IIIDE POSTPLIOCAENE IJSTIJD IN EUROPA

IIIDE POSTPLIOCAENE IJSTIJD IN EUROPAIn het eerste hoofdstuk werd reeds in groote trekken beschreven, hoe wij aan het einde van de tertiaire aardperiode een meer algemeenen zoogenaamden „ijstijd” zien optreden, d. w. z. een periode in de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, waarin de gemiddelde temperatuur zoo verlaagd wordt dat een groot gedeelte van Europa, ja van de geheele wereld, met ijs en sneeuw bedekt wordt.Daar wij later zullen zien, dat de eerste als zoodanig herkenbare sporen van den mensch juist in de formaties uit dien ijstijd worden gevonden, zoo is het niet ondienstig, verschillende eigenaardigheden, die dien ijstijd hebben gekenmerkt, en vooral de dieren, die toen ter tijde Europa bevolkten en die dus als tijdgenooten van de eerste menschen optreden, wat nader te beschouwen.Wij zagen reeds, dat de aan het einde der tertiaire periode optredende ijstijd niet de eerste afkoelingsperiode is, doch slechts die eerste periode van afkoeling, waarbij de gemiddelde temperatuur over groote uitgestrektheid zoo laag wordt, dat het water gaat bevriezen en dus ijs en sneeuw in kolossale massa’s een groot deel van Europa gaan bedekken.Geweldige ijsmassa’s, dikwijls honderden meters dik, bedekten meer en meer, bij de voortgaande dalingvan de temperatuur, van het noorden van Scandinavië zich verder en verder naar het zuiden van Europa uitstrekkende, het vasteland van Europa. Evenals wij nu nog aan de gletschers in het alpengebied het zoogenaamde „stroomen” van het ijs, het langzaam naar beneden voortschuiven der plooibare ijsmassa zien kunnen, zoo moeten wij ons ook voorstellen dat gedurende den ijstijd die geweldig dikke ijsmassa’s zich eveneens voortschoven, waarbij geheele bergtoppen werden afgeslepen (aan de gladde, ronde bergtoppen in den Eifel is dit bijvoorbeeld nog zeer duidelijk te zien), en het afgeslepen en afgebrokkelde materiaal dikwijls in den loop der tijden duizenden kilometers ver werd medegenomen, om, als in een interglaciale periode de temperatuur iets hooger werd en de ijsmassa’s smolten, op het daaronder gelegen land te worden gedeponeerd, zoodat wij in aangeslibde rotslooze streken zooals bijvoorbeeld Holland, rotsblokken, zoogenaamde zwerfblokken vinden liggen, die volgens den aard van het gesteente, waaruit zij bestaan, uit Skandinavië moeten afkomstig zijn. Bij het smelten dier geweldige ijsmassa’s ontstonden waterstroomen, die als reusachtige rivieren zeewaarts stroomden, de diepe dalen als bijvoorbeeld het Neckardal langzamerhand uitgroeven, en het afslijpsel van het stroomende gletscherijs, tot kiezelsteenen rondgeslepen, of tot zand vermaald, op verschillende plaatsen in dikke lagen afzetten.Door het zich in vasten vorm afzetten van de reusachtige hoeveelheden water, die als ijs en sneeuw een groot gedeelte van het vasteland bedekten, daalde de zeespiegel vermoedelijk zeer sterk, tientallen van meters. Eerst langzamerhand werd dit, als na het smelten van het ijs het water weder naar de zee was teruggestroomd, hersteld, doch een gevolg hiervan was, dat de vorm van het vasteland door den ijstijd sterk werd veranderd, dat ondiepe zeeën droog lagen, landbruggenzich vormden, waarlangs de dieren zich van het eene werelddeel naar het andere konden begeven, zoodat zij op deze wijze het leven konden redden, dat bedreigd werd door het alle leven vernietigende, alle voedsel bedekkende ijs en de uitgestrekte doodsche sneeuwvelden.Konden zij dat niet, dan stierven zij eenvoudig uit, en zoo zien wij dan ook juist door dien ijstijd het karakter van de dierenwereld sterk veranderen. Men kan aan de fossiele overblijfselen der dieren uit den ijstijd duidelijk aantoonen, hoe zij door de in het verloop van den ijstijd steeds meer en meer naar het zuiden voortdringende ijs- en sneeuwmassa’s naar het zuiden werden gedrongen, hoe zij, bij het teruggaan van de sneeuwlijn in eene interglaciale periode weer mede noordwaarts trokken, omdat op het vruchtbare vochtige gebied van de door het smelten van het ijs vrijgekomen eindmorainen een weelderige plantengroei, overvloedig voedsel derhalve, ontstond. Men kan nagaan, hoe de dierenwereld zich trachtte te verdedigen tegen, aan te passen aan de alles vernietigende ijzige koude, die hun bestaan bedreigde, en zoo zien wij juist gedurende dien ijstijd die eigenaardige dichtbehaarde vormen optreden als de langbehaarde mammoeth, de langharige neushoorn, en die vormen die in holen beschutting zochten tegen de koude, de holenbeer, de holenleeuw, de holenhyæna, de holenwolf.Kortom, er is geen periode denkbaar, die meer heeft ingegrepen in de bestaansvoorwaarden der dieren- en plantenwereld, in de gesteldheid van onze aarde, die grooter veranderingen heeft teweeggebracht in alle mogelijke opzichten, als juist die reeks van tijdperken die wij als den postpliocaenen ijstijd samenvatten.Laten wij even vooruitloopen op wat wij later moeten behandelen en ons afvragen: is het wonder, dat juist in dien tijd de voorloopers van het menschelijkgeslacht, bij dien steeds feller wordenden strijd om het bestaan hunnen geest scherpten, hunne vindingrijkheid ontwikkelden, wapenen (knotsen, werptuigen) gingen gebruiken, en niet slechts defensief, doch ook offensief gingen optreden, en zoo den heerschersrang in het dierenrijk veroverden, die hen sedert door geen dier is betwist, zoo tot werkelijke menschen werden?Juist de ijstijd heeft vermoedelijk den grooten aanstoot tot de laatste, volledige ontwikkeling van het menschelijk geslacht gegeven, toen de mensch de steeds toenemende koude, het steeds schaarscher worden van het voedsel, door nieuwe middelen, door zich met beschuttende omhulsels te bedekken, door betere wapens te gebruiken, door zich als „sociale” wezens te vereenigen tot grootere groepen met bepaalde arbeidsverdeeling en toch met individueele vrijheid van handelen, moest bestrijden. Slechts in dien voortdurenden strijd is het geheim van zijne snelle ontwikkeling gelegen.Zoo vinden wij dan ook den mensch beurtelings als holenbewoner, alstroglodyte, wiens overblijfselen in holen, in „abris sous roche,” bewaard gebleven zijn, of in de warmere perioden tusschen de verschillende ijsperioden in als vrij levenden oeverbewoner aan den oever van de groote rivieren of van de meren. Werden de holen door de groote watermassa’s, die door het ontdooien van het ijs gevormd werden, bij overstroomingen dichtgeslibd, dan werden zijne overblijfselen onder die beschermende sliblaag goed bewaard. De holen liepen weer droog, bij een volgende afkoelingsperiode werden, duizenden jaren later, de nazaten der oeverbewoners wellicht weer tot holbewoners, zij zochten de oude holen weer op, hunne overblijfselen bleven daar weer liggen, werden bij een warmere periode weer door overstroomingen met slib of kiezel bedekt, en zoo vinden wij in dergelijke holen dikwijls zeer regelmatige lagen aangeslibdengrond boven elkaar, met daartusschenin bewaard gebleven overblijfselen van menschen en dieren uit verschillende perioden1(Fig. 24). Hierover later meer.Daar wij nu evenwel zullen zien, dat voor het onderzoek van dergelijke overblijfselen juist de daarbij gevonden overblijfselen van dieren uiterst belangrijk zijn, geef ik hier ten slotte nog een korte opsomming van de voornaamste diervormen, die gedurende den ijstijd en de interglaciale perioden Europa bevolkten.Eerst evenwel nog een andere vraag. Kan men, waar men van ijstijden en interglaciale perioden spreekt, eenigszins den duur dezer perioden aangeven?Nauwkeurige opgaven, met allerlei factoren rekening houdend, worden wel door verschillende onderzoekers gegeven, maar de cijfers, die ons door de berekenaars als de eenig ware worden voorgedragen, loopen zoozeer uiteen, dat men verstandig doet, zich van elke vaste tijdsopgave hierbij te onthouden. Er zijn te veel factoren van onberekenbaren invloed hierbij in het spel, dan dat een vaststaand geloofwaardig resultaat te verwachten is. Ik wil dan ook slechts enkele cijfers noemen, die een denkbeeld kunnen geven van den geweldig langen duur dezer perioden.Volgens astronomische berekeningen is de vermoedelijke oorzaak van de regelmatig op elkaar volgende afkoelingsperioden gelegen in een regelmatig weerkeerend verschil van den afstand van de zon tot de aarde. De zon zou buiten het middelpunt der bijna kringvormige aardbaan liggen, en in een regelmatige schommeling van ongeveer 100.000-jarigen duur zou dit telkens veranderen en tot zijn vorige waarde terugkeeren. Voor een ijstijd en een interglaciale perioderekent men dus voor elk 50.000 jaar. Dat dit zeker niet te weinig gerekend is, blijkt uit het volgende: wij zagen reeds, dat de groote gletschers van de hoogvlakten van Skandinavië in den ijstijd naar het Zuiden doordrongen en een groot gedeelte van Duitschland, Nederland, Engeland en Ierland bedekten. Door die gletschers werden van de rotsen, waarlangs en waarover het ijs gedreven werd, „stroomde,” grootere en kleinere stukken afgebroken, en deze rotsstukken werden langzamerhand tot ronde en afgeronde rolsteenen afgeslepen, door den gletscher verder gevoerd, en als dan eindelijk het ijs smolt, bleven zulke steenen op den bodem liggen. Zoo vindt men dergelijke uit Skandinavië stammende rolsteenen in het vlakke gebied van Nederland en Duitschland. Uit de steensoort kan men in vele gevallen de herkomst dezer rolsteenen afleiden, en daar men de snelheid kent, waarmede het ijs in dergelijke gletschers stroomt, heeft men kunnen berekenen, dat sommige dier rolsteenen of zwerfblokken, die door de groote gletschers der ijsperiode naar de lage landen werden gevoerd, tienduizend of meer jaren noodig moeten gehad hebben om dien weg af te leggen. De ijsperiode zelf moet dus nog langer geduurd hebben. Zoo kan men uitrekenen, dat de Niagara-waterval in Amerika meer dan 30.000 jaar moet hebben noodig gehad, om de lange rotsgeul, die den waterval met het Ontario-meer verbindt, door afslijping uit te graven. In de bovenste lagen dier rotsgeul vindt men nu echter overblijfselen van de morainen der laatste ijsperiode. Er moeten dus meer dan 30.000 jaren verloopen zijn, sinds de laatste ijsperiode door de warmere periode (dezelfde, waarin wij ons nog bevinden) werd onderbroken.De voor den ijstijd in zijn geheel en voor de warmere interglaciale perioden in Europa meest kenmerkende dieren, waarvan de overblijfselen tegelijk met menschelijke resten, en, zooals wij later zullen zien, voor eendeel zelfs afbeeldingen, door hun menschelijke tijdgenooten vervaardigd, gevonden zijn, zijn nu de volgende:Fig. 2. Afbeeldingen van den mammoet, op stukken fossiel ivoor door zijn menschelijken tijdgenoot der ijsperiode ingekrast. NaarDe Mortillet.1°.de mammoet,elephas primigenius, de groote, dichtbehaarde, met geweldige tot 4 meter lange gekromde stoottanden voorziene olifant der ijsperiode, waarvan zoo voortreffelijk bewaard gebleven resten (zelfs met nog herkenbaar voedsel in maag en bek!) en geraamten in het ijs van Siberië gevonden zijn. De beste afbeeldingen zijn nog steeds de hier in fig. 2 weergegeven omtrekteekeningen op ivoor van mammoettanden, door een menschelijken tijdgenoot uit den ijstijd ingekrast. Ik heb juist deze beide afbeeldingen gekozen, omdat zij een alleraardigst bewijs opleveren van de echtheid dier afbeeldingen. Deze ivoorstukken werden nl. gevonden en door de Mortillet beschreven, toen men van den mammoet nog slechts enkele skeletresten kende. Op de beide ingekraste teekeningen nu was een eigenaardige plaatvormige verbreeding van den staart geteekend, die bij geen enkele bekende olifant voorkwam, en waarvan aan de geraamten absoluut niets te zien was. En ziet, toen men meer dan 30 jaren later uit het eeuwige ijs in Siberië bevroren lijken van mammoeten uithakte, waaraan de weeke deelen nog voorhanden waren, bleek dat de staart wel degelijk eenplaatvormige, uit vetweefsel bestaande verbreeding vertoonde van precies denzelfden vorm, als die op de ingekraste teekeningen aangegeven was. Hierdoor was dus met absolute zekerheid de „echtheid” van de teekeningen bewezen, want alleen een ooggetuige, een mensch uit den ijstijd zelf, die tegelijk met den mammoet had geleefd, had een dergelijke juiste afbeelding kunnen maken.2°.De oerolifant, deelephas antiquus, verreweg de grootste der fossiele olifanten, meer dan 5 meter hoog, met nog weinig gebogen reusachtige stoottanden (tot 5 meter lang), iets vroeger optredend dan de mammoet, en meer een dier uit het laatste gedeelte van het tertiaire tijdperk en van de warmere interglaciale perioden. Tot in Engeland gevonden. Vermoedelijk zeer weinig behaard, evenals de tegenwoordige olifantensoorten.3°. Andere olifantensoorten (el. meridionalisenel. trogontherii), vermoedelijk evenzeer begeleiders van de menschen der ijsperiode, doch ook alleen in de warmere interglaciale perioden meer naar het noorden (tot in Engeland) doordringend.4°.De Siberische neushoorn(rhinoceros tichorhinus), met twee achter elkaar staande horens op den kop, eveneens een der reusachtige dikhuidige dieren, die in het laatste gedeelte van den ijstijd geheel Europa tot in Siberië toe bevolkten, dichtbehaard evenals de mammoet.5°. Derhinoceros merckii, evenals de elephas antiquus meer een dier der interglaciale perioden, die, toen het weder kouder begon te worden, zich meer naar het Zuiden van Rusland en Hongarije terugtrok.6°. Hetgroote nijlpaard,hippopotamus major, in reusachtige exemplaren in lagen uit de interglaciale periode tot in Engeland gevonden.7°. Hetelasmotherion, aan de neushoorns verwant, voorzien van één langen hoorn middentusschen de oogen op het voorhoofd, ongeveer van de gestalte van een paard en de grootte van een olifant. Uit Zuid-Azië tot in Rusland en in het Rijndal doorgedrongen.8°. Zeer belangrijke begeleiders van den oermensen gedurende den ijstijd zijn deherten, die in een aantal soorten van dikwijls reusachtige afmetingen geheel Europa bevolkten. De reuzenherten (cervus euryceros) uit Ierland, de reuzenelk uit Duitschland en Zwitserland, de edelherten, de rendieren, die voor den praehistorischen mensch van zoo groot belang werden, dat men een geheele periode uit de menschelijke praehistorie naar hen als de rendierperiode heeft onderscheiden (men vergelijke de uit een oogpunt van kunst voortreffelijke afbeelding in fig. 3).9°. De verschillendebeersoorten, waarvan vooral deholenbeer(ursus spelaeus) voor de laatste koude periode van den ijstijd kenmerkend is, en waarvan de overblijfselen in reusachtige exemplaren te zamen met menschelijke overblijfselen in de holen der ijsperiode zijn gevonden.10°. De tijdgenooten van den holenbeer, deholenkat(felis spelaea), deholenhyaena, deholenwolf, dieren, die de tegenwoordige tijgers in grootte overtroffen of evenaarden en wier overblijfselen, hoewel veel zeldzamer dan die van den holenbeer, in afzettingen uit de laatste koude periode van den ijstijd over geheel Europa verspreid, te zamen met menschelijke overblijfselen gevonden zijn.11°. Onder de overige metgezellen van den mensch uit den ijstijd moeten in de eerste plaats nog genoemd worden dewisent(bison priscus), waarvan de overblijfselen in Noord- en Zuid-Europa, in ’t eeuwige ijs van Noord-Siberië en ook in Noord-Amerika in ijstijd-afzettingen gevonden zijn, verder deaueros(bos primigenius), die vooral in de warmere interglaciale perioden en na afloop van den ijstijd tot inhet noordelijk gedeelte van Europa doordrong, en die als de voorvader van het rund der Zwitsersche paalwoningen en van ons huisrund wordt beschouwd. Als typische gestalten uit de warmere interglaciale periode kunnen wij nog noemen hetwilde zwijn, een soort vanschaap, het over geheel Europa toen ter tijde verspreidestekelvarken, en verwant daarmede, hettrogontherium, doch daarmede kunnen wij onze lijst sluiten, omdat het niet het doel was, een ijstijd-fauna te beschrijven, doch alleen, om die dieren te noemen, waarvan de overblijfselen later in verband met het probleem van de afstamming van den mensch zullen moeten worden ter sprake gebracht.Fig. 3. Grazend rendier, ingekrast op een stuk rendierhoorn. Gevonden in een grot bij Thayngen in Zwitserland. Uit de magdalenien-periode van het oude steenen tijdperk.1Herkenbaar aan de geheel verschillend bewerkte steenen wapenen, die bij de menschelijke overblijfselen in de verschillende lagen van eenzelfde hol werden gevonden.↑

IIIDE POSTPLIOCAENE IJSTIJD IN EUROPAIn het eerste hoofdstuk werd reeds in groote trekken beschreven, hoe wij aan het einde van de tertiaire aardperiode een meer algemeenen zoogenaamden „ijstijd” zien optreden, d. w. z. een periode in de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, waarin de gemiddelde temperatuur zoo verlaagd wordt dat een groot gedeelte van Europa, ja van de geheele wereld, met ijs en sneeuw bedekt wordt.Daar wij later zullen zien, dat de eerste als zoodanig herkenbare sporen van den mensch juist in de formaties uit dien ijstijd worden gevonden, zoo is het niet ondienstig, verschillende eigenaardigheden, die dien ijstijd hebben gekenmerkt, en vooral de dieren, die toen ter tijde Europa bevolkten en die dus als tijdgenooten van de eerste menschen optreden, wat nader te beschouwen.Wij zagen reeds, dat de aan het einde der tertiaire periode optredende ijstijd niet de eerste afkoelingsperiode is, doch slechts die eerste periode van afkoeling, waarbij de gemiddelde temperatuur over groote uitgestrektheid zoo laag wordt, dat het water gaat bevriezen en dus ijs en sneeuw in kolossale massa’s een groot deel van Europa gaan bedekken.Geweldige ijsmassa’s, dikwijls honderden meters dik, bedekten meer en meer, bij de voortgaande dalingvan de temperatuur, van het noorden van Scandinavië zich verder en verder naar het zuiden van Europa uitstrekkende, het vasteland van Europa. Evenals wij nu nog aan de gletschers in het alpengebied het zoogenaamde „stroomen” van het ijs, het langzaam naar beneden voortschuiven der plooibare ijsmassa zien kunnen, zoo moeten wij ons ook voorstellen dat gedurende den ijstijd die geweldig dikke ijsmassa’s zich eveneens voortschoven, waarbij geheele bergtoppen werden afgeslepen (aan de gladde, ronde bergtoppen in den Eifel is dit bijvoorbeeld nog zeer duidelijk te zien), en het afgeslepen en afgebrokkelde materiaal dikwijls in den loop der tijden duizenden kilometers ver werd medegenomen, om, als in een interglaciale periode de temperatuur iets hooger werd en de ijsmassa’s smolten, op het daaronder gelegen land te worden gedeponeerd, zoodat wij in aangeslibde rotslooze streken zooals bijvoorbeeld Holland, rotsblokken, zoogenaamde zwerfblokken vinden liggen, die volgens den aard van het gesteente, waaruit zij bestaan, uit Skandinavië moeten afkomstig zijn. Bij het smelten dier geweldige ijsmassa’s ontstonden waterstroomen, die als reusachtige rivieren zeewaarts stroomden, de diepe dalen als bijvoorbeeld het Neckardal langzamerhand uitgroeven, en het afslijpsel van het stroomende gletscherijs, tot kiezelsteenen rondgeslepen, of tot zand vermaald, op verschillende plaatsen in dikke lagen afzetten.Door het zich in vasten vorm afzetten van de reusachtige hoeveelheden water, die als ijs en sneeuw een groot gedeelte van het vasteland bedekten, daalde de zeespiegel vermoedelijk zeer sterk, tientallen van meters. Eerst langzamerhand werd dit, als na het smelten van het ijs het water weder naar de zee was teruggestroomd, hersteld, doch een gevolg hiervan was, dat de vorm van het vasteland door den ijstijd sterk werd veranderd, dat ondiepe zeeën droog lagen, landbruggenzich vormden, waarlangs de dieren zich van het eene werelddeel naar het andere konden begeven, zoodat zij op deze wijze het leven konden redden, dat bedreigd werd door het alle leven vernietigende, alle voedsel bedekkende ijs en de uitgestrekte doodsche sneeuwvelden.Konden zij dat niet, dan stierven zij eenvoudig uit, en zoo zien wij dan ook juist door dien ijstijd het karakter van de dierenwereld sterk veranderen. Men kan aan de fossiele overblijfselen der dieren uit den ijstijd duidelijk aantoonen, hoe zij door de in het verloop van den ijstijd steeds meer en meer naar het zuiden voortdringende ijs- en sneeuwmassa’s naar het zuiden werden gedrongen, hoe zij, bij het teruggaan van de sneeuwlijn in eene interglaciale periode weer mede noordwaarts trokken, omdat op het vruchtbare vochtige gebied van de door het smelten van het ijs vrijgekomen eindmorainen een weelderige plantengroei, overvloedig voedsel derhalve, ontstond. Men kan nagaan, hoe de dierenwereld zich trachtte te verdedigen tegen, aan te passen aan de alles vernietigende ijzige koude, die hun bestaan bedreigde, en zoo zien wij juist gedurende dien ijstijd die eigenaardige dichtbehaarde vormen optreden als de langbehaarde mammoeth, de langharige neushoorn, en die vormen die in holen beschutting zochten tegen de koude, de holenbeer, de holenleeuw, de holenhyæna, de holenwolf.Kortom, er is geen periode denkbaar, die meer heeft ingegrepen in de bestaansvoorwaarden der dieren- en plantenwereld, in de gesteldheid van onze aarde, die grooter veranderingen heeft teweeggebracht in alle mogelijke opzichten, als juist die reeks van tijdperken die wij als den postpliocaenen ijstijd samenvatten.Laten wij even vooruitloopen op wat wij later moeten behandelen en ons afvragen: is het wonder, dat juist in dien tijd de voorloopers van het menschelijkgeslacht, bij dien steeds feller wordenden strijd om het bestaan hunnen geest scherpten, hunne vindingrijkheid ontwikkelden, wapenen (knotsen, werptuigen) gingen gebruiken, en niet slechts defensief, doch ook offensief gingen optreden, en zoo den heerschersrang in het dierenrijk veroverden, die hen sedert door geen dier is betwist, zoo tot werkelijke menschen werden?Juist de ijstijd heeft vermoedelijk den grooten aanstoot tot de laatste, volledige ontwikkeling van het menschelijk geslacht gegeven, toen de mensch de steeds toenemende koude, het steeds schaarscher worden van het voedsel, door nieuwe middelen, door zich met beschuttende omhulsels te bedekken, door betere wapens te gebruiken, door zich als „sociale” wezens te vereenigen tot grootere groepen met bepaalde arbeidsverdeeling en toch met individueele vrijheid van handelen, moest bestrijden. Slechts in dien voortdurenden strijd is het geheim van zijne snelle ontwikkeling gelegen.Zoo vinden wij dan ook den mensch beurtelings als holenbewoner, alstroglodyte, wiens overblijfselen in holen, in „abris sous roche,” bewaard gebleven zijn, of in de warmere perioden tusschen de verschillende ijsperioden in als vrij levenden oeverbewoner aan den oever van de groote rivieren of van de meren. Werden de holen door de groote watermassa’s, die door het ontdooien van het ijs gevormd werden, bij overstroomingen dichtgeslibd, dan werden zijne overblijfselen onder die beschermende sliblaag goed bewaard. De holen liepen weer droog, bij een volgende afkoelingsperiode werden, duizenden jaren later, de nazaten der oeverbewoners wellicht weer tot holbewoners, zij zochten de oude holen weer op, hunne overblijfselen bleven daar weer liggen, werden bij een warmere periode weer door overstroomingen met slib of kiezel bedekt, en zoo vinden wij in dergelijke holen dikwijls zeer regelmatige lagen aangeslibdengrond boven elkaar, met daartusschenin bewaard gebleven overblijfselen van menschen en dieren uit verschillende perioden1(Fig. 24). Hierover later meer.Daar wij nu evenwel zullen zien, dat voor het onderzoek van dergelijke overblijfselen juist de daarbij gevonden overblijfselen van dieren uiterst belangrijk zijn, geef ik hier ten slotte nog een korte opsomming van de voornaamste diervormen, die gedurende den ijstijd en de interglaciale perioden Europa bevolkten.Eerst evenwel nog een andere vraag. Kan men, waar men van ijstijden en interglaciale perioden spreekt, eenigszins den duur dezer perioden aangeven?Nauwkeurige opgaven, met allerlei factoren rekening houdend, worden wel door verschillende onderzoekers gegeven, maar de cijfers, die ons door de berekenaars als de eenig ware worden voorgedragen, loopen zoozeer uiteen, dat men verstandig doet, zich van elke vaste tijdsopgave hierbij te onthouden. Er zijn te veel factoren van onberekenbaren invloed hierbij in het spel, dan dat een vaststaand geloofwaardig resultaat te verwachten is. Ik wil dan ook slechts enkele cijfers noemen, die een denkbeeld kunnen geven van den geweldig langen duur dezer perioden.Volgens astronomische berekeningen is de vermoedelijke oorzaak van de regelmatig op elkaar volgende afkoelingsperioden gelegen in een regelmatig weerkeerend verschil van den afstand van de zon tot de aarde. De zon zou buiten het middelpunt der bijna kringvormige aardbaan liggen, en in een regelmatige schommeling van ongeveer 100.000-jarigen duur zou dit telkens veranderen en tot zijn vorige waarde terugkeeren. Voor een ijstijd en een interglaciale perioderekent men dus voor elk 50.000 jaar. Dat dit zeker niet te weinig gerekend is, blijkt uit het volgende: wij zagen reeds, dat de groote gletschers van de hoogvlakten van Skandinavië in den ijstijd naar het Zuiden doordrongen en een groot gedeelte van Duitschland, Nederland, Engeland en Ierland bedekten. Door die gletschers werden van de rotsen, waarlangs en waarover het ijs gedreven werd, „stroomde,” grootere en kleinere stukken afgebroken, en deze rotsstukken werden langzamerhand tot ronde en afgeronde rolsteenen afgeslepen, door den gletscher verder gevoerd, en als dan eindelijk het ijs smolt, bleven zulke steenen op den bodem liggen. Zoo vindt men dergelijke uit Skandinavië stammende rolsteenen in het vlakke gebied van Nederland en Duitschland. Uit de steensoort kan men in vele gevallen de herkomst dezer rolsteenen afleiden, en daar men de snelheid kent, waarmede het ijs in dergelijke gletschers stroomt, heeft men kunnen berekenen, dat sommige dier rolsteenen of zwerfblokken, die door de groote gletschers der ijsperiode naar de lage landen werden gevoerd, tienduizend of meer jaren noodig moeten gehad hebben om dien weg af te leggen. De ijsperiode zelf moet dus nog langer geduurd hebben. Zoo kan men uitrekenen, dat de Niagara-waterval in Amerika meer dan 30.000 jaar moet hebben noodig gehad, om de lange rotsgeul, die den waterval met het Ontario-meer verbindt, door afslijping uit te graven. In de bovenste lagen dier rotsgeul vindt men nu echter overblijfselen van de morainen der laatste ijsperiode. Er moeten dus meer dan 30.000 jaren verloopen zijn, sinds de laatste ijsperiode door de warmere periode (dezelfde, waarin wij ons nog bevinden) werd onderbroken.De voor den ijstijd in zijn geheel en voor de warmere interglaciale perioden in Europa meest kenmerkende dieren, waarvan de overblijfselen tegelijk met menschelijke resten, en, zooals wij later zullen zien, voor eendeel zelfs afbeeldingen, door hun menschelijke tijdgenooten vervaardigd, gevonden zijn, zijn nu de volgende:Fig. 2. Afbeeldingen van den mammoet, op stukken fossiel ivoor door zijn menschelijken tijdgenoot der ijsperiode ingekrast. NaarDe Mortillet.1°.de mammoet,elephas primigenius, de groote, dichtbehaarde, met geweldige tot 4 meter lange gekromde stoottanden voorziene olifant der ijsperiode, waarvan zoo voortreffelijk bewaard gebleven resten (zelfs met nog herkenbaar voedsel in maag en bek!) en geraamten in het ijs van Siberië gevonden zijn. De beste afbeeldingen zijn nog steeds de hier in fig. 2 weergegeven omtrekteekeningen op ivoor van mammoettanden, door een menschelijken tijdgenoot uit den ijstijd ingekrast. Ik heb juist deze beide afbeeldingen gekozen, omdat zij een alleraardigst bewijs opleveren van de echtheid dier afbeeldingen. Deze ivoorstukken werden nl. gevonden en door de Mortillet beschreven, toen men van den mammoet nog slechts enkele skeletresten kende. Op de beide ingekraste teekeningen nu was een eigenaardige plaatvormige verbreeding van den staart geteekend, die bij geen enkele bekende olifant voorkwam, en waarvan aan de geraamten absoluut niets te zien was. En ziet, toen men meer dan 30 jaren later uit het eeuwige ijs in Siberië bevroren lijken van mammoeten uithakte, waaraan de weeke deelen nog voorhanden waren, bleek dat de staart wel degelijk eenplaatvormige, uit vetweefsel bestaande verbreeding vertoonde van precies denzelfden vorm, als die op de ingekraste teekeningen aangegeven was. Hierdoor was dus met absolute zekerheid de „echtheid” van de teekeningen bewezen, want alleen een ooggetuige, een mensch uit den ijstijd zelf, die tegelijk met den mammoet had geleefd, had een dergelijke juiste afbeelding kunnen maken.2°.De oerolifant, deelephas antiquus, verreweg de grootste der fossiele olifanten, meer dan 5 meter hoog, met nog weinig gebogen reusachtige stoottanden (tot 5 meter lang), iets vroeger optredend dan de mammoet, en meer een dier uit het laatste gedeelte van het tertiaire tijdperk en van de warmere interglaciale perioden. Tot in Engeland gevonden. Vermoedelijk zeer weinig behaard, evenals de tegenwoordige olifantensoorten.3°. Andere olifantensoorten (el. meridionalisenel. trogontherii), vermoedelijk evenzeer begeleiders van de menschen der ijsperiode, doch ook alleen in de warmere interglaciale perioden meer naar het noorden (tot in Engeland) doordringend.4°.De Siberische neushoorn(rhinoceros tichorhinus), met twee achter elkaar staande horens op den kop, eveneens een der reusachtige dikhuidige dieren, die in het laatste gedeelte van den ijstijd geheel Europa tot in Siberië toe bevolkten, dichtbehaard evenals de mammoet.5°. Derhinoceros merckii, evenals de elephas antiquus meer een dier der interglaciale perioden, die, toen het weder kouder begon te worden, zich meer naar het Zuiden van Rusland en Hongarije terugtrok.6°. Hetgroote nijlpaard,hippopotamus major, in reusachtige exemplaren in lagen uit de interglaciale periode tot in Engeland gevonden.7°. Hetelasmotherion, aan de neushoorns verwant, voorzien van één langen hoorn middentusschen de oogen op het voorhoofd, ongeveer van de gestalte van een paard en de grootte van een olifant. Uit Zuid-Azië tot in Rusland en in het Rijndal doorgedrongen.8°. Zeer belangrijke begeleiders van den oermensen gedurende den ijstijd zijn deherten, die in een aantal soorten van dikwijls reusachtige afmetingen geheel Europa bevolkten. De reuzenherten (cervus euryceros) uit Ierland, de reuzenelk uit Duitschland en Zwitserland, de edelherten, de rendieren, die voor den praehistorischen mensch van zoo groot belang werden, dat men een geheele periode uit de menschelijke praehistorie naar hen als de rendierperiode heeft onderscheiden (men vergelijke de uit een oogpunt van kunst voortreffelijke afbeelding in fig. 3).9°. De verschillendebeersoorten, waarvan vooral deholenbeer(ursus spelaeus) voor de laatste koude periode van den ijstijd kenmerkend is, en waarvan de overblijfselen in reusachtige exemplaren te zamen met menschelijke overblijfselen in de holen der ijsperiode zijn gevonden.10°. De tijdgenooten van den holenbeer, deholenkat(felis spelaea), deholenhyaena, deholenwolf, dieren, die de tegenwoordige tijgers in grootte overtroffen of evenaarden en wier overblijfselen, hoewel veel zeldzamer dan die van den holenbeer, in afzettingen uit de laatste koude periode van den ijstijd over geheel Europa verspreid, te zamen met menschelijke overblijfselen gevonden zijn.11°. Onder de overige metgezellen van den mensch uit den ijstijd moeten in de eerste plaats nog genoemd worden dewisent(bison priscus), waarvan de overblijfselen in Noord- en Zuid-Europa, in ’t eeuwige ijs van Noord-Siberië en ook in Noord-Amerika in ijstijd-afzettingen gevonden zijn, verder deaueros(bos primigenius), die vooral in de warmere interglaciale perioden en na afloop van den ijstijd tot inhet noordelijk gedeelte van Europa doordrong, en die als de voorvader van het rund der Zwitsersche paalwoningen en van ons huisrund wordt beschouwd. Als typische gestalten uit de warmere interglaciale periode kunnen wij nog noemen hetwilde zwijn, een soort vanschaap, het over geheel Europa toen ter tijde verspreidestekelvarken, en verwant daarmede, hettrogontherium, doch daarmede kunnen wij onze lijst sluiten, omdat het niet het doel was, een ijstijd-fauna te beschrijven, doch alleen, om die dieren te noemen, waarvan de overblijfselen later in verband met het probleem van de afstamming van den mensch zullen moeten worden ter sprake gebracht.Fig. 3. Grazend rendier, ingekrast op een stuk rendierhoorn. Gevonden in een grot bij Thayngen in Zwitserland. Uit de magdalenien-periode van het oude steenen tijdperk.1Herkenbaar aan de geheel verschillend bewerkte steenen wapenen, die bij de menschelijke overblijfselen in de verschillende lagen van eenzelfde hol werden gevonden.↑

IIIDE POSTPLIOCAENE IJSTIJD IN EUROPA

In het eerste hoofdstuk werd reeds in groote trekken beschreven, hoe wij aan het einde van de tertiaire aardperiode een meer algemeenen zoogenaamden „ijstijd” zien optreden, d. w. z. een periode in de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, waarin de gemiddelde temperatuur zoo verlaagd wordt dat een groot gedeelte van Europa, ja van de geheele wereld, met ijs en sneeuw bedekt wordt.Daar wij later zullen zien, dat de eerste als zoodanig herkenbare sporen van den mensch juist in de formaties uit dien ijstijd worden gevonden, zoo is het niet ondienstig, verschillende eigenaardigheden, die dien ijstijd hebben gekenmerkt, en vooral de dieren, die toen ter tijde Europa bevolkten en die dus als tijdgenooten van de eerste menschen optreden, wat nader te beschouwen.Wij zagen reeds, dat de aan het einde der tertiaire periode optredende ijstijd niet de eerste afkoelingsperiode is, doch slechts die eerste periode van afkoeling, waarbij de gemiddelde temperatuur over groote uitgestrektheid zoo laag wordt, dat het water gaat bevriezen en dus ijs en sneeuw in kolossale massa’s een groot deel van Europa gaan bedekken.Geweldige ijsmassa’s, dikwijls honderden meters dik, bedekten meer en meer, bij de voortgaande dalingvan de temperatuur, van het noorden van Scandinavië zich verder en verder naar het zuiden van Europa uitstrekkende, het vasteland van Europa. Evenals wij nu nog aan de gletschers in het alpengebied het zoogenaamde „stroomen” van het ijs, het langzaam naar beneden voortschuiven der plooibare ijsmassa zien kunnen, zoo moeten wij ons ook voorstellen dat gedurende den ijstijd die geweldig dikke ijsmassa’s zich eveneens voortschoven, waarbij geheele bergtoppen werden afgeslepen (aan de gladde, ronde bergtoppen in den Eifel is dit bijvoorbeeld nog zeer duidelijk te zien), en het afgeslepen en afgebrokkelde materiaal dikwijls in den loop der tijden duizenden kilometers ver werd medegenomen, om, als in een interglaciale periode de temperatuur iets hooger werd en de ijsmassa’s smolten, op het daaronder gelegen land te worden gedeponeerd, zoodat wij in aangeslibde rotslooze streken zooals bijvoorbeeld Holland, rotsblokken, zoogenaamde zwerfblokken vinden liggen, die volgens den aard van het gesteente, waaruit zij bestaan, uit Skandinavië moeten afkomstig zijn. Bij het smelten dier geweldige ijsmassa’s ontstonden waterstroomen, die als reusachtige rivieren zeewaarts stroomden, de diepe dalen als bijvoorbeeld het Neckardal langzamerhand uitgroeven, en het afslijpsel van het stroomende gletscherijs, tot kiezelsteenen rondgeslepen, of tot zand vermaald, op verschillende plaatsen in dikke lagen afzetten.Door het zich in vasten vorm afzetten van de reusachtige hoeveelheden water, die als ijs en sneeuw een groot gedeelte van het vasteland bedekten, daalde de zeespiegel vermoedelijk zeer sterk, tientallen van meters. Eerst langzamerhand werd dit, als na het smelten van het ijs het water weder naar de zee was teruggestroomd, hersteld, doch een gevolg hiervan was, dat de vorm van het vasteland door den ijstijd sterk werd veranderd, dat ondiepe zeeën droog lagen, landbruggenzich vormden, waarlangs de dieren zich van het eene werelddeel naar het andere konden begeven, zoodat zij op deze wijze het leven konden redden, dat bedreigd werd door het alle leven vernietigende, alle voedsel bedekkende ijs en de uitgestrekte doodsche sneeuwvelden.Konden zij dat niet, dan stierven zij eenvoudig uit, en zoo zien wij dan ook juist door dien ijstijd het karakter van de dierenwereld sterk veranderen. Men kan aan de fossiele overblijfselen der dieren uit den ijstijd duidelijk aantoonen, hoe zij door de in het verloop van den ijstijd steeds meer en meer naar het zuiden voortdringende ijs- en sneeuwmassa’s naar het zuiden werden gedrongen, hoe zij, bij het teruggaan van de sneeuwlijn in eene interglaciale periode weer mede noordwaarts trokken, omdat op het vruchtbare vochtige gebied van de door het smelten van het ijs vrijgekomen eindmorainen een weelderige plantengroei, overvloedig voedsel derhalve, ontstond. Men kan nagaan, hoe de dierenwereld zich trachtte te verdedigen tegen, aan te passen aan de alles vernietigende ijzige koude, die hun bestaan bedreigde, en zoo zien wij juist gedurende dien ijstijd die eigenaardige dichtbehaarde vormen optreden als de langbehaarde mammoeth, de langharige neushoorn, en die vormen die in holen beschutting zochten tegen de koude, de holenbeer, de holenleeuw, de holenhyæna, de holenwolf.Kortom, er is geen periode denkbaar, die meer heeft ingegrepen in de bestaansvoorwaarden der dieren- en plantenwereld, in de gesteldheid van onze aarde, die grooter veranderingen heeft teweeggebracht in alle mogelijke opzichten, als juist die reeks van tijdperken die wij als den postpliocaenen ijstijd samenvatten.Laten wij even vooruitloopen op wat wij later moeten behandelen en ons afvragen: is het wonder, dat juist in dien tijd de voorloopers van het menschelijkgeslacht, bij dien steeds feller wordenden strijd om het bestaan hunnen geest scherpten, hunne vindingrijkheid ontwikkelden, wapenen (knotsen, werptuigen) gingen gebruiken, en niet slechts defensief, doch ook offensief gingen optreden, en zoo den heerschersrang in het dierenrijk veroverden, die hen sedert door geen dier is betwist, zoo tot werkelijke menschen werden?Juist de ijstijd heeft vermoedelijk den grooten aanstoot tot de laatste, volledige ontwikkeling van het menschelijk geslacht gegeven, toen de mensch de steeds toenemende koude, het steeds schaarscher worden van het voedsel, door nieuwe middelen, door zich met beschuttende omhulsels te bedekken, door betere wapens te gebruiken, door zich als „sociale” wezens te vereenigen tot grootere groepen met bepaalde arbeidsverdeeling en toch met individueele vrijheid van handelen, moest bestrijden. Slechts in dien voortdurenden strijd is het geheim van zijne snelle ontwikkeling gelegen.Zoo vinden wij dan ook den mensch beurtelings als holenbewoner, alstroglodyte, wiens overblijfselen in holen, in „abris sous roche,” bewaard gebleven zijn, of in de warmere perioden tusschen de verschillende ijsperioden in als vrij levenden oeverbewoner aan den oever van de groote rivieren of van de meren. Werden de holen door de groote watermassa’s, die door het ontdooien van het ijs gevormd werden, bij overstroomingen dichtgeslibd, dan werden zijne overblijfselen onder die beschermende sliblaag goed bewaard. De holen liepen weer droog, bij een volgende afkoelingsperiode werden, duizenden jaren later, de nazaten der oeverbewoners wellicht weer tot holbewoners, zij zochten de oude holen weer op, hunne overblijfselen bleven daar weer liggen, werden bij een warmere periode weer door overstroomingen met slib of kiezel bedekt, en zoo vinden wij in dergelijke holen dikwijls zeer regelmatige lagen aangeslibdengrond boven elkaar, met daartusschenin bewaard gebleven overblijfselen van menschen en dieren uit verschillende perioden1(Fig. 24). Hierover later meer.Daar wij nu evenwel zullen zien, dat voor het onderzoek van dergelijke overblijfselen juist de daarbij gevonden overblijfselen van dieren uiterst belangrijk zijn, geef ik hier ten slotte nog een korte opsomming van de voornaamste diervormen, die gedurende den ijstijd en de interglaciale perioden Europa bevolkten.Eerst evenwel nog een andere vraag. Kan men, waar men van ijstijden en interglaciale perioden spreekt, eenigszins den duur dezer perioden aangeven?Nauwkeurige opgaven, met allerlei factoren rekening houdend, worden wel door verschillende onderzoekers gegeven, maar de cijfers, die ons door de berekenaars als de eenig ware worden voorgedragen, loopen zoozeer uiteen, dat men verstandig doet, zich van elke vaste tijdsopgave hierbij te onthouden. Er zijn te veel factoren van onberekenbaren invloed hierbij in het spel, dan dat een vaststaand geloofwaardig resultaat te verwachten is. Ik wil dan ook slechts enkele cijfers noemen, die een denkbeeld kunnen geven van den geweldig langen duur dezer perioden.Volgens astronomische berekeningen is de vermoedelijke oorzaak van de regelmatig op elkaar volgende afkoelingsperioden gelegen in een regelmatig weerkeerend verschil van den afstand van de zon tot de aarde. De zon zou buiten het middelpunt der bijna kringvormige aardbaan liggen, en in een regelmatige schommeling van ongeveer 100.000-jarigen duur zou dit telkens veranderen en tot zijn vorige waarde terugkeeren. Voor een ijstijd en een interglaciale perioderekent men dus voor elk 50.000 jaar. Dat dit zeker niet te weinig gerekend is, blijkt uit het volgende: wij zagen reeds, dat de groote gletschers van de hoogvlakten van Skandinavië in den ijstijd naar het Zuiden doordrongen en een groot gedeelte van Duitschland, Nederland, Engeland en Ierland bedekten. Door die gletschers werden van de rotsen, waarlangs en waarover het ijs gedreven werd, „stroomde,” grootere en kleinere stukken afgebroken, en deze rotsstukken werden langzamerhand tot ronde en afgeronde rolsteenen afgeslepen, door den gletscher verder gevoerd, en als dan eindelijk het ijs smolt, bleven zulke steenen op den bodem liggen. Zoo vindt men dergelijke uit Skandinavië stammende rolsteenen in het vlakke gebied van Nederland en Duitschland. Uit de steensoort kan men in vele gevallen de herkomst dezer rolsteenen afleiden, en daar men de snelheid kent, waarmede het ijs in dergelijke gletschers stroomt, heeft men kunnen berekenen, dat sommige dier rolsteenen of zwerfblokken, die door de groote gletschers der ijsperiode naar de lage landen werden gevoerd, tienduizend of meer jaren noodig moeten gehad hebben om dien weg af te leggen. De ijsperiode zelf moet dus nog langer geduurd hebben. Zoo kan men uitrekenen, dat de Niagara-waterval in Amerika meer dan 30.000 jaar moet hebben noodig gehad, om de lange rotsgeul, die den waterval met het Ontario-meer verbindt, door afslijping uit te graven. In de bovenste lagen dier rotsgeul vindt men nu echter overblijfselen van de morainen der laatste ijsperiode. Er moeten dus meer dan 30.000 jaren verloopen zijn, sinds de laatste ijsperiode door de warmere periode (dezelfde, waarin wij ons nog bevinden) werd onderbroken.De voor den ijstijd in zijn geheel en voor de warmere interglaciale perioden in Europa meest kenmerkende dieren, waarvan de overblijfselen tegelijk met menschelijke resten, en, zooals wij later zullen zien, voor eendeel zelfs afbeeldingen, door hun menschelijke tijdgenooten vervaardigd, gevonden zijn, zijn nu de volgende:Fig. 2. Afbeeldingen van den mammoet, op stukken fossiel ivoor door zijn menschelijken tijdgenoot der ijsperiode ingekrast. NaarDe Mortillet.1°.de mammoet,elephas primigenius, de groote, dichtbehaarde, met geweldige tot 4 meter lange gekromde stoottanden voorziene olifant der ijsperiode, waarvan zoo voortreffelijk bewaard gebleven resten (zelfs met nog herkenbaar voedsel in maag en bek!) en geraamten in het ijs van Siberië gevonden zijn. De beste afbeeldingen zijn nog steeds de hier in fig. 2 weergegeven omtrekteekeningen op ivoor van mammoettanden, door een menschelijken tijdgenoot uit den ijstijd ingekrast. Ik heb juist deze beide afbeeldingen gekozen, omdat zij een alleraardigst bewijs opleveren van de echtheid dier afbeeldingen. Deze ivoorstukken werden nl. gevonden en door de Mortillet beschreven, toen men van den mammoet nog slechts enkele skeletresten kende. Op de beide ingekraste teekeningen nu was een eigenaardige plaatvormige verbreeding van den staart geteekend, die bij geen enkele bekende olifant voorkwam, en waarvan aan de geraamten absoluut niets te zien was. En ziet, toen men meer dan 30 jaren later uit het eeuwige ijs in Siberië bevroren lijken van mammoeten uithakte, waaraan de weeke deelen nog voorhanden waren, bleek dat de staart wel degelijk eenplaatvormige, uit vetweefsel bestaande verbreeding vertoonde van precies denzelfden vorm, als die op de ingekraste teekeningen aangegeven was. Hierdoor was dus met absolute zekerheid de „echtheid” van de teekeningen bewezen, want alleen een ooggetuige, een mensch uit den ijstijd zelf, die tegelijk met den mammoet had geleefd, had een dergelijke juiste afbeelding kunnen maken.2°.De oerolifant, deelephas antiquus, verreweg de grootste der fossiele olifanten, meer dan 5 meter hoog, met nog weinig gebogen reusachtige stoottanden (tot 5 meter lang), iets vroeger optredend dan de mammoet, en meer een dier uit het laatste gedeelte van het tertiaire tijdperk en van de warmere interglaciale perioden. Tot in Engeland gevonden. Vermoedelijk zeer weinig behaard, evenals de tegenwoordige olifantensoorten.3°. Andere olifantensoorten (el. meridionalisenel. trogontherii), vermoedelijk evenzeer begeleiders van de menschen der ijsperiode, doch ook alleen in de warmere interglaciale perioden meer naar het noorden (tot in Engeland) doordringend.4°.De Siberische neushoorn(rhinoceros tichorhinus), met twee achter elkaar staande horens op den kop, eveneens een der reusachtige dikhuidige dieren, die in het laatste gedeelte van den ijstijd geheel Europa tot in Siberië toe bevolkten, dichtbehaard evenals de mammoet.5°. Derhinoceros merckii, evenals de elephas antiquus meer een dier der interglaciale perioden, die, toen het weder kouder begon te worden, zich meer naar het Zuiden van Rusland en Hongarije terugtrok.6°. Hetgroote nijlpaard,hippopotamus major, in reusachtige exemplaren in lagen uit de interglaciale periode tot in Engeland gevonden.7°. Hetelasmotherion, aan de neushoorns verwant, voorzien van één langen hoorn middentusschen de oogen op het voorhoofd, ongeveer van de gestalte van een paard en de grootte van een olifant. Uit Zuid-Azië tot in Rusland en in het Rijndal doorgedrongen.8°. Zeer belangrijke begeleiders van den oermensen gedurende den ijstijd zijn deherten, die in een aantal soorten van dikwijls reusachtige afmetingen geheel Europa bevolkten. De reuzenherten (cervus euryceros) uit Ierland, de reuzenelk uit Duitschland en Zwitserland, de edelherten, de rendieren, die voor den praehistorischen mensch van zoo groot belang werden, dat men een geheele periode uit de menschelijke praehistorie naar hen als de rendierperiode heeft onderscheiden (men vergelijke de uit een oogpunt van kunst voortreffelijke afbeelding in fig. 3).9°. De verschillendebeersoorten, waarvan vooral deholenbeer(ursus spelaeus) voor de laatste koude periode van den ijstijd kenmerkend is, en waarvan de overblijfselen in reusachtige exemplaren te zamen met menschelijke overblijfselen in de holen der ijsperiode zijn gevonden.10°. De tijdgenooten van den holenbeer, deholenkat(felis spelaea), deholenhyaena, deholenwolf, dieren, die de tegenwoordige tijgers in grootte overtroffen of evenaarden en wier overblijfselen, hoewel veel zeldzamer dan die van den holenbeer, in afzettingen uit de laatste koude periode van den ijstijd over geheel Europa verspreid, te zamen met menschelijke overblijfselen gevonden zijn.11°. Onder de overige metgezellen van den mensch uit den ijstijd moeten in de eerste plaats nog genoemd worden dewisent(bison priscus), waarvan de overblijfselen in Noord- en Zuid-Europa, in ’t eeuwige ijs van Noord-Siberië en ook in Noord-Amerika in ijstijd-afzettingen gevonden zijn, verder deaueros(bos primigenius), die vooral in de warmere interglaciale perioden en na afloop van den ijstijd tot inhet noordelijk gedeelte van Europa doordrong, en die als de voorvader van het rund der Zwitsersche paalwoningen en van ons huisrund wordt beschouwd. Als typische gestalten uit de warmere interglaciale periode kunnen wij nog noemen hetwilde zwijn, een soort vanschaap, het over geheel Europa toen ter tijde verspreidestekelvarken, en verwant daarmede, hettrogontherium, doch daarmede kunnen wij onze lijst sluiten, omdat het niet het doel was, een ijstijd-fauna te beschrijven, doch alleen, om die dieren te noemen, waarvan de overblijfselen later in verband met het probleem van de afstamming van den mensch zullen moeten worden ter sprake gebracht.Fig. 3. Grazend rendier, ingekrast op een stuk rendierhoorn. Gevonden in een grot bij Thayngen in Zwitserland. Uit de magdalenien-periode van het oude steenen tijdperk.

In het eerste hoofdstuk werd reeds in groote trekken beschreven, hoe wij aan het einde van de tertiaire aardperiode een meer algemeenen zoogenaamden „ijstijd” zien optreden, d. w. z. een periode in de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, waarin de gemiddelde temperatuur zoo verlaagd wordt dat een groot gedeelte van Europa, ja van de geheele wereld, met ijs en sneeuw bedekt wordt.

Daar wij later zullen zien, dat de eerste als zoodanig herkenbare sporen van den mensch juist in de formaties uit dien ijstijd worden gevonden, zoo is het niet ondienstig, verschillende eigenaardigheden, die dien ijstijd hebben gekenmerkt, en vooral de dieren, die toen ter tijde Europa bevolkten en die dus als tijdgenooten van de eerste menschen optreden, wat nader te beschouwen.

Wij zagen reeds, dat de aan het einde der tertiaire periode optredende ijstijd niet de eerste afkoelingsperiode is, doch slechts die eerste periode van afkoeling, waarbij de gemiddelde temperatuur over groote uitgestrektheid zoo laag wordt, dat het water gaat bevriezen en dus ijs en sneeuw in kolossale massa’s een groot deel van Europa gaan bedekken.

Geweldige ijsmassa’s, dikwijls honderden meters dik, bedekten meer en meer, bij de voortgaande dalingvan de temperatuur, van het noorden van Scandinavië zich verder en verder naar het zuiden van Europa uitstrekkende, het vasteland van Europa. Evenals wij nu nog aan de gletschers in het alpengebied het zoogenaamde „stroomen” van het ijs, het langzaam naar beneden voortschuiven der plooibare ijsmassa zien kunnen, zoo moeten wij ons ook voorstellen dat gedurende den ijstijd die geweldig dikke ijsmassa’s zich eveneens voortschoven, waarbij geheele bergtoppen werden afgeslepen (aan de gladde, ronde bergtoppen in den Eifel is dit bijvoorbeeld nog zeer duidelijk te zien), en het afgeslepen en afgebrokkelde materiaal dikwijls in den loop der tijden duizenden kilometers ver werd medegenomen, om, als in een interglaciale periode de temperatuur iets hooger werd en de ijsmassa’s smolten, op het daaronder gelegen land te worden gedeponeerd, zoodat wij in aangeslibde rotslooze streken zooals bijvoorbeeld Holland, rotsblokken, zoogenaamde zwerfblokken vinden liggen, die volgens den aard van het gesteente, waaruit zij bestaan, uit Skandinavië moeten afkomstig zijn. Bij het smelten dier geweldige ijsmassa’s ontstonden waterstroomen, die als reusachtige rivieren zeewaarts stroomden, de diepe dalen als bijvoorbeeld het Neckardal langzamerhand uitgroeven, en het afslijpsel van het stroomende gletscherijs, tot kiezelsteenen rondgeslepen, of tot zand vermaald, op verschillende plaatsen in dikke lagen afzetten.

Door het zich in vasten vorm afzetten van de reusachtige hoeveelheden water, die als ijs en sneeuw een groot gedeelte van het vasteland bedekten, daalde de zeespiegel vermoedelijk zeer sterk, tientallen van meters. Eerst langzamerhand werd dit, als na het smelten van het ijs het water weder naar de zee was teruggestroomd, hersteld, doch een gevolg hiervan was, dat de vorm van het vasteland door den ijstijd sterk werd veranderd, dat ondiepe zeeën droog lagen, landbruggenzich vormden, waarlangs de dieren zich van het eene werelddeel naar het andere konden begeven, zoodat zij op deze wijze het leven konden redden, dat bedreigd werd door het alle leven vernietigende, alle voedsel bedekkende ijs en de uitgestrekte doodsche sneeuwvelden.

Konden zij dat niet, dan stierven zij eenvoudig uit, en zoo zien wij dan ook juist door dien ijstijd het karakter van de dierenwereld sterk veranderen. Men kan aan de fossiele overblijfselen der dieren uit den ijstijd duidelijk aantoonen, hoe zij door de in het verloop van den ijstijd steeds meer en meer naar het zuiden voortdringende ijs- en sneeuwmassa’s naar het zuiden werden gedrongen, hoe zij, bij het teruggaan van de sneeuwlijn in eene interglaciale periode weer mede noordwaarts trokken, omdat op het vruchtbare vochtige gebied van de door het smelten van het ijs vrijgekomen eindmorainen een weelderige plantengroei, overvloedig voedsel derhalve, ontstond. Men kan nagaan, hoe de dierenwereld zich trachtte te verdedigen tegen, aan te passen aan de alles vernietigende ijzige koude, die hun bestaan bedreigde, en zoo zien wij juist gedurende dien ijstijd die eigenaardige dichtbehaarde vormen optreden als de langbehaarde mammoeth, de langharige neushoorn, en die vormen die in holen beschutting zochten tegen de koude, de holenbeer, de holenleeuw, de holenhyæna, de holenwolf.

Kortom, er is geen periode denkbaar, die meer heeft ingegrepen in de bestaansvoorwaarden der dieren- en plantenwereld, in de gesteldheid van onze aarde, die grooter veranderingen heeft teweeggebracht in alle mogelijke opzichten, als juist die reeks van tijdperken die wij als den postpliocaenen ijstijd samenvatten.

Laten wij even vooruitloopen op wat wij later moeten behandelen en ons afvragen: is het wonder, dat juist in dien tijd de voorloopers van het menschelijkgeslacht, bij dien steeds feller wordenden strijd om het bestaan hunnen geest scherpten, hunne vindingrijkheid ontwikkelden, wapenen (knotsen, werptuigen) gingen gebruiken, en niet slechts defensief, doch ook offensief gingen optreden, en zoo den heerschersrang in het dierenrijk veroverden, die hen sedert door geen dier is betwist, zoo tot werkelijke menschen werden?

Juist de ijstijd heeft vermoedelijk den grooten aanstoot tot de laatste, volledige ontwikkeling van het menschelijk geslacht gegeven, toen de mensch de steeds toenemende koude, het steeds schaarscher worden van het voedsel, door nieuwe middelen, door zich met beschuttende omhulsels te bedekken, door betere wapens te gebruiken, door zich als „sociale” wezens te vereenigen tot grootere groepen met bepaalde arbeidsverdeeling en toch met individueele vrijheid van handelen, moest bestrijden. Slechts in dien voortdurenden strijd is het geheim van zijne snelle ontwikkeling gelegen.

Zoo vinden wij dan ook den mensch beurtelings als holenbewoner, alstroglodyte, wiens overblijfselen in holen, in „abris sous roche,” bewaard gebleven zijn, of in de warmere perioden tusschen de verschillende ijsperioden in als vrij levenden oeverbewoner aan den oever van de groote rivieren of van de meren. Werden de holen door de groote watermassa’s, die door het ontdooien van het ijs gevormd werden, bij overstroomingen dichtgeslibd, dan werden zijne overblijfselen onder die beschermende sliblaag goed bewaard. De holen liepen weer droog, bij een volgende afkoelingsperiode werden, duizenden jaren later, de nazaten der oeverbewoners wellicht weer tot holbewoners, zij zochten de oude holen weer op, hunne overblijfselen bleven daar weer liggen, werden bij een warmere periode weer door overstroomingen met slib of kiezel bedekt, en zoo vinden wij in dergelijke holen dikwijls zeer regelmatige lagen aangeslibdengrond boven elkaar, met daartusschenin bewaard gebleven overblijfselen van menschen en dieren uit verschillende perioden1(Fig. 24). Hierover later meer.

Daar wij nu evenwel zullen zien, dat voor het onderzoek van dergelijke overblijfselen juist de daarbij gevonden overblijfselen van dieren uiterst belangrijk zijn, geef ik hier ten slotte nog een korte opsomming van de voornaamste diervormen, die gedurende den ijstijd en de interglaciale perioden Europa bevolkten.

Eerst evenwel nog een andere vraag. Kan men, waar men van ijstijden en interglaciale perioden spreekt, eenigszins den duur dezer perioden aangeven?

Nauwkeurige opgaven, met allerlei factoren rekening houdend, worden wel door verschillende onderzoekers gegeven, maar de cijfers, die ons door de berekenaars als de eenig ware worden voorgedragen, loopen zoozeer uiteen, dat men verstandig doet, zich van elke vaste tijdsopgave hierbij te onthouden. Er zijn te veel factoren van onberekenbaren invloed hierbij in het spel, dan dat een vaststaand geloofwaardig resultaat te verwachten is. Ik wil dan ook slechts enkele cijfers noemen, die een denkbeeld kunnen geven van den geweldig langen duur dezer perioden.

Volgens astronomische berekeningen is de vermoedelijke oorzaak van de regelmatig op elkaar volgende afkoelingsperioden gelegen in een regelmatig weerkeerend verschil van den afstand van de zon tot de aarde. De zon zou buiten het middelpunt der bijna kringvormige aardbaan liggen, en in een regelmatige schommeling van ongeveer 100.000-jarigen duur zou dit telkens veranderen en tot zijn vorige waarde terugkeeren. Voor een ijstijd en een interglaciale perioderekent men dus voor elk 50.000 jaar. Dat dit zeker niet te weinig gerekend is, blijkt uit het volgende: wij zagen reeds, dat de groote gletschers van de hoogvlakten van Skandinavië in den ijstijd naar het Zuiden doordrongen en een groot gedeelte van Duitschland, Nederland, Engeland en Ierland bedekten. Door die gletschers werden van de rotsen, waarlangs en waarover het ijs gedreven werd, „stroomde,” grootere en kleinere stukken afgebroken, en deze rotsstukken werden langzamerhand tot ronde en afgeronde rolsteenen afgeslepen, door den gletscher verder gevoerd, en als dan eindelijk het ijs smolt, bleven zulke steenen op den bodem liggen. Zoo vindt men dergelijke uit Skandinavië stammende rolsteenen in het vlakke gebied van Nederland en Duitschland. Uit de steensoort kan men in vele gevallen de herkomst dezer rolsteenen afleiden, en daar men de snelheid kent, waarmede het ijs in dergelijke gletschers stroomt, heeft men kunnen berekenen, dat sommige dier rolsteenen of zwerfblokken, die door de groote gletschers der ijsperiode naar de lage landen werden gevoerd, tienduizend of meer jaren noodig moeten gehad hebben om dien weg af te leggen. De ijsperiode zelf moet dus nog langer geduurd hebben. Zoo kan men uitrekenen, dat de Niagara-waterval in Amerika meer dan 30.000 jaar moet hebben noodig gehad, om de lange rotsgeul, die den waterval met het Ontario-meer verbindt, door afslijping uit te graven. In de bovenste lagen dier rotsgeul vindt men nu echter overblijfselen van de morainen der laatste ijsperiode. Er moeten dus meer dan 30.000 jaren verloopen zijn, sinds de laatste ijsperiode door de warmere periode (dezelfde, waarin wij ons nog bevinden) werd onderbroken.

De voor den ijstijd in zijn geheel en voor de warmere interglaciale perioden in Europa meest kenmerkende dieren, waarvan de overblijfselen tegelijk met menschelijke resten, en, zooals wij later zullen zien, voor eendeel zelfs afbeeldingen, door hun menschelijke tijdgenooten vervaardigd, gevonden zijn, zijn nu de volgende:

Fig. 2. Afbeeldingen van den mammoet, op stukken fossiel ivoor door zijn menschelijken tijdgenoot der ijsperiode ingekrast. NaarDe Mortillet.

Fig. 2. Afbeeldingen van den mammoet, op stukken fossiel ivoor door zijn menschelijken tijdgenoot der ijsperiode ingekrast. NaarDe Mortillet.

1°.de mammoet,elephas primigenius, de groote, dichtbehaarde, met geweldige tot 4 meter lange gekromde stoottanden voorziene olifant der ijsperiode, waarvan zoo voortreffelijk bewaard gebleven resten (zelfs met nog herkenbaar voedsel in maag en bek!) en geraamten in het ijs van Siberië gevonden zijn. De beste afbeeldingen zijn nog steeds de hier in fig. 2 weergegeven omtrekteekeningen op ivoor van mammoettanden, door een menschelijken tijdgenoot uit den ijstijd ingekrast. Ik heb juist deze beide afbeeldingen gekozen, omdat zij een alleraardigst bewijs opleveren van de echtheid dier afbeeldingen. Deze ivoorstukken werden nl. gevonden en door de Mortillet beschreven, toen men van den mammoet nog slechts enkele skeletresten kende. Op de beide ingekraste teekeningen nu was een eigenaardige plaatvormige verbreeding van den staart geteekend, die bij geen enkele bekende olifant voorkwam, en waarvan aan de geraamten absoluut niets te zien was. En ziet, toen men meer dan 30 jaren later uit het eeuwige ijs in Siberië bevroren lijken van mammoeten uithakte, waaraan de weeke deelen nog voorhanden waren, bleek dat de staart wel degelijk eenplaatvormige, uit vetweefsel bestaande verbreeding vertoonde van precies denzelfden vorm, als die op de ingekraste teekeningen aangegeven was. Hierdoor was dus met absolute zekerheid de „echtheid” van de teekeningen bewezen, want alleen een ooggetuige, een mensch uit den ijstijd zelf, die tegelijk met den mammoet had geleefd, had een dergelijke juiste afbeelding kunnen maken.

2°.De oerolifant, deelephas antiquus, verreweg de grootste der fossiele olifanten, meer dan 5 meter hoog, met nog weinig gebogen reusachtige stoottanden (tot 5 meter lang), iets vroeger optredend dan de mammoet, en meer een dier uit het laatste gedeelte van het tertiaire tijdperk en van de warmere interglaciale perioden. Tot in Engeland gevonden. Vermoedelijk zeer weinig behaard, evenals de tegenwoordige olifantensoorten.

3°. Andere olifantensoorten (el. meridionalisenel. trogontherii), vermoedelijk evenzeer begeleiders van de menschen der ijsperiode, doch ook alleen in de warmere interglaciale perioden meer naar het noorden (tot in Engeland) doordringend.

4°.De Siberische neushoorn(rhinoceros tichorhinus), met twee achter elkaar staande horens op den kop, eveneens een der reusachtige dikhuidige dieren, die in het laatste gedeelte van den ijstijd geheel Europa tot in Siberië toe bevolkten, dichtbehaard evenals de mammoet.

5°. Derhinoceros merckii, evenals de elephas antiquus meer een dier der interglaciale perioden, die, toen het weder kouder begon te worden, zich meer naar het Zuiden van Rusland en Hongarije terugtrok.

6°. Hetgroote nijlpaard,hippopotamus major, in reusachtige exemplaren in lagen uit de interglaciale periode tot in Engeland gevonden.

7°. Hetelasmotherion, aan de neushoorns verwant, voorzien van één langen hoorn middentusschen de oogen op het voorhoofd, ongeveer van de gestalte van een paard en de grootte van een olifant. Uit Zuid-Azië tot in Rusland en in het Rijndal doorgedrongen.

8°. Zeer belangrijke begeleiders van den oermensen gedurende den ijstijd zijn deherten, die in een aantal soorten van dikwijls reusachtige afmetingen geheel Europa bevolkten. De reuzenherten (cervus euryceros) uit Ierland, de reuzenelk uit Duitschland en Zwitserland, de edelherten, de rendieren, die voor den praehistorischen mensch van zoo groot belang werden, dat men een geheele periode uit de menschelijke praehistorie naar hen als de rendierperiode heeft onderscheiden (men vergelijke de uit een oogpunt van kunst voortreffelijke afbeelding in fig. 3).

9°. De verschillendebeersoorten, waarvan vooral deholenbeer(ursus spelaeus) voor de laatste koude periode van den ijstijd kenmerkend is, en waarvan de overblijfselen in reusachtige exemplaren te zamen met menschelijke overblijfselen in de holen der ijsperiode zijn gevonden.

10°. De tijdgenooten van den holenbeer, deholenkat(felis spelaea), deholenhyaena, deholenwolf, dieren, die de tegenwoordige tijgers in grootte overtroffen of evenaarden en wier overblijfselen, hoewel veel zeldzamer dan die van den holenbeer, in afzettingen uit de laatste koude periode van den ijstijd over geheel Europa verspreid, te zamen met menschelijke overblijfselen gevonden zijn.

11°. Onder de overige metgezellen van den mensch uit den ijstijd moeten in de eerste plaats nog genoemd worden dewisent(bison priscus), waarvan de overblijfselen in Noord- en Zuid-Europa, in ’t eeuwige ijs van Noord-Siberië en ook in Noord-Amerika in ijstijd-afzettingen gevonden zijn, verder deaueros(bos primigenius), die vooral in de warmere interglaciale perioden en na afloop van den ijstijd tot inhet noordelijk gedeelte van Europa doordrong, en die als de voorvader van het rund der Zwitsersche paalwoningen en van ons huisrund wordt beschouwd. Als typische gestalten uit de warmere interglaciale periode kunnen wij nog noemen hetwilde zwijn, een soort vanschaap, het over geheel Europa toen ter tijde verspreidestekelvarken, en verwant daarmede, hettrogontherium, doch daarmede kunnen wij onze lijst sluiten, omdat het niet het doel was, een ijstijd-fauna te beschrijven, doch alleen, om die dieren te noemen, waarvan de overblijfselen later in verband met het probleem van de afstamming van den mensch zullen moeten worden ter sprake gebracht.

Fig. 3. Grazend rendier, ingekrast op een stuk rendierhoorn. Gevonden in een grot bij Thayngen in Zwitserland. Uit de magdalenien-periode van het oude steenen tijdperk.

Fig. 3. Grazend rendier, ingekrast op een stuk rendierhoorn. Gevonden in een grot bij Thayngen in Zwitserland. Uit de magdalenien-periode van het oude steenen tijdperk.

1Herkenbaar aan de geheel verschillend bewerkte steenen wapenen, die bij de menschelijke overblijfselen in de verschillende lagen van eenzelfde hol werden gevonden.↑

1Herkenbaar aan de geheel verschillend bewerkte steenen wapenen, die bij de menschelijke overblijfselen in de verschillende lagen van eenzelfde hol werden gevonden.↑

1Herkenbaar aan de geheel verschillend bewerkte steenen wapenen, die bij de menschelijke overblijfselen in de verschillende lagen van eenzelfde hol werden gevonden.↑


Back to IndexNext