Fig. 68.Fig. 68.Tragelaphus scriptus, mannetje (naar de Knowsley Menagery).Hoewel wij moeten toegeven, dat vele viervoetige dieren hun tegenwoordige tinten als een bescherming hebben verkregen, zijn toch bij een menigte soorten de kleuren veel te opzichtig en te vreemdsoortig gerangschikt, om ons de veronderstelling toe te laten, dat zij voor dit doel dienen. Wij kunnen als een voorbeeld sommige antilopen nemen: als wij zien, dat de vierkante witte vlek aan de keel, de witte teekeningen op de vetlokken, en de ronde zwarte vlekken aan de ooren, allen bij het mannetje vanPortax pictaduidelijker zijn dan bij het wijfje;—als wij zien, dat de kleuren levendiger, dat de smalle witte lijnen op de zijden en de breede witte streep op den schouder duidelijker zijn bij den mannelijkenOreas Derbyanusdan bij den vrouwelijken; als wij een gelijksoortig verschil zien tusschen de seksen van den vreemdsoortig versierdenTragelaphus scriptus(Fig.68),—mogen wij besluiten, dat deze kleuren en onderscheidene versierselen op zijn minst zijn versterkt door seksueele teeltkeus. Het is niet aan te nemen, dat dergelijke kleuren en teekeningen dezer dieren van eenigen rechtstreekschen of gewonen dienst kunnen zijn, en daar zij bijna zeker door seksueele teeltkeus zijn versterkt, is het waarschijnlijk, dat zij oorspronkelijk door dit zelfde proces zijn verkregen en daarna gedeeltelijk op de wijfjes overgeplant. Indien deze meening mag worden aangenomen, kan er weinig twijfel overblijven, dat de vreemdsoortige kleuren en teekeningen van vele andere antilopen, hoewel aan beide seksen gemeen, op de zelfde wijze zijn verkregen en overgebracht. Beide seksen, bij voorbeeld van de Koedoe-antilope (Strepsiceros Kudu, Fig.69), hebben smalle witte loodrechte lijnen op het achterste gedeelte van hun zijden, en een bevallige hoekvormige witte teekening op hun voorhoofd. In het geslachtDamalis[289]zijn beide seksen zeer vreemd gekleurd; bijDamalispygargazijn de rug en hals purperachtig rood, aan de zijden in zwart overgaande, en scherp gescheiden van den witten buik en de groote witte plek op het kruis; de kop is nog vreemder gekleurd; een langwerpig wit masker, met een smallen zwarten rand omzoomd, bedekt het gelaat tot op de hoogte der oogen (Fig.70); er zijn drie witte strepen op het voorhoofd en de ooren vertoonen witte teekeningen. De jongen van deze soort zijn van een eenvormig bleeke geelbruine kleur. BijDamalis albifronsverschilt de kleur van den kop van die bij de laatste soort, doordat ééne enkele witte streep de drie strepen vervangt en de ooren bijna[290]geheel wit zijn.39Na, zoo goed mij mogelijk was, de seksueele verschillen van dieren, tot alle klassen behoorende, te hebben bestudeerd, kan ik het besluit niet vermijden, dat de opmerkelijk gerangschikte kleuren van vele antilopen, hoewel aan beide seksen gemeen, het gevolg zijn van oorspronkelijk op het mannetje toegepaste seksueele teeltkeus.Fig. 69.Fig. 69.Koedoe-antilope (StrepsicerosKudu) naar Andrew Smith’s „Zoology ofSouth Africa”.Het zelfde besluit mag wellicht worden uitgestrekt tot den tijger, een van de schoonste dieren der wereld, waarvan de seksen niet door haar kleur kunnen worden onderscheiden, zelfs niet door handelaars in wilde dieren. De heer Wallace40gelooft, dat het gestreepte kleed van den tijger „zoozeer gelijkt op de loodrechte halmen van het bamboesriet, dat zulks hem zeer helpt om hem voor zijn naderende prooi te verbergen.” Deze verklaring schijnt mij echter niet bevredigend. Wij kennen sommige feiten die er eenigszins voor pleiten, dat zijn schoonheid een gevolg van seksueele teeltkeus kan zijn; want bij twee soorten van het kattengeslacht (Felis) zijn soortgelijke teekeningen en kleuren bij het mannetje iets levendiger dan bij het wijfje. De Zebra is opzichtig gestreept, en op de open vlakten van Zuid-Afrika[291]kunnen strepen volstrekt geen bescherming opleveren. Burchell41zegt, een kudde beschrijvende, „hun glanzige ribben glinsterden in de zon en de levendigheid en regelmatigheid hunner gestreepte huiden vormde een schilderij van buitengewone schoonheid, waarin zij waarschijnlijk door geen enkel ander viervoetig dier worden overtroffen.” Hier hebben wij geen bewijs voor een seksueele teeltkeus, daar in de geheele groep der Paardachtige Dieren (Equidae) de seksen in kleur overeenstemmen. Desniettemin zal hij, die de witte en donkere loodrechte strepen op de zijden van verscheidene antilopen aan seksueele teeltkeus toeschrijft, waarschijnlijk de zelfde meening tot den Koningstijger en den schoonen Zebra uitstrekken.Fig. 70.Fig. 70.DamalisPygarga, mannetje (naar de Knowsley Menagery).Wij hebben in een vorighoofdstukgezien dat, wanneer jonge dieren, tot welke Klasse zij ook behooren, bijna de zelfde levenswijze leiden als hun ouders en toch op verschillende wijze zijn gekleurd, wij daaruit het besluit mogen trekken, dat zij de kleur van den eenen of anderen ouden en uitgestorven stamvader hebben bewaard. In de Familie der Zwijnen en in het geslachtTapiruszijn de jongen met overlangsche strepen beteekend en verschillen dus van de volwassenen van alle levende soorten in deze beide groepen. Bij vele soorten van Herten zijn de jongen met bevallige witte vlekken beteekend, van[292]welke de ouders geen spoor vertoonen. Een reeks van trapsgewijze overgangen kan worden gevolgd van het Axis-hert van hetwelk beide seksen op alle leeftijden en gedurende alle jaargetijden fraai zijn gevlekt (terwijl het mannetje iets sterker is gekleurd dan het wijfje)—tot soorten bij welke noch de ouden noch de jongen zijn gevlekt. Ik wil eenige termen van deze reeks opnoemen. Het Mantchoerijsche hert (Cervus Mantchuricus) is gedurende het geheele jaar gevlekt; maar, gelijk ik in den Londenschen dierentuin heb gezien, zijn de vlekken veel duidelijker gedurende den zomer, als de algemeene kleur van de vacht lichter is, dan gedurende den winter, wanneer de algemeene kleur donkerder is en de horens volkomen zijn ontwikkeld. Bij het zwijnshert (Hyelaphus porcinus) vallen de vlekken zeer sterk in het oog gedurende den zomer, als de vacht roodachtig bruin is, maar verdwijnen geheel en al gedurende den winter, wanneer de vacht bruin is.42Bij beide deze soorten zijn de jongen gevlekt. Bij het Virginische hert zijn de jongen eveneens gevlekt, en omstreeks vijf percent van de volwassen dieren die in Judge Caton’s park leven, vertoonen, naar hij mij heeft medegedeeld, tijdelijk gedurende het tijdperk waarin zij bezig zijn met het roode zomerkleed tegen het blauwachtige winterkleed te verruilen, een rij vlekken op elke zijde, die altijd evenveel in getal, hoewel zeer verschillend in duidelijkheid zijn. Van dezen toestand is er nog slechts een zeer kleine stap tot volkomen afwezigheid van vlekken in alle jaargetijden bij de volwassenen, en eindelijk tot hun afwezigheid op alle leeftijden, gelijk bij sommige soorten het geval is. Uit het bestaan van deze volkomen reeks, en meer bijzonder uit het gevlekt zijn van de jongen van zoovele soorten mogen wij het besluit trekken, dat de nu levende leden van de Familie der Herten deafstammelingenzijn van de eene of andere soort die, evenals het Axis-hert, op alle leeftijden en in alle jaargetijden was gevlekt. Een nog ouder voorvader geleek waarschijnlijk tot op zekere hoogte opHyomoschus aquaticus;—want dit dier is gevlekt, en de ongehorende mannetjes hebben groote, naar buiten uitstekende hoektanden van welke eenige weinige ware herten rudimenten hebben bewaard. Dit dier levert ons ook een van die belangwekkende gevallen op van een vorm die twee groepen met elkander[293]verbindt; want door sommige osteologische kenmerken staat het tusschen de Dikhuidigen (Pachydermata) en de Herkauwende Dieren (Ruminantia) in die men vroeger voor volkomen onderscheiden hield.43(7)Fig. 71.Fig. 71.Kop vanSemnopithecus rubicundus. Deze en de volgende afbeeldingen zijn gegeven om de koddige rangschikking en ontwikkeling van het haar op den kop te doen zien.Hier rijst een opmerkelijke zwarigheid op. Indien wij aannemen, dat gekleurde vlekken en strepen als een versiering zijn verkregen, hoe komt het dan, dat zoo vele thans levende soorten van herten, de afstammelingen van een oorspronkelijk gevlekt dier, en alle soorten van zwijnen en tapirs, de afstammelingen van een oorspronkelijk gestreept dier, in hun volwassen toestand hun vroegere versierselen hebben verloren? Op deze vraag kan ik geen bevredigend antwoord geven. Wij kunnen bijna zeker zijn, dat de vlekken en strepen bij de voorouders van onze bestaande soorten op volwassen of omtrent volwassen leeftijd verdwenen, zoodat zij door de jongen en, volgens de wet van overerving op overeenkomstige leeftijden, door de jongen van alle volgende geslachten werden behouden. Het kan voor den leeuw en de puma, wegens de open natuur van de plaatsen waar zij zich gewoonlijk ophouden, een groot voordeel zijn geweest om hun strepen te hebben verloren, en zoo minder in het oog loopend voor hun prooi te zijn geworden; en indien de opeenvolgende afwijkingen waardoor dit doel werd bereikt, vrij laat in het leven plaats hadden gegrepen, zouden de jongen hun strepen hebben behouden, gelijk wij weten, dat werkelijk het geval is. Wat Herten, Zwijnen en Tapirs aangaat, heeft Fritz Müller mij het vermoeden medegedeeld, dat deze dieren door de verwijdering door natuurlijke teeltkeus van hun vlekken en strepen minder gemakkelijk door hun vijanden zouden zijn gezien; en zij zouden deze bescherming vooral noodig hebben gehad, zoodra de Verscheurende Dieren (Carnivora) gedurende de Tertiaire perioden in grootte en aantal toenamen. Dit mag de ware verklaring zijn; maar het is toch tamelijk vreemd, dat de jongen niet even goed zouden zijn beschermd, en nog vreemder dat bij sommige soorten de volwassenen hun vlekken, hetzij gedeeltelijk of geheel, gedurende een deel van het jaar zouden hebben behouden. Wij weten, hoewel wij de oorzaak niet kunnen verklaren, dat als de gewone ezel afwijkt en roodachtig bruin, grijs of zwart wordt, de strepen op de schouders en zelfs op den rug dikwijls verdwijnen.44Zeer weinig paarden, behalve bruin gekleurde,[294]vertoonen strepen op eenig deel van hun lichamen, en toch hebben wij goeden grond om te gelooven, dat het oorspronkelijke paard op de pooten en den rug, en waarschijnlijk op de schouders was gestreept.45Daarom kan het verdwijnen van de vlekken en strepen bij de volwassenen van onze thans levende Herten, Zwijnen en Tapirs het gevolg zijn van een algemeene verandering van de kleur van hun vacht; maar of deze verandering door seksueele of natuurlijke teeltkeus werd teweeggebracht, dan of zij het gevolg was van de directe werking der levensvoorwaarden of van de eene of andere onbekende oorzaak, is onmogelijk te beslissen. Een door den heer Sclater gemaakte opmerking geeft een goed voorbeeld van onze onwetendheid ten opzichte van de wetten die het verschijnen of verdwijnen van strepen regelen; de soorten van het ezelgeslacht (Asinus), die het vasteland van Azië bewonen, bezitten geen strepen, en missen zelfs de kruisstreep op den schouder, terwijl die welke Afrika bewonen, opzichtig zijn gestreept, met gedeeltelijke uitzondering vanAsinus taeniopusdie alleen de kruisstreep op den schouder en gewoonlijk ook eenige onduidelijke dwarsstrepen op de pooten bezit; en deze soort bewoont de omstreeks daar tusschen in liggende streek Opper-Egypte en Abessinië.46(8)[295]Fig. 72.Fig. 72.Kop vanSemnopithecus comatus.Fig. 73.Fig. 73.Kop vanCebus capucinus.Fig. 74.Fig. 74.Kop vanAteles marginatus.Fig. 75.Fig. 75.Kop vanCebus vellerosus.Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana).—Voor wij eindigen, zal het raadzaam zijn eenige weinige opmerkingen te voegen bij die welke wij reeds hebben gemaakt omtrent de tot versiering dienende kenmerken bij apen. Bij de meeste soorten gelijken de seksen op elkander in kleur; maar bij sommige verschillen, gelijk wij hebben gezien, de mannetjes van de wijfjes, vooral in de kleur van de naakte deelen der huid, in de ontwikkeling van den baard, de bakkebaarden en manen. Vele soorten zijn hetzij op een zoo buitengewone of op een zoo schoone wijze gekleurd en van merkwaardige en bevallige haarkammen voorzien, dat wij moeilijk kunnen nalaten om deze kenmerken als ter wille van de versiering verkregen te beschouwen. De nevensgaande afbeeldingen[296](fig.71–75) dienen om de rangschikking van het haar op het gelaat en den kop bij onderscheidene soorten te toonen. Het is moeilijk aan te nemen, dat deze haarkammen en de sterk tegen elkander afstekende kleuren van den pels en de huid alleen het gevolg zouden zijn van veranderlijkheid (variabiliteit) zonder de hulp der teeltkeus; en het is volstrekt niet te begrijpen, dat zij voor die dieren van eenig gewoon nut zijn. Indien dit zoo is, dan zijn zij door seksueele teeltkeus verkregen, hoewel gelijkelijk of bijna gelijkelijk op beide seksen overgeplant. Bij vele Vierhandigen (Quadrumana) hebben wij nog meer bewijzen voor de werking der seksueele teeltkeus in de meerdere grootte en sterkte der mannetjes en in de grootere ontwikkeling der hoektanden in vergelijking van de wijfjes.Ten opzichte van de vreemde wijze waarop beide seksen van sommige soorten zijn gekleurd en de schoonheid van andere, zullen weinige voorbeelden voldoende zijn. Het gelaat vanCercopithecus petaurista(Fig.76) is zwart, terwijl de bakkebaarden en kinbaard wit zijn, met een scherp begrensde ronde witte vlek op den neus, die met kort wit haar is bedekt, hetgeen aan het dier een bijna belachelijk uiterlijk geeft. OokSemnopithecus frontatusheeft een zwartachtig gelaat met een langen zwarten baard en een groote naakte plek van blauwachtig witte kleur op het voorhoofd. Het gelaat vanMacacus lasiotusheeft een vuile vleeschkleur met een scherp begrensde roode vlek op elke wang.Cercopithecus aethiopsheeft een potsierlijk uiterlijk met zijn zwart gelaat, witte bakkebaarden en halskraag, kastanjebruinen kop en een groote naakte witte vlek over elk ooglid. Bij zeer vele soorten zijn de kinbaard, bakkebaarden en haarkammen rondom het gelaat van een andere kleur dan het overige gedeelte van den kop en zijn in dit geval altijd van een lichter tint47, dikwijls zuiver wit, somtijds helder geel of roodachtig. Het geheele gelaat van den Zuid-AmerikaanschenBrachyuruscalvus heeft een „gloeiende scharlakenroode tint”; maar deze kleur verschijnt niet voor het dier bijna volwassen is.48De naakte huid van het gelaat verschilt bij de onderscheidene soorten verwonderlijk veel in kleur. Zij is dikwijls bruin of vleeschkleurig, met volkomen witte gedeelten, en dikwijls zoo zwart als die van den meest roetzwarten neger.[297]Bij denBrachyurusis de scharlakenroode tint levendiger dan die van het meest blozende Kaukasische juffertje. Zij is soms duidelijker oranje dan bij eenigen Mongool, en bij onderscheidene soorten is zij blauw, in violet en grijs overgaande. Bij al de aan den heer Bartlett bekende[298]soorten waarbij de volwassenen van beiderlei sekse sterk gekleurde aangezichten hebben, zijn de kleuren dof of ontbreken gedurende de vroege jeugd. Dit gaat eveneens door bij den Mandril en den Rhesus-aap bij welke het gelaat en de achterdeelen van het lichaam alleen bij de eene sekse schitterend zijn gekleurd. In deze laatste gevallen hebben wij alle reden om te gelooven, dat de kleuren door seksueele teeltkeus werden verkregen; en wij worden er van zelf toe gebracht de zelfde meening tot de voorgaande soorten uit te strekken, hoewel beide seksen, wanneer zij volwassen zijn, op de zelfde wijze gekleurde aangezichten hebben.Fig. 76.Fig. 76.Cercopithecus petaurista(naar Brehm).Hoewel, volgens onzen smaak, vele soorten van apen ver van schoon zijn, worden andere soorten algemeen bewonderd wegens hun bevallig uiterlijk en levendige kleuren. DeSemnopithecus nemaeus, hoewel op bijzondere wijze gekleurd, wordt als uiterst fraai beschreven; het oranjekleurig gelaat wordt omgeven door lange bakkebaarden van een glanzend witte kleur, met een lijn van roodachtig kastanjebruin over de wenkbrauwen; de pels op den rug is van een teeder grijs, met een vierhoekige vlek op de lendenen; de staart en de voorarmen zijn allen zuiver wit; boven de borstkas vindt men een kastanjebruine keel; het achterste gedeelte van de dijen is zwart, en de beenen zijn roodachtig kastanjebruin. Ik wil nog slechts twee andere apen wegens hun schoonheid vermelden en heb deze uitgezocht, daar zij kleine seksueele kleurverschillen vertoonen, hetgeen eenigermate waarschijnlijk maakt, dat beide seksen hun bevallig uiterlijk aan seksueele teeltkeus hebben te danken.Bij den knevelaap (Cercopithecus cephus) is de algemeene kleur van den pels groenachtig gevlekt, met witte keel; bij het mannetje is het uiteinde van den staart kastanjebruin; doch het gelaat is het meest versierde gedeelte, daar de huid er van grootendeels blauwachtig grijs is, onder de oogen in een zwartachtige tint overgaande, met de bovenlip van een teeder blauw, langs den benedenrand met een dunnen zwarten knevel versierd; de bakkebaarden zijn oranjekleurig, met een zwart bovengedeelte en vormen een band die zich achterwaarts tot de ooren uitstrekt, welke laatsten met witachtige haren zijn versierd. In den Londenschen dierentuin heb ik dikwijls de bezoekers de schoonheid van een anderen aap hooren bewonderen, die naar verdienste de Diana-aap (Cercopithecus Diana, Fig.77) wordt genoemd; de algemeene kleur van den pels is grijs; de borst en de binnenzijde van de voorpooten zijn wit; een groote scherp begrensde driehoekige ruimte op het achterste[299]gedeelte van den rug is rijk kastanjebruin; bij het mannetje zijn de binnenzijden der dijen en de onderbuik teeder vaalbruin, en de kruin van den kop is zwart; het gelaat en de ooren zijn donkerzwart en[300]steken fraai af bij een dwarsen witten haarkam die over de wenkbrauwen loopt, en bij een langen witten puntbaard waarvan het basale gedeelte zwart is.49Fig. 77.Fig. 77.De Diana-aap (Cercopithecus Diana) naar Brehm.Bij deze en vele andere apen, dwingen de schoonheid en de vreemdsoortige rangschikking hunner kleuren, en nog meer de veel verscheidenheid vertoonende en bevallige rangschikking van de haarkammen en haarbossen op hun koppen, van mijn geest de overtuiging af, dat deze kenmerken door seksueele teeltkeus uitsluitend als versierselen zijn verkregen.Overzicht.—De wet van den strijd om het bezit der wijfjes schijnt door de geheele groote Klasse der Zoogdieren te heerschen. De meeste natuuronderzoekers zullen toegeven, dat de meerdere lichaamsgrootte, kracht, moed en strijdlustigheid van het mannetje, zijn bijzondere aanvals- (offensieve) en ook verdedigings- (defensieve) wapenen, allen zijn verkregen en gewijzigd door dien vorm van teeltkeus, dien ik seksueele teeltkeus heb genoemd. Deze hangt niet af van eenige meerderheid in den algemeenen strijd om het leven, maar daarvan, dat zekere bepaalde individu’s van ééne sekse, over het algemeen de mannelijke sekse, voorspoedig zijn geweest in het behalen van de zegepraal over andere mannetjes, en dat zij een grooter aantal nakomelingen hebben nagelaten, om hun meerdere voortreffelijkheid te erven, dan de minder voorspoedige mannetjes.Er is een andere en meer vreedzame soort van wedstrijd waarbij de mannetjes de wijfjes trachten op te wekken of aan te lokken door onderscheidene bekoorlijkheden. Dit kan geschieden door de krachtige geuren die de mannetjes gedurende den paartijd van zich geven; de riekende stoffen afscheidende klieren zijn dan door seksueele teeltkeus verkregen. Of de zelfde meening tot de stem mag worden uitgestrekt, is twijfelachtig; want de stemorganen der mannetjes kunnen gedurende den volwassen leeftijd door het gebruik zijn versterkt, onder de machtige prikkels van liefde, ijverzucht of woede en op de zelfde sekse zijn overgeplant. Onderscheidene haarkammen, haarbossen en haarmantels die hetzij tot het mannetje zijn beperkt, of bij deze sekse meer[301]ontwikkeld dan bij de wijfjes, schijnen in de meeste gevallen eenvoudig tot versiering te dienen, hoewel zij somtijds tot een verdedigingsmiddel tegen mededingende mannetjes strekken. Er is zelfs grond om te vermoeden, dat de vertakte horens van herten, en de bevallige horens van sommige antilopen, hoewel oorspronkelijk tot aanvals- (offensieve) of verdedigings- (defensieve) wapenen dienende, gedeeltelijk ter wille van versiering zijn gewijzigd.Als het mannetje in kleur van het wijfje verschilt, vertoont hij over het algemeen donkerder en sterker tegen elkander afstekende tinten. Wij ontmoeten in deze Klasse de prachtige roode, blauwe, gele en groene kleuren niet, die bij mannelijke Vogels en vele andere dieren zoo algemeen zijn. De naakte deelen van vele Vierhandigen (Quadrumana) moeten hier echter worden uitgezonderd; want die deelen, dikwerf op koddige plaatsen gelegen, zijn bij sommige soorten op de schitterendste wijze gekleurd. De kleuren van het mannetje kunnen in andere gevallen het gevolg zijn van eenvoudige afwijking, zonder de hulp van teeltkeus. Wanneer echter de kleuren veel verscheidenheid vertoonen of sterk zijn uitgedrukt, als zij niet tot ontwikkeling komen dan op omtrent volwassen leeftijd, en als zij na ontmanning verloren gaan, kunnen wij moeilijk het besluit vermijden, dat zij zijn verkregen door seksueele teeltkeus ter wille van de versiering, en uitsluitend of bijna uitsluitend op de zelfde sekse zijn overgeplant. Als beide seksen op de zelfde wijze zijn gekleurd, en de kleuren opzichtig of opmerkelijk zijn gerangschikt, zonder dat zij in het minst tot bescherming schijnen te dienen, en vooral wanneer zij met onderscheidene andere tot versiering dienende aanhangsels zijn verbonden, worden wij door de analogie tot het zelfde besluit geleid, namelijk dat zij door de seksueele teeltkeus zijn verkregen, hoewel zij op beide seksen worden overgeplant.Dat opzichtige en verscheidenheid vertoonende kleuren, hetzij tot de mannetjes beperkt of aan beide seksen gemeen, in den regel in de zelfde groepen en onder-groepen met andere secundaire seksueele kenmerken zijn verbonden, die voor het gevecht of tot versiering dienen, zal men vinden, dat het steek houdt, als men terugziet op de onderscheidene in dit en het vorige hoofdstuk medegedeelde gevallen.De wet van de gelijke overplanting van kenmerken op beide seksen heeft, wat kleur en andere versierselen aangaat, veel uitgebreider bij de Zoogdieren dan bij de Vogels geheerscht; wat echter wapenen, zooals horens en slagtanden aangaat, deze zijn dikwijls uitsluitend of[302]in veel hoogere mate op de mannetjes dan op de wijfjes overgeplant. Dit is een verrassende omstandigheid; want daar de mannetjes hun wapenen als een verdedigingsmiddel tegen allerlei soort van vijanden gebruiken, zouden deze wapenen het wijfje van dienst zijn geweest. Hun ontbreken bij deze sekse kan, zoover wij kunnen zien, alleen worden verklaard door den vorm van erfelijkheid die de overhand heeft behouden. Eindelijk is bij de viervoetige dieren de wedstrijd tusschen de individu’s van de zelfde sekse, hetzij dievreedzaamof bloedig was, op hoogst zeldzame uitzonderingen na beperkt gebleven tot de mannetjes, zoodat deze veel algemeener dan de wijfjes door de seksueele teeltkeus zijn gewijzigd, hetzij om met elkander te vechten of om de tegenovergestelde sekse aan te lokken.[Inhoud]AANTEEKENINGEN.(1)Als bijdrage tot de anatomische overeenstemming tusschen den mensch en de anthropomorphen kunnen wij hier bijvoegen, dat Prof. Gouber te Petersburg ook aan het strottenhoofd van het lijk van een man twee vliezige zakken aantrof, die van daaruit met lucht konden worden gevuld, reeds uitwendig aan weerszijden van den hals voelbaar waren, en in aard en plaats geheel overeenstemden met die welke men bij de anthropomorphen en nog eenige andere op lageren trap slaande apen aantreft, maar bij den mensch nog nooit waren gevonden. Bij dit individu moet hun voorkomen door atavisme worden verklaard („Archiv f. Anat. u. Phys.”, 1874, blz. 606).(2)De stinkdieren (Engelsch „skunk”) vormen het geslachtMephitis. Brehm zegt („Thierleben”, Bd. I, blz. 505), dat hij niet in staat is de werking der door de klieren dezer dieren afgescheiden stof naar behooren te schilderen. „Geen scheikundig laboratorium, geen sekreetput, geen hoop rottende krengen, om kort te gaan, geen stank op aarde moet in hevigheid en onuitstaanbaarheid dien evenaren, welken de uiterlijk zoo sierlijke stinkdieren verspreiden en weken lang aan een voorwerp kunnen mededeelen. Men geeft aan dien stank den naam van „peststank”; want werkelijk wordt iemand die het ongeluk had met een stinkdier in aanraking te komen, gelijk aan een met de pest besmette. De stinkdieren zijn, niettegenstaande hun geringe grootte, zulke geweldige en machtige vijanden van den mensch, dat zij hem dien zij met hun vreeselijk vocht hebben bespoten, bijna uit de maatschappij verbannen en hem zelf een straf opleggen, die moeilijk door eenige andere kan worden overtroffen. Zij zijn in staat om een geheel huis onbewoonbaar te maken en een geheel magazijn, met de kostbaarste stoffen gevuld, volkomen niets waard te maken” .…..…. „De eerste die een uitvoerige beschrijving van het stinkdier50geeft, is Kalm. „Het dier”, zegt hij, „is wegens zijn bijzondere eigenschap bekend. Wordt het door honden of menschen vervolgd, dan loopt het eerst zoo snel[303]als het kan, of klimt op een boom; vindt het geen uitweg meer, dan wendt het nog één middel aan, dat hem overig is; het spuit op zijn vijand zijn pis51, en dat wel op grooten afstand. Eenige lieden hebben mij verhaald, dat hun met dit schandelijke sap het gezicht geheel was bespoten, hoewel zij er nog omtrent5,4meter van verwijderd waren geweest. Dit vocht heeft een zoo onverdragelijken stank, dat een erger ondenkbaar is. Is iemand op het oogenblik van het uitspuiten in de nabijheid van het dier, dan kan hij nauwelijks adem halen, en het is hem later te moede alsof hij zal stikken. Ja, komt dit pestsap in de oogen, zoo loopt men gevaar het gezicht te verliezen, en uit kleederen is de stank bijna in het geheel niet meer te krijgen, men mag ze wasschen, zoo dikwijls men wil. Vele honden loopen weg zoodra de straal hen treft; goede vangers houden echter niet op met den vluchteling na te zetten voordat zij hem hebben doodgebeten. Zij wrijven echter hun snuit op den grond om den stank eenigermate te verdrijven.””„„De onaangename reuk gaat zelden vroeger dan na een maand uit de kleederen; zij verliezen echter toch het meeste daarvan als men ze vier-en-twintig uren lang met aarde bedekt. Ook de hand en het aangezicht moet men ten minste een uur lang met aarde wrijven, daar wasschen niets helpt. Toen een aanzienlijk man die onverwachts was bespoten, zich in een huis wilde wasschen, sloot men de deuren en de menschen liep weg. Bespoten honden laat men dagen lang in geen huis. Als men in een bosch reist, moet men zich dikwijls langen tijd den neus toehouden, ingeval het dier op een plaats zijn pestreuk heeft verspreid. Ik sliep eens op een erf waar een lam was geslacht, en een dergelijk dier kwam aansluipen; de hond zag het en verjaagde het. Daar ontstond plotseling zulk een stank, dat ik meende te moeten verstikken; zelfs de koeien loeiden zoo hard zij konden. De keukenmeid bemerkte, dat verscheidene dagen na elkander van het vleesch was gesnoept; zij versperde daarom alle toegangen om de katten er af te houden. Den volgenden nacht hoorde zij echter een gerucht in den kelder en ging daarom naar beneden. Daar zag zij een dier met vurige oogen, dat haar heel rustig scheen te verwachten. Zij greep echter moed en sloeg het dood. Plotseling ontstond echter zulk een stank, dat zij er eenige dagenlang ziek van was en men alle eetwaren in den kelder en ook het brood en vleesch moest wegwerpen.””„Het stinkdier is zich van zijn vreeselijk wapen zoo goed bewust, dat het in het minst niet schuw of bang is. Al zijn bewegingen zijn langzaam. Het kan noch springen noch klauteren, doch slechts loopen en huppelen. Bij het gaan zet het bijna de geheele voetzool op den grond, welft den rug en draagt den staart naar beneden gericht.Nuen dan woelt het in den grond of snuffelt naar iets eetbaars in het rond. Ontmoet men het dier nu toevallig, dan blijft het heel rustig staan, licht den staart op, draait zich om en spuit het vocht recht voor zich uit.”„„Toen mijn zoon”, verhaalt Siedhof, „op een avond langzaam buiten rondwandelde, kwam plotseling een stinkdier op hem los en beet zich in zijn broek vast. Hij schudde het met moeite los en trapte het dood. Toen hij echter thuis kwam, verspreidde zich uit zijn door het gevaarlijke dier natgemaakte kleederen een zoo doordringende, afschuwelijke knoflookstank, dat er oogenblikkelijk het geheele huis vol van was, de bevriende families die er[304]juist een bezoek brachten, dadelijk wegliepen en de bewoners die niet konden vluchten, er van moesten braken. Alle berooken en luchten hielp niet; zelfs na een maand was de stank nog te bespeuren. De laarzen riekten, zoodra zij warm werden, nog vier maanden lang, hoewel zij in den rook waren gehangen en met chloorwater gewasschen. Het ongeluk was in December gebeurd. Het dier was in den tuin begraven; maar in de eerstvolgende Augustusmaand kon men zijn rustplaats nog aan den stank herkennen.””Van een Zuid-Amerikaansch stinkdier zegt Brehm (ibid., blz. 508), dat een hond die acht dagen te voren er door was bespoten en meer dan twintig malen gewasschen en nog veelvuldiger met zand gewreven, een hut zoodanig verpestte, dat men het er niet in kon uithouden. „Azara gelooft, dat men den stank wel 800 meter ver kan ruiken.”In gevangen staat „worden de stinkdieren na korten tijd zeer tam en wennen zich eenigermate aan hun verpleger, hoewel zij in het begin het achterste voor gaan met opgeheven staart, om hun geschut altijd tot losbranden gereed te houden.”(3)Onder de spitsmuizen zijn o.a.Sorex vulgarisenS. araneuswegens hun muskusgeur merkwaardig. Overigens noemen wij nog als in dat opzicht uitmuntende, de groote Aziatische vleermuizen van het geslachtPteropus, de desmans (Myogale moschataenM. pyrenaïca), de civetkat (Viverra civetta), de zibethkat (Viverra zibetha), den aardwolf (Proteles Lalandii), de ondatra (Fiber zibethicus), het rivierpaard (Hippopotamus amphibius), enz. Als dieren die stinkende afscheidingen als verdedigingsmiddel gebruiken, zouden hier nog de bunsing (Mustela putorius), de Oost-Indische stinkdassen (Midaus), de Afrikaansche bandbunsing (Rhabdogale) en honigdassen (Ratelus), en vele andere kunnen worden genoemd.(4)Phalangista vulpina, Desm.(5)Phascolomys fossor, Wagn.(6)Waarschijnlijk zijn hier het aschgrauwe eekhoorntje (Sciurus cinereus) en het zwarte eekhoorntje (Sciurus niger) van Noord-Amerika bedoeld. Dit zijn echter verschillende soorten, zoodat het zwarte eekhoorntje geenszins een nu en dan voorkomende verscheidenheid van het aschgrauwe is.(7)Bij alle Herkauwende Dieren (Ruminantia), behalve bijHyomoschus aquaticus(en bij de uitgestorven groep der Anoplotheroiden) zijn de beenderen van de middelhand en evenzoo ook die van den middelvoet, tot één been samengesmolten; bijHyomoschus aquaticus(en bij de Anoplotheroiden) zijn zij gescheiden evenals bij de Dikhuidigen (Pachydermata). Gedurende het vruchtleven echter zijn zij bij alle Herkauwende Dieren gescheiden, hetgeen dus den regel bevestigt, dat het individu gedurende het vruchtleven toestanden doorloopt, die als het ware een verkorte herhaling zijn van de toestanden, in vroeger eeuwen door de soort gedurende haar ontwikkeling doorloopen.52(8)Dr. G. H. T. Eimer teTübingenenWeismannte Freiburg i/Br. hebben[305]kleuren en teekeningen der dieren en de veranderingen welke deze in den loop der ontwikkeling ondergaan, onderzocht, en zijn tot het besluit gekomen dat deze veranderingen volstrekt niet altijd het gevolg van teeltkeus kunnen zijn. Eimer bevond, dat in het geheele dierenrijk de overlangsche streping de oorspronkelijke is, dat deze zich in den loop der ontwikkeling in vlekken verdeelt, en deze laatsten zich eindelijk tot dwarsstrepen verbinden. Zulk een regelmatige verandering moet haar oorzaken in de geaardheid des lichaams hebben; de op een gegeven oogenblik voorhanden eigenschappen moeten invloed bezitten op de veranderingen welke de soort zal doorloopen. De geaardheid (constitutie) des lichaams heeft dus invloed zoowel op het ontstaan der afwijkingen (variaties) als op de verdere ontwikkeling daarvan.53Eimer vermoedt, dat de oorspronkelijk algemeen heerschende overlangsche streping der dieren in betrekking staat tot de oudtijds heerschende monocotyledone plantenwereld; ook thans kan men nog waarnemen, dat overlangs gestreepte hagedissen vooral op met gras begroeide plaatsen, overlangs gestreepte rupsen op grassen of naaldhout (een nog ouder type dan de monocotyledonen) zitten, waar hun overlangsche streping het minst in het oog valt. Hier is deze blijven bestaan, terwijl zij op plaatsen met gevlekte schaduw (zooals de dicotyledonen door den vorm hunner bladeren afwerpen) zich in een gevlekte teekening verandert.Het springt, dunkt ons, in het oog, dat zoo de in de vorige alinea gemaakte onderstelling juist is, zoowel de overlangsche streping als de gevlekte teekening door natuurlijke teeltkeus kan worden verklaard.[306]
Fig. 68.Fig. 68.Tragelaphus scriptus, mannetje (naar de Knowsley Menagery).Hoewel wij moeten toegeven, dat vele viervoetige dieren hun tegenwoordige tinten als een bescherming hebben verkregen, zijn toch bij een menigte soorten de kleuren veel te opzichtig en te vreemdsoortig gerangschikt, om ons de veronderstelling toe te laten, dat zij voor dit doel dienen. Wij kunnen als een voorbeeld sommige antilopen nemen: als wij zien, dat de vierkante witte vlek aan de keel, de witte teekeningen op de vetlokken, en de ronde zwarte vlekken aan de ooren, allen bij het mannetje vanPortax pictaduidelijker zijn dan bij het wijfje;—als wij zien, dat de kleuren levendiger, dat de smalle witte lijnen op de zijden en de breede witte streep op den schouder duidelijker zijn bij den mannelijkenOreas Derbyanusdan bij den vrouwelijken; als wij een gelijksoortig verschil zien tusschen de seksen van den vreemdsoortig versierdenTragelaphus scriptus(Fig.68),—mogen wij besluiten, dat deze kleuren en onderscheidene versierselen op zijn minst zijn versterkt door seksueele teeltkeus. Het is niet aan te nemen, dat dergelijke kleuren en teekeningen dezer dieren van eenigen rechtstreekschen of gewonen dienst kunnen zijn, en daar zij bijna zeker door seksueele teeltkeus zijn versterkt, is het waarschijnlijk, dat zij oorspronkelijk door dit zelfde proces zijn verkregen en daarna gedeeltelijk op de wijfjes overgeplant. Indien deze meening mag worden aangenomen, kan er weinig twijfel overblijven, dat de vreemdsoortige kleuren en teekeningen van vele andere antilopen, hoewel aan beide seksen gemeen, op de zelfde wijze zijn verkregen en overgebracht. Beide seksen, bij voorbeeld van de Koedoe-antilope (Strepsiceros Kudu, Fig.69), hebben smalle witte loodrechte lijnen op het achterste gedeelte van hun zijden, en een bevallige hoekvormige witte teekening op hun voorhoofd. In het geslachtDamalis[289]zijn beide seksen zeer vreemd gekleurd; bijDamalispygargazijn de rug en hals purperachtig rood, aan de zijden in zwart overgaande, en scherp gescheiden van den witten buik en de groote witte plek op het kruis; de kop is nog vreemder gekleurd; een langwerpig wit masker, met een smallen zwarten rand omzoomd, bedekt het gelaat tot op de hoogte der oogen (Fig.70); er zijn drie witte strepen op het voorhoofd en de ooren vertoonen witte teekeningen. De jongen van deze soort zijn van een eenvormig bleeke geelbruine kleur. BijDamalis albifronsverschilt de kleur van den kop van die bij de laatste soort, doordat ééne enkele witte streep de drie strepen vervangt en de ooren bijna[290]geheel wit zijn.39Na, zoo goed mij mogelijk was, de seksueele verschillen van dieren, tot alle klassen behoorende, te hebben bestudeerd, kan ik het besluit niet vermijden, dat de opmerkelijk gerangschikte kleuren van vele antilopen, hoewel aan beide seksen gemeen, het gevolg zijn van oorspronkelijk op het mannetje toegepaste seksueele teeltkeus.Fig. 69.Fig. 69.Koedoe-antilope (StrepsicerosKudu) naar Andrew Smith’s „Zoology ofSouth Africa”.Het zelfde besluit mag wellicht worden uitgestrekt tot den tijger, een van de schoonste dieren der wereld, waarvan de seksen niet door haar kleur kunnen worden onderscheiden, zelfs niet door handelaars in wilde dieren. De heer Wallace40gelooft, dat het gestreepte kleed van den tijger „zoozeer gelijkt op de loodrechte halmen van het bamboesriet, dat zulks hem zeer helpt om hem voor zijn naderende prooi te verbergen.” Deze verklaring schijnt mij echter niet bevredigend. Wij kennen sommige feiten die er eenigszins voor pleiten, dat zijn schoonheid een gevolg van seksueele teeltkeus kan zijn; want bij twee soorten van het kattengeslacht (Felis) zijn soortgelijke teekeningen en kleuren bij het mannetje iets levendiger dan bij het wijfje. De Zebra is opzichtig gestreept, en op de open vlakten van Zuid-Afrika[291]kunnen strepen volstrekt geen bescherming opleveren. Burchell41zegt, een kudde beschrijvende, „hun glanzige ribben glinsterden in de zon en de levendigheid en regelmatigheid hunner gestreepte huiden vormde een schilderij van buitengewone schoonheid, waarin zij waarschijnlijk door geen enkel ander viervoetig dier worden overtroffen.” Hier hebben wij geen bewijs voor een seksueele teeltkeus, daar in de geheele groep der Paardachtige Dieren (Equidae) de seksen in kleur overeenstemmen. Desniettemin zal hij, die de witte en donkere loodrechte strepen op de zijden van verscheidene antilopen aan seksueele teeltkeus toeschrijft, waarschijnlijk de zelfde meening tot den Koningstijger en den schoonen Zebra uitstrekken.Fig. 70.Fig. 70.DamalisPygarga, mannetje (naar de Knowsley Menagery).Wij hebben in een vorighoofdstukgezien dat, wanneer jonge dieren, tot welke Klasse zij ook behooren, bijna de zelfde levenswijze leiden als hun ouders en toch op verschillende wijze zijn gekleurd, wij daaruit het besluit mogen trekken, dat zij de kleur van den eenen of anderen ouden en uitgestorven stamvader hebben bewaard. In de Familie der Zwijnen en in het geslachtTapiruszijn de jongen met overlangsche strepen beteekend en verschillen dus van de volwassenen van alle levende soorten in deze beide groepen. Bij vele soorten van Herten zijn de jongen met bevallige witte vlekken beteekend, van[292]welke de ouders geen spoor vertoonen. Een reeks van trapsgewijze overgangen kan worden gevolgd van het Axis-hert van hetwelk beide seksen op alle leeftijden en gedurende alle jaargetijden fraai zijn gevlekt (terwijl het mannetje iets sterker is gekleurd dan het wijfje)—tot soorten bij welke noch de ouden noch de jongen zijn gevlekt. Ik wil eenige termen van deze reeks opnoemen. Het Mantchoerijsche hert (Cervus Mantchuricus) is gedurende het geheele jaar gevlekt; maar, gelijk ik in den Londenschen dierentuin heb gezien, zijn de vlekken veel duidelijker gedurende den zomer, als de algemeene kleur van de vacht lichter is, dan gedurende den winter, wanneer de algemeene kleur donkerder is en de horens volkomen zijn ontwikkeld. Bij het zwijnshert (Hyelaphus porcinus) vallen de vlekken zeer sterk in het oog gedurende den zomer, als de vacht roodachtig bruin is, maar verdwijnen geheel en al gedurende den winter, wanneer de vacht bruin is.42Bij beide deze soorten zijn de jongen gevlekt. Bij het Virginische hert zijn de jongen eveneens gevlekt, en omstreeks vijf percent van de volwassen dieren die in Judge Caton’s park leven, vertoonen, naar hij mij heeft medegedeeld, tijdelijk gedurende het tijdperk waarin zij bezig zijn met het roode zomerkleed tegen het blauwachtige winterkleed te verruilen, een rij vlekken op elke zijde, die altijd evenveel in getal, hoewel zeer verschillend in duidelijkheid zijn. Van dezen toestand is er nog slechts een zeer kleine stap tot volkomen afwezigheid van vlekken in alle jaargetijden bij de volwassenen, en eindelijk tot hun afwezigheid op alle leeftijden, gelijk bij sommige soorten het geval is. Uit het bestaan van deze volkomen reeks, en meer bijzonder uit het gevlekt zijn van de jongen van zoovele soorten mogen wij het besluit trekken, dat de nu levende leden van de Familie der Herten deafstammelingenzijn van de eene of andere soort die, evenals het Axis-hert, op alle leeftijden en in alle jaargetijden was gevlekt. Een nog ouder voorvader geleek waarschijnlijk tot op zekere hoogte opHyomoschus aquaticus;—want dit dier is gevlekt, en de ongehorende mannetjes hebben groote, naar buiten uitstekende hoektanden van welke eenige weinige ware herten rudimenten hebben bewaard. Dit dier levert ons ook een van die belangwekkende gevallen op van een vorm die twee groepen met elkander[293]verbindt; want door sommige osteologische kenmerken staat het tusschen de Dikhuidigen (Pachydermata) en de Herkauwende Dieren (Ruminantia) in die men vroeger voor volkomen onderscheiden hield.43(7)Fig. 71.Fig. 71.Kop vanSemnopithecus rubicundus. Deze en de volgende afbeeldingen zijn gegeven om de koddige rangschikking en ontwikkeling van het haar op den kop te doen zien.Hier rijst een opmerkelijke zwarigheid op. Indien wij aannemen, dat gekleurde vlekken en strepen als een versiering zijn verkregen, hoe komt het dan, dat zoo vele thans levende soorten van herten, de afstammelingen van een oorspronkelijk gevlekt dier, en alle soorten van zwijnen en tapirs, de afstammelingen van een oorspronkelijk gestreept dier, in hun volwassen toestand hun vroegere versierselen hebben verloren? Op deze vraag kan ik geen bevredigend antwoord geven. Wij kunnen bijna zeker zijn, dat de vlekken en strepen bij de voorouders van onze bestaande soorten op volwassen of omtrent volwassen leeftijd verdwenen, zoodat zij door de jongen en, volgens de wet van overerving op overeenkomstige leeftijden, door de jongen van alle volgende geslachten werden behouden. Het kan voor den leeuw en de puma, wegens de open natuur van de plaatsen waar zij zich gewoonlijk ophouden, een groot voordeel zijn geweest om hun strepen te hebben verloren, en zoo minder in het oog loopend voor hun prooi te zijn geworden; en indien de opeenvolgende afwijkingen waardoor dit doel werd bereikt, vrij laat in het leven plaats hadden gegrepen, zouden de jongen hun strepen hebben behouden, gelijk wij weten, dat werkelijk het geval is. Wat Herten, Zwijnen en Tapirs aangaat, heeft Fritz Müller mij het vermoeden medegedeeld, dat deze dieren door de verwijdering door natuurlijke teeltkeus van hun vlekken en strepen minder gemakkelijk door hun vijanden zouden zijn gezien; en zij zouden deze bescherming vooral noodig hebben gehad, zoodra de Verscheurende Dieren (Carnivora) gedurende de Tertiaire perioden in grootte en aantal toenamen. Dit mag de ware verklaring zijn; maar het is toch tamelijk vreemd, dat de jongen niet even goed zouden zijn beschermd, en nog vreemder dat bij sommige soorten de volwassenen hun vlekken, hetzij gedeeltelijk of geheel, gedurende een deel van het jaar zouden hebben behouden. Wij weten, hoewel wij de oorzaak niet kunnen verklaren, dat als de gewone ezel afwijkt en roodachtig bruin, grijs of zwart wordt, de strepen op de schouders en zelfs op den rug dikwijls verdwijnen.44Zeer weinig paarden, behalve bruin gekleurde,[294]vertoonen strepen op eenig deel van hun lichamen, en toch hebben wij goeden grond om te gelooven, dat het oorspronkelijke paard op de pooten en den rug, en waarschijnlijk op de schouders was gestreept.45Daarom kan het verdwijnen van de vlekken en strepen bij de volwassenen van onze thans levende Herten, Zwijnen en Tapirs het gevolg zijn van een algemeene verandering van de kleur van hun vacht; maar of deze verandering door seksueele of natuurlijke teeltkeus werd teweeggebracht, dan of zij het gevolg was van de directe werking der levensvoorwaarden of van de eene of andere onbekende oorzaak, is onmogelijk te beslissen. Een door den heer Sclater gemaakte opmerking geeft een goed voorbeeld van onze onwetendheid ten opzichte van de wetten die het verschijnen of verdwijnen van strepen regelen; de soorten van het ezelgeslacht (Asinus), die het vasteland van Azië bewonen, bezitten geen strepen, en missen zelfs de kruisstreep op den schouder, terwijl die welke Afrika bewonen, opzichtig zijn gestreept, met gedeeltelijke uitzondering vanAsinus taeniopusdie alleen de kruisstreep op den schouder en gewoonlijk ook eenige onduidelijke dwarsstrepen op de pooten bezit; en deze soort bewoont de omstreeks daar tusschen in liggende streek Opper-Egypte en Abessinië.46(8)[295]Fig. 72.Fig. 72.Kop vanSemnopithecus comatus.Fig. 73.Fig. 73.Kop vanCebus capucinus.Fig. 74.Fig. 74.Kop vanAteles marginatus.Fig. 75.Fig. 75.Kop vanCebus vellerosus.Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana).—Voor wij eindigen, zal het raadzaam zijn eenige weinige opmerkingen te voegen bij die welke wij reeds hebben gemaakt omtrent de tot versiering dienende kenmerken bij apen. Bij de meeste soorten gelijken de seksen op elkander in kleur; maar bij sommige verschillen, gelijk wij hebben gezien, de mannetjes van de wijfjes, vooral in de kleur van de naakte deelen der huid, in de ontwikkeling van den baard, de bakkebaarden en manen. Vele soorten zijn hetzij op een zoo buitengewone of op een zoo schoone wijze gekleurd en van merkwaardige en bevallige haarkammen voorzien, dat wij moeilijk kunnen nalaten om deze kenmerken als ter wille van de versiering verkregen te beschouwen. De nevensgaande afbeeldingen[296](fig.71–75) dienen om de rangschikking van het haar op het gelaat en den kop bij onderscheidene soorten te toonen. Het is moeilijk aan te nemen, dat deze haarkammen en de sterk tegen elkander afstekende kleuren van den pels en de huid alleen het gevolg zouden zijn van veranderlijkheid (variabiliteit) zonder de hulp der teeltkeus; en het is volstrekt niet te begrijpen, dat zij voor die dieren van eenig gewoon nut zijn. Indien dit zoo is, dan zijn zij door seksueele teeltkeus verkregen, hoewel gelijkelijk of bijna gelijkelijk op beide seksen overgeplant. Bij vele Vierhandigen (Quadrumana) hebben wij nog meer bewijzen voor de werking der seksueele teeltkeus in de meerdere grootte en sterkte der mannetjes en in de grootere ontwikkeling der hoektanden in vergelijking van de wijfjes.Ten opzichte van de vreemde wijze waarop beide seksen van sommige soorten zijn gekleurd en de schoonheid van andere, zullen weinige voorbeelden voldoende zijn. Het gelaat vanCercopithecus petaurista(Fig.76) is zwart, terwijl de bakkebaarden en kinbaard wit zijn, met een scherp begrensde ronde witte vlek op den neus, die met kort wit haar is bedekt, hetgeen aan het dier een bijna belachelijk uiterlijk geeft. OokSemnopithecus frontatusheeft een zwartachtig gelaat met een langen zwarten baard en een groote naakte plek van blauwachtig witte kleur op het voorhoofd. Het gelaat vanMacacus lasiotusheeft een vuile vleeschkleur met een scherp begrensde roode vlek op elke wang.Cercopithecus aethiopsheeft een potsierlijk uiterlijk met zijn zwart gelaat, witte bakkebaarden en halskraag, kastanjebruinen kop en een groote naakte witte vlek over elk ooglid. Bij zeer vele soorten zijn de kinbaard, bakkebaarden en haarkammen rondom het gelaat van een andere kleur dan het overige gedeelte van den kop en zijn in dit geval altijd van een lichter tint47, dikwijls zuiver wit, somtijds helder geel of roodachtig. Het geheele gelaat van den Zuid-AmerikaanschenBrachyuruscalvus heeft een „gloeiende scharlakenroode tint”; maar deze kleur verschijnt niet voor het dier bijna volwassen is.48De naakte huid van het gelaat verschilt bij de onderscheidene soorten verwonderlijk veel in kleur. Zij is dikwijls bruin of vleeschkleurig, met volkomen witte gedeelten, en dikwijls zoo zwart als die van den meest roetzwarten neger.[297]Bij denBrachyurusis de scharlakenroode tint levendiger dan die van het meest blozende Kaukasische juffertje. Zij is soms duidelijker oranje dan bij eenigen Mongool, en bij onderscheidene soorten is zij blauw, in violet en grijs overgaande. Bij al de aan den heer Bartlett bekende[298]soorten waarbij de volwassenen van beiderlei sekse sterk gekleurde aangezichten hebben, zijn de kleuren dof of ontbreken gedurende de vroege jeugd. Dit gaat eveneens door bij den Mandril en den Rhesus-aap bij welke het gelaat en de achterdeelen van het lichaam alleen bij de eene sekse schitterend zijn gekleurd. In deze laatste gevallen hebben wij alle reden om te gelooven, dat de kleuren door seksueele teeltkeus werden verkregen; en wij worden er van zelf toe gebracht de zelfde meening tot de voorgaande soorten uit te strekken, hoewel beide seksen, wanneer zij volwassen zijn, op de zelfde wijze gekleurde aangezichten hebben.Fig. 76.Fig. 76.Cercopithecus petaurista(naar Brehm).Hoewel, volgens onzen smaak, vele soorten van apen ver van schoon zijn, worden andere soorten algemeen bewonderd wegens hun bevallig uiterlijk en levendige kleuren. DeSemnopithecus nemaeus, hoewel op bijzondere wijze gekleurd, wordt als uiterst fraai beschreven; het oranjekleurig gelaat wordt omgeven door lange bakkebaarden van een glanzend witte kleur, met een lijn van roodachtig kastanjebruin over de wenkbrauwen; de pels op den rug is van een teeder grijs, met een vierhoekige vlek op de lendenen; de staart en de voorarmen zijn allen zuiver wit; boven de borstkas vindt men een kastanjebruine keel; het achterste gedeelte van de dijen is zwart, en de beenen zijn roodachtig kastanjebruin. Ik wil nog slechts twee andere apen wegens hun schoonheid vermelden en heb deze uitgezocht, daar zij kleine seksueele kleurverschillen vertoonen, hetgeen eenigermate waarschijnlijk maakt, dat beide seksen hun bevallig uiterlijk aan seksueele teeltkeus hebben te danken.Bij den knevelaap (Cercopithecus cephus) is de algemeene kleur van den pels groenachtig gevlekt, met witte keel; bij het mannetje is het uiteinde van den staart kastanjebruin; doch het gelaat is het meest versierde gedeelte, daar de huid er van grootendeels blauwachtig grijs is, onder de oogen in een zwartachtige tint overgaande, met de bovenlip van een teeder blauw, langs den benedenrand met een dunnen zwarten knevel versierd; de bakkebaarden zijn oranjekleurig, met een zwart bovengedeelte en vormen een band die zich achterwaarts tot de ooren uitstrekt, welke laatsten met witachtige haren zijn versierd. In den Londenschen dierentuin heb ik dikwijls de bezoekers de schoonheid van een anderen aap hooren bewonderen, die naar verdienste de Diana-aap (Cercopithecus Diana, Fig.77) wordt genoemd; de algemeene kleur van den pels is grijs; de borst en de binnenzijde van de voorpooten zijn wit; een groote scherp begrensde driehoekige ruimte op het achterste[299]gedeelte van den rug is rijk kastanjebruin; bij het mannetje zijn de binnenzijden der dijen en de onderbuik teeder vaalbruin, en de kruin van den kop is zwart; het gelaat en de ooren zijn donkerzwart en[300]steken fraai af bij een dwarsen witten haarkam die over de wenkbrauwen loopt, en bij een langen witten puntbaard waarvan het basale gedeelte zwart is.49Fig. 77.Fig. 77.De Diana-aap (Cercopithecus Diana) naar Brehm.Bij deze en vele andere apen, dwingen de schoonheid en de vreemdsoortige rangschikking hunner kleuren, en nog meer de veel verscheidenheid vertoonende en bevallige rangschikking van de haarkammen en haarbossen op hun koppen, van mijn geest de overtuiging af, dat deze kenmerken door seksueele teeltkeus uitsluitend als versierselen zijn verkregen.Overzicht.—De wet van den strijd om het bezit der wijfjes schijnt door de geheele groote Klasse der Zoogdieren te heerschen. De meeste natuuronderzoekers zullen toegeven, dat de meerdere lichaamsgrootte, kracht, moed en strijdlustigheid van het mannetje, zijn bijzondere aanvals- (offensieve) en ook verdedigings- (defensieve) wapenen, allen zijn verkregen en gewijzigd door dien vorm van teeltkeus, dien ik seksueele teeltkeus heb genoemd. Deze hangt niet af van eenige meerderheid in den algemeenen strijd om het leven, maar daarvan, dat zekere bepaalde individu’s van ééne sekse, over het algemeen de mannelijke sekse, voorspoedig zijn geweest in het behalen van de zegepraal over andere mannetjes, en dat zij een grooter aantal nakomelingen hebben nagelaten, om hun meerdere voortreffelijkheid te erven, dan de minder voorspoedige mannetjes.Er is een andere en meer vreedzame soort van wedstrijd waarbij de mannetjes de wijfjes trachten op te wekken of aan te lokken door onderscheidene bekoorlijkheden. Dit kan geschieden door de krachtige geuren die de mannetjes gedurende den paartijd van zich geven; de riekende stoffen afscheidende klieren zijn dan door seksueele teeltkeus verkregen. Of de zelfde meening tot de stem mag worden uitgestrekt, is twijfelachtig; want de stemorganen der mannetjes kunnen gedurende den volwassen leeftijd door het gebruik zijn versterkt, onder de machtige prikkels van liefde, ijverzucht of woede en op de zelfde sekse zijn overgeplant. Onderscheidene haarkammen, haarbossen en haarmantels die hetzij tot het mannetje zijn beperkt, of bij deze sekse meer[301]ontwikkeld dan bij de wijfjes, schijnen in de meeste gevallen eenvoudig tot versiering te dienen, hoewel zij somtijds tot een verdedigingsmiddel tegen mededingende mannetjes strekken. Er is zelfs grond om te vermoeden, dat de vertakte horens van herten, en de bevallige horens van sommige antilopen, hoewel oorspronkelijk tot aanvals- (offensieve) of verdedigings- (defensieve) wapenen dienende, gedeeltelijk ter wille van versiering zijn gewijzigd.Als het mannetje in kleur van het wijfje verschilt, vertoont hij over het algemeen donkerder en sterker tegen elkander afstekende tinten. Wij ontmoeten in deze Klasse de prachtige roode, blauwe, gele en groene kleuren niet, die bij mannelijke Vogels en vele andere dieren zoo algemeen zijn. De naakte deelen van vele Vierhandigen (Quadrumana) moeten hier echter worden uitgezonderd; want die deelen, dikwerf op koddige plaatsen gelegen, zijn bij sommige soorten op de schitterendste wijze gekleurd. De kleuren van het mannetje kunnen in andere gevallen het gevolg zijn van eenvoudige afwijking, zonder de hulp van teeltkeus. Wanneer echter de kleuren veel verscheidenheid vertoonen of sterk zijn uitgedrukt, als zij niet tot ontwikkeling komen dan op omtrent volwassen leeftijd, en als zij na ontmanning verloren gaan, kunnen wij moeilijk het besluit vermijden, dat zij zijn verkregen door seksueele teeltkeus ter wille van de versiering, en uitsluitend of bijna uitsluitend op de zelfde sekse zijn overgeplant. Als beide seksen op de zelfde wijze zijn gekleurd, en de kleuren opzichtig of opmerkelijk zijn gerangschikt, zonder dat zij in het minst tot bescherming schijnen te dienen, en vooral wanneer zij met onderscheidene andere tot versiering dienende aanhangsels zijn verbonden, worden wij door de analogie tot het zelfde besluit geleid, namelijk dat zij door de seksueele teeltkeus zijn verkregen, hoewel zij op beide seksen worden overgeplant.Dat opzichtige en verscheidenheid vertoonende kleuren, hetzij tot de mannetjes beperkt of aan beide seksen gemeen, in den regel in de zelfde groepen en onder-groepen met andere secundaire seksueele kenmerken zijn verbonden, die voor het gevecht of tot versiering dienen, zal men vinden, dat het steek houdt, als men terugziet op de onderscheidene in dit en het vorige hoofdstuk medegedeelde gevallen.De wet van de gelijke overplanting van kenmerken op beide seksen heeft, wat kleur en andere versierselen aangaat, veel uitgebreider bij de Zoogdieren dan bij de Vogels geheerscht; wat echter wapenen, zooals horens en slagtanden aangaat, deze zijn dikwijls uitsluitend of[302]in veel hoogere mate op de mannetjes dan op de wijfjes overgeplant. Dit is een verrassende omstandigheid; want daar de mannetjes hun wapenen als een verdedigingsmiddel tegen allerlei soort van vijanden gebruiken, zouden deze wapenen het wijfje van dienst zijn geweest. Hun ontbreken bij deze sekse kan, zoover wij kunnen zien, alleen worden verklaard door den vorm van erfelijkheid die de overhand heeft behouden. Eindelijk is bij de viervoetige dieren de wedstrijd tusschen de individu’s van de zelfde sekse, hetzij dievreedzaamof bloedig was, op hoogst zeldzame uitzonderingen na beperkt gebleven tot de mannetjes, zoodat deze veel algemeener dan de wijfjes door de seksueele teeltkeus zijn gewijzigd, hetzij om met elkander te vechten of om de tegenovergestelde sekse aan te lokken.[Inhoud]AANTEEKENINGEN.(1)Als bijdrage tot de anatomische overeenstemming tusschen den mensch en de anthropomorphen kunnen wij hier bijvoegen, dat Prof. Gouber te Petersburg ook aan het strottenhoofd van het lijk van een man twee vliezige zakken aantrof, die van daaruit met lucht konden worden gevuld, reeds uitwendig aan weerszijden van den hals voelbaar waren, en in aard en plaats geheel overeenstemden met die welke men bij de anthropomorphen en nog eenige andere op lageren trap slaande apen aantreft, maar bij den mensch nog nooit waren gevonden. Bij dit individu moet hun voorkomen door atavisme worden verklaard („Archiv f. Anat. u. Phys.”, 1874, blz. 606).(2)De stinkdieren (Engelsch „skunk”) vormen het geslachtMephitis. Brehm zegt („Thierleben”, Bd. I, blz. 505), dat hij niet in staat is de werking der door de klieren dezer dieren afgescheiden stof naar behooren te schilderen. „Geen scheikundig laboratorium, geen sekreetput, geen hoop rottende krengen, om kort te gaan, geen stank op aarde moet in hevigheid en onuitstaanbaarheid dien evenaren, welken de uiterlijk zoo sierlijke stinkdieren verspreiden en weken lang aan een voorwerp kunnen mededeelen. Men geeft aan dien stank den naam van „peststank”; want werkelijk wordt iemand die het ongeluk had met een stinkdier in aanraking te komen, gelijk aan een met de pest besmette. De stinkdieren zijn, niettegenstaande hun geringe grootte, zulke geweldige en machtige vijanden van den mensch, dat zij hem dien zij met hun vreeselijk vocht hebben bespoten, bijna uit de maatschappij verbannen en hem zelf een straf opleggen, die moeilijk door eenige andere kan worden overtroffen. Zij zijn in staat om een geheel huis onbewoonbaar te maken en een geheel magazijn, met de kostbaarste stoffen gevuld, volkomen niets waard te maken” .…..…. „De eerste die een uitvoerige beschrijving van het stinkdier50geeft, is Kalm. „Het dier”, zegt hij, „is wegens zijn bijzondere eigenschap bekend. Wordt het door honden of menschen vervolgd, dan loopt het eerst zoo snel[303]als het kan, of klimt op een boom; vindt het geen uitweg meer, dan wendt het nog één middel aan, dat hem overig is; het spuit op zijn vijand zijn pis51, en dat wel op grooten afstand. Eenige lieden hebben mij verhaald, dat hun met dit schandelijke sap het gezicht geheel was bespoten, hoewel zij er nog omtrent5,4meter van verwijderd waren geweest. Dit vocht heeft een zoo onverdragelijken stank, dat een erger ondenkbaar is. Is iemand op het oogenblik van het uitspuiten in de nabijheid van het dier, dan kan hij nauwelijks adem halen, en het is hem later te moede alsof hij zal stikken. Ja, komt dit pestsap in de oogen, zoo loopt men gevaar het gezicht te verliezen, en uit kleederen is de stank bijna in het geheel niet meer te krijgen, men mag ze wasschen, zoo dikwijls men wil. Vele honden loopen weg zoodra de straal hen treft; goede vangers houden echter niet op met den vluchteling na te zetten voordat zij hem hebben doodgebeten. Zij wrijven echter hun snuit op den grond om den stank eenigermate te verdrijven.””„„De onaangename reuk gaat zelden vroeger dan na een maand uit de kleederen; zij verliezen echter toch het meeste daarvan als men ze vier-en-twintig uren lang met aarde bedekt. Ook de hand en het aangezicht moet men ten minste een uur lang met aarde wrijven, daar wasschen niets helpt. Toen een aanzienlijk man die onverwachts was bespoten, zich in een huis wilde wasschen, sloot men de deuren en de menschen liep weg. Bespoten honden laat men dagen lang in geen huis. Als men in een bosch reist, moet men zich dikwijls langen tijd den neus toehouden, ingeval het dier op een plaats zijn pestreuk heeft verspreid. Ik sliep eens op een erf waar een lam was geslacht, en een dergelijk dier kwam aansluipen; de hond zag het en verjaagde het. Daar ontstond plotseling zulk een stank, dat ik meende te moeten verstikken; zelfs de koeien loeiden zoo hard zij konden. De keukenmeid bemerkte, dat verscheidene dagen na elkander van het vleesch was gesnoept; zij versperde daarom alle toegangen om de katten er af te houden. Den volgenden nacht hoorde zij echter een gerucht in den kelder en ging daarom naar beneden. Daar zag zij een dier met vurige oogen, dat haar heel rustig scheen te verwachten. Zij greep echter moed en sloeg het dood. Plotseling ontstond echter zulk een stank, dat zij er eenige dagenlang ziek van was en men alle eetwaren in den kelder en ook het brood en vleesch moest wegwerpen.””„Het stinkdier is zich van zijn vreeselijk wapen zoo goed bewust, dat het in het minst niet schuw of bang is. Al zijn bewegingen zijn langzaam. Het kan noch springen noch klauteren, doch slechts loopen en huppelen. Bij het gaan zet het bijna de geheele voetzool op den grond, welft den rug en draagt den staart naar beneden gericht.Nuen dan woelt het in den grond of snuffelt naar iets eetbaars in het rond. Ontmoet men het dier nu toevallig, dan blijft het heel rustig staan, licht den staart op, draait zich om en spuit het vocht recht voor zich uit.”„„Toen mijn zoon”, verhaalt Siedhof, „op een avond langzaam buiten rondwandelde, kwam plotseling een stinkdier op hem los en beet zich in zijn broek vast. Hij schudde het met moeite los en trapte het dood. Toen hij echter thuis kwam, verspreidde zich uit zijn door het gevaarlijke dier natgemaakte kleederen een zoo doordringende, afschuwelijke knoflookstank, dat er oogenblikkelijk het geheele huis vol van was, de bevriende families die er[304]juist een bezoek brachten, dadelijk wegliepen en de bewoners die niet konden vluchten, er van moesten braken. Alle berooken en luchten hielp niet; zelfs na een maand was de stank nog te bespeuren. De laarzen riekten, zoodra zij warm werden, nog vier maanden lang, hoewel zij in den rook waren gehangen en met chloorwater gewasschen. Het ongeluk was in December gebeurd. Het dier was in den tuin begraven; maar in de eerstvolgende Augustusmaand kon men zijn rustplaats nog aan den stank herkennen.””Van een Zuid-Amerikaansch stinkdier zegt Brehm (ibid., blz. 508), dat een hond die acht dagen te voren er door was bespoten en meer dan twintig malen gewasschen en nog veelvuldiger met zand gewreven, een hut zoodanig verpestte, dat men het er niet in kon uithouden. „Azara gelooft, dat men den stank wel 800 meter ver kan ruiken.”In gevangen staat „worden de stinkdieren na korten tijd zeer tam en wennen zich eenigermate aan hun verpleger, hoewel zij in het begin het achterste voor gaan met opgeheven staart, om hun geschut altijd tot losbranden gereed te houden.”(3)Onder de spitsmuizen zijn o.a.Sorex vulgarisenS. araneuswegens hun muskusgeur merkwaardig. Overigens noemen wij nog als in dat opzicht uitmuntende, de groote Aziatische vleermuizen van het geslachtPteropus, de desmans (Myogale moschataenM. pyrenaïca), de civetkat (Viverra civetta), de zibethkat (Viverra zibetha), den aardwolf (Proteles Lalandii), de ondatra (Fiber zibethicus), het rivierpaard (Hippopotamus amphibius), enz. Als dieren die stinkende afscheidingen als verdedigingsmiddel gebruiken, zouden hier nog de bunsing (Mustela putorius), de Oost-Indische stinkdassen (Midaus), de Afrikaansche bandbunsing (Rhabdogale) en honigdassen (Ratelus), en vele andere kunnen worden genoemd.(4)Phalangista vulpina, Desm.(5)Phascolomys fossor, Wagn.(6)Waarschijnlijk zijn hier het aschgrauwe eekhoorntje (Sciurus cinereus) en het zwarte eekhoorntje (Sciurus niger) van Noord-Amerika bedoeld. Dit zijn echter verschillende soorten, zoodat het zwarte eekhoorntje geenszins een nu en dan voorkomende verscheidenheid van het aschgrauwe is.(7)Bij alle Herkauwende Dieren (Ruminantia), behalve bijHyomoschus aquaticus(en bij de uitgestorven groep der Anoplotheroiden) zijn de beenderen van de middelhand en evenzoo ook die van den middelvoet, tot één been samengesmolten; bijHyomoschus aquaticus(en bij de Anoplotheroiden) zijn zij gescheiden evenals bij de Dikhuidigen (Pachydermata). Gedurende het vruchtleven echter zijn zij bij alle Herkauwende Dieren gescheiden, hetgeen dus den regel bevestigt, dat het individu gedurende het vruchtleven toestanden doorloopt, die als het ware een verkorte herhaling zijn van de toestanden, in vroeger eeuwen door de soort gedurende haar ontwikkeling doorloopen.52(8)Dr. G. H. T. Eimer teTübingenenWeismannte Freiburg i/Br. hebben[305]kleuren en teekeningen der dieren en de veranderingen welke deze in den loop der ontwikkeling ondergaan, onderzocht, en zijn tot het besluit gekomen dat deze veranderingen volstrekt niet altijd het gevolg van teeltkeus kunnen zijn. Eimer bevond, dat in het geheele dierenrijk de overlangsche streping de oorspronkelijke is, dat deze zich in den loop der ontwikkeling in vlekken verdeelt, en deze laatsten zich eindelijk tot dwarsstrepen verbinden. Zulk een regelmatige verandering moet haar oorzaken in de geaardheid des lichaams hebben; de op een gegeven oogenblik voorhanden eigenschappen moeten invloed bezitten op de veranderingen welke de soort zal doorloopen. De geaardheid (constitutie) des lichaams heeft dus invloed zoowel op het ontstaan der afwijkingen (variaties) als op de verdere ontwikkeling daarvan.53Eimer vermoedt, dat de oorspronkelijk algemeen heerschende overlangsche streping der dieren in betrekking staat tot de oudtijds heerschende monocotyledone plantenwereld; ook thans kan men nog waarnemen, dat overlangs gestreepte hagedissen vooral op met gras begroeide plaatsen, overlangs gestreepte rupsen op grassen of naaldhout (een nog ouder type dan de monocotyledonen) zitten, waar hun overlangsche streping het minst in het oog valt. Hier is deze blijven bestaan, terwijl zij op plaatsen met gevlekte schaduw (zooals de dicotyledonen door den vorm hunner bladeren afwerpen) zich in een gevlekte teekening verandert.Het springt, dunkt ons, in het oog, dat zoo de in de vorige alinea gemaakte onderstelling juist is, zoowel de overlangsche streping als de gevlekte teekening door natuurlijke teeltkeus kan worden verklaard.[306]
Fig. 68.Fig. 68.Tragelaphus scriptus, mannetje (naar de Knowsley Menagery).Hoewel wij moeten toegeven, dat vele viervoetige dieren hun tegenwoordige tinten als een bescherming hebben verkregen, zijn toch bij een menigte soorten de kleuren veel te opzichtig en te vreemdsoortig gerangschikt, om ons de veronderstelling toe te laten, dat zij voor dit doel dienen. Wij kunnen als een voorbeeld sommige antilopen nemen: als wij zien, dat de vierkante witte vlek aan de keel, de witte teekeningen op de vetlokken, en de ronde zwarte vlekken aan de ooren, allen bij het mannetje vanPortax pictaduidelijker zijn dan bij het wijfje;—als wij zien, dat de kleuren levendiger, dat de smalle witte lijnen op de zijden en de breede witte streep op den schouder duidelijker zijn bij den mannelijkenOreas Derbyanusdan bij den vrouwelijken; als wij een gelijksoortig verschil zien tusschen de seksen van den vreemdsoortig versierdenTragelaphus scriptus(Fig.68),—mogen wij besluiten, dat deze kleuren en onderscheidene versierselen op zijn minst zijn versterkt door seksueele teeltkeus. Het is niet aan te nemen, dat dergelijke kleuren en teekeningen dezer dieren van eenigen rechtstreekschen of gewonen dienst kunnen zijn, en daar zij bijna zeker door seksueele teeltkeus zijn versterkt, is het waarschijnlijk, dat zij oorspronkelijk door dit zelfde proces zijn verkregen en daarna gedeeltelijk op de wijfjes overgeplant. Indien deze meening mag worden aangenomen, kan er weinig twijfel overblijven, dat de vreemdsoortige kleuren en teekeningen van vele andere antilopen, hoewel aan beide seksen gemeen, op de zelfde wijze zijn verkregen en overgebracht. Beide seksen, bij voorbeeld van de Koedoe-antilope (Strepsiceros Kudu, Fig.69), hebben smalle witte loodrechte lijnen op het achterste gedeelte van hun zijden, en een bevallige hoekvormige witte teekening op hun voorhoofd. In het geslachtDamalis[289]zijn beide seksen zeer vreemd gekleurd; bijDamalispygargazijn de rug en hals purperachtig rood, aan de zijden in zwart overgaande, en scherp gescheiden van den witten buik en de groote witte plek op het kruis; de kop is nog vreemder gekleurd; een langwerpig wit masker, met een smallen zwarten rand omzoomd, bedekt het gelaat tot op de hoogte der oogen (Fig.70); er zijn drie witte strepen op het voorhoofd en de ooren vertoonen witte teekeningen. De jongen van deze soort zijn van een eenvormig bleeke geelbruine kleur. BijDamalis albifronsverschilt de kleur van den kop van die bij de laatste soort, doordat ééne enkele witte streep de drie strepen vervangt en de ooren bijna[290]geheel wit zijn.39Na, zoo goed mij mogelijk was, de seksueele verschillen van dieren, tot alle klassen behoorende, te hebben bestudeerd, kan ik het besluit niet vermijden, dat de opmerkelijk gerangschikte kleuren van vele antilopen, hoewel aan beide seksen gemeen, het gevolg zijn van oorspronkelijk op het mannetje toegepaste seksueele teeltkeus.Fig. 69.Fig. 69.Koedoe-antilope (StrepsicerosKudu) naar Andrew Smith’s „Zoology ofSouth Africa”.Het zelfde besluit mag wellicht worden uitgestrekt tot den tijger, een van de schoonste dieren der wereld, waarvan de seksen niet door haar kleur kunnen worden onderscheiden, zelfs niet door handelaars in wilde dieren. De heer Wallace40gelooft, dat het gestreepte kleed van den tijger „zoozeer gelijkt op de loodrechte halmen van het bamboesriet, dat zulks hem zeer helpt om hem voor zijn naderende prooi te verbergen.” Deze verklaring schijnt mij echter niet bevredigend. Wij kennen sommige feiten die er eenigszins voor pleiten, dat zijn schoonheid een gevolg van seksueele teeltkeus kan zijn; want bij twee soorten van het kattengeslacht (Felis) zijn soortgelijke teekeningen en kleuren bij het mannetje iets levendiger dan bij het wijfje. De Zebra is opzichtig gestreept, en op de open vlakten van Zuid-Afrika[291]kunnen strepen volstrekt geen bescherming opleveren. Burchell41zegt, een kudde beschrijvende, „hun glanzige ribben glinsterden in de zon en de levendigheid en regelmatigheid hunner gestreepte huiden vormde een schilderij van buitengewone schoonheid, waarin zij waarschijnlijk door geen enkel ander viervoetig dier worden overtroffen.” Hier hebben wij geen bewijs voor een seksueele teeltkeus, daar in de geheele groep der Paardachtige Dieren (Equidae) de seksen in kleur overeenstemmen. Desniettemin zal hij, die de witte en donkere loodrechte strepen op de zijden van verscheidene antilopen aan seksueele teeltkeus toeschrijft, waarschijnlijk de zelfde meening tot den Koningstijger en den schoonen Zebra uitstrekken.Fig. 70.Fig. 70.DamalisPygarga, mannetje (naar de Knowsley Menagery).Wij hebben in een vorighoofdstukgezien dat, wanneer jonge dieren, tot welke Klasse zij ook behooren, bijna de zelfde levenswijze leiden als hun ouders en toch op verschillende wijze zijn gekleurd, wij daaruit het besluit mogen trekken, dat zij de kleur van den eenen of anderen ouden en uitgestorven stamvader hebben bewaard. In de Familie der Zwijnen en in het geslachtTapiruszijn de jongen met overlangsche strepen beteekend en verschillen dus van de volwassenen van alle levende soorten in deze beide groepen. Bij vele soorten van Herten zijn de jongen met bevallige witte vlekken beteekend, van[292]welke de ouders geen spoor vertoonen. Een reeks van trapsgewijze overgangen kan worden gevolgd van het Axis-hert van hetwelk beide seksen op alle leeftijden en gedurende alle jaargetijden fraai zijn gevlekt (terwijl het mannetje iets sterker is gekleurd dan het wijfje)—tot soorten bij welke noch de ouden noch de jongen zijn gevlekt. Ik wil eenige termen van deze reeks opnoemen. Het Mantchoerijsche hert (Cervus Mantchuricus) is gedurende het geheele jaar gevlekt; maar, gelijk ik in den Londenschen dierentuin heb gezien, zijn de vlekken veel duidelijker gedurende den zomer, als de algemeene kleur van de vacht lichter is, dan gedurende den winter, wanneer de algemeene kleur donkerder is en de horens volkomen zijn ontwikkeld. Bij het zwijnshert (Hyelaphus porcinus) vallen de vlekken zeer sterk in het oog gedurende den zomer, als de vacht roodachtig bruin is, maar verdwijnen geheel en al gedurende den winter, wanneer de vacht bruin is.42Bij beide deze soorten zijn de jongen gevlekt. Bij het Virginische hert zijn de jongen eveneens gevlekt, en omstreeks vijf percent van de volwassen dieren die in Judge Caton’s park leven, vertoonen, naar hij mij heeft medegedeeld, tijdelijk gedurende het tijdperk waarin zij bezig zijn met het roode zomerkleed tegen het blauwachtige winterkleed te verruilen, een rij vlekken op elke zijde, die altijd evenveel in getal, hoewel zeer verschillend in duidelijkheid zijn. Van dezen toestand is er nog slechts een zeer kleine stap tot volkomen afwezigheid van vlekken in alle jaargetijden bij de volwassenen, en eindelijk tot hun afwezigheid op alle leeftijden, gelijk bij sommige soorten het geval is. Uit het bestaan van deze volkomen reeks, en meer bijzonder uit het gevlekt zijn van de jongen van zoovele soorten mogen wij het besluit trekken, dat de nu levende leden van de Familie der Herten deafstammelingenzijn van de eene of andere soort die, evenals het Axis-hert, op alle leeftijden en in alle jaargetijden was gevlekt. Een nog ouder voorvader geleek waarschijnlijk tot op zekere hoogte opHyomoschus aquaticus;—want dit dier is gevlekt, en de ongehorende mannetjes hebben groote, naar buiten uitstekende hoektanden van welke eenige weinige ware herten rudimenten hebben bewaard. Dit dier levert ons ook een van die belangwekkende gevallen op van een vorm die twee groepen met elkander[293]verbindt; want door sommige osteologische kenmerken staat het tusschen de Dikhuidigen (Pachydermata) en de Herkauwende Dieren (Ruminantia) in die men vroeger voor volkomen onderscheiden hield.43(7)Fig. 71.Fig. 71.Kop vanSemnopithecus rubicundus. Deze en de volgende afbeeldingen zijn gegeven om de koddige rangschikking en ontwikkeling van het haar op den kop te doen zien.Hier rijst een opmerkelijke zwarigheid op. Indien wij aannemen, dat gekleurde vlekken en strepen als een versiering zijn verkregen, hoe komt het dan, dat zoo vele thans levende soorten van herten, de afstammelingen van een oorspronkelijk gevlekt dier, en alle soorten van zwijnen en tapirs, de afstammelingen van een oorspronkelijk gestreept dier, in hun volwassen toestand hun vroegere versierselen hebben verloren? Op deze vraag kan ik geen bevredigend antwoord geven. Wij kunnen bijna zeker zijn, dat de vlekken en strepen bij de voorouders van onze bestaande soorten op volwassen of omtrent volwassen leeftijd verdwenen, zoodat zij door de jongen en, volgens de wet van overerving op overeenkomstige leeftijden, door de jongen van alle volgende geslachten werden behouden. Het kan voor den leeuw en de puma, wegens de open natuur van de plaatsen waar zij zich gewoonlijk ophouden, een groot voordeel zijn geweest om hun strepen te hebben verloren, en zoo minder in het oog loopend voor hun prooi te zijn geworden; en indien de opeenvolgende afwijkingen waardoor dit doel werd bereikt, vrij laat in het leven plaats hadden gegrepen, zouden de jongen hun strepen hebben behouden, gelijk wij weten, dat werkelijk het geval is. Wat Herten, Zwijnen en Tapirs aangaat, heeft Fritz Müller mij het vermoeden medegedeeld, dat deze dieren door de verwijdering door natuurlijke teeltkeus van hun vlekken en strepen minder gemakkelijk door hun vijanden zouden zijn gezien; en zij zouden deze bescherming vooral noodig hebben gehad, zoodra de Verscheurende Dieren (Carnivora) gedurende de Tertiaire perioden in grootte en aantal toenamen. Dit mag de ware verklaring zijn; maar het is toch tamelijk vreemd, dat de jongen niet even goed zouden zijn beschermd, en nog vreemder dat bij sommige soorten de volwassenen hun vlekken, hetzij gedeeltelijk of geheel, gedurende een deel van het jaar zouden hebben behouden. Wij weten, hoewel wij de oorzaak niet kunnen verklaren, dat als de gewone ezel afwijkt en roodachtig bruin, grijs of zwart wordt, de strepen op de schouders en zelfs op den rug dikwijls verdwijnen.44Zeer weinig paarden, behalve bruin gekleurde,[294]vertoonen strepen op eenig deel van hun lichamen, en toch hebben wij goeden grond om te gelooven, dat het oorspronkelijke paard op de pooten en den rug, en waarschijnlijk op de schouders was gestreept.45Daarom kan het verdwijnen van de vlekken en strepen bij de volwassenen van onze thans levende Herten, Zwijnen en Tapirs het gevolg zijn van een algemeene verandering van de kleur van hun vacht; maar of deze verandering door seksueele of natuurlijke teeltkeus werd teweeggebracht, dan of zij het gevolg was van de directe werking der levensvoorwaarden of van de eene of andere onbekende oorzaak, is onmogelijk te beslissen. Een door den heer Sclater gemaakte opmerking geeft een goed voorbeeld van onze onwetendheid ten opzichte van de wetten die het verschijnen of verdwijnen van strepen regelen; de soorten van het ezelgeslacht (Asinus), die het vasteland van Azië bewonen, bezitten geen strepen, en missen zelfs de kruisstreep op den schouder, terwijl die welke Afrika bewonen, opzichtig zijn gestreept, met gedeeltelijke uitzondering vanAsinus taeniopusdie alleen de kruisstreep op den schouder en gewoonlijk ook eenige onduidelijke dwarsstrepen op de pooten bezit; en deze soort bewoont de omstreeks daar tusschen in liggende streek Opper-Egypte en Abessinië.46(8)[295]Fig. 72.Fig. 72.Kop vanSemnopithecus comatus.Fig. 73.Fig. 73.Kop vanCebus capucinus.Fig. 74.Fig. 74.Kop vanAteles marginatus.Fig. 75.Fig. 75.Kop vanCebus vellerosus.Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana).—Voor wij eindigen, zal het raadzaam zijn eenige weinige opmerkingen te voegen bij die welke wij reeds hebben gemaakt omtrent de tot versiering dienende kenmerken bij apen. Bij de meeste soorten gelijken de seksen op elkander in kleur; maar bij sommige verschillen, gelijk wij hebben gezien, de mannetjes van de wijfjes, vooral in de kleur van de naakte deelen der huid, in de ontwikkeling van den baard, de bakkebaarden en manen. Vele soorten zijn hetzij op een zoo buitengewone of op een zoo schoone wijze gekleurd en van merkwaardige en bevallige haarkammen voorzien, dat wij moeilijk kunnen nalaten om deze kenmerken als ter wille van de versiering verkregen te beschouwen. De nevensgaande afbeeldingen[296](fig.71–75) dienen om de rangschikking van het haar op het gelaat en den kop bij onderscheidene soorten te toonen. Het is moeilijk aan te nemen, dat deze haarkammen en de sterk tegen elkander afstekende kleuren van den pels en de huid alleen het gevolg zouden zijn van veranderlijkheid (variabiliteit) zonder de hulp der teeltkeus; en het is volstrekt niet te begrijpen, dat zij voor die dieren van eenig gewoon nut zijn. Indien dit zoo is, dan zijn zij door seksueele teeltkeus verkregen, hoewel gelijkelijk of bijna gelijkelijk op beide seksen overgeplant. Bij vele Vierhandigen (Quadrumana) hebben wij nog meer bewijzen voor de werking der seksueele teeltkeus in de meerdere grootte en sterkte der mannetjes en in de grootere ontwikkeling der hoektanden in vergelijking van de wijfjes.Ten opzichte van de vreemde wijze waarop beide seksen van sommige soorten zijn gekleurd en de schoonheid van andere, zullen weinige voorbeelden voldoende zijn. Het gelaat vanCercopithecus petaurista(Fig.76) is zwart, terwijl de bakkebaarden en kinbaard wit zijn, met een scherp begrensde ronde witte vlek op den neus, die met kort wit haar is bedekt, hetgeen aan het dier een bijna belachelijk uiterlijk geeft. OokSemnopithecus frontatusheeft een zwartachtig gelaat met een langen zwarten baard en een groote naakte plek van blauwachtig witte kleur op het voorhoofd. Het gelaat vanMacacus lasiotusheeft een vuile vleeschkleur met een scherp begrensde roode vlek op elke wang.Cercopithecus aethiopsheeft een potsierlijk uiterlijk met zijn zwart gelaat, witte bakkebaarden en halskraag, kastanjebruinen kop en een groote naakte witte vlek over elk ooglid. Bij zeer vele soorten zijn de kinbaard, bakkebaarden en haarkammen rondom het gelaat van een andere kleur dan het overige gedeelte van den kop en zijn in dit geval altijd van een lichter tint47, dikwijls zuiver wit, somtijds helder geel of roodachtig. Het geheele gelaat van den Zuid-AmerikaanschenBrachyuruscalvus heeft een „gloeiende scharlakenroode tint”; maar deze kleur verschijnt niet voor het dier bijna volwassen is.48De naakte huid van het gelaat verschilt bij de onderscheidene soorten verwonderlijk veel in kleur. Zij is dikwijls bruin of vleeschkleurig, met volkomen witte gedeelten, en dikwijls zoo zwart als die van den meest roetzwarten neger.[297]Bij denBrachyurusis de scharlakenroode tint levendiger dan die van het meest blozende Kaukasische juffertje. Zij is soms duidelijker oranje dan bij eenigen Mongool, en bij onderscheidene soorten is zij blauw, in violet en grijs overgaande. Bij al de aan den heer Bartlett bekende[298]soorten waarbij de volwassenen van beiderlei sekse sterk gekleurde aangezichten hebben, zijn de kleuren dof of ontbreken gedurende de vroege jeugd. Dit gaat eveneens door bij den Mandril en den Rhesus-aap bij welke het gelaat en de achterdeelen van het lichaam alleen bij de eene sekse schitterend zijn gekleurd. In deze laatste gevallen hebben wij alle reden om te gelooven, dat de kleuren door seksueele teeltkeus werden verkregen; en wij worden er van zelf toe gebracht de zelfde meening tot de voorgaande soorten uit te strekken, hoewel beide seksen, wanneer zij volwassen zijn, op de zelfde wijze gekleurde aangezichten hebben.Fig. 76.Fig. 76.Cercopithecus petaurista(naar Brehm).Hoewel, volgens onzen smaak, vele soorten van apen ver van schoon zijn, worden andere soorten algemeen bewonderd wegens hun bevallig uiterlijk en levendige kleuren. DeSemnopithecus nemaeus, hoewel op bijzondere wijze gekleurd, wordt als uiterst fraai beschreven; het oranjekleurig gelaat wordt omgeven door lange bakkebaarden van een glanzend witte kleur, met een lijn van roodachtig kastanjebruin over de wenkbrauwen; de pels op den rug is van een teeder grijs, met een vierhoekige vlek op de lendenen; de staart en de voorarmen zijn allen zuiver wit; boven de borstkas vindt men een kastanjebruine keel; het achterste gedeelte van de dijen is zwart, en de beenen zijn roodachtig kastanjebruin. Ik wil nog slechts twee andere apen wegens hun schoonheid vermelden en heb deze uitgezocht, daar zij kleine seksueele kleurverschillen vertoonen, hetgeen eenigermate waarschijnlijk maakt, dat beide seksen hun bevallig uiterlijk aan seksueele teeltkeus hebben te danken.Bij den knevelaap (Cercopithecus cephus) is de algemeene kleur van den pels groenachtig gevlekt, met witte keel; bij het mannetje is het uiteinde van den staart kastanjebruin; doch het gelaat is het meest versierde gedeelte, daar de huid er van grootendeels blauwachtig grijs is, onder de oogen in een zwartachtige tint overgaande, met de bovenlip van een teeder blauw, langs den benedenrand met een dunnen zwarten knevel versierd; de bakkebaarden zijn oranjekleurig, met een zwart bovengedeelte en vormen een band die zich achterwaarts tot de ooren uitstrekt, welke laatsten met witachtige haren zijn versierd. In den Londenschen dierentuin heb ik dikwijls de bezoekers de schoonheid van een anderen aap hooren bewonderen, die naar verdienste de Diana-aap (Cercopithecus Diana, Fig.77) wordt genoemd; de algemeene kleur van den pels is grijs; de borst en de binnenzijde van de voorpooten zijn wit; een groote scherp begrensde driehoekige ruimte op het achterste[299]gedeelte van den rug is rijk kastanjebruin; bij het mannetje zijn de binnenzijden der dijen en de onderbuik teeder vaalbruin, en de kruin van den kop is zwart; het gelaat en de ooren zijn donkerzwart en[300]steken fraai af bij een dwarsen witten haarkam die over de wenkbrauwen loopt, en bij een langen witten puntbaard waarvan het basale gedeelte zwart is.49Fig. 77.Fig. 77.De Diana-aap (Cercopithecus Diana) naar Brehm.Bij deze en vele andere apen, dwingen de schoonheid en de vreemdsoortige rangschikking hunner kleuren, en nog meer de veel verscheidenheid vertoonende en bevallige rangschikking van de haarkammen en haarbossen op hun koppen, van mijn geest de overtuiging af, dat deze kenmerken door seksueele teeltkeus uitsluitend als versierselen zijn verkregen.Overzicht.—De wet van den strijd om het bezit der wijfjes schijnt door de geheele groote Klasse der Zoogdieren te heerschen. De meeste natuuronderzoekers zullen toegeven, dat de meerdere lichaamsgrootte, kracht, moed en strijdlustigheid van het mannetje, zijn bijzondere aanvals- (offensieve) en ook verdedigings- (defensieve) wapenen, allen zijn verkregen en gewijzigd door dien vorm van teeltkeus, dien ik seksueele teeltkeus heb genoemd. Deze hangt niet af van eenige meerderheid in den algemeenen strijd om het leven, maar daarvan, dat zekere bepaalde individu’s van ééne sekse, over het algemeen de mannelijke sekse, voorspoedig zijn geweest in het behalen van de zegepraal over andere mannetjes, en dat zij een grooter aantal nakomelingen hebben nagelaten, om hun meerdere voortreffelijkheid te erven, dan de minder voorspoedige mannetjes.Er is een andere en meer vreedzame soort van wedstrijd waarbij de mannetjes de wijfjes trachten op te wekken of aan te lokken door onderscheidene bekoorlijkheden. Dit kan geschieden door de krachtige geuren die de mannetjes gedurende den paartijd van zich geven; de riekende stoffen afscheidende klieren zijn dan door seksueele teeltkeus verkregen. Of de zelfde meening tot de stem mag worden uitgestrekt, is twijfelachtig; want de stemorganen der mannetjes kunnen gedurende den volwassen leeftijd door het gebruik zijn versterkt, onder de machtige prikkels van liefde, ijverzucht of woede en op de zelfde sekse zijn overgeplant. Onderscheidene haarkammen, haarbossen en haarmantels die hetzij tot het mannetje zijn beperkt, of bij deze sekse meer[301]ontwikkeld dan bij de wijfjes, schijnen in de meeste gevallen eenvoudig tot versiering te dienen, hoewel zij somtijds tot een verdedigingsmiddel tegen mededingende mannetjes strekken. Er is zelfs grond om te vermoeden, dat de vertakte horens van herten, en de bevallige horens van sommige antilopen, hoewel oorspronkelijk tot aanvals- (offensieve) of verdedigings- (defensieve) wapenen dienende, gedeeltelijk ter wille van versiering zijn gewijzigd.Als het mannetje in kleur van het wijfje verschilt, vertoont hij over het algemeen donkerder en sterker tegen elkander afstekende tinten. Wij ontmoeten in deze Klasse de prachtige roode, blauwe, gele en groene kleuren niet, die bij mannelijke Vogels en vele andere dieren zoo algemeen zijn. De naakte deelen van vele Vierhandigen (Quadrumana) moeten hier echter worden uitgezonderd; want die deelen, dikwerf op koddige plaatsen gelegen, zijn bij sommige soorten op de schitterendste wijze gekleurd. De kleuren van het mannetje kunnen in andere gevallen het gevolg zijn van eenvoudige afwijking, zonder de hulp van teeltkeus. Wanneer echter de kleuren veel verscheidenheid vertoonen of sterk zijn uitgedrukt, als zij niet tot ontwikkeling komen dan op omtrent volwassen leeftijd, en als zij na ontmanning verloren gaan, kunnen wij moeilijk het besluit vermijden, dat zij zijn verkregen door seksueele teeltkeus ter wille van de versiering, en uitsluitend of bijna uitsluitend op de zelfde sekse zijn overgeplant. Als beide seksen op de zelfde wijze zijn gekleurd, en de kleuren opzichtig of opmerkelijk zijn gerangschikt, zonder dat zij in het minst tot bescherming schijnen te dienen, en vooral wanneer zij met onderscheidene andere tot versiering dienende aanhangsels zijn verbonden, worden wij door de analogie tot het zelfde besluit geleid, namelijk dat zij door de seksueele teeltkeus zijn verkregen, hoewel zij op beide seksen worden overgeplant.Dat opzichtige en verscheidenheid vertoonende kleuren, hetzij tot de mannetjes beperkt of aan beide seksen gemeen, in den regel in de zelfde groepen en onder-groepen met andere secundaire seksueele kenmerken zijn verbonden, die voor het gevecht of tot versiering dienen, zal men vinden, dat het steek houdt, als men terugziet op de onderscheidene in dit en het vorige hoofdstuk medegedeelde gevallen.De wet van de gelijke overplanting van kenmerken op beide seksen heeft, wat kleur en andere versierselen aangaat, veel uitgebreider bij de Zoogdieren dan bij de Vogels geheerscht; wat echter wapenen, zooals horens en slagtanden aangaat, deze zijn dikwijls uitsluitend of[302]in veel hoogere mate op de mannetjes dan op de wijfjes overgeplant. Dit is een verrassende omstandigheid; want daar de mannetjes hun wapenen als een verdedigingsmiddel tegen allerlei soort van vijanden gebruiken, zouden deze wapenen het wijfje van dienst zijn geweest. Hun ontbreken bij deze sekse kan, zoover wij kunnen zien, alleen worden verklaard door den vorm van erfelijkheid die de overhand heeft behouden. Eindelijk is bij de viervoetige dieren de wedstrijd tusschen de individu’s van de zelfde sekse, hetzij dievreedzaamof bloedig was, op hoogst zeldzame uitzonderingen na beperkt gebleven tot de mannetjes, zoodat deze veel algemeener dan de wijfjes door de seksueele teeltkeus zijn gewijzigd, hetzij om met elkander te vechten of om de tegenovergestelde sekse aan te lokken.[Inhoud]AANTEEKENINGEN.(1)Als bijdrage tot de anatomische overeenstemming tusschen den mensch en de anthropomorphen kunnen wij hier bijvoegen, dat Prof. Gouber te Petersburg ook aan het strottenhoofd van het lijk van een man twee vliezige zakken aantrof, die van daaruit met lucht konden worden gevuld, reeds uitwendig aan weerszijden van den hals voelbaar waren, en in aard en plaats geheel overeenstemden met die welke men bij de anthropomorphen en nog eenige andere op lageren trap slaande apen aantreft, maar bij den mensch nog nooit waren gevonden. Bij dit individu moet hun voorkomen door atavisme worden verklaard („Archiv f. Anat. u. Phys.”, 1874, blz. 606).(2)De stinkdieren (Engelsch „skunk”) vormen het geslachtMephitis. Brehm zegt („Thierleben”, Bd. I, blz. 505), dat hij niet in staat is de werking der door de klieren dezer dieren afgescheiden stof naar behooren te schilderen. „Geen scheikundig laboratorium, geen sekreetput, geen hoop rottende krengen, om kort te gaan, geen stank op aarde moet in hevigheid en onuitstaanbaarheid dien evenaren, welken de uiterlijk zoo sierlijke stinkdieren verspreiden en weken lang aan een voorwerp kunnen mededeelen. Men geeft aan dien stank den naam van „peststank”; want werkelijk wordt iemand die het ongeluk had met een stinkdier in aanraking te komen, gelijk aan een met de pest besmette. De stinkdieren zijn, niettegenstaande hun geringe grootte, zulke geweldige en machtige vijanden van den mensch, dat zij hem dien zij met hun vreeselijk vocht hebben bespoten, bijna uit de maatschappij verbannen en hem zelf een straf opleggen, die moeilijk door eenige andere kan worden overtroffen. Zij zijn in staat om een geheel huis onbewoonbaar te maken en een geheel magazijn, met de kostbaarste stoffen gevuld, volkomen niets waard te maken” .…..…. „De eerste die een uitvoerige beschrijving van het stinkdier50geeft, is Kalm. „Het dier”, zegt hij, „is wegens zijn bijzondere eigenschap bekend. Wordt het door honden of menschen vervolgd, dan loopt het eerst zoo snel[303]als het kan, of klimt op een boom; vindt het geen uitweg meer, dan wendt het nog één middel aan, dat hem overig is; het spuit op zijn vijand zijn pis51, en dat wel op grooten afstand. Eenige lieden hebben mij verhaald, dat hun met dit schandelijke sap het gezicht geheel was bespoten, hoewel zij er nog omtrent5,4meter van verwijderd waren geweest. Dit vocht heeft een zoo onverdragelijken stank, dat een erger ondenkbaar is. Is iemand op het oogenblik van het uitspuiten in de nabijheid van het dier, dan kan hij nauwelijks adem halen, en het is hem later te moede alsof hij zal stikken. Ja, komt dit pestsap in de oogen, zoo loopt men gevaar het gezicht te verliezen, en uit kleederen is de stank bijna in het geheel niet meer te krijgen, men mag ze wasschen, zoo dikwijls men wil. Vele honden loopen weg zoodra de straal hen treft; goede vangers houden echter niet op met den vluchteling na te zetten voordat zij hem hebben doodgebeten. Zij wrijven echter hun snuit op den grond om den stank eenigermate te verdrijven.””„„De onaangename reuk gaat zelden vroeger dan na een maand uit de kleederen; zij verliezen echter toch het meeste daarvan als men ze vier-en-twintig uren lang met aarde bedekt. Ook de hand en het aangezicht moet men ten minste een uur lang met aarde wrijven, daar wasschen niets helpt. Toen een aanzienlijk man die onverwachts was bespoten, zich in een huis wilde wasschen, sloot men de deuren en de menschen liep weg. Bespoten honden laat men dagen lang in geen huis. Als men in een bosch reist, moet men zich dikwijls langen tijd den neus toehouden, ingeval het dier op een plaats zijn pestreuk heeft verspreid. Ik sliep eens op een erf waar een lam was geslacht, en een dergelijk dier kwam aansluipen; de hond zag het en verjaagde het. Daar ontstond plotseling zulk een stank, dat ik meende te moeten verstikken; zelfs de koeien loeiden zoo hard zij konden. De keukenmeid bemerkte, dat verscheidene dagen na elkander van het vleesch was gesnoept; zij versperde daarom alle toegangen om de katten er af te houden. Den volgenden nacht hoorde zij echter een gerucht in den kelder en ging daarom naar beneden. Daar zag zij een dier met vurige oogen, dat haar heel rustig scheen te verwachten. Zij greep echter moed en sloeg het dood. Plotseling ontstond echter zulk een stank, dat zij er eenige dagenlang ziek van was en men alle eetwaren in den kelder en ook het brood en vleesch moest wegwerpen.””„Het stinkdier is zich van zijn vreeselijk wapen zoo goed bewust, dat het in het minst niet schuw of bang is. Al zijn bewegingen zijn langzaam. Het kan noch springen noch klauteren, doch slechts loopen en huppelen. Bij het gaan zet het bijna de geheele voetzool op den grond, welft den rug en draagt den staart naar beneden gericht.Nuen dan woelt het in den grond of snuffelt naar iets eetbaars in het rond. Ontmoet men het dier nu toevallig, dan blijft het heel rustig staan, licht den staart op, draait zich om en spuit het vocht recht voor zich uit.”„„Toen mijn zoon”, verhaalt Siedhof, „op een avond langzaam buiten rondwandelde, kwam plotseling een stinkdier op hem los en beet zich in zijn broek vast. Hij schudde het met moeite los en trapte het dood. Toen hij echter thuis kwam, verspreidde zich uit zijn door het gevaarlijke dier natgemaakte kleederen een zoo doordringende, afschuwelijke knoflookstank, dat er oogenblikkelijk het geheele huis vol van was, de bevriende families die er[304]juist een bezoek brachten, dadelijk wegliepen en de bewoners die niet konden vluchten, er van moesten braken. Alle berooken en luchten hielp niet; zelfs na een maand was de stank nog te bespeuren. De laarzen riekten, zoodra zij warm werden, nog vier maanden lang, hoewel zij in den rook waren gehangen en met chloorwater gewasschen. Het ongeluk was in December gebeurd. Het dier was in den tuin begraven; maar in de eerstvolgende Augustusmaand kon men zijn rustplaats nog aan den stank herkennen.””Van een Zuid-Amerikaansch stinkdier zegt Brehm (ibid., blz. 508), dat een hond die acht dagen te voren er door was bespoten en meer dan twintig malen gewasschen en nog veelvuldiger met zand gewreven, een hut zoodanig verpestte, dat men het er niet in kon uithouden. „Azara gelooft, dat men den stank wel 800 meter ver kan ruiken.”In gevangen staat „worden de stinkdieren na korten tijd zeer tam en wennen zich eenigermate aan hun verpleger, hoewel zij in het begin het achterste voor gaan met opgeheven staart, om hun geschut altijd tot losbranden gereed te houden.”(3)Onder de spitsmuizen zijn o.a.Sorex vulgarisenS. araneuswegens hun muskusgeur merkwaardig. Overigens noemen wij nog als in dat opzicht uitmuntende, de groote Aziatische vleermuizen van het geslachtPteropus, de desmans (Myogale moschataenM. pyrenaïca), de civetkat (Viverra civetta), de zibethkat (Viverra zibetha), den aardwolf (Proteles Lalandii), de ondatra (Fiber zibethicus), het rivierpaard (Hippopotamus amphibius), enz. Als dieren die stinkende afscheidingen als verdedigingsmiddel gebruiken, zouden hier nog de bunsing (Mustela putorius), de Oost-Indische stinkdassen (Midaus), de Afrikaansche bandbunsing (Rhabdogale) en honigdassen (Ratelus), en vele andere kunnen worden genoemd.(4)Phalangista vulpina, Desm.(5)Phascolomys fossor, Wagn.(6)Waarschijnlijk zijn hier het aschgrauwe eekhoorntje (Sciurus cinereus) en het zwarte eekhoorntje (Sciurus niger) van Noord-Amerika bedoeld. Dit zijn echter verschillende soorten, zoodat het zwarte eekhoorntje geenszins een nu en dan voorkomende verscheidenheid van het aschgrauwe is.(7)Bij alle Herkauwende Dieren (Ruminantia), behalve bijHyomoschus aquaticus(en bij de uitgestorven groep der Anoplotheroiden) zijn de beenderen van de middelhand en evenzoo ook die van den middelvoet, tot één been samengesmolten; bijHyomoschus aquaticus(en bij de Anoplotheroiden) zijn zij gescheiden evenals bij de Dikhuidigen (Pachydermata). Gedurende het vruchtleven echter zijn zij bij alle Herkauwende Dieren gescheiden, hetgeen dus den regel bevestigt, dat het individu gedurende het vruchtleven toestanden doorloopt, die als het ware een verkorte herhaling zijn van de toestanden, in vroeger eeuwen door de soort gedurende haar ontwikkeling doorloopen.52(8)Dr. G. H. T. Eimer teTübingenenWeismannte Freiburg i/Br. hebben[305]kleuren en teekeningen der dieren en de veranderingen welke deze in den loop der ontwikkeling ondergaan, onderzocht, en zijn tot het besluit gekomen dat deze veranderingen volstrekt niet altijd het gevolg van teeltkeus kunnen zijn. Eimer bevond, dat in het geheele dierenrijk de overlangsche streping de oorspronkelijke is, dat deze zich in den loop der ontwikkeling in vlekken verdeelt, en deze laatsten zich eindelijk tot dwarsstrepen verbinden. Zulk een regelmatige verandering moet haar oorzaken in de geaardheid des lichaams hebben; de op een gegeven oogenblik voorhanden eigenschappen moeten invloed bezitten op de veranderingen welke de soort zal doorloopen. De geaardheid (constitutie) des lichaams heeft dus invloed zoowel op het ontstaan der afwijkingen (variaties) als op de verdere ontwikkeling daarvan.53Eimer vermoedt, dat de oorspronkelijk algemeen heerschende overlangsche streping der dieren in betrekking staat tot de oudtijds heerschende monocotyledone plantenwereld; ook thans kan men nog waarnemen, dat overlangs gestreepte hagedissen vooral op met gras begroeide plaatsen, overlangs gestreepte rupsen op grassen of naaldhout (een nog ouder type dan de monocotyledonen) zitten, waar hun overlangsche streping het minst in het oog valt. Hier is deze blijven bestaan, terwijl zij op plaatsen met gevlekte schaduw (zooals de dicotyledonen door den vorm hunner bladeren afwerpen) zich in een gevlekte teekening verandert.Het springt, dunkt ons, in het oog, dat zoo de in de vorige alinea gemaakte onderstelling juist is, zoowel de overlangsche streping als de gevlekte teekening door natuurlijke teeltkeus kan worden verklaard.[306]
Fig. 68.Fig. 68.Tragelaphus scriptus, mannetje (naar de Knowsley Menagery).
Fig. 68.
Tragelaphus scriptus, mannetje (naar de Knowsley Menagery).
Hoewel wij moeten toegeven, dat vele viervoetige dieren hun tegenwoordige tinten als een bescherming hebben verkregen, zijn toch bij een menigte soorten de kleuren veel te opzichtig en te vreemdsoortig gerangschikt, om ons de veronderstelling toe te laten, dat zij voor dit doel dienen. Wij kunnen als een voorbeeld sommige antilopen nemen: als wij zien, dat de vierkante witte vlek aan de keel, de witte teekeningen op de vetlokken, en de ronde zwarte vlekken aan de ooren, allen bij het mannetje vanPortax pictaduidelijker zijn dan bij het wijfje;—als wij zien, dat de kleuren levendiger, dat de smalle witte lijnen op de zijden en de breede witte streep op den schouder duidelijker zijn bij den mannelijkenOreas Derbyanusdan bij den vrouwelijken; als wij een gelijksoortig verschil zien tusschen de seksen van den vreemdsoortig versierdenTragelaphus scriptus(Fig.68),—mogen wij besluiten, dat deze kleuren en onderscheidene versierselen op zijn minst zijn versterkt door seksueele teeltkeus. Het is niet aan te nemen, dat dergelijke kleuren en teekeningen dezer dieren van eenigen rechtstreekschen of gewonen dienst kunnen zijn, en daar zij bijna zeker door seksueele teeltkeus zijn versterkt, is het waarschijnlijk, dat zij oorspronkelijk door dit zelfde proces zijn verkregen en daarna gedeeltelijk op de wijfjes overgeplant. Indien deze meening mag worden aangenomen, kan er weinig twijfel overblijven, dat de vreemdsoortige kleuren en teekeningen van vele andere antilopen, hoewel aan beide seksen gemeen, op de zelfde wijze zijn verkregen en overgebracht. Beide seksen, bij voorbeeld van de Koedoe-antilope (Strepsiceros Kudu, Fig.69), hebben smalle witte loodrechte lijnen op het achterste gedeelte van hun zijden, en een bevallige hoekvormige witte teekening op hun voorhoofd. In het geslachtDamalis[289]zijn beide seksen zeer vreemd gekleurd; bijDamalispygargazijn de rug en hals purperachtig rood, aan de zijden in zwart overgaande, en scherp gescheiden van den witten buik en de groote witte plek op het kruis; de kop is nog vreemder gekleurd; een langwerpig wit masker, met een smallen zwarten rand omzoomd, bedekt het gelaat tot op de hoogte der oogen (Fig.70); er zijn drie witte strepen op het voorhoofd en de ooren vertoonen witte teekeningen. De jongen van deze soort zijn van een eenvormig bleeke geelbruine kleur. BijDamalis albifronsverschilt de kleur van den kop van die bij de laatste soort, doordat ééne enkele witte streep de drie strepen vervangt en de ooren bijna[290]geheel wit zijn.39Na, zoo goed mij mogelijk was, de seksueele verschillen van dieren, tot alle klassen behoorende, te hebben bestudeerd, kan ik het besluit niet vermijden, dat de opmerkelijk gerangschikte kleuren van vele antilopen, hoewel aan beide seksen gemeen, het gevolg zijn van oorspronkelijk op het mannetje toegepaste seksueele teeltkeus.
Fig. 69.Fig. 69.Koedoe-antilope (StrepsicerosKudu) naar Andrew Smith’s „Zoology ofSouth Africa”.
Fig. 69.
Koedoe-antilope (StrepsicerosKudu) naar Andrew Smith’s „Zoology ofSouth Africa”.
Het zelfde besluit mag wellicht worden uitgestrekt tot den tijger, een van de schoonste dieren der wereld, waarvan de seksen niet door haar kleur kunnen worden onderscheiden, zelfs niet door handelaars in wilde dieren. De heer Wallace40gelooft, dat het gestreepte kleed van den tijger „zoozeer gelijkt op de loodrechte halmen van het bamboesriet, dat zulks hem zeer helpt om hem voor zijn naderende prooi te verbergen.” Deze verklaring schijnt mij echter niet bevredigend. Wij kennen sommige feiten die er eenigszins voor pleiten, dat zijn schoonheid een gevolg van seksueele teeltkeus kan zijn; want bij twee soorten van het kattengeslacht (Felis) zijn soortgelijke teekeningen en kleuren bij het mannetje iets levendiger dan bij het wijfje. De Zebra is opzichtig gestreept, en op de open vlakten van Zuid-Afrika[291]kunnen strepen volstrekt geen bescherming opleveren. Burchell41zegt, een kudde beschrijvende, „hun glanzige ribben glinsterden in de zon en de levendigheid en regelmatigheid hunner gestreepte huiden vormde een schilderij van buitengewone schoonheid, waarin zij waarschijnlijk door geen enkel ander viervoetig dier worden overtroffen.” Hier hebben wij geen bewijs voor een seksueele teeltkeus, daar in de geheele groep der Paardachtige Dieren (Equidae) de seksen in kleur overeenstemmen. Desniettemin zal hij, die de witte en donkere loodrechte strepen op de zijden van verscheidene antilopen aan seksueele teeltkeus toeschrijft, waarschijnlijk de zelfde meening tot den Koningstijger en den schoonen Zebra uitstrekken.
Fig. 70.Fig. 70.DamalisPygarga, mannetje (naar de Knowsley Menagery).
Fig. 70.
DamalisPygarga, mannetje (naar de Knowsley Menagery).
Wij hebben in een vorighoofdstukgezien dat, wanneer jonge dieren, tot welke Klasse zij ook behooren, bijna de zelfde levenswijze leiden als hun ouders en toch op verschillende wijze zijn gekleurd, wij daaruit het besluit mogen trekken, dat zij de kleur van den eenen of anderen ouden en uitgestorven stamvader hebben bewaard. In de Familie der Zwijnen en in het geslachtTapiruszijn de jongen met overlangsche strepen beteekend en verschillen dus van de volwassenen van alle levende soorten in deze beide groepen. Bij vele soorten van Herten zijn de jongen met bevallige witte vlekken beteekend, van[292]welke de ouders geen spoor vertoonen. Een reeks van trapsgewijze overgangen kan worden gevolgd van het Axis-hert van hetwelk beide seksen op alle leeftijden en gedurende alle jaargetijden fraai zijn gevlekt (terwijl het mannetje iets sterker is gekleurd dan het wijfje)—tot soorten bij welke noch de ouden noch de jongen zijn gevlekt. Ik wil eenige termen van deze reeks opnoemen. Het Mantchoerijsche hert (Cervus Mantchuricus) is gedurende het geheele jaar gevlekt; maar, gelijk ik in den Londenschen dierentuin heb gezien, zijn de vlekken veel duidelijker gedurende den zomer, als de algemeene kleur van de vacht lichter is, dan gedurende den winter, wanneer de algemeene kleur donkerder is en de horens volkomen zijn ontwikkeld. Bij het zwijnshert (Hyelaphus porcinus) vallen de vlekken zeer sterk in het oog gedurende den zomer, als de vacht roodachtig bruin is, maar verdwijnen geheel en al gedurende den winter, wanneer de vacht bruin is.42Bij beide deze soorten zijn de jongen gevlekt. Bij het Virginische hert zijn de jongen eveneens gevlekt, en omstreeks vijf percent van de volwassen dieren die in Judge Caton’s park leven, vertoonen, naar hij mij heeft medegedeeld, tijdelijk gedurende het tijdperk waarin zij bezig zijn met het roode zomerkleed tegen het blauwachtige winterkleed te verruilen, een rij vlekken op elke zijde, die altijd evenveel in getal, hoewel zeer verschillend in duidelijkheid zijn. Van dezen toestand is er nog slechts een zeer kleine stap tot volkomen afwezigheid van vlekken in alle jaargetijden bij de volwassenen, en eindelijk tot hun afwezigheid op alle leeftijden, gelijk bij sommige soorten het geval is. Uit het bestaan van deze volkomen reeks, en meer bijzonder uit het gevlekt zijn van de jongen van zoovele soorten mogen wij het besluit trekken, dat de nu levende leden van de Familie der Herten deafstammelingenzijn van de eene of andere soort die, evenals het Axis-hert, op alle leeftijden en in alle jaargetijden was gevlekt. Een nog ouder voorvader geleek waarschijnlijk tot op zekere hoogte opHyomoschus aquaticus;—want dit dier is gevlekt, en de ongehorende mannetjes hebben groote, naar buiten uitstekende hoektanden van welke eenige weinige ware herten rudimenten hebben bewaard. Dit dier levert ons ook een van die belangwekkende gevallen op van een vorm die twee groepen met elkander[293]verbindt; want door sommige osteologische kenmerken staat het tusschen de Dikhuidigen (Pachydermata) en de Herkauwende Dieren (Ruminantia) in die men vroeger voor volkomen onderscheiden hield.43(7)
Fig. 71.Fig. 71.Kop vanSemnopithecus rubicundus. Deze en de volgende afbeeldingen zijn gegeven om de koddige rangschikking en ontwikkeling van het haar op den kop te doen zien.
Fig. 71.
Kop vanSemnopithecus rubicundus. Deze en de volgende afbeeldingen zijn gegeven om de koddige rangschikking en ontwikkeling van het haar op den kop te doen zien.
Hier rijst een opmerkelijke zwarigheid op. Indien wij aannemen, dat gekleurde vlekken en strepen als een versiering zijn verkregen, hoe komt het dan, dat zoo vele thans levende soorten van herten, de afstammelingen van een oorspronkelijk gevlekt dier, en alle soorten van zwijnen en tapirs, de afstammelingen van een oorspronkelijk gestreept dier, in hun volwassen toestand hun vroegere versierselen hebben verloren? Op deze vraag kan ik geen bevredigend antwoord geven. Wij kunnen bijna zeker zijn, dat de vlekken en strepen bij de voorouders van onze bestaande soorten op volwassen of omtrent volwassen leeftijd verdwenen, zoodat zij door de jongen en, volgens de wet van overerving op overeenkomstige leeftijden, door de jongen van alle volgende geslachten werden behouden. Het kan voor den leeuw en de puma, wegens de open natuur van de plaatsen waar zij zich gewoonlijk ophouden, een groot voordeel zijn geweest om hun strepen te hebben verloren, en zoo minder in het oog loopend voor hun prooi te zijn geworden; en indien de opeenvolgende afwijkingen waardoor dit doel werd bereikt, vrij laat in het leven plaats hadden gegrepen, zouden de jongen hun strepen hebben behouden, gelijk wij weten, dat werkelijk het geval is. Wat Herten, Zwijnen en Tapirs aangaat, heeft Fritz Müller mij het vermoeden medegedeeld, dat deze dieren door de verwijdering door natuurlijke teeltkeus van hun vlekken en strepen minder gemakkelijk door hun vijanden zouden zijn gezien; en zij zouden deze bescherming vooral noodig hebben gehad, zoodra de Verscheurende Dieren (Carnivora) gedurende de Tertiaire perioden in grootte en aantal toenamen. Dit mag de ware verklaring zijn; maar het is toch tamelijk vreemd, dat de jongen niet even goed zouden zijn beschermd, en nog vreemder dat bij sommige soorten de volwassenen hun vlekken, hetzij gedeeltelijk of geheel, gedurende een deel van het jaar zouden hebben behouden. Wij weten, hoewel wij de oorzaak niet kunnen verklaren, dat als de gewone ezel afwijkt en roodachtig bruin, grijs of zwart wordt, de strepen op de schouders en zelfs op den rug dikwijls verdwijnen.44Zeer weinig paarden, behalve bruin gekleurde,[294]vertoonen strepen op eenig deel van hun lichamen, en toch hebben wij goeden grond om te gelooven, dat het oorspronkelijke paard op de pooten en den rug, en waarschijnlijk op de schouders was gestreept.45Daarom kan het verdwijnen van de vlekken en strepen bij de volwassenen van onze thans levende Herten, Zwijnen en Tapirs het gevolg zijn van een algemeene verandering van de kleur van hun vacht; maar of deze verandering door seksueele of natuurlijke teeltkeus werd teweeggebracht, dan of zij het gevolg was van de directe werking der levensvoorwaarden of van de eene of andere onbekende oorzaak, is onmogelijk te beslissen. Een door den heer Sclater gemaakte opmerking geeft een goed voorbeeld van onze onwetendheid ten opzichte van de wetten die het verschijnen of verdwijnen van strepen regelen; de soorten van het ezelgeslacht (Asinus), die het vasteland van Azië bewonen, bezitten geen strepen, en missen zelfs de kruisstreep op den schouder, terwijl die welke Afrika bewonen, opzichtig zijn gestreept, met gedeeltelijke uitzondering vanAsinus taeniopusdie alleen de kruisstreep op den schouder en gewoonlijk ook eenige onduidelijke dwarsstrepen op de pooten bezit; en deze soort bewoont de omstreeks daar tusschen in liggende streek Opper-Egypte en Abessinië.46(8)[295]
Fig. 72.Fig. 72.Kop vanSemnopithecus comatus.Fig. 73.Fig. 73.Kop vanCebus capucinus.Fig. 74.Fig. 74.Kop vanAteles marginatus.Fig. 75.Fig. 75.Kop vanCebus vellerosus.
Fig. 72.Fig. 72.Kop vanSemnopithecus comatus.
Fig. 72.
Kop vanSemnopithecus comatus.
Fig. 73.Fig. 73.Kop vanCebus capucinus.
Fig. 73.
Kop vanCebus capucinus.
Fig. 74.Fig. 74.Kop vanAteles marginatus.
Fig. 74.
Kop vanAteles marginatus.
Fig. 75.Fig. 75.Kop vanCebus vellerosus.
Fig. 75.
Kop vanCebus vellerosus.
Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana).—Voor wij eindigen, zal het raadzaam zijn eenige weinige opmerkingen te voegen bij die welke wij reeds hebben gemaakt omtrent de tot versiering dienende kenmerken bij apen. Bij de meeste soorten gelijken de seksen op elkander in kleur; maar bij sommige verschillen, gelijk wij hebben gezien, de mannetjes van de wijfjes, vooral in de kleur van de naakte deelen der huid, in de ontwikkeling van den baard, de bakkebaarden en manen. Vele soorten zijn hetzij op een zoo buitengewone of op een zoo schoone wijze gekleurd en van merkwaardige en bevallige haarkammen voorzien, dat wij moeilijk kunnen nalaten om deze kenmerken als ter wille van de versiering verkregen te beschouwen. De nevensgaande afbeeldingen[296](fig.71–75) dienen om de rangschikking van het haar op het gelaat en den kop bij onderscheidene soorten te toonen. Het is moeilijk aan te nemen, dat deze haarkammen en de sterk tegen elkander afstekende kleuren van den pels en de huid alleen het gevolg zouden zijn van veranderlijkheid (variabiliteit) zonder de hulp der teeltkeus; en het is volstrekt niet te begrijpen, dat zij voor die dieren van eenig gewoon nut zijn. Indien dit zoo is, dan zijn zij door seksueele teeltkeus verkregen, hoewel gelijkelijk of bijna gelijkelijk op beide seksen overgeplant. Bij vele Vierhandigen (Quadrumana) hebben wij nog meer bewijzen voor de werking der seksueele teeltkeus in de meerdere grootte en sterkte der mannetjes en in de grootere ontwikkeling der hoektanden in vergelijking van de wijfjes.
Ten opzichte van de vreemde wijze waarop beide seksen van sommige soorten zijn gekleurd en de schoonheid van andere, zullen weinige voorbeelden voldoende zijn. Het gelaat vanCercopithecus petaurista(Fig.76) is zwart, terwijl de bakkebaarden en kinbaard wit zijn, met een scherp begrensde ronde witte vlek op den neus, die met kort wit haar is bedekt, hetgeen aan het dier een bijna belachelijk uiterlijk geeft. OokSemnopithecus frontatusheeft een zwartachtig gelaat met een langen zwarten baard en een groote naakte plek van blauwachtig witte kleur op het voorhoofd. Het gelaat vanMacacus lasiotusheeft een vuile vleeschkleur met een scherp begrensde roode vlek op elke wang.Cercopithecus aethiopsheeft een potsierlijk uiterlijk met zijn zwart gelaat, witte bakkebaarden en halskraag, kastanjebruinen kop en een groote naakte witte vlek over elk ooglid. Bij zeer vele soorten zijn de kinbaard, bakkebaarden en haarkammen rondom het gelaat van een andere kleur dan het overige gedeelte van den kop en zijn in dit geval altijd van een lichter tint47, dikwijls zuiver wit, somtijds helder geel of roodachtig. Het geheele gelaat van den Zuid-AmerikaanschenBrachyuruscalvus heeft een „gloeiende scharlakenroode tint”; maar deze kleur verschijnt niet voor het dier bijna volwassen is.48De naakte huid van het gelaat verschilt bij de onderscheidene soorten verwonderlijk veel in kleur. Zij is dikwijls bruin of vleeschkleurig, met volkomen witte gedeelten, en dikwijls zoo zwart als die van den meest roetzwarten neger.[297]
Bij denBrachyurusis de scharlakenroode tint levendiger dan die van het meest blozende Kaukasische juffertje. Zij is soms duidelijker oranje dan bij eenigen Mongool, en bij onderscheidene soorten is zij blauw, in violet en grijs overgaande. Bij al de aan den heer Bartlett bekende[298]soorten waarbij de volwassenen van beiderlei sekse sterk gekleurde aangezichten hebben, zijn de kleuren dof of ontbreken gedurende de vroege jeugd. Dit gaat eveneens door bij den Mandril en den Rhesus-aap bij welke het gelaat en de achterdeelen van het lichaam alleen bij de eene sekse schitterend zijn gekleurd. In deze laatste gevallen hebben wij alle reden om te gelooven, dat de kleuren door seksueele teeltkeus werden verkregen; en wij worden er van zelf toe gebracht de zelfde meening tot de voorgaande soorten uit te strekken, hoewel beide seksen, wanneer zij volwassen zijn, op de zelfde wijze gekleurde aangezichten hebben.
Fig. 76.Fig. 76.Cercopithecus petaurista(naar Brehm).
Fig. 76.
Cercopithecus petaurista(naar Brehm).
Hoewel, volgens onzen smaak, vele soorten van apen ver van schoon zijn, worden andere soorten algemeen bewonderd wegens hun bevallig uiterlijk en levendige kleuren. DeSemnopithecus nemaeus, hoewel op bijzondere wijze gekleurd, wordt als uiterst fraai beschreven; het oranjekleurig gelaat wordt omgeven door lange bakkebaarden van een glanzend witte kleur, met een lijn van roodachtig kastanjebruin over de wenkbrauwen; de pels op den rug is van een teeder grijs, met een vierhoekige vlek op de lendenen; de staart en de voorarmen zijn allen zuiver wit; boven de borstkas vindt men een kastanjebruine keel; het achterste gedeelte van de dijen is zwart, en de beenen zijn roodachtig kastanjebruin. Ik wil nog slechts twee andere apen wegens hun schoonheid vermelden en heb deze uitgezocht, daar zij kleine seksueele kleurverschillen vertoonen, hetgeen eenigermate waarschijnlijk maakt, dat beide seksen hun bevallig uiterlijk aan seksueele teeltkeus hebben te danken.Bij den knevelaap (Cercopithecus cephus) is de algemeene kleur van den pels groenachtig gevlekt, met witte keel; bij het mannetje is het uiteinde van den staart kastanjebruin; doch het gelaat is het meest versierde gedeelte, daar de huid er van grootendeels blauwachtig grijs is, onder de oogen in een zwartachtige tint overgaande, met de bovenlip van een teeder blauw, langs den benedenrand met een dunnen zwarten knevel versierd; de bakkebaarden zijn oranjekleurig, met een zwart bovengedeelte en vormen een band die zich achterwaarts tot de ooren uitstrekt, welke laatsten met witachtige haren zijn versierd. In den Londenschen dierentuin heb ik dikwijls de bezoekers de schoonheid van een anderen aap hooren bewonderen, die naar verdienste de Diana-aap (Cercopithecus Diana, Fig.77) wordt genoemd; de algemeene kleur van den pels is grijs; de borst en de binnenzijde van de voorpooten zijn wit; een groote scherp begrensde driehoekige ruimte op het achterste[299]gedeelte van den rug is rijk kastanjebruin; bij het mannetje zijn de binnenzijden der dijen en de onderbuik teeder vaalbruin, en de kruin van den kop is zwart; het gelaat en de ooren zijn donkerzwart en[300]steken fraai af bij een dwarsen witten haarkam die over de wenkbrauwen loopt, en bij een langen witten puntbaard waarvan het basale gedeelte zwart is.49
Fig. 77.Fig. 77.De Diana-aap (Cercopithecus Diana) naar Brehm.
Fig. 77.
De Diana-aap (Cercopithecus Diana) naar Brehm.
Bij deze en vele andere apen, dwingen de schoonheid en de vreemdsoortige rangschikking hunner kleuren, en nog meer de veel verscheidenheid vertoonende en bevallige rangschikking van de haarkammen en haarbossen op hun koppen, van mijn geest de overtuiging af, dat deze kenmerken door seksueele teeltkeus uitsluitend als versierselen zijn verkregen.
Overzicht.—De wet van den strijd om het bezit der wijfjes schijnt door de geheele groote Klasse der Zoogdieren te heerschen. De meeste natuuronderzoekers zullen toegeven, dat de meerdere lichaamsgrootte, kracht, moed en strijdlustigheid van het mannetje, zijn bijzondere aanvals- (offensieve) en ook verdedigings- (defensieve) wapenen, allen zijn verkregen en gewijzigd door dien vorm van teeltkeus, dien ik seksueele teeltkeus heb genoemd. Deze hangt niet af van eenige meerderheid in den algemeenen strijd om het leven, maar daarvan, dat zekere bepaalde individu’s van ééne sekse, over het algemeen de mannelijke sekse, voorspoedig zijn geweest in het behalen van de zegepraal over andere mannetjes, en dat zij een grooter aantal nakomelingen hebben nagelaten, om hun meerdere voortreffelijkheid te erven, dan de minder voorspoedige mannetjes.
Er is een andere en meer vreedzame soort van wedstrijd waarbij de mannetjes de wijfjes trachten op te wekken of aan te lokken door onderscheidene bekoorlijkheden. Dit kan geschieden door de krachtige geuren die de mannetjes gedurende den paartijd van zich geven; de riekende stoffen afscheidende klieren zijn dan door seksueele teeltkeus verkregen. Of de zelfde meening tot de stem mag worden uitgestrekt, is twijfelachtig; want de stemorganen der mannetjes kunnen gedurende den volwassen leeftijd door het gebruik zijn versterkt, onder de machtige prikkels van liefde, ijverzucht of woede en op de zelfde sekse zijn overgeplant. Onderscheidene haarkammen, haarbossen en haarmantels die hetzij tot het mannetje zijn beperkt, of bij deze sekse meer[301]ontwikkeld dan bij de wijfjes, schijnen in de meeste gevallen eenvoudig tot versiering te dienen, hoewel zij somtijds tot een verdedigingsmiddel tegen mededingende mannetjes strekken. Er is zelfs grond om te vermoeden, dat de vertakte horens van herten, en de bevallige horens van sommige antilopen, hoewel oorspronkelijk tot aanvals- (offensieve) of verdedigings- (defensieve) wapenen dienende, gedeeltelijk ter wille van versiering zijn gewijzigd.
Als het mannetje in kleur van het wijfje verschilt, vertoont hij over het algemeen donkerder en sterker tegen elkander afstekende tinten. Wij ontmoeten in deze Klasse de prachtige roode, blauwe, gele en groene kleuren niet, die bij mannelijke Vogels en vele andere dieren zoo algemeen zijn. De naakte deelen van vele Vierhandigen (Quadrumana) moeten hier echter worden uitgezonderd; want die deelen, dikwerf op koddige plaatsen gelegen, zijn bij sommige soorten op de schitterendste wijze gekleurd. De kleuren van het mannetje kunnen in andere gevallen het gevolg zijn van eenvoudige afwijking, zonder de hulp van teeltkeus. Wanneer echter de kleuren veel verscheidenheid vertoonen of sterk zijn uitgedrukt, als zij niet tot ontwikkeling komen dan op omtrent volwassen leeftijd, en als zij na ontmanning verloren gaan, kunnen wij moeilijk het besluit vermijden, dat zij zijn verkregen door seksueele teeltkeus ter wille van de versiering, en uitsluitend of bijna uitsluitend op de zelfde sekse zijn overgeplant. Als beide seksen op de zelfde wijze zijn gekleurd, en de kleuren opzichtig of opmerkelijk zijn gerangschikt, zonder dat zij in het minst tot bescherming schijnen te dienen, en vooral wanneer zij met onderscheidene andere tot versiering dienende aanhangsels zijn verbonden, worden wij door de analogie tot het zelfde besluit geleid, namelijk dat zij door de seksueele teeltkeus zijn verkregen, hoewel zij op beide seksen worden overgeplant.Dat opzichtige en verscheidenheid vertoonende kleuren, hetzij tot de mannetjes beperkt of aan beide seksen gemeen, in den regel in de zelfde groepen en onder-groepen met andere secundaire seksueele kenmerken zijn verbonden, die voor het gevecht of tot versiering dienen, zal men vinden, dat het steek houdt, als men terugziet op de onderscheidene in dit en het vorige hoofdstuk medegedeelde gevallen.
De wet van de gelijke overplanting van kenmerken op beide seksen heeft, wat kleur en andere versierselen aangaat, veel uitgebreider bij de Zoogdieren dan bij de Vogels geheerscht; wat echter wapenen, zooals horens en slagtanden aangaat, deze zijn dikwijls uitsluitend of[302]in veel hoogere mate op de mannetjes dan op de wijfjes overgeplant. Dit is een verrassende omstandigheid; want daar de mannetjes hun wapenen als een verdedigingsmiddel tegen allerlei soort van vijanden gebruiken, zouden deze wapenen het wijfje van dienst zijn geweest. Hun ontbreken bij deze sekse kan, zoover wij kunnen zien, alleen worden verklaard door den vorm van erfelijkheid die de overhand heeft behouden. Eindelijk is bij de viervoetige dieren de wedstrijd tusschen de individu’s van de zelfde sekse, hetzij dievreedzaamof bloedig was, op hoogst zeldzame uitzonderingen na beperkt gebleven tot de mannetjes, zoodat deze veel algemeener dan de wijfjes door de seksueele teeltkeus zijn gewijzigd, hetzij om met elkander te vechten of om de tegenovergestelde sekse aan te lokken.
[Inhoud]AANTEEKENINGEN.(1)Als bijdrage tot de anatomische overeenstemming tusschen den mensch en de anthropomorphen kunnen wij hier bijvoegen, dat Prof. Gouber te Petersburg ook aan het strottenhoofd van het lijk van een man twee vliezige zakken aantrof, die van daaruit met lucht konden worden gevuld, reeds uitwendig aan weerszijden van den hals voelbaar waren, en in aard en plaats geheel overeenstemden met die welke men bij de anthropomorphen en nog eenige andere op lageren trap slaande apen aantreft, maar bij den mensch nog nooit waren gevonden. Bij dit individu moet hun voorkomen door atavisme worden verklaard („Archiv f. Anat. u. Phys.”, 1874, blz. 606).(2)De stinkdieren (Engelsch „skunk”) vormen het geslachtMephitis. Brehm zegt („Thierleben”, Bd. I, blz. 505), dat hij niet in staat is de werking der door de klieren dezer dieren afgescheiden stof naar behooren te schilderen. „Geen scheikundig laboratorium, geen sekreetput, geen hoop rottende krengen, om kort te gaan, geen stank op aarde moet in hevigheid en onuitstaanbaarheid dien evenaren, welken de uiterlijk zoo sierlijke stinkdieren verspreiden en weken lang aan een voorwerp kunnen mededeelen. Men geeft aan dien stank den naam van „peststank”; want werkelijk wordt iemand die het ongeluk had met een stinkdier in aanraking te komen, gelijk aan een met de pest besmette. De stinkdieren zijn, niettegenstaande hun geringe grootte, zulke geweldige en machtige vijanden van den mensch, dat zij hem dien zij met hun vreeselijk vocht hebben bespoten, bijna uit de maatschappij verbannen en hem zelf een straf opleggen, die moeilijk door eenige andere kan worden overtroffen. Zij zijn in staat om een geheel huis onbewoonbaar te maken en een geheel magazijn, met de kostbaarste stoffen gevuld, volkomen niets waard te maken” .…..…. „De eerste die een uitvoerige beschrijving van het stinkdier50geeft, is Kalm. „Het dier”, zegt hij, „is wegens zijn bijzondere eigenschap bekend. Wordt het door honden of menschen vervolgd, dan loopt het eerst zoo snel[303]als het kan, of klimt op een boom; vindt het geen uitweg meer, dan wendt het nog één middel aan, dat hem overig is; het spuit op zijn vijand zijn pis51, en dat wel op grooten afstand. Eenige lieden hebben mij verhaald, dat hun met dit schandelijke sap het gezicht geheel was bespoten, hoewel zij er nog omtrent5,4meter van verwijderd waren geweest. Dit vocht heeft een zoo onverdragelijken stank, dat een erger ondenkbaar is. Is iemand op het oogenblik van het uitspuiten in de nabijheid van het dier, dan kan hij nauwelijks adem halen, en het is hem later te moede alsof hij zal stikken. Ja, komt dit pestsap in de oogen, zoo loopt men gevaar het gezicht te verliezen, en uit kleederen is de stank bijna in het geheel niet meer te krijgen, men mag ze wasschen, zoo dikwijls men wil. Vele honden loopen weg zoodra de straal hen treft; goede vangers houden echter niet op met den vluchteling na te zetten voordat zij hem hebben doodgebeten. Zij wrijven echter hun snuit op den grond om den stank eenigermate te verdrijven.””„„De onaangename reuk gaat zelden vroeger dan na een maand uit de kleederen; zij verliezen echter toch het meeste daarvan als men ze vier-en-twintig uren lang met aarde bedekt. Ook de hand en het aangezicht moet men ten minste een uur lang met aarde wrijven, daar wasschen niets helpt. Toen een aanzienlijk man die onverwachts was bespoten, zich in een huis wilde wasschen, sloot men de deuren en de menschen liep weg. Bespoten honden laat men dagen lang in geen huis. Als men in een bosch reist, moet men zich dikwijls langen tijd den neus toehouden, ingeval het dier op een plaats zijn pestreuk heeft verspreid. Ik sliep eens op een erf waar een lam was geslacht, en een dergelijk dier kwam aansluipen; de hond zag het en verjaagde het. Daar ontstond plotseling zulk een stank, dat ik meende te moeten verstikken; zelfs de koeien loeiden zoo hard zij konden. De keukenmeid bemerkte, dat verscheidene dagen na elkander van het vleesch was gesnoept; zij versperde daarom alle toegangen om de katten er af te houden. Den volgenden nacht hoorde zij echter een gerucht in den kelder en ging daarom naar beneden. Daar zag zij een dier met vurige oogen, dat haar heel rustig scheen te verwachten. Zij greep echter moed en sloeg het dood. Plotseling ontstond echter zulk een stank, dat zij er eenige dagenlang ziek van was en men alle eetwaren in den kelder en ook het brood en vleesch moest wegwerpen.””„Het stinkdier is zich van zijn vreeselijk wapen zoo goed bewust, dat het in het minst niet schuw of bang is. Al zijn bewegingen zijn langzaam. Het kan noch springen noch klauteren, doch slechts loopen en huppelen. Bij het gaan zet het bijna de geheele voetzool op den grond, welft den rug en draagt den staart naar beneden gericht.Nuen dan woelt het in den grond of snuffelt naar iets eetbaars in het rond. Ontmoet men het dier nu toevallig, dan blijft het heel rustig staan, licht den staart op, draait zich om en spuit het vocht recht voor zich uit.”„„Toen mijn zoon”, verhaalt Siedhof, „op een avond langzaam buiten rondwandelde, kwam plotseling een stinkdier op hem los en beet zich in zijn broek vast. Hij schudde het met moeite los en trapte het dood. Toen hij echter thuis kwam, verspreidde zich uit zijn door het gevaarlijke dier natgemaakte kleederen een zoo doordringende, afschuwelijke knoflookstank, dat er oogenblikkelijk het geheele huis vol van was, de bevriende families die er[304]juist een bezoek brachten, dadelijk wegliepen en de bewoners die niet konden vluchten, er van moesten braken. Alle berooken en luchten hielp niet; zelfs na een maand was de stank nog te bespeuren. De laarzen riekten, zoodra zij warm werden, nog vier maanden lang, hoewel zij in den rook waren gehangen en met chloorwater gewasschen. Het ongeluk was in December gebeurd. Het dier was in den tuin begraven; maar in de eerstvolgende Augustusmaand kon men zijn rustplaats nog aan den stank herkennen.””Van een Zuid-Amerikaansch stinkdier zegt Brehm (ibid., blz. 508), dat een hond die acht dagen te voren er door was bespoten en meer dan twintig malen gewasschen en nog veelvuldiger met zand gewreven, een hut zoodanig verpestte, dat men het er niet in kon uithouden. „Azara gelooft, dat men den stank wel 800 meter ver kan ruiken.”In gevangen staat „worden de stinkdieren na korten tijd zeer tam en wennen zich eenigermate aan hun verpleger, hoewel zij in het begin het achterste voor gaan met opgeheven staart, om hun geschut altijd tot losbranden gereed te houden.”(3)Onder de spitsmuizen zijn o.a.Sorex vulgarisenS. araneuswegens hun muskusgeur merkwaardig. Overigens noemen wij nog als in dat opzicht uitmuntende, de groote Aziatische vleermuizen van het geslachtPteropus, de desmans (Myogale moschataenM. pyrenaïca), de civetkat (Viverra civetta), de zibethkat (Viverra zibetha), den aardwolf (Proteles Lalandii), de ondatra (Fiber zibethicus), het rivierpaard (Hippopotamus amphibius), enz. Als dieren die stinkende afscheidingen als verdedigingsmiddel gebruiken, zouden hier nog de bunsing (Mustela putorius), de Oost-Indische stinkdassen (Midaus), de Afrikaansche bandbunsing (Rhabdogale) en honigdassen (Ratelus), en vele andere kunnen worden genoemd.(4)Phalangista vulpina, Desm.(5)Phascolomys fossor, Wagn.(6)Waarschijnlijk zijn hier het aschgrauwe eekhoorntje (Sciurus cinereus) en het zwarte eekhoorntje (Sciurus niger) van Noord-Amerika bedoeld. Dit zijn echter verschillende soorten, zoodat het zwarte eekhoorntje geenszins een nu en dan voorkomende verscheidenheid van het aschgrauwe is.(7)Bij alle Herkauwende Dieren (Ruminantia), behalve bijHyomoschus aquaticus(en bij de uitgestorven groep der Anoplotheroiden) zijn de beenderen van de middelhand en evenzoo ook die van den middelvoet, tot één been samengesmolten; bijHyomoschus aquaticus(en bij de Anoplotheroiden) zijn zij gescheiden evenals bij de Dikhuidigen (Pachydermata). Gedurende het vruchtleven echter zijn zij bij alle Herkauwende Dieren gescheiden, hetgeen dus den regel bevestigt, dat het individu gedurende het vruchtleven toestanden doorloopt, die als het ware een verkorte herhaling zijn van de toestanden, in vroeger eeuwen door de soort gedurende haar ontwikkeling doorloopen.52(8)Dr. G. H. T. Eimer teTübingenenWeismannte Freiburg i/Br. hebben[305]kleuren en teekeningen der dieren en de veranderingen welke deze in den loop der ontwikkeling ondergaan, onderzocht, en zijn tot het besluit gekomen dat deze veranderingen volstrekt niet altijd het gevolg van teeltkeus kunnen zijn. Eimer bevond, dat in het geheele dierenrijk de overlangsche streping de oorspronkelijke is, dat deze zich in den loop der ontwikkeling in vlekken verdeelt, en deze laatsten zich eindelijk tot dwarsstrepen verbinden. Zulk een regelmatige verandering moet haar oorzaken in de geaardheid des lichaams hebben; de op een gegeven oogenblik voorhanden eigenschappen moeten invloed bezitten op de veranderingen welke de soort zal doorloopen. De geaardheid (constitutie) des lichaams heeft dus invloed zoowel op het ontstaan der afwijkingen (variaties) als op de verdere ontwikkeling daarvan.53Eimer vermoedt, dat de oorspronkelijk algemeen heerschende overlangsche streping der dieren in betrekking staat tot de oudtijds heerschende monocotyledone plantenwereld; ook thans kan men nog waarnemen, dat overlangs gestreepte hagedissen vooral op met gras begroeide plaatsen, overlangs gestreepte rupsen op grassen of naaldhout (een nog ouder type dan de monocotyledonen) zitten, waar hun overlangsche streping het minst in het oog valt. Hier is deze blijven bestaan, terwijl zij op plaatsen met gevlekte schaduw (zooals de dicotyledonen door den vorm hunner bladeren afwerpen) zich in een gevlekte teekening verandert.Het springt, dunkt ons, in het oog, dat zoo de in de vorige alinea gemaakte onderstelling juist is, zoowel de overlangsche streping als de gevlekte teekening door natuurlijke teeltkeus kan worden verklaard.[306]
AANTEEKENINGEN.
(1)Als bijdrage tot de anatomische overeenstemming tusschen den mensch en de anthropomorphen kunnen wij hier bijvoegen, dat Prof. Gouber te Petersburg ook aan het strottenhoofd van het lijk van een man twee vliezige zakken aantrof, die van daaruit met lucht konden worden gevuld, reeds uitwendig aan weerszijden van den hals voelbaar waren, en in aard en plaats geheel overeenstemden met die welke men bij de anthropomorphen en nog eenige andere op lageren trap slaande apen aantreft, maar bij den mensch nog nooit waren gevonden. Bij dit individu moet hun voorkomen door atavisme worden verklaard („Archiv f. Anat. u. Phys.”, 1874, blz. 606).(2)De stinkdieren (Engelsch „skunk”) vormen het geslachtMephitis. Brehm zegt („Thierleben”, Bd. I, blz. 505), dat hij niet in staat is de werking der door de klieren dezer dieren afgescheiden stof naar behooren te schilderen. „Geen scheikundig laboratorium, geen sekreetput, geen hoop rottende krengen, om kort te gaan, geen stank op aarde moet in hevigheid en onuitstaanbaarheid dien evenaren, welken de uiterlijk zoo sierlijke stinkdieren verspreiden en weken lang aan een voorwerp kunnen mededeelen. Men geeft aan dien stank den naam van „peststank”; want werkelijk wordt iemand die het ongeluk had met een stinkdier in aanraking te komen, gelijk aan een met de pest besmette. De stinkdieren zijn, niettegenstaande hun geringe grootte, zulke geweldige en machtige vijanden van den mensch, dat zij hem dien zij met hun vreeselijk vocht hebben bespoten, bijna uit de maatschappij verbannen en hem zelf een straf opleggen, die moeilijk door eenige andere kan worden overtroffen. Zij zijn in staat om een geheel huis onbewoonbaar te maken en een geheel magazijn, met de kostbaarste stoffen gevuld, volkomen niets waard te maken” .…..…. „De eerste die een uitvoerige beschrijving van het stinkdier50geeft, is Kalm. „Het dier”, zegt hij, „is wegens zijn bijzondere eigenschap bekend. Wordt het door honden of menschen vervolgd, dan loopt het eerst zoo snel[303]als het kan, of klimt op een boom; vindt het geen uitweg meer, dan wendt het nog één middel aan, dat hem overig is; het spuit op zijn vijand zijn pis51, en dat wel op grooten afstand. Eenige lieden hebben mij verhaald, dat hun met dit schandelijke sap het gezicht geheel was bespoten, hoewel zij er nog omtrent5,4meter van verwijderd waren geweest. Dit vocht heeft een zoo onverdragelijken stank, dat een erger ondenkbaar is. Is iemand op het oogenblik van het uitspuiten in de nabijheid van het dier, dan kan hij nauwelijks adem halen, en het is hem later te moede alsof hij zal stikken. Ja, komt dit pestsap in de oogen, zoo loopt men gevaar het gezicht te verliezen, en uit kleederen is de stank bijna in het geheel niet meer te krijgen, men mag ze wasschen, zoo dikwijls men wil. Vele honden loopen weg zoodra de straal hen treft; goede vangers houden echter niet op met den vluchteling na te zetten voordat zij hem hebben doodgebeten. Zij wrijven echter hun snuit op den grond om den stank eenigermate te verdrijven.””„„De onaangename reuk gaat zelden vroeger dan na een maand uit de kleederen; zij verliezen echter toch het meeste daarvan als men ze vier-en-twintig uren lang met aarde bedekt. Ook de hand en het aangezicht moet men ten minste een uur lang met aarde wrijven, daar wasschen niets helpt. Toen een aanzienlijk man die onverwachts was bespoten, zich in een huis wilde wasschen, sloot men de deuren en de menschen liep weg. Bespoten honden laat men dagen lang in geen huis. Als men in een bosch reist, moet men zich dikwijls langen tijd den neus toehouden, ingeval het dier op een plaats zijn pestreuk heeft verspreid. Ik sliep eens op een erf waar een lam was geslacht, en een dergelijk dier kwam aansluipen; de hond zag het en verjaagde het. Daar ontstond plotseling zulk een stank, dat ik meende te moeten verstikken; zelfs de koeien loeiden zoo hard zij konden. De keukenmeid bemerkte, dat verscheidene dagen na elkander van het vleesch was gesnoept; zij versperde daarom alle toegangen om de katten er af te houden. Den volgenden nacht hoorde zij echter een gerucht in den kelder en ging daarom naar beneden. Daar zag zij een dier met vurige oogen, dat haar heel rustig scheen te verwachten. Zij greep echter moed en sloeg het dood. Plotseling ontstond echter zulk een stank, dat zij er eenige dagenlang ziek van was en men alle eetwaren in den kelder en ook het brood en vleesch moest wegwerpen.””„Het stinkdier is zich van zijn vreeselijk wapen zoo goed bewust, dat het in het minst niet schuw of bang is. Al zijn bewegingen zijn langzaam. Het kan noch springen noch klauteren, doch slechts loopen en huppelen. Bij het gaan zet het bijna de geheele voetzool op den grond, welft den rug en draagt den staart naar beneden gericht.Nuen dan woelt het in den grond of snuffelt naar iets eetbaars in het rond. Ontmoet men het dier nu toevallig, dan blijft het heel rustig staan, licht den staart op, draait zich om en spuit het vocht recht voor zich uit.”„„Toen mijn zoon”, verhaalt Siedhof, „op een avond langzaam buiten rondwandelde, kwam plotseling een stinkdier op hem los en beet zich in zijn broek vast. Hij schudde het met moeite los en trapte het dood. Toen hij echter thuis kwam, verspreidde zich uit zijn door het gevaarlijke dier natgemaakte kleederen een zoo doordringende, afschuwelijke knoflookstank, dat er oogenblikkelijk het geheele huis vol van was, de bevriende families die er[304]juist een bezoek brachten, dadelijk wegliepen en de bewoners die niet konden vluchten, er van moesten braken. Alle berooken en luchten hielp niet; zelfs na een maand was de stank nog te bespeuren. De laarzen riekten, zoodra zij warm werden, nog vier maanden lang, hoewel zij in den rook waren gehangen en met chloorwater gewasschen. Het ongeluk was in December gebeurd. Het dier was in den tuin begraven; maar in de eerstvolgende Augustusmaand kon men zijn rustplaats nog aan den stank herkennen.””Van een Zuid-Amerikaansch stinkdier zegt Brehm (ibid., blz. 508), dat een hond die acht dagen te voren er door was bespoten en meer dan twintig malen gewasschen en nog veelvuldiger met zand gewreven, een hut zoodanig verpestte, dat men het er niet in kon uithouden. „Azara gelooft, dat men den stank wel 800 meter ver kan ruiken.”In gevangen staat „worden de stinkdieren na korten tijd zeer tam en wennen zich eenigermate aan hun verpleger, hoewel zij in het begin het achterste voor gaan met opgeheven staart, om hun geschut altijd tot losbranden gereed te houden.”(3)Onder de spitsmuizen zijn o.a.Sorex vulgarisenS. araneuswegens hun muskusgeur merkwaardig. Overigens noemen wij nog als in dat opzicht uitmuntende, de groote Aziatische vleermuizen van het geslachtPteropus, de desmans (Myogale moschataenM. pyrenaïca), de civetkat (Viverra civetta), de zibethkat (Viverra zibetha), den aardwolf (Proteles Lalandii), de ondatra (Fiber zibethicus), het rivierpaard (Hippopotamus amphibius), enz. Als dieren die stinkende afscheidingen als verdedigingsmiddel gebruiken, zouden hier nog de bunsing (Mustela putorius), de Oost-Indische stinkdassen (Midaus), de Afrikaansche bandbunsing (Rhabdogale) en honigdassen (Ratelus), en vele andere kunnen worden genoemd.(4)Phalangista vulpina, Desm.(5)Phascolomys fossor, Wagn.(6)Waarschijnlijk zijn hier het aschgrauwe eekhoorntje (Sciurus cinereus) en het zwarte eekhoorntje (Sciurus niger) van Noord-Amerika bedoeld. Dit zijn echter verschillende soorten, zoodat het zwarte eekhoorntje geenszins een nu en dan voorkomende verscheidenheid van het aschgrauwe is.(7)Bij alle Herkauwende Dieren (Ruminantia), behalve bijHyomoschus aquaticus(en bij de uitgestorven groep der Anoplotheroiden) zijn de beenderen van de middelhand en evenzoo ook die van den middelvoet, tot één been samengesmolten; bijHyomoschus aquaticus(en bij de Anoplotheroiden) zijn zij gescheiden evenals bij de Dikhuidigen (Pachydermata). Gedurende het vruchtleven echter zijn zij bij alle Herkauwende Dieren gescheiden, hetgeen dus den regel bevestigt, dat het individu gedurende het vruchtleven toestanden doorloopt, die als het ware een verkorte herhaling zijn van de toestanden, in vroeger eeuwen door de soort gedurende haar ontwikkeling doorloopen.52(8)Dr. G. H. T. Eimer teTübingenenWeismannte Freiburg i/Br. hebben[305]kleuren en teekeningen der dieren en de veranderingen welke deze in den loop der ontwikkeling ondergaan, onderzocht, en zijn tot het besluit gekomen dat deze veranderingen volstrekt niet altijd het gevolg van teeltkeus kunnen zijn. Eimer bevond, dat in het geheele dierenrijk de overlangsche streping de oorspronkelijke is, dat deze zich in den loop der ontwikkeling in vlekken verdeelt, en deze laatsten zich eindelijk tot dwarsstrepen verbinden. Zulk een regelmatige verandering moet haar oorzaken in de geaardheid des lichaams hebben; de op een gegeven oogenblik voorhanden eigenschappen moeten invloed bezitten op de veranderingen welke de soort zal doorloopen. De geaardheid (constitutie) des lichaams heeft dus invloed zoowel op het ontstaan der afwijkingen (variaties) als op de verdere ontwikkeling daarvan.53Eimer vermoedt, dat de oorspronkelijk algemeen heerschende overlangsche streping der dieren in betrekking staat tot de oudtijds heerschende monocotyledone plantenwereld; ook thans kan men nog waarnemen, dat overlangs gestreepte hagedissen vooral op met gras begroeide plaatsen, overlangs gestreepte rupsen op grassen of naaldhout (een nog ouder type dan de monocotyledonen) zitten, waar hun overlangsche streping het minst in het oog valt. Hier is deze blijven bestaan, terwijl zij op plaatsen met gevlekte schaduw (zooals de dicotyledonen door den vorm hunner bladeren afwerpen) zich in een gevlekte teekening verandert.Het springt, dunkt ons, in het oog, dat zoo de in de vorige alinea gemaakte onderstelling juist is, zoowel de overlangsche streping als de gevlekte teekening door natuurlijke teeltkeus kan worden verklaard.[306]
(1)Als bijdrage tot de anatomische overeenstemming tusschen den mensch en de anthropomorphen kunnen wij hier bijvoegen, dat Prof. Gouber te Petersburg ook aan het strottenhoofd van het lijk van een man twee vliezige zakken aantrof, die van daaruit met lucht konden worden gevuld, reeds uitwendig aan weerszijden van den hals voelbaar waren, en in aard en plaats geheel overeenstemden met die welke men bij de anthropomorphen en nog eenige andere op lageren trap slaande apen aantreft, maar bij den mensch nog nooit waren gevonden. Bij dit individu moet hun voorkomen door atavisme worden verklaard („Archiv f. Anat. u. Phys.”, 1874, blz. 606).
(2)De stinkdieren (Engelsch „skunk”) vormen het geslachtMephitis. Brehm zegt („Thierleben”, Bd. I, blz. 505), dat hij niet in staat is de werking der door de klieren dezer dieren afgescheiden stof naar behooren te schilderen. „Geen scheikundig laboratorium, geen sekreetput, geen hoop rottende krengen, om kort te gaan, geen stank op aarde moet in hevigheid en onuitstaanbaarheid dien evenaren, welken de uiterlijk zoo sierlijke stinkdieren verspreiden en weken lang aan een voorwerp kunnen mededeelen. Men geeft aan dien stank den naam van „peststank”; want werkelijk wordt iemand die het ongeluk had met een stinkdier in aanraking te komen, gelijk aan een met de pest besmette. De stinkdieren zijn, niettegenstaande hun geringe grootte, zulke geweldige en machtige vijanden van den mensch, dat zij hem dien zij met hun vreeselijk vocht hebben bespoten, bijna uit de maatschappij verbannen en hem zelf een straf opleggen, die moeilijk door eenige andere kan worden overtroffen. Zij zijn in staat om een geheel huis onbewoonbaar te maken en een geheel magazijn, met de kostbaarste stoffen gevuld, volkomen niets waard te maken” .….
.…. „De eerste die een uitvoerige beschrijving van het stinkdier50geeft, is Kalm. „Het dier”, zegt hij, „is wegens zijn bijzondere eigenschap bekend. Wordt het door honden of menschen vervolgd, dan loopt het eerst zoo snel[303]als het kan, of klimt op een boom; vindt het geen uitweg meer, dan wendt het nog één middel aan, dat hem overig is; het spuit op zijn vijand zijn pis51, en dat wel op grooten afstand. Eenige lieden hebben mij verhaald, dat hun met dit schandelijke sap het gezicht geheel was bespoten, hoewel zij er nog omtrent5,4meter van verwijderd waren geweest. Dit vocht heeft een zoo onverdragelijken stank, dat een erger ondenkbaar is. Is iemand op het oogenblik van het uitspuiten in de nabijheid van het dier, dan kan hij nauwelijks adem halen, en het is hem later te moede alsof hij zal stikken. Ja, komt dit pestsap in de oogen, zoo loopt men gevaar het gezicht te verliezen, en uit kleederen is de stank bijna in het geheel niet meer te krijgen, men mag ze wasschen, zoo dikwijls men wil. Vele honden loopen weg zoodra de straal hen treft; goede vangers houden echter niet op met den vluchteling na te zetten voordat zij hem hebben doodgebeten. Zij wrijven echter hun snuit op den grond om den stank eenigermate te verdrijven.””
„„De onaangename reuk gaat zelden vroeger dan na een maand uit de kleederen; zij verliezen echter toch het meeste daarvan als men ze vier-en-twintig uren lang met aarde bedekt. Ook de hand en het aangezicht moet men ten minste een uur lang met aarde wrijven, daar wasschen niets helpt. Toen een aanzienlijk man die onverwachts was bespoten, zich in een huis wilde wasschen, sloot men de deuren en de menschen liep weg. Bespoten honden laat men dagen lang in geen huis. Als men in een bosch reist, moet men zich dikwijls langen tijd den neus toehouden, ingeval het dier op een plaats zijn pestreuk heeft verspreid. Ik sliep eens op een erf waar een lam was geslacht, en een dergelijk dier kwam aansluipen; de hond zag het en verjaagde het. Daar ontstond plotseling zulk een stank, dat ik meende te moeten verstikken; zelfs de koeien loeiden zoo hard zij konden. De keukenmeid bemerkte, dat verscheidene dagen na elkander van het vleesch was gesnoept; zij versperde daarom alle toegangen om de katten er af te houden. Den volgenden nacht hoorde zij echter een gerucht in den kelder en ging daarom naar beneden. Daar zag zij een dier met vurige oogen, dat haar heel rustig scheen te verwachten. Zij greep echter moed en sloeg het dood. Plotseling ontstond echter zulk een stank, dat zij er eenige dagenlang ziek van was en men alle eetwaren in den kelder en ook het brood en vleesch moest wegwerpen.””
„Het stinkdier is zich van zijn vreeselijk wapen zoo goed bewust, dat het in het minst niet schuw of bang is. Al zijn bewegingen zijn langzaam. Het kan noch springen noch klauteren, doch slechts loopen en huppelen. Bij het gaan zet het bijna de geheele voetzool op den grond, welft den rug en draagt den staart naar beneden gericht.Nuen dan woelt het in den grond of snuffelt naar iets eetbaars in het rond. Ontmoet men het dier nu toevallig, dan blijft het heel rustig staan, licht den staart op, draait zich om en spuit het vocht recht voor zich uit.”
„„Toen mijn zoon”, verhaalt Siedhof, „op een avond langzaam buiten rondwandelde, kwam plotseling een stinkdier op hem los en beet zich in zijn broek vast. Hij schudde het met moeite los en trapte het dood. Toen hij echter thuis kwam, verspreidde zich uit zijn door het gevaarlijke dier natgemaakte kleederen een zoo doordringende, afschuwelijke knoflookstank, dat er oogenblikkelijk het geheele huis vol van was, de bevriende families die er[304]juist een bezoek brachten, dadelijk wegliepen en de bewoners die niet konden vluchten, er van moesten braken. Alle berooken en luchten hielp niet; zelfs na een maand was de stank nog te bespeuren. De laarzen riekten, zoodra zij warm werden, nog vier maanden lang, hoewel zij in den rook waren gehangen en met chloorwater gewasschen. Het ongeluk was in December gebeurd. Het dier was in den tuin begraven; maar in de eerstvolgende Augustusmaand kon men zijn rustplaats nog aan den stank herkennen.””
Van een Zuid-Amerikaansch stinkdier zegt Brehm (ibid., blz. 508), dat een hond die acht dagen te voren er door was bespoten en meer dan twintig malen gewasschen en nog veelvuldiger met zand gewreven, een hut zoodanig verpestte, dat men het er niet in kon uithouden. „Azara gelooft, dat men den stank wel 800 meter ver kan ruiken.”
In gevangen staat „worden de stinkdieren na korten tijd zeer tam en wennen zich eenigermate aan hun verpleger, hoewel zij in het begin het achterste voor gaan met opgeheven staart, om hun geschut altijd tot losbranden gereed te houden.”
(3)Onder de spitsmuizen zijn o.a.Sorex vulgarisenS. araneuswegens hun muskusgeur merkwaardig. Overigens noemen wij nog als in dat opzicht uitmuntende, de groote Aziatische vleermuizen van het geslachtPteropus, de desmans (Myogale moschataenM. pyrenaïca), de civetkat (Viverra civetta), de zibethkat (Viverra zibetha), den aardwolf (Proteles Lalandii), de ondatra (Fiber zibethicus), het rivierpaard (Hippopotamus amphibius), enz. Als dieren die stinkende afscheidingen als verdedigingsmiddel gebruiken, zouden hier nog de bunsing (Mustela putorius), de Oost-Indische stinkdassen (Midaus), de Afrikaansche bandbunsing (Rhabdogale) en honigdassen (Ratelus), en vele andere kunnen worden genoemd.
(4)Phalangista vulpina, Desm.
(5)Phascolomys fossor, Wagn.
(6)Waarschijnlijk zijn hier het aschgrauwe eekhoorntje (Sciurus cinereus) en het zwarte eekhoorntje (Sciurus niger) van Noord-Amerika bedoeld. Dit zijn echter verschillende soorten, zoodat het zwarte eekhoorntje geenszins een nu en dan voorkomende verscheidenheid van het aschgrauwe is.
(7)Bij alle Herkauwende Dieren (Ruminantia), behalve bijHyomoschus aquaticus(en bij de uitgestorven groep der Anoplotheroiden) zijn de beenderen van de middelhand en evenzoo ook die van den middelvoet, tot één been samengesmolten; bijHyomoschus aquaticus(en bij de Anoplotheroiden) zijn zij gescheiden evenals bij de Dikhuidigen (Pachydermata). Gedurende het vruchtleven echter zijn zij bij alle Herkauwende Dieren gescheiden, hetgeen dus den regel bevestigt, dat het individu gedurende het vruchtleven toestanden doorloopt, die als het ware een verkorte herhaling zijn van de toestanden, in vroeger eeuwen door de soort gedurende haar ontwikkeling doorloopen.52
(8)Dr. G. H. T. Eimer teTübingenenWeismannte Freiburg i/Br. hebben[305]kleuren en teekeningen der dieren en de veranderingen welke deze in den loop der ontwikkeling ondergaan, onderzocht, en zijn tot het besluit gekomen dat deze veranderingen volstrekt niet altijd het gevolg van teeltkeus kunnen zijn. Eimer bevond, dat in het geheele dierenrijk de overlangsche streping de oorspronkelijke is, dat deze zich in den loop der ontwikkeling in vlekken verdeelt, en deze laatsten zich eindelijk tot dwarsstrepen verbinden. Zulk een regelmatige verandering moet haar oorzaken in de geaardheid des lichaams hebben; de op een gegeven oogenblik voorhanden eigenschappen moeten invloed bezitten op de veranderingen welke de soort zal doorloopen. De geaardheid (constitutie) des lichaams heeft dus invloed zoowel op het ontstaan der afwijkingen (variaties) als op de verdere ontwikkeling daarvan.53
Eimer vermoedt, dat de oorspronkelijk algemeen heerschende overlangsche streping der dieren in betrekking staat tot de oudtijds heerschende monocotyledone plantenwereld; ook thans kan men nog waarnemen, dat overlangs gestreepte hagedissen vooral op met gras begroeide plaatsen, overlangs gestreepte rupsen op grassen of naaldhout (een nog ouder type dan de monocotyledonen) zitten, waar hun overlangsche streping het minst in het oog valt. Hier is deze blijven bestaan, terwijl zij op plaatsen met gevlekte schaduw (zooals de dicotyledonen door den vorm hunner bladeren afwerpen) zich in een gevlekte teekening verandert.
Het springt, dunkt ons, in het oog, dat zoo de in de vorige alinea gemaakte onderstelling juist is, zoowel de overlangsche streping als de gevlekte teekening door natuurlijke teeltkeus kan worden verklaard.[306]