Chapter 24

1Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 585.↑2Ibid., blz. 595.↑3Zie, bij voorbeeld, majoor W. Ross King („The Sportsman in Canada”, 1866, blz. 53, 131) over de gewoonten van den eland en het wilde rendier.↑4Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 600.↑5De heer Green, in „Journal of Linn. Soc.”, vol. X,Zoology, 1869, blz. 362.↑6C. L. Martin, „General Introduction to the Nat. Hist. of Mamm. Animals”, 1841, blz. 431.↑7„Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1860, blz. 21.↑8Omtrent den zeeolifant, zie een artikel door Lesson, in „Dict. Class. Hist. Nat.”, tome XIII, blz. 418. Omtrent deCystophoraofStemmatopus, zie Dr. Dekay, „Annals of Lyceum of Nat. Hist. New-York”, vol. I, 1824, blz. 94. Pennant heeft ook inlichtingen omtrent dit dier bij robbenvangers ingewonnen. De volledigste mededeelingen worden door den heer Brown, die den rudimentairen toestand van de blaas bij het wijfje betwijfelt, gedaan in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 435.↑9Zooals bij het bevergeil (castoreum) van den bever; zie het hoogst belangwekkende werk van den heer L. H. Morgan, „The American Beaver”, 1868, blz. 300. Pallas („Spic. Zoolog.”, fasc.VIII, 1779, blz. 23) heeft de riekende stoffen afscheidende klieren der zoogdieren grondig besproken. Owen („Anat. of Vertebrates”, vol. III, blz. 634) behandelt deze klieren insgelijks met insluiting van die van den olifant en (blz. 763) die van de spitsmuis.↑10Rengger, „Naturgeschichte derSäugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 355. Deze waarnemer deelt ook eenige merkwaardige bijzonderheden mede omtrent den voortgebrachten geur.↑11Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 632. Zie ook Dr. Murie’s waarnemingen omtrent hun klieren in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1870, blz. 340. Desmarest, overAntilope subgutturosa, „Mammalogie”, 1820, blz. 445.↑12Pallas, „Spicilegia Zoolog.”, fasc. XIII, 1799, blz. 24; Desmoulins, „Dict. Class. d’Hist. Nat.”, tome III, blz. 586.↑13Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery at Knowsley”, blz. 28.↑14Judge Caton over het Wapiti-hert, „Transact. Ottawa Acad. Nat. Sciences”, 1868, blz. 36, 40; Blyth, „Land and Water”, overCapra aegagrus, 1867, blz. 37.↑15Hunter’s „Essays and Observations”, uitgegeven door Owen, 1861, vol. I, blz. 236.↑16Zie Dr. Gray’s „Cat. of Mammalia in British Museum”, part. III, 1852, blz. 144.↑17Rengger „Säugethiere” enz., blz. 14; Desmarest, „Mammalogie” blz. 66.↑18Zie de hoofdstukken over deze verschillende dieren in Deel I van mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”; ook Deel II, blz. 98; ook hoofdstuk XX, over de uitoefening van teeltkeus door half beschaafde volken. Omtrent de Berbura-geit, zie Dr. Gray, „Catalogue”, ibid., blz. 157.↑19J. A. Allen, in „Bulletin of Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, 1869, blz. 207. De heer Dobson over seksueele kenmerken bij deChiroptera, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1873, blz. 241. Dr. Gray over luiaards, ibid., 1871, blz. 436.↑20Osphranter rufus, Gould, „Mammals of Australia”, vol. II, 1863. Omtrent deDidelphys, Desmarest, „Mammalogie”, blz.256.↑21„Annals and Mag. of Nat. Hist.”, Nov. 1867, blz. 325. OmtrentMus minutus, Desmarest, „Mammalogie”, blz. 304.↑22J. A. Allen in „Bulletin of Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, 1869, blz. 207.↑23Desmarest, „Mammalogie”, 1820, blz. 223. OmtrentFelis mitis, Rengger, ibid., blz. 194.↑24Dr. Murie over den zeeleeuw (Otaria), „Proc. Zool. Soc.”, blz. 108. De heer R. Brown, over deP. Groenlandica, ibid., 1868, blz. 417. Zie ook omtrent de kleuren van robben, Desmarest, ibid, blz. 243, 249.↑25Judge Caton in „Trans. Ottawa Acad. of Nat. Sciences”, 1868, blz. 4.↑26Dr. Gray, „Cat. of Mamm. in Brit. Mus.”, part III, 1852, blz.134–142; ook Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery of Knowsley”, waarin een prachtige afbeelding vanOreas Derbianusvoorkomt: zie den tekst overTragelaphus. Omtrent den Kaapschen Eland (Oreas canna), zie Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, pl. 41 en 42. Er zijn ook vele van deze antilopen in den Londenschen dierentuin.↑27Omtrent de deAnt. nigra, zie „Proc. Zool. Soc.”, 1850, blz. 133. Omtrent een verwante soort bij welke een gelijk seksueel kleurverschil bestaat, zie Sir Samuel Baker, „The Albert Nyanza”, 1866, vol. II, blz. 327. Voor deA. sing-sing, Gray, „Cat. B. Mus.” blz. 100. Desmarest, „Mammalogie”, blz. 468, overA. caama; Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, over den gnoe.↑28„Ottawa Academy of Sciences”, 21 Mei, 1868, blz. 3, 5.↑29S. Müller over den Banteng, „Zoogd. Indischen Archipel”, 1839–1844, tab. 35; zie ook Raffles, aangehaald door Dr. Gray in „Land and Water”, 1867, blz. 476. Omtrent geiten, Dr. Gray, „Cat. Brit. Mus.”, blz. 146; Desmarest, „Mammalogie”, blz. 482. OmtrentCervus paludosus, Rengger, ibid., blz. 345.↑30Sclater, „Proc. Zool.Soc.”, 1866, blz. 1. Het zelfde feit is ook door de heeren Pollen en van Dam volkomen bevestigd.↑31Omtrent Mycetes, Rengger, ibid., blz. 14; en Brehm, „Illustrirtes Thierleben”, Bd. I, blz. 96, 107. OmtrentAteles, Desmarest, „Mammalogie”, blz. 75. OmtrentHylobates, Blyth, „Land and Water”, 1867, blz. 135. OmtrentSemnopithecus, S. Müller, „Zoogd. Indischen Archipel”, tab. X.↑32Gervais, „Hist. Nat. des Mammifères”, 1854, blz. 103. Afbeeldingen worden gegeven van den schedel van het mannetje. Desmarest,„Mammalogie”, blz. 70. Geoffroy St. Hilaire en Cuvier, „Hist. Nat. des Mamm.”, 1824, tome I.↑33„Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Nederl. vert., deel II, blz. 89, 90.↑34„Essays and ObservationsbyJ. Hunter”, uitgegeven door Owen, 1861, vol. I, blz. 194.↑35Sir S. Baker, „The Nile Tributaries of Abyssinia”, 1867.↑36Fiber zibethicus, Audubon en Bachman, „The Quadrupeds ofN. America”, 1846, blz. 109.↑37„Novae species Quadrupedum e Glirium ordine”, 1778, blz. 7. Het dier dat ikreeheb genoemd, isCapreolus Sibericus subecaudatusvan Pallas.↑38„The Naturalist in Nicaragua”, blz. 249.↑39Zie de fraaie platen in A. Smith’s „Zoology of S. Africa”, en Dr. Gray’s „Gleanings from the Menagery of Knowsley.”↑40„Westminster Review”, 1 Juli 1867, blz. 5.↑41„Travels in South Africa”, 1824, vol. II, blz. 315.↑42Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery of Knowsley”, blz. 64. De heer Blyth („Land and Water”,1869, blz. 42) zegt, van het zwijnshert van Ceylon sprekende, dat het helderder witte vlekken heeft dan het gewone zwijnshert, in het jaargetijde waarin het nieuwe horens krijgt.↑43Falconer en Cautley, „Proc. Geolog. Soc.”, 1843; enFalconer’s„Pal. Memoirs”, vol. I, blz 296.↑44„Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. vert., Deel I, blz. 68–72.↑45„Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. vert., Deel I, blz. 68–72.↑46„Proc. Zool. Soc.”, 1862, blz. 164. Zie ook Dr.Hartmann, „Ann. d. Landw.” Bd. XLIII, blz. 222.↑47Ik nam dit feit waar in den Londenschen dierentuin; en talrijke voorbeelden er van kan men zien op de gekleurde platen in Geoffroy St. Hilaire en F. Cuvier, „Hist. Nat. des Mammifères”, tome II, 1824.↑48Bates, „The Naturalist on the Amazons”, 1863, vol. II, blz. 310.↑49Ik heb de meeste der bovengenoemde apen in den Londenschen dierentuin gezien. De beschrijving van denSemnopithecus nemaeusis ontleend aan den heer W. C. Martin, in zijn „Nat. Hist. of Mammalia”, 1841, blz. 460; zie ook blz. 475, 523.↑50De hier bedoelde soort isMephitis Chinga↑51Dit is onjuist. Het vocht wordt door bijzondere klieren van aanmerkelijke grootte afgescheiden, die zich in den mastdarm openen en door een bijzondere spier kunnen worden samengetrokken.↑52In de geologische opeenvolging vertoonen zich dePachydermatavroeger dan deRuminantiamet welke zij door de Anoplotheroiden zijn verbonden. De stamouders derRuminantiawaren naar alle waarschijnlijkheid fossielePachydermata. Men vergelijke Dr. T. C. Winkler, „De Paleontologische Geschiedenis der Hoefdieren”, in „Alb. d. Nat”, 1881, blz. 197, 244, en voor het genetisch verband tusschen levende en uitgestorven zoogdieren in het algemeen, vooral ook Prof. O. Smidt, „Die Säugethiere in ihrem Verhältnisse zur Vorwelt”, Leipzig, Brockhaus,1884 („Internat. wiss. Bibl.”, Bd. LXV).↑53„Humboldt”,Jahrg.1885 en 1886. Düsing, „Humboldt”, Nov. 1887 en Sept. 1888, Eimer, „Untersuchungen über das Variiren der Mauereidechse”, Berlin, 1881, Düsing, „Überdie Färbung der Thiere”, „Kosmos”, 1886, Bd. II, blz. 382. In „Humboldt”, Oct. 1887, toont Eimer aan, dat ook Kerschner’s onderzoekingen omtrent het vederkleed der vogels zijn stelling bevestigen.↑

1Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 585.↑2Ibid., blz. 595.↑3Zie, bij voorbeeld, majoor W. Ross King („The Sportsman in Canada”, 1866, blz. 53, 131) over de gewoonten van den eland en het wilde rendier.↑4Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 600.↑5De heer Green, in „Journal of Linn. Soc.”, vol. X,Zoology, 1869, blz. 362.↑6C. L. Martin, „General Introduction to the Nat. Hist. of Mamm. Animals”, 1841, blz. 431.↑7„Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1860, blz. 21.↑8Omtrent den zeeolifant, zie een artikel door Lesson, in „Dict. Class. Hist. Nat.”, tome XIII, blz. 418. Omtrent deCystophoraofStemmatopus, zie Dr. Dekay, „Annals of Lyceum of Nat. Hist. New-York”, vol. I, 1824, blz. 94. Pennant heeft ook inlichtingen omtrent dit dier bij robbenvangers ingewonnen. De volledigste mededeelingen worden door den heer Brown, die den rudimentairen toestand van de blaas bij het wijfje betwijfelt, gedaan in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 435.↑9Zooals bij het bevergeil (castoreum) van den bever; zie het hoogst belangwekkende werk van den heer L. H. Morgan, „The American Beaver”, 1868, blz. 300. Pallas („Spic. Zoolog.”, fasc.VIII, 1779, blz. 23) heeft de riekende stoffen afscheidende klieren der zoogdieren grondig besproken. Owen („Anat. of Vertebrates”, vol. III, blz. 634) behandelt deze klieren insgelijks met insluiting van die van den olifant en (blz. 763) die van de spitsmuis.↑10Rengger, „Naturgeschichte derSäugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 355. Deze waarnemer deelt ook eenige merkwaardige bijzonderheden mede omtrent den voortgebrachten geur.↑11Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 632. Zie ook Dr. Murie’s waarnemingen omtrent hun klieren in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1870, blz. 340. Desmarest, overAntilope subgutturosa, „Mammalogie”, 1820, blz. 445.↑12Pallas, „Spicilegia Zoolog.”, fasc. XIII, 1799, blz. 24; Desmoulins, „Dict. Class. d’Hist. Nat.”, tome III, blz. 586.↑13Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery at Knowsley”, blz. 28.↑14Judge Caton over het Wapiti-hert, „Transact. Ottawa Acad. Nat. Sciences”, 1868, blz. 36, 40; Blyth, „Land and Water”, overCapra aegagrus, 1867, blz. 37.↑15Hunter’s „Essays and Observations”, uitgegeven door Owen, 1861, vol. I, blz. 236.↑16Zie Dr. Gray’s „Cat. of Mammalia in British Museum”, part. III, 1852, blz. 144.↑17Rengger „Säugethiere” enz., blz. 14; Desmarest, „Mammalogie” blz. 66.↑18Zie de hoofdstukken over deze verschillende dieren in Deel I van mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”; ook Deel II, blz. 98; ook hoofdstuk XX, over de uitoefening van teeltkeus door half beschaafde volken. Omtrent de Berbura-geit, zie Dr. Gray, „Catalogue”, ibid., blz. 157.↑19J. A. Allen, in „Bulletin of Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, 1869, blz. 207. De heer Dobson over seksueele kenmerken bij deChiroptera, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1873, blz. 241. Dr. Gray over luiaards, ibid., 1871, blz. 436.↑20Osphranter rufus, Gould, „Mammals of Australia”, vol. II, 1863. Omtrent deDidelphys, Desmarest, „Mammalogie”, blz.256.↑21„Annals and Mag. of Nat. Hist.”, Nov. 1867, blz. 325. OmtrentMus minutus, Desmarest, „Mammalogie”, blz. 304.↑22J. A. Allen in „Bulletin of Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, 1869, blz. 207.↑23Desmarest, „Mammalogie”, 1820, blz. 223. OmtrentFelis mitis, Rengger, ibid., blz. 194.↑24Dr. Murie over den zeeleeuw (Otaria), „Proc. Zool. Soc.”, blz. 108. De heer R. Brown, over deP. Groenlandica, ibid., 1868, blz. 417. Zie ook omtrent de kleuren van robben, Desmarest, ibid, blz. 243, 249.↑25Judge Caton in „Trans. Ottawa Acad. of Nat. Sciences”, 1868, blz. 4.↑26Dr. Gray, „Cat. of Mamm. in Brit. Mus.”, part III, 1852, blz.134–142; ook Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery of Knowsley”, waarin een prachtige afbeelding vanOreas Derbianusvoorkomt: zie den tekst overTragelaphus. Omtrent den Kaapschen Eland (Oreas canna), zie Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, pl. 41 en 42. Er zijn ook vele van deze antilopen in den Londenschen dierentuin.↑27Omtrent de deAnt. nigra, zie „Proc. Zool. Soc.”, 1850, blz. 133. Omtrent een verwante soort bij welke een gelijk seksueel kleurverschil bestaat, zie Sir Samuel Baker, „The Albert Nyanza”, 1866, vol. II, blz. 327. Voor deA. sing-sing, Gray, „Cat. B. Mus.” blz. 100. Desmarest, „Mammalogie”, blz. 468, overA. caama; Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, over den gnoe.↑28„Ottawa Academy of Sciences”, 21 Mei, 1868, blz. 3, 5.↑29S. Müller over den Banteng, „Zoogd. Indischen Archipel”, 1839–1844, tab. 35; zie ook Raffles, aangehaald door Dr. Gray in „Land and Water”, 1867, blz. 476. Omtrent geiten, Dr. Gray, „Cat. Brit. Mus.”, blz. 146; Desmarest, „Mammalogie”, blz. 482. OmtrentCervus paludosus, Rengger, ibid., blz. 345.↑30Sclater, „Proc. Zool.Soc.”, 1866, blz. 1. Het zelfde feit is ook door de heeren Pollen en van Dam volkomen bevestigd.↑31Omtrent Mycetes, Rengger, ibid., blz. 14; en Brehm, „Illustrirtes Thierleben”, Bd. I, blz. 96, 107. OmtrentAteles, Desmarest, „Mammalogie”, blz. 75. OmtrentHylobates, Blyth, „Land and Water”, 1867, blz. 135. OmtrentSemnopithecus, S. Müller, „Zoogd. Indischen Archipel”, tab. X.↑32Gervais, „Hist. Nat. des Mammifères”, 1854, blz. 103. Afbeeldingen worden gegeven van den schedel van het mannetje. Desmarest,„Mammalogie”, blz. 70. Geoffroy St. Hilaire en Cuvier, „Hist. Nat. des Mamm.”, 1824, tome I.↑33„Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Nederl. vert., deel II, blz. 89, 90.↑34„Essays and ObservationsbyJ. Hunter”, uitgegeven door Owen, 1861, vol. I, blz. 194.↑35Sir S. Baker, „The Nile Tributaries of Abyssinia”, 1867.↑36Fiber zibethicus, Audubon en Bachman, „The Quadrupeds ofN. America”, 1846, blz. 109.↑37„Novae species Quadrupedum e Glirium ordine”, 1778, blz. 7. Het dier dat ikreeheb genoemd, isCapreolus Sibericus subecaudatusvan Pallas.↑38„The Naturalist in Nicaragua”, blz. 249.↑39Zie de fraaie platen in A. Smith’s „Zoology of S. Africa”, en Dr. Gray’s „Gleanings from the Menagery of Knowsley.”↑40„Westminster Review”, 1 Juli 1867, blz. 5.↑41„Travels in South Africa”, 1824, vol. II, blz. 315.↑42Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery of Knowsley”, blz. 64. De heer Blyth („Land and Water”,1869, blz. 42) zegt, van het zwijnshert van Ceylon sprekende, dat het helderder witte vlekken heeft dan het gewone zwijnshert, in het jaargetijde waarin het nieuwe horens krijgt.↑43Falconer en Cautley, „Proc. Geolog. Soc.”, 1843; enFalconer’s„Pal. Memoirs”, vol. I, blz 296.↑44„Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. vert., Deel I, blz. 68–72.↑45„Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. vert., Deel I, blz. 68–72.↑46„Proc. Zool. Soc.”, 1862, blz. 164. Zie ook Dr.Hartmann, „Ann. d. Landw.” Bd. XLIII, blz. 222.↑47Ik nam dit feit waar in den Londenschen dierentuin; en talrijke voorbeelden er van kan men zien op de gekleurde platen in Geoffroy St. Hilaire en F. Cuvier, „Hist. Nat. des Mammifères”, tome II, 1824.↑48Bates, „The Naturalist on the Amazons”, 1863, vol. II, blz. 310.↑49Ik heb de meeste der bovengenoemde apen in den Londenschen dierentuin gezien. De beschrijving van denSemnopithecus nemaeusis ontleend aan den heer W. C. Martin, in zijn „Nat. Hist. of Mammalia”, 1841, blz. 460; zie ook blz. 475, 523.↑50De hier bedoelde soort isMephitis Chinga↑51Dit is onjuist. Het vocht wordt door bijzondere klieren van aanmerkelijke grootte afgescheiden, die zich in den mastdarm openen en door een bijzondere spier kunnen worden samengetrokken.↑52In de geologische opeenvolging vertoonen zich dePachydermatavroeger dan deRuminantiamet welke zij door de Anoplotheroiden zijn verbonden. De stamouders derRuminantiawaren naar alle waarschijnlijkheid fossielePachydermata. Men vergelijke Dr. T. C. Winkler, „De Paleontologische Geschiedenis der Hoefdieren”, in „Alb. d. Nat”, 1881, blz. 197, 244, en voor het genetisch verband tusschen levende en uitgestorven zoogdieren in het algemeen, vooral ook Prof. O. Smidt, „Die Säugethiere in ihrem Verhältnisse zur Vorwelt”, Leipzig, Brockhaus,1884 („Internat. wiss. Bibl.”, Bd. LXV).↑53„Humboldt”,Jahrg.1885 en 1886. Düsing, „Humboldt”, Nov. 1887 en Sept. 1888, Eimer, „Untersuchungen über das Variiren der Mauereidechse”, Berlin, 1881, Düsing, „Überdie Färbung der Thiere”, „Kosmos”, 1886, Bd. II, blz. 382. In „Humboldt”, Oct. 1887, toont Eimer aan, dat ook Kerschner’s onderzoekingen omtrent het vederkleed der vogels zijn stelling bevestigen.↑

1Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 585.↑2Ibid., blz. 595.↑3Zie, bij voorbeeld, majoor W. Ross King („The Sportsman in Canada”, 1866, blz. 53, 131) over de gewoonten van den eland en het wilde rendier.↑4Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 600.↑5De heer Green, in „Journal of Linn. Soc.”, vol. X,Zoology, 1869, blz. 362.↑6C. L. Martin, „General Introduction to the Nat. Hist. of Mamm. Animals”, 1841, blz. 431.↑7„Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1860, blz. 21.↑8Omtrent den zeeolifant, zie een artikel door Lesson, in „Dict. Class. Hist. Nat.”, tome XIII, blz. 418. Omtrent deCystophoraofStemmatopus, zie Dr. Dekay, „Annals of Lyceum of Nat. Hist. New-York”, vol. I, 1824, blz. 94. Pennant heeft ook inlichtingen omtrent dit dier bij robbenvangers ingewonnen. De volledigste mededeelingen worden door den heer Brown, die den rudimentairen toestand van de blaas bij het wijfje betwijfelt, gedaan in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 435.↑9Zooals bij het bevergeil (castoreum) van den bever; zie het hoogst belangwekkende werk van den heer L. H. Morgan, „The American Beaver”, 1868, blz. 300. Pallas („Spic. Zoolog.”, fasc.VIII, 1779, blz. 23) heeft de riekende stoffen afscheidende klieren der zoogdieren grondig besproken. Owen („Anat. of Vertebrates”, vol. III, blz. 634) behandelt deze klieren insgelijks met insluiting van die van den olifant en (blz. 763) die van de spitsmuis.↑10Rengger, „Naturgeschichte derSäugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 355. Deze waarnemer deelt ook eenige merkwaardige bijzonderheden mede omtrent den voortgebrachten geur.↑11Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 632. Zie ook Dr. Murie’s waarnemingen omtrent hun klieren in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1870, blz. 340. Desmarest, overAntilope subgutturosa, „Mammalogie”, 1820, blz. 445.↑12Pallas, „Spicilegia Zoolog.”, fasc. XIII, 1799, blz. 24; Desmoulins, „Dict. Class. d’Hist. Nat.”, tome III, blz. 586.↑13Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery at Knowsley”, blz. 28.↑14Judge Caton over het Wapiti-hert, „Transact. Ottawa Acad. Nat. Sciences”, 1868, blz. 36, 40; Blyth, „Land and Water”, overCapra aegagrus, 1867, blz. 37.↑15Hunter’s „Essays and Observations”, uitgegeven door Owen, 1861, vol. I, blz. 236.↑16Zie Dr. Gray’s „Cat. of Mammalia in British Museum”, part. III, 1852, blz. 144.↑17Rengger „Säugethiere” enz., blz. 14; Desmarest, „Mammalogie” blz. 66.↑18Zie de hoofdstukken over deze verschillende dieren in Deel I van mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”; ook Deel II, blz. 98; ook hoofdstuk XX, over de uitoefening van teeltkeus door half beschaafde volken. Omtrent de Berbura-geit, zie Dr. Gray, „Catalogue”, ibid., blz. 157.↑19J. A. Allen, in „Bulletin of Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, 1869, blz. 207. De heer Dobson over seksueele kenmerken bij deChiroptera, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1873, blz. 241. Dr. Gray over luiaards, ibid., 1871, blz. 436.↑20Osphranter rufus, Gould, „Mammals of Australia”, vol. II, 1863. Omtrent deDidelphys, Desmarest, „Mammalogie”, blz.256.↑21„Annals and Mag. of Nat. Hist.”, Nov. 1867, blz. 325. OmtrentMus minutus, Desmarest, „Mammalogie”, blz. 304.↑22J. A. Allen in „Bulletin of Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, 1869, blz. 207.↑23Desmarest, „Mammalogie”, 1820, blz. 223. OmtrentFelis mitis, Rengger, ibid., blz. 194.↑24Dr. Murie over den zeeleeuw (Otaria), „Proc. Zool. Soc.”, blz. 108. De heer R. Brown, over deP. Groenlandica, ibid., 1868, blz. 417. Zie ook omtrent de kleuren van robben, Desmarest, ibid, blz. 243, 249.↑25Judge Caton in „Trans. Ottawa Acad. of Nat. Sciences”, 1868, blz. 4.↑26Dr. Gray, „Cat. of Mamm. in Brit. Mus.”, part III, 1852, blz.134–142; ook Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery of Knowsley”, waarin een prachtige afbeelding vanOreas Derbianusvoorkomt: zie den tekst overTragelaphus. Omtrent den Kaapschen Eland (Oreas canna), zie Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, pl. 41 en 42. Er zijn ook vele van deze antilopen in den Londenschen dierentuin.↑27Omtrent de deAnt. nigra, zie „Proc. Zool. Soc.”, 1850, blz. 133. Omtrent een verwante soort bij welke een gelijk seksueel kleurverschil bestaat, zie Sir Samuel Baker, „The Albert Nyanza”, 1866, vol. II, blz. 327. Voor deA. sing-sing, Gray, „Cat. B. Mus.” blz. 100. Desmarest, „Mammalogie”, blz. 468, overA. caama; Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, over den gnoe.↑28„Ottawa Academy of Sciences”, 21 Mei, 1868, blz. 3, 5.↑29S. Müller over den Banteng, „Zoogd. Indischen Archipel”, 1839–1844, tab. 35; zie ook Raffles, aangehaald door Dr. Gray in „Land and Water”, 1867, blz. 476. Omtrent geiten, Dr. Gray, „Cat. Brit. Mus.”, blz. 146; Desmarest, „Mammalogie”, blz. 482. OmtrentCervus paludosus, Rengger, ibid., blz. 345.↑30Sclater, „Proc. Zool.Soc.”, 1866, blz. 1. Het zelfde feit is ook door de heeren Pollen en van Dam volkomen bevestigd.↑31Omtrent Mycetes, Rengger, ibid., blz. 14; en Brehm, „Illustrirtes Thierleben”, Bd. I, blz. 96, 107. OmtrentAteles, Desmarest, „Mammalogie”, blz. 75. OmtrentHylobates, Blyth, „Land and Water”, 1867, blz. 135. OmtrentSemnopithecus, S. Müller, „Zoogd. Indischen Archipel”, tab. X.↑32Gervais, „Hist. Nat. des Mammifères”, 1854, blz. 103. Afbeeldingen worden gegeven van den schedel van het mannetje. Desmarest,„Mammalogie”, blz. 70. Geoffroy St. Hilaire en Cuvier, „Hist. Nat. des Mamm.”, 1824, tome I.↑33„Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Nederl. vert., deel II, blz. 89, 90.↑34„Essays and ObservationsbyJ. Hunter”, uitgegeven door Owen, 1861, vol. I, blz. 194.↑35Sir S. Baker, „The Nile Tributaries of Abyssinia”, 1867.↑36Fiber zibethicus, Audubon en Bachman, „The Quadrupeds ofN. America”, 1846, blz. 109.↑37„Novae species Quadrupedum e Glirium ordine”, 1778, blz. 7. Het dier dat ikreeheb genoemd, isCapreolus Sibericus subecaudatusvan Pallas.↑38„The Naturalist in Nicaragua”, blz. 249.↑39Zie de fraaie platen in A. Smith’s „Zoology of S. Africa”, en Dr. Gray’s „Gleanings from the Menagery of Knowsley.”↑40„Westminster Review”, 1 Juli 1867, blz. 5.↑41„Travels in South Africa”, 1824, vol. II, blz. 315.↑42Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery of Knowsley”, blz. 64. De heer Blyth („Land and Water”,1869, blz. 42) zegt, van het zwijnshert van Ceylon sprekende, dat het helderder witte vlekken heeft dan het gewone zwijnshert, in het jaargetijde waarin het nieuwe horens krijgt.↑43Falconer en Cautley, „Proc. Geolog. Soc.”, 1843; enFalconer’s„Pal. Memoirs”, vol. I, blz 296.↑44„Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. vert., Deel I, blz. 68–72.↑45„Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. vert., Deel I, blz. 68–72.↑46„Proc. Zool. Soc.”, 1862, blz. 164. Zie ook Dr.Hartmann, „Ann. d. Landw.” Bd. XLIII, blz. 222.↑47Ik nam dit feit waar in den Londenschen dierentuin; en talrijke voorbeelden er van kan men zien op de gekleurde platen in Geoffroy St. Hilaire en F. Cuvier, „Hist. Nat. des Mammifères”, tome II, 1824.↑48Bates, „The Naturalist on the Amazons”, 1863, vol. II, blz. 310.↑49Ik heb de meeste der bovengenoemde apen in den Londenschen dierentuin gezien. De beschrijving van denSemnopithecus nemaeusis ontleend aan den heer W. C. Martin, in zijn „Nat. Hist. of Mammalia”, 1841, blz. 460; zie ook blz. 475, 523.↑50De hier bedoelde soort isMephitis Chinga↑51Dit is onjuist. Het vocht wordt door bijzondere klieren van aanmerkelijke grootte afgescheiden, die zich in den mastdarm openen en door een bijzondere spier kunnen worden samengetrokken.↑52In de geologische opeenvolging vertoonen zich dePachydermatavroeger dan deRuminantiamet welke zij door de Anoplotheroiden zijn verbonden. De stamouders derRuminantiawaren naar alle waarschijnlijkheid fossielePachydermata. Men vergelijke Dr. T. C. Winkler, „De Paleontologische Geschiedenis der Hoefdieren”, in „Alb. d. Nat”, 1881, blz. 197, 244, en voor het genetisch verband tusschen levende en uitgestorven zoogdieren in het algemeen, vooral ook Prof. O. Smidt, „Die Säugethiere in ihrem Verhältnisse zur Vorwelt”, Leipzig, Brockhaus,1884 („Internat. wiss. Bibl.”, Bd. LXV).↑53„Humboldt”,Jahrg.1885 en 1886. Düsing, „Humboldt”, Nov. 1887 en Sept. 1888, Eimer, „Untersuchungen über das Variiren der Mauereidechse”, Berlin, 1881, Düsing, „Überdie Färbung der Thiere”, „Kosmos”, 1886, Bd. II, blz. 382. In „Humboldt”, Oct. 1887, toont Eimer aan, dat ook Kerschner’s onderzoekingen omtrent het vederkleed der vogels zijn stelling bevestigen.↑

1Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 585.↑2Ibid., blz. 595.↑3Zie, bij voorbeeld, majoor W. Ross King („The Sportsman in Canada”, 1866, blz. 53, 131) over de gewoonten van den eland en het wilde rendier.↑4Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 600.↑5De heer Green, in „Journal of Linn. Soc.”, vol. X,Zoology, 1869, blz. 362.↑6C. L. Martin, „General Introduction to the Nat. Hist. of Mamm. Animals”, 1841, blz. 431.↑7„Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1860, blz. 21.↑8Omtrent den zeeolifant, zie een artikel door Lesson, in „Dict. Class. Hist. Nat.”, tome XIII, blz. 418. Omtrent deCystophoraofStemmatopus, zie Dr. Dekay, „Annals of Lyceum of Nat. Hist. New-York”, vol. I, 1824, blz. 94. Pennant heeft ook inlichtingen omtrent dit dier bij robbenvangers ingewonnen. De volledigste mededeelingen worden door den heer Brown, die den rudimentairen toestand van de blaas bij het wijfje betwijfelt, gedaan in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 435.↑9Zooals bij het bevergeil (castoreum) van den bever; zie het hoogst belangwekkende werk van den heer L. H. Morgan, „The American Beaver”, 1868, blz. 300. Pallas („Spic. Zoolog.”, fasc.VIII, 1779, blz. 23) heeft de riekende stoffen afscheidende klieren der zoogdieren grondig besproken. Owen („Anat. of Vertebrates”, vol. III, blz. 634) behandelt deze klieren insgelijks met insluiting van die van den olifant en (blz. 763) die van de spitsmuis.↑10Rengger, „Naturgeschichte derSäugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 355. Deze waarnemer deelt ook eenige merkwaardige bijzonderheden mede omtrent den voortgebrachten geur.↑11Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 632. Zie ook Dr. Murie’s waarnemingen omtrent hun klieren in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1870, blz. 340. Desmarest, overAntilope subgutturosa, „Mammalogie”, 1820, blz. 445.↑12Pallas, „Spicilegia Zoolog.”, fasc. XIII, 1799, blz. 24; Desmoulins, „Dict. Class. d’Hist. Nat.”, tome III, blz. 586.↑13Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery at Knowsley”, blz. 28.↑14Judge Caton over het Wapiti-hert, „Transact. Ottawa Acad. Nat. Sciences”, 1868, blz. 36, 40; Blyth, „Land and Water”, overCapra aegagrus, 1867, blz. 37.↑15Hunter’s „Essays and Observations”, uitgegeven door Owen, 1861, vol. I, blz. 236.↑16Zie Dr. Gray’s „Cat. of Mammalia in British Museum”, part. III, 1852, blz. 144.↑17Rengger „Säugethiere” enz., blz. 14; Desmarest, „Mammalogie” blz. 66.↑18Zie de hoofdstukken over deze verschillende dieren in Deel I van mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”; ook Deel II, blz. 98; ook hoofdstuk XX, over de uitoefening van teeltkeus door half beschaafde volken. Omtrent de Berbura-geit, zie Dr. Gray, „Catalogue”, ibid., blz. 157.↑19J. A. Allen, in „Bulletin of Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, 1869, blz. 207. De heer Dobson over seksueele kenmerken bij deChiroptera, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1873, blz. 241. Dr. Gray over luiaards, ibid., 1871, blz. 436.↑20Osphranter rufus, Gould, „Mammals of Australia”, vol. II, 1863. Omtrent deDidelphys, Desmarest, „Mammalogie”, blz.256.↑21„Annals and Mag. of Nat. Hist.”, Nov. 1867, blz. 325. OmtrentMus minutus, Desmarest, „Mammalogie”, blz. 304.↑22J. A. Allen in „Bulletin of Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, 1869, blz. 207.↑23Desmarest, „Mammalogie”, 1820, blz. 223. OmtrentFelis mitis, Rengger, ibid., blz. 194.↑24Dr. Murie over den zeeleeuw (Otaria), „Proc. Zool. Soc.”, blz. 108. De heer R. Brown, over deP. Groenlandica, ibid., 1868, blz. 417. Zie ook omtrent de kleuren van robben, Desmarest, ibid, blz. 243, 249.↑25Judge Caton in „Trans. Ottawa Acad. of Nat. Sciences”, 1868, blz. 4.↑26Dr. Gray, „Cat. of Mamm. in Brit. Mus.”, part III, 1852, blz.134–142; ook Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery of Knowsley”, waarin een prachtige afbeelding vanOreas Derbianusvoorkomt: zie den tekst overTragelaphus. Omtrent den Kaapschen Eland (Oreas canna), zie Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, pl. 41 en 42. Er zijn ook vele van deze antilopen in den Londenschen dierentuin.↑27Omtrent de deAnt. nigra, zie „Proc. Zool. Soc.”, 1850, blz. 133. Omtrent een verwante soort bij welke een gelijk seksueel kleurverschil bestaat, zie Sir Samuel Baker, „The Albert Nyanza”, 1866, vol. II, blz. 327. Voor deA. sing-sing, Gray, „Cat. B. Mus.” blz. 100. Desmarest, „Mammalogie”, blz. 468, overA. caama; Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, over den gnoe.↑28„Ottawa Academy of Sciences”, 21 Mei, 1868, blz. 3, 5.↑29S. Müller over den Banteng, „Zoogd. Indischen Archipel”, 1839–1844, tab. 35; zie ook Raffles, aangehaald door Dr. Gray in „Land and Water”, 1867, blz. 476. Omtrent geiten, Dr. Gray, „Cat. Brit. Mus.”, blz. 146; Desmarest, „Mammalogie”, blz. 482. OmtrentCervus paludosus, Rengger, ibid., blz. 345.↑30Sclater, „Proc. Zool.Soc.”, 1866, blz. 1. Het zelfde feit is ook door de heeren Pollen en van Dam volkomen bevestigd.↑31Omtrent Mycetes, Rengger, ibid., blz. 14; en Brehm, „Illustrirtes Thierleben”, Bd. I, blz. 96, 107. OmtrentAteles, Desmarest, „Mammalogie”, blz. 75. OmtrentHylobates, Blyth, „Land and Water”, 1867, blz. 135. OmtrentSemnopithecus, S. Müller, „Zoogd. Indischen Archipel”, tab. X.↑32Gervais, „Hist. Nat. des Mammifères”, 1854, blz. 103. Afbeeldingen worden gegeven van den schedel van het mannetje. Desmarest,„Mammalogie”, blz. 70. Geoffroy St. Hilaire en Cuvier, „Hist. Nat. des Mamm.”, 1824, tome I.↑33„Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Nederl. vert., deel II, blz. 89, 90.↑34„Essays and ObservationsbyJ. Hunter”, uitgegeven door Owen, 1861, vol. I, blz. 194.↑35Sir S. Baker, „The Nile Tributaries of Abyssinia”, 1867.↑36Fiber zibethicus, Audubon en Bachman, „The Quadrupeds ofN. America”, 1846, blz. 109.↑37„Novae species Quadrupedum e Glirium ordine”, 1778, blz. 7. Het dier dat ikreeheb genoemd, isCapreolus Sibericus subecaudatusvan Pallas.↑38„The Naturalist in Nicaragua”, blz. 249.↑39Zie de fraaie platen in A. Smith’s „Zoology of S. Africa”, en Dr. Gray’s „Gleanings from the Menagery of Knowsley.”↑40„Westminster Review”, 1 Juli 1867, blz. 5.↑41„Travels in South Africa”, 1824, vol. II, blz. 315.↑42Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery of Knowsley”, blz. 64. De heer Blyth („Land and Water”,1869, blz. 42) zegt, van het zwijnshert van Ceylon sprekende, dat het helderder witte vlekken heeft dan het gewone zwijnshert, in het jaargetijde waarin het nieuwe horens krijgt.↑43Falconer en Cautley, „Proc. Geolog. Soc.”, 1843; enFalconer’s„Pal. Memoirs”, vol. I, blz 296.↑44„Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. vert., Deel I, blz. 68–72.↑45„Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. vert., Deel I, blz. 68–72.↑46„Proc. Zool. Soc.”, 1862, blz. 164. Zie ook Dr.Hartmann, „Ann. d. Landw.” Bd. XLIII, blz. 222.↑47Ik nam dit feit waar in den Londenschen dierentuin; en talrijke voorbeelden er van kan men zien op de gekleurde platen in Geoffroy St. Hilaire en F. Cuvier, „Hist. Nat. des Mammifères”, tome II, 1824.↑48Bates, „The Naturalist on the Amazons”, 1863, vol. II, blz. 310.↑49Ik heb de meeste der bovengenoemde apen in den Londenschen dierentuin gezien. De beschrijving van denSemnopithecus nemaeusis ontleend aan den heer W. C. Martin, in zijn „Nat. Hist. of Mammalia”, 1841, blz. 460; zie ook blz. 475, 523.↑50De hier bedoelde soort isMephitis Chinga↑51Dit is onjuist. Het vocht wordt door bijzondere klieren van aanmerkelijke grootte afgescheiden, die zich in den mastdarm openen en door een bijzondere spier kunnen worden samengetrokken.↑52In de geologische opeenvolging vertoonen zich dePachydermatavroeger dan deRuminantiamet welke zij door de Anoplotheroiden zijn verbonden. De stamouders derRuminantiawaren naar alle waarschijnlijkheid fossielePachydermata. Men vergelijke Dr. T. C. Winkler, „De Paleontologische Geschiedenis der Hoefdieren”, in „Alb. d. Nat”, 1881, blz. 197, 244, en voor het genetisch verband tusschen levende en uitgestorven zoogdieren in het algemeen, vooral ook Prof. O. Smidt, „Die Säugethiere in ihrem Verhältnisse zur Vorwelt”, Leipzig, Brockhaus,1884 („Internat. wiss. Bibl.”, Bd. LXV).↑53„Humboldt”,Jahrg.1885 en 1886. Düsing, „Humboldt”, Nov. 1887 en Sept. 1888, Eimer, „Untersuchungen über das Variiren der Mauereidechse”, Berlin, 1881, Düsing, „Überdie Färbung der Thiere”, „Kosmos”, 1886, Bd. II, blz. 382. In „Humboldt”, Oct. 1887, toont Eimer aan, dat ook Kerschner’s onderzoekingen omtrent het vederkleed der vogels zijn stelling bevestigen.↑

1Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 585.↑

1Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 585.↑

2Ibid., blz. 595.↑

2Ibid., blz. 595.↑

3Zie, bij voorbeeld, majoor W. Ross King („The Sportsman in Canada”, 1866, blz. 53, 131) over de gewoonten van den eland en het wilde rendier.↑

3Zie, bij voorbeeld, majoor W. Ross King („The Sportsman in Canada”, 1866, blz. 53, 131) over de gewoonten van den eland en het wilde rendier.↑

4Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 600.↑

4Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 600.↑

5De heer Green, in „Journal of Linn. Soc.”, vol. X,Zoology, 1869, blz. 362.↑

5De heer Green, in „Journal of Linn. Soc.”, vol. X,Zoology, 1869, blz. 362.↑

6C. L. Martin, „General Introduction to the Nat. Hist. of Mamm. Animals”, 1841, blz. 431.↑

6C. L. Martin, „General Introduction to the Nat. Hist. of Mamm. Animals”, 1841, blz. 431.↑

7„Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1860, blz. 21.↑

7„Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1860, blz. 21.↑

8Omtrent den zeeolifant, zie een artikel door Lesson, in „Dict. Class. Hist. Nat.”, tome XIII, blz. 418. Omtrent deCystophoraofStemmatopus, zie Dr. Dekay, „Annals of Lyceum of Nat. Hist. New-York”, vol. I, 1824, blz. 94. Pennant heeft ook inlichtingen omtrent dit dier bij robbenvangers ingewonnen. De volledigste mededeelingen worden door den heer Brown, die den rudimentairen toestand van de blaas bij het wijfje betwijfelt, gedaan in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 435.↑

8Omtrent den zeeolifant, zie een artikel door Lesson, in „Dict. Class. Hist. Nat.”, tome XIII, blz. 418. Omtrent deCystophoraofStemmatopus, zie Dr. Dekay, „Annals of Lyceum of Nat. Hist. New-York”, vol. I, 1824, blz. 94. Pennant heeft ook inlichtingen omtrent dit dier bij robbenvangers ingewonnen. De volledigste mededeelingen worden door den heer Brown, die den rudimentairen toestand van de blaas bij het wijfje betwijfelt, gedaan in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 435.↑

9Zooals bij het bevergeil (castoreum) van den bever; zie het hoogst belangwekkende werk van den heer L. H. Morgan, „The American Beaver”, 1868, blz. 300. Pallas („Spic. Zoolog.”, fasc.VIII, 1779, blz. 23) heeft de riekende stoffen afscheidende klieren der zoogdieren grondig besproken. Owen („Anat. of Vertebrates”, vol. III, blz. 634) behandelt deze klieren insgelijks met insluiting van die van den olifant en (blz. 763) die van de spitsmuis.↑

9Zooals bij het bevergeil (castoreum) van den bever; zie het hoogst belangwekkende werk van den heer L. H. Morgan, „The American Beaver”, 1868, blz. 300. Pallas („Spic. Zoolog.”, fasc.VIII, 1779, blz. 23) heeft de riekende stoffen afscheidende klieren der zoogdieren grondig besproken. Owen („Anat. of Vertebrates”, vol. III, blz. 634) behandelt deze klieren insgelijks met insluiting van die van den olifant en (blz. 763) die van de spitsmuis.↑

10Rengger, „Naturgeschichte derSäugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 355. Deze waarnemer deelt ook eenige merkwaardige bijzonderheden mede omtrent den voortgebrachten geur.↑

10Rengger, „Naturgeschichte derSäugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 355. Deze waarnemer deelt ook eenige merkwaardige bijzonderheden mede omtrent den voortgebrachten geur.↑

11Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 632. Zie ook Dr. Murie’s waarnemingen omtrent hun klieren in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1870, blz. 340. Desmarest, overAntilope subgutturosa, „Mammalogie”, 1820, blz. 445.↑

11Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 632. Zie ook Dr. Murie’s waarnemingen omtrent hun klieren in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1870, blz. 340. Desmarest, overAntilope subgutturosa, „Mammalogie”, 1820, blz. 445.↑

12Pallas, „Spicilegia Zoolog.”, fasc. XIII, 1799, blz. 24; Desmoulins, „Dict. Class. d’Hist. Nat.”, tome III, blz. 586.↑

12Pallas, „Spicilegia Zoolog.”, fasc. XIII, 1799, blz. 24; Desmoulins, „Dict. Class. d’Hist. Nat.”, tome III, blz. 586.↑

13Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery at Knowsley”, blz. 28.↑

13Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery at Knowsley”, blz. 28.↑

14Judge Caton over het Wapiti-hert, „Transact. Ottawa Acad. Nat. Sciences”, 1868, blz. 36, 40; Blyth, „Land and Water”, overCapra aegagrus, 1867, blz. 37.↑

14Judge Caton over het Wapiti-hert, „Transact. Ottawa Acad. Nat. Sciences”, 1868, blz. 36, 40; Blyth, „Land and Water”, overCapra aegagrus, 1867, blz. 37.↑

15Hunter’s „Essays and Observations”, uitgegeven door Owen, 1861, vol. I, blz. 236.↑

15Hunter’s „Essays and Observations”, uitgegeven door Owen, 1861, vol. I, blz. 236.↑

16Zie Dr. Gray’s „Cat. of Mammalia in British Museum”, part. III, 1852, blz. 144.↑

16Zie Dr. Gray’s „Cat. of Mammalia in British Museum”, part. III, 1852, blz. 144.↑

17Rengger „Säugethiere” enz., blz. 14; Desmarest, „Mammalogie” blz. 66.↑

17Rengger „Säugethiere” enz., blz. 14; Desmarest, „Mammalogie” blz. 66.↑

18Zie de hoofdstukken over deze verschillende dieren in Deel I van mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”; ook Deel II, blz. 98; ook hoofdstuk XX, over de uitoefening van teeltkeus door half beschaafde volken. Omtrent de Berbura-geit, zie Dr. Gray, „Catalogue”, ibid., blz. 157.↑

18Zie de hoofdstukken over deze verschillende dieren in Deel I van mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”; ook Deel II, blz. 98; ook hoofdstuk XX, over de uitoefening van teeltkeus door half beschaafde volken. Omtrent de Berbura-geit, zie Dr. Gray, „Catalogue”, ibid., blz. 157.↑

19J. A. Allen, in „Bulletin of Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, 1869, blz. 207. De heer Dobson over seksueele kenmerken bij deChiroptera, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1873, blz. 241. Dr. Gray over luiaards, ibid., 1871, blz. 436.↑

19J. A. Allen, in „Bulletin of Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, 1869, blz. 207. De heer Dobson over seksueele kenmerken bij deChiroptera, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1873, blz. 241. Dr. Gray over luiaards, ibid., 1871, blz. 436.↑

20Osphranter rufus, Gould, „Mammals of Australia”, vol. II, 1863. Omtrent deDidelphys, Desmarest, „Mammalogie”, blz.256.↑

20Osphranter rufus, Gould, „Mammals of Australia”, vol. II, 1863. Omtrent deDidelphys, Desmarest, „Mammalogie”, blz.256.↑

21„Annals and Mag. of Nat. Hist.”, Nov. 1867, blz. 325. OmtrentMus minutus, Desmarest, „Mammalogie”, blz. 304.↑

21„Annals and Mag. of Nat. Hist.”, Nov. 1867, blz. 325. OmtrentMus minutus, Desmarest, „Mammalogie”, blz. 304.↑

22J. A. Allen in „Bulletin of Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, 1869, blz. 207.↑

22J. A. Allen in „Bulletin of Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, 1869, blz. 207.↑

23Desmarest, „Mammalogie”, 1820, blz. 223. OmtrentFelis mitis, Rengger, ibid., blz. 194.↑

23Desmarest, „Mammalogie”, 1820, blz. 223. OmtrentFelis mitis, Rengger, ibid., blz. 194.↑

24Dr. Murie over den zeeleeuw (Otaria), „Proc. Zool. Soc.”, blz. 108. De heer R. Brown, over deP. Groenlandica, ibid., 1868, blz. 417. Zie ook omtrent de kleuren van robben, Desmarest, ibid, blz. 243, 249.↑

24Dr. Murie over den zeeleeuw (Otaria), „Proc. Zool. Soc.”, blz. 108. De heer R. Brown, over deP. Groenlandica, ibid., 1868, blz. 417. Zie ook omtrent de kleuren van robben, Desmarest, ibid, blz. 243, 249.↑

25Judge Caton in „Trans. Ottawa Acad. of Nat. Sciences”, 1868, blz. 4.↑

25Judge Caton in „Trans. Ottawa Acad. of Nat. Sciences”, 1868, blz. 4.↑

26Dr. Gray, „Cat. of Mamm. in Brit. Mus.”, part III, 1852, blz.134–142; ook Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery of Knowsley”, waarin een prachtige afbeelding vanOreas Derbianusvoorkomt: zie den tekst overTragelaphus. Omtrent den Kaapschen Eland (Oreas canna), zie Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, pl. 41 en 42. Er zijn ook vele van deze antilopen in den Londenschen dierentuin.↑

26Dr. Gray, „Cat. of Mamm. in Brit. Mus.”, part III, 1852, blz.134–142; ook Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery of Knowsley”, waarin een prachtige afbeelding vanOreas Derbianusvoorkomt: zie den tekst overTragelaphus. Omtrent den Kaapschen Eland (Oreas canna), zie Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, pl. 41 en 42. Er zijn ook vele van deze antilopen in den Londenschen dierentuin.↑

27Omtrent de deAnt. nigra, zie „Proc. Zool. Soc.”, 1850, blz. 133. Omtrent een verwante soort bij welke een gelijk seksueel kleurverschil bestaat, zie Sir Samuel Baker, „The Albert Nyanza”, 1866, vol. II, blz. 327. Voor deA. sing-sing, Gray, „Cat. B. Mus.” blz. 100. Desmarest, „Mammalogie”, blz. 468, overA. caama; Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, over den gnoe.↑

27Omtrent de deAnt. nigra, zie „Proc. Zool. Soc.”, 1850, blz. 133. Omtrent een verwante soort bij welke een gelijk seksueel kleurverschil bestaat, zie Sir Samuel Baker, „The Albert Nyanza”, 1866, vol. II, blz. 327. Voor deA. sing-sing, Gray, „Cat. B. Mus.” blz. 100. Desmarest, „Mammalogie”, blz. 468, overA. caama; Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, over den gnoe.↑

28„Ottawa Academy of Sciences”, 21 Mei, 1868, blz. 3, 5.↑

28„Ottawa Academy of Sciences”, 21 Mei, 1868, blz. 3, 5.↑

29S. Müller over den Banteng, „Zoogd. Indischen Archipel”, 1839–1844, tab. 35; zie ook Raffles, aangehaald door Dr. Gray in „Land and Water”, 1867, blz. 476. Omtrent geiten, Dr. Gray, „Cat. Brit. Mus.”, blz. 146; Desmarest, „Mammalogie”, blz. 482. OmtrentCervus paludosus, Rengger, ibid., blz. 345.↑

29S. Müller over den Banteng, „Zoogd. Indischen Archipel”, 1839–1844, tab. 35; zie ook Raffles, aangehaald door Dr. Gray in „Land and Water”, 1867, blz. 476. Omtrent geiten, Dr. Gray, „Cat. Brit. Mus.”, blz. 146; Desmarest, „Mammalogie”, blz. 482. OmtrentCervus paludosus, Rengger, ibid., blz. 345.↑

30Sclater, „Proc. Zool.Soc.”, 1866, blz. 1. Het zelfde feit is ook door de heeren Pollen en van Dam volkomen bevestigd.↑

30Sclater, „Proc. Zool.Soc.”, 1866, blz. 1. Het zelfde feit is ook door de heeren Pollen en van Dam volkomen bevestigd.↑

31Omtrent Mycetes, Rengger, ibid., blz. 14; en Brehm, „Illustrirtes Thierleben”, Bd. I, blz. 96, 107. OmtrentAteles, Desmarest, „Mammalogie”, blz. 75. OmtrentHylobates, Blyth, „Land and Water”, 1867, blz. 135. OmtrentSemnopithecus, S. Müller, „Zoogd. Indischen Archipel”, tab. X.↑

31Omtrent Mycetes, Rengger, ibid., blz. 14; en Brehm, „Illustrirtes Thierleben”, Bd. I, blz. 96, 107. OmtrentAteles, Desmarest, „Mammalogie”, blz. 75. OmtrentHylobates, Blyth, „Land and Water”, 1867, blz. 135. OmtrentSemnopithecus, S. Müller, „Zoogd. Indischen Archipel”, tab. X.↑

32Gervais, „Hist. Nat. des Mammifères”, 1854, blz. 103. Afbeeldingen worden gegeven van den schedel van het mannetje. Desmarest,„Mammalogie”, blz. 70. Geoffroy St. Hilaire en Cuvier, „Hist. Nat. des Mamm.”, 1824, tome I.↑

32Gervais, „Hist. Nat. des Mammifères”, 1854, blz. 103. Afbeeldingen worden gegeven van den schedel van het mannetje. Desmarest,„Mammalogie”, blz. 70. Geoffroy St. Hilaire en Cuvier, „Hist. Nat. des Mamm.”, 1824, tome I.↑

33„Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Nederl. vert., deel II, blz. 89, 90.↑

33„Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Nederl. vert., deel II, blz. 89, 90.↑

34„Essays and ObservationsbyJ. Hunter”, uitgegeven door Owen, 1861, vol. I, blz. 194.↑

34„Essays and ObservationsbyJ. Hunter”, uitgegeven door Owen, 1861, vol. I, blz. 194.↑

35Sir S. Baker, „The Nile Tributaries of Abyssinia”, 1867.↑

35Sir S. Baker, „The Nile Tributaries of Abyssinia”, 1867.↑

36Fiber zibethicus, Audubon en Bachman, „The Quadrupeds ofN. America”, 1846, blz. 109.↑

36Fiber zibethicus, Audubon en Bachman, „The Quadrupeds ofN. America”, 1846, blz. 109.↑

37„Novae species Quadrupedum e Glirium ordine”, 1778, blz. 7. Het dier dat ikreeheb genoemd, isCapreolus Sibericus subecaudatusvan Pallas.↑

37„Novae species Quadrupedum e Glirium ordine”, 1778, blz. 7. Het dier dat ikreeheb genoemd, isCapreolus Sibericus subecaudatusvan Pallas.↑

38„The Naturalist in Nicaragua”, blz. 249.↑

38„The Naturalist in Nicaragua”, blz. 249.↑

39Zie de fraaie platen in A. Smith’s „Zoology of S. Africa”, en Dr. Gray’s „Gleanings from the Menagery of Knowsley.”↑

39Zie de fraaie platen in A. Smith’s „Zoology of S. Africa”, en Dr. Gray’s „Gleanings from the Menagery of Knowsley.”↑

40„Westminster Review”, 1 Juli 1867, blz. 5.↑

40„Westminster Review”, 1 Juli 1867, blz. 5.↑

41„Travels in South Africa”, 1824, vol. II, blz. 315.↑

41„Travels in South Africa”, 1824, vol. II, blz. 315.↑

42Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery of Knowsley”, blz. 64. De heer Blyth („Land and Water”,1869, blz. 42) zegt, van het zwijnshert van Ceylon sprekende, dat het helderder witte vlekken heeft dan het gewone zwijnshert, in het jaargetijde waarin het nieuwe horens krijgt.↑

42Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery of Knowsley”, blz. 64. De heer Blyth („Land and Water”,1869, blz. 42) zegt, van het zwijnshert van Ceylon sprekende, dat het helderder witte vlekken heeft dan het gewone zwijnshert, in het jaargetijde waarin het nieuwe horens krijgt.↑

43Falconer en Cautley, „Proc. Geolog. Soc.”, 1843; enFalconer’s„Pal. Memoirs”, vol. I, blz 296.↑

43Falconer en Cautley, „Proc. Geolog. Soc.”, 1843; enFalconer’s„Pal. Memoirs”, vol. I, blz 296.↑

44„Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. vert., Deel I, blz. 68–72.↑

44„Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. vert., Deel I, blz. 68–72.↑

45„Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. vert., Deel I, blz. 68–72.↑

45„Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. vert., Deel I, blz. 68–72.↑

46„Proc. Zool. Soc.”, 1862, blz. 164. Zie ook Dr.Hartmann, „Ann. d. Landw.” Bd. XLIII, blz. 222.↑

46„Proc. Zool. Soc.”, 1862, blz. 164. Zie ook Dr.Hartmann, „Ann. d. Landw.” Bd. XLIII, blz. 222.↑

47Ik nam dit feit waar in den Londenschen dierentuin; en talrijke voorbeelden er van kan men zien op de gekleurde platen in Geoffroy St. Hilaire en F. Cuvier, „Hist. Nat. des Mammifères”, tome II, 1824.↑

47Ik nam dit feit waar in den Londenschen dierentuin; en talrijke voorbeelden er van kan men zien op de gekleurde platen in Geoffroy St. Hilaire en F. Cuvier, „Hist. Nat. des Mammifères”, tome II, 1824.↑

48Bates, „The Naturalist on the Amazons”, 1863, vol. II, blz. 310.↑

48Bates, „The Naturalist on the Amazons”, 1863, vol. II, blz. 310.↑

49Ik heb de meeste der bovengenoemde apen in den Londenschen dierentuin gezien. De beschrijving van denSemnopithecus nemaeusis ontleend aan den heer W. C. Martin, in zijn „Nat. Hist. of Mammalia”, 1841, blz. 460; zie ook blz. 475, 523.↑

49Ik heb de meeste der bovengenoemde apen in den Londenschen dierentuin gezien. De beschrijving van denSemnopithecus nemaeusis ontleend aan den heer W. C. Martin, in zijn „Nat. Hist. of Mammalia”, 1841, blz. 460; zie ook blz. 475, 523.↑

50De hier bedoelde soort isMephitis Chinga↑

50De hier bedoelde soort isMephitis Chinga↑

51Dit is onjuist. Het vocht wordt door bijzondere klieren van aanmerkelijke grootte afgescheiden, die zich in den mastdarm openen en door een bijzondere spier kunnen worden samengetrokken.↑

51Dit is onjuist. Het vocht wordt door bijzondere klieren van aanmerkelijke grootte afgescheiden, die zich in den mastdarm openen en door een bijzondere spier kunnen worden samengetrokken.↑

52In de geologische opeenvolging vertoonen zich dePachydermatavroeger dan deRuminantiamet welke zij door de Anoplotheroiden zijn verbonden. De stamouders derRuminantiawaren naar alle waarschijnlijkheid fossielePachydermata. Men vergelijke Dr. T. C. Winkler, „De Paleontologische Geschiedenis der Hoefdieren”, in „Alb. d. Nat”, 1881, blz. 197, 244, en voor het genetisch verband tusschen levende en uitgestorven zoogdieren in het algemeen, vooral ook Prof. O. Smidt, „Die Säugethiere in ihrem Verhältnisse zur Vorwelt”, Leipzig, Brockhaus,1884 („Internat. wiss. Bibl.”, Bd. LXV).↑

52In de geologische opeenvolging vertoonen zich dePachydermatavroeger dan deRuminantiamet welke zij door de Anoplotheroiden zijn verbonden. De stamouders derRuminantiawaren naar alle waarschijnlijkheid fossielePachydermata. Men vergelijke Dr. T. C. Winkler, „De Paleontologische Geschiedenis der Hoefdieren”, in „Alb. d. Nat”, 1881, blz. 197, 244, en voor het genetisch verband tusschen levende en uitgestorven zoogdieren in het algemeen, vooral ook Prof. O. Smidt, „Die Säugethiere in ihrem Verhältnisse zur Vorwelt”, Leipzig, Brockhaus,1884 („Internat. wiss. Bibl.”, Bd. LXV).↑

53„Humboldt”,Jahrg.1885 en 1886. Düsing, „Humboldt”, Nov. 1887 en Sept. 1888, Eimer, „Untersuchungen über das Variiren der Mauereidechse”, Berlin, 1881, Düsing, „Überdie Färbung der Thiere”, „Kosmos”, 1886, Bd. II, blz. 382. In „Humboldt”, Oct. 1887, toont Eimer aan, dat ook Kerschner’s onderzoekingen omtrent het vederkleed der vogels zijn stelling bevestigen.↑

53„Humboldt”,Jahrg.1885 en 1886. Düsing, „Humboldt”, Nov. 1887 en Sept. 1888, Eimer, „Untersuchungen über das Variiren der Mauereidechse”, Berlin, 1881, Düsing, „Überdie Färbung der Thiere”, „Kosmos”, 1886, Bd. II, blz. 382. In „Humboldt”, Oct. 1887, toont Eimer aan, dat ook Kerschner’s onderzoekingen omtrent het vederkleed der vogels zijn stelling bevestigen.↑


Back to IndexNext