Als de seksen verschillen in schoonheid, in zangvermogen of in het voortbrengen van hetgeen ik instrumentale muziek heb genoemd, is het bijna altijd het mannetje dat het wijfje overtreft. Deze hoedanigheden zijn, zooals wij straks zagen, klaarblijkelijk hoogst belangrijk voor het mannetje. Als zij slechts voor een gedeelte van het jaar worden verkregen, is dit altijd kort voor den paartijd. Alleen het mannetje pronkt zorgvuldig met zijn verschillende bekoorlijkheden en voert dikwijls vreemde vertooningen op den grond of in de lucht in tegenwoordigheid van het wijfje uit. Elk mannetje verjaagt, of doodt, als hij kan, al zijn medeminnaars. Hieruit mogen wij besluiten, dat het doel van het mannetje is om het wijfje er toe te brengen met hem te paren, en om dit doel te bereiken, tracht hij haar op onderscheidene wijzen op te wekken of te bekoren; en dit is de meening van allen die de gewoonten van levende vogels met zorg hebben bestudeerd. Er blijft echter een vraag over, die een hoogst belangrijke beteekenis heeft voor de seksueele teeltkeus, namelijk of elk mannetje van de zelfde soort het wijfje in even hooge mate opwekt en aantrekt, dan wel of zij een keus doet en aan zekere mannetjes de voorkeur geeft. Het laatste kan bevestigend worden beantwoord op grond van vele directe en indirecte bewijzen. Het is veel moeilijker te beslissen, welke hoedanigheden de keus van het wijfje bepalen; maar wij hebben hier wederom eenige[97]directe en indirecte bewijzen, dat het in groote mate de uitwendige aantrekkelijkheden van het mannetje zijn, hoewel ongetwijfeld zijn kracht, moed en andere geestvermogens in het spel komen. Wij zullen met de indirecte bewijzen beginnen.Langdurigheid der Vrijage.—De lange tijd gedurende welken beide seksen van zekere vogels den eenen dag voor en den anderen na op een vaste plaats samenkomen, hangt ongetwijfeld gedeeltelijk daarvan af, dat de vrijage een langdurige zaak is, en gedeeltelijk van de herhaling der paring. Zoo duren in Skandinavië de „balzen” of „leks” van de korhoenders van het midden van Maart af, gedurende de geheele maand April tot in Mei toe. Niet minder dan veertig of vijftig, of zelfs meer vogels komen op de „leks” te zamen; en de zelfde plaats wordt dikwijls gedurende achtereenvolgende jaren bezocht. De „lek” van den grooten auerhaan duurt van het einde van Maart tot het midden of zelfs het einde van Mei. In Noord-Amerika „duren de patrijzendansen” vanTetrao phasianellus„een maand of langer.” Andere soorten van Boschhoenders zoowel in Noord-Amerika als in Siberië1hebben omtrent de zelfde gewoonten. De vogelaars ontdekken de hoogten waar de kemphanen samenkomen, doordat het gras er kaal is geloopen, en dit bewijst, dat de zelfde plaats gedurende langen tijd wordt bezocht. De Indianen van Guiana zijn goed bekend met de schoongemaakte open plaatsen waar zij verwachten de schoone Rotshanen („Cocks of the Rock”) te vinden; en de inboorlingen van Nieuw-Guinea kennen de boomen waar van tien tot twintig mannelijke Paradijsvogels in hun vollen vedertooi te zamen komen. In dit laatste geval is niet uitdrukkelijk vermeld, dat de wijfjes zich op de zelfde boomen verzamelen; doch de jagers zullen waarschijnlijk, als het hun niet bijzonder wordt gevraagd, haar tegenwoordigheid niet vermelden, daar haar vellen geen waarde hebben. Kleine troepjes van een Afrikaanschen wevervogel (Ploceus) komen gedurende den paartijd samen en voeren uren lang hun bevallige bewegingen uit. Groote getallen van de poelsnip (Scolopax major) verzamelen zich gedurende de schemering in een moeras, en de zelfde plaats wordt met het zelfde doel gedurende achtereenvolgende[98]jaren bezocht; men kan ze daarop zien rondloopen, „gelijk even zoovele groote ratten”, hun vederen opzettende, met hun vleugels kleppende en de vreemdste geluiden voortbrengende.2Sommige van de bovenvermelde vogels, namelijk het korhoen, het groote auerhoen, het fazanten-boschhoen, de kemphaan, de poelsnip, en wellicht eenige andere, leven, naar men gelooft, in veelwijverij. Men zou hebben kunnen denken, dat bij dergelijke vogels de sterkere mannetjes eenvoudig de zwakkere weggejaagd, en dan op eens zoovele wijfjes, als mogelijk was, in bezit zouden hebben genomen; indien het echter voor het mannetje noodzakelijk was, om het wijfje op te wekken of haar te behagen, kunnen wij den langen duur der vrijage en het samenkomen van zoovele individu’s van beide seksen op de zelfde plaats begrijpen. Sommige soorten die strikt eenwijvig zijn, „houden bruiloftsbijeenkomsten”; dit schijnt het geval te zijn in Skandinavië met een van de Sneeuwhoenders, wiens „leks” van het midden van Maart tot het midden van Mei duren. In Australië vormt de liervogel (Menura superba) „kleine ronde heuvels”, en deMenura Albertigraaft zich ondiepe holen, of, gelijk zij door de inboorlingen worden genoemd, „corroborying places”(1)uit, waar men gelooft, dat beide seksen bijeenkomen. De bijeenkomsten vanM. superbazijn dikwijls zeer talrijk; en onlangs is een verhaal publiek gemaakt3door een reiziger die in een vallei beneden hem, dicht met struiken begroeid, „een gedruisch” hoorde, „dat hem volkomen in verbazing bracht”: naar beneden klauterende, zag hij tot zijn verwondering omtrent honderdvijftig prachtige liervogels, „in slagorde gerangschikt, met onbeschrijfelijke woede met elkander vechten.” De priëelen van de priëelvogels worden gedurende den paartijd door beide seksen bezocht; „daarin komen de mannetjes samen en strijden met elkander om de gunst van het wijfje, en daarin komen de wijfjes samen en coquetteeren met de mannetjes.” Bij twee der geslachten wordt het zelfdepriëelvele jaren achtereen bezocht.4[99]De weleerw. heer W. Darwin Fox heeft mij medegedeeld, dat de eksters (Corvus pica, Linn.) uit alle deelen van het Delamere-woud bijeen plachten te komen om het groote eksterhuwelijk te vieren. Eenige jaren geleden waren deze vogels buitengewoon talrijk, zoodat een jachtopziener er op éénen morgen negentien doodde en een ander met een enkel schot zeven bij elkander zittende vogels tegelijk doodde. Terwijl zij zoo talrijk waren, hadden zij de gewoonte om zeer vroeg in de lente op bijzondere plaatsen samen te komen, waar men ze in troepen kon zien, snappende, somtijds vechtende, in de boomen heên en weêr dribbelende, en vliegende. De geheele zaak werd door de vogels klaarblijkelijk beschouwd als van het hoogste belang. Kort na de bijeenkomst scheidden zij allen, en de heer Fox en anderen merkten op, dat zij dan voor het jaargetijde waren gepaard. In de eene of andere streek waar een soort niet zeer talrijk is, kunnen natuurlijk geen groote bijeenkomsten worden gehouden, en de zelfde soort heeft wellicht in verschillende landen verschillende gewoonten. Ik heb bij voorbeeld nergens medegedeeld gevonden, dat de korhoenders in Schotland geregelde bijeenkomsten houden, en toch zijn die bijeenkomsten in Duitschland en Skandinavië zoo wel bekend, dat zij bijzondere namen dragen.Ongepaarde Vogels.—Uit de nu medegedeelde feiten mogen wij besluiten, dat bij vogels, tot zeer verschillende groepen behoorende, de vrijage dikwijls een langdurige, teedere en lastige zaak is. Er is zelfs reden om te vermoeden, hoe onwaarschijnlijk dit ook in het eerst moge schijnen, dat sommige mannetjes en wijfjes van de zelfde soort, de zelfde streek bewonende, elkander niet altijd behagen en bijgevolg niet paren. Vele verhalen zijn publiek gemaakt van hetzij het mannetje of het wijfje van een paar, dat was doodgeschoten, en spoedig door een ander werd vervangen. Dit is veelvuldiger waargenomen bij den ekster, dan bij eenigen anderen vogel, wellicht ten gevolge van zijn opzichtig uiterlijk en nest. De vermaarde Jenner verhaalt, dat in Wiltshire één van een paar dagelijks niet minder dan zevenmaal achtereen werd doodgeschoten, „maar alles te vergeefs, want de overblijvende ekster vond weldra een ander gezel”; en het laatste paar kweekte hun jongen op. Over het algemeen wordt den volgenden dag een gezel gevonden; maar de heer Thompson deelt een geval mede, waarin er een reeds op den avond van den zelfden dag werd vervangen. Zelfs nadat de eieren zijn uitgebroeid, zal er, indien een der oude vogels wordt gedood,[100]dikwijls een gezel worden gevonden; dit geschiedde na verloop van twee dagen in een geval, onlangs door een van Sir J. Lubbock’s opzichters waargenomen.5De eerste en meest voor de hand liggende onderstelling is, dat de mannelijke eksters veel talrijker moeten zijn dan de vrouwelijke, en dat in de bovenvermelde gevallen, zoowel als in vele andere die nog zouden kunnen worden medegedeeld, alleen de mannetjes waren gedood. Dit schijnt in sommige gevallen steek te houden; want de jachtopzichters in het Delamere-woud verzekerden den heer Fox, dat de eksters en kraaien die zij vroeger achtereenvolgens in grooten getale nabij hun nesten doodden, allen mannetjes waren, en zij verklaarden dit feit, doordat de mannetjes gemakkelijker werden gedood, terwijl zij aan de op de eieren zittende wijfjes voedsel brachten. Macgillivray geeft echter, op autoriteit van een uitnemend waarnemer, een voorbeeld van drie eksters, achtereenvolgens op het zelfde nest gedood, die allen wijfjes waren; en een ander geval van zes eksters achtereenvolgens gedood, terwijl zij op de zelfde eieren zaten, hetgeen het waarschijnlijk maakt, dat zij allen wijfjes waren, hoewel het mannetje, gelijk ik van den heer Fox hoor, op de eieren zal gaan zitten, als het wijfje is gedood.De jachtopzichter van den heer Lubbock heeft herhaaldelijk, maar hoevele malen kon hij niet zeggen, één van een paar Vlaamsche gaaien (Garrulus glandarius) geschoten, en het miste nooit, of kort daarna vond hij den overlever opnieuw gepaard. De weleerw. heer W. D. Fox, de heer F. Bond en anderen hebben één van een paar kraaien (Corvus corone) geschoten; maar het nest werd weldra opnieuw bewoond. Deze vogels zijn vrij algemeen; maarFalco peregrinusis zeldzaam, en toch getuigt de heer Thompson, dat, wanneer in Ierland „hetzij een oud mannetje of een wijfje in den paartijd wordt gedood (hetgeen geen ongewone omstandigheid is), in zeer weinig dagen een ander gezel wordt gevonden, zoodat de nesten, niettegenstaande dergelijke gebeurlijkheden, zeker zijn hun aandeel jongen te leveren.” De heer Jenner Weir wist, dat het zelfde gebeurde metFalco peregrinuste Beachy Head. De zelfde waarnemer meldt mij, dat drie torenvalken (Falco tinnunculis), allen mannetjes, achtereenvolgens werden gedood, terwijl zij het zelfde nest bezochten; twee daarvan waren in vollen[101]vederdos, en de derde in het gevederte van het vorige jaar. Een geloofwaardig jachtopzichter in Schotland verzekerde den heer Birkbeck, dat zelfs bij den zeldzamen gouden arend (Aquila chrysaëtos), wanneer de eene is gedood, spoedig een andere wordt gevonden. Evenzoo heeft men waargenomen, dat bij den kerkuil (Strix flammea) „de overlever weldra een gezel vond en het ongeluk voorbijging.”White van Selborne, die het geval van den uil mededeelt, voegt er bij, dat hij een man heeft gekend, die, daar hij geloofde, dat de patrijzen, als zij waren gepaard, door het vechten der mannetjes werden verontrust, hen placht dood te schieten; en hoewel hij het zelfde wijfje verscheidene malen weduwe had gemaakt, was zij altijd spoedig van een nieuwen gezel voorzien. Deze zelfde natuuronderzoeker beval de musschen dood te schieten, die de muurzwaluwen van haar nesten beroofden; maar degeen die overbleef, „hetzij het een mannetje of een wijfje was, verkreeg dadelijk een gezel, en dat verscheidene malen achtereen.” Ik zou hier soortgelijke gevallen kunnen bijvoegen, betrekking hebbende op den vink, den nachtegaal en het roodstaartje. Ten opzichte van den laatsten vogel (Phoenicura ruticilla) merkt de schrijver op, dat hij in geenen deele algemeen was in den omtrek, en hij geeft veel verwondering er over te kennen, dat het op de eieren zittende wijfje zoo spoedig met goeden uitslag bekend kon maken, dat zij weduwe was. De heer Jenner Weir heeft mij een bijna gelijksoortig geval medegedeeld: te Blackheath ziet of hoort hij nimmer den zang van den wilden goudvink, en toch kwam gewoonlijk, wanneer een zijner in kooien opgesloten mannetjes was gestorven, een wild mannetje in den loop van weinige dagen en ging bij het weduwe geworden wijfje zitten, wier loktoon verre van luid is. Ik zal slechts één ander feit mededeelen op autoriteit van dezen zelfden waarnemer; van een paar spreeuwen (Sturnus vulgaris) werd er één in den morgen doodgeschoten; ’s middags was een nieuwe gezel gevonden; deze werd wederom doodgeschoten; maar vóór den nacht was het paar volledig, zoodat de troostelooze weduwe of weduwnaar gedurende den zelfden dag driemaal werd vertroost. De heer Engleheart meldt mij ook, dat hij gedurende verscheidene jaren gewoon was één van een paar spreeuwen dood te schieten, die in een gat in een huis te Blackheath hun nest bouwden; maar het verlies werd dadelijk hersteld.Gedurende één jaargetijde hield hij er aanteekening van en vond, dat hij vijf-en-dertig vogels van het zelfde nest had doodgeschoten; deze bestonden zoowel uit mannetjes[102]als uit wijfjes, maar in welke verhouding kan hij niet zeggen; desniettemin werden na al deze vernieling nog jongen opgekweekt.6Deze feiten zijn zeker opmerkelijk. Hoe komt het, dat zoovele vogels in staat zijn om een verloren gezel dadelijk te vervangen? Eksters, Vlaamsche gaaien, kraaien, patrijzen en sommige andere vogels worden gedurende het voorjaar nooit alleen gezien, en deze leveren op het eerste gezicht het moeilijkst te verklaren geval op. Vogels van de zelfde sekse leven echter, hoewel natuurlijk niet wezenlijk gepaard, somtijds bij paren of in kleine troepjes, zooals bekend is, dat met duiven en patrijzen het geval is. Somtijds leven de vogels ook bij drietallen, zooals bij spreeuwen, kraaien, papegaaien en patrijzen is waargenomen. Bij patrijzen zijn voorbeelden bekend zoowel van twee wijfjes die met één mannetje, als van twee mannetjes die met één wijfje leefden. In alle dergelijke gevallen is het waarschijnlijk, dat de vereeniging gemakkelijk zou worden verbroken. Men kan de mannetjes van sommige vogels nu en dan met hun liefdezang zien voortgaan lang na den gewonen tijd, hetgeen aantoont, dat zij een gezellin hebben verloren of nimmer verkregen. De dood van één van een paar, hetzij door ongeval of door ziekte, zou den anderen vogel vrij en alleen overlaten; en er is reden om te gelooven, dat vrouwelijke vogels gedurende den paartijd bijzonder onderhevig zijn aan een vroegtijdigen dood. Evenzoo zouden vogels wier nesten verwoest waren geworden of onvruchtbare paren, of achterlijke individu’s, er gemakkelijk toe komen om hun gezellen te verlaten, en zouden waarschijnlijk blijde zijn, als zij eenig deel konden nemen aan de genoegens en de plichten van de opkweeking van jongen, al waren die hun eigen ook niet.7Dergelijke[103]gebeurlijkheden als deze verklaren waarschijnlijk de meeste der voorgaande gevallen.8Desniettemin is het een vreemd feit, dat er in ééne en de zelfde streek, gedurende het toppunt van den paartijd, altijd zoovele mannetjes en wijfjes gereed zouden staan om het verlies van een gepaarden vogel te vergoeden. Waarom paren dergelijke overgebleven vogels niet onmiddellijk met elkander? Hebben wij niet enige reden om te vermoeden, en dit vermoeden is bij den heer Jenner Weir opgekomen, dat het, daar de vrijage bij vele vogels een langdurige en vervelende zaak schijnt te zijn, nu en dan gebeurt, dat zekere mannetjes en wijfjes er gedurende den eigenlijken paartijd niet in slagen om elkanders liefde op te wekken, en bij gevolg niet paren? Dit vermoeden zal iets minder onwaarschijnlijk voorkomen, nadat wij zullen hebben gezien, welk een sterken tegenzin en voorkeur vrouwelijke vogels nu en dan jegens bijzondere mannetjes toonen.Geestvermogens der Vogels en hun smaak voor het schoone.—Voor wij verder de vraag bespreken, of de wijfjes de meest aantrekkelijke mannetjes uitkiezen, of zich afgeven met den eersten den besten dien zij ontmoeten, zal het raadzaam zijn kortelijks de geestvermogens der vogels te beschouwen. Hun rede wordt gewoonlijk en wellicht terecht, voor weinig ontwikkeld gehouden; maar toch kunnen eenige feiten worden aangevoerd9, die tot een tegenovergesteld besluit leiden. Weinig[104]ontwikkelde redeneerende vermogens zijn echter, gelijk wij bij den mensch zien, vereenigbaar met sterke genegenheid, een scherp waarnemingsvermogen en smaak voor het schoone, en het is met deze laatste hoedanigheden, dat wij hier hebben te maken. Men heeft dikwijls gezegd, dat papegaaien zich zoo sterk aan elkander hechten, dat, wanneer de eene sterft, de andere gedurende langen tijd kwijnt; maar de heer Jenner Weir denkt, dat bij de meeste vogels de sterkte van hun genegenheid voor elkander zeer overdreven is geworden. Desniettemin heeft men, als één van een paar in den natuurstaat werd doodgeschoten, den overlever dagen achtereen een klaagtoon hooren voortbrengen; en de heer St. John10deelt verscheidene feiten mede, waaruit de wederkeerige gehechtheid van gepaarde vogels blijkt. De heer Bennet verhaalt11, dat in China, nadat een woerd van het fraaie madarijnras was gestolen, de eend ontroostbaar bleef, hoewel haar vlijtig het hof werd gemaakt door een anderen madarijn-woerd die al zijn bekoorlijkheden voor haar tentoonspreidde. Na verloop van drie weken kreeg men den gestolen woerd terug, en dadelijk herkende het paar elkander met de uiterste vreugde. Spreeuwen kunnen echter, gelijk wij hebben gezien, op een enkelen dag driemaal over het verlies van hun gezel worden getroost. In den Londenschen Dierentuin hebben papegaaien hun vroegere meesters duidelijk herkend na een tijdsverloop van eenige maanden. Duiven hebben zulk een uitnemend geheugen voor plaatsen, dat men ze na een tijdsverloop van negen maanden naar hun vroegere woningen heeft zien terugkeeren, en toch hoor ik van den heer Harrison Weir, dat, als men een paar dat in den natuurstaat levenslang met elkander zou blijven leven, in den winter gedurende eenige weinige weken van elkander scheidt en met andere vogels doet paren, de beide vogels, als men ze weder bij elkander brengt, zelden, zoo ooit, elkander herkennen.[105]Vogels geven soms blijken van welwillende gevoelens; zij zullen de verlaten jongen zelfs van andere soorten voeden; maar dit moet wellicht als een vergissing van het instinkt worden beschouwd. Zij zullen ook, gelijk in een vroeger gedeelte van dit werk is aangetoond, volwassen vogels van hun eigen soort, die blind zijn geworden, voeden. De heer Buxton geeft een merkwaardig verhaal van een papegaai die zorg droeg voor een door de vorst beschadigden en verminkten vogel van een andere soort, zijn vederen schoon maakte en hem verdedigde tegen de aanvallen van de andere papegaaien die vrij in zijn tuin omzwierven. Het is een nog merkwaardiger feit, dat deze vogels blijkbaar eenig medegevoel toonen voor de genoegens hunner makkers. Toen een paar kakatoe’s een nest in een acaciaboom maakten, „was het koddig om te zien, welk een buitensporig belang de anderen van de zelfde soort in die zaak stelden.” Deze papegaaien gaven ook bewijzen van onbegrensde nieuwsgierigheid en bezaten blijkbaar het „denkbeeld van eigendom en bezit.”12Vogels bezitten scherpe waarnemingsvermogens. Iedere gepaarde vogel herkent natuurlijk zijn gezel. Audubon verhaalt, dat van de spotlijsters der Vereenigde Staten (Mimus polyglottus) een zeker aantal gedurende het geheele jaar in Louisiana blijven, terwijl de anderen naar de oostelijke staten verhuizen; deze laatsten worden bij hun terugkomst dadelijk door hun zuidelijke broeders herkend en altijd aangevallen. Vogels in gevangen staat onderscheiden verschillende personen, gelijk wordt bewezen door den sterken en blijvenden tegenzin of genegenheid die zij, schijnbaar zonder eenige reden, voor zekere individu’s vertoonen.Ik heb daarvan talrijke voorbeelden gehoord bij Vlaamsche gaaien, patrijzen, kanarievogels en vooral goudvinken. De heer Hussey heeft beschreven, op hoe buitengewone wijze een tamme patrijs iedereen herkende, en zijn genegenheid en afkeer waren zeer sterk. De vogel scheen „verzot op levendige kleuren, en men kon geen nieuwe japon aantrekken of nieuwe muts opzetten zonder zijn aandacht op te wekken.”13De heer Hewitt heeft zorgvuldig de gewoonten van eenige eenden (van voor korten tijd getemde vogels afstammende) beschreven die bij de nadering van een wilden hond of kat hals over kop naar het water snelden en zich uitputten in hun pogingen om te ontsnappen;[106]maar des heeren Hewitt’s eigen honden of katten kenden zij zoo goed, dat zij vlak bij hen gingen liggen om zich in de zon te koesteren. Zij vluchtten altijd weg voor een vreemdeling en even zoo ook voor de dame die hen verzorgde, als deze de eene of andere groote verandering in haar kleeding maakte. Audubon verhaalt, dat hij een wilden kalkoen opkweekte en temde, die altijd wegliep voor elken vreemden hond; deze vogel ontsnapte in het woud, en eenige dagen later zag Audubon, gelijk hij dacht, een wilden kalkoen en liet er zijn hond jacht op maken; maar tot zijn verwondering liep de vogel niet weg, en viel de hond, toen hij er bij kwam, den vogel niet aan; want zij herkenden elkander wederkeerig als oude vrienden.14(2)De heer Jenner Weir is overtuigd, dat vogels bijzondere aandacht wijden aan de kleuren van andere vogels, somtijds uit ijverzucht, en somtijds als een teeken van verwantschap. Zoo zette hij een rietgors (Emberiza schoeniclus), die zijn zwarten kop had verkregen, in zijn vogelhuis (volière) en geen der vogels sloeg op den nieuw aangekomene acht, behalve een goudvink, die ook een zwarten kop heeft. Deze goudvink was een zeer rustige vogel en had vroeger nooit met een zijner kameraden, een andere rietgors die nog geen zwarten kop had gekregen, daaronder begrepen, twist gehad; maar de rietgors met een zwarten kop werd zoo ongenadig behandeld, dat hij uit het vogelhuis (volière) moest worden genomen. De heer Weir was ook genoodzaakt er een roodborstje uit te nemen, daar dit alle vogels die eenig rood in hun gevederte hadden, maar geen andere soorten, heftig aanviel; het doodde werkelijk een roodborstigen kruisbek en bijna ook een distelvink. Hij heeft van den anderen kant ook opgemerkt, dat sommige vogels, als zij pas in zijn vogelhuis (volière) werden gebracht, naar de soorten toe vlogen, die in kleur het meest op hen geleken, en zich aan hun zijde neêrzetten.Fig. 48.Fig. 48.Priëelvogel (Chlamydera maculata) met zijnpriëel(naar Brehm).Daar mannelijke vogels met zooveel zorg met hun schoon gevederte en andere versierselen in tegenwoordigheid van de wijfjes pronken, is het blijkbaar waarschijnlijk, dat deze de schoonheid harer minnaars waardeeren. Het is echtermoeilijkom directe bewijzen te verkrijgen van hun vermogen om schoonheid te waardeeren. Wanneer vogels hun eigen beeld in een spiegel aanstaren (waarvan vele voorbeelden[107]zijn opgeteekend), kunnen wij niet met zekerheid zeggen, dat dit niet uit ijverzucht op een onderstelden mededinger is, hoewel dit niet het besluit van sommige waarnemers is. In andere gevallen is het moeilijk te onderscheiden tusschen bloote nieuwsgierigheid en bewondering. Het[108]is wellicht het eerste gevoel dat, gelijk Lord Lilford getuigt15, den kemphaan tot elk helder gekleurd voorwerp trekt, zoodat hij op de Jonische eilanden „op een levendig gekleurden zakdoek zal neêrschieten, zonder op herhaalde schoten te letten.” De gewone leeuwerik wordt uit de lucht naar omlaag gelokt en in grooten getale gevangen, door een kleinen spiegel dien men in beweging brengt, zoodat hij in de zon glinstert. Is het bewondering of nieuwsgierigheid, die er den ekster, de raaf en sommige andere vogels toe brengt, om schitterende voorwerpen, zooals zilveren sieraden of juweelen, te stelen en te verbergen?De heer Gould zegt, dat sommige kolibri’s de buitenzijde hunner nesten „uiterst smaakvol” versieren; „zij hechten daaraan instinktmatig fraaie platte stukken van korstmossen vast, de grootste in het midden en de kleinere op het deel dat aan den tak is vastgehecht. Nu en dan wordt een fraaie veder er aan de buitenzijde ingevlochten of op vastgemaakt terwijl de schacht daarbij steeds zoo wordt geplaatst, dat de vlag aan de buitenzijde uitsteekt.” Het beste bewijs van een smaak voor het schoone wordt echter opgeleverd door de drie reeds vermelde geslachten van Australische priëelvogels. Hun priëelen (Fig.48), waarin de seksen samenkomen en vreemde vertooningen uitvoeren, worden op verschillende wijze gebouwd; maar, wat ons het meest aangaat, is, dat zij door de onderscheidene soorten op verschillende wijze worden versierd. De Priëelvogel verzamelt levendig gekleurde voorwerpen, zooals de blauwe staartvederen van parkieten, gebleekte beenderen en schelpen die hij tusschen de twijgen steekt, of aan den ingang schikt. De heer Gould vond in een priëel een net bewerkte steenen tomahawk en een reepje blauw katoen, blijkbaar uit een legerplaats der inboorlingen weggenomen. Deze voorwerpen worden door de vogels, wanneer zij aan het spel zijn, voortdurend opnieuw geschikt en rond gedragen. Het priëel van den gevlekten priëelvogel „is fraai bekleed met groote grashalmen, zoo gerangschikt, dat de toppen elkander bijna ontmoeten, en de versierselen zijn zeer overvloedig.” Ronde steentjes worden gebruikt om de grashalmen op hun plaats te houden en om uiteenloopende paadjes te maken, die naar het priëel leiden. De steentjes en schelpen worden dikwijls van een grooten afstand aangevoerd. De regentvogel versiert, volgens de beschrijving van den heer Ramsay,[109]zijn kort priëel met gebleekte slakkenhuizen, tot vijf of zes soorten behoorende, en met „bessen van verschillende kleuren, blauw, rood en zwart, die het, wanneer zij versch zijn, een zeer fraai aanzien geven. Behalve deze waren er onderscheidene pas opgepikte bladeren en jonge scheuten van een bleekroode kleur, terwijl het geheel stellig smaak voor het schoone bewees.” Wel mag de heer Gould zeggen: „deze sterk versierde vergaderplaatsen moeten worden beschouwd als de meest wondervolle voorbeelden van de bouwkunst der vogels, die tot dusver zijn ontdekt”; en, gelijk wij zien,verschilt ongetwijfeld de smaak der onderscheidene soorten.16Voorkeur door de Wijfjes jegens bijzondere Mannetjes getoond.—Na deze voorafgaande opmerkingen omtrent het onderscheidingsvermogen en den smaak van vogels, zal ik alle mij bekende feiten mededeelen, die betrekking hebben op de voorkeur,door het wijfje voor bijzondere mannetjes getoond. Het is zeker, dat verschillende soorten van vogels in den natuurstaat nu en dan met elkander paren en bastaarden voortbrengen. Vele voorbeelden zouden daarvan kunnen worden aangehaald: zoo verhaalt Macgillivray hoe een mannelijke merel en een vrouwelijke lijster, „op elkander verliefd werden”, en jongen voortbrachten.17Verscheidene jaren geleden zijn achttien gevallen opgeteekend van het voorkomen in Groot-Brittannië van bastaarden tusschen het korhoen en den fazant18; maar de meeste dezer gevallen kunnen wellicht worden verklaard, doordat enkele vogels geen van hun eigen soort vinden om mede te paren. Bij andere vogels zijn, gelijk de heer Jenner Weir reden heeft te gelooven, bastaarden soms het gevolg van den toevalligen omgang tusschen vogels die in elkanders onmiddellijke nabijheid hun nest bouwen. Deze opmerkingen zijn echter niet toepasselijk op de vele opgeteekende voorbeelden van tamme vogels, tot verschillende soorten behoorende, die volkomen betooverd door elkander waren, hoewel zij in gezelschap van individu’s hunner eigen soort leefden. Zoo verhaalt Waterton19, dat een wijfje, tot een toom[110]van drie-en-twintig Canada-ganzen behoorende, met een eenzaam levende mannelijke rotgans paarde, hoewel deze zoozeer in uiterlijk en grootte van haar verschilde, en dat zij bastaardkroost voortbrachten. Van een mannelijke smient (Mareca penelope), met een wijfje van de zelfde soort levende, is het bekend, dat hij met een pijlstaarteend (Querquedula acuta) paarde. Lloyd beschrijft de opmerkelijke wederkeerige gehechtheid van een mannelijke schildeend (Tadorna vulpanser) en een gewone eend. Nog vele voorbeelden zouden hieraan kunnen worden toegevoegd; en de weleerw. heer E.S. Dixon merkt op, dat „zij die vele verschillende soorten van ganzen tegelijkertijd hebben gehouden, wel weten, welke onverklaarbare genegenheden zij dikwijls voor elkander opvatten, en dat zij even gaarne paren en jongen voortbrengen met individu’s van een ras dat schijnbaar het meest verschillend van hen is, als met hun eigen ras.”De weleerw. heer W. D. Fox meldt mij, dat hij tegelijkertijd een paar Chineesche ganzen (Anser cygnoides) en een gewonen ganzerik met drie ganzen heeft bezeten. De beide soorten leefden elk geheel op zich zelf, tot de Chineesche ganzerik een van de gewone ganzen verleidde om met hem te leven.Daarenboven waren van de jonge vogels, opgekweekt uit de eieren der gewone ganzen, slechts vier zuiver, terwijl de achttien anderen bastaarden bleken te zijn; zoodat de Chineesche ganzerik veel grooter bekoorlijkheden schijnt te hebben bezeten, dan de gewone ganzerik. Ik wil nog slechts één ander geval mededeelen: de heer Hewitt verhaalt, dat een in gevangen staat opgekweekte wilde eend, „na een paar jaren met haar eigen woerd te hebben geleefd, hem op eens verstootte, toen ik een mannelijke pijlstaarteend in het water plaatste. Het was blijkbaar een geval van liefde op het eerste gezicht; want zij zwom naar den nieuw aangekomene heên en overlaadde hem met liefkozingen, hoewel hij blijkbaar verontrust door en afkeerig van haar liefdesbetuigingen scheen. Van dat uur af vergat zij haar ouden minnaar. De winter ging voorbij en in de volgende lente scheen de pijlstaartwoerd te zijn overgehaald door haar liefkozingen; want zij nestelden te zamen en brachten zeven of acht jongen voort.”Wat de bekoring in deze verschillende gevallen mag zijn geweest,[111]behalve eenvoudig de nieuwheid, kunnen wij zelfs niet gissen. De kleur komt echter soms in het spel; want als men bastaarden wil verkrijgen van het sijsje (Fringilla spinus) en den kanarievogel, slaagt men, volgens Bechstein, verreweg het best, als men vogels van de zelfde kleur bij elkander zet. De heer Jenner Weir zette een vrouwelijken kanarievogel in zijn vogelhuis (volière), waarin zich mannelijke kneutjes, distelvinken, sijsjes, groenlingen, vinken en andere vogels bevonden om te zien, welken zij zou kiezen; maar er was nooit eenige twijfel en de groenling behaalde de zegepraal. Zij paarden en brachten bastaardkroost voort.Bij de leden van de zelfde soort trekt het feit, dat hetwijfjeliever met het eene mannetje paart dan met het andere, niet zoo gemakkelijk de aandacht, als wanneer dit tusschen verschillende soorten plaats heeft. Dergelijke gevallen kunnen het best worden waargenomen bij tamme of opgesloten vogels; maar deze zijn dikwijls door overvloedig voedsel weelderig gemaakt en hun instinkten zijn dikwijls uitermate bedorven. Van dit laatste feit zou ik voldoende bewijzen kunnen geven ten opzichte van duiven, en vooral van hoenders, doch zij kunnen hier niet worden medegedeeld. Bedorven instinkten kunnen wellicht ook eenige van de bastaardvereenigingen verklaren, waarop boven is gezinspeeld; maar in vele van deze gevallen waren de vogels in de gelegenheid zich vrijelijk over groote vijvers te verspreiden, en is er geen reden om te veronderstellen, dat zij onnatuurlijk werden geprikkeld door overvloedig voedsel.Ten opzichte van vogels in den natuurstaat is de eerste en meest voor de hand liggende veronderstelling die iedereen zal invallen, dat het wijfje zich in den paartijd aan het eerste mannetje het beste dat zij ontmoet, overgeeft; maar zij is ten minste in de gelegenheid om een keus te doen, daar zij bijna onveranderlijk door vele mannetjes wordt vervolgd. Audubon—en wij moeten bedenken, dat hij een lang leven doorbracht met in de bosschen der Vereenigde Staten rond te zwerven en daar waarnemingen omtrent de vogels te doen—betwijfelt niet, dat het wijfje met overleg haar gezel kiest; zoo zegt hij van een specht sprekende, dat het wijfje door een half dozijn vroolijke vrijers wordt gevolgd, die voortgaan met vreemdsoortige vertooningen uit te voeren, „totdat zij aan een van hen duidelijk de voorkeur geeft.” Het wijfje van den roodvleugeligen spreeuw (Agelaiusphoeniceus) wordt ook door onderscheidene mannetjes vervolgd, „totdat zij, moede wordende, neêrstrijkt,[112]hun liefdebetuigingen ontvangt, en weldra een keus doet.” Hij beschrijft ook hoe onderscheidene mannelijke nachtzwaluwen herhaaldelijk met verbazende snelheid door de lucht duiken, zich daarbij plotseling omkeeren, en op die wijze een vreemdsoortig geluid voortbrengen; „maar zoodra het wijfje een keus heeft gedaan, worden onmiddellijk de andere mannetjes weggejaagd.” Bij een van de gieren (Cathartes aura) van de Vereenigde Staten verzamelen zich troepen van acht of tien of meer mannetjes en wijfjes op omgevallen boomstammen, „de sterkste begeerte om wederkeerig te behagen aan dendagleggende”, en na vele liefkozingen vliegt elk mannetje met zijn gezellin weg. Audubon nam ook de wilde vluchten van Canada-ganzen (Anser Canadensis) zorgvuldig waar, en geeft een levendige beschrijving van hun liefdevertooningen; hij zegt, dat de vogels die te voren gepaard waren geweest, „hun vrijage in de maand Januari hernieuwden, terwijl de anderen alle dagen uren lang met elkander vochten en coquetteerden, totdat allen voldaan schenen met de keus die zij hadden gedaan, waarna, hoewel zij te zamen bleven, iedereen gemakkelijk kon opmerken, dat de paren zorgvuldig in stand werdengehouden. Ik heb ook opgemerkt, dat, hoe ouder de vogels waren, hoe korter het voorspel van hun vrijage duurde. De jongelieden en de oude vrijsters gingen, hetzij uit spijt, of omdat zij ongaarne door het gewoel werden gestoord, rustig zijwaarts en legden zich op eenigen afstand van de overige neder.”20Vele gelijksoortige getuigenissen ten opzichte van andere vogels zouden aan dezen zelfden waarnemer kunnen worden ontleend.Nu tot tamme en opgesloten vogels overgaande, zal ik beginnen met het weinige mede te deelen, dat ik ten opzichte der vrijage van het pluimgedierte te weten ben gekomen. Ik heb over dit onderwerp lange brieven van de heeren Hewitt en Tegetmeier en bijna een geheele verhandeling van wijlen den heer Brent ontvangen. Iedereen zal toegeven, dat deze heeren, zoo algemeen bekend door de werken die zij hebben uitgegeven, zorgvuldige en ondervindingrijke waarnemers zijn. Zij gelooven niet, dat de wijfjes aan zekere mannetjes wegens de schoonheid van hun gevederte de voorkeur geven; maar men moet den kunstmatigen toestand waarin zij lang hebben verkeerd, eenigszins in rekening brengen. De heer Tegetmeier is overtuigd, dat een strijdhaan, hoewel misvormd, daar hij door het afsnijden zijner vleeschlappen tot ridder is[113]geslagen („dubbed”), even gaarne zal worden aangenomen als een haan die al zijn natuurlijke versierselen nog bezit. De heer Brent echter veronderstelt, dat de schoonheid van het mannetje er toe bijdraagt om het wijfje te bekoren; en haar toestemming is noodzakelijk. De heer Hewitt is overtuigd, dat de vereeniging in geenen deele aan het bloote toeval wordt overgelaten; want het wijfje geeft bijna onveranderlijk de voorkeur aan het krachtigste, strijdlustigste en vurigste mannetje; het is daarom bijna nutteloos, gelijk hij opmerkt, „om te beproeven kuikens van een of ander zuiver ras te verkrijgen, als een strijdhaan in goede gezondheid en toestand op de plaats rondloopt; want bijna elke hen zal, als zij het rek verlaat, tot den strijdhaan haar toevlucht nemen, zelfs al doet deze volstrekt geen moeite om den haan van haar eigen ras weg te jagen.” Onder gewone omstandigheden schijnen de hennen en hanen tot een wederkeerige verstandhouding te komen door middel van zekere gebaren van welke de heer Brent mij een beschrijving heeft gegeven. De hennen zullen echter dikwijls de gedienstige oplettendheden van de jonge hanen versmaden. Oude hennen en hennen van een strijdlustigen aard hebben, gelijk de zelfde schrijver mij meldt, een afkeer van vreemde hanen, en zullen zich niet aan hen overgeven, voordat zij in het gevecht het onderspit hebben moeten delven. Ferguson beschrijft echter, hoe een twistzieke hen zwichtte voor de teedere liefkoozingen van een Shanghaihaan.21Er is reden om aan te nemen, dat duiven van beiderlei sekse bij voorkeur met vogels van het zelfde ras paren; en duivenkot-duiven hebben een afkeer van alle door kunstmatige teeltkeus sterk gewijzigde rassen.22De heer Harrison Weir hoorde eenigen tijd geleden van een geloofwaardig waarnemer die blauwe duiven houdt, dat deze alle anders gekleurde verscheidenheden, zooals witte, roode en gele, wegjagen; en van een anderen waarnemer, dat men er ondanks herhaalde proefnemingen niet in kon slagen een donkerbruine postduif met een zwarten doffer te doen paren, maar dat zij zulks dadelijk deed met een donkerbruinen doffer.Ook de heer Tegetmeier had een vrouwelijk blauw meeuwtje („turbit”), dat hardnekkig weigerde te paren met twee mannetjes van het zelfde duivenras, die achtereenvolgens weken lang met haar werden[114]opgesloten; maar, naar buiten gelaten, paarde zij onmiddellijk met de eerste de beste blauwe Engelsche Pagadet-duif („dragon”). Daar zij een kostbare vogel was, werd zij toen vele weken lang opgesloten met een zilverkleurig (d.i. zeer bleek blauw) mannetje, en paarde daarmede ten laatste. Over het algemeen schijnt de kleur echter op het paren van duiven weinig invloed te hebben. De heer Tegetmeier heeft op mijn verzoek eenige zijner vogels met magenta(3)gevlekt, maar de andere sloegen daar weinig acht op.Nu en dan gevoelen de vrouwelijke duiven een sterken tegenzin tegen bepaalde doffers, zonder dat zich daarvoor eenige oorzaak laat aanwijzen. Zoo getuigen de heeren Boitard en Corbié, wier ondervinding zich over een tijdperk van vijf-en-veertig jaren uitstrekte: „Quand une femelle éprouve de l’antipathie pour un mâle avec lequel on veut l’accoupler, malgré tous les feux de l’amour, malgré l’alpiste et le chenevis dont on la nourrit pour augmenter son ardeur, malgré un emprisonnement de six mois et même d’un an, elle refuse constamment ses caresses; les avances empressées, les agaceries, les tournoiements, les tendres roucoulements, rien ne peut lui plaire ni l’émouvoir; gonflée, boudeuse, blottie dans un coin de sa prison, elle n’en sort que pour boire et manger, ou pour repousser avec une espèce de rage des caresses devenues trop pressantes.”23Van den anderen kant heeft de heer Harrison Weir zelf waargenomen en van onderscheidene duivenfokkers gehoord, dat een vrouwelijke duif soms plotseling een sterken smaak voor een bijzonderen doffer aan den dag legt en haar eigen doffer voor hem verlaat. Sommige wijfjes zijn, volgens een ander ondervindingrijk waarnemer, Riedel24, van een losbandig karakter, en geven aan bijna elken vreemdeling de voorkeur boven haar eigen doffer. Sommige verliefde doffers die door onze Engelsche liefhebbers „gay birds” worden genoemd, zijn zoo voorspoedig in hun liefdesavonturen, dat zij, gelijk de heer H. Weir mij meldt, afzonderlijk moeten worden opgesloten, uithoofde van het nadeel dat zij veroorzaken.Volgens Audubon maken in de Vereenigde Staten wilde kalkoensche hanen „somtijds het hof aan de tamme kalkoensche hennen, en worden[115]door deze over het algemeen met groot genoegen aangenomen.” Zoodat deze hennen blijkbaar aan de wilde hanen de voorkeur geven boven haar eigen hanen.25Zie hier een nog merkwaardiger geval. Sir R. Heron teekende gedurende vele jaren de gewoonten van de pauwen op, die hij in grooten getale aanfokte. Hij betuigt, dat „de pauwinnen dikwijls een sterke voorliefde voor een bijzonderen pauw aan den dag leggen. Zij waren allen zoo verzot op een ouden gevlekten pauw, dat zij één jaar, toen hij afzonderlijk opgesloten, hoewel nog in het gezicht was, voortdurend waren vergaderd dicht bij de getraliede wanden van zijn gevangenis en een zwartvleugel-pauw niet wilden toelaten haar aan te raken. Toen hij in den herfst werd losgelaten, maakte de oudste der pauwinnen hem dadelijk het hof, en was voorspoedig in haar vrijage. Het volgende jaar werd hij in een stal opgesloten, en toen maakten al de pauwinnen het hof aan zijn medeminnaar.”26Deze medeminnaar was een verlakte of zwartvleugelige pauw, die in onze oogen een fraaier vogel is dan de gewone soort.Lichtenstein die een goed waarnemer was en aan de Kaap de Goede Hoop uitnemend in de gelegenheid was om waarnemingen te doen, verzekerde Rudolphi, dat de vrouwelijke weduwvogel (Chera progne) het mannetje verloochent, wanneer hij van de lange staartvederen is beroofd, waarmede hij gedurende den paartijd is versierd. Ik vermoed, dat deze waarneming moet zijn gedaan op vogels in gevangen staat.27Ziehier nog een ander treffend geval. Dr. Jaeger28, directeur van den dierentuin te Weenen, verhaalt, dat een mannelijke zilverlakensche fazant die de overwinning over de andere mannetjes had behaald en de erkende minnaar van de wijfjes was, van zijn tot sieraad strekkend gevederte werd beroofd. Hij werd daarop dadelijk door een medeminnaar vervangen, die de overhand verkreeg en daarna den troep aanvoerde.Het is een opmerkelijk feit, omdat het bewijst, hoe belangrijk de kleur is bij de vrijage der vogels, dat de heer Boardman, gedurende[116]vele jaren een welbekend liefhebber en waarnemer van vogels in de Noordelijke Vereenigde Staten, gedurende den langen tijd, dat hij waarnemingen deed, nooit een albino met een anderen vogel heeft zien paren; toch had hij menigmaal gelegenheid vele albino’s, tot verschillende soorten behoorende, waar te nemen.29Men kan moeilijk volhouden, dat albino’s niet in staat zijn zich in den natuurstaat voort te planten, daar zij zulks in gevangen staat met het grootste gemak kunnen. Het schijnt dus, dat wij het feit, dat zij niet paren, daaraan moeten toeschrijven, dat zij door hun normaal gekleurde kameraden worden afgewezen.Niet alleen oefent het wijfje een keus uit, maar in sommige gevallen maakt zij het mannetje het hof, of vecht soms om zijn bezit. Sir R. Heron verhaalt, dat bij pauwen de eerste stappen altijd door het wijfje worden gedaan; iets van den zelfden aard heeft volgens Audubon met de oude wijfjes van den wilden kalkoen plaats. Bij den grooten auerhaan fladderen de wijfjes om het mannetje heên, terwijl hij op een der vergaderplaatsen bezig is met pronken, en zoeken zijn aandacht te trekken.30Wij hebben gezien, dat een getemde wilde eend een onwilligen pijlstaartwoerd verleidde, na hem lang het hof te hebben gemaakt. De heer Bartlett gelooft, dat de Lophophorus, evenals vele andere Hoenderachtige Vogels, van nature veelwijvig is; doch twee wijfjes kunnen niet met één mannetje in de zelfde kooi worden geplaatst, omdat zij zooveel met elkander vechten. Het volgende voorbeeld van medeminnarij wekt meer verwondering, daar het betrekking heeft op goudvinken die gewoonlijk voor hun geheele leven paren. De heer Jenner Weir bracht een dof gekleurd en leelijk wijfje in zijn volière, en zij viel dadelijk een ander gepaard wijfje zoo onbarmhartig aan, dat deze laatste moest worden weggenomen. Het nieuwe wijfje gaf zich nu alle moeite om de liefde van het mannetje te verwerven, en slaagde daarin ten laatste, want zij paarde met hem; maar na eenigen tijd ontving zij haar rechtvaardige straf, want toen zij ophield strijdlustig te zijn, plaatste de heer Weir het oude wijfje weder in de volière, en het mannetje verliet toen zijn nieuw liefje en keerde tot zijn oude terug.[117]In alle gewone gevallen is het mannetje zoo vurig, dat hij elk wijfje zal aannemen, en niet, voorzoover wij kunnen oordeelen, aan het eene boven het andere de voorkeur geeft; maar uitzonderingen op dezen regel schijnen, zooals wij later zullen zien, in eenige weinige groepen voor te komen. Bij tamme vogels heb ik slechts van één geval gehoord, waarin de mannetjes eenige voorliefde vertoonen voor bijzondere wijfjes, namelijk, dat van den huishaan die, volgens de hooge autoriteit van den heer Hewitt, aan de jonge hennen de voorkeur boven de oude geeft. Daarentegen is de heer Hewitt overtuigd, dat, wanneer men bastaardvereenigingen tot stand brengt tusschen den mannelijken fazant en gewone hennen, de fazant onveranderlijk aan de oudere vogels de voorkeur geeft. Haar kleur schijnt in het minst geen invloed op hem te hebben, maar hij is „hoogst grillig in zijn genegenheid.”31Wegens de eene of andere onverklaarbare oorzaak toont hij den meest volstrekten afkeer van sommige hennen, welken geen zorg van den kant van den fokker kan te boven komen. Sommige hennen zijn, gelijk de heer Hewitt mij meldt, volstrekt onaantrekkelijk, zelfs voor de mannetjes van haar eigen soort, zoodat zij met verscheidene hanen gedurende een geheel jaargetijde kunnen worden gehouden, en niet één ei van veertig of vijftig zal blijken te zijn bevrucht. Bij de ijseend (Harelda glacialis) „heeft men daarentegen opgemerkt”, zegt de heer Eckström, „dat aan sommige wijfjes veel meer het hof werd gemaakt dan aan de overige. Men ziet toch dikwijls een individu door zes of acht verliefde mannetjes omringd.” Of deze getuigenis geloofbaar is, weet ik niet, maar de inlandsche jagers schoten deze wijfjes om ze op te zetten en dan als lokvogels te gebruiken.32Ten opzichte van vrouwelijke vogels die een voorliefde voor bijzondere mannetjes vertoonen, moeten wij bedenken, dat wij alleen kunnen beoordeelen, of er een keus wordt uitgeoefend, als wij ons in onze verbeelding in de zelfde positie verplaatsen. Als een bewoner van een andere planeet in de gelegenheid was om een aantal boerenknapen op een kermis te zien, bezig met een meisje het hof te maken en over haar te twisten, gelijk vogels op een hunner vergaderplaatsen, zou hij alleen in staat zijn af te leiden, dat zij het vermogen bezat om een keus te doen, door de moeite die de vrijers deden om haar te behagen en met hun opschik te pronken. Nu staat het bewijs bij vogels, als[118]volgt: zij hebben scherpe waarnemingsvermogens, en schijnen eenigen smaak te hebben voor het schoone, zoowel wat kleur als wat geluid aangaat. Het is zeker, dat de wijfjes nu en dan, wegens onbekende oorzaken, den sterksten afkeer en voorliefde voor bepaalde mannetjes aan den dag leggen. Als de seksen in kleur of in andere versiersels verschillen, zijn de mannetjes op zeldzame uitzonderingen na het sterkst versierd, hetzij voortdurend, hetzij tijdelijk gedurende den paartijd. Zij geven zich alle moeite om hun onderscheidene versierselen ten toon te spreiden, oefenen hun stemmen en voeren vreemdsoortige vertooningen uit in tegenwoordigheid van de wijfjes. Zelfs goed gewapende mannetjes die men zou hebben kunnen denken, dat, wat hun voorspoed in de liefde aanging, alleen van het gevecht afhankelijk waren, zijn in de meeste gevallen sterk versierd; en hun versierselen zijn verkregen ten koste van eenig verlies in strijdkracht. In andere gevallen zijn versierselen verkregen ten koste van vermeerderd gevaar voor roofvogels en verscheurende dieren. Bij onderscheidene soorten komen individu’s van beide seksen op de zelfde plaats samen, en hun vrijage is een langdurige zaak. Er is zelfs reden om te vermoeden, dat de mannetjes en wijfjes in de zelfde streek er niet altijd in slagen om elkander te behagen en te paren.Wat moeten wij dus uit deze feiten en overwegingen besluiten? Spreidt het mannetje zijn bekoorlijkheden met zooveel praal en wedijver ten toon zonder eenig doel? Zijn wij niet gerechtigd om te gelooven, dat het wijfje een keus doet, en dat zij de liefdesbetuigingen aanneemt van het mannetje dat haar het meest behaagt? Het is niet waarschijnlijk, dat zij met bewustheid overlegt; maar zij wordt het meest opgewekt of aangetrokken door de fraaiste, welluidendste of dapperste mannetjes. Ook behoeft niet te worden verondersteld, dat het wijfje elke gekleurde streep of vlek bestudeert, dat de pauwin, bij voorbeeld, elke bijzonderheid in den prachtigen staart van den pauw bewondert,—zij wordt waarschijnlijk slechts getroffen door het algemeen effect. Na echter te hebben gehoord met hoeveel zorg de mannelijke Argus-fazant zijn sierlijke primaire vleugel-slagpennen tentoonspreidt en zijn van oogvlekken voorziene siervederen juist opricht in de stelling waarin zij het meeste effect maken; of ook, hoe de mannelijke distelvink beurtelings zijn met gouden vlekken pronkende vleugels tentoonspreidt, mogen wij ons niet al te zeer overtuigd houden, dat het wijfje niet op elke bijzonderheid van de schoonheid let. Wij kunnen, gelijk reeds[119]is opgemerkt, alleen beoordeelen, of er een keus wordt gedaan, uit de analogie van onzen eigen geest; en als men de rede uitsluit(4), bestaat er geen fundamenteel verschil tusschen de geestvermogens der vogels en de onze. Uit deze verschillende overwegingen mogen wij afleiden, dat de paring der vogels niet aan het toeval is overgelaten; maar dat die mannetjes welke door hun verschillende bekoorlijkheden het best in staat zijn om het wijfje te behagen of haar op te wekken, onder gewone omstandigheden worden aangenomen. Indien men dit aanneemt, is het niet zeermoeilijkom te begrijpen, hoe de mannelijke vogels trapsgewijze hun tot sieraad dienende kenmerken hebben verkregen. Alle dieren vertoonen individueele verschillen, en evenals de mensch zijn tamme vogels kan wijzigen door voor de voortteling die individu’s uit te kiezen, welke hem het fraaist schijnen, zal ook de gewone of zelfs toevallige voorliefde van het wijfje voor de meer aantrekkelijke mannetjes bijna zeker hun wijziging hebben geleid; en dergelijke wijzigingen zullen in den loop van den tijd kunnen zijn geklommen tot bijna elke hoogte die vereenigbaar was met het bestaan van de soort.Veranderlijkheid (variabiliteit) der Vogels, en in het bijzonder van hun secundaire Seksueele Kenmerken.—Veranderlijkheid (vatbaarheid voor afwijking, variabiliteit) en erfelijkheid zijn de grondslagen voor het werk der teeltkeus.Dat tamme vogels veel afwijkingen hebben vertoond en hun afwijkingen zijn overgeërfd, is zeker.Dat vogels in den natuurstaat individueele verschillen vertoonen, wordt door iedereen aangenomen en dat zij somtijds tot onderscheidene rassen zijn gewijzigd, gemeenlijk aangenomen.33Er zijn tweeërlei soort van afwijkingen, namelijk die welke wij in onze onwetendheid voor een zelf ontstaan houden en die welke in direct verband staan tot de omringende levensvoorwaarden, zoodat alle of bijna alle individu’s van de zelfde soort op overeenkomstige wijze zijn gewijzigd.Gevallen van de laatste soort zijn voor eenige jaren waargenomen[120]door den heer J. A. Allen34, die aantoont, dat in de Vereenigde Staten vele soorten van vogels allengs sterker worden gekleurd, naarmate men meer zuidwaarts komt, en lichter gekleurd, naarmate men westwaarts de dorre vlakten van het binnenland nadert. Beide seksen schijnen over het algemeen op de zelfde wijze te worden aangedaan, maar soms de eene sekse meer dan de andere. Dit resultaat is niet onvereenigbaar met het geloof, dat de kleuren van vogels voornamelijk het gevolg zijn van de opeenhooping van achtereenvolgende afwijkingen door seksueele teeltkeus; want zelfs nadat de seksen zeer verschillend zijn geworden, zou het klimaat een gelijke werking op de beide seksen kunnen uitoefenen, of een grooter werking op de eene sekse dan op de andere, ten gevolge van eenig verschil in gestel.Individueele verschillen tusschen de leden van de zelfde soort geeft men algemeen toe, dat in den natuurstaat voorkomen. Plotselinge en sterk uitgesproken afwijkingen zijn zeldzaam, en het is zeer twijfelachtig, of zij dikwijls door teeltkeus zijn bewaard gebleven en dan op volgende geslachten zijn overgeplant.35Desniettemin kan het wellicht de moeite waard zijn, de weinige gevallen die ik in staat was te verzamelen,[121]en die voornamelijk op de kleur betrekking hebben (eenvoudig albinisme en melanisme uitgesloten zijnde(5)), hier mede te deelen.De heer Gould neemt, gelijk algemeen bekend is, slechts zelden het bestaan van verscheidenheden (variëteiten) aan; want hij houdt zeer kleine verschillen voor soortskenmerken; nu verhaalt hij36, dat in den omtrek van Bogota zekere kolibri’s, tot het geslachtCynanthusbehoorende, in twee of drie rassen of verscheidenheden zijn verdeeld, die van elkander verschillen door de kleur van den staart,—„daar bij sommige al de staartvederen blauw zijn, terwijl bij andere de punten van de acht middelste fraai groen zijn.” Het schijnt, dat er in dit en in de volgende gevallen geen tusschenbeide liggende overgangsvormen zijn waargenomen. Alleen bij de mannetjes van een der Australische parkieten zijn „de dijen bij sommige scharlakenrood, bij andere grasgroen.” Bij een anderen parkiet uit het zelfde land, „is de dwars over de vleugeldekvederen loopende band bij sommige individu’s levendig geel, terwijl hij bij andere rood gekleurd is.”37In de Vereenigde Staten hebben eenige weinige mannetjes van den scharlakenrooden Tanager (Tanagra rubra) „een fraaien dwarsband van gloeiend rood over de kleinere vleugeldekvederen”38; maar deze afwijking schijnt eenigszins zeldzaam te zijn, zoodat het bewaard blijven er van door seksueele teeltkeus alleen onder ongewoon gunstige omstandigheden zou volgen. In Bengalen heeft de gekuifde wespendief (Pernis cristata) hetzij een kleine, of in het geheel geen kuif op zijn kop; zulk een gering verschil zou echter niet waard zijn geweest om te worden opgeteekend, zoo niet deze zelfde soort in zuidelijk Indië „op het achterste gedeelte van den kop een goed uitgedrukte, uit verscheidene trapsgewijze langer wordende vederen bestaande kuif”39, had bezeten.Het volgende geval is in sommige opzichten nog belangwekkender. Een gevlekte verscheidenheid (variëteit) van de raaf, waarvan de kop, borst en onderbuik, en gedeeltelijk ook de vleugels en staartvederen wit zijn, is tot deFaröerbeperkt. Zij is daar niet zeer zeldzaam; want[122]Graba zag gedurende zijn bezoek van acht tot tien levende voorwerpen. Hoewel de kenmerken van deze verscheidenheid niet volkomen standvastig (constant) zijn, is er toch door onderscheidene uitstekende vogelkenners (ornithologen) een afzonderlijke soortnaam aan gegeven. Het feit, dat de gevlekte vogels met veel gedruisch werden nagezeten en vervolgd door de andere raven van het eiland, was de hoofdoorzaak, die er Brünnich toe bracht om te besluiten, dat zij soortelijk verschillend waren; maar men weet nu, dat dit een dwaling was.40In onderscheidene deelen van de noordelijke zeeën wordt een merkwaardige verscheidenheid (variëteit) van den gewonen zeekoet (Uria troile) gevonden, en op deFaröerbehoort, volgens de schatting van Graba, één van elke vijf vogels tot deze verscheidenheid. Zij wordt gekenmerkt door een zuiver witten ring rondom het oog, met een kromme smalle witte streep,3,75centimeter lang, die van uit den ring naar achteren voortloopt. Dit in het oog loopende kenmerk veroorzaakt, dat deze vogel door onderscheidene vogelkenners (ornithologen) als een afzonderlijke soort is gerangschikt onder den naam vanU. lacrymans; maar men weet nu, dat het een bloote verscheidenheid is. Zij paart dikwijls met de gewone soort, en toch zijn er nimmer tusschenbeide liggende overgangsvormen gezien; en dit is ook niet te verwonderen, want afwijkingen die plotseling verschijnen, worden dikwijls, gelijk ik elders41heb aangetoond, hetzij onveranderd, hetzij in het geheel niet overgeplant. Wij zien dus, dat twee verschillende vormen van de zelfde soort in de zelfde streek naast elkander kunnen bestaan, en wij kunnen niet betwijfelen, dat, wanneer de eene eenig groot voordeel boven den anderen had bezeten, hij zich spoedig zou hebben vermeerderd ten koste en met uitsluiting van den andere. Indien, bij voorbeeld, de mannelijke gevlekte raven, in plaats van door hun kameraden te worden vervolgd en verjaagd, in hooge mate aantrekkelijk waren geweest, evenals de bovenvermelde gevlekte pauw, voor de gewone zwarte wijfjes, zou hun aantal spoedig zijn toegenomen.En dit zou een geval van seksueele teeltkeus zijn geweest.42Wat de kleine individueele verschillen die in meerdere of mindere mate aan al de individu’s van de zelfde soort gemeen zijn, aangaat,[123]hebben wij alle reden om te gelooven, dat zij verreweg het belangrijkst zijn voor het werk der teeltkeus. Secundaire seksueele kenmerken zijn bij uitstek onderhevig aan afwijking, zoowel bij dieren in den natuurstaat als bij getemde dieren.43Er is ook reden om aan te nemen, gelijk wij in ons achtste hoofdstuk hebben gezien, dat afwijkingen meer geneigdheid hebben om zich bij de mannelijke dan bij de vrouwelijke sekse voor te doen. Al deze omstandigheden zijn in hooge mate gunstig voor de seksueele teeltkeus. Of op die wijze verkregen kenmerken op ééne sekse of op beide seksen worden overgeplant, hangt, gelijk ik in het volgende hoofdstuk hoop aan te toonen, in de meeste gevallen uitsluitend af van den vorm van erfelijkheid, die bij de groepen in kwestie de overhand heeft.Het is somtijdsmoeilijkzich eenige meening te vormen over de vraag, of zekere geringe verschillen tusschen de seksen van vogels eenvoudig het gevolgd zijn van hun vatbaarheid voor afwijking (veranderlijkheid, variabiliteit) met tot ééne der seksen beperkte erfelijkheid, zonder de hulp van de seksueele teeltkeus, dan wel of zij door de werking dezer laatste zijn vermeerderd. Ik beroep mij hier niet op de tallooze voorbeelden, dat het mannetje pronkt met prachtige kleuren en andere versierselen waarin het wijfje slechts in geringe mate deelt; want het is bijna zeker, dat deze gevallen het gevolg daarvan zijn, dat het mannetje oorspronkelijke kenmerken heeft verkregen en die later in meerdere of mindere mate op het wijfje heeft overgeplant. Wat moeten wij echter besluiten ten opzichte van zekere vogels bij welke, bij voorbeeld, de oogen bij de beide seksen eenigermate in kleur verschillen?44In sommige gevallen verschillen de oogen sterk; zoo zijn bij ooievaars van het geslachtXenorhynchusdie van het mannetje zwartachtig bruin, terwijl die van het wijfje guttegom-geel zijn; bij vele Neushorenvogels (Buceros) hebben, gelijk ik van den heer Blyth45hoor, de mannetjes hoog karmozijnroode en de wijfjes witte oogen. Bij denBuceros bicorniszijn de achterrand van den helm en een streep op den kam van den snavel bij het mannetje zwart, doch bij het wijfje niet. Moeten wij nu veronderstellen, dat deze zwarte merken en de karmozijnen[124]kleur van de oogen bij de mannetjes door seksueele teeltkeus zijn bewaard gebleven of vermeerderd? Dit is zeer twijfelachtig; want de heer Bartlett toonde mij in den Londenschen dierentuin, dat de binnenzijde van den bek van dezenBucerosbij het mannetje zwart en bij het wijfje vleeschkleurig is; en dit werkt niet in op hun uiterlijk aanzien of schoonheid. Ik nam in Chili46waar, dat het regenboogvlies (iris) van den Condor, als hij omtrent een jaar oud is, donkerbruin is, maar op volwassen leeftijd bij het mannetje in geelachtig bruin en bij het wijfje in levendig rood verandert. Het mannetje bezit ookeenkleinen, overlangschen, loodkleurigen, vleeschachtigen kam. Bij vele Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae) dient de kam in hooge mate tot versiering en neemt gedurende de vrijage levendige kleuren aan; maar wat moeten wij denken van den dofgekleurden kam van den Condor, die in onze oogen volstrekt geen versiersel is? De zelfde vraag kan worden gedaan ten opzichte van onderscheidene andere kenmerken, zooals de knobbels aan de basis van de Chineesche gans (Anser cygnoides), die bij het mannetje veel grooter dan bij het wijfje zijn. Geen zeker antwoord kan op deze vragen worden gegeven; maar wij behooren voorzichtig te zijn met de verzekering, dat de knobbels en verschillende vleezige aanhangsels niet aantrekkelijk voor het wijfje kunnen zijn, wanneer wij bedenken, dat bij wilde menschenrassen onderscheidene afgrijselijke misvormingen—diepe litteekens met opgezwollen vleezige randen op het gelaat, een met stokken of beenderen doorboord neusschot, wijd opengerekte gaten in de ooren of lippen—allen als versierselen worden bewonderd.Hetzij onbelangrijke verschillen tusschen de seksen, zooals de juist opgenoemde, al dan niet door de seksueele teeltkeus zijn bewaard, zoo moeten toch die verschillen, even zoo goed als alle andere, oorspronkelijk afhankelijk zijn van de wetten der variatie. Volgens het beginsel van correlatieve ontwikkeling varieert het gevederte dikwijls op verschillende deelen van het lichaam, of over het geheele lichaam, op de zelfde wijze. Wij zien hiervan goede voorbeelden bij sommige hoenderrassen. Bij al de rassen zijn de vederen van den hals en de lendenen van het mannetje verlengd en worden sikkelvederen genoemd; wanneer nu beide seksen een vederkuif verkrijgen, hetgeen een nieuw kenmerk in het geslacht (genus) is, worden de vederen van[125]de kuif van het mannetje sikkelvedervormig, klaarblijkelijk volgens het beginsel van correlatie, terwijl die op den kop van het wijfje van den gewonen vorm zijn. Ook de kleur van de sikkelvederen die de kuif van het mannetje vormen, staat dikwijls in verband met die van de sikkelvederen aan den hals en de lendenen, zooals men kan zien door deze vederen te vergelijken bij de goud- en zilvergevlekte Kuifhoenders, het Houdan- en het Crève-coeur-ras. Bij sommige natuurlijke soorten kunnen wij volkomen het zelfde verband zien tusschen de kleuren van deze zelfde vederen, zooals bij de mannetjes van de prachtige Goudlakensche en Amherst-fazanten.Het maaksel van elkeindividueeleveder veroorzaakt, dat over het algemeen elke verandering in haar kleur symmetrisch is; wij zien dit bij de verschillende gestreepte, gevlekte en gepenseelde hoenderrassen, en volgens het beginsel van correlatie worden de vederen over het geheele lichaam dikwijls op de zelfde wijze gewijzigd.Wij zijn daardoor in staat zonder veel moeite rassen aan te fokken, wier gevederte bijna even symmetrisch van teekening en kleur is, als dat van natuurlijke soorten. Bij gestreepte en gevlekte hoenders zijn de gekleurde randen van de vederen scherp begrensd; maar bij een bastaard, door mij opgekweekt uit een zwarten Spaanschen haan, wiens vederen een groenen weêrschijn hadden, en een witte strijdhen, waren al de vederen groenachtig zwart, behalve aan hun uiteinden die geelachtig wit waren; maar tusschen de witte uiteinden en de zwarte gronddeelen was er op elke veder een symmetrische, gekromde, donkerbruine gordel. In sommige gevallen bepaalt de schacht van de veder de verdeeling van de kleuren; zoo was bij de lichaamsvederen van een bastaard van dezen zelfden Spaanschen haan en een zilvergevlekte Kuifhen de schacht en een nauwe ruimte aan elke zijde daarvan groenachtig zwart, en deze werd omgeven door een regelmatigen gordel van donkerbruin, omzoomd met bruinachtig wit. In deze gevallen zien wij vederen een symmetrische schakeering verkrijgen, evenals die welke zooveel bevalligheid verleenen aan het gevederte van vele natuurlijke soorten. Ik heb ook een verscheidenheid (variëteit) van de gewone duif opgemerkt, wier vleugelbalken symmetrisch door drie lichte schakeeringen waren omzoomd, in plaats van eenvoudig zwart op een leiblauwen grond te zijn, zooals bij de stamsoort.Bij vele groote groepen van vogels kan men opmerken, dat het gevederte bij elke soort verschillend is gekleurd, maar dat toch zekere[126]vlekken, teekeningen en strepen, hoewel eveneens verschillendgekleurd, bij al de soorten bewaard zijn gebleven. Soortgelijke gevallen komen bij de duivenrassen voor, die gewoonlijk de beide vleugelbalken behouden, hoewel zij rood, geel, wit, zwart of blauw gekleurd kunnen zijn, terwijl het overige gevederte van de eene of andere geheel verschillende kleur is. Ziehier een merkwaardig geval waarin sommige teekeningen bewaard zijn gebleven, hoewel op bijna volkomen omgekeerde wijze gekleurd als in den natuurstaat; de oorspronkelijke duif heeft een blauwen staart waaraan de buitenste helft van de naar buiten gekeerde baarden van de twee buitenste staartvederen wit zijn gekleurd; en nu is er een onder-ras dat een witten in plaats van een blauwen staart heeft, doch waarvan juist dat kleine gedeelte zwart is, dat bij de stamsoort wit is.47Vormingswijze en veranderlijkheid (variabiliteit) van de Oogvlekken (Ocelli) op het gevederte van Vogels.—Daar geen versierselen schooner zijn dan de oogvlekken (ocelli) op de vederen van onderscheidene Vogels, op het haarkleed van sommige Zoogdieren, op de schubben van Reptielen en Visschen, op de huid van Amphibiën, op de vleugels van vele Schubvleugeligen (Lepidoptera) en andere Insekten, verdienen zij bijzondere opmerking. Een oogvlek (ocellus) bestaat uit een vlek, omsloten door een ring van een andere kleur, gelijk de pupil van het oog door het regenboogvlies (iris); doch de centrale vlek wordt dikwijls ook nog omringd door bijkomende gelijkmiddelpuntige (concentrische) gordels. De oogvlekken op de staartdekvederen van den pauw leveren daarvan een welbekend voorbeeld en eveneens die op de vleugels van den dagpauwoogvlinder (Vanessa). De heer Triton heeft mij de beschrijving van een Zuid-Afrikaanschen nachtvlinder (Gynanisa Isis), met onzen nachtpauwoogvlinder verwant, gegeven, bij welken een prachtige oogvlek bijna de geheele oppervlakte van elken achtervleugel beslaat; zij bestaat uit een zwart middelpunt, een half doorschijnende halvemaanvormige teekening omsluitende, omringd door opeenvolgende okergele, zwarte, okergele, vleeschkleurige, witte, vleeschkleurige, bruine en witachtige gordels. Hoewel wij de trappen niet kennen, langs welke deze verwonderlijk schoone en samengestelde versierselen zich hebben ontwikkeld, is het proces, ten minste bij insekten, waarschijnlijk eenvoudig geweest; want, gelijk de heer Trimen mij schrijft, „is geen kenmerk dat alleen[127]op teekening en kleur betrekking heeft, bij de Schubvleugeligen (Lepidoptera) zoo onstandvastig als de oogvlekken, zoowel in aantal als in grootte.” De heer Wallace die het eerst mijn aandacht op dit onderwerp vestigde, toonde mij een rij voorwerpen van ons gewone bruine zandoogje (Hipparchia Janira), talrijke overgangen van een eenvoudige kleine zwarte vlek tot een bevallig geschakeerde oogvlek vertoonende. Bij een Zuid-Afrikaansche kapel (Cyllo Leda, Linn.), tot de zelfde Familie behoorende, zijn de oogvlekken nog veranderlijker. Bij sommige voorwerpen (A, Fig.49) zijn groote ruimten op het bovenvlak der vleugels zwart gekleurd en omsluiten onregelmatige witte teekeningen; en van dezen staat af kan men een onafgebroken reeks overgangsvormen volgen tot een tamelijk volkomen oogvlek (A1) en dit is het gevolg van de samentrekking der onregelmatige gekleurde vlekken. Bij een andere reeks voorwerpen kan men den overgang volgen van uiterst kleine puntjes, door eennauwelijkszichtbare zwarte lijn omgeven (B), tot volkomen symmetrische en groote oogvlekken (B1).48In gevallen als deze, vereischt de ontwikkeling van een volkomen oogvlek geen lange reeks afwijkingen of langdurige inwerkingen der teeltkeus.
Als de seksen verschillen in schoonheid, in zangvermogen of in het voortbrengen van hetgeen ik instrumentale muziek heb genoemd, is het bijna altijd het mannetje dat het wijfje overtreft. Deze hoedanigheden zijn, zooals wij straks zagen, klaarblijkelijk hoogst belangrijk voor het mannetje. Als zij slechts voor een gedeelte van het jaar worden verkregen, is dit altijd kort voor den paartijd. Alleen het mannetje pronkt zorgvuldig met zijn verschillende bekoorlijkheden en voert dikwijls vreemde vertooningen op den grond of in de lucht in tegenwoordigheid van het wijfje uit. Elk mannetje verjaagt, of doodt, als hij kan, al zijn medeminnaars. Hieruit mogen wij besluiten, dat het doel van het mannetje is om het wijfje er toe te brengen met hem te paren, en om dit doel te bereiken, tracht hij haar op onderscheidene wijzen op te wekken of te bekoren; en dit is de meening van allen die de gewoonten van levende vogels met zorg hebben bestudeerd. Er blijft echter een vraag over, die een hoogst belangrijke beteekenis heeft voor de seksueele teeltkeus, namelijk of elk mannetje van de zelfde soort het wijfje in even hooge mate opwekt en aantrekt, dan wel of zij een keus doet en aan zekere mannetjes de voorkeur geeft. Het laatste kan bevestigend worden beantwoord op grond van vele directe en indirecte bewijzen. Het is veel moeilijker te beslissen, welke hoedanigheden de keus van het wijfje bepalen; maar wij hebben hier wederom eenige[97]directe en indirecte bewijzen, dat het in groote mate de uitwendige aantrekkelijkheden van het mannetje zijn, hoewel ongetwijfeld zijn kracht, moed en andere geestvermogens in het spel komen. Wij zullen met de indirecte bewijzen beginnen.Langdurigheid der Vrijage.—De lange tijd gedurende welken beide seksen van zekere vogels den eenen dag voor en den anderen na op een vaste plaats samenkomen, hangt ongetwijfeld gedeeltelijk daarvan af, dat de vrijage een langdurige zaak is, en gedeeltelijk van de herhaling der paring. Zoo duren in Skandinavië de „balzen” of „leks” van de korhoenders van het midden van Maart af, gedurende de geheele maand April tot in Mei toe. Niet minder dan veertig of vijftig, of zelfs meer vogels komen op de „leks” te zamen; en de zelfde plaats wordt dikwijls gedurende achtereenvolgende jaren bezocht. De „lek” van den grooten auerhaan duurt van het einde van Maart tot het midden of zelfs het einde van Mei. In Noord-Amerika „duren de patrijzendansen” vanTetrao phasianellus„een maand of langer.” Andere soorten van Boschhoenders zoowel in Noord-Amerika als in Siberië1hebben omtrent de zelfde gewoonten. De vogelaars ontdekken de hoogten waar de kemphanen samenkomen, doordat het gras er kaal is geloopen, en dit bewijst, dat de zelfde plaats gedurende langen tijd wordt bezocht. De Indianen van Guiana zijn goed bekend met de schoongemaakte open plaatsen waar zij verwachten de schoone Rotshanen („Cocks of the Rock”) te vinden; en de inboorlingen van Nieuw-Guinea kennen de boomen waar van tien tot twintig mannelijke Paradijsvogels in hun vollen vedertooi te zamen komen. In dit laatste geval is niet uitdrukkelijk vermeld, dat de wijfjes zich op de zelfde boomen verzamelen; doch de jagers zullen waarschijnlijk, als het hun niet bijzonder wordt gevraagd, haar tegenwoordigheid niet vermelden, daar haar vellen geen waarde hebben. Kleine troepjes van een Afrikaanschen wevervogel (Ploceus) komen gedurende den paartijd samen en voeren uren lang hun bevallige bewegingen uit. Groote getallen van de poelsnip (Scolopax major) verzamelen zich gedurende de schemering in een moeras, en de zelfde plaats wordt met het zelfde doel gedurende achtereenvolgende[98]jaren bezocht; men kan ze daarop zien rondloopen, „gelijk even zoovele groote ratten”, hun vederen opzettende, met hun vleugels kleppende en de vreemdste geluiden voortbrengende.2Sommige van de bovenvermelde vogels, namelijk het korhoen, het groote auerhoen, het fazanten-boschhoen, de kemphaan, de poelsnip, en wellicht eenige andere, leven, naar men gelooft, in veelwijverij. Men zou hebben kunnen denken, dat bij dergelijke vogels de sterkere mannetjes eenvoudig de zwakkere weggejaagd, en dan op eens zoovele wijfjes, als mogelijk was, in bezit zouden hebben genomen; indien het echter voor het mannetje noodzakelijk was, om het wijfje op te wekken of haar te behagen, kunnen wij den langen duur der vrijage en het samenkomen van zoovele individu’s van beide seksen op de zelfde plaats begrijpen. Sommige soorten die strikt eenwijvig zijn, „houden bruiloftsbijeenkomsten”; dit schijnt het geval te zijn in Skandinavië met een van de Sneeuwhoenders, wiens „leks” van het midden van Maart tot het midden van Mei duren. In Australië vormt de liervogel (Menura superba) „kleine ronde heuvels”, en deMenura Albertigraaft zich ondiepe holen, of, gelijk zij door de inboorlingen worden genoemd, „corroborying places”(1)uit, waar men gelooft, dat beide seksen bijeenkomen. De bijeenkomsten vanM. superbazijn dikwijls zeer talrijk; en onlangs is een verhaal publiek gemaakt3door een reiziger die in een vallei beneden hem, dicht met struiken begroeid, „een gedruisch” hoorde, „dat hem volkomen in verbazing bracht”: naar beneden klauterende, zag hij tot zijn verwondering omtrent honderdvijftig prachtige liervogels, „in slagorde gerangschikt, met onbeschrijfelijke woede met elkander vechten.” De priëelen van de priëelvogels worden gedurende den paartijd door beide seksen bezocht; „daarin komen de mannetjes samen en strijden met elkander om de gunst van het wijfje, en daarin komen de wijfjes samen en coquetteeren met de mannetjes.” Bij twee der geslachten wordt het zelfdepriëelvele jaren achtereen bezocht.4[99]De weleerw. heer W. Darwin Fox heeft mij medegedeeld, dat de eksters (Corvus pica, Linn.) uit alle deelen van het Delamere-woud bijeen plachten te komen om het groote eksterhuwelijk te vieren. Eenige jaren geleden waren deze vogels buitengewoon talrijk, zoodat een jachtopziener er op éénen morgen negentien doodde en een ander met een enkel schot zeven bij elkander zittende vogels tegelijk doodde. Terwijl zij zoo talrijk waren, hadden zij de gewoonte om zeer vroeg in de lente op bijzondere plaatsen samen te komen, waar men ze in troepen kon zien, snappende, somtijds vechtende, in de boomen heên en weêr dribbelende, en vliegende. De geheele zaak werd door de vogels klaarblijkelijk beschouwd als van het hoogste belang. Kort na de bijeenkomst scheidden zij allen, en de heer Fox en anderen merkten op, dat zij dan voor het jaargetijde waren gepaard. In de eene of andere streek waar een soort niet zeer talrijk is, kunnen natuurlijk geen groote bijeenkomsten worden gehouden, en de zelfde soort heeft wellicht in verschillende landen verschillende gewoonten. Ik heb bij voorbeeld nergens medegedeeld gevonden, dat de korhoenders in Schotland geregelde bijeenkomsten houden, en toch zijn die bijeenkomsten in Duitschland en Skandinavië zoo wel bekend, dat zij bijzondere namen dragen.Ongepaarde Vogels.—Uit de nu medegedeelde feiten mogen wij besluiten, dat bij vogels, tot zeer verschillende groepen behoorende, de vrijage dikwijls een langdurige, teedere en lastige zaak is. Er is zelfs reden om te vermoeden, hoe onwaarschijnlijk dit ook in het eerst moge schijnen, dat sommige mannetjes en wijfjes van de zelfde soort, de zelfde streek bewonende, elkander niet altijd behagen en bijgevolg niet paren. Vele verhalen zijn publiek gemaakt van hetzij het mannetje of het wijfje van een paar, dat was doodgeschoten, en spoedig door een ander werd vervangen. Dit is veelvuldiger waargenomen bij den ekster, dan bij eenigen anderen vogel, wellicht ten gevolge van zijn opzichtig uiterlijk en nest. De vermaarde Jenner verhaalt, dat in Wiltshire één van een paar dagelijks niet minder dan zevenmaal achtereen werd doodgeschoten, „maar alles te vergeefs, want de overblijvende ekster vond weldra een ander gezel”; en het laatste paar kweekte hun jongen op. Over het algemeen wordt den volgenden dag een gezel gevonden; maar de heer Thompson deelt een geval mede, waarin er een reeds op den avond van den zelfden dag werd vervangen. Zelfs nadat de eieren zijn uitgebroeid, zal er, indien een der oude vogels wordt gedood,[100]dikwijls een gezel worden gevonden; dit geschiedde na verloop van twee dagen in een geval, onlangs door een van Sir J. Lubbock’s opzichters waargenomen.5De eerste en meest voor de hand liggende onderstelling is, dat de mannelijke eksters veel talrijker moeten zijn dan de vrouwelijke, en dat in de bovenvermelde gevallen, zoowel als in vele andere die nog zouden kunnen worden medegedeeld, alleen de mannetjes waren gedood. Dit schijnt in sommige gevallen steek te houden; want de jachtopzichters in het Delamere-woud verzekerden den heer Fox, dat de eksters en kraaien die zij vroeger achtereenvolgens in grooten getale nabij hun nesten doodden, allen mannetjes waren, en zij verklaarden dit feit, doordat de mannetjes gemakkelijker werden gedood, terwijl zij aan de op de eieren zittende wijfjes voedsel brachten. Macgillivray geeft echter, op autoriteit van een uitnemend waarnemer, een voorbeeld van drie eksters, achtereenvolgens op het zelfde nest gedood, die allen wijfjes waren; en een ander geval van zes eksters achtereenvolgens gedood, terwijl zij op de zelfde eieren zaten, hetgeen het waarschijnlijk maakt, dat zij allen wijfjes waren, hoewel het mannetje, gelijk ik van den heer Fox hoor, op de eieren zal gaan zitten, als het wijfje is gedood.De jachtopzichter van den heer Lubbock heeft herhaaldelijk, maar hoevele malen kon hij niet zeggen, één van een paar Vlaamsche gaaien (Garrulus glandarius) geschoten, en het miste nooit, of kort daarna vond hij den overlever opnieuw gepaard. De weleerw. heer W. D. Fox, de heer F. Bond en anderen hebben één van een paar kraaien (Corvus corone) geschoten; maar het nest werd weldra opnieuw bewoond. Deze vogels zijn vrij algemeen; maarFalco peregrinusis zeldzaam, en toch getuigt de heer Thompson, dat, wanneer in Ierland „hetzij een oud mannetje of een wijfje in den paartijd wordt gedood (hetgeen geen ongewone omstandigheid is), in zeer weinig dagen een ander gezel wordt gevonden, zoodat de nesten, niettegenstaande dergelijke gebeurlijkheden, zeker zijn hun aandeel jongen te leveren.” De heer Jenner Weir wist, dat het zelfde gebeurde metFalco peregrinuste Beachy Head. De zelfde waarnemer meldt mij, dat drie torenvalken (Falco tinnunculis), allen mannetjes, achtereenvolgens werden gedood, terwijl zij het zelfde nest bezochten; twee daarvan waren in vollen[101]vederdos, en de derde in het gevederte van het vorige jaar. Een geloofwaardig jachtopzichter in Schotland verzekerde den heer Birkbeck, dat zelfs bij den zeldzamen gouden arend (Aquila chrysaëtos), wanneer de eene is gedood, spoedig een andere wordt gevonden. Evenzoo heeft men waargenomen, dat bij den kerkuil (Strix flammea) „de overlever weldra een gezel vond en het ongeluk voorbijging.”White van Selborne, die het geval van den uil mededeelt, voegt er bij, dat hij een man heeft gekend, die, daar hij geloofde, dat de patrijzen, als zij waren gepaard, door het vechten der mannetjes werden verontrust, hen placht dood te schieten; en hoewel hij het zelfde wijfje verscheidene malen weduwe had gemaakt, was zij altijd spoedig van een nieuwen gezel voorzien. Deze zelfde natuuronderzoeker beval de musschen dood te schieten, die de muurzwaluwen van haar nesten beroofden; maar degeen die overbleef, „hetzij het een mannetje of een wijfje was, verkreeg dadelijk een gezel, en dat verscheidene malen achtereen.” Ik zou hier soortgelijke gevallen kunnen bijvoegen, betrekking hebbende op den vink, den nachtegaal en het roodstaartje. Ten opzichte van den laatsten vogel (Phoenicura ruticilla) merkt de schrijver op, dat hij in geenen deele algemeen was in den omtrek, en hij geeft veel verwondering er over te kennen, dat het op de eieren zittende wijfje zoo spoedig met goeden uitslag bekend kon maken, dat zij weduwe was. De heer Jenner Weir heeft mij een bijna gelijksoortig geval medegedeeld: te Blackheath ziet of hoort hij nimmer den zang van den wilden goudvink, en toch kwam gewoonlijk, wanneer een zijner in kooien opgesloten mannetjes was gestorven, een wild mannetje in den loop van weinige dagen en ging bij het weduwe geworden wijfje zitten, wier loktoon verre van luid is. Ik zal slechts één ander feit mededeelen op autoriteit van dezen zelfden waarnemer; van een paar spreeuwen (Sturnus vulgaris) werd er één in den morgen doodgeschoten; ’s middags was een nieuwe gezel gevonden; deze werd wederom doodgeschoten; maar vóór den nacht was het paar volledig, zoodat de troostelooze weduwe of weduwnaar gedurende den zelfden dag driemaal werd vertroost. De heer Engleheart meldt mij ook, dat hij gedurende verscheidene jaren gewoon was één van een paar spreeuwen dood te schieten, die in een gat in een huis te Blackheath hun nest bouwden; maar het verlies werd dadelijk hersteld.Gedurende één jaargetijde hield hij er aanteekening van en vond, dat hij vijf-en-dertig vogels van het zelfde nest had doodgeschoten; deze bestonden zoowel uit mannetjes[102]als uit wijfjes, maar in welke verhouding kan hij niet zeggen; desniettemin werden na al deze vernieling nog jongen opgekweekt.6Deze feiten zijn zeker opmerkelijk. Hoe komt het, dat zoovele vogels in staat zijn om een verloren gezel dadelijk te vervangen? Eksters, Vlaamsche gaaien, kraaien, patrijzen en sommige andere vogels worden gedurende het voorjaar nooit alleen gezien, en deze leveren op het eerste gezicht het moeilijkst te verklaren geval op. Vogels van de zelfde sekse leven echter, hoewel natuurlijk niet wezenlijk gepaard, somtijds bij paren of in kleine troepjes, zooals bekend is, dat met duiven en patrijzen het geval is. Somtijds leven de vogels ook bij drietallen, zooals bij spreeuwen, kraaien, papegaaien en patrijzen is waargenomen. Bij patrijzen zijn voorbeelden bekend zoowel van twee wijfjes die met één mannetje, als van twee mannetjes die met één wijfje leefden. In alle dergelijke gevallen is het waarschijnlijk, dat de vereeniging gemakkelijk zou worden verbroken. Men kan de mannetjes van sommige vogels nu en dan met hun liefdezang zien voortgaan lang na den gewonen tijd, hetgeen aantoont, dat zij een gezellin hebben verloren of nimmer verkregen. De dood van één van een paar, hetzij door ongeval of door ziekte, zou den anderen vogel vrij en alleen overlaten; en er is reden om te gelooven, dat vrouwelijke vogels gedurende den paartijd bijzonder onderhevig zijn aan een vroegtijdigen dood. Evenzoo zouden vogels wier nesten verwoest waren geworden of onvruchtbare paren, of achterlijke individu’s, er gemakkelijk toe komen om hun gezellen te verlaten, en zouden waarschijnlijk blijde zijn, als zij eenig deel konden nemen aan de genoegens en de plichten van de opkweeking van jongen, al waren die hun eigen ook niet.7Dergelijke[103]gebeurlijkheden als deze verklaren waarschijnlijk de meeste der voorgaande gevallen.8Desniettemin is het een vreemd feit, dat er in ééne en de zelfde streek, gedurende het toppunt van den paartijd, altijd zoovele mannetjes en wijfjes gereed zouden staan om het verlies van een gepaarden vogel te vergoeden. Waarom paren dergelijke overgebleven vogels niet onmiddellijk met elkander? Hebben wij niet enige reden om te vermoeden, en dit vermoeden is bij den heer Jenner Weir opgekomen, dat het, daar de vrijage bij vele vogels een langdurige en vervelende zaak schijnt te zijn, nu en dan gebeurt, dat zekere mannetjes en wijfjes er gedurende den eigenlijken paartijd niet in slagen om elkanders liefde op te wekken, en bij gevolg niet paren? Dit vermoeden zal iets minder onwaarschijnlijk voorkomen, nadat wij zullen hebben gezien, welk een sterken tegenzin en voorkeur vrouwelijke vogels nu en dan jegens bijzondere mannetjes toonen.Geestvermogens der Vogels en hun smaak voor het schoone.—Voor wij verder de vraag bespreken, of de wijfjes de meest aantrekkelijke mannetjes uitkiezen, of zich afgeven met den eersten den besten dien zij ontmoeten, zal het raadzaam zijn kortelijks de geestvermogens der vogels te beschouwen. Hun rede wordt gewoonlijk en wellicht terecht, voor weinig ontwikkeld gehouden; maar toch kunnen eenige feiten worden aangevoerd9, die tot een tegenovergesteld besluit leiden. Weinig[104]ontwikkelde redeneerende vermogens zijn echter, gelijk wij bij den mensch zien, vereenigbaar met sterke genegenheid, een scherp waarnemingsvermogen en smaak voor het schoone, en het is met deze laatste hoedanigheden, dat wij hier hebben te maken. Men heeft dikwijls gezegd, dat papegaaien zich zoo sterk aan elkander hechten, dat, wanneer de eene sterft, de andere gedurende langen tijd kwijnt; maar de heer Jenner Weir denkt, dat bij de meeste vogels de sterkte van hun genegenheid voor elkander zeer overdreven is geworden. Desniettemin heeft men, als één van een paar in den natuurstaat werd doodgeschoten, den overlever dagen achtereen een klaagtoon hooren voortbrengen; en de heer St. John10deelt verscheidene feiten mede, waaruit de wederkeerige gehechtheid van gepaarde vogels blijkt. De heer Bennet verhaalt11, dat in China, nadat een woerd van het fraaie madarijnras was gestolen, de eend ontroostbaar bleef, hoewel haar vlijtig het hof werd gemaakt door een anderen madarijn-woerd die al zijn bekoorlijkheden voor haar tentoonspreidde. Na verloop van drie weken kreeg men den gestolen woerd terug, en dadelijk herkende het paar elkander met de uiterste vreugde. Spreeuwen kunnen echter, gelijk wij hebben gezien, op een enkelen dag driemaal over het verlies van hun gezel worden getroost. In den Londenschen Dierentuin hebben papegaaien hun vroegere meesters duidelijk herkend na een tijdsverloop van eenige maanden. Duiven hebben zulk een uitnemend geheugen voor plaatsen, dat men ze na een tijdsverloop van negen maanden naar hun vroegere woningen heeft zien terugkeeren, en toch hoor ik van den heer Harrison Weir, dat, als men een paar dat in den natuurstaat levenslang met elkander zou blijven leven, in den winter gedurende eenige weinige weken van elkander scheidt en met andere vogels doet paren, de beide vogels, als men ze weder bij elkander brengt, zelden, zoo ooit, elkander herkennen.[105]Vogels geven soms blijken van welwillende gevoelens; zij zullen de verlaten jongen zelfs van andere soorten voeden; maar dit moet wellicht als een vergissing van het instinkt worden beschouwd. Zij zullen ook, gelijk in een vroeger gedeelte van dit werk is aangetoond, volwassen vogels van hun eigen soort, die blind zijn geworden, voeden. De heer Buxton geeft een merkwaardig verhaal van een papegaai die zorg droeg voor een door de vorst beschadigden en verminkten vogel van een andere soort, zijn vederen schoon maakte en hem verdedigde tegen de aanvallen van de andere papegaaien die vrij in zijn tuin omzwierven. Het is een nog merkwaardiger feit, dat deze vogels blijkbaar eenig medegevoel toonen voor de genoegens hunner makkers. Toen een paar kakatoe’s een nest in een acaciaboom maakten, „was het koddig om te zien, welk een buitensporig belang de anderen van de zelfde soort in die zaak stelden.” Deze papegaaien gaven ook bewijzen van onbegrensde nieuwsgierigheid en bezaten blijkbaar het „denkbeeld van eigendom en bezit.”12Vogels bezitten scherpe waarnemingsvermogens. Iedere gepaarde vogel herkent natuurlijk zijn gezel. Audubon verhaalt, dat van de spotlijsters der Vereenigde Staten (Mimus polyglottus) een zeker aantal gedurende het geheele jaar in Louisiana blijven, terwijl de anderen naar de oostelijke staten verhuizen; deze laatsten worden bij hun terugkomst dadelijk door hun zuidelijke broeders herkend en altijd aangevallen. Vogels in gevangen staat onderscheiden verschillende personen, gelijk wordt bewezen door den sterken en blijvenden tegenzin of genegenheid die zij, schijnbaar zonder eenige reden, voor zekere individu’s vertoonen.Ik heb daarvan talrijke voorbeelden gehoord bij Vlaamsche gaaien, patrijzen, kanarievogels en vooral goudvinken. De heer Hussey heeft beschreven, op hoe buitengewone wijze een tamme patrijs iedereen herkende, en zijn genegenheid en afkeer waren zeer sterk. De vogel scheen „verzot op levendige kleuren, en men kon geen nieuwe japon aantrekken of nieuwe muts opzetten zonder zijn aandacht op te wekken.”13De heer Hewitt heeft zorgvuldig de gewoonten van eenige eenden (van voor korten tijd getemde vogels afstammende) beschreven die bij de nadering van een wilden hond of kat hals over kop naar het water snelden en zich uitputten in hun pogingen om te ontsnappen;[106]maar des heeren Hewitt’s eigen honden of katten kenden zij zoo goed, dat zij vlak bij hen gingen liggen om zich in de zon te koesteren. Zij vluchtten altijd weg voor een vreemdeling en even zoo ook voor de dame die hen verzorgde, als deze de eene of andere groote verandering in haar kleeding maakte. Audubon verhaalt, dat hij een wilden kalkoen opkweekte en temde, die altijd wegliep voor elken vreemden hond; deze vogel ontsnapte in het woud, en eenige dagen later zag Audubon, gelijk hij dacht, een wilden kalkoen en liet er zijn hond jacht op maken; maar tot zijn verwondering liep de vogel niet weg, en viel de hond, toen hij er bij kwam, den vogel niet aan; want zij herkenden elkander wederkeerig als oude vrienden.14(2)De heer Jenner Weir is overtuigd, dat vogels bijzondere aandacht wijden aan de kleuren van andere vogels, somtijds uit ijverzucht, en somtijds als een teeken van verwantschap. Zoo zette hij een rietgors (Emberiza schoeniclus), die zijn zwarten kop had verkregen, in zijn vogelhuis (volière) en geen der vogels sloeg op den nieuw aangekomene acht, behalve een goudvink, die ook een zwarten kop heeft. Deze goudvink was een zeer rustige vogel en had vroeger nooit met een zijner kameraden, een andere rietgors die nog geen zwarten kop had gekregen, daaronder begrepen, twist gehad; maar de rietgors met een zwarten kop werd zoo ongenadig behandeld, dat hij uit het vogelhuis (volière) moest worden genomen. De heer Weir was ook genoodzaakt er een roodborstje uit te nemen, daar dit alle vogels die eenig rood in hun gevederte hadden, maar geen andere soorten, heftig aanviel; het doodde werkelijk een roodborstigen kruisbek en bijna ook een distelvink. Hij heeft van den anderen kant ook opgemerkt, dat sommige vogels, als zij pas in zijn vogelhuis (volière) werden gebracht, naar de soorten toe vlogen, die in kleur het meest op hen geleken, en zich aan hun zijde neêrzetten.Fig. 48.Fig. 48.Priëelvogel (Chlamydera maculata) met zijnpriëel(naar Brehm).Daar mannelijke vogels met zooveel zorg met hun schoon gevederte en andere versierselen in tegenwoordigheid van de wijfjes pronken, is het blijkbaar waarschijnlijk, dat deze de schoonheid harer minnaars waardeeren. Het is echtermoeilijkom directe bewijzen te verkrijgen van hun vermogen om schoonheid te waardeeren. Wanneer vogels hun eigen beeld in een spiegel aanstaren (waarvan vele voorbeelden[107]zijn opgeteekend), kunnen wij niet met zekerheid zeggen, dat dit niet uit ijverzucht op een onderstelden mededinger is, hoewel dit niet het besluit van sommige waarnemers is. In andere gevallen is het moeilijk te onderscheiden tusschen bloote nieuwsgierigheid en bewondering. Het[108]is wellicht het eerste gevoel dat, gelijk Lord Lilford getuigt15, den kemphaan tot elk helder gekleurd voorwerp trekt, zoodat hij op de Jonische eilanden „op een levendig gekleurden zakdoek zal neêrschieten, zonder op herhaalde schoten te letten.” De gewone leeuwerik wordt uit de lucht naar omlaag gelokt en in grooten getale gevangen, door een kleinen spiegel dien men in beweging brengt, zoodat hij in de zon glinstert. Is het bewondering of nieuwsgierigheid, die er den ekster, de raaf en sommige andere vogels toe brengt, om schitterende voorwerpen, zooals zilveren sieraden of juweelen, te stelen en te verbergen?De heer Gould zegt, dat sommige kolibri’s de buitenzijde hunner nesten „uiterst smaakvol” versieren; „zij hechten daaraan instinktmatig fraaie platte stukken van korstmossen vast, de grootste in het midden en de kleinere op het deel dat aan den tak is vastgehecht. Nu en dan wordt een fraaie veder er aan de buitenzijde ingevlochten of op vastgemaakt terwijl de schacht daarbij steeds zoo wordt geplaatst, dat de vlag aan de buitenzijde uitsteekt.” Het beste bewijs van een smaak voor het schoone wordt echter opgeleverd door de drie reeds vermelde geslachten van Australische priëelvogels. Hun priëelen (Fig.48), waarin de seksen samenkomen en vreemde vertooningen uitvoeren, worden op verschillende wijze gebouwd; maar, wat ons het meest aangaat, is, dat zij door de onderscheidene soorten op verschillende wijze worden versierd. De Priëelvogel verzamelt levendig gekleurde voorwerpen, zooals de blauwe staartvederen van parkieten, gebleekte beenderen en schelpen die hij tusschen de twijgen steekt, of aan den ingang schikt. De heer Gould vond in een priëel een net bewerkte steenen tomahawk en een reepje blauw katoen, blijkbaar uit een legerplaats der inboorlingen weggenomen. Deze voorwerpen worden door de vogels, wanneer zij aan het spel zijn, voortdurend opnieuw geschikt en rond gedragen. Het priëel van den gevlekten priëelvogel „is fraai bekleed met groote grashalmen, zoo gerangschikt, dat de toppen elkander bijna ontmoeten, en de versierselen zijn zeer overvloedig.” Ronde steentjes worden gebruikt om de grashalmen op hun plaats te houden en om uiteenloopende paadjes te maken, die naar het priëel leiden. De steentjes en schelpen worden dikwijls van een grooten afstand aangevoerd. De regentvogel versiert, volgens de beschrijving van den heer Ramsay,[109]zijn kort priëel met gebleekte slakkenhuizen, tot vijf of zes soorten behoorende, en met „bessen van verschillende kleuren, blauw, rood en zwart, die het, wanneer zij versch zijn, een zeer fraai aanzien geven. Behalve deze waren er onderscheidene pas opgepikte bladeren en jonge scheuten van een bleekroode kleur, terwijl het geheel stellig smaak voor het schoone bewees.” Wel mag de heer Gould zeggen: „deze sterk versierde vergaderplaatsen moeten worden beschouwd als de meest wondervolle voorbeelden van de bouwkunst der vogels, die tot dusver zijn ontdekt”; en, gelijk wij zien,verschilt ongetwijfeld de smaak der onderscheidene soorten.16Voorkeur door de Wijfjes jegens bijzondere Mannetjes getoond.—Na deze voorafgaande opmerkingen omtrent het onderscheidingsvermogen en den smaak van vogels, zal ik alle mij bekende feiten mededeelen, die betrekking hebben op de voorkeur,door het wijfje voor bijzondere mannetjes getoond. Het is zeker, dat verschillende soorten van vogels in den natuurstaat nu en dan met elkander paren en bastaarden voortbrengen. Vele voorbeelden zouden daarvan kunnen worden aangehaald: zoo verhaalt Macgillivray hoe een mannelijke merel en een vrouwelijke lijster, „op elkander verliefd werden”, en jongen voortbrachten.17Verscheidene jaren geleden zijn achttien gevallen opgeteekend van het voorkomen in Groot-Brittannië van bastaarden tusschen het korhoen en den fazant18; maar de meeste dezer gevallen kunnen wellicht worden verklaard, doordat enkele vogels geen van hun eigen soort vinden om mede te paren. Bij andere vogels zijn, gelijk de heer Jenner Weir reden heeft te gelooven, bastaarden soms het gevolg van den toevalligen omgang tusschen vogels die in elkanders onmiddellijke nabijheid hun nest bouwen. Deze opmerkingen zijn echter niet toepasselijk op de vele opgeteekende voorbeelden van tamme vogels, tot verschillende soorten behoorende, die volkomen betooverd door elkander waren, hoewel zij in gezelschap van individu’s hunner eigen soort leefden. Zoo verhaalt Waterton19, dat een wijfje, tot een toom[110]van drie-en-twintig Canada-ganzen behoorende, met een eenzaam levende mannelijke rotgans paarde, hoewel deze zoozeer in uiterlijk en grootte van haar verschilde, en dat zij bastaardkroost voortbrachten. Van een mannelijke smient (Mareca penelope), met een wijfje van de zelfde soort levende, is het bekend, dat hij met een pijlstaarteend (Querquedula acuta) paarde. Lloyd beschrijft de opmerkelijke wederkeerige gehechtheid van een mannelijke schildeend (Tadorna vulpanser) en een gewone eend. Nog vele voorbeelden zouden hieraan kunnen worden toegevoegd; en de weleerw. heer E.S. Dixon merkt op, dat „zij die vele verschillende soorten van ganzen tegelijkertijd hebben gehouden, wel weten, welke onverklaarbare genegenheden zij dikwijls voor elkander opvatten, en dat zij even gaarne paren en jongen voortbrengen met individu’s van een ras dat schijnbaar het meest verschillend van hen is, als met hun eigen ras.”De weleerw. heer W. D. Fox meldt mij, dat hij tegelijkertijd een paar Chineesche ganzen (Anser cygnoides) en een gewonen ganzerik met drie ganzen heeft bezeten. De beide soorten leefden elk geheel op zich zelf, tot de Chineesche ganzerik een van de gewone ganzen verleidde om met hem te leven.Daarenboven waren van de jonge vogels, opgekweekt uit de eieren der gewone ganzen, slechts vier zuiver, terwijl de achttien anderen bastaarden bleken te zijn; zoodat de Chineesche ganzerik veel grooter bekoorlijkheden schijnt te hebben bezeten, dan de gewone ganzerik. Ik wil nog slechts één ander geval mededeelen: de heer Hewitt verhaalt, dat een in gevangen staat opgekweekte wilde eend, „na een paar jaren met haar eigen woerd te hebben geleefd, hem op eens verstootte, toen ik een mannelijke pijlstaarteend in het water plaatste. Het was blijkbaar een geval van liefde op het eerste gezicht; want zij zwom naar den nieuw aangekomene heên en overlaadde hem met liefkozingen, hoewel hij blijkbaar verontrust door en afkeerig van haar liefdesbetuigingen scheen. Van dat uur af vergat zij haar ouden minnaar. De winter ging voorbij en in de volgende lente scheen de pijlstaartwoerd te zijn overgehaald door haar liefkozingen; want zij nestelden te zamen en brachten zeven of acht jongen voort.”Wat de bekoring in deze verschillende gevallen mag zijn geweest,[111]behalve eenvoudig de nieuwheid, kunnen wij zelfs niet gissen. De kleur komt echter soms in het spel; want als men bastaarden wil verkrijgen van het sijsje (Fringilla spinus) en den kanarievogel, slaagt men, volgens Bechstein, verreweg het best, als men vogels van de zelfde kleur bij elkander zet. De heer Jenner Weir zette een vrouwelijken kanarievogel in zijn vogelhuis (volière), waarin zich mannelijke kneutjes, distelvinken, sijsjes, groenlingen, vinken en andere vogels bevonden om te zien, welken zij zou kiezen; maar er was nooit eenige twijfel en de groenling behaalde de zegepraal. Zij paarden en brachten bastaardkroost voort.Bij de leden van de zelfde soort trekt het feit, dat hetwijfjeliever met het eene mannetje paart dan met het andere, niet zoo gemakkelijk de aandacht, als wanneer dit tusschen verschillende soorten plaats heeft. Dergelijke gevallen kunnen het best worden waargenomen bij tamme of opgesloten vogels; maar deze zijn dikwijls door overvloedig voedsel weelderig gemaakt en hun instinkten zijn dikwijls uitermate bedorven. Van dit laatste feit zou ik voldoende bewijzen kunnen geven ten opzichte van duiven, en vooral van hoenders, doch zij kunnen hier niet worden medegedeeld. Bedorven instinkten kunnen wellicht ook eenige van de bastaardvereenigingen verklaren, waarop boven is gezinspeeld; maar in vele van deze gevallen waren de vogels in de gelegenheid zich vrijelijk over groote vijvers te verspreiden, en is er geen reden om te veronderstellen, dat zij onnatuurlijk werden geprikkeld door overvloedig voedsel.Ten opzichte van vogels in den natuurstaat is de eerste en meest voor de hand liggende veronderstelling die iedereen zal invallen, dat het wijfje zich in den paartijd aan het eerste mannetje het beste dat zij ontmoet, overgeeft; maar zij is ten minste in de gelegenheid om een keus te doen, daar zij bijna onveranderlijk door vele mannetjes wordt vervolgd. Audubon—en wij moeten bedenken, dat hij een lang leven doorbracht met in de bosschen der Vereenigde Staten rond te zwerven en daar waarnemingen omtrent de vogels te doen—betwijfelt niet, dat het wijfje met overleg haar gezel kiest; zoo zegt hij van een specht sprekende, dat het wijfje door een half dozijn vroolijke vrijers wordt gevolgd, die voortgaan met vreemdsoortige vertooningen uit te voeren, „totdat zij aan een van hen duidelijk de voorkeur geeft.” Het wijfje van den roodvleugeligen spreeuw (Agelaiusphoeniceus) wordt ook door onderscheidene mannetjes vervolgd, „totdat zij, moede wordende, neêrstrijkt,[112]hun liefdebetuigingen ontvangt, en weldra een keus doet.” Hij beschrijft ook hoe onderscheidene mannelijke nachtzwaluwen herhaaldelijk met verbazende snelheid door de lucht duiken, zich daarbij plotseling omkeeren, en op die wijze een vreemdsoortig geluid voortbrengen; „maar zoodra het wijfje een keus heeft gedaan, worden onmiddellijk de andere mannetjes weggejaagd.” Bij een van de gieren (Cathartes aura) van de Vereenigde Staten verzamelen zich troepen van acht of tien of meer mannetjes en wijfjes op omgevallen boomstammen, „de sterkste begeerte om wederkeerig te behagen aan dendagleggende”, en na vele liefkozingen vliegt elk mannetje met zijn gezellin weg. Audubon nam ook de wilde vluchten van Canada-ganzen (Anser Canadensis) zorgvuldig waar, en geeft een levendige beschrijving van hun liefdevertooningen; hij zegt, dat de vogels die te voren gepaard waren geweest, „hun vrijage in de maand Januari hernieuwden, terwijl de anderen alle dagen uren lang met elkander vochten en coquetteerden, totdat allen voldaan schenen met de keus die zij hadden gedaan, waarna, hoewel zij te zamen bleven, iedereen gemakkelijk kon opmerken, dat de paren zorgvuldig in stand werdengehouden. Ik heb ook opgemerkt, dat, hoe ouder de vogels waren, hoe korter het voorspel van hun vrijage duurde. De jongelieden en de oude vrijsters gingen, hetzij uit spijt, of omdat zij ongaarne door het gewoel werden gestoord, rustig zijwaarts en legden zich op eenigen afstand van de overige neder.”20Vele gelijksoortige getuigenissen ten opzichte van andere vogels zouden aan dezen zelfden waarnemer kunnen worden ontleend.Nu tot tamme en opgesloten vogels overgaande, zal ik beginnen met het weinige mede te deelen, dat ik ten opzichte der vrijage van het pluimgedierte te weten ben gekomen. Ik heb over dit onderwerp lange brieven van de heeren Hewitt en Tegetmeier en bijna een geheele verhandeling van wijlen den heer Brent ontvangen. Iedereen zal toegeven, dat deze heeren, zoo algemeen bekend door de werken die zij hebben uitgegeven, zorgvuldige en ondervindingrijke waarnemers zijn. Zij gelooven niet, dat de wijfjes aan zekere mannetjes wegens de schoonheid van hun gevederte de voorkeur geven; maar men moet den kunstmatigen toestand waarin zij lang hebben verkeerd, eenigszins in rekening brengen. De heer Tegetmeier is overtuigd, dat een strijdhaan, hoewel misvormd, daar hij door het afsnijden zijner vleeschlappen tot ridder is[113]geslagen („dubbed”), even gaarne zal worden aangenomen als een haan die al zijn natuurlijke versierselen nog bezit. De heer Brent echter veronderstelt, dat de schoonheid van het mannetje er toe bijdraagt om het wijfje te bekoren; en haar toestemming is noodzakelijk. De heer Hewitt is overtuigd, dat de vereeniging in geenen deele aan het bloote toeval wordt overgelaten; want het wijfje geeft bijna onveranderlijk de voorkeur aan het krachtigste, strijdlustigste en vurigste mannetje; het is daarom bijna nutteloos, gelijk hij opmerkt, „om te beproeven kuikens van een of ander zuiver ras te verkrijgen, als een strijdhaan in goede gezondheid en toestand op de plaats rondloopt; want bijna elke hen zal, als zij het rek verlaat, tot den strijdhaan haar toevlucht nemen, zelfs al doet deze volstrekt geen moeite om den haan van haar eigen ras weg te jagen.” Onder gewone omstandigheden schijnen de hennen en hanen tot een wederkeerige verstandhouding te komen door middel van zekere gebaren van welke de heer Brent mij een beschrijving heeft gegeven. De hennen zullen echter dikwijls de gedienstige oplettendheden van de jonge hanen versmaden. Oude hennen en hennen van een strijdlustigen aard hebben, gelijk de zelfde schrijver mij meldt, een afkeer van vreemde hanen, en zullen zich niet aan hen overgeven, voordat zij in het gevecht het onderspit hebben moeten delven. Ferguson beschrijft echter, hoe een twistzieke hen zwichtte voor de teedere liefkoozingen van een Shanghaihaan.21Er is reden om aan te nemen, dat duiven van beiderlei sekse bij voorkeur met vogels van het zelfde ras paren; en duivenkot-duiven hebben een afkeer van alle door kunstmatige teeltkeus sterk gewijzigde rassen.22De heer Harrison Weir hoorde eenigen tijd geleden van een geloofwaardig waarnemer die blauwe duiven houdt, dat deze alle anders gekleurde verscheidenheden, zooals witte, roode en gele, wegjagen; en van een anderen waarnemer, dat men er ondanks herhaalde proefnemingen niet in kon slagen een donkerbruine postduif met een zwarten doffer te doen paren, maar dat zij zulks dadelijk deed met een donkerbruinen doffer.Ook de heer Tegetmeier had een vrouwelijk blauw meeuwtje („turbit”), dat hardnekkig weigerde te paren met twee mannetjes van het zelfde duivenras, die achtereenvolgens weken lang met haar werden[114]opgesloten; maar, naar buiten gelaten, paarde zij onmiddellijk met de eerste de beste blauwe Engelsche Pagadet-duif („dragon”). Daar zij een kostbare vogel was, werd zij toen vele weken lang opgesloten met een zilverkleurig (d.i. zeer bleek blauw) mannetje, en paarde daarmede ten laatste. Over het algemeen schijnt de kleur echter op het paren van duiven weinig invloed te hebben. De heer Tegetmeier heeft op mijn verzoek eenige zijner vogels met magenta(3)gevlekt, maar de andere sloegen daar weinig acht op.Nu en dan gevoelen de vrouwelijke duiven een sterken tegenzin tegen bepaalde doffers, zonder dat zich daarvoor eenige oorzaak laat aanwijzen. Zoo getuigen de heeren Boitard en Corbié, wier ondervinding zich over een tijdperk van vijf-en-veertig jaren uitstrekte: „Quand une femelle éprouve de l’antipathie pour un mâle avec lequel on veut l’accoupler, malgré tous les feux de l’amour, malgré l’alpiste et le chenevis dont on la nourrit pour augmenter son ardeur, malgré un emprisonnement de six mois et même d’un an, elle refuse constamment ses caresses; les avances empressées, les agaceries, les tournoiements, les tendres roucoulements, rien ne peut lui plaire ni l’émouvoir; gonflée, boudeuse, blottie dans un coin de sa prison, elle n’en sort que pour boire et manger, ou pour repousser avec une espèce de rage des caresses devenues trop pressantes.”23Van den anderen kant heeft de heer Harrison Weir zelf waargenomen en van onderscheidene duivenfokkers gehoord, dat een vrouwelijke duif soms plotseling een sterken smaak voor een bijzonderen doffer aan den dag legt en haar eigen doffer voor hem verlaat. Sommige wijfjes zijn, volgens een ander ondervindingrijk waarnemer, Riedel24, van een losbandig karakter, en geven aan bijna elken vreemdeling de voorkeur boven haar eigen doffer. Sommige verliefde doffers die door onze Engelsche liefhebbers „gay birds” worden genoemd, zijn zoo voorspoedig in hun liefdesavonturen, dat zij, gelijk de heer H. Weir mij meldt, afzonderlijk moeten worden opgesloten, uithoofde van het nadeel dat zij veroorzaken.Volgens Audubon maken in de Vereenigde Staten wilde kalkoensche hanen „somtijds het hof aan de tamme kalkoensche hennen, en worden[115]door deze over het algemeen met groot genoegen aangenomen.” Zoodat deze hennen blijkbaar aan de wilde hanen de voorkeur geven boven haar eigen hanen.25Zie hier een nog merkwaardiger geval. Sir R. Heron teekende gedurende vele jaren de gewoonten van de pauwen op, die hij in grooten getale aanfokte. Hij betuigt, dat „de pauwinnen dikwijls een sterke voorliefde voor een bijzonderen pauw aan den dag leggen. Zij waren allen zoo verzot op een ouden gevlekten pauw, dat zij één jaar, toen hij afzonderlijk opgesloten, hoewel nog in het gezicht was, voortdurend waren vergaderd dicht bij de getraliede wanden van zijn gevangenis en een zwartvleugel-pauw niet wilden toelaten haar aan te raken. Toen hij in den herfst werd losgelaten, maakte de oudste der pauwinnen hem dadelijk het hof, en was voorspoedig in haar vrijage. Het volgende jaar werd hij in een stal opgesloten, en toen maakten al de pauwinnen het hof aan zijn medeminnaar.”26Deze medeminnaar was een verlakte of zwartvleugelige pauw, die in onze oogen een fraaier vogel is dan de gewone soort.Lichtenstein die een goed waarnemer was en aan de Kaap de Goede Hoop uitnemend in de gelegenheid was om waarnemingen te doen, verzekerde Rudolphi, dat de vrouwelijke weduwvogel (Chera progne) het mannetje verloochent, wanneer hij van de lange staartvederen is beroofd, waarmede hij gedurende den paartijd is versierd. Ik vermoed, dat deze waarneming moet zijn gedaan op vogels in gevangen staat.27Ziehier nog een ander treffend geval. Dr. Jaeger28, directeur van den dierentuin te Weenen, verhaalt, dat een mannelijke zilverlakensche fazant die de overwinning over de andere mannetjes had behaald en de erkende minnaar van de wijfjes was, van zijn tot sieraad strekkend gevederte werd beroofd. Hij werd daarop dadelijk door een medeminnaar vervangen, die de overhand verkreeg en daarna den troep aanvoerde.Het is een opmerkelijk feit, omdat het bewijst, hoe belangrijk de kleur is bij de vrijage der vogels, dat de heer Boardman, gedurende[116]vele jaren een welbekend liefhebber en waarnemer van vogels in de Noordelijke Vereenigde Staten, gedurende den langen tijd, dat hij waarnemingen deed, nooit een albino met een anderen vogel heeft zien paren; toch had hij menigmaal gelegenheid vele albino’s, tot verschillende soorten behoorende, waar te nemen.29Men kan moeilijk volhouden, dat albino’s niet in staat zijn zich in den natuurstaat voort te planten, daar zij zulks in gevangen staat met het grootste gemak kunnen. Het schijnt dus, dat wij het feit, dat zij niet paren, daaraan moeten toeschrijven, dat zij door hun normaal gekleurde kameraden worden afgewezen.Niet alleen oefent het wijfje een keus uit, maar in sommige gevallen maakt zij het mannetje het hof, of vecht soms om zijn bezit. Sir R. Heron verhaalt, dat bij pauwen de eerste stappen altijd door het wijfje worden gedaan; iets van den zelfden aard heeft volgens Audubon met de oude wijfjes van den wilden kalkoen plaats. Bij den grooten auerhaan fladderen de wijfjes om het mannetje heên, terwijl hij op een der vergaderplaatsen bezig is met pronken, en zoeken zijn aandacht te trekken.30Wij hebben gezien, dat een getemde wilde eend een onwilligen pijlstaartwoerd verleidde, na hem lang het hof te hebben gemaakt. De heer Bartlett gelooft, dat de Lophophorus, evenals vele andere Hoenderachtige Vogels, van nature veelwijvig is; doch twee wijfjes kunnen niet met één mannetje in de zelfde kooi worden geplaatst, omdat zij zooveel met elkander vechten. Het volgende voorbeeld van medeminnarij wekt meer verwondering, daar het betrekking heeft op goudvinken die gewoonlijk voor hun geheele leven paren. De heer Jenner Weir bracht een dof gekleurd en leelijk wijfje in zijn volière, en zij viel dadelijk een ander gepaard wijfje zoo onbarmhartig aan, dat deze laatste moest worden weggenomen. Het nieuwe wijfje gaf zich nu alle moeite om de liefde van het mannetje te verwerven, en slaagde daarin ten laatste, want zij paarde met hem; maar na eenigen tijd ontving zij haar rechtvaardige straf, want toen zij ophield strijdlustig te zijn, plaatste de heer Weir het oude wijfje weder in de volière, en het mannetje verliet toen zijn nieuw liefje en keerde tot zijn oude terug.[117]In alle gewone gevallen is het mannetje zoo vurig, dat hij elk wijfje zal aannemen, en niet, voorzoover wij kunnen oordeelen, aan het eene boven het andere de voorkeur geeft; maar uitzonderingen op dezen regel schijnen, zooals wij later zullen zien, in eenige weinige groepen voor te komen. Bij tamme vogels heb ik slechts van één geval gehoord, waarin de mannetjes eenige voorliefde vertoonen voor bijzondere wijfjes, namelijk, dat van den huishaan die, volgens de hooge autoriteit van den heer Hewitt, aan de jonge hennen de voorkeur boven de oude geeft. Daarentegen is de heer Hewitt overtuigd, dat, wanneer men bastaardvereenigingen tot stand brengt tusschen den mannelijken fazant en gewone hennen, de fazant onveranderlijk aan de oudere vogels de voorkeur geeft. Haar kleur schijnt in het minst geen invloed op hem te hebben, maar hij is „hoogst grillig in zijn genegenheid.”31Wegens de eene of andere onverklaarbare oorzaak toont hij den meest volstrekten afkeer van sommige hennen, welken geen zorg van den kant van den fokker kan te boven komen. Sommige hennen zijn, gelijk de heer Hewitt mij meldt, volstrekt onaantrekkelijk, zelfs voor de mannetjes van haar eigen soort, zoodat zij met verscheidene hanen gedurende een geheel jaargetijde kunnen worden gehouden, en niet één ei van veertig of vijftig zal blijken te zijn bevrucht. Bij de ijseend (Harelda glacialis) „heeft men daarentegen opgemerkt”, zegt de heer Eckström, „dat aan sommige wijfjes veel meer het hof werd gemaakt dan aan de overige. Men ziet toch dikwijls een individu door zes of acht verliefde mannetjes omringd.” Of deze getuigenis geloofbaar is, weet ik niet, maar de inlandsche jagers schoten deze wijfjes om ze op te zetten en dan als lokvogels te gebruiken.32Ten opzichte van vrouwelijke vogels die een voorliefde voor bijzondere mannetjes vertoonen, moeten wij bedenken, dat wij alleen kunnen beoordeelen, of er een keus wordt uitgeoefend, als wij ons in onze verbeelding in de zelfde positie verplaatsen. Als een bewoner van een andere planeet in de gelegenheid was om een aantal boerenknapen op een kermis te zien, bezig met een meisje het hof te maken en over haar te twisten, gelijk vogels op een hunner vergaderplaatsen, zou hij alleen in staat zijn af te leiden, dat zij het vermogen bezat om een keus te doen, door de moeite die de vrijers deden om haar te behagen en met hun opschik te pronken. Nu staat het bewijs bij vogels, als[118]volgt: zij hebben scherpe waarnemingsvermogens, en schijnen eenigen smaak te hebben voor het schoone, zoowel wat kleur als wat geluid aangaat. Het is zeker, dat de wijfjes nu en dan, wegens onbekende oorzaken, den sterksten afkeer en voorliefde voor bepaalde mannetjes aan den dag leggen. Als de seksen in kleur of in andere versiersels verschillen, zijn de mannetjes op zeldzame uitzonderingen na het sterkst versierd, hetzij voortdurend, hetzij tijdelijk gedurende den paartijd. Zij geven zich alle moeite om hun onderscheidene versierselen ten toon te spreiden, oefenen hun stemmen en voeren vreemdsoortige vertooningen uit in tegenwoordigheid van de wijfjes. Zelfs goed gewapende mannetjes die men zou hebben kunnen denken, dat, wat hun voorspoed in de liefde aanging, alleen van het gevecht afhankelijk waren, zijn in de meeste gevallen sterk versierd; en hun versierselen zijn verkregen ten koste van eenig verlies in strijdkracht. In andere gevallen zijn versierselen verkregen ten koste van vermeerderd gevaar voor roofvogels en verscheurende dieren. Bij onderscheidene soorten komen individu’s van beide seksen op de zelfde plaats samen, en hun vrijage is een langdurige zaak. Er is zelfs reden om te vermoeden, dat de mannetjes en wijfjes in de zelfde streek er niet altijd in slagen om elkander te behagen en te paren.Wat moeten wij dus uit deze feiten en overwegingen besluiten? Spreidt het mannetje zijn bekoorlijkheden met zooveel praal en wedijver ten toon zonder eenig doel? Zijn wij niet gerechtigd om te gelooven, dat het wijfje een keus doet, en dat zij de liefdesbetuigingen aanneemt van het mannetje dat haar het meest behaagt? Het is niet waarschijnlijk, dat zij met bewustheid overlegt; maar zij wordt het meest opgewekt of aangetrokken door de fraaiste, welluidendste of dapperste mannetjes. Ook behoeft niet te worden verondersteld, dat het wijfje elke gekleurde streep of vlek bestudeert, dat de pauwin, bij voorbeeld, elke bijzonderheid in den prachtigen staart van den pauw bewondert,—zij wordt waarschijnlijk slechts getroffen door het algemeen effect. Na echter te hebben gehoord met hoeveel zorg de mannelijke Argus-fazant zijn sierlijke primaire vleugel-slagpennen tentoonspreidt en zijn van oogvlekken voorziene siervederen juist opricht in de stelling waarin zij het meeste effect maken; of ook, hoe de mannelijke distelvink beurtelings zijn met gouden vlekken pronkende vleugels tentoonspreidt, mogen wij ons niet al te zeer overtuigd houden, dat het wijfje niet op elke bijzonderheid van de schoonheid let. Wij kunnen, gelijk reeds[119]is opgemerkt, alleen beoordeelen, of er een keus wordt gedaan, uit de analogie van onzen eigen geest; en als men de rede uitsluit(4), bestaat er geen fundamenteel verschil tusschen de geestvermogens der vogels en de onze. Uit deze verschillende overwegingen mogen wij afleiden, dat de paring der vogels niet aan het toeval is overgelaten; maar dat die mannetjes welke door hun verschillende bekoorlijkheden het best in staat zijn om het wijfje te behagen of haar op te wekken, onder gewone omstandigheden worden aangenomen. Indien men dit aanneemt, is het niet zeermoeilijkom te begrijpen, hoe de mannelijke vogels trapsgewijze hun tot sieraad dienende kenmerken hebben verkregen. Alle dieren vertoonen individueele verschillen, en evenals de mensch zijn tamme vogels kan wijzigen door voor de voortteling die individu’s uit te kiezen, welke hem het fraaist schijnen, zal ook de gewone of zelfs toevallige voorliefde van het wijfje voor de meer aantrekkelijke mannetjes bijna zeker hun wijziging hebben geleid; en dergelijke wijzigingen zullen in den loop van den tijd kunnen zijn geklommen tot bijna elke hoogte die vereenigbaar was met het bestaan van de soort.Veranderlijkheid (variabiliteit) der Vogels, en in het bijzonder van hun secundaire Seksueele Kenmerken.—Veranderlijkheid (vatbaarheid voor afwijking, variabiliteit) en erfelijkheid zijn de grondslagen voor het werk der teeltkeus.Dat tamme vogels veel afwijkingen hebben vertoond en hun afwijkingen zijn overgeërfd, is zeker.Dat vogels in den natuurstaat individueele verschillen vertoonen, wordt door iedereen aangenomen en dat zij somtijds tot onderscheidene rassen zijn gewijzigd, gemeenlijk aangenomen.33Er zijn tweeërlei soort van afwijkingen, namelijk die welke wij in onze onwetendheid voor een zelf ontstaan houden en die welke in direct verband staan tot de omringende levensvoorwaarden, zoodat alle of bijna alle individu’s van de zelfde soort op overeenkomstige wijze zijn gewijzigd.Gevallen van de laatste soort zijn voor eenige jaren waargenomen[120]door den heer J. A. Allen34, die aantoont, dat in de Vereenigde Staten vele soorten van vogels allengs sterker worden gekleurd, naarmate men meer zuidwaarts komt, en lichter gekleurd, naarmate men westwaarts de dorre vlakten van het binnenland nadert. Beide seksen schijnen over het algemeen op de zelfde wijze te worden aangedaan, maar soms de eene sekse meer dan de andere. Dit resultaat is niet onvereenigbaar met het geloof, dat de kleuren van vogels voornamelijk het gevolg zijn van de opeenhooping van achtereenvolgende afwijkingen door seksueele teeltkeus; want zelfs nadat de seksen zeer verschillend zijn geworden, zou het klimaat een gelijke werking op de beide seksen kunnen uitoefenen, of een grooter werking op de eene sekse dan op de andere, ten gevolge van eenig verschil in gestel.Individueele verschillen tusschen de leden van de zelfde soort geeft men algemeen toe, dat in den natuurstaat voorkomen. Plotselinge en sterk uitgesproken afwijkingen zijn zeldzaam, en het is zeer twijfelachtig, of zij dikwijls door teeltkeus zijn bewaard gebleven en dan op volgende geslachten zijn overgeplant.35Desniettemin kan het wellicht de moeite waard zijn, de weinige gevallen die ik in staat was te verzamelen,[121]en die voornamelijk op de kleur betrekking hebben (eenvoudig albinisme en melanisme uitgesloten zijnde(5)), hier mede te deelen.De heer Gould neemt, gelijk algemeen bekend is, slechts zelden het bestaan van verscheidenheden (variëteiten) aan; want hij houdt zeer kleine verschillen voor soortskenmerken; nu verhaalt hij36, dat in den omtrek van Bogota zekere kolibri’s, tot het geslachtCynanthusbehoorende, in twee of drie rassen of verscheidenheden zijn verdeeld, die van elkander verschillen door de kleur van den staart,—„daar bij sommige al de staartvederen blauw zijn, terwijl bij andere de punten van de acht middelste fraai groen zijn.” Het schijnt, dat er in dit en in de volgende gevallen geen tusschenbeide liggende overgangsvormen zijn waargenomen. Alleen bij de mannetjes van een der Australische parkieten zijn „de dijen bij sommige scharlakenrood, bij andere grasgroen.” Bij een anderen parkiet uit het zelfde land, „is de dwars over de vleugeldekvederen loopende band bij sommige individu’s levendig geel, terwijl hij bij andere rood gekleurd is.”37In de Vereenigde Staten hebben eenige weinige mannetjes van den scharlakenrooden Tanager (Tanagra rubra) „een fraaien dwarsband van gloeiend rood over de kleinere vleugeldekvederen”38; maar deze afwijking schijnt eenigszins zeldzaam te zijn, zoodat het bewaard blijven er van door seksueele teeltkeus alleen onder ongewoon gunstige omstandigheden zou volgen. In Bengalen heeft de gekuifde wespendief (Pernis cristata) hetzij een kleine, of in het geheel geen kuif op zijn kop; zulk een gering verschil zou echter niet waard zijn geweest om te worden opgeteekend, zoo niet deze zelfde soort in zuidelijk Indië „op het achterste gedeelte van den kop een goed uitgedrukte, uit verscheidene trapsgewijze langer wordende vederen bestaande kuif”39, had bezeten.Het volgende geval is in sommige opzichten nog belangwekkender. Een gevlekte verscheidenheid (variëteit) van de raaf, waarvan de kop, borst en onderbuik, en gedeeltelijk ook de vleugels en staartvederen wit zijn, is tot deFaröerbeperkt. Zij is daar niet zeer zeldzaam; want[122]Graba zag gedurende zijn bezoek van acht tot tien levende voorwerpen. Hoewel de kenmerken van deze verscheidenheid niet volkomen standvastig (constant) zijn, is er toch door onderscheidene uitstekende vogelkenners (ornithologen) een afzonderlijke soortnaam aan gegeven. Het feit, dat de gevlekte vogels met veel gedruisch werden nagezeten en vervolgd door de andere raven van het eiland, was de hoofdoorzaak, die er Brünnich toe bracht om te besluiten, dat zij soortelijk verschillend waren; maar men weet nu, dat dit een dwaling was.40In onderscheidene deelen van de noordelijke zeeën wordt een merkwaardige verscheidenheid (variëteit) van den gewonen zeekoet (Uria troile) gevonden, en op deFaröerbehoort, volgens de schatting van Graba, één van elke vijf vogels tot deze verscheidenheid. Zij wordt gekenmerkt door een zuiver witten ring rondom het oog, met een kromme smalle witte streep,3,75centimeter lang, die van uit den ring naar achteren voortloopt. Dit in het oog loopende kenmerk veroorzaakt, dat deze vogel door onderscheidene vogelkenners (ornithologen) als een afzonderlijke soort is gerangschikt onder den naam vanU. lacrymans; maar men weet nu, dat het een bloote verscheidenheid is. Zij paart dikwijls met de gewone soort, en toch zijn er nimmer tusschenbeide liggende overgangsvormen gezien; en dit is ook niet te verwonderen, want afwijkingen die plotseling verschijnen, worden dikwijls, gelijk ik elders41heb aangetoond, hetzij onveranderd, hetzij in het geheel niet overgeplant. Wij zien dus, dat twee verschillende vormen van de zelfde soort in de zelfde streek naast elkander kunnen bestaan, en wij kunnen niet betwijfelen, dat, wanneer de eene eenig groot voordeel boven den anderen had bezeten, hij zich spoedig zou hebben vermeerderd ten koste en met uitsluiting van den andere. Indien, bij voorbeeld, de mannelijke gevlekte raven, in plaats van door hun kameraden te worden vervolgd en verjaagd, in hooge mate aantrekkelijk waren geweest, evenals de bovenvermelde gevlekte pauw, voor de gewone zwarte wijfjes, zou hun aantal spoedig zijn toegenomen.En dit zou een geval van seksueele teeltkeus zijn geweest.42Wat de kleine individueele verschillen die in meerdere of mindere mate aan al de individu’s van de zelfde soort gemeen zijn, aangaat,[123]hebben wij alle reden om te gelooven, dat zij verreweg het belangrijkst zijn voor het werk der teeltkeus. Secundaire seksueele kenmerken zijn bij uitstek onderhevig aan afwijking, zoowel bij dieren in den natuurstaat als bij getemde dieren.43Er is ook reden om aan te nemen, gelijk wij in ons achtste hoofdstuk hebben gezien, dat afwijkingen meer geneigdheid hebben om zich bij de mannelijke dan bij de vrouwelijke sekse voor te doen. Al deze omstandigheden zijn in hooge mate gunstig voor de seksueele teeltkeus. Of op die wijze verkregen kenmerken op ééne sekse of op beide seksen worden overgeplant, hangt, gelijk ik in het volgende hoofdstuk hoop aan te toonen, in de meeste gevallen uitsluitend af van den vorm van erfelijkheid, die bij de groepen in kwestie de overhand heeft.Het is somtijdsmoeilijkzich eenige meening te vormen over de vraag, of zekere geringe verschillen tusschen de seksen van vogels eenvoudig het gevolgd zijn van hun vatbaarheid voor afwijking (veranderlijkheid, variabiliteit) met tot ééne der seksen beperkte erfelijkheid, zonder de hulp van de seksueele teeltkeus, dan wel of zij door de werking dezer laatste zijn vermeerderd. Ik beroep mij hier niet op de tallooze voorbeelden, dat het mannetje pronkt met prachtige kleuren en andere versierselen waarin het wijfje slechts in geringe mate deelt; want het is bijna zeker, dat deze gevallen het gevolg daarvan zijn, dat het mannetje oorspronkelijke kenmerken heeft verkregen en die later in meerdere of mindere mate op het wijfje heeft overgeplant. Wat moeten wij echter besluiten ten opzichte van zekere vogels bij welke, bij voorbeeld, de oogen bij de beide seksen eenigermate in kleur verschillen?44In sommige gevallen verschillen de oogen sterk; zoo zijn bij ooievaars van het geslachtXenorhynchusdie van het mannetje zwartachtig bruin, terwijl die van het wijfje guttegom-geel zijn; bij vele Neushorenvogels (Buceros) hebben, gelijk ik van den heer Blyth45hoor, de mannetjes hoog karmozijnroode en de wijfjes witte oogen. Bij denBuceros bicorniszijn de achterrand van den helm en een streep op den kam van den snavel bij het mannetje zwart, doch bij het wijfje niet. Moeten wij nu veronderstellen, dat deze zwarte merken en de karmozijnen[124]kleur van de oogen bij de mannetjes door seksueele teeltkeus zijn bewaard gebleven of vermeerderd? Dit is zeer twijfelachtig; want de heer Bartlett toonde mij in den Londenschen dierentuin, dat de binnenzijde van den bek van dezenBucerosbij het mannetje zwart en bij het wijfje vleeschkleurig is; en dit werkt niet in op hun uiterlijk aanzien of schoonheid. Ik nam in Chili46waar, dat het regenboogvlies (iris) van den Condor, als hij omtrent een jaar oud is, donkerbruin is, maar op volwassen leeftijd bij het mannetje in geelachtig bruin en bij het wijfje in levendig rood verandert. Het mannetje bezit ookeenkleinen, overlangschen, loodkleurigen, vleeschachtigen kam. Bij vele Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae) dient de kam in hooge mate tot versiering en neemt gedurende de vrijage levendige kleuren aan; maar wat moeten wij denken van den dofgekleurden kam van den Condor, die in onze oogen volstrekt geen versiersel is? De zelfde vraag kan worden gedaan ten opzichte van onderscheidene andere kenmerken, zooals de knobbels aan de basis van de Chineesche gans (Anser cygnoides), die bij het mannetje veel grooter dan bij het wijfje zijn. Geen zeker antwoord kan op deze vragen worden gegeven; maar wij behooren voorzichtig te zijn met de verzekering, dat de knobbels en verschillende vleezige aanhangsels niet aantrekkelijk voor het wijfje kunnen zijn, wanneer wij bedenken, dat bij wilde menschenrassen onderscheidene afgrijselijke misvormingen—diepe litteekens met opgezwollen vleezige randen op het gelaat, een met stokken of beenderen doorboord neusschot, wijd opengerekte gaten in de ooren of lippen—allen als versierselen worden bewonderd.Hetzij onbelangrijke verschillen tusschen de seksen, zooals de juist opgenoemde, al dan niet door de seksueele teeltkeus zijn bewaard, zoo moeten toch die verschillen, even zoo goed als alle andere, oorspronkelijk afhankelijk zijn van de wetten der variatie. Volgens het beginsel van correlatieve ontwikkeling varieert het gevederte dikwijls op verschillende deelen van het lichaam, of over het geheele lichaam, op de zelfde wijze. Wij zien hiervan goede voorbeelden bij sommige hoenderrassen. Bij al de rassen zijn de vederen van den hals en de lendenen van het mannetje verlengd en worden sikkelvederen genoemd; wanneer nu beide seksen een vederkuif verkrijgen, hetgeen een nieuw kenmerk in het geslacht (genus) is, worden de vederen van[125]de kuif van het mannetje sikkelvedervormig, klaarblijkelijk volgens het beginsel van correlatie, terwijl die op den kop van het wijfje van den gewonen vorm zijn. Ook de kleur van de sikkelvederen die de kuif van het mannetje vormen, staat dikwijls in verband met die van de sikkelvederen aan den hals en de lendenen, zooals men kan zien door deze vederen te vergelijken bij de goud- en zilvergevlekte Kuifhoenders, het Houdan- en het Crève-coeur-ras. Bij sommige natuurlijke soorten kunnen wij volkomen het zelfde verband zien tusschen de kleuren van deze zelfde vederen, zooals bij de mannetjes van de prachtige Goudlakensche en Amherst-fazanten.Het maaksel van elkeindividueeleveder veroorzaakt, dat over het algemeen elke verandering in haar kleur symmetrisch is; wij zien dit bij de verschillende gestreepte, gevlekte en gepenseelde hoenderrassen, en volgens het beginsel van correlatie worden de vederen over het geheele lichaam dikwijls op de zelfde wijze gewijzigd.Wij zijn daardoor in staat zonder veel moeite rassen aan te fokken, wier gevederte bijna even symmetrisch van teekening en kleur is, als dat van natuurlijke soorten. Bij gestreepte en gevlekte hoenders zijn de gekleurde randen van de vederen scherp begrensd; maar bij een bastaard, door mij opgekweekt uit een zwarten Spaanschen haan, wiens vederen een groenen weêrschijn hadden, en een witte strijdhen, waren al de vederen groenachtig zwart, behalve aan hun uiteinden die geelachtig wit waren; maar tusschen de witte uiteinden en de zwarte gronddeelen was er op elke veder een symmetrische, gekromde, donkerbruine gordel. In sommige gevallen bepaalt de schacht van de veder de verdeeling van de kleuren; zoo was bij de lichaamsvederen van een bastaard van dezen zelfden Spaanschen haan en een zilvergevlekte Kuifhen de schacht en een nauwe ruimte aan elke zijde daarvan groenachtig zwart, en deze werd omgeven door een regelmatigen gordel van donkerbruin, omzoomd met bruinachtig wit. In deze gevallen zien wij vederen een symmetrische schakeering verkrijgen, evenals die welke zooveel bevalligheid verleenen aan het gevederte van vele natuurlijke soorten. Ik heb ook een verscheidenheid (variëteit) van de gewone duif opgemerkt, wier vleugelbalken symmetrisch door drie lichte schakeeringen waren omzoomd, in plaats van eenvoudig zwart op een leiblauwen grond te zijn, zooals bij de stamsoort.Bij vele groote groepen van vogels kan men opmerken, dat het gevederte bij elke soort verschillend is gekleurd, maar dat toch zekere[126]vlekken, teekeningen en strepen, hoewel eveneens verschillendgekleurd, bij al de soorten bewaard zijn gebleven. Soortgelijke gevallen komen bij de duivenrassen voor, die gewoonlijk de beide vleugelbalken behouden, hoewel zij rood, geel, wit, zwart of blauw gekleurd kunnen zijn, terwijl het overige gevederte van de eene of andere geheel verschillende kleur is. Ziehier een merkwaardig geval waarin sommige teekeningen bewaard zijn gebleven, hoewel op bijna volkomen omgekeerde wijze gekleurd als in den natuurstaat; de oorspronkelijke duif heeft een blauwen staart waaraan de buitenste helft van de naar buiten gekeerde baarden van de twee buitenste staartvederen wit zijn gekleurd; en nu is er een onder-ras dat een witten in plaats van een blauwen staart heeft, doch waarvan juist dat kleine gedeelte zwart is, dat bij de stamsoort wit is.47Vormingswijze en veranderlijkheid (variabiliteit) van de Oogvlekken (Ocelli) op het gevederte van Vogels.—Daar geen versierselen schooner zijn dan de oogvlekken (ocelli) op de vederen van onderscheidene Vogels, op het haarkleed van sommige Zoogdieren, op de schubben van Reptielen en Visschen, op de huid van Amphibiën, op de vleugels van vele Schubvleugeligen (Lepidoptera) en andere Insekten, verdienen zij bijzondere opmerking. Een oogvlek (ocellus) bestaat uit een vlek, omsloten door een ring van een andere kleur, gelijk de pupil van het oog door het regenboogvlies (iris); doch de centrale vlek wordt dikwijls ook nog omringd door bijkomende gelijkmiddelpuntige (concentrische) gordels. De oogvlekken op de staartdekvederen van den pauw leveren daarvan een welbekend voorbeeld en eveneens die op de vleugels van den dagpauwoogvlinder (Vanessa). De heer Triton heeft mij de beschrijving van een Zuid-Afrikaanschen nachtvlinder (Gynanisa Isis), met onzen nachtpauwoogvlinder verwant, gegeven, bij welken een prachtige oogvlek bijna de geheele oppervlakte van elken achtervleugel beslaat; zij bestaat uit een zwart middelpunt, een half doorschijnende halvemaanvormige teekening omsluitende, omringd door opeenvolgende okergele, zwarte, okergele, vleeschkleurige, witte, vleeschkleurige, bruine en witachtige gordels. Hoewel wij de trappen niet kennen, langs welke deze verwonderlijk schoone en samengestelde versierselen zich hebben ontwikkeld, is het proces, ten minste bij insekten, waarschijnlijk eenvoudig geweest; want, gelijk de heer Trimen mij schrijft, „is geen kenmerk dat alleen[127]op teekening en kleur betrekking heeft, bij de Schubvleugeligen (Lepidoptera) zoo onstandvastig als de oogvlekken, zoowel in aantal als in grootte.” De heer Wallace die het eerst mijn aandacht op dit onderwerp vestigde, toonde mij een rij voorwerpen van ons gewone bruine zandoogje (Hipparchia Janira), talrijke overgangen van een eenvoudige kleine zwarte vlek tot een bevallig geschakeerde oogvlek vertoonende. Bij een Zuid-Afrikaansche kapel (Cyllo Leda, Linn.), tot de zelfde Familie behoorende, zijn de oogvlekken nog veranderlijker. Bij sommige voorwerpen (A, Fig.49) zijn groote ruimten op het bovenvlak der vleugels zwart gekleurd en omsluiten onregelmatige witte teekeningen; en van dezen staat af kan men een onafgebroken reeks overgangsvormen volgen tot een tamelijk volkomen oogvlek (A1) en dit is het gevolg van de samentrekking der onregelmatige gekleurde vlekken. Bij een andere reeks voorwerpen kan men den overgang volgen van uiterst kleine puntjes, door eennauwelijkszichtbare zwarte lijn omgeven (B), tot volkomen symmetrische en groote oogvlekken (B1).48In gevallen als deze, vereischt de ontwikkeling van een volkomen oogvlek geen lange reeks afwijkingen of langdurige inwerkingen der teeltkeus.
Als de seksen verschillen in schoonheid, in zangvermogen of in het voortbrengen van hetgeen ik instrumentale muziek heb genoemd, is het bijna altijd het mannetje dat het wijfje overtreft. Deze hoedanigheden zijn, zooals wij straks zagen, klaarblijkelijk hoogst belangrijk voor het mannetje. Als zij slechts voor een gedeelte van het jaar worden verkregen, is dit altijd kort voor den paartijd. Alleen het mannetje pronkt zorgvuldig met zijn verschillende bekoorlijkheden en voert dikwijls vreemde vertooningen op den grond of in de lucht in tegenwoordigheid van het wijfje uit. Elk mannetje verjaagt, of doodt, als hij kan, al zijn medeminnaars. Hieruit mogen wij besluiten, dat het doel van het mannetje is om het wijfje er toe te brengen met hem te paren, en om dit doel te bereiken, tracht hij haar op onderscheidene wijzen op te wekken of te bekoren; en dit is de meening van allen die de gewoonten van levende vogels met zorg hebben bestudeerd. Er blijft echter een vraag over, die een hoogst belangrijke beteekenis heeft voor de seksueele teeltkeus, namelijk of elk mannetje van de zelfde soort het wijfje in even hooge mate opwekt en aantrekt, dan wel of zij een keus doet en aan zekere mannetjes de voorkeur geeft. Het laatste kan bevestigend worden beantwoord op grond van vele directe en indirecte bewijzen. Het is veel moeilijker te beslissen, welke hoedanigheden de keus van het wijfje bepalen; maar wij hebben hier wederom eenige[97]directe en indirecte bewijzen, dat het in groote mate de uitwendige aantrekkelijkheden van het mannetje zijn, hoewel ongetwijfeld zijn kracht, moed en andere geestvermogens in het spel komen. Wij zullen met de indirecte bewijzen beginnen.Langdurigheid der Vrijage.—De lange tijd gedurende welken beide seksen van zekere vogels den eenen dag voor en den anderen na op een vaste plaats samenkomen, hangt ongetwijfeld gedeeltelijk daarvan af, dat de vrijage een langdurige zaak is, en gedeeltelijk van de herhaling der paring. Zoo duren in Skandinavië de „balzen” of „leks” van de korhoenders van het midden van Maart af, gedurende de geheele maand April tot in Mei toe. Niet minder dan veertig of vijftig, of zelfs meer vogels komen op de „leks” te zamen; en de zelfde plaats wordt dikwijls gedurende achtereenvolgende jaren bezocht. De „lek” van den grooten auerhaan duurt van het einde van Maart tot het midden of zelfs het einde van Mei. In Noord-Amerika „duren de patrijzendansen” vanTetrao phasianellus„een maand of langer.” Andere soorten van Boschhoenders zoowel in Noord-Amerika als in Siberië1hebben omtrent de zelfde gewoonten. De vogelaars ontdekken de hoogten waar de kemphanen samenkomen, doordat het gras er kaal is geloopen, en dit bewijst, dat de zelfde plaats gedurende langen tijd wordt bezocht. De Indianen van Guiana zijn goed bekend met de schoongemaakte open plaatsen waar zij verwachten de schoone Rotshanen („Cocks of the Rock”) te vinden; en de inboorlingen van Nieuw-Guinea kennen de boomen waar van tien tot twintig mannelijke Paradijsvogels in hun vollen vedertooi te zamen komen. In dit laatste geval is niet uitdrukkelijk vermeld, dat de wijfjes zich op de zelfde boomen verzamelen; doch de jagers zullen waarschijnlijk, als het hun niet bijzonder wordt gevraagd, haar tegenwoordigheid niet vermelden, daar haar vellen geen waarde hebben. Kleine troepjes van een Afrikaanschen wevervogel (Ploceus) komen gedurende den paartijd samen en voeren uren lang hun bevallige bewegingen uit. Groote getallen van de poelsnip (Scolopax major) verzamelen zich gedurende de schemering in een moeras, en de zelfde plaats wordt met het zelfde doel gedurende achtereenvolgende[98]jaren bezocht; men kan ze daarop zien rondloopen, „gelijk even zoovele groote ratten”, hun vederen opzettende, met hun vleugels kleppende en de vreemdste geluiden voortbrengende.2Sommige van de bovenvermelde vogels, namelijk het korhoen, het groote auerhoen, het fazanten-boschhoen, de kemphaan, de poelsnip, en wellicht eenige andere, leven, naar men gelooft, in veelwijverij. Men zou hebben kunnen denken, dat bij dergelijke vogels de sterkere mannetjes eenvoudig de zwakkere weggejaagd, en dan op eens zoovele wijfjes, als mogelijk was, in bezit zouden hebben genomen; indien het echter voor het mannetje noodzakelijk was, om het wijfje op te wekken of haar te behagen, kunnen wij den langen duur der vrijage en het samenkomen van zoovele individu’s van beide seksen op de zelfde plaats begrijpen. Sommige soorten die strikt eenwijvig zijn, „houden bruiloftsbijeenkomsten”; dit schijnt het geval te zijn in Skandinavië met een van de Sneeuwhoenders, wiens „leks” van het midden van Maart tot het midden van Mei duren. In Australië vormt de liervogel (Menura superba) „kleine ronde heuvels”, en deMenura Albertigraaft zich ondiepe holen, of, gelijk zij door de inboorlingen worden genoemd, „corroborying places”(1)uit, waar men gelooft, dat beide seksen bijeenkomen. De bijeenkomsten vanM. superbazijn dikwijls zeer talrijk; en onlangs is een verhaal publiek gemaakt3door een reiziger die in een vallei beneden hem, dicht met struiken begroeid, „een gedruisch” hoorde, „dat hem volkomen in verbazing bracht”: naar beneden klauterende, zag hij tot zijn verwondering omtrent honderdvijftig prachtige liervogels, „in slagorde gerangschikt, met onbeschrijfelijke woede met elkander vechten.” De priëelen van de priëelvogels worden gedurende den paartijd door beide seksen bezocht; „daarin komen de mannetjes samen en strijden met elkander om de gunst van het wijfje, en daarin komen de wijfjes samen en coquetteeren met de mannetjes.” Bij twee der geslachten wordt het zelfdepriëelvele jaren achtereen bezocht.4[99]De weleerw. heer W. Darwin Fox heeft mij medegedeeld, dat de eksters (Corvus pica, Linn.) uit alle deelen van het Delamere-woud bijeen plachten te komen om het groote eksterhuwelijk te vieren. Eenige jaren geleden waren deze vogels buitengewoon talrijk, zoodat een jachtopziener er op éénen morgen negentien doodde en een ander met een enkel schot zeven bij elkander zittende vogels tegelijk doodde. Terwijl zij zoo talrijk waren, hadden zij de gewoonte om zeer vroeg in de lente op bijzondere plaatsen samen te komen, waar men ze in troepen kon zien, snappende, somtijds vechtende, in de boomen heên en weêr dribbelende, en vliegende. De geheele zaak werd door de vogels klaarblijkelijk beschouwd als van het hoogste belang. Kort na de bijeenkomst scheidden zij allen, en de heer Fox en anderen merkten op, dat zij dan voor het jaargetijde waren gepaard. In de eene of andere streek waar een soort niet zeer talrijk is, kunnen natuurlijk geen groote bijeenkomsten worden gehouden, en de zelfde soort heeft wellicht in verschillende landen verschillende gewoonten. Ik heb bij voorbeeld nergens medegedeeld gevonden, dat de korhoenders in Schotland geregelde bijeenkomsten houden, en toch zijn die bijeenkomsten in Duitschland en Skandinavië zoo wel bekend, dat zij bijzondere namen dragen.Ongepaarde Vogels.—Uit de nu medegedeelde feiten mogen wij besluiten, dat bij vogels, tot zeer verschillende groepen behoorende, de vrijage dikwijls een langdurige, teedere en lastige zaak is. Er is zelfs reden om te vermoeden, hoe onwaarschijnlijk dit ook in het eerst moge schijnen, dat sommige mannetjes en wijfjes van de zelfde soort, de zelfde streek bewonende, elkander niet altijd behagen en bijgevolg niet paren. Vele verhalen zijn publiek gemaakt van hetzij het mannetje of het wijfje van een paar, dat was doodgeschoten, en spoedig door een ander werd vervangen. Dit is veelvuldiger waargenomen bij den ekster, dan bij eenigen anderen vogel, wellicht ten gevolge van zijn opzichtig uiterlijk en nest. De vermaarde Jenner verhaalt, dat in Wiltshire één van een paar dagelijks niet minder dan zevenmaal achtereen werd doodgeschoten, „maar alles te vergeefs, want de overblijvende ekster vond weldra een ander gezel”; en het laatste paar kweekte hun jongen op. Over het algemeen wordt den volgenden dag een gezel gevonden; maar de heer Thompson deelt een geval mede, waarin er een reeds op den avond van den zelfden dag werd vervangen. Zelfs nadat de eieren zijn uitgebroeid, zal er, indien een der oude vogels wordt gedood,[100]dikwijls een gezel worden gevonden; dit geschiedde na verloop van twee dagen in een geval, onlangs door een van Sir J. Lubbock’s opzichters waargenomen.5De eerste en meest voor de hand liggende onderstelling is, dat de mannelijke eksters veel talrijker moeten zijn dan de vrouwelijke, en dat in de bovenvermelde gevallen, zoowel als in vele andere die nog zouden kunnen worden medegedeeld, alleen de mannetjes waren gedood. Dit schijnt in sommige gevallen steek te houden; want de jachtopzichters in het Delamere-woud verzekerden den heer Fox, dat de eksters en kraaien die zij vroeger achtereenvolgens in grooten getale nabij hun nesten doodden, allen mannetjes waren, en zij verklaarden dit feit, doordat de mannetjes gemakkelijker werden gedood, terwijl zij aan de op de eieren zittende wijfjes voedsel brachten. Macgillivray geeft echter, op autoriteit van een uitnemend waarnemer, een voorbeeld van drie eksters, achtereenvolgens op het zelfde nest gedood, die allen wijfjes waren; en een ander geval van zes eksters achtereenvolgens gedood, terwijl zij op de zelfde eieren zaten, hetgeen het waarschijnlijk maakt, dat zij allen wijfjes waren, hoewel het mannetje, gelijk ik van den heer Fox hoor, op de eieren zal gaan zitten, als het wijfje is gedood.De jachtopzichter van den heer Lubbock heeft herhaaldelijk, maar hoevele malen kon hij niet zeggen, één van een paar Vlaamsche gaaien (Garrulus glandarius) geschoten, en het miste nooit, of kort daarna vond hij den overlever opnieuw gepaard. De weleerw. heer W. D. Fox, de heer F. Bond en anderen hebben één van een paar kraaien (Corvus corone) geschoten; maar het nest werd weldra opnieuw bewoond. Deze vogels zijn vrij algemeen; maarFalco peregrinusis zeldzaam, en toch getuigt de heer Thompson, dat, wanneer in Ierland „hetzij een oud mannetje of een wijfje in den paartijd wordt gedood (hetgeen geen ongewone omstandigheid is), in zeer weinig dagen een ander gezel wordt gevonden, zoodat de nesten, niettegenstaande dergelijke gebeurlijkheden, zeker zijn hun aandeel jongen te leveren.” De heer Jenner Weir wist, dat het zelfde gebeurde metFalco peregrinuste Beachy Head. De zelfde waarnemer meldt mij, dat drie torenvalken (Falco tinnunculis), allen mannetjes, achtereenvolgens werden gedood, terwijl zij het zelfde nest bezochten; twee daarvan waren in vollen[101]vederdos, en de derde in het gevederte van het vorige jaar. Een geloofwaardig jachtopzichter in Schotland verzekerde den heer Birkbeck, dat zelfs bij den zeldzamen gouden arend (Aquila chrysaëtos), wanneer de eene is gedood, spoedig een andere wordt gevonden. Evenzoo heeft men waargenomen, dat bij den kerkuil (Strix flammea) „de overlever weldra een gezel vond en het ongeluk voorbijging.”White van Selborne, die het geval van den uil mededeelt, voegt er bij, dat hij een man heeft gekend, die, daar hij geloofde, dat de patrijzen, als zij waren gepaard, door het vechten der mannetjes werden verontrust, hen placht dood te schieten; en hoewel hij het zelfde wijfje verscheidene malen weduwe had gemaakt, was zij altijd spoedig van een nieuwen gezel voorzien. Deze zelfde natuuronderzoeker beval de musschen dood te schieten, die de muurzwaluwen van haar nesten beroofden; maar degeen die overbleef, „hetzij het een mannetje of een wijfje was, verkreeg dadelijk een gezel, en dat verscheidene malen achtereen.” Ik zou hier soortgelijke gevallen kunnen bijvoegen, betrekking hebbende op den vink, den nachtegaal en het roodstaartje. Ten opzichte van den laatsten vogel (Phoenicura ruticilla) merkt de schrijver op, dat hij in geenen deele algemeen was in den omtrek, en hij geeft veel verwondering er over te kennen, dat het op de eieren zittende wijfje zoo spoedig met goeden uitslag bekend kon maken, dat zij weduwe was. De heer Jenner Weir heeft mij een bijna gelijksoortig geval medegedeeld: te Blackheath ziet of hoort hij nimmer den zang van den wilden goudvink, en toch kwam gewoonlijk, wanneer een zijner in kooien opgesloten mannetjes was gestorven, een wild mannetje in den loop van weinige dagen en ging bij het weduwe geworden wijfje zitten, wier loktoon verre van luid is. Ik zal slechts één ander feit mededeelen op autoriteit van dezen zelfden waarnemer; van een paar spreeuwen (Sturnus vulgaris) werd er één in den morgen doodgeschoten; ’s middags was een nieuwe gezel gevonden; deze werd wederom doodgeschoten; maar vóór den nacht was het paar volledig, zoodat de troostelooze weduwe of weduwnaar gedurende den zelfden dag driemaal werd vertroost. De heer Engleheart meldt mij ook, dat hij gedurende verscheidene jaren gewoon was één van een paar spreeuwen dood te schieten, die in een gat in een huis te Blackheath hun nest bouwden; maar het verlies werd dadelijk hersteld.Gedurende één jaargetijde hield hij er aanteekening van en vond, dat hij vijf-en-dertig vogels van het zelfde nest had doodgeschoten; deze bestonden zoowel uit mannetjes[102]als uit wijfjes, maar in welke verhouding kan hij niet zeggen; desniettemin werden na al deze vernieling nog jongen opgekweekt.6Deze feiten zijn zeker opmerkelijk. Hoe komt het, dat zoovele vogels in staat zijn om een verloren gezel dadelijk te vervangen? Eksters, Vlaamsche gaaien, kraaien, patrijzen en sommige andere vogels worden gedurende het voorjaar nooit alleen gezien, en deze leveren op het eerste gezicht het moeilijkst te verklaren geval op. Vogels van de zelfde sekse leven echter, hoewel natuurlijk niet wezenlijk gepaard, somtijds bij paren of in kleine troepjes, zooals bekend is, dat met duiven en patrijzen het geval is. Somtijds leven de vogels ook bij drietallen, zooals bij spreeuwen, kraaien, papegaaien en patrijzen is waargenomen. Bij patrijzen zijn voorbeelden bekend zoowel van twee wijfjes die met één mannetje, als van twee mannetjes die met één wijfje leefden. In alle dergelijke gevallen is het waarschijnlijk, dat de vereeniging gemakkelijk zou worden verbroken. Men kan de mannetjes van sommige vogels nu en dan met hun liefdezang zien voortgaan lang na den gewonen tijd, hetgeen aantoont, dat zij een gezellin hebben verloren of nimmer verkregen. De dood van één van een paar, hetzij door ongeval of door ziekte, zou den anderen vogel vrij en alleen overlaten; en er is reden om te gelooven, dat vrouwelijke vogels gedurende den paartijd bijzonder onderhevig zijn aan een vroegtijdigen dood. Evenzoo zouden vogels wier nesten verwoest waren geworden of onvruchtbare paren, of achterlijke individu’s, er gemakkelijk toe komen om hun gezellen te verlaten, en zouden waarschijnlijk blijde zijn, als zij eenig deel konden nemen aan de genoegens en de plichten van de opkweeking van jongen, al waren die hun eigen ook niet.7Dergelijke[103]gebeurlijkheden als deze verklaren waarschijnlijk de meeste der voorgaande gevallen.8Desniettemin is het een vreemd feit, dat er in ééne en de zelfde streek, gedurende het toppunt van den paartijd, altijd zoovele mannetjes en wijfjes gereed zouden staan om het verlies van een gepaarden vogel te vergoeden. Waarom paren dergelijke overgebleven vogels niet onmiddellijk met elkander? Hebben wij niet enige reden om te vermoeden, en dit vermoeden is bij den heer Jenner Weir opgekomen, dat het, daar de vrijage bij vele vogels een langdurige en vervelende zaak schijnt te zijn, nu en dan gebeurt, dat zekere mannetjes en wijfjes er gedurende den eigenlijken paartijd niet in slagen om elkanders liefde op te wekken, en bij gevolg niet paren? Dit vermoeden zal iets minder onwaarschijnlijk voorkomen, nadat wij zullen hebben gezien, welk een sterken tegenzin en voorkeur vrouwelijke vogels nu en dan jegens bijzondere mannetjes toonen.Geestvermogens der Vogels en hun smaak voor het schoone.—Voor wij verder de vraag bespreken, of de wijfjes de meest aantrekkelijke mannetjes uitkiezen, of zich afgeven met den eersten den besten dien zij ontmoeten, zal het raadzaam zijn kortelijks de geestvermogens der vogels te beschouwen. Hun rede wordt gewoonlijk en wellicht terecht, voor weinig ontwikkeld gehouden; maar toch kunnen eenige feiten worden aangevoerd9, die tot een tegenovergesteld besluit leiden. Weinig[104]ontwikkelde redeneerende vermogens zijn echter, gelijk wij bij den mensch zien, vereenigbaar met sterke genegenheid, een scherp waarnemingsvermogen en smaak voor het schoone, en het is met deze laatste hoedanigheden, dat wij hier hebben te maken. Men heeft dikwijls gezegd, dat papegaaien zich zoo sterk aan elkander hechten, dat, wanneer de eene sterft, de andere gedurende langen tijd kwijnt; maar de heer Jenner Weir denkt, dat bij de meeste vogels de sterkte van hun genegenheid voor elkander zeer overdreven is geworden. Desniettemin heeft men, als één van een paar in den natuurstaat werd doodgeschoten, den overlever dagen achtereen een klaagtoon hooren voortbrengen; en de heer St. John10deelt verscheidene feiten mede, waaruit de wederkeerige gehechtheid van gepaarde vogels blijkt. De heer Bennet verhaalt11, dat in China, nadat een woerd van het fraaie madarijnras was gestolen, de eend ontroostbaar bleef, hoewel haar vlijtig het hof werd gemaakt door een anderen madarijn-woerd die al zijn bekoorlijkheden voor haar tentoonspreidde. Na verloop van drie weken kreeg men den gestolen woerd terug, en dadelijk herkende het paar elkander met de uiterste vreugde. Spreeuwen kunnen echter, gelijk wij hebben gezien, op een enkelen dag driemaal over het verlies van hun gezel worden getroost. In den Londenschen Dierentuin hebben papegaaien hun vroegere meesters duidelijk herkend na een tijdsverloop van eenige maanden. Duiven hebben zulk een uitnemend geheugen voor plaatsen, dat men ze na een tijdsverloop van negen maanden naar hun vroegere woningen heeft zien terugkeeren, en toch hoor ik van den heer Harrison Weir, dat, als men een paar dat in den natuurstaat levenslang met elkander zou blijven leven, in den winter gedurende eenige weinige weken van elkander scheidt en met andere vogels doet paren, de beide vogels, als men ze weder bij elkander brengt, zelden, zoo ooit, elkander herkennen.[105]Vogels geven soms blijken van welwillende gevoelens; zij zullen de verlaten jongen zelfs van andere soorten voeden; maar dit moet wellicht als een vergissing van het instinkt worden beschouwd. Zij zullen ook, gelijk in een vroeger gedeelte van dit werk is aangetoond, volwassen vogels van hun eigen soort, die blind zijn geworden, voeden. De heer Buxton geeft een merkwaardig verhaal van een papegaai die zorg droeg voor een door de vorst beschadigden en verminkten vogel van een andere soort, zijn vederen schoon maakte en hem verdedigde tegen de aanvallen van de andere papegaaien die vrij in zijn tuin omzwierven. Het is een nog merkwaardiger feit, dat deze vogels blijkbaar eenig medegevoel toonen voor de genoegens hunner makkers. Toen een paar kakatoe’s een nest in een acaciaboom maakten, „was het koddig om te zien, welk een buitensporig belang de anderen van de zelfde soort in die zaak stelden.” Deze papegaaien gaven ook bewijzen van onbegrensde nieuwsgierigheid en bezaten blijkbaar het „denkbeeld van eigendom en bezit.”12Vogels bezitten scherpe waarnemingsvermogens. Iedere gepaarde vogel herkent natuurlijk zijn gezel. Audubon verhaalt, dat van de spotlijsters der Vereenigde Staten (Mimus polyglottus) een zeker aantal gedurende het geheele jaar in Louisiana blijven, terwijl de anderen naar de oostelijke staten verhuizen; deze laatsten worden bij hun terugkomst dadelijk door hun zuidelijke broeders herkend en altijd aangevallen. Vogels in gevangen staat onderscheiden verschillende personen, gelijk wordt bewezen door den sterken en blijvenden tegenzin of genegenheid die zij, schijnbaar zonder eenige reden, voor zekere individu’s vertoonen.Ik heb daarvan talrijke voorbeelden gehoord bij Vlaamsche gaaien, patrijzen, kanarievogels en vooral goudvinken. De heer Hussey heeft beschreven, op hoe buitengewone wijze een tamme patrijs iedereen herkende, en zijn genegenheid en afkeer waren zeer sterk. De vogel scheen „verzot op levendige kleuren, en men kon geen nieuwe japon aantrekken of nieuwe muts opzetten zonder zijn aandacht op te wekken.”13De heer Hewitt heeft zorgvuldig de gewoonten van eenige eenden (van voor korten tijd getemde vogels afstammende) beschreven die bij de nadering van een wilden hond of kat hals over kop naar het water snelden en zich uitputten in hun pogingen om te ontsnappen;[106]maar des heeren Hewitt’s eigen honden of katten kenden zij zoo goed, dat zij vlak bij hen gingen liggen om zich in de zon te koesteren. Zij vluchtten altijd weg voor een vreemdeling en even zoo ook voor de dame die hen verzorgde, als deze de eene of andere groote verandering in haar kleeding maakte. Audubon verhaalt, dat hij een wilden kalkoen opkweekte en temde, die altijd wegliep voor elken vreemden hond; deze vogel ontsnapte in het woud, en eenige dagen later zag Audubon, gelijk hij dacht, een wilden kalkoen en liet er zijn hond jacht op maken; maar tot zijn verwondering liep de vogel niet weg, en viel de hond, toen hij er bij kwam, den vogel niet aan; want zij herkenden elkander wederkeerig als oude vrienden.14(2)De heer Jenner Weir is overtuigd, dat vogels bijzondere aandacht wijden aan de kleuren van andere vogels, somtijds uit ijverzucht, en somtijds als een teeken van verwantschap. Zoo zette hij een rietgors (Emberiza schoeniclus), die zijn zwarten kop had verkregen, in zijn vogelhuis (volière) en geen der vogels sloeg op den nieuw aangekomene acht, behalve een goudvink, die ook een zwarten kop heeft. Deze goudvink was een zeer rustige vogel en had vroeger nooit met een zijner kameraden, een andere rietgors die nog geen zwarten kop had gekregen, daaronder begrepen, twist gehad; maar de rietgors met een zwarten kop werd zoo ongenadig behandeld, dat hij uit het vogelhuis (volière) moest worden genomen. De heer Weir was ook genoodzaakt er een roodborstje uit te nemen, daar dit alle vogels die eenig rood in hun gevederte hadden, maar geen andere soorten, heftig aanviel; het doodde werkelijk een roodborstigen kruisbek en bijna ook een distelvink. Hij heeft van den anderen kant ook opgemerkt, dat sommige vogels, als zij pas in zijn vogelhuis (volière) werden gebracht, naar de soorten toe vlogen, die in kleur het meest op hen geleken, en zich aan hun zijde neêrzetten.Fig. 48.Fig. 48.Priëelvogel (Chlamydera maculata) met zijnpriëel(naar Brehm).Daar mannelijke vogels met zooveel zorg met hun schoon gevederte en andere versierselen in tegenwoordigheid van de wijfjes pronken, is het blijkbaar waarschijnlijk, dat deze de schoonheid harer minnaars waardeeren. Het is echtermoeilijkom directe bewijzen te verkrijgen van hun vermogen om schoonheid te waardeeren. Wanneer vogels hun eigen beeld in een spiegel aanstaren (waarvan vele voorbeelden[107]zijn opgeteekend), kunnen wij niet met zekerheid zeggen, dat dit niet uit ijverzucht op een onderstelden mededinger is, hoewel dit niet het besluit van sommige waarnemers is. In andere gevallen is het moeilijk te onderscheiden tusschen bloote nieuwsgierigheid en bewondering. Het[108]is wellicht het eerste gevoel dat, gelijk Lord Lilford getuigt15, den kemphaan tot elk helder gekleurd voorwerp trekt, zoodat hij op de Jonische eilanden „op een levendig gekleurden zakdoek zal neêrschieten, zonder op herhaalde schoten te letten.” De gewone leeuwerik wordt uit de lucht naar omlaag gelokt en in grooten getale gevangen, door een kleinen spiegel dien men in beweging brengt, zoodat hij in de zon glinstert. Is het bewondering of nieuwsgierigheid, die er den ekster, de raaf en sommige andere vogels toe brengt, om schitterende voorwerpen, zooals zilveren sieraden of juweelen, te stelen en te verbergen?De heer Gould zegt, dat sommige kolibri’s de buitenzijde hunner nesten „uiterst smaakvol” versieren; „zij hechten daaraan instinktmatig fraaie platte stukken van korstmossen vast, de grootste in het midden en de kleinere op het deel dat aan den tak is vastgehecht. Nu en dan wordt een fraaie veder er aan de buitenzijde ingevlochten of op vastgemaakt terwijl de schacht daarbij steeds zoo wordt geplaatst, dat de vlag aan de buitenzijde uitsteekt.” Het beste bewijs van een smaak voor het schoone wordt echter opgeleverd door de drie reeds vermelde geslachten van Australische priëelvogels. Hun priëelen (Fig.48), waarin de seksen samenkomen en vreemde vertooningen uitvoeren, worden op verschillende wijze gebouwd; maar, wat ons het meest aangaat, is, dat zij door de onderscheidene soorten op verschillende wijze worden versierd. De Priëelvogel verzamelt levendig gekleurde voorwerpen, zooals de blauwe staartvederen van parkieten, gebleekte beenderen en schelpen die hij tusschen de twijgen steekt, of aan den ingang schikt. De heer Gould vond in een priëel een net bewerkte steenen tomahawk en een reepje blauw katoen, blijkbaar uit een legerplaats der inboorlingen weggenomen. Deze voorwerpen worden door de vogels, wanneer zij aan het spel zijn, voortdurend opnieuw geschikt en rond gedragen. Het priëel van den gevlekten priëelvogel „is fraai bekleed met groote grashalmen, zoo gerangschikt, dat de toppen elkander bijna ontmoeten, en de versierselen zijn zeer overvloedig.” Ronde steentjes worden gebruikt om de grashalmen op hun plaats te houden en om uiteenloopende paadjes te maken, die naar het priëel leiden. De steentjes en schelpen worden dikwijls van een grooten afstand aangevoerd. De regentvogel versiert, volgens de beschrijving van den heer Ramsay,[109]zijn kort priëel met gebleekte slakkenhuizen, tot vijf of zes soorten behoorende, en met „bessen van verschillende kleuren, blauw, rood en zwart, die het, wanneer zij versch zijn, een zeer fraai aanzien geven. Behalve deze waren er onderscheidene pas opgepikte bladeren en jonge scheuten van een bleekroode kleur, terwijl het geheel stellig smaak voor het schoone bewees.” Wel mag de heer Gould zeggen: „deze sterk versierde vergaderplaatsen moeten worden beschouwd als de meest wondervolle voorbeelden van de bouwkunst der vogels, die tot dusver zijn ontdekt”; en, gelijk wij zien,verschilt ongetwijfeld de smaak der onderscheidene soorten.16Voorkeur door de Wijfjes jegens bijzondere Mannetjes getoond.—Na deze voorafgaande opmerkingen omtrent het onderscheidingsvermogen en den smaak van vogels, zal ik alle mij bekende feiten mededeelen, die betrekking hebben op de voorkeur,door het wijfje voor bijzondere mannetjes getoond. Het is zeker, dat verschillende soorten van vogels in den natuurstaat nu en dan met elkander paren en bastaarden voortbrengen. Vele voorbeelden zouden daarvan kunnen worden aangehaald: zoo verhaalt Macgillivray hoe een mannelijke merel en een vrouwelijke lijster, „op elkander verliefd werden”, en jongen voortbrachten.17Verscheidene jaren geleden zijn achttien gevallen opgeteekend van het voorkomen in Groot-Brittannië van bastaarden tusschen het korhoen en den fazant18; maar de meeste dezer gevallen kunnen wellicht worden verklaard, doordat enkele vogels geen van hun eigen soort vinden om mede te paren. Bij andere vogels zijn, gelijk de heer Jenner Weir reden heeft te gelooven, bastaarden soms het gevolg van den toevalligen omgang tusschen vogels die in elkanders onmiddellijke nabijheid hun nest bouwen. Deze opmerkingen zijn echter niet toepasselijk op de vele opgeteekende voorbeelden van tamme vogels, tot verschillende soorten behoorende, die volkomen betooverd door elkander waren, hoewel zij in gezelschap van individu’s hunner eigen soort leefden. Zoo verhaalt Waterton19, dat een wijfje, tot een toom[110]van drie-en-twintig Canada-ganzen behoorende, met een eenzaam levende mannelijke rotgans paarde, hoewel deze zoozeer in uiterlijk en grootte van haar verschilde, en dat zij bastaardkroost voortbrachten. Van een mannelijke smient (Mareca penelope), met een wijfje van de zelfde soort levende, is het bekend, dat hij met een pijlstaarteend (Querquedula acuta) paarde. Lloyd beschrijft de opmerkelijke wederkeerige gehechtheid van een mannelijke schildeend (Tadorna vulpanser) en een gewone eend. Nog vele voorbeelden zouden hieraan kunnen worden toegevoegd; en de weleerw. heer E.S. Dixon merkt op, dat „zij die vele verschillende soorten van ganzen tegelijkertijd hebben gehouden, wel weten, welke onverklaarbare genegenheden zij dikwijls voor elkander opvatten, en dat zij even gaarne paren en jongen voortbrengen met individu’s van een ras dat schijnbaar het meest verschillend van hen is, als met hun eigen ras.”De weleerw. heer W. D. Fox meldt mij, dat hij tegelijkertijd een paar Chineesche ganzen (Anser cygnoides) en een gewonen ganzerik met drie ganzen heeft bezeten. De beide soorten leefden elk geheel op zich zelf, tot de Chineesche ganzerik een van de gewone ganzen verleidde om met hem te leven.Daarenboven waren van de jonge vogels, opgekweekt uit de eieren der gewone ganzen, slechts vier zuiver, terwijl de achttien anderen bastaarden bleken te zijn; zoodat de Chineesche ganzerik veel grooter bekoorlijkheden schijnt te hebben bezeten, dan de gewone ganzerik. Ik wil nog slechts één ander geval mededeelen: de heer Hewitt verhaalt, dat een in gevangen staat opgekweekte wilde eend, „na een paar jaren met haar eigen woerd te hebben geleefd, hem op eens verstootte, toen ik een mannelijke pijlstaarteend in het water plaatste. Het was blijkbaar een geval van liefde op het eerste gezicht; want zij zwom naar den nieuw aangekomene heên en overlaadde hem met liefkozingen, hoewel hij blijkbaar verontrust door en afkeerig van haar liefdesbetuigingen scheen. Van dat uur af vergat zij haar ouden minnaar. De winter ging voorbij en in de volgende lente scheen de pijlstaartwoerd te zijn overgehaald door haar liefkozingen; want zij nestelden te zamen en brachten zeven of acht jongen voort.”Wat de bekoring in deze verschillende gevallen mag zijn geweest,[111]behalve eenvoudig de nieuwheid, kunnen wij zelfs niet gissen. De kleur komt echter soms in het spel; want als men bastaarden wil verkrijgen van het sijsje (Fringilla spinus) en den kanarievogel, slaagt men, volgens Bechstein, verreweg het best, als men vogels van de zelfde kleur bij elkander zet. De heer Jenner Weir zette een vrouwelijken kanarievogel in zijn vogelhuis (volière), waarin zich mannelijke kneutjes, distelvinken, sijsjes, groenlingen, vinken en andere vogels bevonden om te zien, welken zij zou kiezen; maar er was nooit eenige twijfel en de groenling behaalde de zegepraal. Zij paarden en brachten bastaardkroost voort.Bij de leden van de zelfde soort trekt het feit, dat hetwijfjeliever met het eene mannetje paart dan met het andere, niet zoo gemakkelijk de aandacht, als wanneer dit tusschen verschillende soorten plaats heeft. Dergelijke gevallen kunnen het best worden waargenomen bij tamme of opgesloten vogels; maar deze zijn dikwijls door overvloedig voedsel weelderig gemaakt en hun instinkten zijn dikwijls uitermate bedorven. Van dit laatste feit zou ik voldoende bewijzen kunnen geven ten opzichte van duiven, en vooral van hoenders, doch zij kunnen hier niet worden medegedeeld. Bedorven instinkten kunnen wellicht ook eenige van de bastaardvereenigingen verklaren, waarop boven is gezinspeeld; maar in vele van deze gevallen waren de vogels in de gelegenheid zich vrijelijk over groote vijvers te verspreiden, en is er geen reden om te veronderstellen, dat zij onnatuurlijk werden geprikkeld door overvloedig voedsel.Ten opzichte van vogels in den natuurstaat is de eerste en meest voor de hand liggende veronderstelling die iedereen zal invallen, dat het wijfje zich in den paartijd aan het eerste mannetje het beste dat zij ontmoet, overgeeft; maar zij is ten minste in de gelegenheid om een keus te doen, daar zij bijna onveranderlijk door vele mannetjes wordt vervolgd. Audubon—en wij moeten bedenken, dat hij een lang leven doorbracht met in de bosschen der Vereenigde Staten rond te zwerven en daar waarnemingen omtrent de vogels te doen—betwijfelt niet, dat het wijfje met overleg haar gezel kiest; zoo zegt hij van een specht sprekende, dat het wijfje door een half dozijn vroolijke vrijers wordt gevolgd, die voortgaan met vreemdsoortige vertooningen uit te voeren, „totdat zij aan een van hen duidelijk de voorkeur geeft.” Het wijfje van den roodvleugeligen spreeuw (Agelaiusphoeniceus) wordt ook door onderscheidene mannetjes vervolgd, „totdat zij, moede wordende, neêrstrijkt,[112]hun liefdebetuigingen ontvangt, en weldra een keus doet.” Hij beschrijft ook hoe onderscheidene mannelijke nachtzwaluwen herhaaldelijk met verbazende snelheid door de lucht duiken, zich daarbij plotseling omkeeren, en op die wijze een vreemdsoortig geluid voortbrengen; „maar zoodra het wijfje een keus heeft gedaan, worden onmiddellijk de andere mannetjes weggejaagd.” Bij een van de gieren (Cathartes aura) van de Vereenigde Staten verzamelen zich troepen van acht of tien of meer mannetjes en wijfjes op omgevallen boomstammen, „de sterkste begeerte om wederkeerig te behagen aan dendagleggende”, en na vele liefkozingen vliegt elk mannetje met zijn gezellin weg. Audubon nam ook de wilde vluchten van Canada-ganzen (Anser Canadensis) zorgvuldig waar, en geeft een levendige beschrijving van hun liefdevertooningen; hij zegt, dat de vogels die te voren gepaard waren geweest, „hun vrijage in de maand Januari hernieuwden, terwijl de anderen alle dagen uren lang met elkander vochten en coquetteerden, totdat allen voldaan schenen met de keus die zij hadden gedaan, waarna, hoewel zij te zamen bleven, iedereen gemakkelijk kon opmerken, dat de paren zorgvuldig in stand werdengehouden. Ik heb ook opgemerkt, dat, hoe ouder de vogels waren, hoe korter het voorspel van hun vrijage duurde. De jongelieden en de oude vrijsters gingen, hetzij uit spijt, of omdat zij ongaarne door het gewoel werden gestoord, rustig zijwaarts en legden zich op eenigen afstand van de overige neder.”20Vele gelijksoortige getuigenissen ten opzichte van andere vogels zouden aan dezen zelfden waarnemer kunnen worden ontleend.Nu tot tamme en opgesloten vogels overgaande, zal ik beginnen met het weinige mede te deelen, dat ik ten opzichte der vrijage van het pluimgedierte te weten ben gekomen. Ik heb over dit onderwerp lange brieven van de heeren Hewitt en Tegetmeier en bijna een geheele verhandeling van wijlen den heer Brent ontvangen. Iedereen zal toegeven, dat deze heeren, zoo algemeen bekend door de werken die zij hebben uitgegeven, zorgvuldige en ondervindingrijke waarnemers zijn. Zij gelooven niet, dat de wijfjes aan zekere mannetjes wegens de schoonheid van hun gevederte de voorkeur geven; maar men moet den kunstmatigen toestand waarin zij lang hebben verkeerd, eenigszins in rekening brengen. De heer Tegetmeier is overtuigd, dat een strijdhaan, hoewel misvormd, daar hij door het afsnijden zijner vleeschlappen tot ridder is[113]geslagen („dubbed”), even gaarne zal worden aangenomen als een haan die al zijn natuurlijke versierselen nog bezit. De heer Brent echter veronderstelt, dat de schoonheid van het mannetje er toe bijdraagt om het wijfje te bekoren; en haar toestemming is noodzakelijk. De heer Hewitt is overtuigd, dat de vereeniging in geenen deele aan het bloote toeval wordt overgelaten; want het wijfje geeft bijna onveranderlijk de voorkeur aan het krachtigste, strijdlustigste en vurigste mannetje; het is daarom bijna nutteloos, gelijk hij opmerkt, „om te beproeven kuikens van een of ander zuiver ras te verkrijgen, als een strijdhaan in goede gezondheid en toestand op de plaats rondloopt; want bijna elke hen zal, als zij het rek verlaat, tot den strijdhaan haar toevlucht nemen, zelfs al doet deze volstrekt geen moeite om den haan van haar eigen ras weg te jagen.” Onder gewone omstandigheden schijnen de hennen en hanen tot een wederkeerige verstandhouding te komen door middel van zekere gebaren van welke de heer Brent mij een beschrijving heeft gegeven. De hennen zullen echter dikwijls de gedienstige oplettendheden van de jonge hanen versmaden. Oude hennen en hennen van een strijdlustigen aard hebben, gelijk de zelfde schrijver mij meldt, een afkeer van vreemde hanen, en zullen zich niet aan hen overgeven, voordat zij in het gevecht het onderspit hebben moeten delven. Ferguson beschrijft echter, hoe een twistzieke hen zwichtte voor de teedere liefkoozingen van een Shanghaihaan.21Er is reden om aan te nemen, dat duiven van beiderlei sekse bij voorkeur met vogels van het zelfde ras paren; en duivenkot-duiven hebben een afkeer van alle door kunstmatige teeltkeus sterk gewijzigde rassen.22De heer Harrison Weir hoorde eenigen tijd geleden van een geloofwaardig waarnemer die blauwe duiven houdt, dat deze alle anders gekleurde verscheidenheden, zooals witte, roode en gele, wegjagen; en van een anderen waarnemer, dat men er ondanks herhaalde proefnemingen niet in kon slagen een donkerbruine postduif met een zwarten doffer te doen paren, maar dat zij zulks dadelijk deed met een donkerbruinen doffer.Ook de heer Tegetmeier had een vrouwelijk blauw meeuwtje („turbit”), dat hardnekkig weigerde te paren met twee mannetjes van het zelfde duivenras, die achtereenvolgens weken lang met haar werden[114]opgesloten; maar, naar buiten gelaten, paarde zij onmiddellijk met de eerste de beste blauwe Engelsche Pagadet-duif („dragon”). Daar zij een kostbare vogel was, werd zij toen vele weken lang opgesloten met een zilverkleurig (d.i. zeer bleek blauw) mannetje, en paarde daarmede ten laatste. Over het algemeen schijnt de kleur echter op het paren van duiven weinig invloed te hebben. De heer Tegetmeier heeft op mijn verzoek eenige zijner vogels met magenta(3)gevlekt, maar de andere sloegen daar weinig acht op.Nu en dan gevoelen de vrouwelijke duiven een sterken tegenzin tegen bepaalde doffers, zonder dat zich daarvoor eenige oorzaak laat aanwijzen. Zoo getuigen de heeren Boitard en Corbié, wier ondervinding zich over een tijdperk van vijf-en-veertig jaren uitstrekte: „Quand une femelle éprouve de l’antipathie pour un mâle avec lequel on veut l’accoupler, malgré tous les feux de l’amour, malgré l’alpiste et le chenevis dont on la nourrit pour augmenter son ardeur, malgré un emprisonnement de six mois et même d’un an, elle refuse constamment ses caresses; les avances empressées, les agaceries, les tournoiements, les tendres roucoulements, rien ne peut lui plaire ni l’émouvoir; gonflée, boudeuse, blottie dans un coin de sa prison, elle n’en sort que pour boire et manger, ou pour repousser avec une espèce de rage des caresses devenues trop pressantes.”23Van den anderen kant heeft de heer Harrison Weir zelf waargenomen en van onderscheidene duivenfokkers gehoord, dat een vrouwelijke duif soms plotseling een sterken smaak voor een bijzonderen doffer aan den dag legt en haar eigen doffer voor hem verlaat. Sommige wijfjes zijn, volgens een ander ondervindingrijk waarnemer, Riedel24, van een losbandig karakter, en geven aan bijna elken vreemdeling de voorkeur boven haar eigen doffer. Sommige verliefde doffers die door onze Engelsche liefhebbers „gay birds” worden genoemd, zijn zoo voorspoedig in hun liefdesavonturen, dat zij, gelijk de heer H. Weir mij meldt, afzonderlijk moeten worden opgesloten, uithoofde van het nadeel dat zij veroorzaken.Volgens Audubon maken in de Vereenigde Staten wilde kalkoensche hanen „somtijds het hof aan de tamme kalkoensche hennen, en worden[115]door deze over het algemeen met groot genoegen aangenomen.” Zoodat deze hennen blijkbaar aan de wilde hanen de voorkeur geven boven haar eigen hanen.25Zie hier een nog merkwaardiger geval. Sir R. Heron teekende gedurende vele jaren de gewoonten van de pauwen op, die hij in grooten getale aanfokte. Hij betuigt, dat „de pauwinnen dikwijls een sterke voorliefde voor een bijzonderen pauw aan den dag leggen. Zij waren allen zoo verzot op een ouden gevlekten pauw, dat zij één jaar, toen hij afzonderlijk opgesloten, hoewel nog in het gezicht was, voortdurend waren vergaderd dicht bij de getraliede wanden van zijn gevangenis en een zwartvleugel-pauw niet wilden toelaten haar aan te raken. Toen hij in den herfst werd losgelaten, maakte de oudste der pauwinnen hem dadelijk het hof, en was voorspoedig in haar vrijage. Het volgende jaar werd hij in een stal opgesloten, en toen maakten al de pauwinnen het hof aan zijn medeminnaar.”26Deze medeminnaar was een verlakte of zwartvleugelige pauw, die in onze oogen een fraaier vogel is dan de gewone soort.Lichtenstein die een goed waarnemer was en aan de Kaap de Goede Hoop uitnemend in de gelegenheid was om waarnemingen te doen, verzekerde Rudolphi, dat de vrouwelijke weduwvogel (Chera progne) het mannetje verloochent, wanneer hij van de lange staartvederen is beroofd, waarmede hij gedurende den paartijd is versierd. Ik vermoed, dat deze waarneming moet zijn gedaan op vogels in gevangen staat.27Ziehier nog een ander treffend geval. Dr. Jaeger28, directeur van den dierentuin te Weenen, verhaalt, dat een mannelijke zilverlakensche fazant die de overwinning over de andere mannetjes had behaald en de erkende minnaar van de wijfjes was, van zijn tot sieraad strekkend gevederte werd beroofd. Hij werd daarop dadelijk door een medeminnaar vervangen, die de overhand verkreeg en daarna den troep aanvoerde.Het is een opmerkelijk feit, omdat het bewijst, hoe belangrijk de kleur is bij de vrijage der vogels, dat de heer Boardman, gedurende[116]vele jaren een welbekend liefhebber en waarnemer van vogels in de Noordelijke Vereenigde Staten, gedurende den langen tijd, dat hij waarnemingen deed, nooit een albino met een anderen vogel heeft zien paren; toch had hij menigmaal gelegenheid vele albino’s, tot verschillende soorten behoorende, waar te nemen.29Men kan moeilijk volhouden, dat albino’s niet in staat zijn zich in den natuurstaat voort te planten, daar zij zulks in gevangen staat met het grootste gemak kunnen. Het schijnt dus, dat wij het feit, dat zij niet paren, daaraan moeten toeschrijven, dat zij door hun normaal gekleurde kameraden worden afgewezen.Niet alleen oefent het wijfje een keus uit, maar in sommige gevallen maakt zij het mannetje het hof, of vecht soms om zijn bezit. Sir R. Heron verhaalt, dat bij pauwen de eerste stappen altijd door het wijfje worden gedaan; iets van den zelfden aard heeft volgens Audubon met de oude wijfjes van den wilden kalkoen plaats. Bij den grooten auerhaan fladderen de wijfjes om het mannetje heên, terwijl hij op een der vergaderplaatsen bezig is met pronken, en zoeken zijn aandacht te trekken.30Wij hebben gezien, dat een getemde wilde eend een onwilligen pijlstaartwoerd verleidde, na hem lang het hof te hebben gemaakt. De heer Bartlett gelooft, dat de Lophophorus, evenals vele andere Hoenderachtige Vogels, van nature veelwijvig is; doch twee wijfjes kunnen niet met één mannetje in de zelfde kooi worden geplaatst, omdat zij zooveel met elkander vechten. Het volgende voorbeeld van medeminnarij wekt meer verwondering, daar het betrekking heeft op goudvinken die gewoonlijk voor hun geheele leven paren. De heer Jenner Weir bracht een dof gekleurd en leelijk wijfje in zijn volière, en zij viel dadelijk een ander gepaard wijfje zoo onbarmhartig aan, dat deze laatste moest worden weggenomen. Het nieuwe wijfje gaf zich nu alle moeite om de liefde van het mannetje te verwerven, en slaagde daarin ten laatste, want zij paarde met hem; maar na eenigen tijd ontving zij haar rechtvaardige straf, want toen zij ophield strijdlustig te zijn, plaatste de heer Weir het oude wijfje weder in de volière, en het mannetje verliet toen zijn nieuw liefje en keerde tot zijn oude terug.[117]In alle gewone gevallen is het mannetje zoo vurig, dat hij elk wijfje zal aannemen, en niet, voorzoover wij kunnen oordeelen, aan het eene boven het andere de voorkeur geeft; maar uitzonderingen op dezen regel schijnen, zooals wij later zullen zien, in eenige weinige groepen voor te komen. Bij tamme vogels heb ik slechts van één geval gehoord, waarin de mannetjes eenige voorliefde vertoonen voor bijzondere wijfjes, namelijk, dat van den huishaan die, volgens de hooge autoriteit van den heer Hewitt, aan de jonge hennen de voorkeur boven de oude geeft. Daarentegen is de heer Hewitt overtuigd, dat, wanneer men bastaardvereenigingen tot stand brengt tusschen den mannelijken fazant en gewone hennen, de fazant onveranderlijk aan de oudere vogels de voorkeur geeft. Haar kleur schijnt in het minst geen invloed op hem te hebben, maar hij is „hoogst grillig in zijn genegenheid.”31Wegens de eene of andere onverklaarbare oorzaak toont hij den meest volstrekten afkeer van sommige hennen, welken geen zorg van den kant van den fokker kan te boven komen. Sommige hennen zijn, gelijk de heer Hewitt mij meldt, volstrekt onaantrekkelijk, zelfs voor de mannetjes van haar eigen soort, zoodat zij met verscheidene hanen gedurende een geheel jaargetijde kunnen worden gehouden, en niet één ei van veertig of vijftig zal blijken te zijn bevrucht. Bij de ijseend (Harelda glacialis) „heeft men daarentegen opgemerkt”, zegt de heer Eckström, „dat aan sommige wijfjes veel meer het hof werd gemaakt dan aan de overige. Men ziet toch dikwijls een individu door zes of acht verliefde mannetjes omringd.” Of deze getuigenis geloofbaar is, weet ik niet, maar de inlandsche jagers schoten deze wijfjes om ze op te zetten en dan als lokvogels te gebruiken.32Ten opzichte van vrouwelijke vogels die een voorliefde voor bijzondere mannetjes vertoonen, moeten wij bedenken, dat wij alleen kunnen beoordeelen, of er een keus wordt uitgeoefend, als wij ons in onze verbeelding in de zelfde positie verplaatsen. Als een bewoner van een andere planeet in de gelegenheid was om een aantal boerenknapen op een kermis te zien, bezig met een meisje het hof te maken en over haar te twisten, gelijk vogels op een hunner vergaderplaatsen, zou hij alleen in staat zijn af te leiden, dat zij het vermogen bezat om een keus te doen, door de moeite die de vrijers deden om haar te behagen en met hun opschik te pronken. Nu staat het bewijs bij vogels, als[118]volgt: zij hebben scherpe waarnemingsvermogens, en schijnen eenigen smaak te hebben voor het schoone, zoowel wat kleur als wat geluid aangaat. Het is zeker, dat de wijfjes nu en dan, wegens onbekende oorzaken, den sterksten afkeer en voorliefde voor bepaalde mannetjes aan den dag leggen. Als de seksen in kleur of in andere versiersels verschillen, zijn de mannetjes op zeldzame uitzonderingen na het sterkst versierd, hetzij voortdurend, hetzij tijdelijk gedurende den paartijd. Zij geven zich alle moeite om hun onderscheidene versierselen ten toon te spreiden, oefenen hun stemmen en voeren vreemdsoortige vertooningen uit in tegenwoordigheid van de wijfjes. Zelfs goed gewapende mannetjes die men zou hebben kunnen denken, dat, wat hun voorspoed in de liefde aanging, alleen van het gevecht afhankelijk waren, zijn in de meeste gevallen sterk versierd; en hun versierselen zijn verkregen ten koste van eenig verlies in strijdkracht. In andere gevallen zijn versierselen verkregen ten koste van vermeerderd gevaar voor roofvogels en verscheurende dieren. Bij onderscheidene soorten komen individu’s van beide seksen op de zelfde plaats samen, en hun vrijage is een langdurige zaak. Er is zelfs reden om te vermoeden, dat de mannetjes en wijfjes in de zelfde streek er niet altijd in slagen om elkander te behagen en te paren.Wat moeten wij dus uit deze feiten en overwegingen besluiten? Spreidt het mannetje zijn bekoorlijkheden met zooveel praal en wedijver ten toon zonder eenig doel? Zijn wij niet gerechtigd om te gelooven, dat het wijfje een keus doet, en dat zij de liefdesbetuigingen aanneemt van het mannetje dat haar het meest behaagt? Het is niet waarschijnlijk, dat zij met bewustheid overlegt; maar zij wordt het meest opgewekt of aangetrokken door de fraaiste, welluidendste of dapperste mannetjes. Ook behoeft niet te worden verondersteld, dat het wijfje elke gekleurde streep of vlek bestudeert, dat de pauwin, bij voorbeeld, elke bijzonderheid in den prachtigen staart van den pauw bewondert,—zij wordt waarschijnlijk slechts getroffen door het algemeen effect. Na echter te hebben gehoord met hoeveel zorg de mannelijke Argus-fazant zijn sierlijke primaire vleugel-slagpennen tentoonspreidt en zijn van oogvlekken voorziene siervederen juist opricht in de stelling waarin zij het meeste effect maken; of ook, hoe de mannelijke distelvink beurtelings zijn met gouden vlekken pronkende vleugels tentoonspreidt, mogen wij ons niet al te zeer overtuigd houden, dat het wijfje niet op elke bijzonderheid van de schoonheid let. Wij kunnen, gelijk reeds[119]is opgemerkt, alleen beoordeelen, of er een keus wordt gedaan, uit de analogie van onzen eigen geest; en als men de rede uitsluit(4), bestaat er geen fundamenteel verschil tusschen de geestvermogens der vogels en de onze. Uit deze verschillende overwegingen mogen wij afleiden, dat de paring der vogels niet aan het toeval is overgelaten; maar dat die mannetjes welke door hun verschillende bekoorlijkheden het best in staat zijn om het wijfje te behagen of haar op te wekken, onder gewone omstandigheden worden aangenomen. Indien men dit aanneemt, is het niet zeermoeilijkom te begrijpen, hoe de mannelijke vogels trapsgewijze hun tot sieraad dienende kenmerken hebben verkregen. Alle dieren vertoonen individueele verschillen, en evenals de mensch zijn tamme vogels kan wijzigen door voor de voortteling die individu’s uit te kiezen, welke hem het fraaist schijnen, zal ook de gewone of zelfs toevallige voorliefde van het wijfje voor de meer aantrekkelijke mannetjes bijna zeker hun wijziging hebben geleid; en dergelijke wijzigingen zullen in den loop van den tijd kunnen zijn geklommen tot bijna elke hoogte die vereenigbaar was met het bestaan van de soort.Veranderlijkheid (variabiliteit) der Vogels, en in het bijzonder van hun secundaire Seksueele Kenmerken.—Veranderlijkheid (vatbaarheid voor afwijking, variabiliteit) en erfelijkheid zijn de grondslagen voor het werk der teeltkeus.Dat tamme vogels veel afwijkingen hebben vertoond en hun afwijkingen zijn overgeërfd, is zeker.Dat vogels in den natuurstaat individueele verschillen vertoonen, wordt door iedereen aangenomen en dat zij somtijds tot onderscheidene rassen zijn gewijzigd, gemeenlijk aangenomen.33Er zijn tweeërlei soort van afwijkingen, namelijk die welke wij in onze onwetendheid voor een zelf ontstaan houden en die welke in direct verband staan tot de omringende levensvoorwaarden, zoodat alle of bijna alle individu’s van de zelfde soort op overeenkomstige wijze zijn gewijzigd.Gevallen van de laatste soort zijn voor eenige jaren waargenomen[120]door den heer J. A. Allen34, die aantoont, dat in de Vereenigde Staten vele soorten van vogels allengs sterker worden gekleurd, naarmate men meer zuidwaarts komt, en lichter gekleurd, naarmate men westwaarts de dorre vlakten van het binnenland nadert. Beide seksen schijnen over het algemeen op de zelfde wijze te worden aangedaan, maar soms de eene sekse meer dan de andere. Dit resultaat is niet onvereenigbaar met het geloof, dat de kleuren van vogels voornamelijk het gevolg zijn van de opeenhooping van achtereenvolgende afwijkingen door seksueele teeltkeus; want zelfs nadat de seksen zeer verschillend zijn geworden, zou het klimaat een gelijke werking op de beide seksen kunnen uitoefenen, of een grooter werking op de eene sekse dan op de andere, ten gevolge van eenig verschil in gestel.Individueele verschillen tusschen de leden van de zelfde soort geeft men algemeen toe, dat in den natuurstaat voorkomen. Plotselinge en sterk uitgesproken afwijkingen zijn zeldzaam, en het is zeer twijfelachtig, of zij dikwijls door teeltkeus zijn bewaard gebleven en dan op volgende geslachten zijn overgeplant.35Desniettemin kan het wellicht de moeite waard zijn, de weinige gevallen die ik in staat was te verzamelen,[121]en die voornamelijk op de kleur betrekking hebben (eenvoudig albinisme en melanisme uitgesloten zijnde(5)), hier mede te deelen.De heer Gould neemt, gelijk algemeen bekend is, slechts zelden het bestaan van verscheidenheden (variëteiten) aan; want hij houdt zeer kleine verschillen voor soortskenmerken; nu verhaalt hij36, dat in den omtrek van Bogota zekere kolibri’s, tot het geslachtCynanthusbehoorende, in twee of drie rassen of verscheidenheden zijn verdeeld, die van elkander verschillen door de kleur van den staart,—„daar bij sommige al de staartvederen blauw zijn, terwijl bij andere de punten van de acht middelste fraai groen zijn.” Het schijnt, dat er in dit en in de volgende gevallen geen tusschenbeide liggende overgangsvormen zijn waargenomen. Alleen bij de mannetjes van een der Australische parkieten zijn „de dijen bij sommige scharlakenrood, bij andere grasgroen.” Bij een anderen parkiet uit het zelfde land, „is de dwars over de vleugeldekvederen loopende band bij sommige individu’s levendig geel, terwijl hij bij andere rood gekleurd is.”37In de Vereenigde Staten hebben eenige weinige mannetjes van den scharlakenrooden Tanager (Tanagra rubra) „een fraaien dwarsband van gloeiend rood over de kleinere vleugeldekvederen”38; maar deze afwijking schijnt eenigszins zeldzaam te zijn, zoodat het bewaard blijven er van door seksueele teeltkeus alleen onder ongewoon gunstige omstandigheden zou volgen. In Bengalen heeft de gekuifde wespendief (Pernis cristata) hetzij een kleine, of in het geheel geen kuif op zijn kop; zulk een gering verschil zou echter niet waard zijn geweest om te worden opgeteekend, zoo niet deze zelfde soort in zuidelijk Indië „op het achterste gedeelte van den kop een goed uitgedrukte, uit verscheidene trapsgewijze langer wordende vederen bestaande kuif”39, had bezeten.Het volgende geval is in sommige opzichten nog belangwekkender. Een gevlekte verscheidenheid (variëteit) van de raaf, waarvan de kop, borst en onderbuik, en gedeeltelijk ook de vleugels en staartvederen wit zijn, is tot deFaröerbeperkt. Zij is daar niet zeer zeldzaam; want[122]Graba zag gedurende zijn bezoek van acht tot tien levende voorwerpen. Hoewel de kenmerken van deze verscheidenheid niet volkomen standvastig (constant) zijn, is er toch door onderscheidene uitstekende vogelkenners (ornithologen) een afzonderlijke soortnaam aan gegeven. Het feit, dat de gevlekte vogels met veel gedruisch werden nagezeten en vervolgd door de andere raven van het eiland, was de hoofdoorzaak, die er Brünnich toe bracht om te besluiten, dat zij soortelijk verschillend waren; maar men weet nu, dat dit een dwaling was.40In onderscheidene deelen van de noordelijke zeeën wordt een merkwaardige verscheidenheid (variëteit) van den gewonen zeekoet (Uria troile) gevonden, en op deFaröerbehoort, volgens de schatting van Graba, één van elke vijf vogels tot deze verscheidenheid. Zij wordt gekenmerkt door een zuiver witten ring rondom het oog, met een kromme smalle witte streep,3,75centimeter lang, die van uit den ring naar achteren voortloopt. Dit in het oog loopende kenmerk veroorzaakt, dat deze vogel door onderscheidene vogelkenners (ornithologen) als een afzonderlijke soort is gerangschikt onder den naam vanU. lacrymans; maar men weet nu, dat het een bloote verscheidenheid is. Zij paart dikwijls met de gewone soort, en toch zijn er nimmer tusschenbeide liggende overgangsvormen gezien; en dit is ook niet te verwonderen, want afwijkingen die plotseling verschijnen, worden dikwijls, gelijk ik elders41heb aangetoond, hetzij onveranderd, hetzij in het geheel niet overgeplant. Wij zien dus, dat twee verschillende vormen van de zelfde soort in de zelfde streek naast elkander kunnen bestaan, en wij kunnen niet betwijfelen, dat, wanneer de eene eenig groot voordeel boven den anderen had bezeten, hij zich spoedig zou hebben vermeerderd ten koste en met uitsluiting van den andere. Indien, bij voorbeeld, de mannelijke gevlekte raven, in plaats van door hun kameraden te worden vervolgd en verjaagd, in hooge mate aantrekkelijk waren geweest, evenals de bovenvermelde gevlekte pauw, voor de gewone zwarte wijfjes, zou hun aantal spoedig zijn toegenomen.En dit zou een geval van seksueele teeltkeus zijn geweest.42Wat de kleine individueele verschillen die in meerdere of mindere mate aan al de individu’s van de zelfde soort gemeen zijn, aangaat,[123]hebben wij alle reden om te gelooven, dat zij verreweg het belangrijkst zijn voor het werk der teeltkeus. Secundaire seksueele kenmerken zijn bij uitstek onderhevig aan afwijking, zoowel bij dieren in den natuurstaat als bij getemde dieren.43Er is ook reden om aan te nemen, gelijk wij in ons achtste hoofdstuk hebben gezien, dat afwijkingen meer geneigdheid hebben om zich bij de mannelijke dan bij de vrouwelijke sekse voor te doen. Al deze omstandigheden zijn in hooge mate gunstig voor de seksueele teeltkeus. Of op die wijze verkregen kenmerken op ééne sekse of op beide seksen worden overgeplant, hangt, gelijk ik in het volgende hoofdstuk hoop aan te toonen, in de meeste gevallen uitsluitend af van den vorm van erfelijkheid, die bij de groepen in kwestie de overhand heeft.Het is somtijdsmoeilijkzich eenige meening te vormen over de vraag, of zekere geringe verschillen tusschen de seksen van vogels eenvoudig het gevolgd zijn van hun vatbaarheid voor afwijking (veranderlijkheid, variabiliteit) met tot ééne der seksen beperkte erfelijkheid, zonder de hulp van de seksueele teeltkeus, dan wel of zij door de werking dezer laatste zijn vermeerderd. Ik beroep mij hier niet op de tallooze voorbeelden, dat het mannetje pronkt met prachtige kleuren en andere versierselen waarin het wijfje slechts in geringe mate deelt; want het is bijna zeker, dat deze gevallen het gevolg daarvan zijn, dat het mannetje oorspronkelijke kenmerken heeft verkregen en die later in meerdere of mindere mate op het wijfje heeft overgeplant. Wat moeten wij echter besluiten ten opzichte van zekere vogels bij welke, bij voorbeeld, de oogen bij de beide seksen eenigermate in kleur verschillen?44In sommige gevallen verschillen de oogen sterk; zoo zijn bij ooievaars van het geslachtXenorhynchusdie van het mannetje zwartachtig bruin, terwijl die van het wijfje guttegom-geel zijn; bij vele Neushorenvogels (Buceros) hebben, gelijk ik van den heer Blyth45hoor, de mannetjes hoog karmozijnroode en de wijfjes witte oogen. Bij denBuceros bicorniszijn de achterrand van den helm en een streep op den kam van den snavel bij het mannetje zwart, doch bij het wijfje niet. Moeten wij nu veronderstellen, dat deze zwarte merken en de karmozijnen[124]kleur van de oogen bij de mannetjes door seksueele teeltkeus zijn bewaard gebleven of vermeerderd? Dit is zeer twijfelachtig; want de heer Bartlett toonde mij in den Londenschen dierentuin, dat de binnenzijde van den bek van dezenBucerosbij het mannetje zwart en bij het wijfje vleeschkleurig is; en dit werkt niet in op hun uiterlijk aanzien of schoonheid. Ik nam in Chili46waar, dat het regenboogvlies (iris) van den Condor, als hij omtrent een jaar oud is, donkerbruin is, maar op volwassen leeftijd bij het mannetje in geelachtig bruin en bij het wijfje in levendig rood verandert. Het mannetje bezit ookeenkleinen, overlangschen, loodkleurigen, vleeschachtigen kam. Bij vele Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae) dient de kam in hooge mate tot versiering en neemt gedurende de vrijage levendige kleuren aan; maar wat moeten wij denken van den dofgekleurden kam van den Condor, die in onze oogen volstrekt geen versiersel is? De zelfde vraag kan worden gedaan ten opzichte van onderscheidene andere kenmerken, zooals de knobbels aan de basis van de Chineesche gans (Anser cygnoides), die bij het mannetje veel grooter dan bij het wijfje zijn. Geen zeker antwoord kan op deze vragen worden gegeven; maar wij behooren voorzichtig te zijn met de verzekering, dat de knobbels en verschillende vleezige aanhangsels niet aantrekkelijk voor het wijfje kunnen zijn, wanneer wij bedenken, dat bij wilde menschenrassen onderscheidene afgrijselijke misvormingen—diepe litteekens met opgezwollen vleezige randen op het gelaat, een met stokken of beenderen doorboord neusschot, wijd opengerekte gaten in de ooren of lippen—allen als versierselen worden bewonderd.Hetzij onbelangrijke verschillen tusschen de seksen, zooals de juist opgenoemde, al dan niet door de seksueele teeltkeus zijn bewaard, zoo moeten toch die verschillen, even zoo goed als alle andere, oorspronkelijk afhankelijk zijn van de wetten der variatie. Volgens het beginsel van correlatieve ontwikkeling varieert het gevederte dikwijls op verschillende deelen van het lichaam, of over het geheele lichaam, op de zelfde wijze. Wij zien hiervan goede voorbeelden bij sommige hoenderrassen. Bij al de rassen zijn de vederen van den hals en de lendenen van het mannetje verlengd en worden sikkelvederen genoemd; wanneer nu beide seksen een vederkuif verkrijgen, hetgeen een nieuw kenmerk in het geslacht (genus) is, worden de vederen van[125]de kuif van het mannetje sikkelvedervormig, klaarblijkelijk volgens het beginsel van correlatie, terwijl die op den kop van het wijfje van den gewonen vorm zijn. Ook de kleur van de sikkelvederen die de kuif van het mannetje vormen, staat dikwijls in verband met die van de sikkelvederen aan den hals en de lendenen, zooals men kan zien door deze vederen te vergelijken bij de goud- en zilvergevlekte Kuifhoenders, het Houdan- en het Crève-coeur-ras. Bij sommige natuurlijke soorten kunnen wij volkomen het zelfde verband zien tusschen de kleuren van deze zelfde vederen, zooals bij de mannetjes van de prachtige Goudlakensche en Amherst-fazanten.Het maaksel van elkeindividueeleveder veroorzaakt, dat over het algemeen elke verandering in haar kleur symmetrisch is; wij zien dit bij de verschillende gestreepte, gevlekte en gepenseelde hoenderrassen, en volgens het beginsel van correlatie worden de vederen over het geheele lichaam dikwijls op de zelfde wijze gewijzigd.Wij zijn daardoor in staat zonder veel moeite rassen aan te fokken, wier gevederte bijna even symmetrisch van teekening en kleur is, als dat van natuurlijke soorten. Bij gestreepte en gevlekte hoenders zijn de gekleurde randen van de vederen scherp begrensd; maar bij een bastaard, door mij opgekweekt uit een zwarten Spaanschen haan, wiens vederen een groenen weêrschijn hadden, en een witte strijdhen, waren al de vederen groenachtig zwart, behalve aan hun uiteinden die geelachtig wit waren; maar tusschen de witte uiteinden en de zwarte gronddeelen was er op elke veder een symmetrische, gekromde, donkerbruine gordel. In sommige gevallen bepaalt de schacht van de veder de verdeeling van de kleuren; zoo was bij de lichaamsvederen van een bastaard van dezen zelfden Spaanschen haan en een zilvergevlekte Kuifhen de schacht en een nauwe ruimte aan elke zijde daarvan groenachtig zwart, en deze werd omgeven door een regelmatigen gordel van donkerbruin, omzoomd met bruinachtig wit. In deze gevallen zien wij vederen een symmetrische schakeering verkrijgen, evenals die welke zooveel bevalligheid verleenen aan het gevederte van vele natuurlijke soorten. Ik heb ook een verscheidenheid (variëteit) van de gewone duif opgemerkt, wier vleugelbalken symmetrisch door drie lichte schakeeringen waren omzoomd, in plaats van eenvoudig zwart op een leiblauwen grond te zijn, zooals bij de stamsoort.Bij vele groote groepen van vogels kan men opmerken, dat het gevederte bij elke soort verschillend is gekleurd, maar dat toch zekere[126]vlekken, teekeningen en strepen, hoewel eveneens verschillendgekleurd, bij al de soorten bewaard zijn gebleven. Soortgelijke gevallen komen bij de duivenrassen voor, die gewoonlijk de beide vleugelbalken behouden, hoewel zij rood, geel, wit, zwart of blauw gekleurd kunnen zijn, terwijl het overige gevederte van de eene of andere geheel verschillende kleur is. Ziehier een merkwaardig geval waarin sommige teekeningen bewaard zijn gebleven, hoewel op bijna volkomen omgekeerde wijze gekleurd als in den natuurstaat; de oorspronkelijke duif heeft een blauwen staart waaraan de buitenste helft van de naar buiten gekeerde baarden van de twee buitenste staartvederen wit zijn gekleurd; en nu is er een onder-ras dat een witten in plaats van een blauwen staart heeft, doch waarvan juist dat kleine gedeelte zwart is, dat bij de stamsoort wit is.47Vormingswijze en veranderlijkheid (variabiliteit) van de Oogvlekken (Ocelli) op het gevederte van Vogels.—Daar geen versierselen schooner zijn dan de oogvlekken (ocelli) op de vederen van onderscheidene Vogels, op het haarkleed van sommige Zoogdieren, op de schubben van Reptielen en Visschen, op de huid van Amphibiën, op de vleugels van vele Schubvleugeligen (Lepidoptera) en andere Insekten, verdienen zij bijzondere opmerking. Een oogvlek (ocellus) bestaat uit een vlek, omsloten door een ring van een andere kleur, gelijk de pupil van het oog door het regenboogvlies (iris); doch de centrale vlek wordt dikwijls ook nog omringd door bijkomende gelijkmiddelpuntige (concentrische) gordels. De oogvlekken op de staartdekvederen van den pauw leveren daarvan een welbekend voorbeeld en eveneens die op de vleugels van den dagpauwoogvlinder (Vanessa). De heer Triton heeft mij de beschrijving van een Zuid-Afrikaanschen nachtvlinder (Gynanisa Isis), met onzen nachtpauwoogvlinder verwant, gegeven, bij welken een prachtige oogvlek bijna de geheele oppervlakte van elken achtervleugel beslaat; zij bestaat uit een zwart middelpunt, een half doorschijnende halvemaanvormige teekening omsluitende, omringd door opeenvolgende okergele, zwarte, okergele, vleeschkleurige, witte, vleeschkleurige, bruine en witachtige gordels. Hoewel wij de trappen niet kennen, langs welke deze verwonderlijk schoone en samengestelde versierselen zich hebben ontwikkeld, is het proces, ten minste bij insekten, waarschijnlijk eenvoudig geweest; want, gelijk de heer Trimen mij schrijft, „is geen kenmerk dat alleen[127]op teekening en kleur betrekking heeft, bij de Schubvleugeligen (Lepidoptera) zoo onstandvastig als de oogvlekken, zoowel in aantal als in grootte.” De heer Wallace die het eerst mijn aandacht op dit onderwerp vestigde, toonde mij een rij voorwerpen van ons gewone bruine zandoogje (Hipparchia Janira), talrijke overgangen van een eenvoudige kleine zwarte vlek tot een bevallig geschakeerde oogvlek vertoonende. Bij een Zuid-Afrikaansche kapel (Cyllo Leda, Linn.), tot de zelfde Familie behoorende, zijn de oogvlekken nog veranderlijker. Bij sommige voorwerpen (A, Fig.49) zijn groote ruimten op het bovenvlak der vleugels zwart gekleurd en omsluiten onregelmatige witte teekeningen; en van dezen staat af kan men een onafgebroken reeks overgangsvormen volgen tot een tamelijk volkomen oogvlek (A1) en dit is het gevolg van de samentrekking der onregelmatige gekleurde vlekken. Bij een andere reeks voorwerpen kan men den overgang volgen van uiterst kleine puntjes, door eennauwelijkszichtbare zwarte lijn omgeven (B), tot volkomen symmetrische en groote oogvlekken (B1).48In gevallen als deze, vereischt de ontwikkeling van een volkomen oogvlek geen lange reeks afwijkingen of langdurige inwerkingen der teeltkeus.
Als de seksen verschillen in schoonheid, in zangvermogen of in het voortbrengen van hetgeen ik instrumentale muziek heb genoemd, is het bijna altijd het mannetje dat het wijfje overtreft. Deze hoedanigheden zijn, zooals wij straks zagen, klaarblijkelijk hoogst belangrijk voor het mannetje. Als zij slechts voor een gedeelte van het jaar worden verkregen, is dit altijd kort voor den paartijd. Alleen het mannetje pronkt zorgvuldig met zijn verschillende bekoorlijkheden en voert dikwijls vreemde vertooningen op den grond of in de lucht in tegenwoordigheid van het wijfje uit. Elk mannetje verjaagt, of doodt, als hij kan, al zijn medeminnaars. Hieruit mogen wij besluiten, dat het doel van het mannetje is om het wijfje er toe te brengen met hem te paren, en om dit doel te bereiken, tracht hij haar op onderscheidene wijzen op te wekken of te bekoren; en dit is de meening van allen die de gewoonten van levende vogels met zorg hebben bestudeerd. Er blijft echter een vraag over, die een hoogst belangrijke beteekenis heeft voor de seksueele teeltkeus, namelijk of elk mannetje van de zelfde soort het wijfje in even hooge mate opwekt en aantrekt, dan wel of zij een keus doet en aan zekere mannetjes de voorkeur geeft. Het laatste kan bevestigend worden beantwoord op grond van vele directe en indirecte bewijzen. Het is veel moeilijker te beslissen, welke hoedanigheden de keus van het wijfje bepalen; maar wij hebben hier wederom eenige[97]directe en indirecte bewijzen, dat het in groote mate de uitwendige aantrekkelijkheden van het mannetje zijn, hoewel ongetwijfeld zijn kracht, moed en andere geestvermogens in het spel komen. Wij zullen met de indirecte bewijzen beginnen.
Langdurigheid der Vrijage.—De lange tijd gedurende welken beide seksen van zekere vogels den eenen dag voor en den anderen na op een vaste plaats samenkomen, hangt ongetwijfeld gedeeltelijk daarvan af, dat de vrijage een langdurige zaak is, en gedeeltelijk van de herhaling der paring. Zoo duren in Skandinavië de „balzen” of „leks” van de korhoenders van het midden van Maart af, gedurende de geheele maand April tot in Mei toe. Niet minder dan veertig of vijftig, of zelfs meer vogels komen op de „leks” te zamen; en de zelfde plaats wordt dikwijls gedurende achtereenvolgende jaren bezocht. De „lek” van den grooten auerhaan duurt van het einde van Maart tot het midden of zelfs het einde van Mei. In Noord-Amerika „duren de patrijzendansen” vanTetrao phasianellus„een maand of langer.” Andere soorten van Boschhoenders zoowel in Noord-Amerika als in Siberië1hebben omtrent de zelfde gewoonten. De vogelaars ontdekken de hoogten waar de kemphanen samenkomen, doordat het gras er kaal is geloopen, en dit bewijst, dat de zelfde plaats gedurende langen tijd wordt bezocht. De Indianen van Guiana zijn goed bekend met de schoongemaakte open plaatsen waar zij verwachten de schoone Rotshanen („Cocks of the Rock”) te vinden; en de inboorlingen van Nieuw-Guinea kennen de boomen waar van tien tot twintig mannelijke Paradijsvogels in hun vollen vedertooi te zamen komen. In dit laatste geval is niet uitdrukkelijk vermeld, dat de wijfjes zich op de zelfde boomen verzamelen; doch de jagers zullen waarschijnlijk, als het hun niet bijzonder wordt gevraagd, haar tegenwoordigheid niet vermelden, daar haar vellen geen waarde hebben. Kleine troepjes van een Afrikaanschen wevervogel (Ploceus) komen gedurende den paartijd samen en voeren uren lang hun bevallige bewegingen uit. Groote getallen van de poelsnip (Scolopax major) verzamelen zich gedurende de schemering in een moeras, en de zelfde plaats wordt met het zelfde doel gedurende achtereenvolgende[98]jaren bezocht; men kan ze daarop zien rondloopen, „gelijk even zoovele groote ratten”, hun vederen opzettende, met hun vleugels kleppende en de vreemdste geluiden voortbrengende.2
Sommige van de bovenvermelde vogels, namelijk het korhoen, het groote auerhoen, het fazanten-boschhoen, de kemphaan, de poelsnip, en wellicht eenige andere, leven, naar men gelooft, in veelwijverij. Men zou hebben kunnen denken, dat bij dergelijke vogels de sterkere mannetjes eenvoudig de zwakkere weggejaagd, en dan op eens zoovele wijfjes, als mogelijk was, in bezit zouden hebben genomen; indien het echter voor het mannetje noodzakelijk was, om het wijfje op te wekken of haar te behagen, kunnen wij den langen duur der vrijage en het samenkomen van zoovele individu’s van beide seksen op de zelfde plaats begrijpen. Sommige soorten die strikt eenwijvig zijn, „houden bruiloftsbijeenkomsten”; dit schijnt het geval te zijn in Skandinavië met een van de Sneeuwhoenders, wiens „leks” van het midden van Maart tot het midden van Mei duren. In Australië vormt de liervogel (Menura superba) „kleine ronde heuvels”, en deMenura Albertigraaft zich ondiepe holen, of, gelijk zij door de inboorlingen worden genoemd, „corroborying places”(1)uit, waar men gelooft, dat beide seksen bijeenkomen. De bijeenkomsten vanM. superbazijn dikwijls zeer talrijk; en onlangs is een verhaal publiek gemaakt3door een reiziger die in een vallei beneden hem, dicht met struiken begroeid, „een gedruisch” hoorde, „dat hem volkomen in verbazing bracht”: naar beneden klauterende, zag hij tot zijn verwondering omtrent honderdvijftig prachtige liervogels, „in slagorde gerangschikt, met onbeschrijfelijke woede met elkander vechten.” De priëelen van de priëelvogels worden gedurende den paartijd door beide seksen bezocht; „daarin komen de mannetjes samen en strijden met elkander om de gunst van het wijfje, en daarin komen de wijfjes samen en coquetteeren met de mannetjes.” Bij twee der geslachten wordt het zelfdepriëelvele jaren achtereen bezocht.4[99]
De weleerw. heer W. Darwin Fox heeft mij medegedeeld, dat de eksters (Corvus pica, Linn.) uit alle deelen van het Delamere-woud bijeen plachten te komen om het groote eksterhuwelijk te vieren. Eenige jaren geleden waren deze vogels buitengewoon talrijk, zoodat een jachtopziener er op éénen morgen negentien doodde en een ander met een enkel schot zeven bij elkander zittende vogels tegelijk doodde. Terwijl zij zoo talrijk waren, hadden zij de gewoonte om zeer vroeg in de lente op bijzondere plaatsen samen te komen, waar men ze in troepen kon zien, snappende, somtijds vechtende, in de boomen heên en weêr dribbelende, en vliegende. De geheele zaak werd door de vogels klaarblijkelijk beschouwd als van het hoogste belang. Kort na de bijeenkomst scheidden zij allen, en de heer Fox en anderen merkten op, dat zij dan voor het jaargetijde waren gepaard. In de eene of andere streek waar een soort niet zeer talrijk is, kunnen natuurlijk geen groote bijeenkomsten worden gehouden, en de zelfde soort heeft wellicht in verschillende landen verschillende gewoonten. Ik heb bij voorbeeld nergens medegedeeld gevonden, dat de korhoenders in Schotland geregelde bijeenkomsten houden, en toch zijn die bijeenkomsten in Duitschland en Skandinavië zoo wel bekend, dat zij bijzondere namen dragen.
Ongepaarde Vogels.—Uit de nu medegedeelde feiten mogen wij besluiten, dat bij vogels, tot zeer verschillende groepen behoorende, de vrijage dikwijls een langdurige, teedere en lastige zaak is. Er is zelfs reden om te vermoeden, hoe onwaarschijnlijk dit ook in het eerst moge schijnen, dat sommige mannetjes en wijfjes van de zelfde soort, de zelfde streek bewonende, elkander niet altijd behagen en bijgevolg niet paren. Vele verhalen zijn publiek gemaakt van hetzij het mannetje of het wijfje van een paar, dat was doodgeschoten, en spoedig door een ander werd vervangen. Dit is veelvuldiger waargenomen bij den ekster, dan bij eenigen anderen vogel, wellicht ten gevolge van zijn opzichtig uiterlijk en nest. De vermaarde Jenner verhaalt, dat in Wiltshire één van een paar dagelijks niet minder dan zevenmaal achtereen werd doodgeschoten, „maar alles te vergeefs, want de overblijvende ekster vond weldra een ander gezel”; en het laatste paar kweekte hun jongen op. Over het algemeen wordt den volgenden dag een gezel gevonden; maar de heer Thompson deelt een geval mede, waarin er een reeds op den avond van den zelfden dag werd vervangen. Zelfs nadat de eieren zijn uitgebroeid, zal er, indien een der oude vogels wordt gedood,[100]dikwijls een gezel worden gevonden; dit geschiedde na verloop van twee dagen in een geval, onlangs door een van Sir J. Lubbock’s opzichters waargenomen.5De eerste en meest voor de hand liggende onderstelling is, dat de mannelijke eksters veel talrijker moeten zijn dan de vrouwelijke, en dat in de bovenvermelde gevallen, zoowel als in vele andere die nog zouden kunnen worden medegedeeld, alleen de mannetjes waren gedood. Dit schijnt in sommige gevallen steek te houden; want de jachtopzichters in het Delamere-woud verzekerden den heer Fox, dat de eksters en kraaien die zij vroeger achtereenvolgens in grooten getale nabij hun nesten doodden, allen mannetjes waren, en zij verklaarden dit feit, doordat de mannetjes gemakkelijker werden gedood, terwijl zij aan de op de eieren zittende wijfjes voedsel brachten. Macgillivray geeft echter, op autoriteit van een uitnemend waarnemer, een voorbeeld van drie eksters, achtereenvolgens op het zelfde nest gedood, die allen wijfjes waren; en een ander geval van zes eksters achtereenvolgens gedood, terwijl zij op de zelfde eieren zaten, hetgeen het waarschijnlijk maakt, dat zij allen wijfjes waren, hoewel het mannetje, gelijk ik van den heer Fox hoor, op de eieren zal gaan zitten, als het wijfje is gedood.
De jachtopzichter van den heer Lubbock heeft herhaaldelijk, maar hoevele malen kon hij niet zeggen, één van een paar Vlaamsche gaaien (Garrulus glandarius) geschoten, en het miste nooit, of kort daarna vond hij den overlever opnieuw gepaard. De weleerw. heer W. D. Fox, de heer F. Bond en anderen hebben één van een paar kraaien (Corvus corone) geschoten; maar het nest werd weldra opnieuw bewoond. Deze vogels zijn vrij algemeen; maarFalco peregrinusis zeldzaam, en toch getuigt de heer Thompson, dat, wanneer in Ierland „hetzij een oud mannetje of een wijfje in den paartijd wordt gedood (hetgeen geen ongewone omstandigheid is), in zeer weinig dagen een ander gezel wordt gevonden, zoodat de nesten, niettegenstaande dergelijke gebeurlijkheden, zeker zijn hun aandeel jongen te leveren.” De heer Jenner Weir wist, dat het zelfde gebeurde metFalco peregrinuste Beachy Head. De zelfde waarnemer meldt mij, dat drie torenvalken (Falco tinnunculis), allen mannetjes, achtereenvolgens werden gedood, terwijl zij het zelfde nest bezochten; twee daarvan waren in vollen[101]vederdos, en de derde in het gevederte van het vorige jaar. Een geloofwaardig jachtopzichter in Schotland verzekerde den heer Birkbeck, dat zelfs bij den zeldzamen gouden arend (Aquila chrysaëtos), wanneer de eene is gedood, spoedig een andere wordt gevonden. Evenzoo heeft men waargenomen, dat bij den kerkuil (Strix flammea) „de overlever weldra een gezel vond en het ongeluk voorbijging.”
White van Selborne, die het geval van den uil mededeelt, voegt er bij, dat hij een man heeft gekend, die, daar hij geloofde, dat de patrijzen, als zij waren gepaard, door het vechten der mannetjes werden verontrust, hen placht dood te schieten; en hoewel hij het zelfde wijfje verscheidene malen weduwe had gemaakt, was zij altijd spoedig van een nieuwen gezel voorzien. Deze zelfde natuuronderzoeker beval de musschen dood te schieten, die de muurzwaluwen van haar nesten beroofden; maar degeen die overbleef, „hetzij het een mannetje of een wijfje was, verkreeg dadelijk een gezel, en dat verscheidene malen achtereen.” Ik zou hier soortgelijke gevallen kunnen bijvoegen, betrekking hebbende op den vink, den nachtegaal en het roodstaartje. Ten opzichte van den laatsten vogel (Phoenicura ruticilla) merkt de schrijver op, dat hij in geenen deele algemeen was in den omtrek, en hij geeft veel verwondering er over te kennen, dat het op de eieren zittende wijfje zoo spoedig met goeden uitslag bekend kon maken, dat zij weduwe was. De heer Jenner Weir heeft mij een bijna gelijksoortig geval medegedeeld: te Blackheath ziet of hoort hij nimmer den zang van den wilden goudvink, en toch kwam gewoonlijk, wanneer een zijner in kooien opgesloten mannetjes was gestorven, een wild mannetje in den loop van weinige dagen en ging bij het weduwe geworden wijfje zitten, wier loktoon verre van luid is. Ik zal slechts één ander feit mededeelen op autoriteit van dezen zelfden waarnemer; van een paar spreeuwen (Sturnus vulgaris) werd er één in den morgen doodgeschoten; ’s middags was een nieuwe gezel gevonden; deze werd wederom doodgeschoten; maar vóór den nacht was het paar volledig, zoodat de troostelooze weduwe of weduwnaar gedurende den zelfden dag driemaal werd vertroost. De heer Engleheart meldt mij ook, dat hij gedurende verscheidene jaren gewoon was één van een paar spreeuwen dood te schieten, die in een gat in een huis te Blackheath hun nest bouwden; maar het verlies werd dadelijk hersteld.Gedurende één jaargetijde hield hij er aanteekening van en vond, dat hij vijf-en-dertig vogels van het zelfde nest had doodgeschoten; deze bestonden zoowel uit mannetjes[102]als uit wijfjes, maar in welke verhouding kan hij niet zeggen; desniettemin werden na al deze vernieling nog jongen opgekweekt.6
Deze feiten zijn zeker opmerkelijk. Hoe komt het, dat zoovele vogels in staat zijn om een verloren gezel dadelijk te vervangen? Eksters, Vlaamsche gaaien, kraaien, patrijzen en sommige andere vogels worden gedurende het voorjaar nooit alleen gezien, en deze leveren op het eerste gezicht het moeilijkst te verklaren geval op. Vogels van de zelfde sekse leven echter, hoewel natuurlijk niet wezenlijk gepaard, somtijds bij paren of in kleine troepjes, zooals bekend is, dat met duiven en patrijzen het geval is. Somtijds leven de vogels ook bij drietallen, zooals bij spreeuwen, kraaien, papegaaien en patrijzen is waargenomen. Bij patrijzen zijn voorbeelden bekend zoowel van twee wijfjes die met één mannetje, als van twee mannetjes die met één wijfje leefden. In alle dergelijke gevallen is het waarschijnlijk, dat de vereeniging gemakkelijk zou worden verbroken. Men kan de mannetjes van sommige vogels nu en dan met hun liefdezang zien voortgaan lang na den gewonen tijd, hetgeen aantoont, dat zij een gezellin hebben verloren of nimmer verkregen. De dood van één van een paar, hetzij door ongeval of door ziekte, zou den anderen vogel vrij en alleen overlaten; en er is reden om te gelooven, dat vrouwelijke vogels gedurende den paartijd bijzonder onderhevig zijn aan een vroegtijdigen dood. Evenzoo zouden vogels wier nesten verwoest waren geworden of onvruchtbare paren, of achterlijke individu’s, er gemakkelijk toe komen om hun gezellen te verlaten, en zouden waarschijnlijk blijde zijn, als zij eenig deel konden nemen aan de genoegens en de plichten van de opkweeking van jongen, al waren die hun eigen ook niet.7Dergelijke[103]gebeurlijkheden als deze verklaren waarschijnlijk de meeste der voorgaande gevallen.8Desniettemin is het een vreemd feit, dat er in ééne en de zelfde streek, gedurende het toppunt van den paartijd, altijd zoovele mannetjes en wijfjes gereed zouden staan om het verlies van een gepaarden vogel te vergoeden. Waarom paren dergelijke overgebleven vogels niet onmiddellijk met elkander? Hebben wij niet enige reden om te vermoeden, en dit vermoeden is bij den heer Jenner Weir opgekomen, dat het, daar de vrijage bij vele vogels een langdurige en vervelende zaak schijnt te zijn, nu en dan gebeurt, dat zekere mannetjes en wijfjes er gedurende den eigenlijken paartijd niet in slagen om elkanders liefde op te wekken, en bij gevolg niet paren? Dit vermoeden zal iets minder onwaarschijnlijk voorkomen, nadat wij zullen hebben gezien, welk een sterken tegenzin en voorkeur vrouwelijke vogels nu en dan jegens bijzondere mannetjes toonen.
Geestvermogens der Vogels en hun smaak voor het schoone.—Voor wij verder de vraag bespreken, of de wijfjes de meest aantrekkelijke mannetjes uitkiezen, of zich afgeven met den eersten den besten dien zij ontmoeten, zal het raadzaam zijn kortelijks de geestvermogens der vogels te beschouwen. Hun rede wordt gewoonlijk en wellicht terecht, voor weinig ontwikkeld gehouden; maar toch kunnen eenige feiten worden aangevoerd9, die tot een tegenovergesteld besluit leiden. Weinig[104]ontwikkelde redeneerende vermogens zijn echter, gelijk wij bij den mensch zien, vereenigbaar met sterke genegenheid, een scherp waarnemingsvermogen en smaak voor het schoone, en het is met deze laatste hoedanigheden, dat wij hier hebben te maken. Men heeft dikwijls gezegd, dat papegaaien zich zoo sterk aan elkander hechten, dat, wanneer de eene sterft, de andere gedurende langen tijd kwijnt; maar de heer Jenner Weir denkt, dat bij de meeste vogels de sterkte van hun genegenheid voor elkander zeer overdreven is geworden. Desniettemin heeft men, als één van een paar in den natuurstaat werd doodgeschoten, den overlever dagen achtereen een klaagtoon hooren voortbrengen; en de heer St. John10deelt verscheidene feiten mede, waaruit de wederkeerige gehechtheid van gepaarde vogels blijkt. De heer Bennet verhaalt11, dat in China, nadat een woerd van het fraaie madarijnras was gestolen, de eend ontroostbaar bleef, hoewel haar vlijtig het hof werd gemaakt door een anderen madarijn-woerd die al zijn bekoorlijkheden voor haar tentoonspreidde. Na verloop van drie weken kreeg men den gestolen woerd terug, en dadelijk herkende het paar elkander met de uiterste vreugde. Spreeuwen kunnen echter, gelijk wij hebben gezien, op een enkelen dag driemaal over het verlies van hun gezel worden getroost. In den Londenschen Dierentuin hebben papegaaien hun vroegere meesters duidelijk herkend na een tijdsverloop van eenige maanden. Duiven hebben zulk een uitnemend geheugen voor plaatsen, dat men ze na een tijdsverloop van negen maanden naar hun vroegere woningen heeft zien terugkeeren, en toch hoor ik van den heer Harrison Weir, dat, als men een paar dat in den natuurstaat levenslang met elkander zou blijven leven, in den winter gedurende eenige weinige weken van elkander scheidt en met andere vogels doet paren, de beide vogels, als men ze weder bij elkander brengt, zelden, zoo ooit, elkander herkennen.[105]
Vogels geven soms blijken van welwillende gevoelens; zij zullen de verlaten jongen zelfs van andere soorten voeden; maar dit moet wellicht als een vergissing van het instinkt worden beschouwd. Zij zullen ook, gelijk in een vroeger gedeelte van dit werk is aangetoond, volwassen vogels van hun eigen soort, die blind zijn geworden, voeden. De heer Buxton geeft een merkwaardig verhaal van een papegaai die zorg droeg voor een door de vorst beschadigden en verminkten vogel van een andere soort, zijn vederen schoon maakte en hem verdedigde tegen de aanvallen van de andere papegaaien die vrij in zijn tuin omzwierven. Het is een nog merkwaardiger feit, dat deze vogels blijkbaar eenig medegevoel toonen voor de genoegens hunner makkers. Toen een paar kakatoe’s een nest in een acaciaboom maakten, „was het koddig om te zien, welk een buitensporig belang de anderen van de zelfde soort in die zaak stelden.” Deze papegaaien gaven ook bewijzen van onbegrensde nieuwsgierigheid en bezaten blijkbaar het „denkbeeld van eigendom en bezit.”12
Vogels bezitten scherpe waarnemingsvermogens. Iedere gepaarde vogel herkent natuurlijk zijn gezel. Audubon verhaalt, dat van de spotlijsters der Vereenigde Staten (Mimus polyglottus) een zeker aantal gedurende het geheele jaar in Louisiana blijven, terwijl de anderen naar de oostelijke staten verhuizen; deze laatsten worden bij hun terugkomst dadelijk door hun zuidelijke broeders herkend en altijd aangevallen. Vogels in gevangen staat onderscheiden verschillende personen, gelijk wordt bewezen door den sterken en blijvenden tegenzin of genegenheid die zij, schijnbaar zonder eenige reden, voor zekere individu’s vertoonen.Ik heb daarvan talrijke voorbeelden gehoord bij Vlaamsche gaaien, patrijzen, kanarievogels en vooral goudvinken. De heer Hussey heeft beschreven, op hoe buitengewone wijze een tamme patrijs iedereen herkende, en zijn genegenheid en afkeer waren zeer sterk. De vogel scheen „verzot op levendige kleuren, en men kon geen nieuwe japon aantrekken of nieuwe muts opzetten zonder zijn aandacht op te wekken.”13De heer Hewitt heeft zorgvuldig de gewoonten van eenige eenden (van voor korten tijd getemde vogels afstammende) beschreven die bij de nadering van een wilden hond of kat hals over kop naar het water snelden en zich uitputten in hun pogingen om te ontsnappen;[106]maar des heeren Hewitt’s eigen honden of katten kenden zij zoo goed, dat zij vlak bij hen gingen liggen om zich in de zon te koesteren. Zij vluchtten altijd weg voor een vreemdeling en even zoo ook voor de dame die hen verzorgde, als deze de eene of andere groote verandering in haar kleeding maakte. Audubon verhaalt, dat hij een wilden kalkoen opkweekte en temde, die altijd wegliep voor elken vreemden hond; deze vogel ontsnapte in het woud, en eenige dagen later zag Audubon, gelijk hij dacht, een wilden kalkoen en liet er zijn hond jacht op maken; maar tot zijn verwondering liep de vogel niet weg, en viel de hond, toen hij er bij kwam, den vogel niet aan; want zij herkenden elkander wederkeerig als oude vrienden.14(2)
De heer Jenner Weir is overtuigd, dat vogels bijzondere aandacht wijden aan de kleuren van andere vogels, somtijds uit ijverzucht, en somtijds als een teeken van verwantschap. Zoo zette hij een rietgors (Emberiza schoeniclus), die zijn zwarten kop had verkregen, in zijn vogelhuis (volière) en geen der vogels sloeg op den nieuw aangekomene acht, behalve een goudvink, die ook een zwarten kop heeft. Deze goudvink was een zeer rustige vogel en had vroeger nooit met een zijner kameraden, een andere rietgors die nog geen zwarten kop had gekregen, daaronder begrepen, twist gehad; maar de rietgors met een zwarten kop werd zoo ongenadig behandeld, dat hij uit het vogelhuis (volière) moest worden genomen. De heer Weir was ook genoodzaakt er een roodborstje uit te nemen, daar dit alle vogels die eenig rood in hun gevederte hadden, maar geen andere soorten, heftig aanviel; het doodde werkelijk een roodborstigen kruisbek en bijna ook een distelvink. Hij heeft van den anderen kant ook opgemerkt, dat sommige vogels, als zij pas in zijn vogelhuis (volière) werden gebracht, naar de soorten toe vlogen, die in kleur het meest op hen geleken, en zich aan hun zijde neêrzetten.
Fig. 48.Fig. 48.Priëelvogel (Chlamydera maculata) met zijnpriëel(naar Brehm).
Fig. 48.
Priëelvogel (Chlamydera maculata) met zijnpriëel(naar Brehm).
Daar mannelijke vogels met zooveel zorg met hun schoon gevederte en andere versierselen in tegenwoordigheid van de wijfjes pronken, is het blijkbaar waarschijnlijk, dat deze de schoonheid harer minnaars waardeeren. Het is echtermoeilijkom directe bewijzen te verkrijgen van hun vermogen om schoonheid te waardeeren. Wanneer vogels hun eigen beeld in een spiegel aanstaren (waarvan vele voorbeelden[107]zijn opgeteekend), kunnen wij niet met zekerheid zeggen, dat dit niet uit ijverzucht op een onderstelden mededinger is, hoewel dit niet het besluit van sommige waarnemers is. In andere gevallen is het moeilijk te onderscheiden tusschen bloote nieuwsgierigheid en bewondering. Het[108]is wellicht het eerste gevoel dat, gelijk Lord Lilford getuigt15, den kemphaan tot elk helder gekleurd voorwerp trekt, zoodat hij op de Jonische eilanden „op een levendig gekleurden zakdoek zal neêrschieten, zonder op herhaalde schoten te letten.” De gewone leeuwerik wordt uit de lucht naar omlaag gelokt en in grooten getale gevangen, door een kleinen spiegel dien men in beweging brengt, zoodat hij in de zon glinstert. Is het bewondering of nieuwsgierigheid, die er den ekster, de raaf en sommige andere vogels toe brengt, om schitterende voorwerpen, zooals zilveren sieraden of juweelen, te stelen en te verbergen?
De heer Gould zegt, dat sommige kolibri’s de buitenzijde hunner nesten „uiterst smaakvol” versieren; „zij hechten daaraan instinktmatig fraaie platte stukken van korstmossen vast, de grootste in het midden en de kleinere op het deel dat aan den tak is vastgehecht. Nu en dan wordt een fraaie veder er aan de buitenzijde ingevlochten of op vastgemaakt terwijl de schacht daarbij steeds zoo wordt geplaatst, dat de vlag aan de buitenzijde uitsteekt.” Het beste bewijs van een smaak voor het schoone wordt echter opgeleverd door de drie reeds vermelde geslachten van Australische priëelvogels. Hun priëelen (Fig.48), waarin de seksen samenkomen en vreemde vertooningen uitvoeren, worden op verschillende wijze gebouwd; maar, wat ons het meest aangaat, is, dat zij door de onderscheidene soorten op verschillende wijze worden versierd. De Priëelvogel verzamelt levendig gekleurde voorwerpen, zooals de blauwe staartvederen van parkieten, gebleekte beenderen en schelpen die hij tusschen de twijgen steekt, of aan den ingang schikt. De heer Gould vond in een priëel een net bewerkte steenen tomahawk en een reepje blauw katoen, blijkbaar uit een legerplaats der inboorlingen weggenomen. Deze voorwerpen worden door de vogels, wanneer zij aan het spel zijn, voortdurend opnieuw geschikt en rond gedragen. Het priëel van den gevlekten priëelvogel „is fraai bekleed met groote grashalmen, zoo gerangschikt, dat de toppen elkander bijna ontmoeten, en de versierselen zijn zeer overvloedig.” Ronde steentjes worden gebruikt om de grashalmen op hun plaats te houden en om uiteenloopende paadjes te maken, die naar het priëel leiden. De steentjes en schelpen worden dikwijls van een grooten afstand aangevoerd. De regentvogel versiert, volgens de beschrijving van den heer Ramsay,[109]zijn kort priëel met gebleekte slakkenhuizen, tot vijf of zes soorten behoorende, en met „bessen van verschillende kleuren, blauw, rood en zwart, die het, wanneer zij versch zijn, een zeer fraai aanzien geven. Behalve deze waren er onderscheidene pas opgepikte bladeren en jonge scheuten van een bleekroode kleur, terwijl het geheel stellig smaak voor het schoone bewees.” Wel mag de heer Gould zeggen: „deze sterk versierde vergaderplaatsen moeten worden beschouwd als de meest wondervolle voorbeelden van de bouwkunst der vogels, die tot dusver zijn ontdekt”; en, gelijk wij zien,verschilt ongetwijfeld de smaak der onderscheidene soorten.16
Voorkeur door de Wijfjes jegens bijzondere Mannetjes getoond.—Na deze voorafgaande opmerkingen omtrent het onderscheidingsvermogen en den smaak van vogels, zal ik alle mij bekende feiten mededeelen, die betrekking hebben op de voorkeur,door het wijfje voor bijzondere mannetjes getoond. Het is zeker, dat verschillende soorten van vogels in den natuurstaat nu en dan met elkander paren en bastaarden voortbrengen. Vele voorbeelden zouden daarvan kunnen worden aangehaald: zoo verhaalt Macgillivray hoe een mannelijke merel en een vrouwelijke lijster, „op elkander verliefd werden”, en jongen voortbrachten.17Verscheidene jaren geleden zijn achttien gevallen opgeteekend van het voorkomen in Groot-Brittannië van bastaarden tusschen het korhoen en den fazant18; maar de meeste dezer gevallen kunnen wellicht worden verklaard, doordat enkele vogels geen van hun eigen soort vinden om mede te paren. Bij andere vogels zijn, gelijk de heer Jenner Weir reden heeft te gelooven, bastaarden soms het gevolg van den toevalligen omgang tusschen vogels die in elkanders onmiddellijke nabijheid hun nest bouwen. Deze opmerkingen zijn echter niet toepasselijk op de vele opgeteekende voorbeelden van tamme vogels, tot verschillende soorten behoorende, die volkomen betooverd door elkander waren, hoewel zij in gezelschap van individu’s hunner eigen soort leefden. Zoo verhaalt Waterton19, dat een wijfje, tot een toom[110]van drie-en-twintig Canada-ganzen behoorende, met een eenzaam levende mannelijke rotgans paarde, hoewel deze zoozeer in uiterlijk en grootte van haar verschilde, en dat zij bastaardkroost voortbrachten. Van een mannelijke smient (Mareca penelope), met een wijfje van de zelfde soort levende, is het bekend, dat hij met een pijlstaarteend (Querquedula acuta) paarde. Lloyd beschrijft de opmerkelijke wederkeerige gehechtheid van een mannelijke schildeend (Tadorna vulpanser) en een gewone eend. Nog vele voorbeelden zouden hieraan kunnen worden toegevoegd; en de weleerw. heer E.S. Dixon merkt op, dat „zij die vele verschillende soorten van ganzen tegelijkertijd hebben gehouden, wel weten, welke onverklaarbare genegenheden zij dikwijls voor elkander opvatten, en dat zij even gaarne paren en jongen voortbrengen met individu’s van een ras dat schijnbaar het meest verschillend van hen is, als met hun eigen ras.”
De weleerw. heer W. D. Fox meldt mij, dat hij tegelijkertijd een paar Chineesche ganzen (Anser cygnoides) en een gewonen ganzerik met drie ganzen heeft bezeten. De beide soorten leefden elk geheel op zich zelf, tot de Chineesche ganzerik een van de gewone ganzen verleidde om met hem te leven.Daarenboven waren van de jonge vogels, opgekweekt uit de eieren der gewone ganzen, slechts vier zuiver, terwijl de achttien anderen bastaarden bleken te zijn; zoodat de Chineesche ganzerik veel grooter bekoorlijkheden schijnt te hebben bezeten, dan de gewone ganzerik. Ik wil nog slechts één ander geval mededeelen: de heer Hewitt verhaalt, dat een in gevangen staat opgekweekte wilde eend, „na een paar jaren met haar eigen woerd te hebben geleefd, hem op eens verstootte, toen ik een mannelijke pijlstaarteend in het water plaatste. Het was blijkbaar een geval van liefde op het eerste gezicht; want zij zwom naar den nieuw aangekomene heên en overlaadde hem met liefkozingen, hoewel hij blijkbaar verontrust door en afkeerig van haar liefdesbetuigingen scheen. Van dat uur af vergat zij haar ouden minnaar. De winter ging voorbij en in de volgende lente scheen de pijlstaartwoerd te zijn overgehaald door haar liefkozingen; want zij nestelden te zamen en brachten zeven of acht jongen voort.”
Wat de bekoring in deze verschillende gevallen mag zijn geweest,[111]behalve eenvoudig de nieuwheid, kunnen wij zelfs niet gissen. De kleur komt echter soms in het spel; want als men bastaarden wil verkrijgen van het sijsje (Fringilla spinus) en den kanarievogel, slaagt men, volgens Bechstein, verreweg het best, als men vogels van de zelfde kleur bij elkander zet. De heer Jenner Weir zette een vrouwelijken kanarievogel in zijn vogelhuis (volière), waarin zich mannelijke kneutjes, distelvinken, sijsjes, groenlingen, vinken en andere vogels bevonden om te zien, welken zij zou kiezen; maar er was nooit eenige twijfel en de groenling behaalde de zegepraal. Zij paarden en brachten bastaardkroost voort.
Bij de leden van de zelfde soort trekt het feit, dat hetwijfjeliever met het eene mannetje paart dan met het andere, niet zoo gemakkelijk de aandacht, als wanneer dit tusschen verschillende soorten plaats heeft. Dergelijke gevallen kunnen het best worden waargenomen bij tamme of opgesloten vogels; maar deze zijn dikwijls door overvloedig voedsel weelderig gemaakt en hun instinkten zijn dikwijls uitermate bedorven. Van dit laatste feit zou ik voldoende bewijzen kunnen geven ten opzichte van duiven, en vooral van hoenders, doch zij kunnen hier niet worden medegedeeld. Bedorven instinkten kunnen wellicht ook eenige van de bastaardvereenigingen verklaren, waarop boven is gezinspeeld; maar in vele van deze gevallen waren de vogels in de gelegenheid zich vrijelijk over groote vijvers te verspreiden, en is er geen reden om te veronderstellen, dat zij onnatuurlijk werden geprikkeld door overvloedig voedsel.
Ten opzichte van vogels in den natuurstaat is de eerste en meest voor de hand liggende veronderstelling die iedereen zal invallen, dat het wijfje zich in den paartijd aan het eerste mannetje het beste dat zij ontmoet, overgeeft; maar zij is ten minste in de gelegenheid om een keus te doen, daar zij bijna onveranderlijk door vele mannetjes wordt vervolgd. Audubon—en wij moeten bedenken, dat hij een lang leven doorbracht met in de bosschen der Vereenigde Staten rond te zwerven en daar waarnemingen omtrent de vogels te doen—betwijfelt niet, dat het wijfje met overleg haar gezel kiest; zoo zegt hij van een specht sprekende, dat het wijfje door een half dozijn vroolijke vrijers wordt gevolgd, die voortgaan met vreemdsoortige vertooningen uit te voeren, „totdat zij aan een van hen duidelijk de voorkeur geeft.” Het wijfje van den roodvleugeligen spreeuw (Agelaiusphoeniceus) wordt ook door onderscheidene mannetjes vervolgd, „totdat zij, moede wordende, neêrstrijkt,[112]hun liefdebetuigingen ontvangt, en weldra een keus doet.” Hij beschrijft ook hoe onderscheidene mannelijke nachtzwaluwen herhaaldelijk met verbazende snelheid door de lucht duiken, zich daarbij plotseling omkeeren, en op die wijze een vreemdsoortig geluid voortbrengen; „maar zoodra het wijfje een keus heeft gedaan, worden onmiddellijk de andere mannetjes weggejaagd.” Bij een van de gieren (Cathartes aura) van de Vereenigde Staten verzamelen zich troepen van acht of tien of meer mannetjes en wijfjes op omgevallen boomstammen, „de sterkste begeerte om wederkeerig te behagen aan dendagleggende”, en na vele liefkozingen vliegt elk mannetje met zijn gezellin weg. Audubon nam ook de wilde vluchten van Canada-ganzen (Anser Canadensis) zorgvuldig waar, en geeft een levendige beschrijving van hun liefdevertooningen; hij zegt, dat de vogels die te voren gepaard waren geweest, „hun vrijage in de maand Januari hernieuwden, terwijl de anderen alle dagen uren lang met elkander vochten en coquetteerden, totdat allen voldaan schenen met de keus die zij hadden gedaan, waarna, hoewel zij te zamen bleven, iedereen gemakkelijk kon opmerken, dat de paren zorgvuldig in stand werdengehouden. Ik heb ook opgemerkt, dat, hoe ouder de vogels waren, hoe korter het voorspel van hun vrijage duurde. De jongelieden en de oude vrijsters gingen, hetzij uit spijt, of omdat zij ongaarne door het gewoel werden gestoord, rustig zijwaarts en legden zich op eenigen afstand van de overige neder.”20Vele gelijksoortige getuigenissen ten opzichte van andere vogels zouden aan dezen zelfden waarnemer kunnen worden ontleend.
Nu tot tamme en opgesloten vogels overgaande, zal ik beginnen met het weinige mede te deelen, dat ik ten opzichte der vrijage van het pluimgedierte te weten ben gekomen. Ik heb over dit onderwerp lange brieven van de heeren Hewitt en Tegetmeier en bijna een geheele verhandeling van wijlen den heer Brent ontvangen. Iedereen zal toegeven, dat deze heeren, zoo algemeen bekend door de werken die zij hebben uitgegeven, zorgvuldige en ondervindingrijke waarnemers zijn. Zij gelooven niet, dat de wijfjes aan zekere mannetjes wegens de schoonheid van hun gevederte de voorkeur geven; maar men moet den kunstmatigen toestand waarin zij lang hebben verkeerd, eenigszins in rekening brengen. De heer Tegetmeier is overtuigd, dat een strijdhaan, hoewel misvormd, daar hij door het afsnijden zijner vleeschlappen tot ridder is[113]geslagen („dubbed”), even gaarne zal worden aangenomen als een haan die al zijn natuurlijke versierselen nog bezit. De heer Brent echter veronderstelt, dat de schoonheid van het mannetje er toe bijdraagt om het wijfje te bekoren; en haar toestemming is noodzakelijk. De heer Hewitt is overtuigd, dat de vereeniging in geenen deele aan het bloote toeval wordt overgelaten; want het wijfje geeft bijna onveranderlijk de voorkeur aan het krachtigste, strijdlustigste en vurigste mannetje; het is daarom bijna nutteloos, gelijk hij opmerkt, „om te beproeven kuikens van een of ander zuiver ras te verkrijgen, als een strijdhaan in goede gezondheid en toestand op de plaats rondloopt; want bijna elke hen zal, als zij het rek verlaat, tot den strijdhaan haar toevlucht nemen, zelfs al doet deze volstrekt geen moeite om den haan van haar eigen ras weg te jagen.” Onder gewone omstandigheden schijnen de hennen en hanen tot een wederkeerige verstandhouding te komen door middel van zekere gebaren van welke de heer Brent mij een beschrijving heeft gegeven. De hennen zullen echter dikwijls de gedienstige oplettendheden van de jonge hanen versmaden. Oude hennen en hennen van een strijdlustigen aard hebben, gelijk de zelfde schrijver mij meldt, een afkeer van vreemde hanen, en zullen zich niet aan hen overgeven, voordat zij in het gevecht het onderspit hebben moeten delven. Ferguson beschrijft echter, hoe een twistzieke hen zwichtte voor de teedere liefkoozingen van een Shanghaihaan.21
Er is reden om aan te nemen, dat duiven van beiderlei sekse bij voorkeur met vogels van het zelfde ras paren; en duivenkot-duiven hebben een afkeer van alle door kunstmatige teeltkeus sterk gewijzigde rassen.22De heer Harrison Weir hoorde eenigen tijd geleden van een geloofwaardig waarnemer die blauwe duiven houdt, dat deze alle anders gekleurde verscheidenheden, zooals witte, roode en gele, wegjagen; en van een anderen waarnemer, dat men er ondanks herhaalde proefnemingen niet in kon slagen een donkerbruine postduif met een zwarten doffer te doen paren, maar dat zij zulks dadelijk deed met een donkerbruinen doffer.
Ook de heer Tegetmeier had een vrouwelijk blauw meeuwtje („turbit”), dat hardnekkig weigerde te paren met twee mannetjes van het zelfde duivenras, die achtereenvolgens weken lang met haar werden[114]opgesloten; maar, naar buiten gelaten, paarde zij onmiddellijk met de eerste de beste blauwe Engelsche Pagadet-duif („dragon”). Daar zij een kostbare vogel was, werd zij toen vele weken lang opgesloten met een zilverkleurig (d.i. zeer bleek blauw) mannetje, en paarde daarmede ten laatste. Over het algemeen schijnt de kleur echter op het paren van duiven weinig invloed te hebben. De heer Tegetmeier heeft op mijn verzoek eenige zijner vogels met magenta(3)gevlekt, maar de andere sloegen daar weinig acht op.
Nu en dan gevoelen de vrouwelijke duiven een sterken tegenzin tegen bepaalde doffers, zonder dat zich daarvoor eenige oorzaak laat aanwijzen. Zoo getuigen de heeren Boitard en Corbié, wier ondervinding zich over een tijdperk van vijf-en-veertig jaren uitstrekte: „Quand une femelle éprouve de l’antipathie pour un mâle avec lequel on veut l’accoupler, malgré tous les feux de l’amour, malgré l’alpiste et le chenevis dont on la nourrit pour augmenter son ardeur, malgré un emprisonnement de six mois et même d’un an, elle refuse constamment ses caresses; les avances empressées, les agaceries, les tournoiements, les tendres roucoulements, rien ne peut lui plaire ni l’émouvoir; gonflée, boudeuse, blottie dans un coin de sa prison, elle n’en sort que pour boire et manger, ou pour repousser avec une espèce de rage des caresses devenues trop pressantes.”23Van den anderen kant heeft de heer Harrison Weir zelf waargenomen en van onderscheidene duivenfokkers gehoord, dat een vrouwelijke duif soms plotseling een sterken smaak voor een bijzonderen doffer aan den dag legt en haar eigen doffer voor hem verlaat. Sommige wijfjes zijn, volgens een ander ondervindingrijk waarnemer, Riedel24, van een losbandig karakter, en geven aan bijna elken vreemdeling de voorkeur boven haar eigen doffer. Sommige verliefde doffers die door onze Engelsche liefhebbers „gay birds” worden genoemd, zijn zoo voorspoedig in hun liefdesavonturen, dat zij, gelijk de heer H. Weir mij meldt, afzonderlijk moeten worden opgesloten, uithoofde van het nadeel dat zij veroorzaken.
Volgens Audubon maken in de Vereenigde Staten wilde kalkoensche hanen „somtijds het hof aan de tamme kalkoensche hennen, en worden[115]door deze over het algemeen met groot genoegen aangenomen.” Zoodat deze hennen blijkbaar aan de wilde hanen de voorkeur geven boven haar eigen hanen.25
Zie hier een nog merkwaardiger geval. Sir R. Heron teekende gedurende vele jaren de gewoonten van de pauwen op, die hij in grooten getale aanfokte. Hij betuigt, dat „de pauwinnen dikwijls een sterke voorliefde voor een bijzonderen pauw aan den dag leggen. Zij waren allen zoo verzot op een ouden gevlekten pauw, dat zij één jaar, toen hij afzonderlijk opgesloten, hoewel nog in het gezicht was, voortdurend waren vergaderd dicht bij de getraliede wanden van zijn gevangenis en een zwartvleugel-pauw niet wilden toelaten haar aan te raken. Toen hij in den herfst werd losgelaten, maakte de oudste der pauwinnen hem dadelijk het hof, en was voorspoedig in haar vrijage. Het volgende jaar werd hij in een stal opgesloten, en toen maakten al de pauwinnen het hof aan zijn medeminnaar.”26Deze medeminnaar was een verlakte of zwartvleugelige pauw, die in onze oogen een fraaier vogel is dan de gewone soort.
Lichtenstein die een goed waarnemer was en aan de Kaap de Goede Hoop uitnemend in de gelegenheid was om waarnemingen te doen, verzekerde Rudolphi, dat de vrouwelijke weduwvogel (Chera progne) het mannetje verloochent, wanneer hij van de lange staartvederen is beroofd, waarmede hij gedurende den paartijd is versierd. Ik vermoed, dat deze waarneming moet zijn gedaan op vogels in gevangen staat.27Ziehier nog een ander treffend geval. Dr. Jaeger28, directeur van den dierentuin te Weenen, verhaalt, dat een mannelijke zilverlakensche fazant die de overwinning over de andere mannetjes had behaald en de erkende minnaar van de wijfjes was, van zijn tot sieraad strekkend gevederte werd beroofd. Hij werd daarop dadelijk door een medeminnaar vervangen, die de overhand verkreeg en daarna den troep aanvoerde.
Het is een opmerkelijk feit, omdat het bewijst, hoe belangrijk de kleur is bij de vrijage der vogels, dat de heer Boardman, gedurende[116]vele jaren een welbekend liefhebber en waarnemer van vogels in de Noordelijke Vereenigde Staten, gedurende den langen tijd, dat hij waarnemingen deed, nooit een albino met een anderen vogel heeft zien paren; toch had hij menigmaal gelegenheid vele albino’s, tot verschillende soorten behoorende, waar te nemen.29Men kan moeilijk volhouden, dat albino’s niet in staat zijn zich in den natuurstaat voort te planten, daar zij zulks in gevangen staat met het grootste gemak kunnen. Het schijnt dus, dat wij het feit, dat zij niet paren, daaraan moeten toeschrijven, dat zij door hun normaal gekleurde kameraden worden afgewezen.
Niet alleen oefent het wijfje een keus uit, maar in sommige gevallen maakt zij het mannetje het hof, of vecht soms om zijn bezit. Sir R. Heron verhaalt, dat bij pauwen de eerste stappen altijd door het wijfje worden gedaan; iets van den zelfden aard heeft volgens Audubon met de oude wijfjes van den wilden kalkoen plaats. Bij den grooten auerhaan fladderen de wijfjes om het mannetje heên, terwijl hij op een der vergaderplaatsen bezig is met pronken, en zoeken zijn aandacht te trekken.30Wij hebben gezien, dat een getemde wilde eend een onwilligen pijlstaartwoerd verleidde, na hem lang het hof te hebben gemaakt. De heer Bartlett gelooft, dat de Lophophorus, evenals vele andere Hoenderachtige Vogels, van nature veelwijvig is; doch twee wijfjes kunnen niet met één mannetje in de zelfde kooi worden geplaatst, omdat zij zooveel met elkander vechten. Het volgende voorbeeld van medeminnarij wekt meer verwondering, daar het betrekking heeft op goudvinken die gewoonlijk voor hun geheele leven paren. De heer Jenner Weir bracht een dof gekleurd en leelijk wijfje in zijn volière, en zij viel dadelijk een ander gepaard wijfje zoo onbarmhartig aan, dat deze laatste moest worden weggenomen. Het nieuwe wijfje gaf zich nu alle moeite om de liefde van het mannetje te verwerven, en slaagde daarin ten laatste, want zij paarde met hem; maar na eenigen tijd ontving zij haar rechtvaardige straf, want toen zij ophield strijdlustig te zijn, plaatste de heer Weir het oude wijfje weder in de volière, en het mannetje verliet toen zijn nieuw liefje en keerde tot zijn oude terug.[117]
In alle gewone gevallen is het mannetje zoo vurig, dat hij elk wijfje zal aannemen, en niet, voorzoover wij kunnen oordeelen, aan het eene boven het andere de voorkeur geeft; maar uitzonderingen op dezen regel schijnen, zooals wij later zullen zien, in eenige weinige groepen voor te komen. Bij tamme vogels heb ik slechts van één geval gehoord, waarin de mannetjes eenige voorliefde vertoonen voor bijzondere wijfjes, namelijk, dat van den huishaan die, volgens de hooge autoriteit van den heer Hewitt, aan de jonge hennen de voorkeur boven de oude geeft. Daarentegen is de heer Hewitt overtuigd, dat, wanneer men bastaardvereenigingen tot stand brengt tusschen den mannelijken fazant en gewone hennen, de fazant onveranderlijk aan de oudere vogels de voorkeur geeft. Haar kleur schijnt in het minst geen invloed op hem te hebben, maar hij is „hoogst grillig in zijn genegenheid.”31Wegens de eene of andere onverklaarbare oorzaak toont hij den meest volstrekten afkeer van sommige hennen, welken geen zorg van den kant van den fokker kan te boven komen. Sommige hennen zijn, gelijk de heer Hewitt mij meldt, volstrekt onaantrekkelijk, zelfs voor de mannetjes van haar eigen soort, zoodat zij met verscheidene hanen gedurende een geheel jaargetijde kunnen worden gehouden, en niet één ei van veertig of vijftig zal blijken te zijn bevrucht. Bij de ijseend (Harelda glacialis) „heeft men daarentegen opgemerkt”, zegt de heer Eckström, „dat aan sommige wijfjes veel meer het hof werd gemaakt dan aan de overige. Men ziet toch dikwijls een individu door zes of acht verliefde mannetjes omringd.” Of deze getuigenis geloofbaar is, weet ik niet, maar de inlandsche jagers schoten deze wijfjes om ze op te zetten en dan als lokvogels te gebruiken.32
Ten opzichte van vrouwelijke vogels die een voorliefde voor bijzondere mannetjes vertoonen, moeten wij bedenken, dat wij alleen kunnen beoordeelen, of er een keus wordt uitgeoefend, als wij ons in onze verbeelding in de zelfde positie verplaatsen. Als een bewoner van een andere planeet in de gelegenheid was om een aantal boerenknapen op een kermis te zien, bezig met een meisje het hof te maken en over haar te twisten, gelijk vogels op een hunner vergaderplaatsen, zou hij alleen in staat zijn af te leiden, dat zij het vermogen bezat om een keus te doen, door de moeite die de vrijers deden om haar te behagen en met hun opschik te pronken. Nu staat het bewijs bij vogels, als[118]volgt: zij hebben scherpe waarnemingsvermogens, en schijnen eenigen smaak te hebben voor het schoone, zoowel wat kleur als wat geluid aangaat. Het is zeker, dat de wijfjes nu en dan, wegens onbekende oorzaken, den sterksten afkeer en voorliefde voor bepaalde mannetjes aan den dag leggen. Als de seksen in kleur of in andere versiersels verschillen, zijn de mannetjes op zeldzame uitzonderingen na het sterkst versierd, hetzij voortdurend, hetzij tijdelijk gedurende den paartijd. Zij geven zich alle moeite om hun onderscheidene versierselen ten toon te spreiden, oefenen hun stemmen en voeren vreemdsoortige vertooningen uit in tegenwoordigheid van de wijfjes. Zelfs goed gewapende mannetjes die men zou hebben kunnen denken, dat, wat hun voorspoed in de liefde aanging, alleen van het gevecht afhankelijk waren, zijn in de meeste gevallen sterk versierd; en hun versierselen zijn verkregen ten koste van eenig verlies in strijdkracht. In andere gevallen zijn versierselen verkregen ten koste van vermeerderd gevaar voor roofvogels en verscheurende dieren. Bij onderscheidene soorten komen individu’s van beide seksen op de zelfde plaats samen, en hun vrijage is een langdurige zaak. Er is zelfs reden om te vermoeden, dat de mannetjes en wijfjes in de zelfde streek er niet altijd in slagen om elkander te behagen en te paren.
Wat moeten wij dus uit deze feiten en overwegingen besluiten? Spreidt het mannetje zijn bekoorlijkheden met zooveel praal en wedijver ten toon zonder eenig doel? Zijn wij niet gerechtigd om te gelooven, dat het wijfje een keus doet, en dat zij de liefdesbetuigingen aanneemt van het mannetje dat haar het meest behaagt? Het is niet waarschijnlijk, dat zij met bewustheid overlegt; maar zij wordt het meest opgewekt of aangetrokken door de fraaiste, welluidendste of dapperste mannetjes. Ook behoeft niet te worden verondersteld, dat het wijfje elke gekleurde streep of vlek bestudeert, dat de pauwin, bij voorbeeld, elke bijzonderheid in den prachtigen staart van den pauw bewondert,—zij wordt waarschijnlijk slechts getroffen door het algemeen effect. Na echter te hebben gehoord met hoeveel zorg de mannelijke Argus-fazant zijn sierlijke primaire vleugel-slagpennen tentoonspreidt en zijn van oogvlekken voorziene siervederen juist opricht in de stelling waarin zij het meeste effect maken; of ook, hoe de mannelijke distelvink beurtelings zijn met gouden vlekken pronkende vleugels tentoonspreidt, mogen wij ons niet al te zeer overtuigd houden, dat het wijfje niet op elke bijzonderheid van de schoonheid let. Wij kunnen, gelijk reeds[119]is opgemerkt, alleen beoordeelen, of er een keus wordt gedaan, uit de analogie van onzen eigen geest; en als men de rede uitsluit(4), bestaat er geen fundamenteel verschil tusschen de geestvermogens der vogels en de onze. Uit deze verschillende overwegingen mogen wij afleiden, dat de paring der vogels niet aan het toeval is overgelaten; maar dat die mannetjes welke door hun verschillende bekoorlijkheden het best in staat zijn om het wijfje te behagen of haar op te wekken, onder gewone omstandigheden worden aangenomen. Indien men dit aanneemt, is het niet zeermoeilijkom te begrijpen, hoe de mannelijke vogels trapsgewijze hun tot sieraad dienende kenmerken hebben verkregen. Alle dieren vertoonen individueele verschillen, en evenals de mensch zijn tamme vogels kan wijzigen door voor de voortteling die individu’s uit te kiezen, welke hem het fraaist schijnen, zal ook de gewone of zelfs toevallige voorliefde van het wijfje voor de meer aantrekkelijke mannetjes bijna zeker hun wijziging hebben geleid; en dergelijke wijzigingen zullen in den loop van den tijd kunnen zijn geklommen tot bijna elke hoogte die vereenigbaar was met het bestaan van de soort.
Veranderlijkheid (variabiliteit) der Vogels, en in het bijzonder van hun secundaire Seksueele Kenmerken.—Veranderlijkheid (vatbaarheid voor afwijking, variabiliteit) en erfelijkheid zijn de grondslagen voor het werk der teeltkeus.Dat tamme vogels veel afwijkingen hebben vertoond en hun afwijkingen zijn overgeërfd, is zeker.Dat vogels in den natuurstaat individueele verschillen vertoonen, wordt door iedereen aangenomen en dat zij somtijds tot onderscheidene rassen zijn gewijzigd, gemeenlijk aangenomen.33Er zijn tweeërlei soort van afwijkingen, namelijk die welke wij in onze onwetendheid voor een zelf ontstaan houden en die welke in direct verband staan tot de omringende levensvoorwaarden, zoodat alle of bijna alle individu’s van de zelfde soort op overeenkomstige wijze zijn gewijzigd.
Gevallen van de laatste soort zijn voor eenige jaren waargenomen[120]door den heer J. A. Allen34, die aantoont, dat in de Vereenigde Staten vele soorten van vogels allengs sterker worden gekleurd, naarmate men meer zuidwaarts komt, en lichter gekleurd, naarmate men westwaarts de dorre vlakten van het binnenland nadert. Beide seksen schijnen over het algemeen op de zelfde wijze te worden aangedaan, maar soms de eene sekse meer dan de andere. Dit resultaat is niet onvereenigbaar met het geloof, dat de kleuren van vogels voornamelijk het gevolg zijn van de opeenhooping van achtereenvolgende afwijkingen door seksueele teeltkeus; want zelfs nadat de seksen zeer verschillend zijn geworden, zou het klimaat een gelijke werking op de beide seksen kunnen uitoefenen, of een grooter werking op de eene sekse dan op de andere, ten gevolge van eenig verschil in gestel.
Individueele verschillen tusschen de leden van de zelfde soort geeft men algemeen toe, dat in den natuurstaat voorkomen. Plotselinge en sterk uitgesproken afwijkingen zijn zeldzaam, en het is zeer twijfelachtig, of zij dikwijls door teeltkeus zijn bewaard gebleven en dan op volgende geslachten zijn overgeplant.35Desniettemin kan het wellicht de moeite waard zijn, de weinige gevallen die ik in staat was te verzamelen,[121]en die voornamelijk op de kleur betrekking hebben (eenvoudig albinisme en melanisme uitgesloten zijnde(5)), hier mede te deelen.
De heer Gould neemt, gelijk algemeen bekend is, slechts zelden het bestaan van verscheidenheden (variëteiten) aan; want hij houdt zeer kleine verschillen voor soortskenmerken; nu verhaalt hij36, dat in den omtrek van Bogota zekere kolibri’s, tot het geslachtCynanthusbehoorende, in twee of drie rassen of verscheidenheden zijn verdeeld, die van elkander verschillen door de kleur van den staart,—„daar bij sommige al de staartvederen blauw zijn, terwijl bij andere de punten van de acht middelste fraai groen zijn.” Het schijnt, dat er in dit en in de volgende gevallen geen tusschenbeide liggende overgangsvormen zijn waargenomen. Alleen bij de mannetjes van een der Australische parkieten zijn „de dijen bij sommige scharlakenrood, bij andere grasgroen.” Bij een anderen parkiet uit het zelfde land, „is de dwars over de vleugeldekvederen loopende band bij sommige individu’s levendig geel, terwijl hij bij andere rood gekleurd is.”37In de Vereenigde Staten hebben eenige weinige mannetjes van den scharlakenrooden Tanager (Tanagra rubra) „een fraaien dwarsband van gloeiend rood over de kleinere vleugeldekvederen”38; maar deze afwijking schijnt eenigszins zeldzaam te zijn, zoodat het bewaard blijven er van door seksueele teeltkeus alleen onder ongewoon gunstige omstandigheden zou volgen. In Bengalen heeft de gekuifde wespendief (Pernis cristata) hetzij een kleine, of in het geheel geen kuif op zijn kop; zulk een gering verschil zou echter niet waard zijn geweest om te worden opgeteekend, zoo niet deze zelfde soort in zuidelijk Indië „op het achterste gedeelte van den kop een goed uitgedrukte, uit verscheidene trapsgewijze langer wordende vederen bestaande kuif”39, had bezeten.
Het volgende geval is in sommige opzichten nog belangwekkender. Een gevlekte verscheidenheid (variëteit) van de raaf, waarvan de kop, borst en onderbuik, en gedeeltelijk ook de vleugels en staartvederen wit zijn, is tot deFaröerbeperkt. Zij is daar niet zeer zeldzaam; want[122]Graba zag gedurende zijn bezoek van acht tot tien levende voorwerpen. Hoewel de kenmerken van deze verscheidenheid niet volkomen standvastig (constant) zijn, is er toch door onderscheidene uitstekende vogelkenners (ornithologen) een afzonderlijke soortnaam aan gegeven. Het feit, dat de gevlekte vogels met veel gedruisch werden nagezeten en vervolgd door de andere raven van het eiland, was de hoofdoorzaak, die er Brünnich toe bracht om te besluiten, dat zij soortelijk verschillend waren; maar men weet nu, dat dit een dwaling was.40
In onderscheidene deelen van de noordelijke zeeën wordt een merkwaardige verscheidenheid (variëteit) van den gewonen zeekoet (Uria troile) gevonden, en op deFaröerbehoort, volgens de schatting van Graba, één van elke vijf vogels tot deze verscheidenheid. Zij wordt gekenmerkt door een zuiver witten ring rondom het oog, met een kromme smalle witte streep,3,75centimeter lang, die van uit den ring naar achteren voortloopt. Dit in het oog loopende kenmerk veroorzaakt, dat deze vogel door onderscheidene vogelkenners (ornithologen) als een afzonderlijke soort is gerangschikt onder den naam vanU. lacrymans; maar men weet nu, dat het een bloote verscheidenheid is. Zij paart dikwijls met de gewone soort, en toch zijn er nimmer tusschenbeide liggende overgangsvormen gezien; en dit is ook niet te verwonderen, want afwijkingen die plotseling verschijnen, worden dikwijls, gelijk ik elders41heb aangetoond, hetzij onveranderd, hetzij in het geheel niet overgeplant. Wij zien dus, dat twee verschillende vormen van de zelfde soort in de zelfde streek naast elkander kunnen bestaan, en wij kunnen niet betwijfelen, dat, wanneer de eene eenig groot voordeel boven den anderen had bezeten, hij zich spoedig zou hebben vermeerderd ten koste en met uitsluiting van den andere. Indien, bij voorbeeld, de mannelijke gevlekte raven, in plaats van door hun kameraden te worden vervolgd en verjaagd, in hooge mate aantrekkelijk waren geweest, evenals de bovenvermelde gevlekte pauw, voor de gewone zwarte wijfjes, zou hun aantal spoedig zijn toegenomen.En dit zou een geval van seksueele teeltkeus zijn geweest.42
Wat de kleine individueele verschillen die in meerdere of mindere mate aan al de individu’s van de zelfde soort gemeen zijn, aangaat,[123]hebben wij alle reden om te gelooven, dat zij verreweg het belangrijkst zijn voor het werk der teeltkeus. Secundaire seksueele kenmerken zijn bij uitstek onderhevig aan afwijking, zoowel bij dieren in den natuurstaat als bij getemde dieren.43Er is ook reden om aan te nemen, gelijk wij in ons achtste hoofdstuk hebben gezien, dat afwijkingen meer geneigdheid hebben om zich bij de mannelijke dan bij de vrouwelijke sekse voor te doen. Al deze omstandigheden zijn in hooge mate gunstig voor de seksueele teeltkeus. Of op die wijze verkregen kenmerken op ééne sekse of op beide seksen worden overgeplant, hangt, gelijk ik in het volgende hoofdstuk hoop aan te toonen, in de meeste gevallen uitsluitend af van den vorm van erfelijkheid, die bij de groepen in kwestie de overhand heeft.
Het is somtijdsmoeilijkzich eenige meening te vormen over de vraag, of zekere geringe verschillen tusschen de seksen van vogels eenvoudig het gevolgd zijn van hun vatbaarheid voor afwijking (veranderlijkheid, variabiliteit) met tot ééne der seksen beperkte erfelijkheid, zonder de hulp van de seksueele teeltkeus, dan wel of zij door de werking dezer laatste zijn vermeerderd. Ik beroep mij hier niet op de tallooze voorbeelden, dat het mannetje pronkt met prachtige kleuren en andere versierselen waarin het wijfje slechts in geringe mate deelt; want het is bijna zeker, dat deze gevallen het gevolg daarvan zijn, dat het mannetje oorspronkelijke kenmerken heeft verkregen en die later in meerdere of mindere mate op het wijfje heeft overgeplant. Wat moeten wij echter besluiten ten opzichte van zekere vogels bij welke, bij voorbeeld, de oogen bij de beide seksen eenigermate in kleur verschillen?44In sommige gevallen verschillen de oogen sterk; zoo zijn bij ooievaars van het geslachtXenorhynchusdie van het mannetje zwartachtig bruin, terwijl die van het wijfje guttegom-geel zijn; bij vele Neushorenvogels (Buceros) hebben, gelijk ik van den heer Blyth45hoor, de mannetjes hoog karmozijnroode en de wijfjes witte oogen. Bij denBuceros bicorniszijn de achterrand van den helm en een streep op den kam van den snavel bij het mannetje zwart, doch bij het wijfje niet. Moeten wij nu veronderstellen, dat deze zwarte merken en de karmozijnen[124]kleur van de oogen bij de mannetjes door seksueele teeltkeus zijn bewaard gebleven of vermeerderd? Dit is zeer twijfelachtig; want de heer Bartlett toonde mij in den Londenschen dierentuin, dat de binnenzijde van den bek van dezenBucerosbij het mannetje zwart en bij het wijfje vleeschkleurig is; en dit werkt niet in op hun uiterlijk aanzien of schoonheid. Ik nam in Chili46waar, dat het regenboogvlies (iris) van den Condor, als hij omtrent een jaar oud is, donkerbruin is, maar op volwassen leeftijd bij het mannetje in geelachtig bruin en bij het wijfje in levendig rood verandert. Het mannetje bezit ookeenkleinen, overlangschen, loodkleurigen, vleeschachtigen kam. Bij vele Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae) dient de kam in hooge mate tot versiering en neemt gedurende de vrijage levendige kleuren aan; maar wat moeten wij denken van den dofgekleurden kam van den Condor, die in onze oogen volstrekt geen versiersel is? De zelfde vraag kan worden gedaan ten opzichte van onderscheidene andere kenmerken, zooals de knobbels aan de basis van de Chineesche gans (Anser cygnoides), die bij het mannetje veel grooter dan bij het wijfje zijn. Geen zeker antwoord kan op deze vragen worden gegeven; maar wij behooren voorzichtig te zijn met de verzekering, dat de knobbels en verschillende vleezige aanhangsels niet aantrekkelijk voor het wijfje kunnen zijn, wanneer wij bedenken, dat bij wilde menschenrassen onderscheidene afgrijselijke misvormingen—diepe litteekens met opgezwollen vleezige randen op het gelaat, een met stokken of beenderen doorboord neusschot, wijd opengerekte gaten in de ooren of lippen—allen als versierselen worden bewonderd.
Hetzij onbelangrijke verschillen tusschen de seksen, zooals de juist opgenoemde, al dan niet door de seksueele teeltkeus zijn bewaard, zoo moeten toch die verschillen, even zoo goed als alle andere, oorspronkelijk afhankelijk zijn van de wetten der variatie. Volgens het beginsel van correlatieve ontwikkeling varieert het gevederte dikwijls op verschillende deelen van het lichaam, of over het geheele lichaam, op de zelfde wijze. Wij zien hiervan goede voorbeelden bij sommige hoenderrassen. Bij al de rassen zijn de vederen van den hals en de lendenen van het mannetje verlengd en worden sikkelvederen genoemd; wanneer nu beide seksen een vederkuif verkrijgen, hetgeen een nieuw kenmerk in het geslacht (genus) is, worden de vederen van[125]de kuif van het mannetje sikkelvedervormig, klaarblijkelijk volgens het beginsel van correlatie, terwijl die op den kop van het wijfje van den gewonen vorm zijn. Ook de kleur van de sikkelvederen die de kuif van het mannetje vormen, staat dikwijls in verband met die van de sikkelvederen aan den hals en de lendenen, zooals men kan zien door deze vederen te vergelijken bij de goud- en zilvergevlekte Kuifhoenders, het Houdan- en het Crève-coeur-ras. Bij sommige natuurlijke soorten kunnen wij volkomen het zelfde verband zien tusschen de kleuren van deze zelfde vederen, zooals bij de mannetjes van de prachtige Goudlakensche en Amherst-fazanten.
Het maaksel van elkeindividueeleveder veroorzaakt, dat over het algemeen elke verandering in haar kleur symmetrisch is; wij zien dit bij de verschillende gestreepte, gevlekte en gepenseelde hoenderrassen, en volgens het beginsel van correlatie worden de vederen over het geheele lichaam dikwijls op de zelfde wijze gewijzigd.Wij zijn daardoor in staat zonder veel moeite rassen aan te fokken, wier gevederte bijna even symmetrisch van teekening en kleur is, als dat van natuurlijke soorten. Bij gestreepte en gevlekte hoenders zijn de gekleurde randen van de vederen scherp begrensd; maar bij een bastaard, door mij opgekweekt uit een zwarten Spaanschen haan, wiens vederen een groenen weêrschijn hadden, en een witte strijdhen, waren al de vederen groenachtig zwart, behalve aan hun uiteinden die geelachtig wit waren; maar tusschen de witte uiteinden en de zwarte gronddeelen was er op elke veder een symmetrische, gekromde, donkerbruine gordel. In sommige gevallen bepaalt de schacht van de veder de verdeeling van de kleuren; zoo was bij de lichaamsvederen van een bastaard van dezen zelfden Spaanschen haan en een zilvergevlekte Kuifhen de schacht en een nauwe ruimte aan elke zijde daarvan groenachtig zwart, en deze werd omgeven door een regelmatigen gordel van donkerbruin, omzoomd met bruinachtig wit. In deze gevallen zien wij vederen een symmetrische schakeering verkrijgen, evenals die welke zooveel bevalligheid verleenen aan het gevederte van vele natuurlijke soorten. Ik heb ook een verscheidenheid (variëteit) van de gewone duif opgemerkt, wier vleugelbalken symmetrisch door drie lichte schakeeringen waren omzoomd, in plaats van eenvoudig zwart op een leiblauwen grond te zijn, zooals bij de stamsoort.
Bij vele groote groepen van vogels kan men opmerken, dat het gevederte bij elke soort verschillend is gekleurd, maar dat toch zekere[126]vlekken, teekeningen en strepen, hoewel eveneens verschillendgekleurd, bij al de soorten bewaard zijn gebleven. Soortgelijke gevallen komen bij de duivenrassen voor, die gewoonlijk de beide vleugelbalken behouden, hoewel zij rood, geel, wit, zwart of blauw gekleurd kunnen zijn, terwijl het overige gevederte van de eene of andere geheel verschillende kleur is. Ziehier een merkwaardig geval waarin sommige teekeningen bewaard zijn gebleven, hoewel op bijna volkomen omgekeerde wijze gekleurd als in den natuurstaat; de oorspronkelijke duif heeft een blauwen staart waaraan de buitenste helft van de naar buiten gekeerde baarden van de twee buitenste staartvederen wit zijn gekleurd; en nu is er een onder-ras dat een witten in plaats van een blauwen staart heeft, doch waarvan juist dat kleine gedeelte zwart is, dat bij de stamsoort wit is.47
Vormingswijze en veranderlijkheid (variabiliteit) van de Oogvlekken (Ocelli) op het gevederte van Vogels.—Daar geen versierselen schooner zijn dan de oogvlekken (ocelli) op de vederen van onderscheidene Vogels, op het haarkleed van sommige Zoogdieren, op de schubben van Reptielen en Visschen, op de huid van Amphibiën, op de vleugels van vele Schubvleugeligen (Lepidoptera) en andere Insekten, verdienen zij bijzondere opmerking. Een oogvlek (ocellus) bestaat uit een vlek, omsloten door een ring van een andere kleur, gelijk de pupil van het oog door het regenboogvlies (iris); doch de centrale vlek wordt dikwijls ook nog omringd door bijkomende gelijkmiddelpuntige (concentrische) gordels. De oogvlekken op de staartdekvederen van den pauw leveren daarvan een welbekend voorbeeld en eveneens die op de vleugels van den dagpauwoogvlinder (Vanessa). De heer Triton heeft mij de beschrijving van een Zuid-Afrikaanschen nachtvlinder (Gynanisa Isis), met onzen nachtpauwoogvlinder verwant, gegeven, bij welken een prachtige oogvlek bijna de geheele oppervlakte van elken achtervleugel beslaat; zij bestaat uit een zwart middelpunt, een half doorschijnende halvemaanvormige teekening omsluitende, omringd door opeenvolgende okergele, zwarte, okergele, vleeschkleurige, witte, vleeschkleurige, bruine en witachtige gordels. Hoewel wij de trappen niet kennen, langs welke deze verwonderlijk schoone en samengestelde versierselen zich hebben ontwikkeld, is het proces, ten minste bij insekten, waarschijnlijk eenvoudig geweest; want, gelijk de heer Trimen mij schrijft, „is geen kenmerk dat alleen[127]op teekening en kleur betrekking heeft, bij de Schubvleugeligen (Lepidoptera) zoo onstandvastig als de oogvlekken, zoowel in aantal als in grootte.” De heer Wallace die het eerst mijn aandacht op dit onderwerp vestigde, toonde mij een rij voorwerpen van ons gewone bruine zandoogje (Hipparchia Janira), talrijke overgangen van een eenvoudige kleine zwarte vlek tot een bevallig geschakeerde oogvlek vertoonende. Bij een Zuid-Afrikaansche kapel (Cyllo Leda, Linn.), tot de zelfde Familie behoorende, zijn de oogvlekken nog veranderlijker. Bij sommige voorwerpen (A, Fig.49) zijn groote ruimten op het bovenvlak der vleugels zwart gekleurd en omsluiten onregelmatige witte teekeningen; en van dezen staat af kan men een onafgebroken reeks overgangsvormen volgen tot een tamelijk volkomen oogvlek (A1) en dit is het gevolg van de samentrekking der onregelmatige gekleurde vlekken. Bij een andere reeks voorwerpen kan men den overgang volgen van uiterst kleine puntjes, door eennauwelijkszichtbare zwarte lijn omgeven (B), tot volkomen symmetrische en groote oogvlekken (B1).48In gevallen als deze, vereischt de ontwikkeling van een volkomen oogvlek geen lange reeks afwijkingen of langdurige inwerkingen der teeltkeus.