IVOUDERDOM DER MENSCHELIJKE OVERBLIJFSELEN.

IVOUDERDOM DER MENSCHELIJKE OVERBLIJFSELEN.„l’Homme tertiaire n’est encore que sur le seuil de la science.”1Broca.Indien wij nu als grondslag voor ons verder onderzoek aannemen, dat de mensch uit de dierenwereld, uit dierlijke voorvaderen dus, is ontstaan, dan kan men onmiddellijk drie hoofdvragen stellen: 1e. hoe oud is dan het menschelijk geslacht? 2e. is aan de overblijfselen van den voorhistorischen mensch het meer dierlijk karakter, dat men op grond van zijne afstamming uit dierlijke voorvaderen zou verwachten, te zien, en zijn er tusschenvormen tusschen mensch en dier gevonden? 3e. van welke diersoorten stamt de mensch af?Het spreekt van zelf, dat wij voor het beantwoorden der beide laatste vragen de overblijfselen van den voorhistorischen mensch en zijne voorloopers zelf moeten kunnen bestudeeren.Voor het beantwoorden der eerste vraag is dit niet noodzakelijk.Immers, wij moeten ons steeds voor oogen stellen, dat wij hier juist de vroegste sporen van menschelijke wezens nagaan, d.w.z. van wezens, die niet alleen een bepaalden lichaamsvorm bezaten, maar daarnaast zichdoor geestelijke eigenschappen moeten hebben onderscheiden van de tegelijkertijd met hen levende dieren.Het bestaan van sommige voorwereldlijke dieren kennen wij alleen uit de voetsporen, die hunne pooten bij het loopen in de weeke klei hebben achtergelaten. Zijn dergelijke voetsporen scherp en duidelijk herkenbaar, dan heeft men daaraan volkomen voldoende, om tot het bestaan van die dieren daar ter plaatse op het oogenblik, dat die kleibeddingen aan de oppervlakte lagen, te kunnen besluiten. En men denkt hierbij terstond aan het aardige verhaal van Robinson Crusoe, die volkomen terecht de aanwezigheid van menschen op zijn oogenschijnlijk onbewoond eiland aannam, toen hij in het zand den afdruk van een blooten menschenvoet vond.Fig. 4. Tertiaire eolithen, naarRutot.Waar het menschelijke wezens geldt, kunnen wij nu echter nog verder gaan. Al vinden wij in steenlagen of formaties van een bepaalden ouderdom geen spoor van menschelijke overblijfselen zelf, dan is het aantoonen daar ter plaatse van werktuigen, die voor hunne vervaardiging en hun gebruik menschelijke intelligentie, zij het dan ook in hare meest primitieve ontwikkeling, vereischen, van woonplaatsen, overblijfselen van vuur of door menschenhanden bewerkte artefacten, ingekraste teekeningen, steenen wapenen, ja zelfs alleen overblijfselen van dierlijke beenderen, die blijken op een bepaalde „menschelijke” manier te zijn behandeld, gespleten (om het merg er uit te halen) of iets dergelijks, al volkomen voldoende om tot het bestaan van menschen te kunnen besluiten. Dit wordt niet door iedereen toegegeven. Zoo zegt Gabriel de Mortillet, de vader van het moderne praehistorisch onderzoek, in zijn beroemd boek Le Préhistorique, dat er in het tertiaire tijdperk wezens zouden hebben bestaan, „Assez intelligents pour faire le feu,”2maar dat „ces êtres n’étaient pas et ne pouvaient pas être encore des hommes,”3doch dit schijnt mij een volkomen onjuiste redeneering. Vindt men op een aantal plaatsen in tertiaire lagen gesteenten, die door hun vorm en bewerking blijk geven voor bepaalde doeleinden te zijn gebezigd en met vuur te zijn bewerkt, dan moet men aannemen, dat gedurende die perioden menschelijke wezens op aarde bestonden. De groote moeilijkheid bestaat nu evenwel daarin, dat het juist waar het die allereerste, uiterst primitieve werktuigen (de zoogenaamde eolithen) (Fig. 4) betreft, uit den aard der zaak dikwijls lastig is, menschelijke artefacten te herkennen van door de natuurkrachten zelve veroorzaakte blussen en afgesplinterde kanten van de steenen. Ik kom hierop later bij de beschrijving der verschillende steenen werktuigen (bl. 47) nader terug, en kan hier volstaan met te doen uitkomen, dat van dezelfde eolithen, die door archaeologen van grooten naam voor primitieve steenwerktuigen, door menschelijke wezens gebruikt, worden gehouden, door andere, niet minder ervaren deskundigen, met dezelfde overtuiging wordt beweerd, dat het niet anders zijn dan uit een hoop door de natuur (door bergstroomen, watervallen, steenstortingen enz.) afgeslepenen afgesplinterde kiezelsteenen uitgezochte exemplaren, die toevallig wel wat op steenen werktuigen geleken. Door de voorvechters der eolithen-theorie wordt dit met diepe verachting aangehoord, en gezegd dat een in deze kwestie wezenlijk ervaren archaeoloog dergelijke door de natuur geboetseerde steenstukken nimmer zal verwarren met de echte eolithen, en hoe dit ook zijn moge, men moet hun toch toegeven, dat het dan toch wel uiterst merkwaardig zou zijn, als juist en alleen in het laatste gedeelte van het tertiaire tijdperk, vóór het begin van de periode der direct als zoodanig herkenbare steenen werktuigen, dergelijke „vervalschingen” door de natuurkrachten zouden zijn gemaakt, en later niet meer.Voor op stukken ivoor, beenstukken, hoorn, of op den wand van grotten ingekraste teekeningen geldt dit natuurlijk niet. Vindt men eene als zoodanig herkenbare teekening van een of ander dier, dan kan men niet anders aannemen dan dat een dergelijke teekening het werk van menschen is geweest. En als wij van dergelijke teekeningen vinden, ingekrast op uit oude steenlagen opgedolven stukken fossiel ivoor, of fossiele rendierhoornen, of op den wand van grotten, die, geheel en al dichtgeslibd, eerst in den laatsten tijd weer „ontdekt” en door voorzichtig uitgraven toegankelijk zijn gemaakt, dan is aan de echtheid dier teekeningen niet te twijfelen.Zoo heeft men bijvoorbeeld teekeningen van mammoets en andere voorwereldlijke dieren aangetroffen op den wand van druipsteengrotten, diep bedolven onder de kalkafzettingen. Als men nu bedenkt, hoe uiterst langzaam zulk een kalklaag zich afzet, en hoe vele duizenden jaren het dus moet geduurd hebben voor zulk een teekening, oorspronkelijk op ongeveer manshoogte in den rotswand gekrast, zoo geheel onder de steeds aangroeiende kalklaag van den bodem bedolven is geworden, dan kan men zich eenigszinseen denkbeeld maken van de vele eeuwen, die verloopen moeten zijn, sinds de oude holbewoner daar met een scherp stuk steen in diep ontzag voor het geweldige dier, dat hij wellicht met zijne makkers had nagejaagd, diens omtrekken in den rotswand kraste.Al hadden wij dus geen enkel menschelijk overblijfsel uit den voortijd opgedolven, dan zouden wij ons toch door deze dingen een denkbeeld kunnen vormen van den ouderdom van het menschelijk geslacht. Ja wij kunnen ons zelfs eenigermate eene voorstelling er van maken, hoe die menschen uit den voortijd moeten hebben geleefd, van hunne beschaving (sit venia verbo), van hunne eigenschappen, van hunne omgeving.Aan die steenen werktuigen bijvoorbeeld is een duidelijke vooruitgang in de bewerking, naarmate men jongere steenlagen onderzoekt, niet te miskennen.Het diepst onder den beganen grond, in de oudste steenlagen, te zamen met overblijfselen van dieren die in het begin van den ijstijd moeten hebben geleefd, vindt men slechts ruw behouwen vuursteenstukken, die ternauwernood den naam van werktuigen kunnen dragen en slechts aan het geoefend oog van den ervaren onderzoeker als zoodanig herkenbaar zijn; maar langzamerhand zien wij, naarmate wij jongere steenlagen of afzettingen onderzoeken, de techniek der bewerking beter en fijner worden, de steenen werktuigen nemen een bepaalden vorm aan, die in typische gestalten voor bepaalde doeleinden geschikt gemaakt schijnt te worden; wij vinden steenen bijlen, priemen, messen, pijlspitsen, wiggen, van scherp omschreven, steeds als zoodanig herkenbaren vorm. In steenlagen van denzelfden ouderdom, herkenbaar aan de daarin gevonden dierlijke overblijfselen, treedt dan steeds dezelfde voor die periode karakteristieke vorm der steenen werktuigen op. Onderzoeken wij jongere steenlagen, wederom herkenbaar aan de daarin voorkomende overblijfselen van dieren uit het laatstegedeelte van den ijstijd of uit een der warmere tusschenperioden, dan zien wij den vorm der steenen werktuigen weer anders worden, regelmatiger, beter bewerkt, in grooter verscheidenheid. Zoo wordt ook in deze werktuigen een beeld ontrold van langzamen vooruitgang en ontwikkeling. Maar er is meer. Als wij een bepaald type van steenen werktuigen (men vergelijke de lijst aan het einde van dit hoofdstuk) uitsluitend in holen vinden te zamen met overblijfselen van dieren als de holenbeer, de holenleeuw, de mammoeth, dieren dus, die in de koude perioden van den ijstijd hebben geleefd, dan moeten wij wel daaruit de gevolgtrekking maken dat die werktuigen door typische holbewoners, door troglodyten, werden vervaardigd. Vinden wij dan beter bewerkte steenen werktuigen van een bepaald type nooit in die holen, maar in kiezelbeddingen aan den oever der groote rivieren, te zamen met overblijfselen van dieren, die in de warmere tusschenperioden hier hebben geleefd, van het nijlpaard, van den rhinoceros van Merck, van den aueros, dan moeten wij wel tot het besluit komen, dat de menschen, toen zij den trap van ontwikkeling hadden bereikt, waarop zij werktuigen van dat bepaalde type vervaardigden, niet in holen leefden, doch in het vrije veld, aan den oever der grootere rivieren, in een zachter klimaat derhalve. Vinden wij dan verder in dezelfde holen, waarin wij diep (bijvoorbeeld 8 meter) onder den grond de bovengenoemde eenvoudige, ruw bewerkte steenen werktuigen vonden, op een veel hooger niveau, bijvoorbeeld 1 meter onder den beganen grond, (men vergelijke bijv. het in fig. 24 geteekende profiel van een dergelijk hol met een aantal verschillende grondlagen boven elkaar) een steenlaag, waarin wij veel fijner bewerkte en anders gevormde steenen werktuigen vinden, te zamen met overblijfselen van dieren, die eerst in het laatste gedeelte van den ijstijd hier in Europa voorkwamen, dan ligt de slotsom voorde hand, dat op de minder koude periode, waarin de mensch de holen verliet en als oeverbewoner aan den rand der groote rivieren leefde (wellicht daartoe gedwongen, doordat de geweldige waterstroomen, die het gesmolten ijs der ijstijdgletschers naar zee voerden, de holen hadden overstroomd, waarin zijne voorvaderen hadden geleefd), weer een tijdperk van hernieuwde koude gevolgd was, waarin de gletschers weer bevroren en weer naar het Zuiden verder voortdrongen, de groote stroomen ophielden te vloeien en het barre klimaat den mensch weer terugdreef naar de nu gedeeltelijk dichtgeslibde holen, waarin wellicht, nu diep onder den aangeslibden grond, zich nog de overblijfselen van zijn voorouders van voor duizenden jaren bevonden.Niet slechts de bewerking van den vuursteen ontwikkelt zich. In het laatste gedeelte van den ijstijd zien wij de overblijfselen van den mammoeth schaarscher worden. Het rendier treedt op, en in steeds grooter en grooter aantal vinden wij de overblijfselen van dit dier naast de steenen werktuigen bij de menschelijke overblijfselen. Naast den vuursteen leert de mensch het rendierhoorn gebruiken, tot wapens versnijden, voor huiselijk gebruik dienstbaar maken. Naast spitse dolken van rendierhoorn vinden wij nu fijne pijlpunten met weerhaken voorzien, hoornen haken en naalden om de kleederen vast te maken, doorboorde en met figuren bekraste hoornstukken om als versiering, wellicht als amulet, aan den hals te dragen, in steeds beter afgewerkten vorm, terwijl ook de techniek van de bewerking van den vuursteen de hoogte bereikt, waarop voorwerpen als in fig. 5 naar Deensche vondsten zijn afgebeeld, stonden. Daarmede is dan evenwel het zoogenaamde oud-steenen tijdperk, hetpalaeolithicum, afgeloopen en zijn wij in het nieuw-steenen tijdperk, hetneolithicum, gekomen, op een tijdstip derhalve, waarop de mensch al een zekere hoogtevan ontwikkeling bereikt had, in een aantal rassen de geheele aarde bevolkte, en de kinderschoenen dus al ontwassen was. Daarop ga ik hier dus niet verder in.Fig. 5. Steenen werktuigen van het nieuw steenen tijdperk uit Skandinavië. NaarS. Muller.Er is evenwel nog een ander feit, waarop ik hier bij deze algemeene bespreking de aandacht wil vestigen, omdat het ons over den aard van den praehistorischen mensch zooveel leert.Fig. 6. Graf uit het steentijdperk, bij Chamblandes in Zwitserland. NaarDechelette.Beschouwen wij voor een oogenblik niet alleen de steenen werktuigen, maar ook de menschelijke overblijfselen uit dien voorhistorischen tijd, dan zien wij, afgezien van de eigenaardigheden dier overblijfselen zelf, die ons het vraagstuk van de afstamming helpen oplossen, ook daarin een bepaalde ontwikkeling. Terwijl van de oudste skeletten slechts enkele fragmenten (waarover in het volgende hoofdstuk nader) los in den grond gevonden zijn, zien wij al spoedig dat een bepaalde begrafenis moet hebben plaats gevonden. Het lijk ligt, zooals uit fig. 6 en 9,die trouwens uit lateren tijd stammen, duidelijk blijkt, in een bepaalde houding, door steenen omgeven, dus in den grond ingegraven. Dit wijst op een doodencultus. Eveneens zeer spoedig blijken steenen wapenen aan de dooden te worden medegegeven, en men vindt zelfs, zooals wij later uitvoeriger zullen bespreken, uit de vroegste perioden van het palaeolithicum skeletten met fraai bewerkte steenen wapenen in de hand of om het hoofd gerangschikt. Dit wijst op een geloof aan een voortbestaan na den dood. Inietslater perioden vinden wij de lijken versierd, kransen van kleine doorboorde (blijkbaar derhalve oorspronkelijk aaneengeregen) schelpjes of beenstukjes aan hoofd, hals en polsen. Ook dat wijst op een doodencultus, en het is eigenaardig dat wij dan vooral kinderskeletten zeer rijk versierd vinden. Dat geeft den indruk van liefde en zorg voor kinderen. Kortom, uit dergelijkegegevens, hoe schaarsch ook en hoe weinig beteekenend op zichzelf, kan men zich toch eenigszins een denkbeeld vormen omtrent de geestelijke eigenschappen en het peil van beschaving dezer vroegste menschen uit den grijzen voortijd. Zoo heeft men uit dezelfde periode ook eenige skeletten gevonden, waarvan de schedel een groot gat vertoonde, hetwelk echter, zooals uit de structuur van het been duidelijk bleek, voor driekwart genezen was. Dat wijst op een goede zorg voor zieken en gewonden, daar anders een dergelijke wond onfeilbaar tot een onmiddellijken dood zou hebben geleid.—Maar laat mij hierop niet verder ingaan, wij zouden te ver in het gebied der speculatie verzeild raken.„Revenons à nos moutons.”4—Keeren wij terug tot onze bespreking van de gegevens, welke ons in staat stellen, den ouderdom van het menschelijk geslacht in ’t algemeen en van bepaalde vondsten in het bijzonder te bepalen. Voor dit laatste komt drieërlei in aanmerking: 1°. de aard van de steenlaag of afzetting, waarin de overblijfselen worden gevonden, zoogenaamde stratigraphische bijzonderheden; 2°. de dierlijke overblijfselen, die te zamen met de menschelijke skeletdeelen in dezelfde laag zijn aangetroffen; 3°. de aard der steenen werktuigen, die bij het menschelijk skeletdeel uit dezelfde steenlaag zijn opgedolven. Deze laatsten kunnen, als door menschenhanden vervaardigde artefacten, ook op zichzelf, zonder daarbij gevonden menschelijke skeletdeelen, getuigenis van den ouderdom van het menschelijk geslacht in het algemeen afleggen.Daar nu juist deze werktuigen in hun scherp getypeerden vorm en licht herkenbare gedaanten, zich gemakkelijk in verschillende groepen laten samenbrengen van telkens fijner bewerking en geringerenouderdom, wordt de groepeering der steenen werktuigen meestal als onderverdeeling van den geheelen tijd der ontwikkeling van het menschelijk geslacht vóór den aanvang der geschiedenis, in den voorhistorischen tijd dus, aangenomen, ook waar de ouderdom van de gevonden overblijfselen door middel van daarbij opgedolven dierlijke beenstukken wordt bepaald. Daar wij dus de namen dier onderafdeelingen in de volgende hoofdstukken telkens zullen moeten gebruiken, geef ik hier in een tabel een opgave dier onderverdeeling van het palaeolithicum, evenwel slechts zeer in ’t kort, daar dit eigenlijk meer tot het gebied der archaeologie behoort, en daar een uitvoerige beschrijving der verschillende groepen van steenen werktuigen alleen met behulp van een aantal afbeeldingen belangwekkend en vruchtbaar is te maken, waarvoor mij hier de gelegenheid ontbreekt.Fig. 7. Tertiaire eolithen uit Portugal. NaarRibeiros.Fig. 8. Vuursteenen werktuigen uit het palaeolithicum.Gedurende nagenoeg het geheele oude steenen tijdperk is de steensoort, waarvan de steenen werktuigen in steeds toenemende fijnheid van bewerking werden vervaardigd, de „vuursteen” geweest. Wel zijn zoo nu en dan ook andere harde steensoortendaarvoor gebruikt, en vindt men vooral in het nieuw-steenen tijdperk een grootere keuze van gesteenten, maar de vuursteen blijft toch het meest geliefde materiaal. Zooals men weet, is de vuursteen een kiezelzuurverbinding, die in den vorm van grootere of kleinere afgeronde stukken, zoogenaamde „knollen,” bij voorkeur in die steenlagen gevonden worden, die als afzettingen uit het zeewater van vroegere geologische perioden ontstaan zijn. Vooral de krijtlagen uit het laatste gedeelte der secundaire periode zijn bijzonder rijk aan dergelijke vuursteenknollen. Het eigenaardige van den vuursteen is nu, dat men, door er met een zekere kracht een hard voorwerp tegen te slaan, er lange splinters en blussen af kan slaan, (zie fig. 8) klein of groot, naarmate van de kracht en handigheid waarmede geslagen werd. Door het afspringen dier splinters ontstaan dan scherpe kanten, lijsten en punten aan den harden steen. Hoe beter envoorzichtiger men den steen leerde bewerken, des te fijner van vorm, des te meer gedetailleerd van gedaante werden de werktuigen. Men vergelijke bijvoorbeeld de ruw toegeslagen steenen van Fig. 7 met de beter bewerkte van Fig. 8 en de buitengewoon fijne en elegante werktuigen van Fig. 5. Bij de oudste steenen werktuigen werd eenvoudig ruw tegen een of andere zijde van de vuursteenen geslagen, en eerst langzamerhand leerde men met bewustheid een bepaalden vorm aan den vuursteen te geven. De voorstanders der eolithen-theorie beweren nu juist, dat reeds in het tertiaire tijdperk door menschelijke wezens vuursteenen werktuigen werden gemaakt, maar dan nog eenvoudig door ruw tegen elkaar slaan van twee steenen zonder bepaalde richting of krachtaanwending. Dat zijn dan de zoogenaamde eolithen. Het spreekt vanzelf, dat daarbij slechts ruw afgesplinterde steenstukken worden verkregen, waaruit dan de beste stukken voor verder gebruik zouden zijn uitgezocht. Het behoeft ons dan ook evenwel niet te bevreemden dat een aantal archaeologen deze eolithen uiterst wantrouwend bekeken en ze eenvoudig voor brokstukken hielden, die door natuurkrachten (watergeweld, verweering) uit de vuursteenknollen waren ontstaan. Daar ook nu nog deze strijd niet is uitgestreden en juist deze eolithen, die het bestaan van den tertiairen mensch moesten bewijzen, vooral nu van groot belang voor het praehistorisch onderzoek zijn, nu ook van andere gezichtspunten het bestaan van den mensch reeds gedurende een gedeelte van de tertiaire periode meer en meer waarschijnlijk wordt geacht,5ja dikwijls als vaststaand wordt aangenomen, heb ik juist van deze eolithen eenige typische voorbeelden in fig. 7 afgebeeld. Het is natuurlijk moeilijk zich in deze kwestie een oordeel te vormen, enoppervlakkig beschouwd maken die ruw afgebrokkelde vuursteenen volkomen den indruk van uit een massa vuursteensplinters uitgezochte, ietwat regelmatige stukken, die met door menschenhanden bewerkte artefacten niets te maken hebben, maar als men de talrijke afbeeldingen, doorRutot, den uitnemenden kenner der palaeolithische werktuigen, van tertiaire eolithen gegeven, beschouwt en ze vergelijkt met de nagenoeg identische afbeeldingen van tertiaire vuursteenstukken uit Portugal, doorRibeirosbeschreven, of van de exemplaren uit Puy-Courny vande Mortillet, dan wordt men wel gedwongen te erkennen, dat in hunne argumenten veel waars ligt opgesloten en dat de theorie der tertiaire vuursteenwerktuigen lang niet zoo op losse schroeven staat als men bij oppervlakkige kennismaking er mede geneigd zou zijn aan te nemen.Rutoten zijn volgelingen gaan nu echter nog verder, en meenen dat de tertiaire mensch ook geheele vuursteenknollen, die door hun toevalligen vorm gemakkelijk te hanteeren waren, en door natuurkrachten afgebrokkelde splinters zou hebben gebruikt, die dan hoogstens een beetje gefatsoeneerd, bijgewerkt, werden. Dat zouden dan de echte typische „eolithen” zijn. Nu, dat zal waarschijnlijk ook wel zoo geweest zijn, maar hoe dergelijke stukken met zekerheid van andere, hier en daar verspreide vuursteenstukken te onderscheiden? Hierop is ook in de talrijke geschriften vanRutotzelf een afdoend antwoord niet te vinden. En dit zal wel eerst uitgemaakt kunnen worden, als werkelijk zeker te herkennen menschelijke overblijfselen uit de tertiaire periode te zamen met een groot aantal van dergelijke vuursteenstukken worden gevonden.Hoe veel ons ook de studie der voorhistorische steenen werktuigen heeft geleerd, nog steeds blijft, wat dit betreft, het woord vanBrocagelden,dat de tertiaire mensch den drempel der wetenschap nog niet heeft overschreden.Over het hier volgende tabellarisch overzicht der verschillende onderdeelen van het oude steenen tijdperk nog een enkel woord.Het gebouw der moderne praehistorische anthropologie is opgetrokken op de basis van het werk, door Fransche onderzoekers in deze richting gedaan. In Parijs bestaat de eenige academische school voor voorhistorische wetenschap. In Frankrijk zijn de meeste en meest typische voorhistorische werktuigen en verdere overblijfselen opgedolven en bestudeerd. Door Fransche onderzoekers is dan ook het systeem van onderdeelen der voorhistorische periode opgebouwd, en daarbij zijn de verschillende onderafdeelingen genoemd naar de plaatsen waar de meest typische voorbeelden van dat bepaalde type zijn opgedolven. Zoo spreekt men ook buiten Frankrijk van de „acheulien” periode, omdat de voor die periode typische vorm der steenen werktuigen het eerst en het meest gevonden werden in de kiezelafzettingen bij St. Acheul. Evenzoo van de „moustérien” periode, naar de beroemde vindplaats van voorhistorische overblijfselen van den voor deze periode typischen vorm bij Le Moustier, al zijn ook bepaalde voorwerpen uit die periode bij Krapina in Hongarije of in Noord-Amerika gevonden. Zoo spreekt men van de Azilien-periode naar de grot le Mas d’Azil in ’t Zuiden van Frankrijk, van de Chellien-periode naar de vindplaats bij Chelles (Seine-et-Marne) enzoovoort. Wil men een internationalen vorm aan deze namen geven, dan kan men er een latijnschen uitgang achter zetten en spreken van het Mousterium, het Acheulium, het Chelleum, het Azilium enz. Door deze onderverdeeling wordt een gemakkelijke en overzichtelijke klassificatie van het palaeolithicum verkregen.Maar men hoede zich, een al te groote absolutewaarde aan een dergelijke onderverdeeling toe te kennen.Evenals nog in onzen tijd op bepaalde plaatsen, in bepaalde streken, oude kleederdrachten en oude gewoonten, de vorm en inrichting der boerenbehuizing, van voorwerpen voor huiselijk gebruik, enz. met groote hardnekkigheid gedurende eeuwen wordt vastgehouden, zoo zal ook in voorhistorischen tijd het vervaardigen van steenen werktuigen van een bepaalden vorm in de eene plaats veel langer zijn volgehouden dan in een andere plaats, zullen verbeteringen in de bewerking, van een bepaald centrum uitgaande, zich dikwijls slechts met de uiterste langzaamheid verder hebben uitgebreid, zullen verschillende vormennaastelkaar hebben bestaan, en zoo vinden wij dan bijvoorbeeld hier in Holland nog steenen werktuigen uit het oude steenen tijdperk, stammende uit een tijd, waarop in Frankrijk reeds bronzen werktuigen werden vervaardigd.6De verdeeling naar den aard der werktuigen heeft dus slechts een zeer betrekkelijke waarde als tijdsbepaling. Komt zij in conflict met stratigraphische gegevens, en met wat de dierlijke overblijfselen ons leeren, dan zal men mijns inziens aan deze laatste, mits met zekerheid vastgesteld, de voorkeur moeten geven. Waar bijvoorbeeld doorGorganovic-Krambergerop grond van het feit, dat met bepaalde menschelijke overblijfselen, bij Krapina gevonden (zie ’t volgende hoofdstuk) resten van den rhinoceros van Merck werden opgedolven, aan die overblijfselen een zeer hooge ouderdom toegekend wordt,Rutotdaarentegen op grond van de daarbij gevonden steenen werktuigen meent, dat de ouderdom niet zoo hoog kan zijn, daar zou ik mij met volle overtuiging aan de zijde vanKrambergerplaatsen.In de volgende tabel zijn de verschillende perioden,onderafdeelingen van het oude steenen tijdperk, volgens de namen der voornaamste vindplaatsen der voor die periode typische steenen werktuigen gerangschikt. De verdeeling der geologische tijdperken vergelijke men met de tabel in hoofdstuk I.Fig. 9. Graf uit de neolithische periode, uit Egypte. Typische houding van het lijk met sterk opgetrokken knieën en op de borst gekruiste armen.De oudste groep is in de tabel bovenaan geplaatst, de jongste onderaan. Ook de eolithen zijn, volgens het schema van Rutot, in de tabel opgenomen.TABEL VAN DE ONDERVERDEELINGEN VAN HET OUD-STEENEN TIJDPERKGEOL. TIJDPERKNAAMBESCHRIJVINGEolithenTertiair1.ThenayEerste gebruik van vuursteenen als werk-tuigen, nog geen op een bepaalde wijze gefatsoeneerde werktuigen, doch reeds verschillende vormen (volgens Rutot „percuteurs, couteaux, racloirs, grattoirs, perçoirs”).Tertiair,,2.Cantalin (Aurillac, Cantal, Puy-Courny)Tertiair,,3.Kentum (plateau van Kent)Oudste Quartair4.ReutélienUitgezochte en reeds eenigermate doch zonder bepaalde methode gefatsoeneerde werktuigen van verschillenden vorm.5.Mafflien6.MesvinienPalaeolithen7.StrepyinVoor het eerst met een bepaald doel gefatsoeneerde werktuigen van bepaalden vorm.8.ChelléenGrof geslagen, aan beide zijden met grove blussen uitgeslagen werktuigen.9.AcheuléenFijner geslagen werktuigen, aan beide zijden met kleine blussen uitgeslagen, verschillend van vorm.10.Moustiérien (grotte du Moustier)Steenen werktuigen van bepaalden vorm, doorgaans slechts aan ééne zijde toegeslagen, of puntvormig, zoodat zij aan een lans konden worden bevestigd, of meer rond, met scherpe randen (zoogen. schrappers, racloirs, volgens de Mortillet om de huiden van gevangen dieren te bewerken). Nog geen beenen of ivoren werktuigen.11.Aurignacien of praesolutréenNaast fijn toegeslagen regelmatige steenen werktuigen vindt men de eerste sporen van bewerking van been en ivoor, en de eerste kunstuitingen. Begin van het rendiertijdperk.12.SolutréenZuiver toegeslagen pijlpunten, laurierbladvormig of gesteeld, steenen messen en boren. Paard en rendier in talrijke overblijfselen gevonden.13.MagdalénienPrachtig bewerkte steenen wapenen en werktuigen, nog niet gepolijst. Pijlpunten en harpoenen uit rendierhoorn met weerhaken, ivoren naalden, stijlvol geboetseerde voorwerpen uit rendierhoorn of ivoor, steenen messen en zagen, teekeningen op rendierhoorn of op rotswanden (grotten).14.AzilienVermoedelijke doch slechts zeer locaal bekende overgangsperiode naar het nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum, naar het tijdperk van de gepolijste steenen werktuigen, van het aarden huisraad, de paalwoningen, de dolmen en menhirs.1De tertiaire mensch staat nog slechts op den drempel van het gebouw der wetenschap.↑2Zieachterin.↑3Zieachterin.↑4Zieachterin.↑5Men vergelijke hetgeen hierover in hoofdstuk 7 wordt gezegd.↑6Zelfs in den slag van Hastings werden, naar men zegt, nog wel steenen pijlpunten gebruikt.↑

IVOUDERDOM DER MENSCHELIJKE OVERBLIJFSELEN.„l’Homme tertiaire n’est encore que sur le seuil de la science.”1Broca.Indien wij nu als grondslag voor ons verder onderzoek aannemen, dat de mensch uit de dierenwereld, uit dierlijke voorvaderen dus, is ontstaan, dan kan men onmiddellijk drie hoofdvragen stellen: 1e. hoe oud is dan het menschelijk geslacht? 2e. is aan de overblijfselen van den voorhistorischen mensch het meer dierlijk karakter, dat men op grond van zijne afstamming uit dierlijke voorvaderen zou verwachten, te zien, en zijn er tusschenvormen tusschen mensch en dier gevonden? 3e. van welke diersoorten stamt de mensch af?Het spreekt van zelf, dat wij voor het beantwoorden der beide laatste vragen de overblijfselen van den voorhistorischen mensch en zijne voorloopers zelf moeten kunnen bestudeeren.Voor het beantwoorden der eerste vraag is dit niet noodzakelijk.Immers, wij moeten ons steeds voor oogen stellen, dat wij hier juist de vroegste sporen van menschelijke wezens nagaan, d.w.z. van wezens, die niet alleen een bepaalden lichaamsvorm bezaten, maar daarnaast zichdoor geestelijke eigenschappen moeten hebben onderscheiden van de tegelijkertijd met hen levende dieren.Het bestaan van sommige voorwereldlijke dieren kennen wij alleen uit de voetsporen, die hunne pooten bij het loopen in de weeke klei hebben achtergelaten. Zijn dergelijke voetsporen scherp en duidelijk herkenbaar, dan heeft men daaraan volkomen voldoende, om tot het bestaan van die dieren daar ter plaatse op het oogenblik, dat die kleibeddingen aan de oppervlakte lagen, te kunnen besluiten. En men denkt hierbij terstond aan het aardige verhaal van Robinson Crusoe, die volkomen terecht de aanwezigheid van menschen op zijn oogenschijnlijk onbewoond eiland aannam, toen hij in het zand den afdruk van een blooten menschenvoet vond.Fig. 4. Tertiaire eolithen, naarRutot.Waar het menschelijke wezens geldt, kunnen wij nu echter nog verder gaan. Al vinden wij in steenlagen of formaties van een bepaalden ouderdom geen spoor van menschelijke overblijfselen zelf, dan is het aantoonen daar ter plaatse van werktuigen, die voor hunne vervaardiging en hun gebruik menschelijke intelligentie, zij het dan ook in hare meest primitieve ontwikkeling, vereischen, van woonplaatsen, overblijfselen van vuur of door menschenhanden bewerkte artefacten, ingekraste teekeningen, steenen wapenen, ja zelfs alleen overblijfselen van dierlijke beenderen, die blijken op een bepaalde „menschelijke” manier te zijn behandeld, gespleten (om het merg er uit te halen) of iets dergelijks, al volkomen voldoende om tot het bestaan van menschen te kunnen besluiten. Dit wordt niet door iedereen toegegeven. Zoo zegt Gabriel de Mortillet, de vader van het moderne praehistorisch onderzoek, in zijn beroemd boek Le Préhistorique, dat er in het tertiaire tijdperk wezens zouden hebben bestaan, „Assez intelligents pour faire le feu,”2maar dat „ces êtres n’étaient pas et ne pouvaient pas être encore des hommes,”3doch dit schijnt mij een volkomen onjuiste redeneering. Vindt men op een aantal plaatsen in tertiaire lagen gesteenten, die door hun vorm en bewerking blijk geven voor bepaalde doeleinden te zijn gebezigd en met vuur te zijn bewerkt, dan moet men aannemen, dat gedurende die perioden menschelijke wezens op aarde bestonden. De groote moeilijkheid bestaat nu evenwel daarin, dat het juist waar het die allereerste, uiterst primitieve werktuigen (de zoogenaamde eolithen) (Fig. 4) betreft, uit den aard der zaak dikwijls lastig is, menschelijke artefacten te herkennen van door de natuurkrachten zelve veroorzaakte blussen en afgesplinterde kanten van de steenen. Ik kom hierop later bij de beschrijving der verschillende steenen werktuigen (bl. 47) nader terug, en kan hier volstaan met te doen uitkomen, dat van dezelfde eolithen, die door archaeologen van grooten naam voor primitieve steenwerktuigen, door menschelijke wezens gebruikt, worden gehouden, door andere, niet minder ervaren deskundigen, met dezelfde overtuiging wordt beweerd, dat het niet anders zijn dan uit een hoop door de natuur (door bergstroomen, watervallen, steenstortingen enz.) afgeslepenen afgesplinterde kiezelsteenen uitgezochte exemplaren, die toevallig wel wat op steenen werktuigen geleken. Door de voorvechters der eolithen-theorie wordt dit met diepe verachting aangehoord, en gezegd dat een in deze kwestie wezenlijk ervaren archaeoloog dergelijke door de natuur geboetseerde steenstukken nimmer zal verwarren met de echte eolithen, en hoe dit ook zijn moge, men moet hun toch toegeven, dat het dan toch wel uiterst merkwaardig zou zijn, als juist en alleen in het laatste gedeelte van het tertiaire tijdperk, vóór het begin van de periode der direct als zoodanig herkenbare steenen werktuigen, dergelijke „vervalschingen” door de natuurkrachten zouden zijn gemaakt, en later niet meer.Voor op stukken ivoor, beenstukken, hoorn, of op den wand van grotten ingekraste teekeningen geldt dit natuurlijk niet. Vindt men eene als zoodanig herkenbare teekening van een of ander dier, dan kan men niet anders aannemen dan dat een dergelijke teekening het werk van menschen is geweest. En als wij van dergelijke teekeningen vinden, ingekrast op uit oude steenlagen opgedolven stukken fossiel ivoor, of fossiele rendierhoornen, of op den wand van grotten, die, geheel en al dichtgeslibd, eerst in den laatsten tijd weer „ontdekt” en door voorzichtig uitgraven toegankelijk zijn gemaakt, dan is aan de echtheid dier teekeningen niet te twijfelen.Zoo heeft men bijvoorbeeld teekeningen van mammoets en andere voorwereldlijke dieren aangetroffen op den wand van druipsteengrotten, diep bedolven onder de kalkafzettingen. Als men nu bedenkt, hoe uiterst langzaam zulk een kalklaag zich afzet, en hoe vele duizenden jaren het dus moet geduurd hebben voor zulk een teekening, oorspronkelijk op ongeveer manshoogte in den rotswand gekrast, zoo geheel onder de steeds aangroeiende kalklaag van den bodem bedolven is geworden, dan kan men zich eenigszinseen denkbeeld maken van de vele eeuwen, die verloopen moeten zijn, sinds de oude holbewoner daar met een scherp stuk steen in diep ontzag voor het geweldige dier, dat hij wellicht met zijne makkers had nagejaagd, diens omtrekken in den rotswand kraste.Al hadden wij dus geen enkel menschelijk overblijfsel uit den voortijd opgedolven, dan zouden wij ons toch door deze dingen een denkbeeld kunnen vormen van den ouderdom van het menschelijk geslacht. Ja wij kunnen ons zelfs eenigermate eene voorstelling er van maken, hoe die menschen uit den voortijd moeten hebben geleefd, van hunne beschaving (sit venia verbo), van hunne eigenschappen, van hunne omgeving.Aan die steenen werktuigen bijvoorbeeld is een duidelijke vooruitgang in de bewerking, naarmate men jongere steenlagen onderzoekt, niet te miskennen.Het diepst onder den beganen grond, in de oudste steenlagen, te zamen met overblijfselen van dieren die in het begin van den ijstijd moeten hebben geleefd, vindt men slechts ruw behouwen vuursteenstukken, die ternauwernood den naam van werktuigen kunnen dragen en slechts aan het geoefend oog van den ervaren onderzoeker als zoodanig herkenbaar zijn; maar langzamerhand zien wij, naarmate wij jongere steenlagen of afzettingen onderzoeken, de techniek der bewerking beter en fijner worden, de steenen werktuigen nemen een bepaalden vorm aan, die in typische gestalten voor bepaalde doeleinden geschikt gemaakt schijnt te worden; wij vinden steenen bijlen, priemen, messen, pijlspitsen, wiggen, van scherp omschreven, steeds als zoodanig herkenbaren vorm. In steenlagen van denzelfden ouderdom, herkenbaar aan de daarin gevonden dierlijke overblijfselen, treedt dan steeds dezelfde voor die periode karakteristieke vorm der steenen werktuigen op. Onderzoeken wij jongere steenlagen, wederom herkenbaar aan de daarin voorkomende overblijfselen van dieren uit het laatstegedeelte van den ijstijd of uit een der warmere tusschenperioden, dan zien wij den vorm der steenen werktuigen weer anders worden, regelmatiger, beter bewerkt, in grooter verscheidenheid. Zoo wordt ook in deze werktuigen een beeld ontrold van langzamen vooruitgang en ontwikkeling. Maar er is meer. Als wij een bepaald type van steenen werktuigen (men vergelijke de lijst aan het einde van dit hoofdstuk) uitsluitend in holen vinden te zamen met overblijfselen van dieren als de holenbeer, de holenleeuw, de mammoeth, dieren dus, die in de koude perioden van den ijstijd hebben geleefd, dan moeten wij wel daaruit de gevolgtrekking maken dat die werktuigen door typische holbewoners, door troglodyten, werden vervaardigd. Vinden wij dan beter bewerkte steenen werktuigen van een bepaald type nooit in die holen, maar in kiezelbeddingen aan den oever der groote rivieren, te zamen met overblijfselen van dieren, die in de warmere tusschenperioden hier hebben geleefd, van het nijlpaard, van den rhinoceros van Merck, van den aueros, dan moeten wij wel tot het besluit komen, dat de menschen, toen zij den trap van ontwikkeling hadden bereikt, waarop zij werktuigen van dat bepaalde type vervaardigden, niet in holen leefden, doch in het vrije veld, aan den oever der grootere rivieren, in een zachter klimaat derhalve. Vinden wij dan verder in dezelfde holen, waarin wij diep (bijvoorbeeld 8 meter) onder den grond de bovengenoemde eenvoudige, ruw bewerkte steenen werktuigen vonden, op een veel hooger niveau, bijvoorbeeld 1 meter onder den beganen grond, (men vergelijke bijv. het in fig. 24 geteekende profiel van een dergelijk hol met een aantal verschillende grondlagen boven elkaar) een steenlaag, waarin wij veel fijner bewerkte en anders gevormde steenen werktuigen vinden, te zamen met overblijfselen van dieren, die eerst in het laatste gedeelte van den ijstijd hier in Europa voorkwamen, dan ligt de slotsom voorde hand, dat op de minder koude periode, waarin de mensch de holen verliet en als oeverbewoner aan den rand der groote rivieren leefde (wellicht daartoe gedwongen, doordat de geweldige waterstroomen, die het gesmolten ijs der ijstijdgletschers naar zee voerden, de holen hadden overstroomd, waarin zijne voorvaderen hadden geleefd), weer een tijdperk van hernieuwde koude gevolgd was, waarin de gletschers weer bevroren en weer naar het Zuiden verder voortdrongen, de groote stroomen ophielden te vloeien en het barre klimaat den mensch weer terugdreef naar de nu gedeeltelijk dichtgeslibde holen, waarin wellicht, nu diep onder den aangeslibden grond, zich nog de overblijfselen van zijn voorouders van voor duizenden jaren bevonden.Niet slechts de bewerking van den vuursteen ontwikkelt zich. In het laatste gedeelte van den ijstijd zien wij de overblijfselen van den mammoeth schaarscher worden. Het rendier treedt op, en in steeds grooter en grooter aantal vinden wij de overblijfselen van dit dier naast de steenen werktuigen bij de menschelijke overblijfselen. Naast den vuursteen leert de mensch het rendierhoorn gebruiken, tot wapens versnijden, voor huiselijk gebruik dienstbaar maken. Naast spitse dolken van rendierhoorn vinden wij nu fijne pijlpunten met weerhaken voorzien, hoornen haken en naalden om de kleederen vast te maken, doorboorde en met figuren bekraste hoornstukken om als versiering, wellicht als amulet, aan den hals te dragen, in steeds beter afgewerkten vorm, terwijl ook de techniek van de bewerking van den vuursteen de hoogte bereikt, waarop voorwerpen als in fig. 5 naar Deensche vondsten zijn afgebeeld, stonden. Daarmede is dan evenwel het zoogenaamde oud-steenen tijdperk, hetpalaeolithicum, afgeloopen en zijn wij in het nieuw-steenen tijdperk, hetneolithicum, gekomen, op een tijdstip derhalve, waarop de mensch al een zekere hoogtevan ontwikkeling bereikt had, in een aantal rassen de geheele aarde bevolkte, en de kinderschoenen dus al ontwassen was. Daarop ga ik hier dus niet verder in.Fig. 5. Steenen werktuigen van het nieuw steenen tijdperk uit Skandinavië. NaarS. Muller.Er is evenwel nog een ander feit, waarop ik hier bij deze algemeene bespreking de aandacht wil vestigen, omdat het ons over den aard van den praehistorischen mensch zooveel leert.Fig. 6. Graf uit het steentijdperk, bij Chamblandes in Zwitserland. NaarDechelette.Beschouwen wij voor een oogenblik niet alleen de steenen werktuigen, maar ook de menschelijke overblijfselen uit dien voorhistorischen tijd, dan zien wij, afgezien van de eigenaardigheden dier overblijfselen zelf, die ons het vraagstuk van de afstamming helpen oplossen, ook daarin een bepaalde ontwikkeling. Terwijl van de oudste skeletten slechts enkele fragmenten (waarover in het volgende hoofdstuk nader) los in den grond gevonden zijn, zien wij al spoedig dat een bepaalde begrafenis moet hebben plaats gevonden. Het lijk ligt, zooals uit fig. 6 en 9,die trouwens uit lateren tijd stammen, duidelijk blijkt, in een bepaalde houding, door steenen omgeven, dus in den grond ingegraven. Dit wijst op een doodencultus. Eveneens zeer spoedig blijken steenen wapenen aan de dooden te worden medegegeven, en men vindt zelfs, zooals wij later uitvoeriger zullen bespreken, uit de vroegste perioden van het palaeolithicum skeletten met fraai bewerkte steenen wapenen in de hand of om het hoofd gerangschikt. Dit wijst op een geloof aan een voortbestaan na den dood. Inietslater perioden vinden wij de lijken versierd, kransen van kleine doorboorde (blijkbaar derhalve oorspronkelijk aaneengeregen) schelpjes of beenstukjes aan hoofd, hals en polsen. Ook dat wijst op een doodencultus, en het is eigenaardig dat wij dan vooral kinderskeletten zeer rijk versierd vinden. Dat geeft den indruk van liefde en zorg voor kinderen. Kortom, uit dergelijkegegevens, hoe schaarsch ook en hoe weinig beteekenend op zichzelf, kan men zich toch eenigszins een denkbeeld vormen omtrent de geestelijke eigenschappen en het peil van beschaving dezer vroegste menschen uit den grijzen voortijd. Zoo heeft men uit dezelfde periode ook eenige skeletten gevonden, waarvan de schedel een groot gat vertoonde, hetwelk echter, zooals uit de structuur van het been duidelijk bleek, voor driekwart genezen was. Dat wijst op een goede zorg voor zieken en gewonden, daar anders een dergelijke wond onfeilbaar tot een onmiddellijken dood zou hebben geleid.—Maar laat mij hierop niet verder ingaan, wij zouden te ver in het gebied der speculatie verzeild raken.„Revenons à nos moutons.”4—Keeren wij terug tot onze bespreking van de gegevens, welke ons in staat stellen, den ouderdom van het menschelijk geslacht in ’t algemeen en van bepaalde vondsten in het bijzonder te bepalen. Voor dit laatste komt drieërlei in aanmerking: 1°. de aard van de steenlaag of afzetting, waarin de overblijfselen worden gevonden, zoogenaamde stratigraphische bijzonderheden; 2°. de dierlijke overblijfselen, die te zamen met de menschelijke skeletdeelen in dezelfde laag zijn aangetroffen; 3°. de aard der steenen werktuigen, die bij het menschelijk skeletdeel uit dezelfde steenlaag zijn opgedolven. Deze laatsten kunnen, als door menschenhanden vervaardigde artefacten, ook op zichzelf, zonder daarbij gevonden menschelijke skeletdeelen, getuigenis van den ouderdom van het menschelijk geslacht in het algemeen afleggen.Daar nu juist deze werktuigen in hun scherp getypeerden vorm en licht herkenbare gedaanten, zich gemakkelijk in verschillende groepen laten samenbrengen van telkens fijner bewerking en geringerenouderdom, wordt de groepeering der steenen werktuigen meestal als onderverdeeling van den geheelen tijd der ontwikkeling van het menschelijk geslacht vóór den aanvang der geschiedenis, in den voorhistorischen tijd dus, aangenomen, ook waar de ouderdom van de gevonden overblijfselen door middel van daarbij opgedolven dierlijke beenstukken wordt bepaald. Daar wij dus de namen dier onderafdeelingen in de volgende hoofdstukken telkens zullen moeten gebruiken, geef ik hier in een tabel een opgave dier onderverdeeling van het palaeolithicum, evenwel slechts zeer in ’t kort, daar dit eigenlijk meer tot het gebied der archaeologie behoort, en daar een uitvoerige beschrijving der verschillende groepen van steenen werktuigen alleen met behulp van een aantal afbeeldingen belangwekkend en vruchtbaar is te maken, waarvoor mij hier de gelegenheid ontbreekt.Fig. 7. Tertiaire eolithen uit Portugal. NaarRibeiros.Fig. 8. Vuursteenen werktuigen uit het palaeolithicum.Gedurende nagenoeg het geheele oude steenen tijdperk is de steensoort, waarvan de steenen werktuigen in steeds toenemende fijnheid van bewerking werden vervaardigd, de „vuursteen” geweest. Wel zijn zoo nu en dan ook andere harde steensoortendaarvoor gebruikt, en vindt men vooral in het nieuw-steenen tijdperk een grootere keuze van gesteenten, maar de vuursteen blijft toch het meest geliefde materiaal. Zooals men weet, is de vuursteen een kiezelzuurverbinding, die in den vorm van grootere of kleinere afgeronde stukken, zoogenaamde „knollen,” bij voorkeur in die steenlagen gevonden worden, die als afzettingen uit het zeewater van vroegere geologische perioden ontstaan zijn. Vooral de krijtlagen uit het laatste gedeelte der secundaire periode zijn bijzonder rijk aan dergelijke vuursteenknollen. Het eigenaardige van den vuursteen is nu, dat men, door er met een zekere kracht een hard voorwerp tegen te slaan, er lange splinters en blussen af kan slaan, (zie fig. 8) klein of groot, naarmate van de kracht en handigheid waarmede geslagen werd. Door het afspringen dier splinters ontstaan dan scherpe kanten, lijsten en punten aan den harden steen. Hoe beter envoorzichtiger men den steen leerde bewerken, des te fijner van vorm, des te meer gedetailleerd van gedaante werden de werktuigen. Men vergelijke bijvoorbeeld de ruw toegeslagen steenen van Fig. 7 met de beter bewerkte van Fig. 8 en de buitengewoon fijne en elegante werktuigen van Fig. 5. Bij de oudste steenen werktuigen werd eenvoudig ruw tegen een of andere zijde van de vuursteenen geslagen, en eerst langzamerhand leerde men met bewustheid een bepaalden vorm aan den vuursteen te geven. De voorstanders der eolithen-theorie beweren nu juist, dat reeds in het tertiaire tijdperk door menschelijke wezens vuursteenen werktuigen werden gemaakt, maar dan nog eenvoudig door ruw tegen elkaar slaan van twee steenen zonder bepaalde richting of krachtaanwending. Dat zijn dan de zoogenaamde eolithen. Het spreekt vanzelf, dat daarbij slechts ruw afgesplinterde steenstukken worden verkregen, waaruit dan de beste stukken voor verder gebruik zouden zijn uitgezocht. Het behoeft ons dan ook evenwel niet te bevreemden dat een aantal archaeologen deze eolithen uiterst wantrouwend bekeken en ze eenvoudig voor brokstukken hielden, die door natuurkrachten (watergeweld, verweering) uit de vuursteenknollen waren ontstaan. Daar ook nu nog deze strijd niet is uitgestreden en juist deze eolithen, die het bestaan van den tertiairen mensch moesten bewijzen, vooral nu van groot belang voor het praehistorisch onderzoek zijn, nu ook van andere gezichtspunten het bestaan van den mensch reeds gedurende een gedeelte van de tertiaire periode meer en meer waarschijnlijk wordt geacht,5ja dikwijls als vaststaand wordt aangenomen, heb ik juist van deze eolithen eenige typische voorbeelden in fig. 7 afgebeeld. Het is natuurlijk moeilijk zich in deze kwestie een oordeel te vormen, enoppervlakkig beschouwd maken die ruw afgebrokkelde vuursteenen volkomen den indruk van uit een massa vuursteensplinters uitgezochte, ietwat regelmatige stukken, die met door menschenhanden bewerkte artefacten niets te maken hebben, maar als men de talrijke afbeeldingen, doorRutot, den uitnemenden kenner der palaeolithische werktuigen, van tertiaire eolithen gegeven, beschouwt en ze vergelijkt met de nagenoeg identische afbeeldingen van tertiaire vuursteenstukken uit Portugal, doorRibeirosbeschreven, of van de exemplaren uit Puy-Courny vande Mortillet, dan wordt men wel gedwongen te erkennen, dat in hunne argumenten veel waars ligt opgesloten en dat de theorie der tertiaire vuursteenwerktuigen lang niet zoo op losse schroeven staat als men bij oppervlakkige kennismaking er mede geneigd zou zijn aan te nemen.Rutoten zijn volgelingen gaan nu echter nog verder, en meenen dat de tertiaire mensch ook geheele vuursteenknollen, die door hun toevalligen vorm gemakkelijk te hanteeren waren, en door natuurkrachten afgebrokkelde splinters zou hebben gebruikt, die dan hoogstens een beetje gefatsoeneerd, bijgewerkt, werden. Dat zouden dan de echte typische „eolithen” zijn. Nu, dat zal waarschijnlijk ook wel zoo geweest zijn, maar hoe dergelijke stukken met zekerheid van andere, hier en daar verspreide vuursteenstukken te onderscheiden? Hierop is ook in de talrijke geschriften vanRutotzelf een afdoend antwoord niet te vinden. En dit zal wel eerst uitgemaakt kunnen worden, als werkelijk zeker te herkennen menschelijke overblijfselen uit de tertiaire periode te zamen met een groot aantal van dergelijke vuursteenstukken worden gevonden.Hoe veel ons ook de studie der voorhistorische steenen werktuigen heeft geleerd, nog steeds blijft, wat dit betreft, het woord vanBrocagelden,dat de tertiaire mensch den drempel der wetenschap nog niet heeft overschreden.Over het hier volgende tabellarisch overzicht der verschillende onderdeelen van het oude steenen tijdperk nog een enkel woord.Het gebouw der moderne praehistorische anthropologie is opgetrokken op de basis van het werk, door Fransche onderzoekers in deze richting gedaan. In Parijs bestaat de eenige academische school voor voorhistorische wetenschap. In Frankrijk zijn de meeste en meest typische voorhistorische werktuigen en verdere overblijfselen opgedolven en bestudeerd. Door Fransche onderzoekers is dan ook het systeem van onderdeelen der voorhistorische periode opgebouwd, en daarbij zijn de verschillende onderafdeelingen genoemd naar de plaatsen waar de meest typische voorbeelden van dat bepaalde type zijn opgedolven. Zoo spreekt men ook buiten Frankrijk van de „acheulien” periode, omdat de voor die periode typische vorm der steenen werktuigen het eerst en het meest gevonden werden in de kiezelafzettingen bij St. Acheul. Evenzoo van de „moustérien” periode, naar de beroemde vindplaats van voorhistorische overblijfselen van den voor deze periode typischen vorm bij Le Moustier, al zijn ook bepaalde voorwerpen uit die periode bij Krapina in Hongarije of in Noord-Amerika gevonden. Zoo spreekt men van de Azilien-periode naar de grot le Mas d’Azil in ’t Zuiden van Frankrijk, van de Chellien-periode naar de vindplaats bij Chelles (Seine-et-Marne) enzoovoort. Wil men een internationalen vorm aan deze namen geven, dan kan men er een latijnschen uitgang achter zetten en spreken van het Mousterium, het Acheulium, het Chelleum, het Azilium enz. Door deze onderverdeeling wordt een gemakkelijke en overzichtelijke klassificatie van het palaeolithicum verkregen.Maar men hoede zich, een al te groote absolutewaarde aan een dergelijke onderverdeeling toe te kennen.Evenals nog in onzen tijd op bepaalde plaatsen, in bepaalde streken, oude kleederdrachten en oude gewoonten, de vorm en inrichting der boerenbehuizing, van voorwerpen voor huiselijk gebruik, enz. met groote hardnekkigheid gedurende eeuwen wordt vastgehouden, zoo zal ook in voorhistorischen tijd het vervaardigen van steenen werktuigen van een bepaalden vorm in de eene plaats veel langer zijn volgehouden dan in een andere plaats, zullen verbeteringen in de bewerking, van een bepaald centrum uitgaande, zich dikwijls slechts met de uiterste langzaamheid verder hebben uitgebreid, zullen verschillende vormennaastelkaar hebben bestaan, en zoo vinden wij dan bijvoorbeeld hier in Holland nog steenen werktuigen uit het oude steenen tijdperk, stammende uit een tijd, waarop in Frankrijk reeds bronzen werktuigen werden vervaardigd.6De verdeeling naar den aard der werktuigen heeft dus slechts een zeer betrekkelijke waarde als tijdsbepaling. Komt zij in conflict met stratigraphische gegevens, en met wat de dierlijke overblijfselen ons leeren, dan zal men mijns inziens aan deze laatste, mits met zekerheid vastgesteld, de voorkeur moeten geven. Waar bijvoorbeeld doorGorganovic-Krambergerop grond van het feit, dat met bepaalde menschelijke overblijfselen, bij Krapina gevonden (zie ’t volgende hoofdstuk) resten van den rhinoceros van Merck werden opgedolven, aan die overblijfselen een zeer hooge ouderdom toegekend wordt,Rutotdaarentegen op grond van de daarbij gevonden steenen werktuigen meent, dat de ouderdom niet zoo hoog kan zijn, daar zou ik mij met volle overtuiging aan de zijde vanKrambergerplaatsen.In de volgende tabel zijn de verschillende perioden,onderafdeelingen van het oude steenen tijdperk, volgens de namen der voornaamste vindplaatsen der voor die periode typische steenen werktuigen gerangschikt. De verdeeling der geologische tijdperken vergelijke men met de tabel in hoofdstuk I.Fig. 9. Graf uit de neolithische periode, uit Egypte. Typische houding van het lijk met sterk opgetrokken knieën en op de borst gekruiste armen.De oudste groep is in de tabel bovenaan geplaatst, de jongste onderaan. Ook de eolithen zijn, volgens het schema van Rutot, in de tabel opgenomen.TABEL VAN DE ONDERVERDEELINGEN VAN HET OUD-STEENEN TIJDPERKGEOL. TIJDPERKNAAMBESCHRIJVINGEolithenTertiair1.ThenayEerste gebruik van vuursteenen als werk-tuigen, nog geen op een bepaalde wijze gefatsoeneerde werktuigen, doch reeds verschillende vormen (volgens Rutot „percuteurs, couteaux, racloirs, grattoirs, perçoirs”).Tertiair,,2.Cantalin (Aurillac, Cantal, Puy-Courny)Tertiair,,3.Kentum (plateau van Kent)Oudste Quartair4.ReutélienUitgezochte en reeds eenigermate doch zonder bepaalde methode gefatsoeneerde werktuigen van verschillenden vorm.5.Mafflien6.MesvinienPalaeolithen7.StrepyinVoor het eerst met een bepaald doel gefatsoeneerde werktuigen van bepaalden vorm.8.ChelléenGrof geslagen, aan beide zijden met grove blussen uitgeslagen werktuigen.9.AcheuléenFijner geslagen werktuigen, aan beide zijden met kleine blussen uitgeslagen, verschillend van vorm.10.Moustiérien (grotte du Moustier)Steenen werktuigen van bepaalden vorm, doorgaans slechts aan ééne zijde toegeslagen, of puntvormig, zoodat zij aan een lans konden worden bevestigd, of meer rond, met scherpe randen (zoogen. schrappers, racloirs, volgens de Mortillet om de huiden van gevangen dieren te bewerken). Nog geen beenen of ivoren werktuigen.11.Aurignacien of praesolutréenNaast fijn toegeslagen regelmatige steenen werktuigen vindt men de eerste sporen van bewerking van been en ivoor, en de eerste kunstuitingen. Begin van het rendiertijdperk.12.SolutréenZuiver toegeslagen pijlpunten, laurierbladvormig of gesteeld, steenen messen en boren. Paard en rendier in talrijke overblijfselen gevonden.13.MagdalénienPrachtig bewerkte steenen wapenen en werktuigen, nog niet gepolijst. Pijlpunten en harpoenen uit rendierhoorn met weerhaken, ivoren naalden, stijlvol geboetseerde voorwerpen uit rendierhoorn of ivoor, steenen messen en zagen, teekeningen op rendierhoorn of op rotswanden (grotten).14.AzilienVermoedelijke doch slechts zeer locaal bekende overgangsperiode naar het nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum, naar het tijdperk van de gepolijste steenen werktuigen, van het aarden huisraad, de paalwoningen, de dolmen en menhirs.1De tertiaire mensch staat nog slechts op den drempel van het gebouw der wetenschap.↑2Zieachterin.↑3Zieachterin.↑4Zieachterin.↑5Men vergelijke hetgeen hierover in hoofdstuk 7 wordt gezegd.↑6Zelfs in den slag van Hastings werden, naar men zegt, nog wel steenen pijlpunten gebruikt.↑

IVOUDERDOM DER MENSCHELIJKE OVERBLIJFSELEN.„l’Homme tertiaire n’est encore que sur le seuil de la science.”1Broca.

„l’Homme tertiaire n’est encore que sur le seuil de la science.”1Broca.

„l’Homme tertiaire n’est encore que sur le seuil de la science.”1

Broca.

Indien wij nu als grondslag voor ons verder onderzoek aannemen, dat de mensch uit de dierenwereld, uit dierlijke voorvaderen dus, is ontstaan, dan kan men onmiddellijk drie hoofdvragen stellen: 1e. hoe oud is dan het menschelijk geslacht? 2e. is aan de overblijfselen van den voorhistorischen mensch het meer dierlijk karakter, dat men op grond van zijne afstamming uit dierlijke voorvaderen zou verwachten, te zien, en zijn er tusschenvormen tusschen mensch en dier gevonden? 3e. van welke diersoorten stamt de mensch af?Het spreekt van zelf, dat wij voor het beantwoorden der beide laatste vragen de overblijfselen van den voorhistorischen mensch en zijne voorloopers zelf moeten kunnen bestudeeren.Voor het beantwoorden der eerste vraag is dit niet noodzakelijk.Immers, wij moeten ons steeds voor oogen stellen, dat wij hier juist de vroegste sporen van menschelijke wezens nagaan, d.w.z. van wezens, die niet alleen een bepaalden lichaamsvorm bezaten, maar daarnaast zichdoor geestelijke eigenschappen moeten hebben onderscheiden van de tegelijkertijd met hen levende dieren.Het bestaan van sommige voorwereldlijke dieren kennen wij alleen uit de voetsporen, die hunne pooten bij het loopen in de weeke klei hebben achtergelaten. Zijn dergelijke voetsporen scherp en duidelijk herkenbaar, dan heeft men daaraan volkomen voldoende, om tot het bestaan van die dieren daar ter plaatse op het oogenblik, dat die kleibeddingen aan de oppervlakte lagen, te kunnen besluiten. En men denkt hierbij terstond aan het aardige verhaal van Robinson Crusoe, die volkomen terecht de aanwezigheid van menschen op zijn oogenschijnlijk onbewoond eiland aannam, toen hij in het zand den afdruk van een blooten menschenvoet vond.Fig. 4. Tertiaire eolithen, naarRutot.Waar het menschelijke wezens geldt, kunnen wij nu echter nog verder gaan. Al vinden wij in steenlagen of formaties van een bepaalden ouderdom geen spoor van menschelijke overblijfselen zelf, dan is het aantoonen daar ter plaatse van werktuigen, die voor hunne vervaardiging en hun gebruik menschelijke intelligentie, zij het dan ook in hare meest primitieve ontwikkeling, vereischen, van woonplaatsen, overblijfselen van vuur of door menschenhanden bewerkte artefacten, ingekraste teekeningen, steenen wapenen, ja zelfs alleen overblijfselen van dierlijke beenderen, die blijken op een bepaalde „menschelijke” manier te zijn behandeld, gespleten (om het merg er uit te halen) of iets dergelijks, al volkomen voldoende om tot het bestaan van menschen te kunnen besluiten. Dit wordt niet door iedereen toegegeven. Zoo zegt Gabriel de Mortillet, de vader van het moderne praehistorisch onderzoek, in zijn beroemd boek Le Préhistorique, dat er in het tertiaire tijdperk wezens zouden hebben bestaan, „Assez intelligents pour faire le feu,”2maar dat „ces êtres n’étaient pas et ne pouvaient pas être encore des hommes,”3doch dit schijnt mij een volkomen onjuiste redeneering. Vindt men op een aantal plaatsen in tertiaire lagen gesteenten, die door hun vorm en bewerking blijk geven voor bepaalde doeleinden te zijn gebezigd en met vuur te zijn bewerkt, dan moet men aannemen, dat gedurende die perioden menschelijke wezens op aarde bestonden. De groote moeilijkheid bestaat nu evenwel daarin, dat het juist waar het die allereerste, uiterst primitieve werktuigen (de zoogenaamde eolithen) (Fig. 4) betreft, uit den aard der zaak dikwijls lastig is, menschelijke artefacten te herkennen van door de natuurkrachten zelve veroorzaakte blussen en afgesplinterde kanten van de steenen. Ik kom hierop later bij de beschrijving der verschillende steenen werktuigen (bl. 47) nader terug, en kan hier volstaan met te doen uitkomen, dat van dezelfde eolithen, die door archaeologen van grooten naam voor primitieve steenwerktuigen, door menschelijke wezens gebruikt, worden gehouden, door andere, niet minder ervaren deskundigen, met dezelfde overtuiging wordt beweerd, dat het niet anders zijn dan uit een hoop door de natuur (door bergstroomen, watervallen, steenstortingen enz.) afgeslepenen afgesplinterde kiezelsteenen uitgezochte exemplaren, die toevallig wel wat op steenen werktuigen geleken. Door de voorvechters der eolithen-theorie wordt dit met diepe verachting aangehoord, en gezegd dat een in deze kwestie wezenlijk ervaren archaeoloog dergelijke door de natuur geboetseerde steenstukken nimmer zal verwarren met de echte eolithen, en hoe dit ook zijn moge, men moet hun toch toegeven, dat het dan toch wel uiterst merkwaardig zou zijn, als juist en alleen in het laatste gedeelte van het tertiaire tijdperk, vóór het begin van de periode der direct als zoodanig herkenbare steenen werktuigen, dergelijke „vervalschingen” door de natuurkrachten zouden zijn gemaakt, en later niet meer.Voor op stukken ivoor, beenstukken, hoorn, of op den wand van grotten ingekraste teekeningen geldt dit natuurlijk niet. Vindt men eene als zoodanig herkenbare teekening van een of ander dier, dan kan men niet anders aannemen dan dat een dergelijke teekening het werk van menschen is geweest. En als wij van dergelijke teekeningen vinden, ingekrast op uit oude steenlagen opgedolven stukken fossiel ivoor, of fossiele rendierhoornen, of op den wand van grotten, die, geheel en al dichtgeslibd, eerst in den laatsten tijd weer „ontdekt” en door voorzichtig uitgraven toegankelijk zijn gemaakt, dan is aan de echtheid dier teekeningen niet te twijfelen.Zoo heeft men bijvoorbeeld teekeningen van mammoets en andere voorwereldlijke dieren aangetroffen op den wand van druipsteengrotten, diep bedolven onder de kalkafzettingen. Als men nu bedenkt, hoe uiterst langzaam zulk een kalklaag zich afzet, en hoe vele duizenden jaren het dus moet geduurd hebben voor zulk een teekening, oorspronkelijk op ongeveer manshoogte in den rotswand gekrast, zoo geheel onder de steeds aangroeiende kalklaag van den bodem bedolven is geworden, dan kan men zich eenigszinseen denkbeeld maken van de vele eeuwen, die verloopen moeten zijn, sinds de oude holbewoner daar met een scherp stuk steen in diep ontzag voor het geweldige dier, dat hij wellicht met zijne makkers had nagejaagd, diens omtrekken in den rotswand kraste.Al hadden wij dus geen enkel menschelijk overblijfsel uit den voortijd opgedolven, dan zouden wij ons toch door deze dingen een denkbeeld kunnen vormen van den ouderdom van het menschelijk geslacht. Ja wij kunnen ons zelfs eenigermate eene voorstelling er van maken, hoe die menschen uit den voortijd moeten hebben geleefd, van hunne beschaving (sit venia verbo), van hunne eigenschappen, van hunne omgeving.Aan die steenen werktuigen bijvoorbeeld is een duidelijke vooruitgang in de bewerking, naarmate men jongere steenlagen onderzoekt, niet te miskennen.Het diepst onder den beganen grond, in de oudste steenlagen, te zamen met overblijfselen van dieren die in het begin van den ijstijd moeten hebben geleefd, vindt men slechts ruw behouwen vuursteenstukken, die ternauwernood den naam van werktuigen kunnen dragen en slechts aan het geoefend oog van den ervaren onderzoeker als zoodanig herkenbaar zijn; maar langzamerhand zien wij, naarmate wij jongere steenlagen of afzettingen onderzoeken, de techniek der bewerking beter en fijner worden, de steenen werktuigen nemen een bepaalden vorm aan, die in typische gestalten voor bepaalde doeleinden geschikt gemaakt schijnt te worden; wij vinden steenen bijlen, priemen, messen, pijlspitsen, wiggen, van scherp omschreven, steeds als zoodanig herkenbaren vorm. In steenlagen van denzelfden ouderdom, herkenbaar aan de daarin gevonden dierlijke overblijfselen, treedt dan steeds dezelfde voor die periode karakteristieke vorm der steenen werktuigen op. Onderzoeken wij jongere steenlagen, wederom herkenbaar aan de daarin voorkomende overblijfselen van dieren uit het laatstegedeelte van den ijstijd of uit een der warmere tusschenperioden, dan zien wij den vorm der steenen werktuigen weer anders worden, regelmatiger, beter bewerkt, in grooter verscheidenheid. Zoo wordt ook in deze werktuigen een beeld ontrold van langzamen vooruitgang en ontwikkeling. Maar er is meer. Als wij een bepaald type van steenen werktuigen (men vergelijke de lijst aan het einde van dit hoofdstuk) uitsluitend in holen vinden te zamen met overblijfselen van dieren als de holenbeer, de holenleeuw, de mammoeth, dieren dus, die in de koude perioden van den ijstijd hebben geleefd, dan moeten wij wel daaruit de gevolgtrekking maken dat die werktuigen door typische holbewoners, door troglodyten, werden vervaardigd. Vinden wij dan beter bewerkte steenen werktuigen van een bepaald type nooit in die holen, maar in kiezelbeddingen aan den oever der groote rivieren, te zamen met overblijfselen van dieren, die in de warmere tusschenperioden hier hebben geleefd, van het nijlpaard, van den rhinoceros van Merck, van den aueros, dan moeten wij wel tot het besluit komen, dat de menschen, toen zij den trap van ontwikkeling hadden bereikt, waarop zij werktuigen van dat bepaalde type vervaardigden, niet in holen leefden, doch in het vrije veld, aan den oever der grootere rivieren, in een zachter klimaat derhalve. Vinden wij dan verder in dezelfde holen, waarin wij diep (bijvoorbeeld 8 meter) onder den grond de bovengenoemde eenvoudige, ruw bewerkte steenen werktuigen vonden, op een veel hooger niveau, bijvoorbeeld 1 meter onder den beganen grond, (men vergelijke bijv. het in fig. 24 geteekende profiel van een dergelijk hol met een aantal verschillende grondlagen boven elkaar) een steenlaag, waarin wij veel fijner bewerkte en anders gevormde steenen werktuigen vinden, te zamen met overblijfselen van dieren, die eerst in het laatste gedeelte van den ijstijd hier in Europa voorkwamen, dan ligt de slotsom voorde hand, dat op de minder koude periode, waarin de mensch de holen verliet en als oeverbewoner aan den rand der groote rivieren leefde (wellicht daartoe gedwongen, doordat de geweldige waterstroomen, die het gesmolten ijs der ijstijdgletschers naar zee voerden, de holen hadden overstroomd, waarin zijne voorvaderen hadden geleefd), weer een tijdperk van hernieuwde koude gevolgd was, waarin de gletschers weer bevroren en weer naar het Zuiden verder voortdrongen, de groote stroomen ophielden te vloeien en het barre klimaat den mensch weer terugdreef naar de nu gedeeltelijk dichtgeslibde holen, waarin wellicht, nu diep onder den aangeslibden grond, zich nog de overblijfselen van zijn voorouders van voor duizenden jaren bevonden.Niet slechts de bewerking van den vuursteen ontwikkelt zich. In het laatste gedeelte van den ijstijd zien wij de overblijfselen van den mammoeth schaarscher worden. Het rendier treedt op, en in steeds grooter en grooter aantal vinden wij de overblijfselen van dit dier naast de steenen werktuigen bij de menschelijke overblijfselen. Naast den vuursteen leert de mensch het rendierhoorn gebruiken, tot wapens versnijden, voor huiselijk gebruik dienstbaar maken. Naast spitse dolken van rendierhoorn vinden wij nu fijne pijlpunten met weerhaken voorzien, hoornen haken en naalden om de kleederen vast te maken, doorboorde en met figuren bekraste hoornstukken om als versiering, wellicht als amulet, aan den hals te dragen, in steeds beter afgewerkten vorm, terwijl ook de techniek van de bewerking van den vuursteen de hoogte bereikt, waarop voorwerpen als in fig. 5 naar Deensche vondsten zijn afgebeeld, stonden. Daarmede is dan evenwel het zoogenaamde oud-steenen tijdperk, hetpalaeolithicum, afgeloopen en zijn wij in het nieuw-steenen tijdperk, hetneolithicum, gekomen, op een tijdstip derhalve, waarop de mensch al een zekere hoogtevan ontwikkeling bereikt had, in een aantal rassen de geheele aarde bevolkte, en de kinderschoenen dus al ontwassen was. Daarop ga ik hier dus niet verder in.Fig. 5. Steenen werktuigen van het nieuw steenen tijdperk uit Skandinavië. NaarS. Muller.Er is evenwel nog een ander feit, waarop ik hier bij deze algemeene bespreking de aandacht wil vestigen, omdat het ons over den aard van den praehistorischen mensch zooveel leert.Fig. 6. Graf uit het steentijdperk, bij Chamblandes in Zwitserland. NaarDechelette.Beschouwen wij voor een oogenblik niet alleen de steenen werktuigen, maar ook de menschelijke overblijfselen uit dien voorhistorischen tijd, dan zien wij, afgezien van de eigenaardigheden dier overblijfselen zelf, die ons het vraagstuk van de afstamming helpen oplossen, ook daarin een bepaalde ontwikkeling. Terwijl van de oudste skeletten slechts enkele fragmenten (waarover in het volgende hoofdstuk nader) los in den grond gevonden zijn, zien wij al spoedig dat een bepaalde begrafenis moet hebben plaats gevonden. Het lijk ligt, zooals uit fig. 6 en 9,die trouwens uit lateren tijd stammen, duidelijk blijkt, in een bepaalde houding, door steenen omgeven, dus in den grond ingegraven. Dit wijst op een doodencultus. Eveneens zeer spoedig blijken steenen wapenen aan de dooden te worden medegegeven, en men vindt zelfs, zooals wij later uitvoeriger zullen bespreken, uit de vroegste perioden van het palaeolithicum skeletten met fraai bewerkte steenen wapenen in de hand of om het hoofd gerangschikt. Dit wijst op een geloof aan een voortbestaan na den dood. Inietslater perioden vinden wij de lijken versierd, kransen van kleine doorboorde (blijkbaar derhalve oorspronkelijk aaneengeregen) schelpjes of beenstukjes aan hoofd, hals en polsen. Ook dat wijst op een doodencultus, en het is eigenaardig dat wij dan vooral kinderskeletten zeer rijk versierd vinden. Dat geeft den indruk van liefde en zorg voor kinderen. Kortom, uit dergelijkegegevens, hoe schaarsch ook en hoe weinig beteekenend op zichzelf, kan men zich toch eenigszins een denkbeeld vormen omtrent de geestelijke eigenschappen en het peil van beschaving dezer vroegste menschen uit den grijzen voortijd. Zoo heeft men uit dezelfde periode ook eenige skeletten gevonden, waarvan de schedel een groot gat vertoonde, hetwelk echter, zooals uit de structuur van het been duidelijk bleek, voor driekwart genezen was. Dat wijst op een goede zorg voor zieken en gewonden, daar anders een dergelijke wond onfeilbaar tot een onmiddellijken dood zou hebben geleid.—Maar laat mij hierop niet verder ingaan, wij zouden te ver in het gebied der speculatie verzeild raken.„Revenons à nos moutons.”4—Keeren wij terug tot onze bespreking van de gegevens, welke ons in staat stellen, den ouderdom van het menschelijk geslacht in ’t algemeen en van bepaalde vondsten in het bijzonder te bepalen. Voor dit laatste komt drieërlei in aanmerking: 1°. de aard van de steenlaag of afzetting, waarin de overblijfselen worden gevonden, zoogenaamde stratigraphische bijzonderheden; 2°. de dierlijke overblijfselen, die te zamen met de menschelijke skeletdeelen in dezelfde laag zijn aangetroffen; 3°. de aard der steenen werktuigen, die bij het menschelijk skeletdeel uit dezelfde steenlaag zijn opgedolven. Deze laatsten kunnen, als door menschenhanden vervaardigde artefacten, ook op zichzelf, zonder daarbij gevonden menschelijke skeletdeelen, getuigenis van den ouderdom van het menschelijk geslacht in het algemeen afleggen.Daar nu juist deze werktuigen in hun scherp getypeerden vorm en licht herkenbare gedaanten, zich gemakkelijk in verschillende groepen laten samenbrengen van telkens fijner bewerking en geringerenouderdom, wordt de groepeering der steenen werktuigen meestal als onderverdeeling van den geheelen tijd der ontwikkeling van het menschelijk geslacht vóór den aanvang der geschiedenis, in den voorhistorischen tijd dus, aangenomen, ook waar de ouderdom van de gevonden overblijfselen door middel van daarbij opgedolven dierlijke beenstukken wordt bepaald. Daar wij dus de namen dier onderafdeelingen in de volgende hoofdstukken telkens zullen moeten gebruiken, geef ik hier in een tabel een opgave dier onderverdeeling van het palaeolithicum, evenwel slechts zeer in ’t kort, daar dit eigenlijk meer tot het gebied der archaeologie behoort, en daar een uitvoerige beschrijving der verschillende groepen van steenen werktuigen alleen met behulp van een aantal afbeeldingen belangwekkend en vruchtbaar is te maken, waarvoor mij hier de gelegenheid ontbreekt.Fig. 7. Tertiaire eolithen uit Portugal. NaarRibeiros.Fig. 8. Vuursteenen werktuigen uit het palaeolithicum.Gedurende nagenoeg het geheele oude steenen tijdperk is de steensoort, waarvan de steenen werktuigen in steeds toenemende fijnheid van bewerking werden vervaardigd, de „vuursteen” geweest. Wel zijn zoo nu en dan ook andere harde steensoortendaarvoor gebruikt, en vindt men vooral in het nieuw-steenen tijdperk een grootere keuze van gesteenten, maar de vuursteen blijft toch het meest geliefde materiaal. Zooals men weet, is de vuursteen een kiezelzuurverbinding, die in den vorm van grootere of kleinere afgeronde stukken, zoogenaamde „knollen,” bij voorkeur in die steenlagen gevonden worden, die als afzettingen uit het zeewater van vroegere geologische perioden ontstaan zijn. Vooral de krijtlagen uit het laatste gedeelte der secundaire periode zijn bijzonder rijk aan dergelijke vuursteenknollen. Het eigenaardige van den vuursteen is nu, dat men, door er met een zekere kracht een hard voorwerp tegen te slaan, er lange splinters en blussen af kan slaan, (zie fig. 8) klein of groot, naarmate van de kracht en handigheid waarmede geslagen werd. Door het afspringen dier splinters ontstaan dan scherpe kanten, lijsten en punten aan den harden steen. Hoe beter envoorzichtiger men den steen leerde bewerken, des te fijner van vorm, des te meer gedetailleerd van gedaante werden de werktuigen. Men vergelijke bijvoorbeeld de ruw toegeslagen steenen van Fig. 7 met de beter bewerkte van Fig. 8 en de buitengewoon fijne en elegante werktuigen van Fig. 5. Bij de oudste steenen werktuigen werd eenvoudig ruw tegen een of andere zijde van de vuursteenen geslagen, en eerst langzamerhand leerde men met bewustheid een bepaalden vorm aan den vuursteen te geven. De voorstanders der eolithen-theorie beweren nu juist, dat reeds in het tertiaire tijdperk door menschelijke wezens vuursteenen werktuigen werden gemaakt, maar dan nog eenvoudig door ruw tegen elkaar slaan van twee steenen zonder bepaalde richting of krachtaanwending. Dat zijn dan de zoogenaamde eolithen. Het spreekt vanzelf, dat daarbij slechts ruw afgesplinterde steenstukken worden verkregen, waaruit dan de beste stukken voor verder gebruik zouden zijn uitgezocht. Het behoeft ons dan ook evenwel niet te bevreemden dat een aantal archaeologen deze eolithen uiterst wantrouwend bekeken en ze eenvoudig voor brokstukken hielden, die door natuurkrachten (watergeweld, verweering) uit de vuursteenknollen waren ontstaan. Daar ook nu nog deze strijd niet is uitgestreden en juist deze eolithen, die het bestaan van den tertiairen mensch moesten bewijzen, vooral nu van groot belang voor het praehistorisch onderzoek zijn, nu ook van andere gezichtspunten het bestaan van den mensch reeds gedurende een gedeelte van de tertiaire periode meer en meer waarschijnlijk wordt geacht,5ja dikwijls als vaststaand wordt aangenomen, heb ik juist van deze eolithen eenige typische voorbeelden in fig. 7 afgebeeld. Het is natuurlijk moeilijk zich in deze kwestie een oordeel te vormen, enoppervlakkig beschouwd maken die ruw afgebrokkelde vuursteenen volkomen den indruk van uit een massa vuursteensplinters uitgezochte, ietwat regelmatige stukken, die met door menschenhanden bewerkte artefacten niets te maken hebben, maar als men de talrijke afbeeldingen, doorRutot, den uitnemenden kenner der palaeolithische werktuigen, van tertiaire eolithen gegeven, beschouwt en ze vergelijkt met de nagenoeg identische afbeeldingen van tertiaire vuursteenstukken uit Portugal, doorRibeirosbeschreven, of van de exemplaren uit Puy-Courny vande Mortillet, dan wordt men wel gedwongen te erkennen, dat in hunne argumenten veel waars ligt opgesloten en dat de theorie der tertiaire vuursteenwerktuigen lang niet zoo op losse schroeven staat als men bij oppervlakkige kennismaking er mede geneigd zou zijn aan te nemen.Rutoten zijn volgelingen gaan nu echter nog verder, en meenen dat de tertiaire mensch ook geheele vuursteenknollen, die door hun toevalligen vorm gemakkelijk te hanteeren waren, en door natuurkrachten afgebrokkelde splinters zou hebben gebruikt, die dan hoogstens een beetje gefatsoeneerd, bijgewerkt, werden. Dat zouden dan de echte typische „eolithen” zijn. Nu, dat zal waarschijnlijk ook wel zoo geweest zijn, maar hoe dergelijke stukken met zekerheid van andere, hier en daar verspreide vuursteenstukken te onderscheiden? Hierop is ook in de talrijke geschriften vanRutotzelf een afdoend antwoord niet te vinden. En dit zal wel eerst uitgemaakt kunnen worden, als werkelijk zeker te herkennen menschelijke overblijfselen uit de tertiaire periode te zamen met een groot aantal van dergelijke vuursteenstukken worden gevonden.Hoe veel ons ook de studie der voorhistorische steenen werktuigen heeft geleerd, nog steeds blijft, wat dit betreft, het woord vanBrocagelden,dat de tertiaire mensch den drempel der wetenschap nog niet heeft overschreden.Over het hier volgende tabellarisch overzicht der verschillende onderdeelen van het oude steenen tijdperk nog een enkel woord.Het gebouw der moderne praehistorische anthropologie is opgetrokken op de basis van het werk, door Fransche onderzoekers in deze richting gedaan. In Parijs bestaat de eenige academische school voor voorhistorische wetenschap. In Frankrijk zijn de meeste en meest typische voorhistorische werktuigen en verdere overblijfselen opgedolven en bestudeerd. Door Fransche onderzoekers is dan ook het systeem van onderdeelen der voorhistorische periode opgebouwd, en daarbij zijn de verschillende onderafdeelingen genoemd naar de plaatsen waar de meest typische voorbeelden van dat bepaalde type zijn opgedolven. Zoo spreekt men ook buiten Frankrijk van de „acheulien” periode, omdat de voor die periode typische vorm der steenen werktuigen het eerst en het meest gevonden werden in de kiezelafzettingen bij St. Acheul. Evenzoo van de „moustérien” periode, naar de beroemde vindplaats van voorhistorische overblijfselen van den voor deze periode typischen vorm bij Le Moustier, al zijn ook bepaalde voorwerpen uit die periode bij Krapina in Hongarije of in Noord-Amerika gevonden. Zoo spreekt men van de Azilien-periode naar de grot le Mas d’Azil in ’t Zuiden van Frankrijk, van de Chellien-periode naar de vindplaats bij Chelles (Seine-et-Marne) enzoovoort. Wil men een internationalen vorm aan deze namen geven, dan kan men er een latijnschen uitgang achter zetten en spreken van het Mousterium, het Acheulium, het Chelleum, het Azilium enz. Door deze onderverdeeling wordt een gemakkelijke en overzichtelijke klassificatie van het palaeolithicum verkregen.Maar men hoede zich, een al te groote absolutewaarde aan een dergelijke onderverdeeling toe te kennen.Evenals nog in onzen tijd op bepaalde plaatsen, in bepaalde streken, oude kleederdrachten en oude gewoonten, de vorm en inrichting der boerenbehuizing, van voorwerpen voor huiselijk gebruik, enz. met groote hardnekkigheid gedurende eeuwen wordt vastgehouden, zoo zal ook in voorhistorischen tijd het vervaardigen van steenen werktuigen van een bepaalden vorm in de eene plaats veel langer zijn volgehouden dan in een andere plaats, zullen verbeteringen in de bewerking, van een bepaald centrum uitgaande, zich dikwijls slechts met de uiterste langzaamheid verder hebben uitgebreid, zullen verschillende vormennaastelkaar hebben bestaan, en zoo vinden wij dan bijvoorbeeld hier in Holland nog steenen werktuigen uit het oude steenen tijdperk, stammende uit een tijd, waarop in Frankrijk reeds bronzen werktuigen werden vervaardigd.6De verdeeling naar den aard der werktuigen heeft dus slechts een zeer betrekkelijke waarde als tijdsbepaling. Komt zij in conflict met stratigraphische gegevens, en met wat de dierlijke overblijfselen ons leeren, dan zal men mijns inziens aan deze laatste, mits met zekerheid vastgesteld, de voorkeur moeten geven. Waar bijvoorbeeld doorGorganovic-Krambergerop grond van het feit, dat met bepaalde menschelijke overblijfselen, bij Krapina gevonden (zie ’t volgende hoofdstuk) resten van den rhinoceros van Merck werden opgedolven, aan die overblijfselen een zeer hooge ouderdom toegekend wordt,Rutotdaarentegen op grond van de daarbij gevonden steenen werktuigen meent, dat de ouderdom niet zoo hoog kan zijn, daar zou ik mij met volle overtuiging aan de zijde vanKrambergerplaatsen.In de volgende tabel zijn de verschillende perioden,onderafdeelingen van het oude steenen tijdperk, volgens de namen der voornaamste vindplaatsen der voor die periode typische steenen werktuigen gerangschikt. De verdeeling der geologische tijdperken vergelijke men met de tabel in hoofdstuk I.Fig. 9. Graf uit de neolithische periode, uit Egypte. Typische houding van het lijk met sterk opgetrokken knieën en op de borst gekruiste armen.De oudste groep is in de tabel bovenaan geplaatst, de jongste onderaan. Ook de eolithen zijn, volgens het schema van Rutot, in de tabel opgenomen.TABEL VAN DE ONDERVERDEELINGEN VAN HET OUD-STEENEN TIJDPERKGEOL. TIJDPERKNAAMBESCHRIJVINGEolithenTertiair1.ThenayEerste gebruik van vuursteenen als werk-tuigen, nog geen op een bepaalde wijze gefatsoeneerde werktuigen, doch reeds verschillende vormen (volgens Rutot „percuteurs, couteaux, racloirs, grattoirs, perçoirs”).Tertiair,,2.Cantalin (Aurillac, Cantal, Puy-Courny)Tertiair,,3.Kentum (plateau van Kent)Oudste Quartair4.ReutélienUitgezochte en reeds eenigermate doch zonder bepaalde methode gefatsoeneerde werktuigen van verschillenden vorm.5.Mafflien6.MesvinienPalaeolithen7.StrepyinVoor het eerst met een bepaald doel gefatsoeneerde werktuigen van bepaalden vorm.8.ChelléenGrof geslagen, aan beide zijden met grove blussen uitgeslagen werktuigen.9.AcheuléenFijner geslagen werktuigen, aan beide zijden met kleine blussen uitgeslagen, verschillend van vorm.10.Moustiérien (grotte du Moustier)Steenen werktuigen van bepaalden vorm, doorgaans slechts aan ééne zijde toegeslagen, of puntvormig, zoodat zij aan een lans konden worden bevestigd, of meer rond, met scherpe randen (zoogen. schrappers, racloirs, volgens de Mortillet om de huiden van gevangen dieren te bewerken). Nog geen beenen of ivoren werktuigen.11.Aurignacien of praesolutréenNaast fijn toegeslagen regelmatige steenen werktuigen vindt men de eerste sporen van bewerking van been en ivoor, en de eerste kunstuitingen. Begin van het rendiertijdperk.12.SolutréenZuiver toegeslagen pijlpunten, laurierbladvormig of gesteeld, steenen messen en boren. Paard en rendier in talrijke overblijfselen gevonden.13.MagdalénienPrachtig bewerkte steenen wapenen en werktuigen, nog niet gepolijst. Pijlpunten en harpoenen uit rendierhoorn met weerhaken, ivoren naalden, stijlvol geboetseerde voorwerpen uit rendierhoorn of ivoor, steenen messen en zagen, teekeningen op rendierhoorn of op rotswanden (grotten).14.AzilienVermoedelijke doch slechts zeer locaal bekende overgangsperiode naar het nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum, naar het tijdperk van de gepolijste steenen werktuigen, van het aarden huisraad, de paalwoningen, de dolmen en menhirs.

Indien wij nu als grondslag voor ons verder onderzoek aannemen, dat de mensch uit de dierenwereld, uit dierlijke voorvaderen dus, is ontstaan, dan kan men onmiddellijk drie hoofdvragen stellen: 1e. hoe oud is dan het menschelijk geslacht? 2e. is aan de overblijfselen van den voorhistorischen mensch het meer dierlijk karakter, dat men op grond van zijne afstamming uit dierlijke voorvaderen zou verwachten, te zien, en zijn er tusschenvormen tusschen mensch en dier gevonden? 3e. van welke diersoorten stamt de mensch af?

Het spreekt van zelf, dat wij voor het beantwoorden der beide laatste vragen de overblijfselen van den voorhistorischen mensch en zijne voorloopers zelf moeten kunnen bestudeeren.

Voor het beantwoorden der eerste vraag is dit niet noodzakelijk.

Immers, wij moeten ons steeds voor oogen stellen, dat wij hier juist de vroegste sporen van menschelijke wezens nagaan, d.w.z. van wezens, die niet alleen een bepaalden lichaamsvorm bezaten, maar daarnaast zichdoor geestelijke eigenschappen moeten hebben onderscheiden van de tegelijkertijd met hen levende dieren.

Het bestaan van sommige voorwereldlijke dieren kennen wij alleen uit de voetsporen, die hunne pooten bij het loopen in de weeke klei hebben achtergelaten. Zijn dergelijke voetsporen scherp en duidelijk herkenbaar, dan heeft men daaraan volkomen voldoende, om tot het bestaan van die dieren daar ter plaatse op het oogenblik, dat die kleibeddingen aan de oppervlakte lagen, te kunnen besluiten. En men denkt hierbij terstond aan het aardige verhaal van Robinson Crusoe, die volkomen terecht de aanwezigheid van menschen op zijn oogenschijnlijk onbewoond eiland aannam, toen hij in het zand den afdruk van een blooten menschenvoet vond.

Fig. 4. Tertiaire eolithen, naarRutot.

Fig. 4. Tertiaire eolithen, naarRutot.

Waar het menschelijke wezens geldt, kunnen wij nu echter nog verder gaan. Al vinden wij in steenlagen of formaties van een bepaalden ouderdom geen spoor van menschelijke overblijfselen zelf, dan is het aantoonen daar ter plaatse van werktuigen, die voor hunne vervaardiging en hun gebruik menschelijke intelligentie, zij het dan ook in hare meest primitieve ontwikkeling, vereischen, van woonplaatsen, overblijfselen van vuur of door menschenhanden bewerkte artefacten, ingekraste teekeningen, steenen wapenen, ja zelfs alleen overblijfselen van dierlijke beenderen, die blijken op een bepaalde „menschelijke” manier te zijn behandeld, gespleten (om het merg er uit te halen) of iets dergelijks, al volkomen voldoende om tot het bestaan van menschen te kunnen besluiten. Dit wordt niet door iedereen toegegeven. Zoo zegt Gabriel de Mortillet, de vader van het moderne praehistorisch onderzoek, in zijn beroemd boek Le Préhistorique, dat er in het tertiaire tijdperk wezens zouden hebben bestaan, „Assez intelligents pour faire le feu,”2maar dat „ces êtres n’étaient pas et ne pouvaient pas être encore des hommes,”3doch dit schijnt mij een volkomen onjuiste redeneering. Vindt men op een aantal plaatsen in tertiaire lagen gesteenten, die door hun vorm en bewerking blijk geven voor bepaalde doeleinden te zijn gebezigd en met vuur te zijn bewerkt, dan moet men aannemen, dat gedurende die perioden menschelijke wezens op aarde bestonden. De groote moeilijkheid bestaat nu evenwel daarin, dat het juist waar het die allereerste, uiterst primitieve werktuigen (de zoogenaamde eolithen) (Fig. 4) betreft, uit den aard der zaak dikwijls lastig is, menschelijke artefacten te herkennen van door de natuurkrachten zelve veroorzaakte blussen en afgesplinterde kanten van de steenen. Ik kom hierop later bij de beschrijving der verschillende steenen werktuigen (bl. 47) nader terug, en kan hier volstaan met te doen uitkomen, dat van dezelfde eolithen, die door archaeologen van grooten naam voor primitieve steenwerktuigen, door menschelijke wezens gebruikt, worden gehouden, door andere, niet minder ervaren deskundigen, met dezelfde overtuiging wordt beweerd, dat het niet anders zijn dan uit een hoop door de natuur (door bergstroomen, watervallen, steenstortingen enz.) afgeslepenen afgesplinterde kiezelsteenen uitgezochte exemplaren, die toevallig wel wat op steenen werktuigen geleken. Door de voorvechters der eolithen-theorie wordt dit met diepe verachting aangehoord, en gezegd dat een in deze kwestie wezenlijk ervaren archaeoloog dergelijke door de natuur geboetseerde steenstukken nimmer zal verwarren met de echte eolithen, en hoe dit ook zijn moge, men moet hun toch toegeven, dat het dan toch wel uiterst merkwaardig zou zijn, als juist en alleen in het laatste gedeelte van het tertiaire tijdperk, vóór het begin van de periode der direct als zoodanig herkenbare steenen werktuigen, dergelijke „vervalschingen” door de natuurkrachten zouden zijn gemaakt, en later niet meer.

Voor op stukken ivoor, beenstukken, hoorn, of op den wand van grotten ingekraste teekeningen geldt dit natuurlijk niet. Vindt men eene als zoodanig herkenbare teekening van een of ander dier, dan kan men niet anders aannemen dan dat een dergelijke teekening het werk van menschen is geweest. En als wij van dergelijke teekeningen vinden, ingekrast op uit oude steenlagen opgedolven stukken fossiel ivoor, of fossiele rendierhoornen, of op den wand van grotten, die, geheel en al dichtgeslibd, eerst in den laatsten tijd weer „ontdekt” en door voorzichtig uitgraven toegankelijk zijn gemaakt, dan is aan de echtheid dier teekeningen niet te twijfelen.

Zoo heeft men bijvoorbeeld teekeningen van mammoets en andere voorwereldlijke dieren aangetroffen op den wand van druipsteengrotten, diep bedolven onder de kalkafzettingen. Als men nu bedenkt, hoe uiterst langzaam zulk een kalklaag zich afzet, en hoe vele duizenden jaren het dus moet geduurd hebben voor zulk een teekening, oorspronkelijk op ongeveer manshoogte in den rotswand gekrast, zoo geheel onder de steeds aangroeiende kalklaag van den bodem bedolven is geworden, dan kan men zich eenigszinseen denkbeeld maken van de vele eeuwen, die verloopen moeten zijn, sinds de oude holbewoner daar met een scherp stuk steen in diep ontzag voor het geweldige dier, dat hij wellicht met zijne makkers had nagejaagd, diens omtrekken in den rotswand kraste.

Al hadden wij dus geen enkel menschelijk overblijfsel uit den voortijd opgedolven, dan zouden wij ons toch door deze dingen een denkbeeld kunnen vormen van den ouderdom van het menschelijk geslacht. Ja wij kunnen ons zelfs eenigermate eene voorstelling er van maken, hoe die menschen uit den voortijd moeten hebben geleefd, van hunne beschaving (sit venia verbo), van hunne eigenschappen, van hunne omgeving.

Aan die steenen werktuigen bijvoorbeeld is een duidelijke vooruitgang in de bewerking, naarmate men jongere steenlagen onderzoekt, niet te miskennen.

Het diepst onder den beganen grond, in de oudste steenlagen, te zamen met overblijfselen van dieren die in het begin van den ijstijd moeten hebben geleefd, vindt men slechts ruw behouwen vuursteenstukken, die ternauwernood den naam van werktuigen kunnen dragen en slechts aan het geoefend oog van den ervaren onderzoeker als zoodanig herkenbaar zijn; maar langzamerhand zien wij, naarmate wij jongere steenlagen of afzettingen onderzoeken, de techniek der bewerking beter en fijner worden, de steenen werktuigen nemen een bepaalden vorm aan, die in typische gestalten voor bepaalde doeleinden geschikt gemaakt schijnt te worden; wij vinden steenen bijlen, priemen, messen, pijlspitsen, wiggen, van scherp omschreven, steeds als zoodanig herkenbaren vorm. In steenlagen van denzelfden ouderdom, herkenbaar aan de daarin gevonden dierlijke overblijfselen, treedt dan steeds dezelfde voor die periode karakteristieke vorm der steenen werktuigen op. Onderzoeken wij jongere steenlagen, wederom herkenbaar aan de daarin voorkomende overblijfselen van dieren uit het laatstegedeelte van den ijstijd of uit een der warmere tusschenperioden, dan zien wij den vorm der steenen werktuigen weer anders worden, regelmatiger, beter bewerkt, in grooter verscheidenheid. Zoo wordt ook in deze werktuigen een beeld ontrold van langzamen vooruitgang en ontwikkeling. Maar er is meer. Als wij een bepaald type van steenen werktuigen (men vergelijke de lijst aan het einde van dit hoofdstuk) uitsluitend in holen vinden te zamen met overblijfselen van dieren als de holenbeer, de holenleeuw, de mammoeth, dieren dus, die in de koude perioden van den ijstijd hebben geleefd, dan moeten wij wel daaruit de gevolgtrekking maken dat die werktuigen door typische holbewoners, door troglodyten, werden vervaardigd. Vinden wij dan beter bewerkte steenen werktuigen van een bepaald type nooit in die holen, maar in kiezelbeddingen aan den oever der groote rivieren, te zamen met overblijfselen van dieren, die in de warmere tusschenperioden hier hebben geleefd, van het nijlpaard, van den rhinoceros van Merck, van den aueros, dan moeten wij wel tot het besluit komen, dat de menschen, toen zij den trap van ontwikkeling hadden bereikt, waarop zij werktuigen van dat bepaalde type vervaardigden, niet in holen leefden, doch in het vrije veld, aan den oever der grootere rivieren, in een zachter klimaat derhalve. Vinden wij dan verder in dezelfde holen, waarin wij diep (bijvoorbeeld 8 meter) onder den grond de bovengenoemde eenvoudige, ruw bewerkte steenen werktuigen vonden, op een veel hooger niveau, bijvoorbeeld 1 meter onder den beganen grond, (men vergelijke bijv. het in fig. 24 geteekende profiel van een dergelijk hol met een aantal verschillende grondlagen boven elkaar) een steenlaag, waarin wij veel fijner bewerkte en anders gevormde steenen werktuigen vinden, te zamen met overblijfselen van dieren, die eerst in het laatste gedeelte van den ijstijd hier in Europa voorkwamen, dan ligt de slotsom voorde hand, dat op de minder koude periode, waarin de mensch de holen verliet en als oeverbewoner aan den rand der groote rivieren leefde (wellicht daartoe gedwongen, doordat de geweldige waterstroomen, die het gesmolten ijs der ijstijdgletschers naar zee voerden, de holen hadden overstroomd, waarin zijne voorvaderen hadden geleefd), weer een tijdperk van hernieuwde koude gevolgd was, waarin de gletschers weer bevroren en weer naar het Zuiden verder voortdrongen, de groote stroomen ophielden te vloeien en het barre klimaat den mensch weer terugdreef naar de nu gedeeltelijk dichtgeslibde holen, waarin wellicht, nu diep onder den aangeslibden grond, zich nog de overblijfselen van zijn voorouders van voor duizenden jaren bevonden.

Niet slechts de bewerking van den vuursteen ontwikkelt zich. In het laatste gedeelte van den ijstijd zien wij de overblijfselen van den mammoeth schaarscher worden. Het rendier treedt op, en in steeds grooter en grooter aantal vinden wij de overblijfselen van dit dier naast de steenen werktuigen bij de menschelijke overblijfselen. Naast den vuursteen leert de mensch het rendierhoorn gebruiken, tot wapens versnijden, voor huiselijk gebruik dienstbaar maken. Naast spitse dolken van rendierhoorn vinden wij nu fijne pijlpunten met weerhaken voorzien, hoornen haken en naalden om de kleederen vast te maken, doorboorde en met figuren bekraste hoornstukken om als versiering, wellicht als amulet, aan den hals te dragen, in steeds beter afgewerkten vorm, terwijl ook de techniek van de bewerking van den vuursteen de hoogte bereikt, waarop voorwerpen als in fig. 5 naar Deensche vondsten zijn afgebeeld, stonden. Daarmede is dan evenwel het zoogenaamde oud-steenen tijdperk, hetpalaeolithicum, afgeloopen en zijn wij in het nieuw-steenen tijdperk, hetneolithicum, gekomen, op een tijdstip derhalve, waarop de mensch al een zekere hoogtevan ontwikkeling bereikt had, in een aantal rassen de geheele aarde bevolkte, en de kinderschoenen dus al ontwassen was. Daarop ga ik hier dus niet verder in.

Fig. 5. Steenen werktuigen van het nieuw steenen tijdperk uit Skandinavië. NaarS. Muller.

Fig. 5. Steenen werktuigen van het nieuw steenen tijdperk uit Skandinavië. NaarS. Muller.

Er is evenwel nog een ander feit, waarop ik hier bij deze algemeene bespreking de aandacht wil vestigen, omdat het ons over den aard van den praehistorischen mensch zooveel leert.

Fig. 6. Graf uit het steentijdperk, bij Chamblandes in Zwitserland. NaarDechelette.

Fig. 6. Graf uit het steentijdperk, bij Chamblandes in Zwitserland. NaarDechelette.

Beschouwen wij voor een oogenblik niet alleen de steenen werktuigen, maar ook de menschelijke overblijfselen uit dien voorhistorischen tijd, dan zien wij, afgezien van de eigenaardigheden dier overblijfselen zelf, die ons het vraagstuk van de afstamming helpen oplossen, ook daarin een bepaalde ontwikkeling. Terwijl van de oudste skeletten slechts enkele fragmenten (waarover in het volgende hoofdstuk nader) los in den grond gevonden zijn, zien wij al spoedig dat een bepaalde begrafenis moet hebben plaats gevonden. Het lijk ligt, zooals uit fig. 6 en 9,die trouwens uit lateren tijd stammen, duidelijk blijkt, in een bepaalde houding, door steenen omgeven, dus in den grond ingegraven. Dit wijst op een doodencultus. Eveneens zeer spoedig blijken steenen wapenen aan de dooden te worden medegegeven, en men vindt zelfs, zooals wij later uitvoeriger zullen bespreken, uit de vroegste perioden van het palaeolithicum skeletten met fraai bewerkte steenen wapenen in de hand of om het hoofd gerangschikt. Dit wijst op een geloof aan een voortbestaan na den dood. Inietslater perioden vinden wij de lijken versierd, kransen van kleine doorboorde (blijkbaar derhalve oorspronkelijk aaneengeregen) schelpjes of beenstukjes aan hoofd, hals en polsen. Ook dat wijst op een doodencultus, en het is eigenaardig dat wij dan vooral kinderskeletten zeer rijk versierd vinden. Dat geeft den indruk van liefde en zorg voor kinderen. Kortom, uit dergelijkegegevens, hoe schaarsch ook en hoe weinig beteekenend op zichzelf, kan men zich toch eenigszins een denkbeeld vormen omtrent de geestelijke eigenschappen en het peil van beschaving dezer vroegste menschen uit den grijzen voortijd. Zoo heeft men uit dezelfde periode ook eenige skeletten gevonden, waarvan de schedel een groot gat vertoonde, hetwelk echter, zooals uit de structuur van het been duidelijk bleek, voor driekwart genezen was. Dat wijst op een goede zorg voor zieken en gewonden, daar anders een dergelijke wond onfeilbaar tot een onmiddellijken dood zou hebben geleid.—Maar laat mij hierop niet verder ingaan, wij zouden te ver in het gebied der speculatie verzeild raken.

„Revenons à nos moutons.”4—Keeren wij terug tot onze bespreking van de gegevens, welke ons in staat stellen, den ouderdom van het menschelijk geslacht in ’t algemeen en van bepaalde vondsten in het bijzonder te bepalen. Voor dit laatste komt drieërlei in aanmerking: 1°. de aard van de steenlaag of afzetting, waarin de overblijfselen worden gevonden, zoogenaamde stratigraphische bijzonderheden; 2°. de dierlijke overblijfselen, die te zamen met de menschelijke skeletdeelen in dezelfde laag zijn aangetroffen; 3°. de aard der steenen werktuigen, die bij het menschelijk skeletdeel uit dezelfde steenlaag zijn opgedolven. Deze laatsten kunnen, als door menschenhanden vervaardigde artefacten, ook op zichzelf, zonder daarbij gevonden menschelijke skeletdeelen, getuigenis van den ouderdom van het menschelijk geslacht in het algemeen afleggen.

Daar nu juist deze werktuigen in hun scherp getypeerden vorm en licht herkenbare gedaanten, zich gemakkelijk in verschillende groepen laten samenbrengen van telkens fijner bewerking en geringerenouderdom, wordt de groepeering der steenen werktuigen meestal als onderverdeeling van den geheelen tijd der ontwikkeling van het menschelijk geslacht vóór den aanvang der geschiedenis, in den voorhistorischen tijd dus, aangenomen, ook waar de ouderdom van de gevonden overblijfselen door middel van daarbij opgedolven dierlijke beenstukken wordt bepaald. Daar wij dus de namen dier onderafdeelingen in de volgende hoofdstukken telkens zullen moeten gebruiken, geef ik hier in een tabel een opgave dier onderverdeeling van het palaeolithicum, evenwel slechts zeer in ’t kort, daar dit eigenlijk meer tot het gebied der archaeologie behoort, en daar een uitvoerige beschrijving der verschillende groepen van steenen werktuigen alleen met behulp van een aantal afbeeldingen belangwekkend en vruchtbaar is te maken, waarvoor mij hier de gelegenheid ontbreekt.

Fig. 7. Tertiaire eolithen uit Portugal. NaarRibeiros.

Fig. 7. Tertiaire eolithen uit Portugal. NaarRibeiros.

Fig. 8. Vuursteenen werktuigen uit het palaeolithicum.

Fig. 8. Vuursteenen werktuigen uit het palaeolithicum.

Gedurende nagenoeg het geheele oude steenen tijdperk is de steensoort, waarvan de steenen werktuigen in steeds toenemende fijnheid van bewerking werden vervaardigd, de „vuursteen” geweest. Wel zijn zoo nu en dan ook andere harde steensoortendaarvoor gebruikt, en vindt men vooral in het nieuw-steenen tijdperk een grootere keuze van gesteenten, maar de vuursteen blijft toch het meest geliefde materiaal. Zooals men weet, is de vuursteen een kiezelzuurverbinding, die in den vorm van grootere of kleinere afgeronde stukken, zoogenaamde „knollen,” bij voorkeur in die steenlagen gevonden worden, die als afzettingen uit het zeewater van vroegere geologische perioden ontstaan zijn. Vooral de krijtlagen uit het laatste gedeelte der secundaire periode zijn bijzonder rijk aan dergelijke vuursteenknollen. Het eigenaardige van den vuursteen is nu, dat men, door er met een zekere kracht een hard voorwerp tegen te slaan, er lange splinters en blussen af kan slaan, (zie fig. 8) klein of groot, naarmate van de kracht en handigheid waarmede geslagen werd. Door het afspringen dier splinters ontstaan dan scherpe kanten, lijsten en punten aan den harden steen. Hoe beter envoorzichtiger men den steen leerde bewerken, des te fijner van vorm, des te meer gedetailleerd van gedaante werden de werktuigen. Men vergelijke bijvoorbeeld de ruw toegeslagen steenen van Fig. 7 met de beter bewerkte van Fig. 8 en de buitengewoon fijne en elegante werktuigen van Fig. 5. Bij de oudste steenen werktuigen werd eenvoudig ruw tegen een of andere zijde van de vuursteenen geslagen, en eerst langzamerhand leerde men met bewustheid een bepaalden vorm aan den vuursteen te geven. De voorstanders der eolithen-theorie beweren nu juist, dat reeds in het tertiaire tijdperk door menschelijke wezens vuursteenen werktuigen werden gemaakt, maar dan nog eenvoudig door ruw tegen elkaar slaan van twee steenen zonder bepaalde richting of krachtaanwending. Dat zijn dan de zoogenaamde eolithen. Het spreekt vanzelf, dat daarbij slechts ruw afgesplinterde steenstukken worden verkregen, waaruit dan de beste stukken voor verder gebruik zouden zijn uitgezocht. Het behoeft ons dan ook evenwel niet te bevreemden dat een aantal archaeologen deze eolithen uiterst wantrouwend bekeken en ze eenvoudig voor brokstukken hielden, die door natuurkrachten (watergeweld, verweering) uit de vuursteenknollen waren ontstaan. Daar ook nu nog deze strijd niet is uitgestreden en juist deze eolithen, die het bestaan van den tertiairen mensch moesten bewijzen, vooral nu van groot belang voor het praehistorisch onderzoek zijn, nu ook van andere gezichtspunten het bestaan van den mensch reeds gedurende een gedeelte van de tertiaire periode meer en meer waarschijnlijk wordt geacht,5ja dikwijls als vaststaand wordt aangenomen, heb ik juist van deze eolithen eenige typische voorbeelden in fig. 7 afgebeeld. Het is natuurlijk moeilijk zich in deze kwestie een oordeel te vormen, enoppervlakkig beschouwd maken die ruw afgebrokkelde vuursteenen volkomen den indruk van uit een massa vuursteensplinters uitgezochte, ietwat regelmatige stukken, die met door menschenhanden bewerkte artefacten niets te maken hebben, maar als men de talrijke afbeeldingen, doorRutot, den uitnemenden kenner der palaeolithische werktuigen, van tertiaire eolithen gegeven, beschouwt en ze vergelijkt met de nagenoeg identische afbeeldingen van tertiaire vuursteenstukken uit Portugal, doorRibeirosbeschreven, of van de exemplaren uit Puy-Courny vande Mortillet, dan wordt men wel gedwongen te erkennen, dat in hunne argumenten veel waars ligt opgesloten en dat de theorie der tertiaire vuursteenwerktuigen lang niet zoo op losse schroeven staat als men bij oppervlakkige kennismaking er mede geneigd zou zijn aan te nemen.

Rutoten zijn volgelingen gaan nu echter nog verder, en meenen dat de tertiaire mensch ook geheele vuursteenknollen, die door hun toevalligen vorm gemakkelijk te hanteeren waren, en door natuurkrachten afgebrokkelde splinters zou hebben gebruikt, die dan hoogstens een beetje gefatsoeneerd, bijgewerkt, werden. Dat zouden dan de echte typische „eolithen” zijn. Nu, dat zal waarschijnlijk ook wel zoo geweest zijn, maar hoe dergelijke stukken met zekerheid van andere, hier en daar verspreide vuursteenstukken te onderscheiden? Hierop is ook in de talrijke geschriften vanRutotzelf een afdoend antwoord niet te vinden. En dit zal wel eerst uitgemaakt kunnen worden, als werkelijk zeker te herkennen menschelijke overblijfselen uit de tertiaire periode te zamen met een groot aantal van dergelijke vuursteenstukken worden gevonden.

Hoe veel ons ook de studie der voorhistorische steenen werktuigen heeft geleerd, nog steeds blijft, wat dit betreft, het woord vanBrocagelden,dat de tertiaire mensch den drempel der wetenschap nog niet heeft overschreden.

Over het hier volgende tabellarisch overzicht der verschillende onderdeelen van het oude steenen tijdperk nog een enkel woord.

Het gebouw der moderne praehistorische anthropologie is opgetrokken op de basis van het werk, door Fransche onderzoekers in deze richting gedaan. In Parijs bestaat de eenige academische school voor voorhistorische wetenschap. In Frankrijk zijn de meeste en meest typische voorhistorische werktuigen en verdere overblijfselen opgedolven en bestudeerd. Door Fransche onderzoekers is dan ook het systeem van onderdeelen der voorhistorische periode opgebouwd, en daarbij zijn de verschillende onderafdeelingen genoemd naar de plaatsen waar de meest typische voorbeelden van dat bepaalde type zijn opgedolven. Zoo spreekt men ook buiten Frankrijk van de „acheulien” periode, omdat de voor die periode typische vorm der steenen werktuigen het eerst en het meest gevonden werden in de kiezelafzettingen bij St. Acheul. Evenzoo van de „moustérien” periode, naar de beroemde vindplaats van voorhistorische overblijfselen van den voor deze periode typischen vorm bij Le Moustier, al zijn ook bepaalde voorwerpen uit die periode bij Krapina in Hongarije of in Noord-Amerika gevonden. Zoo spreekt men van de Azilien-periode naar de grot le Mas d’Azil in ’t Zuiden van Frankrijk, van de Chellien-periode naar de vindplaats bij Chelles (Seine-et-Marne) enzoovoort. Wil men een internationalen vorm aan deze namen geven, dan kan men er een latijnschen uitgang achter zetten en spreken van het Mousterium, het Acheulium, het Chelleum, het Azilium enz. Door deze onderverdeeling wordt een gemakkelijke en overzichtelijke klassificatie van het palaeolithicum verkregen.

Maar men hoede zich, een al te groote absolutewaarde aan een dergelijke onderverdeeling toe te kennen.

Evenals nog in onzen tijd op bepaalde plaatsen, in bepaalde streken, oude kleederdrachten en oude gewoonten, de vorm en inrichting der boerenbehuizing, van voorwerpen voor huiselijk gebruik, enz. met groote hardnekkigheid gedurende eeuwen wordt vastgehouden, zoo zal ook in voorhistorischen tijd het vervaardigen van steenen werktuigen van een bepaalden vorm in de eene plaats veel langer zijn volgehouden dan in een andere plaats, zullen verbeteringen in de bewerking, van een bepaald centrum uitgaande, zich dikwijls slechts met de uiterste langzaamheid verder hebben uitgebreid, zullen verschillende vormennaastelkaar hebben bestaan, en zoo vinden wij dan bijvoorbeeld hier in Holland nog steenen werktuigen uit het oude steenen tijdperk, stammende uit een tijd, waarop in Frankrijk reeds bronzen werktuigen werden vervaardigd.6De verdeeling naar den aard der werktuigen heeft dus slechts een zeer betrekkelijke waarde als tijdsbepaling. Komt zij in conflict met stratigraphische gegevens, en met wat de dierlijke overblijfselen ons leeren, dan zal men mijns inziens aan deze laatste, mits met zekerheid vastgesteld, de voorkeur moeten geven. Waar bijvoorbeeld doorGorganovic-Krambergerop grond van het feit, dat met bepaalde menschelijke overblijfselen, bij Krapina gevonden (zie ’t volgende hoofdstuk) resten van den rhinoceros van Merck werden opgedolven, aan die overblijfselen een zeer hooge ouderdom toegekend wordt,Rutotdaarentegen op grond van de daarbij gevonden steenen werktuigen meent, dat de ouderdom niet zoo hoog kan zijn, daar zou ik mij met volle overtuiging aan de zijde vanKrambergerplaatsen.

In de volgende tabel zijn de verschillende perioden,onderafdeelingen van het oude steenen tijdperk, volgens de namen der voornaamste vindplaatsen der voor die periode typische steenen werktuigen gerangschikt. De verdeeling der geologische tijdperken vergelijke men met de tabel in hoofdstuk I.

Fig. 9. Graf uit de neolithische periode, uit Egypte. Typische houding van het lijk met sterk opgetrokken knieën en op de borst gekruiste armen.

Fig. 9. Graf uit de neolithische periode, uit Egypte. Typische houding van het lijk met sterk opgetrokken knieën en op de borst gekruiste armen.

De oudste groep is in de tabel bovenaan geplaatst, de jongste onderaan. Ook de eolithen zijn, volgens het schema van Rutot, in de tabel opgenomen.

TABEL VAN DE ONDERVERDEELINGEN VAN HET OUD-STEENEN TIJDPERKGEOL. TIJDPERKNAAMBESCHRIJVINGEolithenTertiair1.ThenayEerste gebruik van vuursteenen als werk-tuigen, nog geen op een bepaalde wijze gefatsoeneerde werktuigen, doch reeds verschillende vormen (volgens Rutot „percuteurs, couteaux, racloirs, grattoirs, perçoirs”).Tertiair,,2.Cantalin (Aurillac, Cantal, Puy-Courny)Tertiair,,3.Kentum (plateau van Kent)Oudste Quartair4.ReutélienUitgezochte en reeds eenigermate doch zonder bepaalde methode gefatsoeneerde werktuigen van verschillenden vorm.5.Mafflien6.MesvinienPalaeolithen7.StrepyinVoor het eerst met een bepaald doel gefatsoeneerde werktuigen van bepaalden vorm.8.ChelléenGrof geslagen, aan beide zijden met grove blussen uitgeslagen werktuigen.9.AcheuléenFijner geslagen werktuigen, aan beide zijden met kleine blussen uitgeslagen, verschillend van vorm.10.Moustiérien (grotte du Moustier)Steenen werktuigen van bepaalden vorm, doorgaans slechts aan ééne zijde toegeslagen, of puntvormig, zoodat zij aan een lans konden worden bevestigd, of meer rond, met scherpe randen (zoogen. schrappers, racloirs, volgens de Mortillet om de huiden van gevangen dieren te bewerken). Nog geen beenen of ivoren werktuigen.11.Aurignacien of praesolutréenNaast fijn toegeslagen regelmatige steenen werktuigen vindt men de eerste sporen van bewerking van been en ivoor, en de eerste kunstuitingen. Begin van het rendiertijdperk.12.SolutréenZuiver toegeslagen pijlpunten, laurierbladvormig of gesteeld, steenen messen en boren. Paard en rendier in talrijke overblijfselen gevonden.13.MagdalénienPrachtig bewerkte steenen wapenen en werktuigen, nog niet gepolijst. Pijlpunten en harpoenen uit rendierhoorn met weerhaken, ivoren naalden, stijlvol geboetseerde voorwerpen uit rendierhoorn of ivoor, steenen messen en zagen, teekeningen op rendierhoorn of op rotswanden (grotten).14.AzilienVermoedelijke doch slechts zeer locaal bekende overgangsperiode naar het nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum, naar het tijdperk van de gepolijste steenen werktuigen, van het aarden huisraad, de paalwoningen, de dolmen en menhirs.

1De tertiaire mensch staat nog slechts op den drempel van het gebouw der wetenschap.↑2Zieachterin.↑3Zieachterin.↑4Zieachterin.↑5Men vergelijke hetgeen hierover in hoofdstuk 7 wordt gezegd.↑6Zelfs in den slag van Hastings werden, naar men zegt, nog wel steenen pijlpunten gebruikt.↑

1De tertiaire mensch staat nog slechts op den drempel van het gebouw der wetenschap.↑2Zieachterin.↑3Zieachterin.↑4Zieachterin.↑5Men vergelijke hetgeen hierover in hoofdstuk 7 wordt gezegd.↑6Zelfs in den slag van Hastings werden, naar men zegt, nog wel steenen pijlpunten gebruikt.↑

1De tertiaire mensch staat nog slechts op den drempel van het gebouw der wetenschap.↑

2Zieachterin.↑

3Zieachterin.↑

4Zieachterin.↑

5Men vergelijke hetgeen hierover in hoofdstuk 7 wordt gezegd.↑

6Zelfs in den slag van Hastings werden, naar men zegt, nog wel steenen pijlpunten gebruikt.↑


Back to IndexNext