DEEL II.WEERLEGGING VAN BEZWAREN.

Tarweverbruik in Nederland onafhankelijk v.h. buitenland.

Maardoor de droogmaking der vruchtbare kleigronden in de Zuiderzee, zal Nederland in tijden als wij nu beleven zichzelf geheel van de noodige tarwe kunnen voorzien. Als van de Zuiderzeegronden 160.000 HA. met tarwe worden bebouwd, kunnen deze 160.000 × 50 = 8 millioenH.L. tarwe geven. Voegt men hierbij de ruim 2 millioen H.L. die Nederland nu voortbrengt, dan krijgt men eene hoeveelheid van ruim 10 millioen H.L., die nagenoeg voldoende is voor onze geheele behoefte.

Ontginning van woeste gronden.

Tegenstanders van de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee hebben meer dan eens deontginning van woeste grondendaartegenover gesteld. Waarom niet liever onze woeste gronden in vruchtbaar land herschapen, zoo vragen zij dan, dan nieuwe gronden te gaan veroveren op den bodem der zee?

Maar waarom die tegenstelling? Beide zaken zijn hoogst nuttig. Waarom dan een van beide uitgesloten? En het tot stand komen van de eene schaadt toch de andere niet. Zelfs kan de eene de andere bevorderen. Veel zoogenaamde woeste grond immers is alleen te ontginnen voor boschbouw. En vóór den oorlog hoorde men vaak klagen, dat men in het binnenland geen voldoenden afzet kon vinden voor jong sparhout. In het nieuwe Zuiderzee-gewest zullen, vooral in den tijd van de eerste bewoning en bebouwing groote hoeveelheden van dat hout noodig zijn voor boonenhout, afrasteringen, bergen, zolders, dakhout, enz.,—wat dus de ontginning tot bosch zal steunen.

Bovendien wordt er soms geheel verkeerd geoordeeld over de ontginning van woeste gronden. Sommigen meenen dat men deze alle herscheppen kan in wat men wil. Het lijkt er niet naar! Vooreerst zijn er gedeelten die volstrekt onontginbaar zijn (loodzand, oerbanken, enz.): in het Rapport van de Heide-Maatschappij aan Gedeputeerde Staten van Drente over den aard der woeste gronden aldaar41)wordt o. a. meegedeeld, dat een groot gedeelte voor geen enkele cultuur, ook niet voor boschbouw, geschikt is. Het overgroot gedeelte van onze heidevelden dat ontginbaar is, is alleen geschikt voor bebossching. Maar eerst na vele jaren, 18 à 20 jaar, gaat aldaar aangelegd bosch een matige rente geven van het daarin gestoken kapitaal. Laag gelegen landen, als broekgronden, dalgronden en ook lage heiden, die men een goede afwatering kan geven, zijn bij goede behandeling veelal betrekkelijk spoedig tot grasland te maken en vele geven dan weldra goede rente,—zooals o. a. op vele plaatsen, voornamelijk langs de riviertjes in oostelijk Noord-Brabant, de aan de gemeenten toebehoorende en niets opleverende landen. Met andere, waaraan veel arbeid noodig is, gaat dit echter niet zoo voorspoedig. De hooger gelegen landen in diezelfde streek, die eerst na veel arbeid en bemesting tot bouwland zijn gemaakt, geven slechts dan een matige rente als de arbeidskrachten zeer goedkoop zijn, b.v. als zij 's winters door boeren met eigen volk bewerkt worden of door arbeiders die uit geldgebrek of uit verveling zich met uiterst lage dagloonen tevreden stellen. Elders ondernomen groote en goed geleide ontginningen schijnen echter ook een goed bestaan aan de gebruikers en bovendien een matige rente te geven. Zoo heeft de ontginning van het Zeijerveld onder Norg, groot 630 HA., 416 HA. bouw- en grasland en 164 HA. bosch opgeleverd—de rest werd ingenomen door wegen, kanalen en slooten, waarvan de kosten met inbegrip van het gebouwenkapitaal, het aankoopkapitaal (ƒ100.- de HA.) en de samengestelde rente daarvan en van de ingestoken kapitalen à 3½ percent, ƒ1100.- de HA. hebben bedragen,—waarbij echternog de kosten van een verharden weg daarheen moeten gevoegd worden. De 15 boerderijen daarop gesticht zijn verpacht voor 32,5 à 55 gulden per HA. voor 6 jaar42).

Maar op de Zuiderzeegronden kan men jaren lang roofbouw drijven; bemesting zou zelfs in den eersten tijd schadelijk zijn. En zwaar zullen de vrachten kostelijke vruchten zijn die zij dadelijk opleveren.

Men ziet dus dat dooreengenomen het voortbrengingsvermogen van ontgonnen woeste gronden niet gelijkgesteld mag worden met dat van het te veroveren Zuiderzeegebied.

Maar toch, wie zou niet de ontginning van de tot nu geheel ongebruikt liggende oppervlakten gronds van harte toejuichen? Hoeveel goeds hunne ontginning in vele streken brengt, vooral ook voor den kleinen landbouwer en den boerenarbeider, hoe het geheele landbouwbedrijf, ook op de oude gronden, er door verbeterd wordt, armoede en werkloosheid er door worden weggenomen, de veestapel er door uitgebreid wordt, enz. kan men o. a. vinden in de Verslagen en Mededeelingen van de Directie van den Landbouw43).

Maar daarom kenne men de ontginning van de zoogenaamde woeste gronden niet een voorrang toe boven de droogmaking van een deel der Zuiderzee.

Dit zijnbeidezeer nuttige zaken, die weinig of niets met elkaar te maken hebben. Waarom zouden wij ze dan nietbeideuitvoeren met al den ijver en de toewijding die zij zoo ten volle verdienen?

Op merkwaardige wijze worden bovenstaande beschouwingen bevestigd in een brief uit New-York van den correspondentderNieuwe Rotterdamsche Courantvan 12 Sept. 1911, Avondblad C, waaruit blijkt, dat ook in voor den landbouw gunstige tijden zooals tegenwoordig, het bezwaar van het tekort aan grond sterk gevoeld wordt. Daarin wordt er op gewezen, dat de landverhuizing van Nederlanders naar (Noord-)Amerika in de laatste jaren toeneemt. Uit persoonlijke besprekingen met de landverhuizers bleek den schrijver, dat zij voor de groote meerderheid tot den landbouwenden stand behoorden en dat de oorzaak van hun vertrek uit het vaderland was: „uiterst hooge prijzen voor bouwland, aankoop van vruchtbaren grond voor groote gezinnen onbereikbaar, terwijl woeste heidevelden, enz. te kostbare en tijdroovende ontginning vorderen”. Ook vernam hij, dat het huren van bouwhoeven, dus het pachtersbedrijf, niet tot welstand kon voeren.

Maatschappelijke voordeelen.

Aan de uitvoering van het groote werk der afsluiting en droogmaking zijn nog eenige maatschappelijke voordeelen verbonden.

Vermeerdering arbeidsgelegenheid.

Vooreerst devermeerdering der arbeidsgelegenheid44). Hierbij is het volgende wèl te onderscheiden.

Gedurendede uitvoering van het werk, doch buiten de verkaveling, enz.der gronden zal er veel werk komen voor eenige groepen van arbeiders, voornamelijk voor rijswerkers, voor de arbeiders in de grienden langs onze benedenrivieren, voor grondwerkers (polderjongens), metselaars en betonbewerkers, die vooral aan de groote sluiswerken op Wieringen veel arbeid zullenvinden, voor dijkwerkers (steenzetters, enz.), en niet het minst voor de schippers, die voor den afsluitdijk en de meerdijken ontzettende massa's klei, bazalt en anderen steen, eiken palen, enz. zullen hebben te vervoeren.

Ook deverkaveling en de bewoonbaarmaking der gronden, die dus gedeeltelijk met de uitvoering van de andere werken zal samenvallen, zal veel arbeid brengen voor werklieden van zekere beroepen, voor grondwerkers; voor metselaars, timmerlieden en smeden aan honderden bruggen, sluizen, duikers en gebouwen voor de stoomgemalen.

Aan het werk zelf in de beide eerste perioden zullen, naar de begrooting der Staatscommissie van voor 20 jaar, 45 millioen (dus nu minstens 55 millioen) gulden aan arbeidsloonen en scheepsvrachten worden betaald.

En eindelijk gedurende deblijvende vestiging of kolonisatie, eveneens ten deele met de beide genoemde soorten van arbeid elders samenvallend, moeten de woningen voor de vaste bevolking, gebouwen voor de boerderijen, enz. worden gebouwd. De hiervoor genoemde openbare gebouwen moeten vóór en na worden gesticht, samen voor ongeveer één millioen gulden. Het spreekt van zelf dat dan al naar de behoefte arbeidskrachten, vertegenwoordigend alle beroepen, zich in de nieuwe landen zullen neerzetten, voor een gedeelte voor goed; zonder hen is daar geen geordende maatschappij denkbaar.

Voordeelen v. d. nijverheid.

Ten andere is het gemakkelijk in te zien, dat onzenijverheid, vooral de steenbakkerij, vruchten van het groote werk zal plukken. Behalve voor 26 millioen gulden steen uit het buitenland, zal voor 118 millioen aan materialen uit Nederland zelf noodig zijn (begrooting 1892–1894).En bij de ontwikkeling van het nieuwe gewest zal aldaar behoefte bestaan aan steen, hout, steenkool, turf, landbouwwerktuigen, enz.; onze nijverheid daarbuiten zal er hare producten kunnen plaatsen en daarvan zeker nog geheel andere gevolgen kunnen ondervinden dan tegenwoordig de touwslagerijen, rookerijen en garnalenpellerijen bij het bestaan der Zuiderzee.

Idem voor verkeer en marktwezen.

De aanvoer van al die artikelen en nog veel meer en de afvoer der jaarlijksche producten van den landbouw, zalhet verkeerper spoorweg, per as en per schip ook buiten het nieuwe gewest verlevendigen en de „villes mortes” langs de kusten van den ouden plas zullenmarktplaatsenworden in de hedendaagsche beteekenis, nl. plaatsen van inkoop en doorvoer voor de welvarende bevolking van een rijke twaalfde provincie.

De kosten.

Verhooging der kosten in de laatste 25 jaar.

De cijfers van de berekeningen der kosten en van de geldelijke gevolgen, door de Staatscommissie van 1892 genoemd, zijn natuurlijk nu niet meer geldig maar moeten, vooral wegens de verhooging der arbeidsloonen, met een aanzienlijk bedrag worden vermeerderd.

Toch behoeft dit volstrekt geen bezorgdheid te doen ontstaan omtrent de uitvoerbaarheid van het werk uit een geldelijk oogpunt. Immers ook het productievermogen van den grond is door den grooten vooruitgang van den landbouw sedert dien tijd in niet mindere mate toegenomen. Nog ongeveer 10 jaar geleden kon men aannemen, dat een HA. goede kleigrond gem. 42 HL. tarwe opbracht,—nu mag men die opbrengst op 52 HL. stellen.

En waar toen de HA. 300.000 KG. suikerbieten gaf, levert die thans, mits naar de eischen der tegenwoordige wetenschap behandeld, wel 400.000 KG. op.

Het aanhangige regeeringsontwerp bevat een opgave van koopsommen van klei- en zandgronden, beide in 6 provinciën, die 1900–1909 gekocht en na 1900 weer verkocht zijn (bl. 15), waaruit blijkt dat de koopsommen van een HA. zeeklei in Nederland gem. gestegen zijn van ƒ1004.- in 1900–1909 tot ƒ1698.- nà 1909 en van zand resp. van ƒ528.- tot ƒ812.-. Op grond daarvan meent de Regeering nu een jaarlijksche zuivere opbrengst van ƒ80.- per HA. te mogen aannemen tegen slechts ƒ60.- in het wetsontwerp van 1907.

Raming der kosten.

In verband met de hier bedoelde algemeene stijging der prijzen is in 1914 een Staatscommissie benoemd om de ramingen der Staatscommissie van 1892 aan een nader onderzoek te onderwerpen. Door deze zijn de kosten van het geheele werk (zonder die voor de voorzieningen in de belangen der landsverdediging), die volgens de raming der Staatscommissie van 1892 179 millioen gulden zouden bedragen, geraamd op222 millioen gulden.

Hierbij valt echter op te merken, dat de verhoogde raming niet uitsluitend het gevolg is van hoogere loonen en prijzen van materialen, maar ook in niet onbelangrijke mate van de omstandigheid, dat alle risico's die zich bij zulk een omvangrijk werk kunnen voordoen, nader zijn overwogen, ook aan de hand van hetgeen wordt meegedeeld in het Verslag van het meer uitgewerkt plan van de droogmaking van het Wieringermeer,—en dat meer speciaal de aandacht is gewijd aan de werken ontworpen binnen de beide het eerst aan de orde zijnde inpolderingen(NW. en ZW. droogmakerijen) en de daarmee in verband staande werken, als scheepvaart- en afwateringskanalen, enz. Daardoor kunnen meer dan vroeger groote tegenvallers bij de uitvoering als uitgesloten worden beschouwd, temeer omdat geen rekening is gehouden met de omstandigheid, dat waarschijnlijk bij eenige werken door een minder kostbare constructie of werkwijze bezuinigingen zullen worden verkregen.

De raming van de groote onderdeelen van het plan, wordt dan als nevenstaande tabel aangeeft.

Beperking van het plan.

In het aanhangig wetsontwerp wordt evenals in dat van 1901 voorgesteld nu alleen in de wet vast te leggen de afsluiting en de uitvoering van de beide westelijke polders. Later kan dus bij de wet het begin van uitvoering der beide oostelijke polders worden bepaald.

Maar deze laatste worden toch ook genoemd onder de uit te voeren werken en zij zullen reeds spoedig nadat aan den afsluitdijk begonnen is worden voorbereid.

De Regeering meent nl. dat het, in verband met de sedert 1901 veranderde omstandigheden met betrekking tot de waarde van en de vraag naar land, waarschijnlijk is, dat de droogmaking der vier polders in veel korteren tijd zal kunnen plaats hebben dan destijds werd verondersteld. Terwijl zij den werkduur voor den afsluitdijk alleen evenals vroeger op 9 jaar stelt, meent zij dat de droogmaking, enz. der Wieringermeer reeds in het 12ejaar (in plaats van in het 14e) zal zijn tot stand te brengen en die van den Hoornschen Polder in het 15e(in plaats van in het 18e). De uitvoering van dit beperkte plan, waardoor de afsluiting en een oppervlakte van ruim 74.320 HA. zal worden verkregen, zal een uitgave van110millioen guldenvereischen (zie boven),—dus ongeveer de helft van die voor het geheele plan.

Doordat dan vroeger tot de uitgifte van de drooggelegde gronden zal kunnen worden overgegaan, zal ook rentebesparing worden verkregen.

Nadere finantieele beschouwingen.

In verband met het bovenstaande zegt nu de Regeering „dat indien de duur van het werk—de afsluiting en de vier polders—op 30 jaar wordt gesteld, en wordt aangenomen dat de pachtopbrengst der vier polders resp. 15, 20, 25 en 35 jaar na den aanvang der afsluiting in mindering der kosten zou komen, de rente eener 4½ pct. leening van 222 millioen gulden—zijnde de totale raming—waarvan gemiddeld ƒ7.500.000 per jaar zou worden verbruikt, met rente op rente, gedekt zoude zijn bij een pachtopbrengst van gemiddeld ƒ80.- per HA.”

Hoewel nu een zuivere pacht van ƒ80.- de HA. zeker niet te hoog is te achten, zoo wil de Regeering, in aanmerking nemende de wisseling van omstandigheden, die zich zou kunnen voordoen, deze berekening niet als grondslag voor haar wetsvoorstel nemen. Wel stelt zij voor gedurende de eerste 14 jaar, wanneer nog geen rechtstreeksche baten zullen worden ontvangen, de renten van de dan op te nemen gelden tegen 4½ percent, uit de gewone middelen te betalen, benevens de renten van de gelden, noodig voor 's lands verdediging. Zij acht het niet wenschelijk om voor een langdurig tijdperk nu reeds verdere regelingen te treffen tot dekking der kosten.

Maar uit een ander blijkt toch dat de rente van het in het werk gestoken kapitaal door de baten ruimschoots gedekt wordt.

Bovendien genieten dan twee- à driehonderd duizend menschen een goed bestaan, terwijl de Staat de indirecte voordeelen daarvan geniet en ook van de afsluiting, voortvloeiende uit de verhoogde welvaart van de aan de Zuiderzee gelegen gewesten.

Uit deze beschouwing blijkt ook duidelijk waarom deStaat dit werk met gerustheid kan uitvoeren, waar hetals ondernemingaan particulieren misschien zou moeten worden ontraden. DeStaatzal in elk geval nog goede winsten behalen.

Ook Mr.van Nieroperkent dat de Staat zich in dit geval op een geheel ander standpunt heeft te stellen dan particulieren dat kunnen doen. Maar ten slotte zegt hij: „De warmste voorstander van de droogmaking moet nog aantoonen, dat deze indirecte voordeelen van dien aard zullen zijn, dat het er niet toe doet of de kosten verscheiden millioenen meer of minder zullen bedragen en dat het voor de belastingschuldigen onverschillig zou zijn of zij gedurende de inpoldering belangrijke sommen aan rente zullen moeten opbrengen”.

Raming van de indirecte voordeelen der afsluiting.

Daar er ongetwijfeld aan dit groote werk risico verbonden is, is de hier gestelde eisch gerechtvaardigd, maar toch in zooverre onbillijk dat het zeer moeilijk, zoo niet onmogelijk is om de indirecte voordeelen in aantallen guldens kapitaal of rente uit te drukken.

Toch is het niet moeilijk in te zien, dat de ruime marge die Mr.Van Nieropverlangt om eventueele overschrijding der ramingen te dekken, inderdaad bestaat.

Om eenig denkbeeld te verkrijgen van de verhooging van het voortbrengend vermogen van Noord-Holland t. N. van het IJ, zou men kunnen stellen, dat van 150.000 HA. binnen de duinen 100.000 HA. belang hebben bij het zoet worden van het boezemwater en dat daardoor de opbrengst per HA. ƒ5.- stijgt. Voor Westfriesland schatte een zuivelconsulent die op ƒ10.- de HA. Men krijgt aldus ƒ500.000 's jaars of gekapitaliseerd tegen 4 percent 12½ millioen meerwaarde. Of neemt men het aantal runderent. N. van het IJ aan op 140.000 en de hoogere opbrengst van elk beest op ƒ5.-—wat voor eenige jaren op het landbouwcongres te Hoorn niet te veel werd geacht—, dan krijgt men ƒ700.000 meer jaarlijksche opbrengst, dus 17,5 millioen meerwaarde.

Wat Friesland betreft, stellen wij dat 40.000 HA. buitenlanden daardoor ƒ10.- p. HA. 's jaars meer zullen opbrengen en dat van nog 160.000 HA. van het boezemgebied de jaarlijksche gebruikswaarde met ƒ5.- de HA. zal toenemen, dan komt men tot een hoogere opbrengst van ƒ1.200.000 's jaars—een meerwaarde van 30 millioen dus,—buiten de voordeelen voor de nijverheid, de scheepvaart en de visscherij.

Intusschen zijn deze cijfers natuurlijk altijd min of meer willekeurig. De Regeering noemt alleen die waarop het voordeel van zoetwateraanvulling en waterverversching ingevolge een onderzoek van den Zuiderzeebond in September 1897 zijn geschat en die voor Noord-Holland en Friesland samen ƒ680.000 's jaars zouden bedragen, dus gekapitaliseerd tegen 4½ percent een kapitaal van 15 millioen zouden vertegenwoordigen,—een schatting die m. i. zeker te laag is.

Maar bovendien moeten in rekening komen de andere indirecte voordeelen hiervoor genoemd, nl. die voor de waterkeering, waterloozing, enz. en vooral van de aanwinst van een groote vruchtbare provincie, waar zoovelen een goed bestaan zullen vinden, al worden die verminderd met hetgeen de Zuiderzee nu als vischwater oplevert. Is het nog noodig te trachten ook die onder cijfers te brengen?

De verlangde dekking voor eventueele tegenvallers is dus in ruime mate aanwezig.

Wel herhaalt de Regeering de zoowel door de Zuiderzee-Vereenigingals door de Staatscommissie uitgesproken meening: „dat de voordeelen van den afsluitdijk niet van dien aard zijn, dat het wenschelijk zou zijn om alleen met het oog daarop, geheel afgescheiden van een latere droogmaking, de afsluiting ten uitvoer te leggen”,—maar het blijft toch m. i. niet onmogelijk dat de waarde van die voordeelen de kosten van den afsluitdijk zeer nabij zullen komen of zelfs overtreffen.

Noodzakelijkheid van de uitvoering.

Men heeft wel eens de vraag gedaan: Waarom dit groote werk? Is het volstrekt noodig? Het antwoord op deze vraag is uit de voorgaande beschouwingen gemakkelijk op te maken. Naar aanleiding van de opmerking dat er wel meer zulke groote sommen (ook gedurende vele jaren) uitgegeven zijn, zooals 265 millioen gulden voor aanleg van Staatsspoorwegen, in 20 jaar tijds 259 millioen aan openbare werken, enz., zegt Mr.Van Nierop: „Deze werken strekten om te voorzien in een behoefte, die bevrediging eischte. Het openbaar verkeer vorderde den aanleg van spoor- en waterwegen”. En verder: „Al is het geen onderneming” (de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee), „zij is daarmede zeer verwant. Geen openbaar belang vordert haar uitvoering”.

Och kom! Werken ter bevordering van het openbaar verkeer en die tot afsluiting en droogmaking der Zuiderzee—er is immers geen onderscheid in het doel van die beide. Het verkeer bevordert men toch niet om het verkeer zelf! Het doel van beide soorten van werken is toch: de bestaansmiddelen uit te breiden of nieuwe te scheppen. Daarom en daarom alleen worden zulke werken tot stand gebracht. Zeker! Hadden wij dat aanleggen van spoorwegennagelaten, dan zouden wij onze eigen belangen al zeer slecht hebben gediend, maar dit zal evenzeer het geval zijn als wij de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee nalaten. Een wijs Regeeringsbeleid moet er niet alleen op gericht zijn te doen wat men onmogelijk kan nalaten, maar om van alle aanwezige middelen gebruik te maken om de welvaart van het land te verhoogen. En als een land de gelegenheid heeft om zijn innerlijke kracht en zijn internationale beteekenis belangrijk te doen toenemen, wordt dan „het openbaar belang” niet in hooge mate gediend door van die gelegenheid gebruik te maken?

Dat is niet alleen wijs Regeeringsbeleid, het is ook Regeeringsplicht.

In de Memorie van Toelichting bij het nu aangeboden wetsontwerp stelt de Regeering zich blijkbaar ook op dit standpunt, waar zij de vraag beantwoordt of er voor het Rijkvoldoende redenvoor de uitvoering van het groote werk bestaat en waarin zij zegt, dat al zou het werk misschien nog een geldelijke bate opleveren, dit op zichzelf voor het Rijk nog niet alleen de drijfveer mag zijn om het werk te ondernemen. En: „Hoofddoel moet zijn het vermeerderen van de algemeene welvaart door het scheppen van een beteren waterstaatstoestand in een belangrijk deeldes lands, door de vergrooting van den vaderlandschen bodem met een aanzienlijke uitgestrektheid vruchtbaar land en door het openen van een uitgebreid arbeidsveld voor Nederlandsche nijverheid en werkkracht”.

Indijking bij kleine gedeelten zonder afsluitdijk.

Ten slotte. Vooral met het oog op de geldelijke en œconomische zijde van de Zuiderzeezaak heeft men meer dan eens het denkbeeld aanbevolen om den afsluitdijk weg te laten en al naar de behoefte binnen de Zuiderzeegronden geleidelijk in te dijken en droog te maken.

Voor zooveel daarmee bedoeld wordt het achtereenvolgens indijken van betrekkelijk kleine stukken45), is het gemakkelijk te begrijpen dat dit zeker de meest nadeelige wijze zou zijn om grond aan te winnen. Het betreft hier niet het leggen van nieuwe dijkenopde oevers van nieuw aangewassen gronden, om deze van de zee af te sluiten, zooals in Zeeland en elders nu en dan geschiedt. Maar hier zouden zware en hooge afsluitdijken gelegd moeten wordenop den bodem der Zuiderzeeen de aldus afgesloten stukken moeten worden drooggemaakt. Hoeveel tienduizenden meters dijk zouden op die wijze moeten worden gelegd, voordat men b. v. 100.000 HA. had ingedijkt? Dat zou toch zeker millioenen guldens noodeloos in het water werpen zijn!

Bovendien zou men op die wijze na zekeren tijd een oppervlakte hebben aangewonnen, waarin wegen, spoorwegen, kanalen, enz. stuksgewijze aangelegd zijn en dus zeker niet zulk een goed geheel zouden vormen, als wanneer dat in eens had kunnen geschieden, terwijl ook in andere opzichten niet zulk een goed geheel zou zijn verkregen dan bij uitvoering in eens.

En hoe zou het dan met enkele minderwaardige veen- en zandgronden gaan? Wie zal b.v., ook in onzen tijd, bereid gevonden worden om met veel kosten de zandgronden op den bodem der Zuiderzee langs de Veluwe te gaan droogleggen? Bij droogmaking in eens kunnen zij echter mede binnen de groote Z.O. droogmakerij vallen, die overigens uit zeer vruchtbare kleigronden bestaat, enbezwaren de kosten hiervan weinig, zelfs al hadden zij in 't geheel geen waarde.

Achtereenvolgensindijken en droogmaken der 4 deelen zonder afsluitdijk.

Men kan echter nog anders handelen, nl. eenvoudig den afsluitdijk weglaten en achtereenvolgens de vier groote deelen gaan droogmaken, zooals dan ook èn door de Zuiderzee-Vereeniging èn door de Staatscommissie ernstig is overwogen en vergeleken met het plan met afsluitdijk.

Voor zulk een droogmakingzonderafsluitdijk is meer te zeggen dan voor een bij kleine gedeelten. De groote kosten van dien dijk, die in deeerste9 jaar van het werk moet worden aangelegd, drukken dus door hunne renten sterk die van het geheel. Daartegenover staat echter dat dan de dijken der vier droogmakerijen niet meerdijken maar zeedijken moeten zijn, waarvan de kosten 61 millioen gulden hooger geraamd worden (Staatscommissie). Ook zullen dan de gemalen voor droogmaking en drooghouding het water hooger moeten kunnen opbrengen, dus kostbaarder zijn in aanleg en onderhoud (in aanleg ƒ3.367.000 meer). Ten slotte zouden de geheele kosten zonder afsluitdijk zijn (Staatscommissie): ƒ212.700.000, met rente ƒ279.000.000 en met rente op rente ƒ293.000.000,—alleen deze laatste som is iets minder dan die met afsluitdijk.

Het verschil in kosten kan dus niet beslissen.

Zwaarder weegt het argument dat door den afsluitdijk het werk tot één geheel gestempeld wordt: is eenmaal die dijk gelegd, dan moet menzoo spoedig mogelijkalle vier genoemde gedeelten droogmaken enzoo spoedig mogelijkalle gronden uitgeven.

Kwamen er eens tijdsomstandigheden, waardoor de voortgang zeer vertraagd of tijdelijk geschorst zou worden,dan konden daardoor verliezen geleden worden.

Maar juist dat grootegeheelen wel zoodra mogelijk is het wat velen in de eerste plaats wenschen en dat daarom naar hunne meening mag en moet gewaagd worden.

Wat den een een bezwaar toeschijnt, vindt de ander juist een voordeel; de een deinst voor mogelijke verliezen terug, de ander durft het aan, ook al mochten zulke verliezen zich voordoen, het werk als één geheel aan te pakken en te voltooien.

Daarover valt moeilijk te redeneeren; dat is, om met de Staatscommissie te spreken, „voor een deel een quaestie van temperament”.

En dit argument van spoedig te moeten afwerken vervalt grootendeels, als men den afsluitdijk met bijkomende werken als een op zich zelf productief werk beschouwt, waarvan de kosten althans voor een groot gedeelte door de indirecte voordeelen zullen worden goedgemaakt, welk gedeelte dus niet ten laste van de volgende werken zal behoeven te worden gebracht.

En het zijn juist die groote voordeelen, die men mist bij een uitvoering zonder afsluitdijk.

De Staatscommissie kwam daardoor toch tot het besluit „dat een inpoldering met afsluitdijk te verkiezen is boven inpolderingen in de Zuiderzee zonder voorafgaande afsluiting”. Nu die voordeelen door nadere beschouwing meer en meer van groote beteekenis zijn gebleken, veel grooter dan waarop de Staatscommissie die schatte, is men zooveel temeer gerechtigd tot het besluit:Afsluiting en droogmaking volgens het plan van de Zuiderzee-Vereeniging-Staatscommissie.

37)De Economist. Jaarg. 1897.

De Economist. Jaarg. 1897.

38)Zie Memorie van Toelichting b. h. Wetsontwerp 1916, bl. 15 en 16.

Zie Memorie van Toelichting b. h. Wetsontwerp 1916, bl. 15 en 16.

39)Volgens de Mem. v. Toel. bij het Regeeringsontwerp van 1877. Volgens de Gesch. en Beschr. v. h. Noordzeekanaal door de Ingrs. v. d. R.-Wat.Wortmanenv. d. Broek, uitg. d. h. Dept. v. Waterstaat, werden de gronden, gerekend naar hunne grootte en behalve de aangeplempte grond bij Nieuwendam verkocht voorgemiddeld2330 gulden de HA. Sommige perceelen brachten ruim ƒ3200 de HA. op.

Volgens de Mem. v. Toel. bij het Regeeringsontwerp van 1877. Volgens de Gesch. en Beschr. v. h. Noordzeekanaal door de Ingrs. v. d. R.-Wat.Wortmanenv. d. Broek, uitg. d. h. Dept. v. Waterstaat, werden de gronden, gerekend naar hunne grootte en behalve de aangeplempte grond bij Nieuwendam verkocht voorgemiddeld2330 gulden de HA. Sommige perceelen brachten ruim ƒ3200 de HA. op.

40)VolgensDe VriesenSchorer. Zeeweringen en Waterschappen v. Noord-Holland, volgens de Waterstaatskaart 5809 HA.

VolgensDe VriesenSchorer. Zeeweringen en Waterschappen v. Noord-Holland, volgens de Waterstaatskaart 5809 HA.

41)Tijdschrift Heide-Maatschappij. Jaarg. 1900.

Tijdschrift Heide-Maatschappij. Jaarg. 1900.

42)Tijdschr. Heide-Mij. 1915, bl. 285 e. v.

Tijdschr. Heide-Mij. 1915, bl. 285 e. v.

43)Zie o. a. Jaargang 1908, No. 6.

Zie o. a. Jaargang 1908, No. 6.

44)Zie de praeadviezen over het onderwerp: De invloed van de Drooglegging der Zuiderzee op de werkloosheid vanA. PlateenA. A. Beekmani. h. Tijdschr. d. Nat. Ver. tegen de werkloosheid. Jaarg. 1, Afl. III en IV.

Zie de praeadviezen over het onderwerp: De invloed van de Drooglegging der Zuiderzee op de werkloosheid vanA. PlateenA. A. Beekmani. h. Tijdschr. d. Nat. Ver. tegen de werkloosheid. Jaarg. 1, Afl. III en IV.

45)A. Huet.De meest voordeelige wijze van landaanwinning in de Zuiderzee.—Zwolle 1895.

A. Huet.De meest voordeelige wijze van landaanwinning in de Zuiderzee.—Zwolle 1895.

In den laatsten tijd zijn eenige geschriften verschenen waarin het plan der Zuiderzee-Vereeniging-Staatscommissie tot afsluiting en gedeeltelijke drooglegging der Zuiderzee voornamelijk uit een technisch oogpunt wordt bestreden of een ander beter geacht plan wordt aanbevolen. Ook in enkele mondelinge voordrachten is dat geschied.In 't algemeen kunnen blijken van belangstelling in een zaak, waarbij de belangen van het gansche land in zoo hooge mate betrokken zijn, slechts als een verblijdend teeken worden begroet. Maar wanneer de beschouwingen afkomstig zijn van niet-deskundigen, wien de kennis ontbreekt van de grondbeginselen der wetenschappen die bij de zaak betrokken zijn, dan hebben die op zich zelve weinig of geen waarde en dan is een ernstige kritische beoordeeling daarvan zoo goed als onmogelijk.Hiermee is niet gezegd dat ook een niet-deskundige niet eens een goed denkbeeld kan hebben, maar ten slotte moeten deskundigen over de waarde daarvan beslissen.De bovenbedoelde geschriften zijn op een enkel na helaas van onbevoegden en het gevolg daarvan is, dat dezen zooals gewoonlijk hun gebrek aan kennis trachten aan te vullen door groote woorden, zeer kras gestelde uitspraken, ja in een enkel geval zelfs door te schelden.Toen de Zuiderzee-Vereeniging mij verzocht ook mijne meeningen eens te stellen tegenover zooveel ongegronde en los daarheen geworpen beweringen, trok die taak mij dan ook zeker niet aan. Debat toch is het stellen van argumenten tegenover argumenten, maar waar deze bij de tegenpartij ontbreken, daar slaat men in de lucht, daar kan van een eigenlijken vruchtbaren strijd geen sprake zijn. Men moet dan „en passant” wat kennis trachten bij te brengen, wat echter òf zeer moeilijk òf onmogelijkis. En men vraagt dan allicht zich zelven af of men niet wat beters te doen heeft dan zich uit te putten in redeneeringen die op den ander toch geen vat kunnen hebben, omdat hij bij voorbaat onwillens is om overtuigd te worden.Intusschen moet nog een andere overweging gelden. Hoe betreurenswaardig het ook is, het is meermalen gebleken, dat de openbare meening door onbevoegden op een dwaalspoor geleid werd, temeer doordat dezen uit den aard der zaak de hulpmiddelen van heftigheid, geschreeuw, enz. veelal niet versmaden.Uit deze laatste overweging heb ik toegegeven.Ik nam de minder aangename en misschien ook zeer ondankbare taak op mij te trachten het ontstaan van wanbegrippen, onrust, enz. betreffende de Zuiderzeezaak te voorkomen en de openbare meening in het rechte spoor te houden, nu sommigen door hunne scheeve voorstellingen en niet op juiste kennis van feiten gegronde beweringen, die meening op een dwaalspoor zouden kunnen brengen.

In den laatsten tijd zijn eenige geschriften verschenen waarin het plan der Zuiderzee-Vereeniging-Staatscommissie tot afsluiting en gedeeltelijke drooglegging der Zuiderzee voornamelijk uit een technisch oogpunt wordt bestreden of een ander beter geacht plan wordt aanbevolen. Ook in enkele mondelinge voordrachten is dat geschied.

In 't algemeen kunnen blijken van belangstelling in een zaak, waarbij de belangen van het gansche land in zoo hooge mate betrokken zijn, slechts als een verblijdend teeken worden begroet. Maar wanneer de beschouwingen afkomstig zijn van niet-deskundigen, wien de kennis ontbreekt van de grondbeginselen der wetenschappen die bij de zaak betrokken zijn, dan hebben die op zich zelve weinig of geen waarde en dan is een ernstige kritische beoordeeling daarvan zoo goed als onmogelijk.

Hiermee is niet gezegd dat ook een niet-deskundige niet eens een goed denkbeeld kan hebben, maar ten slotte moeten deskundigen over de waarde daarvan beslissen.

De bovenbedoelde geschriften zijn op een enkel na helaas van onbevoegden en het gevolg daarvan is, dat dezen zooals gewoonlijk hun gebrek aan kennis trachten aan te vullen door groote woorden, zeer kras gestelde uitspraken, ja in een enkel geval zelfs door te schelden.

Toen de Zuiderzee-Vereeniging mij verzocht ook mijne meeningen eens te stellen tegenover zooveel ongegronde en los daarheen geworpen beweringen, trok die taak mij dan ook zeker niet aan. Debat toch is het stellen van argumenten tegenover argumenten, maar waar deze bij de tegenpartij ontbreken, daar slaat men in de lucht, daar kan van een eigenlijken vruchtbaren strijd geen sprake zijn. Men moet dan „en passant” wat kennis trachten bij te brengen, wat echter òf zeer moeilijk òf onmogelijkis. En men vraagt dan allicht zich zelven af of men niet wat beters te doen heeft dan zich uit te putten in redeneeringen die op den ander toch geen vat kunnen hebben, omdat hij bij voorbaat onwillens is om overtuigd te worden.

Intusschen moet nog een andere overweging gelden. Hoe betreurenswaardig het ook is, het is meermalen gebleken, dat de openbare meening door onbevoegden op een dwaalspoor geleid werd, temeer doordat dezen uit den aard der zaak de hulpmiddelen van heftigheid, geschreeuw, enz. veelal niet versmaden.

Uit deze laatste overweging heb ik toegegeven.

Ik nam de minder aangename en misschien ook zeer ondankbare taak op mij te trachten het ontstaan van wanbegrippen, onrust, enz. betreffende de Zuiderzeezaak te voorkomen en de openbare meening in het rechte spoor te houden, nu sommigen door hunne scheeve voorstellingen en niet op juiste kennis van feiten gegronde beweringen, die meening op een dwaalspoor zouden kunnen brengen.

Als ik, de verschillende bedoelde bestrijders der Zuiderzeezaak gaande beantwoorden, den HeerGelder, directeur en aandeelhouder van de Visscherij-Courant, het eerst noem, dat is dat niet om zijn grof geschreeuw en geschetter te gaan weerleggen. Ik heb dat eens beproefd op een vergadering te Amsterdam, waar de HeerGelderaldus begon:

„Die afsluitdijk deugt niet. Hij zal spoedig bezwijken en de menschen die er achter wonen, zullen verdrinken als ratten.”

„Waarom deugt die afsluitdijk niet?” zoo vroeg ik.

„Dat kan ik niet zeggen, want ik ben geen technicus.”

„Hoe kunt u dan beweren, dat die dijk niet deugt?”

„Ingenieurs” (meervoud) „hebben het gezegd.”

„Wie zijn die ingenieurs?”

„De ingenieurvan Veen” (enkelvoud) „te Breda.”

„Die heeft nooit bezwaren tegen den afsluitdijk ingebracht, wèl tegen de meerdijken.”

En dan klaagt de HeerGelderer over, dat men niet met hem „debatteeren” wil! En in zijn blaadje scheldt hij daarom Mr.Smeengeen mij „lafaards.”

Het spreekt wel van zelf dat men zoo iemand niet meer te woord staat. De HeerGeldermoge voortaan zoo hard schreeuwen als hij wil en het goedmoedig visschersvolkje van alles trachten wijs te maken en adressendoen teekenen tegen de afsluiting (als ik voor hen sprak, teekenden zij adressen er voor!), hij moge in zijn lijforgaan de dolzinnigste beweringen met allerlei groote en vette letters laten drukken, hij zal van mij noch mondeling noch schriftelijk een enkel woord meer hooren over zijn onverantwoordelijk kabaal.

Over de bezwaren van den Heervan Veen, civ. ingenieur, oud-direkteur der openbare werken te Breda, kan ik kort zijn. Deze heeft onlangs een brochure uitgegeven, getiteld „De Januari-ramp en de hoogst gevaarlijke constructie van de dijken in het aanhangige plan tot droogmaking der Zuiderzee”, waarin hij betoogt, dat waar de meerdijken der vier droog te maken deelen van het plan der Staatscommissie op slappen bodem komen te liggen, de voorzieningen die de commissie daartegen aanbeveelt niet voldoende zijn,—een zuiver technische quaestie dus.

De Heervan Veenheeft ook nog op andere „groote gevaren en bezwaren” gewezen, alle van technischen aard, althans die welke ik eens uit een voordracht te Amsterdam gehouden van hem vernam.

Maar het kan tot niets dienen die technische quaestie'snute bespreken. Ik zou den Heervan Veennl. willen vragen of hij werkelijk meent, dat, als het tot een uitvoering komt, het plan der Staatscommissie blindelings zal gevolgd worden—of liever: of hij meent dat naar de enkele groote lijnen van dat plan zelfs een begin van uitvoering mogelijk is.

Dat plan is immers alleen in eenige algemeene trekken aangegeven om het geheel te kunnen overzien, de gedachten te kunnen bepalen bij de voornaamste zakendie zich zullen kunnen voordoen en een zeer globale raming van kosten te kunnen opmaken. Bovendien is het 22 jaar oud en is de techniek in dien tijd zeer vooruitgegaan (baggerwerk, gewapend beton, toepassing van elektriciteit als beweegkracht, enz.).

Komt het tot een uitvoering, dan worden een of meer bureaux ingericht, waar de ingenieurs aan het werk gaan om meer in 't bijzonder studie te maken van de onderdeelen en van de vele moeilijkheden die ongetwijfeld nog zullen voorkomen en waaronder er zelfs zeker zullen zijn die door de ontwerpers van het groote plan niet zijn voorzien. Zij die de verantwoordelijkheid hebben te dragen zullen b.v. ongetwijfeld bezwaren als die van een slappen bodem onder de meerdijken naar hun beste weten trachten op te lossen en niet werktuigelijk een daaromtrent geopperd denkbeeld van de Staatscommissie volgen. Daarom worden de werken in bijzonderheden ontworpen en wordt de uitvoering daarvan geleiddoor ingenieurs.

Het is wel zonderling dat men dit aan eeningenieurmoet in herinnering brengen.

Ten overvloede wijs ik den Heervan Veenop het in dit jaar verschenen „Verslag der onderzoekingen van het Bureau voor het opmaken van een meer uitgewerkt plan met begrooting voor den aanleg van een gedeelte van de afsluiting der Zuiderzee en indijking en droogmaking van de Wieringermeer, samengesteld door den ingenieur van den Rijks-Waterstaatde Blocq van Kuffeler.” Hij zal daaruit zien hoe in bijna alle onderdeelen is afgeweken (in sommige zeer veel!) van het globale plan der Staatscommissie, o. a. ten opzichte van de plaats der buitendijken en van hunne samenstelling en afmetingen, vande afwaterings- en scheepvaartkanalen ten behoeve der aangrenzende landen, van de verdeeling in polders en van hunne bemaling, vooral ook ten aanzien van de bestrijding der kwel uit de diluviale gronden van Wieringen, welke quaestie door de Staatscommissie in 't geheel niet onder de oogen is gezien. Enz., enz.

Laat men toch nu niet gaan strijden over de technische uitvoering der onderdeelen, die nog volstrekt niet vaststaat. Dat is immers vechten tegen windmolens!

„De drooglegging der Zuiderzee. Het planJ. Ulehakecontra het planC. Lely.”

Aldus luidt de bescheiden titel van een in dit jaar verschenen boekje van iemand die zijn naam niet noemt (maar blijkbaar ook een niet-technicus), waarin hij op geestdriftige wijze het plan aanbeveelt van den HeerUlehake, onderwijzer in den Grooten IJpolder, dat deze een jaar of negen geleden aan H. M. de Koningin heeft aangeboden en waarvan de resultaten „veel schitterender zullen zijn dan die van 't planLely”.

Dat plan komt in hoofdzaak neer op het afsluiten der zeegaten van den Helder tot de Eems, zoodat ook al het inktkokerzand achter de eilanden zal worden drooggelegd. Die zeegaten zijn wel diep, o. a. dat van den Helder tot 41 M., maar men schrikt daarvan alleen zoo erg, omdat in de nota's der Zuiderzee-Vereeniging de hoogteschaal veel grooter is genomen dan de lengteschaal. Alsof dit het feit wegneemt dat het gat toch 41 M. diep is!

Onze bescheiden onderwijzer, die een afsluitdam door zulk een diepte toch ook wel wat bar schijnt te vinden, heeft er wat op gevonden: hij legt dien meer naar buitenin een gebogen vorm, zoodat hij dan 2 of 3 gaten heeft af te sluiten, waar hij ook nog met diepten van 10 à 11 M. te doen heeft, maar waarin „natuurlijk de strooming veel minder sterk zal zijn dan in de Helsdeur”—waarom dit „natuurlijk” is schijnt niet recht duidelijk. Dat werkje in volle zee—een sprong in 't duister, waarvan zeker niemand kan zeggen of het 30 of 300 millioen zal kosten—is „een natuurlijk plan”, omdat het „van de bestaande banken en eilanden profiteert.”

Er moeten dan nog minstens zes andere zeegaten worden gedicht en een afsluitdijk langs de Eems worden gemaakt, maar daaromtrent verneemt men slechts de teleurstellende mededeeling: „Het spreekt van zelf, dat de zeegaten en Waddengedeelten, als vallende buiten het planLely, niet indiemate en richting werden onderzocht, om voldoende gegevens voor het plan U. te verschaffen. Wel verklaarde een ervaren waterbouwkundig ingenieur, dat de technische bezwaren, aan het dempen (sic) der zeegaten verbonden,enkel„geldelijke” waren, en het dus volstrekt niet onmogelijk blijkt, dat de resultaten van 't plan U. veel schitterender zullen zijn dan die van 't planLely.” Als die ervaren ingenieur werkelijk dien volstrekten onzin heeft uitgesproken, dat nl. detechnischebezwaren enkelgeldelijkewaren, dan is 't maar goed dat zijn naam niet genoemd wordt.

Maar toch heeft onze plannenmaker al die afsluitingen aangeduid door streepjes op een schetsje, waarop de eigenlijke Zuiderzee de grootte heeft van een rijksdaalder.

Daarop staan ook veel dunne en dikke lijntjes die de verlenging van den IJsel naar het zeegat van den Helder en daarop uitkomende kanalen voor de afwatering en descheepvaart schijnen te moeten voorstellen. Deze zullen dus, voor zooveel het verlengde van den IJsel en de daarmee in open verbinding staande kanalen betreft, ter weerszijden van dijken moeten worden voorzien, gemiddeld 10 M. hoog en samen zeker eenige honderdduizenden meters lang. Dat de vele groote en zeer diepe geulen in het noordelijk deel der Zuiderzee en tusschen Enkhuizen en Stavoren doorgaande tot t. W. van Urk (de Texelstroom b. v. is 15 à 30 M. en de Vliestroom 6 à 20 M. diep) totaal worden genegeerd, toont ons den bewonderenswaardigen durf van den voor niets terugdeinzenden ontwerper.

Hij heeft blijkbaar 't land aan een IJselmeer tot voorloopige waterberging, want 't is hem in de eerste plaats omLandte doen, land, dat dan beschikbaar zal komen voor de werkmenschen, die nu „met bloote kaken hunne ruggen krom moeten werken in den turfkuil en den modderbak.” Maar het gemis van zulk een meer is zoo erg niet, want de bescheiden HeerUlehake„meende gerechtigd te zijn eenigszins critiek uit te oefenen op het planLelyen bestudeerde het IJselmeer.” En daar komt de ministerLelymaar treurig af! Hoor, hoor!

„De Heer U. wil trachten alle rivieren uitloozende in de Zuiderzee te kanaliseeren, ten einde den watertoevoer te beperken en te beheerschen.”

Onze dillettant-civiel-ingenieur, die blijkbaar niet weet wat kanaliseeren is, schijnt zich te verbeelden dat zoo'n rivier na de kanalisatie minder water afvoert! Maar hij wil bovendien dien lastigen IJsel nog op een andere wijze klein krijgen, door nl. door werken bij Westervoort een deel van zijn water langs den Rijn af te voeren en, omdat hij waarschijnlijk noodkreten voorziet uit de landenlangs die rivier, gaat hij den Krommen Rijn–Ouden Rijn–Vecht weer openen, dus den middelsten Rijnarm uit den Romeinschen tijd herstellen. Al wordt aldus ons gansche rivierstelsel, waaraan wij nu anderhalve eeuw gewerkt hebben, in de war gebracht en al zullen die veranderingen honderden millioenen kosten, deze waterstaatsdictator ziet niet daartegen op. Is er niet iets grootsch, iets geniaals in zulke denkbeelden?

De bescheiden HeerUlehake„gevoelt als onderwijzer zeer goed het ongelijke van den strijd dien hij aanbond tegen den Minister-ingenieur.” Maar door zijn studie over het IJselmeer verslaat hij zijn tegenstander toch totaal. Hoor maar naar zijn bewonderaar. „Daar de Minister de uitmonding van 't Zwarte Water van Kraggenburg uit wenscht te verlengen tot ongeveer de Zuidpunt van Schokland (en dat werk is lang geen peulschilletje), roept hij aldaar een toestand in 't leven, die veroorzaakt dat het westelijk deel van Overijsel tot verre t. O. van Dalfsen van tijd tot tijd in een bare zee verandert, of de N.O. polder verdrinkt.” Die onnoozele minister, die nog wel zoo netjes had uitgerekend dat de standen op het IJselmeer 1,5 à 2 M. lager zouden blijven dan die op de open Zuiderzee! Ware hij toch eerst maar met zijn plan bij den HeerUlehakegekomen met verzoek om consideratie en advies!

Maar nu dit helaas niet geschied is, maakt de bescheiden HeerUlehakein zijn ongelijken strijd zijn tegenstander totaal af.

Zijn vernietigende uitspraak berust op deze twee axioma's:

a. De waterbouwkunde, voorgelicht door de scheikunde kreeg te beschikken over gewapend en cementbeton, eenespecie, die uitnemend geschikt is tot het leggen van den afsluitdijk en de bijkomende werken.

b. De landbouw kreeg, voorgelicht en geschraagd door de scheikunde, te beschikken over de hulpmeststoffen, waarmede men zelfs „heide maakt tot weide.”

En deze twee grondwaarheden geven volgens den HeerUlehake„den doodsteek aan 't plan L. en doen (ze) het zijne zegevieren.”

The villain dies!Wij kunnen nu gerustgesteld naar huis toe gaan.

De auteur van 't stuk beoogt „als voorloopig doel”, dat zijn plan door de Regeering worde onderzocht.

Wie weet!?

In de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 17 Januari ll. komt de HeerD. R. Mansholtop tegen het plan van den Minister van Waterstaat om „een bijna waardeloos moeras met ontzaglijke kosten onder water weg te pompen, om daarentegen en daardoor de vruchtbare en met groote kosten door de ingelanden ingedijkte polders langs onze Noordzeekusten te verzuipen.” De HeerMansholttracht dan voornamelijk aan te toonen, dat de voorgestelde afsluiting der Zuiderzee de stormvloedhoogten langs de Friesche en Groningsche kusten zoo zal doen stijgen, dat voor deze groote gevaren te duchten zijn.

In zijn repliek van 31 Jan. d.a.v. op het ingezonden stuk van den Voorzitter der Zuiderzee-Vereeniging in het Handelsblad van 25 Januari wordt ongeveer hetzelfde betoogd. De zoon van den HeerD. R. Mansholt, de HeerL. H. Mansholt, heeft daarna in eene Juni 1916 verschenen brochure „De afsluiting der Zuiderzee, een ernstiggevaar voor Friesland en Groningen” ongeveer dezelfde denkbeelden verdedigd.

Hoewel ik in de oogen van den HeerMansholtSr. slechts een „zoogenaamd deskundige” ben, durf ik mij verstouten zijne meeningen te bestrijden en te bewijzen dat die geheel onjuist zijn. De hoofdfout in zijne redeneering,—dezelfde trouwens die door nagenoeg alle niet-deskundigen gemaakt wordt,—is gemakkelijk aan te wijzen en toch is het eenigszins moeilijk de heerenMansholtSr. en Jr. te weerleggen, omdat zij blijkbaar het verschijnsel der getijden langs onze Noordzeekusten en de wijze waarop het zich in de Zuiderzee voortplant niet voldoende kennen, terwijl ook de oorzaken van de stormvloeden tegen de kusten van die binnenzee niet juist worden ingezien: volloopen, opstuwen en opwaaien, drieverschillendeverschijnselen, worden daarbij telkens met elkaar verward.

Ik moet daarom wel eerst even het volgende in herinnering brengen.

De getijden op onze kusten worden veroorzaakt voornamelijk door twee indirecte getijwerkingen die van den Atlantischen Oceaan uitgaan en waarvan de eene, het zoogenaamde Zuidtij, tot ons komt door het Kanaal tusschen Engeland en Frankrijk en de andere, het Noordtij, t. N. om Schotland heen zich voortzet in de Noordzee en tot onze kusten doordringt. Nog een derde getijwerking, als van minder belang, laten wij nu maar buiten beschouwing. Het Zuidtij veroorzaakt te Calais nog een verschil tusschen gemiddeld hoog water (H. W.) en gemiddeld laag water (L. W.)—ditverschilheet de hoogte van de vloedgolf—van 5,60 M., aan de Wielingen van 3,67 M. en dat verschil neemt noordwaarts natuurlijk meeren meer af tot een eind t. N. van Petten; bij deze plaats bedraagt het nog 1.34 M. Maar voorbij dat punt gaat dat verschil toenemen langs onze Noordzeekust (d. i. langs debuitenzijdevan de eilanden) onder den meer en meer toenemenden invloed van het Noordtij tot aan den mond van de Elbe, volgens de waarnemingenMoens-Nolthenius:

Om dezelfde reden stijgen ook de stormvloedenbuitengaatsnoord- en oostwaarts tot de Elbe en dus ook dehoogstezeestanden binnengaats op geringen afstand achter de zeegaten, b.v. bij den stormvloed van 13/14 Januari 1916:

Hierbij echter in het oog te houden, dat op eenige van deze plaatsen afwaaiing op de andere opwaaiing van waterplaats had, zooals hierna zal worden verklaard. Met deze werking der getijen schijnen de HeerenMansholtonbekend te zijn, althans de HeerMansholtJr. zegt, naar aanleiding van door hem geconstrueerde lijnen van stormvloedhoogten: „op 't eerste gezicht ziet men, dat het eennormaalverschijnsel is, dat juist op de plaats waar het zeewater door drie groote diepe zeegaten de Zuiderzee kan binnenstroomen, de vloedhoogte ook bij de eilanden aanzienlijk lager is dan naar het N.O. en naar 't Z.W. Ligt het nu weer niet voor de hand, voor dit merkwaardig verschijnsel als oorzaak aan te nemen, dat de vloed bij Texel, Vlieland en Terschelling slechtsgedeeltelijkgestuit wordt en verder in ontzaggelijke massaas in de Z.Z. wordt gestuwd? Wanneer we straks globaal nagaan van welke beteekenis deze watermassa is, zal daaruit m. i. noodzakelijk moeten volgen, dat ook hier de Z.Z. dien opmerkelijk lageren plaatselijken vloedstand veroorzaakt”.

De schrijver meent dus dat de vloeden tusschen den Helder en Terschelling buitengaats minder hoog stijgen, omdat het vloedwater „in ontzaggelijke massaas” binnen de Zuiderzee gestuwd wordt. Och herm! Zouden de vloedhoogten op onze Noordzeekusten werkelijk onder den invloed staan van het waterverlies in dat kleine binnenzeetje, de Zuiderzee, dat dan 2 à 3 M. hooger dan gewoonlijk wordt opgezet? Waarmee natuurlijk niet gezegd is, dat in de onmiddellijke nabijheid der zeegaten en in deze zelve niet eenige plaatselijke daling ontstaat door het naar binnen vloeien van het Noordzeewater.

Door de zeegaten vloeit Noordzeewater in de daarachter gelegen zeeboezems. Wordt de zeeboezem naar achteren nauwer, dan wordt het vloedwater daarin opgestuwd, waardoorachterin hoogere H.W.- en lagere L.W.-standen voorkomen dan aan den mond, zooals b.v. op de Wester-Schelde, in het Friesche Gat-Lauwerszee en in de Eems-Dollart. Terwijl b.v. in het Friesche Gat het verschil tusschen H.W. en L.W. 2,10 M. bedraagt, is het te Zoutkamp 2,38, terwijl het aan den Eemsmond bij Borkum 2,50 M. is, is het te Delfzijl toegenomen tot 2,78 M. en zou te Emden, waar het ongeveer 2,70 M. bedraagt, grooter zijn dan te Delfzijl, als het vloedwater zich tusschen die beide plaatsen niet over de Dollart kon verspreiden. Het is daarom niet geoorloofd om, zooals de H.H.Mansholtdoen, onder de standen langs de noordelijke Friesche en Groningsche kusten die te Ezumazijl, aan de Friesche Zijl en te Zoutkamp en die te Delfzijl en Statenzijl op te nemen. En evenmin mag dit geschieden met de stormvloedshoogten aldaar. Men krijgt dan een valsch beeld van de zeestanden langs die kusten.

Blijft de zeeboezem naar binnen ongeveer dezelfde wijdte behouden als aan den mond, dan blijft de hoogte van de vloedgolf ook dezelfde.

Maar is de zeeboezem wijder dan het zeegat waardoor de vloed naar binnen komt, dan wordt de grootte van de vloedgolf al minder en minder naarmate de ruimte achter het zeegat toeneemt. Dit heeft o. a. plaats bij de Zuiderzee, waarin de getijen werken door verscheidene zeegaten, die nauw zijn met betrekking tot de groote ruimte daarachter, zoodat b.v. H.W. en L.W. buiten vóór het zeegat van den Helder +0,38 en –0,87 N.A.P. en vóór het Vlie +0,65 en –1,00 N.A.P. zijn, terwijl die cijfers te Enkhuizen +0,32 N.A.P.en–0,23 en te Stavoren +0,21 en –0,28 N.A.P. bedragen.

Zien wij dus dat de waterstanden in de zeeboezems niet alleen van hunne grootte maar ook van hun vorm afhangen, als zij groot zijn en hun gedaante nog al grillig is, zooals bij de Zuiderzee met haar nauwen hals tusschen Enkhuizen en Stavoren, dan is de getijwerking—ik bedoel nu in normale omstandigheden, dus zonder wind—nog samengestelder. Daar verspreidt zich nl. het vloedwater dat door de zeegaten naar binnen dringt vrij snel over de noordelijke kom, zoodat als 't bij springtij H.W. te Nieuwediep is te ong. 7,25 u., dit te Texel (Oude Schild) te 7,59 u., te Oost-Vlieland te 8,19 u., te Harlingen te 8,47 u. en te Stavoren te 9,20 u. het geval is,—in de gedeeltelijk afgesloten Wieringermeer echter te Medemblik eerst te 10.14 u. en voorbij het nauwe gedeelte van Stavoren eerst te 10.20 te Enkhuizen. Het dringt dan (dus zonder harden wind of storm) in de zuidelijke kom niet verder naar het Zuiden door dan tot ongeveer een lijn Enkhuizen–Ketel, dus tot iets t. Z. van Urk. Het water in die kom wordt dan alleen als 't ware eenigszins teruggeduwd en daarop komen dan nog gemiddelde getijverschillen voor van hoogstens een halven meter (in den Z.W. hoek); de plaatsen langs de zuidelijke en oostelijke kusten hebben dan hoog water te 12¾ à 1 uur.

De genoemde verschillen in tijd nu waarop de hoogwaterstanden voorkomen zijn oorzaak, dat als de noordelijke kom op 't hoogst gevuld is, het in de zuidelijke laagwater is, terwijl de noordelijke kom het minste water bevat als de zuidelijke hoog water heeft.

Een gevolg hiervan is dat de noordelijke kom van twee zijden, van uit het Noorden en uit het Zuiden, zij het ook niet in gelijke mate, gevuld wordt en ook dat zij na hettijdstip van H.W. zich naar twee zijden, nl. door de zeegaten en naar de zuidelijke kom ledigt.

Maar bij sterken wind of storm wordt de geschetste toestand zeer gewijzigd.

Hooge waterstanden in de Zuiderzee kunnen nl. worden veroorzaakt door:

1º inloopen van Noordzeewater door de zeegaten,

2º opwaaien van het Zuiderzeewater naar een of andere zijde.

3º beide oorzaken onder 1º en 2º te gelijk.

Deze oorzaken hangen niet alleen af van de sterkte doch ook van de richting van den wind.

Begint het, zooals meestal bij ons te lande, uit het Z.W. te stormen, dan komt daardoor weinig of geen water binnen de Zuiderzee. Blijft de storm aanhouden en draait, zooals gewoonlijk, de wind naar W., waardoor veel van het eerst uit het Z.W. langs onze kusten gejaagde water hoog daartegen wordt opgezet, dan gaat meer water naar binnen komen en blijft de storm dan nog langer doorgaan, terwijl de windrichting N.W. wordt, dan komen groote massa's Noordzeewater binnen de Zuiderzee. Dit water blijft dan niet ten N. van Urk, maar verspreidt zich weldra over de geheele zuidelijke kom. Hooge standen langs de kusten aldaar worden daardoor veroorzaakt.

Maar ook zonder dat een droppel Noordzeewater binnen de Zuiderzee is gekomen, kunnen langs de kusten daarvan zeer hooge zeestanden voorkomen en wel door het verschijnsel van op- en afwaaiing.

Als het nl. hard waait of stormt, wordt de bovenste laag van een of ander water van eenige uitgebreidheid voor den wind uit naar ééne zijde voortbewogen, stel terdiepte van 2, 3, 4, 5 M.—dit hangt van de kracht van den wind af. In diep water nu wordt de leegte, ontstaan door het wegwaaien van water op zeker punt, onmiddellijk aangevuld door het water daaronder, waarin dan een tegenstroom ontstaat, en dus blijft de wateroppervlakte overal nagenoeg op dezelfde hoogte, m.a.w. neemt geen helling aan. Maar bij ondiepe wateren ontbreekt het water onder de voortgejaagde massa grootendeels of geheel, daar kan dus weinig of geen aanvulling plaats hebben en dus neemt de waterspiegel daar een helling aan.De grootte van die opwaaiing hangt af van de windkracht en van den afstand waarover de opwaaiing plaats heeft. Bij den bekenden Pinksterstorm van Mei 1860, die uit het Z.W. woei, woei het IJ vóór Amsterdam zoo laagafdat hier en daar de bodem droog lag, terwijl het water tegen de oostelijke kusten der Zuiderzee zoo hoogopwoei, dat er tusschen Amsterdam en Dronten een verschil in stand was van 4,30 M. En bij den vloed van Januari 1884, ook door Z.W. storm veroorzaakt, werd een verschil tusschen gelijktijdige standen aan de Oranjesluizen en te Blankenham waargenomen van 4,60 M. Toch was er in deze beide gevallen weinig Noordzeewater binnen de Zuiderzee.

Een voorbeeld van inloopenenopwaaien biedt de stormvloed van 13/14 Januari 1916. In de 2½ etmaal nl., die voorafgingen aan den storm, die den 13ente 11 uur begon, had het den meesten tijd uit N.W. richting stormachtig gewaaid met vlagen van storm, behalve gedurende 20 uur dat de wind W. en Z.W. was. Daardoor was de Zuiderzee reeds grootendeels volgewaaid met Noordzeewater, toen de eigenlijke storm begon. En deze woei ook uit het Noordwesten en tegen het einde (6 u. voorm. 14Jan.) zelfs uit noordelijke richting en deed dus uit die richting het water opwaaien in de zuidelijke kom en vooral tegen de zuidelijke kusten, zoodat daar zeestanden voorkwamen, die op eenige plaatsen zelfs hooger waren dan die van den beruchten stormvloed van Febr. 1825. In de noordelijke kom waren de standen ook wel hoog, doch bleven beneden die van sommige voorafgaande stormvloeden,—wat uit de afwaaiing van dat gedeelte te verklaren is.

Ik heb gemeend deze eigenschappen van de ons begrenzende zee en van de Zuiderzee hier nog eens te moeten uiteenzetten, omdat bij de beschouwingen van sommigen daarmee geen rekening gehouden wordt. Dit leidt dan natuurlijk tot verkeerde gevolgtrekkingen, zooals een enkele die ik hierboven reeds aanwees en zooals ik er hierna nog een paar zal noemen.

De HeerMansholtSr. zegt: „Met het oog op deze feiten ligt het m. i. toch voor de hand, dat de Z.Z. als bergplaats van het vloedwater van groot belang is. Wanneer wij een blik op de kaart slaan, dan zien wij direkt, dat de oppervlakte der Z.Z. binnen den afsluitdijk, die, zooals men weet geprojecteerd is van het eiland Wieringen op de Friesche kust, minstens zoo groot is als de oppervlakte van het wad binnen de eilanden. Bij den tegenwoordigen toestand zijn deze beide ruimten te beschouwen als bergplaatsen van het vloedwater dat in den korten tijd, dat de stormvloeden opkomen, door de zeegaten kan binnenstroomen. Indien wij nu deze bergplaats de helft verkleinen, zooals bij afscheiding van de Z.Z. zal geschieden, dan ligt het toch voor de hand, dat deze verkleinde bergruimte—alleandere factoren gelijk gerekend—precies, in de helft van den gewonen tijd zal volstroomen.

Niet alleen dat daardoor de golven onze dijken dubbel zoo lang zullen beuken—'t geen op zich zelf reeds bedenkelijk is—het water zal ook ongeveer zooveel hooger rijzen als geborgen kan worden in de Z.Z. verdeeld over de oppervlakte der wadden.

Ik zou niet weten wat op deze redeneering is af te dingen en daarom moet het des te meer bevreemden dat noch de Staatscommissie van 1892 noch de minister van waterstaat eenige aandacht schenkt aan dit belangrijke punt!”

En toch is op deze redeneering alles af te dingen!

Zij is fout en doordat de HeerMansholtdit niet bemerkt heeft, bemerkte hij ook niet, dat de 2ealinea in tegenspraak is met de eerste.

Zeker! Het is volkomen juist dat een bergruimte die half zoo groot is als een andere in de helft van den tijd „volstroomt.”

Maar hoe komt dat? Waarom wordt een bakje van een halven liter inhoud gevuld in de helft van den tijd die noodig is om een bakje van een liter inhoud te vullen (natuurlijk door dezelfde opening, met dezelfde snelheid van instroomen, enz.)?

Het antwoord kan niet anders luiden dan:

Omdat om dat half zoo groote bakje te vullen slechts de helft door de opening naar binnen behoeft te loopen.

Om de Wadden, enz. ten N. van den ontworpen afsluitdijk tot zekere hoogte te vullen is slechts de helft van het water noodig, dat tot vulling van Wadden + Zuiderzee vereischt wordt en dus is er geen enkele oorzaak aan te wijzen waardoor de rijzing van het water daar het dubbele zou bedragen.

De fout die de H.H.Mansholtmaken,—dezelfde trouwens die zoovelen maakten en nog maken—is, dat zij uitgaan van de door niets te bewijzen stelling dat, hoe groot de achter de zeegaten gelegen bergruimte ook is, er door die gaten altijd dezelfde hoeveelheid water naar binnen zal stroomen. Maar er loopt immers slechts zoolang water naar binnen, totdat er evenwicht is tusschen de watermassa's binnen en buiten onder de werking van de drie krachten: getijden, wind en zwaartekracht.Het water dat nu ten Z. van de plaats van den afsluitdijk in de Zuiderzee geborgen wordt komt na de afsluiting niet binnen de zeegaten, blijft buiten op de Noordzee.

Door die fout komt de HeerMansholttot de bewering dat het water binnen de gaten bij verkleining van de bergruimte aldaar tot op de helft veel hooger zal moeten stijgen (dus 2,5 à 3 M. hooger!) en daardoor ook tot de tegenspraak daarvan, dat nl. voordiezelfdehoeveelheid die volgens hem altijd naar binnen stroomt slechts de helft van den tijd noodig is tot vulling van die half zoo groote bergruimte.

De fout is gemakkelijk in te zien als men de foutieve redeneering doorzettend tot een onmogelijkheid komt. Immers, onderstel dat men de bergruimte ten N. van den afsluitdijk nog eens door een of anderen dijk tot de helft verkleinde, doch ook dat deze helft door alle zeegaten met de Noordzee in verbinding bleef, dan zou volgens de redeneering van de HeerenMansholthet water daarin weer tweemaal zoo hoog moeten rijzen dan in de geheele kom ten N. van den afsluitdijk. En zoo voortgaande zou men het door een afsluitdijk zeer dicht achter de zeegaten hemelhoog kunnen doen rijzen!

Zoo zeide de HeerObreenw. i. eens in het Weekblad de Amsterdammer, dat elke verkleining van den Zuiderzeeboezem, b.v. door indijking, den waterstand daarbinnen noodwendig moest verhoogen. Want het water „dat gewoon is om door de zeegaten naar binnen te stroomen” moest dan in een kleinere ruimte worden opborgen. Ja, als men met water te doen heeft dat uit gewoonte zoo koppig is, dan houdt alle redeneering op!


Back to IndexNext