VDE OVERBLIJFSELEN VAN DEN VOORHISTORISCHEN MENSCH ZELF

VDE OVERBLIJFSELEN VAN DEN VOORHISTORISCHEN MENSCH ZELF„L’homme fossile n’existe pas.”Cuvier(1813).Het behoeft geen betoog, dat de eigenlijke vraag naar de afstamming van den mensch, de vraag, of men ook in de geschiedenis van het menschelijk geslacht eene ontwikkeling, eene evolutie van den vorm vindt, die ons van dierlijke voorvaderen geleidelijk voert tot den modernen mensch, denhomo sapiens, slechts aan de fossiele overblijfselen van den praehistorischen mensch zelf bestudeerd kan worden. De kennis hiervan is niet oud, ja zij verkeert nog in haar eerste stadium van ontwikkeling. Nog geen 100 jaren geleden kon de groote Cuvier nog zijn als motto boven dit hoofdstuk geplaatste uitspraak met oogenschijnlijk krachtige argumenten verdedigen, en de belangrijkste vondsten op dit gebied zijn in de laatste 10 tot 20 jaren gedaan.Dit behoeft ons niet te verwonderen. Wat de vroegere tijden betreft, vindt het wel voor een groot deel zijne verklaring daarin, dat toen ter tijde aan dergelijke toevallige vondsten geen waarde werd gehecht. De leer der catastrophen van Cuvier, die de schepping van den mensch na de laatste catastrophe stelde en leidde tot het bovengenoemde dogma, werd algemeen aangenomen, en dit te meer, toen Cuvier kon aantoonen,dat overblijfselen van een geraamte, als „homo diluvii testis” aan een voorhistorischen mensch toegeschreven, van een reuzensalamander afkomstig waren, en hij zoo het geheele vraagstuk van den voorhistorischen mensch aan den lachlust kon prijsgeven. Hoe vele jaren heeft het niet geduurd, voordat Boucher de Perthes, die in 1841 in Picardië diep onder grintlagen en kalksteenafzettingen, steenen werktuigen vond te zamen met de overblijfselen van mammoeth en holenbeer, de geologen en anthropologen er zelfs maar toe brengen kon, zijne vondsten met eenige belangstelling te beschouwen en die beddingen zelf te onderzoeken.Maar ook al volgen in de laatste helft der 19de eeuw de vondsten van overblijfselen van voorhistorische menschen steeds sneller op elkaar, juist de oudste overblijfselen van menschen uit het ijstijdperk en onmiddellijk daarvoor en daarna zijn ook nu uiterst schaarsch, hoe er ook naar gezocht wordt. Hiervoor zijn verschillende redenen aan te voeren.In de eerste plaats hebben dergelijke overblijfselen gedurende zoo ontzaglijk lange tijden den invloed van verweering enz. moeten ondergaan, en dien invloed moet men niet onderschatten. Zoo werd bijv. een skelet uit de vroegste tijden van het palaeolithicum, den later nader te bespreken homo mousteriensis Hauseri, doorHauserin 1908 in het Vézèredal in een hol gevonden, met de uiterste zorgvuldigheid door deskundigen uitgegraven. Een groot gedeelte van het skelet viel echter toch als poeder uiteen en slechts enkele stukken konden worden gered. De schedel, gaaf uitgegraven, viel bij het transport in een groot aantal kleine stukken uiteen. En dan bedenke men, dat dit een unicum was, en dat verreweg de meeste der voorhistorische skeletten niet door deskundigen voorzichtig uitgegraven, maar toevallig door bergwerkers of arbeiders in leemgroeven ofgrintbeddingen bij het graven worden gevonden. En de invloed van de verweering, van de humuszuren uit den bodem, van de vochtigheid, kan zoo groot zijn, dat van het geheele skelet niets overblijft. Zoo vertelde mij o. a.Dr. Holwerda, die bij zijn zorgvuldige uitgravingen hier te lande het eenige, oude voorhistorische skelet heeft gevonden dat in Nederland bekend is (vóór den terpentijd), dat zelfs de in grafheuvels begraven voorhistorische skeletten in onzen vochtigen bodem meestal zoo volkomen vergaan zijn, dat slechts een geringe verkleuring van het zand op een bepaalde diepte de plaats aanwijst, waar de doode oorspronkelijk was begraven.In de tweede plaats is de levenswijze der eerste menschelijke wezens hiervoor aansprakelijk. Oorspronkelijk moet de mensch een bewoner geweest zijn der uitgestrekte wouden, die Europa ten tijde van het begin van de ijsperiode bedekten. Ook in de warme interglaciale perioden moet dit het geval geweest zijn. De lijken werden niet begraven, bleven liggen, waar zij gevallen waren, en bleven dus ten prooi aan alle schadelijke invloeden van weer, wind, overstroomingen, enz., die zoovele fossiele overblijfselen hebben verloren doen gaan.Toen de toenemende koude het vasteland van Europa meer en meer ging beheerschen, werd de mensch, zooals wij reeds zagen, tot holbewoner, en wij vinden dan ook zijne overblijfselen in holen, in „abris sous roche,” enz., waar zij minder aan schadelijke invloeden waren blootgesteld, en waar wij ze vinden te midden van de overblijfselen van de dieren, die hem tot voedsel dienden of die hij bestreden had. Maar eerst toen de mensch zoover ontwikkeld was, dat hij zijne dooden ging begraven, en vooral toen uit eerbied voor de dooden boven hunne graven grafheuvels, monumenten, steenen bedekkingen, hunnebedden enz. werden opgericht, bleven zijne overblijfselen beter bewaard, en werd dekans, dat het geraamte heelhuids werd opgedolven, grooter, omdat men juist door diegrafheuvelsen andere bedekkingen er op opmerkzaam werd gemaakt, dat zich daar ter plaatse een voorhistorisch graf bevond, en men dus met de grootste zorgvuldigheid kon gaan graven, terwijl het vinden der alleroudste skeletten der holbewoners, in verreweg de meeste gevallen een zaak van het toeval was, en ook als het skelet niet door verweering bros was geworden of uiteengevallen, er vaak al zeer veel verloren gegaan en gebroken was, vóór men er opmerkzaam op werd en voorzichtig verder ging graven. Zoo werd bijv. de beroemde Neanderdal-schedel, die wij later uitvoerig zullen bespreken, bij het uitgraven van een hol gevonden door eenige arbeiders, die in een leemgroeve daar ter plaatse werkten. Het skelet was gaaf, doch werd door de arbeiders, die niet wisten dat hun vondst belangrijk kon zijn, eenvoudig weggeworpen. Toevallig hoordeDr. Fuhlrottvan de vondst, doch toen hij ter plaatse kwam, kon hij van het oorspronkelijk gave skelet slechts zeer enkele, door het houweel sterk beschadigde brokstukken nog redden. En met andere vondsten is het niet veel beter gegaan.Hoe beter men evenwel leert uitzien en opletten, hoe meer men de waarde van de lage, bijna geheel onder den grond bedolven oude holen en „abris sous roche” voor het anthropologisch onderzoek leert inzien, hoe meer ook belangstelling voor deze zaken in alle klassen van de bevolking doordringt, des te meer kans verkrijgt men om de overblijfselen slechts weinig beschadigd of volledig in zijn bezit te krijgen.Zoo bestaat er dus groote waarschijnlijkheid, dat de vondsten van gave skeletten, ook uit de vroegste perioden van het bestaan van het menschelijke ras, minder en minder tot de zeldzaamheden zullen gaan behooren, en men dus binnen niet al te langen tijd een duidelijker beeld dan tot nu toe van de ontwikkelingsgeschiedenisvan dat ras zal kunnen construeeren. De doorBoulezoo voortreffelijk bewerkte vondst van la Chapelle-aux-Saints toont ons, wat hier dan bereikt zal kunnen worden.Tot op dit oogenblik evenwel wordt in de allermeeste gevallen het onderzoek in die richting hierdoor nog ten zeerste belemmerd. Men heeft slechts kleine afgebrokkelde beenstukken te zijner beschikking, soms zelfs niet meer dan een tand of kies, zooals bij de vondst van Taubach, of een klein stuk been, en men moet eerbied hebben voor de groote scherpzinnigheid, waarmede de onderzoekers van dergelijk materiaal nog zooveel mogelijk voordeel weten te halen uit de enkele maten, die zij aan een dergelijk stukje been kunnen nemen. Dat juist waar het onderzoek de ontwikkeling van den mensch, het „hersendier” bij uitnemendheid geldt, vooral de schedel daarvoor het meest belangrijk is, behoeft geen betoog. En zoo kan men aan het schedeldak, het eenige bewaard gebleven stuk van den Neanderdal-schedel, wel 16 verschillende maten en hoeken bepalen, die men dan elk voor zich weer kan vergelijken met analoge cijfers van schedels van verschillende menschenrassen en apensoorten, en die voor het ons hier bezighoudend vraagstuk belangrijk zijn (Fig. 10).Fig. 10. Schedeldak van den Neanderdal-schedel, van terzijde gezien, met de verschillende meetlijnen. Het gezichtskelet gereconstrueerd. VolgensKlaatsch.Met behulp van bepaalde daarvoor geconstrueerde instrumenten wordt de kromming van de lijn, die van het punt, waar neus en voorhoofd aan elkaar grenzen, van voren naar achteren over het midden van den schedel verloopt, de zoogenaamde mediaanlijn van den schedel, nauwkeurig gemeten, omdat de kromming van die lijn een scherp beeld geeft van de welving van het voorhoofd en de hoogte van den schedel en dus samenhangt met, ja in zekeren zin een maat aangeeft voor den ontwikkelingsgraad van de hersenmassa door dien schedel omsloten. (Fig. 11). Daarnaast is de kaakstreek, onder- en bovenkaak, van groot belang.Onder alle zoogdieren is de mensch het eenige wezen, bij hetwelk niet de gelaatstreek tot een snuit, met vooruitstekenden mond en min of meer plat daarboven liggenden neus, is uitgegroeid. Reeds als wij den modernen Europeër met lagere volksstammen (negers bijv.) vergelijken, valt het ons op, dat bij die laatsten de mond veel meer naar voren uitsteekt dan bij den mensch van het Kaukasische ras. Het spreekt van zelf, dat ook op dit kenmerk steeds de aandacht van den onderzoeker gericht is. Verder is de mensch het eenige wezen dat een vooruitstekende beenige kin heeft, en ook dit verschijnsel, dat zoo klaarblijkelijk met een iets anderen vorm van de onderkaak, grootere en vrijere bewegelijkheid van de tong en daardoor met de ontwikkeling van ons spraakvermogen in het nauwste verband staat, is bij de hoogere rassen sterker ontwikkeld dan bij de lagere, en is van groote beteekenis voor het anthropologisch onderzoek. Enniet alleen dat men aan schedel en onderkaak een aantal maten bepaalt, doch ook de overige beenstukken, die vroeger altijd voor vrijwel waardeloos werden gehouden, onderzoekt men op dezelfde wijze systematisch, men zoekt de kleinste bijzonderheden er van op, om die onderling te kunnen vergelijken, het bekken en de onderste ledematen om daaraan na te gaan, of men verschijnselen kan vinden die er op zouden wijzen, dat de rechtopgaande houding bij de eerste menschelijke wezens nog niet zoo volledig bereikt was als bij den tegenwoordigen mensch, hand en arm om ook daaraan punten van vergelijking met de hoogere zoogdieren op te sporen. Met behulp der Röntgen-stralen wordt de beenstructuur dier fossiele overblijfselen onderzocht, de vorm van de tandkassen, de lengte der tandwortels, de samenstelling en vorm der tanden en kiezen zelf nagegaan, en zoodoende heeft men, zooals wij later uitvoeriger zullen nagaan, zelfs met zulke gebrekkige en onvolledige gegevens nog zeer veel weten te bereiken.Dat men hierbij uiterst voorzichtig te werk moet gaan behoeft geen betoog. Men betreedt een gebied, waar overal voetangels en klemmen verborgen liggen. Na den dood kunnen, in die duizenden jaren van aan verweering blootgesteld zijn, door druk van de er boven op liggende aardlaag de schedelfragmenten eenigszins vervormd zijn; men weet, dat dit kan voorkomen, en men moet er dus rekening mede houden. Een reconstructie van een in stukken gebroken schedel kan verkeerd verricht worden en de aan den moeizaam ineengezetten schedel gewonnen maten en lengteverhoudingen zijn dan natuurlijk waardeloos. Het rassen-onderzoek heeft ons geleerd, dat bij verschillende volksstammen de gewoonte heerscht, den schedel van de pasgeboren kinderen door omsnoering op een bepaalde wijze te vervormen (ook in ons land is dit in bepaalde streken in vroegere tijden in zwang geweest). Dezeverandering blijft dan gedurende het geheele leven tot op zekere hoogte bestaan, en zou, als men fragmenten van een dergelijken schedel zou onderzoeken, tot geheel foutieve gevolgtrekkingen kunnen leiden. Wij weten dat door verschillende kinderziekten de schedel op een bepaalde manier kan vervormd worden. Ook daarmede moet men rekening houden.Fig. 11. Mediaanlijnen van een aantal schedels, zoo geplaatst, dat de op de horizontale lijn liggende begin- en eindpunten samenvallen. Verschillende graad van welving van voorhoofd en schedeldak.Kortom, men tast, om eene vergelijking vanSchwalbete gebruiken, bij dit onderzoek als het ware rond in een doolhof, waarin men geen weg kan vinden, en waarin slechts enkele wegwijzers op grooten afstand van elkaar zijn opgesteld. Van die wegwijzers is nog een gedeelte onleesbaar, terwijl andere slechts met groote moeite en met hoogstens eenigen graad van waarschijnlijkheid kunnen worden ontcijferd. En elkenieuwe vondst kan ons dwingen, die wegwijzers weer te verplaatsen, kan ons doen inzien, dat wij van den rechten weg waren afgedwaald,—maar ook, bij elken nieuwen vondst wint het bepalen van den juisten weg aan zekerheid.

VDE OVERBLIJFSELEN VAN DEN VOORHISTORISCHEN MENSCH ZELF„L’homme fossile n’existe pas.”Cuvier(1813).Het behoeft geen betoog, dat de eigenlijke vraag naar de afstamming van den mensch, de vraag, of men ook in de geschiedenis van het menschelijk geslacht eene ontwikkeling, eene evolutie van den vorm vindt, die ons van dierlijke voorvaderen geleidelijk voert tot den modernen mensch, denhomo sapiens, slechts aan de fossiele overblijfselen van den praehistorischen mensch zelf bestudeerd kan worden. De kennis hiervan is niet oud, ja zij verkeert nog in haar eerste stadium van ontwikkeling. Nog geen 100 jaren geleden kon de groote Cuvier nog zijn als motto boven dit hoofdstuk geplaatste uitspraak met oogenschijnlijk krachtige argumenten verdedigen, en de belangrijkste vondsten op dit gebied zijn in de laatste 10 tot 20 jaren gedaan.Dit behoeft ons niet te verwonderen. Wat de vroegere tijden betreft, vindt het wel voor een groot deel zijne verklaring daarin, dat toen ter tijde aan dergelijke toevallige vondsten geen waarde werd gehecht. De leer der catastrophen van Cuvier, die de schepping van den mensch na de laatste catastrophe stelde en leidde tot het bovengenoemde dogma, werd algemeen aangenomen, en dit te meer, toen Cuvier kon aantoonen,dat overblijfselen van een geraamte, als „homo diluvii testis” aan een voorhistorischen mensch toegeschreven, van een reuzensalamander afkomstig waren, en hij zoo het geheele vraagstuk van den voorhistorischen mensch aan den lachlust kon prijsgeven. Hoe vele jaren heeft het niet geduurd, voordat Boucher de Perthes, die in 1841 in Picardië diep onder grintlagen en kalksteenafzettingen, steenen werktuigen vond te zamen met de overblijfselen van mammoeth en holenbeer, de geologen en anthropologen er zelfs maar toe brengen kon, zijne vondsten met eenige belangstelling te beschouwen en die beddingen zelf te onderzoeken.Maar ook al volgen in de laatste helft der 19de eeuw de vondsten van overblijfselen van voorhistorische menschen steeds sneller op elkaar, juist de oudste overblijfselen van menschen uit het ijstijdperk en onmiddellijk daarvoor en daarna zijn ook nu uiterst schaarsch, hoe er ook naar gezocht wordt. Hiervoor zijn verschillende redenen aan te voeren.In de eerste plaats hebben dergelijke overblijfselen gedurende zoo ontzaglijk lange tijden den invloed van verweering enz. moeten ondergaan, en dien invloed moet men niet onderschatten. Zoo werd bijv. een skelet uit de vroegste tijden van het palaeolithicum, den later nader te bespreken homo mousteriensis Hauseri, doorHauserin 1908 in het Vézèredal in een hol gevonden, met de uiterste zorgvuldigheid door deskundigen uitgegraven. Een groot gedeelte van het skelet viel echter toch als poeder uiteen en slechts enkele stukken konden worden gered. De schedel, gaaf uitgegraven, viel bij het transport in een groot aantal kleine stukken uiteen. En dan bedenke men, dat dit een unicum was, en dat verreweg de meeste der voorhistorische skeletten niet door deskundigen voorzichtig uitgegraven, maar toevallig door bergwerkers of arbeiders in leemgroeven ofgrintbeddingen bij het graven worden gevonden. En de invloed van de verweering, van de humuszuren uit den bodem, van de vochtigheid, kan zoo groot zijn, dat van het geheele skelet niets overblijft. Zoo vertelde mij o. a.Dr. Holwerda, die bij zijn zorgvuldige uitgravingen hier te lande het eenige, oude voorhistorische skelet heeft gevonden dat in Nederland bekend is (vóór den terpentijd), dat zelfs de in grafheuvels begraven voorhistorische skeletten in onzen vochtigen bodem meestal zoo volkomen vergaan zijn, dat slechts een geringe verkleuring van het zand op een bepaalde diepte de plaats aanwijst, waar de doode oorspronkelijk was begraven.In de tweede plaats is de levenswijze der eerste menschelijke wezens hiervoor aansprakelijk. Oorspronkelijk moet de mensch een bewoner geweest zijn der uitgestrekte wouden, die Europa ten tijde van het begin van de ijsperiode bedekten. Ook in de warme interglaciale perioden moet dit het geval geweest zijn. De lijken werden niet begraven, bleven liggen, waar zij gevallen waren, en bleven dus ten prooi aan alle schadelijke invloeden van weer, wind, overstroomingen, enz., die zoovele fossiele overblijfselen hebben verloren doen gaan.Toen de toenemende koude het vasteland van Europa meer en meer ging beheerschen, werd de mensch, zooals wij reeds zagen, tot holbewoner, en wij vinden dan ook zijne overblijfselen in holen, in „abris sous roche,” enz., waar zij minder aan schadelijke invloeden waren blootgesteld, en waar wij ze vinden te midden van de overblijfselen van de dieren, die hem tot voedsel dienden of die hij bestreden had. Maar eerst toen de mensch zoover ontwikkeld was, dat hij zijne dooden ging begraven, en vooral toen uit eerbied voor de dooden boven hunne graven grafheuvels, monumenten, steenen bedekkingen, hunnebedden enz. werden opgericht, bleven zijne overblijfselen beter bewaard, en werd dekans, dat het geraamte heelhuids werd opgedolven, grooter, omdat men juist door diegrafheuvelsen andere bedekkingen er op opmerkzaam werd gemaakt, dat zich daar ter plaatse een voorhistorisch graf bevond, en men dus met de grootste zorgvuldigheid kon gaan graven, terwijl het vinden der alleroudste skeletten der holbewoners, in verreweg de meeste gevallen een zaak van het toeval was, en ook als het skelet niet door verweering bros was geworden of uiteengevallen, er vaak al zeer veel verloren gegaan en gebroken was, vóór men er opmerkzaam op werd en voorzichtig verder ging graven. Zoo werd bijv. de beroemde Neanderdal-schedel, die wij later uitvoerig zullen bespreken, bij het uitgraven van een hol gevonden door eenige arbeiders, die in een leemgroeve daar ter plaatse werkten. Het skelet was gaaf, doch werd door de arbeiders, die niet wisten dat hun vondst belangrijk kon zijn, eenvoudig weggeworpen. Toevallig hoordeDr. Fuhlrottvan de vondst, doch toen hij ter plaatse kwam, kon hij van het oorspronkelijk gave skelet slechts zeer enkele, door het houweel sterk beschadigde brokstukken nog redden. En met andere vondsten is het niet veel beter gegaan.Hoe beter men evenwel leert uitzien en opletten, hoe meer men de waarde van de lage, bijna geheel onder den grond bedolven oude holen en „abris sous roche” voor het anthropologisch onderzoek leert inzien, hoe meer ook belangstelling voor deze zaken in alle klassen van de bevolking doordringt, des te meer kans verkrijgt men om de overblijfselen slechts weinig beschadigd of volledig in zijn bezit te krijgen.Zoo bestaat er dus groote waarschijnlijkheid, dat de vondsten van gave skeletten, ook uit de vroegste perioden van het bestaan van het menschelijke ras, minder en minder tot de zeldzaamheden zullen gaan behooren, en men dus binnen niet al te langen tijd een duidelijker beeld dan tot nu toe van de ontwikkelingsgeschiedenisvan dat ras zal kunnen construeeren. De doorBoulezoo voortreffelijk bewerkte vondst van la Chapelle-aux-Saints toont ons, wat hier dan bereikt zal kunnen worden.Tot op dit oogenblik evenwel wordt in de allermeeste gevallen het onderzoek in die richting hierdoor nog ten zeerste belemmerd. Men heeft slechts kleine afgebrokkelde beenstukken te zijner beschikking, soms zelfs niet meer dan een tand of kies, zooals bij de vondst van Taubach, of een klein stuk been, en men moet eerbied hebben voor de groote scherpzinnigheid, waarmede de onderzoekers van dergelijk materiaal nog zooveel mogelijk voordeel weten te halen uit de enkele maten, die zij aan een dergelijk stukje been kunnen nemen. Dat juist waar het onderzoek de ontwikkeling van den mensch, het „hersendier” bij uitnemendheid geldt, vooral de schedel daarvoor het meest belangrijk is, behoeft geen betoog. En zoo kan men aan het schedeldak, het eenige bewaard gebleven stuk van den Neanderdal-schedel, wel 16 verschillende maten en hoeken bepalen, die men dan elk voor zich weer kan vergelijken met analoge cijfers van schedels van verschillende menschenrassen en apensoorten, en die voor het ons hier bezighoudend vraagstuk belangrijk zijn (Fig. 10).Fig. 10. Schedeldak van den Neanderdal-schedel, van terzijde gezien, met de verschillende meetlijnen. Het gezichtskelet gereconstrueerd. VolgensKlaatsch.Met behulp van bepaalde daarvoor geconstrueerde instrumenten wordt de kromming van de lijn, die van het punt, waar neus en voorhoofd aan elkaar grenzen, van voren naar achteren over het midden van den schedel verloopt, de zoogenaamde mediaanlijn van den schedel, nauwkeurig gemeten, omdat de kromming van die lijn een scherp beeld geeft van de welving van het voorhoofd en de hoogte van den schedel en dus samenhangt met, ja in zekeren zin een maat aangeeft voor den ontwikkelingsgraad van de hersenmassa door dien schedel omsloten. (Fig. 11). Daarnaast is de kaakstreek, onder- en bovenkaak, van groot belang.Onder alle zoogdieren is de mensch het eenige wezen, bij hetwelk niet de gelaatstreek tot een snuit, met vooruitstekenden mond en min of meer plat daarboven liggenden neus, is uitgegroeid. Reeds als wij den modernen Europeër met lagere volksstammen (negers bijv.) vergelijken, valt het ons op, dat bij die laatsten de mond veel meer naar voren uitsteekt dan bij den mensch van het Kaukasische ras. Het spreekt van zelf, dat ook op dit kenmerk steeds de aandacht van den onderzoeker gericht is. Verder is de mensch het eenige wezen dat een vooruitstekende beenige kin heeft, en ook dit verschijnsel, dat zoo klaarblijkelijk met een iets anderen vorm van de onderkaak, grootere en vrijere bewegelijkheid van de tong en daardoor met de ontwikkeling van ons spraakvermogen in het nauwste verband staat, is bij de hoogere rassen sterker ontwikkeld dan bij de lagere, en is van groote beteekenis voor het anthropologisch onderzoek. Enniet alleen dat men aan schedel en onderkaak een aantal maten bepaalt, doch ook de overige beenstukken, die vroeger altijd voor vrijwel waardeloos werden gehouden, onderzoekt men op dezelfde wijze systematisch, men zoekt de kleinste bijzonderheden er van op, om die onderling te kunnen vergelijken, het bekken en de onderste ledematen om daaraan na te gaan, of men verschijnselen kan vinden die er op zouden wijzen, dat de rechtopgaande houding bij de eerste menschelijke wezens nog niet zoo volledig bereikt was als bij den tegenwoordigen mensch, hand en arm om ook daaraan punten van vergelijking met de hoogere zoogdieren op te sporen. Met behulp der Röntgen-stralen wordt de beenstructuur dier fossiele overblijfselen onderzocht, de vorm van de tandkassen, de lengte der tandwortels, de samenstelling en vorm der tanden en kiezen zelf nagegaan, en zoodoende heeft men, zooals wij later uitvoeriger zullen nagaan, zelfs met zulke gebrekkige en onvolledige gegevens nog zeer veel weten te bereiken.Dat men hierbij uiterst voorzichtig te werk moet gaan behoeft geen betoog. Men betreedt een gebied, waar overal voetangels en klemmen verborgen liggen. Na den dood kunnen, in die duizenden jaren van aan verweering blootgesteld zijn, door druk van de er boven op liggende aardlaag de schedelfragmenten eenigszins vervormd zijn; men weet, dat dit kan voorkomen, en men moet er dus rekening mede houden. Een reconstructie van een in stukken gebroken schedel kan verkeerd verricht worden en de aan den moeizaam ineengezetten schedel gewonnen maten en lengteverhoudingen zijn dan natuurlijk waardeloos. Het rassen-onderzoek heeft ons geleerd, dat bij verschillende volksstammen de gewoonte heerscht, den schedel van de pasgeboren kinderen door omsnoering op een bepaalde wijze te vervormen (ook in ons land is dit in bepaalde streken in vroegere tijden in zwang geweest). Dezeverandering blijft dan gedurende het geheele leven tot op zekere hoogte bestaan, en zou, als men fragmenten van een dergelijken schedel zou onderzoeken, tot geheel foutieve gevolgtrekkingen kunnen leiden. Wij weten dat door verschillende kinderziekten de schedel op een bepaalde manier kan vervormd worden. Ook daarmede moet men rekening houden.Fig. 11. Mediaanlijnen van een aantal schedels, zoo geplaatst, dat de op de horizontale lijn liggende begin- en eindpunten samenvallen. Verschillende graad van welving van voorhoofd en schedeldak.Kortom, men tast, om eene vergelijking vanSchwalbete gebruiken, bij dit onderzoek als het ware rond in een doolhof, waarin men geen weg kan vinden, en waarin slechts enkele wegwijzers op grooten afstand van elkaar zijn opgesteld. Van die wegwijzers is nog een gedeelte onleesbaar, terwijl andere slechts met groote moeite en met hoogstens eenigen graad van waarschijnlijkheid kunnen worden ontcijferd. En elkenieuwe vondst kan ons dwingen, die wegwijzers weer te verplaatsen, kan ons doen inzien, dat wij van den rechten weg waren afgedwaald,—maar ook, bij elken nieuwen vondst wint het bepalen van den juisten weg aan zekerheid.

VDE OVERBLIJFSELEN VAN DEN VOORHISTORISCHEN MENSCH ZELF„L’homme fossile n’existe pas.”Cuvier(1813).

„L’homme fossile n’existe pas.”Cuvier(1813).

„L’homme fossile n’existe pas.”

Cuvier(1813).

Het behoeft geen betoog, dat de eigenlijke vraag naar de afstamming van den mensch, de vraag, of men ook in de geschiedenis van het menschelijk geslacht eene ontwikkeling, eene evolutie van den vorm vindt, die ons van dierlijke voorvaderen geleidelijk voert tot den modernen mensch, denhomo sapiens, slechts aan de fossiele overblijfselen van den praehistorischen mensch zelf bestudeerd kan worden. De kennis hiervan is niet oud, ja zij verkeert nog in haar eerste stadium van ontwikkeling. Nog geen 100 jaren geleden kon de groote Cuvier nog zijn als motto boven dit hoofdstuk geplaatste uitspraak met oogenschijnlijk krachtige argumenten verdedigen, en de belangrijkste vondsten op dit gebied zijn in de laatste 10 tot 20 jaren gedaan.Dit behoeft ons niet te verwonderen. Wat de vroegere tijden betreft, vindt het wel voor een groot deel zijne verklaring daarin, dat toen ter tijde aan dergelijke toevallige vondsten geen waarde werd gehecht. De leer der catastrophen van Cuvier, die de schepping van den mensch na de laatste catastrophe stelde en leidde tot het bovengenoemde dogma, werd algemeen aangenomen, en dit te meer, toen Cuvier kon aantoonen,dat overblijfselen van een geraamte, als „homo diluvii testis” aan een voorhistorischen mensch toegeschreven, van een reuzensalamander afkomstig waren, en hij zoo het geheele vraagstuk van den voorhistorischen mensch aan den lachlust kon prijsgeven. Hoe vele jaren heeft het niet geduurd, voordat Boucher de Perthes, die in 1841 in Picardië diep onder grintlagen en kalksteenafzettingen, steenen werktuigen vond te zamen met de overblijfselen van mammoeth en holenbeer, de geologen en anthropologen er zelfs maar toe brengen kon, zijne vondsten met eenige belangstelling te beschouwen en die beddingen zelf te onderzoeken.Maar ook al volgen in de laatste helft der 19de eeuw de vondsten van overblijfselen van voorhistorische menschen steeds sneller op elkaar, juist de oudste overblijfselen van menschen uit het ijstijdperk en onmiddellijk daarvoor en daarna zijn ook nu uiterst schaarsch, hoe er ook naar gezocht wordt. Hiervoor zijn verschillende redenen aan te voeren.In de eerste plaats hebben dergelijke overblijfselen gedurende zoo ontzaglijk lange tijden den invloed van verweering enz. moeten ondergaan, en dien invloed moet men niet onderschatten. Zoo werd bijv. een skelet uit de vroegste tijden van het palaeolithicum, den later nader te bespreken homo mousteriensis Hauseri, doorHauserin 1908 in het Vézèredal in een hol gevonden, met de uiterste zorgvuldigheid door deskundigen uitgegraven. Een groot gedeelte van het skelet viel echter toch als poeder uiteen en slechts enkele stukken konden worden gered. De schedel, gaaf uitgegraven, viel bij het transport in een groot aantal kleine stukken uiteen. En dan bedenke men, dat dit een unicum was, en dat verreweg de meeste der voorhistorische skeletten niet door deskundigen voorzichtig uitgegraven, maar toevallig door bergwerkers of arbeiders in leemgroeven ofgrintbeddingen bij het graven worden gevonden. En de invloed van de verweering, van de humuszuren uit den bodem, van de vochtigheid, kan zoo groot zijn, dat van het geheele skelet niets overblijft. Zoo vertelde mij o. a.Dr. Holwerda, die bij zijn zorgvuldige uitgravingen hier te lande het eenige, oude voorhistorische skelet heeft gevonden dat in Nederland bekend is (vóór den terpentijd), dat zelfs de in grafheuvels begraven voorhistorische skeletten in onzen vochtigen bodem meestal zoo volkomen vergaan zijn, dat slechts een geringe verkleuring van het zand op een bepaalde diepte de plaats aanwijst, waar de doode oorspronkelijk was begraven.In de tweede plaats is de levenswijze der eerste menschelijke wezens hiervoor aansprakelijk. Oorspronkelijk moet de mensch een bewoner geweest zijn der uitgestrekte wouden, die Europa ten tijde van het begin van de ijsperiode bedekten. Ook in de warme interglaciale perioden moet dit het geval geweest zijn. De lijken werden niet begraven, bleven liggen, waar zij gevallen waren, en bleven dus ten prooi aan alle schadelijke invloeden van weer, wind, overstroomingen, enz., die zoovele fossiele overblijfselen hebben verloren doen gaan.Toen de toenemende koude het vasteland van Europa meer en meer ging beheerschen, werd de mensch, zooals wij reeds zagen, tot holbewoner, en wij vinden dan ook zijne overblijfselen in holen, in „abris sous roche,” enz., waar zij minder aan schadelijke invloeden waren blootgesteld, en waar wij ze vinden te midden van de overblijfselen van de dieren, die hem tot voedsel dienden of die hij bestreden had. Maar eerst toen de mensch zoover ontwikkeld was, dat hij zijne dooden ging begraven, en vooral toen uit eerbied voor de dooden boven hunne graven grafheuvels, monumenten, steenen bedekkingen, hunnebedden enz. werden opgericht, bleven zijne overblijfselen beter bewaard, en werd dekans, dat het geraamte heelhuids werd opgedolven, grooter, omdat men juist door diegrafheuvelsen andere bedekkingen er op opmerkzaam werd gemaakt, dat zich daar ter plaatse een voorhistorisch graf bevond, en men dus met de grootste zorgvuldigheid kon gaan graven, terwijl het vinden der alleroudste skeletten der holbewoners, in verreweg de meeste gevallen een zaak van het toeval was, en ook als het skelet niet door verweering bros was geworden of uiteengevallen, er vaak al zeer veel verloren gegaan en gebroken was, vóór men er opmerkzaam op werd en voorzichtig verder ging graven. Zoo werd bijv. de beroemde Neanderdal-schedel, die wij later uitvoerig zullen bespreken, bij het uitgraven van een hol gevonden door eenige arbeiders, die in een leemgroeve daar ter plaatse werkten. Het skelet was gaaf, doch werd door de arbeiders, die niet wisten dat hun vondst belangrijk kon zijn, eenvoudig weggeworpen. Toevallig hoordeDr. Fuhlrottvan de vondst, doch toen hij ter plaatse kwam, kon hij van het oorspronkelijk gave skelet slechts zeer enkele, door het houweel sterk beschadigde brokstukken nog redden. En met andere vondsten is het niet veel beter gegaan.Hoe beter men evenwel leert uitzien en opletten, hoe meer men de waarde van de lage, bijna geheel onder den grond bedolven oude holen en „abris sous roche” voor het anthropologisch onderzoek leert inzien, hoe meer ook belangstelling voor deze zaken in alle klassen van de bevolking doordringt, des te meer kans verkrijgt men om de overblijfselen slechts weinig beschadigd of volledig in zijn bezit te krijgen.Zoo bestaat er dus groote waarschijnlijkheid, dat de vondsten van gave skeletten, ook uit de vroegste perioden van het bestaan van het menschelijke ras, minder en minder tot de zeldzaamheden zullen gaan behooren, en men dus binnen niet al te langen tijd een duidelijker beeld dan tot nu toe van de ontwikkelingsgeschiedenisvan dat ras zal kunnen construeeren. De doorBoulezoo voortreffelijk bewerkte vondst van la Chapelle-aux-Saints toont ons, wat hier dan bereikt zal kunnen worden.Tot op dit oogenblik evenwel wordt in de allermeeste gevallen het onderzoek in die richting hierdoor nog ten zeerste belemmerd. Men heeft slechts kleine afgebrokkelde beenstukken te zijner beschikking, soms zelfs niet meer dan een tand of kies, zooals bij de vondst van Taubach, of een klein stuk been, en men moet eerbied hebben voor de groote scherpzinnigheid, waarmede de onderzoekers van dergelijk materiaal nog zooveel mogelijk voordeel weten te halen uit de enkele maten, die zij aan een dergelijk stukje been kunnen nemen. Dat juist waar het onderzoek de ontwikkeling van den mensch, het „hersendier” bij uitnemendheid geldt, vooral de schedel daarvoor het meest belangrijk is, behoeft geen betoog. En zoo kan men aan het schedeldak, het eenige bewaard gebleven stuk van den Neanderdal-schedel, wel 16 verschillende maten en hoeken bepalen, die men dan elk voor zich weer kan vergelijken met analoge cijfers van schedels van verschillende menschenrassen en apensoorten, en die voor het ons hier bezighoudend vraagstuk belangrijk zijn (Fig. 10).Fig. 10. Schedeldak van den Neanderdal-schedel, van terzijde gezien, met de verschillende meetlijnen. Het gezichtskelet gereconstrueerd. VolgensKlaatsch.Met behulp van bepaalde daarvoor geconstrueerde instrumenten wordt de kromming van de lijn, die van het punt, waar neus en voorhoofd aan elkaar grenzen, van voren naar achteren over het midden van den schedel verloopt, de zoogenaamde mediaanlijn van den schedel, nauwkeurig gemeten, omdat de kromming van die lijn een scherp beeld geeft van de welving van het voorhoofd en de hoogte van den schedel en dus samenhangt met, ja in zekeren zin een maat aangeeft voor den ontwikkelingsgraad van de hersenmassa door dien schedel omsloten. (Fig. 11). Daarnaast is de kaakstreek, onder- en bovenkaak, van groot belang.Onder alle zoogdieren is de mensch het eenige wezen, bij hetwelk niet de gelaatstreek tot een snuit, met vooruitstekenden mond en min of meer plat daarboven liggenden neus, is uitgegroeid. Reeds als wij den modernen Europeër met lagere volksstammen (negers bijv.) vergelijken, valt het ons op, dat bij die laatsten de mond veel meer naar voren uitsteekt dan bij den mensch van het Kaukasische ras. Het spreekt van zelf, dat ook op dit kenmerk steeds de aandacht van den onderzoeker gericht is. Verder is de mensch het eenige wezen dat een vooruitstekende beenige kin heeft, en ook dit verschijnsel, dat zoo klaarblijkelijk met een iets anderen vorm van de onderkaak, grootere en vrijere bewegelijkheid van de tong en daardoor met de ontwikkeling van ons spraakvermogen in het nauwste verband staat, is bij de hoogere rassen sterker ontwikkeld dan bij de lagere, en is van groote beteekenis voor het anthropologisch onderzoek. Enniet alleen dat men aan schedel en onderkaak een aantal maten bepaalt, doch ook de overige beenstukken, die vroeger altijd voor vrijwel waardeloos werden gehouden, onderzoekt men op dezelfde wijze systematisch, men zoekt de kleinste bijzonderheden er van op, om die onderling te kunnen vergelijken, het bekken en de onderste ledematen om daaraan na te gaan, of men verschijnselen kan vinden die er op zouden wijzen, dat de rechtopgaande houding bij de eerste menschelijke wezens nog niet zoo volledig bereikt was als bij den tegenwoordigen mensch, hand en arm om ook daaraan punten van vergelijking met de hoogere zoogdieren op te sporen. Met behulp der Röntgen-stralen wordt de beenstructuur dier fossiele overblijfselen onderzocht, de vorm van de tandkassen, de lengte der tandwortels, de samenstelling en vorm der tanden en kiezen zelf nagegaan, en zoodoende heeft men, zooals wij later uitvoeriger zullen nagaan, zelfs met zulke gebrekkige en onvolledige gegevens nog zeer veel weten te bereiken.Dat men hierbij uiterst voorzichtig te werk moet gaan behoeft geen betoog. Men betreedt een gebied, waar overal voetangels en klemmen verborgen liggen. Na den dood kunnen, in die duizenden jaren van aan verweering blootgesteld zijn, door druk van de er boven op liggende aardlaag de schedelfragmenten eenigszins vervormd zijn; men weet, dat dit kan voorkomen, en men moet er dus rekening mede houden. Een reconstructie van een in stukken gebroken schedel kan verkeerd verricht worden en de aan den moeizaam ineengezetten schedel gewonnen maten en lengteverhoudingen zijn dan natuurlijk waardeloos. Het rassen-onderzoek heeft ons geleerd, dat bij verschillende volksstammen de gewoonte heerscht, den schedel van de pasgeboren kinderen door omsnoering op een bepaalde wijze te vervormen (ook in ons land is dit in bepaalde streken in vroegere tijden in zwang geweest). Dezeverandering blijft dan gedurende het geheele leven tot op zekere hoogte bestaan, en zou, als men fragmenten van een dergelijken schedel zou onderzoeken, tot geheel foutieve gevolgtrekkingen kunnen leiden. Wij weten dat door verschillende kinderziekten de schedel op een bepaalde manier kan vervormd worden. Ook daarmede moet men rekening houden.Fig. 11. Mediaanlijnen van een aantal schedels, zoo geplaatst, dat de op de horizontale lijn liggende begin- en eindpunten samenvallen. Verschillende graad van welving van voorhoofd en schedeldak.Kortom, men tast, om eene vergelijking vanSchwalbete gebruiken, bij dit onderzoek als het ware rond in een doolhof, waarin men geen weg kan vinden, en waarin slechts enkele wegwijzers op grooten afstand van elkaar zijn opgesteld. Van die wegwijzers is nog een gedeelte onleesbaar, terwijl andere slechts met groote moeite en met hoogstens eenigen graad van waarschijnlijkheid kunnen worden ontcijferd. En elkenieuwe vondst kan ons dwingen, die wegwijzers weer te verplaatsen, kan ons doen inzien, dat wij van den rechten weg waren afgedwaald,—maar ook, bij elken nieuwen vondst wint het bepalen van den juisten weg aan zekerheid.

Het behoeft geen betoog, dat de eigenlijke vraag naar de afstamming van den mensch, de vraag, of men ook in de geschiedenis van het menschelijk geslacht eene ontwikkeling, eene evolutie van den vorm vindt, die ons van dierlijke voorvaderen geleidelijk voert tot den modernen mensch, denhomo sapiens, slechts aan de fossiele overblijfselen van den praehistorischen mensch zelf bestudeerd kan worden. De kennis hiervan is niet oud, ja zij verkeert nog in haar eerste stadium van ontwikkeling. Nog geen 100 jaren geleden kon de groote Cuvier nog zijn als motto boven dit hoofdstuk geplaatste uitspraak met oogenschijnlijk krachtige argumenten verdedigen, en de belangrijkste vondsten op dit gebied zijn in de laatste 10 tot 20 jaren gedaan.

Dit behoeft ons niet te verwonderen. Wat de vroegere tijden betreft, vindt het wel voor een groot deel zijne verklaring daarin, dat toen ter tijde aan dergelijke toevallige vondsten geen waarde werd gehecht. De leer der catastrophen van Cuvier, die de schepping van den mensch na de laatste catastrophe stelde en leidde tot het bovengenoemde dogma, werd algemeen aangenomen, en dit te meer, toen Cuvier kon aantoonen,dat overblijfselen van een geraamte, als „homo diluvii testis” aan een voorhistorischen mensch toegeschreven, van een reuzensalamander afkomstig waren, en hij zoo het geheele vraagstuk van den voorhistorischen mensch aan den lachlust kon prijsgeven. Hoe vele jaren heeft het niet geduurd, voordat Boucher de Perthes, die in 1841 in Picardië diep onder grintlagen en kalksteenafzettingen, steenen werktuigen vond te zamen met de overblijfselen van mammoeth en holenbeer, de geologen en anthropologen er zelfs maar toe brengen kon, zijne vondsten met eenige belangstelling te beschouwen en die beddingen zelf te onderzoeken.

Maar ook al volgen in de laatste helft der 19de eeuw de vondsten van overblijfselen van voorhistorische menschen steeds sneller op elkaar, juist de oudste overblijfselen van menschen uit het ijstijdperk en onmiddellijk daarvoor en daarna zijn ook nu uiterst schaarsch, hoe er ook naar gezocht wordt. Hiervoor zijn verschillende redenen aan te voeren.

In de eerste plaats hebben dergelijke overblijfselen gedurende zoo ontzaglijk lange tijden den invloed van verweering enz. moeten ondergaan, en dien invloed moet men niet onderschatten. Zoo werd bijv. een skelet uit de vroegste tijden van het palaeolithicum, den later nader te bespreken homo mousteriensis Hauseri, doorHauserin 1908 in het Vézèredal in een hol gevonden, met de uiterste zorgvuldigheid door deskundigen uitgegraven. Een groot gedeelte van het skelet viel echter toch als poeder uiteen en slechts enkele stukken konden worden gered. De schedel, gaaf uitgegraven, viel bij het transport in een groot aantal kleine stukken uiteen. En dan bedenke men, dat dit een unicum was, en dat verreweg de meeste der voorhistorische skeletten niet door deskundigen voorzichtig uitgegraven, maar toevallig door bergwerkers of arbeiders in leemgroeven ofgrintbeddingen bij het graven worden gevonden. En de invloed van de verweering, van de humuszuren uit den bodem, van de vochtigheid, kan zoo groot zijn, dat van het geheele skelet niets overblijft. Zoo vertelde mij o. a.Dr. Holwerda, die bij zijn zorgvuldige uitgravingen hier te lande het eenige, oude voorhistorische skelet heeft gevonden dat in Nederland bekend is (vóór den terpentijd), dat zelfs de in grafheuvels begraven voorhistorische skeletten in onzen vochtigen bodem meestal zoo volkomen vergaan zijn, dat slechts een geringe verkleuring van het zand op een bepaalde diepte de plaats aanwijst, waar de doode oorspronkelijk was begraven.

In de tweede plaats is de levenswijze der eerste menschelijke wezens hiervoor aansprakelijk. Oorspronkelijk moet de mensch een bewoner geweest zijn der uitgestrekte wouden, die Europa ten tijde van het begin van de ijsperiode bedekten. Ook in de warme interglaciale perioden moet dit het geval geweest zijn. De lijken werden niet begraven, bleven liggen, waar zij gevallen waren, en bleven dus ten prooi aan alle schadelijke invloeden van weer, wind, overstroomingen, enz., die zoovele fossiele overblijfselen hebben verloren doen gaan.

Toen de toenemende koude het vasteland van Europa meer en meer ging beheerschen, werd de mensch, zooals wij reeds zagen, tot holbewoner, en wij vinden dan ook zijne overblijfselen in holen, in „abris sous roche,” enz., waar zij minder aan schadelijke invloeden waren blootgesteld, en waar wij ze vinden te midden van de overblijfselen van de dieren, die hem tot voedsel dienden of die hij bestreden had. Maar eerst toen de mensch zoover ontwikkeld was, dat hij zijne dooden ging begraven, en vooral toen uit eerbied voor de dooden boven hunne graven grafheuvels, monumenten, steenen bedekkingen, hunnebedden enz. werden opgericht, bleven zijne overblijfselen beter bewaard, en werd dekans, dat het geraamte heelhuids werd opgedolven, grooter, omdat men juist door diegrafheuvelsen andere bedekkingen er op opmerkzaam werd gemaakt, dat zich daar ter plaatse een voorhistorisch graf bevond, en men dus met de grootste zorgvuldigheid kon gaan graven, terwijl het vinden der alleroudste skeletten der holbewoners, in verreweg de meeste gevallen een zaak van het toeval was, en ook als het skelet niet door verweering bros was geworden of uiteengevallen, er vaak al zeer veel verloren gegaan en gebroken was, vóór men er opmerkzaam op werd en voorzichtig verder ging graven. Zoo werd bijv. de beroemde Neanderdal-schedel, die wij later uitvoerig zullen bespreken, bij het uitgraven van een hol gevonden door eenige arbeiders, die in een leemgroeve daar ter plaatse werkten. Het skelet was gaaf, doch werd door de arbeiders, die niet wisten dat hun vondst belangrijk kon zijn, eenvoudig weggeworpen. Toevallig hoordeDr. Fuhlrottvan de vondst, doch toen hij ter plaatse kwam, kon hij van het oorspronkelijk gave skelet slechts zeer enkele, door het houweel sterk beschadigde brokstukken nog redden. En met andere vondsten is het niet veel beter gegaan.

Hoe beter men evenwel leert uitzien en opletten, hoe meer men de waarde van de lage, bijna geheel onder den grond bedolven oude holen en „abris sous roche” voor het anthropologisch onderzoek leert inzien, hoe meer ook belangstelling voor deze zaken in alle klassen van de bevolking doordringt, des te meer kans verkrijgt men om de overblijfselen slechts weinig beschadigd of volledig in zijn bezit te krijgen.

Zoo bestaat er dus groote waarschijnlijkheid, dat de vondsten van gave skeletten, ook uit de vroegste perioden van het bestaan van het menschelijke ras, minder en minder tot de zeldzaamheden zullen gaan behooren, en men dus binnen niet al te langen tijd een duidelijker beeld dan tot nu toe van de ontwikkelingsgeschiedenisvan dat ras zal kunnen construeeren. De doorBoulezoo voortreffelijk bewerkte vondst van la Chapelle-aux-Saints toont ons, wat hier dan bereikt zal kunnen worden.

Tot op dit oogenblik evenwel wordt in de allermeeste gevallen het onderzoek in die richting hierdoor nog ten zeerste belemmerd. Men heeft slechts kleine afgebrokkelde beenstukken te zijner beschikking, soms zelfs niet meer dan een tand of kies, zooals bij de vondst van Taubach, of een klein stuk been, en men moet eerbied hebben voor de groote scherpzinnigheid, waarmede de onderzoekers van dergelijk materiaal nog zooveel mogelijk voordeel weten te halen uit de enkele maten, die zij aan een dergelijk stukje been kunnen nemen. Dat juist waar het onderzoek de ontwikkeling van den mensch, het „hersendier” bij uitnemendheid geldt, vooral de schedel daarvoor het meest belangrijk is, behoeft geen betoog. En zoo kan men aan het schedeldak, het eenige bewaard gebleven stuk van den Neanderdal-schedel, wel 16 verschillende maten en hoeken bepalen, die men dan elk voor zich weer kan vergelijken met analoge cijfers van schedels van verschillende menschenrassen en apensoorten, en die voor het ons hier bezighoudend vraagstuk belangrijk zijn (Fig. 10).

Fig. 10. Schedeldak van den Neanderdal-schedel, van terzijde gezien, met de verschillende meetlijnen. Het gezichtskelet gereconstrueerd. VolgensKlaatsch.

Fig. 10. Schedeldak van den Neanderdal-schedel, van terzijde gezien, met de verschillende meetlijnen. Het gezichtskelet gereconstrueerd. VolgensKlaatsch.

Met behulp van bepaalde daarvoor geconstrueerde instrumenten wordt de kromming van de lijn, die van het punt, waar neus en voorhoofd aan elkaar grenzen, van voren naar achteren over het midden van den schedel verloopt, de zoogenaamde mediaanlijn van den schedel, nauwkeurig gemeten, omdat de kromming van die lijn een scherp beeld geeft van de welving van het voorhoofd en de hoogte van den schedel en dus samenhangt met, ja in zekeren zin een maat aangeeft voor den ontwikkelingsgraad van de hersenmassa door dien schedel omsloten. (Fig. 11). Daarnaast is de kaakstreek, onder- en bovenkaak, van groot belang.Onder alle zoogdieren is de mensch het eenige wezen, bij hetwelk niet de gelaatstreek tot een snuit, met vooruitstekenden mond en min of meer plat daarboven liggenden neus, is uitgegroeid. Reeds als wij den modernen Europeër met lagere volksstammen (negers bijv.) vergelijken, valt het ons op, dat bij die laatsten de mond veel meer naar voren uitsteekt dan bij den mensch van het Kaukasische ras. Het spreekt van zelf, dat ook op dit kenmerk steeds de aandacht van den onderzoeker gericht is. Verder is de mensch het eenige wezen dat een vooruitstekende beenige kin heeft, en ook dit verschijnsel, dat zoo klaarblijkelijk met een iets anderen vorm van de onderkaak, grootere en vrijere bewegelijkheid van de tong en daardoor met de ontwikkeling van ons spraakvermogen in het nauwste verband staat, is bij de hoogere rassen sterker ontwikkeld dan bij de lagere, en is van groote beteekenis voor het anthropologisch onderzoek. Enniet alleen dat men aan schedel en onderkaak een aantal maten bepaalt, doch ook de overige beenstukken, die vroeger altijd voor vrijwel waardeloos werden gehouden, onderzoekt men op dezelfde wijze systematisch, men zoekt de kleinste bijzonderheden er van op, om die onderling te kunnen vergelijken, het bekken en de onderste ledematen om daaraan na te gaan, of men verschijnselen kan vinden die er op zouden wijzen, dat de rechtopgaande houding bij de eerste menschelijke wezens nog niet zoo volledig bereikt was als bij den tegenwoordigen mensch, hand en arm om ook daaraan punten van vergelijking met de hoogere zoogdieren op te sporen. Met behulp der Röntgen-stralen wordt de beenstructuur dier fossiele overblijfselen onderzocht, de vorm van de tandkassen, de lengte der tandwortels, de samenstelling en vorm der tanden en kiezen zelf nagegaan, en zoodoende heeft men, zooals wij later uitvoeriger zullen nagaan, zelfs met zulke gebrekkige en onvolledige gegevens nog zeer veel weten te bereiken.

Dat men hierbij uiterst voorzichtig te werk moet gaan behoeft geen betoog. Men betreedt een gebied, waar overal voetangels en klemmen verborgen liggen. Na den dood kunnen, in die duizenden jaren van aan verweering blootgesteld zijn, door druk van de er boven op liggende aardlaag de schedelfragmenten eenigszins vervormd zijn; men weet, dat dit kan voorkomen, en men moet er dus rekening mede houden. Een reconstructie van een in stukken gebroken schedel kan verkeerd verricht worden en de aan den moeizaam ineengezetten schedel gewonnen maten en lengteverhoudingen zijn dan natuurlijk waardeloos. Het rassen-onderzoek heeft ons geleerd, dat bij verschillende volksstammen de gewoonte heerscht, den schedel van de pasgeboren kinderen door omsnoering op een bepaalde wijze te vervormen (ook in ons land is dit in bepaalde streken in vroegere tijden in zwang geweest). Dezeverandering blijft dan gedurende het geheele leven tot op zekere hoogte bestaan, en zou, als men fragmenten van een dergelijken schedel zou onderzoeken, tot geheel foutieve gevolgtrekkingen kunnen leiden. Wij weten dat door verschillende kinderziekten de schedel op een bepaalde manier kan vervormd worden. Ook daarmede moet men rekening houden.

Fig. 11. Mediaanlijnen van een aantal schedels, zoo geplaatst, dat de op de horizontale lijn liggende begin- en eindpunten samenvallen. Verschillende graad van welving van voorhoofd en schedeldak.

Fig. 11. Mediaanlijnen van een aantal schedels, zoo geplaatst, dat de op de horizontale lijn liggende begin- en eindpunten samenvallen. Verschillende graad van welving van voorhoofd en schedeldak.

Kortom, men tast, om eene vergelijking vanSchwalbete gebruiken, bij dit onderzoek als het ware rond in een doolhof, waarin men geen weg kan vinden, en waarin slechts enkele wegwijzers op grooten afstand van elkaar zijn opgesteld. Van die wegwijzers is nog een gedeelte onleesbaar, terwijl andere slechts met groote moeite en met hoogstens eenigen graad van waarschijnlijkheid kunnen worden ontcijferd. En elkenieuwe vondst kan ons dwingen, die wegwijzers weer te verplaatsen, kan ons doen inzien, dat wij van den rechten weg waren afgedwaald,—maar ook, bij elken nieuwen vondst wint het bepalen van den juisten weg aan zekerheid.


Back to IndexNext