Fig. 44.Fig. 44.Rupicola crocea, mannetje, naar Brehm.Het moet een heerlijk gezicht zijn, als men in de bosschen van Indië „plotseling twintig of dertig pauwen ontmoet, terwijl de mannetjes hun prachtige staarten ten toon spreiden en in al den luister van hun hoogmoed voor de gestreelde wijfjes pronken.” De wilde kalkoensche[83]haan richt zijn schitterend gevederte op, spreidt zijn fraai gebandeerden staart en gestreepte vleugelvederen uit, en, alles te zamen genomen, maakt hij met zijn opgezette, karmozijnroode en blauwe vleeschlappen een trotsch, schoon in onze oogen potsierlijk figuur. Gelijksoortige feiten zijn reeds medegedeeld omtrent verschillende[84]soorten van Boschhoenders. Laten wij thans tot een andere Orde overgaan. De mannelijkeRupicola crocea(Fig.44) is een van de schoonste vogels van de wereld; hij is prachtig oranje, en sommige zijner vederen zijn op merkwaardige wijze afgeknot en donzig. Het wijfje is bruinachtig groen, geschakeerd met rood en heeft een veel kleiner vederkam. Sir R. Schomburgk heeft hun vrijage beschreven; hij vond een hunner vergaderplaatsen, waarop zich tien mannetjes en één wijfje bevonden. De ruimte was van vier tot vijf voet in doorsnede, en schijnt van elksprietjegras gezuiverd en gelijk gemaakt te zijn geworden, alsof het door menschenhanden was geschied. Een mannetje „voerde vertooningen uit tot blijkbaar vermaak van onderscheidene andere, nu eens zijn vleugels uitspreidende, zijn kop opheffende of zijn staart als een waaier uitspreidende, dan weder al pronkende rondloopende met een huppelenden gang, totdat hij vermoeid was, als wanneer hij een zekere soort van geluid maakte en door een ander werd afgelost. Aldus traden drie van hen achtereenvolgens in het strijdperk en gingen daarna vol zelfvoldoening heên om te rusten.” De Indianen wachten om hun huiden te verkrijgen, nabij een der vergaderplaatsen, tot de vogels ijverig aan het dansen zijn, en kunnen dan met hun vergiftige pijlen achtereenvolgens vier of vijf mannetjes dooden.83Bij de Paradijsvogels komen een dozijn of meer in hun vollen vedertooi prijkende mannetjes in een boom te zamen om een danspartij te houden, zooals de inboorlingen het noemen, en wanneer zij hierin rondvliegen, hun vleugels en uitnemend fraaie siervederen opheffen en deze doen trillen, schijnt de geheele boom, gelijk de heer Wallace opmerkt, vol golvende vederen te zijn. Terwijl zij daarmede bezig zijn, zijn zij er zoo in verdiept, dat een bekwaam boogschutter ze bijna allen kan neêrschieten. Men zegt, dat als men deze vogels in Insulinde in gevangen staat houdt, zij zeer zorg dragen om hun vederen schoon te houden, ze dikwijls uitspreiden en nazien en elke vuile vlek wegnemen. Een waarnemer die verscheidene levende paren bezat, betwijfelde niet, dat het pronken van het mannetje tot doel had om het wijfje te behagen.84Fig. 45.Fig. 45.Polyplectron chinquis, mannetje (naar Brehm).Gedurende zijn vrijage spreidt de goudlakensche fazant (Thaumalea[85]picta) niet slechts zijn prachtigen halskraag uit en licht dien op, maar hij draait hem, gelijk ik zelf heb gezien, schuin naar het wijfje toe, aan welke zijde dit ook moge staan, blijkbaar, opdat een groot oppervlak[86]voor haar moge worden tentoongesteld.85De heer Bartlett heeft een mannelijkenPolyplectron(Fig.45) gedurende zijn vrijage waargenomen en mij een voorwerp getoond, opgezet in de houding die het dier dan aanneemt. De staart- en vleugelvederen van dezen vogel zijn met fraaie oogvlekken (ocelli) versierd, gelijk die op den staart van een pauw. Als nu een pauw pronkt, spreidt hij den staart uit en richt hem op een vlak dat loodrecht staat op de lengteas van zijn lichaam; want hij staat tegenover het wijfje en moet tegelijkertijd zijn rijk blauwe keel en borst vertoonen. De borst vanPolyplectronis echter dof gekleurd en de oogvlekken (ocelli) zijn bij dezen vogel niet tot de staartvederen beperkt. Bij gevolg staatPolyplectronniet tegenover het wijfje, maar richt zijn staartvederen een weinig schuins op en spreidt ze ook een weinig schuins uit, de uitgespreide vleugels aan den zelfden kant een weinig omlaag en die aan den tegenovergestelden kant een weinig omhoog houdende. In deze houding zijn de oogvlekken (ocelli) over het geheele lichaam voor de oogen van het bewonderende wijfje in één groot daarmede dicht bezet vlak tentoongesteld. Naar welke zijde zij zich ook moge wenden, worden de uitgespreide vleugels en de schuins gehouden staart naar haar toe gekeerd. Het mannetje van den Tragopan-fazant handelt op bijna de zelfde wijze; want hij richt de[87]vederen van het lichaam, ofschoon niet denvleugelzelf, op aan de zijde die aan den anderen kant dan het wijfje ligt, en die anders verborgen zou blijven, zoodat bijna al de met fraaie vlekken prijkende vederen tegelijkertijd ten toon worden verspreid.Fig. 46.Fig. 46.MannelijkePolyplectron chinquis, voor het wijfje pronkende (T. W. Wood).Het geval van den Argus-fazant is nog treffender. De verbazend ontwikkelde secundaire vleugel-slagpennen die tot het mannetje zijn beperkt, zijn met een rij van twintig tot drie-en-twintig oogvlekken (ocelli) versierd, waarvan elk meer dan twee en een halven centimeter in doorsnede heeft. De vederen zijn ook bevallig beteekend met dwarse donkere strepen en rijen van vlekken, gelijk aan die op de huid van een tijger en van een luipaard met elkander vereenigd. Deze fraaie versierselen zijn verborgen, totdat het mannetje daarmede voor het wijfje pronkt. Hij steekt dan zijn staart omhoog en breidt zijn vleugelvederen uit tot een grooten, bijna loodrechten, cirkelvormigen waaier of schild, die vóór het lichaam wordt gehouden. De hals en kop worden naar ééne zijde gehouden, zoodat zij door den waaier worden verborgen; maar om het wijfje waarvoor hij pronkt, te zien, steekt de vogel soms zijn kop tusschen twee lange vleugelslagpennen heên (gelijk de heer Bartlett heeft gezien) en ziet er dan potsierlijk uit. Dit moet bij den vogel in den natuurstaat veelvuldig de gewoonte zijn, want de heer Bartlett en zijn zoon vonden, eenige ongeschonden huiden, uit de Oost gezonden, onderzoekende, een plaats tusschen twee der slagpennen, die zeer was uitgerafeld, alsof de kop er dikwijls doorheen was gestoken. De heer Wood meent, dat het mannetje ook aan ééne zijde het wijfje kan begluren voorbij den rand van den waaier.Fig. 47.Fig. 47.Mannelijke Argusfazant, voor het wijfje pronkende. Waargenomen en naar de natuur geschetst door den heer T. W. Wood.De oogvlekken (ocelli) zijn zoo fraai geschakeerd, dat zij, gelijk de Hertog van Argyll opmerkt86, den indruk maken van een naar buiten uitspringenden bal die los in een holte ligt. Toen ik echter het voorwerp in het Britsch Museum zag, dat is opgezet met uitgespreide en omlaag gehouden vleugels, was ik zeer teleurgesteld; want de oogvlekken maakten den indruk van plat of zelfs hol te zijn. De heer Gould maakte mij het geval echter spoedig duidelijk; want hij hield de slagpennen rechtop, in den stand waarin zij bij het pronken in de natuur zouden worden tentoongesteld. Zoodra nu de vleugel-slagpennen in dezen stand worden gehouden en het licht er van boven op schijnt, vertoont zich het volle effect van de schakeering, en gelijk elke oogvlek[88]op het versiersel dat een bal en een holte wordt genoemd. Deze vederen zijn aan onderscheidene kunstenaars vertoond en allen hebben hun bewondering uitgedrukt over de volkomenheid der schakeering. Men mag wel vragen: zouden zoo kunstig geschakeerde versierselen kunnen zijn gevormd door middel der seksueele teeltkeus? Het zal echter gepast zijn het antwoord op die vraag uit te stellen, totdat wij[89]in het volgende hoofdstuk over het beginsel van trapsgewijze ontwikkeling (gradatie) handelen.De primaire vleugel-slagpennen die bij de meeste Hoenderachtige Vogels eenvormig zijn gekleurd, zijn bij den Argus-fazant niet minder wondervolle voorwerpen dan de secundaire vleugel-slagpennen. Zij zijn van een zachtbruine kleur met talrijke donkere vlekken waarvan elk uit twee of drie zwarte punten bestaat, die door een donkeren gordel worden omringd. Het voornaamste versiersel is echter een ruimte, evenwijdig aan de donkerblauwe schacht die in omtrek een volkomen tweede veder vormt, in de ware veder gelegen. Dit binnenste gedeelte is lichter kastanjebruin gekleurd, en dicht bezaaid met kleine witte punten. Ik heb zulk een veder aan onderscheidene personen vertoond en velen hebben haar nog meer bewonderd dan de bal-en-holte-vederen, en hebben verklaard, dat zij meer op een voortbrengsel van de kunst dan van de natuur geleek. Nu liggen deze vederen bij alle gewone gelegenheden volkomen verborgen, maar worden geheel tentoongespreid, tegelijk met de lange secundaire slagpennen, wanneer zij allen te zamen worden uitgespreid om den grooten waaier of schild te vormen.Het geval van den Argus-fazant is in hooge mate belangwekkend, omdat het een goed bewijs levert, dat de meest verfijnde schoonheid kan dienen om het wijfje te bekoren en voor geen ander doel. Wij moeten besluiten, dat dit het geval is, daar de primaire vleugel-slagpennen nooit, en de slagpennen met bal-en-holte-versiersels niet in haar volle schoonheid worden vertoond, behalve wanneer het mannetje de houding van zijn vrijage aanneemt. De Argus-fazant bezit geen schitterende kleuren, zoodat zijn voorspoed in de liefde afhangt van de aanzienlijke grootte van zijn slagpennen en van het sierlijke patroon der daarop uitgevoerde teekeningen. Velen zullen verklaren, dat het geheel ongeloofelijk is, dat een vrouwelijke vogel in staat zou zijn om fraaie schakeeringen en uitstekende patronen naar waarde te schatten. Het is ongetwijfeld een verwonderlijk feit, dat zij deze bijna menschelijke mate van smaak zou bezitten, hoewel zij misschien meer het algemeene effect, dan elke afzonderlijke bijzonderheid bewondert. Hij die denkt, dat hij veilig de hoegrootheid van het onderscheidingsvermogen en den smaak van de lagere dieren kan nagaan, moge ontkennen, dat de vrouwelijke Argus-fazant een zoo verfijnde schoonheid naar waarde kan schatten; maar hij zal dan zijn gedwongen om aan te nemen, dat de buitengewone houdingen die het mannetje gedurende[90]de vrijage aanneemt, waardoor de verwonderlijke schoonheid van zijn gevederte in het volle licht komt, doelloos zijn, en dit is een besluit waartoe ik, eens voor al, nimmer zal komen.Hoewel zoo vele fazanten en verwante Hoenderachtige Vogels zorgvuldig hun schoon gevederte voor de wijfjes tentoonspreiden, is het opmerkelijk, dat dit, gelijk de heer Bartlett mij mededeelt, niet het geval is met den geoorden en met Wallich’s fazant (Crosoptilon auritumenPhasianus Wallichii), zoodat deze vogels bewust schijnen te zijn, dat zij slechts op weinig schoonheid kunnen bogen. De heer Bartlett heeft van geen van deze beide soorten van fazanten de mannetjes ooit zien vechten, hoewel hij niet zoo goed in de gelegenheid was om Wallich’s fazant, als om den geoorden fazant waar te nemen. Ook de heer Jenner Weir bevindt, dat alle mannelijke vogels die een rijk of sterk sprekend gevederte hebben, twistzieker zijn dan de dof gekleurde soorten die tot de zelfde groep behooren. De distelvink is bij voorbeeld veel strijdlustiger dan het kneutje, en de merel of zwarte lijster dan de gewone lijster. Die vogels welke op zekere vaste tijden van het jaar een verandering in hun gevederte ondergaan, worden eveneens veel strijdlustiger in het tijdperk waarin zij het fraaist zijn versierd. Ongetwijfeld vechten de mannetjes van sommige dof gekleurde vogels wanhopend met elkander; het schijnt echter, dat de seksueele teeltkeus, wanneer zij veel invloed heeft gehad en aan de mannetjes van de eene of andere soort levendige kleuren gegeven, ook zeer dikwijls een sterke neiging tot strijdlustigheid ten gevolgeheeftgehad. Wij zullen bijna overeenkomstige gevallen ontmoeten, als wij de Zoogdieren behandelen. Daarentegen zijn bij de Vogels het vermogen om te zingen en schitterende kleuren slechts zelden beide tegelijk door de mannetjes van de zelfde soort verkregen; maar in dit geval zou het verkregen voordeel volkomen het zelfde zijn geweest, namelijk voorspoed in het bekoren van het wijfje. Desniettemin moet worden erkend, dat bij de mannetjes van verscheidene schitterend gekleurde vogels de vederen op bijzondere wijze zijn gewijzigd om daarmede instrumentale muziek voort te brengen, hoewel de schoonheid daarvan niet kan worden vergeleken, ten minste volgens onzen smaak, met die van de vocale muziek van vele zangvogels.Wij zullen nu overgaan tot mannelijke vogels die volstrekt in geen hooge mate zijn versierd, maar desniettemin bij hun vrijage de weinige bekoorlijkheden die zij hebben, zooveel mogelijk tentoonspreiden.[91]Deze gevallen zijn in sommige opzichten merkwaardiger dan de voorgaande en zijn slechts weinig opgeteekend. Ik kan de volgende feiten mededeelen, uitgezocht uit een groot aantal belangrijke aanteekeningen, mij door den heer Jenner Weir gezonden, die lang vogels van vele soorten, al de Britsche Vinken (Fringillidae) en Gorzen (Emberizidae) insluitende, bezat. De goudvink gaat, als hij zijn hof maakt, tegenover het wijfje staan en zet dan zijn borst op, zoodat veel meer van de karmozijnroode vederen worden gezien dan anders het geval zou zijn. Tegelijkertijd draait en buigt hij zijn zwarten staart op potsierlijke wijze van de eene zijde naar de andere. Het mannetje van den gewonen vink gaat ook tegenover het wijfje staan en vertoont zoo zijn roode borst en „blauwe klok” („blue bell”), zooals de (Engelsche) vogelvangers zijn kop noemen; tegelijkertijd spreidt hij zijn vleugels een weinig uit, zoodat de zuiver witte banden op de schouders in het gezicht vallen. Het gewone kneutje zet zijn rozenroode borst op, spreidt zijn bruine vleugels en staart uit, zoodat zij zich zoo voordeelig mogelijk voordoen, doordat hun witte randen in het gezicht komen. Wij moeten echter niet te overijld besluiten, dat de vleugels worden uitgespreid om te pronken, daar sommige vogels, wier vleugels niet fraai zijn, ook zoo handelen. Dit is het geval met den huishaan, maar het is altijd de vleugel aan de van het wijfje afgekeerde zijde, die wordt uitgespreid en tegelijkertijd over den grond geschuurd. Het mannetje van den distelvink gedraagt zich anders dan alle andere vinken; zijn vleugels zijn fraai, daar de schouders zwart en de donkergepunte vleugelvederen witgevlekt en met goudgeel omzoomd zijn. Als hij het wijfje het hof maakt, zwaait hij zijn lichaam van de eene zijde naar de andere en draait snel zijn een weinig uitgespreide vleugels eerst naar de eene en dan naar de andere zijde, hetgeen het effect van een goud-geflikker maakt. Geen andere Britsche vink draait zich, gelijk de heer Weir mij mededeelt, gedurende zijn vrijage op deze wijze van de eene zijde naar de andere, zelfs niet het nauw verwante mannelijke sijsje; want het zou daardoor zijn schoonheid niet verhoogen.De meeste Britsche Gorzen zijn effen gekleurde vogels, doch in de lente krijgen de kopvederen van den mannelijken rietgors (Emberiza schoeniclus) een fraaie zwarte kleur door het afvallen van de vuil gekleurde punten; en deze kopvederen worden gedurende de vrijage opgezet. De heer Weir heeft twee soorten van Australische rijstvogels[92](Amadina) in zijn bezit gehad; deA. castanotisis een zeer kleine en zedig gekleurde vogel, met een donkeren staart, witten romp, en gitzwarte bovenste staartdekvederen, terwijl elk van deze laatsten is geteekend met drie groote opzichtige ovale witte plekken.87Het mannetje van deze soort spreidt, wanneer hij het wijfje het hof maakt, deze gedeeltelijk gekleurde staartdekvederen eenigszins uit en doet ze op een zeer bijzondere wijze trillen. Het mannetje vanAmadina Lathamigedraagt zich geheel anders, en spreidt voor het wijfje zijn prachtig gevlekte borst, scharlakenrooden romp en scharlakenroode bovenste staartdekvederen ten toon. Ik kan hier op gezag van Dr. Jerdon bijvoegen, dat de Indische Bulbul (Pycnonotus haemorrhous) karmozijnroodeonderstestaartdekvederen heeft, en men zou wellicht denken, dat de schoonheid van deze vederen nimmer goed ten toon kon worden gespreid, maar de vogel „spreidt ze, als hij opgewekt is, dikwijls zijdelings uit, zoodat zij zelfs van boven kunnen worden gezien.”88De gewone duif heeft iriseerende vederen op de borst, en iedereen moet hebben opgemerkt, hoezeer het mannetje zijn borst opzet, terwijl hij het wijfje het hof maakt, en op die wijze deze vederen op zijn voordeeligst doet uitkomen. Een van de fraaie duiven met bronskleurige vleugels van Australië (Ocyphaps lophotes) gedraagt zich, volgens de mij door den heer Weir gegeven beschrijving, geheel anders; het mannetje buigt, terwijl hij voor het wijfje staat, zijn kop bijna tot den grond toe neder, spreidt zijn staart uit en steekt dien loodrecht omhoog, en spreidt zijn vleugels half uit. Daarna beweegt hij langzaam zijn lichaam beurtelings op en neêr, zoodat de iriseerende metaalglanzende vederen allen tegelijk worden gezien en in de zon schitteren.Er is nu een voldoend aantal feiten medegedeeld om aan te toonen, hoeveel zorg de mannelijke vogels aanwenden om met hun verschillende bekoorlijkheden te pronken, en zij doen dit met de uiterste bekwaamheid. Terwijl zij hun vederen gladstrijken, hebben zij veelvuldig de gelegenheid om zich zelf te bewonderen en te bestudeeren, hoe zij het best hun schoonheid zullen tentoonspreiden. Daar echter al de mannetjes van ééne en de zelfde soort op volkomen de zelfde wijze pronken, schijnt het, dat handelingen die oorspronkelijk wellicht met voordacht werden verricht, instinktmatig zijn geworden. Indien dit zoo is, behoeven[93]wij de vogels niet van zelfbewuste ijdelheid te beschuldigen; doch als wij een pauw met zijn uitgespreide en sidderende staartvederen zien pronken, schijnt hij het ware zinnebeeld van trots en ijdelheid.De verschillende versierselen die door de mannetjes worden bezeten, zijn zeker voor hen van het hoogste belang, want zij zijn in sommige gevallen verkregen ten koste van een groote belemmering van het vlieg- of loopvermogen. De Afrikaansche nachtzwaluw (Cosmetornis), bij welke gedurende den paartijd een der primaire vleugel-slagpennen zich tot een uiterst langen wimpel ontwikkelt, wordt daardoor zeer in zijn vlucht vertraagd, ofschoon hij op andere tijden opmerkelijk snel vliegt. Men zegt, dat de „onhandelbare grootte” van de secundaire vleugel-slagpennen van den mannelijken Argus-fazant „den vogel bijna geheel van zijn vliegvermogen berooven.” De schoone siervederen van mannelijke Paradijsvogels hinderen hen gedurende een sterken wind. De uiterst lange staartvederen van de mannelijke weduwvogels (Vidua) van Zuid-Afrika maken „hun vlucht zwaar”; maar zoodra deze zijn afgeworpen, vliegen zij even goed als de wijfjes. Daar de vogels altijd broeien in den tijd waarin het voedsel overvloedig is, hebben de mannetjes waarschijnlijk bij het zoeken van voedsel geen last van de belemmering van hun bewegingsvermogen; maar het kan moeilijk worden betwijfeld, dat zij meer kans hebben om door roofvogels te worden neêrgeveld. Evenmin kunnen wij betwijfelen, dat de lange staart van den pauw en de lange staart en vleugelvederen van den Argus-fazant hen een meer gemakkelijke prooi voor de eene of andere op den loer liggende tijgerkat moeten maken, dan anders het geval zou zijn. Het kan zelfs niet missen, dat de levendige kleuren van vele mannelijke vogels hen aan hun vijanden van allerlei soort in ’t oog doen vallen. Vandaar komt waarschijnlijk, gelijk de heer Gould heeft opgemerkt, dat dergelijke vogels over het algemeen schuw van aard zijn alsof zij zich bewust zijn, dat hun schoonheid een bron van gevaar is, en veel moeilijker zijn te ontdekken of te naderen, dan de somber gekleurde en vergelijkenderwijze makke wijfjes, of dan de jonge en nog niet versierde mannetjes.89Het is een nog opmerkenswaardiger feit, dat de mannetjes van sommige vogels, die van bijzondere wapenen voor het gevecht zijn voorzien, en die in den natuurstaat zoo strijdlustig zijn, dat zij elkander[94]dikwijls dooden, lijden onder het bezit van zekere versierselen. De bezitters van strijdhanen korten de sikkelvormige vederen in en snijden den kam en de kwabben van hun hanen af; en men zegt dan, dat de vogels tot ridder geslagen („dubbed”) zijn. Een niet tot ridder geslagen („undubbed”) haan is, gelijk de heer Tegetmeier met aandrang opmerkt, „vreeselijk in het nadeel: de kam en kwabben bieden aan zijn tegenstander een gemakkelijk punt om vast te houden aan, en daar een haan altijd treft, waar hij vast heeft, heeft hij zijn vijand, wanneer hij hem eens heeft gegrepen, geheel in zijn macht. Zelfs als men veronderstelt dat de vogel niet wordt gedood, is het bloedverlies dat door een niet tot ridder geslagen haan wordt geleden, veel grooter dan dat van een haan die zulks wel is.”90Jonge kalkoensche hanen houden elkander bij het vechten bij de vleeschlappen vast, en ik vermoed, dat de oude vogels op de zelfde wijze vechten. Men zal mij wellicht tegenwerpen, dat de kam en de vleeschlappen geen versiering zijn, en den vogels daartoe niet kunnen dienen; maar zelfs in onze oogen wordt de schoonheid van den glanzend zwarten Spaanschen haan veel verhoogd door zijn wit gelaat en karmozijnrooden kam; en niemand die ooit de prachtige blauwe vleeschlappen van den mannelijken Tragopan-fazant heeft gezien, als zij gedurende de vrijage zijn opgezwollen, kan een oogenblik betwijfelen, dat schoonheid het doel is. Uit de voorgaande feiten zien wij duidelijk, dat de siervederen en andere versierselen van het mannetje van het hoogste belang voor hem moeten zijn, en wij zien verder, dat in sommige gevallen schoonheid zelfs nog belangrijker is dan voorspoed in het gevecht.[Inhoud]AANTEEKENINGEN.(1)Darwin noemtCairina moschata„the musk-duck”; ook de meest gewone Nederlandsche naam is muskuseend. Het is met deze drie namen als met het oudelucus a non lucendo, daar de vogel nimmer een spoor van muskusgeur verspreidt91, in tegenstelling van de verwante Australische muskuseend (Biziura lobata), die haar naam met eere draagt (vergelijk blz. 37). Zie mijn aant. op Hoofdstuk VIII van het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 351.(2)Blasius en Keyzerling hebben, op grond van de onderzoekingen van[95]Johannes Müller, de Orde derInsessoresin twee afdeelingen verdeeld, namelijk die derOscinesof eigenlijkeZangvogelsen die derClamatoresofSchreeuwvogels. Hun stelsel is later door A. Wagner voltooid. Behalve door verschillende andere meer of min belangrijke kenmerken onderscheiden deOscineszich van deClamatoresdoor het bezit van een waren zangtoestel. Tot deOscinesbrengt men dan de Families der Lijsters (Turdidae), Zangers (Sylviadae), Kwikstaarten (Motacillidae), Zwaluwen (Hirundinidae), Vliegenvangers (Muscicapidae), Klauwieren (Laniadae), Honigvogels (Nectarinidae), Kruipvogels (Certhiadae), Meezen (Paridae), Vinken (Fringillidae), Leeuwerikken (Alaudidae), Spreeuwen (Sturnidae), Kraaivogels (Corvidae) en Paradijsvogels (Paradisiadae); tot deClamatoresde Families derEriodoridae(waartoe ook de prachtige Liervogel (Menura Superba) van Nieuw-Holland behoort), derAnabatidae, der Snatervogels (ColopteridaeofCotingidae), Nachtzwaluwen (Caprimulgidae), Gierzwaluwen (Cypselidae), Kolibri’s (Trochilidae), Hopvogels (Upupidae), Bijenvreters (Meropidae), IJsvogels (Halcyonidae), Scharrelaars (Coraciadae) en Neushorenvogels (Bucerotidae).Niet alleen zingen echter vele derOscines, b.v. de door Darwin aangehaalde Kraaivogels en de Paradijsvogels nimmer, maar tot deClamatoresbehooren zelfs onderscheidene geslachten (b.v. de Klokvogels,Chasmorhynchus), die een fraaie zangstem bezitten, hoewel de zangtoestel derOscineshun ontbreekt. Daarenboven bezitten sommige Families derClamatoresongetwijfeld een grootere natuurlijke verwantschap tot sommige Families derOscines, dan tot die hunner eigen afdeeling (b.v. deAnabatidaeenEriodoridaetot deCerthiadae, deCypselidaeenCaprimulgidaetot deHirundinidaeenz.) en omgekeerd. De verdeeling van de Orde derInsessoresin Zangvogels en Schreeuwvogels is dus geen natuurlijke.(3)Het hier bedoelde orgaan is niet homoloog met het strottenhoofd (larynx) der Zoogdieren, en draagt dus oneigenlijk dien naam. Het eigenlijke strottenhoofd (larynx superior) dient bij de vogelsniettot voortbrenging van het geluid. Het stemorgaan, door sommigen oneigenlijkonderste strottenhoofd(larynx inferior) geheeten, bevindt zich bij hen op de plaats waar de luchtpijp zich in twee longpijpen (bronchi) splitst; bij een Zuid-Amerikaansche soort van Nachtzwaluw (Steatornis garipensis) is het stemorgaan zelfs in de longpijpen zelf gelegen en derhalve dubbel. Het is voorzien van twee als stembanden werkende vliezen (membranae tympaniformia), waarbij zich bij de ware zangvogels nog een derde (demembrana semilunaris) voegt. Aldus ontstaat een dubbele stemspleet waarvan de randen door bijzondere spieren kunnen worden gespannen en verslapt. Daarenboven bezitten vele Zangvogels der Oude Wereld nog vijf tot zes paar zangspieren waarvan eenige het stemorgaan opheffen, terwijl andere het naar beneden trekken; deze zangspieren zijn bij vele Amerikaansche Zangvogels tot één enkele uit twee of drie lagen bestaande spiermassa samengesmolten.(4)Merops apiaster.(5)Zie Deel I, blz.143, aant. 14.(6)„Halo’s.” Men noemt zoo gelijkmiddelpuntige (concentrische), aan de binnenzijde rood, aan de buitenzijde wit of blauwachtig gekleurde cirkels (respectievelijk van 22° en 46° middellijn), welke men soms om de zon waarneemt, en die soms nog door een derden (van 90° middellijn), aan de binnenzijde violet gekleurden gelijkmiddelpuntigen (concentrischen) cirkel worden omgeven. Deze iriseerende kringen om de zon worden veroorzaakt door de breking van het licht door tallooze in de atmospheer zwevende ijskristalletjes.[96]
Fig. 44.Fig. 44.Rupicola crocea, mannetje, naar Brehm.Het moet een heerlijk gezicht zijn, als men in de bosschen van Indië „plotseling twintig of dertig pauwen ontmoet, terwijl de mannetjes hun prachtige staarten ten toon spreiden en in al den luister van hun hoogmoed voor de gestreelde wijfjes pronken.” De wilde kalkoensche[83]haan richt zijn schitterend gevederte op, spreidt zijn fraai gebandeerden staart en gestreepte vleugelvederen uit, en, alles te zamen genomen, maakt hij met zijn opgezette, karmozijnroode en blauwe vleeschlappen een trotsch, schoon in onze oogen potsierlijk figuur. Gelijksoortige feiten zijn reeds medegedeeld omtrent verschillende[84]soorten van Boschhoenders. Laten wij thans tot een andere Orde overgaan. De mannelijkeRupicola crocea(Fig.44) is een van de schoonste vogels van de wereld; hij is prachtig oranje, en sommige zijner vederen zijn op merkwaardige wijze afgeknot en donzig. Het wijfje is bruinachtig groen, geschakeerd met rood en heeft een veel kleiner vederkam. Sir R. Schomburgk heeft hun vrijage beschreven; hij vond een hunner vergaderplaatsen, waarop zich tien mannetjes en één wijfje bevonden. De ruimte was van vier tot vijf voet in doorsnede, en schijnt van elksprietjegras gezuiverd en gelijk gemaakt te zijn geworden, alsof het door menschenhanden was geschied. Een mannetje „voerde vertooningen uit tot blijkbaar vermaak van onderscheidene andere, nu eens zijn vleugels uitspreidende, zijn kop opheffende of zijn staart als een waaier uitspreidende, dan weder al pronkende rondloopende met een huppelenden gang, totdat hij vermoeid was, als wanneer hij een zekere soort van geluid maakte en door een ander werd afgelost. Aldus traden drie van hen achtereenvolgens in het strijdperk en gingen daarna vol zelfvoldoening heên om te rusten.” De Indianen wachten om hun huiden te verkrijgen, nabij een der vergaderplaatsen, tot de vogels ijverig aan het dansen zijn, en kunnen dan met hun vergiftige pijlen achtereenvolgens vier of vijf mannetjes dooden.83Bij de Paradijsvogels komen een dozijn of meer in hun vollen vedertooi prijkende mannetjes in een boom te zamen om een danspartij te houden, zooals de inboorlingen het noemen, en wanneer zij hierin rondvliegen, hun vleugels en uitnemend fraaie siervederen opheffen en deze doen trillen, schijnt de geheele boom, gelijk de heer Wallace opmerkt, vol golvende vederen te zijn. Terwijl zij daarmede bezig zijn, zijn zij er zoo in verdiept, dat een bekwaam boogschutter ze bijna allen kan neêrschieten. Men zegt, dat als men deze vogels in Insulinde in gevangen staat houdt, zij zeer zorg dragen om hun vederen schoon te houden, ze dikwijls uitspreiden en nazien en elke vuile vlek wegnemen. Een waarnemer die verscheidene levende paren bezat, betwijfelde niet, dat het pronken van het mannetje tot doel had om het wijfje te behagen.84Fig. 45.Fig. 45.Polyplectron chinquis, mannetje (naar Brehm).Gedurende zijn vrijage spreidt de goudlakensche fazant (Thaumalea[85]picta) niet slechts zijn prachtigen halskraag uit en licht dien op, maar hij draait hem, gelijk ik zelf heb gezien, schuin naar het wijfje toe, aan welke zijde dit ook moge staan, blijkbaar, opdat een groot oppervlak[86]voor haar moge worden tentoongesteld.85De heer Bartlett heeft een mannelijkenPolyplectron(Fig.45) gedurende zijn vrijage waargenomen en mij een voorwerp getoond, opgezet in de houding die het dier dan aanneemt. De staart- en vleugelvederen van dezen vogel zijn met fraaie oogvlekken (ocelli) versierd, gelijk die op den staart van een pauw. Als nu een pauw pronkt, spreidt hij den staart uit en richt hem op een vlak dat loodrecht staat op de lengteas van zijn lichaam; want hij staat tegenover het wijfje en moet tegelijkertijd zijn rijk blauwe keel en borst vertoonen. De borst vanPolyplectronis echter dof gekleurd en de oogvlekken (ocelli) zijn bij dezen vogel niet tot de staartvederen beperkt. Bij gevolg staatPolyplectronniet tegenover het wijfje, maar richt zijn staartvederen een weinig schuins op en spreidt ze ook een weinig schuins uit, de uitgespreide vleugels aan den zelfden kant een weinig omlaag en die aan den tegenovergestelden kant een weinig omhoog houdende. In deze houding zijn de oogvlekken (ocelli) over het geheele lichaam voor de oogen van het bewonderende wijfje in één groot daarmede dicht bezet vlak tentoongesteld. Naar welke zijde zij zich ook moge wenden, worden de uitgespreide vleugels en de schuins gehouden staart naar haar toe gekeerd. Het mannetje van den Tragopan-fazant handelt op bijna de zelfde wijze; want hij richt de[87]vederen van het lichaam, ofschoon niet denvleugelzelf, op aan de zijde die aan den anderen kant dan het wijfje ligt, en die anders verborgen zou blijven, zoodat bijna al de met fraaie vlekken prijkende vederen tegelijkertijd ten toon worden verspreid.Fig. 46.Fig. 46.MannelijkePolyplectron chinquis, voor het wijfje pronkende (T. W. Wood).Het geval van den Argus-fazant is nog treffender. De verbazend ontwikkelde secundaire vleugel-slagpennen die tot het mannetje zijn beperkt, zijn met een rij van twintig tot drie-en-twintig oogvlekken (ocelli) versierd, waarvan elk meer dan twee en een halven centimeter in doorsnede heeft. De vederen zijn ook bevallig beteekend met dwarse donkere strepen en rijen van vlekken, gelijk aan die op de huid van een tijger en van een luipaard met elkander vereenigd. Deze fraaie versierselen zijn verborgen, totdat het mannetje daarmede voor het wijfje pronkt. Hij steekt dan zijn staart omhoog en breidt zijn vleugelvederen uit tot een grooten, bijna loodrechten, cirkelvormigen waaier of schild, die vóór het lichaam wordt gehouden. De hals en kop worden naar ééne zijde gehouden, zoodat zij door den waaier worden verborgen; maar om het wijfje waarvoor hij pronkt, te zien, steekt de vogel soms zijn kop tusschen twee lange vleugelslagpennen heên (gelijk de heer Bartlett heeft gezien) en ziet er dan potsierlijk uit. Dit moet bij den vogel in den natuurstaat veelvuldig de gewoonte zijn, want de heer Bartlett en zijn zoon vonden, eenige ongeschonden huiden, uit de Oost gezonden, onderzoekende, een plaats tusschen twee der slagpennen, die zeer was uitgerafeld, alsof de kop er dikwijls doorheen was gestoken. De heer Wood meent, dat het mannetje ook aan ééne zijde het wijfje kan begluren voorbij den rand van den waaier.Fig. 47.Fig. 47.Mannelijke Argusfazant, voor het wijfje pronkende. Waargenomen en naar de natuur geschetst door den heer T. W. Wood.De oogvlekken (ocelli) zijn zoo fraai geschakeerd, dat zij, gelijk de Hertog van Argyll opmerkt86, den indruk maken van een naar buiten uitspringenden bal die los in een holte ligt. Toen ik echter het voorwerp in het Britsch Museum zag, dat is opgezet met uitgespreide en omlaag gehouden vleugels, was ik zeer teleurgesteld; want de oogvlekken maakten den indruk van plat of zelfs hol te zijn. De heer Gould maakte mij het geval echter spoedig duidelijk; want hij hield de slagpennen rechtop, in den stand waarin zij bij het pronken in de natuur zouden worden tentoongesteld. Zoodra nu de vleugel-slagpennen in dezen stand worden gehouden en het licht er van boven op schijnt, vertoont zich het volle effect van de schakeering, en gelijk elke oogvlek[88]op het versiersel dat een bal en een holte wordt genoemd. Deze vederen zijn aan onderscheidene kunstenaars vertoond en allen hebben hun bewondering uitgedrukt over de volkomenheid der schakeering. Men mag wel vragen: zouden zoo kunstig geschakeerde versierselen kunnen zijn gevormd door middel der seksueele teeltkeus? Het zal echter gepast zijn het antwoord op die vraag uit te stellen, totdat wij[89]in het volgende hoofdstuk over het beginsel van trapsgewijze ontwikkeling (gradatie) handelen.De primaire vleugel-slagpennen die bij de meeste Hoenderachtige Vogels eenvormig zijn gekleurd, zijn bij den Argus-fazant niet minder wondervolle voorwerpen dan de secundaire vleugel-slagpennen. Zij zijn van een zachtbruine kleur met talrijke donkere vlekken waarvan elk uit twee of drie zwarte punten bestaat, die door een donkeren gordel worden omringd. Het voornaamste versiersel is echter een ruimte, evenwijdig aan de donkerblauwe schacht die in omtrek een volkomen tweede veder vormt, in de ware veder gelegen. Dit binnenste gedeelte is lichter kastanjebruin gekleurd, en dicht bezaaid met kleine witte punten. Ik heb zulk een veder aan onderscheidene personen vertoond en velen hebben haar nog meer bewonderd dan de bal-en-holte-vederen, en hebben verklaard, dat zij meer op een voortbrengsel van de kunst dan van de natuur geleek. Nu liggen deze vederen bij alle gewone gelegenheden volkomen verborgen, maar worden geheel tentoongespreid, tegelijk met de lange secundaire slagpennen, wanneer zij allen te zamen worden uitgespreid om den grooten waaier of schild te vormen.Het geval van den Argus-fazant is in hooge mate belangwekkend, omdat het een goed bewijs levert, dat de meest verfijnde schoonheid kan dienen om het wijfje te bekoren en voor geen ander doel. Wij moeten besluiten, dat dit het geval is, daar de primaire vleugel-slagpennen nooit, en de slagpennen met bal-en-holte-versiersels niet in haar volle schoonheid worden vertoond, behalve wanneer het mannetje de houding van zijn vrijage aanneemt. De Argus-fazant bezit geen schitterende kleuren, zoodat zijn voorspoed in de liefde afhangt van de aanzienlijke grootte van zijn slagpennen en van het sierlijke patroon der daarop uitgevoerde teekeningen. Velen zullen verklaren, dat het geheel ongeloofelijk is, dat een vrouwelijke vogel in staat zou zijn om fraaie schakeeringen en uitstekende patronen naar waarde te schatten. Het is ongetwijfeld een verwonderlijk feit, dat zij deze bijna menschelijke mate van smaak zou bezitten, hoewel zij misschien meer het algemeene effect, dan elke afzonderlijke bijzonderheid bewondert. Hij die denkt, dat hij veilig de hoegrootheid van het onderscheidingsvermogen en den smaak van de lagere dieren kan nagaan, moge ontkennen, dat de vrouwelijke Argus-fazant een zoo verfijnde schoonheid naar waarde kan schatten; maar hij zal dan zijn gedwongen om aan te nemen, dat de buitengewone houdingen die het mannetje gedurende[90]de vrijage aanneemt, waardoor de verwonderlijke schoonheid van zijn gevederte in het volle licht komt, doelloos zijn, en dit is een besluit waartoe ik, eens voor al, nimmer zal komen.Hoewel zoo vele fazanten en verwante Hoenderachtige Vogels zorgvuldig hun schoon gevederte voor de wijfjes tentoonspreiden, is het opmerkelijk, dat dit, gelijk de heer Bartlett mij mededeelt, niet het geval is met den geoorden en met Wallich’s fazant (Crosoptilon auritumenPhasianus Wallichii), zoodat deze vogels bewust schijnen te zijn, dat zij slechts op weinig schoonheid kunnen bogen. De heer Bartlett heeft van geen van deze beide soorten van fazanten de mannetjes ooit zien vechten, hoewel hij niet zoo goed in de gelegenheid was om Wallich’s fazant, als om den geoorden fazant waar te nemen. Ook de heer Jenner Weir bevindt, dat alle mannelijke vogels die een rijk of sterk sprekend gevederte hebben, twistzieker zijn dan de dof gekleurde soorten die tot de zelfde groep behooren. De distelvink is bij voorbeeld veel strijdlustiger dan het kneutje, en de merel of zwarte lijster dan de gewone lijster. Die vogels welke op zekere vaste tijden van het jaar een verandering in hun gevederte ondergaan, worden eveneens veel strijdlustiger in het tijdperk waarin zij het fraaist zijn versierd. Ongetwijfeld vechten de mannetjes van sommige dof gekleurde vogels wanhopend met elkander; het schijnt echter, dat de seksueele teeltkeus, wanneer zij veel invloed heeft gehad en aan de mannetjes van de eene of andere soort levendige kleuren gegeven, ook zeer dikwijls een sterke neiging tot strijdlustigheid ten gevolgeheeftgehad. Wij zullen bijna overeenkomstige gevallen ontmoeten, als wij de Zoogdieren behandelen. Daarentegen zijn bij de Vogels het vermogen om te zingen en schitterende kleuren slechts zelden beide tegelijk door de mannetjes van de zelfde soort verkregen; maar in dit geval zou het verkregen voordeel volkomen het zelfde zijn geweest, namelijk voorspoed in het bekoren van het wijfje. Desniettemin moet worden erkend, dat bij de mannetjes van verscheidene schitterend gekleurde vogels de vederen op bijzondere wijze zijn gewijzigd om daarmede instrumentale muziek voort te brengen, hoewel de schoonheid daarvan niet kan worden vergeleken, ten minste volgens onzen smaak, met die van de vocale muziek van vele zangvogels.Wij zullen nu overgaan tot mannelijke vogels die volstrekt in geen hooge mate zijn versierd, maar desniettemin bij hun vrijage de weinige bekoorlijkheden die zij hebben, zooveel mogelijk tentoonspreiden.[91]Deze gevallen zijn in sommige opzichten merkwaardiger dan de voorgaande en zijn slechts weinig opgeteekend. Ik kan de volgende feiten mededeelen, uitgezocht uit een groot aantal belangrijke aanteekeningen, mij door den heer Jenner Weir gezonden, die lang vogels van vele soorten, al de Britsche Vinken (Fringillidae) en Gorzen (Emberizidae) insluitende, bezat. De goudvink gaat, als hij zijn hof maakt, tegenover het wijfje staan en zet dan zijn borst op, zoodat veel meer van de karmozijnroode vederen worden gezien dan anders het geval zou zijn. Tegelijkertijd draait en buigt hij zijn zwarten staart op potsierlijke wijze van de eene zijde naar de andere. Het mannetje van den gewonen vink gaat ook tegenover het wijfje staan en vertoont zoo zijn roode borst en „blauwe klok” („blue bell”), zooals de (Engelsche) vogelvangers zijn kop noemen; tegelijkertijd spreidt hij zijn vleugels een weinig uit, zoodat de zuiver witte banden op de schouders in het gezicht vallen. Het gewone kneutje zet zijn rozenroode borst op, spreidt zijn bruine vleugels en staart uit, zoodat zij zich zoo voordeelig mogelijk voordoen, doordat hun witte randen in het gezicht komen. Wij moeten echter niet te overijld besluiten, dat de vleugels worden uitgespreid om te pronken, daar sommige vogels, wier vleugels niet fraai zijn, ook zoo handelen. Dit is het geval met den huishaan, maar het is altijd de vleugel aan de van het wijfje afgekeerde zijde, die wordt uitgespreid en tegelijkertijd over den grond geschuurd. Het mannetje van den distelvink gedraagt zich anders dan alle andere vinken; zijn vleugels zijn fraai, daar de schouders zwart en de donkergepunte vleugelvederen witgevlekt en met goudgeel omzoomd zijn. Als hij het wijfje het hof maakt, zwaait hij zijn lichaam van de eene zijde naar de andere en draait snel zijn een weinig uitgespreide vleugels eerst naar de eene en dan naar de andere zijde, hetgeen het effect van een goud-geflikker maakt. Geen andere Britsche vink draait zich, gelijk de heer Weir mij mededeelt, gedurende zijn vrijage op deze wijze van de eene zijde naar de andere, zelfs niet het nauw verwante mannelijke sijsje; want het zou daardoor zijn schoonheid niet verhoogen.De meeste Britsche Gorzen zijn effen gekleurde vogels, doch in de lente krijgen de kopvederen van den mannelijken rietgors (Emberiza schoeniclus) een fraaie zwarte kleur door het afvallen van de vuil gekleurde punten; en deze kopvederen worden gedurende de vrijage opgezet. De heer Weir heeft twee soorten van Australische rijstvogels[92](Amadina) in zijn bezit gehad; deA. castanotisis een zeer kleine en zedig gekleurde vogel, met een donkeren staart, witten romp, en gitzwarte bovenste staartdekvederen, terwijl elk van deze laatsten is geteekend met drie groote opzichtige ovale witte plekken.87Het mannetje van deze soort spreidt, wanneer hij het wijfje het hof maakt, deze gedeeltelijk gekleurde staartdekvederen eenigszins uit en doet ze op een zeer bijzondere wijze trillen. Het mannetje vanAmadina Lathamigedraagt zich geheel anders, en spreidt voor het wijfje zijn prachtig gevlekte borst, scharlakenrooden romp en scharlakenroode bovenste staartdekvederen ten toon. Ik kan hier op gezag van Dr. Jerdon bijvoegen, dat de Indische Bulbul (Pycnonotus haemorrhous) karmozijnroodeonderstestaartdekvederen heeft, en men zou wellicht denken, dat de schoonheid van deze vederen nimmer goed ten toon kon worden gespreid, maar de vogel „spreidt ze, als hij opgewekt is, dikwijls zijdelings uit, zoodat zij zelfs van boven kunnen worden gezien.”88De gewone duif heeft iriseerende vederen op de borst, en iedereen moet hebben opgemerkt, hoezeer het mannetje zijn borst opzet, terwijl hij het wijfje het hof maakt, en op die wijze deze vederen op zijn voordeeligst doet uitkomen. Een van de fraaie duiven met bronskleurige vleugels van Australië (Ocyphaps lophotes) gedraagt zich, volgens de mij door den heer Weir gegeven beschrijving, geheel anders; het mannetje buigt, terwijl hij voor het wijfje staat, zijn kop bijna tot den grond toe neder, spreidt zijn staart uit en steekt dien loodrecht omhoog, en spreidt zijn vleugels half uit. Daarna beweegt hij langzaam zijn lichaam beurtelings op en neêr, zoodat de iriseerende metaalglanzende vederen allen tegelijk worden gezien en in de zon schitteren.Er is nu een voldoend aantal feiten medegedeeld om aan te toonen, hoeveel zorg de mannelijke vogels aanwenden om met hun verschillende bekoorlijkheden te pronken, en zij doen dit met de uiterste bekwaamheid. Terwijl zij hun vederen gladstrijken, hebben zij veelvuldig de gelegenheid om zich zelf te bewonderen en te bestudeeren, hoe zij het best hun schoonheid zullen tentoonspreiden. Daar echter al de mannetjes van ééne en de zelfde soort op volkomen de zelfde wijze pronken, schijnt het, dat handelingen die oorspronkelijk wellicht met voordacht werden verricht, instinktmatig zijn geworden. Indien dit zoo is, behoeven[93]wij de vogels niet van zelfbewuste ijdelheid te beschuldigen; doch als wij een pauw met zijn uitgespreide en sidderende staartvederen zien pronken, schijnt hij het ware zinnebeeld van trots en ijdelheid.De verschillende versierselen die door de mannetjes worden bezeten, zijn zeker voor hen van het hoogste belang, want zij zijn in sommige gevallen verkregen ten koste van een groote belemmering van het vlieg- of loopvermogen. De Afrikaansche nachtzwaluw (Cosmetornis), bij welke gedurende den paartijd een der primaire vleugel-slagpennen zich tot een uiterst langen wimpel ontwikkelt, wordt daardoor zeer in zijn vlucht vertraagd, ofschoon hij op andere tijden opmerkelijk snel vliegt. Men zegt, dat de „onhandelbare grootte” van de secundaire vleugel-slagpennen van den mannelijken Argus-fazant „den vogel bijna geheel van zijn vliegvermogen berooven.” De schoone siervederen van mannelijke Paradijsvogels hinderen hen gedurende een sterken wind. De uiterst lange staartvederen van de mannelijke weduwvogels (Vidua) van Zuid-Afrika maken „hun vlucht zwaar”; maar zoodra deze zijn afgeworpen, vliegen zij even goed als de wijfjes. Daar de vogels altijd broeien in den tijd waarin het voedsel overvloedig is, hebben de mannetjes waarschijnlijk bij het zoeken van voedsel geen last van de belemmering van hun bewegingsvermogen; maar het kan moeilijk worden betwijfeld, dat zij meer kans hebben om door roofvogels te worden neêrgeveld. Evenmin kunnen wij betwijfelen, dat de lange staart van den pauw en de lange staart en vleugelvederen van den Argus-fazant hen een meer gemakkelijke prooi voor de eene of andere op den loer liggende tijgerkat moeten maken, dan anders het geval zou zijn. Het kan zelfs niet missen, dat de levendige kleuren van vele mannelijke vogels hen aan hun vijanden van allerlei soort in ’t oog doen vallen. Vandaar komt waarschijnlijk, gelijk de heer Gould heeft opgemerkt, dat dergelijke vogels over het algemeen schuw van aard zijn alsof zij zich bewust zijn, dat hun schoonheid een bron van gevaar is, en veel moeilijker zijn te ontdekken of te naderen, dan de somber gekleurde en vergelijkenderwijze makke wijfjes, of dan de jonge en nog niet versierde mannetjes.89Het is een nog opmerkenswaardiger feit, dat de mannetjes van sommige vogels, die van bijzondere wapenen voor het gevecht zijn voorzien, en die in den natuurstaat zoo strijdlustig zijn, dat zij elkander[94]dikwijls dooden, lijden onder het bezit van zekere versierselen. De bezitters van strijdhanen korten de sikkelvormige vederen in en snijden den kam en de kwabben van hun hanen af; en men zegt dan, dat de vogels tot ridder geslagen („dubbed”) zijn. Een niet tot ridder geslagen („undubbed”) haan is, gelijk de heer Tegetmeier met aandrang opmerkt, „vreeselijk in het nadeel: de kam en kwabben bieden aan zijn tegenstander een gemakkelijk punt om vast te houden aan, en daar een haan altijd treft, waar hij vast heeft, heeft hij zijn vijand, wanneer hij hem eens heeft gegrepen, geheel in zijn macht. Zelfs als men veronderstelt dat de vogel niet wordt gedood, is het bloedverlies dat door een niet tot ridder geslagen haan wordt geleden, veel grooter dan dat van een haan die zulks wel is.”90Jonge kalkoensche hanen houden elkander bij het vechten bij de vleeschlappen vast, en ik vermoed, dat de oude vogels op de zelfde wijze vechten. Men zal mij wellicht tegenwerpen, dat de kam en de vleeschlappen geen versiering zijn, en den vogels daartoe niet kunnen dienen; maar zelfs in onze oogen wordt de schoonheid van den glanzend zwarten Spaanschen haan veel verhoogd door zijn wit gelaat en karmozijnrooden kam; en niemand die ooit de prachtige blauwe vleeschlappen van den mannelijken Tragopan-fazant heeft gezien, als zij gedurende de vrijage zijn opgezwollen, kan een oogenblik betwijfelen, dat schoonheid het doel is. Uit de voorgaande feiten zien wij duidelijk, dat de siervederen en andere versierselen van het mannetje van het hoogste belang voor hem moeten zijn, en wij zien verder, dat in sommige gevallen schoonheid zelfs nog belangrijker is dan voorspoed in het gevecht.[Inhoud]AANTEEKENINGEN.(1)Darwin noemtCairina moschata„the musk-duck”; ook de meest gewone Nederlandsche naam is muskuseend. Het is met deze drie namen als met het oudelucus a non lucendo, daar de vogel nimmer een spoor van muskusgeur verspreidt91, in tegenstelling van de verwante Australische muskuseend (Biziura lobata), die haar naam met eere draagt (vergelijk blz. 37). Zie mijn aant. op Hoofdstuk VIII van het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 351.(2)Blasius en Keyzerling hebben, op grond van de onderzoekingen van[95]Johannes Müller, de Orde derInsessoresin twee afdeelingen verdeeld, namelijk die derOscinesof eigenlijkeZangvogelsen die derClamatoresofSchreeuwvogels. Hun stelsel is later door A. Wagner voltooid. Behalve door verschillende andere meer of min belangrijke kenmerken onderscheiden deOscineszich van deClamatoresdoor het bezit van een waren zangtoestel. Tot deOscinesbrengt men dan de Families der Lijsters (Turdidae), Zangers (Sylviadae), Kwikstaarten (Motacillidae), Zwaluwen (Hirundinidae), Vliegenvangers (Muscicapidae), Klauwieren (Laniadae), Honigvogels (Nectarinidae), Kruipvogels (Certhiadae), Meezen (Paridae), Vinken (Fringillidae), Leeuwerikken (Alaudidae), Spreeuwen (Sturnidae), Kraaivogels (Corvidae) en Paradijsvogels (Paradisiadae); tot deClamatoresde Families derEriodoridae(waartoe ook de prachtige Liervogel (Menura Superba) van Nieuw-Holland behoort), derAnabatidae, der Snatervogels (ColopteridaeofCotingidae), Nachtzwaluwen (Caprimulgidae), Gierzwaluwen (Cypselidae), Kolibri’s (Trochilidae), Hopvogels (Upupidae), Bijenvreters (Meropidae), IJsvogels (Halcyonidae), Scharrelaars (Coraciadae) en Neushorenvogels (Bucerotidae).Niet alleen zingen echter vele derOscines, b.v. de door Darwin aangehaalde Kraaivogels en de Paradijsvogels nimmer, maar tot deClamatoresbehooren zelfs onderscheidene geslachten (b.v. de Klokvogels,Chasmorhynchus), die een fraaie zangstem bezitten, hoewel de zangtoestel derOscineshun ontbreekt. Daarenboven bezitten sommige Families derClamatoresongetwijfeld een grootere natuurlijke verwantschap tot sommige Families derOscines, dan tot die hunner eigen afdeeling (b.v. deAnabatidaeenEriodoridaetot deCerthiadae, deCypselidaeenCaprimulgidaetot deHirundinidaeenz.) en omgekeerd. De verdeeling van de Orde derInsessoresin Zangvogels en Schreeuwvogels is dus geen natuurlijke.(3)Het hier bedoelde orgaan is niet homoloog met het strottenhoofd (larynx) der Zoogdieren, en draagt dus oneigenlijk dien naam. Het eigenlijke strottenhoofd (larynx superior) dient bij de vogelsniettot voortbrenging van het geluid. Het stemorgaan, door sommigen oneigenlijkonderste strottenhoofd(larynx inferior) geheeten, bevindt zich bij hen op de plaats waar de luchtpijp zich in twee longpijpen (bronchi) splitst; bij een Zuid-Amerikaansche soort van Nachtzwaluw (Steatornis garipensis) is het stemorgaan zelfs in de longpijpen zelf gelegen en derhalve dubbel. Het is voorzien van twee als stembanden werkende vliezen (membranae tympaniformia), waarbij zich bij de ware zangvogels nog een derde (demembrana semilunaris) voegt. Aldus ontstaat een dubbele stemspleet waarvan de randen door bijzondere spieren kunnen worden gespannen en verslapt. Daarenboven bezitten vele Zangvogels der Oude Wereld nog vijf tot zes paar zangspieren waarvan eenige het stemorgaan opheffen, terwijl andere het naar beneden trekken; deze zangspieren zijn bij vele Amerikaansche Zangvogels tot één enkele uit twee of drie lagen bestaande spiermassa samengesmolten.(4)Merops apiaster.(5)Zie Deel I, blz.143, aant. 14.(6)„Halo’s.” Men noemt zoo gelijkmiddelpuntige (concentrische), aan de binnenzijde rood, aan de buitenzijde wit of blauwachtig gekleurde cirkels (respectievelijk van 22° en 46° middellijn), welke men soms om de zon waarneemt, en die soms nog door een derden (van 90° middellijn), aan de binnenzijde violet gekleurden gelijkmiddelpuntigen (concentrischen) cirkel worden omgeven. Deze iriseerende kringen om de zon worden veroorzaakt door de breking van het licht door tallooze in de atmospheer zwevende ijskristalletjes.[96]
Fig. 44.Fig. 44.Rupicola crocea, mannetje, naar Brehm.Het moet een heerlijk gezicht zijn, als men in de bosschen van Indië „plotseling twintig of dertig pauwen ontmoet, terwijl de mannetjes hun prachtige staarten ten toon spreiden en in al den luister van hun hoogmoed voor de gestreelde wijfjes pronken.” De wilde kalkoensche[83]haan richt zijn schitterend gevederte op, spreidt zijn fraai gebandeerden staart en gestreepte vleugelvederen uit, en, alles te zamen genomen, maakt hij met zijn opgezette, karmozijnroode en blauwe vleeschlappen een trotsch, schoon in onze oogen potsierlijk figuur. Gelijksoortige feiten zijn reeds medegedeeld omtrent verschillende[84]soorten van Boschhoenders. Laten wij thans tot een andere Orde overgaan. De mannelijkeRupicola crocea(Fig.44) is een van de schoonste vogels van de wereld; hij is prachtig oranje, en sommige zijner vederen zijn op merkwaardige wijze afgeknot en donzig. Het wijfje is bruinachtig groen, geschakeerd met rood en heeft een veel kleiner vederkam. Sir R. Schomburgk heeft hun vrijage beschreven; hij vond een hunner vergaderplaatsen, waarop zich tien mannetjes en één wijfje bevonden. De ruimte was van vier tot vijf voet in doorsnede, en schijnt van elksprietjegras gezuiverd en gelijk gemaakt te zijn geworden, alsof het door menschenhanden was geschied. Een mannetje „voerde vertooningen uit tot blijkbaar vermaak van onderscheidene andere, nu eens zijn vleugels uitspreidende, zijn kop opheffende of zijn staart als een waaier uitspreidende, dan weder al pronkende rondloopende met een huppelenden gang, totdat hij vermoeid was, als wanneer hij een zekere soort van geluid maakte en door een ander werd afgelost. Aldus traden drie van hen achtereenvolgens in het strijdperk en gingen daarna vol zelfvoldoening heên om te rusten.” De Indianen wachten om hun huiden te verkrijgen, nabij een der vergaderplaatsen, tot de vogels ijverig aan het dansen zijn, en kunnen dan met hun vergiftige pijlen achtereenvolgens vier of vijf mannetjes dooden.83Bij de Paradijsvogels komen een dozijn of meer in hun vollen vedertooi prijkende mannetjes in een boom te zamen om een danspartij te houden, zooals de inboorlingen het noemen, en wanneer zij hierin rondvliegen, hun vleugels en uitnemend fraaie siervederen opheffen en deze doen trillen, schijnt de geheele boom, gelijk de heer Wallace opmerkt, vol golvende vederen te zijn. Terwijl zij daarmede bezig zijn, zijn zij er zoo in verdiept, dat een bekwaam boogschutter ze bijna allen kan neêrschieten. Men zegt, dat als men deze vogels in Insulinde in gevangen staat houdt, zij zeer zorg dragen om hun vederen schoon te houden, ze dikwijls uitspreiden en nazien en elke vuile vlek wegnemen. Een waarnemer die verscheidene levende paren bezat, betwijfelde niet, dat het pronken van het mannetje tot doel had om het wijfje te behagen.84Fig. 45.Fig. 45.Polyplectron chinquis, mannetje (naar Brehm).Gedurende zijn vrijage spreidt de goudlakensche fazant (Thaumalea[85]picta) niet slechts zijn prachtigen halskraag uit en licht dien op, maar hij draait hem, gelijk ik zelf heb gezien, schuin naar het wijfje toe, aan welke zijde dit ook moge staan, blijkbaar, opdat een groot oppervlak[86]voor haar moge worden tentoongesteld.85De heer Bartlett heeft een mannelijkenPolyplectron(Fig.45) gedurende zijn vrijage waargenomen en mij een voorwerp getoond, opgezet in de houding die het dier dan aanneemt. De staart- en vleugelvederen van dezen vogel zijn met fraaie oogvlekken (ocelli) versierd, gelijk die op den staart van een pauw. Als nu een pauw pronkt, spreidt hij den staart uit en richt hem op een vlak dat loodrecht staat op de lengteas van zijn lichaam; want hij staat tegenover het wijfje en moet tegelijkertijd zijn rijk blauwe keel en borst vertoonen. De borst vanPolyplectronis echter dof gekleurd en de oogvlekken (ocelli) zijn bij dezen vogel niet tot de staartvederen beperkt. Bij gevolg staatPolyplectronniet tegenover het wijfje, maar richt zijn staartvederen een weinig schuins op en spreidt ze ook een weinig schuins uit, de uitgespreide vleugels aan den zelfden kant een weinig omlaag en die aan den tegenovergestelden kant een weinig omhoog houdende. In deze houding zijn de oogvlekken (ocelli) over het geheele lichaam voor de oogen van het bewonderende wijfje in één groot daarmede dicht bezet vlak tentoongesteld. Naar welke zijde zij zich ook moge wenden, worden de uitgespreide vleugels en de schuins gehouden staart naar haar toe gekeerd. Het mannetje van den Tragopan-fazant handelt op bijna de zelfde wijze; want hij richt de[87]vederen van het lichaam, ofschoon niet denvleugelzelf, op aan de zijde die aan den anderen kant dan het wijfje ligt, en die anders verborgen zou blijven, zoodat bijna al de met fraaie vlekken prijkende vederen tegelijkertijd ten toon worden verspreid.Fig. 46.Fig. 46.MannelijkePolyplectron chinquis, voor het wijfje pronkende (T. W. Wood).Het geval van den Argus-fazant is nog treffender. De verbazend ontwikkelde secundaire vleugel-slagpennen die tot het mannetje zijn beperkt, zijn met een rij van twintig tot drie-en-twintig oogvlekken (ocelli) versierd, waarvan elk meer dan twee en een halven centimeter in doorsnede heeft. De vederen zijn ook bevallig beteekend met dwarse donkere strepen en rijen van vlekken, gelijk aan die op de huid van een tijger en van een luipaard met elkander vereenigd. Deze fraaie versierselen zijn verborgen, totdat het mannetje daarmede voor het wijfje pronkt. Hij steekt dan zijn staart omhoog en breidt zijn vleugelvederen uit tot een grooten, bijna loodrechten, cirkelvormigen waaier of schild, die vóór het lichaam wordt gehouden. De hals en kop worden naar ééne zijde gehouden, zoodat zij door den waaier worden verborgen; maar om het wijfje waarvoor hij pronkt, te zien, steekt de vogel soms zijn kop tusschen twee lange vleugelslagpennen heên (gelijk de heer Bartlett heeft gezien) en ziet er dan potsierlijk uit. Dit moet bij den vogel in den natuurstaat veelvuldig de gewoonte zijn, want de heer Bartlett en zijn zoon vonden, eenige ongeschonden huiden, uit de Oost gezonden, onderzoekende, een plaats tusschen twee der slagpennen, die zeer was uitgerafeld, alsof de kop er dikwijls doorheen was gestoken. De heer Wood meent, dat het mannetje ook aan ééne zijde het wijfje kan begluren voorbij den rand van den waaier.Fig. 47.Fig. 47.Mannelijke Argusfazant, voor het wijfje pronkende. Waargenomen en naar de natuur geschetst door den heer T. W. Wood.De oogvlekken (ocelli) zijn zoo fraai geschakeerd, dat zij, gelijk de Hertog van Argyll opmerkt86, den indruk maken van een naar buiten uitspringenden bal die los in een holte ligt. Toen ik echter het voorwerp in het Britsch Museum zag, dat is opgezet met uitgespreide en omlaag gehouden vleugels, was ik zeer teleurgesteld; want de oogvlekken maakten den indruk van plat of zelfs hol te zijn. De heer Gould maakte mij het geval echter spoedig duidelijk; want hij hield de slagpennen rechtop, in den stand waarin zij bij het pronken in de natuur zouden worden tentoongesteld. Zoodra nu de vleugel-slagpennen in dezen stand worden gehouden en het licht er van boven op schijnt, vertoont zich het volle effect van de schakeering, en gelijk elke oogvlek[88]op het versiersel dat een bal en een holte wordt genoemd. Deze vederen zijn aan onderscheidene kunstenaars vertoond en allen hebben hun bewondering uitgedrukt over de volkomenheid der schakeering. Men mag wel vragen: zouden zoo kunstig geschakeerde versierselen kunnen zijn gevormd door middel der seksueele teeltkeus? Het zal echter gepast zijn het antwoord op die vraag uit te stellen, totdat wij[89]in het volgende hoofdstuk over het beginsel van trapsgewijze ontwikkeling (gradatie) handelen.De primaire vleugel-slagpennen die bij de meeste Hoenderachtige Vogels eenvormig zijn gekleurd, zijn bij den Argus-fazant niet minder wondervolle voorwerpen dan de secundaire vleugel-slagpennen. Zij zijn van een zachtbruine kleur met talrijke donkere vlekken waarvan elk uit twee of drie zwarte punten bestaat, die door een donkeren gordel worden omringd. Het voornaamste versiersel is echter een ruimte, evenwijdig aan de donkerblauwe schacht die in omtrek een volkomen tweede veder vormt, in de ware veder gelegen. Dit binnenste gedeelte is lichter kastanjebruin gekleurd, en dicht bezaaid met kleine witte punten. Ik heb zulk een veder aan onderscheidene personen vertoond en velen hebben haar nog meer bewonderd dan de bal-en-holte-vederen, en hebben verklaard, dat zij meer op een voortbrengsel van de kunst dan van de natuur geleek. Nu liggen deze vederen bij alle gewone gelegenheden volkomen verborgen, maar worden geheel tentoongespreid, tegelijk met de lange secundaire slagpennen, wanneer zij allen te zamen worden uitgespreid om den grooten waaier of schild te vormen.Het geval van den Argus-fazant is in hooge mate belangwekkend, omdat het een goed bewijs levert, dat de meest verfijnde schoonheid kan dienen om het wijfje te bekoren en voor geen ander doel. Wij moeten besluiten, dat dit het geval is, daar de primaire vleugel-slagpennen nooit, en de slagpennen met bal-en-holte-versiersels niet in haar volle schoonheid worden vertoond, behalve wanneer het mannetje de houding van zijn vrijage aanneemt. De Argus-fazant bezit geen schitterende kleuren, zoodat zijn voorspoed in de liefde afhangt van de aanzienlijke grootte van zijn slagpennen en van het sierlijke patroon der daarop uitgevoerde teekeningen. Velen zullen verklaren, dat het geheel ongeloofelijk is, dat een vrouwelijke vogel in staat zou zijn om fraaie schakeeringen en uitstekende patronen naar waarde te schatten. Het is ongetwijfeld een verwonderlijk feit, dat zij deze bijna menschelijke mate van smaak zou bezitten, hoewel zij misschien meer het algemeene effect, dan elke afzonderlijke bijzonderheid bewondert. Hij die denkt, dat hij veilig de hoegrootheid van het onderscheidingsvermogen en den smaak van de lagere dieren kan nagaan, moge ontkennen, dat de vrouwelijke Argus-fazant een zoo verfijnde schoonheid naar waarde kan schatten; maar hij zal dan zijn gedwongen om aan te nemen, dat de buitengewone houdingen die het mannetje gedurende[90]de vrijage aanneemt, waardoor de verwonderlijke schoonheid van zijn gevederte in het volle licht komt, doelloos zijn, en dit is een besluit waartoe ik, eens voor al, nimmer zal komen.Hoewel zoo vele fazanten en verwante Hoenderachtige Vogels zorgvuldig hun schoon gevederte voor de wijfjes tentoonspreiden, is het opmerkelijk, dat dit, gelijk de heer Bartlett mij mededeelt, niet het geval is met den geoorden en met Wallich’s fazant (Crosoptilon auritumenPhasianus Wallichii), zoodat deze vogels bewust schijnen te zijn, dat zij slechts op weinig schoonheid kunnen bogen. De heer Bartlett heeft van geen van deze beide soorten van fazanten de mannetjes ooit zien vechten, hoewel hij niet zoo goed in de gelegenheid was om Wallich’s fazant, als om den geoorden fazant waar te nemen. Ook de heer Jenner Weir bevindt, dat alle mannelijke vogels die een rijk of sterk sprekend gevederte hebben, twistzieker zijn dan de dof gekleurde soorten die tot de zelfde groep behooren. De distelvink is bij voorbeeld veel strijdlustiger dan het kneutje, en de merel of zwarte lijster dan de gewone lijster. Die vogels welke op zekere vaste tijden van het jaar een verandering in hun gevederte ondergaan, worden eveneens veel strijdlustiger in het tijdperk waarin zij het fraaist zijn versierd. Ongetwijfeld vechten de mannetjes van sommige dof gekleurde vogels wanhopend met elkander; het schijnt echter, dat de seksueele teeltkeus, wanneer zij veel invloed heeft gehad en aan de mannetjes van de eene of andere soort levendige kleuren gegeven, ook zeer dikwijls een sterke neiging tot strijdlustigheid ten gevolgeheeftgehad. Wij zullen bijna overeenkomstige gevallen ontmoeten, als wij de Zoogdieren behandelen. Daarentegen zijn bij de Vogels het vermogen om te zingen en schitterende kleuren slechts zelden beide tegelijk door de mannetjes van de zelfde soort verkregen; maar in dit geval zou het verkregen voordeel volkomen het zelfde zijn geweest, namelijk voorspoed in het bekoren van het wijfje. Desniettemin moet worden erkend, dat bij de mannetjes van verscheidene schitterend gekleurde vogels de vederen op bijzondere wijze zijn gewijzigd om daarmede instrumentale muziek voort te brengen, hoewel de schoonheid daarvan niet kan worden vergeleken, ten minste volgens onzen smaak, met die van de vocale muziek van vele zangvogels.Wij zullen nu overgaan tot mannelijke vogels die volstrekt in geen hooge mate zijn versierd, maar desniettemin bij hun vrijage de weinige bekoorlijkheden die zij hebben, zooveel mogelijk tentoonspreiden.[91]Deze gevallen zijn in sommige opzichten merkwaardiger dan de voorgaande en zijn slechts weinig opgeteekend. Ik kan de volgende feiten mededeelen, uitgezocht uit een groot aantal belangrijke aanteekeningen, mij door den heer Jenner Weir gezonden, die lang vogels van vele soorten, al de Britsche Vinken (Fringillidae) en Gorzen (Emberizidae) insluitende, bezat. De goudvink gaat, als hij zijn hof maakt, tegenover het wijfje staan en zet dan zijn borst op, zoodat veel meer van de karmozijnroode vederen worden gezien dan anders het geval zou zijn. Tegelijkertijd draait en buigt hij zijn zwarten staart op potsierlijke wijze van de eene zijde naar de andere. Het mannetje van den gewonen vink gaat ook tegenover het wijfje staan en vertoont zoo zijn roode borst en „blauwe klok” („blue bell”), zooals de (Engelsche) vogelvangers zijn kop noemen; tegelijkertijd spreidt hij zijn vleugels een weinig uit, zoodat de zuiver witte banden op de schouders in het gezicht vallen. Het gewone kneutje zet zijn rozenroode borst op, spreidt zijn bruine vleugels en staart uit, zoodat zij zich zoo voordeelig mogelijk voordoen, doordat hun witte randen in het gezicht komen. Wij moeten echter niet te overijld besluiten, dat de vleugels worden uitgespreid om te pronken, daar sommige vogels, wier vleugels niet fraai zijn, ook zoo handelen. Dit is het geval met den huishaan, maar het is altijd de vleugel aan de van het wijfje afgekeerde zijde, die wordt uitgespreid en tegelijkertijd over den grond geschuurd. Het mannetje van den distelvink gedraagt zich anders dan alle andere vinken; zijn vleugels zijn fraai, daar de schouders zwart en de donkergepunte vleugelvederen witgevlekt en met goudgeel omzoomd zijn. Als hij het wijfje het hof maakt, zwaait hij zijn lichaam van de eene zijde naar de andere en draait snel zijn een weinig uitgespreide vleugels eerst naar de eene en dan naar de andere zijde, hetgeen het effect van een goud-geflikker maakt. Geen andere Britsche vink draait zich, gelijk de heer Weir mij mededeelt, gedurende zijn vrijage op deze wijze van de eene zijde naar de andere, zelfs niet het nauw verwante mannelijke sijsje; want het zou daardoor zijn schoonheid niet verhoogen.De meeste Britsche Gorzen zijn effen gekleurde vogels, doch in de lente krijgen de kopvederen van den mannelijken rietgors (Emberiza schoeniclus) een fraaie zwarte kleur door het afvallen van de vuil gekleurde punten; en deze kopvederen worden gedurende de vrijage opgezet. De heer Weir heeft twee soorten van Australische rijstvogels[92](Amadina) in zijn bezit gehad; deA. castanotisis een zeer kleine en zedig gekleurde vogel, met een donkeren staart, witten romp, en gitzwarte bovenste staartdekvederen, terwijl elk van deze laatsten is geteekend met drie groote opzichtige ovale witte plekken.87Het mannetje van deze soort spreidt, wanneer hij het wijfje het hof maakt, deze gedeeltelijk gekleurde staartdekvederen eenigszins uit en doet ze op een zeer bijzondere wijze trillen. Het mannetje vanAmadina Lathamigedraagt zich geheel anders, en spreidt voor het wijfje zijn prachtig gevlekte borst, scharlakenrooden romp en scharlakenroode bovenste staartdekvederen ten toon. Ik kan hier op gezag van Dr. Jerdon bijvoegen, dat de Indische Bulbul (Pycnonotus haemorrhous) karmozijnroodeonderstestaartdekvederen heeft, en men zou wellicht denken, dat de schoonheid van deze vederen nimmer goed ten toon kon worden gespreid, maar de vogel „spreidt ze, als hij opgewekt is, dikwijls zijdelings uit, zoodat zij zelfs van boven kunnen worden gezien.”88De gewone duif heeft iriseerende vederen op de borst, en iedereen moet hebben opgemerkt, hoezeer het mannetje zijn borst opzet, terwijl hij het wijfje het hof maakt, en op die wijze deze vederen op zijn voordeeligst doet uitkomen. Een van de fraaie duiven met bronskleurige vleugels van Australië (Ocyphaps lophotes) gedraagt zich, volgens de mij door den heer Weir gegeven beschrijving, geheel anders; het mannetje buigt, terwijl hij voor het wijfje staat, zijn kop bijna tot den grond toe neder, spreidt zijn staart uit en steekt dien loodrecht omhoog, en spreidt zijn vleugels half uit. Daarna beweegt hij langzaam zijn lichaam beurtelings op en neêr, zoodat de iriseerende metaalglanzende vederen allen tegelijk worden gezien en in de zon schitteren.Er is nu een voldoend aantal feiten medegedeeld om aan te toonen, hoeveel zorg de mannelijke vogels aanwenden om met hun verschillende bekoorlijkheden te pronken, en zij doen dit met de uiterste bekwaamheid. Terwijl zij hun vederen gladstrijken, hebben zij veelvuldig de gelegenheid om zich zelf te bewonderen en te bestudeeren, hoe zij het best hun schoonheid zullen tentoonspreiden. Daar echter al de mannetjes van ééne en de zelfde soort op volkomen de zelfde wijze pronken, schijnt het, dat handelingen die oorspronkelijk wellicht met voordacht werden verricht, instinktmatig zijn geworden. Indien dit zoo is, behoeven[93]wij de vogels niet van zelfbewuste ijdelheid te beschuldigen; doch als wij een pauw met zijn uitgespreide en sidderende staartvederen zien pronken, schijnt hij het ware zinnebeeld van trots en ijdelheid.De verschillende versierselen die door de mannetjes worden bezeten, zijn zeker voor hen van het hoogste belang, want zij zijn in sommige gevallen verkregen ten koste van een groote belemmering van het vlieg- of loopvermogen. De Afrikaansche nachtzwaluw (Cosmetornis), bij welke gedurende den paartijd een der primaire vleugel-slagpennen zich tot een uiterst langen wimpel ontwikkelt, wordt daardoor zeer in zijn vlucht vertraagd, ofschoon hij op andere tijden opmerkelijk snel vliegt. Men zegt, dat de „onhandelbare grootte” van de secundaire vleugel-slagpennen van den mannelijken Argus-fazant „den vogel bijna geheel van zijn vliegvermogen berooven.” De schoone siervederen van mannelijke Paradijsvogels hinderen hen gedurende een sterken wind. De uiterst lange staartvederen van de mannelijke weduwvogels (Vidua) van Zuid-Afrika maken „hun vlucht zwaar”; maar zoodra deze zijn afgeworpen, vliegen zij even goed als de wijfjes. Daar de vogels altijd broeien in den tijd waarin het voedsel overvloedig is, hebben de mannetjes waarschijnlijk bij het zoeken van voedsel geen last van de belemmering van hun bewegingsvermogen; maar het kan moeilijk worden betwijfeld, dat zij meer kans hebben om door roofvogels te worden neêrgeveld. Evenmin kunnen wij betwijfelen, dat de lange staart van den pauw en de lange staart en vleugelvederen van den Argus-fazant hen een meer gemakkelijke prooi voor de eene of andere op den loer liggende tijgerkat moeten maken, dan anders het geval zou zijn. Het kan zelfs niet missen, dat de levendige kleuren van vele mannelijke vogels hen aan hun vijanden van allerlei soort in ’t oog doen vallen. Vandaar komt waarschijnlijk, gelijk de heer Gould heeft opgemerkt, dat dergelijke vogels over het algemeen schuw van aard zijn alsof zij zich bewust zijn, dat hun schoonheid een bron van gevaar is, en veel moeilijker zijn te ontdekken of te naderen, dan de somber gekleurde en vergelijkenderwijze makke wijfjes, of dan de jonge en nog niet versierde mannetjes.89Het is een nog opmerkenswaardiger feit, dat de mannetjes van sommige vogels, die van bijzondere wapenen voor het gevecht zijn voorzien, en die in den natuurstaat zoo strijdlustig zijn, dat zij elkander[94]dikwijls dooden, lijden onder het bezit van zekere versierselen. De bezitters van strijdhanen korten de sikkelvormige vederen in en snijden den kam en de kwabben van hun hanen af; en men zegt dan, dat de vogels tot ridder geslagen („dubbed”) zijn. Een niet tot ridder geslagen („undubbed”) haan is, gelijk de heer Tegetmeier met aandrang opmerkt, „vreeselijk in het nadeel: de kam en kwabben bieden aan zijn tegenstander een gemakkelijk punt om vast te houden aan, en daar een haan altijd treft, waar hij vast heeft, heeft hij zijn vijand, wanneer hij hem eens heeft gegrepen, geheel in zijn macht. Zelfs als men veronderstelt dat de vogel niet wordt gedood, is het bloedverlies dat door een niet tot ridder geslagen haan wordt geleden, veel grooter dan dat van een haan die zulks wel is.”90Jonge kalkoensche hanen houden elkander bij het vechten bij de vleeschlappen vast, en ik vermoed, dat de oude vogels op de zelfde wijze vechten. Men zal mij wellicht tegenwerpen, dat de kam en de vleeschlappen geen versiering zijn, en den vogels daartoe niet kunnen dienen; maar zelfs in onze oogen wordt de schoonheid van den glanzend zwarten Spaanschen haan veel verhoogd door zijn wit gelaat en karmozijnrooden kam; en niemand die ooit de prachtige blauwe vleeschlappen van den mannelijken Tragopan-fazant heeft gezien, als zij gedurende de vrijage zijn opgezwollen, kan een oogenblik betwijfelen, dat schoonheid het doel is. Uit de voorgaande feiten zien wij duidelijk, dat de siervederen en andere versierselen van het mannetje van het hoogste belang voor hem moeten zijn, en wij zien verder, dat in sommige gevallen schoonheid zelfs nog belangrijker is dan voorspoed in het gevecht.[Inhoud]AANTEEKENINGEN.(1)Darwin noemtCairina moschata„the musk-duck”; ook de meest gewone Nederlandsche naam is muskuseend. Het is met deze drie namen als met het oudelucus a non lucendo, daar de vogel nimmer een spoor van muskusgeur verspreidt91, in tegenstelling van de verwante Australische muskuseend (Biziura lobata), die haar naam met eere draagt (vergelijk blz. 37). Zie mijn aant. op Hoofdstuk VIII van het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 351.(2)Blasius en Keyzerling hebben, op grond van de onderzoekingen van[95]Johannes Müller, de Orde derInsessoresin twee afdeelingen verdeeld, namelijk die derOscinesof eigenlijkeZangvogelsen die derClamatoresofSchreeuwvogels. Hun stelsel is later door A. Wagner voltooid. Behalve door verschillende andere meer of min belangrijke kenmerken onderscheiden deOscineszich van deClamatoresdoor het bezit van een waren zangtoestel. Tot deOscinesbrengt men dan de Families der Lijsters (Turdidae), Zangers (Sylviadae), Kwikstaarten (Motacillidae), Zwaluwen (Hirundinidae), Vliegenvangers (Muscicapidae), Klauwieren (Laniadae), Honigvogels (Nectarinidae), Kruipvogels (Certhiadae), Meezen (Paridae), Vinken (Fringillidae), Leeuwerikken (Alaudidae), Spreeuwen (Sturnidae), Kraaivogels (Corvidae) en Paradijsvogels (Paradisiadae); tot deClamatoresde Families derEriodoridae(waartoe ook de prachtige Liervogel (Menura Superba) van Nieuw-Holland behoort), derAnabatidae, der Snatervogels (ColopteridaeofCotingidae), Nachtzwaluwen (Caprimulgidae), Gierzwaluwen (Cypselidae), Kolibri’s (Trochilidae), Hopvogels (Upupidae), Bijenvreters (Meropidae), IJsvogels (Halcyonidae), Scharrelaars (Coraciadae) en Neushorenvogels (Bucerotidae).Niet alleen zingen echter vele derOscines, b.v. de door Darwin aangehaalde Kraaivogels en de Paradijsvogels nimmer, maar tot deClamatoresbehooren zelfs onderscheidene geslachten (b.v. de Klokvogels,Chasmorhynchus), die een fraaie zangstem bezitten, hoewel de zangtoestel derOscineshun ontbreekt. Daarenboven bezitten sommige Families derClamatoresongetwijfeld een grootere natuurlijke verwantschap tot sommige Families derOscines, dan tot die hunner eigen afdeeling (b.v. deAnabatidaeenEriodoridaetot deCerthiadae, deCypselidaeenCaprimulgidaetot deHirundinidaeenz.) en omgekeerd. De verdeeling van de Orde derInsessoresin Zangvogels en Schreeuwvogels is dus geen natuurlijke.(3)Het hier bedoelde orgaan is niet homoloog met het strottenhoofd (larynx) der Zoogdieren, en draagt dus oneigenlijk dien naam. Het eigenlijke strottenhoofd (larynx superior) dient bij de vogelsniettot voortbrenging van het geluid. Het stemorgaan, door sommigen oneigenlijkonderste strottenhoofd(larynx inferior) geheeten, bevindt zich bij hen op de plaats waar de luchtpijp zich in twee longpijpen (bronchi) splitst; bij een Zuid-Amerikaansche soort van Nachtzwaluw (Steatornis garipensis) is het stemorgaan zelfs in de longpijpen zelf gelegen en derhalve dubbel. Het is voorzien van twee als stembanden werkende vliezen (membranae tympaniformia), waarbij zich bij de ware zangvogels nog een derde (demembrana semilunaris) voegt. Aldus ontstaat een dubbele stemspleet waarvan de randen door bijzondere spieren kunnen worden gespannen en verslapt. Daarenboven bezitten vele Zangvogels der Oude Wereld nog vijf tot zes paar zangspieren waarvan eenige het stemorgaan opheffen, terwijl andere het naar beneden trekken; deze zangspieren zijn bij vele Amerikaansche Zangvogels tot één enkele uit twee of drie lagen bestaande spiermassa samengesmolten.(4)Merops apiaster.(5)Zie Deel I, blz.143, aant. 14.(6)„Halo’s.” Men noemt zoo gelijkmiddelpuntige (concentrische), aan de binnenzijde rood, aan de buitenzijde wit of blauwachtig gekleurde cirkels (respectievelijk van 22° en 46° middellijn), welke men soms om de zon waarneemt, en die soms nog door een derden (van 90° middellijn), aan de binnenzijde violet gekleurden gelijkmiddelpuntigen (concentrischen) cirkel worden omgeven. Deze iriseerende kringen om de zon worden veroorzaakt door de breking van het licht door tallooze in de atmospheer zwevende ijskristalletjes.[96]
Fig. 44.Fig. 44.Rupicola crocea, mannetje, naar Brehm.
Fig. 44.
Rupicola crocea, mannetje, naar Brehm.
Het moet een heerlijk gezicht zijn, als men in de bosschen van Indië „plotseling twintig of dertig pauwen ontmoet, terwijl de mannetjes hun prachtige staarten ten toon spreiden en in al den luister van hun hoogmoed voor de gestreelde wijfjes pronken.” De wilde kalkoensche[83]haan richt zijn schitterend gevederte op, spreidt zijn fraai gebandeerden staart en gestreepte vleugelvederen uit, en, alles te zamen genomen, maakt hij met zijn opgezette, karmozijnroode en blauwe vleeschlappen een trotsch, schoon in onze oogen potsierlijk figuur. Gelijksoortige feiten zijn reeds medegedeeld omtrent verschillende[84]soorten van Boschhoenders. Laten wij thans tot een andere Orde overgaan. De mannelijkeRupicola crocea(Fig.44) is een van de schoonste vogels van de wereld; hij is prachtig oranje, en sommige zijner vederen zijn op merkwaardige wijze afgeknot en donzig. Het wijfje is bruinachtig groen, geschakeerd met rood en heeft een veel kleiner vederkam. Sir R. Schomburgk heeft hun vrijage beschreven; hij vond een hunner vergaderplaatsen, waarop zich tien mannetjes en één wijfje bevonden. De ruimte was van vier tot vijf voet in doorsnede, en schijnt van elksprietjegras gezuiverd en gelijk gemaakt te zijn geworden, alsof het door menschenhanden was geschied. Een mannetje „voerde vertooningen uit tot blijkbaar vermaak van onderscheidene andere, nu eens zijn vleugels uitspreidende, zijn kop opheffende of zijn staart als een waaier uitspreidende, dan weder al pronkende rondloopende met een huppelenden gang, totdat hij vermoeid was, als wanneer hij een zekere soort van geluid maakte en door een ander werd afgelost. Aldus traden drie van hen achtereenvolgens in het strijdperk en gingen daarna vol zelfvoldoening heên om te rusten.” De Indianen wachten om hun huiden te verkrijgen, nabij een der vergaderplaatsen, tot de vogels ijverig aan het dansen zijn, en kunnen dan met hun vergiftige pijlen achtereenvolgens vier of vijf mannetjes dooden.83Bij de Paradijsvogels komen een dozijn of meer in hun vollen vedertooi prijkende mannetjes in een boom te zamen om een danspartij te houden, zooals de inboorlingen het noemen, en wanneer zij hierin rondvliegen, hun vleugels en uitnemend fraaie siervederen opheffen en deze doen trillen, schijnt de geheele boom, gelijk de heer Wallace opmerkt, vol golvende vederen te zijn. Terwijl zij daarmede bezig zijn, zijn zij er zoo in verdiept, dat een bekwaam boogschutter ze bijna allen kan neêrschieten. Men zegt, dat als men deze vogels in Insulinde in gevangen staat houdt, zij zeer zorg dragen om hun vederen schoon te houden, ze dikwijls uitspreiden en nazien en elke vuile vlek wegnemen. Een waarnemer die verscheidene levende paren bezat, betwijfelde niet, dat het pronken van het mannetje tot doel had om het wijfje te behagen.84
Fig. 45.Fig. 45.Polyplectron chinquis, mannetje (naar Brehm).
Fig. 45.
Polyplectron chinquis, mannetje (naar Brehm).
Gedurende zijn vrijage spreidt de goudlakensche fazant (Thaumalea[85]picta) niet slechts zijn prachtigen halskraag uit en licht dien op, maar hij draait hem, gelijk ik zelf heb gezien, schuin naar het wijfje toe, aan welke zijde dit ook moge staan, blijkbaar, opdat een groot oppervlak[86]voor haar moge worden tentoongesteld.85De heer Bartlett heeft een mannelijkenPolyplectron(Fig.45) gedurende zijn vrijage waargenomen en mij een voorwerp getoond, opgezet in de houding die het dier dan aanneemt. De staart- en vleugelvederen van dezen vogel zijn met fraaie oogvlekken (ocelli) versierd, gelijk die op den staart van een pauw. Als nu een pauw pronkt, spreidt hij den staart uit en richt hem op een vlak dat loodrecht staat op de lengteas van zijn lichaam; want hij staat tegenover het wijfje en moet tegelijkertijd zijn rijk blauwe keel en borst vertoonen. De borst vanPolyplectronis echter dof gekleurd en de oogvlekken (ocelli) zijn bij dezen vogel niet tot de staartvederen beperkt. Bij gevolg staatPolyplectronniet tegenover het wijfje, maar richt zijn staartvederen een weinig schuins op en spreidt ze ook een weinig schuins uit, de uitgespreide vleugels aan den zelfden kant een weinig omlaag en die aan den tegenovergestelden kant een weinig omhoog houdende. In deze houding zijn de oogvlekken (ocelli) over het geheele lichaam voor de oogen van het bewonderende wijfje in één groot daarmede dicht bezet vlak tentoongesteld. Naar welke zijde zij zich ook moge wenden, worden de uitgespreide vleugels en de schuins gehouden staart naar haar toe gekeerd. Het mannetje van den Tragopan-fazant handelt op bijna de zelfde wijze; want hij richt de[87]vederen van het lichaam, ofschoon niet denvleugelzelf, op aan de zijde die aan den anderen kant dan het wijfje ligt, en die anders verborgen zou blijven, zoodat bijna al de met fraaie vlekken prijkende vederen tegelijkertijd ten toon worden verspreid.
Fig. 46.Fig. 46.MannelijkePolyplectron chinquis, voor het wijfje pronkende (T. W. Wood).
Fig. 46.
MannelijkePolyplectron chinquis, voor het wijfje pronkende (T. W. Wood).
Het geval van den Argus-fazant is nog treffender. De verbazend ontwikkelde secundaire vleugel-slagpennen die tot het mannetje zijn beperkt, zijn met een rij van twintig tot drie-en-twintig oogvlekken (ocelli) versierd, waarvan elk meer dan twee en een halven centimeter in doorsnede heeft. De vederen zijn ook bevallig beteekend met dwarse donkere strepen en rijen van vlekken, gelijk aan die op de huid van een tijger en van een luipaard met elkander vereenigd. Deze fraaie versierselen zijn verborgen, totdat het mannetje daarmede voor het wijfje pronkt. Hij steekt dan zijn staart omhoog en breidt zijn vleugelvederen uit tot een grooten, bijna loodrechten, cirkelvormigen waaier of schild, die vóór het lichaam wordt gehouden. De hals en kop worden naar ééne zijde gehouden, zoodat zij door den waaier worden verborgen; maar om het wijfje waarvoor hij pronkt, te zien, steekt de vogel soms zijn kop tusschen twee lange vleugelslagpennen heên (gelijk de heer Bartlett heeft gezien) en ziet er dan potsierlijk uit. Dit moet bij den vogel in den natuurstaat veelvuldig de gewoonte zijn, want de heer Bartlett en zijn zoon vonden, eenige ongeschonden huiden, uit de Oost gezonden, onderzoekende, een plaats tusschen twee der slagpennen, die zeer was uitgerafeld, alsof de kop er dikwijls doorheen was gestoken. De heer Wood meent, dat het mannetje ook aan ééne zijde het wijfje kan begluren voorbij den rand van den waaier.
Fig. 47.Fig. 47.Mannelijke Argusfazant, voor het wijfje pronkende. Waargenomen en naar de natuur geschetst door den heer T. W. Wood.
Fig. 47.
Mannelijke Argusfazant, voor het wijfje pronkende. Waargenomen en naar de natuur geschetst door den heer T. W. Wood.
De oogvlekken (ocelli) zijn zoo fraai geschakeerd, dat zij, gelijk de Hertog van Argyll opmerkt86, den indruk maken van een naar buiten uitspringenden bal die los in een holte ligt. Toen ik echter het voorwerp in het Britsch Museum zag, dat is opgezet met uitgespreide en omlaag gehouden vleugels, was ik zeer teleurgesteld; want de oogvlekken maakten den indruk van plat of zelfs hol te zijn. De heer Gould maakte mij het geval echter spoedig duidelijk; want hij hield de slagpennen rechtop, in den stand waarin zij bij het pronken in de natuur zouden worden tentoongesteld. Zoodra nu de vleugel-slagpennen in dezen stand worden gehouden en het licht er van boven op schijnt, vertoont zich het volle effect van de schakeering, en gelijk elke oogvlek[88]op het versiersel dat een bal en een holte wordt genoemd. Deze vederen zijn aan onderscheidene kunstenaars vertoond en allen hebben hun bewondering uitgedrukt over de volkomenheid der schakeering. Men mag wel vragen: zouden zoo kunstig geschakeerde versierselen kunnen zijn gevormd door middel der seksueele teeltkeus? Het zal echter gepast zijn het antwoord op die vraag uit te stellen, totdat wij[89]in het volgende hoofdstuk over het beginsel van trapsgewijze ontwikkeling (gradatie) handelen.
De primaire vleugel-slagpennen die bij de meeste Hoenderachtige Vogels eenvormig zijn gekleurd, zijn bij den Argus-fazant niet minder wondervolle voorwerpen dan de secundaire vleugel-slagpennen. Zij zijn van een zachtbruine kleur met talrijke donkere vlekken waarvan elk uit twee of drie zwarte punten bestaat, die door een donkeren gordel worden omringd. Het voornaamste versiersel is echter een ruimte, evenwijdig aan de donkerblauwe schacht die in omtrek een volkomen tweede veder vormt, in de ware veder gelegen. Dit binnenste gedeelte is lichter kastanjebruin gekleurd, en dicht bezaaid met kleine witte punten. Ik heb zulk een veder aan onderscheidene personen vertoond en velen hebben haar nog meer bewonderd dan de bal-en-holte-vederen, en hebben verklaard, dat zij meer op een voortbrengsel van de kunst dan van de natuur geleek. Nu liggen deze vederen bij alle gewone gelegenheden volkomen verborgen, maar worden geheel tentoongespreid, tegelijk met de lange secundaire slagpennen, wanneer zij allen te zamen worden uitgespreid om den grooten waaier of schild te vormen.
Het geval van den Argus-fazant is in hooge mate belangwekkend, omdat het een goed bewijs levert, dat de meest verfijnde schoonheid kan dienen om het wijfje te bekoren en voor geen ander doel. Wij moeten besluiten, dat dit het geval is, daar de primaire vleugel-slagpennen nooit, en de slagpennen met bal-en-holte-versiersels niet in haar volle schoonheid worden vertoond, behalve wanneer het mannetje de houding van zijn vrijage aanneemt. De Argus-fazant bezit geen schitterende kleuren, zoodat zijn voorspoed in de liefde afhangt van de aanzienlijke grootte van zijn slagpennen en van het sierlijke patroon der daarop uitgevoerde teekeningen. Velen zullen verklaren, dat het geheel ongeloofelijk is, dat een vrouwelijke vogel in staat zou zijn om fraaie schakeeringen en uitstekende patronen naar waarde te schatten. Het is ongetwijfeld een verwonderlijk feit, dat zij deze bijna menschelijke mate van smaak zou bezitten, hoewel zij misschien meer het algemeene effect, dan elke afzonderlijke bijzonderheid bewondert. Hij die denkt, dat hij veilig de hoegrootheid van het onderscheidingsvermogen en den smaak van de lagere dieren kan nagaan, moge ontkennen, dat de vrouwelijke Argus-fazant een zoo verfijnde schoonheid naar waarde kan schatten; maar hij zal dan zijn gedwongen om aan te nemen, dat de buitengewone houdingen die het mannetje gedurende[90]de vrijage aanneemt, waardoor de verwonderlijke schoonheid van zijn gevederte in het volle licht komt, doelloos zijn, en dit is een besluit waartoe ik, eens voor al, nimmer zal komen.
Hoewel zoo vele fazanten en verwante Hoenderachtige Vogels zorgvuldig hun schoon gevederte voor de wijfjes tentoonspreiden, is het opmerkelijk, dat dit, gelijk de heer Bartlett mij mededeelt, niet het geval is met den geoorden en met Wallich’s fazant (Crosoptilon auritumenPhasianus Wallichii), zoodat deze vogels bewust schijnen te zijn, dat zij slechts op weinig schoonheid kunnen bogen. De heer Bartlett heeft van geen van deze beide soorten van fazanten de mannetjes ooit zien vechten, hoewel hij niet zoo goed in de gelegenheid was om Wallich’s fazant, als om den geoorden fazant waar te nemen. Ook de heer Jenner Weir bevindt, dat alle mannelijke vogels die een rijk of sterk sprekend gevederte hebben, twistzieker zijn dan de dof gekleurde soorten die tot de zelfde groep behooren. De distelvink is bij voorbeeld veel strijdlustiger dan het kneutje, en de merel of zwarte lijster dan de gewone lijster. Die vogels welke op zekere vaste tijden van het jaar een verandering in hun gevederte ondergaan, worden eveneens veel strijdlustiger in het tijdperk waarin zij het fraaist zijn versierd. Ongetwijfeld vechten de mannetjes van sommige dof gekleurde vogels wanhopend met elkander; het schijnt echter, dat de seksueele teeltkeus, wanneer zij veel invloed heeft gehad en aan de mannetjes van de eene of andere soort levendige kleuren gegeven, ook zeer dikwijls een sterke neiging tot strijdlustigheid ten gevolgeheeftgehad. Wij zullen bijna overeenkomstige gevallen ontmoeten, als wij de Zoogdieren behandelen. Daarentegen zijn bij de Vogels het vermogen om te zingen en schitterende kleuren slechts zelden beide tegelijk door de mannetjes van de zelfde soort verkregen; maar in dit geval zou het verkregen voordeel volkomen het zelfde zijn geweest, namelijk voorspoed in het bekoren van het wijfje. Desniettemin moet worden erkend, dat bij de mannetjes van verscheidene schitterend gekleurde vogels de vederen op bijzondere wijze zijn gewijzigd om daarmede instrumentale muziek voort te brengen, hoewel de schoonheid daarvan niet kan worden vergeleken, ten minste volgens onzen smaak, met die van de vocale muziek van vele zangvogels.
Wij zullen nu overgaan tot mannelijke vogels die volstrekt in geen hooge mate zijn versierd, maar desniettemin bij hun vrijage de weinige bekoorlijkheden die zij hebben, zooveel mogelijk tentoonspreiden.[91]Deze gevallen zijn in sommige opzichten merkwaardiger dan de voorgaande en zijn slechts weinig opgeteekend. Ik kan de volgende feiten mededeelen, uitgezocht uit een groot aantal belangrijke aanteekeningen, mij door den heer Jenner Weir gezonden, die lang vogels van vele soorten, al de Britsche Vinken (Fringillidae) en Gorzen (Emberizidae) insluitende, bezat. De goudvink gaat, als hij zijn hof maakt, tegenover het wijfje staan en zet dan zijn borst op, zoodat veel meer van de karmozijnroode vederen worden gezien dan anders het geval zou zijn. Tegelijkertijd draait en buigt hij zijn zwarten staart op potsierlijke wijze van de eene zijde naar de andere. Het mannetje van den gewonen vink gaat ook tegenover het wijfje staan en vertoont zoo zijn roode borst en „blauwe klok” („blue bell”), zooals de (Engelsche) vogelvangers zijn kop noemen; tegelijkertijd spreidt hij zijn vleugels een weinig uit, zoodat de zuiver witte banden op de schouders in het gezicht vallen. Het gewone kneutje zet zijn rozenroode borst op, spreidt zijn bruine vleugels en staart uit, zoodat zij zich zoo voordeelig mogelijk voordoen, doordat hun witte randen in het gezicht komen. Wij moeten echter niet te overijld besluiten, dat de vleugels worden uitgespreid om te pronken, daar sommige vogels, wier vleugels niet fraai zijn, ook zoo handelen. Dit is het geval met den huishaan, maar het is altijd de vleugel aan de van het wijfje afgekeerde zijde, die wordt uitgespreid en tegelijkertijd over den grond geschuurd. Het mannetje van den distelvink gedraagt zich anders dan alle andere vinken; zijn vleugels zijn fraai, daar de schouders zwart en de donkergepunte vleugelvederen witgevlekt en met goudgeel omzoomd zijn. Als hij het wijfje het hof maakt, zwaait hij zijn lichaam van de eene zijde naar de andere en draait snel zijn een weinig uitgespreide vleugels eerst naar de eene en dan naar de andere zijde, hetgeen het effect van een goud-geflikker maakt. Geen andere Britsche vink draait zich, gelijk de heer Weir mij mededeelt, gedurende zijn vrijage op deze wijze van de eene zijde naar de andere, zelfs niet het nauw verwante mannelijke sijsje; want het zou daardoor zijn schoonheid niet verhoogen.
De meeste Britsche Gorzen zijn effen gekleurde vogels, doch in de lente krijgen de kopvederen van den mannelijken rietgors (Emberiza schoeniclus) een fraaie zwarte kleur door het afvallen van de vuil gekleurde punten; en deze kopvederen worden gedurende de vrijage opgezet. De heer Weir heeft twee soorten van Australische rijstvogels[92](Amadina) in zijn bezit gehad; deA. castanotisis een zeer kleine en zedig gekleurde vogel, met een donkeren staart, witten romp, en gitzwarte bovenste staartdekvederen, terwijl elk van deze laatsten is geteekend met drie groote opzichtige ovale witte plekken.87Het mannetje van deze soort spreidt, wanneer hij het wijfje het hof maakt, deze gedeeltelijk gekleurde staartdekvederen eenigszins uit en doet ze op een zeer bijzondere wijze trillen. Het mannetje vanAmadina Lathamigedraagt zich geheel anders, en spreidt voor het wijfje zijn prachtig gevlekte borst, scharlakenrooden romp en scharlakenroode bovenste staartdekvederen ten toon. Ik kan hier op gezag van Dr. Jerdon bijvoegen, dat de Indische Bulbul (Pycnonotus haemorrhous) karmozijnroodeonderstestaartdekvederen heeft, en men zou wellicht denken, dat de schoonheid van deze vederen nimmer goed ten toon kon worden gespreid, maar de vogel „spreidt ze, als hij opgewekt is, dikwijls zijdelings uit, zoodat zij zelfs van boven kunnen worden gezien.”88De gewone duif heeft iriseerende vederen op de borst, en iedereen moet hebben opgemerkt, hoezeer het mannetje zijn borst opzet, terwijl hij het wijfje het hof maakt, en op die wijze deze vederen op zijn voordeeligst doet uitkomen. Een van de fraaie duiven met bronskleurige vleugels van Australië (Ocyphaps lophotes) gedraagt zich, volgens de mij door den heer Weir gegeven beschrijving, geheel anders; het mannetje buigt, terwijl hij voor het wijfje staat, zijn kop bijna tot den grond toe neder, spreidt zijn staart uit en steekt dien loodrecht omhoog, en spreidt zijn vleugels half uit. Daarna beweegt hij langzaam zijn lichaam beurtelings op en neêr, zoodat de iriseerende metaalglanzende vederen allen tegelijk worden gezien en in de zon schitteren.
Er is nu een voldoend aantal feiten medegedeeld om aan te toonen, hoeveel zorg de mannelijke vogels aanwenden om met hun verschillende bekoorlijkheden te pronken, en zij doen dit met de uiterste bekwaamheid. Terwijl zij hun vederen gladstrijken, hebben zij veelvuldig de gelegenheid om zich zelf te bewonderen en te bestudeeren, hoe zij het best hun schoonheid zullen tentoonspreiden. Daar echter al de mannetjes van ééne en de zelfde soort op volkomen de zelfde wijze pronken, schijnt het, dat handelingen die oorspronkelijk wellicht met voordacht werden verricht, instinktmatig zijn geworden. Indien dit zoo is, behoeven[93]wij de vogels niet van zelfbewuste ijdelheid te beschuldigen; doch als wij een pauw met zijn uitgespreide en sidderende staartvederen zien pronken, schijnt hij het ware zinnebeeld van trots en ijdelheid.
De verschillende versierselen die door de mannetjes worden bezeten, zijn zeker voor hen van het hoogste belang, want zij zijn in sommige gevallen verkregen ten koste van een groote belemmering van het vlieg- of loopvermogen. De Afrikaansche nachtzwaluw (Cosmetornis), bij welke gedurende den paartijd een der primaire vleugel-slagpennen zich tot een uiterst langen wimpel ontwikkelt, wordt daardoor zeer in zijn vlucht vertraagd, ofschoon hij op andere tijden opmerkelijk snel vliegt. Men zegt, dat de „onhandelbare grootte” van de secundaire vleugel-slagpennen van den mannelijken Argus-fazant „den vogel bijna geheel van zijn vliegvermogen berooven.” De schoone siervederen van mannelijke Paradijsvogels hinderen hen gedurende een sterken wind. De uiterst lange staartvederen van de mannelijke weduwvogels (Vidua) van Zuid-Afrika maken „hun vlucht zwaar”; maar zoodra deze zijn afgeworpen, vliegen zij even goed als de wijfjes. Daar de vogels altijd broeien in den tijd waarin het voedsel overvloedig is, hebben de mannetjes waarschijnlijk bij het zoeken van voedsel geen last van de belemmering van hun bewegingsvermogen; maar het kan moeilijk worden betwijfeld, dat zij meer kans hebben om door roofvogels te worden neêrgeveld. Evenmin kunnen wij betwijfelen, dat de lange staart van den pauw en de lange staart en vleugelvederen van den Argus-fazant hen een meer gemakkelijke prooi voor de eene of andere op den loer liggende tijgerkat moeten maken, dan anders het geval zou zijn. Het kan zelfs niet missen, dat de levendige kleuren van vele mannelijke vogels hen aan hun vijanden van allerlei soort in ’t oog doen vallen. Vandaar komt waarschijnlijk, gelijk de heer Gould heeft opgemerkt, dat dergelijke vogels over het algemeen schuw van aard zijn alsof zij zich bewust zijn, dat hun schoonheid een bron van gevaar is, en veel moeilijker zijn te ontdekken of te naderen, dan de somber gekleurde en vergelijkenderwijze makke wijfjes, of dan de jonge en nog niet versierde mannetjes.89
Het is een nog opmerkenswaardiger feit, dat de mannetjes van sommige vogels, die van bijzondere wapenen voor het gevecht zijn voorzien, en die in den natuurstaat zoo strijdlustig zijn, dat zij elkander[94]dikwijls dooden, lijden onder het bezit van zekere versierselen. De bezitters van strijdhanen korten de sikkelvormige vederen in en snijden den kam en de kwabben van hun hanen af; en men zegt dan, dat de vogels tot ridder geslagen („dubbed”) zijn. Een niet tot ridder geslagen („undubbed”) haan is, gelijk de heer Tegetmeier met aandrang opmerkt, „vreeselijk in het nadeel: de kam en kwabben bieden aan zijn tegenstander een gemakkelijk punt om vast te houden aan, en daar een haan altijd treft, waar hij vast heeft, heeft hij zijn vijand, wanneer hij hem eens heeft gegrepen, geheel in zijn macht. Zelfs als men veronderstelt dat de vogel niet wordt gedood, is het bloedverlies dat door een niet tot ridder geslagen haan wordt geleden, veel grooter dan dat van een haan die zulks wel is.”90Jonge kalkoensche hanen houden elkander bij het vechten bij de vleeschlappen vast, en ik vermoed, dat de oude vogels op de zelfde wijze vechten. Men zal mij wellicht tegenwerpen, dat de kam en de vleeschlappen geen versiering zijn, en den vogels daartoe niet kunnen dienen; maar zelfs in onze oogen wordt de schoonheid van den glanzend zwarten Spaanschen haan veel verhoogd door zijn wit gelaat en karmozijnrooden kam; en niemand die ooit de prachtige blauwe vleeschlappen van den mannelijken Tragopan-fazant heeft gezien, als zij gedurende de vrijage zijn opgezwollen, kan een oogenblik betwijfelen, dat schoonheid het doel is. Uit de voorgaande feiten zien wij duidelijk, dat de siervederen en andere versierselen van het mannetje van het hoogste belang voor hem moeten zijn, en wij zien verder, dat in sommige gevallen schoonheid zelfs nog belangrijker is dan voorspoed in het gevecht.
[Inhoud]AANTEEKENINGEN.(1)Darwin noemtCairina moschata„the musk-duck”; ook de meest gewone Nederlandsche naam is muskuseend. Het is met deze drie namen als met het oudelucus a non lucendo, daar de vogel nimmer een spoor van muskusgeur verspreidt91, in tegenstelling van de verwante Australische muskuseend (Biziura lobata), die haar naam met eere draagt (vergelijk blz. 37). Zie mijn aant. op Hoofdstuk VIII van het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 351.(2)Blasius en Keyzerling hebben, op grond van de onderzoekingen van[95]Johannes Müller, de Orde derInsessoresin twee afdeelingen verdeeld, namelijk die derOscinesof eigenlijkeZangvogelsen die derClamatoresofSchreeuwvogels. Hun stelsel is later door A. Wagner voltooid. Behalve door verschillende andere meer of min belangrijke kenmerken onderscheiden deOscineszich van deClamatoresdoor het bezit van een waren zangtoestel. Tot deOscinesbrengt men dan de Families der Lijsters (Turdidae), Zangers (Sylviadae), Kwikstaarten (Motacillidae), Zwaluwen (Hirundinidae), Vliegenvangers (Muscicapidae), Klauwieren (Laniadae), Honigvogels (Nectarinidae), Kruipvogels (Certhiadae), Meezen (Paridae), Vinken (Fringillidae), Leeuwerikken (Alaudidae), Spreeuwen (Sturnidae), Kraaivogels (Corvidae) en Paradijsvogels (Paradisiadae); tot deClamatoresde Families derEriodoridae(waartoe ook de prachtige Liervogel (Menura Superba) van Nieuw-Holland behoort), derAnabatidae, der Snatervogels (ColopteridaeofCotingidae), Nachtzwaluwen (Caprimulgidae), Gierzwaluwen (Cypselidae), Kolibri’s (Trochilidae), Hopvogels (Upupidae), Bijenvreters (Meropidae), IJsvogels (Halcyonidae), Scharrelaars (Coraciadae) en Neushorenvogels (Bucerotidae).Niet alleen zingen echter vele derOscines, b.v. de door Darwin aangehaalde Kraaivogels en de Paradijsvogels nimmer, maar tot deClamatoresbehooren zelfs onderscheidene geslachten (b.v. de Klokvogels,Chasmorhynchus), die een fraaie zangstem bezitten, hoewel de zangtoestel derOscineshun ontbreekt. Daarenboven bezitten sommige Families derClamatoresongetwijfeld een grootere natuurlijke verwantschap tot sommige Families derOscines, dan tot die hunner eigen afdeeling (b.v. deAnabatidaeenEriodoridaetot deCerthiadae, deCypselidaeenCaprimulgidaetot deHirundinidaeenz.) en omgekeerd. De verdeeling van de Orde derInsessoresin Zangvogels en Schreeuwvogels is dus geen natuurlijke.(3)Het hier bedoelde orgaan is niet homoloog met het strottenhoofd (larynx) der Zoogdieren, en draagt dus oneigenlijk dien naam. Het eigenlijke strottenhoofd (larynx superior) dient bij de vogelsniettot voortbrenging van het geluid. Het stemorgaan, door sommigen oneigenlijkonderste strottenhoofd(larynx inferior) geheeten, bevindt zich bij hen op de plaats waar de luchtpijp zich in twee longpijpen (bronchi) splitst; bij een Zuid-Amerikaansche soort van Nachtzwaluw (Steatornis garipensis) is het stemorgaan zelfs in de longpijpen zelf gelegen en derhalve dubbel. Het is voorzien van twee als stembanden werkende vliezen (membranae tympaniformia), waarbij zich bij de ware zangvogels nog een derde (demembrana semilunaris) voegt. Aldus ontstaat een dubbele stemspleet waarvan de randen door bijzondere spieren kunnen worden gespannen en verslapt. Daarenboven bezitten vele Zangvogels der Oude Wereld nog vijf tot zes paar zangspieren waarvan eenige het stemorgaan opheffen, terwijl andere het naar beneden trekken; deze zangspieren zijn bij vele Amerikaansche Zangvogels tot één enkele uit twee of drie lagen bestaande spiermassa samengesmolten.(4)Merops apiaster.(5)Zie Deel I, blz.143, aant. 14.(6)„Halo’s.” Men noemt zoo gelijkmiddelpuntige (concentrische), aan de binnenzijde rood, aan de buitenzijde wit of blauwachtig gekleurde cirkels (respectievelijk van 22° en 46° middellijn), welke men soms om de zon waarneemt, en die soms nog door een derden (van 90° middellijn), aan de binnenzijde violet gekleurden gelijkmiddelpuntigen (concentrischen) cirkel worden omgeven. Deze iriseerende kringen om de zon worden veroorzaakt door de breking van het licht door tallooze in de atmospheer zwevende ijskristalletjes.[96]
AANTEEKENINGEN.
(1)Darwin noemtCairina moschata„the musk-duck”; ook de meest gewone Nederlandsche naam is muskuseend. Het is met deze drie namen als met het oudelucus a non lucendo, daar de vogel nimmer een spoor van muskusgeur verspreidt91, in tegenstelling van de verwante Australische muskuseend (Biziura lobata), die haar naam met eere draagt (vergelijk blz. 37). Zie mijn aant. op Hoofdstuk VIII van het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 351.(2)Blasius en Keyzerling hebben, op grond van de onderzoekingen van[95]Johannes Müller, de Orde derInsessoresin twee afdeelingen verdeeld, namelijk die derOscinesof eigenlijkeZangvogelsen die derClamatoresofSchreeuwvogels. Hun stelsel is later door A. Wagner voltooid. Behalve door verschillende andere meer of min belangrijke kenmerken onderscheiden deOscineszich van deClamatoresdoor het bezit van een waren zangtoestel. Tot deOscinesbrengt men dan de Families der Lijsters (Turdidae), Zangers (Sylviadae), Kwikstaarten (Motacillidae), Zwaluwen (Hirundinidae), Vliegenvangers (Muscicapidae), Klauwieren (Laniadae), Honigvogels (Nectarinidae), Kruipvogels (Certhiadae), Meezen (Paridae), Vinken (Fringillidae), Leeuwerikken (Alaudidae), Spreeuwen (Sturnidae), Kraaivogels (Corvidae) en Paradijsvogels (Paradisiadae); tot deClamatoresde Families derEriodoridae(waartoe ook de prachtige Liervogel (Menura Superba) van Nieuw-Holland behoort), derAnabatidae, der Snatervogels (ColopteridaeofCotingidae), Nachtzwaluwen (Caprimulgidae), Gierzwaluwen (Cypselidae), Kolibri’s (Trochilidae), Hopvogels (Upupidae), Bijenvreters (Meropidae), IJsvogels (Halcyonidae), Scharrelaars (Coraciadae) en Neushorenvogels (Bucerotidae).Niet alleen zingen echter vele derOscines, b.v. de door Darwin aangehaalde Kraaivogels en de Paradijsvogels nimmer, maar tot deClamatoresbehooren zelfs onderscheidene geslachten (b.v. de Klokvogels,Chasmorhynchus), die een fraaie zangstem bezitten, hoewel de zangtoestel derOscineshun ontbreekt. Daarenboven bezitten sommige Families derClamatoresongetwijfeld een grootere natuurlijke verwantschap tot sommige Families derOscines, dan tot die hunner eigen afdeeling (b.v. deAnabatidaeenEriodoridaetot deCerthiadae, deCypselidaeenCaprimulgidaetot deHirundinidaeenz.) en omgekeerd. De verdeeling van de Orde derInsessoresin Zangvogels en Schreeuwvogels is dus geen natuurlijke.(3)Het hier bedoelde orgaan is niet homoloog met het strottenhoofd (larynx) der Zoogdieren, en draagt dus oneigenlijk dien naam. Het eigenlijke strottenhoofd (larynx superior) dient bij de vogelsniettot voortbrenging van het geluid. Het stemorgaan, door sommigen oneigenlijkonderste strottenhoofd(larynx inferior) geheeten, bevindt zich bij hen op de plaats waar de luchtpijp zich in twee longpijpen (bronchi) splitst; bij een Zuid-Amerikaansche soort van Nachtzwaluw (Steatornis garipensis) is het stemorgaan zelfs in de longpijpen zelf gelegen en derhalve dubbel. Het is voorzien van twee als stembanden werkende vliezen (membranae tympaniformia), waarbij zich bij de ware zangvogels nog een derde (demembrana semilunaris) voegt. Aldus ontstaat een dubbele stemspleet waarvan de randen door bijzondere spieren kunnen worden gespannen en verslapt. Daarenboven bezitten vele Zangvogels der Oude Wereld nog vijf tot zes paar zangspieren waarvan eenige het stemorgaan opheffen, terwijl andere het naar beneden trekken; deze zangspieren zijn bij vele Amerikaansche Zangvogels tot één enkele uit twee of drie lagen bestaande spiermassa samengesmolten.(4)Merops apiaster.(5)Zie Deel I, blz.143, aant. 14.(6)„Halo’s.” Men noemt zoo gelijkmiddelpuntige (concentrische), aan de binnenzijde rood, aan de buitenzijde wit of blauwachtig gekleurde cirkels (respectievelijk van 22° en 46° middellijn), welke men soms om de zon waarneemt, en die soms nog door een derden (van 90° middellijn), aan de binnenzijde violet gekleurden gelijkmiddelpuntigen (concentrischen) cirkel worden omgeven. Deze iriseerende kringen om de zon worden veroorzaakt door de breking van het licht door tallooze in de atmospheer zwevende ijskristalletjes.[96]
(1)Darwin noemtCairina moschata„the musk-duck”; ook de meest gewone Nederlandsche naam is muskuseend. Het is met deze drie namen als met het oudelucus a non lucendo, daar de vogel nimmer een spoor van muskusgeur verspreidt91, in tegenstelling van de verwante Australische muskuseend (Biziura lobata), die haar naam met eere draagt (vergelijk blz. 37). Zie mijn aant. op Hoofdstuk VIII van het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 351.
(2)Blasius en Keyzerling hebben, op grond van de onderzoekingen van[95]Johannes Müller, de Orde derInsessoresin twee afdeelingen verdeeld, namelijk die derOscinesof eigenlijkeZangvogelsen die derClamatoresofSchreeuwvogels. Hun stelsel is later door A. Wagner voltooid. Behalve door verschillende andere meer of min belangrijke kenmerken onderscheiden deOscineszich van deClamatoresdoor het bezit van een waren zangtoestel. Tot deOscinesbrengt men dan de Families der Lijsters (Turdidae), Zangers (Sylviadae), Kwikstaarten (Motacillidae), Zwaluwen (Hirundinidae), Vliegenvangers (Muscicapidae), Klauwieren (Laniadae), Honigvogels (Nectarinidae), Kruipvogels (Certhiadae), Meezen (Paridae), Vinken (Fringillidae), Leeuwerikken (Alaudidae), Spreeuwen (Sturnidae), Kraaivogels (Corvidae) en Paradijsvogels (Paradisiadae); tot deClamatoresde Families derEriodoridae(waartoe ook de prachtige Liervogel (Menura Superba) van Nieuw-Holland behoort), derAnabatidae, der Snatervogels (ColopteridaeofCotingidae), Nachtzwaluwen (Caprimulgidae), Gierzwaluwen (Cypselidae), Kolibri’s (Trochilidae), Hopvogels (Upupidae), Bijenvreters (Meropidae), IJsvogels (Halcyonidae), Scharrelaars (Coraciadae) en Neushorenvogels (Bucerotidae).
Niet alleen zingen echter vele derOscines, b.v. de door Darwin aangehaalde Kraaivogels en de Paradijsvogels nimmer, maar tot deClamatoresbehooren zelfs onderscheidene geslachten (b.v. de Klokvogels,Chasmorhynchus), die een fraaie zangstem bezitten, hoewel de zangtoestel derOscineshun ontbreekt. Daarenboven bezitten sommige Families derClamatoresongetwijfeld een grootere natuurlijke verwantschap tot sommige Families derOscines, dan tot die hunner eigen afdeeling (b.v. deAnabatidaeenEriodoridaetot deCerthiadae, deCypselidaeenCaprimulgidaetot deHirundinidaeenz.) en omgekeerd. De verdeeling van de Orde derInsessoresin Zangvogels en Schreeuwvogels is dus geen natuurlijke.
(3)Het hier bedoelde orgaan is niet homoloog met het strottenhoofd (larynx) der Zoogdieren, en draagt dus oneigenlijk dien naam. Het eigenlijke strottenhoofd (larynx superior) dient bij de vogelsniettot voortbrenging van het geluid. Het stemorgaan, door sommigen oneigenlijkonderste strottenhoofd(larynx inferior) geheeten, bevindt zich bij hen op de plaats waar de luchtpijp zich in twee longpijpen (bronchi) splitst; bij een Zuid-Amerikaansche soort van Nachtzwaluw (Steatornis garipensis) is het stemorgaan zelfs in de longpijpen zelf gelegen en derhalve dubbel. Het is voorzien van twee als stembanden werkende vliezen (membranae tympaniformia), waarbij zich bij de ware zangvogels nog een derde (demembrana semilunaris) voegt. Aldus ontstaat een dubbele stemspleet waarvan de randen door bijzondere spieren kunnen worden gespannen en verslapt. Daarenboven bezitten vele Zangvogels der Oude Wereld nog vijf tot zes paar zangspieren waarvan eenige het stemorgaan opheffen, terwijl andere het naar beneden trekken; deze zangspieren zijn bij vele Amerikaansche Zangvogels tot één enkele uit twee of drie lagen bestaande spiermassa samengesmolten.
(4)Merops apiaster.
(5)Zie Deel I, blz.143, aant. 14.
(6)„Halo’s.” Men noemt zoo gelijkmiddelpuntige (concentrische), aan de binnenzijde rood, aan de buitenzijde wit of blauwachtig gekleurde cirkels (respectievelijk van 22° en 46° middellijn), welke men soms om de zon waarneemt, en die soms nog door een derden (van 90° middellijn), aan de binnenzijde violet gekleurden gelijkmiddelpuntigen (concentrischen) cirkel worden omgeven. Deze iriseerende kringen om de zon worden veroorzaakt door de breking van het licht door tallooze in de atmospheer zwevende ijskristalletjes.[96]