Chapter 19

1Zie Waterton’s verhaal van het gevecht der twee hazen, „Zoologist”, vol. I, 1843, blz. 211. Over mollen, Bell, „Hist. of British Quadrupeds”, 1ste edit., blz. 100. Over eekhoorns, Audubon en Bachman, „Viviparous Quadrupeds of N. America”, 1846, blz. 262. Over de bevers, den heer A. H. Green, in „Journal of Lin. Soc. Zoolog.”, vol. X, 1869, blz. 263.↑2Omtrent de gevechten van zeehonden, zie kapt. C. Abbott in „Proc. Zool. Soc.”, 1868, blz. 191; ook den heer R, Brown, ibid., 1868, blz. 436; ook L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 412; ook Pennant. Over den Cachelot, zie den heer J. H. Thompson, in „Proc. Zool. Soc.”, 1867, blz. 246.↑3Zie Scrope („Art of Deer-Stalking”, blz. 17) over de ineenstrengeling der horens bij het edelhert (Cervus elaphus). Richardson zegt in „Fauna Bor. Americana”, 1829, blz. 252, dat men het Wapiti-hert, den eland en het rendier aldus ineengestrengeld heeft gevonden. De heer A. Smith vond aan de Kaap de Goede Hoop de geraamten van twee gnoe’s in den zelfden toestand.↑4De heer Lamont („Seasons with the Sea-Horses”, 1861, blz. 143) zegt, dat een goede slagtand van een mannelijken walrus1,8kilogram weegt, en langer is dan die van het wijfje, welke omtrent1,35kilogram weegt. Volgens de beschrijving leveren de mannetjes elkander woedende gevechten. Omtrent het nu en dan ontbreken der slagtanden bij het wijfje, zie den heer R. Brown, „Proc. Zool. Soc.”, 1888, blz. 429.↑5Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 283.↑6De heer R. Brown, in „Proc. Zool. Soc.”, 1869, blz. 553.↑7Owen, omtrent den cachelot enOrnithorhynchus, ibid., vol. III, blz. 638, 641.↑8Over het maaksel en het afwerpen der horens van het rendier, Hoffberg, „Amoenitates Acad.”, vol. IV, 1788, blz. 149. Zie Richardson, „Fauna Bor. Americana”, blz. 241, ten opzichte van de Amerikaansche soort of verscheidenheid; ook majoor W. Ross King, „The Sportsman in Canada”, blz. 80.↑9Isidore Geoffroy St. Hilaire, „Essais de Zoolog. Générale”, 1841, blz. 513. Andere mannelijke kenmerken, behalve de horens, worden somtijds eveneens op het wijfje overgeplant; zoo zegt de heer Boner, sprekende van een oud wijfje van een gems („Chamois Hunting in the Mountains of Bavaria”): „Niet slechts zag de kop er zeer mannelijk uit, maar langs den rug liep een streep lang haar, die gewoonlijk alleen bij de mannetjes wordt gevonden.”↑10OmtrentCervulus, Dr. Gray, „Catalogueof the Mammalia in British Museum”, vol III, blz. 220. OmtrentCervus Canadensisof het Wapiti-hert, zie den weleerw. heer J. D. Caton, „Ottawa Acad. of Nat. Sciences”, Mei 1868, blz. 9.↑11Zoo gelijken hij voorbeeld de horens van de vrouwelijkeAntilope Euchoreop die van een andere soort, namelijkAnt. Dorcasvar.Corine, zie Desmarest, „Mammalogie”, blz 455.↑12Gray, „Catalogue Mamm. Brit. Mus.”, part III, 1852, blz. 160.↑13Richardson, „Fauna Bor. Americana”, blz. 278.↑14„Land and Water”, 1867, blz. 346.↑15Sir Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, pl. XIX. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 624.↑16Dit is het besluit waartoe Seidlitz komt in „Die Darwinsche Theorie”, 1871, bldz. 47.↑17Ik ben veel dank verschuldigd aan Prof. Victor Carus voor de navorschingen die hij omtrent dit onderwerp in Saksen voor mij deed. H. van Nathusius („Viehzucht”, 1872, blz. 64) zegt, dat de horens van op jeugdigen leeftijd gesneden rammen, hetzij geheel verdwijnen of als bloote rudimenten blijven bestaan; maar ik weet niet, of hij merino’s of gewone rassen bedoelt.↑18Ik heb verschillende proeven en andere feiten die bewijzen, dat dit het geval is, medegedeeld in mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Nederl. vert., deel II, blz. 8–10.↑19Sir J. Emerson Tennent, „Ceylon”, 1852,vol. II, blz. 274. Omtrent Malakka, „Journal of Indian Archipelago”, vol. IV, blz. 357.↑20„Calcutta Journal of Nat. Hist.”, vol. II, 1843, blz. 526.↑21De heer Blyth in „Land and Water”, Maart 1867, blz. 134, op autoriteit van Kapt. Hutton en anderen. Omtrent de wilde geiten van Pembrokeshire zie „The Field”, 1869, blz. 150.↑22M. E. M. Bailly, „Sur l’Usage des Cornes” enz., „Annal. des Sc. Nat.”, tome II, 1824, blz. 369.↑23Owen, over de Horens van het Edelhert, „British Fossil Mammals”, 1846, blz. 478; „Forest Creatures”, door Charles Boner, 1861, blz. 76, 62; Richardson, over de Horens van het Rendier, „Fauna Bor. Americana”, 1829, blz. 240.↑24De weleerw. heer J. D. Caton („Ottawa Acad. of Nat. Science”, Mei, 1868, blz. 9), zegt, dat de Amerikaansche herten met hun voorpooten vechten, nadat „het vraagstuk van den voorrang (superioriteit) eens is uitgemaakt en in de kudde erkend”; Bailly, „Sur l’Usage des Cornes”, „Annales des Sc. Nat.”, tome II, 1824, blz. 371.↑25Zie een hoogst belangrijke mededeeling daarover in het aanhangsel van de aangehaalde verhandeling van den weleerw. heer J. D. Caton.↑26„The American Naturalist”, Dec. 1869, blz. 552.↑27Pallas, „Spicilegia Zoologica”, fasc. XIII, 1779, blz. 18.↑28Lamont, „Seasons with the Sea-Horses”, 1861, blz. 141.↑29Zie ook Corse („Philosoph. Transact.”, 1799, blz. 212) over de wijze waarop de zich door korte slagtanden kenmerkende Moeknah-verscheidenheid van den olifant andere olifanten aanvalt.↑30Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 349.↑31Zie Rupell (in „Proc. Zoolog. Soc.”, 12 Jan., 1836, blz. 3) over de hoektanden bij herten en antilopen, een noot door den heer Martin omtrent een wijfje van een Amerikaansch hert. Zie ook Falconer („Palaeont. Memoirs and Notes”, vol. I, 1868, blz. 576) over hoektanden bij een volwassen hinde. Bij oude mannetjes van het muskusdier groeien de hoektanden (Pallas, „Spic. Zoolog.”, fasc. XIII, 1779, blz. 18), soms tot een lengte van 7½ centimeter, terwijl bij oude wijfjes een rudiment daarvan nauwelijks 1¼ centimeter uit het tandvleesch uitsteekt.↑32Emerson Tennent, „Ceylon”, 1859, vol. II, blz. 275; Owen, „British Fossil Mammals”, 1846, blz. 245.↑33Richardson, „Fauna Bor. Americana”, over den Amerikaanschen eland (Alces palmata), blz. 236, 237, over het ver uiteenstaan der horens „Land and Water”, 1869, blz. 144. Zie ook Owen, „British Fossil Mammals”, over den Ierschen reuzeneland, blz. 447, 455.↑34„Forest Creatures”, door C. Boner, 1861, blz. 60.↑35Zie de hoogst belangwekkende verhandeling van den heer J. A. Allen in „Bull. Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, vol. II, No. 1, blz. 82. De wegingen werden gedaan door een zorgvuldig waarnemer, kapitein Bryant.↑36„Animal Economy”, blz. 45.↑37Zie ook Richardson’s „Manualon the Dog”, blz. 59. Vele kostelijke inlichtingen omtrent den Schotschen hertenhond worden gegeven door den heerMcNeilldie het eerst de aandacht vestigde op de ongelijke grootte der beide seksen in Scrope’s „ArtofDeer-Stalking”. Ik hoop, dat de heer Cupples gevolg zal geven aan zijn voornemen, om een uitvoerige beschrijving en geschiedenis van dit beroemde hondenras te geven.↑38Brehm, „Thierleben”, Bd. II, blz. 629–632.↑39Zie Wallace’s belangrijke mededeelingen omtrent dit dier, „The Malay Archipelago”, 1869, vol. I, blz. 435.↑40„Atti della Soc. Italiana di Sc. Nat.”, 1873, vol. XV, fasc. IV.↑41„The Times”, 10 Nov. 1857. Ten opzichte van den Canadaschen lynx, zie Audubon en Bachman, „Quadrupeds of N. America”, 1846, blz. 139.↑42Dr. Murie, over den zeeleeuw (Otaria), „Proc. Zool. Soc.”, 1869, blz. 139. De heer Allen betwijfelt in de boven aangehaalde verhandeling (blz. 75), of het haar dat aan den hals van het mannetje langer is dan aan dien van het wijfje, den naam van manen verdient.↑43De heer Boner zegt in zijn uitnemende beschrijving van de levenswijze van het edelhert in Duitschland („Forest Creatures”, 1861, blz. 81): „terwijl[253]het hert bezig is met zijn rechten tegen éénen indringer te verdedigen, breekt een ander in het heiligdom van zijn harem en behaalt de eene zegepraal na de andere.” Juist het zelfde gebeurt bij de robben, zie den heer J. A. Allen, ibid., blz. 100.↑44De heer J. A. Allen in „Bull. Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, vol. II, No. I, blz. 99.↑45„Dogs: Their Management”, door E. Mayhew, M. R. C. V. S., 2nd. edit., 1864, blz. 192–197.↑46Aangehaald door Alexander Walker, „On Intermarriage”, 1838, blz. 276, zie ook blz. 244.↑47„Traité de l’Héréd. Nat.”, tome II, 1850, blz. 206.↑48De eland (Cervus alces).↑49Volgens sommigen de uitgestorven reuzeneland (Megaceros Hibernicus). Anderen houden hem voor het zelfde dier als den Elk. Klaarblijkelijk wordt[257]echter in bovengenoemde dichtregelen de Schelk even scherp tegenover den Elk gesteld als de Urus tegenover den Wisent.In de oorkonden van keizer Otto den Groote van het jaar 943 wordt geboden, dat niemand zonder verlof van BisschopBalderikvan Utrecht in de bosschen vanDrentheaan den Nederrijn herten, beren, reeën, wilde zwijnen, noch die wilde dieren zal jagen, welke in de Duitsche taalEloofScheloheeten (zieHeda,Hist. episc. Ultraj., blz. 83).↑50Dit wordt echter zeer onwaarschijnlijk gemaakt, doordat in het bovenvermeld boekje van von Herberstain van de Auerossen (Bos Urus) wordt gezegd: „Men paart ze met de tamme koeien, maar de jongen worden dan niet door de Urussen in de kudde geduld, en de kalveren van dergelijke bastaarden komen dood ter wereld.” Daar men uit het feit, dat twee vormen vruchtbare jongen met elkander voortbrengen, op het tegenwoordig standpunt der wetenschap niet meer (gelijk men vroeger deed) mag besluiten, dat het geen twee verschillende soorten zijn, kan men er des te zekerder van zijn dat twee vormen die onvruchtbare of onvolkomen vruchtbare jongen met elkander geven, ongetwijfeld soortelijk verschillen.↑51Uit den verschillenden tijd van het afvallen der horens bij het mannetje en het wijfje blijkt echter, dat zij nog steeds met de sekse in verband staan. Het zou belangrijk zijn na te gaan,of de horens bij gesneden rendieren afvallen op den zelfden tijd als bij de ongesneden mannetjes, dan wel op den zelfden tijd als bij de wijfjes. Vergelijk ook het door Darwin (II, blz. 231, 232, 233), gezegde omtrent gecastreerde antilopen, herten, schapen, geiten, runderen enz.↑

1Zie Waterton’s verhaal van het gevecht der twee hazen, „Zoologist”, vol. I, 1843, blz. 211. Over mollen, Bell, „Hist. of British Quadrupeds”, 1ste edit., blz. 100. Over eekhoorns, Audubon en Bachman, „Viviparous Quadrupeds of N. America”, 1846, blz. 262. Over de bevers, den heer A. H. Green, in „Journal of Lin. Soc. Zoolog.”, vol. X, 1869, blz. 263.↑2Omtrent de gevechten van zeehonden, zie kapt. C. Abbott in „Proc. Zool. Soc.”, 1868, blz. 191; ook den heer R, Brown, ibid., 1868, blz. 436; ook L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 412; ook Pennant. Over den Cachelot, zie den heer J. H. Thompson, in „Proc. Zool. Soc.”, 1867, blz. 246.↑3Zie Scrope („Art of Deer-Stalking”, blz. 17) over de ineenstrengeling der horens bij het edelhert (Cervus elaphus). Richardson zegt in „Fauna Bor. Americana”, 1829, blz. 252, dat men het Wapiti-hert, den eland en het rendier aldus ineengestrengeld heeft gevonden. De heer A. Smith vond aan de Kaap de Goede Hoop de geraamten van twee gnoe’s in den zelfden toestand.↑4De heer Lamont („Seasons with the Sea-Horses”, 1861, blz. 143) zegt, dat een goede slagtand van een mannelijken walrus1,8kilogram weegt, en langer is dan die van het wijfje, welke omtrent1,35kilogram weegt. Volgens de beschrijving leveren de mannetjes elkander woedende gevechten. Omtrent het nu en dan ontbreken der slagtanden bij het wijfje, zie den heer R. Brown, „Proc. Zool. Soc.”, 1888, blz. 429.↑5Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 283.↑6De heer R. Brown, in „Proc. Zool. Soc.”, 1869, blz. 553.↑7Owen, omtrent den cachelot enOrnithorhynchus, ibid., vol. III, blz. 638, 641.↑8Over het maaksel en het afwerpen der horens van het rendier, Hoffberg, „Amoenitates Acad.”, vol. IV, 1788, blz. 149. Zie Richardson, „Fauna Bor. Americana”, blz. 241, ten opzichte van de Amerikaansche soort of verscheidenheid; ook majoor W. Ross King, „The Sportsman in Canada”, blz. 80.↑9Isidore Geoffroy St. Hilaire, „Essais de Zoolog. Générale”, 1841, blz. 513. Andere mannelijke kenmerken, behalve de horens, worden somtijds eveneens op het wijfje overgeplant; zoo zegt de heer Boner, sprekende van een oud wijfje van een gems („Chamois Hunting in the Mountains of Bavaria”): „Niet slechts zag de kop er zeer mannelijk uit, maar langs den rug liep een streep lang haar, die gewoonlijk alleen bij de mannetjes wordt gevonden.”↑10OmtrentCervulus, Dr. Gray, „Catalogueof the Mammalia in British Museum”, vol III, blz. 220. OmtrentCervus Canadensisof het Wapiti-hert, zie den weleerw. heer J. D. Caton, „Ottawa Acad. of Nat. Sciences”, Mei 1868, blz. 9.↑11Zoo gelijken hij voorbeeld de horens van de vrouwelijkeAntilope Euchoreop die van een andere soort, namelijkAnt. Dorcasvar.Corine, zie Desmarest, „Mammalogie”, blz 455.↑12Gray, „Catalogue Mamm. Brit. Mus.”, part III, 1852, blz. 160.↑13Richardson, „Fauna Bor. Americana”, blz. 278.↑14„Land and Water”, 1867, blz. 346.↑15Sir Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, pl. XIX. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 624.↑16Dit is het besluit waartoe Seidlitz komt in „Die Darwinsche Theorie”, 1871, bldz. 47.↑17Ik ben veel dank verschuldigd aan Prof. Victor Carus voor de navorschingen die hij omtrent dit onderwerp in Saksen voor mij deed. H. van Nathusius („Viehzucht”, 1872, blz. 64) zegt, dat de horens van op jeugdigen leeftijd gesneden rammen, hetzij geheel verdwijnen of als bloote rudimenten blijven bestaan; maar ik weet niet, of hij merino’s of gewone rassen bedoelt.↑18Ik heb verschillende proeven en andere feiten die bewijzen, dat dit het geval is, medegedeeld in mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Nederl. vert., deel II, blz. 8–10.↑19Sir J. Emerson Tennent, „Ceylon”, 1852,vol. II, blz. 274. Omtrent Malakka, „Journal of Indian Archipelago”, vol. IV, blz. 357.↑20„Calcutta Journal of Nat. Hist.”, vol. II, 1843, blz. 526.↑21De heer Blyth in „Land and Water”, Maart 1867, blz. 134, op autoriteit van Kapt. Hutton en anderen. Omtrent de wilde geiten van Pembrokeshire zie „The Field”, 1869, blz. 150.↑22M. E. M. Bailly, „Sur l’Usage des Cornes” enz., „Annal. des Sc. Nat.”, tome II, 1824, blz. 369.↑23Owen, over de Horens van het Edelhert, „British Fossil Mammals”, 1846, blz. 478; „Forest Creatures”, door Charles Boner, 1861, blz. 76, 62; Richardson, over de Horens van het Rendier, „Fauna Bor. Americana”, 1829, blz. 240.↑24De weleerw. heer J. D. Caton („Ottawa Acad. of Nat. Science”, Mei, 1868, blz. 9), zegt, dat de Amerikaansche herten met hun voorpooten vechten, nadat „het vraagstuk van den voorrang (superioriteit) eens is uitgemaakt en in de kudde erkend”; Bailly, „Sur l’Usage des Cornes”, „Annales des Sc. Nat.”, tome II, 1824, blz. 371.↑25Zie een hoogst belangrijke mededeeling daarover in het aanhangsel van de aangehaalde verhandeling van den weleerw. heer J. D. Caton.↑26„The American Naturalist”, Dec. 1869, blz. 552.↑27Pallas, „Spicilegia Zoologica”, fasc. XIII, 1779, blz. 18.↑28Lamont, „Seasons with the Sea-Horses”, 1861, blz. 141.↑29Zie ook Corse („Philosoph. Transact.”, 1799, blz. 212) over de wijze waarop de zich door korte slagtanden kenmerkende Moeknah-verscheidenheid van den olifant andere olifanten aanvalt.↑30Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 349.↑31Zie Rupell (in „Proc. Zoolog. Soc.”, 12 Jan., 1836, blz. 3) over de hoektanden bij herten en antilopen, een noot door den heer Martin omtrent een wijfje van een Amerikaansch hert. Zie ook Falconer („Palaeont. Memoirs and Notes”, vol. I, 1868, blz. 576) over hoektanden bij een volwassen hinde. Bij oude mannetjes van het muskusdier groeien de hoektanden (Pallas, „Spic. Zoolog.”, fasc. XIII, 1779, blz. 18), soms tot een lengte van 7½ centimeter, terwijl bij oude wijfjes een rudiment daarvan nauwelijks 1¼ centimeter uit het tandvleesch uitsteekt.↑32Emerson Tennent, „Ceylon”, 1859, vol. II, blz. 275; Owen, „British Fossil Mammals”, 1846, blz. 245.↑33Richardson, „Fauna Bor. Americana”, over den Amerikaanschen eland (Alces palmata), blz. 236, 237, over het ver uiteenstaan der horens „Land and Water”, 1869, blz. 144. Zie ook Owen, „British Fossil Mammals”, over den Ierschen reuzeneland, blz. 447, 455.↑34„Forest Creatures”, door C. Boner, 1861, blz. 60.↑35Zie de hoogst belangwekkende verhandeling van den heer J. A. Allen in „Bull. Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, vol. II, No. 1, blz. 82. De wegingen werden gedaan door een zorgvuldig waarnemer, kapitein Bryant.↑36„Animal Economy”, blz. 45.↑37Zie ook Richardson’s „Manualon the Dog”, blz. 59. Vele kostelijke inlichtingen omtrent den Schotschen hertenhond worden gegeven door den heerMcNeilldie het eerst de aandacht vestigde op de ongelijke grootte der beide seksen in Scrope’s „ArtofDeer-Stalking”. Ik hoop, dat de heer Cupples gevolg zal geven aan zijn voornemen, om een uitvoerige beschrijving en geschiedenis van dit beroemde hondenras te geven.↑38Brehm, „Thierleben”, Bd. II, blz. 629–632.↑39Zie Wallace’s belangrijke mededeelingen omtrent dit dier, „The Malay Archipelago”, 1869, vol. I, blz. 435.↑40„Atti della Soc. Italiana di Sc. Nat.”, 1873, vol. XV, fasc. IV.↑41„The Times”, 10 Nov. 1857. Ten opzichte van den Canadaschen lynx, zie Audubon en Bachman, „Quadrupeds of N. America”, 1846, blz. 139.↑42Dr. Murie, over den zeeleeuw (Otaria), „Proc. Zool. Soc.”, 1869, blz. 139. De heer Allen betwijfelt in de boven aangehaalde verhandeling (blz. 75), of het haar dat aan den hals van het mannetje langer is dan aan dien van het wijfje, den naam van manen verdient.↑43De heer Boner zegt in zijn uitnemende beschrijving van de levenswijze van het edelhert in Duitschland („Forest Creatures”, 1861, blz. 81): „terwijl[253]het hert bezig is met zijn rechten tegen éénen indringer te verdedigen, breekt een ander in het heiligdom van zijn harem en behaalt de eene zegepraal na de andere.” Juist het zelfde gebeurt bij de robben, zie den heer J. A. Allen, ibid., blz. 100.↑44De heer J. A. Allen in „Bull. Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, vol. II, No. I, blz. 99.↑45„Dogs: Their Management”, door E. Mayhew, M. R. C. V. S., 2nd. edit., 1864, blz. 192–197.↑46Aangehaald door Alexander Walker, „On Intermarriage”, 1838, blz. 276, zie ook blz. 244.↑47„Traité de l’Héréd. Nat.”, tome II, 1850, blz. 206.↑48De eland (Cervus alces).↑49Volgens sommigen de uitgestorven reuzeneland (Megaceros Hibernicus). Anderen houden hem voor het zelfde dier als den Elk. Klaarblijkelijk wordt[257]echter in bovengenoemde dichtregelen de Schelk even scherp tegenover den Elk gesteld als de Urus tegenover den Wisent.In de oorkonden van keizer Otto den Groote van het jaar 943 wordt geboden, dat niemand zonder verlof van BisschopBalderikvan Utrecht in de bosschen vanDrentheaan den Nederrijn herten, beren, reeën, wilde zwijnen, noch die wilde dieren zal jagen, welke in de Duitsche taalEloofScheloheeten (zieHeda,Hist. episc. Ultraj., blz. 83).↑50Dit wordt echter zeer onwaarschijnlijk gemaakt, doordat in het bovenvermeld boekje van von Herberstain van de Auerossen (Bos Urus) wordt gezegd: „Men paart ze met de tamme koeien, maar de jongen worden dan niet door de Urussen in de kudde geduld, en de kalveren van dergelijke bastaarden komen dood ter wereld.” Daar men uit het feit, dat twee vormen vruchtbare jongen met elkander voortbrengen, op het tegenwoordig standpunt der wetenschap niet meer (gelijk men vroeger deed) mag besluiten, dat het geen twee verschillende soorten zijn, kan men er des te zekerder van zijn dat twee vormen die onvruchtbare of onvolkomen vruchtbare jongen met elkander geven, ongetwijfeld soortelijk verschillen.↑51Uit den verschillenden tijd van het afvallen der horens bij het mannetje en het wijfje blijkt echter, dat zij nog steeds met de sekse in verband staan. Het zou belangrijk zijn na te gaan,of de horens bij gesneden rendieren afvallen op den zelfden tijd als bij de ongesneden mannetjes, dan wel op den zelfden tijd als bij de wijfjes. Vergelijk ook het door Darwin (II, blz. 231, 232, 233), gezegde omtrent gecastreerde antilopen, herten, schapen, geiten, runderen enz.↑

1Zie Waterton’s verhaal van het gevecht der twee hazen, „Zoologist”, vol. I, 1843, blz. 211. Over mollen, Bell, „Hist. of British Quadrupeds”, 1ste edit., blz. 100. Over eekhoorns, Audubon en Bachman, „Viviparous Quadrupeds of N. America”, 1846, blz. 262. Over de bevers, den heer A. H. Green, in „Journal of Lin. Soc. Zoolog.”, vol. X, 1869, blz. 263.↑2Omtrent de gevechten van zeehonden, zie kapt. C. Abbott in „Proc. Zool. Soc.”, 1868, blz. 191; ook den heer R, Brown, ibid., 1868, blz. 436; ook L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 412; ook Pennant. Over den Cachelot, zie den heer J. H. Thompson, in „Proc. Zool. Soc.”, 1867, blz. 246.↑3Zie Scrope („Art of Deer-Stalking”, blz. 17) over de ineenstrengeling der horens bij het edelhert (Cervus elaphus). Richardson zegt in „Fauna Bor. Americana”, 1829, blz. 252, dat men het Wapiti-hert, den eland en het rendier aldus ineengestrengeld heeft gevonden. De heer A. Smith vond aan de Kaap de Goede Hoop de geraamten van twee gnoe’s in den zelfden toestand.↑4De heer Lamont („Seasons with the Sea-Horses”, 1861, blz. 143) zegt, dat een goede slagtand van een mannelijken walrus1,8kilogram weegt, en langer is dan die van het wijfje, welke omtrent1,35kilogram weegt. Volgens de beschrijving leveren de mannetjes elkander woedende gevechten. Omtrent het nu en dan ontbreken der slagtanden bij het wijfje, zie den heer R. Brown, „Proc. Zool. Soc.”, 1888, blz. 429.↑5Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 283.↑6De heer R. Brown, in „Proc. Zool. Soc.”, 1869, blz. 553.↑7Owen, omtrent den cachelot enOrnithorhynchus, ibid., vol. III, blz. 638, 641.↑8Over het maaksel en het afwerpen der horens van het rendier, Hoffberg, „Amoenitates Acad.”, vol. IV, 1788, blz. 149. Zie Richardson, „Fauna Bor. Americana”, blz. 241, ten opzichte van de Amerikaansche soort of verscheidenheid; ook majoor W. Ross King, „The Sportsman in Canada”, blz. 80.↑9Isidore Geoffroy St. Hilaire, „Essais de Zoolog. Générale”, 1841, blz. 513. Andere mannelijke kenmerken, behalve de horens, worden somtijds eveneens op het wijfje overgeplant; zoo zegt de heer Boner, sprekende van een oud wijfje van een gems („Chamois Hunting in the Mountains of Bavaria”): „Niet slechts zag de kop er zeer mannelijk uit, maar langs den rug liep een streep lang haar, die gewoonlijk alleen bij de mannetjes wordt gevonden.”↑10OmtrentCervulus, Dr. Gray, „Catalogueof the Mammalia in British Museum”, vol III, blz. 220. OmtrentCervus Canadensisof het Wapiti-hert, zie den weleerw. heer J. D. Caton, „Ottawa Acad. of Nat. Sciences”, Mei 1868, blz. 9.↑11Zoo gelijken hij voorbeeld de horens van de vrouwelijkeAntilope Euchoreop die van een andere soort, namelijkAnt. Dorcasvar.Corine, zie Desmarest, „Mammalogie”, blz 455.↑12Gray, „Catalogue Mamm. Brit. Mus.”, part III, 1852, blz. 160.↑13Richardson, „Fauna Bor. Americana”, blz. 278.↑14„Land and Water”, 1867, blz. 346.↑15Sir Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, pl. XIX. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 624.↑16Dit is het besluit waartoe Seidlitz komt in „Die Darwinsche Theorie”, 1871, bldz. 47.↑17Ik ben veel dank verschuldigd aan Prof. Victor Carus voor de navorschingen die hij omtrent dit onderwerp in Saksen voor mij deed. H. van Nathusius („Viehzucht”, 1872, blz. 64) zegt, dat de horens van op jeugdigen leeftijd gesneden rammen, hetzij geheel verdwijnen of als bloote rudimenten blijven bestaan; maar ik weet niet, of hij merino’s of gewone rassen bedoelt.↑18Ik heb verschillende proeven en andere feiten die bewijzen, dat dit het geval is, medegedeeld in mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Nederl. vert., deel II, blz. 8–10.↑19Sir J. Emerson Tennent, „Ceylon”, 1852,vol. II, blz. 274. Omtrent Malakka, „Journal of Indian Archipelago”, vol. IV, blz. 357.↑20„Calcutta Journal of Nat. Hist.”, vol. II, 1843, blz. 526.↑21De heer Blyth in „Land and Water”, Maart 1867, blz. 134, op autoriteit van Kapt. Hutton en anderen. Omtrent de wilde geiten van Pembrokeshire zie „The Field”, 1869, blz. 150.↑22M. E. M. Bailly, „Sur l’Usage des Cornes” enz., „Annal. des Sc. Nat.”, tome II, 1824, blz. 369.↑23Owen, over de Horens van het Edelhert, „British Fossil Mammals”, 1846, blz. 478; „Forest Creatures”, door Charles Boner, 1861, blz. 76, 62; Richardson, over de Horens van het Rendier, „Fauna Bor. Americana”, 1829, blz. 240.↑24De weleerw. heer J. D. Caton („Ottawa Acad. of Nat. Science”, Mei, 1868, blz. 9), zegt, dat de Amerikaansche herten met hun voorpooten vechten, nadat „het vraagstuk van den voorrang (superioriteit) eens is uitgemaakt en in de kudde erkend”; Bailly, „Sur l’Usage des Cornes”, „Annales des Sc. Nat.”, tome II, 1824, blz. 371.↑25Zie een hoogst belangrijke mededeeling daarover in het aanhangsel van de aangehaalde verhandeling van den weleerw. heer J. D. Caton.↑26„The American Naturalist”, Dec. 1869, blz. 552.↑27Pallas, „Spicilegia Zoologica”, fasc. XIII, 1779, blz. 18.↑28Lamont, „Seasons with the Sea-Horses”, 1861, blz. 141.↑29Zie ook Corse („Philosoph. Transact.”, 1799, blz. 212) over de wijze waarop de zich door korte slagtanden kenmerkende Moeknah-verscheidenheid van den olifant andere olifanten aanvalt.↑30Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 349.↑31Zie Rupell (in „Proc. Zoolog. Soc.”, 12 Jan., 1836, blz. 3) over de hoektanden bij herten en antilopen, een noot door den heer Martin omtrent een wijfje van een Amerikaansch hert. Zie ook Falconer („Palaeont. Memoirs and Notes”, vol. I, 1868, blz. 576) over hoektanden bij een volwassen hinde. Bij oude mannetjes van het muskusdier groeien de hoektanden (Pallas, „Spic. Zoolog.”, fasc. XIII, 1779, blz. 18), soms tot een lengte van 7½ centimeter, terwijl bij oude wijfjes een rudiment daarvan nauwelijks 1¼ centimeter uit het tandvleesch uitsteekt.↑32Emerson Tennent, „Ceylon”, 1859, vol. II, blz. 275; Owen, „British Fossil Mammals”, 1846, blz. 245.↑33Richardson, „Fauna Bor. Americana”, over den Amerikaanschen eland (Alces palmata), blz. 236, 237, over het ver uiteenstaan der horens „Land and Water”, 1869, blz. 144. Zie ook Owen, „British Fossil Mammals”, over den Ierschen reuzeneland, blz. 447, 455.↑34„Forest Creatures”, door C. Boner, 1861, blz. 60.↑35Zie de hoogst belangwekkende verhandeling van den heer J. A. Allen in „Bull. Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, vol. II, No. 1, blz. 82. De wegingen werden gedaan door een zorgvuldig waarnemer, kapitein Bryant.↑36„Animal Economy”, blz. 45.↑37Zie ook Richardson’s „Manualon the Dog”, blz. 59. Vele kostelijke inlichtingen omtrent den Schotschen hertenhond worden gegeven door den heerMcNeilldie het eerst de aandacht vestigde op de ongelijke grootte der beide seksen in Scrope’s „ArtofDeer-Stalking”. Ik hoop, dat de heer Cupples gevolg zal geven aan zijn voornemen, om een uitvoerige beschrijving en geschiedenis van dit beroemde hondenras te geven.↑38Brehm, „Thierleben”, Bd. II, blz. 629–632.↑39Zie Wallace’s belangrijke mededeelingen omtrent dit dier, „The Malay Archipelago”, 1869, vol. I, blz. 435.↑40„Atti della Soc. Italiana di Sc. Nat.”, 1873, vol. XV, fasc. IV.↑41„The Times”, 10 Nov. 1857. Ten opzichte van den Canadaschen lynx, zie Audubon en Bachman, „Quadrupeds of N. America”, 1846, blz. 139.↑42Dr. Murie, over den zeeleeuw (Otaria), „Proc. Zool. Soc.”, 1869, blz. 139. De heer Allen betwijfelt in de boven aangehaalde verhandeling (blz. 75), of het haar dat aan den hals van het mannetje langer is dan aan dien van het wijfje, den naam van manen verdient.↑43De heer Boner zegt in zijn uitnemende beschrijving van de levenswijze van het edelhert in Duitschland („Forest Creatures”, 1861, blz. 81): „terwijl[253]het hert bezig is met zijn rechten tegen éénen indringer te verdedigen, breekt een ander in het heiligdom van zijn harem en behaalt de eene zegepraal na de andere.” Juist het zelfde gebeurt bij de robben, zie den heer J. A. Allen, ibid., blz. 100.↑44De heer J. A. Allen in „Bull. Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, vol. II, No. I, blz. 99.↑45„Dogs: Their Management”, door E. Mayhew, M. R. C. V. S., 2nd. edit., 1864, blz. 192–197.↑46Aangehaald door Alexander Walker, „On Intermarriage”, 1838, blz. 276, zie ook blz. 244.↑47„Traité de l’Héréd. Nat.”, tome II, 1850, blz. 206.↑48De eland (Cervus alces).↑49Volgens sommigen de uitgestorven reuzeneland (Megaceros Hibernicus). Anderen houden hem voor het zelfde dier als den Elk. Klaarblijkelijk wordt[257]echter in bovengenoemde dichtregelen de Schelk even scherp tegenover den Elk gesteld als de Urus tegenover den Wisent.In de oorkonden van keizer Otto den Groote van het jaar 943 wordt geboden, dat niemand zonder verlof van BisschopBalderikvan Utrecht in de bosschen vanDrentheaan den Nederrijn herten, beren, reeën, wilde zwijnen, noch die wilde dieren zal jagen, welke in de Duitsche taalEloofScheloheeten (zieHeda,Hist. episc. Ultraj., blz. 83).↑50Dit wordt echter zeer onwaarschijnlijk gemaakt, doordat in het bovenvermeld boekje van von Herberstain van de Auerossen (Bos Urus) wordt gezegd: „Men paart ze met de tamme koeien, maar de jongen worden dan niet door de Urussen in de kudde geduld, en de kalveren van dergelijke bastaarden komen dood ter wereld.” Daar men uit het feit, dat twee vormen vruchtbare jongen met elkander voortbrengen, op het tegenwoordig standpunt der wetenschap niet meer (gelijk men vroeger deed) mag besluiten, dat het geen twee verschillende soorten zijn, kan men er des te zekerder van zijn dat twee vormen die onvruchtbare of onvolkomen vruchtbare jongen met elkander geven, ongetwijfeld soortelijk verschillen.↑51Uit den verschillenden tijd van het afvallen der horens bij het mannetje en het wijfje blijkt echter, dat zij nog steeds met de sekse in verband staan. Het zou belangrijk zijn na te gaan,of de horens bij gesneden rendieren afvallen op den zelfden tijd als bij de ongesneden mannetjes, dan wel op den zelfden tijd als bij de wijfjes. Vergelijk ook het door Darwin (II, blz. 231, 232, 233), gezegde omtrent gecastreerde antilopen, herten, schapen, geiten, runderen enz.↑

1Zie Waterton’s verhaal van het gevecht der twee hazen, „Zoologist”, vol. I, 1843, blz. 211. Over mollen, Bell, „Hist. of British Quadrupeds”, 1ste edit., blz. 100. Over eekhoorns, Audubon en Bachman, „Viviparous Quadrupeds of N. America”, 1846, blz. 262. Over de bevers, den heer A. H. Green, in „Journal of Lin. Soc. Zoolog.”, vol. X, 1869, blz. 263.↑2Omtrent de gevechten van zeehonden, zie kapt. C. Abbott in „Proc. Zool. Soc.”, 1868, blz. 191; ook den heer R, Brown, ibid., 1868, blz. 436; ook L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 412; ook Pennant. Over den Cachelot, zie den heer J. H. Thompson, in „Proc. Zool. Soc.”, 1867, blz. 246.↑3Zie Scrope („Art of Deer-Stalking”, blz. 17) over de ineenstrengeling der horens bij het edelhert (Cervus elaphus). Richardson zegt in „Fauna Bor. Americana”, 1829, blz. 252, dat men het Wapiti-hert, den eland en het rendier aldus ineengestrengeld heeft gevonden. De heer A. Smith vond aan de Kaap de Goede Hoop de geraamten van twee gnoe’s in den zelfden toestand.↑4De heer Lamont („Seasons with the Sea-Horses”, 1861, blz. 143) zegt, dat een goede slagtand van een mannelijken walrus1,8kilogram weegt, en langer is dan die van het wijfje, welke omtrent1,35kilogram weegt. Volgens de beschrijving leveren de mannetjes elkander woedende gevechten. Omtrent het nu en dan ontbreken der slagtanden bij het wijfje, zie den heer R. Brown, „Proc. Zool. Soc.”, 1888, blz. 429.↑5Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 283.↑6De heer R. Brown, in „Proc. Zool. Soc.”, 1869, blz. 553.↑7Owen, omtrent den cachelot enOrnithorhynchus, ibid., vol. III, blz. 638, 641.↑8Over het maaksel en het afwerpen der horens van het rendier, Hoffberg, „Amoenitates Acad.”, vol. IV, 1788, blz. 149. Zie Richardson, „Fauna Bor. Americana”, blz. 241, ten opzichte van de Amerikaansche soort of verscheidenheid; ook majoor W. Ross King, „The Sportsman in Canada”, blz. 80.↑9Isidore Geoffroy St. Hilaire, „Essais de Zoolog. Générale”, 1841, blz. 513. Andere mannelijke kenmerken, behalve de horens, worden somtijds eveneens op het wijfje overgeplant; zoo zegt de heer Boner, sprekende van een oud wijfje van een gems („Chamois Hunting in the Mountains of Bavaria”): „Niet slechts zag de kop er zeer mannelijk uit, maar langs den rug liep een streep lang haar, die gewoonlijk alleen bij de mannetjes wordt gevonden.”↑10OmtrentCervulus, Dr. Gray, „Catalogueof the Mammalia in British Museum”, vol III, blz. 220. OmtrentCervus Canadensisof het Wapiti-hert, zie den weleerw. heer J. D. Caton, „Ottawa Acad. of Nat. Sciences”, Mei 1868, blz. 9.↑11Zoo gelijken hij voorbeeld de horens van de vrouwelijkeAntilope Euchoreop die van een andere soort, namelijkAnt. Dorcasvar.Corine, zie Desmarest, „Mammalogie”, blz 455.↑12Gray, „Catalogue Mamm. Brit. Mus.”, part III, 1852, blz. 160.↑13Richardson, „Fauna Bor. Americana”, blz. 278.↑14„Land and Water”, 1867, blz. 346.↑15Sir Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, pl. XIX. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 624.↑16Dit is het besluit waartoe Seidlitz komt in „Die Darwinsche Theorie”, 1871, bldz. 47.↑17Ik ben veel dank verschuldigd aan Prof. Victor Carus voor de navorschingen die hij omtrent dit onderwerp in Saksen voor mij deed. H. van Nathusius („Viehzucht”, 1872, blz. 64) zegt, dat de horens van op jeugdigen leeftijd gesneden rammen, hetzij geheel verdwijnen of als bloote rudimenten blijven bestaan; maar ik weet niet, of hij merino’s of gewone rassen bedoelt.↑18Ik heb verschillende proeven en andere feiten die bewijzen, dat dit het geval is, medegedeeld in mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Nederl. vert., deel II, blz. 8–10.↑19Sir J. Emerson Tennent, „Ceylon”, 1852,vol. II, blz. 274. Omtrent Malakka, „Journal of Indian Archipelago”, vol. IV, blz. 357.↑20„Calcutta Journal of Nat. Hist.”, vol. II, 1843, blz. 526.↑21De heer Blyth in „Land and Water”, Maart 1867, blz. 134, op autoriteit van Kapt. Hutton en anderen. Omtrent de wilde geiten van Pembrokeshire zie „The Field”, 1869, blz. 150.↑22M. E. M. Bailly, „Sur l’Usage des Cornes” enz., „Annal. des Sc. Nat.”, tome II, 1824, blz. 369.↑23Owen, over de Horens van het Edelhert, „British Fossil Mammals”, 1846, blz. 478; „Forest Creatures”, door Charles Boner, 1861, blz. 76, 62; Richardson, over de Horens van het Rendier, „Fauna Bor. Americana”, 1829, blz. 240.↑24De weleerw. heer J. D. Caton („Ottawa Acad. of Nat. Science”, Mei, 1868, blz. 9), zegt, dat de Amerikaansche herten met hun voorpooten vechten, nadat „het vraagstuk van den voorrang (superioriteit) eens is uitgemaakt en in de kudde erkend”; Bailly, „Sur l’Usage des Cornes”, „Annales des Sc. Nat.”, tome II, 1824, blz. 371.↑25Zie een hoogst belangrijke mededeeling daarover in het aanhangsel van de aangehaalde verhandeling van den weleerw. heer J. D. Caton.↑26„The American Naturalist”, Dec. 1869, blz. 552.↑27Pallas, „Spicilegia Zoologica”, fasc. XIII, 1779, blz. 18.↑28Lamont, „Seasons with the Sea-Horses”, 1861, blz. 141.↑29Zie ook Corse („Philosoph. Transact.”, 1799, blz. 212) over de wijze waarop de zich door korte slagtanden kenmerkende Moeknah-verscheidenheid van den olifant andere olifanten aanvalt.↑30Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 349.↑31Zie Rupell (in „Proc. Zoolog. Soc.”, 12 Jan., 1836, blz. 3) over de hoektanden bij herten en antilopen, een noot door den heer Martin omtrent een wijfje van een Amerikaansch hert. Zie ook Falconer („Palaeont. Memoirs and Notes”, vol. I, 1868, blz. 576) over hoektanden bij een volwassen hinde. Bij oude mannetjes van het muskusdier groeien de hoektanden (Pallas, „Spic. Zoolog.”, fasc. XIII, 1779, blz. 18), soms tot een lengte van 7½ centimeter, terwijl bij oude wijfjes een rudiment daarvan nauwelijks 1¼ centimeter uit het tandvleesch uitsteekt.↑32Emerson Tennent, „Ceylon”, 1859, vol. II, blz. 275; Owen, „British Fossil Mammals”, 1846, blz. 245.↑33Richardson, „Fauna Bor. Americana”, over den Amerikaanschen eland (Alces palmata), blz. 236, 237, over het ver uiteenstaan der horens „Land and Water”, 1869, blz. 144. Zie ook Owen, „British Fossil Mammals”, over den Ierschen reuzeneland, blz. 447, 455.↑34„Forest Creatures”, door C. Boner, 1861, blz. 60.↑35Zie de hoogst belangwekkende verhandeling van den heer J. A. Allen in „Bull. Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, vol. II, No. 1, blz. 82. De wegingen werden gedaan door een zorgvuldig waarnemer, kapitein Bryant.↑36„Animal Economy”, blz. 45.↑37Zie ook Richardson’s „Manualon the Dog”, blz. 59. Vele kostelijke inlichtingen omtrent den Schotschen hertenhond worden gegeven door den heerMcNeilldie het eerst de aandacht vestigde op de ongelijke grootte der beide seksen in Scrope’s „ArtofDeer-Stalking”. Ik hoop, dat de heer Cupples gevolg zal geven aan zijn voornemen, om een uitvoerige beschrijving en geschiedenis van dit beroemde hondenras te geven.↑38Brehm, „Thierleben”, Bd. II, blz. 629–632.↑39Zie Wallace’s belangrijke mededeelingen omtrent dit dier, „The Malay Archipelago”, 1869, vol. I, blz. 435.↑40„Atti della Soc. Italiana di Sc. Nat.”, 1873, vol. XV, fasc. IV.↑41„The Times”, 10 Nov. 1857. Ten opzichte van den Canadaschen lynx, zie Audubon en Bachman, „Quadrupeds of N. America”, 1846, blz. 139.↑42Dr. Murie, over den zeeleeuw (Otaria), „Proc. Zool. Soc.”, 1869, blz. 139. De heer Allen betwijfelt in de boven aangehaalde verhandeling (blz. 75), of het haar dat aan den hals van het mannetje langer is dan aan dien van het wijfje, den naam van manen verdient.↑43De heer Boner zegt in zijn uitnemende beschrijving van de levenswijze van het edelhert in Duitschland („Forest Creatures”, 1861, blz. 81): „terwijl[253]het hert bezig is met zijn rechten tegen éénen indringer te verdedigen, breekt een ander in het heiligdom van zijn harem en behaalt de eene zegepraal na de andere.” Juist het zelfde gebeurt bij de robben, zie den heer J. A. Allen, ibid., blz. 100.↑44De heer J. A. Allen in „Bull. Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, vol. II, No. I, blz. 99.↑45„Dogs: Their Management”, door E. Mayhew, M. R. C. V. S., 2nd. edit., 1864, blz. 192–197.↑46Aangehaald door Alexander Walker, „On Intermarriage”, 1838, blz. 276, zie ook blz. 244.↑47„Traité de l’Héréd. Nat.”, tome II, 1850, blz. 206.↑48De eland (Cervus alces).↑49Volgens sommigen de uitgestorven reuzeneland (Megaceros Hibernicus). Anderen houden hem voor het zelfde dier als den Elk. Klaarblijkelijk wordt[257]echter in bovengenoemde dichtregelen de Schelk even scherp tegenover den Elk gesteld als de Urus tegenover den Wisent.In de oorkonden van keizer Otto den Groote van het jaar 943 wordt geboden, dat niemand zonder verlof van BisschopBalderikvan Utrecht in de bosschen vanDrentheaan den Nederrijn herten, beren, reeën, wilde zwijnen, noch die wilde dieren zal jagen, welke in de Duitsche taalEloofScheloheeten (zieHeda,Hist. episc. Ultraj., blz. 83).↑50Dit wordt echter zeer onwaarschijnlijk gemaakt, doordat in het bovenvermeld boekje van von Herberstain van de Auerossen (Bos Urus) wordt gezegd: „Men paart ze met de tamme koeien, maar de jongen worden dan niet door de Urussen in de kudde geduld, en de kalveren van dergelijke bastaarden komen dood ter wereld.” Daar men uit het feit, dat twee vormen vruchtbare jongen met elkander voortbrengen, op het tegenwoordig standpunt der wetenschap niet meer (gelijk men vroeger deed) mag besluiten, dat het geen twee verschillende soorten zijn, kan men er des te zekerder van zijn dat twee vormen die onvruchtbare of onvolkomen vruchtbare jongen met elkander geven, ongetwijfeld soortelijk verschillen.↑51Uit den verschillenden tijd van het afvallen der horens bij het mannetje en het wijfje blijkt echter, dat zij nog steeds met de sekse in verband staan. Het zou belangrijk zijn na te gaan,of de horens bij gesneden rendieren afvallen op den zelfden tijd als bij de ongesneden mannetjes, dan wel op den zelfden tijd als bij de wijfjes. Vergelijk ook het door Darwin (II, blz. 231, 232, 233), gezegde omtrent gecastreerde antilopen, herten, schapen, geiten, runderen enz.↑

1Zie Waterton’s verhaal van het gevecht der twee hazen, „Zoologist”, vol. I, 1843, blz. 211. Over mollen, Bell, „Hist. of British Quadrupeds”, 1ste edit., blz. 100. Over eekhoorns, Audubon en Bachman, „Viviparous Quadrupeds of N. America”, 1846, blz. 262. Over de bevers, den heer A. H. Green, in „Journal of Lin. Soc. Zoolog.”, vol. X, 1869, blz. 263.↑

1Zie Waterton’s verhaal van het gevecht der twee hazen, „Zoologist”, vol. I, 1843, blz. 211. Over mollen, Bell, „Hist. of British Quadrupeds”, 1ste edit., blz. 100. Over eekhoorns, Audubon en Bachman, „Viviparous Quadrupeds of N. America”, 1846, blz. 262. Over de bevers, den heer A. H. Green, in „Journal of Lin. Soc. Zoolog.”, vol. X, 1869, blz. 263.↑

2Omtrent de gevechten van zeehonden, zie kapt. C. Abbott in „Proc. Zool. Soc.”, 1868, blz. 191; ook den heer R, Brown, ibid., 1868, blz. 436; ook L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 412; ook Pennant. Over den Cachelot, zie den heer J. H. Thompson, in „Proc. Zool. Soc.”, 1867, blz. 246.↑

2Omtrent de gevechten van zeehonden, zie kapt. C. Abbott in „Proc. Zool. Soc.”, 1868, blz. 191; ook den heer R, Brown, ibid., 1868, blz. 436; ook L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 412; ook Pennant. Over den Cachelot, zie den heer J. H. Thompson, in „Proc. Zool. Soc.”, 1867, blz. 246.↑

3Zie Scrope („Art of Deer-Stalking”, blz. 17) over de ineenstrengeling der horens bij het edelhert (Cervus elaphus). Richardson zegt in „Fauna Bor. Americana”, 1829, blz. 252, dat men het Wapiti-hert, den eland en het rendier aldus ineengestrengeld heeft gevonden. De heer A. Smith vond aan de Kaap de Goede Hoop de geraamten van twee gnoe’s in den zelfden toestand.↑

3Zie Scrope („Art of Deer-Stalking”, blz. 17) over de ineenstrengeling der horens bij het edelhert (Cervus elaphus). Richardson zegt in „Fauna Bor. Americana”, 1829, blz. 252, dat men het Wapiti-hert, den eland en het rendier aldus ineengestrengeld heeft gevonden. De heer A. Smith vond aan de Kaap de Goede Hoop de geraamten van twee gnoe’s in den zelfden toestand.↑

4De heer Lamont („Seasons with the Sea-Horses”, 1861, blz. 143) zegt, dat een goede slagtand van een mannelijken walrus1,8kilogram weegt, en langer is dan die van het wijfje, welke omtrent1,35kilogram weegt. Volgens de beschrijving leveren de mannetjes elkander woedende gevechten. Omtrent het nu en dan ontbreken der slagtanden bij het wijfje, zie den heer R. Brown, „Proc. Zool. Soc.”, 1888, blz. 429.↑

4De heer Lamont („Seasons with the Sea-Horses”, 1861, blz. 143) zegt, dat een goede slagtand van een mannelijken walrus1,8kilogram weegt, en langer is dan die van het wijfje, welke omtrent1,35kilogram weegt. Volgens de beschrijving leveren de mannetjes elkander woedende gevechten. Omtrent het nu en dan ontbreken der slagtanden bij het wijfje, zie den heer R. Brown, „Proc. Zool. Soc.”, 1888, blz. 429.↑

5Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 283.↑

5Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 283.↑

6De heer R. Brown, in „Proc. Zool. Soc.”, 1869, blz. 553.↑

6De heer R. Brown, in „Proc. Zool. Soc.”, 1869, blz. 553.↑

7Owen, omtrent den cachelot enOrnithorhynchus, ibid., vol. III, blz. 638, 641.↑

7Owen, omtrent den cachelot enOrnithorhynchus, ibid., vol. III, blz. 638, 641.↑

8Over het maaksel en het afwerpen der horens van het rendier, Hoffberg, „Amoenitates Acad.”, vol. IV, 1788, blz. 149. Zie Richardson, „Fauna Bor. Americana”, blz. 241, ten opzichte van de Amerikaansche soort of verscheidenheid; ook majoor W. Ross King, „The Sportsman in Canada”, blz. 80.↑

8Over het maaksel en het afwerpen der horens van het rendier, Hoffberg, „Amoenitates Acad.”, vol. IV, 1788, blz. 149. Zie Richardson, „Fauna Bor. Americana”, blz. 241, ten opzichte van de Amerikaansche soort of verscheidenheid; ook majoor W. Ross King, „The Sportsman in Canada”, blz. 80.↑

9Isidore Geoffroy St. Hilaire, „Essais de Zoolog. Générale”, 1841, blz. 513. Andere mannelijke kenmerken, behalve de horens, worden somtijds eveneens op het wijfje overgeplant; zoo zegt de heer Boner, sprekende van een oud wijfje van een gems („Chamois Hunting in the Mountains of Bavaria”): „Niet slechts zag de kop er zeer mannelijk uit, maar langs den rug liep een streep lang haar, die gewoonlijk alleen bij de mannetjes wordt gevonden.”↑

9Isidore Geoffroy St. Hilaire, „Essais de Zoolog. Générale”, 1841, blz. 513. Andere mannelijke kenmerken, behalve de horens, worden somtijds eveneens op het wijfje overgeplant; zoo zegt de heer Boner, sprekende van een oud wijfje van een gems („Chamois Hunting in the Mountains of Bavaria”): „Niet slechts zag de kop er zeer mannelijk uit, maar langs den rug liep een streep lang haar, die gewoonlijk alleen bij de mannetjes wordt gevonden.”↑

10OmtrentCervulus, Dr. Gray, „Catalogueof the Mammalia in British Museum”, vol III, blz. 220. OmtrentCervus Canadensisof het Wapiti-hert, zie den weleerw. heer J. D. Caton, „Ottawa Acad. of Nat. Sciences”, Mei 1868, blz. 9.↑

10OmtrentCervulus, Dr. Gray, „Catalogueof the Mammalia in British Museum”, vol III, blz. 220. OmtrentCervus Canadensisof het Wapiti-hert, zie den weleerw. heer J. D. Caton, „Ottawa Acad. of Nat. Sciences”, Mei 1868, blz. 9.↑

11Zoo gelijken hij voorbeeld de horens van de vrouwelijkeAntilope Euchoreop die van een andere soort, namelijkAnt. Dorcasvar.Corine, zie Desmarest, „Mammalogie”, blz 455.↑

11Zoo gelijken hij voorbeeld de horens van de vrouwelijkeAntilope Euchoreop die van een andere soort, namelijkAnt. Dorcasvar.Corine, zie Desmarest, „Mammalogie”, blz 455.↑

12Gray, „Catalogue Mamm. Brit. Mus.”, part III, 1852, blz. 160.↑

12Gray, „Catalogue Mamm. Brit. Mus.”, part III, 1852, blz. 160.↑

13Richardson, „Fauna Bor. Americana”, blz. 278.↑

13Richardson, „Fauna Bor. Americana”, blz. 278.↑

14„Land and Water”, 1867, blz. 346.↑

14„Land and Water”, 1867, blz. 346.↑

15Sir Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, pl. XIX. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 624.↑

15Sir Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, pl. XIX. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 624.↑

16Dit is het besluit waartoe Seidlitz komt in „Die Darwinsche Theorie”, 1871, bldz. 47.↑

16Dit is het besluit waartoe Seidlitz komt in „Die Darwinsche Theorie”, 1871, bldz. 47.↑

17Ik ben veel dank verschuldigd aan Prof. Victor Carus voor de navorschingen die hij omtrent dit onderwerp in Saksen voor mij deed. H. van Nathusius („Viehzucht”, 1872, blz. 64) zegt, dat de horens van op jeugdigen leeftijd gesneden rammen, hetzij geheel verdwijnen of als bloote rudimenten blijven bestaan; maar ik weet niet, of hij merino’s of gewone rassen bedoelt.↑

17Ik ben veel dank verschuldigd aan Prof. Victor Carus voor de navorschingen die hij omtrent dit onderwerp in Saksen voor mij deed. H. van Nathusius („Viehzucht”, 1872, blz. 64) zegt, dat de horens van op jeugdigen leeftijd gesneden rammen, hetzij geheel verdwijnen of als bloote rudimenten blijven bestaan; maar ik weet niet, of hij merino’s of gewone rassen bedoelt.↑

18Ik heb verschillende proeven en andere feiten die bewijzen, dat dit het geval is, medegedeeld in mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Nederl. vert., deel II, blz. 8–10.↑

18Ik heb verschillende proeven en andere feiten die bewijzen, dat dit het geval is, medegedeeld in mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Nederl. vert., deel II, blz. 8–10.↑

19Sir J. Emerson Tennent, „Ceylon”, 1852,vol. II, blz. 274. Omtrent Malakka, „Journal of Indian Archipelago”, vol. IV, blz. 357.↑

19Sir J. Emerson Tennent, „Ceylon”, 1852,vol. II, blz. 274. Omtrent Malakka, „Journal of Indian Archipelago”, vol. IV, blz. 357.↑

20„Calcutta Journal of Nat. Hist.”, vol. II, 1843, blz. 526.↑

20„Calcutta Journal of Nat. Hist.”, vol. II, 1843, blz. 526.↑

21De heer Blyth in „Land and Water”, Maart 1867, blz. 134, op autoriteit van Kapt. Hutton en anderen. Omtrent de wilde geiten van Pembrokeshire zie „The Field”, 1869, blz. 150.↑

21De heer Blyth in „Land and Water”, Maart 1867, blz. 134, op autoriteit van Kapt. Hutton en anderen. Omtrent de wilde geiten van Pembrokeshire zie „The Field”, 1869, blz. 150.↑

22M. E. M. Bailly, „Sur l’Usage des Cornes” enz., „Annal. des Sc. Nat.”, tome II, 1824, blz. 369.↑

22M. E. M. Bailly, „Sur l’Usage des Cornes” enz., „Annal. des Sc. Nat.”, tome II, 1824, blz. 369.↑

23Owen, over de Horens van het Edelhert, „British Fossil Mammals”, 1846, blz. 478; „Forest Creatures”, door Charles Boner, 1861, blz. 76, 62; Richardson, over de Horens van het Rendier, „Fauna Bor. Americana”, 1829, blz. 240.↑

23Owen, over de Horens van het Edelhert, „British Fossil Mammals”, 1846, blz. 478; „Forest Creatures”, door Charles Boner, 1861, blz. 76, 62; Richardson, over de Horens van het Rendier, „Fauna Bor. Americana”, 1829, blz. 240.↑

24De weleerw. heer J. D. Caton („Ottawa Acad. of Nat. Science”, Mei, 1868, blz. 9), zegt, dat de Amerikaansche herten met hun voorpooten vechten, nadat „het vraagstuk van den voorrang (superioriteit) eens is uitgemaakt en in de kudde erkend”; Bailly, „Sur l’Usage des Cornes”, „Annales des Sc. Nat.”, tome II, 1824, blz. 371.↑

24De weleerw. heer J. D. Caton („Ottawa Acad. of Nat. Science”, Mei, 1868, blz. 9), zegt, dat de Amerikaansche herten met hun voorpooten vechten, nadat „het vraagstuk van den voorrang (superioriteit) eens is uitgemaakt en in de kudde erkend”; Bailly, „Sur l’Usage des Cornes”, „Annales des Sc. Nat.”, tome II, 1824, blz. 371.↑

25Zie een hoogst belangrijke mededeeling daarover in het aanhangsel van de aangehaalde verhandeling van den weleerw. heer J. D. Caton.↑

25Zie een hoogst belangrijke mededeeling daarover in het aanhangsel van de aangehaalde verhandeling van den weleerw. heer J. D. Caton.↑

26„The American Naturalist”, Dec. 1869, blz. 552.↑

26„The American Naturalist”, Dec. 1869, blz. 552.↑

27Pallas, „Spicilegia Zoologica”, fasc. XIII, 1779, blz. 18.↑

27Pallas, „Spicilegia Zoologica”, fasc. XIII, 1779, blz. 18.↑

28Lamont, „Seasons with the Sea-Horses”, 1861, blz. 141.↑

28Lamont, „Seasons with the Sea-Horses”, 1861, blz. 141.↑

29Zie ook Corse („Philosoph. Transact.”, 1799, blz. 212) over de wijze waarop de zich door korte slagtanden kenmerkende Moeknah-verscheidenheid van den olifant andere olifanten aanvalt.↑

29Zie ook Corse („Philosoph. Transact.”, 1799, blz. 212) over de wijze waarop de zich door korte slagtanden kenmerkende Moeknah-verscheidenheid van den olifant andere olifanten aanvalt.↑

30Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 349.↑

30Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 349.↑

31Zie Rupell (in „Proc. Zoolog. Soc.”, 12 Jan., 1836, blz. 3) over de hoektanden bij herten en antilopen, een noot door den heer Martin omtrent een wijfje van een Amerikaansch hert. Zie ook Falconer („Palaeont. Memoirs and Notes”, vol. I, 1868, blz. 576) over hoektanden bij een volwassen hinde. Bij oude mannetjes van het muskusdier groeien de hoektanden (Pallas, „Spic. Zoolog.”, fasc. XIII, 1779, blz. 18), soms tot een lengte van 7½ centimeter, terwijl bij oude wijfjes een rudiment daarvan nauwelijks 1¼ centimeter uit het tandvleesch uitsteekt.↑

31Zie Rupell (in „Proc. Zoolog. Soc.”, 12 Jan., 1836, blz. 3) over de hoektanden bij herten en antilopen, een noot door den heer Martin omtrent een wijfje van een Amerikaansch hert. Zie ook Falconer („Palaeont. Memoirs and Notes”, vol. I, 1868, blz. 576) over hoektanden bij een volwassen hinde. Bij oude mannetjes van het muskusdier groeien de hoektanden (Pallas, „Spic. Zoolog.”, fasc. XIII, 1779, blz. 18), soms tot een lengte van 7½ centimeter, terwijl bij oude wijfjes een rudiment daarvan nauwelijks 1¼ centimeter uit het tandvleesch uitsteekt.↑

32Emerson Tennent, „Ceylon”, 1859, vol. II, blz. 275; Owen, „British Fossil Mammals”, 1846, blz. 245.↑

32Emerson Tennent, „Ceylon”, 1859, vol. II, blz. 275; Owen, „British Fossil Mammals”, 1846, blz. 245.↑

33Richardson, „Fauna Bor. Americana”, over den Amerikaanschen eland (Alces palmata), blz. 236, 237, over het ver uiteenstaan der horens „Land and Water”, 1869, blz. 144. Zie ook Owen, „British Fossil Mammals”, over den Ierschen reuzeneland, blz. 447, 455.↑

33Richardson, „Fauna Bor. Americana”, over den Amerikaanschen eland (Alces palmata), blz. 236, 237, over het ver uiteenstaan der horens „Land and Water”, 1869, blz. 144. Zie ook Owen, „British Fossil Mammals”, over den Ierschen reuzeneland, blz. 447, 455.↑

34„Forest Creatures”, door C. Boner, 1861, blz. 60.↑

34„Forest Creatures”, door C. Boner, 1861, blz. 60.↑

35Zie de hoogst belangwekkende verhandeling van den heer J. A. Allen in „Bull. Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, vol. II, No. 1, blz. 82. De wegingen werden gedaan door een zorgvuldig waarnemer, kapitein Bryant.↑

35Zie de hoogst belangwekkende verhandeling van den heer J. A. Allen in „Bull. Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, vol. II, No. 1, blz. 82. De wegingen werden gedaan door een zorgvuldig waarnemer, kapitein Bryant.↑

36„Animal Economy”, blz. 45.↑

36„Animal Economy”, blz. 45.↑

37Zie ook Richardson’s „Manualon the Dog”, blz. 59. Vele kostelijke inlichtingen omtrent den Schotschen hertenhond worden gegeven door den heerMcNeilldie het eerst de aandacht vestigde op de ongelijke grootte der beide seksen in Scrope’s „ArtofDeer-Stalking”. Ik hoop, dat de heer Cupples gevolg zal geven aan zijn voornemen, om een uitvoerige beschrijving en geschiedenis van dit beroemde hondenras te geven.↑

37Zie ook Richardson’s „Manualon the Dog”, blz. 59. Vele kostelijke inlichtingen omtrent den Schotschen hertenhond worden gegeven door den heerMcNeilldie het eerst de aandacht vestigde op de ongelijke grootte der beide seksen in Scrope’s „ArtofDeer-Stalking”. Ik hoop, dat de heer Cupples gevolg zal geven aan zijn voornemen, om een uitvoerige beschrijving en geschiedenis van dit beroemde hondenras te geven.↑

38Brehm, „Thierleben”, Bd. II, blz. 629–632.↑

38Brehm, „Thierleben”, Bd. II, blz. 629–632.↑

39Zie Wallace’s belangrijke mededeelingen omtrent dit dier, „The Malay Archipelago”, 1869, vol. I, blz. 435.↑

39Zie Wallace’s belangrijke mededeelingen omtrent dit dier, „The Malay Archipelago”, 1869, vol. I, blz. 435.↑

40„Atti della Soc. Italiana di Sc. Nat.”, 1873, vol. XV, fasc. IV.↑

40„Atti della Soc. Italiana di Sc. Nat.”, 1873, vol. XV, fasc. IV.↑

41„The Times”, 10 Nov. 1857. Ten opzichte van den Canadaschen lynx, zie Audubon en Bachman, „Quadrupeds of N. America”, 1846, blz. 139.↑

41„The Times”, 10 Nov. 1857. Ten opzichte van den Canadaschen lynx, zie Audubon en Bachman, „Quadrupeds of N. America”, 1846, blz. 139.↑

42Dr. Murie, over den zeeleeuw (Otaria), „Proc. Zool. Soc.”, 1869, blz. 139. De heer Allen betwijfelt in de boven aangehaalde verhandeling (blz. 75), of het haar dat aan den hals van het mannetje langer is dan aan dien van het wijfje, den naam van manen verdient.↑

42Dr. Murie, over den zeeleeuw (Otaria), „Proc. Zool. Soc.”, 1869, blz. 139. De heer Allen betwijfelt in de boven aangehaalde verhandeling (blz. 75), of het haar dat aan den hals van het mannetje langer is dan aan dien van het wijfje, den naam van manen verdient.↑

43De heer Boner zegt in zijn uitnemende beschrijving van de levenswijze van het edelhert in Duitschland („Forest Creatures”, 1861, blz. 81): „terwijl[253]het hert bezig is met zijn rechten tegen éénen indringer te verdedigen, breekt een ander in het heiligdom van zijn harem en behaalt de eene zegepraal na de andere.” Juist het zelfde gebeurt bij de robben, zie den heer J. A. Allen, ibid., blz. 100.↑

43De heer Boner zegt in zijn uitnemende beschrijving van de levenswijze van het edelhert in Duitschland („Forest Creatures”, 1861, blz. 81): „terwijl[253]het hert bezig is met zijn rechten tegen éénen indringer te verdedigen, breekt een ander in het heiligdom van zijn harem en behaalt de eene zegepraal na de andere.” Juist het zelfde gebeurt bij de robben, zie den heer J. A. Allen, ibid., blz. 100.↑

44De heer J. A. Allen in „Bull. Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, vol. II, No. I, blz. 99.↑

44De heer J. A. Allen in „Bull. Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, vol. II, No. I, blz. 99.↑

45„Dogs: Their Management”, door E. Mayhew, M. R. C. V. S., 2nd. edit., 1864, blz. 192–197.↑

45„Dogs: Their Management”, door E. Mayhew, M. R. C. V. S., 2nd. edit., 1864, blz. 192–197.↑

46Aangehaald door Alexander Walker, „On Intermarriage”, 1838, blz. 276, zie ook blz. 244.↑

46Aangehaald door Alexander Walker, „On Intermarriage”, 1838, blz. 276, zie ook blz. 244.↑

47„Traité de l’Héréd. Nat.”, tome II, 1850, blz. 206.↑

47„Traité de l’Héréd. Nat.”, tome II, 1850, blz. 206.↑

48De eland (Cervus alces).↑

48De eland (Cervus alces).↑

49Volgens sommigen de uitgestorven reuzeneland (Megaceros Hibernicus). Anderen houden hem voor het zelfde dier als den Elk. Klaarblijkelijk wordt[257]echter in bovengenoemde dichtregelen de Schelk even scherp tegenover den Elk gesteld als de Urus tegenover den Wisent.In de oorkonden van keizer Otto den Groote van het jaar 943 wordt geboden, dat niemand zonder verlof van BisschopBalderikvan Utrecht in de bosschen vanDrentheaan den Nederrijn herten, beren, reeën, wilde zwijnen, noch die wilde dieren zal jagen, welke in de Duitsche taalEloofScheloheeten (zieHeda,Hist. episc. Ultraj., blz. 83).↑

49Volgens sommigen de uitgestorven reuzeneland (Megaceros Hibernicus). Anderen houden hem voor het zelfde dier als den Elk. Klaarblijkelijk wordt[257]echter in bovengenoemde dichtregelen de Schelk even scherp tegenover den Elk gesteld als de Urus tegenover den Wisent.In de oorkonden van keizer Otto den Groote van het jaar 943 wordt geboden, dat niemand zonder verlof van BisschopBalderikvan Utrecht in de bosschen vanDrentheaan den Nederrijn herten, beren, reeën, wilde zwijnen, noch die wilde dieren zal jagen, welke in de Duitsche taalEloofScheloheeten (zieHeda,Hist. episc. Ultraj., blz. 83).↑

50Dit wordt echter zeer onwaarschijnlijk gemaakt, doordat in het bovenvermeld boekje van von Herberstain van de Auerossen (Bos Urus) wordt gezegd: „Men paart ze met de tamme koeien, maar de jongen worden dan niet door de Urussen in de kudde geduld, en de kalveren van dergelijke bastaarden komen dood ter wereld.” Daar men uit het feit, dat twee vormen vruchtbare jongen met elkander voortbrengen, op het tegenwoordig standpunt der wetenschap niet meer (gelijk men vroeger deed) mag besluiten, dat het geen twee verschillende soorten zijn, kan men er des te zekerder van zijn dat twee vormen die onvruchtbare of onvolkomen vruchtbare jongen met elkander geven, ongetwijfeld soortelijk verschillen.↑

50Dit wordt echter zeer onwaarschijnlijk gemaakt, doordat in het bovenvermeld boekje van von Herberstain van de Auerossen (Bos Urus) wordt gezegd: „Men paart ze met de tamme koeien, maar de jongen worden dan niet door de Urussen in de kudde geduld, en de kalveren van dergelijke bastaarden komen dood ter wereld.” Daar men uit het feit, dat twee vormen vruchtbare jongen met elkander voortbrengen, op het tegenwoordig standpunt der wetenschap niet meer (gelijk men vroeger deed) mag besluiten, dat het geen twee verschillende soorten zijn, kan men er des te zekerder van zijn dat twee vormen die onvruchtbare of onvolkomen vruchtbare jongen met elkander geven, ongetwijfeld soortelijk verschillen.↑

51Uit den verschillenden tijd van het afvallen der horens bij het mannetje en het wijfje blijkt echter, dat zij nog steeds met de sekse in verband staan. Het zou belangrijk zijn na te gaan,of de horens bij gesneden rendieren afvallen op den zelfden tijd als bij de ongesneden mannetjes, dan wel op den zelfden tijd als bij de wijfjes. Vergelijk ook het door Darwin (II, blz. 231, 232, 233), gezegde omtrent gecastreerde antilopen, herten, schapen, geiten, runderen enz.↑

51Uit den verschillenden tijd van het afvallen der horens bij het mannetje en het wijfje blijkt echter, dat zij nog steeds met de sekse in verband staan. Het zou belangrijk zijn na te gaan,of de horens bij gesneden rendieren afvallen op den zelfden tijd als bij de ongesneden mannetjes, dan wel op den zelfden tijd als bij de wijfjes. Vergelijk ook het door Darwin (II, blz. 231, 232, 233), gezegde omtrent gecastreerde antilopen, herten, schapen, geiten, runderen enz.↑


Back to IndexNext