoe op mijn leger viel.En zoo zijn we dan nu hier, te Sabelsdorph, op een halven mijl van Stettin. Het volk, dat deze streken door trekt of reeds doorgetrokken is, blijkt gewoonweg onnoemelijk. Verscheidene burgers zijn trouwens reeds uit de steden gevlucht, omdat zij alle dagen 16 en 17 man in kwartier kregen. Men lijdt veel in Holland, maar hier nog meer, men wordt hier opgegeten!Ons regiment treft het goed, wij zijn altijd bij de boeren en alleen de Generale staf met één compagnie blijft in de steden en dat gaat geregeld zoo door, iedere compagnie op haar beurt.Doordat wij altoos bij de plattelandsbevolking in kwartier liggen heb ik niet veel gelegenheid om te schrijven, want meestal zijn we met acht à negen man in dezelfde kleine ruimte en dan moet men op zijn spullen passen. Bovendien weten de boerenhier te land haast niet wat papier en pennen zijn.Op het oogenblik liggen we met zijn negenen bij een goeden boer, en die had ook pen en inkt, zooals u ziet, maar het is dan ook de burgemeester van het dorp.Zondag zijn we gearriveerd, Dinsdag maakten wij inspectie voor den ritmeester, Donderdag voor den kolonel, die ons zóó duchtig liet manoeuvreeren, dat mijn oude knol bijna niet meer voort kon en 's avonds bij het afzadelen een gat als een vuist in zijn lijf had.Heden, Zondag, is het groote inspectie voor den Generaal, maar omdat mijn paard zoo áf en gedrukt is, heb ik het geluk van thuis te mogen blijven, waarom ik niet rouwig ben; want het sneeuwt hier alle dagen en het is braaf koud ook.De stad zelf ligt zóó vol van de Jonge Garde en Badensche en Hesselsche troepen, dat men over de hoofden wel loopen kan. Alle troepen moeten tweemaal daags exerceeren, watwijdus óók gedaan hebben, de dagen dat wij geen inspectie hadden. Nu, daar went men aan. Alleen hoop ik, dat ik maar spoedig een anderen harddraver krijg. Denk eens aan, ik ben, gedurende onze opmarsch, met dien ouden stijven knol al driemaal gevallen, gelukkig zonder mij erg te bezeeren, doch niettemin met het plezierig gevolg, dat ik van Brunswijk af een heel eind naast mijn oudje loopen mocht, want de stumper was een weinig gedrukt op de schoft.Dat marcheeren langs slechte wegen, tot aan de knieën door de modder, was natuurlijk niet alles. Gelukkig echter kwam mijn stramme sukkel toch al gauw weer wat op dreef. Maar verbeeld u, den dag dat we hier aankwamen ging hij weer heel netjes met me in het wagenspoor liggen en of ik hem al aanzette of wát ook, sinjeur stond niet op voor en aleer ik er afging.Of we hier nog lang zullen blijven? Het zeggenis,dat we spoedig naar Koningsbergen zullenopmarcheeren en dan verder naar Rusland, omdat er met dat rijk een oorlog op til is, zooals iedereen beweert.Ik ben tot nog toe heel gezond en als ik niet voortdurend bekommerd was om u, dan zou ik mij in het soldatenleven heel goed kunnen schikken. Maar o, hoe verlang ik er soms naar, u terug te zien! Wat zou ik er niet voor geven om, al was het maar één oogenblik, weer eens bij u te zijn en u te kunnen omhelzen. Maar wie weet, hoe lang het nog wel kan duren, voor ik weer bij u terug zal zijn.Neen, dan is één van mijn nieuwe kameraads er toch vrij wat beter aan toe. Zijn moeder, moet u weten, is een van de marketentsters. Zij trekt geregeld achter het regiment aan, van de eene plaats naar de andere en zoodoende kunnen zij, buiten diensttijd, elkaar net zoo vaak ontmoeten als zij maar willen.
Sabelsdorph, 20 April 1812.
Lieve moeder, dit is dan de eerste brief, dien u van mij krijgt. Waarom ik niet vroeger schreef, zal u hieruit straks wel blijken.
Zoodra wij te Wezel waren aangekomen, werden Reinier en ik met nog verscheiden andere Amsterdamsche lotelingen als huzaren uitgerust. En van toen af, na de eerste oefeningen in het paardrijden te hebben doorstaan, is het niet anders geweest dan marcheeren en exerceeren, over Munster en Osnabrück op Maagdenburg aan en toen verder, altijd verder maar weer, en dat langs zùlke slechte wegen en meestal onder zulk slecht weer, dat ik 's avonds geregeld doodmoe op mijn leger viel.
En zoo zijn we dan nu hier, te Sabelsdorph, op een halven mijl van Stettin. Het volk, dat deze streken door trekt of reeds doorgetrokken is, blijkt gewoonweg onnoemelijk. Verscheidene burgers zijn trouwens reeds uit de steden gevlucht, omdat zij alle dagen 16 en 17 man in kwartier kregen. Men lijdt veel in Holland, maar hier nog meer, men wordt hier opgegeten!
Ons regiment treft het goed, wij zijn altijd bij de boeren en alleen de Generale staf met één compagnie blijft in de steden en dat gaat geregeld zoo door, iedere compagnie op haar beurt.
Doordat wij altoos bij de plattelandsbevolking in kwartier liggen heb ik niet veel gelegenheid om te schrijven, want meestal zijn we met acht à negen man in dezelfde kleine ruimte en dan moet men op zijn spullen passen. Bovendien weten de boerenhier te land haast niet wat papier en pennen zijn.
Op het oogenblik liggen we met zijn negenen bij een goeden boer, en die had ook pen en inkt, zooals u ziet, maar het is dan ook de burgemeester van het dorp.
Zondag zijn we gearriveerd, Dinsdag maakten wij inspectie voor den ritmeester, Donderdag voor den kolonel, die ons zóó duchtig liet manoeuvreeren, dat mijn oude knol bijna niet meer voort kon en 's avonds bij het afzadelen een gat als een vuist in zijn lijf had.
Heden, Zondag, is het groote inspectie voor den Generaal, maar omdat mijn paard zoo áf en gedrukt is, heb ik het geluk van thuis te mogen blijven, waarom ik niet rouwig ben; want het sneeuwt hier alle dagen en het is braaf koud ook.
De stad zelf ligt zóó vol van de Jonge Garde en Badensche en Hesselsche troepen, dat men over de hoofden wel loopen kan. Alle troepen moeten tweemaal daags exerceeren, watwijdus óók gedaan hebben, de dagen dat wij geen inspectie hadden. Nu, daar went men aan. Alleen hoop ik, dat ik maar spoedig een anderen harddraver krijg. Denk eens aan, ik ben, gedurende onze opmarsch, met dien ouden stijven knol al driemaal gevallen, gelukkig zonder mij erg te bezeeren, doch niettemin met het plezierig gevolg, dat ik van Brunswijk af een heel eind naast mijn oudje loopen mocht, want de stumper was een weinig gedrukt op de schoft.
Dat marcheeren langs slechte wegen, tot aan de knieën door de modder, was natuurlijk niet alles. Gelukkig echter kwam mijn stramme sukkel toch al gauw weer wat op dreef. Maar verbeeld u, den dag dat we hier aankwamen ging hij weer heel netjes met me in het wagenspoor liggen en of ik hem al aanzette of wát ook, sinjeur stond niet op voor en aleer ik er afging.
Of we hier nog lang zullen blijven? Het zeggenis,dat we spoedig naar Koningsbergen zullenopmarcheeren en dan verder naar Rusland, omdat er met dat rijk een oorlog op til is, zooals iedereen beweert.
Ik ben tot nog toe heel gezond en als ik niet voortdurend bekommerd was om u, dan zou ik mij in het soldatenleven heel goed kunnen schikken. Maar o, hoe verlang ik er soms naar, u terug te zien! Wat zou ik er niet voor geven om, al was het maar één oogenblik, weer eens bij u te zijn en u te kunnen omhelzen. Maar wie weet, hoe lang het nog wel kan duren, voor ik weer bij u terug zal zijn.
Neen, dan is één van mijn nieuwe kameraads er toch vrij wat beter aan toe. Zijn moeder, moet u weten, is een van de marketentsters. Zij trekt geregeld achter het regiment aan, van de eene plaats naar de andere en zoodoende kunnen zij, buiten diensttijd, elkaar net zoo vaak ontmoeten als zij maar willen.
Dit laatste gedeelte van den brief maakte op moeder Jane een diepen indruk, die van groote gevolgen zou wezen. Het wekte een voornemen bij haar op, waartoe zij uit zichzelf nooit zou gekomen zijn:
Wat die moeder kon, dat konzijimmers ook? En wat verlóór zij er bij? Haar leven toch was eenzaam en treurig en werd door slavigen arbeid gesleept van den eenen dag naar den volgenden, met geen ander vooruitzicht dan dat het eenzaam en treurigblijvenzou. Want niet alleen Willem was zoo goed als dood voor haar, ook haar Jakob zou zij, onder haar tegenwoordige omstandigheden, toch denkelijk wel nooit weer terug zien. Werd zij daarentegen marketentster, dan kon zij dag aan dag weer met en bij hem zijn. En zoo hij gekwetst mocht worden, wie zou hem beter kunnen oppassen en verzorgen dan zij, zijn eigen moeder?
Zij keek op de klok. Het was nog vroeg genoeg om gauw even met den brief naar de Vermaats te gaan. Daar hoorde zij, dat ook Reinier geschreven had. Toen zijechter vertelde, tot welk besluit zij gekomen was, deed het echtpaar alles, om moeder Jane daar weer van terug te brengen.
Zij wezen haar op de moeilijkheden, aan dat eindeloos reizen en trekken verbonden; op de gevaren, waaraan zij voortdurend zou bloot staan; niets mocht baten.
„Maar je kunt immers niet eens met paarden omgaan?” zei juffrouw Vermaat ten leste. „En voor een huzarenmarketentster zal dat toch, dunkt me, wel noodig zijn.”
„Niet met paarden omgaan? Nu, dat zou je meevallen! In mijn jeugd woonde ik op een dorp; mijn ouders hadden een boerderij en ik ben dus, om zoo te zeggen, bij paarden grootgebracht. Ja, als kleine meid nog, was het altijd een van mijn grootste genoegens als ik het paard, waar vader mee naar stad was geweest, in de wei mocht brengen. Dan ging ik op het hek staan, klauterde vandaar parmantig op het beest zijn rug en reed er zoo mee tot aan den dam.”
Haar besluit bleek dus onwankelbaar en aan niets dacht zij thans zoo zeer, dan om het zoo goed mogelijk ten uitvoer te brengen. Haar huis en inboedel diende zij te verkoopen, allerlei inlichtingen had zij in te winnen, doch mijnheer Vermaat stond haar hierin met raad en daad ter zij.
Meer en meer ging zij òp in haar plan, de oude energie herleefde, haar gang herkreeg zijn vroegere veerkracht, zij zag weer een toekomst, zij had weer een levensdoel, en toen zij eindelijk tot de afreis gereed was, bleek moeder Jane weer volkomen de kloeke, krachtige vrouw van voorheen.
Vrienden in vijandschap.
In de laatste jaren waren de betrekkingen van Napoleon met Alexander van Rusland van zoodanigen aard geworden, dat een volslagen vredebreuk op den duur niet kon uitblijven. Steunende op zijn krijgsgenie rekende de Fransche Keizer de Russen niet alleen teoverwinnen, maar tevens naar Azië terug te kunnen dringen, na welke operatiën Turkije aan de beurt lag.
Gelukte Napoleon die stoute onderneming, dan zou hij met zijn phalanx langs Perzië naar Indië doordringen, ten einde Engeland in zijn koloniën aan te tasten en zoodoende dat gehate rijk tòch voor zijn wil te doen bukken. Mocht ook déze expeditie slagen, dan zou het vrede op aarde zijn!
Tot de Fransche officieren, die eenigen tijd in Rusland hadden gediend, behoorde de overste De Ponthon. Toen de Keizer dezen officier omtrent de moeilijkheden van een oorlog tegen Rusland ondervroeg, vernam hij een reeks van bezwaren: De fanatieke tegenstand dien de oude Moscovieten aan den dag zouden leggen; de onherbergzame streken, welke de troepen zouden moeten doortrekken; de onbegaanbaarheid der wegen voor de artillerie wanneer het eenige uren geregend had en ten slotte, dat de ruwe, geduchte Russische winter, die meestal half October reeds inviel, het oorlogvoeren in dat land physiek onmogelijk maakte.
Doch overste De Ponthon ging nog verder, dan den Keizer deze bezwaren te ontwikkelen. Hij viel voor Napoleon op de knieën, hem smeekend ter wille van het geluk van Frankrijk en van zijn eigen roem toch niet dien gevaarvollen veldtocht te ondernemen, waarvan de rampen niet te overzien zouden zijn.
Verscheidene dagen na dit onderhoud bleef Napoleon afgetrokken en verspreidde zich het gerucht, dat de Keizer van den veldtocht had afgezien. Maar Napoleon had dezen karaktertrek dat hijnietsontzag, voornietsterugdeinsde om een eenmaal gesteld doel te bereiken. Zijn heerschzuchtswaanzin dreef hem reeds lang naar de alléénheerschappij over geheel Europa en openlijk deelde hij zijn voornemen mee, om zich op den zetel der Grieksche kerk te Moscou tot keizer van het Westen der oude wereld te doen kronen.
Er was dan ook in de gewesten waar Fransche troepen stonden, doch vooral langs de oevers van de Oostzee tusschen Hamburg en de Weichsel, waar maarschalkDavoustcommandeerde, en te Dantzig, waar generaal Rapp gouverneur was, reeds maanden lang een rustelooze bedrijvigheid. Derwaarts trokken, te voet en per scheepsgelegenheid, duizenden jonge mannen van verschillende natiën, om onderDavoust's gestrenge tucht gekleed, gewapend en gedrild te worden; derwaarts werden honderdduizenden Hectoliters graan, reusachtige voorraden wijn, kleedingstukken, munitie en andere krijgsbehoeften gezonden om een macht van schier een half millioen krijgers voor geruimen tijd van al het benoodigde te voorzien. Derwaarts togen langzamerhand gansche corpsen, in onderafdeelingen gesplitst, uit Frankrijk, uit Spanje, uit Italië en Duitschland, geleidelijk met kleine dagmarschen, om eerst langs den Oder en van hieruit langs de Weichsel te worden opgesteld. Duizenden paarden werden aangekocht, honderden lichte voertuigen bijeengebracht, pontontreinen samengesteld, al de voorbereidingsmaatregelen getroffen om een leger, zoo reusachtig als zich nog nooit te voren op één oorlogsterrein had bewogen, zonder te groote vermoeienis en zonder veel opzien te baren over een breed front, van Warschau tot Koningsbergen, geleidelijk te voeren naar Ruslands grenzen.
Doof bleef de Keizer voor de vertoogen zijner ministers en vertrouwde generaals, en vruchteloos schreef zijn vertegenwoordiger aan het hof te Petersburg hem, dat keizer Alexander geen oorlogwildeen zich alleen wapende,omdat Napoleons eigen geweldige krijgstoerustingen in Polen en Pruisen hem daartoe dwongen. Letterlijk door een boozen geest gedreven, beheerscht door een soort van grootheidswaanzin, die zijn brein met de stoutste plannen vervulde, die hem zelfs voortooverde dat zijn dynastie eenmaal de oudste kon worden van gansch Europa, liet hij zich door niets ter wereld van zijn plan afbrengen. In 1805 en 1807 had hij Rusland geslagen, doch niet onderworpen; thans zou hij het genade doen vragen.
Reinier en Jakob moesten diensvolgens ten oorlog trekken.
Beiden hadden zij zich na hun vertrek uit Amsterdam al heel spoedig in hun lot geschikt, maar terwijl Jakob zijn dienstplicht deed, om niet in onaangenaamheden te komen, was Reiniers eerzucht er ras op uit, bevordering te maken. Over een jaar wenschte hij officier te zijn. Schoon dat in onze dagen een ijdel voornemen zou heeten, hield zijn besluit toch niets buitengewoons in: Bij de opvoeding, door Reinier genoten, gepaard met zijn lichamelijke en verstandelijke hoedanigheden, behoefde hij slechts tewillenom ook tewordenhetgeen hij zich voornam. In het Fransche leger toch, welks kaders aanhoudend werden gedund, bestond ook geregeld behoefte aan geschikte personen om dat kader voltallig te houden.
Uit vrees echter, dat zijn ijver en gedrag eens niet voldoende in het oog mochten vallen, meldde Reinier zich, na zijn eerzuchtig voornemen, bij den majoor aan.
„Majoor,” begon hij, „als ik er mijn best voor doe, zou ik dan niet heel gauw wachtmeester kunnen worden?”
De majoor, een oudgediende, vond het altoos prettig, wanneer hij bij recruten de begeerte tot promotie mocht zien. Ook had hij reeds opgemerkt, dat Reinier wel bevattelijk was en een goede opvoeding had genoten. Hij was dus aangenaam verrast.
„Is je dat ernst?” vroeg hij niettemin met strakken blik.
„Volle ernst!” antwoordde Reinier met overtuiging.
„Over vier dagen ben je korporaal. En blijf je stipt je best doen dan zal je, binnen een maand of wat,onderofficier zijn! Zoo niet, dan wordt je onmiddellijk weer gedegradeerd!”
De majoor wenkte en Reinier trok af.
Vier dagen daarna was hij korporaal en voor er drie maanden om waren had hij den graad van onderofficier.
De nieuwe wachtmeester kreeg nu wel is waar omgang met andere onderofficieren, maar in de verhouding tot Jakob kwam hierdoor aanvankelijk toch geen verandering.
Een week later kregen zij echter plotseling groote oneenigheid. Ze kwamen, na een korte dagmarsch, met een man of acht, in den omtrek van Thorn bij een boer in kwartier en zouden reeds den volgenden dag weer verder moeten. Ze kregen eenige sneden grof brood, met een laagje vet besmeerd. De menschen hadden het blijkbaar niet te ruim en aten er zelf lekker van. Ook de huzaren, in den laatsten tijd niet verwend, lieten het zich wel smaken.
Reinier echter was er niet mee tevreden. Hij was wachtmeester en eischte ham!
Ham aten zij nooit, zei de man.
Ja, dat kon hèm wat schelen! Maar met vet was hij niet tevreden en hij zou dan zelf maar eens kijken of hij niet wat beters vinden kon.
Weldra kwam hij met twee hammen terug, die hij lachend en triomfantelijk in de hoogte hield.
Daarop bediende hij er zich van en deed de rest in zijn knapzak voor later.
De boerin begon te schreien. Het waren hun beide laatste hammen, snikte ze, en zij hadden die morgen aan een herbergier in Thorn moeten bezorgen. Hoe zouden zij kunnen leven, als er door de soldaten, geregeld maar, zóó met hen gehandeld werd? Hadden de huzaren hun rieten schuurdak niet gebruikt om hun paarden er mee te voederen? Had niet gisteren een andere bende ruiters daarvoor het onrijpe koren afgesneden? Wáár moest het heen als dat zoo doorging? Zouden ze dan niet van honger en ellende moeten omkomen?
Jakob kreeg medelijden met de arme menschen.
„Kom,” zei hij tegen Reinier, „ik zou dan die eene ham ten minste maar terug geven. Stel je voor, als andere soldaten zoo eens bij jullie thuis deden en het laatste pakje thee wederrechtelijk gebruikten terwijl jullie zelf toch op gewone dagen nooit anders dan aftreksel van morellebladeren drinkt? Dat zou je toch ook niet goed vinden, is 't wel? En is het hier eigenlijk nog niet erger? Geldt het hier niet een bestaansmiddel van die menschen?”
Reinier gevoelde nu plotseling al het leelijke van zijn daad, schoon hij volstrekt niet verder was gegaan dan hetgeen hij dagelijks door anderen had zien doen. De transportwagens met levensmiddelen konden, door allerlei omstandigheden, onmogelijk het voorttrekkende leger snel genoeg volgen, en men voorzag zich dus van voorraad, terwijl men voort marcheerde. Daar het land vruchtbaar was, werden paarden, wagens, beesten, levensmiddelen van allerlei soort ontvoerd: men sleepte alles mee, ook de benoodigde inwoners om heel dien voorraad aan te voeren.
Met dergelijke voorbeelden iederen dag voor oogen, had Reinier er niet zooveel kwaad ingezien, zich zelf eens wat beter te doen onthalen dan de anderen. Wel voelde hij, na Jakobs redeneering, hoe leelijk hij eigenlijk had gedaan, maar dit nobele gevoel werd in 't zelfde oogenblik door valsche schaamte overwonnen. Het ergerde hem, in tegenwoordigheid van die anderen zoo terecht gezet te worden. Wat drommel, wat verbeeldde Jakob Stargardt zich wel? Hij, Reinier, was toch wachtmeester, en wáár zou het met zijn prestige naar toe, als vriendschap het recht gaf hem een zedepreek te houden in het bijzijn van „minderen”!
Hij stoof dus geweldig op, Jakob bleef hem het antwoord niet schuldig en het gevolg was, dat beiden, na een heftige woordentwist, met heete hoofden ter rust gingen.
Den volgenden morgen scheen de oude verstandhouding weer volkomen hersteld. Toch had het voorgevallene bij Reinier een zekere vervreemding bewerkt, die hij gaandeweg al minder te verbergen wist.
Jakobs voortdurend bijzijn, gepaard met dien vrijmoedigen omgang waar hun vriendschap recht op gaf, begon de jonge wachtmeester met den dag meer te gevoelen als iets hinderlijks, iets dat hem belemmerde in zijn gedragingen, terwijl aanhoudend de vrees hem verontrustte, dat die familjare omgang nadeel doen mocht aan het ontzag, dat zijn overige manschappen toch voor hem dienden te hebben.
Voor Jakob Stargardt kon het natuurlijk niet verborgen blijven, dat Reinier steeds gedwongener jegens hem werd, en daar het niet in zijn karakter lag om zich ook in 't minst maar op te dringen, werd hun omgang, schoon naar het uiterlijk nog precies dezelfde gebleven, toch gaandeweg al minder vertrouwelijk.
Na met korte dagmarschen van dorp tot dorp getrokken te zijn, kwamen de troepen waartoe ze beiden behoorden, in en om Koningsbergen in kwartier.
Hun regiment zou weldra worden ingedeeld bij het derde legercorps, onder maarschalk Ney. Te Nogarisky moest dit corps zich met de regimenten van den Koning van Napels,Davoust, BessièresenOudinotvereenigen, waarna deze verzamelde legermacht onder de persoonlijke leiding van Napoleon zou komen te staan.
De bierbrouwerijen en herbergen in de stad waren aanhoudend overvuld van militairen en dit jongste legernieuws werd er dus overal levendig besproken.
Reinier Vermaat zat met een groepje van andere onderofficieren voor de „Bonte Os.” Ook oudgedienden waren daar bij, aan de hachelijkste omstandigheden gewoon, kerels die door niets meer werden afgeschrikt. Men herkende ze dadelijk aan hun krijgshaftige houding en aan hun gesprekken. Zij hadden geen herinneringen dan aan den oorlog, voor hen was geen toekomst dan in den krijg; over niets anders spraken zij.
Tegenover de jongeren snoefden die gebronsde kerels over hun groote daden in den slag bij de Pyramiden, dien van Marengo, van Austerlitz, van Jena of Friedland, zij stroopten hun mouwen op of ontblootten hun breede borsten om te pronken met de litteekens hunner wonden;en daar zij intusschen met woord en daad voortdurend tot drinken aanspoorden, werden ook de nieuwelingen hoe langer hoe opgewondener.
„Neen, dit,” zeiden de oude ijzervreters, „werd een veldtocht, grooter dan zij ooit beleefd hadden!”De goede uitslag er van scheen zeker; het zou een militaire marsch wezen tot aan Petersburg en Moscou toe. Nog déze poging, en alle krijg zou misschien voor goed geëindigd zijn; dit was een laatste gelegenheid, meenden zij, om zich nog eens roemvol te onderscheiden.
Een der nieuwelingen verklaarde dat hij, om de risico van den krijg, toch net zoo lief van deelname aan dezen veldtocht verschoond was gebleven.
„Och wat,” zei een grijze snorrebaard, „dacht je dan, dat je daardoor aan den oorlog ontkomen zou? Die is immers overal! Wees dus liever blij, dat je zoo'n buitenkansje hebt! Want slagveld of slagveld, dat is lang niet onverschillig! In Rusland zal de Keizer zèlf het bevel voeren, terwijl je in een ander land wel voor dezelfde zaak, maar onder een ander opperhoofd zou moeten strijden. En het is genoeg bekend, dat Napoleon nu eenmaal zijn gunsten het overvloedigst uitdeelt aandiesoldaten, wier roem aanzijnroem herinnert.
Vooral jij, Vermaat,” wendde hij zich nu meer in 't bijzonder tot Reinier, „moogt wel van geluk spreken. Kijk,wijzijn maar domme kerels, die als kind niets geleerd hadden, maar help eens kijken,jijzult fortuin maken in dezen veldtocht! Als majoor zie ik je nog terug komen! Nu ja,—mits je moedig bent natuurlijk!”
Reinier's ijdelheid was niet weinig gestreeld. Hij verklaarde, dat het hem aan moed niet zou ontbreken. Daarop liet hij, op zijn kosten, de glazen nog eens vullen en hield een opgewonden toost op den roem en den voorspoed van het Groote Leger, die met daverende toejuichingen werd beantwoord.
Juist in dit oogenblik kwam Jakob uit de verte aan.
„Daar komt je trouwe vriend, de timmerman!” zei een der jonge onderofficieren plagend.
„Hm!... Vriénd?!” zei Reinier, „nou ja, omdat wevroeger kennissen waren loopt hij me nog altijd na als een hondje...”
„Begrijpt zoo'n jongen dan niet, dat jullie verhouding nu toch heel anders geworden is,” vroeg een tweede.
Reinier, geërgerd, haalde de schouders op.
„'t Schijnt van niet!” zei hij kregel.
„Maar dan zou ik zelf daar toch een eind aan maken!” adviseerde een ander. „Hij zou je waarachtig zijn kameraadschap nog wel kunnen opdringen als je al lang en breed majoor was!”
Daar had Jakob eindelijk Reinier in 't oog gekregen, die zich echter hield, of hij hem in 't geheel niet zag.
Jakob Stargardt had juist een brief met de veldpost ontvangen, een brief van zijn moeder, waarin ze hem meldde, dat zij marketentster geworden was en zich voorloopig bij de voortrukkende Westfaalsche troepen had aangesloten, maar toestemming bezat, om zoo spoedig mogelijk bij het elfde regiment huzaren,zijnregiment, over te gaan. Al binnen enkele dagen konden zij dus reeds bij elkander wezen.
Jakob brandde van begeerte om die heugelijke tijding zoo gauw mogelijk aan Reinier mee te deelen. Wel was hun vriendschap niet meer dàt, wat zij te voren was geweest, maar toch gingen zij nog veel te dikwijls met elkander om dan dat hij zijn heerlijk nieuws niet in de eerste plaats aan Reinier zou verteld hebben.
Nauwelijks kreeg hij dezen dus in 't oog, of hij stapte haastig op hem toe, vol blijdschap vertellend, waar hij zelf zoo vol van was.
Reinier zag hem spottend aan:
„Ei zoo, had het jongentje soms gevraagd of zijn moesje op hem wou komen passen?” vroeg hij ironisch. „En zal moesjes schort nu straks de kogels voor hem moeten opvangen?”
Hij had meer gedronken dan hij verdragen kon en zei nu woorden, die hij zich in normalen toestand zou geschaamd hebben.
Jakob werd rood van verontwaardiging.
„Bah, wat laag, wat vreeselijk laag van je,” riep hijdriftig, „om mij als een lafaard voor te willen stellen, diebloôhartigde kogels ontvluchten zou! Want zoo iemand, dan moestjijbeter weten!”
Hij doelde op het feit, dat hij indertijd zichzelf in de plaats van zijn vader had aangeboden.
„'t Is waar, ik vergat een oogenblik dat het bij jullie een soort van familiekwaal lijkt, om zich te laten doodschieten—al is het dan ook maar wegens majesteitsschennis!...”
't Werd eensklaps doodstil. Allen begrepen, dat een van Jakob's bloedverwanten wegens majesteitsschennis gefusilleerd moest zijn en hem dit nu op de meest grievende wijze werd herinnerd. De gezichten, zoo even nog glinsterend van opgewektheid en genoegen, waren alle strak en ernstig.
De armen over elkaar gekruist, doodsbleek, met vlammenden blik, stondJakobStargardt tegenover zijn beleediger, als een onheilspellende verschijning, die eensklaps uit den grond was opgerezen. Enkele schreden verder stond een oude huzaar, die met Jakob opgeloopen was en tot hetzelfde escadron behoorde. 't Was een brave, oppassende kerel, maar zóó gering van aanleg, dat hij het, spijt al zijn dienstjaren, nooit verder dan gewoon soldaat had kunnen brengen. Maar zoo klein zijn verstand mocht wezen, zoo nobel was zijn inborst. Die oude krijger zag dan ook even bleek als zijn jeugdige makker. Zwervend en onrustig ging zijn blik; want evenals al de aanwezigen duchtte ook hij ieder oogenblik een uitbarsting.
„Kom!”—zei de oude huzaar, Jakob bij de mouw trekkend,—„kom,—we moeten weer naar ons kwartier!”
Maar Jakob verroerde zich niet en zag Reinier nog altoos woest-dreigend aan.
Reinier was eerst onthutst: maar hij herstelde zich spoedig en eveneens de armen kruisend, mat hij den verontwaardigden jongeling met tergenden blik.
„Wat wil je?” vroeg hij barsch.
„Wat ik wil,” antwoordde Jakob schijnbaar kalm,„is licht te begrijpen; wat elk ander soldaat je in mijn plaats vragen zou: Een kans om mij te wreken!”
„Het spijt me,” antwoordde Reinier met een sarrend-hatelijk lachje, „dat ik je die voldoening niet geven mag, maar eenwachtmeesterduëlleert nu eenmaal niet met zijn minderen.”
„Welnu dan, ik zweer je, dat ik met mijn eischen bij je terug zal komen, meneer de wachtmeester, al is het ook over twintig jaar!”
„Dan benikgeneraal enjij—timmermansbaas!” zei Reinier spottend. „We zullen dus moeilijk met elkander tot vereffening kunnen komen.”
„Ofikben majoor en jij nog niet: Ik zal dan evenwel minder hooghartig wezen dan jij. Wees in ieder geval verzekerd, dat uitstel geen afstel is: Binnen een jaar zijn we gelijk in rang en dàn—geloof me, dan zal ik je toonen met wien je te doen hebt!”
Reinier Vermaat werd woedend van schaamte en ergernis. Hoe grievend hij Jakob ook had bejegend, zijn ijdele inborst kon niet dulden, dat hij als een schuldige tegenover een „mindere” stond,—en vooràl niet, dat die mindere hem zijn schuld zoo vernederend deed gevoelen in tegenwoordigheid van mannen wier achting hij zoozeer op prijs stelde.
„Huzaar Ros!”—beval hij den oudgediende met wien Jakob gekomen was,—„breng den kerel onmiddellijk in arrest!”
„Dank u, wachtmeester,” antwoordde de brave krijgsman,—„ik heb geen lust om een kameraad te arresteeren, alleen omdat zijn chef hem beleedigde en hij de vrijmoedigheid had, hém dat te verwijten. U kunt me straffen zoo zwaar u wil, maar een schelm hoop ik nooit te worden!”
Hij maakte rechts-omkeert en wilde gaan.
„Wacht, Ros, ik ga met je mee,” zei Jakob, „ik zal me zelf in arrest begeven; wachtmeester Vermaat, tot ziens!”
„Dat zal ik je beiden inpeperen!” gromde Reinier, bleek van wraakzucht.
... mat hij den verontwaardigden jongeling met tergenden blik.... mat hij den verontwaardigden jongeling met tergenden blik.(vergroting 1130×1726, 530kb)
Maar tot zijn spijt werd hij reeds den volgenden morgen naar een nog onvolledig regimentovergeplaatst.
De opmarsch.
Moeder Jane had zich bij het regiment van haar zoon aan kunnen sluiten, nog vóór dit Koningsbergen verliet, maar reeds den 22stenJuni lag geheel het Fransche leger op den linkeroever van den Niemen.
Napoleon, die tot hiertoe in een rijtuig gezeten had, wierp zich 's morgens om twee uur in het zadel, om dien Russischen grensstroom te verkennen. Toen hij aan de rivier kwam, struikelde eensklaps zijn paard en wierp hem in het zand.
„Een slecht voorteeken!” klonk het. „Een Romein zou terug keeren!”
Of hij zelf het was of iemand van zijn gevolg, die deze woorden sprak, is niet bekend.
Napoleon echter steeg kalm weer te paard om zijn onderzoek voort te zetten.
Toen de verkenning afgeloopen was beval hij, dat er tegen het vallen van den avond drie bruggen over de rivier zouden gelegd worden. Daarop begaf hij zich naar zijn legerplaats, waar hij den geheelen dag nu eens in zijn tent, dan weer in een Poolsch huis doorbracht, machteloos neerliggend onder de zwoele, drukkende hitte en vergeefs naar rust zoekend.
Zoodra de avond echter gevallen was naderde hij opnieuw de rivier, waar sappeurs reeds met het leggender bruggen waren begonnen. Drie compagnieën soldaten moesten hen beschermen.
Eenige sappeurs steken met een schuitje de rivier over. Tot hun verwondering komen zij zonder hindernis aan den Russischen oever. Alles is rustig op dien vreemden grond, dien men hun als zoo dreigend heeft afgemaald.
Spoedig echter zien zij een kozakkenofficier aan het hoofd eener kleine patrouille. Hij is alleen, hij schijnt zich in vollen vrede te wanen en niet te weten, dat geheel Europa gewapend tegenover hem staat. Hij vraagt aan de vreemdelingen wie zij zijn.
„Franschen!” antwoorden zij hem.
„Frànschen?!” vraagt de Officier. „Maar wat komt ge dan in Rùsland doen?”
Een der sappeurs zegt hem op barschen toon:
„U beoorlogen! Wilna innemen! Polen bevrijden!”
Zonder eenig antwoord te geven wendt de kozakkenofficier zijn paard en rent met de zijnen het bosch in, waarop drie sappeurs, in overdreven ijver, hun geweren lossen.
Zoo werd het zwak gerucht van drie schoten, welke onbeantwoord bleven, het sein, dat er een nieuwe veldtocht geopend en een groote vijandelijke inval begonnen was.
Een compagnie soldaten kreeg terstond bevel de rivier over te varen, om de plaatsing der bruggen te beschermen.
Weldra kwamen al de Fransche colonnes uit de bosschen en van achter de heuvelen te voorschijn. Zij trokken, begunstigd door een dichte duisternis, stilzwijgend tot bij de rivier. Geen wachtvuren mochten ontstoken, geen vonken zelfs gezien worden. De groene en door een zwaren dauw bevochte rogge strekte de menschen tot bed, de paarden tot voedsel.
't Was de eerste keer dat Jakob Stargardt, evenals zoo menig ander jong soldaat, in de open lucht, en dat zonder bivakvuur, zou vernachten.
Hij bleef aarzelend nog wat staan.
„Leg je hoofd maar gerust op je ransel neer, kameraad!” zei Ros, „je bent jong en sterk, het zal-je geen kwaad doen.”
Jakob deed het, en onderwijl was het hem aangenaam te bedenken, dat ten minste zijn moeder in haar wagen een vrij wat beter nachtverblijf had.
Maar och, wat zou zoo'n enkele slechte nacht, meende hij, als over weinige uren de zon toch al weer opging.
Zoodra de dag aanbrak, richtte hij zich op en tuurde de rivier over, naar het Russische grondgebied. Hij zag niets dan somber-donkere wouden en kaal, dor zand. Op een driehonderd schreden van de rivier ontdekte hij de tent van den Keizer, die men in den nacht op den hoogsten heuvel geplaatst had. Daaromheen zag hij alle heuvelhellingen en dalen bedekt met menschen en paarden, die plotseling in beweging kwamen nu de reveille klonk.
Moeder Jane stond met tal van anderen—kooplieden, marketentsters en zoetelaars,—alle tot den nasleep van het leger behoorend, op een heuveltop naar de eerste bewegingen van de groote armée te kijken.
Zij zag een luisterrijken stoet van maarschalken en generaals Napoleons tent omstuwen... Daar trad de Keizer zelf naar buiten... Hij groette en besteeg zijn Arabischen schimmel...
Dan weerklonk het sein... Opeens was het of de gansche landstreek woelde en golfde... En boven die bewegende donkere massa's flikkerden en wemelden de wapens in de gloeiende morgenzon als flitsende stralen en spattende zilvervonken...
Arm Rusland! dacht moeder Jane bij den aanblik van die ontzettende strijdkrachten.—In drie breede stroomen zag zij den zwarten vloed over de gele zandvlakte naar de drie bruggen voortrollen... Zij zag ze kronkelend naar den oever afdalen, de bruggen naderen, zich uitstrekken en inéénkrimpen om die over te gaan en eindelijk den vreemden grond bereiken, dien zij gingen verwoesten en verderven.
Napoleon haastte zich, om den voet op vijandelijken bodem te zetten. Zonder aarzelen deed hij dien eerstenstap tot zijn verderf. In het begin hield hij zich dicht bij de bruggen op, de soldaten met zijn tegenwoordigheid aanmoedigend, die hem, als steeds, begroetten met hun: „Leve de Keizer!”
Eindelijk werd hij ongeduldig en rende het bosch in, maar schoon hij er meer dan een mijl ver in dóórdrong—tot zijn verwondering zag hij geen vijand.
Langzaam trokken de legermassa's langs den stroom voort; met een zekere beklemdheid spraken de soldaten over het zonderlinge feit, dat hun die voortgang in 't minst niet door den vijand betwist werd.
„Daar hoor ik in de verte toch kanonschoten,” zei Jakob tegen Ros, die naast hem reed.
De oude krijgsman luisterde...
Opnieuw klonk een dof gedreun...
Ros schudde het hoofd: „Dat zijn geen kanonnen,” zei hij, „maar een opkomend onweer.”
Inderdaad werd de lucht met ieder oogenblik duisterder. Donder en bliksem volgden weldra elkander rusteloos op, tot ontsteltenis van vele soldaten, die van „een slecht voorteeken” begonnen te mompelen.
Het duurde niet lang, of de zwaarbetrokken lucht ontlastte zich in een geweldigen plasregen. Wegen en velden werden overstroomd en de ondraaglijke hitte werd eensklaps vervangen door een onaangename koude. De Keizer zocht een schuilplaats in een naburig klooster. Maar de arme soldaten waren zonder eenige beschutting aan het vreeselijke weer blootgesteld. Tienduizend paarden en vele menschen kwamen bij de daarop volgende marschen om, tal van voertuigen bleven in het zand zitten. Trouwens, door zijn vervaarlijke menigte reeds, was het Groote Leger verderfelijk voor zichzelf. Verscheidene behoeften vonden geen bevrediging. Al bij het bezetten der eerste stad, Kowno, heerschte gebrek aan levensbenoodigdheden en toen Napoleon de veste binnentrok, vond hij er de grootste wanorde.
Dit gebrek en die wanorde vermeerderden, naarmate de Keizer dieper doordrong. Hij ondervond, dat het Russische volk, wild en woest als Rusland zelf, denoorlog beschouwde als een heilige zaak, waarvoor het alles moest opofferen om zijn tegenpartij te verdelgen. Overal ontmoette hij asch en puinhoopen, in plaats van kwartieren om uit te rusten; overal honger en ziekten, in plaats van den buit en den roem, dien hij verdeelen wilde.
Zich alleen tot verdediging hunner strijdkrachten beperkend, trokken de Russische veldheeren Barclay de Tolly en Bagration van de eene stelling naar de andere. Nergens vonden de Franschen levensmiddelen! allen voorraad had de vijand zorgvuldig vernield, onderwijl hij aanhoudend achterwaarts trok.
Daar was voor het Fransche leger iets onheilspellends in, dat ze in het vijandelijke land nergens een vijand vonden. Napoleon had gehoopt, dat de Russen hem ten minste Wilna zouden betwist hebben; maar hij vond de stad open en onverdedigd.
In Pruisen had de Keizer zijn leger slechts voor twintig dagen levensmiddelen doen meenemen. Dat was genoeg om Wilna met één veldslag te winnen; maar Wilna behóefde niet veroverd te worden. En—voorwaarts ging het weer, met snelle marschen den vijand achterna, zoodat de onafzienbare toevoer van levensmiddelen onmogelijk kon volgen. Uitgehongerd kwamen de soldaten aan kasteelen en woningen, waar ze geen voedsel vonden en die ze uit wraak verwoestten en uitplunderden. Ja er waren er reeds, die door zelfmoord een eind aan hun leven maakten. En toch moest het leger maar immer voort...
Als wilden de Russen Napoleon's verlangen om tot een beslissenden strijd te komen prikkelen, hem dieper naar het hart van Moskovië lokken, streelden ze hem soms met de hoop op een veldslag, doch wanneer Napoleon den volgenden morgen den vijand zocht, was hij in de duisternis van den nacht weer verder getrokken.
Niet dan te Smolensk hielden de Russen stand, waar zij de versterkte stad bezetten. Den 17denAugustus werd zij krachtig door de Franschen aangegrepen. Hevige aanvallen volgden en werden besloten met een vernielendbombardement, hetwelk tot in den nacht aanhield.
Napoleon zat voor zijn tent.
Plots zag hij op verscheidene punten dikke en zwarte rookwolken opstijgen... Zij werden, bij tusschenpoozen, door flauwe schijnsels en daarna door vonken verlicht... Eindelijk stegen er hooge vuurkolommen van alle kanten op... Het was als een menigte van verschillende groote branden... De Keizer zag dit afgrijzelijk schouwspel met somber stilzwijgen aan... Dat kon onmogelijk de uitwerking der granaten zijn... Langzamerhand vereenigden zich die onderscheidene branden tot één groote vlam, die zich kronkelend ten hemel hief en heel Smolensk als in zich opnam: Er was geen twijfel meer aan of de Russen zelf hadden Smolensk, de Heilige stad, in brand gestoken.
Omstreeks drie uur in den morgen sloop een onderofficier vanDavousttot aan den muur en waagde het, dien voorzichtig te beklimmen. Aangemoedigd door de stilte die er rondom hem heerschte, drong hij dieper de stad in. Zij bleek ledig en door de Russen verlaten.
Nadat de Keizer hiervan kennis gekregen had rukte het leger op zijn gewone wijze de poorten binnen: met krijgsmuziek en oorlogspraal trok het over de rookende en bloedige ruïnen voort; zegevierende over die verlaten puinhoopen en slechts zichzelf tot getuige hebbend van zijn roem. Schouwspel zonder aanschouwers, overwinning bijna zonder winst, bloedige roem, waarvan de rook die het Fransche leger omringde, hettreffendstezinnebeeld was.
Weer bleek dus de beslissende veldslag, dien Napoleon zoo vurig begeerde, hem als een schaduw ontglipt.
Barclay, die in den nacht den weg naar Moscou was ingeslagen, werd echter door maarschalk Ney achterhaald. De Russen begrepen, wilden zij een veiligen aftocht hebben, dat hun achterhoede diende stand te houden, daar anders de Franschen hun den pas zouden afsnijden.
Bij Walutina had daarop een treffen plaats. Napoleon hield het er voor, dat het niet meer dan een schermutseling worden zou. Hij zond den maarschalk dus enkel generaal Gudin ter hulp, terwijl hij zelf binnen Smolensk bleef.Maar de schermutseling werd een kleine veldslag. Achtereenvolgens werden er van weerskanten dertig duizend man in betrokken. Vreeselijk was de verwoedheid, waarmee men aan beide zijden vocht en waaraan zelfs de invallende duisternis geen eind maakte. Eindelijk meester van de bergvlakte en uitgeput van bloedverlies, gaf Ney, die zich door dooden en stervenden omringd zag, bevel om met schieten op te houden. De Russen maakten van de duisternis van den nacht gebruik, om hun aftocht te bewerkstelligen. Zij oogstten evenveel roem met dien aftocht in, als de Franschen met hun zegepraal: want geen enkelen gewonde, geen enkel stuk geschut lieten zij achter.
Gudin werd zwaar gekwetst binnen Smolensk gebracht, waar hij, ondanks de zorgen des Keizers, weldra aan zijn wonden stierf. De overwinning bij Walutina was duur gekocht.
Den volgenden dag verscheen Napoleon zelf op het slagveld. Hij vond er de soldaten van Ney en die van de afdeeling Gudin, geschaard bij de lijken hunner makkers en die der Russen, omringd door half afgebroken boomen, op een door de strijders platgetreden en door kanonkogels geploegden grond, overdekt met overblijfsels van wapens, verscheurde kleederen, militaire gereedschappen, omvergeworpen wagens en verspreide ledematen. Want dit zijn de zegeteekenen van den oorlog! dit is de schoonheid van het veld der overwinning!
De bataljons van Gudin schenen niet veel meer dan pelotons te zijn; zij toonden zich echter te hoogmoediger naar zij te meer verminderd waren; bij hen ademde men de lucht nog in der afgeschoten patronen en van het kruit, waarvan de grond doordrenkt, waarvan hun kleeren doortrokken en hun gezichten nog geheel zwart waren. De keizer kon hun gelederen niet langs gaan, zonder lijken te vermijden, of over te stappen; door de hevigheid van den schok bij den aanval, waren verscheidene bajonetten gekromd.
Maar al deze afgrijselijkheden bedekte hij met roem. Zijn erkentenis herschiep dit veld des doods in een veldvan zegepraal, waar, gedurende eenige uren, slechts aan roem en voldane eerzucht werd gedacht.
Hij gevoelde, dat het tijd was om zijn soldaten met zijn woorden en belooningen op te monteren. Nooit waren dan ook zijn blikken vriendelijker geweest; in zijn toespraak noemde hij dit gevecht het schoonste wapenfeit uit Frankrijks militaire geschiedenis; de soldaten, die hem aanhoorden, waren mannen, met wie men de wereld kon veroveren; de gesneuvelden heetten oorlogshelden, die een onsterfelijken dood gestorven waren. Aldus sprak hij, wel wetend dat, in het midden van die verwoesting, woorden over onsterfelijkheid indruk zouden maken.
Glansrijk waren de belooningen, welke hij daarop uitdeelde. Zeven-en-tachtig bevorderingen en eereteekenen ontvingen de troepen van Gudin; het 127steregiment dat nog geen standaard had, omdat men zijn vaandels op het slagveld moest verdienen, kreeg er een; eigenhandig reikte de Keizer het over. Ook het corps van Ney werd bedacht.
Jakob Stargardt, wiens regiment tot dit legercorps behoorde en die te Wilna reeds korporaal geworden was, ontving den graad van wachtmeester. Thans stond hij met Reinier Vermaat dus gelijk in rang; thans zou zijn beleediger, wanneer hij dezen nog eens ontmoeten mocht, het recht niet langer hebben hem zijn eisch te ontzeggen.
Maar op 't oogenblik dacht Jakob Stargardt daar slechts vluchtig aan: Ondanks zichzelf was de jonge Hollander door de eerzucht-prikkelende toespraak des Keizers, diens erkentelijkheid jegens zijn dapperen, den vorm vooral waarin zij werd geopenbaard, geheel onder de betoovering van Napoleons machtige persoonlijkheid gekomen.
De Keizer toch wist aan zijn belooningen, op zichzelf reeds groot, nog een hoogere waarde te geven, door de wijze waarop hij ze verleende: Hij liet zich achtereenvolgens van ieder regiment omringen als van een familie. Dan sprak hij met luider stem de officieren, onderofficieren en soldaten aan, hun naar de dappersten uit al die dapperen vragend om die terstond te kunnenbeloonen. De officieren wezen aan, de soldaten bevestigden, de Keizer keurde goed: aldus werden de verkiezingen oogenblikkelijk gedaan en met toejuichingen door de troepen bevestigd.
Deze vaderlijke manieren, ze verrukten Jakob. Bovendien, nooit leverde een veld van overwinning een schouwspel op, dat meer geschikt was om in geestdrift te brengen: het geschenk van dien zoo wèl verdienden standaard, de praal van die bevorderingen, de vreugdekreten, de roem van die oorlogshelden, welke op de plaats zelf, waar hij behaald was, werd beloond, dat alles te zamen bracht Jakob Stargardt in een wondere geestvervoering.
Maar die bedwelming hield spoedig op, toen de troepen van Ney weer naar Smolensk terug keerden. De weg toch werd hun bemoeilijkt door de tallooze overblijfselen van het gevecht; telkens ondervonden zij vertraging door de lange reeksen van gewonden, die zich voortsleepten of stadwaarts werden gedragen; en in Smolensk zelf ontmoetten zij karren vol afgezette ledenmaten, welke men ergens buiten de stad ging wegwerpen.
Al die afgrijselijkheden van den oorlog ontnuchterden, bedroefden, ja verbitterden hem. Smolensk was slechts een reusachtig hospitaal en het hevig gekreun dat er uit opsteeg was sterker dan de jubelkreten om den behaalden roem, die in de velden van Walutina waren opgegaan.
Door zijn moeder, die een half verwoest huis tot cantine had ingericht, werd hij met ontstuimige blijdschap ontvangen. Zij had reeds gehoord, dat er den vorigen dag bloedig gevochten was en ieder oogenblik gevreesd, het bericht van zijn dood te vernemen.
't Was er druk, in de cantine van moeder Jane, maar de kortstondige opwinding over de zegepraal bij Walutina was reeds voorbij en schier over niets werd gesproken dan over de ellende van het leger.
„Mijn compliment, moeder Jane,” zei de oude Ros: „dat is andere brandewijn dan het bocht, dat ze hier te lande stoken.”
„Geen wonder,” zei een grenadier, „ze stoken hetuit graan, met verdoovende planten vermengd. 'k Heb jonge soldaten gezien, totaal òp van honger en vermoeienis, die dachten dat dit goedje hen weer wat zou opmonteren. Maar wat wàs het? Krek de laatste fut ging er nog uit en slap, als verlamd, vielen zij neer.”
„Dat waren dan misschien nog de matigsten,—of de zwaksten!”—zei Ros. „Ik heb er ten minste gezien wie dat ontuig nog vrij wat slechter bekwam. Ze kregen oogenblikkelijk duizelingen, of raakten zóó verdoofd, dat ze niet meer stáán konden zelfs! In greppels en aan den wegkant gingen zij zitten, totaal versuft... En dan zàg je als 't ware de dood over ze komen... zoo in ééns maar, zonder gekreun, zonder een zucht.... ffúút!!.... 't was gebeurd!...”
Toen kwam het gesprek op het groot aantal gekwetsten.
„Eén ding helpt,” zei de grenadier: „er is hier ten minste geen gebrek aan hospitalen, zooals in Wilna.”
„Neen,” bevestigde moeder Jane, „vijftien steenen gebouwen, die niet verbrand waren, hebben ze daarvoor ingericht; zelfs Fransche brandewijn, wijn en geneesmiddelen zijn er gevonden...”
„Nu ja, dat mag zoo wezen,” meende een lansier, „maar toch is er van niets genoeg! Zóóveel geblesseerden, daar is dan ook geen helpen aan! De wondheelers werken dag en nacht door, maar verbeeld je, met den tweeden nacht al was er niets meer over om de gekwetsten te verbinden! In plaats van linnen gebruikten ze toen maar de perkamenten uit de archieven tot spalken en verbanden; en als pluksel namen zij uitgeplozen touw.”
„En dan moet je nog weten,” zei een korporaal die juist binnen gekomen was, „dat ze een geheel hospitaal drie dagen lang vergeten hadden! Toevallig heb ik het van morgen ontdekt, doordat ik van 't eene hospitaal in het andere naar een vermisten vriend liep te zoeken. Eindelijk vond ik hem dáár, half uitgehongerd, te midden van stervenden en dooden, in een afschuwelijken stank. Aan maarschalk Rapp, dien ik toevallig tegenkwam, heb ik dadelijk mijn ontdekking verteld en toen is er onmiddellijkverpleging gekomen. De Keizer stuurde zelfs zijn eigen wijn, om onder die ongelukkige stakkers uit te deelen, voor zoover ze ten minste nog niet bezweken waren.”
„'t Is de ellendigste oorlog dien ik ooit meegemaakt heb,” zuchtte Ros: „Lijken en gewonden bij duizenden en toch geen enkele groote veldslag!”
„Neen,” gromde een andere oudgediende, „we hebben nog niets veroverd dan verbrande en leeggeplunderde steden en dorpen. Van buit is geen sprake! We bezitten op 't oogenblik niets dan wat we zelf hebben meegebracht!”
„Maar als we dan tòch alles uit Frankrijk naar Rusland moesten sleepen,” zei de grenadier, „waarom ons dan maar niet liever in Frankrijk gelaten?”
„Acht honderd mijlen hebben ze ons nu al af laten leggen,” verklaarde de korporaal; „en dat waarvóór? Om ten leste niets anders te vinden dan modderig water, hongersnood en bivakken op asch en puin!”
In dien geest werd niet enkel in de cantine van moeder Jane, maar schier overal onder de soldaten geprutteld.
Doch ook verscheidene generaals waren reeds ontevreden.
„Wat geeft het,” morden zij, „dat de Keizer ons rijk gemaakt heeft, als we er tòch geen genot van kunnen hebben; dat hij ons uitgehuwd heeft, als we verwijderd van onze vrouwen moeten leven; dat hij ons paleizen heeft geschonken, als we toch ver van ons land, op den blooten grond moeten huizen en vernachten? Welhaast zal Europa niet meer voldoende zijn voor zijn heerschzucht en zal hij ons naar Azië laten trekken!”
Napoleon zelf was al evenmin goed gestemd.
Op het slagveld scheen de vervoering zijner soldaten hem te hebben meegesleept. Doch van Walutina weer naar Smolensk terugkeerend onder een steeds drukkender hitte, terwijl zijn rijtuig door het schrikwekkend aantal gewonden slechts langzaam voort kon gaan, was spoedig de ontgoocheling gevolgd. Toen hem daarop weldra bleek,dat het Russische volk, door zijn overheden en priesters misleid, den brand van Smolensk aan hèm toeschreef en overal met het wijkende leger meevluchtte, begon de Keizer te weifelen in zijn besluit, om den veldtocht voort te zetten.
Doch de hoop, door de verovering van Moscou Keizer Alexander tot den vrede te dwingen, dreef Napoleon, na een verblijf van zeven dagen, ook weer uit Smolensk, verder en verder, zijn verderf te gemoet.
Moeilijk bleek de weg, geweldig de hitte, zeer onvoldoende de verpleging in die zoo goed als waterlooze, onafzienbare vlakten, welke het Fransche leger thans door moest. Ontzettend was dan ook de ellende, geleden door mensch en dier. En dan de steden die werden gepasseerd! Ze bleken alle grootendeels door de inwoners verlaten, half verbrand en in puinhoopen veranderd.
Toch werd de marsch onafgebroken voortgezet, en tegen den 5denSeptember naderde de dagelijks zwakker wordende hoofdmacht het dorp Borodino, aan den grooten weg naar Moscou.
Alles wees er op, dat het hier eindelijk tot een grooten slag zou komen.
Bij het Russische volk had de oorlog, zooals Alexander's veldheeren dien voerden, een algemeene ontevredenheid verwekt. Het welberekend terugtrekken kwam de menigte voor als een smadelijke, doemwaardige vlucht, inzonderheid omdat daardoor de heilige stad Moscou van dag tot dag grooter gevaar liep, den vijand in handen te vallen. Om het volk tot nog grootere opofferingen bereid te maken, snelde Keizer Alexander zelf naar de Czarenstad en sprak van het Kremlin zijn verzamelde onderdanen toe, die, door zijn treffende woorden ontvlamd, de duurste eeden zwoeren, dat zij alles geven, alles verlaten, alles ten offer brengen zouden om „den tiran der volken en van den godsdienst” te vernietigen. Tegelijkertijd werd de oude veldmaarschalk en lieveling des volks, de sluwe en vaderlandslievende Kutusof met het legercommando belast, daar Barclay de Tolly het algemeen vertrouwen had verloren. Kutusof gehoorzaamde de stem der natieen van zijn Keizer en besloot, ten einde Moscou te behouden, een veldslag te wagen. Bij Borodino zouden alzoo de Russen, met den moed der vertwijfelde vaderlandsliefde, den toegang tot hun hoofdstad verdedigen. Langs de steile hellingen van het riviertje dat zich door het landschap kronkelde, tegen de heuvelranden, tusschen de boomgroepen en in de vlakte, overal wierpen zij hun verschansingen op en maakten zich tot verdediging tegen den aanval der Fransche armee gereed.
De veldslag die hier den 7denSeptember plaats had, was dan ook een der bloedigste in de gansche wereldgeschiedenis.
Afgunst en wrok.