VIDE VOORNAAMSTE ANTHROPOLOGISCHE VONDSTEN„We are far from knowing how long ago it was when man first diverged from the Catarine (Simian) Stock; but it may have occurred at an epoch as remote as the eocene period.”Darwin.1Welke zijn nu de wegwijzers in dien doolhof? Kennen wij tusschenvormen tusschen dier en mensch, of bestaat nog steeds de „break in the chain,” waaroverDarwinklaagde? Wat leeren ons hieromtrent de fossiele menschelijke overblijfselen?Fig. 12. Schedeldak (van boven en van terzijde gezien), dijbeen en kiezen van denpithecanthropuserectus vanDubois.Het zou de ruimte, mij door den uitgever voor dit boekje toegestaan, verre overschrijden, zoo ik een volledige opsomming en beschrijving wilde geven van al de vondsten van praehistorische menschelijke overblijfselen, welke bekend geworden zijn. Die opsomming zou daarbij bijzonder vervelend worden, nutteloos zijn en niet op haar plaats in dit werkje. Ik wil dan ook slechts de voornaamste noemen, en slechts van die vondsten een iets meer uitvoerige beschrijving geven, die nieuwe gezichtspunten hebben geopend of bepaalde vragen nader tot hunne oplossinghebben gebracht. Voor een overzichtelijke rangschikking der gegevens is natuurlijk de chronologische volgorde daarbij niet de meest gewenschte. Want dan weer wordt een zeer oude vorm ergens gevonden, eenigen tijd later een overblijfsel van veel geringeren ouderdom, dan weer een overblijfsel uit de vroegste perioden der menschelijke historie opgedolven, enz. Wil men in staat zijn, bij de beschrijving der verschillende vondsten tevens een beeld te geven van de wordingsgeschiedenis van het menschenras, voor zoover men die kent, dan is de eenige weg die, dat men eerst die overblijfselen beschrijft, die zich het nauwsteaan de dierenwereld aansluiten, dan de overblijfselen met iets minder inferieure kenmerken, om te eindigen met die vormen, die geheel en al de typische kenmerken van den homo sapiens, den tegenwoordig levenden mensch vertoonen.Beginnen wij dus met de meest dierlijke overblijfselen.1.Pithecanthropus erectusDubois.Zelden is wel over een vondst van fossiele overblijfselen zoo veel gestreden, heeft een ontdekking zooveel twijfel, ergernis, wantrouwen, vreugde en opgewondenheid—al naarmate het standpunt, dat men tegenover de descendentieleer en het vraagstuk van de afstamming van den mensch innam—veroorzaakt, als toenEugene Duboisin 1893 van uit Batavia het bericht de wereld inzond, dat hij de overblijfselen van een op den mensch gelijkenden overgangsvorm had gevonden, dien hij pithecanthropus erectus, den rechtopgaanden aapmensch noemde. Wel waren het luttele overblijfselen—een schedeldak, een dijbeen, een kaakfragment en twee kiezen (Fig. 12) maar zij vereenigden zoovele menschelijke en dierlijke kenmerken in zich, herinnerden zoo sterk aan de eene zijde aan de hoogst staande apen, aan de andere zijde aan het menschelijke skelet, dat men hier den tusschenvorm, den „missing link” vanDarwin, meende voor zich te hebben. De verschillende beenstukken (schedeldak en dijbeen) lagen wel bij het vinden 15 meter van elkaar verwijderd, maar zoo volkomen in dezelfde steenlaag (men vergelijke de doorsnede van de lagen in fig. 13), en zonder eenige verdere bijmengselen, dat het van verschillende zijde geuite bezwaar, dat de stukken niet tot hetzelfde dier zouden hebben behoord, doch het dijbeen van een mensch, het schedeldak van een grooten aap afkomstig zou zijn, wel ongegrond mag genoemd worden. Waar is, dat het dijbeen verrassend veel op dat van een mensch gelijkt, de schedelkapmeer op die van een grooten aap, dan op die van een mensch, hoewel in vele opzichten meer ontwikkeld dan de tegenwoordig levende menschapen.Duboisgaf daarenboven aan, dat volgens de bij de overblijfselen in dezelfde steenlaag gevonden fossielen de geheele laag van tertiairen oorsprong zou zijn. Men had hier dus den langgezochten tertiairen voorvader van het menschelijk geslacht voor zich. Nu is door de resultaten van latere opgravingen op dezelfde plaats wel eenige twijfel hierover ontstaan. De bewerking der door de expeditie van Mevrouw Selenka in 1906 op dezelfde plaats verzamelde fossielen en geologischegegevens doorVolz,Elberten anderen in 1908 en 1909 schijnt niet alleen met groote waarschijnlijkheid te hebben aangetoond, dat de laag gesteenten, waarin de overblijfselen van den pithecanthropus waren gevonden, van veel lateren datum is dan de jongste tertiaire periode, het plioceen, waartoeDuboisze meende te kunnen brengen, een resultaat waartoe, onafhankelijk vanVolz, ookK. Martinop grond van het systematisch onderzoek der gevonden fossielen kwam, doch schijnt ook er op te wijzen, dat daar ter plaatse de pithecanthropus met den mensch te zamen moet hebben geleefd. Men vond tenminste sporen van vuur en een menschenkies in dezelfde steenlaag.Fig. 13. Profiel van de vindplaats van de overblijfselen van denpithecanthropuserectus bij Trinil. a = laag, waarin zich de overblijfselen zelf bevinden, diep onder den beganen grond.De laag van Trinil, die de fossiele overblijfselen van denpithecanthropusbevatte, schijnt niet tertiair, doch diluviaal te zijn, en moet volgensVolzzelfs ongeveer in het midden van de diluviale periode (men vergelijke de tabel in hoofdstuk I) gesteld worden.2Zelfs als men dus van het eolithen-vraagstuk geheel afziet, en zich uitsluitend houdt aan de werkelijk gevonden menschelijke overblijfselen, zelfs dan is, zooals uit de hierna te bespreken vondsten blijken zal, de pithecanthropus niet ouder, doch eer jonger dan de oudste menschelijke overblijfselen, en heeft hij dus waarschijnlijk gelijktijdig met den mensch geleefd, wellicht zelfs naast hem, want in Indonesië, in Zuid-Sumatra, in Celebes en ook op Java zijn sporen van menschen uit den palaeolithischen tijd gevonden.Van den „missing link” is dus geen sprake, en zoo geeft dan ook zelfsSchwalbe, die den pithecanthropuszoo uiterst nauwkeurig en systematisch heeft onderzocht, toe, dat hoe dicht ook de pithecanthropus bij den mensch moet hebben gestaan, het toch volstrekt niet noodzakelijk is, hem als directen voorvader van het menschengeslacht aan te nemen.Toch blijft deze vondst m.i. van uiterst groote beteekenis, en aanDuboisde onvergankelijke eer, bij een doelbewust onderzoek er naar, deze overblijfselen te hebben gevonden, en er de groote waarde direct van te hebben ingezien. Zelfs al schakelt men den pithecanthropus volkomen uit de reeks van voorvaderen van den mensch uit, dan toonen toch zijne overblijfselen, zoo opvallend menschelijk, tot welk een hooge ontwikkeling de hoogste zoogdieren, de menschapen, de primaten, in het begin der quartaire periode zijn gekomen, en het blijft zeer goed mogelijk, dat de pithecanthropus een directe, niet veel verder ontwikkelde, misschien zelfs iets gedegenereerde afstammeling is van denzelfden vorm, die in nakomelingen, die zich in reeksen van opvolgende generaties wel ontwikkelden, het menschelijk geslacht heeft voortgebracht. Moge ook, zooals uit fig. 11 blijkt, de schedelwelving van den pithecanthropus met die van den chimpansee nagenoeg overeenstemmen, de schedelcapaciteit (d. w. z. de schedelinhoud, door de hersenen ingenomen, het volumen van de hersenen dus), volgensDubois870 c. M.3, tegen 550 c. M.3bij de grootste menschapen (gorilla en orang oetan), 1230 c. M.3bij den neanderdal-schedel, en 1450 tot 1550 c. M.3bij de blanke rassen, verheft den pithecanthropus ver boven de menschapen. Hetzelfde zou volgensDuboisgelden voor hetgeen men aan de binnenzijde van den schedelkap van het relief der hersenoppervlakte heeft kunnen zien, nl. een ontwikkeling speciaal van dat gedeelte van de hersenen, dat met het spraakvermogen samenhangt, sterker dan bij eenigen anderen menschaap.2.Eoanthropus Dawsoni.In het laatst van ’t jaar 1912 werd in een kiezelafzetting (een zoogenaamde „gravel pit”) bij Piltdown in Sussex een gedeelte van de onderkaak en van het schedeldak van een menschelijk wezen uit de eerste tijden der pleistocene periode gevonden, volgens de nog eenigszins onvolledige gegevens3het oudste menschelijke overblijfsel, dat tot dusverre in Engeland gevonden werd. Ter eere van den ontdekker werd het deeoanthropus Dawsongedoopt. Niettegenstaande maanden lang met de grootste zorgvuldigheid werd gezocht, werden geen verdere gedeelten van het skelet gevonden. Volgens de beschrijving, van de overblijfselen doorMr. Smith Woodwardgegeven, stammen de overblijfselen uit de „Chelléen” periode. Steenen werktuigen van het „Chelléen” type en overblijfselen van een hippopotamus werden in dezelfde laag aangetroffen.De menschelijke overblijfselen bestonden uit de rechterhelft van de onderkaak met twee kiezen en ongeveer 2/3 van het schedeldak. Dit laatste was in stukken gebroken, doch kon volkomen goed gereconstrueerd worden. Het was buitengewoon dik en stevig gebouwd. Het merkwaardige van deze overblijfselen is, dat de onderkaak verrassend veel gelijkt op die van een aap, vooral van een chimpansee, terwijl de in de onderkaak bewaard gebleven kiezen geheel en al menschelijke kenmerken vertoonen, alleen iets grooter zijn. (Wij zullen ditzelfde verschijnsel later wedervinden in de kaak van den homo heidelbergensis 4). De kinstreek is afgebroken en de verderetanden zijn verdwenen. Aan de nog aanwezige tandkassen kan men echter duidelijk nagaan, dat ook de niet voorhanden tanden en kiezen iets grooter moeten geweest zijn dan die van den tegenwoordigen mensch.Van den schedel was voldoende bewaard gebleven om den schedelinhoud te kunnen berekenen. De schedelcapaciteit bleek ongeveer 1070 c. M.3te zijn. Vergelijkt men dit cijfer met de hierboven in verband met den pithecanthropus genoemden, dan ziet men, dat de eoanthropus grooter hersenen moet hebben bezeten dan deze, doch minder dan de werkelijke mensch. Het nauwgezette onderzoek van de beide fragmenten bracht dan ookDr. Smith Woodwardtot de slotsom, dat wij hier met een werkelijken tusschenvorm te doen hebben, die, hoewel reeds dicht bij den mensch staande, toch nog niet den naam homo verdient, en daarom door hem de eoanthropus, „het wezen staande aan den dageraad der menschwording” gedoopt is. Voor het probleem der afstamming en vooral van de verbreiding van den mensch over de aarde, is het nu zeker uiterst merkwaardig, dat twee dergelijke intermediaire vormen als de pithecanthropus en de eoanthropus, de een in Java, de andere in Europa zijn gevonden.43. De vondst vanTaubach. In 1895 werden doorNehringtwee menschelijke kiezen beschreven, die bij Taubach in Saxen-Weimar gevonden waren, meer dan 5 meter onder den beganen grond in steenlagen uit het allereerste gedeelte der quartaire periode, te zamen met primitieve steenen werktuigen uit de „Chelléen” of „Acheuléen” periode en met overblijfselenvan den elephas antiquus en den rhinoceros van Merck. Meer dan die twee kiezen werd niet gevonden, maar toch was de vondst, vooral toen ter tijde, belangrijk, omdat toen dergelijke oude sporen van menschelijk bestaan nog niet bekend waren. De beide kiezen zijn een eerste linker melkkies en een eerste linker blijvende kies, beiden uit de onderkaak. Het eigenaardige van deze kiezen ligt vooral in de grootte, welke die van menschelijke kiezen overtreft, in het sterk afgesleten zijn en in den vorm, die verschillende eigenaardigheden vertoont, welke meer aan apentanden dan aan een menschelijk gebit doen denken. Om het belang van deze vondst juist te kunnen waardeeren, moet men bedenken, dat van alle beenstukken juist de tanden en kiezen tot de meest kenmerkende en voor de verschillende diersoorten het scherpst van elkaar te onderscheiden deelen van het menschelijk en dierlijk organisme behooren, zoodat men dikwijls de soort, waartoe gevonden fossiele overblijfselen behoorden, heeft kunnen vaststellen aan één tand, die van een dergelijk dier gevonden was. En in de tweede plaats blijkt juist de buitengewone grootte van de kiezen een kenmerk te zijn, dat ook bij de later gevonden oudste menschvormen, zooals bij den zooeven genoemden eoanthropus en vooral bij den straks nader te beschrijven homo heidelbergensis tot de op den voorgrond tredende eigenaardigheden behoort. Daarom werden dan ook de „tanden van Taubach” hier vermeld.4.Homo heidelbergensis.De onderzoekingen vanDuboisop Java werden in 1891 en 1892 verricht. Veertien jaar later werd de tweede uiterst belangrijke vondst gedaan. Waarlijk, 21 October 1907 is de datum, die met gulden letteren in het boek der anthropologische wetenschap verdient te worden opgeteekend, als van den dag waarop de fossiele onderkaak van den„heidelberger mensch” werd gevonden. En het is merkwaardig, dat, evenalsDuboisdoelbewust de Kendeng-lagen bij Trinil was gaan onderzoeken, omdat hij overtuigd was, daar den langgezochten overgangsvorm te vinden, ook hier het vinden van de heidelberger kaak doorSchoetensackjaren lang was verwacht. In een zandgroeve bij het dorp Mauer, dicht bij Heidelberg, die sinds 1872 wordt afgegraven, waren reeds telkens belangrijke fossielen gevonden, o. a. uit het laatste gedeelte der tertiaire periode.Dr. O. Schoetensack, de anthropoloog uit Heidelberg, reeds gedurende meer dan 20 jaren een getrouw onderzoeker der zandgroeve, had, onder den indruk van de groote overeenkomst, die bestond tusschen de lagen van de zandgroeve en de aan fossielen zoo rijke beddingen van Taubach in Weimar, en in de verwachting, dat ook hier wel eens belangrijke overblijfselen konden worden aan het licht gebracht, bij zijne bezoeken aan de groeve telkens weer de arbeiders en opzichters gewaarschuwd en hun op ’t hart gedrukt, als zij iets vonden niet eigenhandig verder te graven, doch hem direct te roepen. En zoo werd, na jaren wachten, zijn geduld beloond, en werd hij den 21sten Oct. 1907 er dadelijk van verwittigd, dat in de diepste lagen van de zandgroeve, meer dan 24 meter onder den beganen grond, een menschelijke onderkaak was gevonden. Zoodoende konDr. Schoetensackdirect na het vinden van de kaak de vindplaats inspecteeren, en photographeeren, hij liet een notarieele akte van de omstandigheden, waaronder de vondst plaats had gegrepen, opmaken en door den opzichter en den arbeider, die er bij aanwezig geweest waren, onderteekenen, hij liet op de vindplaats een gedenksteen aanbrengen, kortom, alles werd zoo uiterst nauwkeurig vastgesteld, dat geen twijfel meer mogelijk was. De vondst van deze kaak dan ook vrijwel de eenige anthropologische vondst, waarvan door geen enkelen geleerde ooit eenigentwijfel omtrent de echtheid en den hoogen ouderdom is geopperd. Daarna is doorSchoetensackde kaak beschreven in een voortreffelijke, uitvoerige, rijk geïllustreerde monographie, zoodat naast de meesterlijke beschrijving doorM. Boulevan den een jaar later in Frankrijk gevonden voorhistorischen mensch van la Chapelle-aux-Saints het werk vanSchoetensackals een voorbeeld van exact anthropologisch onderzoek mag gelden.Fig. 14. Profielbeeld van de zandgroeve van Mauer, waarin bij × (rechts onderaan, vlak bij den bodem der groeve) de kaak van den homo heidelbergensis werd gevonden.Belangrijk is nu in de eerste plaats de ouderdom van het fossiel. In de photographie van fig. 14 ziet men duidelijk in de afgegraven zandgroeve de verschillende zand- en steenlagen boven elkaar en rechts onder bij den bodem het witte kruisje, dat de plaats aangeeft, waar de kaak werd gevonden, 24 meter onder de oppervlakte. In dezelfde laag werden gevonden overblijfselen van den elephas antiquus, den etruscischen neushoorn, voorloopers van den holenbeer, een soort van paard, dat in het laatste gedeelte van de tertiaire periode voorkomt, een fauna, derhalve, die in zijn geheel wijst op een zeer hoogen ouderdom van de steenlaag, in het einde van de tertiaire periode. De bij de kaak in dezelfde laag gevonden vuursteenen zijn volgensRutoteolithen uit de „Mafflien”-periode, einde tertiaire of begin quartaire periode. Kortom, de kaak van Mauer is verreweg het oudste der stratigraphisch volkomen nauwkeurig bekende menschelijke fossielen, en zijn drager moet nog vóór het begin van de ijsperiode, in het allerlaatste gedeelte der tertiaire periode geleefd hebben. Alleen hierom zou de homo heidelbergensis al het volste recht op onze groote belangstelling kunnen doen gelden, doch daarbij is de vorm van deze onderkaak allermerkwaardigst. Men vergelijke de beide afbeeldingen in fig. 15 en 16 met den omtrek van een modernen onderkaak van den homo sapiens, of beter nog, men neme het voortreffelijke gipsafgietsel van de kaak ter hand, dat tegenwoordig in de meeste musea te vinden is. Met verbazing beschouwt men het kolossaal massieve karakter van de kaak, met zijn breed massaal achterstuk voor de kauwspieren, met zijn volkomen ontbrekende kin, met zijn geheelen vorm, die volkomen op een orang- of gorilla-kaak gelijkt, en daarbij het absoluut menschelijke gebit. Ware deze onderkaak gevonden zonder gebit, men zou niet aarzelen hem aan een voorwereldlijken aap toe te schrijven. Hetgebit evenwel vertoont zoo volkomen menschelijke kenmerken, is zoo harmonisch en regelmatig gebouwd, zonder sterk vergroote hoektanden, met regelmatig gebouwde kiezen van volkomen menschelijken vorm, dat men geen oogenblik twijfelen kan, deze kaak als een onderdeel van een menschelijk skelet te beschouwen. Ditzelfde bleek ook bij het röntgenologisch onderzoek van het fossiel. Ook de vorm van de tandwortels, door de röntgenstralen in het inwendige van de kaak zichtbaar gemaakt, bleek overeen te komen met die van het menschelijk gebit, niet met die van een of anderen apensoort.Fig. 15. De onderkaak van den homo heidelbergensis van terzijde gezien.Hoe de drager van deze kaak er moet hebben uitgezien,is natuurlijk niet te zeggen, maar wel kan men met zekerheid uit het gevonden fossiel afleiden, dat de drager een mengeling van dierlijke en menschelijke kenmerken moet hebben vertoond. Wil men van een „missing link,” van een overgangsvorm spreken, dan heeft men hier den typischen overgangsvorm voor zich. Wellicht brengt de zandgroeve van Mauer ons nog eens andere deelen van het geraamte, waaruit wij den verderen lichaamsbouw van den homo heidelbergensis kunnen afleiden. Dat hij in het laatste gedeelte der tertiaire periode bestaan heeft, dat hij de kenmerken van een tusschenvorm moet hebben vertoond, daarvan is de doorSchoetensackbeschreven fossiele onderkaak ons een zeker bewijs.Fig. 16. Omtrekken van de kaak van Mauer (den homo heidelbergensis) (A), en van een moderne menschelijke onderkaak (B).5. DeNeanderdal-schedel. In een vorig hoofdstuk beschreef ik reeds in korte trekken de geschiedenis van den vondst van dezen beroemden schedel, waarvan alleen ’t bovenste gedeelte, het schedeldak, is bewaard gebleven, die, jaren lang een unicum, tegenwoordigslechts één van een groote groep van gelijkwaardige fossiele vormen is. In 1856 door eenige arbeiders bij het uitgraven van een leemgroeve gevonden in een kleine grot in het Neanderdal bij Elberfeld, doch weggeworpen, doorFuhlrottmet nog eenige andere deelen van het skelet (de grootste helft der lange beenderen, een stuk van het bekken en eenige andere fragmenten) van den ondergang gered, en door hem enSchaaffhausenhet eerst beschreven, heeft deze schedel (of liever dit schedeldak) jaren lang het voorwerp van levendige discussies uitgemaakt. Terwijl men in Frankrijk, het klassieke land van de praehistorische vondsten en van de anthropologie, al spoedig tot het resultaat was gekomen, dat dit schedeldak met zijn eigenaardigen vorm, met zijn laag, wijkend voorhoofd, zijn overhangende, sterk verdikte wenkbrauwen, zijn langgerekt achterhoofd, een overblijfsel van een bijzonder, zeer laagstaand menschenras was (hoewel dit ook in Frankrijk niet zonder tegenspraak was gebleven), was in Duitschland door niemand minder danVirchowenRankede ban er over uitgesproken. De diluviale ouderdom van den schedel werd in twijfel getrokken, de eigenaardige eigenschappen er van werden voor pathologisch verklaard, en de schedel werd nu eens voor een schedel uit den tijd der Merovingers, dan weder voor dien van een Russischen kozak of van een soldaat uit den 30-jarigen oorlog gehouden, of wel in verband gebracht met de in zeker opzicht een dergelijken eigenaardigen („neanderthaloiden”) vorm vertoonende Marker- en Friezenschedels, met den Batavus genuinus van Blumenbach. Zoo werd aan denNeanderdal-schedelelke waarde ontzegd voor het probleem van de afstamming van den mensch. VolgensVirchow, die juist op de oogenschijnlijk groote overeenkomst tusschen den Neanderdal-schedel en de Marker-schedels den nadruk had gelegd, kon men nog heden ten dage menschen met dergelijke schedelvormen(de Marker visschers) in den Haag zien rondloopen.Dat de eigenaardige vorm van het Neanderdal-schedelfragment niet direct als normaal en als kenmerkend voor een bepaald menschenras met nog zeer inferieure kenmerken en van zeer hoogen ouderdom werd aangezien, was begrijpelijk, zoolang de Neanderdal-schedel nog een unicum was, vooral daar de eigenaardige omstandigheden van de vondst van de overblijfselen alle stratigraphische gegevens hadden doen verloren gaan, en de studie van dierlijke fossielen of steenen werktuigen uit dezelfde steenlaag als waarin de menschelijke overblijfselen hadden gelegen, waaruit de ouderdom had kunnen worden bepaald, onmogelijk hadden gemaakt. Toen echter in 1886 doorFraipontenLohestin België in de grot van Spy twee schedels met een onderkaak en een aantal andere beenstukken werden opgedolven en beschreven, waarvan de beide schedels een verrassende overeenkomst met het schedeldak vanFuhlrottenSchaaffhausenvertoonden, werd dit anders, en toen in 1893Duboisden hier boven vermelden pithecanthropus, die zoo vele punten van vergelijking met het Neanderdaler fossiel aanbood, beschreef, toen in de laatste jaren der 19e eeuwSchwalbezijne klassieke onderzoekingen over deze groep van fossiele schedels deed verschijnen, was de ban gebroken, en in 1901 op het Duitsche anthropologen-congres te Metz moestVirchowhet helaas nog beleven, dat hij ook door de Duitsche anthropologen verlaten werd, en dat, zooalsKlaatsch, zijn heftigste bestrijder, het uitdrukte, „der so lange verkannte Homo neanderthalensis seine wissenschaftliche Auferstehung feierte.”56. De bovenvermelde vondst van de skeletten bij deGrot van Spyin België door de Puydt en Lohest in18856was in twee opzichten belangrijk. De beide skeletten, doorgaans onderscheiden als Spy I en Spy II, werden door deskundigen uitgegraven, die de bijzonderheden van de steenlagen, waarin de overblijfselen waren ingesloten, van de daarbij aanwezige dierlijke overblijfselen en steenen werktuigen konden beoordeelen en die dus voor den hoogen ouderdom van de menschelijke overblijfselen konden instaan. Daarbij waren de verschillende beenstukken wel gebroken, maar konden toch een groot aantal er van gered worden en bleek vooral van de schedels veel bewaard gebleven te zijn.De dierlijke overblijfselen, o.a. mammoeth enrhinocerostichorinus, en de bij de skeletten gevonden steenen werktuigen wezen op een hoogen ouderdom, ongeveer in de „moustérien”-periode. De beenstukken zelf waren in drieërlei opzicht merkwaardig. In de eerste plaats vertoonde vooral de eene der beide schedels, die het meest volledig bewaard gebleven was, volkomen dezelfde eigenaardige kenmerken, het lage wijkende voorhoofd, het lange, uitpuilende achterhoofd, de geweldige wenkbrauwbogen, als de schedel uit het Neanderdal. In de tweede plaats was bij deze skeletten een nagenoeg volledig bewaarde onderkaak voorhanden, en ook deze onderkaak vertoonde verrassend dierlijke kenmerken, die zich geheel en al aan het inferieure karakter van den schedel zelve aansloten. Men moet bedenken dat men toen de zooveel later gevonden fossielen als den homo heidelbergensis en den later nader te bespreken schedel van la Chapelle-aux-Saints, die ons zooveel omtrent den vorm van de onderkaak bij de overgangsrassen geleerd hebben, niet kende. De vorm daarvan kon men eigenlijk alleen eenigermate afleiden uit een fragment van een fossiele menschelijke onderkaak, in 1866 in de grotte de laNaulettebij Dinant in België gevonden, en die merkwaardigwas om het nagenoeg geheel ontbreken van de vooruitstekende kin, het breede massieve karakter van het achterste opstijgende gedeelte en de groote tanden. De kaak van het skelet uit de grot van Spy bleek nu nog massiever te zijn, breed en zwaar gebouwd, met groote aanhechtingsplaatsen voor de kauwspieren, groote tanden, en een beenige vooruitstekende kin ontbrak hier geheel en al. Wij kunnen er echter nu bijvoegen dat al deze eigenschappen hier nog lang niet zoo sterk ontwikkeld zijn als bij de geologisch zooveel oudere kaak van den homo heidelbergensis. In de derde plaats kon men bij de skeletten van Spy ook de lange beenstukken, het dijbeen en het scheenbeen onderzoeken. In overeenstemming met den primitieven bouw van het verdere skelet bleek nu het kniegewricht zoo gevormd te zijn, dat, evenals bij de menschapen (gorilla, orang, chimpansee) het geval is, het evenwicht bij het staan slechts bij half gebogen knieën en voorovergebogen lichaam kon worden bewaard. Ook dat wijst dus op een aan de apen herinnerenden lichaamsbouw.Afgezien van een aantal fossiele fragmenten (van Cannstadt, van Eguisheim, van Brünn, van Sipka, Brüx, Predmost enz.) die ik hier verder onbesproken wil laten, zijn nu vooral in de laatste 6 jaren een aantal uiterst belangrijke vondsten gedaan, die zich volkomen aan de boven beschreven fossielen aansluiten, en de sterke verbreiding van het laagstaande menschenras, waarvan de Neanderdal-schedel het type vormt, aantoonen. In de eerste plaats:7. De vondst vanKrapina. Reeds in 1899 en 1901 waren door een Hongaarsch anthropoloog,Gorjanović-Krambergerkorte mededeelingen gedaan omtrent een belangrijke vondst van fossiele menschelijke overblijfselen in een rotshol bij het dorp Krapinaaan den oever van de Krapicina-beek. In 1906 volgde de uitvoerige beschrijving, nadat gedurende meer dan 6 jaren de onderzoekingen waren voortgezet. Het rotshol, waarin de overblijfselen werden gevonden, was geheel en al met aarde en steenen opgevuld, en was merkwaardig om de regelmatigheid waarmede de afzettingen in lagen boven elkaar voorkwamen, telkens afgewisseld door donkere dunne lagen, waarin houtskool en verkoolde beenderen de vroegere aanwezigheid van haardvuren aantoonden. Blijkbaar was het hol in overoude tijden, toen de bedding van het riviertje nog zooveel hooger lag dan nu, telkens overstroomd, en keerden, nadat het weer droog geworden was, telkens weer bewoners in het hol terug. In de onderste (dus oudste) steenlagen werden nu naast tal van steenen werktuigen uit de oudste palaeolithische periode (meer dan 600 stuks) en dierlijke overblijfselen, waarvan vooral de resten van den rhinoceros Merckii op een zeer hoogen ouderdom van de lagen wijzen, een zeer groot aantal menschelijkebeenstukkengevonden, van 9 verschillende skeletten. Terwijl de steenlagen onaangetast waren, bleken de skeletstukken alle gebroken, verbrijzeld te zijn. In fig. 17 zijn de grootste stukken afgebeeld. Zelfs deze stukken moesten nog met groote voorzichtigheid in elkaar gezet worden om voor verdere studie bruikbaar te zijn. Daarbij vertoonden de meeste beenstukken, vooral de lange pijpbeenderen, het eigenaardig voorkomen, dat beenderen krijgen als zij met vuur in aanraking zijn geweest, en vooral deze beenderen waren in de lengte gespleten, zooals dierlijke botten, waar men het beenmerg uitgehaald heeft. Het vermoeden ligt dus voor de hand, dat men hier met kannibalisme te doen heeft, dat dus die oudste bewoners van Kroatië menscheneters waren. Verder vertoonden de schedelbeenderen de eigenaardige kenmerken van de Neanderdalschedels in sterke mate. In fig. 17 zijn aan het van terzijdegeziene schedeldak (boven in de figuur) het lage wijkende voorhoofd en de sterk ontwikkelde wenkbrauwbogen, aan de onderste figuur links de groote holle oogkassen (vergelijk fig. 18 en 21) duidelijk zichtbaar.Dat wijst dus op een sterke verbreiding van ’t Neanderdalras over een groot deel van Europa. Maar daarnaast is ’t voor het probleem, hetwelk ons hier bezighoudt, van groot belang, dat onder de 9 verschillende cadavers, waarvan hier de beenstukken bij elkaar gevonden zijn, twee typen voorkomen, die van elkaar op dezelfde wijze verschillen als de langhoofden (dolichocephalen) en rondhoofden (brachycephalen) onder de latere menschenrassen. Ook bij het Neanderdalras (om op het oogenblik dezen naam te blijven gebruiken) bestonden dus reeds langhoofdige en rondhoofdige „neandertalers.” Later zullen wij hierop nog terug moeten komen. Hier wil ik er slechts nog op wijzen, dat deze zelfde eigenaardigheid ook bij de overblijfselen van de beenderen der ledematen der Krapina-skeletten werd gevonden. Naast zeer korte, stevige arm- en dijbeenderen werden lange, slanke beenstukken gevonden. Ook hierin dus hetzelfde verschil als bij de schedels. Naar aanleiding van de tanden en kiezen, bij de Krapina-skeletten gevonden, heeft zich een zeer levendige discussie ontsponnen, waarop ik hier niet wil ingaan. Slechts zij hier vermeld, dat vooral de kiezen uitmunten door hunne grootte, die in enkele gevallen de afmetingen van de kiezen uit de onderkaak van den homo heidelbergensis nog overtreft.Fig. 17. Verschillende schedelfragmenten van Krapina. Boven: een stuk van het schedeldak met oogkassen van terzijde gezien. Links onder: oogkassen en neus van voren gezien. Rechts onder: kaakstukken met tanden. VolgensKramberger.8. Werden dus tot in Kroatië vertegenwoordigers van het Neanderdaltype gedurende den ijstijd aangetroffen, aan de andere zijde van Europa werd in een steengroeve Forbes Quarry bij Gibraltar een fossiele schedel van hetzelfde laagstaande type gevonden, bekend als deGibraltar-schedel. Hoewel in 1843 reeds gevonden, geraakte deze schedel in vergetelheid, en is eerst in 1907 doorSollasuitvoerig en nauwkeurig beschreven. De schedel behoort zeer duidelijk tot het Neanderdaltype, en is merkwaardig, omdat 1°. het gelaatgedeelte van den schedel, dat door de groote holleoogkassen, de zware massieve wenkbrauwbogen en de wijde neusopening een eigenaardigen „bestialen” indruk maakt (fig. 18), beter bewaard is gebleven dan in de overige tot nu toe beschreven schedels, omdat 2°. de schedelcapaciteit, m. a. w. het volume van de door den schedel omsloten hersenmassa, 1100 c.M3., kleiner is dan die van de overige neandertaloide schedels, doch iets grooter dan het cijfer van den boven vermelden eoanthropus (1070), en omdat 3°. de eigenaardige vorm van de ook juist bij dezen schedel goed bewaard gebleven schedelbasis zeer sterk aan dierlijke formaties herinnert.Fig. 18. De Gibraltar-schedel „en face” gezien. VolgensSollas.9.Homo Mousteriensis Hauseri.Dit skelet, in 1908 in Frankrijk opgedolven, had een groote aanwinst voor de anthropologische wetenschap kunnen zijn, zoo niet de omstandigheden waaronder, en de wijze waarop het werd uitgegraven, een donkere schaduw over de geheele vondst hadden geworpen en de beteekeniser van verkleind. Een Zwitsersch handelaar in oudheden,O. Hauser, die reeds meermalen op Franschen bodem naar voorhistorische relicten had gezocht, vond in Maart 1908 bij het graven in een hol bij le Moustier in Dordogne, den klassieken bodem der belangrijkste voorhistorische vondsten, sporen van een menschelijk skelet. Inplaats van nu de Fransche archaeologen daarmede in kennis te stellen, werd alles weer zorgvuldig met takkebossen en planken toegedekt; eenige Duitsche anthropologen werden er bij genoodigd, en in Augustus van hetzelfde jaar werd doorHauserenKlaatschin alle stilte het skelet verder uitgegraven, de overblijfselen in een kist gepakt en weggevoerd, en eerst toen de vondst veilig over de grenzen was, werd er ruchtbaarheid aan gegeven.Hauserverkocht toen het skelet voor de som van 125000 mark aan het Museum te Berlijn. Het skelet was zeer broos en viel reeds bij het uitgraven voor een gedeelte uiteen. De schedel echter kon geheel gaaf worden te voorschijn gebracht. Of toen echter het transport wat te snel en niet met de noodige omzichtigheid geschiedde, de schedel viel gedurende het overbrengen in een aantal stukken uiteen, en de stukken zijn toen later doorKlaatschmet behulp van plasticine op zoo klaarblijkelijk onjuiste wijze weer in elkaar gezet, dat een monstrueuze schedel het resultaat van deze bewerking was, waarvan het gipsafgietsel, later in den handel gebracht, voor verder anthropologisch onderzoek vrijwel waardeloos is.7Daarbij zijn door deze wijze van uitgraven de stratigraphische bijzonderheden van de vondst in het geheel niet tot hun recht gekomen. Wel zijn fraai bewerkte steenen werktuigen uit de „moustiérien”-periode en eenige overblijfselen van den aueros (bosprimigenius) in de omgeving van het skelet gevonden, doch het ontbreken van nauwkeurige en betrouwbare gegevens omtrent het op elkaar volgen der verschillende steenlagen onder den beganen grond, enz., heeft ook in dit opzicht aan de vondst veel van hare waarde ontnomen. En dit is des te meer te betreuren, omdat de verschillende kenmerken van het skelet zelf op een hoogen ouderdom en op een laagstaanden primitieven bouw van het geheele lichaam wijzen. Het skelet is dat van een jeugdig persoon (ongeveer 16 jaren oud), met een grooten schedel, laag wijkend voorhoofd, groote holle oogkassen, vooruitstekende kaken en kinlooze onderkaak (type Neanderdal), terwijl ook hier weer dezelfde eigenaardige bouw van het kniegewricht blijkt te bestaan, die bij het skelet uit de grot van Spy te vermelden viel, en die er op wijst, dat de rechtopstaande houding nog niet geheel en al bereikt was, en ook de mensch van le Moustier het evenwicht bij het loopen slechts bij half gebogen knieën en voorovergebogen lichaam kon bewaren.10.l’Hommede la Chapelle-aux-Saints.Daar deze vondst, naast die van den homo heidelbergensis de meest volledige en best bewerkte anthropologische vondst uit den laatsten tijd is geweest, wil ik de bijzonderheden er van iets meer uitvoerig behandelen dan de voorgaande. Door ervaren deskundigen met de meeste zorgvuldigheid en zaakkennis uitgegraven, nagenoeg volledig, vooral wat de schedel betreft, bewaard gebleven, met volkomen betrouwbare stratigraphische gegevens, en daarna op voortreffelijke wijze doorM. Boule, den directeur van het Palaeontologisch Museum te Parijs, bewerkt,8kan deze vondst als voorbeeld van anthropologisch werk van den eerstenrang gelden en zal steeds de basis blijven vormen voor later praehistorisch-anthropologisch onderzoek.Fig. 19. Plattegrond en doorsneden van de grot, waarin het skelet werd gevonden, met het skelet zelf, zooals het werd aangetroffen.Fig. 20. De schedel van La Chapelle-aux-Saints, gerestaureerd. VolgensBoule.In Augustus 1908, toevallig juist een paar dagen vroeger dan de zooeven besproken vondst van Hauser, werd door drie Roomsch-Katholieke geestelijken—in Frankrijk telt de praehistorische anthropologische wetenschap vele en zeer bekwame beoefenaars onder de R. K. geestelijkheid—de abten J. en A. Bouyssonie en L. Bardon, in een kleine ondiepe grot bij de Chapelle-aux-Saints, in hetCorrèzedal, die bijna geheel met aarde en steenlagen was opgevuld, diep onder deze steenlagen, op den rotsigen bodem een nagenoeg gaaf skelet uitgegraven (fig. 19). Het skelet lag in een regelmatig gevormde, rechthoekige uitholling van den bodem van de grot op den rug, met den eenen arm op de borst gevouwen en de knieën sterk opgetrokken, een houding dus die aan de latere hurkgraven (Höckergräber) herinnert. Een aantal steenen werktuigen,in de steenlagen gevonden, waren van het Moustérien-type. Dierlijke overblijfselen van rendieren, een soort van paard, een bovine vorm, rhinoceros tichorinus en eenige andere dieren, wezen op een zeer hoogen ouderdom. Het had den schijn, alsof deze bepaalde grot alleen als begraafplaats had gediend. Voor andere doeleinden was zij, ook als alle steenlagen werden opgeruimd, veel te laag. De steenlagen bleken volkomen onaangetast te zijn nadat het skelet was begraven; vlak boven het hoofd van het geraamte lagen in de steenlaag de voetbeenderen van een bison nog in hunne natuurlijke ligging tegen elkaar aan.Behalve de regelmatig gevormde uitholling in de onderste laag, waarin het menschelijk skelet lag, waren de steenbeddingen en aardlagen van de grot regelmatig de eene boven de andere gerangschikt. In die bovenste lagen werden de steenen werktuigen en dierlijke overblijfselen gevonden. De groote ouderdom van het skelet kan dus niet in twijfel getrokken worden.Fig. 21. De schedel van LaChapelle-aux-Saints, van terzijde, van voren en van boven gezien.Het skelet zelf is dat van een man, op rijperen leeftijd, ongeveer 1.60 meter lang. De verschillende beenstukken van den romp en de ledematen vertoonen een aantal primitieve kenmerken, die wij niet of slechts in geringen graad bij het skelet van den modernen mensch, daarentegen in verhoogde mate bij de hoogste apen terugvinden. Vooral de bijzonder stevig gebouwde beenderen der ledematen, en de kleine beenderen van hand en voet vertoonen een reeks zoogenaamde „pithecoïde” (bij de apen terug te vinden) kenmerken.Het merkwaardigste gedeelte van dit skelet is evenwel de schedel, waarvan doorBouleeen voortreffelijk gipsafgietsel is vervaardigd. Van het gebit zijn slechts twee tanden, een in de boven- en een in de onderkaak bewaard gebleven, doch daar deze juist tegenover elkander staan, is het mogelijk, de onderkaak volkomen in haar natuurlijken stand te brengen (fig. 20 en 21). Men kan zich dan moeilijk een schedel denken waarin meer dierlijke en menschelijke trekken tot een grotesk geheel vereenigd zijn. Het platronde, zeer lage, wijkende voorhoofd, boven de groote ronde holle oogkassen verdikt tot geweldige vooruitstekende wenkbrauwbogen, de groote, wijde neusopening en de breede kaken, sterk naar voren uitstekend, de afwezigheid der eigenaardige beiderzijdsche inzinkingen onder de oogholten ter zijde van neus en mond, de zoogenaamde fossae caninae, die juist aan het menschelijk gelaat zijn typisch humaan karakter verleenen, de zware massieve onderkaak met zijne kinlooze afronding, het naar beneden als het ware afzakkende achterhoofd, dat alles geeft een dierlijk, onmenschelijk karakter aan dezen schedel, zooals het bij geen enkelen menschelijken schedel tot dusver is gevonden. Hetgeen den menschelijken schedel zoozeer verheft boven de dierlijke schedels, ook van de hoogst ontwikkelde apen, het predomineeren van het gedeelte dat de hersenen omsluit, het intellectueele element, bovende kaakstreek, het onderste gedeelte van het gelaat, als ’t ware het materieele element, ontbreekt hier geheel en al. Men beschouwe slechts de verschillende aspecten van den schedel in fig. 21. De verhoudingen zijn hier bij dezen schedel juist omgekeerd.Fig. 22. Een chimpansee-schedel (A) naast den fossielen schedel van La Chapelle-aux-Saints (B) en een modernen menschelijken schedel (C) geplaatst, van voren gezien.Het best komen deze eigenaardigheden tot hun recht, als men den schedel van la Chapelle-aux-Saints photographeert naast een schedel van een chimpansee (als voorbeeld van een hoog ontwikkelden menschaap) en een moderne menschenschedel. In de figuren 22 en 23 zijn de 3 objecten naast elkaar gephotographeerd, van voren en van terzijde gezien. De afbeeldingen spreken duidelijker dan een lange beschrijving. Men lette slechts op de groote oogkassen, op neus- en kaakstreek, op den vorm van het achterhoofd en van de eigenaardige beenige vooruitstekende wenkbrauwbogen bij den chimpansee en den fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints in fig. 23, om een duidelijkenindruk te verkrijgen van het merkwaardig aspect van dezen schedel. En van welke zijde men de objecten beschouwt, aan welke bijzonderheden men zijne aandacht schenkt, steeds krijgt men denzelfden indruk van het overgangskarakter, van de mengeling van dierlijke en menschelijke eigenschappen, die dezen schedel kenmerkt, waarbij de dierlijke eigenschappen de overheerschende zijn.Fig. 23. Dezelfde drie schedels (A, B en C) van terzijde gezien. VolgensBoule.Dit geldt zelfs niet alleen voor den beenigen schedel.Het is aan de bekwame preparateurs van het Parijsche Museum zelfs gelukt, een volkomen nauwkeurig afgietsel van de holte van den schedel te vervaardigen, waaraan nog zoovele bijzonderheden van den oppervlakkigen vorm der eertijds door dien schedel omsloten hersenen te zien was, datBouledoor vergelijking van dit afgietsel met een reeks van dergelijke afgietsels van menschen- en van apenschedels met zekerheid kon aantoonen, dat ook in den vorm der hersenen eene mengeling van dierlijke en menschelijke kenmerken aanwezig was. Het merkwaardige is nu hierbij, dat de hersenmassa als geheel genomen groot en zwaar is, slechts iets geringer van volume dan de hersenen van den modernen mensch. Ook bij den neanderdal-schedel en den schedel van Gibraltar was dit reeds opgevallen, voor zoover men bij die schedels den inhoud met eenige mate van waarschijnlijkheid had kunnen berekenen.Wij hebben dus hier een menschenvorm voor ons, een representant van een in de oudste praehistorische tijden over een groot deel van Europa verspreid ras, dat in zijn bouw in zoo hooge mate dierlijke en menschelijke kenmerken vereenigt, dat zoozeer zich nauw aansluit aan de hoogst ontwikkelde bekende diersoorten, en zoozeer afwijkt van den gewonen mensch, den homo sapiens, dat men zich zou afvragen, of men hier wel met menschen te doen heeft. Zeker is het, dat als het niet menschen, doch dieren gold, geen palaeontoloog zou aarzelen, den fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints tot een andere soort te rekenen dan den tegenwoordig levenden mensch of zelfs den praehistorischen mensch uit latere perioden. Ook voor de representanten van het neanderdal-ras is dat dan ook reeds geschied, en doorSchwalbe,Krambergeren een aantal andere anthropologen wordt de neanderdal-mensch alshomo primigeniustot een andere soort gerekend dan de homosapiens. Wij komen hierop later bij onze algemeene beschouwingen nog nader terug, maar één zaak moet ik als behoorende bij het geschetste beeld van den fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints nog hier memoreeren. De fossiele overblijfselen vertoonen ons een menschvorm, uit de vroegste praehistorische periode, waarin men den mensch als zoodanig heeft aangetroffen, in wiens bouw de dierlijke, aapachtige kenmerken in vele opzichten meer op den voorgrond treden dan de typisch menschelijke eigenaardigheden, zoodat men zelfs gemeend heeft, het ras, waartoe hij behoorde, tot een andere soort te moeten brengen. En toch ziet men, dat wat de geestelijke eigenschappen betreft, de mensch van la Chapelle-aux-Saints midden in den geestelijken ontwikkelingsgang van het menschdom staat. Wij zagen dat het skelet lag in een gedolven grafholte. Zooals uit de plattegrond van de grot in fig. 19 (links) blijkt, had deze uitholling van de bodemlaag van de grot een bepaalden zeer regelmatigen rechthoekigen vorm. En als wij nagaan, hoe die grafuitholling ligt, dan zien wij dat de lange as van den rechthoek juist west-oost is georienteerd, zoodat ook het lichaam in de richting van den zonsloop ligt. Daarbij lag het skelet in de voor de latere „Höckergräber” zoo typische houding met sterk opgetrokken knieën, waardoor, zooals men meende, de ziel verhinderd werd het lichaam te verlaten. Een aantal steenen wapenen liggen om de grafuitholling verspreid, blijkbaar als wapenen aan den doode medegegeven. Trekken wij uit al deze feiten de gevolgtrekking, dan had het volk of de stam, die dezen doode hier voor zoovele duizenden jaren begroef, eerbied voor de dooden. Immers, zij werden begraven. Voorts een zekere mate van cultuur, getuige de regelmatige vorm van de grafholte, een godsdienstig gevoel, vermoedelijk een soort van zonaanbidding, getuige de nauwkeurige orientatie van het graf in de richting oost-west, en eengeloof in een voortbestaan na den dood, getuige de houding van het skelet en de aan den doode medegegeven wapenen.—Een ervaren archaeoloog zou wellicht uit de hierboven genoemde feiten nog verdere conclusies trekken, maar het hier gezegde schijnt mij voldoende, om te doen uitkomen, dat men dezen gedachtengang niet mag verwaarloozen, waar men op zuiver morphologische gronden aan een bepaalden vorm een zekere waarde wil toekennen. Zooals ik zeide, komen wij op dit alles bij de algemeene slotbeschouwingen nog nader terug.11. Andere, nog niet voldoende beschreven skeletvondsten uit den laatsten tijd, zooals bij la Ferrassie (1909–1910), la Pech de l’Azé (1909), la Quina (1911), Saint-Brelade (1911), ga ik hier met stilzwijgen voorbij. Voor zoover men uit de korte nota’s die er van gepubliceerd zijn, kan nagaan, werden ook hier skeletten van het neanderdal-ras opgedolven.Fig. 24. Doorsneden van de „grotte des enfants” bij Grimaldi met de verschillende steenlagen, de oude er vroeger ingegraven put, en de in de steenlagen gevonden skeletten. De eene doorsnede in de lengterichting van de grot, de andere dwars op den ingang. Buiten de grot de spoorrails.12. Naast deze vondsten zijn echter nog enkele van grooter belang te vermelden; in de eerste plaats de zoogenaamde vondst vanGrimaldi. Reeds gedurende een aantal jaren werden op aansporing van Albert I van Monaco de zoogenaamde Grottes de Grimaldi, bij Mentone, systematisch op den inhoud hunner steenbeddingen onderzocht door eenige Fransche archaeologen, met nameVerneau,Boule,Villeneuveen vroeger doorRivière. Een aantal skeletten werden opgedolven die allen tot de jongere pleistocene periode (vooral de „aurignac”-periode en later) behoorden en allen het die periode kenmerkende zoogenaamde „Cro-magnon” type (zie pag. 99) vertoonden met al de kenteekenen van den homo sapiens. Maar nu werd in Juni 1901 door den abtVilleneuvein de zoogenaamde Grotte des Enfants, waarin reeds vroeger in de bovenste steenlagen (zie fig. 24) een skelet van het „Cro-magnon”type was opgedolven, in de diepste lagen een nieuwe vondst gedaan van twee skeletten, die op een diepte van meer dan 8 meter onder de oppervlakte gevonden werden. Deze beide skeletten, in de hierbij gevoegde doorsnedeteekening van de grot met zijn verschillende boven elkaar liggende steenlagen (fig. 24) duidelijk zichtbaar, vertoonden nu een ander type dan het neanderdal-ras, nl. een schedeltype, zooals het in fig. 25 afgebeeld is, met hoog, gewelfd voorhoofd, zonder de vooruitspringende wenkbrauwbogen van den fossielen mensch der vorige vondsten, met gewelfden, fraai afgeronden schedel, doch met vooruitstekendekaken, platten neus, bijna geen kin en een aan het negerras herinnerende vorming van het gezichtskelet. Vandaar dat dit type doorVerneau, die deze vondst uitvoerig heeft beschreven, het „negroïde” type genoemd werd. Boven de laag, waarin deze beide skeletten begraven waren (er was een duidelijke steenbedekking om de beide skeletten aangebracht, een graf derhalve), werd op ongeveer 7 meter diepte nog een skelet gevonden, dat evenals het reeds vroeger in de bovenste steenlagen van dezelfde grot gevonden, geheel en al het karakter van den homo sapiens vertoonde. Dit laatste skelet zou volgens de in dezelfde laag aangetroffen steenen werktuigen en dierlijke overblijfselen tot het laatste gedeelte van de „aurignac”-periode behooren, de beide skeletten van het negroïde type zouden tot de „moustier”-periode behooren, dus ongeveer van denzelfden ouderdom zijn als de zooeven beschreven skeletten van het neanderdalras. Nu is wel door latere opgaven vanM. Boulegebleken, dat de ouderdom van deze „negroïde”-skeletten niet zoo groot is als men eerst meende, maarer blijkt toch wel uit, dat niet zoo heel veel later dan de periode, waarin wij hier in Europa een ras met zeer inferieure kenmerken aantreffen, er in hetzelfde werelddeel menschen werden gevonden die een ander, hooger type vertegenwoordigden. Het toont tevens aan, hoe voorzichtig men zijn moet met conclusies, getrokken uit fragmenten van schedels. Had men van deze negroïde schedels vanVerneauslechts het schedeldak met het hooge gewelfde voorhoofd zonder vooruitspringende wenkbrauwbogen gevonden, men zou niet geaarzeld hebben, de dragers dier schedels tot den normalen homo sapiens te rekenen. Had men slechts de kaken en het gezichtskelet gevonden, men zou ongetwijfeld de dragers bij het neanderdalras hebben ingedeeld, tenminste ook voor den verderen schedel inferieure kenmerken hebben verondersteld. De schedel, in zijn geheel beschouwd, toont aan, dat dit niet het geval behoeft te zijn. Zoo maant ons dus een dergelijke vondst tot voorzichtigheid.Fig. 25. Schedel van het „negroïde”type uit de „Grotte des enfants.” VolgensVerneau.13. Zoodra wij in de jongere perioden van het oude steenen tijdperk, in de aurignac-periode en in het Magdalenium komen, houden merkwaardigerwijze alle sporen van het voor de oudere tijdperken, het Moustierium, de „acheuléen” en „chelléen” periode, zoo typische neanderdal-ras op. Het lage, wijkende voorhoofd met de groote zware wenkbrauwbogen en den naar achteren uitgezakten zwaren schedel verdwijnt en een nieuw ras treedt op, met smalle slapen, hoog, gewelfd voorhoofd, langen schedel, kleinere fijn gevormde oogkassen zonder de zware wenkbrauwbogen, kortom een ras treedt op, dat zich volkomen aansluit aan de tegenwoordig levende menschenrassen, aan den homo sapiens. Overgangsvormen tusschen de beide rassen kennen wij niet. Wel zijn bij de verschillende skeletvondsten uit deze laatste perioden (Aurignac, Magdalénien) minder ontwikkeldeskeletvormen naast meer ontwikkelde gevonden, doch er blijft een diepe klove tusschen de beide typen bestaan.Vondst vanCro-magnonin Dordogne, Frankrijk. Aan deze vondst ontleent het menschenras uit de latere perioden van het palaeolithicum zijn naam. In 1868 werden nl., bij het aanleggen van een spoorweg, in een „abris sous roche” daar ter plaatse vijf skeletten gevonden, in een steenlaag uit de aurignac-periode. DoorLartet, die de vondst nauwkeurig onderzocht heeft, werd van begraven der skeletten geen spoor gevonden. Uit de in dezelfde laag gevonden steenen werktuigen, versierselen (een groot aantal doorboorde schelpjes, blijkbaar oorspronkelijk tot kettingen aaneengeregen) en dierlijke overblijfselen bleek, dat de skeletten uit de aurignac-periode, het rendiertijdperk, stamden. De vorm van den schedel en van het verdere beenstelsel is typisch gelijkend op dien van den tegenwoordig levenden homo sapiens.Andere vondsten van blijkbaar wel begraven skeletten van hetzelfde type van cro-magnon, liggende in de van nu af aan gedurende langen tijd voor begraven lijken vrijwel typische houding met gebogen armen en sterk opgetrokken knieën (men vergelijke bijv. fig. 9, Egyptisch graf uit het neolithicum), zooals die vanLaugerie-Bassein Dordogne, in 1872 door Massénat uitgegraven, vanChancelade, eveneens in Dordogne, in 1888 gevonden, uit de grot vanHoteaux, bij Rossillon, allen uit de bovengenoemde latere perioden van het palaeolithicum, ga ik hier met stilzwijgen voorbij, omdat zij ons, hoe belangrijk zij ook mogen zijn voor de rassen-anthropologie van Europa, voor het probleem van de afstamming van den mensch weinig leeren. Men ziet uit deze vondsten, dat gedurende de latere perioden van het oude steenen tijdperk, dus nog in het diluvium, in Europa zich een menschenras ophield, dat een schedelvorm bezat, die zich in dehoofdpunten volkomen aansloot aan die van den tegenwoordig levenden mensch, van den homo sapiens. Dit ras moet toen ter tijde een groote verbreiding gehad hebben. In Frankrijk, in Italië, in Spanje, in België, in Noorwegen en Zweden is het bestaan er van door verschillende vondsten aangetoond. Directe overgangsvormen, die dit ras verbinden met het boven beschreven neanderdal-ras, kennen wij niet.14. Door sommige, vooral Duitsche, anthropologen wordt in dit opzicht, m. i. ten onrechte, een groote beteekenis toegekend aan het in 1910 doorHauserenKlaatschgevonden skelet vanCombe Capelle, den zoogenaamden aurignac-jager, bij het dorp van dien naam (dicht bij Montferrand-Périgord in Frankrijk) uitgegraven. De schedelvorm is reeds volkomen als die van een hedendaagschen Europaeer, met hoog gewelfd voorhoofd, kleine neusopening, sterk dolichocephalen (langen) schedel, geen vooruitstekende kaken. Een laag kenmerk zou evenwel zijn, dat de vooruitstekende kin ontbreekt. Beschouwt men nu evenwel nauwkeurig de verschillende afbeeldingen van dezen „homo aurignaciensis Hauseri,” zooals het skelet genoemd wordt, dan blijkt de kin volstrekt niet afwezig te zijn, doch slechts iets minder sterk ontwikkeld dan bij de tegenwoordig levende Europaeers. Een dergelijke gering ontwikkelde kinvorming kan men tegenwoordig nog bij een aantal volksstammen vinden, bij de eskimo’s, om in Europa te blijven, en wat den praehistorischen mensch betreft, bij het reeds jaren geleden bij Raymondes gevonden, uit de magdalénien-periode stammend skelet, in het museum van Périgueux bewaard, is precies hetzelfde te zien.Met dit ras van Cro-magnon kunnen wij onze beschrijving van de verschillende vondsten afsluiten.Slechts die vondsten hebben wij opgesomd, die voor de vraag, die wij ons gesteld hadden, belangrijk waren. Een archaeologische beschrijving, een historie van het voorhistorische tijdperk der menschelijke ontwikkeling te schrijven, ligt buiten de grenzen van dit boekje en volkomen buiten mijn bereik. Slechts zij nog het volgende opgemerkt:Met derendier- enbisonjagers van het Cro-magnon-ras sluit het oude steenen tijdperk af. Uit het zoo uiterst bescheiden begin der eolithen heeft zich in de duizenden jaren van zijn duur een beschaving ontwikkeld, een techniek van fijn bewerkte steenen instrumenten en wapenen, van kunstvol gesneden voorwerpen uit rendierhoorn en been, zooals wij die vinden in de laatste periode van het palaeolithicum, het magdalenium.Met het eindigen van den ijstijd sluit nu evenwel ook deze cultuurperiode af, wordt het einde van het rendiertijdperk bereikt. Bij het langzamerhand weder warmer worden van het klimaat schijnt het rendier naar het noorden getrokken te zijn. Of een deel van de menschen het voor hun bestaan zoo belangrijk geworden dier volgde, of de zich langzaam veranderende klimatologische verhoudingen een nomadenleven met zich brachten, de mensch schijnt de oude nederzettingen gedurende vele eeuwen verlaten te hebben. In dat gedeelte van West-Europa, waar overal de overblijfselen uit den ijstijd zoo talrijk en in zoo groote verscheidenheid te vinden zijn, in Zuid-Frankrijk, is de steenlaag, die de overblijfselen van de laatste periode van het palaeolithicum, de magdalénienperiode, inhield, overal bedekt door een dikke steen- en aardlaag, die volkomen steriel, volkomen vrij van voorhistorische overblijfselen, zij het steenen of hoornen of beenen werktuigen, zij het menschelijke of dierlijke skeletdeelen, is.Zien wij den mensch weer optreden, dan is hij eenandere geworden in een andere omgeving. De uitgestrekte steppen, die na den afloop van den ijstijd waren ontstaan, zijn verdwenen, dichte wouden bedekken het grootste gedeelte van Europa, met een rijke dierenwereld, uit andere vormen bestaande dan de ijstijd-fauna van het palaeolithicum. Ook den mensch vinden wij in anderen vorm, hoewel vermoedelijk gemengd met de overblijvende menschen van hetcro-magnon-rasras. Zijne raskenmerken zijn anders geworden, zijne beschaving eveneens. Wij komen in het nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum, met werktuigen uit hertshoorn inplaats van uit rendierhoorn en steenen wapenen van een nieuwe techniek, eerst ruw en onbeholpen, langzamerhand meer en meer verfijnd, tot het steenen tijdperk, ook in den technisch zoo volmaakten vorm van het latere neolithicum, plaats moest maken voor het tijdperk der metalen werktuigen, het bronzen, het ijzeren tijdperk.Overgangsvormen tusschen het neanderdalras en hetcro-magnon-rasvonden wij niet, zooals wij vroeger reeds zagen. Hier vinden wij dus nu een tweede onderbreking. Bij deze onderbreking, die reeds meer in het bereik der archaeologische studie ligt, nemen wij een indringen van nieuwe elementen uit het Zuid-oosten, uit Azië, aan. Ligt het niet voor de hand, ook bij de eerste onderbreking aan een invasie van buiten Europa te denken?Is nu met betrekking tot het vraagstuk van de afstamming van den mensch buiten Europa, in Azië, in Australië, in Amerika iets van belang gevonden?Daarover kunnen wij kort zijn. Op de groote beteekenis van den pithecanthropus uit Java legden wij reeds den nadruk. Wij kunnen er evenwel aan toevoegen, dat wel in onze Oost, in Ceylon, in Engelsch-Indië, sporen van palaeolithische werktuigen gevonden zijn, maar bij de tot nu toe nog vrij groote onzekerheid,die wat die gebieden betreft, over hunnen geologischen ouderdom heerscht, kan men daaromtrent nog weinig zeggen en wordt in elk geval een vergelijking van die sporen met de in Europa zelf gevonden voorwerpen en de bepaling van hunnen ouderdom uiterst moeilijk. Ook is het onderzoek hier, naar het schijnt, niet steeds met de noodige nauwkeurigheid verricht. Zoo werd van de tertiaire menschelijke overblijfselen, die doorNoethlingin Opper-Birma gevonden waren, reeds spoedig (1902) doorSwinhoe Redway, een Engelsch onderzoeker, aangetoond, dat zij nietinhet uit tertiaire gesteenten bestaande plateau lagen, zooals doorNoethlingwas gemeend, doch er bovenop, en dat zij dus zeer zeker niet van tertiairen oorsprong kunnen zijn.Zoo werden doorAlsbergin 1892 in tertiairen zandsteen, bij Warnambool in Australië, in den nog weeken steen afgedrukte en daarna verharde voetsporen van menschelijke wezens gevonden.Klaatsch, die deze voetsporen ook bestudeeren kon, hield ze voor ontwijfelbaar van menschelijke wezens afkomstig en meende zelfs bij deze voetsporen den indruk van een menschelijk zitvlak(!) te vinden. DoorBrancowerd reeds in 1905 tot voorzichtigheid in dezen gemaand, en doorNoethlingwerden dan ook later in afgelegen streken van Australië in de sneeuw(!) dergelijke voetsporen gevonden, die evenwel door kangoeroe’s waren achtergelaten. Ging zulk een kangoeroe zitten, dan werd een dergelijke indruk in de sneeuw achtergelaten als doorKlaatschin geniale fantasie voor den afdruk van een menschelijk zitvlak werd gehouden. Wie te veel bewijst....Dezelfde moeilijkheden, die ik boven aangaf voor de vergelijking van den ouderdom van bepaalde steenlagen en afzettingen in Oost-Azië en in Europa, gelden voor Amerika. De lagen, die door Amerikaansche onderzoekers (met nameAmeghino) voor tertiairworden gehouden, worden door Europeesche geologen die ze hebben kunnen bestudeeren, voor quartair gehouden. Het spreekt van zelf, dat een dergelijk gemis aan zekerheid, juist voor het probleem, hetwelk ons hier bezighoudt, zeer gevaarlijk is. Zoo men in Amerika menschelijke schedels met inferieure kenmerken had gevonden, die uit de tertiaire periode stamden, zouden dergelijke schedels oneindig veel belangrijker zijn dan wanneer zij uit de quartaire periode afkomstig zijn. En ook verder schijnen de geologische verhoudingen van dat groote continent nog niet in die mate nauwkeurig bestudeerd te zijn, dat zij tot vaststaande gegevens omtrent den ouderdom der verschillende steenlagen en afzettingen hebben kunnen voeren. Zoolang dat niet het geval is, doet men beter, de opgaven in die richting met een zeker scepticisme te beschouwen. Zoo is bijv. van den beroemden Calaveras-schedel uit Mexico, die van zeer hoogen tertiairen ouderdom heette te zijn en een aantal inferieure kenmerken vertoonde, later gebleken, dat het een indianen-schedel uit den tegenwoordigen tijd is. Van eenige andere schedels, die doorAmeghinobeschreven zijn, en waarvan hij de afwijkingen van den normalen menschelijken schedel zoo groot vond, dat hij meende, ze tot een andere soort (den homo pampaeus en homo pliocaenicus) te moeten rekenen, is later bij nader onderzoek gebleken, dat het schedels waren, die van gewone menschen, normale exemplaren van den homo sapiens afkomstig waren, doch die kunstmatig waren vervormd, zooals dat bij een aantal Indianen-stammen nog heden ten dage stelselmatig bij jonge kinderen wordt gedaan. Andere schedels met laag, wijkend voorhoofd, doorHrdlickabeschreven, zijn ongetwijfeld van jong-diluvialen ouderdom en vertoonen ook de inferieure kenmerken in geenen deele zoo sterk en zoo algemeen als de neanderdal-groep.Zoo hebben ook de vermeende voorloopers van hetmenschelijk geslacht, waarvanAmeghinoin de oude geologische formaties van Argentinië de fossiele overblijfselen meende te hebben ontdekt, de tetraprothomo en de diprothomo, bij nader nauwkeurig onderzoek geen stand kunnen houden en zijn naar het rijk der fabelen terugverbannen. En hetzelfde geldt, ten minste wat den naam betreft, voor de fossiele apensoorten, die doorAmeghinoin geologisch oude steenlagen zijn gevonden, en door hem met de tendentieuze namen homunculus, homocentrus, anthropops bestempeld zijn. Fossiele apensoorten zijn het wel; van eenige verwantschap met den mensch, die in de namen, hen doorAmeghinogegeven, ligt opgesloten, is geen sprake.Alles te zamen genomen zijn dus op het oogenblik geen feiten bekend, die er op zouden wijzen, dat wij in Amerika de bakermat van het menschelijk geslacht moeten zoeken. Het spreekt vanzelf, dat daaruit niet direct mag worden afgeleid, dat de mensch in de praehistorische tijden van het quartaire tijdperk niet ook in Amerika bestaan heeft. Maar dan is hij van elders geïmmigreerd.Met Australië staat het anders gesteld. In dat groote eilandenrijk, in vroegere geologische perioden door groote landbruggen met de overige werelddeelen verbonden, doch reeds in lang achter ons liggende perioden geïsoleerd, hebben een aantal diersoorten zich in den strijd om het bestaan kunnen handhaven, die in de andere werelddeelen reeds vroeg zijn uitgestorven. Ook de oorspronkelijke inboorlingen vertoonen inferieure kenmerken, die eenigszins aan het Neanderdal-ras doen denken en die verschillende anthropologen er toe gebracht hebben daar de plaats te zoeken, waar het menschelijk ras zich uit dierlijke voorvaderen heeft ontwikkeld, en van waar het door langzame emigratie en verspreiding de geheele wereld heeft bevolkt. Eenige zekerheid hieromtrent heeft men evenwel geenszins.1Wij weten nog in het geheel niet, hoe lang het geleden is, dat de mensch zich van het geslacht der apen losmaakte; maar het kan zelfs zoo lang geleden zijn als de eocaene periode.↑2Ook dit wordt echter weer tegengesproken, doorDuboiszelf en door een Engelsch anthropoloog van groote autoriteit,Arthur Keith, die in 1912 in een reeks lezingen trachtte aan te toonen, dat de pithecanthropus wel in het tertiaire tijdperk thuis behoort. Voorloopig schijnt mij echter de opvatting vanVolzenMartinop degelijker gronden te berusten.↑3De inmiddels doorDawsonenSmith Woodwardgepubliceerde uitvoerige beschrijving is niet geschikt, om bestaanden twijfel omtrent de juistheid der voorloopige opgaven weg te nemen. Zoowel wat betreft den hoogen ouderdom van de overblijfselen als hunne zoo uiterst primitieve kenmerken vraagt men zich af, of de beide onderzoekers wel altijd hunne vondsten met de noodige nauwgezetheid hebben beoordeeld.↑4Zooals echter boven reeds werd opgemerkt, laat de inmiddels verschenen uitvoerige beschrijving van de vondst nog wel eenigen twijfel bestaan aan de juistheid dezer voorloopige opgaven vanDr. Smith Woodward.↑5Zieachterin.↑6DoorFraipontenLohestin 1886 beschreven.↑7Volgens de opgaven van de Firma Krantz is er nu in den laatsten tijd een beter gipsafgietsel van vervaardigd.↑8M. Boule.l’Homme fossile de la Chapelle-aux-Saints. Annales de Palaeontologie 1913. blz. 1–278. 101 afbeeldingen.↑
VIDE VOORNAAMSTE ANTHROPOLOGISCHE VONDSTEN„We are far from knowing how long ago it was when man first diverged from the Catarine (Simian) Stock; but it may have occurred at an epoch as remote as the eocene period.”Darwin.1Welke zijn nu de wegwijzers in dien doolhof? Kennen wij tusschenvormen tusschen dier en mensch, of bestaat nog steeds de „break in the chain,” waaroverDarwinklaagde? Wat leeren ons hieromtrent de fossiele menschelijke overblijfselen?Fig. 12. Schedeldak (van boven en van terzijde gezien), dijbeen en kiezen van denpithecanthropuserectus vanDubois.Het zou de ruimte, mij door den uitgever voor dit boekje toegestaan, verre overschrijden, zoo ik een volledige opsomming en beschrijving wilde geven van al de vondsten van praehistorische menschelijke overblijfselen, welke bekend geworden zijn. Die opsomming zou daarbij bijzonder vervelend worden, nutteloos zijn en niet op haar plaats in dit werkje. Ik wil dan ook slechts de voornaamste noemen, en slechts van die vondsten een iets meer uitvoerige beschrijving geven, die nieuwe gezichtspunten hebben geopend of bepaalde vragen nader tot hunne oplossinghebben gebracht. Voor een overzichtelijke rangschikking der gegevens is natuurlijk de chronologische volgorde daarbij niet de meest gewenschte. Want dan weer wordt een zeer oude vorm ergens gevonden, eenigen tijd later een overblijfsel van veel geringeren ouderdom, dan weer een overblijfsel uit de vroegste perioden der menschelijke historie opgedolven, enz. Wil men in staat zijn, bij de beschrijving der verschillende vondsten tevens een beeld te geven van de wordingsgeschiedenis van het menschenras, voor zoover men die kent, dan is de eenige weg die, dat men eerst die overblijfselen beschrijft, die zich het nauwsteaan de dierenwereld aansluiten, dan de overblijfselen met iets minder inferieure kenmerken, om te eindigen met die vormen, die geheel en al de typische kenmerken van den homo sapiens, den tegenwoordig levenden mensch vertoonen.Beginnen wij dus met de meest dierlijke overblijfselen.1.Pithecanthropus erectusDubois.Zelden is wel over een vondst van fossiele overblijfselen zoo veel gestreden, heeft een ontdekking zooveel twijfel, ergernis, wantrouwen, vreugde en opgewondenheid—al naarmate het standpunt, dat men tegenover de descendentieleer en het vraagstuk van de afstamming van den mensch innam—veroorzaakt, als toenEugene Duboisin 1893 van uit Batavia het bericht de wereld inzond, dat hij de overblijfselen van een op den mensch gelijkenden overgangsvorm had gevonden, dien hij pithecanthropus erectus, den rechtopgaanden aapmensch noemde. Wel waren het luttele overblijfselen—een schedeldak, een dijbeen, een kaakfragment en twee kiezen (Fig. 12) maar zij vereenigden zoovele menschelijke en dierlijke kenmerken in zich, herinnerden zoo sterk aan de eene zijde aan de hoogst staande apen, aan de andere zijde aan het menschelijke skelet, dat men hier den tusschenvorm, den „missing link” vanDarwin, meende voor zich te hebben. De verschillende beenstukken (schedeldak en dijbeen) lagen wel bij het vinden 15 meter van elkaar verwijderd, maar zoo volkomen in dezelfde steenlaag (men vergelijke de doorsnede van de lagen in fig. 13), en zonder eenige verdere bijmengselen, dat het van verschillende zijde geuite bezwaar, dat de stukken niet tot hetzelfde dier zouden hebben behoord, doch het dijbeen van een mensch, het schedeldak van een grooten aap afkomstig zou zijn, wel ongegrond mag genoemd worden. Waar is, dat het dijbeen verrassend veel op dat van een mensch gelijkt, de schedelkapmeer op die van een grooten aap, dan op die van een mensch, hoewel in vele opzichten meer ontwikkeld dan de tegenwoordig levende menschapen.Duboisgaf daarenboven aan, dat volgens de bij de overblijfselen in dezelfde steenlaag gevonden fossielen de geheele laag van tertiairen oorsprong zou zijn. Men had hier dus den langgezochten tertiairen voorvader van het menschelijk geslacht voor zich. Nu is door de resultaten van latere opgravingen op dezelfde plaats wel eenige twijfel hierover ontstaan. De bewerking der door de expeditie van Mevrouw Selenka in 1906 op dezelfde plaats verzamelde fossielen en geologischegegevens doorVolz,Elberten anderen in 1908 en 1909 schijnt niet alleen met groote waarschijnlijkheid te hebben aangetoond, dat de laag gesteenten, waarin de overblijfselen van den pithecanthropus waren gevonden, van veel lateren datum is dan de jongste tertiaire periode, het plioceen, waartoeDuboisze meende te kunnen brengen, een resultaat waartoe, onafhankelijk vanVolz, ookK. Martinop grond van het systematisch onderzoek der gevonden fossielen kwam, doch schijnt ook er op te wijzen, dat daar ter plaatse de pithecanthropus met den mensch te zamen moet hebben geleefd. Men vond tenminste sporen van vuur en een menschenkies in dezelfde steenlaag.Fig. 13. Profiel van de vindplaats van de overblijfselen van denpithecanthropuserectus bij Trinil. a = laag, waarin zich de overblijfselen zelf bevinden, diep onder den beganen grond.De laag van Trinil, die de fossiele overblijfselen van denpithecanthropusbevatte, schijnt niet tertiair, doch diluviaal te zijn, en moet volgensVolzzelfs ongeveer in het midden van de diluviale periode (men vergelijke de tabel in hoofdstuk I) gesteld worden.2Zelfs als men dus van het eolithen-vraagstuk geheel afziet, en zich uitsluitend houdt aan de werkelijk gevonden menschelijke overblijfselen, zelfs dan is, zooals uit de hierna te bespreken vondsten blijken zal, de pithecanthropus niet ouder, doch eer jonger dan de oudste menschelijke overblijfselen, en heeft hij dus waarschijnlijk gelijktijdig met den mensch geleefd, wellicht zelfs naast hem, want in Indonesië, in Zuid-Sumatra, in Celebes en ook op Java zijn sporen van menschen uit den palaeolithischen tijd gevonden.Van den „missing link” is dus geen sprake, en zoo geeft dan ook zelfsSchwalbe, die den pithecanthropuszoo uiterst nauwkeurig en systematisch heeft onderzocht, toe, dat hoe dicht ook de pithecanthropus bij den mensch moet hebben gestaan, het toch volstrekt niet noodzakelijk is, hem als directen voorvader van het menschengeslacht aan te nemen.Toch blijft deze vondst m.i. van uiterst groote beteekenis, en aanDuboisde onvergankelijke eer, bij een doelbewust onderzoek er naar, deze overblijfselen te hebben gevonden, en er de groote waarde direct van te hebben ingezien. Zelfs al schakelt men den pithecanthropus volkomen uit de reeks van voorvaderen van den mensch uit, dan toonen toch zijne overblijfselen, zoo opvallend menschelijk, tot welk een hooge ontwikkeling de hoogste zoogdieren, de menschapen, de primaten, in het begin der quartaire periode zijn gekomen, en het blijft zeer goed mogelijk, dat de pithecanthropus een directe, niet veel verder ontwikkelde, misschien zelfs iets gedegenereerde afstammeling is van denzelfden vorm, die in nakomelingen, die zich in reeksen van opvolgende generaties wel ontwikkelden, het menschelijk geslacht heeft voortgebracht. Moge ook, zooals uit fig. 11 blijkt, de schedelwelving van den pithecanthropus met die van den chimpansee nagenoeg overeenstemmen, de schedelcapaciteit (d. w. z. de schedelinhoud, door de hersenen ingenomen, het volumen van de hersenen dus), volgensDubois870 c. M.3, tegen 550 c. M.3bij de grootste menschapen (gorilla en orang oetan), 1230 c. M.3bij den neanderdal-schedel, en 1450 tot 1550 c. M.3bij de blanke rassen, verheft den pithecanthropus ver boven de menschapen. Hetzelfde zou volgensDuboisgelden voor hetgeen men aan de binnenzijde van den schedelkap van het relief der hersenoppervlakte heeft kunnen zien, nl. een ontwikkeling speciaal van dat gedeelte van de hersenen, dat met het spraakvermogen samenhangt, sterker dan bij eenigen anderen menschaap.2.Eoanthropus Dawsoni.In het laatst van ’t jaar 1912 werd in een kiezelafzetting (een zoogenaamde „gravel pit”) bij Piltdown in Sussex een gedeelte van de onderkaak en van het schedeldak van een menschelijk wezen uit de eerste tijden der pleistocene periode gevonden, volgens de nog eenigszins onvolledige gegevens3het oudste menschelijke overblijfsel, dat tot dusverre in Engeland gevonden werd. Ter eere van den ontdekker werd het deeoanthropus Dawsongedoopt. Niettegenstaande maanden lang met de grootste zorgvuldigheid werd gezocht, werden geen verdere gedeelten van het skelet gevonden. Volgens de beschrijving, van de overblijfselen doorMr. Smith Woodwardgegeven, stammen de overblijfselen uit de „Chelléen” periode. Steenen werktuigen van het „Chelléen” type en overblijfselen van een hippopotamus werden in dezelfde laag aangetroffen.De menschelijke overblijfselen bestonden uit de rechterhelft van de onderkaak met twee kiezen en ongeveer 2/3 van het schedeldak. Dit laatste was in stukken gebroken, doch kon volkomen goed gereconstrueerd worden. Het was buitengewoon dik en stevig gebouwd. Het merkwaardige van deze overblijfselen is, dat de onderkaak verrassend veel gelijkt op die van een aap, vooral van een chimpansee, terwijl de in de onderkaak bewaard gebleven kiezen geheel en al menschelijke kenmerken vertoonen, alleen iets grooter zijn. (Wij zullen ditzelfde verschijnsel later wedervinden in de kaak van den homo heidelbergensis 4). De kinstreek is afgebroken en de verderetanden zijn verdwenen. Aan de nog aanwezige tandkassen kan men echter duidelijk nagaan, dat ook de niet voorhanden tanden en kiezen iets grooter moeten geweest zijn dan die van den tegenwoordigen mensch.Van den schedel was voldoende bewaard gebleven om den schedelinhoud te kunnen berekenen. De schedelcapaciteit bleek ongeveer 1070 c. M.3te zijn. Vergelijkt men dit cijfer met de hierboven in verband met den pithecanthropus genoemden, dan ziet men, dat de eoanthropus grooter hersenen moet hebben bezeten dan deze, doch minder dan de werkelijke mensch. Het nauwgezette onderzoek van de beide fragmenten bracht dan ookDr. Smith Woodwardtot de slotsom, dat wij hier met een werkelijken tusschenvorm te doen hebben, die, hoewel reeds dicht bij den mensch staande, toch nog niet den naam homo verdient, en daarom door hem de eoanthropus, „het wezen staande aan den dageraad der menschwording” gedoopt is. Voor het probleem der afstamming en vooral van de verbreiding van den mensch over de aarde, is het nu zeker uiterst merkwaardig, dat twee dergelijke intermediaire vormen als de pithecanthropus en de eoanthropus, de een in Java, de andere in Europa zijn gevonden.43. De vondst vanTaubach. In 1895 werden doorNehringtwee menschelijke kiezen beschreven, die bij Taubach in Saxen-Weimar gevonden waren, meer dan 5 meter onder den beganen grond in steenlagen uit het allereerste gedeelte der quartaire periode, te zamen met primitieve steenen werktuigen uit de „Chelléen” of „Acheuléen” periode en met overblijfselenvan den elephas antiquus en den rhinoceros van Merck. Meer dan die twee kiezen werd niet gevonden, maar toch was de vondst, vooral toen ter tijde, belangrijk, omdat toen dergelijke oude sporen van menschelijk bestaan nog niet bekend waren. De beide kiezen zijn een eerste linker melkkies en een eerste linker blijvende kies, beiden uit de onderkaak. Het eigenaardige van deze kiezen ligt vooral in de grootte, welke die van menschelijke kiezen overtreft, in het sterk afgesleten zijn en in den vorm, die verschillende eigenaardigheden vertoont, welke meer aan apentanden dan aan een menschelijk gebit doen denken. Om het belang van deze vondst juist te kunnen waardeeren, moet men bedenken, dat van alle beenstukken juist de tanden en kiezen tot de meest kenmerkende en voor de verschillende diersoorten het scherpst van elkaar te onderscheiden deelen van het menschelijk en dierlijk organisme behooren, zoodat men dikwijls de soort, waartoe gevonden fossiele overblijfselen behoorden, heeft kunnen vaststellen aan één tand, die van een dergelijk dier gevonden was. En in de tweede plaats blijkt juist de buitengewone grootte van de kiezen een kenmerk te zijn, dat ook bij de later gevonden oudste menschvormen, zooals bij den zooeven genoemden eoanthropus en vooral bij den straks nader te beschrijven homo heidelbergensis tot de op den voorgrond tredende eigenaardigheden behoort. Daarom werden dan ook de „tanden van Taubach” hier vermeld.4.Homo heidelbergensis.De onderzoekingen vanDuboisop Java werden in 1891 en 1892 verricht. Veertien jaar later werd de tweede uiterst belangrijke vondst gedaan. Waarlijk, 21 October 1907 is de datum, die met gulden letteren in het boek der anthropologische wetenschap verdient te worden opgeteekend, als van den dag waarop de fossiele onderkaak van den„heidelberger mensch” werd gevonden. En het is merkwaardig, dat, evenalsDuboisdoelbewust de Kendeng-lagen bij Trinil was gaan onderzoeken, omdat hij overtuigd was, daar den langgezochten overgangsvorm te vinden, ook hier het vinden van de heidelberger kaak doorSchoetensackjaren lang was verwacht. In een zandgroeve bij het dorp Mauer, dicht bij Heidelberg, die sinds 1872 wordt afgegraven, waren reeds telkens belangrijke fossielen gevonden, o. a. uit het laatste gedeelte der tertiaire periode.Dr. O. Schoetensack, de anthropoloog uit Heidelberg, reeds gedurende meer dan 20 jaren een getrouw onderzoeker der zandgroeve, had, onder den indruk van de groote overeenkomst, die bestond tusschen de lagen van de zandgroeve en de aan fossielen zoo rijke beddingen van Taubach in Weimar, en in de verwachting, dat ook hier wel eens belangrijke overblijfselen konden worden aan het licht gebracht, bij zijne bezoeken aan de groeve telkens weer de arbeiders en opzichters gewaarschuwd en hun op ’t hart gedrukt, als zij iets vonden niet eigenhandig verder te graven, doch hem direct te roepen. En zoo werd, na jaren wachten, zijn geduld beloond, en werd hij den 21sten Oct. 1907 er dadelijk van verwittigd, dat in de diepste lagen van de zandgroeve, meer dan 24 meter onder den beganen grond, een menschelijke onderkaak was gevonden. Zoodoende konDr. Schoetensackdirect na het vinden van de kaak de vindplaats inspecteeren, en photographeeren, hij liet een notarieele akte van de omstandigheden, waaronder de vondst plaats had gegrepen, opmaken en door den opzichter en den arbeider, die er bij aanwezig geweest waren, onderteekenen, hij liet op de vindplaats een gedenksteen aanbrengen, kortom, alles werd zoo uiterst nauwkeurig vastgesteld, dat geen twijfel meer mogelijk was. De vondst van deze kaak dan ook vrijwel de eenige anthropologische vondst, waarvan door geen enkelen geleerde ooit eenigentwijfel omtrent de echtheid en den hoogen ouderdom is geopperd. Daarna is doorSchoetensackde kaak beschreven in een voortreffelijke, uitvoerige, rijk geïllustreerde monographie, zoodat naast de meesterlijke beschrijving doorM. Boulevan den een jaar later in Frankrijk gevonden voorhistorischen mensch van la Chapelle-aux-Saints het werk vanSchoetensackals een voorbeeld van exact anthropologisch onderzoek mag gelden.Fig. 14. Profielbeeld van de zandgroeve van Mauer, waarin bij × (rechts onderaan, vlak bij den bodem der groeve) de kaak van den homo heidelbergensis werd gevonden.Belangrijk is nu in de eerste plaats de ouderdom van het fossiel. In de photographie van fig. 14 ziet men duidelijk in de afgegraven zandgroeve de verschillende zand- en steenlagen boven elkaar en rechts onder bij den bodem het witte kruisje, dat de plaats aangeeft, waar de kaak werd gevonden, 24 meter onder de oppervlakte. In dezelfde laag werden gevonden overblijfselen van den elephas antiquus, den etruscischen neushoorn, voorloopers van den holenbeer, een soort van paard, dat in het laatste gedeelte van de tertiaire periode voorkomt, een fauna, derhalve, die in zijn geheel wijst op een zeer hoogen ouderdom van de steenlaag, in het einde van de tertiaire periode. De bij de kaak in dezelfde laag gevonden vuursteenen zijn volgensRutoteolithen uit de „Mafflien”-periode, einde tertiaire of begin quartaire periode. Kortom, de kaak van Mauer is verreweg het oudste der stratigraphisch volkomen nauwkeurig bekende menschelijke fossielen, en zijn drager moet nog vóór het begin van de ijsperiode, in het allerlaatste gedeelte der tertiaire periode geleefd hebben. Alleen hierom zou de homo heidelbergensis al het volste recht op onze groote belangstelling kunnen doen gelden, doch daarbij is de vorm van deze onderkaak allermerkwaardigst. Men vergelijke de beide afbeeldingen in fig. 15 en 16 met den omtrek van een modernen onderkaak van den homo sapiens, of beter nog, men neme het voortreffelijke gipsafgietsel van de kaak ter hand, dat tegenwoordig in de meeste musea te vinden is. Met verbazing beschouwt men het kolossaal massieve karakter van de kaak, met zijn breed massaal achterstuk voor de kauwspieren, met zijn volkomen ontbrekende kin, met zijn geheelen vorm, die volkomen op een orang- of gorilla-kaak gelijkt, en daarbij het absoluut menschelijke gebit. Ware deze onderkaak gevonden zonder gebit, men zou niet aarzelen hem aan een voorwereldlijken aap toe te schrijven. Hetgebit evenwel vertoont zoo volkomen menschelijke kenmerken, is zoo harmonisch en regelmatig gebouwd, zonder sterk vergroote hoektanden, met regelmatig gebouwde kiezen van volkomen menschelijken vorm, dat men geen oogenblik twijfelen kan, deze kaak als een onderdeel van een menschelijk skelet te beschouwen. Ditzelfde bleek ook bij het röntgenologisch onderzoek van het fossiel. Ook de vorm van de tandwortels, door de röntgenstralen in het inwendige van de kaak zichtbaar gemaakt, bleek overeen te komen met die van het menschelijk gebit, niet met die van een of anderen apensoort.Fig. 15. De onderkaak van den homo heidelbergensis van terzijde gezien.Hoe de drager van deze kaak er moet hebben uitgezien,is natuurlijk niet te zeggen, maar wel kan men met zekerheid uit het gevonden fossiel afleiden, dat de drager een mengeling van dierlijke en menschelijke kenmerken moet hebben vertoond. Wil men van een „missing link,” van een overgangsvorm spreken, dan heeft men hier den typischen overgangsvorm voor zich. Wellicht brengt de zandgroeve van Mauer ons nog eens andere deelen van het geraamte, waaruit wij den verderen lichaamsbouw van den homo heidelbergensis kunnen afleiden. Dat hij in het laatste gedeelte der tertiaire periode bestaan heeft, dat hij de kenmerken van een tusschenvorm moet hebben vertoond, daarvan is de doorSchoetensackbeschreven fossiele onderkaak ons een zeker bewijs.Fig. 16. Omtrekken van de kaak van Mauer (den homo heidelbergensis) (A), en van een moderne menschelijke onderkaak (B).5. DeNeanderdal-schedel. In een vorig hoofdstuk beschreef ik reeds in korte trekken de geschiedenis van den vondst van dezen beroemden schedel, waarvan alleen ’t bovenste gedeelte, het schedeldak, is bewaard gebleven, die, jaren lang een unicum, tegenwoordigslechts één van een groote groep van gelijkwaardige fossiele vormen is. In 1856 door eenige arbeiders bij het uitgraven van een leemgroeve gevonden in een kleine grot in het Neanderdal bij Elberfeld, doch weggeworpen, doorFuhlrottmet nog eenige andere deelen van het skelet (de grootste helft der lange beenderen, een stuk van het bekken en eenige andere fragmenten) van den ondergang gered, en door hem enSchaaffhausenhet eerst beschreven, heeft deze schedel (of liever dit schedeldak) jaren lang het voorwerp van levendige discussies uitgemaakt. Terwijl men in Frankrijk, het klassieke land van de praehistorische vondsten en van de anthropologie, al spoedig tot het resultaat was gekomen, dat dit schedeldak met zijn eigenaardigen vorm, met zijn laag, wijkend voorhoofd, zijn overhangende, sterk verdikte wenkbrauwen, zijn langgerekt achterhoofd, een overblijfsel van een bijzonder, zeer laagstaand menschenras was (hoewel dit ook in Frankrijk niet zonder tegenspraak was gebleven), was in Duitschland door niemand minder danVirchowenRankede ban er over uitgesproken. De diluviale ouderdom van den schedel werd in twijfel getrokken, de eigenaardige eigenschappen er van werden voor pathologisch verklaard, en de schedel werd nu eens voor een schedel uit den tijd der Merovingers, dan weder voor dien van een Russischen kozak of van een soldaat uit den 30-jarigen oorlog gehouden, of wel in verband gebracht met de in zeker opzicht een dergelijken eigenaardigen („neanderthaloiden”) vorm vertoonende Marker- en Friezenschedels, met den Batavus genuinus van Blumenbach. Zoo werd aan denNeanderdal-schedelelke waarde ontzegd voor het probleem van de afstamming van den mensch. VolgensVirchow, die juist op de oogenschijnlijk groote overeenkomst tusschen den Neanderdal-schedel en de Marker-schedels den nadruk had gelegd, kon men nog heden ten dage menschen met dergelijke schedelvormen(de Marker visschers) in den Haag zien rondloopen.Dat de eigenaardige vorm van het Neanderdal-schedelfragment niet direct als normaal en als kenmerkend voor een bepaald menschenras met nog zeer inferieure kenmerken en van zeer hoogen ouderdom werd aangezien, was begrijpelijk, zoolang de Neanderdal-schedel nog een unicum was, vooral daar de eigenaardige omstandigheden van de vondst van de overblijfselen alle stratigraphische gegevens hadden doen verloren gaan, en de studie van dierlijke fossielen of steenen werktuigen uit dezelfde steenlaag als waarin de menschelijke overblijfselen hadden gelegen, waaruit de ouderdom had kunnen worden bepaald, onmogelijk hadden gemaakt. Toen echter in 1886 doorFraipontenLohestin België in de grot van Spy twee schedels met een onderkaak en een aantal andere beenstukken werden opgedolven en beschreven, waarvan de beide schedels een verrassende overeenkomst met het schedeldak vanFuhlrottenSchaaffhausenvertoonden, werd dit anders, en toen in 1893Duboisden hier boven vermelden pithecanthropus, die zoo vele punten van vergelijking met het Neanderdaler fossiel aanbood, beschreef, toen in de laatste jaren der 19e eeuwSchwalbezijne klassieke onderzoekingen over deze groep van fossiele schedels deed verschijnen, was de ban gebroken, en in 1901 op het Duitsche anthropologen-congres te Metz moestVirchowhet helaas nog beleven, dat hij ook door de Duitsche anthropologen verlaten werd, en dat, zooalsKlaatsch, zijn heftigste bestrijder, het uitdrukte, „der so lange verkannte Homo neanderthalensis seine wissenschaftliche Auferstehung feierte.”56. De bovenvermelde vondst van de skeletten bij deGrot van Spyin België door de Puydt en Lohest in18856was in twee opzichten belangrijk. De beide skeletten, doorgaans onderscheiden als Spy I en Spy II, werden door deskundigen uitgegraven, die de bijzonderheden van de steenlagen, waarin de overblijfselen waren ingesloten, van de daarbij aanwezige dierlijke overblijfselen en steenen werktuigen konden beoordeelen en die dus voor den hoogen ouderdom van de menschelijke overblijfselen konden instaan. Daarbij waren de verschillende beenstukken wel gebroken, maar konden toch een groot aantal er van gered worden en bleek vooral van de schedels veel bewaard gebleven te zijn.De dierlijke overblijfselen, o.a. mammoeth enrhinocerostichorinus, en de bij de skeletten gevonden steenen werktuigen wezen op een hoogen ouderdom, ongeveer in de „moustérien”-periode. De beenstukken zelf waren in drieërlei opzicht merkwaardig. In de eerste plaats vertoonde vooral de eene der beide schedels, die het meest volledig bewaard gebleven was, volkomen dezelfde eigenaardige kenmerken, het lage wijkende voorhoofd, het lange, uitpuilende achterhoofd, de geweldige wenkbrauwbogen, als de schedel uit het Neanderdal. In de tweede plaats was bij deze skeletten een nagenoeg volledig bewaarde onderkaak voorhanden, en ook deze onderkaak vertoonde verrassend dierlijke kenmerken, die zich geheel en al aan het inferieure karakter van den schedel zelve aansloten. Men moet bedenken dat men toen de zooveel later gevonden fossielen als den homo heidelbergensis en den later nader te bespreken schedel van la Chapelle-aux-Saints, die ons zooveel omtrent den vorm van de onderkaak bij de overgangsrassen geleerd hebben, niet kende. De vorm daarvan kon men eigenlijk alleen eenigermate afleiden uit een fragment van een fossiele menschelijke onderkaak, in 1866 in de grotte de laNaulettebij Dinant in België gevonden, en die merkwaardigwas om het nagenoeg geheel ontbreken van de vooruitstekende kin, het breede massieve karakter van het achterste opstijgende gedeelte en de groote tanden. De kaak van het skelet uit de grot van Spy bleek nu nog massiever te zijn, breed en zwaar gebouwd, met groote aanhechtingsplaatsen voor de kauwspieren, groote tanden, en een beenige vooruitstekende kin ontbrak hier geheel en al. Wij kunnen er echter nu bijvoegen dat al deze eigenschappen hier nog lang niet zoo sterk ontwikkeld zijn als bij de geologisch zooveel oudere kaak van den homo heidelbergensis. In de derde plaats kon men bij de skeletten van Spy ook de lange beenstukken, het dijbeen en het scheenbeen onderzoeken. In overeenstemming met den primitieven bouw van het verdere skelet bleek nu het kniegewricht zoo gevormd te zijn, dat, evenals bij de menschapen (gorilla, orang, chimpansee) het geval is, het evenwicht bij het staan slechts bij half gebogen knieën en voorovergebogen lichaam kon worden bewaard. Ook dat wijst dus op een aan de apen herinnerenden lichaamsbouw.Afgezien van een aantal fossiele fragmenten (van Cannstadt, van Eguisheim, van Brünn, van Sipka, Brüx, Predmost enz.) die ik hier verder onbesproken wil laten, zijn nu vooral in de laatste 6 jaren een aantal uiterst belangrijke vondsten gedaan, die zich volkomen aan de boven beschreven fossielen aansluiten, en de sterke verbreiding van het laagstaande menschenras, waarvan de Neanderdal-schedel het type vormt, aantoonen. In de eerste plaats:7. De vondst vanKrapina. Reeds in 1899 en 1901 waren door een Hongaarsch anthropoloog,Gorjanović-Krambergerkorte mededeelingen gedaan omtrent een belangrijke vondst van fossiele menschelijke overblijfselen in een rotshol bij het dorp Krapinaaan den oever van de Krapicina-beek. In 1906 volgde de uitvoerige beschrijving, nadat gedurende meer dan 6 jaren de onderzoekingen waren voortgezet. Het rotshol, waarin de overblijfselen werden gevonden, was geheel en al met aarde en steenen opgevuld, en was merkwaardig om de regelmatigheid waarmede de afzettingen in lagen boven elkaar voorkwamen, telkens afgewisseld door donkere dunne lagen, waarin houtskool en verkoolde beenderen de vroegere aanwezigheid van haardvuren aantoonden. Blijkbaar was het hol in overoude tijden, toen de bedding van het riviertje nog zooveel hooger lag dan nu, telkens overstroomd, en keerden, nadat het weer droog geworden was, telkens weer bewoners in het hol terug. In de onderste (dus oudste) steenlagen werden nu naast tal van steenen werktuigen uit de oudste palaeolithische periode (meer dan 600 stuks) en dierlijke overblijfselen, waarvan vooral de resten van den rhinoceros Merckii op een zeer hoogen ouderdom van de lagen wijzen, een zeer groot aantal menschelijkebeenstukkengevonden, van 9 verschillende skeletten. Terwijl de steenlagen onaangetast waren, bleken de skeletstukken alle gebroken, verbrijzeld te zijn. In fig. 17 zijn de grootste stukken afgebeeld. Zelfs deze stukken moesten nog met groote voorzichtigheid in elkaar gezet worden om voor verdere studie bruikbaar te zijn. Daarbij vertoonden de meeste beenstukken, vooral de lange pijpbeenderen, het eigenaardig voorkomen, dat beenderen krijgen als zij met vuur in aanraking zijn geweest, en vooral deze beenderen waren in de lengte gespleten, zooals dierlijke botten, waar men het beenmerg uitgehaald heeft. Het vermoeden ligt dus voor de hand, dat men hier met kannibalisme te doen heeft, dat dus die oudste bewoners van Kroatië menscheneters waren. Verder vertoonden de schedelbeenderen de eigenaardige kenmerken van de Neanderdalschedels in sterke mate. In fig. 17 zijn aan het van terzijdegeziene schedeldak (boven in de figuur) het lage wijkende voorhoofd en de sterk ontwikkelde wenkbrauwbogen, aan de onderste figuur links de groote holle oogkassen (vergelijk fig. 18 en 21) duidelijk zichtbaar.Dat wijst dus op een sterke verbreiding van ’t Neanderdalras over een groot deel van Europa. Maar daarnaast is ’t voor het probleem, hetwelk ons hier bezighoudt, van groot belang, dat onder de 9 verschillende cadavers, waarvan hier de beenstukken bij elkaar gevonden zijn, twee typen voorkomen, die van elkaar op dezelfde wijze verschillen als de langhoofden (dolichocephalen) en rondhoofden (brachycephalen) onder de latere menschenrassen. Ook bij het Neanderdalras (om op het oogenblik dezen naam te blijven gebruiken) bestonden dus reeds langhoofdige en rondhoofdige „neandertalers.” Later zullen wij hierop nog terug moeten komen. Hier wil ik er slechts nog op wijzen, dat deze zelfde eigenaardigheid ook bij de overblijfselen van de beenderen der ledematen der Krapina-skeletten werd gevonden. Naast zeer korte, stevige arm- en dijbeenderen werden lange, slanke beenstukken gevonden. Ook hierin dus hetzelfde verschil als bij de schedels. Naar aanleiding van de tanden en kiezen, bij de Krapina-skeletten gevonden, heeft zich een zeer levendige discussie ontsponnen, waarop ik hier niet wil ingaan. Slechts zij hier vermeld, dat vooral de kiezen uitmunten door hunne grootte, die in enkele gevallen de afmetingen van de kiezen uit de onderkaak van den homo heidelbergensis nog overtreft.Fig. 17. Verschillende schedelfragmenten van Krapina. Boven: een stuk van het schedeldak met oogkassen van terzijde gezien. Links onder: oogkassen en neus van voren gezien. Rechts onder: kaakstukken met tanden. VolgensKramberger.8. Werden dus tot in Kroatië vertegenwoordigers van het Neanderdaltype gedurende den ijstijd aangetroffen, aan de andere zijde van Europa werd in een steengroeve Forbes Quarry bij Gibraltar een fossiele schedel van hetzelfde laagstaande type gevonden, bekend als deGibraltar-schedel. Hoewel in 1843 reeds gevonden, geraakte deze schedel in vergetelheid, en is eerst in 1907 doorSollasuitvoerig en nauwkeurig beschreven. De schedel behoort zeer duidelijk tot het Neanderdaltype, en is merkwaardig, omdat 1°. het gelaatgedeelte van den schedel, dat door de groote holleoogkassen, de zware massieve wenkbrauwbogen en de wijde neusopening een eigenaardigen „bestialen” indruk maakt (fig. 18), beter bewaard is gebleven dan in de overige tot nu toe beschreven schedels, omdat 2°. de schedelcapaciteit, m. a. w. het volume van de door den schedel omsloten hersenmassa, 1100 c.M3., kleiner is dan die van de overige neandertaloide schedels, doch iets grooter dan het cijfer van den boven vermelden eoanthropus (1070), en omdat 3°. de eigenaardige vorm van de ook juist bij dezen schedel goed bewaard gebleven schedelbasis zeer sterk aan dierlijke formaties herinnert.Fig. 18. De Gibraltar-schedel „en face” gezien. VolgensSollas.9.Homo Mousteriensis Hauseri.Dit skelet, in 1908 in Frankrijk opgedolven, had een groote aanwinst voor de anthropologische wetenschap kunnen zijn, zoo niet de omstandigheden waaronder, en de wijze waarop het werd uitgegraven, een donkere schaduw over de geheele vondst hadden geworpen en de beteekeniser van verkleind. Een Zwitsersch handelaar in oudheden,O. Hauser, die reeds meermalen op Franschen bodem naar voorhistorische relicten had gezocht, vond in Maart 1908 bij het graven in een hol bij le Moustier in Dordogne, den klassieken bodem der belangrijkste voorhistorische vondsten, sporen van een menschelijk skelet. Inplaats van nu de Fransche archaeologen daarmede in kennis te stellen, werd alles weer zorgvuldig met takkebossen en planken toegedekt; eenige Duitsche anthropologen werden er bij genoodigd, en in Augustus van hetzelfde jaar werd doorHauserenKlaatschin alle stilte het skelet verder uitgegraven, de overblijfselen in een kist gepakt en weggevoerd, en eerst toen de vondst veilig over de grenzen was, werd er ruchtbaarheid aan gegeven.Hauserverkocht toen het skelet voor de som van 125000 mark aan het Museum te Berlijn. Het skelet was zeer broos en viel reeds bij het uitgraven voor een gedeelte uiteen. De schedel echter kon geheel gaaf worden te voorschijn gebracht. Of toen echter het transport wat te snel en niet met de noodige omzichtigheid geschiedde, de schedel viel gedurende het overbrengen in een aantal stukken uiteen, en de stukken zijn toen later doorKlaatschmet behulp van plasticine op zoo klaarblijkelijk onjuiste wijze weer in elkaar gezet, dat een monstrueuze schedel het resultaat van deze bewerking was, waarvan het gipsafgietsel, later in den handel gebracht, voor verder anthropologisch onderzoek vrijwel waardeloos is.7Daarbij zijn door deze wijze van uitgraven de stratigraphische bijzonderheden van de vondst in het geheel niet tot hun recht gekomen. Wel zijn fraai bewerkte steenen werktuigen uit de „moustiérien”-periode en eenige overblijfselen van den aueros (bosprimigenius) in de omgeving van het skelet gevonden, doch het ontbreken van nauwkeurige en betrouwbare gegevens omtrent het op elkaar volgen der verschillende steenlagen onder den beganen grond, enz., heeft ook in dit opzicht aan de vondst veel van hare waarde ontnomen. En dit is des te meer te betreuren, omdat de verschillende kenmerken van het skelet zelf op een hoogen ouderdom en op een laagstaanden primitieven bouw van het geheele lichaam wijzen. Het skelet is dat van een jeugdig persoon (ongeveer 16 jaren oud), met een grooten schedel, laag wijkend voorhoofd, groote holle oogkassen, vooruitstekende kaken en kinlooze onderkaak (type Neanderdal), terwijl ook hier weer dezelfde eigenaardige bouw van het kniegewricht blijkt te bestaan, die bij het skelet uit de grot van Spy te vermelden viel, en die er op wijst, dat de rechtopstaande houding nog niet geheel en al bereikt was, en ook de mensch van le Moustier het evenwicht bij het loopen slechts bij half gebogen knieën en voorovergebogen lichaam kon bewaren.10.l’Hommede la Chapelle-aux-Saints.Daar deze vondst, naast die van den homo heidelbergensis de meest volledige en best bewerkte anthropologische vondst uit den laatsten tijd is geweest, wil ik de bijzonderheden er van iets meer uitvoerig behandelen dan de voorgaande. Door ervaren deskundigen met de meeste zorgvuldigheid en zaakkennis uitgegraven, nagenoeg volledig, vooral wat de schedel betreft, bewaard gebleven, met volkomen betrouwbare stratigraphische gegevens, en daarna op voortreffelijke wijze doorM. Boule, den directeur van het Palaeontologisch Museum te Parijs, bewerkt,8kan deze vondst als voorbeeld van anthropologisch werk van den eerstenrang gelden en zal steeds de basis blijven vormen voor later praehistorisch-anthropologisch onderzoek.Fig. 19. Plattegrond en doorsneden van de grot, waarin het skelet werd gevonden, met het skelet zelf, zooals het werd aangetroffen.Fig. 20. De schedel van La Chapelle-aux-Saints, gerestaureerd. VolgensBoule.In Augustus 1908, toevallig juist een paar dagen vroeger dan de zooeven besproken vondst van Hauser, werd door drie Roomsch-Katholieke geestelijken—in Frankrijk telt de praehistorische anthropologische wetenschap vele en zeer bekwame beoefenaars onder de R. K. geestelijkheid—de abten J. en A. Bouyssonie en L. Bardon, in een kleine ondiepe grot bij de Chapelle-aux-Saints, in hetCorrèzedal, die bijna geheel met aarde en steenlagen was opgevuld, diep onder deze steenlagen, op den rotsigen bodem een nagenoeg gaaf skelet uitgegraven (fig. 19). Het skelet lag in een regelmatig gevormde, rechthoekige uitholling van den bodem van de grot op den rug, met den eenen arm op de borst gevouwen en de knieën sterk opgetrokken, een houding dus die aan de latere hurkgraven (Höckergräber) herinnert. Een aantal steenen werktuigen,in de steenlagen gevonden, waren van het Moustérien-type. Dierlijke overblijfselen van rendieren, een soort van paard, een bovine vorm, rhinoceros tichorinus en eenige andere dieren, wezen op een zeer hoogen ouderdom. Het had den schijn, alsof deze bepaalde grot alleen als begraafplaats had gediend. Voor andere doeleinden was zij, ook als alle steenlagen werden opgeruimd, veel te laag. De steenlagen bleken volkomen onaangetast te zijn nadat het skelet was begraven; vlak boven het hoofd van het geraamte lagen in de steenlaag de voetbeenderen van een bison nog in hunne natuurlijke ligging tegen elkaar aan.Behalve de regelmatig gevormde uitholling in de onderste laag, waarin het menschelijk skelet lag, waren de steenbeddingen en aardlagen van de grot regelmatig de eene boven de andere gerangschikt. In die bovenste lagen werden de steenen werktuigen en dierlijke overblijfselen gevonden. De groote ouderdom van het skelet kan dus niet in twijfel getrokken worden.Fig. 21. De schedel van LaChapelle-aux-Saints, van terzijde, van voren en van boven gezien.Het skelet zelf is dat van een man, op rijperen leeftijd, ongeveer 1.60 meter lang. De verschillende beenstukken van den romp en de ledematen vertoonen een aantal primitieve kenmerken, die wij niet of slechts in geringen graad bij het skelet van den modernen mensch, daarentegen in verhoogde mate bij de hoogste apen terugvinden. Vooral de bijzonder stevig gebouwde beenderen der ledematen, en de kleine beenderen van hand en voet vertoonen een reeks zoogenaamde „pithecoïde” (bij de apen terug te vinden) kenmerken.Het merkwaardigste gedeelte van dit skelet is evenwel de schedel, waarvan doorBouleeen voortreffelijk gipsafgietsel is vervaardigd. Van het gebit zijn slechts twee tanden, een in de boven- en een in de onderkaak bewaard gebleven, doch daar deze juist tegenover elkander staan, is het mogelijk, de onderkaak volkomen in haar natuurlijken stand te brengen (fig. 20 en 21). Men kan zich dan moeilijk een schedel denken waarin meer dierlijke en menschelijke trekken tot een grotesk geheel vereenigd zijn. Het platronde, zeer lage, wijkende voorhoofd, boven de groote ronde holle oogkassen verdikt tot geweldige vooruitstekende wenkbrauwbogen, de groote, wijde neusopening en de breede kaken, sterk naar voren uitstekend, de afwezigheid der eigenaardige beiderzijdsche inzinkingen onder de oogholten ter zijde van neus en mond, de zoogenaamde fossae caninae, die juist aan het menschelijk gelaat zijn typisch humaan karakter verleenen, de zware massieve onderkaak met zijne kinlooze afronding, het naar beneden als het ware afzakkende achterhoofd, dat alles geeft een dierlijk, onmenschelijk karakter aan dezen schedel, zooals het bij geen enkelen menschelijken schedel tot dusver is gevonden. Hetgeen den menschelijken schedel zoozeer verheft boven de dierlijke schedels, ook van de hoogst ontwikkelde apen, het predomineeren van het gedeelte dat de hersenen omsluit, het intellectueele element, bovende kaakstreek, het onderste gedeelte van het gelaat, als ’t ware het materieele element, ontbreekt hier geheel en al. Men beschouwe slechts de verschillende aspecten van den schedel in fig. 21. De verhoudingen zijn hier bij dezen schedel juist omgekeerd.Fig. 22. Een chimpansee-schedel (A) naast den fossielen schedel van La Chapelle-aux-Saints (B) en een modernen menschelijken schedel (C) geplaatst, van voren gezien.Het best komen deze eigenaardigheden tot hun recht, als men den schedel van la Chapelle-aux-Saints photographeert naast een schedel van een chimpansee (als voorbeeld van een hoog ontwikkelden menschaap) en een moderne menschenschedel. In de figuren 22 en 23 zijn de 3 objecten naast elkaar gephotographeerd, van voren en van terzijde gezien. De afbeeldingen spreken duidelijker dan een lange beschrijving. Men lette slechts op de groote oogkassen, op neus- en kaakstreek, op den vorm van het achterhoofd en van de eigenaardige beenige vooruitstekende wenkbrauwbogen bij den chimpansee en den fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints in fig. 23, om een duidelijkenindruk te verkrijgen van het merkwaardig aspect van dezen schedel. En van welke zijde men de objecten beschouwt, aan welke bijzonderheden men zijne aandacht schenkt, steeds krijgt men denzelfden indruk van het overgangskarakter, van de mengeling van dierlijke en menschelijke eigenschappen, die dezen schedel kenmerkt, waarbij de dierlijke eigenschappen de overheerschende zijn.Fig. 23. Dezelfde drie schedels (A, B en C) van terzijde gezien. VolgensBoule.Dit geldt zelfs niet alleen voor den beenigen schedel.Het is aan de bekwame preparateurs van het Parijsche Museum zelfs gelukt, een volkomen nauwkeurig afgietsel van de holte van den schedel te vervaardigen, waaraan nog zoovele bijzonderheden van den oppervlakkigen vorm der eertijds door dien schedel omsloten hersenen te zien was, datBouledoor vergelijking van dit afgietsel met een reeks van dergelijke afgietsels van menschen- en van apenschedels met zekerheid kon aantoonen, dat ook in den vorm der hersenen eene mengeling van dierlijke en menschelijke kenmerken aanwezig was. Het merkwaardige is nu hierbij, dat de hersenmassa als geheel genomen groot en zwaar is, slechts iets geringer van volume dan de hersenen van den modernen mensch. Ook bij den neanderdal-schedel en den schedel van Gibraltar was dit reeds opgevallen, voor zoover men bij die schedels den inhoud met eenige mate van waarschijnlijkheid had kunnen berekenen.Wij hebben dus hier een menschenvorm voor ons, een representant van een in de oudste praehistorische tijden over een groot deel van Europa verspreid ras, dat in zijn bouw in zoo hooge mate dierlijke en menschelijke kenmerken vereenigt, dat zoozeer zich nauw aansluit aan de hoogst ontwikkelde bekende diersoorten, en zoozeer afwijkt van den gewonen mensch, den homo sapiens, dat men zich zou afvragen, of men hier wel met menschen te doen heeft. Zeker is het, dat als het niet menschen, doch dieren gold, geen palaeontoloog zou aarzelen, den fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints tot een andere soort te rekenen dan den tegenwoordig levenden mensch of zelfs den praehistorischen mensch uit latere perioden. Ook voor de representanten van het neanderdal-ras is dat dan ook reeds geschied, en doorSchwalbe,Krambergeren een aantal andere anthropologen wordt de neanderdal-mensch alshomo primigeniustot een andere soort gerekend dan de homosapiens. Wij komen hierop later bij onze algemeene beschouwingen nog nader terug, maar één zaak moet ik als behoorende bij het geschetste beeld van den fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints nog hier memoreeren. De fossiele overblijfselen vertoonen ons een menschvorm, uit de vroegste praehistorische periode, waarin men den mensch als zoodanig heeft aangetroffen, in wiens bouw de dierlijke, aapachtige kenmerken in vele opzichten meer op den voorgrond treden dan de typisch menschelijke eigenaardigheden, zoodat men zelfs gemeend heeft, het ras, waartoe hij behoorde, tot een andere soort te moeten brengen. En toch ziet men, dat wat de geestelijke eigenschappen betreft, de mensch van la Chapelle-aux-Saints midden in den geestelijken ontwikkelingsgang van het menschdom staat. Wij zagen dat het skelet lag in een gedolven grafholte. Zooals uit de plattegrond van de grot in fig. 19 (links) blijkt, had deze uitholling van de bodemlaag van de grot een bepaalden zeer regelmatigen rechthoekigen vorm. En als wij nagaan, hoe die grafuitholling ligt, dan zien wij dat de lange as van den rechthoek juist west-oost is georienteerd, zoodat ook het lichaam in de richting van den zonsloop ligt. Daarbij lag het skelet in de voor de latere „Höckergräber” zoo typische houding met sterk opgetrokken knieën, waardoor, zooals men meende, de ziel verhinderd werd het lichaam te verlaten. Een aantal steenen wapenen liggen om de grafuitholling verspreid, blijkbaar als wapenen aan den doode medegegeven. Trekken wij uit al deze feiten de gevolgtrekking, dan had het volk of de stam, die dezen doode hier voor zoovele duizenden jaren begroef, eerbied voor de dooden. Immers, zij werden begraven. Voorts een zekere mate van cultuur, getuige de regelmatige vorm van de grafholte, een godsdienstig gevoel, vermoedelijk een soort van zonaanbidding, getuige de nauwkeurige orientatie van het graf in de richting oost-west, en eengeloof in een voortbestaan na den dood, getuige de houding van het skelet en de aan den doode medegegeven wapenen.—Een ervaren archaeoloog zou wellicht uit de hierboven genoemde feiten nog verdere conclusies trekken, maar het hier gezegde schijnt mij voldoende, om te doen uitkomen, dat men dezen gedachtengang niet mag verwaarloozen, waar men op zuiver morphologische gronden aan een bepaalden vorm een zekere waarde wil toekennen. Zooals ik zeide, komen wij op dit alles bij de algemeene slotbeschouwingen nog nader terug.11. Andere, nog niet voldoende beschreven skeletvondsten uit den laatsten tijd, zooals bij la Ferrassie (1909–1910), la Pech de l’Azé (1909), la Quina (1911), Saint-Brelade (1911), ga ik hier met stilzwijgen voorbij. Voor zoover men uit de korte nota’s die er van gepubliceerd zijn, kan nagaan, werden ook hier skeletten van het neanderdal-ras opgedolven.Fig. 24. Doorsneden van de „grotte des enfants” bij Grimaldi met de verschillende steenlagen, de oude er vroeger ingegraven put, en de in de steenlagen gevonden skeletten. De eene doorsnede in de lengterichting van de grot, de andere dwars op den ingang. Buiten de grot de spoorrails.12. Naast deze vondsten zijn echter nog enkele van grooter belang te vermelden; in de eerste plaats de zoogenaamde vondst vanGrimaldi. Reeds gedurende een aantal jaren werden op aansporing van Albert I van Monaco de zoogenaamde Grottes de Grimaldi, bij Mentone, systematisch op den inhoud hunner steenbeddingen onderzocht door eenige Fransche archaeologen, met nameVerneau,Boule,Villeneuveen vroeger doorRivière. Een aantal skeletten werden opgedolven die allen tot de jongere pleistocene periode (vooral de „aurignac”-periode en later) behoorden en allen het die periode kenmerkende zoogenaamde „Cro-magnon” type (zie pag. 99) vertoonden met al de kenteekenen van den homo sapiens. Maar nu werd in Juni 1901 door den abtVilleneuvein de zoogenaamde Grotte des Enfants, waarin reeds vroeger in de bovenste steenlagen (zie fig. 24) een skelet van het „Cro-magnon”type was opgedolven, in de diepste lagen een nieuwe vondst gedaan van twee skeletten, die op een diepte van meer dan 8 meter onder de oppervlakte gevonden werden. Deze beide skeletten, in de hierbij gevoegde doorsnedeteekening van de grot met zijn verschillende boven elkaar liggende steenlagen (fig. 24) duidelijk zichtbaar, vertoonden nu een ander type dan het neanderdal-ras, nl. een schedeltype, zooals het in fig. 25 afgebeeld is, met hoog, gewelfd voorhoofd, zonder de vooruitspringende wenkbrauwbogen van den fossielen mensch der vorige vondsten, met gewelfden, fraai afgeronden schedel, doch met vooruitstekendekaken, platten neus, bijna geen kin en een aan het negerras herinnerende vorming van het gezichtskelet. Vandaar dat dit type doorVerneau, die deze vondst uitvoerig heeft beschreven, het „negroïde” type genoemd werd. Boven de laag, waarin deze beide skeletten begraven waren (er was een duidelijke steenbedekking om de beide skeletten aangebracht, een graf derhalve), werd op ongeveer 7 meter diepte nog een skelet gevonden, dat evenals het reeds vroeger in de bovenste steenlagen van dezelfde grot gevonden, geheel en al het karakter van den homo sapiens vertoonde. Dit laatste skelet zou volgens de in dezelfde laag aangetroffen steenen werktuigen en dierlijke overblijfselen tot het laatste gedeelte van de „aurignac”-periode behooren, de beide skeletten van het negroïde type zouden tot de „moustier”-periode behooren, dus ongeveer van denzelfden ouderdom zijn als de zooeven beschreven skeletten van het neanderdalras. Nu is wel door latere opgaven vanM. Boulegebleken, dat de ouderdom van deze „negroïde”-skeletten niet zoo groot is als men eerst meende, maarer blijkt toch wel uit, dat niet zoo heel veel later dan de periode, waarin wij hier in Europa een ras met zeer inferieure kenmerken aantreffen, er in hetzelfde werelddeel menschen werden gevonden die een ander, hooger type vertegenwoordigden. Het toont tevens aan, hoe voorzichtig men zijn moet met conclusies, getrokken uit fragmenten van schedels. Had men van deze negroïde schedels vanVerneauslechts het schedeldak met het hooge gewelfde voorhoofd zonder vooruitspringende wenkbrauwbogen gevonden, men zou niet geaarzeld hebben, de dragers dier schedels tot den normalen homo sapiens te rekenen. Had men slechts de kaken en het gezichtskelet gevonden, men zou ongetwijfeld de dragers bij het neanderdalras hebben ingedeeld, tenminste ook voor den verderen schedel inferieure kenmerken hebben verondersteld. De schedel, in zijn geheel beschouwd, toont aan, dat dit niet het geval behoeft te zijn. Zoo maant ons dus een dergelijke vondst tot voorzichtigheid.Fig. 25. Schedel van het „negroïde”type uit de „Grotte des enfants.” VolgensVerneau.13. Zoodra wij in de jongere perioden van het oude steenen tijdperk, in de aurignac-periode en in het Magdalenium komen, houden merkwaardigerwijze alle sporen van het voor de oudere tijdperken, het Moustierium, de „acheuléen” en „chelléen” periode, zoo typische neanderdal-ras op. Het lage, wijkende voorhoofd met de groote zware wenkbrauwbogen en den naar achteren uitgezakten zwaren schedel verdwijnt en een nieuw ras treedt op, met smalle slapen, hoog, gewelfd voorhoofd, langen schedel, kleinere fijn gevormde oogkassen zonder de zware wenkbrauwbogen, kortom een ras treedt op, dat zich volkomen aansluit aan de tegenwoordig levende menschenrassen, aan den homo sapiens. Overgangsvormen tusschen de beide rassen kennen wij niet. Wel zijn bij de verschillende skeletvondsten uit deze laatste perioden (Aurignac, Magdalénien) minder ontwikkeldeskeletvormen naast meer ontwikkelde gevonden, doch er blijft een diepe klove tusschen de beide typen bestaan.Vondst vanCro-magnonin Dordogne, Frankrijk. Aan deze vondst ontleent het menschenras uit de latere perioden van het palaeolithicum zijn naam. In 1868 werden nl., bij het aanleggen van een spoorweg, in een „abris sous roche” daar ter plaatse vijf skeletten gevonden, in een steenlaag uit de aurignac-periode. DoorLartet, die de vondst nauwkeurig onderzocht heeft, werd van begraven der skeletten geen spoor gevonden. Uit de in dezelfde laag gevonden steenen werktuigen, versierselen (een groot aantal doorboorde schelpjes, blijkbaar oorspronkelijk tot kettingen aaneengeregen) en dierlijke overblijfselen bleek, dat de skeletten uit de aurignac-periode, het rendiertijdperk, stamden. De vorm van den schedel en van het verdere beenstelsel is typisch gelijkend op dien van den tegenwoordig levenden homo sapiens.Andere vondsten van blijkbaar wel begraven skeletten van hetzelfde type van cro-magnon, liggende in de van nu af aan gedurende langen tijd voor begraven lijken vrijwel typische houding met gebogen armen en sterk opgetrokken knieën (men vergelijke bijv. fig. 9, Egyptisch graf uit het neolithicum), zooals die vanLaugerie-Bassein Dordogne, in 1872 door Massénat uitgegraven, vanChancelade, eveneens in Dordogne, in 1888 gevonden, uit de grot vanHoteaux, bij Rossillon, allen uit de bovengenoemde latere perioden van het palaeolithicum, ga ik hier met stilzwijgen voorbij, omdat zij ons, hoe belangrijk zij ook mogen zijn voor de rassen-anthropologie van Europa, voor het probleem van de afstamming van den mensch weinig leeren. Men ziet uit deze vondsten, dat gedurende de latere perioden van het oude steenen tijdperk, dus nog in het diluvium, in Europa zich een menschenras ophield, dat een schedelvorm bezat, die zich in dehoofdpunten volkomen aansloot aan die van den tegenwoordig levenden mensch, van den homo sapiens. Dit ras moet toen ter tijde een groote verbreiding gehad hebben. In Frankrijk, in Italië, in Spanje, in België, in Noorwegen en Zweden is het bestaan er van door verschillende vondsten aangetoond. Directe overgangsvormen, die dit ras verbinden met het boven beschreven neanderdal-ras, kennen wij niet.14. Door sommige, vooral Duitsche, anthropologen wordt in dit opzicht, m. i. ten onrechte, een groote beteekenis toegekend aan het in 1910 doorHauserenKlaatschgevonden skelet vanCombe Capelle, den zoogenaamden aurignac-jager, bij het dorp van dien naam (dicht bij Montferrand-Périgord in Frankrijk) uitgegraven. De schedelvorm is reeds volkomen als die van een hedendaagschen Europaeer, met hoog gewelfd voorhoofd, kleine neusopening, sterk dolichocephalen (langen) schedel, geen vooruitstekende kaken. Een laag kenmerk zou evenwel zijn, dat de vooruitstekende kin ontbreekt. Beschouwt men nu evenwel nauwkeurig de verschillende afbeeldingen van dezen „homo aurignaciensis Hauseri,” zooals het skelet genoemd wordt, dan blijkt de kin volstrekt niet afwezig te zijn, doch slechts iets minder sterk ontwikkeld dan bij de tegenwoordig levende Europaeers. Een dergelijke gering ontwikkelde kinvorming kan men tegenwoordig nog bij een aantal volksstammen vinden, bij de eskimo’s, om in Europa te blijven, en wat den praehistorischen mensch betreft, bij het reeds jaren geleden bij Raymondes gevonden, uit de magdalénien-periode stammend skelet, in het museum van Périgueux bewaard, is precies hetzelfde te zien.Met dit ras van Cro-magnon kunnen wij onze beschrijving van de verschillende vondsten afsluiten.Slechts die vondsten hebben wij opgesomd, die voor de vraag, die wij ons gesteld hadden, belangrijk waren. Een archaeologische beschrijving, een historie van het voorhistorische tijdperk der menschelijke ontwikkeling te schrijven, ligt buiten de grenzen van dit boekje en volkomen buiten mijn bereik. Slechts zij nog het volgende opgemerkt:Met derendier- enbisonjagers van het Cro-magnon-ras sluit het oude steenen tijdperk af. Uit het zoo uiterst bescheiden begin der eolithen heeft zich in de duizenden jaren van zijn duur een beschaving ontwikkeld, een techniek van fijn bewerkte steenen instrumenten en wapenen, van kunstvol gesneden voorwerpen uit rendierhoorn en been, zooals wij die vinden in de laatste periode van het palaeolithicum, het magdalenium.Met het eindigen van den ijstijd sluit nu evenwel ook deze cultuurperiode af, wordt het einde van het rendiertijdperk bereikt. Bij het langzamerhand weder warmer worden van het klimaat schijnt het rendier naar het noorden getrokken te zijn. Of een deel van de menschen het voor hun bestaan zoo belangrijk geworden dier volgde, of de zich langzaam veranderende klimatologische verhoudingen een nomadenleven met zich brachten, de mensch schijnt de oude nederzettingen gedurende vele eeuwen verlaten te hebben. In dat gedeelte van West-Europa, waar overal de overblijfselen uit den ijstijd zoo talrijk en in zoo groote verscheidenheid te vinden zijn, in Zuid-Frankrijk, is de steenlaag, die de overblijfselen van de laatste periode van het palaeolithicum, de magdalénienperiode, inhield, overal bedekt door een dikke steen- en aardlaag, die volkomen steriel, volkomen vrij van voorhistorische overblijfselen, zij het steenen of hoornen of beenen werktuigen, zij het menschelijke of dierlijke skeletdeelen, is.Zien wij den mensch weer optreden, dan is hij eenandere geworden in een andere omgeving. De uitgestrekte steppen, die na den afloop van den ijstijd waren ontstaan, zijn verdwenen, dichte wouden bedekken het grootste gedeelte van Europa, met een rijke dierenwereld, uit andere vormen bestaande dan de ijstijd-fauna van het palaeolithicum. Ook den mensch vinden wij in anderen vorm, hoewel vermoedelijk gemengd met de overblijvende menschen van hetcro-magnon-rasras. Zijne raskenmerken zijn anders geworden, zijne beschaving eveneens. Wij komen in het nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum, met werktuigen uit hertshoorn inplaats van uit rendierhoorn en steenen wapenen van een nieuwe techniek, eerst ruw en onbeholpen, langzamerhand meer en meer verfijnd, tot het steenen tijdperk, ook in den technisch zoo volmaakten vorm van het latere neolithicum, plaats moest maken voor het tijdperk der metalen werktuigen, het bronzen, het ijzeren tijdperk.Overgangsvormen tusschen het neanderdalras en hetcro-magnon-rasvonden wij niet, zooals wij vroeger reeds zagen. Hier vinden wij dus nu een tweede onderbreking. Bij deze onderbreking, die reeds meer in het bereik der archaeologische studie ligt, nemen wij een indringen van nieuwe elementen uit het Zuid-oosten, uit Azië, aan. Ligt het niet voor de hand, ook bij de eerste onderbreking aan een invasie van buiten Europa te denken?Is nu met betrekking tot het vraagstuk van de afstamming van den mensch buiten Europa, in Azië, in Australië, in Amerika iets van belang gevonden?Daarover kunnen wij kort zijn. Op de groote beteekenis van den pithecanthropus uit Java legden wij reeds den nadruk. Wij kunnen er evenwel aan toevoegen, dat wel in onze Oost, in Ceylon, in Engelsch-Indië, sporen van palaeolithische werktuigen gevonden zijn, maar bij de tot nu toe nog vrij groote onzekerheid,die wat die gebieden betreft, over hunnen geologischen ouderdom heerscht, kan men daaromtrent nog weinig zeggen en wordt in elk geval een vergelijking van die sporen met de in Europa zelf gevonden voorwerpen en de bepaling van hunnen ouderdom uiterst moeilijk. Ook is het onderzoek hier, naar het schijnt, niet steeds met de noodige nauwkeurigheid verricht. Zoo werd van de tertiaire menschelijke overblijfselen, die doorNoethlingin Opper-Birma gevonden waren, reeds spoedig (1902) doorSwinhoe Redway, een Engelsch onderzoeker, aangetoond, dat zij nietinhet uit tertiaire gesteenten bestaande plateau lagen, zooals doorNoethlingwas gemeend, doch er bovenop, en dat zij dus zeer zeker niet van tertiairen oorsprong kunnen zijn.Zoo werden doorAlsbergin 1892 in tertiairen zandsteen, bij Warnambool in Australië, in den nog weeken steen afgedrukte en daarna verharde voetsporen van menschelijke wezens gevonden.Klaatsch, die deze voetsporen ook bestudeeren kon, hield ze voor ontwijfelbaar van menschelijke wezens afkomstig en meende zelfs bij deze voetsporen den indruk van een menschelijk zitvlak(!) te vinden. DoorBrancowerd reeds in 1905 tot voorzichtigheid in dezen gemaand, en doorNoethlingwerden dan ook later in afgelegen streken van Australië in de sneeuw(!) dergelijke voetsporen gevonden, die evenwel door kangoeroe’s waren achtergelaten. Ging zulk een kangoeroe zitten, dan werd een dergelijke indruk in de sneeuw achtergelaten als doorKlaatschin geniale fantasie voor den afdruk van een menschelijk zitvlak werd gehouden. Wie te veel bewijst....Dezelfde moeilijkheden, die ik boven aangaf voor de vergelijking van den ouderdom van bepaalde steenlagen en afzettingen in Oost-Azië en in Europa, gelden voor Amerika. De lagen, die door Amerikaansche onderzoekers (met nameAmeghino) voor tertiairworden gehouden, worden door Europeesche geologen die ze hebben kunnen bestudeeren, voor quartair gehouden. Het spreekt van zelf, dat een dergelijk gemis aan zekerheid, juist voor het probleem, hetwelk ons hier bezighoudt, zeer gevaarlijk is. Zoo men in Amerika menschelijke schedels met inferieure kenmerken had gevonden, die uit de tertiaire periode stamden, zouden dergelijke schedels oneindig veel belangrijker zijn dan wanneer zij uit de quartaire periode afkomstig zijn. En ook verder schijnen de geologische verhoudingen van dat groote continent nog niet in die mate nauwkeurig bestudeerd te zijn, dat zij tot vaststaande gegevens omtrent den ouderdom der verschillende steenlagen en afzettingen hebben kunnen voeren. Zoolang dat niet het geval is, doet men beter, de opgaven in die richting met een zeker scepticisme te beschouwen. Zoo is bijv. van den beroemden Calaveras-schedel uit Mexico, die van zeer hoogen tertiairen ouderdom heette te zijn en een aantal inferieure kenmerken vertoonde, later gebleken, dat het een indianen-schedel uit den tegenwoordigen tijd is. Van eenige andere schedels, die doorAmeghinobeschreven zijn, en waarvan hij de afwijkingen van den normalen menschelijken schedel zoo groot vond, dat hij meende, ze tot een andere soort (den homo pampaeus en homo pliocaenicus) te moeten rekenen, is later bij nader onderzoek gebleken, dat het schedels waren, die van gewone menschen, normale exemplaren van den homo sapiens afkomstig waren, doch die kunstmatig waren vervormd, zooals dat bij een aantal Indianen-stammen nog heden ten dage stelselmatig bij jonge kinderen wordt gedaan. Andere schedels met laag, wijkend voorhoofd, doorHrdlickabeschreven, zijn ongetwijfeld van jong-diluvialen ouderdom en vertoonen ook de inferieure kenmerken in geenen deele zoo sterk en zoo algemeen als de neanderdal-groep.Zoo hebben ook de vermeende voorloopers van hetmenschelijk geslacht, waarvanAmeghinoin de oude geologische formaties van Argentinië de fossiele overblijfselen meende te hebben ontdekt, de tetraprothomo en de diprothomo, bij nader nauwkeurig onderzoek geen stand kunnen houden en zijn naar het rijk der fabelen terugverbannen. En hetzelfde geldt, ten minste wat den naam betreft, voor de fossiele apensoorten, die doorAmeghinoin geologisch oude steenlagen zijn gevonden, en door hem met de tendentieuze namen homunculus, homocentrus, anthropops bestempeld zijn. Fossiele apensoorten zijn het wel; van eenige verwantschap met den mensch, die in de namen, hen doorAmeghinogegeven, ligt opgesloten, is geen sprake.Alles te zamen genomen zijn dus op het oogenblik geen feiten bekend, die er op zouden wijzen, dat wij in Amerika de bakermat van het menschelijk geslacht moeten zoeken. Het spreekt vanzelf, dat daaruit niet direct mag worden afgeleid, dat de mensch in de praehistorische tijden van het quartaire tijdperk niet ook in Amerika bestaan heeft. Maar dan is hij van elders geïmmigreerd.Met Australië staat het anders gesteld. In dat groote eilandenrijk, in vroegere geologische perioden door groote landbruggen met de overige werelddeelen verbonden, doch reeds in lang achter ons liggende perioden geïsoleerd, hebben een aantal diersoorten zich in den strijd om het bestaan kunnen handhaven, die in de andere werelddeelen reeds vroeg zijn uitgestorven. Ook de oorspronkelijke inboorlingen vertoonen inferieure kenmerken, die eenigszins aan het Neanderdal-ras doen denken en die verschillende anthropologen er toe gebracht hebben daar de plaats te zoeken, waar het menschelijk ras zich uit dierlijke voorvaderen heeft ontwikkeld, en van waar het door langzame emigratie en verspreiding de geheele wereld heeft bevolkt. Eenige zekerheid hieromtrent heeft men evenwel geenszins.1Wij weten nog in het geheel niet, hoe lang het geleden is, dat de mensch zich van het geslacht der apen losmaakte; maar het kan zelfs zoo lang geleden zijn als de eocaene periode.↑2Ook dit wordt echter weer tegengesproken, doorDuboiszelf en door een Engelsch anthropoloog van groote autoriteit,Arthur Keith, die in 1912 in een reeks lezingen trachtte aan te toonen, dat de pithecanthropus wel in het tertiaire tijdperk thuis behoort. Voorloopig schijnt mij echter de opvatting vanVolzenMartinop degelijker gronden te berusten.↑3De inmiddels doorDawsonenSmith Woodwardgepubliceerde uitvoerige beschrijving is niet geschikt, om bestaanden twijfel omtrent de juistheid der voorloopige opgaven weg te nemen. Zoowel wat betreft den hoogen ouderdom van de overblijfselen als hunne zoo uiterst primitieve kenmerken vraagt men zich af, of de beide onderzoekers wel altijd hunne vondsten met de noodige nauwgezetheid hebben beoordeeld.↑4Zooals echter boven reeds werd opgemerkt, laat de inmiddels verschenen uitvoerige beschrijving van de vondst nog wel eenigen twijfel bestaan aan de juistheid dezer voorloopige opgaven vanDr. Smith Woodward.↑5Zieachterin.↑6DoorFraipontenLohestin 1886 beschreven.↑7Volgens de opgaven van de Firma Krantz is er nu in den laatsten tijd een beter gipsafgietsel van vervaardigd.↑8M. Boule.l’Homme fossile de la Chapelle-aux-Saints. Annales de Palaeontologie 1913. blz. 1–278. 101 afbeeldingen.↑
VIDE VOORNAAMSTE ANTHROPOLOGISCHE VONDSTEN„We are far from knowing how long ago it was when man first diverged from the Catarine (Simian) Stock; but it may have occurred at an epoch as remote as the eocene period.”Darwin.1
„We are far from knowing how long ago it was when man first diverged from the Catarine (Simian) Stock; but it may have occurred at an epoch as remote as the eocene period.”Darwin.1
„We are far from knowing how long ago it was when man first diverged from the Catarine (Simian) Stock; but it may have occurred at an epoch as remote as the eocene period.”
Darwin.1
Welke zijn nu de wegwijzers in dien doolhof? Kennen wij tusschenvormen tusschen dier en mensch, of bestaat nog steeds de „break in the chain,” waaroverDarwinklaagde? Wat leeren ons hieromtrent de fossiele menschelijke overblijfselen?Fig. 12. Schedeldak (van boven en van terzijde gezien), dijbeen en kiezen van denpithecanthropuserectus vanDubois.Het zou de ruimte, mij door den uitgever voor dit boekje toegestaan, verre overschrijden, zoo ik een volledige opsomming en beschrijving wilde geven van al de vondsten van praehistorische menschelijke overblijfselen, welke bekend geworden zijn. Die opsomming zou daarbij bijzonder vervelend worden, nutteloos zijn en niet op haar plaats in dit werkje. Ik wil dan ook slechts de voornaamste noemen, en slechts van die vondsten een iets meer uitvoerige beschrijving geven, die nieuwe gezichtspunten hebben geopend of bepaalde vragen nader tot hunne oplossinghebben gebracht. Voor een overzichtelijke rangschikking der gegevens is natuurlijk de chronologische volgorde daarbij niet de meest gewenschte. Want dan weer wordt een zeer oude vorm ergens gevonden, eenigen tijd later een overblijfsel van veel geringeren ouderdom, dan weer een overblijfsel uit de vroegste perioden der menschelijke historie opgedolven, enz. Wil men in staat zijn, bij de beschrijving der verschillende vondsten tevens een beeld te geven van de wordingsgeschiedenis van het menschenras, voor zoover men die kent, dan is de eenige weg die, dat men eerst die overblijfselen beschrijft, die zich het nauwsteaan de dierenwereld aansluiten, dan de overblijfselen met iets minder inferieure kenmerken, om te eindigen met die vormen, die geheel en al de typische kenmerken van den homo sapiens, den tegenwoordig levenden mensch vertoonen.Beginnen wij dus met de meest dierlijke overblijfselen.1.Pithecanthropus erectusDubois.Zelden is wel over een vondst van fossiele overblijfselen zoo veel gestreden, heeft een ontdekking zooveel twijfel, ergernis, wantrouwen, vreugde en opgewondenheid—al naarmate het standpunt, dat men tegenover de descendentieleer en het vraagstuk van de afstamming van den mensch innam—veroorzaakt, als toenEugene Duboisin 1893 van uit Batavia het bericht de wereld inzond, dat hij de overblijfselen van een op den mensch gelijkenden overgangsvorm had gevonden, dien hij pithecanthropus erectus, den rechtopgaanden aapmensch noemde. Wel waren het luttele overblijfselen—een schedeldak, een dijbeen, een kaakfragment en twee kiezen (Fig. 12) maar zij vereenigden zoovele menschelijke en dierlijke kenmerken in zich, herinnerden zoo sterk aan de eene zijde aan de hoogst staande apen, aan de andere zijde aan het menschelijke skelet, dat men hier den tusschenvorm, den „missing link” vanDarwin, meende voor zich te hebben. De verschillende beenstukken (schedeldak en dijbeen) lagen wel bij het vinden 15 meter van elkaar verwijderd, maar zoo volkomen in dezelfde steenlaag (men vergelijke de doorsnede van de lagen in fig. 13), en zonder eenige verdere bijmengselen, dat het van verschillende zijde geuite bezwaar, dat de stukken niet tot hetzelfde dier zouden hebben behoord, doch het dijbeen van een mensch, het schedeldak van een grooten aap afkomstig zou zijn, wel ongegrond mag genoemd worden. Waar is, dat het dijbeen verrassend veel op dat van een mensch gelijkt, de schedelkapmeer op die van een grooten aap, dan op die van een mensch, hoewel in vele opzichten meer ontwikkeld dan de tegenwoordig levende menschapen.Duboisgaf daarenboven aan, dat volgens de bij de overblijfselen in dezelfde steenlaag gevonden fossielen de geheele laag van tertiairen oorsprong zou zijn. Men had hier dus den langgezochten tertiairen voorvader van het menschelijk geslacht voor zich. Nu is door de resultaten van latere opgravingen op dezelfde plaats wel eenige twijfel hierover ontstaan. De bewerking der door de expeditie van Mevrouw Selenka in 1906 op dezelfde plaats verzamelde fossielen en geologischegegevens doorVolz,Elberten anderen in 1908 en 1909 schijnt niet alleen met groote waarschijnlijkheid te hebben aangetoond, dat de laag gesteenten, waarin de overblijfselen van den pithecanthropus waren gevonden, van veel lateren datum is dan de jongste tertiaire periode, het plioceen, waartoeDuboisze meende te kunnen brengen, een resultaat waartoe, onafhankelijk vanVolz, ookK. Martinop grond van het systematisch onderzoek der gevonden fossielen kwam, doch schijnt ook er op te wijzen, dat daar ter plaatse de pithecanthropus met den mensch te zamen moet hebben geleefd. Men vond tenminste sporen van vuur en een menschenkies in dezelfde steenlaag.Fig. 13. Profiel van de vindplaats van de overblijfselen van denpithecanthropuserectus bij Trinil. a = laag, waarin zich de overblijfselen zelf bevinden, diep onder den beganen grond.De laag van Trinil, die de fossiele overblijfselen van denpithecanthropusbevatte, schijnt niet tertiair, doch diluviaal te zijn, en moet volgensVolzzelfs ongeveer in het midden van de diluviale periode (men vergelijke de tabel in hoofdstuk I) gesteld worden.2Zelfs als men dus van het eolithen-vraagstuk geheel afziet, en zich uitsluitend houdt aan de werkelijk gevonden menschelijke overblijfselen, zelfs dan is, zooals uit de hierna te bespreken vondsten blijken zal, de pithecanthropus niet ouder, doch eer jonger dan de oudste menschelijke overblijfselen, en heeft hij dus waarschijnlijk gelijktijdig met den mensch geleefd, wellicht zelfs naast hem, want in Indonesië, in Zuid-Sumatra, in Celebes en ook op Java zijn sporen van menschen uit den palaeolithischen tijd gevonden.Van den „missing link” is dus geen sprake, en zoo geeft dan ook zelfsSchwalbe, die den pithecanthropuszoo uiterst nauwkeurig en systematisch heeft onderzocht, toe, dat hoe dicht ook de pithecanthropus bij den mensch moet hebben gestaan, het toch volstrekt niet noodzakelijk is, hem als directen voorvader van het menschengeslacht aan te nemen.Toch blijft deze vondst m.i. van uiterst groote beteekenis, en aanDuboisde onvergankelijke eer, bij een doelbewust onderzoek er naar, deze overblijfselen te hebben gevonden, en er de groote waarde direct van te hebben ingezien. Zelfs al schakelt men den pithecanthropus volkomen uit de reeks van voorvaderen van den mensch uit, dan toonen toch zijne overblijfselen, zoo opvallend menschelijk, tot welk een hooge ontwikkeling de hoogste zoogdieren, de menschapen, de primaten, in het begin der quartaire periode zijn gekomen, en het blijft zeer goed mogelijk, dat de pithecanthropus een directe, niet veel verder ontwikkelde, misschien zelfs iets gedegenereerde afstammeling is van denzelfden vorm, die in nakomelingen, die zich in reeksen van opvolgende generaties wel ontwikkelden, het menschelijk geslacht heeft voortgebracht. Moge ook, zooals uit fig. 11 blijkt, de schedelwelving van den pithecanthropus met die van den chimpansee nagenoeg overeenstemmen, de schedelcapaciteit (d. w. z. de schedelinhoud, door de hersenen ingenomen, het volumen van de hersenen dus), volgensDubois870 c. M.3, tegen 550 c. M.3bij de grootste menschapen (gorilla en orang oetan), 1230 c. M.3bij den neanderdal-schedel, en 1450 tot 1550 c. M.3bij de blanke rassen, verheft den pithecanthropus ver boven de menschapen. Hetzelfde zou volgensDuboisgelden voor hetgeen men aan de binnenzijde van den schedelkap van het relief der hersenoppervlakte heeft kunnen zien, nl. een ontwikkeling speciaal van dat gedeelte van de hersenen, dat met het spraakvermogen samenhangt, sterker dan bij eenigen anderen menschaap.2.Eoanthropus Dawsoni.In het laatst van ’t jaar 1912 werd in een kiezelafzetting (een zoogenaamde „gravel pit”) bij Piltdown in Sussex een gedeelte van de onderkaak en van het schedeldak van een menschelijk wezen uit de eerste tijden der pleistocene periode gevonden, volgens de nog eenigszins onvolledige gegevens3het oudste menschelijke overblijfsel, dat tot dusverre in Engeland gevonden werd. Ter eere van den ontdekker werd het deeoanthropus Dawsongedoopt. Niettegenstaande maanden lang met de grootste zorgvuldigheid werd gezocht, werden geen verdere gedeelten van het skelet gevonden. Volgens de beschrijving, van de overblijfselen doorMr. Smith Woodwardgegeven, stammen de overblijfselen uit de „Chelléen” periode. Steenen werktuigen van het „Chelléen” type en overblijfselen van een hippopotamus werden in dezelfde laag aangetroffen.De menschelijke overblijfselen bestonden uit de rechterhelft van de onderkaak met twee kiezen en ongeveer 2/3 van het schedeldak. Dit laatste was in stukken gebroken, doch kon volkomen goed gereconstrueerd worden. Het was buitengewoon dik en stevig gebouwd. Het merkwaardige van deze overblijfselen is, dat de onderkaak verrassend veel gelijkt op die van een aap, vooral van een chimpansee, terwijl de in de onderkaak bewaard gebleven kiezen geheel en al menschelijke kenmerken vertoonen, alleen iets grooter zijn. (Wij zullen ditzelfde verschijnsel later wedervinden in de kaak van den homo heidelbergensis 4). De kinstreek is afgebroken en de verderetanden zijn verdwenen. Aan de nog aanwezige tandkassen kan men echter duidelijk nagaan, dat ook de niet voorhanden tanden en kiezen iets grooter moeten geweest zijn dan die van den tegenwoordigen mensch.Van den schedel was voldoende bewaard gebleven om den schedelinhoud te kunnen berekenen. De schedelcapaciteit bleek ongeveer 1070 c. M.3te zijn. Vergelijkt men dit cijfer met de hierboven in verband met den pithecanthropus genoemden, dan ziet men, dat de eoanthropus grooter hersenen moet hebben bezeten dan deze, doch minder dan de werkelijke mensch. Het nauwgezette onderzoek van de beide fragmenten bracht dan ookDr. Smith Woodwardtot de slotsom, dat wij hier met een werkelijken tusschenvorm te doen hebben, die, hoewel reeds dicht bij den mensch staande, toch nog niet den naam homo verdient, en daarom door hem de eoanthropus, „het wezen staande aan den dageraad der menschwording” gedoopt is. Voor het probleem der afstamming en vooral van de verbreiding van den mensch over de aarde, is het nu zeker uiterst merkwaardig, dat twee dergelijke intermediaire vormen als de pithecanthropus en de eoanthropus, de een in Java, de andere in Europa zijn gevonden.43. De vondst vanTaubach. In 1895 werden doorNehringtwee menschelijke kiezen beschreven, die bij Taubach in Saxen-Weimar gevonden waren, meer dan 5 meter onder den beganen grond in steenlagen uit het allereerste gedeelte der quartaire periode, te zamen met primitieve steenen werktuigen uit de „Chelléen” of „Acheuléen” periode en met overblijfselenvan den elephas antiquus en den rhinoceros van Merck. Meer dan die twee kiezen werd niet gevonden, maar toch was de vondst, vooral toen ter tijde, belangrijk, omdat toen dergelijke oude sporen van menschelijk bestaan nog niet bekend waren. De beide kiezen zijn een eerste linker melkkies en een eerste linker blijvende kies, beiden uit de onderkaak. Het eigenaardige van deze kiezen ligt vooral in de grootte, welke die van menschelijke kiezen overtreft, in het sterk afgesleten zijn en in den vorm, die verschillende eigenaardigheden vertoont, welke meer aan apentanden dan aan een menschelijk gebit doen denken. Om het belang van deze vondst juist te kunnen waardeeren, moet men bedenken, dat van alle beenstukken juist de tanden en kiezen tot de meest kenmerkende en voor de verschillende diersoorten het scherpst van elkaar te onderscheiden deelen van het menschelijk en dierlijk organisme behooren, zoodat men dikwijls de soort, waartoe gevonden fossiele overblijfselen behoorden, heeft kunnen vaststellen aan één tand, die van een dergelijk dier gevonden was. En in de tweede plaats blijkt juist de buitengewone grootte van de kiezen een kenmerk te zijn, dat ook bij de later gevonden oudste menschvormen, zooals bij den zooeven genoemden eoanthropus en vooral bij den straks nader te beschrijven homo heidelbergensis tot de op den voorgrond tredende eigenaardigheden behoort. Daarom werden dan ook de „tanden van Taubach” hier vermeld.4.Homo heidelbergensis.De onderzoekingen vanDuboisop Java werden in 1891 en 1892 verricht. Veertien jaar later werd de tweede uiterst belangrijke vondst gedaan. Waarlijk, 21 October 1907 is de datum, die met gulden letteren in het boek der anthropologische wetenschap verdient te worden opgeteekend, als van den dag waarop de fossiele onderkaak van den„heidelberger mensch” werd gevonden. En het is merkwaardig, dat, evenalsDuboisdoelbewust de Kendeng-lagen bij Trinil was gaan onderzoeken, omdat hij overtuigd was, daar den langgezochten overgangsvorm te vinden, ook hier het vinden van de heidelberger kaak doorSchoetensackjaren lang was verwacht. In een zandgroeve bij het dorp Mauer, dicht bij Heidelberg, die sinds 1872 wordt afgegraven, waren reeds telkens belangrijke fossielen gevonden, o. a. uit het laatste gedeelte der tertiaire periode.Dr. O. Schoetensack, de anthropoloog uit Heidelberg, reeds gedurende meer dan 20 jaren een getrouw onderzoeker der zandgroeve, had, onder den indruk van de groote overeenkomst, die bestond tusschen de lagen van de zandgroeve en de aan fossielen zoo rijke beddingen van Taubach in Weimar, en in de verwachting, dat ook hier wel eens belangrijke overblijfselen konden worden aan het licht gebracht, bij zijne bezoeken aan de groeve telkens weer de arbeiders en opzichters gewaarschuwd en hun op ’t hart gedrukt, als zij iets vonden niet eigenhandig verder te graven, doch hem direct te roepen. En zoo werd, na jaren wachten, zijn geduld beloond, en werd hij den 21sten Oct. 1907 er dadelijk van verwittigd, dat in de diepste lagen van de zandgroeve, meer dan 24 meter onder den beganen grond, een menschelijke onderkaak was gevonden. Zoodoende konDr. Schoetensackdirect na het vinden van de kaak de vindplaats inspecteeren, en photographeeren, hij liet een notarieele akte van de omstandigheden, waaronder de vondst plaats had gegrepen, opmaken en door den opzichter en den arbeider, die er bij aanwezig geweest waren, onderteekenen, hij liet op de vindplaats een gedenksteen aanbrengen, kortom, alles werd zoo uiterst nauwkeurig vastgesteld, dat geen twijfel meer mogelijk was. De vondst van deze kaak dan ook vrijwel de eenige anthropologische vondst, waarvan door geen enkelen geleerde ooit eenigentwijfel omtrent de echtheid en den hoogen ouderdom is geopperd. Daarna is doorSchoetensackde kaak beschreven in een voortreffelijke, uitvoerige, rijk geïllustreerde monographie, zoodat naast de meesterlijke beschrijving doorM. Boulevan den een jaar later in Frankrijk gevonden voorhistorischen mensch van la Chapelle-aux-Saints het werk vanSchoetensackals een voorbeeld van exact anthropologisch onderzoek mag gelden.Fig. 14. Profielbeeld van de zandgroeve van Mauer, waarin bij × (rechts onderaan, vlak bij den bodem der groeve) de kaak van den homo heidelbergensis werd gevonden.Belangrijk is nu in de eerste plaats de ouderdom van het fossiel. In de photographie van fig. 14 ziet men duidelijk in de afgegraven zandgroeve de verschillende zand- en steenlagen boven elkaar en rechts onder bij den bodem het witte kruisje, dat de plaats aangeeft, waar de kaak werd gevonden, 24 meter onder de oppervlakte. In dezelfde laag werden gevonden overblijfselen van den elephas antiquus, den etruscischen neushoorn, voorloopers van den holenbeer, een soort van paard, dat in het laatste gedeelte van de tertiaire periode voorkomt, een fauna, derhalve, die in zijn geheel wijst op een zeer hoogen ouderdom van de steenlaag, in het einde van de tertiaire periode. De bij de kaak in dezelfde laag gevonden vuursteenen zijn volgensRutoteolithen uit de „Mafflien”-periode, einde tertiaire of begin quartaire periode. Kortom, de kaak van Mauer is verreweg het oudste der stratigraphisch volkomen nauwkeurig bekende menschelijke fossielen, en zijn drager moet nog vóór het begin van de ijsperiode, in het allerlaatste gedeelte der tertiaire periode geleefd hebben. Alleen hierom zou de homo heidelbergensis al het volste recht op onze groote belangstelling kunnen doen gelden, doch daarbij is de vorm van deze onderkaak allermerkwaardigst. Men vergelijke de beide afbeeldingen in fig. 15 en 16 met den omtrek van een modernen onderkaak van den homo sapiens, of beter nog, men neme het voortreffelijke gipsafgietsel van de kaak ter hand, dat tegenwoordig in de meeste musea te vinden is. Met verbazing beschouwt men het kolossaal massieve karakter van de kaak, met zijn breed massaal achterstuk voor de kauwspieren, met zijn volkomen ontbrekende kin, met zijn geheelen vorm, die volkomen op een orang- of gorilla-kaak gelijkt, en daarbij het absoluut menschelijke gebit. Ware deze onderkaak gevonden zonder gebit, men zou niet aarzelen hem aan een voorwereldlijken aap toe te schrijven. Hetgebit evenwel vertoont zoo volkomen menschelijke kenmerken, is zoo harmonisch en regelmatig gebouwd, zonder sterk vergroote hoektanden, met regelmatig gebouwde kiezen van volkomen menschelijken vorm, dat men geen oogenblik twijfelen kan, deze kaak als een onderdeel van een menschelijk skelet te beschouwen. Ditzelfde bleek ook bij het röntgenologisch onderzoek van het fossiel. Ook de vorm van de tandwortels, door de röntgenstralen in het inwendige van de kaak zichtbaar gemaakt, bleek overeen te komen met die van het menschelijk gebit, niet met die van een of anderen apensoort.Fig. 15. De onderkaak van den homo heidelbergensis van terzijde gezien.Hoe de drager van deze kaak er moet hebben uitgezien,is natuurlijk niet te zeggen, maar wel kan men met zekerheid uit het gevonden fossiel afleiden, dat de drager een mengeling van dierlijke en menschelijke kenmerken moet hebben vertoond. Wil men van een „missing link,” van een overgangsvorm spreken, dan heeft men hier den typischen overgangsvorm voor zich. Wellicht brengt de zandgroeve van Mauer ons nog eens andere deelen van het geraamte, waaruit wij den verderen lichaamsbouw van den homo heidelbergensis kunnen afleiden. Dat hij in het laatste gedeelte der tertiaire periode bestaan heeft, dat hij de kenmerken van een tusschenvorm moet hebben vertoond, daarvan is de doorSchoetensackbeschreven fossiele onderkaak ons een zeker bewijs.Fig. 16. Omtrekken van de kaak van Mauer (den homo heidelbergensis) (A), en van een moderne menschelijke onderkaak (B).5. DeNeanderdal-schedel. In een vorig hoofdstuk beschreef ik reeds in korte trekken de geschiedenis van den vondst van dezen beroemden schedel, waarvan alleen ’t bovenste gedeelte, het schedeldak, is bewaard gebleven, die, jaren lang een unicum, tegenwoordigslechts één van een groote groep van gelijkwaardige fossiele vormen is. In 1856 door eenige arbeiders bij het uitgraven van een leemgroeve gevonden in een kleine grot in het Neanderdal bij Elberfeld, doch weggeworpen, doorFuhlrottmet nog eenige andere deelen van het skelet (de grootste helft der lange beenderen, een stuk van het bekken en eenige andere fragmenten) van den ondergang gered, en door hem enSchaaffhausenhet eerst beschreven, heeft deze schedel (of liever dit schedeldak) jaren lang het voorwerp van levendige discussies uitgemaakt. Terwijl men in Frankrijk, het klassieke land van de praehistorische vondsten en van de anthropologie, al spoedig tot het resultaat was gekomen, dat dit schedeldak met zijn eigenaardigen vorm, met zijn laag, wijkend voorhoofd, zijn overhangende, sterk verdikte wenkbrauwen, zijn langgerekt achterhoofd, een overblijfsel van een bijzonder, zeer laagstaand menschenras was (hoewel dit ook in Frankrijk niet zonder tegenspraak was gebleven), was in Duitschland door niemand minder danVirchowenRankede ban er over uitgesproken. De diluviale ouderdom van den schedel werd in twijfel getrokken, de eigenaardige eigenschappen er van werden voor pathologisch verklaard, en de schedel werd nu eens voor een schedel uit den tijd der Merovingers, dan weder voor dien van een Russischen kozak of van een soldaat uit den 30-jarigen oorlog gehouden, of wel in verband gebracht met de in zeker opzicht een dergelijken eigenaardigen („neanderthaloiden”) vorm vertoonende Marker- en Friezenschedels, met den Batavus genuinus van Blumenbach. Zoo werd aan denNeanderdal-schedelelke waarde ontzegd voor het probleem van de afstamming van den mensch. VolgensVirchow, die juist op de oogenschijnlijk groote overeenkomst tusschen den Neanderdal-schedel en de Marker-schedels den nadruk had gelegd, kon men nog heden ten dage menschen met dergelijke schedelvormen(de Marker visschers) in den Haag zien rondloopen.Dat de eigenaardige vorm van het Neanderdal-schedelfragment niet direct als normaal en als kenmerkend voor een bepaald menschenras met nog zeer inferieure kenmerken en van zeer hoogen ouderdom werd aangezien, was begrijpelijk, zoolang de Neanderdal-schedel nog een unicum was, vooral daar de eigenaardige omstandigheden van de vondst van de overblijfselen alle stratigraphische gegevens hadden doen verloren gaan, en de studie van dierlijke fossielen of steenen werktuigen uit dezelfde steenlaag als waarin de menschelijke overblijfselen hadden gelegen, waaruit de ouderdom had kunnen worden bepaald, onmogelijk hadden gemaakt. Toen echter in 1886 doorFraipontenLohestin België in de grot van Spy twee schedels met een onderkaak en een aantal andere beenstukken werden opgedolven en beschreven, waarvan de beide schedels een verrassende overeenkomst met het schedeldak vanFuhlrottenSchaaffhausenvertoonden, werd dit anders, en toen in 1893Duboisden hier boven vermelden pithecanthropus, die zoo vele punten van vergelijking met het Neanderdaler fossiel aanbood, beschreef, toen in de laatste jaren der 19e eeuwSchwalbezijne klassieke onderzoekingen over deze groep van fossiele schedels deed verschijnen, was de ban gebroken, en in 1901 op het Duitsche anthropologen-congres te Metz moestVirchowhet helaas nog beleven, dat hij ook door de Duitsche anthropologen verlaten werd, en dat, zooalsKlaatsch, zijn heftigste bestrijder, het uitdrukte, „der so lange verkannte Homo neanderthalensis seine wissenschaftliche Auferstehung feierte.”56. De bovenvermelde vondst van de skeletten bij deGrot van Spyin België door de Puydt en Lohest in18856was in twee opzichten belangrijk. De beide skeletten, doorgaans onderscheiden als Spy I en Spy II, werden door deskundigen uitgegraven, die de bijzonderheden van de steenlagen, waarin de overblijfselen waren ingesloten, van de daarbij aanwezige dierlijke overblijfselen en steenen werktuigen konden beoordeelen en die dus voor den hoogen ouderdom van de menschelijke overblijfselen konden instaan. Daarbij waren de verschillende beenstukken wel gebroken, maar konden toch een groot aantal er van gered worden en bleek vooral van de schedels veel bewaard gebleven te zijn.De dierlijke overblijfselen, o.a. mammoeth enrhinocerostichorinus, en de bij de skeletten gevonden steenen werktuigen wezen op een hoogen ouderdom, ongeveer in de „moustérien”-periode. De beenstukken zelf waren in drieërlei opzicht merkwaardig. In de eerste plaats vertoonde vooral de eene der beide schedels, die het meest volledig bewaard gebleven was, volkomen dezelfde eigenaardige kenmerken, het lage wijkende voorhoofd, het lange, uitpuilende achterhoofd, de geweldige wenkbrauwbogen, als de schedel uit het Neanderdal. In de tweede plaats was bij deze skeletten een nagenoeg volledig bewaarde onderkaak voorhanden, en ook deze onderkaak vertoonde verrassend dierlijke kenmerken, die zich geheel en al aan het inferieure karakter van den schedel zelve aansloten. Men moet bedenken dat men toen de zooveel later gevonden fossielen als den homo heidelbergensis en den later nader te bespreken schedel van la Chapelle-aux-Saints, die ons zooveel omtrent den vorm van de onderkaak bij de overgangsrassen geleerd hebben, niet kende. De vorm daarvan kon men eigenlijk alleen eenigermate afleiden uit een fragment van een fossiele menschelijke onderkaak, in 1866 in de grotte de laNaulettebij Dinant in België gevonden, en die merkwaardigwas om het nagenoeg geheel ontbreken van de vooruitstekende kin, het breede massieve karakter van het achterste opstijgende gedeelte en de groote tanden. De kaak van het skelet uit de grot van Spy bleek nu nog massiever te zijn, breed en zwaar gebouwd, met groote aanhechtingsplaatsen voor de kauwspieren, groote tanden, en een beenige vooruitstekende kin ontbrak hier geheel en al. Wij kunnen er echter nu bijvoegen dat al deze eigenschappen hier nog lang niet zoo sterk ontwikkeld zijn als bij de geologisch zooveel oudere kaak van den homo heidelbergensis. In de derde plaats kon men bij de skeletten van Spy ook de lange beenstukken, het dijbeen en het scheenbeen onderzoeken. In overeenstemming met den primitieven bouw van het verdere skelet bleek nu het kniegewricht zoo gevormd te zijn, dat, evenals bij de menschapen (gorilla, orang, chimpansee) het geval is, het evenwicht bij het staan slechts bij half gebogen knieën en voorovergebogen lichaam kon worden bewaard. Ook dat wijst dus op een aan de apen herinnerenden lichaamsbouw.Afgezien van een aantal fossiele fragmenten (van Cannstadt, van Eguisheim, van Brünn, van Sipka, Brüx, Predmost enz.) die ik hier verder onbesproken wil laten, zijn nu vooral in de laatste 6 jaren een aantal uiterst belangrijke vondsten gedaan, die zich volkomen aan de boven beschreven fossielen aansluiten, en de sterke verbreiding van het laagstaande menschenras, waarvan de Neanderdal-schedel het type vormt, aantoonen. In de eerste plaats:7. De vondst vanKrapina. Reeds in 1899 en 1901 waren door een Hongaarsch anthropoloog,Gorjanović-Krambergerkorte mededeelingen gedaan omtrent een belangrijke vondst van fossiele menschelijke overblijfselen in een rotshol bij het dorp Krapinaaan den oever van de Krapicina-beek. In 1906 volgde de uitvoerige beschrijving, nadat gedurende meer dan 6 jaren de onderzoekingen waren voortgezet. Het rotshol, waarin de overblijfselen werden gevonden, was geheel en al met aarde en steenen opgevuld, en was merkwaardig om de regelmatigheid waarmede de afzettingen in lagen boven elkaar voorkwamen, telkens afgewisseld door donkere dunne lagen, waarin houtskool en verkoolde beenderen de vroegere aanwezigheid van haardvuren aantoonden. Blijkbaar was het hol in overoude tijden, toen de bedding van het riviertje nog zooveel hooger lag dan nu, telkens overstroomd, en keerden, nadat het weer droog geworden was, telkens weer bewoners in het hol terug. In de onderste (dus oudste) steenlagen werden nu naast tal van steenen werktuigen uit de oudste palaeolithische periode (meer dan 600 stuks) en dierlijke overblijfselen, waarvan vooral de resten van den rhinoceros Merckii op een zeer hoogen ouderdom van de lagen wijzen, een zeer groot aantal menschelijkebeenstukkengevonden, van 9 verschillende skeletten. Terwijl de steenlagen onaangetast waren, bleken de skeletstukken alle gebroken, verbrijzeld te zijn. In fig. 17 zijn de grootste stukken afgebeeld. Zelfs deze stukken moesten nog met groote voorzichtigheid in elkaar gezet worden om voor verdere studie bruikbaar te zijn. Daarbij vertoonden de meeste beenstukken, vooral de lange pijpbeenderen, het eigenaardig voorkomen, dat beenderen krijgen als zij met vuur in aanraking zijn geweest, en vooral deze beenderen waren in de lengte gespleten, zooals dierlijke botten, waar men het beenmerg uitgehaald heeft. Het vermoeden ligt dus voor de hand, dat men hier met kannibalisme te doen heeft, dat dus die oudste bewoners van Kroatië menscheneters waren. Verder vertoonden de schedelbeenderen de eigenaardige kenmerken van de Neanderdalschedels in sterke mate. In fig. 17 zijn aan het van terzijdegeziene schedeldak (boven in de figuur) het lage wijkende voorhoofd en de sterk ontwikkelde wenkbrauwbogen, aan de onderste figuur links de groote holle oogkassen (vergelijk fig. 18 en 21) duidelijk zichtbaar.Dat wijst dus op een sterke verbreiding van ’t Neanderdalras over een groot deel van Europa. Maar daarnaast is ’t voor het probleem, hetwelk ons hier bezighoudt, van groot belang, dat onder de 9 verschillende cadavers, waarvan hier de beenstukken bij elkaar gevonden zijn, twee typen voorkomen, die van elkaar op dezelfde wijze verschillen als de langhoofden (dolichocephalen) en rondhoofden (brachycephalen) onder de latere menschenrassen. Ook bij het Neanderdalras (om op het oogenblik dezen naam te blijven gebruiken) bestonden dus reeds langhoofdige en rondhoofdige „neandertalers.” Later zullen wij hierop nog terug moeten komen. Hier wil ik er slechts nog op wijzen, dat deze zelfde eigenaardigheid ook bij de overblijfselen van de beenderen der ledematen der Krapina-skeletten werd gevonden. Naast zeer korte, stevige arm- en dijbeenderen werden lange, slanke beenstukken gevonden. Ook hierin dus hetzelfde verschil als bij de schedels. Naar aanleiding van de tanden en kiezen, bij de Krapina-skeletten gevonden, heeft zich een zeer levendige discussie ontsponnen, waarop ik hier niet wil ingaan. Slechts zij hier vermeld, dat vooral de kiezen uitmunten door hunne grootte, die in enkele gevallen de afmetingen van de kiezen uit de onderkaak van den homo heidelbergensis nog overtreft.Fig. 17. Verschillende schedelfragmenten van Krapina. Boven: een stuk van het schedeldak met oogkassen van terzijde gezien. Links onder: oogkassen en neus van voren gezien. Rechts onder: kaakstukken met tanden. VolgensKramberger.8. Werden dus tot in Kroatië vertegenwoordigers van het Neanderdaltype gedurende den ijstijd aangetroffen, aan de andere zijde van Europa werd in een steengroeve Forbes Quarry bij Gibraltar een fossiele schedel van hetzelfde laagstaande type gevonden, bekend als deGibraltar-schedel. Hoewel in 1843 reeds gevonden, geraakte deze schedel in vergetelheid, en is eerst in 1907 doorSollasuitvoerig en nauwkeurig beschreven. De schedel behoort zeer duidelijk tot het Neanderdaltype, en is merkwaardig, omdat 1°. het gelaatgedeelte van den schedel, dat door de groote holleoogkassen, de zware massieve wenkbrauwbogen en de wijde neusopening een eigenaardigen „bestialen” indruk maakt (fig. 18), beter bewaard is gebleven dan in de overige tot nu toe beschreven schedels, omdat 2°. de schedelcapaciteit, m. a. w. het volume van de door den schedel omsloten hersenmassa, 1100 c.M3., kleiner is dan die van de overige neandertaloide schedels, doch iets grooter dan het cijfer van den boven vermelden eoanthropus (1070), en omdat 3°. de eigenaardige vorm van de ook juist bij dezen schedel goed bewaard gebleven schedelbasis zeer sterk aan dierlijke formaties herinnert.Fig. 18. De Gibraltar-schedel „en face” gezien. VolgensSollas.9.Homo Mousteriensis Hauseri.Dit skelet, in 1908 in Frankrijk opgedolven, had een groote aanwinst voor de anthropologische wetenschap kunnen zijn, zoo niet de omstandigheden waaronder, en de wijze waarop het werd uitgegraven, een donkere schaduw over de geheele vondst hadden geworpen en de beteekeniser van verkleind. Een Zwitsersch handelaar in oudheden,O. Hauser, die reeds meermalen op Franschen bodem naar voorhistorische relicten had gezocht, vond in Maart 1908 bij het graven in een hol bij le Moustier in Dordogne, den klassieken bodem der belangrijkste voorhistorische vondsten, sporen van een menschelijk skelet. Inplaats van nu de Fransche archaeologen daarmede in kennis te stellen, werd alles weer zorgvuldig met takkebossen en planken toegedekt; eenige Duitsche anthropologen werden er bij genoodigd, en in Augustus van hetzelfde jaar werd doorHauserenKlaatschin alle stilte het skelet verder uitgegraven, de overblijfselen in een kist gepakt en weggevoerd, en eerst toen de vondst veilig over de grenzen was, werd er ruchtbaarheid aan gegeven.Hauserverkocht toen het skelet voor de som van 125000 mark aan het Museum te Berlijn. Het skelet was zeer broos en viel reeds bij het uitgraven voor een gedeelte uiteen. De schedel echter kon geheel gaaf worden te voorschijn gebracht. Of toen echter het transport wat te snel en niet met de noodige omzichtigheid geschiedde, de schedel viel gedurende het overbrengen in een aantal stukken uiteen, en de stukken zijn toen later doorKlaatschmet behulp van plasticine op zoo klaarblijkelijk onjuiste wijze weer in elkaar gezet, dat een monstrueuze schedel het resultaat van deze bewerking was, waarvan het gipsafgietsel, later in den handel gebracht, voor verder anthropologisch onderzoek vrijwel waardeloos is.7Daarbij zijn door deze wijze van uitgraven de stratigraphische bijzonderheden van de vondst in het geheel niet tot hun recht gekomen. Wel zijn fraai bewerkte steenen werktuigen uit de „moustiérien”-periode en eenige overblijfselen van den aueros (bosprimigenius) in de omgeving van het skelet gevonden, doch het ontbreken van nauwkeurige en betrouwbare gegevens omtrent het op elkaar volgen der verschillende steenlagen onder den beganen grond, enz., heeft ook in dit opzicht aan de vondst veel van hare waarde ontnomen. En dit is des te meer te betreuren, omdat de verschillende kenmerken van het skelet zelf op een hoogen ouderdom en op een laagstaanden primitieven bouw van het geheele lichaam wijzen. Het skelet is dat van een jeugdig persoon (ongeveer 16 jaren oud), met een grooten schedel, laag wijkend voorhoofd, groote holle oogkassen, vooruitstekende kaken en kinlooze onderkaak (type Neanderdal), terwijl ook hier weer dezelfde eigenaardige bouw van het kniegewricht blijkt te bestaan, die bij het skelet uit de grot van Spy te vermelden viel, en die er op wijst, dat de rechtopstaande houding nog niet geheel en al bereikt was, en ook de mensch van le Moustier het evenwicht bij het loopen slechts bij half gebogen knieën en voorovergebogen lichaam kon bewaren.10.l’Hommede la Chapelle-aux-Saints.Daar deze vondst, naast die van den homo heidelbergensis de meest volledige en best bewerkte anthropologische vondst uit den laatsten tijd is geweest, wil ik de bijzonderheden er van iets meer uitvoerig behandelen dan de voorgaande. Door ervaren deskundigen met de meeste zorgvuldigheid en zaakkennis uitgegraven, nagenoeg volledig, vooral wat de schedel betreft, bewaard gebleven, met volkomen betrouwbare stratigraphische gegevens, en daarna op voortreffelijke wijze doorM. Boule, den directeur van het Palaeontologisch Museum te Parijs, bewerkt,8kan deze vondst als voorbeeld van anthropologisch werk van den eerstenrang gelden en zal steeds de basis blijven vormen voor later praehistorisch-anthropologisch onderzoek.Fig. 19. Plattegrond en doorsneden van de grot, waarin het skelet werd gevonden, met het skelet zelf, zooals het werd aangetroffen.Fig. 20. De schedel van La Chapelle-aux-Saints, gerestaureerd. VolgensBoule.In Augustus 1908, toevallig juist een paar dagen vroeger dan de zooeven besproken vondst van Hauser, werd door drie Roomsch-Katholieke geestelijken—in Frankrijk telt de praehistorische anthropologische wetenschap vele en zeer bekwame beoefenaars onder de R. K. geestelijkheid—de abten J. en A. Bouyssonie en L. Bardon, in een kleine ondiepe grot bij de Chapelle-aux-Saints, in hetCorrèzedal, die bijna geheel met aarde en steenlagen was opgevuld, diep onder deze steenlagen, op den rotsigen bodem een nagenoeg gaaf skelet uitgegraven (fig. 19). Het skelet lag in een regelmatig gevormde, rechthoekige uitholling van den bodem van de grot op den rug, met den eenen arm op de borst gevouwen en de knieën sterk opgetrokken, een houding dus die aan de latere hurkgraven (Höckergräber) herinnert. Een aantal steenen werktuigen,in de steenlagen gevonden, waren van het Moustérien-type. Dierlijke overblijfselen van rendieren, een soort van paard, een bovine vorm, rhinoceros tichorinus en eenige andere dieren, wezen op een zeer hoogen ouderdom. Het had den schijn, alsof deze bepaalde grot alleen als begraafplaats had gediend. Voor andere doeleinden was zij, ook als alle steenlagen werden opgeruimd, veel te laag. De steenlagen bleken volkomen onaangetast te zijn nadat het skelet was begraven; vlak boven het hoofd van het geraamte lagen in de steenlaag de voetbeenderen van een bison nog in hunne natuurlijke ligging tegen elkaar aan.Behalve de regelmatig gevormde uitholling in de onderste laag, waarin het menschelijk skelet lag, waren de steenbeddingen en aardlagen van de grot regelmatig de eene boven de andere gerangschikt. In die bovenste lagen werden de steenen werktuigen en dierlijke overblijfselen gevonden. De groote ouderdom van het skelet kan dus niet in twijfel getrokken worden.Fig. 21. De schedel van LaChapelle-aux-Saints, van terzijde, van voren en van boven gezien.Het skelet zelf is dat van een man, op rijperen leeftijd, ongeveer 1.60 meter lang. De verschillende beenstukken van den romp en de ledematen vertoonen een aantal primitieve kenmerken, die wij niet of slechts in geringen graad bij het skelet van den modernen mensch, daarentegen in verhoogde mate bij de hoogste apen terugvinden. Vooral de bijzonder stevig gebouwde beenderen der ledematen, en de kleine beenderen van hand en voet vertoonen een reeks zoogenaamde „pithecoïde” (bij de apen terug te vinden) kenmerken.Het merkwaardigste gedeelte van dit skelet is evenwel de schedel, waarvan doorBouleeen voortreffelijk gipsafgietsel is vervaardigd. Van het gebit zijn slechts twee tanden, een in de boven- en een in de onderkaak bewaard gebleven, doch daar deze juist tegenover elkander staan, is het mogelijk, de onderkaak volkomen in haar natuurlijken stand te brengen (fig. 20 en 21). Men kan zich dan moeilijk een schedel denken waarin meer dierlijke en menschelijke trekken tot een grotesk geheel vereenigd zijn. Het platronde, zeer lage, wijkende voorhoofd, boven de groote ronde holle oogkassen verdikt tot geweldige vooruitstekende wenkbrauwbogen, de groote, wijde neusopening en de breede kaken, sterk naar voren uitstekend, de afwezigheid der eigenaardige beiderzijdsche inzinkingen onder de oogholten ter zijde van neus en mond, de zoogenaamde fossae caninae, die juist aan het menschelijk gelaat zijn typisch humaan karakter verleenen, de zware massieve onderkaak met zijne kinlooze afronding, het naar beneden als het ware afzakkende achterhoofd, dat alles geeft een dierlijk, onmenschelijk karakter aan dezen schedel, zooals het bij geen enkelen menschelijken schedel tot dusver is gevonden. Hetgeen den menschelijken schedel zoozeer verheft boven de dierlijke schedels, ook van de hoogst ontwikkelde apen, het predomineeren van het gedeelte dat de hersenen omsluit, het intellectueele element, bovende kaakstreek, het onderste gedeelte van het gelaat, als ’t ware het materieele element, ontbreekt hier geheel en al. Men beschouwe slechts de verschillende aspecten van den schedel in fig. 21. De verhoudingen zijn hier bij dezen schedel juist omgekeerd.Fig. 22. Een chimpansee-schedel (A) naast den fossielen schedel van La Chapelle-aux-Saints (B) en een modernen menschelijken schedel (C) geplaatst, van voren gezien.Het best komen deze eigenaardigheden tot hun recht, als men den schedel van la Chapelle-aux-Saints photographeert naast een schedel van een chimpansee (als voorbeeld van een hoog ontwikkelden menschaap) en een moderne menschenschedel. In de figuren 22 en 23 zijn de 3 objecten naast elkaar gephotographeerd, van voren en van terzijde gezien. De afbeeldingen spreken duidelijker dan een lange beschrijving. Men lette slechts op de groote oogkassen, op neus- en kaakstreek, op den vorm van het achterhoofd en van de eigenaardige beenige vooruitstekende wenkbrauwbogen bij den chimpansee en den fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints in fig. 23, om een duidelijkenindruk te verkrijgen van het merkwaardig aspect van dezen schedel. En van welke zijde men de objecten beschouwt, aan welke bijzonderheden men zijne aandacht schenkt, steeds krijgt men denzelfden indruk van het overgangskarakter, van de mengeling van dierlijke en menschelijke eigenschappen, die dezen schedel kenmerkt, waarbij de dierlijke eigenschappen de overheerschende zijn.Fig. 23. Dezelfde drie schedels (A, B en C) van terzijde gezien. VolgensBoule.Dit geldt zelfs niet alleen voor den beenigen schedel.Het is aan de bekwame preparateurs van het Parijsche Museum zelfs gelukt, een volkomen nauwkeurig afgietsel van de holte van den schedel te vervaardigen, waaraan nog zoovele bijzonderheden van den oppervlakkigen vorm der eertijds door dien schedel omsloten hersenen te zien was, datBouledoor vergelijking van dit afgietsel met een reeks van dergelijke afgietsels van menschen- en van apenschedels met zekerheid kon aantoonen, dat ook in den vorm der hersenen eene mengeling van dierlijke en menschelijke kenmerken aanwezig was. Het merkwaardige is nu hierbij, dat de hersenmassa als geheel genomen groot en zwaar is, slechts iets geringer van volume dan de hersenen van den modernen mensch. Ook bij den neanderdal-schedel en den schedel van Gibraltar was dit reeds opgevallen, voor zoover men bij die schedels den inhoud met eenige mate van waarschijnlijkheid had kunnen berekenen.Wij hebben dus hier een menschenvorm voor ons, een representant van een in de oudste praehistorische tijden over een groot deel van Europa verspreid ras, dat in zijn bouw in zoo hooge mate dierlijke en menschelijke kenmerken vereenigt, dat zoozeer zich nauw aansluit aan de hoogst ontwikkelde bekende diersoorten, en zoozeer afwijkt van den gewonen mensch, den homo sapiens, dat men zich zou afvragen, of men hier wel met menschen te doen heeft. Zeker is het, dat als het niet menschen, doch dieren gold, geen palaeontoloog zou aarzelen, den fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints tot een andere soort te rekenen dan den tegenwoordig levenden mensch of zelfs den praehistorischen mensch uit latere perioden. Ook voor de representanten van het neanderdal-ras is dat dan ook reeds geschied, en doorSchwalbe,Krambergeren een aantal andere anthropologen wordt de neanderdal-mensch alshomo primigeniustot een andere soort gerekend dan de homosapiens. Wij komen hierop later bij onze algemeene beschouwingen nog nader terug, maar één zaak moet ik als behoorende bij het geschetste beeld van den fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints nog hier memoreeren. De fossiele overblijfselen vertoonen ons een menschvorm, uit de vroegste praehistorische periode, waarin men den mensch als zoodanig heeft aangetroffen, in wiens bouw de dierlijke, aapachtige kenmerken in vele opzichten meer op den voorgrond treden dan de typisch menschelijke eigenaardigheden, zoodat men zelfs gemeend heeft, het ras, waartoe hij behoorde, tot een andere soort te moeten brengen. En toch ziet men, dat wat de geestelijke eigenschappen betreft, de mensch van la Chapelle-aux-Saints midden in den geestelijken ontwikkelingsgang van het menschdom staat. Wij zagen dat het skelet lag in een gedolven grafholte. Zooals uit de plattegrond van de grot in fig. 19 (links) blijkt, had deze uitholling van de bodemlaag van de grot een bepaalden zeer regelmatigen rechthoekigen vorm. En als wij nagaan, hoe die grafuitholling ligt, dan zien wij dat de lange as van den rechthoek juist west-oost is georienteerd, zoodat ook het lichaam in de richting van den zonsloop ligt. Daarbij lag het skelet in de voor de latere „Höckergräber” zoo typische houding met sterk opgetrokken knieën, waardoor, zooals men meende, de ziel verhinderd werd het lichaam te verlaten. Een aantal steenen wapenen liggen om de grafuitholling verspreid, blijkbaar als wapenen aan den doode medegegeven. Trekken wij uit al deze feiten de gevolgtrekking, dan had het volk of de stam, die dezen doode hier voor zoovele duizenden jaren begroef, eerbied voor de dooden. Immers, zij werden begraven. Voorts een zekere mate van cultuur, getuige de regelmatige vorm van de grafholte, een godsdienstig gevoel, vermoedelijk een soort van zonaanbidding, getuige de nauwkeurige orientatie van het graf in de richting oost-west, en eengeloof in een voortbestaan na den dood, getuige de houding van het skelet en de aan den doode medegegeven wapenen.—Een ervaren archaeoloog zou wellicht uit de hierboven genoemde feiten nog verdere conclusies trekken, maar het hier gezegde schijnt mij voldoende, om te doen uitkomen, dat men dezen gedachtengang niet mag verwaarloozen, waar men op zuiver morphologische gronden aan een bepaalden vorm een zekere waarde wil toekennen. Zooals ik zeide, komen wij op dit alles bij de algemeene slotbeschouwingen nog nader terug.11. Andere, nog niet voldoende beschreven skeletvondsten uit den laatsten tijd, zooals bij la Ferrassie (1909–1910), la Pech de l’Azé (1909), la Quina (1911), Saint-Brelade (1911), ga ik hier met stilzwijgen voorbij. Voor zoover men uit de korte nota’s die er van gepubliceerd zijn, kan nagaan, werden ook hier skeletten van het neanderdal-ras opgedolven.Fig. 24. Doorsneden van de „grotte des enfants” bij Grimaldi met de verschillende steenlagen, de oude er vroeger ingegraven put, en de in de steenlagen gevonden skeletten. De eene doorsnede in de lengterichting van de grot, de andere dwars op den ingang. Buiten de grot de spoorrails.12. Naast deze vondsten zijn echter nog enkele van grooter belang te vermelden; in de eerste plaats de zoogenaamde vondst vanGrimaldi. Reeds gedurende een aantal jaren werden op aansporing van Albert I van Monaco de zoogenaamde Grottes de Grimaldi, bij Mentone, systematisch op den inhoud hunner steenbeddingen onderzocht door eenige Fransche archaeologen, met nameVerneau,Boule,Villeneuveen vroeger doorRivière. Een aantal skeletten werden opgedolven die allen tot de jongere pleistocene periode (vooral de „aurignac”-periode en later) behoorden en allen het die periode kenmerkende zoogenaamde „Cro-magnon” type (zie pag. 99) vertoonden met al de kenteekenen van den homo sapiens. Maar nu werd in Juni 1901 door den abtVilleneuvein de zoogenaamde Grotte des Enfants, waarin reeds vroeger in de bovenste steenlagen (zie fig. 24) een skelet van het „Cro-magnon”type was opgedolven, in de diepste lagen een nieuwe vondst gedaan van twee skeletten, die op een diepte van meer dan 8 meter onder de oppervlakte gevonden werden. Deze beide skeletten, in de hierbij gevoegde doorsnedeteekening van de grot met zijn verschillende boven elkaar liggende steenlagen (fig. 24) duidelijk zichtbaar, vertoonden nu een ander type dan het neanderdal-ras, nl. een schedeltype, zooals het in fig. 25 afgebeeld is, met hoog, gewelfd voorhoofd, zonder de vooruitspringende wenkbrauwbogen van den fossielen mensch der vorige vondsten, met gewelfden, fraai afgeronden schedel, doch met vooruitstekendekaken, platten neus, bijna geen kin en een aan het negerras herinnerende vorming van het gezichtskelet. Vandaar dat dit type doorVerneau, die deze vondst uitvoerig heeft beschreven, het „negroïde” type genoemd werd. Boven de laag, waarin deze beide skeletten begraven waren (er was een duidelijke steenbedekking om de beide skeletten aangebracht, een graf derhalve), werd op ongeveer 7 meter diepte nog een skelet gevonden, dat evenals het reeds vroeger in de bovenste steenlagen van dezelfde grot gevonden, geheel en al het karakter van den homo sapiens vertoonde. Dit laatste skelet zou volgens de in dezelfde laag aangetroffen steenen werktuigen en dierlijke overblijfselen tot het laatste gedeelte van de „aurignac”-periode behooren, de beide skeletten van het negroïde type zouden tot de „moustier”-periode behooren, dus ongeveer van denzelfden ouderdom zijn als de zooeven beschreven skeletten van het neanderdalras. Nu is wel door latere opgaven vanM. Boulegebleken, dat de ouderdom van deze „negroïde”-skeletten niet zoo groot is als men eerst meende, maarer blijkt toch wel uit, dat niet zoo heel veel later dan de periode, waarin wij hier in Europa een ras met zeer inferieure kenmerken aantreffen, er in hetzelfde werelddeel menschen werden gevonden die een ander, hooger type vertegenwoordigden. Het toont tevens aan, hoe voorzichtig men zijn moet met conclusies, getrokken uit fragmenten van schedels. Had men van deze negroïde schedels vanVerneauslechts het schedeldak met het hooge gewelfde voorhoofd zonder vooruitspringende wenkbrauwbogen gevonden, men zou niet geaarzeld hebben, de dragers dier schedels tot den normalen homo sapiens te rekenen. Had men slechts de kaken en het gezichtskelet gevonden, men zou ongetwijfeld de dragers bij het neanderdalras hebben ingedeeld, tenminste ook voor den verderen schedel inferieure kenmerken hebben verondersteld. De schedel, in zijn geheel beschouwd, toont aan, dat dit niet het geval behoeft te zijn. Zoo maant ons dus een dergelijke vondst tot voorzichtigheid.Fig. 25. Schedel van het „negroïde”type uit de „Grotte des enfants.” VolgensVerneau.13. Zoodra wij in de jongere perioden van het oude steenen tijdperk, in de aurignac-periode en in het Magdalenium komen, houden merkwaardigerwijze alle sporen van het voor de oudere tijdperken, het Moustierium, de „acheuléen” en „chelléen” periode, zoo typische neanderdal-ras op. Het lage, wijkende voorhoofd met de groote zware wenkbrauwbogen en den naar achteren uitgezakten zwaren schedel verdwijnt en een nieuw ras treedt op, met smalle slapen, hoog, gewelfd voorhoofd, langen schedel, kleinere fijn gevormde oogkassen zonder de zware wenkbrauwbogen, kortom een ras treedt op, dat zich volkomen aansluit aan de tegenwoordig levende menschenrassen, aan den homo sapiens. Overgangsvormen tusschen de beide rassen kennen wij niet. Wel zijn bij de verschillende skeletvondsten uit deze laatste perioden (Aurignac, Magdalénien) minder ontwikkeldeskeletvormen naast meer ontwikkelde gevonden, doch er blijft een diepe klove tusschen de beide typen bestaan.Vondst vanCro-magnonin Dordogne, Frankrijk. Aan deze vondst ontleent het menschenras uit de latere perioden van het palaeolithicum zijn naam. In 1868 werden nl., bij het aanleggen van een spoorweg, in een „abris sous roche” daar ter plaatse vijf skeletten gevonden, in een steenlaag uit de aurignac-periode. DoorLartet, die de vondst nauwkeurig onderzocht heeft, werd van begraven der skeletten geen spoor gevonden. Uit de in dezelfde laag gevonden steenen werktuigen, versierselen (een groot aantal doorboorde schelpjes, blijkbaar oorspronkelijk tot kettingen aaneengeregen) en dierlijke overblijfselen bleek, dat de skeletten uit de aurignac-periode, het rendiertijdperk, stamden. De vorm van den schedel en van het verdere beenstelsel is typisch gelijkend op dien van den tegenwoordig levenden homo sapiens.Andere vondsten van blijkbaar wel begraven skeletten van hetzelfde type van cro-magnon, liggende in de van nu af aan gedurende langen tijd voor begraven lijken vrijwel typische houding met gebogen armen en sterk opgetrokken knieën (men vergelijke bijv. fig. 9, Egyptisch graf uit het neolithicum), zooals die vanLaugerie-Bassein Dordogne, in 1872 door Massénat uitgegraven, vanChancelade, eveneens in Dordogne, in 1888 gevonden, uit de grot vanHoteaux, bij Rossillon, allen uit de bovengenoemde latere perioden van het palaeolithicum, ga ik hier met stilzwijgen voorbij, omdat zij ons, hoe belangrijk zij ook mogen zijn voor de rassen-anthropologie van Europa, voor het probleem van de afstamming van den mensch weinig leeren. Men ziet uit deze vondsten, dat gedurende de latere perioden van het oude steenen tijdperk, dus nog in het diluvium, in Europa zich een menschenras ophield, dat een schedelvorm bezat, die zich in dehoofdpunten volkomen aansloot aan die van den tegenwoordig levenden mensch, van den homo sapiens. Dit ras moet toen ter tijde een groote verbreiding gehad hebben. In Frankrijk, in Italië, in Spanje, in België, in Noorwegen en Zweden is het bestaan er van door verschillende vondsten aangetoond. Directe overgangsvormen, die dit ras verbinden met het boven beschreven neanderdal-ras, kennen wij niet.14. Door sommige, vooral Duitsche, anthropologen wordt in dit opzicht, m. i. ten onrechte, een groote beteekenis toegekend aan het in 1910 doorHauserenKlaatschgevonden skelet vanCombe Capelle, den zoogenaamden aurignac-jager, bij het dorp van dien naam (dicht bij Montferrand-Périgord in Frankrijk) uitgegraven. De schedelvorm is reeds volkomen als die van een hedendaagschen Europaeer, met hoog gewelfd voorhoofd, kleine neusopening, sterk dolichocephalen (langen) schedel, geen vooruitstekende kaken. Een laag kenmerk zou evenwel zijn, dat de vooruitstekende kin ontbreekt. Beschouwt men nu evenwel nauwkeurig de verschillende afbeeldingen van dezen „homo aurignaciensis Hauseri,” zooals het skelet genoemd wordt, dan blijkt de kin volstrekt niet afwezig te zijn, doch slechts iets minder sterk ontwikkeld dan bij de tegenwoordig levende Europaeers. Een dergelijke gering ontwikkelde kinvorming kan men tegenwoordig nog bij een aantal volksstammen vinden, bij de eskimo’s, om in Europa te blijven, en wat den praehistorischen mensch betreft, bij het reeds jaren geleden bij Raymondes gevonden, uit de magdalénien-periode stammend skelet, in het museum van Périgueux bewaard, is precies hetzelfde te zien.Met dit ras van Cro-magnon kunnen wij onze beschrijving van de verschillende vondsten afsluiten.Slechts die vondsten hebben wij opgesomd, die voor de vraag, die wij ons gesteld hadden, belangrijk waren. Een archaeologische beschrijving, een historie van het voorhistorische tijdperk der menschelijke ontwikkeling te schrijven, ligt buiten de grenzen van dit boekje en volkomen buiten mijn bereik. Slechts zij nog het volgende opgemerkt:Met derendier- enbisonjagers van het Cro-magnon-ras sluit het oude steenen tijdperk af. Uit het zoo uiterst bescheiden begin der eolithen heeft zich in de duizenden jaren van zijn duur een beschaving ontwikkeld, een techniek van fijn bewerkte steenen instrumenten en wapenen, van kunstvol gesneden voorwerpen uit rendierhoorn en been, zooals wij die vinden in de laatste periode van het palaeolithicum, het magdalenium.Met het eindigen van den ijstijd sluit nu evenwel ook deze cultuurperiode af, wordt het einde van het rendiertijdperk bereikt. Bij het langzamerhand weder warmer worden van het klimaat schijnt het rendier naar het noorden getrokken te zijn. Of een deel van de menschen het voor hun bestaan zoo belangrijk geworden dier volgde, of de zich langzaam veranderende klimatologische verhoudingen een nomadenleven met zich brachten, de mensch schijnt de oude nederzettingen gedurende vele eeuwen verlaten te hebben. In dat gedeelte van West-Europa, waar overal de overblijfselen uit den ijstijd zoo talrijk en in zoo groote verscheidenheid te vinden zijn, in Zuid-Frankrijk, is de steenlaag, die de overblijfselen van de laatste periode van het palaeolithicum, de magdalénienperiode, inhield, overal bedekt door een dikke steen- en aardlaag, die volkomen steriel, volkomen vrij van voorhistorische overblijfselen, zij het steenen of hoornen of beenen werktuigen, zij het menschelijke of dierlijke skeletdeelen, is.Zien wij den mensch weer optreden, dan is hij eenandere geworden in een andere omgeving. De uitgestrekte steppen, die na den afloop van den ijstijd waren ontstaan, zijn verdwenen, dichte wouden bedekken het grootste gedeelte van Europa, met een rijke dierenwereld, uit andere vormen bestaande dan de ijstijd-fauna van het palaeolithicum. Ook den mensch vinden wij in anderen vorm, hoewel vermoedelijk gemengd met de overblijvende menschen van hetcro-magnon-rasras. Zijne raskenmerken zijn anders geworden, zijne beschaving eveneens. Wij komen in het nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum, met werktuigen uit hertshoorn inplaats van uit rendierhoorn en steenen wapenen van een nieuwe techniek, eerst ruw en onbeholpen, langzamerhand meer en meer verfijnd, tot het steenen tijdperk, ook in den technisch zoo volmaakten vorm van het latere neolithicum, plaats moest maken voor het tijdperk der metalen werktuigen, het bronzen, het ijzeren tijdperk.Overgangsvormen tusschen het neanderdalras en hetcro-magnon-rasvonden wij niet, zooals wij vroeger reeds zagen. Hier vinden wij dus nu een tweede onderbreking. Bij deze onderbreking, die reeds meer in het bereik der archaeologische studie ligt, nemen wij een indringen van nieuwe elementen uit het Zuid-oosten, uit Azië, aan. Ligt het niet voor de hand, ook bij de eerste onderbreking aan een invasie van buiten Europa te denken?Is nu met betrekking tot het vraagstuk van de afstamming van den mensch buiten Europa, in Azië, in Australië, in Amerika iets van belang gevonden?Daarover kunnen wij kort zijn. Op de groote beteekenis van den pithecanthropus uit Java legden wij reeds den nadruk. Wij kunnen er evenwel aan toevoegen, dat wel in onze Oost, in Ceylon, in Engelsch-Indië, sporen van palaeolithische werktuigen gevonden zijn, maar bij de tot nu toe nog vrij groote onzekerheid,die wat die gebieden betreft, over hunnen geologischen ouderdom heerscht, kan men daaromtrent nog weinig zeggen en wordt in elk geval een vergelijking van die sporen met de in Europa zelf gevonden voorwerpen en de bepaling van hunnen ouderdom uiterst moeilijk. Ook is het onderzoek hier, naar het schijnt, niet steeds met de noodige nauwkeurigheid verricht. Zoo werd van de tertiaire menschelijke overblijfselen, die doorNoethlingin Opper-Birma gevonden waren, reeds spoedig (1902) doorSwinhoe Redway, een Engelsch onderzoeker, aangetoond, dat zij nietinhet uit tertiaire gesteenten bestaande plateau lagen, zooals doorNoethlingwas gemeend, doch er bovenop, en dat zij dus zeer zeker niet van tertiairen oorsprong kunnen zijn.Zoo werden doorAlsbergin 1892 in tertiairen zandsteen, bij Warnambool in Australië, in den nog weeken steen afgedrukte en daarna verharde voetsporen van menschelijke wezens gevonden.Klaatsch, die deze voetsporen ook bestudeeren kon, hield ze voor ontwijfelbaar van menschelijke wezens afkomstig en meende zelfs bij deze voetsporen den indruk van een menschelijk zitvlak(!) te vinden. DoorBrancowerd reeds in 1905 tot voorzichtigheid in dezen gemaand, en doorNoethlingwerden dan ook later in afgelegen streken van Australië in de sneeuw(!) dergelijke voetsporen gevonden, die evenwel door kangoeroe’s waren achtergelaten. Ging zulk een kangoeroe zitten, dan werd een dergelijke indruk in de sneeuw achtergelaten als doorKlaatschin geniale fantasie voor den afdruk van een menschelijk zitvlak werd gehouden. Wie te veel bewijst....Dezelfde moeilijkheden, die ik boven aangaf voor de vergelijking van den ouderdom van bepaalde steenlagen en afzettingen in Oost-Azië en in Europa, gelden voor Amerika. De lagen, die door Amerikaansche onderzoekers (met nameAmeghino) voor tertiairworden gehouden, worden door Europeesche geologen die ze hebben kunnen bestudeeren, voor quartair gehouden. Het spreekt van zelf, dat een dergelijk gemis aan zekerheid, juist voor het probleem, hetwelk ons hier bezighoudt, zeer gevaarlijk is. Zoo men in Amerika menschelijke schedels met inferieure kenmerken had gevonden, die uit de tertiaire periode stamden, zouden dergelijke schedels oneindig veel belangrijker zijn dan wanneer zij uit de quartaire periode afkomstig zijn. En ook verder schijnen de geologische verhoudingen van dat groote continent nog niet in die mate nauwkeurig bestudeerd te zijn, dat zij tot vaststaande gegevens omtrent den ouderdom der verschillende steenlagen en afzettingen hebben kunnen voeren. Zoolang dat niet het geval is, doet men beter, de opgaven in die richting met een zeker scepticisme te beschouwen. Zoo is bijv. van den beroemden Calaveras-schedel uit Mexico, die van zeer hoogen tertiairen ouderdom heette te zijn en een aantal inferieure kenmerken vertoonde, later gebleken, dat het een indianen-schedel uit den tegenwoordigen tijd is. Van eenige andere schedels, die doorAmeghinobeschreven zijn, en waarvan hij de afwijkingen van den normalen menschelijken schedel zoo groot vond, dat hij meende, ze tot een andere soort (den homo pampaeus en homo pliocaenicus) te moeten rekenen, is later bij nader onderzoek gebleken, dat het schedels waren, die van gewone menschen, normale exemplaren van den homo sapiens afkomstig waren, doch die kunstmatig waren vervormd, zooals dat bij een aantal Indianen-stammen nog heden ten dage stelselmatig bij jonge kinderen wordt gedaan. Andere schedels met laag, wijkend voorhoofd, doorHrdlickabeschreven, zijn ongetwijfeld van jong-diluvialen ouderdom en vertoonen ook de inferieure kenmerken in geenen deele zoo sterk en zoo algemeen als de neanderdal-groep.Zoo hebben ook de vermeende voorloopers van hetmenschelijk geslacht, waarvanAmeghinoin de oude geologische formaties van Argentinië de fossiele overblijfselen meende te hebben ontdekt, de tetraprothomo en de diprothomo, bij nader nauwkeurig onderzoek geen stand kunnen houden en zijn naar het rijk der fabelen terugverbannen. En hetzelfde geldt, ten minste wat den naam betreft, voor de fossiele apensoorten, die doorAmeghinoin geologisch oude steenlagen zijn gevonden, en door hem met de tendentieuze namen homunculus, homocentrus, anthropops bestempeld zijn. Fossiele apensoorten zijn het wel; van eenige verwantschap met den mensch, die in de namen, hen doorAmeghinogegeven, ligt opgesloten, is geen sprake.Alles te zamen genomen zijn dus op het oogenblik geen feiten bekend, die er op zouden wijzen, dat wij in Amerika de bakermat van het menschelijk geslacht moeten zoeken. Het spreekt vanzelf, dat daaruit niet direct mag worden afgeleid, dat de mensch in de praehistorische tijden van het quartaire tijdperk niet ook in Amerika bestaan heeft. Maar dan is hij van elders geïmmigreerd.Met Australië staat het anders gesteld. In dat groote eilandenrijk, in vroegere geologische perioden door groote landbruggen met de overige werelddeelen verbonden, doch reeds in lang achter ons liggende perioden geïsoleerd, hebben een aantal diersoorten zich in den strijd om het bestaan kunnen handhaven, die in de andere werelddeelen reeds vroeg zijn uitgestorven. Ook de oorspronkelijke inboorlingen vertoonen inferieure kenmerken, die eenigszins aan het Neanderdal-ras doen denken en die verschillende anthropologen er toe gebracht hebben daar de plaats te zoeken, waar het menschelijk ras zich uit dierlijke voorvaderen heeft ontwikkeld, en van waar het door langzame emigratie en verspreiding de geheele wereld heeft bevolkt. Eenige zekerheid hieromtrent heeft men evenwel geenszins.
Welke zijn nu de wegwijzers in dien doolhof? Kennen wij tusschenvormen tusschen dier en mensch, of bestaat nog steeds de „break in the chain,” waaroverDarwinklaagde? Wat leeren ons hieromtrent de fossiele menschelijke overblijfselen?
Fig. 12. Schedeldak (van boven en van terzijde gezien), dijbeen en kiezen van denpithecanthropuserectus vanDubois.
Fig. 12. Schedeldak (van boven en van terzijde gezien), dijbeen en kiezen van denpithecanthropuserectus vanDubois.
Het zou de ruimte, mij door den uitgever voor dit boekje toegestaan, verre overschrijden, zoo ik een volledige opsomming en beschrijving wilde geven van al de vondsten van praehistorische menschelijke overblijfselen, welke bekend geworden zijn. Die opsomming zou daarbij bijzonder vervelend worden, nutteloos zijn en niet op haar plaats in dit werkje. Ik wil dan ook slechts de voornaamste noemen, en slechts van die vondsten een iets meer uitvoerige beschrijving geven, die nieuwe gezichtspunten hebben geopend of bepaalde vragen nader tot hunne oplossinghebben gebracht. Voor een overzichtelijke rangschikking der gegevens is natuurlijk de chronologische volgorde daarbij niet de meest gewenschte. Want dan weer wordt een zeer oude vorm ergens gevonden, eenigen tijd later een overblijfsel van veel geringeren ouderdom, dan weer een overblijfsel uit de vroegste perioden der menschelijke historie opgedolven, enz. Wil men in staat zijn, bij de beschrijving der verschillende vondsten tevens een beeld te geven van de wordingsgeschiedenis van het menschenras, voor zoover men die kent, dan is de eenige weg die, dat men eerst die overblijfselen beschrijft, die zich het nauwsteaan de dierenwereld aansluiten, dan de overblijfselen met iets minder inferieure kenmerken, om te eindigen met die vormen, die geheel en al de typische kenmerken van den homo sapiens, den tegenwoordig levenden mensch vertoonen.
Beginnen wij dus met de meest dierlijke overblijfselen.
1.Pithecanthropus erectusDubois.
Zelden is wel over een vondst van fossiele overblijfselen zoo veel gestreden, heeft een ontdekking zooveel twijfel, ergernis, wantrouwen, vreugde en opgewondenheid—al naarmate het standpunt, dat men tegenover de descendentieleer en het vraagstuk van de afstamming van den mensch innam—veroorzaakt, als toenEugene Duboisin 1893 van uit Batavia het bericht de wereld inzond, dat hij de overblijfselen van een op den mensch gelijkenden overgangsvorm had gevonden, dien hij pithecanthropus erectus, den rechtopgaanden aapmensch noemde. Wel waren het luttele overblijfselen—een schedeldak, een dijbeen, een kaakfragment en twee kiezen (Fig. 12) maar zij vereenigden zoovele menschelijke en dierlijke kenmerken in zich, herinnerden zoo sterk aan de eene zijde aan de hoogst staande apen, aan de andere zijde aan het menschelijke skelet, dat men hier den tusschenvorm, den „missing link” vanDarwin, meende voor zich te hebben. De verschillende beenstukken (schedeldak en dijbeen) lagen wel bij het vinden 15 meter van elkaar verwijderd, maar zoo volkomen in dezelfde steenlaag (men vergelijke de doorsnede van de lagen in fig. 13), en zonder eenige verdere bijmengselen, dat het van verschillende zijde geuite bezwaar, dat de stukken niet tot hetzelfde dier zouden hebben behoord, doch het dijbeen van een mensch, het schedeldak van een grooten aap afkomstig zou zijn, wel ongegrond mag genoemd worden. Waar is, dat het dijbeen verrassend veel op dat van een mensch gelijkt, de schedelkapmeer op die van een grooten aap, dan op die van een mensch, hoewel in vele opzichten meer ontwikkeld dan de tegenwoordig levende menschapen.Duboisgaf daarenboven aan, dat volgens de bij de overblijfselen in dezelfde steenlaag gevonden fossielen de geheele laag van tertiairen oorsprong zou zijn. Men had hier dus den langgezochten tertiairen voorvader van het menschelijk geslacht voor zich. Nu is door de resultaten van latere opgravingen op dezelfde plaats wel eenige twijfel hierover ontstaan. De bewerking der door de expeditie van Mevrouw Selenka in 1906 op dezelfde plaats verzamelde fossielen en geologischegegevens doorVolz,Elberten anderen in 1908 en 1909 schijnt niet alleen met groote waarschijnlijkheid te hebben aangetoond, dat de laag gesteenten, waarin de overblijfselen van den pithecanthropus waren gevonden, van veel lateren datum is dan de jongste tertiaire periode, het plioceen, waartoeDuboisze meende te kunnen brengen, een resultaat waartoe, onafhankelijk vanVolz, ookK. Martinop grond van het systematisch onderzoek der gevonden fossielen kwam, doch schijnt ook er op te wijzen, dat daar ter plaatse de pithecanthropus met den mensch te zamen moet hebben geleefd. Men vond tenminste sporen van vuur en een menschenkies in dezelfde steenlaag.
Fig. 13. Profiel van de vindplaats van de overblijfselen van denpithecanthropuserectus bij Trinil. a = laag, waarin zich de overblijfselen zelf bevinden, diep onder den beganen grond.
Fig. 13. Profiel van de vindplaats van de overblijfselen van denpithecanthropuserectus bij Trinil. a = laag, waarin zich de overblijfselen zelf bevinden, diep onder den beganen grond.
De laag van Trinil, die de fossiele overblijfselen van denpithecanthropusbevatte, schijnt niet tertiair, doch diluviaal te zijn, en moet volgensVolzzelfs ongeveer in het midden van de diluviale periode (men vergelijke de tabel in hoofdstuk I) gesteld worden.2Zelfs als men dus van het eolithen-vraagstuk geheel afziet, en zich uitsluitend houdt aan de werkelijk gevonden menschelijke overblijfselen, zelfs dan is, zooals uit de hierna te bespreken vondsten blijken zal, de pithecanthropus niet ouder, doch eer jonger dan de oudste menschelijke overblijfselen, en heeft hij dus waarschijnlijk gelijktijdig met den mensch geleefd, wellicht zelfs naast hem, want in Indonesië, in Zuid-Sumatra, in Celebes en ook op Java zijn sporen van menschen uit den palaeolithischen tijd gevonden.
Van den „missing link” is dus geen sprake, en zoo geeft dan ook zelfsSchwalbe, die den pithecanthropuszoo uiterst nauwkeurig en systematisch heeft onderzocht, toe, dat hoe dicht ook de pithecanthropus bij den mensch moet hebben gestaan, het toch volstrekt niet noodzakelijk is, hem als directen voorvader van het menschengeslacht aan te nemen.
Toch blijft deze vondst m.i. van uiterst groote beteekenis, en aanDuboisde onvergankelijke eer, bij een doelbewust onderzoek er naar, deze overblijfselen te hebben gevonden, en er de groote waarde direct van te hebben ingezien. Zelfs al schakelt men den pithecanthropus volkomen uit de reeks van voorvaderen van den mensch uit, dan toonen toch zijne overblijfselen, zoo opvallend menschelijk, tot welk een hooge ontwikkeling de hoogste zoogdieren, de menschapen, de primaten, in het begin der quartaire periode zijn gekomen, en het blijft zeer goed mogelijk, dat de pithecanthropus een directe, niet veel verder ontwikkelde, misschien zelfs iets gedegenereerde afstammeling is van denzelfden vorm, die in nakomelingen, die zich in reeksen van opvolgende generaties wel ontwikkelden, het menschelijk geslacht heeft voortgebracht. Moge ook, zooals uit fig. 11 blijkt, de schedelwelving van den pithecanthropus met die van den chimpansee nagenoeg overeenstemmen, de schedelcapaciteit (d. w. z. de schedelinhoud, door de hersenen ingenomen, het volumen van de hersenen dus), volgensDubois870 c. M.3, tegen 550 c. M.3bij de grootste menschapen (gorilla en orang oetan), 1230 c. M.3bij den neanderdal-schedel, en 1450 tot 1550 c. M.3bij de blanke rassen, verheft den pithecanthropus ver boven de menschapen. Hetzelfde zou volgensDuboisgelden voor hetgeen men aan de binnenzijde van den schedelkap van het relief der hersenoppervlakte heeft kunnen zien, nl. een ontwikkeling speciaal van dat gedeelte van de hersenen, dat met het spraakvermogen samenhangt, sterker dan bij eenigen anderen menschaap.
2.Eoanthropus Dawsoni.In het laatst van ’t jaar 1912 werd in een kiezelafzetting (een zoogenaamde „gravel pit”) bij Piltdown in Sussex een gedeelte van de onderkaak en van het schedeldak van een menschelijk wezen uit de eerste tijden der pleistocene periode gevonden, volgens de nog eenigszins onvolledige gegevens3het oudste menschelijke overblijfsel, dat tot dusverre in Engeland gevonden werd. Ter eere van den ontdekker werd het deeoanthropus Dawsongedoopt. Niettegenstaande maanden lang met de grootste zorgvuldigheid werd gezocht, werden geen verdere gedeelten van het skelet gevonden. Volgens de beschrijving, van de overblijfselen doorMr. Smith Woodwardgegeven, stammen de overblijfselen uit de „Chelléen” periode. Steenen werktuigen van het „Chelléen” type en overblijfselen van een hippopotamus werden in dezelfde laag aangetroffen.
De menschelijke overblijfselen bestonden uit de rechterhelft van de onderkaak met twee kiezen en ongeveer 2/3 van het schedeldak. Dit laatste was in stukken gebroken, doch kon volkomen goed gereconstrueerd worden. Het was buitengewoon dik en stevig gebouwd. Het merkwaardige van deze overblijfselen is, dat de onderkaak verrassend veel gelijkt op die van een aap, vooral van een chimpansee, terwijl de in de onderkaak bewaard gebleven kiezen geheel en al menschelijke kenmerken vertoonen, alleen iets grooter zijn. (Wij zullen ditzelfde verschijnsel later wedervinden in de kaak van den homo heidelbergensis 4). De kinstreek is afgebroken en de verderetanden zijn verdwenen. Aan de nog aanwezige tandkassen kan men echter duidelijk nagaan, dat ook de niet voorhanden tanden en kiezen iets grooter moeten geweest zijn dan die van den tegenwoordigen mensch.
Van den schedel was voldoende bewaard gebleven om den schedelinhoud te kunnen berekenen. De schedelcapaciteit bleek ongeveer 1070 c. M.3te zijn. Vergelijkt men dit cijfer met de hierboven in verband met den pithecanthropus genoemden, dan ziet men, dat de eoanthropus grooter hersenen moet hebben bezeten dan deze, doch minder dan de werkelijke mensch. Het nauwgezette onderzoek van de beide fragmenten bracht dan ookDr. Smith Woodwardtot de slotsom, dat wij hier met een werkelijken tusschenvorm te doen hebben, die, hoewel reeds dicht bij den mensch staande, toch nog niet den naam homo verdient, en daarom door hem de eoanthropus, „het wezen staande aan den dageraad der menschwording” gedoopt is. Voor het probleem der afstamming en vooral van de verbreiding van den mensch over de aarde, is het nu zeker uiterst merkwaardig, dat twee dergelijke intermediaire vormen als de pithecanthropus en de eoanthropus, de een in Java, de andere in Europa zijn gevonden.4
3. De vondst vanTaubach. In 1895 werden doorNehringtwee menschelijke kiezen beschreven, die bij Taubach in Saxen-Weimar gevonden waren, meer dan 5 meter onder den beganen grond in steenlagen uit het allereerste gedeelte der quartaire periode, te zamen met primitieve steenen werktuigen uit de „Chelléen” of „Acheuléen” periode en met overblijfselenvan den elephas antiquus en den rhinoceros van Merck. Meer dan die twee kiezen werd niet gevonden, maar toch was de vondst, vooral toen ter tijde, belangrijk, omdat toen dergelijke oude sporen van menschelijk bestaan nog niet bekend waren. De beide kiezen zijn een eerste linker melkkies en een eerste linker blijvende kies, beiden uit de onderkaak. Het eigenaardige van deze kiezen ligt vooral in de grootte, welke die van menschelijke kiezen overtreft, in het sterk afgesleten zijn en in den vorm, die verschillende eigenaardigheden vertoont, welke meer aan apentanden dan aan een menschelijk gebit doen denken. Om het belang van deze vondst juist te kunnen waardeeren, moet men bedenken, dat van alle beenstukken juist de tanden en kiezen tot de meest kenmerkende en voor de verschillende diersoorten het scherpst van elkaar te onderscheiden deelen van het menschelijk en dierlijk organisme behooren, zoodat men dikwijls de soort, waartoe gevonden fossiele overblijfselen behoorden, heeft kunnen vaststellen aan één tand, die van een dergelijk dier gevonden was. En in de tweede plaats blijkt juist de buitengewone grootte van de kiezen een kenmerk te zijn, dat ook bij de later gevonden oudste menschvormen, zooals bij den zooeven genoemden eoanthropus en vooral bij den straks nader te beschrijven homo heidelbergensis tot de op den voorgrond tredende eigenaardigheden behoort. Daarom werden dan ook de „tanden van Taubach” hier vermeld.
4.Homo heidelbergensis.De onderzoekingen vanDuboisop Java werden in 1891 en 1892 verricht. Veertien jaar later werd de tweede uiterst belangrijke vondst gedaan. Waarlijk, 21 October 1907 is de datum, die met gulden letteren in het boek der anthropologische wetenschap verdient te worden opgeteekend, als van den dag waarop de fossiele onderkaak van den„heidelberger mensch” werd gevonden. En het is merkwaardig, dat, evenalsDuboisdoelbewust de Kendeng-lagen bij Trinil was gaan onderzoeken, omdat hij overtuigd was, daar den langgezochten overgangsvorm te vinden, ook hier het vinden van de heidelberger kaak doorSchoetensackjaren lang was verwacht. In een zandgroeve bij het dorp Mauer, dicht bij Heidelberg, die sinds 1872 wordt afgegraven, waren reeds telkens belangrijke fossielen gevonden, o. a. uit het laatste gedeelte der tertiaire periode.Dr. O. Schoetensack, de anthropoloog uit Heidelberg, reeds gedurende meer dan 20 jaren een getrouw onderzoeker der zandgroeve, had, onder den indruk van de groote overeenkomst, die bestond tusschen de lagen van de zandgroeve en de aan fossielen zoo rijke beddingen van Taubach in Weimar, en in de verwachting, dat ook hier wel eens belangrijke overblijfselen konden worden aan het licht gebracht, bij zijne bezoeken aan de groeve telkens weer de arbeiders en opzichters gewaarschuwd en hun op ’t hart gedrukt, als zij iets vonden niet eigenhandig verder te graven, doch hem direct te roepen. En zoo werd, na jaren wachten, zijn geduld beloond, en werd hij den 21sten Oct. 1907 er dadelijk van verwittigd, dat in de diepste lagen van de zandgroeve, meer dan 24 meter onder den beganen grond, een menschelijke onderkaak was gevonden. Zoodoende konDr. Schoetensackdirect na het vinden van de kaak de vindplaats inspecteeren, en photographeeren, hij liet een notarieele akte van de omstandigheden, waaronder de vondst plaats had gegrepen, opmaken en door den opzichter en den arbeider, die er bij aanwezig geweest waren, onderteekenen, hij liet op de vindplaats een gedenksteen aanbrengen, kortom, alles werd zoo uiterst nauwkeurig vastgesteld, dat geen twijfel meer mogelijk was. De vondst van deze kaak dan ook vrijwel de eenige anthropologische vondst, waarvan door geen enkelen geleerde ooit eenigentwijfel omtrent de echtheid en den hoogen ouderdom is geopperd. Daarna is doorSchoetensackde kaak beschreven in een voortreffelijke, uitvoerige, rijk geïllustreerde monographie, zoodat naast de meesterlijke beschrijving doorM. Boulevan den een jaar later in Frankrijk gevonden voorhistorischen mensch van la Chapelle-aux-Saints het werk vanSchoetensackals een voorbeeld van exact anthropologisch onderzoek mag gelden.
Fig. 14. Profielbeeld van de zandgroeve van Mauer, waarin bij × (rechts onderaan, vlak bij den bodem der groeve) de kaak van den homo heidelbergensis werd gevonden.
Fig. 14. Profielbeeld van de zandgroeve van Mauer, waarin bij × (rechts onderaan, vlak bij den bodem der groeve) de kaak van den homo heidelbergensis werd gevonden.
Belangrijk is nu in de eerste plaats de ouderdom van het fossiel. In de photographie van fig. 14 ziet men duidelijk in de afgegraven zandgroeve de verschillende zand- en steenlagen boven elkaar en rechts onder bij den bodem het witte kruisje, dat de plaats aangeeft, waar de kaak werd gevonden, 24 meter onder de oppervlakte. In dezelfde laag werden gevonden overblijfselen van den elephas antiquus, den etruscischen neushoorn, voorloopers van den holenbeer, een soort van paard, dat in het laatste gedeelte van de tertiaire periode voorkomt, een fauna, derhalve, die in zijn geheel wijst op een zeer hoogen ouderdom van de steenlaag, in het einde van de tertiaire periode. De bij de kaak in dezelfde laag gevonden vuursteenen zijn volgensRutoteolithen uit de „Mafflien”-periode, einde tertiaire of begin quartaire periode. Kortom, de kaak van Mauer is verreweg het oudste der stratigraphisch volkomen nauwkeurig bekende menschelijke fossielen, en zijn drager moet nog vóór het begin van de ijsperiode, in het allerlaatste gedeelte der tertiaire periode geleefd hebben. Alleen hierom zou de homo heidelbergensis al het volste recht op onze groote belangstelling kunnen doen gelden, doch daarbij is de vorm van deze onderkaak allermerkwaardigst. Men vergelijke de beide afbeeldingen in fig. 15 en 16 met den omtrek van een modernen onderkaak van den homo sapiens, of beter nog, men neme het voortreffelijke gipsafgietsel van de kaak ter hand, dat tegenwoordig in de meeste musea te vinden is. Met verbazing beschouwt men het kolossaal massieve karakter van de kaak, met zijn breed massaal achterstuk voor de kauwspieren, met zijn volkomen ontbrekende kin, met zijn geheelen vorm, die volkomen op een orang- of gorilla-kaak gelijkt, en daarbij het absoluut menschelijke gebit. Ware deze onderkaak gevonden zonder gebit, men zou niet aarzelen hem aan een voorwereldlijken aap toe te schrijven. Hetgebit evenwel vertoont zoo volkomen menschelijke kenmerken, is zoo harmonisch en regelmatig gebouwd, zonder sterk vergroote hoektanden, met regelmatig gebouwde kiezen van volkomen menschelijken vorm, dat men geen oogenblik twijfelen kan, deze kaak als een onderdeel van een menschelijk skelet te beschouwen. Ditzelfde bleek ook bij het röntgenologisch onderzoek van het fossiel. Ook de vorm van de tandwortels, door de röntgenstralen in het inwendige van de kaak zichtbaar gemaakt, bleek overeen te komen met die van het menschelijk gebit, niet met die van een of anderen apensoort.
Fig. 15. De onderkaak van den homo heidelbergensis van terzijde gezien.
Fig. 15. De onderkaak van den homo heidelbergensis van terzijde gezien.
Hoe de drager van deze kaak er moet hebben uitgezien,is natuurlijk niet te zeggen, maar wel kan men met zekerheid uit het gevonden fossiel afleiden, dat de drager een mengeling van dierlijke en menschelijke kenmerken moet hebben vertoond. Wil men van een „missing link,” van een overgangsvorm spreken, dan heeft men hier den typischen overgangsvorm voor zich. Wellicht brengt de zandgroeve van Mauer ons nog eens andere deelen van het geraamte, waaruit wij den verderen lichaamsbouw van den homo heidelbergensis kunnen afleiden. Dat hij in het laatste gedeelte der tertiaire periode bestaan heeft, dat hij de kenmerken van een tusschenvorm moet hebben vertoond, daarvan is de doorSchoetensackbeschreven fossiele onderkaak ons een zeker bewijs.
Fig. 16. Omtrekken van de kaak van Mauer (den homo heidelbergensis) (A), en van een moderne menschelijke onderkaak (B).
Fig. 16. Omtrekken van de kaak van Mauer (den homo heidelbergensis) (A), en van een moderne menschelijke onderkaak (B).
5. DeNeanderdal-schedel. In een vorig hoofdstuk beschreef ik reeds in korte trekken de geschiedenis van den vondst van dezen beroemden schedel, waarvan alleen ’t bovenste gedeelte, het schedeldak, is bewaard gebleven, die, jaren lang een unicum, tegenwoordigslechts één van een groote groep van gelijkwaardige fossiele vormen is. In 1856 door eenige arbeiders bij het uitgraven van een leemgroeve gevonden in een kleine grot in het Neanderdal bij Elberfeld, doch weggeworpen, doorFuhlrottmet nog eenige andere deelen van het skelet (de grootste helft der lange beenderen, een stuk van het bekken en eenige andere fragmenten) van den ondergang gered, en door hem enSchaaffhausenhet eerst beschreven, heeft deze schedel (of liever dit schedeldak) jaren lang het voorwerp van levendige discussies uitgemaakt. Terwijl men in Frankrijk, het klassieke land van de praehistorische vondsten en van de anthropologie, al spoedig tot het resultaat was gekomen, dat dit schedeldak met zijn eigenaardigen vorm, met zijn laag, wijkend voorhoofd, zijn overhangende, sterk verdikte wenkbrauwen, zijn langgerekt achterhoofd, een overblijfsel van een bijzonder, zeer laagstaand menschenras was (hoewel dit ook in Frankrijk niet zonder tegenspraak was gebleven), was in Duitschland door niemand minder danVirchowenRankede ban er over uitgesproken. De diluviale ouderdom van den schedel werd in twijfel getrokken, de eigenaardige eigenschappen er van werden voor pathologisch verklaard, en de schedel werd nu eens voor een schedel uit den tijd der Merovingers, dan weder voor dien van een Russischen kozak of van een soldaat uit den 30-jarigen oorlog gehouden, of wel in verband gebracht met de in zeker opzicht een dergelijken eigenaardigen („neanderthaloiden”) vorm vertoonende Marker- en Friezenschedels, met den Batavus genuinus van Blumenbach. Zoo werd aan denNeanderdal-schedelelke waarde ontzegd voor het probleem van de afstamming van den mensch. VolgensVirchow, die juist op de oogenschijnlijk groote overeenkomst tusschen den Neanderdal-schedel en de Marker-schedels den nadruk had gelegd, kon men nog heden ten dage menschen met dergelijke schedelvormen(de Marker visschers) in den Haag zien rondloopen.
Dat de eigenaardige vorm van het Neanderdal-schedelfragment niet direct als normaal en als kenmerkend voor een bepaald menschenras met nog zeer inferieure kenmerken en van zeer hoogen ouderdom werd aangezien, was begrijpelijk, zoolang de Neanderdal-schedel nog een unicum was, vooral daar de eigenaardige omstandigheden van de vondst van de overblijfselen alle stratigraphische gegevens hadden doen verloren gaan, en de studie van dierlijke fossielen of steenen werktuigen uit dezelfde steenlaag als waarin de menschelijke overblijfselen hadden gelegen, waaruit de ouderdom had kunnen worden bepaald, onmogelijk hadden gemaakt. Toen echter in 1886 doorFraipontenLohestin België in de grot van Spy twee schedels met een onderkaak en een aantal andere beenstukken werden opgedolven en beschreven, waarvan de beide schedels een verrassende overeenkomst met het schedeldak vanFuhlrottenSchaaffhausenvertoonden, werd dit anders, en toen in 1893Duboisden hier boven vermelden pithecanthropus, die zoo vele punten van vergelijking met het Neanderdaler fossiel aanbood, beschreef, toen in de laatste jaren der 19e eeuwSchwalbezijne klassieke onderzoekingen over deze groep van fossiele schedels deed verschijnen, was de ban gebroken, en in 1901 op het Duitsche anthropologen-congres te Metz moestVirchowhet helaas nog beleven, dat hij ook door de Duitsche anthropologen verlaten werd, en dat, zooalsKlaatsch, zijn heftigste bestrijder, het uitdrukte, „der so lange verkannte Homo neanderthalensis seine wissenschaftliche Auferstehung feierte.”5
6. De bovenvermelde vondst van de skeletten bij deGrot van Spyin België door de Puydt en Lohest in18856was in twee opzichten belangrijk. De beide skeletten, doorgaans onderscheiden als Spy I en Spy II, werden door deskundigen uitgegraven, die de bijzonderheden van de steenlagen, waarin de overblijfselen waren ingesloten, van de daarbij aanwezige dierlijke overblijfselen en steenen werktuigen konden beoordeelen en die dus voor den hoogen ouderdom van de menschelijke overblijfselen konden instaan. Daarbij waren de verschillende beenstukken wel gebroken, maar konden toch een groot aantal er van gered worden en bleek vooral van de schedels veel bewaard gebleven te zijn.
De dierlijke overblijfselen, o.a. mammoeth enrhinocerostichorinus, en de bij de skeletten gevonden steenen werktuigen wezen op een hoogen ouderdom, ongeveer in de „moustérien”-periode. De beenstukken zelf waren in drieërlei opzicht merkwaardig. In de eerste plaats vertoonde vooral de eene der beide schedels, die het meest volledig bewaard gebleven was, volkomen dezelfde eigenaardige kenmerken, het lage wijkende voorhoofd, het lange, uitpuilende achterhoofd, de geweldige wenkbrauwbogen, als de schedel uit het Neanderdal. In de tweede plaats was bij deze skeletten een nagenoeg volledig bewaarde onderkaak voorhanden, en ook deze onderkaak vertoonde verrassend dierlijke kenmerken, die zich geheel en al aan het inferieure karakter van den schedel zelve aansloten. Men moet bedenken dat men toen de zooveel later gevonden fossielen als den homo heidelbergensis en den later nader te bespreken schedel van la Chapelle-aux-Saints, die ons zooveel omtrent den vorm van de onderkaak bij de overgangsrassen geleerd hebben, niet kende. De vorm daarvan kon men eigenlijk alleen eenigermate afleiden uit een fragment van een fossiele menschelijke onderkaak, in 1866 in de grotte de laNaulettebij Dinant in België gevonden, en die merkwaardigwas om het nagenoeg geheel ontbreken van de vooruitstekende kin, het breede massieve karakter van het achterste opstijgende gedeelte en de groote tanden. De kaak van het skelet uit de grot van Spy bleek nu nog massiever te zijn, breed en zwaar gebouwd, met groote aanhechtingsplaatsen voor de kauwspieren, groote tanden, en een beenige vooruitstekende kin ontbrak hier geheel en al. Wij kunnen er echter nu bijvoegen dat al deze eigenschappen hier nog lang niet zoo sterk ontwikkeld zijn als bij de geologisch zooveel oudere kaak van den homo heidelbergensis. In de derde plaats kon men bij de skeletten van Spy ook de lange beenstukken, het dijbeen en het scheenbeen onderzoeken. In overeenstemming met den primitieven bouw van het verdere skelet bleek nu het kniegewricht zoo gevormd te zijn, dat, evenals bij de menschapen (gorilla, orang, chimpansee) het geval is, het evenwicht bij het staan slechts bij half gebogen knieën en voorovergebogen lichaam kon worden bewaard. Ook dat wijst dus op een aan de apen herinnerenden lichaamsbouw.
Afgezien van een aantal fossiele fragmenten (van Cannstadt, van Eguisheim, van Brünn, van Sipka, Brüx, Predmost enz.) die ik hier verder onbesproken wil laten, zijn nu vooral in de laatste 6 jaren een aantal uiterst belangrijke vondsten gedaan, die zich volkomen aan de boven beschreven fossielen aansluiten, en de sterke verbreiding van het laagstaande menschenras, waarvan de Neanderdal-schedel het type vormt, aantoonen. In de eerste plaats:
7. De vondst vanKrapina. Reeds in 1899 en 1901 waren door een Hongaarsch anthropoloog,Gorjanović-Krambergerkorte mededeelingen gedaan omtrent een belangrijke vondst van fossiele menschelijke overblijfselen in een rotshol bij het dorp Krapinaaan den oever van de Krapicina-beek. In 1906 volgde de uitvoerige beschrijving, nadat gedurende meer dan 6 jaren de onderzoekingen waren voortgezet. Het rotshol, waarin de overblijfselen werden gevonden, was geheel en al met aarde en steenen opgevuld, en was merkwaardig om de regelmatigheid waarmede de afzettingen in lagen boven elkaar voorkwamen, telkens afgewisseld door donkere dunne lagen, waarin houtskool en verkoolde beenderen de vroegere aanwezigheid van haardvuren aantoonden. Blijkbaar was het hol in overoude tijden, toen de bedding van het riviertje nog zooveel hooger lag dan nu, telkens overstroomd, en keerden, nadat het weer droog geworden was, telkens weer bewoners in het hol terug. In de onderste (dus oudste) steenlagen werden nu naast tal van steenen werktuigen uit de oudste palaeolithische periode (meer dan 600 stuks) en dierlijke overblijfselen, waarvan vooral de resten van den rhinoceros Merckii op een zeer hoogen ouderdom van de lagen wijzen, een zeer groot aantal menschelijkebeenstukkengevonden, van 9 verschillende skeletten. Terwijl de steenlagen onaangetast waren, bleken de skeletstukken alle gebroken, verbrijzeld te zijn. In fig. 17 zijn de grootste stukken afgebeeld. Zelfs deze stukken moesten nog met groote voorzichtigheid in elkaar gezet worden om voor verdere studie bruikbaar te zijn. Daarbij vertoonden de meeste beenstukken, vooral de lange pijpbeenderen, het eigenaardig voorkomen, dat beenderen krijgen als zij met vuur in aanraking zijn geweest, en vooral deze beenderen waren in de lengte gespleten, zooals dierlijke botten, waar men het beenmerg uitgehaald heeft. Het vermoeden ligt dus voor de hand, dat men hier met kannibalisme te doen heeft, dat dus die oudste bewoners van Kroatië menscheneters waren. Verder vertoonden de schedelbeenderen de eigenaardige kenmerken van de Neanderdalschedels in sterke mate. In fig. 17 zijn aan het van terzijdegeziene schedeldak (boven in de figuur) het lage wijkende voorhoofd en de sterk ontwikkelde wenkbrauwbogen, aan de onderste figuur links de groote holle oogkassen (vergelijk fig. 18 en 21) duidelijk zichtbaar.Dat wijst dus op een sterke verbreiding van ’t Neanderdalras over een groot deel van Europa. Maar daarnaast is ’t voor het probleem, hetwelk ons hier bezighoudt, van groot belang, dat onder de 9 verschillende cadavers, waarvan hier de beenstukken bij elkaar gevonden zijn, twee typen voorkomen, die van elkaar op dezelfde wijze verschillen als de langhoofden (dolichocephalen) en rondhoofden (brachycephalen) onder de latere menschenrassen. Ook bij het Neanderdalras (om op het oogenblik dezen naam te blijven gebruiken) bestonden dus reeds langhoofdige en rondhoofdige „neandertalers.” Later zullen wij hierop nog terug moeten komen. Hier wil ik er slechts nog op wijzen, dat deze zelfde eigenaardigheid ook bij de overblijfselen van de beenderen der ledematen der Krapina-skeletten werd gevonden. Naast zeer korte, stevige arm- en dijbeenderen werden lange, slanke beenstukken gevonden. Ook hierin dus hetzelfde verschil als bij de schedels. Naar aanleiding van de tanden en kiezen, bij de Krapina-skeletten gevonden, heeft zich een zeer levendige discussie ontsponnen, waarop ik hier niet wil ingaan. Slechts zij hier vermeld, dat vooral de kiezen uitmunten door hunne grootte, die in enkele gevallen de afmetingen van de kiezen uit de onderkaak van den homo heidelbergensis nog overtreft.
Fig. 17. Verschillende schedelfragmenten van Krapina. Boven: een stuk van het schedeldak met oogkassen van terzijde gezien. Links onder: oogkassen en neus van voren gezien. Rechts onder: kaakstukken met tanden. VolgensKramberger.
Fig. 17. Verschillende schedelfragmenten van Krapina. Boven: een stuk van het schedeldak met oogkassen van terzijde gezien. Links onder: oogkassen en neus van voren gezien. Rechts onder: kaakstukken met tanden. VolgensKramberger.
8. Werden dus tot in Kroatië vertegenwoordigers van het Neanderdaltype gedurende den ijstijd aangetroffen, aan de andere zijde van Europa werd in een steengroeve Forbes Quarry bij Gibraltar een fossiele schedel van hetzelfde laagstaande type gevonden, bekend als deGibraltar-schedel. Hoewel in 1843 reeds gevonden, geraakte deze schedel in vergetelheid, en is eerst in 1907 doorSollasuitvoerig en nauwkeurig beschreven. De schedel behoort zeer duidelijk tot het Neanderdaltype, en is merkwaardig, omdat 1°. het gelaatgedeelte van den schedel, dat door de groote holleoogkassen, de zware massieve wenkbrauwbogen en de wijde neusopening een eigenaardigen „bestialen” indruk maakt (fig. 18), beter bewaard is gebleven dan in de overige tot nu toe beschreven schedels, omdat 2°. de schedelcapaciteit, m. a. w. het volume van de door den schedel omsloten hersenmassa, 1100 c.M3., kleiner is dan die van de overige neandertaloide schedels, doch iets grooter dan het cijfer van den boven vermelden eoanthropus (1070), en omdat 3°. de eigenaardige vorm van de ook juist bij dezen schedel goed bewaard gebleven schedelbasis zeer sterk aan dierlijke formaties herinnert.
Fig. 18. De Gibraltar-schedel „en face” gezien. VolgensSollas.
Fig. 18. De Gibraltar-schedel „en face” gezien. VolgensSollas.
9.Homo Mousteriensis Hauseri.Dit skelet, in 1908 in Frankrijk opgedolven, had een groote aanwinst voor de anthropologische wetenschap kunnen zijn, zoo niet de omstandigheden waaronder, en de wijze waarop het werd uitgegraven, een donkere schaduw over de geheele vondst hadden geworpen en de beteekeniser van verkleind. Een Zwitsersch handelaar in oudheden,O. Hauser, die reeds meermalen op Franschen bodem naar voorhistorische relicten had gezocht, vond in Maart 1908 bij het graven in een hol bij le Moustier in Dordogne, den klassieken bodem der belangrijkste voorhistorische vondsten, sporen van een menschelijk skelet. Inplaats van nu de Fransche archaeologen daarmede in kennis te stellen, werd alles weer zorgvuldig met takkebossen en planken toegedekt; eenige Duitsche anthropologen werden er bij genoodigd, en in Augustus van hetzelfde jaar werd doorHauserenKlaatschin alle stilte het skelet verder uitgegraven, de overblijfselen in een kist gepakt en weggevoerd, en eerst toen de vondst veilig over de grenzen was, werd er ruchtbaarheid aan gegeven.Hauserverkocht toen het skelet voor de som van 125000 mark aan het Museum te Berlijn. Het skelet was zeer broos en viel reeds bij het uitgraven voor een gedeelte uiteen. De schedel echter kon geheel gaaf worden te voorschijn gebracht. Of toen echter het transport wat te snel en niet met de noodige omzichtigheid geschiedde, de schedel viel gedurende het overbrengen in een aantal stukken uiteen, en de stukken zijn toen later doorKlaatschmet behulp van plasticine op zoo klaarblijkelijk onjuiste wijze weer in elkaar gezet, dat een monstrueuze schedel het resultaat van deze bewerking was, waarvan het gipsafgietsel, later in den handel gebracht, voor verder anthropologisch onderzoek vrijwel waardeloos is.7Daarbij zijn door deze wijze van uitgraven de stratigraphische bijzonderheden van de vondst in het geheel niet tot hun recht gekomen. Wel zijn fraai bewerkte steenen werktuigen uit de „moustiérien”-periode en eenige overblijfselen van den aueros (bosprimigenius) in de omgeving van het skelet gevonden, doch het ontbreken van nauwkeurige en betrouwbare gegevens omtrent het op elkaar volgen der verschillende steenlagen onder den beganen grond, enz., heeft ook in dit opzicht aan de vondst veel van hare waarde ontnomen. En dit is des te meer te betreuren, omdat de verschillende kenmerken van het skelet zelf op een hoogen ouderdom en op een laagstaanden primitieven bouw van het geheele lichaam wijzen. Het skelet is dat van een jeugdig persoon (ongeveer 16 jaren oud), met een grooten schedel, laag wijkend voorhoofd, groote holle oogkassen, vooruitstekende kaken en kinlooze onderkaak (type Neanderdal), terwijl ook hier weer dezelfde eigenaardige bouw van het kniegewricht blijkt te bestaan, die bij het skelet uit de grot van Spy te vermelden viel, en die er op wijst, dat de rechtopstaande houding nog niet geheel en al bereikt was, en ook de mensch van le Moustier het evenwicht bij het loopen slechts bij half gebogen knieën en voorovergebogen lichaam kon bewaren.
10.l’Hommede la Chapelle-aux-Saints.Daar deze vondst, naast die van den homo heidelbergensis de meest volledige en best bewerkte anthropologische vondst uit den laatsten tijd is geweest, wil ik de bijzonderheden er van iets meer uitvoerig behandelen dan de voorgaande. Door ervaren deskundigen met de meeste zorgvuldigheid en zaakkennis uitgegraven, nagenoeg volledig, vooral wat de schedel betreft, bewaard gebleven, met volkomen betrouwbare stratigraphische gegevens, en daarna op voortreffelijke wijze doorM. Boule, den directeur van het Palaeontologisch Museum te Parijs, bewerkt,8kan deze vondst als voorbeeld van anthropologisch werk van den eerstenrang gelden en zal steeds de basis blijven vormen voor later praehistorisch-anthropologisch onderzoek.
Fig. 19. Plattegrond en doorsneden van de grot, waarin het skelet werd gevonden, met het skelet zelf, zooals het werd aangetroffen.
Fig. 19. Plattegrond en doorsneden van de grot, waarin het skelet werd gevonden, met het skelet zelf, zooals het werd aangetroffen.
Fig. 20. De schedel van La Chapelle-aux-Saints, gerestaureerd. VolgensBoule.
Fig. 20. De schedel van La Chapelle-aux-Saints, gerestaureerd. VolgensBoule.
In Augustus 1908, toevallig juist een paar dagen vroeger dan de zooeven besproken vondst van Hauser, werd door drie Roomsch-Katholieke geestelijken—in Frankrijk telt de praehistorische anthropologische wetenschap vele en zeer bekwame beoefenaars onder de R. K. geestelijkheid—de abten J. en A. Bouyssonie en L. Bardon, in een kleine ondiepe grot bij de Chapelle-aux-Saints, in hetCorrèzedal, die bijna geheel met aarde en steenlagen was opgevuld, diep onder deze steenlagen, op den rotsigen bodem een nagenoeg gaaf skelet uitgegraven (fig. 19). Het skelet lag in een regelmatig gevormde, rechthoekige uitholling van den bodem van de grot op den rug, met den eenen arm op de borst gevouwen en de knieën sterk opgetrokken, een houding dus die aan de latere hurkgraven (Höckergräber) herinnert. Een aantal steenen werktuigen,in de steenlagen gevonden, waren van het Moustérien-type. Dierlijke overblijfselen van rendieren, een soort van paard, een bovine vorm, rhinoceros tichorinus en eenige andere dieren, wezen op een zeer hoogen ouderdom. Het had den schijn, alsof deze bepaalde grot alleen als begraafplaats had gediend. Voor andere doeleinden was zij, ook als alle steenlagen werden opgeruimd, veel te laag. De steenlagen bleken volkomen onaangetast te zijn nadat het skelet was begraven; vlak boven het hoofd van het geraamte lagen in de steenlaag de voetbeenderen van een bison nog in hunne natuurlijke ligging tegen elkaar aan.Behalve de regelmatig gevormde uitholling in de onderste laag, waarin het menschelijk skelet lag, waren de steenbeddingen en aardlagen van de grot regelmatig de eene boven de andere gerangschikt. In die bovenste lagen werden de steenen werktuigen en dierlijke overblijfselen gevonden. De groote ouderdom van het skelet kan dus niet in twijfel getrokken worden.
Fig. 21. De schedel van LaChapelle-aux-Saints, van terzijde, van voren en van boven gezien.
Fig. 21. De schedel van LaChapelle-aux-Saints, van terzijde, van voren en van boven gezien.
Het skelet zelf is dat van een man, op rijperen leeftijd, ongeveer 1.60 meter lang. De verschillende beenstukken van den romp en de ledematen vertoonen een aantal primitieve kenmerken, die wij niet of slechts in geringen graad bij het skelet van den modernen mensch, daarentegen in verhoogde mate bij de hoogste apen terugvinden. Vooral de bijzonder stevig gebouwde beenderen der ledematen, en de kleine beenderen van hand en voet vertoonen een reeks zoogenaamde „pithecoïde” (bij de apen terug te vinden) kenmerken.
Het merkwaardigste gedeelte van dit skelet is evenwel de schedel, waarvan doorBouleeen voortreffelijk gipsafgietsel is vervaardigd. Van het gebit zijn slechts twee tanden, een in de boven- en een in de onderkaak bewaard gebleven, doch daar deze juist tegenover elkander staan, is het mogelijk, de onderkaak volkomen in haar natuurlijken stand te brengen (fig. 20 en 21). Men kan zich dan moeilijk een schedel denken waarin meer dierlijke en menschelijke trekken tot een grotesk geheel vereenigd zijn. Het platronde, zeer lage, wijkende voorhoofd, boven de groote ronde holle oogkassen verdikt tot geweldige vooruitstekende wenkbrauwbogen, de groote, wijde neusopening en de breede kaken, sterk naar voren uitstekend, de afwezigheid der eigenaardige beiderzijdsche inzinkingen onder de oogholten ter zijde van neus en mond, de zoogenaamde fossae caninae, die juist aan het menschelijk gelaat zijn typisch humaan karakter verleenen, de zware massieve onderkaak met zijne kinlooze afronding, het naar beneden als het ware afzakkende achterhoofd, dat alles geeft een dierlijk, onmenschelijk karakter aan dezen schedel, zooals het bij geen enkelen menschelijken schedel tot dusver is gevonden. Hetgeen den menschelijken schedel zoozeer verheft boven de dierlijke schedels, ook van de hoogst ontwikkelde apen, het predomineeren van het gedeelte dat de hersenen omsluit, het intellectueele element, bovende kaakstreek, het onderste gedeelte van het gelaat, als ’t ware het materieele element, ontbreekt hier geheel en al. Men beschouwe slechts de verschillende aspecten van den schedel in fig. 21. De verhoudingen zijn hier bij dezen schedel juist omgekeerd.
Fig. 22. Een chimpansee-schedel (A) naast den fossielen schedel van La Chapelle-aux-Saints (B) en een modernen menschelijken schedel (C) geplaatst, van voren gezien.
Fig. 22. Een chimpansee-schedel (A) naast den fossielen schedel van La Chapelle-aux-Saints (B) en een modernen menschelijken schedel (C) geplaatst, van voren gezien.
Het best komen deze eigenaardigheden tot hun recht, als men den schedel van la Chapelle-aux-Saints photographeert naast een schedel van een chimpansee (als voorbeeld van een hoog ontwikkelden menschaap) en een moderne menschenschedel. In de figuren 22 en 23 zijn de 3 objecten naast elkaar gephotographeerd, van voren en van terzijde gezien. De afbeeldingen spreken duidelijker dan een lange beschrijving. Men lette slechts op de groote oogkassen, op neus- en kaakstreek, op den vorm van het achterhoofd en van de eigenaardige beenige vooruitstekende wenkbrauwbogen bij den chimpansee en den fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints in fig. 23, om een duidelijkenindruk te verkrijgen van het merkwaardig aspect van dezen schedel. En van welke zijde men de objecten beschouwt, aan welke bijzonderheden men zijne aandacht schenkt, steeds krijgt men denzelfden indruk van het overgangskarakter, van de mengeling van dierlijke en menschelijke eigenschappen, die dezen schedel kenmerkt, waarbij de dierlijke eigenschappen de overheerschende zijn.
Fig. 23. Dezelfde drie schedels (A, B en C) van terzijde gezien. VolgensBoule.
Fig. 23. Dezelfde drie schedels (A, B en C) van terzijde gezien. VolgensBoule.
Dit geldt zelfs niet alleen voor den beenigen schedel.Het is aan de bekwame preparateurs van het Parijsche Museum zelfs gelukt, een volkomen nauwkeurig afgietsel van de holte van den schedel te vervaardigen, waaraan nog zoovele bijzonderheden van den oppervlakkigen vorm der eertijds door dien schedel omsloten hersenen te zien was, datBouledoor vergelijking van dit afgietsel met een reeks van dergelijke afgietsels van menschen- en van apenschedels met zekerheid kon aantoonen, dat ook in den vorm der hersenen eene mengeling van dierlijke en menschelijke kenmerken aanwezig was. Het merkwaardige is nu hierbij, dat de hersenmassa als geheel genomen groot en zwaar is, slechts iets geringer van volume dan de hersenen van den modernen mensch. Ook bij den neanderdal-schedel en den schedel van Gibraltar was dit reeds opgevallen, voor zoover men bij die schedels den inhoud met eenige mate van waarschijnlijkheid had kunnen berekenen.
Wij hebben dus hier een menschenvorm voor ons, een representant van een in de oudste praehistorische tijden over een groot deel van Europa verspreid ras, dat in zijn bouw in zoo hooge mate dierlijke en menschelijke kenmerken vereenigt, dat zoozeer zich nauw aansluit aan de hoogst ontwikkelde bekende diersoorten, en zoozeer afwijkt van den gewonen mensch, den homo sapiens, dat men zich zou afvragen, of men hier wel met menschen te doen heeft. Zeker is het, dat als het niet menschen, doch dieren gold, geen palaeontoloog zou aarzelen, den fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints tot een andere soort te rekenen dan den tegenwoordig levenden mensch of zelfs den praehistorischen mensch uit latere perioden. Ook voor de representanten van het neanderdal-ras is dat dan ook reeds geschied, en doorSchwalbe,Krambergeren een aantal andere anthropologen wordt de neanderdal-mensch alshomo primigeniustot een andere soort gerekend dan de homosapiens. Wij komen hierop later bij onze algemeene beschouwingen nog nader terug, maar één zaak moet ik als behoorende bij het geschetste beeld van den fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints nog hier memoreeren. De fossiele overblijfselen vertoonen ons een menschvorm, uit de vroegste praehistorische periode, waarin men den mensch als zoodanig heeft aangetroffen, in wiens bouw de dierlijke, aapachtige kenmerken in vele opzichten meer op den voorgrond treden dan de typisch menschelijke eigenaardigheden, zoodat men zelfs gemeend heeft, het ras, waartoe hij behoorde, tot een andere soort te moeten brengen. En toch ziet men, dat wat de geestelijke eigenschappen betreft, de mensch van la Chapelle-aux-Saints midden in den geestelijken ontwikkelingsgang van het menschdom staat. Wij zagen dat het skelet lag in een gedolven grafholte. Zooals uit de plattegrond van de grot in fig. 19 (links) blijkt, had deze uitholling van de bodemlaag van de grot een bepaalden zeer regelmatigen rechthoekigen vorm. En als wij nagaan, hoe die grafuitholling ligt, dan zien wij dat de lange as van den rechthoek juist west-oost is georienteerd, zoodat ook het lichaam in de richting van den zonsloop ligt. Daarbij lag het skelet in de voor de latere „Höckergräber” zoo typische houding met sterk opgetrokken knieën, waardoor, zooals men meende, de ziel verhinderd werd het lichaam te verlaten. Een aantal steenen wapenen liggen om de grafuitholling verspreid, blijkbaar als wapenen aan den doode medegegeven. Trekken wij uit al deze feiten de gevolgtrekking, dan had het volk of de stam, die dezen doode hier voor zoovele duizenden jaren begroef, eerbied voor de dooden. Immers, zij werden begraven. Voorts een zekere mate van cultuur, getuige de regelmatige vorm van de grafholte, een godsdienstig gevoel, vermoedelijk een soort van zonaanbidding, getuige de nauwkeurige orientatie van het graf in de richting oost-west, en eengeloof in een voortbestaan na den dood, getuige de houding van het skelet en de aan den doode medegegeven wapenen.—Een ervaren archaeoloog zou wellicht uit de hierboven genoemde feiten nog verdere conclusies trekken, maar het hier gezegde schijnt mij voldoende, om te doen uitkomen, dat men dezen gedachtengang niet mag verwaarloozen, waar men op zuiver morphologische gronden aan een bepaalden vorm een zekere waarde wil toekennen. Zooals ik zeide, komen wij op dit alles bij de algemeene slotbeschouwingen nog nader terug.
11. Andere, nog niet voldoende beschreven skeletvondsten uit den laatsten tijd, zooals bij la Ferrassie (1909–1910), la Pech de l’Azé (1909), la Quina (1911), Saint-Brelade (1911), ga ik hier met stilzwijgen voorbij. Voor zoover men uit de korte nota’s die er van gepubliceerd zijn, kan nagaan, werden ook hier skeletten van het neanderdal-ras opgedolven.
Fig. 24. Doorsneden van de „grotte des enfants” bij Grimaldi met de verschillende steenlagen, de oude er vroeger ingegraven put, en de in de steenlagen gevonden skeletten. De eene doorsnede in de lengterichting van de grot, de andere dwars op den ingang. Buiten de grot de spoorrails.
Fig. 24. Doorsneden van de „grotte des enfants” bij Grimaldi met de verschillende steenlagen, de oude er vroeger ingegraven put, en de in de steenlagen gevonden skeletten. De eene doorsnede in de lengterichting van de grot, de andere dwars op den ingang. Buiten de grot de spoorrails.
12. Naast deze vondsten zijn echter nog enkele van grooter belang te vermelden; in de eerste plaats de zoogenaamde vondst vanGrimaldi. Reeds gedurende een aantal jaren werden op aansporing van Albert I van Monaco de zoogenaamde Grottes de Grimaldi, bij Mentone, systematisch op den inhoud hunner steenbeddingen onderzocht door eenige Fransche archaeologen, met nameVerneau,Boule,Villeneuveen vroeger doorRivière. Een aantal skeletten werden opgedolven die allen tot de jongere pleistocene periode (vooral de „aurignac”-periode en later) behoorden en allen het die periode kenmerkende zoogenaamde „Cro-magnon” type (zie pag. 99) vertoonden met al de kenteekenen van den homo sapiens. Maar nu werd in Juni 1901 door den abtVilleneuvein de zoogenaamde Grotte des Enfants, waarin reeds vroeger in de bovenste steenlagen (zie fig. 24) een skelet van het „Cro-magnon”type was opgedolven, in de diepste lagen een nieuwe vondst gedaan van twee skeletten, die op een diepte van meer dan 8 meter onder de oppervlakte gevonden werden. Deze beide skeletten, in de hierbij gevoegde doorsnedeteekening van de grot met zijn verschillende boven elkaar liggende steenlagen (fig. 24) duidelijk zichtbaar, vertoonden nu een ander type dan het neanderdal-ras, nl. een schedeltype, zooals het in fig. 25 afgebeeld is, met hoog, gewelfd voorhoofd, zonder de vooruitspringende wenkbrauwbogen van den fossielen mensch der vorige vondsten, met gewelfden, fraai afgeronden schedel, doch met vooruitstekendekaken, platten neus, bijna geen kin en een aan het negerras herinnerende vorming van het gezichtskelet. Vandaar dat dit type doorVerneau, die deze vondst uitvoerig heeft beschreven, het „negroïde” type genoemd werd. Boven de laag, waarin deze beide skeletten begraven waren (er was een duidelijke steenbedekking om de beide skeletten aangebracht, een graf derhalve), werd op ongeveer 7 meter diepte nog een skelet gevonden, dat evenals het reeds vroeger in de bovenste steenlagen van dezelfde grot gevonden, geheel en al het karakter van den homo sapiens vertoonde. Dit laatste skelet zou volgens de in dezelfde laag aangetroffen steenen werktuigen en dierlijke overblijfselen tot het laatste gedeelte van de „aurignac”-periode behooren, de beide skeletten van het negroïde type zouden tot de „moustier”-periode behooren, dus ongeveer van denzelfden ouderdom zijn als de zooeven beschreven skeletten van het neanderdalras. Nu is wel door latere opgaven vanM. Boulegebleken, dat de ouderdom van deze „negroïde”-skeletten niet zoo groot is als men eerst meende, maarer blijkt toch wel uit, dat niet zoo heel veel later dan de periode, waarin wij hier in Europa een ras met zeer inferieure kenmerken aantreffen, er in hetzelfde werelddeel menschen werden gevonden die een ander, hooger type vertegenwoordigden. Het toont tevens aan, hoe voorzichtig men zijn moet met conclusies, getrokken uit fragmenten van schedels. Had men van deze negroïde schedels vanVerneauslechts het schedeldak met het hooge gewelfde voorhoofd zonder vooruitspringende wenkbrauwbogen gevonden, men zou niet geaarzeld hebben, de dragers dier schedels tot den normalen homo sapiens te rekenen. Had men slechts de kaken en het gezichtskelet gevonden, men zou ongetwijfeld de dragers bij het neanderdalras hebben ingedeeld, tenminste ook voor den verderen schedel inferieure kenmerken hebben verondersteld. De schedel, in zijn geheel beschouwd, toont aan, dat dit niet het geval behoeft te zijn. Zoo maant ons dus een dergelijke vondst tot voorzichtigheid.
Fig. 25. Schedel van het „negroïde”type uit de „Grotte des enfants.” VolgensVerneau.
Fig. 25. Schedel van het „negroïde”type uit de „Grotte des enfants.” VolgensVerneau.
13. Zoodra wij in de jongere perioden van het oude steenen tijdperk, in de aurignac-periode en in het Magdalenium komen, houden merkwaardigerwijze alle sporen van het voor de oudere tijdperken, het Moustierium, de „acheuléen” en „chelléen” periode, zoo typische neanderdal-ras op. Het lage, wijkende voorhoofd met de groote zware wenkbrauwbogen en den naar achteren uitgezakten zwaren schedel verdwijnt en een nieuw ras treedt op, met smalle slapen, hoog, gewelfd voorhoofd, langen schedel, kleinere fijn gevormde oogkassen zonder de zware wenkbrauwbogen, kortom een ras treedt op, dat zich volkomen aansluit aan de tegenwoordig levende menschenrassen, aan den homo sapiens. Overgangsvormen tusschen de beide rassen kennen wij niet. Wel zijn bij de verschillende skeletvondsten uit deze laatste perioden (Aurignac, Magdalénien) minder ontwikkeldeskeletvormen naast meer ontwikkelde gevonden, doch er blijft een diepe klove tusschen de beide typen bestaan.
Vondst vanCro-magnonin Dordogne, Frankrijk. Aan deze vondst ontleent het menschenras uit de latere perioden van het palaeolithicum zijn naam. In 1868 werden nl., bij het aanleggen van een spoorweg, in een „abris sous roche” daar ter plaatse vijf skeletten gevonden, in een steenlaag uit de aurignac-periode. DoorLartet, die de vondst nauwkeurig onderzocht heeft, werd van begraven der skeletten geen spoor gevonden. Uit de in dezelfde laag gevonden steenen werktuigen, versierselen (een groot aantal doorboorde schelpjes, blijkbaar oorspronkelijk tot kettingen aaneengeregen) en dierlijke overblijfselen bleek, dat de skeletten uit de aurignac-periode, het rendiertijdperk, stamden. De vorm van den schedel en van het verdere beenstelsel is typisch gelijkend op dien van den tegenwoordig levenden homo sapiens.
Andere vondsten van blijkbaar wel begraven skeletten van hetzelfde type van cro-magnon, liggende in de van nu af aan gedurende langen tijd voor begraven lijken vrijwel typische houding met gebogen armen en sterk opgetrokken knieën (men vergelijke bijv. fig. 9, Egyptisch graf uit het neolithicum), zooals die vanLaugerie-Bassein Dordogne, in 1872 door Massénat uitgegraven, vanChancelade, eveneens in Dordogne, in 1888 gevonden, uit de grot vanHoteaux, bij Rossillon, allen uit de bovengenoemde latere perioden van het palaeolithicum, ga ik hier met stilzwijgen voorbij, omdat zij ons, hoe belangrijk zij ook mogen zijn voor de rassen-anthropologie van Europa, voor het probleem van de afstamming van den mensch weinig leeren. Men ziet uit deze vondsten, dat gedurende de latere perioden van het oude steenen tijdperk, dus nog in het diluvium, in Europa zich een menschenras ophield, dat een schedelvorm bezat, die zich in dehoofdpunten volkomen aansloot aan die van den tegenwoordig levenden mensch, van den homo sapiens. Dit ras moet toen ter tijde een groote verbreiding gehad hebben. In Frankrijk, in Italië, in Spanje, in België, in Noorwegen en Zweden is het bestaan er van door verschillende vondsten aangetoond. Directe overgangsvormen, die dit ras verbinden met het boven beschreven neanderdal-ras, kennen wij niet.
14. Door sommige, vooral Duitsche, anthropologen wordt in dit opzicht, m. i. ten onrechte, een groote beteekenis toegekend aan het in 1910 doorHauserenKlaatschgevonden skelet vanCombe Capelle, den zoogenaamden aurignac-jager, bij het dorp van dien naam (dicht bij Montferrand-Périgord in Frankrijk) uitgegraven. De schedelvorm is reeds volkomen als die van een hedendaagschen Europaeer, met hoog gewelfd voorhoofd, kleine neusopening, sterk dolichocephalen (langen) schedel, geen vooruitstekende kaken. Een laag kenmerk zou evenwel zijn, dat de vooruitstekende kin ontbreekt. Beschouwt men nu evenwel nauwkeurig de verschillende afbeeldingen van dezen „homo aurignaciensis Hauseri,” zooals het skelet genoemd wordt, dan blijkt de kin volstrekt niet afwezig te zijn, doch slechts iets minder sterk ontwikkeld dan bij de tegenwoordig levende Europaeers. Een dergelijke gering ontwikkelde kinvorming kan men tegenwoordig nog bij een aantal volksstammen vinden, bij de eskimo’s, om in Europa te blijven, en wat den praehistorischen mensch betreft, bij het reeds jaren geleden bij Raymondes gevonden, uit de magdalénien-periode stammend skelet, in het museum van Périgueux bewaard, is precies hetzelfde te zien.
Met dit ras van Cro-magnon kunnen wij onze beschrijving van de verschillende vondsten afsluiten.Slechts die vondsten hebben wij opgesomd, die voor de vraag, die wij ons gesteld hadden, belangrijk waren. Een archaeologische beschrijving, een historie van het voorhistorische tijdperk der menschelijke ontwikkeling te schrijven, ligt buiten de grenzen van dit boekje en volkomen buiten mijn bereik. Slechts zij nog het volgende opgemerkt:
Met derendier- enbisonjagers van het Cro-magnon-ras sluit het oude steenen tijdperk af. Uit het zoo uiterst bescheiden begin der eolithen heeft zich in de duizenden jaren van zijn duur een beschaving ontwikkeld, een techniek van fijn bewerkte steenen instrumenten en wapenen, van kunstvol gesneden voorwerpen uit rendierhoorn en been, zooals wij die vinden in de laatste periode van het palaeolithicum, het magdalenium.
Met het eindigen van den ijstijd sluit nu evenwel ook deze cultuurperiode af, wordt het einde van het rendiertijdperk bereikt. Bij het langzamerhand weder warmer worden van het klimaat schijnt het rendier naar het noorden getrokken te zijn. Of een deel van de menschen het voor hun bestaan zoo belangrijk geworden dier volgde, of de zich langzaam veranderende klimatologische verhoudingen een nomadenleven met zich brachten, de mensch schijnt de oude nederzettingen gedurende vele eeuwen verlaten te hebben. In dat gedeelte van West-Europa, waar overal de overblijfselen uit den ijstijd zoo talrijk en in zoo groote verscheidenheid te vinden zijn, in Zuid-Frankrijk, is de steenlaag, die de overblijfselen van de laatste periode van het palaeolithicum, de magdalénienperiode, inhield, overal bedekt door een dikke steen- en aardlaag, die volkomen steriel, volkomen vrij van voorhistorische overblijfselen, zij het steenen of hoornen of beenen werktuigen, zij het menschelijke of dierlijke skeletdeelen, is.
Zien wij den mensch weer optreden, dan is hij eenandere geworden in een andere omgeving. De uitgestrekte steppen, die na den afloop van den ijstijd waren ontstaan, zijn verdwenen, dichte wouden bedekken het grootste gedeelte van Europa, met een rijke dierenwereld, uit andere vormen bestaande dan de ijstijd-fauna van het palaeolithicum. Ook den mensch vinden wij in anderen vorm, hoewel vermoedelijk gemengd met de overblijvende menschen van hetcro-magnon-rasras. Zijne raskenmerken zijn anders geworden, zijne beschaving eveneens. Wij komen in het nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum, met werktuigen uit hertshoorn inplaats van uit rendierhoorn en steenen wapenen van een nieuwe techniek, eerst ruw en onbeholpen, langzamerhand meer en meer verfijnd, tot het steenen tijdperk, ook in den technisch zoo volmaakten vorm van het latere neolithicum, plaats moest maken voor het tijdperk der metalen werktuigen, het bronzen, het ijzeren tijdperk.
Overgangsvormen tusschen het neanderdalras en hetcro-magnon-rasvonden wij niet, zooals wij vroeger reeds zagen. Hier vinden wij dus nu een tweede onderbreking. Bij deze onderbreking, die reeds meer in het bereik der archaeologische studie ligt, nemen wij een indringen van nieuwe elementen uit het Zuid-oosten, uit Azië, aan. Ligt het niet voor de hand, ook bij de eerste onderbreking aan een invasie van buiten Europa te denken?
Is nu met betrekking tot het vraagstuk van de afstamming van den mensch buiten Europa, in Azië, in Australië, in Amerika iets van belang gevonden?
Daarover kunnen wij kort zijn. Op de groote beteekenis van den pithecanthropus uit Java legden wij reeds den nadruk. Wij kunnen er evenwel aan toevoegen, dat wel in onze Oost, in Ceylon, in Engelsch-Indië, sporen van palaeolithische werktuigen gevonden zijn, maar bij de tot nu toe nog vrij groote onzekerheid,die wat die gebieden betreft, over hunnen geologischen ouderdom heerscht, kan men daaromtrent nog weinig zeggen en wordt in elk geval een vergelijking van die sporen met de in Europa zelf gevonden voorwerpen en de bepaling van hunnen ouderdom uiterst moeilijk. Ook is het onderzoek hier, naar het schijnt, niet steeds met de noodige nauwkeurigheid verricht. Zoo werd van de tertiaire menschelijke overblijfselen, die doorNoethlingin Opper-Birma gevonden waren, reeds spoedig (1902) doorSwinhoe Redway, een Engelsch onderzoeker, aangetoond, dat zij nietinhet uit tertiaire gesteenten bestaande plateau lagen, zooals doorNoethlingwas gemeend, doch er bovenop, en dat zij dus zeer zeker niet van tertiairen oorsprong kunnen zijn.
Zoo werden doorAlsbergin 1892 in tertiairen zandsteen, bij Warnambool in Australië, in den nog weeken steen afgedrukte en daarna verharde voetsporen van menschelijke wezens gevonden.Klaatsch, die deze voetsporen ook bestudeeren kon, hield ze voor ontwijfelbaar van menschelijke wezens afkomstig en meende zelfs bij deze voetsporen den indruk van een menschelijk zitvlak(!) te vinden. DoorBrancowerd reeds in 1905 tot voorzichtigheid in dezen gemaand, en doorNoethlingwerden dan ook later in afgelegen streken van Australië in de sneeuw(!) dergelijke voetsporen gevonden, die evenwel door kangoeroe’s waren achtergelaten. Ging zulk een kangoeroe zitten, dan werd een dergelijke indruk in de sneeuw achtergelaten als doorKlaatschin geniale fantasie voor den afdruk van een menschelijk zitvlak werd gehouden. Wie te veel bewijst....
Dezelfde moeilijkheden, die ik boven aangaf voor de vergelijking van den ouderdom van bepaalde steenlagen en afzettingen in Oost-Azië en in Europa, gelden voor Amerika. De lagen, die door Amerikaansche onderzoekers (met nameAmeghino) voor tertiairworden gehouden, worden door Europeesche geologen die ze hebben kunnen bestudeeren, voor quartair gehouden. Het spreekt van zelf, dat een dergelijk gemis aan zekerheid, juist voor het probleem, hetwelk ons hier bezighoudt, zeer gevaarlijk is. Zoo men in Amerika menschelijke schedels met inferieure kenmerken had gevonden, die uit de tertiaire periode stamden, zouden dergelijke schedels oneindig veel belangrijker zijn dan wanneer zij uit de quartaire periode afkomstig zijn. En ook verder schijnen de geologische verhoudingen van dat groote continent nog niet in die mate nauwkeurig bestudeerd te zijn, dat zij tot vaststaande gegevens omtrent den ouderdom der verschillende steenlagen en afzettingen hebben kunnen voeren. Zoolang dat niet het geval is, doet men beter, de opgaven in die richting met een zeker scepticisme te beschouwen. Zoo is bijv. van den beroemden Calaveras-schedel uit Mexico, die van zeer hoogen tertiairen ouderdom heette te zijn en een aantal inferieure kenmerken vertoonde, later gebleken, dat het een indianen-schedel uit den tegenwoordigen tijd is. Van eenige andere schedels, die doorAmeghinobeschreven zijn, en waarvan hij de afwijkingen van den normalen menschelijken schedel zoo groot vond, dat hij meende, ze tot een andere soort (den homo pampaeus en homo pliocaenicus) te moeten rekenen, is later bij nader onderzoek gebleken, dat het schedels waren, die van gewone menschen, normale exemplaren van den homo sapiens afkomstig waren, doch die kunstmatig waren vervormd, zooals dat bij een aantal Indianen-stammen nog heden ten dage stelselmatig bij jonge kinderen wordt gedaan. Andere schedels met laag, wijkend voorhoofd, doorHrdlickabeschreven, zijn ongetwijfeld van jong-diluvialen ouderdom en vertoonen ook de inferieure kenmerken in geenen deele zoo sterk en zoo algemeen als de neanderdal-groep.
Zoo hebben ook de vermeende voorloopers van hetmenschelijk geslacht, waarvanAmeghinoin de oude geologische formaties van Argentinië de fossiele overblijfselen meende te hebben ontdekt, de tetraprothomo en de diprothomo, bij nader nauwkeurig onderzoek geen stand kunnen houden en zijn naar het rijk der fabelen terugverbannen. En hetzelfde geldt, ten minste wat den naam betreft, voor de fossiele apensoorten, die doorAmeghinoin geologisch oude steenlagen zijn gevonden, en door hem met de tendentieuze namen homunculus, homocentrus, anthropops bestempeld zijn. Fossiele apensoorten zijn het wel; van eenige verwantschap met den mensch, die in de namen, hen doorAmeghinogegeven, ligt opgesloten, is geen sprake.
Alles te zamen genomen zijn dus op het oogenblik geen feiten bekend, die er op zouden wijzen, dat wij in Amerika de bakermat van het menschelijk geslacht moeten zoeken. Het spreekt vanzelf, dat daaruit niet direct mag worden afgeleid, dat de mensch in de praehistorische tijden van het quartaire tijdperk niet ook in Amerika bestaan heeft. Maar dan is hij van elders geïmmigreerd.
Met Australië staat het anders gesteld. In dat groote eilandenrijk, in vroegere geologische perioden door groote landbruggen met de overige werelddeelen verbonden, doch reeds in lang achter ons liggende perioden geïsoleerd, hebben een aantal diersoorten zich in den strijd om het bestaan kunnen handhaven, die in de andere werelddeelen reeds vroeg zijn uitgestorven. Ook de oorspronkelijke inboorlingen vertoonen inferieure kenmerken, die eenigszins aan het Neanderdal-ras doen denken en die verschillende anthropologen er toe gebracht hebben daar de plaats te zoeken, waar het menschelijk ras zich uit dierlijke voorvaderen heeft ontwikkeld, en van waar het door langzame emigratie en verspreiding de geheele wereld heeft bevolkt. Eenige zekerheid hieromtrent heeft men evenwel geenszins.
1Wij weten nog in het geheel niet, hoe lang het geleden is, dat de mensch zich van het geslacht der apen losmaakte; maar het kan zelfs zoo lang geleden zijn als de eocaene periode.↑2Ook dit wordt echter weer tegengesproken, doorDuboiszelf en door een Engelsch anthropoloog van groote autoriteit,Arthur Keith, die in 1912 in een reeks lezingen trachtte aan te toonen, dat de pithecanthropus wel in het tertiaire tijdperk thuis behoort. Voorloopig schijnt mij echter de opvatting vanVolzenMartinop degelijker gronden te berusten.↑3De inmiddels doorDawsonenSmith Woodwardgepubliceerde uitvoerige beschrijving is niet geschikt, om bestaanden twijfel omtrent de juistheid der voorloopige opgaven weg te nemen. Zoowel wat betreft den hoogen ouderdom van de overblijfselen als hunne zoo uiterst primitieve kenmerken vraagt men zich af, of de beide onderzoekers wel altijd hunne vondsten met de noodige nauwgezetheid hebben beoordeeld.↑4Zooals echter boven reeds werd opgemerkt, laat de inmiddels verschenen uitvoerige beschrijving van de vondst nog wel eenigen twijfel bestaan aan de juistheid dezer voorloopige opgaven vanDr. Smith Woodward.↑5Zieachterin.↑6DoorFraipontenLohestin 1886 beschreven.↑7Volgens de opgaven van de Firma Krantz is er nu in den laatsten tijd een beter gipsafgietsel van vervaardigd.↑8M. Boule.l’Homme fossile de la Chapelle-aux-Saints. Annales de Palaeontologie 1913. blz. 1–278. 101 afbeeldingen.↑
1Wij weten nog in het geheel niet, hoe lang het geleden is, dat de mensch zich van het geslacht der apen losmaakte; maar het kan zelfs zoo lang geleden zijn als de eocaene periode.↑2Ook dit wordt echter weer tegengesproken, doorDuboiszelf en door een Engelsch anthropoloog van groote autoriteit,Arthur Keith, die in 1912 in een reeks lezingen trachtte aan te toonen, dat de pithecanthropus wel in het tertiaire tijdperk thuis behoort. Voorloopig schijnt mij echter de opvatting vanVolzenMartinop degelijker gronden te berusten.↑3De inmiddels doorDawsonenSmith Woodwardgepubliceerde uitvoerige beschrijving is niet geschikt, om bestaanden twijfel omtrent de juistheid der voorloopige opgaven weg te nemen. Zoowel wat betreft den hoogen ouderdom van de overblijfselen als hunne zoo uiterst primitieve kenmerken vraagt men zich af, of de beide onderzoekers wel altijd hunne vondsten met de noodige nauwgezetheid hebben beoordeeld.↑4Zooals echter boven reeds werd opgemerkt, laat de inmiddels verschenen uitvoerige beschrijving van de vondst nog wel eenigen twijfel bestaan aan de juistheid dezer voorloopige opgaven vanDr. Smith Woodward.↑5Zieachterin.↑6DoorFraipontenLohestin 1886 beschreven.↑7Volgens de opgaven van de Firma Krantz is er nu in den laatsten tijd een beter gipsafgietsel van vervaardigd.↑8M. Boule.l’Homme fossile de la Chapelle-aux-Saints. Annales de Palaeontologie 1913. blz. 1–278. 101 afbeeldingen.↑
1Wij weten nog in het geheel niet, hoe lang het geleden is, dat de mensch zich van het geslacht der apen losmaakte; maar het kan zelfs zoo lang geleden zijn als de eocaene periode.↑
2Ook dit wordt echter weer tegengesproken, doorDuboiszelf en door een Engelsch anthropoloog van groote autoriteit,Arthur Keith, die in 1912 in een reeks lezingen trachtte aan te toonen, dat de pithecanthropus wel in het tertiaire tijdperk thuis behoort. Voorloopig schijnt mij echter de opvatting vanVolzenMartinop degelijker gronden te berusten.↑
3De inmiddels doorDawsonenSmith Woodwardgepubliceerde uitvoerige beschrijving is niet geschikt, om bestaanden twijfel omtrent de juistheid der voorloopige opgaven weg te nemen. Zoowel wat betreft den hoogen ouderdom van de overblijfselen als hunne zoo uiterst primitieve kenmerken vraagt men zich af, of de beide onderzoekers wel altijd hunne vondsten met de noodige nauwgezetheid hebben beoordeeld.↑
4Zooals echter boven reeds werd opgemerkt, laat de inmiddels verschenen uitvoerige beschrijving van de vondst nog wel eenigen twijfel bestaan aan de juistheid dezer voorloopige opgaven vanDr. Smith Woodward.↑
5Zieachterin.↑
6DoorFraipontenLohestin 1886 beschreven.↑
7Volgens de opgaven van de Firma Krantz is er nu in den laatsten tijd een beter gipsafgietsel van vervaardigd.↑
8M. Boule.l’Homme fossile de la Chapelle-aux-Saints. Annales de Palaeontologie 1913. blz. 1–278. 101 afbeeldingen.↑