Bij de vogels zijn de secundaire seksueele kenmerken meer verschillend en vallen meer in het oog, hoewel zij wellicht geen belangrijker veranderingen van maaksel veroorzaken, dan bij eenige andere Klasse van dieren. Ik zal daarom dit onderwerp zeer uitgebreid behandelen. Mannelijke vogels bezitten soms, hoewel niet dikwijls, bijzondere wapens om met elkander te vechten. Zij bekoren de wijfjes door vocale en instrumentale muziek van de meest verschillende soort. Zij zijn versierd met allerlei soort van kammen, vleeschlappen, uitwassen, horens, door lucht uitgezette zakken, kuiven, naakte schachten, pluimen en verlengde vederen die op bevallige wijze op allerlei plaatsen van het lichaam ontspringen. De snavel en het naakte vel aan den kop, en de vederen zijn dikwijls prachtig gekleurd. De mannetjes maken somtijds aan de wijfjes het hof door te dansen, of door fantastische vertooningen op den grond of in de lucht uit te voeren. Er bestaat op zijn minst één voorbeeld, dat het mannetje een muskusachtigen geur verspreidt, die, gelijk wij mogen veronderstellen, dient om het wijfje te bekoren of op te wekken; want de heer Ramsay1, die uitmuntende waarnemer, zegt van de Australische muskuseend (Biziura lobata), dat „de geur dien het mannetje gedurende den zomer verspreidt, tot die sekse is beperkt, en bij sommige individu’s het geheele jaar voortduurt; ik heb nooit, zelfs niet in den paartijd, een wijfje geschoten, dat eenigszins naar muskus rook.” Zoo sterk is die geur gedurende den paartijd[38]dat men hem kan ruiken, lang voor men den vogel kan zien.2Over het geheel schijnen de vogels de meest aesthetische van alle dieren te zijn, met uitzondering natuurlijk van den mensch, en zij hebben bijna den zelfden smaak voor het schoone als wij. Dit blijkt uit het behagen dat wij in het gezang der vogels scheppen, en doordat onze vrouwen, zoowel beschaafde als wilde, haar hoofden met geleende vederen bedekken en edelgesteenten gebruiken, die nauwelijks schitterender zijn gekleurd, dan de naakte huid en de vleeschlappen van zekere vogels.Voor ik de kenmerken behandel, waarmede wij hier meer in het bijzonder hebben te maken, wil ik eerst wijzen op zekere verschillen tusschen de seksen, die blijkbaar afhangen van verschillen in haar levenswijze; want dergelijke gevallen, hoewel in de lagere klassen algemeen, zijn in de hoogere zeldzaam. Twee kolibri’s, tot het geslachtEustephanusbehoorende, die het eiland Juan Fernandez bewonen, werden lang voor verschillende soorten gehouden, doch men weet nu, gelijk de heer Gould mij meldt, dat het de seksen van de zelfde soort zijn, en zij verschillen eenigszins in den vorm van den snavel. In een ander geslacht van kolibri’s (Grypus) is de snavel van het mannetje langs den rand gezaagd en aan het uiteinde gebogen, en verschilt dus veel van dien van het wijfje. Bij de merkwaardigeNeomorphavan Nieuw-Zeeland is er een nog grooter verschil in den vorm van den snavel; en men heeft den heer Gould medegedeeld, dat het mannetje met zijn „rechten en sterken snavel” den bast van de boomen afscheurt, opdat het wijfje zich met haar zwakkeren en meer gekromden snavel zou kunnen voeden met de blootkomende larven. Iets van den zelfden aard zou men wellicht kunnen waarnemen bij den distelvink (Carduelis elegans), want de heer Jenner Weir heeft mij verzekerd, dat de vogelvangers de mannetjes aan hun een weinig langere snavels kunnen onderscheiden. Men vindt de mannetjes gewoonlijk, volgens de getuigenissen van een ouden en geloofwaardigen vogelvanger, zich met zaden van den kaardebol (Dipsacus) voedende, die zij met hun verlengden snavel kunnen bereiken, terwijl de wijfjes zich meer algemeen voeden met de zaden van het helmkruid (Scrophularia). Met een gering verschil van dezen aard tot grondslag, kunnen wij begrijpen, hoe de snavels der beide seksen er door de natuurlijke teeltkeus toe kunnen zijn gekomen om zeer van elkander te verschillen. In al deze gevallen echter, vooral in dat van de twistzieke[39]kolibri’s, is het mogelijk, dat de verschillen in snavels oorspronkelijk door de mannetjes zijn verkregen, in verband met hun gevechten, en later aanleiding gaven tot een eenigszins veranderde levenswijze.Gevechten.—Bijna alle mannelijke vogels zijn uiterst strijdlustig en gebruiken hun snavels en pooten om met elkander te vechten. Wij zien dit elken zomer bij onze roodborstjes en huismusschen. De kleinste van alle vogels, namelijk de kolibri, is ook de meest twistzieke. De heer Gosse3beschrijft een gevecht waarbij een paar kolibri’s elkander met den snavel vastgrepen en in het rond draaiden tot zij bijna op den grond vielen, en de heer Montes de Oca zegt, van een ander geslacht sprekende, dat twee mannetjes elkander zelden ontmoeten, zonder dat er een woedend gevecht in de lucht plaats grijpt, en als men ze in kooien houdt, „eindigt hun gevecht meestal daarmede, dat de tong van een van beide wordt gespleten, die dan met zekerheid moet sterven, daar hij zich niet meer kan voeden.”4Onder de Moerasvogels „vechten de mannetjes van het waterhoentje (Gallinula chloropus) in den paartijd hevig om de wijfjes; zij staan bijna rechtop in het water en trappen met hun pooten.” Men heeft er twee op die wijze een half uur lang zien vechten, totdat de een den kop van den ander beet kreeg, die zou zijn gedood als de waarnemer niet tusschenbeide was gekomen; het wijfje stond er al dien tijd als een rustige toeschouwster naar te kijken.5De mannetjes van een verwanten vogel (Gallicrex cristatus) zijn, gelijk de heer Blyth mij meldt, een derde grooter dan de wijfjes, en zijn gedurende den paartijd zoo strijdlustig, dat de inboorlingen van oostelijk Bengalen hen houden om ze met elkander te laten vechten. Men houdt in Indië onderscheidene andere vogels met het zelfde doel, bij voorbeeld de Bulbuls (Pycnonotush aemorrhous), „die met grooten moed vechten.”6Fig. 22.Fig. 22.De Kemphaan (Machetes pugnax); naar Brehm’s „Thierleben”.De in veelwijverij levende kemphaan (Machetes Pugnax, Fig.22) is bekend wegens zijn buitengewone strijdlustigheid; en in de lente komen de mannetjes die veel grooter zijn dan de wijfjes, alle dagen te zamen op een bijzondere plaats waar de wijfjes van plan zijn haar eieren te leggen. De vogelaars ontdekken die plaatsen, doordat het gras er een weinig kaal is getrapt. Hier vechten zij zeer hevig gelijk strijdhanen,[40]en grijpen elkander met hun snavel en slaan elkander met hun vleugels. De groote halskraag van vederen staat dan recht overeind en „sleept”, volgensKolonelMontagu, „over den grond als een schild om de meer teedere deelen te beschermen”, en dit is het eenige mij bekende voorbeeld bij vogels van het eene of andere deel dat als een[41]schild dient. De halskraag van vederen dient echter wegens zijn menigvuldige en rijke kleuren waarschijnlijk voornamelijk tot versiering. Gelijk de meeste strijdlustige vogels schijnen zij bijna altijd bereid te zijn om te vechten; en als zij in enge gevangenschap met elkander leven, dooden zij elkander veelvuldig; maar Montagu nam waar, dat hun strijdlustigheid gedurende de lente, wanneer de lange vederen op den hals volkomen zijn ontwikkeld, grooter wordt; en in dien tijd doet de minste beweging van dezen of genen afzonderlijken vogel een algemeen gevecht ontstaan.7Van de strijdlustigheid van de zwemvogels zullen twee voorbeelden voldoende zijn: in Guiana „hebben gedurende den paartijd bloedige gevechten plaats tusschen de mannetjes van de wilde muskuseend (Cairina moschata)(1); en waar deze gevechten hebben plaats gehad, is de rivier over eenigen afstand met vederen bedekt.”8Vogels die slecht geschikt schijnen te zijn om te vechten, leveren elkander woedende gevechten; zoo jagen bij den pelikaan de sterkere mannetjes de zwakkere weg, met hun monsterachtige snavels bijtende en krachtige slagen met hun vleugels uitdeelende. De mannelijke snippen vechten te zamen „elkander met hun snavels plukkende en stootende op de vreemdsoortigste wijze die men zich kan voorstellen.” Van eenige weinige soorten gelooft men, dat zij nooit vechten; dit is, volgens Audubon, het geval met een van de spechten van de Vereenigde Staten (Picus auratus), hoewel „de wijfjes door zelfs een half dozijn van haar vroolijke minnaars worden gevolgd.”9De mannetjes van vele vogels zijn grooter dan de wijfjes, en dit is ongetwijfeld een voordeel voor hen in hun gevechten met hun medeminnaars en is door seksueele teeltkeus verkregen. Het verschil in grootte tusschen de seksen is bij verscheidene Australische soorten tot een uiterste gedreven: zoo zijn toch volgens metingen de mannelijke muskuseend (Biziura) en de mannelijkeCincloramphus cruralis(met onze Piepers verwant) tweemaal zoo groot als hun respectieve wijfjes.10Bij vele andere vogels zijn de wijfjes grooter dan de mannetjes; en, zooals vroeger is opgemerkt, is de verklaring die men daarvan[42]dikwijls geeft, namelijk, dat de wijfjes het meeste werk hebben met het voeden harer jongen, niet voldoende. In eenige weinige gevallen hebben de wijfjes, zooals wij later zullen zien, haar grootere gestalte en meerdere kracht blijkbaar verkregen met het doel om andere wijfjes te overwinnen en het bezit van de mannetjes te verkrijgen.De mannetjes van vele Hoenderachtige Vogels, vooral van de in veelwijverij levende soorten, zijn voorzien van bijzondere wapenen om met hun medeminnaars te vechten, namelijk van sporen die met vreeselijk gevolg kunnen worden gebruikt. Een geloofwaardig schrijver11heeft opgeteekend, dat in Derbyshire een wouw neêrschoot op een strijdhen die van haar kuikens vergezeld was, waarop de haan haar te hulp snelde, en zijn spoor recht door het oog en den schedel van den aanvaller heêndreef.De spoor werd met moeite uit den schedel getrokken en daar de wouw, ofschoon dood, zijn tegenstander nog omkneld hield, waren de beide vogels stevig aaneengesloten; maar de haan bleek, nadat men hem had losgemaakt, slechts zeer weinig letsel te hebben bekomen. De onoverwinnelijke moed van den strijdhaan is bekend: een heer die langen tijd geleden ooggetuige was geweest van het volgende wreede tooneel, verhaalde mij, dat de beide pooten van zulk een haan door een of ander toeval gedurende het hanengevecht waren gebroken, en de eigenaar een weddenschap aanging, dat, indien de pooten zoo konden worden gespalkt, dat de vogel weder overeind kon staan, hij voort zou gaan met vechten. Dit werd dadelijk gedaan en de vogel vocht met onbezweken moed, totdat hij doodelijk werd getroffen. In Ceylon is een nauwverwante en wilde soort, deGallus Stanleyi, bekend als een wanhopig vechter, „zoodat één der strijders dikwijls dood wordt gevonden.”12Een Indische patrijssoort (Ortygornis gularis), waarvan het mannetje van sterke en scherpe sporen is voorzien, is zoo twistziek, „dat de litteekens van vroegere gevechten de borst misvormen van bijna elken vogel dien men doodt.”13De mannetjes van bijna alle Hoenderachtige Vogels, zelfs die welke niet van sporen zijn voorzien, leveren elkander gedurende den paartijd woedende gevechten. De groote auerhaan en korhaan (Tetrao urogallusenT. tetrix) die beide in veelwijverij leven, hebben geregeld vaste plaatsen waar zij gedurende vele weken in grooten getale samenkomen[43]om met elkander te vechten en hun bekoorlijkheden voor de wijfjes ten toon te spreiden. De heer W. Kowalevsky meldt mij, dat hij in Rusland de sneeuw overal met bloed doortrokken heeft gezien op de plaatsen waar de auerhanen hadden gevochten; en de korhanen „doen de vederen in alle richtingen wegstuiven”, als verscheidene „elkander een koninklijk gevecht leveren.” De oudere Brehm geeft een merkwaardig verhaal van het „Balzen”, zooals de liefde-dans of liefde-zang van den korhaan in Duitschland wordt genoemd.De vogel maakt bijna zonder ophouden de vreemdsoortigste geluiden: hij houdt zijn staart in de hoogte en spreidt dien uit gelijk een waaier, hij licht zijn kop en hals op, waarvan al de vederen overeind staan, en steekt zijn vleugels van het lichaam af. Daarop maakt hij eenige weinige sprongen in verschillende richtingen, somtijds in een cirkel, en drukt het onderste gedeelte van zijn snavel zoo hard tegen den grond, dat de kinvederen worden afgeschaafd. Gedurende deze bewegingen slaat hij met zijn vleugels en draait voortdurend in de rondte. Hoe vuriger hij wordt, des te levendiger wordt hij, totdat ten laatste de vogel als razend schijnt te zijn. Op dergelijke tijden zijn de korhanen zoo in hun dans verdiept, dat zij bijna blind en doof worden, hoewel minder dan de auerhaan, zoodat de eene vogel voor en de andere na op de zelfde plaats kan worden doodgeschoten, of zelfs met de hand gevangen. Na deze vertooning te hebben volbracht, beginnen de mannetjes te vechten; en de zelfde korhaan zal, om zijn kracht tegen verscheidene tegenstanders te beproeven, in den loop van éénen morgen verscheiden Balz-plaatsen bezoeken, die gedurende alle jaren de zelfde blijven.14De pauw met zijn langen staart schijnt meer een fat („dandy”) dan een krijgsman te zijn, maar somtijds levert hij woedende gevechten: de weleerw. heer W. Darwin Fox deelt mij mede, dat twee pauwen op een kleinen afstand van Chester zoo werden opgewekt door den strijd, dat zij steeds vechtende over de geheele stad vlogen, totdat zij zich op de spits van den St. Janstoren nederlieten.Fig. 23.Fig. 23.Polyplectron chinquis, mannetje (naar Brehm) om de dubbele sporen aan te toonen.De Hoenderachtige Vogels die daarvan zijn voorzien, hebben over het algemeen slechts één spoor, maarPolyplectron(Fig.23) heeft er twee of meer aan elken poot; en bij een der Bloedfazanten (Ithaginis cruentus) heeft men vijf sporen opgemerkt. De sporen zijn meestal tot[44]het mannetje beperkt, en worden bij het wijfje door eenvoudige knobbels of rudimenten vertegenwoordigd; maar de wijfjes van den Javaanschen pauw (Pavo muticus) en, naar de heer Blyth mij heeft medegedeeld, van den kleinen vuurruggigen fazant (Euplocamus erythrophthalmus)[45]bezitten sporen. BijGalloperdixhebben de mannetjes gewoonlijk twee sporen en de wijfjes slechts ééne spoor aan elken poot.15Men mag daarom de sporen gerust beschouwen als een mannelijk kenmerk, hoewel zij nu en dan in meerdere of mindere mate op de wijfjes worden overgeplant. Gelijk de meeste andere secundaire seksueele kenmerken vertoonen de sporen vele afwijkingen in aantal en ontwikkeling bij ééne en de zelfde soort.Onderscheidene vogels hebben sporen aan de vleugels. De Egyptische gans (Chenalopex aegyptiacus) heeft echter slechts „naakte stompe knobbels”, en deze vertoonen ons waarschijnlijk de eerste stappen door welke zich bij andere verwante vogels ware sporen hebben ontwikkeld. Bij de spoorvleugelige gans,Plectropterus gambensis, hebben de mannetjes veel grooter sporen dan de wijfjes; en zij gebruiken ze, naar mij de heer Bartlett heeft medegedeeld, om met elkander te vechten, zoodat in dit geval de vleugelsporen tot seksueele wapens dienen; volgens Livingstone echter, worden zij voornamelijk tot verdediging der jongen gebruikt. De kamichi (Palamedea, Fig.24) is aan elken vleugel met een paar sporen gewapend, en deze zijn zulke geduchte wapenen, dat een enkele steek daarmede een hond huilende op de vlucht heeft gejaagd. Het blijkt echter niet, dat de sporen in dit geval of in dat van sommige met vleugelsporen gewapende Ralachtige Vogels bij het mannetje grooter zijn dan bij het wijfje.16Bij sommige Plevierachtige Vogels moeten echter de vleugelsporen als een seksueel kenmerk worden beschouwd. Zoo wordt bij onzen gewonen kievit (Vanellus cristatus) de knobbel op den vleugelschouder gedurende den paartijd meer vooruitstekend, en het is bekend, dat de mannetjes met elkander vechten. Bij sommige soorten vanLobivanellusontwikkelt zich een soortgelijke knobbel gedurende den paartijd „tot een korte horenachtige spoor.” Bij den AustralischenL. lobatushebben beide seksen sporen, maar deze zijn veel grooter bij de mannetjes dan bij de wijfjes. Bij een verwanten vogel, denHoplopterus armatus, nemen de sporen gedurende den paartijd niet in grootte toe; maar men heeft die vogels in Egypte zien vechten, op de zelfde wijze als onzekieviten, door zich in de lucht plotseling om[46]te draaien en zijdelings op elkander neêr te schieten, somtijds met noodlottig gevolg. Op de zelfde wijze jagen zij ook andere vijanden weg.17Fig. 24.Fig. 24.De Kamichi (Palamedea Cornuta) om de dubbele vleugelsporen en den horen op den kop aan te toonen (naar Brehm).[47]Het jaargetijde der liefde is dat van den strijd; maar de mannetjes van sommige vogels, zooals de strijdhaan en de kemphaan, en zelfs de jonge mannetjes van den wilden kalkoen en de Boschhoenders18zijn, wanneer zij elkander ontmoeten, steeds bereid om te vechten. De tegenwoordigheid van het wijfje is deteterrima bellicausa. De Bengaleesche knapen doen de aardige kleine mannetjes van den amadavat (Estrelda amandava) met elkander vechten door drie kleine kooien op een rij te zetten, met een wijfje in het midden; na korten tijd worden de mannetjes in vrijheid gelaten, waarvan onmiddellijk een wanhopend gevecht het gevolg is.19Wanneer vele mannetjes op de zelfde vaste plaats samenkomen en met elkander vechten, zooals in het geval van de Boschhoenders en onderscheidene andere vogels, worden zij gewoonlijk vergezeld van de wijfjes20die later met de overwinnaars paren. In sommige gevallen gaat de paring aan het gevecht vooraf, in plaats van er op te volgen; zoo „maken”, volgens Audubon21, „verscheidene mannetjes van de Virginische nachtzwaluw (Caprimulgus Virginianus), op een in hooge mate onderhoudende wijze het wijfje het hof, en zoodra zij haar keus heeft gedaan, vervolgt haar beminde alle ongenoodigde gasten en jaagt ze uit zijn gebied weg.” Over het algemeen beproeven de mannetjes met alle macht hun medeminnaars weg te jagen of te dooden, voordat zij paren. Het schijnt echter, dat de wijfjes niet zonder uitzondering aan den overwinnaar de voorkeur geven. De heer W. Kowalevsky heeft mij ten minste verzekerd, dat de groote auerhen soms wegsluipt met een jong haantje dat niet met de oude hanen in het strijdperk durfde treden; op de zelfde wijze als nu en dan ook plaats vindt met de hinden van het edelhert in Schotland. Als twee mannetjes in tegenwoordigheid[48]van een wijfje vechten, verkrijgt de overwinnaar ongetwijfeld gewoonlijk het voorwerp zijner begeerlijkheid; doch sommige van deze gevechten worden veroorzaakt door rondzwervende mannetjes die beproeven den vrede van een reeds vereenigd paar te verstoren.22Zelfs bij de meest strijdlustige soorten is het waarschijnlijk, dat de paring niet uitsluitend van de enkele kracht en moed van het mannetje afhangt; want dergelijke mannetjes prijken gewoonlijk met verschillende versierselen die dikwijls gedurende den paartijd schitterender worden en met veel ijver voor de wijfjes worden tentoongespreid. De mannetjes trachten hun gezellinnen ook te bekoren door liefdetonen, zang en vertooningen; en de vrijage is in vele gevallen een langdurige zaak. Het is daarom niet waarschijnlijk, dat de wijfjes onverschillig zijn voor de bekoorlijkheden van de andere sekse, of dat zij altijd genoodzaakt zijn zich aan de overwinnende mannetjes te onderwerpen. Het is waarschijnlijker, dat de wijfjes door sommige mannetjes worden bekoord, hetzij voor of na het gevecht, en zoo onbewust aan hen de voorkeur geven. In het geval vanTetrao umbellusgaat een goed waarnemer23zoo ver van aan te nemen, dat de gevechten van de mannetjes „allen slechts schijnvertooningen zijn, die zij verrichten om zich op de voordeeligst mogelijke wijze te vertoonen aan de bewonderende wijfjes die zich daaromheên verzamelen; want het is mij nooit gelukt een verminkten held, en zelden om meer dan een gebroken veder te vinden.” Ik zal op dit onderwerp moeten terugkomen, maar kan er hier bijvoegen, dat bij het Prairiehoen (Tetrao cupido) van de Vereenigde Staten, omtrent een twintigtal mannetjes zich op een bijzondere plaats verzamelen, en rondstappende de geheele lucht doen weergalmen van hun vreemdsoortige geluiden. Op het eerste antwoord van een wijfje beginnen de mannetjes woedend te vechten en de zwakkere wijken; maar daarna zoeken, volgens Audubon, zoowel de overwonnenen als de overwinnaars naar een wijfje, zoodat òf de wijfjes een keus moeten doen, òf de strijd moet worden hernieuwd. Evenzoo leveren de mannetjes van een der Veldspreeuwen der Vereenigde Staten (Sturnella ludoviciana) elkander woedende gevechten; maar op het gezicht van een wijfje vliegen zij haar allen achterna, alsof zij dol waren.24[49]Vocale en instrumentale muziek.—Bij de vogels dient de stem om verschillende gemoedsaandoeningen uit te drukken, zooals smart, vrees, angst, zegepraal, of alleen geluk. Zij wordt blijkbaar somtijds gebruikt om schrik te verwekken, zooals bij het sissend geluid dat sommige nestvogeltjes maken. Audubon25verhaalt, dat hij een tammen nachtreiger (Ardea nycticorax) heeft bezeten, die gewoon was zich te verbergen als er een kat aankwam, en dan „plotseling opsprong en een der vreeselijkste geluiden maakte, blijkbaar behagen scheppende in den angst en de vlucht van de kat.” De gewone huishaan klokt tegen de hen, en de hen tegen haar kuikens, als zij een lekker hapje hebben gevonden. Als de hen een ei heeft gelegd, „herhaalt zij den zelfden toon zeer dikwijls, en besluit met den zesden hoogeren dien zij gedurende langeren tijd aanhoudt”26; en geeft op die wijze haar vreugde te kennen. Sommige sociale vogels roepen elkander blijkbaar te hulp, en daar zij van den eenen boom op den anderen vliegen, wordt de vlucht bij elkander gehouden, doordat het eene getjilp op het andere antwoordt. Gedurende de nachtelijke verhuizingen van ganzen en andere watervogels, kan men soms in de duisternis boven zijn hoofd schelklinkende geluiden van de voorhoede hooren, waarop geluiden van de achterhoede antwoorden. Sommige geluiden dienen tot waarschuwing voor gevaar, en worden, zooals de jager te zijnen koste gewaar wordt, door de zelfde soort en door andere verstaan. De huishaan kraait en de kolibri tjilpt om zijn zegepraal over een overwonnen mededinger te verkondigen. De ware zang echter van de meeste vogels en onderscheidene vreemde geluiden worden voornamelijk voortgebracht gedurende den paartijd, en dienen tot bekoring of eenvoudig als een loktoon voor de andere sekse.Er heerscht bij de natuuronderzoekers veel verschil van gevoelen omtrent het doel van den zang der vogels. Slechts weinige waarnemers hebben er ooit geleefd, die zorgvuldiger waren dan Montagu, en deze hield vol, dat „de mannetjes der zangvogels en van vele andere over het algemeen niet naar het wijfje zoeken, maar daarentegen hun bezigheid in de lente is, om op de eene of andere in het oog vallende plaats te gaan zitten en daar hun volle en verliefde klanken te doen weêrklinken, welke het wijfje instinktmatig kent, en die haar zich naar die plaats doen begeven om haar gezel uit te kiezen.”27De heer[50]Jenner Weir deelt mij mede, dat zulks bij den nachtegaal ongetwijfeld het geval is. Bechstein die gedurende zijn geheele leven vogels hield, verzekert, „dat de vrouwelijke kanarievogel altijd den besten zanger uitkiest, en dat in den natuurstaat de vrouwelijke vink uit een honderdtal mannetjes altijd dat uitzoekt, wiens tonen haar het meest behagen.”28Er kan geen twijfel bestaan, dat vogels nauwkeurig acht geven op elkanders zang. De heer Weir heeft mij een geval verhaald van een goudvink waaraan men een Duitsche wals had leeren fluiten en die zulk een goed zanger was, dat hij tien guinjes (ƒ124,40) kostte; toen deze vogel voor het eerst werd gebracht in een kamer waarin andere vogels werden gehouden, en begon te zingen, plaatsten zich al de andere, bestaande uit ongeveer twintig kneutjes en kanarievogels, aan den kant hunner kooien, welke het dichtst bij hem was, en luisterden met de grootste belangstelling naar den nieuwen zanger. Vele natuuronderzoekers gelooven, dat de zang der vogels bijna geheel „het gevolg van ijverzucht en naijver” is en niet dient om hun gezellinnen te bekoren. Dit was de meening van Daines Barrington en White van Selborne, die beiden hun opmerkzaamheid bijzonder op dit punt vestigden.29Barrington neemt echter aan, dat een „uitstekende zang van de vogels een verbazend overwicht over andere geeft”, zooals de vogelvangers wel weten.Het is zeker, dat er tusschen de mannetjes ten opzichte van het zingen eene hooge mate van naijver bestaat. Liefhebbers van vogels gaan weddenschappen aan, wiens vogel het langst zal zingen, en de heer Yarrell deelde mij mede, dat een zangvogel van den eersten rang somtijds zal zingen, tot hij nagenoeg dood of, volgens Bechstein30, geheel en al dood nedervalt, wegens het breken van een vat in de longen. Wat er ook de oorzaak van moge zijn, mannelijke vogels sterven, gelijk ik van den heer Weir hoor, dikwijls plotseling gedurende het jaargetijde van den zang. Dat de gewoonte van te zingen somtijds geheel onafhankelijk van de liefde is, is duidelijk; want men heeftopgeteekend31, dat een onvruchtbare bastaard (hybride) van een kanarievogel[51]zong, toen hij zich zelf in een spiegel zag, en daarop op zijn eigen beeld toeschoot; hij viel eveneens met woede aan op een vrouwelijke kanarie, toen deze in de zelfde kooi werd gezet. Van de ijverzucht, door het zingen opgewekt, maken de vogelvangers voortdurend gebruik; een mannetje dat goed zingt, wordt verborgen en beschermd, terwijl een opgezette vogel, omringd van met lijm besmeerde twijgen, aan het gezicht wordt blootgesteld. Op deze wijze heeft een man, gelijk de heer Weir mij mededeelt, in den loop van een enkelen dag vijftig, en eens zeventig mannelijke vinken gevangen. Het vermogen en de neiging om te zingen verschillen bij de vogels zoozeer, dat, hoewel de prijs van een gewonen mannelijken vink slechts zes stuivers is, de heer Weir éénen vogel zag, voor welken de vogelvanger zes-en-dertig gulden vroeg; terwijl de proef, of een vogel werkelijk een goed zanger is, daarin bestaat, dat hij moet doorgaan met zingen, wanneer de kooi rondom het hoofd van den eigenaar wordt gezwaaid.Dat vogels evengoed uit naijver zouden zingen als om het wijfje te bekoren, is niet geheel onvereenigbaar; en men kon inderdaad verwachten, dat dit te zamen zou gaan, evenals versiering en strijdlustigheid. Sommige schrijvers echter beweren, dat de zang van het mannetje niet kan dienen om het wijfje te bekoren, daar de wijfjes van eenige weinige soorten, zooals de kanarievogel, het roodborstje, de leeuwerik en de goudvink, vooral, gelijk Bechstein opmerkt, wanneer zij in den weduwenstaat verkeeren, zeer welluidende tonen voortbrengen. In sommige van deze gevallen kan de gewoonte om te zingen gedeeltelijk daaraan worden toegeschreven, dat de wijfjes sterk zijn gevoed en opgesloten32; want hierdoor komt er storing in al de gewone, met de voortplanting der soort in verband staande functies. Reeds vele voorbeelden zijn gegeven van de gedeeltelijke overbrenging van secundaire mannelijke kenmerken op het wijfje, zoodat het volstrekt niet is te verwonderen, als de wijfjes van sommige soorten het vermogen bezitten om te zingen. Men heeft ook beweerd, dat het gezang van het mannetje niet als een bekoring kan dienen, omdat de mannetjes van sommige soorten, van het roodborstje bij voorbeeld, gedurende den herfst zingen.33Niets is echter meer gewoon, dan dat dieren behagen scheppen om aan[52]het instinkt gehoor te geven, dat zij op een anderen tijd met eenig wezenlijk nuttig doel volgen. Hoe dikwijls zien wij vogels die gemakkelijk vliegen, klaarblijkelijk voor hun genoegen door de lucht glijden en zeilen. De kat speelt met de gevangen muis en de waterraaf (cormorant) met den gevangen visch. De wevervogel (Ploceus) vermaakt zich, als hij in een kooi is opgesloten, met netjes bladeren van gras tusschen de traliën van zijn kooi te weven. Vogels die gewoon zijn gedurende den paartijd te vechten, zijn over het algemeen op alle tijden bereid om te vechten; en de groote auerhanen houden soms hunbalzenofleksop de gewone vergaderplaats gedurende den herfst.34Het is dus volstrekt niet te verwonderen, als mannelijke vogels voortgaan met voor hun eigen genoegen te zingen, als het jaargetijde der liefde voorbij is.Zingen is tot op zekere hoogte, gelijk in een vorig hoofdstuk is aangetoond, een kunst, en wordt door oefening veel verbeterd. Men kan vogels onderscheidene deuntjes leeren en zelfs de onwelluidende huismusch heeft men geleerd om als een kneutje te zingen. Zij verkrijgen den zang van hun pleegvaders35en somtijds dien van hun naburen.36Alle gewone zangvogels behooren tot de Orde der Roestvogels (Insessores), en hun stemorganen zijn veel samengestelder dan die van de meeste andere vogels; toch is het een vreemd feit, dat sommige Roestvogels (Insessores), zooals raven, kraaien en eksters, de tot zingen dienende inrichting bezitten37, hoewel zij nimmer zingen, en in den natuurstaat hun stemmen niet in eenigszins groote mate wijzigen.(2)Hunter verzekert38, dat bij de ware zangvogels de spieren van het strottenhoofd (larynx)(3)bij de mannetjes sterker zijn dan bij de wijfjes; maar op deze geringe uitzondering na is er geen verschil tusschen de stemorganen der beide seksen, hoewel de mannetjes der meeste soorten zooveel beter en aanhoudender zingen dan de wijfjes.Het is opmerkelijk, dat alleen kleine vogels eigenlijk zingen. Het[53]Australische geslachtMenuramoet hiervan echter worden uitgezonderd; want deMenura Albertidie omtrent de grootte van een half volwassen kalkoen heeft, bootst niet slechts andere vogels na, maar zijn eigen gefluit is ook uiterst fraai en afwisselend. De mannetjes komen samen en vormen „verlustigingsplaatsen”, waar zij zingen, hun staarten omhoog stekende en uitspreidende gelijk pauwen.39Het is ook merkwaardig, dat de vogels die zingen, zelden met schitterende kleuren of andere sieraden zijn versierd. Van onze Britsche vogels zijn, met uitzondering van den goudvink en den distelvink, de beste zangers effen gekleurd. De ijsvogel, bijenvreter(4), hop, spechten, enz., brengen krijschende geluiden voort; en de schitterende vogels der keerkringslanden zijn bijna nooit zangers.40Schitterende kleuren en vermogen om te zingen schijnen elkander dus te vervangen. Wij kunnen begrijpen, dat, als er bij het gevederte geen afwijkingen in levendigheid van kleur voorkwamen, of als levendige kleuren gevaarlijk waren voor de soort, andere middelen moesten worden gebruikt om de wijfjes te bekoren; en het welluidend worden van de stem zou een dergelijk middel aanbieden.Fig. 25.Fig. 25.Het Prairiehoen (Tetrao cupido), naar Brehm.Bij sommige vogels verschillen de stemorganen zeer bij de twee seksen. Bij het prairiehoen (Tetrao cupido, Fig.25) heeft het mannetje twee naakte, oranjekleurige zakken, aan elke zijde van den hals één; en deze worden sterk opgeblazen, als het mannetje gedurende den paartijd een vreemdsoortig hol geluid voortbrengt, dat op grooten afstand hoorbaar is. Audubon bewees, dat het geluid in nauw verband staat met dezen toestel die ons herinnert aan de luchtzakken aan beide zijden van den bek van de mannetjes van sommige kikvorschen; want hij bevond, dat het geluid veel verminderde, als men in een der zakken van een tammen vogel een prik gaf, en dat het bijna geheel ophield, als men in beide een prik gaf. Het wijfje heeft „een omtrent gelijksoortige, hoewel kleinere, met een naakte huid bedekte plek aan den hals, doch deze is niet voor opblazing vatbaar.”41Bij het mannetje van[54]een andere soort van Boschhoen (Tetrao urophasianus) is, als hij het wijfje het hof maakt, zijn naakte gele slokdarm (oesophagus) opgeblazen tot een verbazende grootte, daar hij ten volle half zoo groot is als het lichaam; en hij brengt dan onderscheidene knarsende, lage, holle tonen voort. Met recht opstaande nekvederen, de vleugels naar beneden houdende[55]en over den grond schurende, en zijn langen puntigen staart als een waaier uitspreidende, pronkt hij in alle potsierlijke houdingen.De slokdarm van het wijfje vertoont volstrekt niets opmerkelijks.42Fig. 26.Fig. 26.De Regenschermvogel (Cephalopterus ornatus), mannetje, naar Brehm.[56]Het schijnt thans met zekerheid te zijn uitgemaakt, dat de groote keelzak van het mannetje van de Europeesche groote trapgans (Otis tarda) en van ten minste vier andere soorten niet dient om water op te nemen, zooals men vroeger veronderstelde; maar dat hij in verband staat met een bijzonder geluid dat gedurende den paartijd wordt voortgebracht en op de lettergreep „ok” gelijkt. Als de vogel dit geluid voortbrengt, neemt hij de meest buitengewone houdingen aan. Het is een vreemd feit, dat bij de mannetjes van de zelfde soort de zak niet bij alle individu’s is ontwikkeld.43Een op een kraai gelijkende vogel die Zuid-Amerika bewoont (Cephalopterus ornatus, Fig.26), wordt de Regenschermvogel genoemd wegens zijn verbazend groote kuif, bestaande uit naakte witte schachten die van boven in donkerblauwe vederen eindigen, die hij overeind kan zetten tot een groot koepeldak van niet minder dan 12½ centimeter middellijn, dat den geheelen kop bedekt. Deze vogel heeft aan den hals een lang, dun, cylindervormig, vleeschachtig aanhangsel dat dicht met op schubben gelijkende, blauwe vederen is bedekt. Het dient waarschijnlijk gedeeltelijk tot versiering, maar gedeeltelijk ook tot een resoneerenden toestel; want de heer Bates bevond, dat het in verband staat „met een ongewone ontwikkeling van de luchtpijp (trachea) en de stemorganen.” Het zet zich uit, wanneer de vogel zijn verwonderlijk lagen, luiden en lang aanhoudenden fluitenden toon voortbrengt. De kuif en het halsaanhangsel zijn bij het wijfje rudimentair.44De stemorganen van onderscheidene Zwemvogels en Moerasvogels zijn buitengewoon samengesteld en verschillen tot op zekere hoogte bij beide seksen. In sommige gevallen is de luchtpijp (trachea) gewonden als een jachthoren en diep in het borstbeen (sternum) ingesloten. Bij de wilde zwaan (Cygnus ferus) is zij bij het volwassen mannetje dieper ingesloten dan bij het wijfje of het jonge mannetje. Bij het mannetje van den grooten zaagbek (Merganser) is het verbreede gedeelte van de luchtpijp[57]van een bijkomend (additioneel) paar spieren voorzien.45De beteekenis van deze verschillen tusschen de seksen van vele Eendachtige Vogels (Anatidae) is echter geheel onbekend; want het mannetje bezit niet altijd de luidste stem; zoo sist het mannetje bij de gewone eend, terwijl het wijfje luide kwaakt.46Bij beide seksen van een van de Kraanvogels (Grus virgo) dringt de luchtpijp in het borstbeen door, maar vertoont „zekere seksueele wijzigingen.” Bij het mannetje van den zwarten ooievaar bestaat er ook een goed uitgedrukt seksueel verschil in de lengte en buiging van de longpijpen (bronchi).47Zoodat in deze gevallen hoogst belangrijke organen volgens de sekse zijn gewijzigd.Het is dikwijls moeilijk te gissen, of de vele vreemde geluiden en tonen, door de mannelijke vogels gedurende den paartijd voortgebracht, dienen om de wijfjes te bekoren of alleen om haar te roepen. Het zacht gekir van de tortelduif en van vele duiven mag men vermoeden, dat aan de wijfjes behaagt. Als het wijfje van den wilden kalkoen in den morgen haar roepstem doet hooren, antwoordt het mannetje met een geluid dat verschilt van dat hetwelk hij maakt, wanneer hij met opgezette vederen, ruischende vleugels en opgezwollen vleeschlappen voor haar blaast en pronkt.48Het„spel”van den korhaan dient ontwijfelbaar om het wijfje te roepen; want het is bekend, dat daardoor vier of vijf hennen van een afstand zijn gelokt naar een gevangen haan; maar daar de korhaan zijn„spel”uren lang gedurende een reeks van dagen voortzet, en in het geval van den grooten auerhaan „met een uitersten hartstocht” („with an agony of despair”), worden wij er toe gebracht om te veronderstellen, dat de hennen die reeds tegenwoordig zijn, daardoor worden bekoord.49Het is bekend, dat de stem van den gewonen roek gedurende den paartijd verandert en daarom op de eene of andere wijze met de sekse samenhangt.50Wat[58]zullen wij echter zeggen van het krijschende geschreeuw van, bij voorbeeld, sommige soorten van papegaaien; hebben deze vogels een even slechten smaak voor muzikale tonen, als zij blijkbaar voor kleuren hebben, te oordeelen naar het onharmonische contrast van hun geel en blauw gevederte? Het is inderdaad mogelijk, dat de luide stemmen van vele mannelijke vogels het gevolg zijn, zonder dat daardoor eenig voordeel werd verkregen, van de overgeërfde gevolgen van het voortdurend gebruik van hun stemorganen, als zij worden opgewekt door de sterke hartstochten van liefde, ijverzucht en toorn; op dit punt zullen wij echter moeten terugkomen, als wij de viervoetige dieren behandelen.Wij hebben tot dusverre slechts van de stem gesproken, maar de mannetjes van onderscheidene vogels voeren gedurende hun vrijage iets uit, dat instrumentale muziek kan worden genoemd. Pauwen en Paradijsvogels rammelen met de schachten der vederen tegen elkander en de trillende beweging dient blijkbaar slechts om geluid voort te brengen; want zij kanmoeilijkde schoonheid van hun gevederte verhoogen. Kalkoensche hanen schuren hun vleugels tegen den grond, en sommige soorten van Boschhoenders brengen op die wijze een gonzend geluid voort. Een ander Noord-Amerikaansch Boschhoen, deTetrao umbellus, klopt, wanneer hij, met opgezetten staart en met zijn halskraag pronkende, „zijn opschik laat bewonderen door de wijfjes die in de nabuurschap verborgen liggen”, snel met zijn „naar beneden gehouden vleugels tegen den stam van een omgevallen boom”, of volgens Audubon, tegen zijn eigen lichaam; het aldus voortgebrachte geluid wordt door sommigen met een verwijderden donder en door anderen met een snellen roffel op een trommel vergeleken. Het wijfje trommelt nooit, „maar vliegt dadelijk naar de plaats, waar het mannetje daarmede bezig is.” In het Himalaya-gebergte „maakt” het mannetje van de Kalij-fazant „dikwijls met zijn vleugels een eigenaardig trommelend geluid, niet ongelijk aan dat hetwelk wordt voortgebracht door een stijf stuk doek heên en weder te schudden.” Op de westkust van Afrika verzamelen zich de kleine wevervogels (Ploceus?) in een klein troepje in het kreupelhout rondom een kleine open plaats, en zingen en glijden door de lucht met trillende vleugels „die een snel ratelend geluid maken, gelijk een kindertafel.” De eene vogel voor, de andere na, gaan hiermede gezamenlijk uren lang door, maar alleen gedurende den paartijd. In dat zelfde jaargetijde maken de mannetjes van sommige[59]Nachtzwaluwen (Caprimulgus) een zeer vreemd geluid met hun vleugels. De onderscheidene soorten van Spechten pikken met hun snavels tegen een schelklinkenden tak, en maken daarbij een zoo snelle trillende beweging, „dat de kop op twee plaatsen tegelijk schijnt te zijn.” Het aldus voortgebrachte geluid is op aanmerkelijken afstand hoorbaar, maar kan niet worden beschreven; en ik houd mij overtuigd, dat de oorzaak daarvan nooit zou worden vermoed door iemand die het voor de eerste maal hoorde. Daar dit trillende geluid voornamelijk gedurende den paartijd wordt gemaakt, heeft men het voor een liefde-zang gehouden; maar het is wellicht eigenlijk meer een liefde-roepstem. Men heeft waargenomen, dat het wijfje, als zij uit haar nest werd gejaagd, op die wijze haar mannetje riep, die op de zelfde wijze antwoordde en weldra voor den dag kwam. De hop (Upupa epops) eindelijk vereenigt vocale en instrumentale muziek; want gedurende den paartijd ademt deze vogel, gelijk de heer Swinhoe zag, eerst lucht in, klopt daarna met den bek loodrecht omlaag tegen een steen of boomstam, „en dan brengt de uitgeademde, door den kogelvormigen snavel geperste lucht den juisten toon voort.” Als het mannetje geluid maakt zonder met zijn bek te kloppen, is de toon geheel verschillend.51In de voorgaande gevallen worden geluiden voortgebracht met behulp van deelen die toch bestaan en voor andere doeleinden noodzakelijk zijn; maar in de volgende gevallen zijn zekere vederen bijzonder gewijzigd met het uitdrukkelijke doel om de geluiden voort te brengen. Het trommelende, of blatende, ofhinnikende, of donderende geluid, zooals het door verschillende waarnemers wordt uitgedrukt, dat door de gewone watersnip (Scolopax gallinago) wordt gemaakt, moet iedereen hebben verwonderd, die het ooit heeft gehoord. De vogel vliegt, gedurende den paartijd, tot „een hoogte van wellicht duizend voet”, en na een tijd lang in zigzag heên en weder te hebben gevlogen, daalt hij[60]volgens een gebogen lijn, met uitgespreiden staart en trillende vleugels, met verwonderlijke snelheid naar de aarde neder. Het geluid wordt alleen gedurende deze snelle nederdaling voortgebracht. Niemand was in staat de oorzaak te verklaren, totdat de heer Meves opmerkte, dat de buitenste vederen aan elke zijde van den staart een bijzonderen vorm hebben (Fig.27), daar zij een stijve sabelvormige schachtbezitten, met schuinsche baarden van ongewone lengte, terwijl de vlaggen sterk met elkander zijn verbonden. Hij bevond, dat hij door op deze vederen te blazen of door ze aan een langen dunnen stok vast te maken en ze snel door de lucht te zwaaien, het trommelend geluid, door den levenden vogel gemaakt, volkomen kon nabootsen. Beide seksen zijn van deze vederen voorzien; maar zij zijn over het algemeen grooter bij het mannetje dan bij het wijfje, en geven bij het eerste een lager toon. Bij sommige soorten, zooals bijS. frenata(Fig.28), zijn vier vederen, en bijS. javensis(Fig.29) niet minder dan acht vederen aan elken kant van den staart sterk gewijzigd. De vederen van verschillende soorten geven, als zij door de lucht worden gezwaaid, verschillende tonen; deScolopax Wilsoniivan de Vereenigde Staten maakt een zwiepend geluid, als hij met snelheid naar de aarde nederdaalt.52
Bij de vogels zijn de secundaire seksueele kenmerken meer verschillend en vallen meer in het oog, hoewel zij wellicht geen belangrijker veranderingen van maaksel veroorzaken, dan bij eenige andere Klasse van dieren. Ik zal daarom dit onderwerp zeer uitgebreid behandelen. Mannelijke vogels bezitten soms, hoewel niet dikwijls, bijzondere wapens om met elkander te vechten. Zij bekoren de wijfjes door vocale en instrumentale muziek van de meest verschillende soort. Zij zijn versierd met allerlei soort van kammen, vleeschlappen, uitwassen, horens, door lucht uitgezette zakken, kuiven, naakte schachten, pluimen en verlengde vederen die op bevallige wijze op allerlei plaatsen van het lichaam ontspringen. De snavel en het naakte vel aan den kop, en de vederen zijn dikwijls prachtig gekleurd. De mannetjes maken somtijds aan de wijfjes het hof door te dansen, of door fantastische vertooningen op den grond of in de lucht uit te voeren. Er bestaat op zijn minst één voorbeeld, dat het mannetje een muskusachtigen geur verspreidt, die, gelijk wij mogen veronderstellen, dient om het wijfje te bekoren of op te wekken; want de heer Ramsay1, die uitmuntende waarnemer, zegt van de Australische muskuseend (Biziura lobata), dat „de geur dien het mannetje gedurende den zomer verspreidt, tot die sekse is beperkt, en bij sommige individu’s het geheele jaar voortduurt; ik heb nooit, zelfs niet in den paartijd, een wijfje geschoten, dat eenigszins naar muskus rook.” Zoo sterk is die geur gedurende den paartijd[38]dat men hem kan ruiken, lang voor men den vogel kan zien.2Over het geheel schijnen de vogels de meest aesthetische van alle dieren te zijn, met uitzondering natuurlijk van den mensch, en zij hebben bijna den zelfden smaak voor het schoone als wij. Dit blijkt uit het behagen dat wij in het gezang der vogels scheppen, en doordat onze vrouwen, zoowel beschaafde als wilde, haar hoofden met geleende vederen bedekken en edelgesteenten gebruiken, die nauwelijks schitterender zijn gekleurd, dan de naakte huid en de vleeschlappen van zekere vogels.Voor ik de kenmerken behandel, waarmede wij hier meer in het bijzonder hebben te maken, wil ik eerst wijzen op zekere verschillen tusschen de seksen, die blijkbaar afhangen van verschillen in haar levenswijze; want dergelijke gevallen, hoewel in de lagere klassen algemeen, zijn in de hoogere zeldzaam. Twee kolibri’s, tot het geslachtEustephanusbehoorende, die het eiland Juan Fernandez bewonen, werden lang voor verschillende soorten gehouden, doch men weet nu, gelijk de heer Gould mij meldt, dat het de seksen van de zelfde soort zijn, en zij verschillen eenigszins in den vorm van den snavel. In een ander geslacht van kolibri’s (Grypus) is de snavel van het mannetje langs den rand gezaagd en aan het uiteinde gebogen, en verschilt dus veel van dien van het wijfje. Bij de merkwaardigeNeomorphavan Nieuw-Zeeland is er een nog grooter verschil in den vorm van den snavel; en men heeft den heer Gould medegedeeld, dat het mannetje met zijn „rechten en sterken snavel” den bast van de boomen afscheurt, opdat het wijfje zich met haar zwakkeren en meer gekromden snavel zou kunnen voeden met de blootkomende larven. Iets van den zelfden aard zou men wellicht kunnen waarnemen bij den distelvink (Carduelis elegans), want de heer Jenner Weir heeft mij verzekerd, dat de vogelvangers de mannetjes aan hun een weinig langere snavels kunnen onderscheiden. Men vindt de mannetjes gewoonlijk, volgens de getuigenissen van een ouden en geloofwaardigen vogelvanger, zich met zaden van den kaardebol (Dipsacus) voedende, die zij met hun verlengden snavel kunnen bereiken, terwijl de wijfjes zich meer algemeen voeden met de zaden van het helmkruid (Scrophularia). Met een gering verschil van dezen aard tot grondslag, kunnen wij begrijpen, hoe de snavels der beide seksen er door de natuurlijke teeltkeus toe kunnen zijn gekomen om zeer van elkander te verschillen. In al deze gevallen echter, vooral in dat van de twistzieke[39]kolibri’s, is het mogelijk, dat de verschillen in snavels oorspronkelijk door de mannetjes zijn verkregen, in verband met hun gevechten, en later aanleiding gaven tot een eenigszins veranderde levenswijze.Gevechten.—Bijna alle mannelijke vogels zijn uiterst strijdlustig en gebruiken hun snavels en pooten om met elkander te vechten. Wij zien dit elken zomer bij onze roodborstjes en huismusschen. De kleinste van alle vogels, namelijk de kolibri, is ook de meest twistzieke. De heer Gosse3beschrijft een gevecht waarbij een paar kolibri’s elkander met den snavel vastgrepen en in het rond draaiden tot zij bijna op den grond vielen, en de heer Montes de Oca zegt, van een ander geslacht sprekende, dat twee mannetjes elkander zelden ontmoeten, zonder dat er een woedend gevecht in de lucht plaats grijpt, en als men ze in kooien houdt, „eindigt hun gevecht meestal daarmede, dat de tong van een van beide wordt gespleten, die dan met zekerheid moet sterven, daar hij zich niet meer kan voeden.”4Onder de Moerasvogels „vechten de mannetjes van het waterhoentje (Gallinula chloropus) in den paartijd hevig om de wijfjes; zij staan bijna rechtop in het water en trappen met hun pooten.” Men heeft er twee op die wijze een half uur lang zien vechten, totdat de een den kop van den ander beet kreeg, die zou zijn gedood als de waarnemer niet tusschenbeide was gekomen; het wijfje stond er al dien tijd als een rustige toeschouwster naar te kijken.5De mannetjes van een verwanten vogel (Gallicrex cristatus) zijn, gelijk de heer Blyth mij meldt, een derde grooter dan de wijfjes, en zijn gedurende den paartijd zoo strijdlustig, dat de inboorlingen van oostelijk Bengalen hen houden om ze met elkander te laten vechten. Men houdt in Indië onderscheidene andere vogels met het zelfde doel, bij voorbeeld de Bulbuls (Pycnonotush aemorrhous), „die met grooten moed vechten.”6Fig. 22.Fig. 22.De Kemphaan (Machetes pugnax); naar Brehm’s „Thierleben”.De in veelwijverij levende kemphaan (Machetes Pugnax, Fig.22) is bekend wegens zijn buitengewone strijdlustigheid; en in de lente komen de mannetjes die veel grooter zijn dan de wijfjes, alle dagen te zamen op een bijzondere plaats waar de wijfjes van plan zijn haar eieren te leggen. De vogelaars ontdekken die plaatsen, doordat het gras er een weinig kaal is getrapt. Hier vechten zij zeer hevig gelijk strijdhanen,[40]en grijpen elkander met hun snavel en slaan elkander met hun vleugels. De groote halskraag van vederen staat dan recht overeind en „sleept”, volgensKolonelMontagu, „over den grond als een schild om de meer teedere deelen te beschermen”, en dit is het eenige mij bekende voorbeeld bij vogels van het eene of andere deel dat als een[41]schild dient. De halskraag van vederen dient echter wegens zijn menigvuldige en rijke kleuren waarschijnlijk voornamelijk tot versiering. Gelijk de meeste strijdlustige vogels schijnen zij bijna altijd bereid te zijn om te vechten; en als zij in enge gevangenschap met elkander leven, dooden zij elkander veelvuldig; maar Montagu nam waar, dat hun strijdlustigheid gedurende de lente, wanneer de lange vederen op den hals volkomen zijn ontwikkeld, grooter wordt; en in dien tijd doet de minste beweging van dezen of genen afzonderlijken vogel een algemeen gevecht ontstaan.7Van de strijdlustigheid van de zwemvogels zullen twee voorbeelden voldoende zijn: in Guiana „hebben gedurende den paartijd bloedige gevechten plaats tusschen de mannetjes van de wilde muskuseend (Cairina moschata)(1); en waar deze gevechten hebben plaats gehad, is de rivier over eenigen afstand met vederen bedekt.”8Vogels die slecht geschikt schijnen te zijn om te vechten, leveren elkander woedende gevechten; zoo jagen bij den pelikaan de sterkere mannetjes de zwakkere weg, met hun monsterachtige snavels bijtende en krachtige slagen met hun vleugels uitdeelende. De mannelijke snippen vechten te zamen „elkander met hun snavels plukkende en stootende op de vreemdsoortigste wijze die men zich kan voorstellen.” Van eenige weinige soorten gelooft men, dat zij nooit vechten; dit is, volgens Audubon, het geval met een van de spechten van de Vereenigde Staten (Picus auratus), hoewel „de wijfjes door zelfs een half dozijn van haar vroolijke minnaars worden gevolgd.”9De mannetjes van vele vogels zijn grooter dan de wijfjes, en dit is ongetwijfeld een voordeel voor hen in hun gevechten met hun medeminnaars en is door seksueele teeltkeus verkregen. Het verschil in grootte tusschen de seksen is bij verscheidene Australische soorten tot een uiterste gedreven: zoo zijn toch volgens metingen de mannelijke muskuseend (Biziura) en de mannelijkeCincloramphus cruralis(met onze Piepers verwant) tweemaal zoo groot als hun respectieve wijfjes.10Bij vele andere vogels zijn de wijfjes grooter dan de mannetjes; en, zooals vroeger is opgemerkt, is de verklaring die men daarvan[42]dikwijls geeft, namelijk, dat de wijfjes het meeste werk hebben met het voeden harer jongen, niet voldoende. In eenige weinige gevallen hebben de wijfjes, zooals wij later zullen zien, haar grootere gestalte en meerdere kracht blijkbaar verkregen met het doel om andere wijfjes te overwinnen en het bezit van de mannetjes te verkrijgen.De mannetjes van vele Hoenderachtige Vogels, vooral van de in veelwijverij levende soorten, zijn voorzien van bijzondere wapenen om met hun medeminnaars te vechten, namelijk van sporen die met vreeselijk gevolg kunnen worden gebruikt. Een geloofwaardig schrijver11heeft opgeteekend, dat in Derbyshire een wouw neêrschoot op een strijdhen die van haar kuikens vergezeld was, waarop de haan haar te hulp snelde, en zijn spoor recht door het oog en den schedel van den aanvaller heêndreef.De spoor werd met moeite uit den schedel getrokken en daar de wouw, ofschoon dood, zijn tegenstander nog omkneld hield, waren de beide vogels stevig aaneengesloten; maar de haan bleek, nadat men hem had losgemaakt, slechts zeer weinig letsel te hebben bekomen. De onoverwinnelijke moed van den strijdhaan is bekend: een heer die langen tijd geleden ooggetuige was geweest van het volgende wreede tooneel, verhaalde mij, dat de beide pooten van zulk een haan door een of ander toeval gedurende het hanengevecht waren gebroken, en de eigenaar een weddenschap aanging, dat, indien de pooten zoo konden worden gespalkt, dat de vogel weder overeind kon staan, hij voort zou gaan met vechten. Dit werd dadelijk gedaan en de vogel vocht met onbezweken moed, totdat hij doodelijk werd getroffen. In Ceylon is een nauwverwante en wilde soort, deGallus Stanleyi, bekend als een wanhopig vechter, „zoodat één der strijders dikwijls dood wordt gevonden.”12Een Indische patrijssoort (Ortygornis gularis), waarvan het mannetje van sterke en scherpe sporen is voorzien, is zoo twistziek, „dat de litteekens van vroegere gevechten de borst misvormen van bijna elken vogel dien men doodt.”13De mannetjes van bijna alle Hoenderachtige Vogels, zelfs die welke niet van sporen zijn voorzien, leveren elkander gedurende den paartijd woedende gevechten. De groote auerhaan en korhaan (Tetrao urogallusenT. tetrix) die beide in veelwijverij leven, hebben geregeld vaste plaatsen waar zij gedurende vele weken in grooten getale samenkomen[43]om met elkander te vechten en hun bekoorlijkheden voor de wijfjes ten toon te spreiden. De heer W. Kowalevsky meldt mij, dat hij in Rusland de sneeuw overal met bloed doortrokken heeft gezien op de plaatsen waar de auerhanen hadden gevochten; en de korhanen „doen de vederen in alle richtingen wegstuiven”, als verscheidene „elkander een koninklijk gevecht leveren.” De oudere Brehm geeft een merkwaardig verhaal van het „Balzen”, zooals de liefde-dans of liefde-zang van den korhaan in Duitschland wordt genoemd.De vogel maakt bijna zonder ophouden de vreemdsoortigste geluiden: hij houdt zijn staart in de hoogte en spreidt dien uit gelijk een waaier, hij licht zijn kop en hals op, waarvan al de vederen overeind staan, en steekt zijn vleugels van het lichaam af. Daarop maakt hij eenige weinige sprongen in verschillende richtingen, somtijds in een cirkel, en drukt het onderste gedeelte van zijn snavel zoo hard tegen den grond, dat de kinvederen worden afgeschaafd. Gedurende deze bewegingen slaat hij met zijn vleugels en draait voortdurend in de rondte. Hoe vuriger hij wordt, des te levendiger wordt hij, totdat ten laatste de vogel als razend schijnt te zijn. Op dergelijke tijden zijn de korhanen zoo in hun dans verdiept, dat zij bijna blind en doof worden, hoewel minder dan de auerhaan, zoodat de eene vogel voor en de andere na op de zelfde plaats kan worden doodgeschoten, of zelfs met de hand gevangen. Na deze vertooning te hebben volbracht, beginnen de mannetjes te vechten; en de zelfde korhaan zal, om zijn kracht tegen verscheidene tegenstanders te beproeven, in den loop van éénen morgen verscheiden Balz-plaatsen bezoeken, die gedurende alle jaren de zelfde blijven.14De pauw met zijn langen staart schijnt meer een fat („dandy”) dan een krijgsman te zijn, maar somtijds levert hij woedende gevechten: de weleerw. heer W. Darwin Fox deelt mij mede, dat twee pauwen op een kleinen afstand van Chester zoo werden opgewekt door den strijd, dat zij steeds vechtende over de geheele stad vlogen, totdat zij zich op de spits van den St. Janstoren nederlieten.Fig. 23.Fig. 23.Polyplectron chinquis, mannetje (naar Brehm) om de dubbele sporen aan te toonen.De Hoenderachtige Vogels die daarvan zijn voorzien, hebben over het algemeen slechts één spoor, maarPolyplectron(Fig.23) heeft er twee of meer aan elken poot; en bij een der Bloedfazanten (Ithaginis cruentus) heeft men vijf sporen opgemerkt. De sporen zijn meestal tot[44]het mannetje beperkt, en worden bij het wijfje door eenvoudige knobbels of rudimenten vertegenwoordigd; maar de wijfjes van den Javaanschen pauw (Pavo muticus) en, naar de heer Blyth mij heeft medegedeeld, van den kleinen vuurruggigen fazant (Euplocamus erythrophthalmus)[45]bezitten sporen. BijGalloperdixhebben de mannetjes gewoonlijk twee sporen en de wijfjes slechts ééne spoor aan elken poot.15Men mag daarom de sporen gerust beschouwen als een mannelijk kenmerk, hoewel zij nu en dan in meerdere of mindere mate op de wijfjes worden overgeplant. Gelijk de meeste andere secundaire seksueele kenmerken vertoonen de sporen vele afwijkingen in aantal en ontwikkeling bij ééne en de zelfde soort.Onderscheidene vogels hebben sporen aan de vleugels. De Egyptische gans (Chenalopex aegyptiacus) heeft echter slechts „naakte stompe knobbels”, en deze vertoonen ons waarschijnlijk de eerste stappen door welke zich bij andere verwante vogels ware sporen hebben ontwikkeld. Bij de spoorvleugelige gans,Plectropterus gambensis, hebben de mannetjes veel grooter sporen dan de wijfjes; en zij gebruiken ze, naar mij de heer Bartlett heeft medegedeeld, om met elkander te vechten, zoodat in dit geval de vleugelsporen tot seksueele wapens dienen; volgens Livingstone echter, worden zij voornamelijk tot verdediging der jongen gebruikt. De kamichi (Palamedea, Fig.24) is aan elken vleugel met een paar sporen gewapend, en deze zijn zulke geduchte wapenen, dat een enkele steek daarmede een hond huilende op de vlucht heeft gejaagd. Het blijkt echter niet, dat de sporen in dit geval of in dat van sommige met vleugelsporen gewapende Ralachtige Vogels bij het mannetje grooter zijn dan bij het wijfje.16Bij sommige Plevierachtige Vogels moeten echter de vleugelsporen als een seksueel kenmerk worden beschouwd. Zoo wordt bij onzen gewonen kievit (Vanellus cristatus) de knobbel op den vleugelschouder gedurende den paartijd meer vooruitstekend, en het is bekend, dat de mannetjes met elkander vechten. Bij sommige soorten vanLobivanellusontwikkelt zich een soortgelijke knobbel gedurende den paartijd „tot een korte horenachtige spoor.” Bij den AustralischenL. lobatushebben beide seksen sporen, maar deze zijn veel grooter bij de mannetjes dan bij de wijfjes. Bij een verwanten vogel, denHoplopterus armatus, nemen de sporen gedurende den paartijd niet in grootte toe; maar men heeft die vogels in Egypte zien vechten, op de zelfde wijze als onzekieviten, door zich in de lucht plotseling om[46]te draaien en zijdelings op elkander neêr te schieten, somtijds met noodlottig gevolg. Op de zelfde wijze jagen zij ook andere vijanden weg.17Fig. 24.Fig. 24.De Kamichi (Palamedea Cornuta) om de dubbele vleugelsporen en den horen op den kop aan te toonen (naar Brehm).[47]Het jaargetijde der liefde is dat van den strijd; maar de mannetjes van sommige vogels, zooals de strijdhaan en de kemphaan, en zelfs de jonge mannetjes van den wilden kalkoen en de Boschhoenders18zijn, wanneer zij elkander ontmoeten, steeds bereid om te vechten. De tegenwoordigheid van het wijfje is deteterrima bellicausa. De Bengaleesche knapen doen de aardige kleine mannetjes van den amadavat (Estrelda amandava) met elkander vechten door drie kleine kooien op een rij te zetten, met een wijfje in het midden; na korten tijd worden de mannetjes in vrijheid gelaten, waarvan onmiddellijk een wanhopend gevecht het gevolg is.19Wanneer vele mannetjes op de zelfde vaste plaats samenkomen en met elkander vechten, zooals in het geval van de Boschhoenders en onderscheidene andere vogels, worden zij gewoonlijk vergezeld van de wijfjes20die later met de overwinnaars paren. In sommige gevallen gaat de paring aan het gevecht vooraf, in plaats van er op te volgen; zoo „maken”, volgens Audubon21, „verscheidene mannetjes van de Virginische nachtzwaluw (Caprimulgus Virginianus), op een in hooge mate onderhoudende wijze het wijfje het hof, en zoodra zij haar keus heeft gedaan, vervolgt haar beminde alle ongenoodigde gasten en jaagt ze uit zijn gebied weg.” Over het algemeen beproeven de mannetjes met alle macht hun medeminnaars weg te jagen of te dooden, voordat zij paren. Het schijnt echter, dat de wijfjes niet zonder uitzondering aan den overwinnaar de voorkeur geven. De heer W. Kowalevsky heeft mij ten minste verzekerd, dat de groote auerhen soms wegsluipt met een jong haantje dat niet met de oude hanen in het strijdperk durfde treden; op de zelfde wijze als nu en dan ook plaats vindt met de hinden van het edelhert in Schotland. Als twee mannetjes in tegenwoordigheid[48]van een wijfje vechten, verkrijgt de overwinnaar ongetwijfeld gewoonlijk het voorwerp zijner begeerlijkheid; doch sommige van deze gevechten worden veroorzaakt door rondzwervende mannetjes die beproeven den vrede van een reeds vereenigd paar te verstoren.22Zelfs bij de meest strijdlustige soorten is het waarschijnlijk, dat de paring niet uitsluitend van de enkele kracht en moed van het mannetje afhangt; want dergelijke mannetjes prijken gewoonlijk met verschillende versierselen die dikwijls gedurende den paartijd schitterender worden en met veel ijver voor de wijfjes worden tentoongespreid. De mannetjes trachten hun gezellinnen ook te bekoren door liefdetonen, zang en vertooningen; en de vrijage is in vele gevallen een langdurige zaak. Het is daarom niet waarschijnlijk, dat de wijfjes onverschillig zijn voor de bekoorlijkheden van de andere sekse, of dat zij altijd genoodzaakt zijn zich aan de overwinnende mannetjes te onderwerpen. Het is waarschijnlijker, dat de wijfjes door sommige mannetjes worden bekoord, hetzij voor of na het gevecht, en zoo onbewust aan hen de voorkeur geven. In het geval vanTetrao umbellusgaat een goed waarnemer23zoo ver van aan te nemen, dat de gevechten van de mannetjes „allen slechts schijnvertooningen zijn, die zij verrichten om zich op de voordeeligst mogelijke wijze te vertoonen aan de bewonderende wijfjes die zich daaromheên verzamelen; want het is mij nooit gelukt een verminkten held, en zelden om meer dan een gebroken veder te vinden.” Ik zal op dit onderwerp moeten terugkomen, maar kan er hier bijvoegen, dat bij het Prairiehoen (Tetrao cupido) van de Vereenigde Staten, omtrent een twintigtal mannetjes zich op een bijzondere plaats verzamelen, en rondstappende de geheele lucht doen weergalmen van hun vreemdsoortige geluiden. Op het eerste antwoord van een wijfje beginnen de mannetjes woedend te vechten en de zwakkere wijken; maar daarna zoeken, volgens Audubon, zoowel de overwonnenen als de overwinnaars naar een wijfje, zoodat òf de wijfjes een keus moeten doen, òf de strijd moet worden hernieuwd. Evenzoo leveren de mannetjes van een der Veldspreeuwen der Vereenigde Staten (Sturnella ludoviciana) elkander woedende gevechten; maar op het gezicht van een wijfje vliegen zij haar allen achterna, alsof zij dol waren.24[49]Vocale en instrumentale muziek.—Bij de vogels dient de stem om verschillende gemoedsaandoeningen uit te drukken, zooals smart, vrees, angst, zegepraal, of alleen geluk. Zij wordt blijkbaar somtijds gebruikt om schrik te verwekken, zooals bij het sissend geluid dat sommige nestvogeltjes maken. Audubon25verhaalt, dat hij een tammen nachtreiger (Ardea nycticorax) heeft bezeten, die gewoon was zich te verbergen als er een kat aankwam, en dan „plotseling opsprong en een der vreeselijkste geluiden maakte, blijkbaar behagen scheppende in den angst en de vlucht van de kat.” De gewone huishaan klokt tegen de hen, en de hen tegen haar kuikens, als zij een lekker hapje hebben gevonden. Als de hen een ei heeft gelegd, „herhaalt zij den zelfden toon zeer dikwijls, en besluit met den zesden hoogeren dien zij gedurende langeren tijd aanhoudt”26; en geeft op die wijze haar vreugde te kennen. Sommige sociale vogels roepen elkander blijkbaar te hulp, en daar zij van den eenen boom op den anderen vliegen, wordt de vlucht bij elkander gehouden, doordat het eene getjilp op het andere antwoordt. Gedurende de nachtelijke verhuizingen van ganzen en andere watervogels, kan men soms in de duisternis boven zijn hoofd schelklinkende geluiden van de voorhoede hooren, waarop geluiden van de achterhoede antwoorden. Sommige geluiden dienen tot waarschuwing voor gevaar, en worden, zooals de jager te zijnen koste gewaar wordt, door de zelfde soort en door andere verstaan. De huishaan kraait en de kolibri tjilpt om zijn zegepraal over een overwonnen mededinger te verkondigen. De ware zang echter van de meeste vogels en onderscheidene vreemde geluiden worden voornamelijk voortgebracht gedurende den paartijd, en dienen tot bekoring of eenvoudig als een loktoon voor de andere sekse.Er heerscht bij de natuuronderzoekers veel verschil van gevoelen omtrent het doel van den zang der vogels. Slechts weinige waarnemers hebben er ooit geleefd, die zorgvuldiger waren dan Montagu, en deze hield vol, dat „de mannetjes der zangvogels en van vele andere over het algemeen niet naar het wijfje zoeken, maar daarentegen hun bezigheid in de lente is, om op de eene of andere in het oog vallende plaats te gaan zitten en daar hun volle en verliefde klanken te doen weêrklinken, welke het wijfje instinktmatig kent, en die haar zich naar die plaats doen begeven om haar gezel uit te kiezen.”27De heer[50]Jenner Weir deelt mij mede, dat zulks bij den nachtegaal ongetwijfeld het geval is. Bechstein die gedurende zijn geheele leven vogels hield, verzekert, „dat de vrouwelijke kanarievogel altijd den besten zanger uitkiest, en dat in den natuurstaat de vrouwelijke vink uit een honderdtal mannetjes altijd dat uitzoekt, wiens tonen haar het meest behagen.”28Er kan geen twijfel bestaan, dat vogels nauwkeurig acht geven op elkanders zang. De heer Weir heeft mij een geval verhaald van een goudvink waaraan men een Duitsche wals had leeren fluiten en die zulk een goed zanger was, dat hij tien guinjes (ƒ124,40) kostte; toen deze vogel voor het eerst werd gebracht in een kamer waarin andere vogels werden gehouden, en begon te zingen, plaatsten zich al de andere, bestaande uit ongeveer twintig kneutjes en kanarievogels, aan den kant hunner kooien, welke het dichtst bij hem was, en luisterden met de grootste belangstelling naar den nieuwen zanger. Vele natuuronderzoekers gelooven, dat de zang der vogels bijna geheel „het gevolg van ijverzucht en naijver” is en niet dient om hun gezellinnen te bekoren. Dit was de meening van Daines Barrington en White van Selborne, die beiden hun opmerkzaamheid bijzonder op dit punt vestigden.29Barrington neemt echter aan, dat een „uitstekende zang van de vogels een verbazend overwicht over andere geeft”, zooals de vogelvangers wel weten.Het is zeker, dat er tusschen de mannetjes ten opzichte van het zingen eene hooge mate van naijver bestaat. Liefhebbers van vogels gaan weddenschappen aan, wiens vogel het langst zal zingen, en de heer Yarrell deelde mij mede, dat een zangvogel van den eersten rang somtijds zal zingen, tot hij nagenoeg dood of, volgens Bechstein30, geheel en al dood nedervalt, wegens het breken van een vat in de longen. Wat er ook de oorzaak van moge zijn, mannelijke vogels sterven, gelijk ik van den heer Weir hoor, dikwijls plotseling gedurende het jaargetijde van den zang. Dat de gewoonte van te zingen somtijds geheel onafhankelijk van de liefde is, is duidelijk; want men heeftopgeteekend31, dat een onvruchtbare bastaard (hybride) van een kanarievogel[51]zong, toen hij zich zelf in een spiegel zag, en daarop op zijn eigen beeld toeschoot; hij viel eveneens met woede aan op een vrouwelijke kanarie, toen deze in de zelfde kooi werd gezet. Van de ijverzucht, door het zingen opgewekt, maken de vogelvangers voortdurend gebruik; een mannetje dat goed zingt, wordt verborgen en beschermd, terwijl een opgezette vogel, omringd van met lijm besmeerde twijgen, aan het gezicht wordt blootgesteld. Op deze wijze heeft een man, gelijk de heer Weir mij mededeelt, in den loop van een enkelen dag vijftig, en eens zeventig mannelijke vinken gevangen. Het vermogen en de neiging om te zingen verschillen bij de vogels zoozeer, dat, hoewel de prijs van een gewonen mannelijken vink slechts zes stuivers is, de heer Weir éénen vogel zag, voor welken de vogelvanger zes-en-dertig gulden vroeg; terwijl de proef, of een vogel werkelijk een goed zanger is, daarin bestaat, dat hij moet doorgaan met zingen, wanneer de kooi rondom het hoofd van den eigenaar wordt gezwaaid.Dat vogels evengoed uit naijver zouden zingen als om het wijfje te bekoren, is niet geheel onvereenigbaar; en men kon inderdaad verwachten, dat dit te zamen zou gaan, evenals versiering en strijdlustigheid. Sommige schrijvers echter beweren, dat de zang van het mannetje niet kan dienen om het wijfje te bekoren, daar de wijfjes van eenige weinige soorten, zooals de kanarievogel, het roodborstje, de leeuwerik en de goudvink, vooral, gelijk Bechstein opmerkt, wanneer zij in den weduwenstaat verkeeren, zeer welluidende tonen voortbrengen. In sommige van deze gevallen kan de gewoonte om te zingen gedeeltelijk daaraan worden toegeschreven, dat de wijfjes sterk zijn gevoed en opgesloten32; want hierdoor komt er storing in al de gewone, met de voortplanting der soort in verband staande functies. Reeds vele voorbeelden zijn gegeven van de gedeeltelijke overbrenging van secundaire mannelijke kenmerken op het wijfje, zoodat het volstrekt niet is te verwonderen, als de wijfjes van sommige soorten het vermogen bezitten om te zingen. Men heeft ook beweerd, dat het gezang van het mannetje niet als een bekoring kan dienen, omdat de mannetjes van sommige soorten, van het roodborstje bij voorbeeld, gedurende den herfst zingen.33Niets is echter meer gewoon, dan dat dieren behagen scheppen om aan[52]het instinkt gehoor te geven, dat zij op een anderen tijd met eenig wezenlijk nuttig doel volgen. Hoe dikwijls zien wij vogels die gemakkelijk vliegen, klaarblijkelijk voor hun genoegen door de lucht glijden en zeilen. De kat speelt met de gevangen muis en de waterraaf (cormorant) met den gevangen visch. De wevervogel (Ploceus) vermaakt zich, als hij in een kooi is opgesloten, met netjes bladeren van gras tusschen de traliën van zijn kooi te weven. Vogels die gewoon zijn gedurende den paartijd te vechten, zijn over het algemeen op alle tijden bereid om te vechten; en de groote auerhanen houden soms hunbalzenofleksop de gewone vergaderplaats gedurende den herfst.34Het is dus volstrekt niet te verwonderen, als mannelijke vogels voortgaan met voor hun eigen genoegen te zingen, als het jaargetijde der liefde voorbij is.Zingen is tot op zekere hoogte, gelijk in een vorig hoofdstuk is aangetoond, een kunst, en wordt door oefening veel verbeterd. Men kan vogels onderscheidene deuntjes leeren en zelfs de onwelluidende huismusch heeft men geleerd om als een kneutje te zingen. Zij verkrijgen den zang van hun pleegvaders35en somtijds dien van hun naburen.36Alle gewone zangvogels behooren tot de Orde der Roestvogels (Insessores), en hun stemorganen zijn veel samengestelder dan die van de meeste andere vogels; toch is het een vreemd feit, dat sommige Roestvogels (Insessores), zooals raven, kraaien en eksters, de tot zingen dienende inrichting bezitten37, hoewel zij nimmer zingen, en in den natuurstaat hun stemmen niet in eenigszins groote mate wijzigen.(2)Hunter verzekert38, dat bij de ware zangvogels de spieren van het strottenhoofd (larynx)(3)bij de mannetjes sterker zijn dan bij de wijfjes; maar op deze geringe uitzondering na is er geen verschil tusschen de stemorganen der beide seksen, hoewel de mannetjes der meeste soorten zooveel beter en aanhoudender zingen dan de wijfjes.Het is opmerkelijk, dat alleen kleine vogels eigenlijk zingen. Het[53]Australische geslachtMenuramoet hiervan echter worden uitgezonderd; want deMenura Albertidie omtrent de grootte van een half volwassen kalkoen heeft, bootst niet slechts andere vogels na, maar zijn eigen gefluit is ook uiterst fraai en afwisselend. De mannetjes komen samen en vormen „verlustigingsplaatsen”, waar zij zingen, hun staarten omhoog stekende en uitspreidende gelijk pauwen.39Het is ook merkwaardig, dat de vogels die zingen, zelden met schitterende kleuren of andere sieraden zijn versierd. Van onze Britsche vogels zijn, met uitzondering van den goudvink en den distelvink, de beste zangers effen gekleurd. De ijsvogel, bijenvreter(4), hop, spechten, enz., brengen krijschende geluiden voort; en de schitterende vogels der keerkringslanden zijn bijna nooit zangers.40Schitterende kleuren en vermogen om te zingen schijnen elkander dus te vervangen. Wij kunnen begrijpen, dat, als er bij het gevederte geen afwijkingen in levendigheid van kleur voorkwamen, of als levendige kleuren gevaarlijk waren voor de soort, andere middelen moesten worden gebruikt om de wijfjes te bekoren; en het welluidend worden van de stem zou een dergelijk middel aanbieden.Fig. 25.Fig. 25.Het Prairiehoen (Tetrao cupido), naar Brehm.Bij sommige vogels verschillen de stemorganen zeer bij de twee seksen. Bij het prairiehoen (Tetrao cupido, Fig.25) heeft het mannetje twee naakte, oranjekleurige zakken, aan elke zijde van den hals één; en deze worden sterk opgeblazen, als het mannetje gedurende den paartijd een vreemdsoortig hol geluid voortbrengt, dat op grooten afstand hoorbaar is. Audubon bewees, dat het geluid in nauw verband staat met dezen toestel die ons herinnert aan de luchtzakken aan beide zijden van den bek van de mannetjes van sommige kikvorschen; want hij bevond, dat het geluid veel verminderde, als men in een der zakken van een tammen vogel een prik gaf, en dat het bijna geheel ophield, als men in beide een prik gaf. Het wijfje heeft „een omtrent gelijksoortige, hoewel kleinere, met een naakte huid bedekte plek aan den hals, doch deze is niet voor opblazing vatbaar.”41Bij het mannetje van[54]een andere soort van Boschhoen (Tetrao urophasianus) is, als hij het wijfje het hof maakt, zijn naakte gele slokdarm (oesophagus) opgeblazen tot een verbazende grootte, daar hij ten volle half zoo groot is als het lichaam; en hij brengt dan onderscheidene knarsende, lage, holle tonen voort. Met recht opstaande nekvederen, de vleugels naar beneden houdende[55]en over den grond schurende, en zijn langen puntigen staart als een waaier uitspreidende, pronkt hij in alle potsierlijke houdingen.De slokdarm van het wijfje vertoont volstrekt niets opmerkelijks.42Fig. 26.Fig. 26.De Regenschermvogel (Cephalopterus ornatus), mannetje, naar Brehm.[56]Het schijnt thans met zekerheid te zijn uitgemaakt, dat de groote keelzak van het mannetje van de Europeesche groote trapgans (Otis tarda) en van ten minste vier andere soorten niet dient om water op te nemen, zooals men vroeger veronderstelde; maar dat hij in verband staat met een bijzonder geluid dat gedurende den paartijd wordt voortgebracht en op de lettergreep „ok” gelijkt. Als de vogel dit geluid voortbrengt, neemt hij de meest buitengewone houdingen aan. Het is een vreemd feit, dat bij de mannetjes van de zelfde soort de zak niet bij alle individu’s is ontwikkeld.43Een op een kraai gelijkende vogel die Zuid-Amerika bewoont (Cephalopterus ornatus, Fig.26), wordt de Regenschermvogel genoemd wegens zijn verbazend groote kuif, bestaande uit naakte witte schachten die van boven in donkerblauwe vederen eindigen, die hij overeind kan zetten tot een groot koepeldak van niet minder dan 12½ centimeter middellijn, dat den geheelen kop bedekt. Deze vogel heeft aan den hals een lang, dun, cylindervormig, vleeschachtig aanhangsel dat dicht met op schubben gelijkende, blauwe vederen is bedekt. Het dient waarschijnlijk gedeeltelijk tot versiering, maar gedeeltelijk ook tot een resoneerenden toestel; want de heer Bates bevond, dat het in verband staat „met een ongewone ontwikkeling van de luchtpijp (trachea) en de stemorganen.” Het zet zich uit, wanneer de vogel zijn verwonderlijk lagen, luiden en lang aanhoudenden fluitenden toon voortbrengt. De kuif en het halsaanhangsel zijn bij het wijfje rudimentair.44De stemorganen van onderscheidene Zwemvogels en Moerasvogels zijn buitengewoon samengesteld en verschillen tot op zekere hoogte bij beide seksen. In sommige gevallen is de luchtpijp (trachea) gewonden als een jachthoren en diep in het borstbeen (sternum) ingesloten. Bij de wilde zwaan (Cygnus ferus) is zij bij het volwassen mannetje dieper ingesloten dan bij het wijfje of het jonge mannetje. Bij het mannetje van den grooten zaagbek (Merganser) is het verbreede gedeelte van de luchtpijp[57]van een bijkomend (additioneel) paar spieren voorzien.45De beteekenis van deze verschillen tusschen de seksen van vele Eendachtige Vogels (Anatidae) is echter geheel onbekend; want het mannetje bezit niet altijd de luidste stem; zoo sist het mannetje bij de gewone eend, terwijl het wijfje luide kwaakt.46Bij beide seksen van een van de Kraanvogels (Grus virgo) dringt de luchtpijp in het borstbeen door, maar vertoont „zekere seksueele wijzigingen.” Bij het mannetje van den zwarten ooievaar bestaat er ook een goed uitgedrukt seksueel verschil in de lengte en buiging van de longpijpen (bronchi).47Zoodat in deze gevallen hoogst belangrijke organen volgens de sekse zijn gewijzigd.Het is dikwijls moeilijk te gissen, of de vele vreemde geluiden en tonen, door de mannelijke vogels gedurende den paartijd voortgebracht, dienen om de wijfjes te bekoren of alleen om haar te roepen. Het zacht gekir van de tortelduif en van vele duiven mag men vermoeden, dat aan de wijfjes behaagt. Als het wijfje van den wilden kalkoen in den morgen haar roepstem doet hooren, antwoordt het mannetje met een geluid dat verschilt van dat hetwelk hij maakt, wanneer hij met opgezette vederen, ruischende vleugels en opgezwollen vleeschlappen voor haar blaast en pronkt.48Het„spel”van den korhaan dient ontwijfelbaar om het wijfje te roepen; want het is bekend, dat daardoor vier of vijf hennen van een afstand zijn gelokt naar een gevangen haan; maar daar de korhaan zijn„spel”uren lang gedurende een reeks van dagen voortzet, en in het geval van den grooten auerhaan „met een uitersten hartstocht” („with an agony of despair”), worden wij er toe gebracht om te veronderstellen, dat de hennen die reeds tegenwoordig zijn, daardoor worden bekoord.49Het is bekend, dat de stem van den gewonen roek gedurende den paartijd verandert en daarom op de eene of andere wijze met de sekse samenhangt.50Wat[58]zullen wij echter zeggen van het krijschende geschreeuw van, bij voorbeeld, sommige soorten van papegaaien; hebben deze vogels een even slechten smaak voor muzikale tonen, als zij blijkbaar voor kleuren hebben, te oordeelen naar het onharmonische contrast van hun geel en blauw gevederte? Het is inderdaad mogelijk, dat de luide stemmen van vele mannelijke vogels het gevolg zijn, zonder dat daardoor eenig voordeel werd verkregen, van de overgeërfde gevolgen van het voortdurend gebruik van hun stemorganen, als zij worden opgewekt door de sterke hartstochten van liefde, ijverzucht en toorn; op dit punt zullen wij echter moeten terugkomen, als wij de viervoetige dieren behandelen.Wij hebben tot dusverre slechts van de stem gesproken, maar de mannetjes van onderscheidene vogels voeren gedurende hun vrijage iets uit, dat instrumentale muziek kan worden genoemd. Pauwen en Paradijsvogels rammelen met de schachten der vederen tegen elkander en de trillende beweging dient blijkbaar slechts om geluid voort te brengen; want zij kanmoeilijkde schoonheid van hun gevederte verhoogen. Kalkoensche hanen schuren hun vleugels tegen den grond, en sommige soorten van Boschhoenders brengen op die wijze een gonzend geluid voort. Een ander Noord-Amerikaansch Boschhoen, deTetrao umbellus, klopt, wanneer hij, met opgezetten staart en met zijn halskraag pronkende, „zijn opschik laat bewonderen door de wijfjes die in de nabuurschap verborgen liggen”, snel met zijn „naar beneden gehouden vleugels tegen den stam van een omgevallen boom”, of volgens Audubon, tegen zijn eigen lichaam; het aldus voortgebrachte geluid wordt door sommigen met een verwijderden donder en door anderen met een snellen roffel op een trommel vergeleken. Het wijfje trommelt nooit, „maar vliegt dadelijk naar de plaats, waar het mannetje daarmede bezig is.” In het Himalaya-gebergte „maakt” het mannetje van de Kalij-fazant „dikwijls met zijn vleugels een eigenaardig trommelend geluid, niet ongelijk aan dat hetwelk wordt voortgebracht door een stijf stuk doek heên en weder te schudden.” Op de westkust van Afrika verzamelen zich de kleine wevervogels (Ploceus?) in een klein troepje in het kreupelhout rondom een kleine open plaats, en zingen en glijden door de lucht met trillende vleugels „die een snel ratelend geluid maken, gelijk een kindertafel.” De eene vogel voor, de andere na, gaan hiermede gezamenlijk uren lang door, maar alleen gedurende den paartijd. In dat zelfde jaargetijde maken de mannetjes van sommige[59]Nachtzwaluwen (Caprimulgus) een zeer vreemd geluid met hun vleugels. De onderscheidene soorten van Spechten pikken met hun snavels tegen een schelklinkenden tak, en maken daarbij een zoo snelle trillende beweging, „dat de kop op twee plaatsen tegelijk schijnt te zijn.” Het aldus voortgebrachte geluid is op aanmerkelijken afstand hoorbaar, maar kan niet worden beschreven; en ik houd mij overtuigd, dat de oorzaak daarvan nooit zou worden vermoed door iemand die het voor de eerste maal hoorde. Daar dit trillende geluid voornamelijk gedurende den paartijd wordt gemaakt, heeft men het voor een liefde-zang gehouden; maar het is wellicht eigenlijk meer een liefde-roepstem. Men heeft waargenomen, dat het wijfje, als zij uit haar nest werd gejaagd, op die wijze haar mannetje riep, die op de zelfde wijze antwoordde en weldra voor den dag kwam. De hop (Upupa epops) eindelijk vereenigt vocale en instrumentale muziek; want gedurende den paartijd ademt deze vogel, gelijk de heer Swinhoe zag, eerst lucht in, klopt daarna met den bek loodrecht omlaag tegen een steen of boomstam, „en dan brengt de uitgeademde, door den kogelvormigen snavel geperste lucht den juisten toon voort.” Als het mannetje geluid maakt zonder met zijn bek te kloppen, is de toon geheel verschillend.51In de voorgaande gevallen worden geluiden voortgebracht met behulp van deelen die toch bestaan en voor andere doeleinden noodzakelijk zijn; maar in de volgende gevallen zijn zekere vederen bijzonder gewijzigd met het uitdrukkelijke doel om de geluiden voort te brengen. Het trommelende, of blatende, ofhinnikende, of donderende geluid, zooals het door verschillende waarnemers wordt uitgedrukt, dat door de gewone watersnip (Scolopax gallinago) wordt gemaakt, moet iedereen hebben verwonderd, die het ooit heeft gehoord. De vogel vliegt, gedurende den paartijd, tot „een hoogte van wellicht duizend voet”, en na een tijd lang in zigzag heên en weder te hebben gevlogen, daalt hij[60]volgens een gebogen lijn, met uitgespreiden staart en trillende vleugels, met verwonderlijke snelheid naar de aarde neder. Het geluid wordt alleen gedurende deze snelle nederdaling voortgebracht. Niemand was in staat de oorzaak te verklaren, totdat de heer Meves opmerkte, dat de buitenste vederen aan elke zijde van den staart een bijzonderen vorm hebben (Fig.27), daar zij een stijve sabelvormige schachtbezitten, met schuinsche baarden van ongewone lengte, terwijl de vlaggen sterk met elkander zijn verbonden. Hij bevond, dat hij door op deze vederen te blazen of door ze aan een langen dunnen stok vast te maken en ze snel door de lucht te zwaaien, het trommelend geluid, door den levenden vogel gemaakt, volkomen kon nabootsen. Beide seksen zijn van deze vederen voorzien; maar zij zijn over het algemeen grooter bij het mannetje dan bij het wijfje, en geven bij het eerste een lager toon. Bij sommige soorten, zooals bijS. frenata(Fig.28), zijn vier vederen, en bijS. javensis(Fig.29) niet minder dan acht vederen aan elken kant van den staart sterk gewijzigd. De vederen van verschillende soorten geven, als zij door de lucht worden gezwaaid, verschillende tonen; deScolopax Wilsoniivan de Vereenigde Staten maakt een zwiepend geluid, als hij met snelheid naar de aarde nederdaalt.52
Bij de vogels zijn de secundaire seksueele kenmerken meer verschillend en vallen meer in het oog, hoewel zij wellicht geen belangrijker veranderingen van maaksel veroorzaken, dan bij eenige andere Klasse van dieren. Ik zal daarom dit onderwerp zeer uitgebreid behandelen. Mannelijke vogels bezitten soms, hoewel niet dikwijls, bijzondere wapens om met elkander te vechten. Zij bekoren de wijfjes door vocale en instrumentale muziek van de meest verschillende soort. Zij zijn versierd met allerlei soort van kammen, vleeschlappen, uitwassen, horens, door lucht uitgezette zakken, kuiven, naakte schachten, pluimen en verlengde vederen die op bevallige wijze op allerlei plaatsen van het lichaam ontspringen. De snavel en het naakte vel aan den kop, en de vederen zijn dikwijls prachtig gekleurd. De mannetjes maken somtijds aan de wijfjes het hof door te dansen, of door fantastische vertooningen op den grond of in de lucht uit te voeren. Er bestaat op zijn minst één voorbeeld, dat het mannetje een muskusachtigen geur verspreidt, die, gelijk wij mogen veronderstellen, dient om het wijfje te bekoren of op te wekken; want de heer Ramsay1, die uitmuntende waarnemer, zegt van de Australische muskuseend (Biziura lobata), dat „de geur dien het mannetje gedurende den zomer verspreidt, tot die sekse is beperkt, en bij sommige individu’s het geheele jaar voortduurt; ik heb nooit, zelfs niet in den paartijd, een wijfje geschoten, dat eenigszins naar muskus rook.” Zoo sterk is die geur gedurende den paartijd[38]dat men hem kan ruiken, lang voor men den vogel kan zien.2Over het geheel schijnen de vogels de meest aesthetische van alle dieren te zijn, met uitzondering natuurlijk van den mensch, en zij hebben bijna den zelfden smaak voor het schoone als wij. Dit blijkt uit het behagen dat wij in het gezang der vogels scheppen, en doordat onze vrouwen, zoowel beschaafde als wilde, haar hoofden met geleende vederen bedekken en edelgesteenten gebruiken, die nauwelijks schitterender zijn gekleurd, dan de naakte huid en de vleeschlappen van zekere vogels.Voor ik de kenmerken behandel, waarmede wij hier meer in het bijzonder hebben te maken, wil ik eerst wijzen op zekere verschillen tusschen de seksen, die blijkbaar afhangen van verschillen in haar levenswijze; want dergelijke gevallen, hoewel in de lagere klassen algemeen, zijn in de hoogere zeldzaam. Twee kolibri’s, tot het geslachtEustephanusbehoorende, die het eiland Juan Fernandez bewonen, werden lang voor verschillende soorten gehouden, doch men weet nu, gelijk de heer Gould mij meldt, dat het de seksen van de zelfde soort zijn, en zij verschillen eenigszins in den vorm van den snavel. In een ander geslacht van kolibri’s (Grypus) is de snavel van het mannetje langs den rand gezaagd en aan het uiteinde gebogen, en verschilt dus veel van dien van het wijfje. Bij de merkwaardigeNeomorphavan Nieuw-Zeeland is er een nog grooter verschil in den vorm van den snavel; en men heeft den heer Gould medegedeeld, dat het mannetje met zijn „rechten en sterken snavel” den bast van de boomen afscheurt, opdat het wijfje zich met haar zwakkeren en meer gekromden snavel zou kunnen voeden met de blootkomende larven. Iets van den zelfden aard zou men wellicht kunnen waarnemen bij den distelvink (Carduelis elegans), want de heer Jenner Weir heeft mij verzekerd, dat de vogelvangers de mannetjes aan hun een weinig langere snavels kunnen onderscheiden. Men vindt de mannetjes gewoonlijk, volgens de getuigenissen van een ouden en geloofwaardigen vogelvanger, zich met zaden van den kaardebol (Dipsacus) voedende, die zij met hun verlengden snavel kunnen bereiken, terwijl de wijfjes zich meer algemeen voeden met de zaden van het helmkruid (Scrophularia). Met een gering verschil van dezen aard tot grondslag, kunnen wij begrijpen, hoe de snavels der beide seksen er door de natuurlijke teeltkeus toe kunnen zijn gekomen om zeer van elkander te verschillen. In al deze gevallen echter, vooral in dat van de twistzieke[39]kolibri’s, is het mogelijk, dat de verschillen in snavels oorspronkelijk door de mannetjes zijn verkregen, in verband met hun gevechten, en later aanleiding gaven tot een eenigszins veranderde levenswijze.Gevechten.—Bijna alle mannelijke vogels zijn uiterst strijdlustig en gebruiken hun snavels en pooten om met elkander te vechten. Wij zien dit elken zomer bij onze roodborstjes en huismusschen. De kleinste van alle vogels, namelijk de kolibri, is ook de meest twistzieke. De heer Gosse3beschrijft een gevecht waarbij een paar kolibri’s elkander met den snavel vastgrepen en in het rond draaiden tot zij bijna op den grond vielen, en de heer Montes de Oca zegt, van een ander geslacht sprekende, dat twee mannetjes elkander zelden ontmoeten, zonder dat er een woedend gevecht in de lucht plaats grijpt, en als men ze in kooien houdt, „eindigt hun gevecht meestal daarmede, dat de tong van een van beide wordt gespleten, die dan met zekerheid moet sterven, daar hij zich niet meer kan voeden.”4Onder de Moerasvogels „vechten de mannetjes van het waterhoentje (Gallinula chloropus) in den paartijd hevig om de wijfjes; zij staan bijna rechtop in het water en trappen met hun pooten.” Men heeft er twee op die wijze een half uur lang zien vechten, totdat de een den kop van den ander beet kreeg, die zou zijn gedood als de waarnemer niet tusschenbeide was gekomen; het wijfje stond er al dien tijd als een rustige toeschouwster naar te kijken.5De mannetjes van een verwanten vogel (Gallicrex cristatus) zijn, gelijk de heer Blyth mij meldt, een derde grooter dan de wijfjes, en zijn gedurende den paartijd zoo strijdlustig, dat de inboorlingen van oostelijk Bengalen hen houden om ze met elkander te laten vechten. Men houdt in Indië onderscheidene andere vogels met het zelfde doel, bij voorbeeld de Bulbuls (Pycnonotush aemorrhous), „die met grooten moed vechten.”6Fig. 22.Fig. 22.De Kemphaan (Machetes pugnax); naar Brehm’s „Thierleben”.De in veelwijverij levende kemphaan (Machetes Pugnax, Fig.22) is bekend wegens zijn buitengewone strijdlustigheid; en in de lente komen de mannetjes die veel grooter zijn dan de wijfjes, alle dagen te zamen op een bijzondere plaats waar de wijfjes van plan zijn haar eieren te leggen. De vogelaars ontdekken die plaatsen, doordat het gras er een weinig kaal is getrapt. Hier vechten zij zeer hevig gelijk strijdhanen,[40]en grijpen elkander met hun snavel en slaan elkander met hun vleugels. De groote halskraag van vederen staat dan recht overeind en „sleept”, volgensKolonelMontagu, „over den grond als een schild om de meer teedere deelen te beschermen”, en dit is het eenige mij bekende voorbeeld bij vogels van het eene of andere deel dat als een[41]schild dient. De halskraag van vederen dient echter wegens zijn menigvuldige en rijke kleuren waarschijnlijk voornamelijk tot versiering. Gelijk de meeste strijdlustige vogels schijnen zij bijna altijd bereid te zijn om te vechten; en als zij in enge gevangenschap met elkander leven, dooden zij elkander veelvuldig; maar Montagu nam waar, dat hun strijdlustigheid gedurende de lente, wanneer de lange vederen op den hals volkomen zijn ontwikkeld, grooter wordt; en in dien tijd doet de minste beweging van dezen of genen afzonderlijken vogel een algemeen gevecht ontstaan.7Van de strijdlustigheid van de zwemvogels zullen twee voorbeelden voldoende zijn: in Guiana „hebben gedurende den paartijd bloedige gevechten plaats tusschen de mannetjes van de wilde muskuseend (Cairina moschata)(1); en waar deze gevechten hebben plaats gehad, is de rivier over eenigen afstand met vederen bedekt.”8Vogels die slecht geschikt schijnen te zijn om te vechten, leveren elkander woedende gevechten; zoo jagen bij den pelikaan de sterkere mannetjes de zwakkere weg, met hun monsterachtige snavels bijtende en krachtige slagen met hun vleugels uitdeelende. De mannelijke snippen vechten te zamen „elkander met hun snavels plukkende en stootende op de vreemdsoortigste wijze die men zich kan voorstellen.” Van eenige weinige soorten gelooft men, dat zij nooit vechten; dit is, volgens Audubon, het geval met een van de spechten van de Vereenigde Staten (Picus auratus), hoewel „de wijfjes door zelfs een half dozijn van haar vroolijke minnaars worden gevolgd.”9De mannetjes van vele vogels zijn grooter dan de wijfjes, en dit is ongetwijfeld een voordeel voor hen in hun gevechten met hun medeminnaars en is door seksueele teeltkeus verkregen. Het verschil in grootte tusschen de seksen is bij verscheidene Australische soorten tot een uiterste gedreven: zoo zijn toch volgens metingen de mannelijke muskuseend (Biziura) en de mannelijkeCincloramphus cruralis(met onze Piepers verwant) tweemaal zoo groot als hun respectieve wijfjes.10Bij vele andere vogels zijn de wijfjes grooter dan de mannetjes; en, zooals vroeger is opgemerkt, is de verklaring die men daarvan[42]dikwijls geeft, namelijk, dat de wijfjes het meeste werk hebben met het voeden harer jongen, niet voldoende. In eenige weinige gevallen hebben de wijfjes, zooals wij later zullen zien, haar grootere gestalte en meerdere kracht blijkbaar verkregen met het doel om andere wijfjes te overwinnen en het bezit van de mannetjes te verkrijgen.De mannetjes van vele Hoenderachtige Vogels, vooral van de in veelwijverij levende soorten, zijn voorzien van bijzondere wapenen om met hun medeminnaars te vechten, namelijk van sporen die met vreeselijk gevolg kunnen worden gebruikt. Een geloofwaardig schrijver11heeft opgeteekend, dat in Derbyshire een wouw neêrschoot op een strijdhen die van haar kuikens vergezeld was, waarop de haan haar te hulp snelde, en zijn spoor recht door het oog en den schedel van den aanvaller heêndreef.De spoor werd met moeite uit den schedel getrokken en daar de wouw, ofschoon dood, zijn tegenstander nog omkneld hield, waren de beide vogels stevig aaneengesloten; maar de haan bleek, nadat men hem had losgemaakt, slechts zeer weinig letsel te hebben bekomen. De onoverwinnelijke moed van den strijdhaan is bekend: een heer die langen tijd geleden ooggetuige was geweest van het volgende wreede tooneel, verhaalde mij, dat de beide pooten van zulk een haan door een of ander toeval gedurende het hanengevecht waren gebroken, en de eigenaar een weddenschap aanging, dat, indien de pooten zoo konden worden gespalkt, dat de vogel weder overeind kon staan, hij voort zou gaan met vechten. Dit werd dadelijk gedaan en de vogel vocht met onbezweken moed, totdat hij doodelijk werd getroffen. In Ceylon is een nauwverwante en wilde soort, deGallus Stanleyi, bekend als een wanhopig vechter, „zoodat één der strijders dikwijls dood wordt gevonden.”12Een Indische patrijssoort (Ortygornis gularis), waarvan het mannetje van sterke en scherpe sporen is voorzien, is zoo twistziek, „dat de litteekens van vroegere gevechten de borst misvormen van bijna elken vogel dien men doodt.”13De mannetjes van bijna alle Hoenderachtige Vogels, zelfs die welke niet van sporen zijn voorzien, leveren elkander gedurende den paartijd woedende gevechten. De groote auerhaan en korhaan (Tetrao urogallusenT. tetrix) die beide in veelwijverij leven, hebben geregeld vaste plaatsen waar zij gedurende vele weken in grooten getale samenkomen[43]om met elkander te vechten en hun bekoorlijkheden voor de wijfjes ten toon te spreiden. De heer W. Kowalevsky meldt mij, dat hij in Rusland de sneeuw overal met bloed doortrokken heeft gezien op de plaatsen waar de auerhanen hadden gevochten; en de korhanen „doen de vederen in alle richtingen wegstuiven”, als verscheidene „elkander een koninklijk gevecht leveren.” De oudere Brehm geeft een merkwaardig verhaal van het „Balzen”, zooals de liefde-dans of liefde-zang van den korhaan in Duitschland wordt genoemd.De vogel maakt bijna zonder ophouden de vreemdsoortigste geluiden: hij houdt zijn staart in de hoogte en spreidt dien uit gelijk een waaier, hij licht zijn kop en hals op, waarvan al de vederen overeind staan, en steekt zijn vleugels van het lichaam af. Daarop maakt hij eenige weinige sprongen in verschillende richtingen, somtijds in een cirkel, en drukt het onderste gedeelte van zijn snavel zoo hard tegen den grond, dat de kinvederen worden afgeschaafd. Gedurende deze bewegingen slaat hij met zijn vleugels en draait voortdurend in de rondte. Hoe vuriger hij wordt, des te levendiger wordt hij, totdat ten laatste de vogel als razend schijnt te zijn. Op dergelijke tijden zijn de korhanen zoo in hun dans verdiept, dat zij bijna blind en doof worden, hoewel minder dan de auerhaan, zoodat de eene vogel voor en de andere na op de zelfde plaats kan worden doodgeschoten, of zelfs met de hand gevangen. Na deze vertooning te hebben volbracht, beginnen de mannetjes te vechten; en de zelfde korhaan zal, om zijn kracht tegen verscheidene tegenstanders te beproeven, in den loop van éénen morgen verscheiden Balz-plaatsen bezoeken, die gedurende alle jaren de zelfde blijven.14De pauw met zijn langen staart schijnt meer een fat („dandy”) dan een krijgsman te zijn, maar somtijds levert hij woedende gevechten: de weleerw. heer W. Darwin Fox deelt mij mede, dat twee pauwen op een kleinen afstand van Chester zoo werden opgewekt door den strijd, dat zij steeds vechtende over de geheele stad vlogen, totdat zij zich op de spits van den St. Janstoren nederlieten.Fig. 23.Fig. 23.Polyplectron chinquis, mannetje (naar Brehm) om de dubbele sporen aan te toonen.De Hoenderachtige Vogels die daarvan zijn voorzien, hebben over het algemeen slechts één spoor, maarPolyplectron(Fig.23) heeft er twee of meer aan elken poot; en bij een der Bloedfazanten (Ithaginis cruentus) heeft men vijf sporen opgemerkt. De sporen zijn meestal tot[44]het mannetje beperkt, en worden bij het wijfje door eenvoudige knobbels of rudimenten vertegenwoordigd; maar de wijfjes van den Javaanschen pauw (Pavo muticus) en, naar de heer Blyth mij heeft medegedeeld, van den kleinen vuurruggigen fazant (Euplocamus erythrophthalmus)[45]bezitten sporen. BijGalloperdixhebben de mannetjes gewoonlijk twee sporen en de wijfjes slechts ééne spoor aan elken poot.15Men mag daarom de sporen gerust beschouwen als een mannelijk kenmerk, hoewel zij nu en dan in meerdere of mindere mate op de wijfjes worden overgeplant. Gelijk de meeste andere secundaire seksueele kenmerken vertoonen de sporen vele afwijkingen in aantal en ontwikkeling bij ééne en de zelfde soort.Onderscheidene vogels hebben sporen aan de vleugels. De Egyptische gans (Chenalopex aegyptiacus) heeft echter slechts „naakte stompe knobbels”, en deze vertoonen ons waarschijnlijk de eerste stappen door welke zich bij andere verwante vogels ware sporen hebben ontwikkeld. Bij de spoorvleugelige gans,Plectropterus gambensis, hebben de mannetjes veel grooter sporen dan de wijfjes; en zij gebruiken ze, naar mij de heer Bartlett heeft medegedeeld, om met elkander te vechten, zoodat in dit geval de vleugelsporen tot seksueele wapens dienen; volgens Livingstone echter, worden zij voornamelijk tot verdediging der jongen gebruikt. De kamichi (Palamedea, Fig.24) is aan elken vleugel met een paar sporen gewapend, en deze zijn zulke geduchte wapenen, dat een enkele steek daarmede een hond huilende op de vlucht heeft gejaagd. Het blijkt echter niet, dat de sporen in dit geval of in dat van sommige met vleugelsporen gewapende Ralachtige Vogels bij het mannetje grooter zijn dan bij het wijfje.16Bij sommige Plevierachtige Vogels moeten echter de vleugelsporen als een seksueel kenmerk worden beschouwd. Zoo wordt bij onzen gewonen kievit (Vanellus cristatus) de knobbel op den vleugelschouder gedurende den paartijd meer vooruitstekend, en het is bekend, dat de mannetjes met elkander vechten. Bij sommige soorten vanLobivanellusontwikkelt zich een soortgelijke knobbel gedurende den paartijd „tot een korte horenachtige spoor.” Bij den AustralischenL. lobatushebben beide seksen sporen, maar deze zijn veel grooter bij de mannetjes dan bij de wijfjes. Bij een verwanten vogel, denHoplopterus armatus, nemen de sporen gedurende den paartijd niet in grootte toe; maar men heeft die vogels in Egypte zien vechten, op de zelfde wijze als onzekieviten, door zich in de lucht plotseling om[46]te draaien en zijdelings op elkander neêr te schieten, somtijds met noodlottig gevolg. Op de zelfde wijze jagen zij ook andere vijanden weg.17Fig. 24.Fig. 24.De Kamichi (Palamedea Cornuta) om de dubbele vleugelsporen en den horen op den kop aan te toonen (naar Brehm).[47]Het jaargetijde der liefde is dat van den strijd; maar de mannetjes van sommige vogels, zooals de strijdhaan en de kemphaan, en zelfs de jonge mannetjes van den wilden kalkoen en de Boschhoenders18zijn, wanneer zij elkander ontmoeten, steeds bereid om te vechten. De tegenwoordigheid van het wijfje is deteterrima bellicausa. De Bengaleesche knapen doen de aardige kleine mannetjes van den amadavat (Estrelda amandava) met elkander vechten door drie kleine kooien op een rij te zetten, met een wijfje in het midden; na korten tijd worden de mannetjes in vrijheid gelaten, waarvan onmiddellijk een wanhopend gevecht het gevolg is.19Wanneer vele mannetjes op de zelfde vaste plaats samenkomen en met elkander vechten, zooals in het geval van de Boschhoenders en onderscheidene andere vogels, worden zij gewoonlijk vergezeld van de wijfjes20die later met de overwinnaars paren. In sommige gevallen gaat de paring aan het gevecht vooraf, in plaats van er op te volgen; zoo „maken”, volgens Audubon21, „verscheidene mannetjes van de Virginische nachtzwaluw (Caprimulgus Virginianus), op een in hooge mate onderhoudende wijze het wijfje het hof, en zoodra zij haar keus heeft gedaan, vervolgt haar beminde alle ongenoodigde gasten en jaagt ze uit zijn gebied weg.” Over het algemeen beproeven de mannetjes met alle macht hun medeminnaars weg te jagen of te dooden, voordat zij paren. Het schijnt echter, dat de wijfjes niet zonder uitzondering aan den overwinnaar de voorkeur geven. De heer W. Kowalevsky heeft mij ten minste verzekerd, dat de groote auerhen soms wegsluipt met een jong haantje dat niet met de oude hanen in het strijdperk durfde treden; op de zelfde wijze als nu en dan ook plaats vindt met de hinden van het edelhert in Schotland. Als twee mannetjes in tegenwoordigheid[48]van een wijfje vechten, verkrijgt de overwinnaar ongetwijfeld gewoonlijk het voorwerp zijner begeerlijkheid; doch sommige van deze gevechten worden veroorzaakt door rondzwervende mannetjes die beproeven den vrede van een reeds vereenigd paar te verstoren.22Zelfs bij de meest strijdlustige soorten is het waarschijnlijk, dat de paring niet uitsluitend van de enkele kracht en moed van het mannetje afhangt; want dergelijke mannetjes prijken gewoonlijk met verschillende versierselen die dikwijls gedurende den paartijd schitterender worden en met veel ijver voor de wijfjes worden tentoongespreid. De mannetjes trachten hun gezellinnen ook te bekoren door liefdetonen, zang en vertooningen; en de vrijage is in vele gevallen een langdurige zaak. Het is daarom niet waarschijnlijk, dat de wijfjes onverschillig zijn voor de bekoorlijkheden van de andere sekse, of dat zij altijd genoodzaakt zijn zich aan de overwinnende mannetjes te onderwerpen. Het is waarschijnlijker, dat de wijfjes door sommige mannetjes worden bekoord, hetzij voor of na het gevecht, en zoo onbewust aan hen de voorkeur geven. In het geval vanTetrao umbellusgaat een goed waarnemer23zoo ver van aan te nemen, dat de gevechten van de mannetjes „allen slechts schijnvertooningen zijn, die zij verrichten om zich op de voordeeligst mogelijke wijze te vertoonen aan de bewonderende wijfjes die zich daaromheên verzamelen; want het is mij nooit gelukt een verminkten held, en zelden om meer dan een gebroken veder te vinden.” Ik zal op dit onderwerp moeten terugkomen, maar kan er hier bijvoegen, dat bij het Prairiehoen (Tetrao cupido) van de Vereenigde Staten, omtrent een twintigtal mannetjes zich op een bijzondere plaats verzamelen, en rondstappende de geheele lucht doen weergalmen van hun vreemdsoortige geluiden. Op het eerste antwoord van een wijfje beginnen de mannetjes woedend te vechten en de zwakkere wijken; maar daarna zoeken, volgens Audubon, zoowel de overwonnenen als de overwinnaars naar een wijfje, zoodat òf de wijfjes een keus moeten doen, òf de strijd moet worden hernieuwd. Evenzoo leveren de mannetjes van een der Veldspreeuwen der Vereenigde Staten (Sturnella ludoviciana) elkander woedende gevechten; maar op het gezicht van een wijfje vliegen zij haar allen achterna, alsof zij dol waren.24[49]Vocale en instrumentale muziek.—Bij de vogels dient de stem om verschillende gemoedsaandoeningen uit te drukken, zooals smart, vrees, angst, zegepraal, of alleen geluk. Zij wordt blijkbaar somtijds gebruikt om schrik te verwekken, zooals bij het sissend geluid dat sommige nestvogeltjes maken. Audubon25verhaalt, dat hij een tammen nachtreiger (Ardea nycticorax) heeft bezeten, die gewoon was zich te verbergen als er een kat aankwam, en dan „plotseling opsprong en een der vreeselijkste geluiden maakte, blijkbaar behagen scheppende in den angst en de vlucht van de kat.” De gewone huishaan klokt tegen de hen, en de hen tegen haar kuikens, als zij een lekker hapje hebben gevonden. Als de hen een ei heeft gelegd, „herhaalt zij den zelfden toon zeer dikwijls, en besluit met den zesden hoogeren dien zij gedurende langeren tijd aanhoudt”26; en geeft op die wijze haar vreugde te kennen. Sommige sociale vogels roepen elkander blijkbaar te hulp, en daar zij van den eenen boom op den anderen vliegen, wordt de vlucht bij elkander gehouden, doordat het eene getjilp op het andere antwoordt. Gedurende de nachtelijke verhuizingen van ganzen en andere watervogels, kan men soms in de duisternis boven zijn hoofd schelklinkende geluiden van de voorhoede hooren, waarop geluiden van de achterhoede antwoorden. Sommige geluiden dienen tot waarschuwing voor gevaar, en worden, zooals de jager te zijnen koste gewaar wordt, door de zelfde soort en door andere verstaan. De huishaan kraait en de kolibri tjilpt om zijn zegepraal over een overwonnen mededinger te verkondigen. De ware zang echter van de meeste vogels en onderscheidene vreemde geluiden worden voornamelijk voortgebracht gedurende den paartijd, en dienen tot bekoring of eenvoudig als een loktoon voor de andere sekse.Er heerscht bij de natuuronderzoekers veel verschil van gevoelen omtrent het doel van den zang der vogels. Slechts weinige waarnemers hebben er ooit geleefd, die zorgvuldiger waren dan Montagu, en deze hield vol, dat „de mannetjes der zangvogels en van vele andere over het algemeen niet naar het wijfje zoeken, maar daarentegen hun bezigheid in de lente is, om op de eene of andere in het oog vallende plaats te gaan zitten en daar hun volle en verliefde klanken te doen weêrklinken, welke het wijfje instinktmatig kent, en die haar zich naar die plaats doen begeven om haar gezel uit te kiezen.”27De heer[50]Jenner Weir deelt mij mede, dat zulks bij den nachtegaal ongetwijfeld het geval is. Bechstein die gedurende zijn geheele leven vogels hield, verzekert, „dat de vrouwelijke kanarievogel altijd den besten zanger uitkiest, en dat in den natuurstaat de vrouwelijke vink uit een honderdtal mannetjes altijd dat uitzoekt, wiens tonen haar het meest behagen.”28Er kan geen twijfel bestaan, dat vogels nauwkeurig acht geven op elkanders zang. De heer Weir heeft mij een geval verhaald van een goudvink waaraan men een Duitsche wals had leeren fluiten en die zulk een goed zanger was, dat hij tien guinjes (ƒ124,40) kostte; toen deze vogel voor het eerst werd gebracht in een kamer waarin andere vogels werden gehouden, en begon te zingen, plaatsten zich al de andere, bestaande uit ongeveer twintig kneutjes en kanarievogels, aan den kant hunner kooien, welke het dichtst bij hem was, en luisterden met de grootste belangstelling naar den nieuwen zanger. Vele natuuronderzoekers gelooven, dat de zang der vogels bijna geheel „het gevolg van ijverzucht en naijver” is en niet dient om hun gezellinnen te bekoren. Dit was de meening van Daines Barrington en White van Selborne, die beiden hun opmerkzaamheid bijzonder op dit punt vestigden.29Barrington neemt echter aan, dat een „uitstekende zang van de vogels een verbazend overwicht over andere geeft”, zooals de vogelvangers wel weten.Het is zeker, dat er tusschen de mannetjes ten opzichte van het zingen eene hooge mate van naijver bestaat. Liefhebbers van vogels gaan weddenschappen aan, wiens vogel het langst zal zingen, en de heer Yarrell deelde mij mede, dat een zangvogel van den eersten rang somtijds zal zingen, tot hij nagenoeg dood of, volgens Bechstein30, geheel en al dood nedervalt, wegens het breken van een vat in de longen. Wat er ook de oorzaak van moge zijn, mannelijke vogels sterven, gelijk ik van den heer Weir hoor, dikwijls plotseling gedurende het jaargetijde van den zang. Dat de gewoonte van te zingen somtijds geheel onafhankelijk van de liefde is, is duidelijk; want men heeftopgeteekend31, dat een onvruchtbare bastaard (hybride) van een kanarievogel[51]zong, toen hij zich zelf in een spiegel zag, en daarop op zijn eigen beeld toeschoot; hij viel eveneens met woede aan op een vrouwelijke kanarie, toen deze in de zelfde kooi werd gezet. Van de ijverzucht, door het zingen opgewekt, maken de vogelvangers voortdurend gebruik; een mannetje dat goed zingt, wordt verborgen en beschermd, terwijl een opgezette vogel, omringd van met lijm besmeerde twijgen, aan het gezicht wordt blootgesteld. Op deze wijze heeft een man, gelijk de heer Weir mij mededeelt, in den loop van een enkelen dag vijftig, en eens zeventig mannelijke vinken gevangen. Het vermogen en de neiging om te zingen verschillen bij de vogels zoozeer, dat, hoewel de prijs van een gewonen mannelijken vink slechts zes stuivers is, de heer Weir éénen vogel zag, voor welken de vogelvanger zes-en-dertig gulden vroeg; terwijl de proef, of een vogel werkelijk een goed zanger is, daarin bestaat, dat hij moet doorgaan met zingen, wanneer de kooi rondom het hoofd van den eigenaar wordt gezwaaid.Dat vogels evengoed uit naijver zouden zingen als om het wijfje te bekoren, is niet geheel onvereenigbaar; en men kon inderdaad verwachten, dat dit te zamen zou gaan, evenals versiering en strijdlustigheid. Sommige schrijvers echter beweren, dat de zang van het mannetje niet kan dienen om het wijfje te bekoren, daar de wijfjes van eenige weinige soorten, zooals de kanarievogel, het roodborstje, de leeuwerik en de goudvink, vooral, gelijk Bechstein opmerkt, wanneer zij in den weduwenstaat verkeeren, zeer welluidende tonen voortbrengen. In sommige van deze gevallen kan de gewoonte om te zingen gedeeltelijk daaraan worden toegeschreven, dat de wijfjes sterk zijn gevoed en opgesloten32; want hierdoor komt er storing in al de gewone, met de voortplanting der soort in verband staande functies. Reeds vele voorbeelden zijn gegeven van de gedeeltelijke overbrenging van secundaire mannelijke kenmerken op het wijfje, zoodat het volstrekt niet is te verwonderen, als de wijfjes van sommige soorten het vermogen bezitten om te zingen. Men heeft ook beweerd, dat het gezang van het mannetje niet als een bekoring kan dienen, omdat de mannetjes van sommige soorten, van het roodborstje bij voorbeeld, gedurende den herfst zingen.33Niets is echter meer gewoon, dan dat dieren behagen scheppen om aan[52]het instinkt gehoor te geven, dat zij op een anderen tijd met eenig wezenlijk nuttig doel volgen. Hoe dikwijls zien wij vogels die gemakkelijk vliegen, klaarblijkelijk voor hun genoegen door de lucht glijden en zeilen. De kat speelt met de gevangen muis en de waterraaf (cormorant) met den gevangen visch. De wevervogel (Ploceus) vermaakt zich, als hij in een kooi is opgesloten, met netjes bladeren van gras tusschen de traliën van zijn kooi te weven. Vogels die gewoon zijn gedurende den paartijd te vechten, zijn over het algemeen op alle tijden bereid om te vechten; en de groote auerhanen houden soms hunbalzenofleksop de gewone vergaderplaats gedurende den herfst.34Het is dus volstrekt niet te verwonderen, als mannelijke vogels voortgaan met voor hun eigen genoegen te zingen, als het jaargetijde der liefde voorbij is.Zingen is tot op zekere hoogte, gelijk in een vorig hoofdstuk is aangetoond, een kunst, en wordt door oefening veel verbeterd. Men kan vogels onderscheidene deuntjes leeren en zelfs de onwelluidende huismusch heeft men geleerd om als een kneutje te zingen. Zij verkrijgen den zang van hun pleegvaders35en somtijds dien van hun naburen.36Alle gewone zangvogels behooren tot de Orde der Roestvogels (Insessores), en hun stemorganen zijn veel samengestelder dan die van de meeste andere vogels; toch is het een vreemd feit, dat sommige Roestvogels (Insessores), zooals raven, kraaien en eksters, de tot zingen dienende inrichting bezitten37, hoewel zij nimmer zingen, en in den natuurstaat hun stemmen niet in eenigszins groote mate wijzigen.(2)Hunter verzekert38, dat bij de ware zangvogels de spieren van het strottenhoofd (larynx)(3)bij de mannetjes sterker zijn dan bij de wijfjes; maar op deze geringe uitzondering na is er geen verschil tusschen de stemorganen der beide seksen, hoewel de mannetjes der meeste soorten zooveel beter en aanhoudender zingen dan de wijfjes.Het is opmerkelijk, dat alleen kleine vogels eigenlijk zingen. Het[53]Australische geslachtMenuramoet hiervan echter worden uitgezonderd; want deMenura Albertidie omtrent de grootte van een half volwassen kalkoen heeft, bootst niet slechts andere vogels na, maar zijn eigen gefluit is ook uiterst fraai en afwisselend. De mannetjes komen samen en vormen „verlustigingsplaatsen”, waar zij zingen, hun staarten omhoog stekende en uitspreidende gelijk pauwen.39Het is ook merkwaardig, dat de vogels die zingen, zelden met schitterende kleuren of andere sieraden zijn versierd. Van onze Britsche vogels zijn, met uitzondering van den goudvink en den distelvink, de beste zangers effen gekleurd. De ijsvogel, bijenvreter(4), hop, spechten, enz., brengen krijschende geluiden voort; en de schitterende vogels der keerkringslanden zijn bijna nooit zangers.40Schitterende kleuren en vermogen om te zingen schijnen elkander dus te vervangen. Wij kunnen begrijpen, dat, als er bij het gevederte geen afwijkingen in levendigheid van kleur voorkwamen, of als levendige kleuren gevaarlijk waren voor de soort, andere middelen moesten worden gebruikt om de wijfjes te bekoren; en het welluidend worden van de stem zou een dergelijk middel aanbieden.Fig. 25.Fig. 25.Het Prairiehoen (Tetrao cupido), naar Brehm.Bij sommige vogels verschillen de stemorganen zeer bij de twee seksen. Bij het prairiehoen (Tetrao cupido, Fig.25) heeft het mannetje twee naakte, oranjekleurige zakken, aan elke zijde van den hals één; en deze worden sterk opgeblazen, als het mannetje gedurende den paartijd een vreemdsoortig hol geluid voortbrengt, dat op grooten afstand hoorbaar is. Audubon bewees, dat het geluid in nauw verband staat met dezen toestel die ons herinnert aan de luchtzakken aan beide zijden van den bek van de mannetjes van sommige kikvorschen; want hij bevond, dat het geluid veel verminderde, als men in een der zakken van een tammen vogel een prik gaf, en dat het bijna geheel ophield, als men in beide een prik gaf. Het wijfje heeft „een omtrent gelijksoortige, hoewel kleinere, met een naakte huid bedekte plek aan den hals, doch deze is niet voor opblazing vatbaar.”41Bij het mannetje van[54]een andere soort van Boschhoen (Tetrao urophasianus) is, als hij het wijfje het hof maakt, zijn naakte gele slokdarm (oesophagus) opgeblazen tot een verbazende grootte, daar hij ten volle half zoo groot is als het lichaam; en hij brengt dan onderscheidene knarsende, lage, holle tonen voort. Met recht opstaande nekvederen, de vleugels naar beneden houdende[55]en over den grond schurende, en zijn langen puntigen staart als een waaier uitspreidende, pronkt hij in alle potsierlijke houdingen.De slokdarm van het wijfje vertoont volstrekt niets opmerkelijks.42Fig. 26.Fig. 26.De Regenschermvogel (Cephalopterus ornatus), mannetje, naar Brehm.[56]Het schijnt thans met zekerheid te zijn uitgemaakt, dat de groote keelzak van het mannetje van de Europeesche groote trapgans (Otis tarda) en van ten minste vier andere soorten niet dient om water op te nemen, zooals men vroeger veronderstelde; maar dat hij in verband staat met een bijzonder geluid dat gedurende den paartijd wordt voortgebracht en op de lettergreep „ok” gelijkt. Als de vogel dit geluid voortbrengt, neemt hij de meest buitengewone houdingen aan. Het is een vreemd feit, dat bij de mannetjes van de zelfde soort de zak niet bij alle individu’s is ontwikkeld.43Een op een kraai gelijkende vogel die Zuid-Amerika bewoont (Cephalopterus ornatus, Fig.26), wordt de Regenschermvogel genoemd wegens zijn verbazend groote kuif, bestaande uit naakte witte schachten die van boven in donkerblauwe vederen eindigen, die hij overeind kan zetten tot een groot koepeldak van niet minder dan 12½ centimeter middellijn, dat den geheelen kop bedekt. Deze vogel heeft aan den hals een lang, dun, cylindervormig, vleeschachtig aanhangsel dat dicht met op schubben gelijkende, blauwe vederen is bedekt. Het dient waarschijnlijk gedeeltelijk tot versiering, maar gedeeltelijk ook tot een resoneerenden toestel; want de heer Bates bevond, dat het in verband staat „met een ongewone ontwikkeling van de luchtpijp (trachea) en de stemorganen.” Het zet zich uit, wanneer de vogel zijn verwonderlijk lagen, luiden en lang aanhoudenden fluitenden toon voortbrengt. De kuif en het halsaanhangsel zijn bij het wijfje rudimentair.44De stemorganen van onderscheidene Zwemvogels en Moerasvogels zijn buitengewoon samengesteld en verschillen tot op zekere hoogte bij beide seksen. In sommige gevallen is de luchtpijp (trachea) gewonden als een jachthoren en diep in het borstbeen (sternum) ingesloten. Bij de wilde zwaan (Cygnus ferus) is zij bij het volwassen mannetje dieper ingesloten dan bij het wijfje of het jonge mannetje. Bij het mannetje van den grooten zaagbek (Merganser) is het verbreede gedeelte van de luchtpijp[57]van een bijkomend (additioneel) paar spieren voorzien.45De beteekenis van deze verschillen tusschen de seksen van vele Eendachtige Vogels (Anatidae) is echter geheel onbekend; want het mannetje bezit niet altijd de luidste stem; zoo sist het mannetje bij de gewone eend, terwijl het wijfje luide kwaakt.46Bij beide seksen van een van de Kraanvogels (Grus virgo) dringt de luchtpijp in het borstbeen door, maar vertoont „zekere seksueele wijzigingen.” Bij het mannetje van den zwarten ooievaar bestaat er ook een goed uitgedrukt seksueel verschil in de lengte en buiging van de longpijpen (bronchi).47Zoodat in deze gevallen hoogst belangrijke organen volgens de sekse zijn gewijzigd.Het is dikwijls moeilijk te gissen, of de vele vreemde geluiden en tonen, door de mannelijke vogels gedurende den paartijd voortgebracht, dienen om de wijfjes te bekoren of alleen om haar te roepen. Het zacht gekir van de tortelduif en van vele duiven mag men vermoeden, dat aan de wijfjes behaagt. Als het wijfje van den wilden kalkoen in den morgen haar roepstem doet hooren, antwoordt het mannetje met een geluid dat verschilt van dat hetwelk hij maakt, wanneer hij met opgezette vederen, ruischende vleugels en opgezwollen vleeschlappen voor haar blaast en pronkt.48Het„spel”van den korhaan dient ontwijfelbaar om het wijfje te roepen; want het is bekend, dat daardoor vier of vijf hennen van een afstand zijn gelokt naar een gevangen haan; maar daar de korhaan zijn„spel”uren lang gedurende een reeks van dagen voortzet, en in het geval van den grooten auerhaan „met een uitersten hartstocht” („with an agony of despair”), worden wij er toe gebracht om te veronderstellen, dat de hennen die reeds tegenwoordig zijn, daardoor worden bekoord.49Het is bekend, dat de stem van den gewonen roek gedurende den paartijd verandert en daarom op de eene of andere wijze met de sekse samenhangt.50Wat[58]zullen wij echter zeggen van het krijschende geschreeuw van, bij voorbeeld, sommige soorten van papegaaien; hebben deze vogels een even slechten smaak voor muzikale tonen, als zij blijkbaar voor kleuren hebben, te oordeelen naar het onharmonische contrast van hun geel en blauw gevederte? Het is inderdaad mogelijk, dat de luide stemmen van vele mannelijke vogels het gevolg zijn, zonder dat daardoor eenig voordeel werd verkregen, van de overgeërfde gevolgen van het voortdurend gebruik van hun stemorganen, als zij worden opgewekt door de sterke hartstochten van liefde, ijverzucht en toorn; op dit punt zullen wij echter moeten terugkomen, als wij de viervoetige dieren behandelen.Wij hebben tot dusverre slechts van de stem gesproken, maar de mannetjes van onderscheidene vogels voeren gedurende hun vrijage iets uit, dat instrumentale muziek kan worden genoemd. Pauwen en Paradijsvogels rammelen met de schachten der vederen tegen elkander en de trillende beweging dient blijkbaar slechts om geluid voort te brengen; want zij kanmoeilijkde schoonheid van hun gevederte verhoogen. Kalkoensche hanen schuren hun vleugels tegen den grond, en sommige soorten van Boschhoenders brengen op die wijze een gonzend geluid voort. Een ander Noord-Amerikaansch Boschhoen, deTetrao umbellus, klopt, wanneer hij, met opgezetten staart en met zijn halskraag pronkende, „zijn opschik laat bewonderen door de wijfjes die in de nabuurschap verborgen liggen”, snel met zijn „naar beneden gehouden vleugels tegen den stam van een omgevallen boom”, of volgens Audubon, tegen zijn eigen lichaam; het aldus voortgebrachte geluid wordt door sommigen met een verwijderden donder en door anderen met een snellen roffel op een trommel vergeleken. Het wijfje trommelt nooit, „maar vliegt dadelijk naar de plaats, waar het mannetje daarmede bezig is.” In het Himalaya-gebergte „maakt” het mannetje van de Kalij-fazant „dikwijls met zijn vleugels een eigenaardig trommelend geluid, niet ongelijk aan dat hetwelk wordt voortgebracht door een stijf stuk doek heên en weder te schudden.” Op de westkust van Afrika verzamelen zich de kleine wevervogels (Ploceus?) in een klein troepje in het kreupelhout rondom een kleine open plaats, en zingen en glijden door de lucht met trillende vleugels „die een snel ratelend geluid maken, gelijk een kindertafel.” De eene vogel voor, de andere na, gaan hiermede gezamenlijk uren lang door, maar alleen gedurende den paartijd. In dat zelfde jaargetijde maken de mannetjes van sommige[59]Nachtzwaluwen (Caprimulgus) een zeer vreemd geluid met hun vleugels. De onderscheidene soorten van Spechten pikken met hun snavels tegen een schelklinkenden tak, en maken daarbij een zoo snelle trillende beweging, „dat de kop op twee plaatsen tegelijk schijnt te zijn.” Het aldus voortgebrachte geluid is op aanmerkelijken afstand hoorbaar, maar kan niet worden beschreven; en ik houd mij overtuigd, dat de oorzaak daarvan nooit zou worden vermoed door iemand die het voor de eerste maal hoorde. Daar dit trillende geluid voornamelijk gedurende den paartijd wordt gemaakt, heeft men het voor een liefde-zang gehouden; maar het is wellicht eigenlijk meer een liefde-roepstem. Men heeft waargenomen, dat het wijfje, als zij uit haar nest werd gejaagd, op die wijze haar mannetje riep, die op de zelfde wijze antwoordde en weldra voor den dag kwam. De hop (Upupa epops) eindelijk vereenigt vocale en instrumentale muziek; want gedurende den paartijd ademt deze vogel, gelijk de heer Swinhoe zag, eerst lucht in, klopt daarna met den bek loodrecht omlaag tegen een steen of boomstam, „en dan brengt de uitgeademde, door den kogelvormigen snavel geperste lucht den juisten toon voort.” Als het mannetje geluid maakt zonder met zijn bek te kloppen, is de toon geheel verschillend.51In de voorgaande gevallen worden geluiden voortgebracht met behulp van deelen die toch bestaan en voor andere doeleinden noodzakelijk zijn; maar in de volgende gevallen zijn zekere vederen bijzonder gewijzigd met het uitdrukkelijke doel om de geluiden voort te brengen. Het trommelende, of blatende, ofhinnikende, of donderende geluid, zooals het door verschillende waarnemers wordt uitgedrukt, dat door de gewone watersnip (Scolopax gallinago) wordt gemaakt, moet iedereen hebben verwonderd, die het ooit heeft gehoord. De vogel vliegt, gedurende den paartijd, tot „een hoogte van wellicht duizend voet”, en na een tijd lang in zigzag heên en weder te hebben gevlogen, daalt hij[60]volgens een gebogen lijn, met uitgespreiden staart en trillende vleugels, met verwonderlijke snelheid naar de aarde neder. Het geluid wordt alleen gedurende deze snelle nederdaling voortgebracht. Niemand was in staat de oorzaak te verklaren, totdat de heer Meves opmerkte, dat de buitenste vederen aan elke zijde van den staart een bijzonderen vorm hebben (Fig.27), daar zij een stijve sabelvormige schachtbezitten, met schuinsche baarden van ongewone lengte, terwijl de vlaggen sterk met elkander zijn verbonden. Hij bevond, dat hij door op deze vederen te blazen of door ze aan een langen dunnen stok vast te maken en ze snel door de lucht te zwaaien, het trommelend geluid, door den levenden vogel gemaakt, volkomen kon nabootsen. Beide seksen zijn van deze vederen voorzien; maar zij zijn over het algemeen grooter bij het mannetje dan bij het wijfje, en geven bij het eerste een lager toon. Bij sommige soorten, zooals bijS. frenata(Fig.28), zijn vier vederen, en bijS. javensis(Fig.29) niet minder dan acht vederen aan elken kant van den staart sterk gewijzigd. De vederen van verschillende soorten geven, als zij door de lucht worden gezwaaid, verschillende tonen; deScolopax Wilsoniivan de Vereenigde Staten maakt een zwiepend geluid, als hij met snelheid naar de aarde nederdaalt.52
Bij de vogels zijn de secundaire seksueele kenmerken meer verschillend en vallen meer in het oog, hoewel zij wellicht geen belangrijker veranderingen van maaksel veroorzaken, dan bij eenige andere Klasse van dieren. Ik zal daarom dit onderwerp zeer uitgebreid behandelen. Mannelijke vogels bezitten soms, hoewel niet dikwijls, bijzondere wapens om met elkander te vechten. Zij bekoren de wijfjes door vocale en instrumentale muziek van de meest verschillende soort. Zij zijn versierd met allerlei soort van kammen, vleeschlappen, uitwassen, horens, door lucht uitgezette zakken, kuiven, naakte schachten, pluimen en verlengde vederen die op bevallige wijze op allerlei plaatsen van het lichaam ontspringen. De snavel en het naakte vel aan den kop, en de vederen zijn dikwijls prachtig gekleurd. De mannetjes maken somtijds aan de wijfjes het hof door te dansen, of door fantastische vertooningen op den grond of in de lucht uit te voeren. Er bestaat op zijn minst één voorbeeld, dat het mannetje een muskusachtigen geur verspreidt, die, gelijk wij mogen veronderstellen, dient om het wijfje te bekoren of op te wekken; want de heer Ramsay1, die uitmuntende waarnemer, zegt van de Australische muskuseend (Biziura lobata), dat „de geur dien het mannetje gedurende den zomer verspreidt, tot die sekse is beperkt, en bij sommige individu’s het geheele jaar voortduurt; ik heb nooit, zelfs niet in den paartijd, een wijfje geschoten, dat eenigszins naar muskus rook.” Zoo sterk is die geur gedurende den paartijd[38]dat men hem kan ruiken, lang voor men den vogel kan zien.2Over het geheel schijnen de vogels de meest aesthetische van alle dieren te zijn, met uitzondering natuurlijk van den mensch, en zij hebben bijna den zelfden smaak voor het schoone als wij. Dit blijkt uit het behagen dat wij in het gezang der vogels scheppen, en doordat onze vrouwen, zoowel beschaafde als wilde, haar hoofden met geleende vederen bedekken en edelgesteenten gebruiken, die nauwelijks schitterender zijn gekleurd, dan de naakte huid en de vleeschlappen van zekere vogels.
Voor ik de kenmerken behandel, waarmede wij hier meer in het bijzonder hebben te maken, wil ik eerst wijzen op zekere verschillen tusschen de seksen, die blijkbaar afhangen van verschillen in haar levenswijze; want dergelijke gevallen, hoewel in de lagere klassen algemeen, zijn in de hoogere zeldzaam. Twee kolibri’s, tot het geslachtEustephanusbehoorende, die het eiland Juan Fernandez bewonen, werden lang voor verschillende soorten gehouden, doch men weet nu, gelijk de heer Gould mij meldt, dat het de seksen van de zelfde soort zijn, en zij verschillen eenigszins in den vorm van den snavel. In een ander geslacht van kolibri’s (Grypus) is de snavel van het mannetje langs den rand gezaagd en aan het uiteinde gebogen, en verschilt dus veel van dien van het wijfje. Bij de merkwaardigeNeomorphavan Nieuw-Zeeland is er een nog grooter verschil in den vorm van den snavel; en men heeft den heer Gould medegedeeld, dat het mannetje met zijn „rechten en sterken snavel” den bast van de boomen afscheurt, opdat het wijfje zich met haar zwakkeren en meer gekromden snavel zou kunnen voeden met de blootkomende larven. Iets van den zelfden aard zou men wellicht kunnen waarnemen bij den distelvink (Carduelis elegans), want de heer Jenner Weir heeft mij verzekerd, dat de vogelvangers de mannetjes aan hun een weinig langere snavels kunnen onderscheiden. Men vindt de mannetjes gewoonlijk, volgens de getuigenissen van een ouden en geloofwaardigen vogelvanger, zich met zaden van den kaardebol (Dipsacus) voedende, die zij met hun verlengden snavel kunnen bereiken, terwijl de wijfjes zich meer algemeen voeden met de zaden van het helmkruid (Scrophularia). Met een gering verschil van dezen aard tot grondslag, kunnen wij begrijpen, hoe de snavels der beide seksen er door de natuurlijke teeltkeus toe kunnen zijn gekomen om zeer van elkander te verschillen. In al deze gevallen echter, vooral in dat van de twistzieke[39]kolibri’s, is het mogelijk, dat de verschillen in snavels oorspronkelijk door de mannetjes zijn verkregen, in verband met hun gevechten, en later aanleiding gaven tot een eenigszins veranderde levenswijze.
Gevechten.—Bijna alle mannelijke vogels zijn uiterst strijdlustig en gebruiken hun snavels en pooten om met elkander te vechten. Wij zien dit elken zomer bij onze roodborstjes en huismusschen. De kleinste van alle vogels, namelijk de kolibri, is ook de meest twistzieke. De heer Gosse3beschrijft een gevecht waarbij een paar kolibri’s elkander met den snavel vastgrepen en in het rond draaiden tot zij bijna op den grond vielen, en de heer Montes de Oca zegt, van een ander geslacht sprekende, dat twee mannetjes elkander zelden ontmoeten, zonder dat er een woedend gevecht in de lucht plaats grijpt, en als men ze in kooien houdt, „eindigt hun gevecht meestal daarmede, dat de tong van een van beide wordt gespleten, die dan met zekerheid moet sterven, daar hij zich niet meer kan voeden.”4Onder de Moerasvogels „vechten de mannetjes van het waterhoentje (Gallinula chloropus) in den paartijd hevig om de wijfjes; zij staan bijna rechtop in het water en trappen met hun pooten.” Men heeft er twee op die wijze een half uur lang zien vechten, totdat de een den kop van den ander beet kreeg, die zou zijn gedood als de waarnemer niet tusschenbeide was gekomen; het wijfje stond er al dien tijd als een rustige toeschouwster naar te kijken.5De mannetjes van een verwanten vogel (Gallicrex cristatus) zijn, gelijk de heer Blyth mij meldt, een derde grooter dan de wijfjes, en zijn gedurende den paartijd zoo strijdlustig, dat de inboorlingen van oostelijk Bengalen hen houden om ze met elkander te laten vechten. Men houdt in Indië onderscheidene andere vogels met het zelfde doel, bij voorbeeld de Bulbuls (Pycnonotush aemorrhous), „die met grooten moed vechten.”6
Fig. 22.Fig. 22.De Kemphaan (Machetes pugnax); naar Brehm’s „Thierleben”.
Fig. 22.
De Kemphaan (Machetes pugnax); naar Brehm’s „Thierleben”.
De in veelwijverij levende kemphaan (Machetes Pugnax, Fig.22) is bekend wegens zijn buitengewone strijdlustigheid; en in de lente komen de mannetjes die veel grooter zijn dan de wijfjes, alle dagen te zamen op een bijzondere plaats waar de wijfjes van plan zijn haar eieren te leggen. De vogelaars ontdekken die plaatsen, doordat het gras er een weinig kaal is getrapt. Hier vechten zij zeer hevig gelijk strijdhanen,[40]en grijpen elkander met hun snavel en slaan elkander met hun vleugels. De groote halskraag van vederen staat dan recht overeind en „sleept”, volgensKolonelMontagu, „over den grond als een schild om de meer teedere deelen te beschermen”, en dit is het eenige mij bekende voorbeeld bij vogels van het eene of andere deel dat als een[41]schild dient. De halskraag van vederen dient echter wegens zijn menigvuldige en rijke kleuren waarschijnlijk voornamelijk tot versiering. Gelijk de meeste strijdlustige vogels schijnen zij bijna altijd bereid te zijn om te vechten; en als zij in enge gevangenschap met elkander leven, dooden zij elkander veelvuldig; maar Montagu nam waar, dat hun strijdlustigheid gedurende de lente, wanneer de lange vederen op den hals volkomen zijn ontwikkeld, grooter wordt; en in dien tijd doet de minste beweging van dezen of genen afzonderlijken vogel een algemeen gevecht ontstaan.7Van de strijdlustigheid van de zwemvogels zullen twee voorbeelden voldoende zijn: in Guiana „hebben gedurende den paartijd bloedige gevechten plaats tusschen de mannetjes van de wilde muskuseend (Cairina moschata)(1); en waar deze gevechten hebben plaats gehad, is de rivier over eenigen afstand met vederen bedekt.”8Vogels die slecht geschikt schijnen te zijn om te vechten, leveren elkander woedende gevechten; zoo jagen bij den pelikaan de sterkere mannetjes de zwakkere weg, met hun monsterachtige snavels bijtende en krachtige slagen met hun vleugels uitdeelende. De mannelijke snippen vechten te zamen „elkander met hun snavels plukkende en stootende op de vreemdsoortigste wijze die men zich kan voorstellen.” Van eenige weinige soorten gelooft men, dat zij nooit vechten; dit is, volgens Audubon, het geval met een van de spechten van de Vereenigde Staten (Picus auratus), hoewel „de wijfjes door zelfs een half dozijn van haar vroolijke minnaars worden gevolgd.”9
De mannetjes van vele vogels zijn grooter dan de wijfjes, en dit is ongetwijfeld een voordeel voor hen in hun gevechten met hun medeminnaars en is door seksueele teeltkeus verkregen. Het verschil in grootte tusschen de seksen is bij verscheidene Australische soorten tot een uiterste gedreven: zoo zijn toch volgens metingen de mannelijke muskuseend (Biziura) en de mannelijkeCincloramphus cruralis(met onze Piepers verwant) tweemaal zoo groot als hun respectieve wijfjes.10Bij vele andere vogels zijn de wijfjes grooter dan de mannetjes; en, zooals vroeger is opgemerkt, is de verklaring die men daarvan[42]dikwijls geeft, namelijk, dat de wijfjes het meeste werk hebben met het voeden harer jongen, niet voldoende. In eenige weinige gevallen hebben de wijfjes, zooals wij later zullen zien, haar grootere gestalte en meerdere kracht blijkbaar verkregen met het doel om andere wijfjes te overwinnen en het bezit van de mannetjes te verkrijgen.
De mannetjes van vele Hoenderachtige Vogels, vooral van de in veelwijverij levende soorten, zijn voorzien van bijzondere wapenen om met hun medeminnaars te vechten, namelijk van sporen die met vreeselijk gevolg kunnen worden gebruikt. Een geloofwaardig schrijver11heeft opgeteekend, dat in Derbyshire een wouw neêrschoot op een strijdhen die van haar kuikens vergezeld was, waarop de haan haar te hulp snelde, en zijn spoor recht door het oog en den schedel van den aanvaller heêndreef.De spoor werd met moeite uit den schedel getrokken en daar de wouw, ofschoon dood, zijn tegenstander nog omkneld hield, waren de beide vogels stevig aaneengesloten; maar de haan bleek, nadat men hem had losgemaakt, slechts zeer weinig letsel te hebben bekomen. De onoverwinnelijke moed van den strijdhaan is bekend: een heer die langen tijd geleden ooggetuige was geweest van het volgende wreede tooneel, verhaalde mij, dat de beide pooten van zulk een haan door een of ander toeval gedurende het hanengevecht waren gebroken, en de eigenaar een weddenschap aanging, dat, indien de pooten zoo konden worden gespalkt, dat de vogel weder overeind kon staan, hij voort zou gaan met vechten. Dit werd dadelijk gedaan en de vogel vocht met onbezweken moed, totdat hij doodelijk werd getroffen. In Ceylon is een nauwverwante en wilde soort, deGallus Stanleyi, bekend als een wanhopig vechter, „zoodat één der strijders dikwijls dood wordt gevonden.”12Een Indische patrijssoort (Ortygornis gularis), waarvan het mannetje van sterke en scherpe sporen is voorzien, is zoo twistziek, „dat de litteekens van vroegere gevechten de borst misvormen van bijna elken vogel dien men doodt.”13
De mannetjes van bijna alle Hoenderachtige Vogels, zelfs die welke niet van sporen zijn voorzien, leveren elkander gedurende den paartijd woedende gevechten. De groote auerhaan en korhaan (Tetrao urogallusenT. tetrix) die beide in veelwijverij leven, hebben geregeld vaste plaatsen waar zij gedurende vele weken in grooten getale samenkomen[43]om met elkander te vechten en hun bekoorlijkheden voor de wijfjes ten toon te spreiden. De heer W. Kowalevsky meldt mij, dat hij in Rusland de sneeuw overal met bloed doortrokken heeft gezien op de plaatsen waar de auerhanen hadden gevochten; en de korhanen „doen de vederen in alle richtingen wegstuiven”, als verscheidene „elkander een koninklijk gevecht leveren.” De oudere Brehm geeft een merkwaardig verhaal van het „Balzen”, zooals de liefde-dans of liefde-zang van den korhaan in Duitschland wordt genoemd.De vogel maakt bijna zonder ophouden de vreemdsoortigste geluiden: hij houdt zijn staart in de hoogte en spreidt dien uit gelijk een waaier, hij licht zijn kop en hals op, waarvan al de vederen overeind staan, en steekt zijn vleugels van het lichaam af. Daarop maakt hij eenige weinige sprongen in verschillende richtingen, somtijds in een cirkel, en drukt het onderste gedeelte van zijn snavel zoo hard tegen den grond, dat de kinvederen worden afgeschaafd. Gedurende deze bewegingen slaat hij met zijn vleugels en draait voortdurend in de rondte. Hoe vuriger hij wordt, des te levendiger wordt hij, totdat ten laatste de vogel als razend schijnt te zijn. Op dergelijke tijden zijn de korhanen zoo in hun dans verdiept, dat zij bijna blind en doof worden, hoewel minder dan de auerhaan, zoodat de eene vogel voor en de andere na op de zelfde plaats kan worden doodgeschoten, of zelfs met de hand gevangen. Na deze vertooning te hebben volbracht, beginnen de mannetjes te vechten; en de zelfde korhaan zal, om zijn kracht tegen verscheidene tegenstanders te beproeven, in den loop van éénen morgen verscheiden Balz-plaatsen bezoeken, die gedurende alle jaren de zelfde blijven.14
De pauw met zijn langen staart schijnt meer een fat („dandy”) dan een krijgsman te zijn, maar somtijds levert hij woedende gevechten: de weleerw. heer W. Darwin Fox deelt mij mede, dat twee pauwen op een kleinen afstand van Chester zoo werden opgewekt door den strijd, dat zij steeds vechtende over de geheele stad vlogen, totdat zij zich op de spits van den St. Janstoren nederlieten.
Fig. 23.Fig. 23.Polyplectron chinquis, mannetje (naar Brehm) om de dubbele sporen aan te toonen.
Fig. 23.
Polyplectron chinquis, mannetje (naar Brehm) om de dubbele sporen aan te toonen.
De Hoenderachtige Vogels die daarvan zijn voorzien, hebben over het algemeen slechts één spoor, maarPolyplectron(Fig.23) heeft er twee of meer aan elken poot; en bij een der Bloedfazanten (Ithaginis cruentus) heeft men vijf sporen opgemerkt. De sporen zijn meestal tot[44]het mannetje beperkt, en worden bij het wijfje door eenvoudige knobbels of rudimenten vertegenwoordigd; maar de wijfjes van den Javaanschen pauw (Pavo muticus) en, naar de heer Blyth mij heeft medegedeeld, van den kleinen vuurruggigen fazant (Euplocamus erythrophthalmus)[45]bezitten sporen. BijGalloperdixhebben de mannetjes gewoonlijk twee sporen en de wijfjes slechts ééne spoor aan elken poot.15Men mag daarom de sporen gerust beschouwen als een mannelijk kenmerk, hoewel zij nu en dan in meerdere of mindere mate op de wijfjes worden overgeplant. Gelijk de meeste andere secundaire seksueele kenmerken vertoonen de sporen vele afwijkingen in aantal en ontwikkeling bij ééne en de zelfde soort.
Onderscheidene vogels hebben sporen aan de vleugels. De Egyptische gans (Chenalopex aegyptiacus) heeft echter slechts „naakte stompe knobbels”, en deze vertoonen ons waarschijnlijk de eerste stappen door welke zich bij andere verwante vogels ware sporen hebben ontwikkeld. Bij de spoorvleugelige gans,Plectropterus gambensis, hebben de mannetjes veel grooter sporen dan de wijfjes; en zij gebruiken ze, naar mij de heer Bartlett heeft medegedeeld, om met elkander te vechten, zoodat in dit geval de vleugelsporen tot seksueele wapens dienen; volgens Livingstone echter, worden zij voornamelijk tot verdediging der jongen gebruikt. De kamichi (Palamedea, Fig.24) is aan elken vleugel met een paar sporen gewapend, en deze zijn zulke geduchte wapenen, dat een enkele steek daarmede een hond huilende op de vlucht heeft gejaagd. Het blijkt echter niet, dat de sporen in dit geval of in dat van sommige met vleugelsporen gewapende Ralachtige Vogels bij het mannetje grooter zijn dan bij het wijfje.16Bij sommige Plevierachtige Vogels moeten echter de vleugelsporen als een seksueel kenmerk worden beschouwd. Zoo wordt bij onzen gewonen kievit (Vanellus cristatus) de knobbel op den vleugelschouder gedurende den paartijd meer vooruitstekend, en het is bekend, dat de mannetjes met elkander vechten. Bij sommige soorten vanLobivanellusontwikkelt zich een soortgelijke knobbel gedurende den paartijd „tot een korte horenachtige spoor.” Bij den AustralischenL. lobatushebben beide seksen sporen, maar deze zijn veel grooter bij de mannetjes dan bij de wijfjes. Bij een verwanten vogel, denHoplopterus armatus, nemen de sporen gedurende den paartijd niet in grootte toe; maar men heeft die vogels in Egypte zien vechten, op de zelfde wijze als onzekieviten, door zich in de lucht plotseling om[46]te draaien en zijdelings op elkander neêr te schieten, somtijds met noodlottig gevolg. Op de zelfde wijze jagen zij ook andere vijanden weg.17
Fig. 24.Fig. 24.De Kamichi (Palamedea Cornuta) om de dubbele vleugelsporen en den horen op den kop aan te toonen (naar Brehm).
Fig. 24.
De Kamichi (Palamedea Cornuta) om de dubbele vleugelsporen en den horen op den kop aan te toonen (naar Brehm).
[47]
Het jaargetijde der liefde is dat van den strijd; maar de mannetjes van sommige vogels, zooals de strijdhaan en de kemphaan, en zelfs de jonge mannetjes van den wilden kalkoen en de Boschhoenders18zijn, wanneer zij elkander ontmoeten, steeds bereid om te vechten. De tegenwoordigheid van het wijfje is deteterrima bellicausa. De Bengaleesche knapen doen de aardige kleine mannetjes van den amadavat (Estrelda amandava) met elkander vechten door drie kleine kooien op een rij te zetten, met een wijfje in het midden; na korten tijd worden de mannetjes in vrijheid gelaten, waarvan onmiddellijk een wanhopend gevecht het gevolg is.19Wanneer vele mannetjes op de zelfde vaste plaats samenkomen en met elkander vechten, zooals in het geval van de Boschhoenders en onderscheidene andere vogels, worden zij gewoonlijk vergezeld van de wijfjes20die later met de overwinnaars paren. In sommige gevallen gaat de paring aan het gevecht vooraf, in plaats van er op te volgen; zoo „maken”, volgens Audubon21, „verscheidene mannetjes van de Virginische nachtzwaluw (Caprimulgus Virginianus), op een in hooge mate onderhoudende wijze het wijfje het hof, en zoodra zij haar keus heeft gedaan, vervolgt haar beminde alle ongenoodigde gasten en jaagt ze uit zijn gebied weg.” Over het algemeen beproeven de mannetjes met alle macht hun medeminnaars weg te jagen of te dooden, voordat zij paren. Het schijnt echter, dat de wijfjes niet zonder uitzondering aan den overwinnaar de voorkeur geven. De heer W. Kowalevsky heeft mij ten minste verzekerd, dat de groote auerhen soms wegsluipt met een jong haantje dat niet met de oude hanen in het strijdperk durfde treden; op de zelfde wijze als nu en dan ook plaats vindt met de hinden van het edelhert in Schotland. Als twee mannetjes in tegenwoordigheid[48]van een wijfje vechten, verkrijgt de overwinnaar ongetwijfeld gewoonlijk het voorwerp zijner begeerlijkheid; doch sommige van deze gevechten worden veroorzaakt door rondzwervende mannetjes die beproeven den vrede van een reeds vereenigd paar te verstoren.22
Zelfs bij de meest strijdlustige soorten is het waarschijnlijk, dat de paring niet uitsluitend van de enkele kracht en moed van het mannetje afhangt; want dergelijke mannetjes prijken gewoonlijk met verschillende versierselen die dikwijls gedurende den paartijd schitterender worden en met veel ijver voor de wijfjes worden tentoongespreid. De mannetjes trachten hun gezellinnen ook te bekoren door liefdetonen, zang en vertooningen; en de vrijage is in vele gevallen een langdurige zaak. Het is daarom niet waarschijnlijk, dat de wijfjes onverschillig zijn voor de bekoorlijkheden van de andere sekse, of dat zij altijd genoodzaakt zijn zich aan de overwinnende mannetjes te onderwerpen. Het is waarschijnlijker, dat de wijfjes door sommige mannetjes worden bekoord, hetzij voor of na het gevecht, en zoo onbewust aan hen de voorkeur geven. In het geval vanTetrao umbellusgaat een goed waarnemer23zoo ver van aan te nemen, dat de gevechten van de mannetjes „allen slechts schijnvertooningen zijn, die zij verrichten om zich op de voordeeligst mogelijke wijze te vertoonen aan de bewonderende wijfjes die zich daaromheên verzamelen; want het is mij nooit gelukt een verminkten held, en zelden om meer dan een gebroken veder te vinden.” Ik zal op dit onderwerp moeten terugkomen, maar kan er hier bijvoegen, dat bij het Prairiehoen (Tetrao cupido) van de Vereenigde Staten, omtrent een twintigtal mannetjes zich op een bijzondere plaats verzamelen, en rondstappende de geheele lucht doen weergalmen van hun vreemdsoortige geluiden. Op het eerste antwoord van een wijfje beginnen de mannetjes woedend te vechten en de zwakkere wijken; maar daarna zoeken, volgens Audubon, zoowel de overwonnenen als de overwinnaars naar een wijfje, zoodat òf de wijfjes een keus moeten doen, òf de strijd moet worden hernieuwd. Evenzoo leveren de mannetjes van een der Veldspreeuwen der Vereenigde Staten (Sturnella ludoviciana) elkander woedende gevechten; maar op het gezicht van een wijfje vliegen zij haar allen achterna, alsof zij dol waren.24[49]
Vocale en instrumentale muziek.—Bij de vogels dient de stem om verschillende gemoedsaandoeningen uit te drukken, zooals smart, vrees, angst, zegepraal, of alleen geluk. Zij wordt blijkbaar somtijds gebruikt om schrik te verwekken, zooals bij het sissend geluid dat sommige nestvogeltjes maken. Audubon25verhaalt, dat hij een tammen nachtreiger (Ardea nycticorax) heeft bezeten, die gewoon was zich te verbergen als er een kat aankwam, en dan „plotseling opsprong en een der vreeselijkste geluiden maakte, blijkbaar behagen scheppende in den angst en de vlucht van de kat.” De gewone huishaan klokt tegen de hen, en de hen tegen haar kuikens, als zij een lekker hapje hebben gevonden. Als de hen een ei heeft gelegd, „herhaalt zij den zelfden toon zeer dikwijls, en besluit met den zesden hoogeren dien zij gedurende langeren tijd aanhoudt”26; en geeft op die wijze haar vreugde te kennen. Sommige sociale vogels roepen elkander blijkbaar te hulp, en daar zij van den eenen boom op den anderen vliegen, wordt de vlucht bij elkander gehouden, doordat het eene getjilp op het andere antwoordt. Gedurende de nachtelijke verhuizingen van ganzen en andere watervogels, kan men soms in de duisternis boven zijn hoofd schelklinkende geluiden van de voorhoede hooren, waarop geluiden van de achterhoede antwoorden. Sommige geluiden dienen tot waarschuwing voor gevaar, en worden, zooals de jager te zijnen koste gewaar wordt, door de zelfde soort en door andere verstaan. De huishaan kraait en de kolibri tjilpt om zijn zegepraal over een overwonnen mededinger te verkondigen. De ware zang echter van de meeste vogels en onderscheidene vreemde geluiden worden voornamelijk voortgebracht gedurende den paartijd, en dienen tot bekoring of eenvoudig als een loktoon voor de andere sekse.
Er heerscht bij de natuuronderzoekers veel verschil van gevoelen omtrent het doel van den zang der vogels. Slechts weinige waarnemers hebben er ooit geleefd, die zorgvuldiger waren dan Montagu, en deze hield vol, dat „de mannetjes der zangvogels en van vele andere over het algemeen niet naar het wijfje zoeken, maar daarentegen hun bezigheid in de lente is, om op de eene of andere in het oog vallende plaats te gaan zitten en daar hun volle en verliefde klanken te doen weêrklinken, welke het wijfje instinktmatig kent, en die haar zich naar die plaats doen begeven om haar gezel uit te kiezen.”27De heer[50]Jenner Weir deelt mij mede, dat zulks bij den nachtegaal ongetwijfeld het geval is. Bechstein die gedurende zijn geheele leven vogels hield, verzekert, „dat de vrouwelijke kanarievogel altijd den besten zanger uitkiest, en dat in den natuurstaat de vrouwelijke vink uit een honderdtal mannetjes altijd dat uitzoekt, wiens tonen haar het meest behagen.”28Er kan geen twijfel bestaan, dat vogels nauwkeurig acht geven op elkanders zang. De heer Weir heeft mij een geval verhaald van een goudvink waaraan men een Duitsche wals had leeren fluiten en die zulk een goed zanger was, dat hij tien guinjes (ƒ124,40) kostte; toen deze vogel voor het eerst werd gebracht in een kamer waarin andere vogels werden gehouden, en begon te zingen, plaatsten zich al de andere, bestaande uit ongeveer twintig kneutjes en kanarievogels, aan den kant hunner kooien, welke het dichtst bij hem was, en luisterden met de grootste belangstelling naar den nieuwen zanger. Vele natuuronderzoekers gelooven, dat de zang der vogels bijna geheel „het gevolg van ijverzucht en naijver” is en niet dient om hun gezellinnen te bekoren. Dit was de meening van Daines Barrington en White van Selborne, die beiden hun opmerkzaamheid bijzonder op dit punt vestigden.29Barrington neemt echter aan, dat een „uitstekende zang van de vogels een verbazend overwicht over andere geeft”, zooals de vogelvangers wel weten.
Het is zeker, dat er tusschen de mannetjes ten opzichte van het zingen eene hooge mate van naijver bestaat. Liefhebbers van vogels gaan weddenschappen aan, wiens vogel het langst zal zingen, en de heer Yarrell deelde mij mede, dat een zangvogel van den eersten rang somtijds zal zingen, tot hij nagenoeg dood of, volgens Bechstein30, geheel en al dood nedervalt, wegens het breken van een vat in de longen. Wat er ook de oorzaak van moge zijn, mannelijke vogels sterven, gelijk ik van den heer Weir hoor, dikwijls plotseling gedurende het jaargetijde van den zang. Dat de gewoonte van te zingen somtijds geheel onafhankelijk van de liefde is, is duidelijk; want men heeftopgeteekend31, dat een onvruchtbare bastaard (hybride) van een kanarievogel[51]zong, toen hij zich zelf in een spiegel zag, en daarop op zijn eigen beeld toeschoot; hij viel eveneens met woede aan op een vrouwelijke kanarie, toen deze in de zelfde kooi werd gezet. Van de ijverzucht, door het zingen opgewekt, maken de vogelvangers voortdurend gebruik; een mannetje dat goed zingt, wordt verborgen en beschermd, terwijl een opgezette vogel, omringd van met lijm besmeerde twijgen, aan het gezicht wordt blootgesteld. Op deze wijze heeft een man, gelijk de heer Weir mij mededeelt, in den loop van een enkelen dag vijftig, en eens zeventig mannelijke vinken gevangen. Het vermogen en de neiging om te zingen verschillen bij de vogels zoozeer, dat, hoewel de prijs van een gewonen mannelijken vink slechts zes stuivers is, de heer Weir éénen vogel zag, voor welken de vogelvanger zes-en-dertig gulden vroeg; terwijl de proef, of een vogel werkelijk een goed zanger is, daarin bestaat, dat hij moet doorgaan met zingen, wanneer de kooi rondom het hoofd van den eigenaar wordt gezwaaid.
Dat vogels evengoed uit naijver zouden zingen als om het wijfje te bekoren, is niet geheel onvereenigbaar; en men kon inderdaad verwachten, dat dit te zamen zou gaan, evenals versiering en strijdlustigheid. Sommige schrijvers echter beweren, dat de zang van het mannetje niet kan dienen om het wijfje te bekoren, daar de wijfjes van eenige weinige soorten, zooals de kanarievogel, het roodborstje, de leeuwerik en de goudvink, vooral, gelijk Bechstein opmerkt, wanneer zij in den weduwenstaat verkeeren, zeer welluidende tonen voortbrengen. In sommige van deze gevallen kan de gewoonte om te zingen gedeeltelijk daaraan worden toegeschreven, dat de wijfjes sterk zijn gevoed en opgesloten32; want hierdoor komt er storing in al de gewone, met de voortplanting der soort in verband staande functies. Reeds vele voorbeelden zijn gegeven van de gedeeltelijke overbrenging van secundaire mannelijke kenmerken op het wijfje, zoodat het volstrekt niet is te verwonderen, als de wijfjes van sommige soorten het vermogen bezitten om te zingen. Men heeft ook beweerd, dat het gezang van het mannetje niet als een bekoring kan dienen, omdat de mannetjes van sommige soorten, van het roodborstje bij voorbeeld, gedurende den herfst zingen.33Niets is echter meer gewoon, dan dat dieren behagen scheppen om aan[52]het instinkt gehoor te geven, dat zij op een anderen tijd met eenig wezenlijk nuttig doel volgen. Hoe dikwijls zien wij vogels die gemakkelijk vliegen, klaarblijkelijk voor hun genoegen door de lucht glijden en zeilen. De kat speelt met de gevangen muis en de waterraaf (cormorant) met den gevangen visch. De wevervogel (Ploceus) vermaakt zich, als hij in een kooi is opgesloten, met netjes bladeren van gras tusschen de traliën van zijn kooi te weven. Vogels die gewoon zijn gedurende den paartijd te vechten, zijn over het algemeen op alle tijden bereid om te vechten; en de groote auerhanen houden soms hunbalzenofleksop de gewone vergaderplaats gedurende den herfst.34Het is dus volstrekt niet te verwonderen, als mannelijke vogels voortgaan met voor hun eigen genoegen te zingen, als het jaargetijde der liefde voorbij is.
Zingen is tot op zekere hoogte, gelijk in een vorig hoofdstuk is aangetoond, een kunst, en wordt door oefening veel verbeterd. Men kan vogels onderscheidene deuntjes leeren en zelfs de onwelluidende huismusch heeft men geleerd om als een kneutje te zingen. Zij verkrijgen den zang van hun pleegvaders35en somtijds dien van hun naburen.36Alle gewone zangvogels behooren tot de Orde der Roestvogels (Insessores), en hun stemorganen zijn veel samengestelder dan die van de meeste andere vogels; toch is het een vreemd feit, dat sommige Roestvogels (Insessores), zooals raven, kraaien en eksters, de tot zingen dienende inrichting bezitten37, hoewel zij nimmer zingen, en in den natuurstaat hun stemmen niet in eenigszins groote mate wijzigen.(2)Hunter verzekert38, dat bij de ware zangvogels de spieren van het strottenhoofd (larynx)(3)bij de mannetjes sterker zijn dan bij de wijfjes; maar op deze geringe uitzondering na is er geen verschil tusschen de stemorganen der beide seksen, hoewel de mannetjes der meeste soorten zooveel beter en aanhoudender zingen dan de wijfjes.
Het is opmerkelijk, dat alleen kleine vogels eigenlijk zingen. Het[53]Australische geslachtMenuramoet hiervan echter worden uitgezonderd; want deMenura Albertidie omtrent de grootte van een half volwassen kalkoen heeft, bootst niet slechts andere vogels na, maar zijn eigen gefluit is ook uiterst fraai en afwisselend. De mannetjes komen samen en vormen „verlustigingsplaatsen”, waar zij zingen, hun staarten omhoog stekende en uitspreidende gelijk pauwen.39Het is ook merkwaardig, dat de vogels die zingen, zelden met schitterende kleuren of andere sieraden zijn versierd. Van onze Britsche vogels zijn, met uitzondering van den goudvink en den distelvink, de beste zangers effen gekleurd. De ijsvogel, bijenvreter(4), hop, spechten, enz., brengen krijschende geluiden voort; en de schitterende vogels der keerkringslanden zijn bijna nooit zangers.40Schitterende kleuren en vermogen om te zingen schijnen elkander dus te vervangen. Wij kunnen begrijpen, dat, als er bij het gevederte geen afwijkingen in levendigheid van kleur voorkwamen, of als levendige kleuren gevaarlijk waren voor de soort, andere middelen moesten worden gebruikt om de wijfjes te bekoren; en het welluidend worden van de stem zou een dergelijk middel aanbieden.
Fig. 25.Fig. 25.Het Prairiehoen (Tetrao cupido), naar Brehm.
Fig. 25.
Het Prairiehoen (Tetrao cupido), naar Brehm.
Bij sommige vogels verschillen de stemorganen zeer bij de twee seksen. Bij het prairiehoen (Tetrao cupido, Fig.25) heeft het mannetje twee naakte, oranjekleurige zakken, aan elke zijde van den hals één; en deze worden sterk opgeblazen, als het mannetje gedurende den paartijd een vreemdsoortig hol geluid voortbrengt, dat op grooten afstand hoorbaar is. Audubon bewees, dat het geluid in nauw verband staat met dezen toestel die ons herinnert aan de luchtzakken aan beide zijden van den bek van de mannetjes van sommige kikvorschen; want hij bevond, dat het geluid veel verminderde, als men in een der zakken van een tammen vogel een prik gaf, en dat het bijna geheel ophield, als men in beide een prik gaf. Het wijfje heeft „een omtrent gelijksoortige, hoewel kleinere, met een naakte huid bedekte plek aan den hals, doch deze is niet voor opblazing vatbaar.”41Bij het mannetje van[54]een andere soort van Boschhoen (Tetrao urophasianus) is, als hij het wijfje het hof maakt, zijn naakte gele slokdarm (oesophagus) opgeblazen tot een verbazende grootte, daar hij ten volle half zoo groot is als het lichaam; en hij brengt dan onderscheidene knarsende, lage, holle tonen voort. Met recht opstaande nekvederen, de vleugels naar beneden houdende[55]en over den grond schurende, en zijn langen puntigen staart als een waaier uitspreidende, pronkt hij in alle potsierlijke houdingen.De slokdarm van het wijfje vertoont volstrekt niets opmerkelijks.42
Fig. 26.Fig. 26.De Regenschermvogel (Cephalopterus ornatus), mannetje, naar Brehm.
Fig. 26.
De Regenschermvogel (Cephalopterus ornatus), mannetje, naar Brehm.
[56]
Het schijnt thans met zekerheid te zijn uitgemaakt, dat de groote keelzak van het mannetje van de Europeesche groote trapgans (Otis tarda) en van ten minste vier andere soorten niet dient om water op te nemen, zooals men vroeger veronderstelde; maar dat hij in verband staat met een bijzonder geluid dat gedurende den paartijd wordt voortgebracht en op de lettergreep „ok” gelijkt. Als de vogel dit geluid voortbrengt, neemt hij de meest buitengewone houdingen aan. Het is een vreemd feit, dat bij de mannetjes van de zelfde soort de zak niet bij alle individu’s is ontwikkeld.43Een op een kraai gelijkende vogel die Zuid-Amerika bewoont (Cephalopterus ornatus, Fig.26), wordt de Regenschermvogel genoemd wegens zijn verbazend groote kuif, bestaande uit naakte witte schachten die van boven in donkerblauwe vederen eindigen, die hij overeind kan zetten tot een groot koepeldak van niet minder dan 12½ centimeter middellijn, dat den geheelen kop bedekt. Deze vogel heeft aan den hals een lang, dun, cylindervormig, vleeschachtig aanhangsel dat dicht met op schubben gelijkende, blauwe vederen is bedekt. Het dient waarschijnlijk gedeeltelijk tot versiering, maar gedeeltelijk ook tot een resoneerenden toestel; want de heer Bates bevond, dat het in verband staat „met een ongewone ontwikkeling van de luchtpijp (trachea) en de stemorganen.” Het zet zich uit, wanneer de vogel zijn verwonderlijk lagen, luiden en lang aanhoudenden fluitenden toon voortbrengt. De kuif en het halsaanhangsel zijn bij het wijfje rudimentair.44
De stemorganen van onderscheidene Zwemvogels en Moerasvogels zijn buitengewoon samengesteld en verschillen tot op zekere hoogte bij beide seksen. In sommige gevallen is de luchtpijp (trachea) gewonden als een jachthoren en diep in het borstbeen (sternum) ingesloten. Bij de wilde zwaan (Cygnus ferus) is zij bij het volwassen mannetje dieper ingesloten dan bij het wijfje of het jonge mannetje. Bij het mannetje van den grooten zaagbek (Merganser) is het verbreede gedeelte van de luchtpijp[57]van een bijkomend (additioneel) paar spieren voorzien.45De beteekenis van deze verschillen tusschen de seksen van vele Eendachtige Vogels (Anatidae) is echter geheel onbekend; want het mannetje bezit niet altijd de luidste stem; zoo sist het mannetje bij de gewone eend, terwijl het wijfje luide kwaakt.46Bij beide seksen van een van de Kraanvogels (Grus virgo) dringt de luchtpijp in het borstbeen door, maar vertoont „zekere seksueele wijzigingen.” Bij het mannetje van den zwarten ooievaar bestaat er ook een goed uitgedrukt seksueel verschil in de lengte en buiging van de longpijpen (bronchi).47Zoodat in deze gevallen hoogst belangrijke organen volgens de sekse zijn gewijzigd.
Het is dikwijls moeilijk te gissen, of de vele vreemde geluiden en tonen, door de mannelijke vogels gedurende den paartijd voortgebracht, dienen om de wijfjes te bekoren of alleen om haar te roepen. Het zacht gekir van de tortelduif en van vele duiven mag men vermoeden, dat aan de wijfjes behaagt. Als het wijfje van den wilden kalkoen in den morgen haar roepstem doet hooren, antwoordt het mannetje met een geluid dat verschilt van dat hetwelk hij maakt, wanneer hij met opgezette vederen, ruischende vleugels en opgezwollen vleeschlappen voor haar blaast en pronkt.48Het„spel”van den korhaan dient ontwijfelbaar om het wijfje te roepen; want het is bekend, dat daardoor vier of vijf hennen van een afstand zijn gelokt naar een gevangen haan; maar daar de korhaan zijn„spel”uren lang gedurende een reeks van dagen voortzet, en in het geval van den grooten auerhaan „met een uitersten hartstocht” („with an agony of despair”), worden wij er toe gebracht om te veronderstellen, dat de hennen die reeds tegenwoordig zijn, daardoor worden bekoord.49Het is bekend, dat de stem van den gewonen roek gedurende den paartijd verandert en daarom op de eene of andere wijze met de sekse samenhangt.50Wat[58]zullen wij echter zeggen van het krijschende geschreeuw van, bij voorbeeld, sommige soorten van papegaaien; hebben deze vogels een even slechten smaak voor muzikale tonen, als zij blijkbaar voor kleuren hebben, te oordeelen naar het onharmonische contrast van hun geel en blauw gevederte? Het is inderdaad mogelijk, dat de luide stemmen van vele mannelijke vogels het gevolg zijn, zonder dat daardoor eenig voordeel werd verkregen, van de overgeërfde gevolgen van het voortdurend gebruik van hun stemorganen, als zij worden opgewekt door de sterke hartstochten van liefde, ijverzucht en toorn; op dit punt zullen wij echter moeten terugkomen, als wij de viervoetige dieren behandelen.
Wij hebben tot dusverre slechts van de stem gesproken, maar de mannetjes van onderscheidene vogels voeren gedurende hun vrijage iets uit, dat instrumentale muziek kan worden genoemd. Pauwen en Paradijsvogels rammelen met de schachten der vederen tegen elkander en de trillende beweging dient blijkbaar slechts om geluid voort te brengen; want zij kanmoeilijkde schoonheid van hun gevederte verhoogen. Kalkoensche hanen schuren hun vleugels tegen den grond, en sommige soorten van Boschhoenders brengen op die wijze een gonzend geluid voort. Een ander Noord-Amerikaansch Boschhoen, deTetrao umbellus, klopt, wanneer hij, met opgezetten staart en met zijn halskraag pronkende, „zijn opschik laat bewonderen door de wijfjes die in de nabuurschap verborgen liggen”, snel met zijn „naar beneden gehouden vleugels tegen den stam van een omgevallen boom”, of volgens Audubon, tegen zijn eigen lichaam; het aldus voortgebrachte geluid wordt door sommigen met een verwijderden donder en door anderen met een snellen roffel op een trommel vergeleken. Het wijfje trommelt nooit, „maar vliegt dadelijk naar de plaats, waar het mannetje daarmede bezig is.” In het Himalaya-gebergte „maakt” het mannetje van de Kalij-fazant „dikwijls met zijn vleugels een eigenaardig trommelend geluid, niet ongelijk aan dat hetwelk wordt voortgebracht door een stijf stuk doek heên en weder te schudden.” Op de westkust van Afrika verzamelen zich de kleine wevervogels (Ploceus?) in een klein troepje in het kreupelhout rondom een kleine open plaats, en zingen en glijden door de lucht met trillende vleugels „die een snel ratelend geluid maken, gelijk een kindertafel.” De eene vogel voor, de andere na, gaan hiermede gezamenlijk uren lang door, maar alleen gedurende den paartijd. In dat zelfde jaargetijde maken de mannetjes van sommige[59]Nachtzwaluwen (Caprimulgus) een zeer vreemd geluid met hun vleugels. De onderscheidene soorten van Spechten pikken met hun snavels tegen een schelklinkenden tak, en maken daarbij een zoo snelle trillende beweging, „dat de kop op twee plaatsen tegelijk schijnt te zijn.” Het aldus voortgebrachte geluid is op aanmerkelijken afstand hoorbaar, maar kan niet worden beschreven; en ik houd mij overtuigd, dat de oorzaak daarvan nooit zou worden vermoed door iemand die het voor de eerste maal hoorde. Daar dit trillende geluid voornamelijk gedurende den paartijd wordt gemaakt, heeft men het voor een liefde-zang gehouden; maar het is wellicht eigenlijk meer een liefde-roepstem. Men heeft waargenomen, dat het wijfje, als zij uit haar nest werd gejaagd, op die wijze haar mannetje riep, die op de zelfde wijze antwoordde en weldra voor den dag kwam. De hop (Upupa epops) eindelijk vereenigt vocale en instrumentale muziek; want gedurende den paartijd ademt deze vogel, gelijk de heer Swinhoe zag, eerst lucht in, klopt daarna met den bek loodrecht omlaag tegen een steen of boomstam, „en dan brengt de uitgeademde, door den kogelvormigen snavel geperste lucht den juisten toon voort.” Als het mannetje geluid maakt zonder met zijn bek te kloppen, is de toon geheel verschillend.51
In de voorgaande gevallen worden geluiden voortgebracht met behulp van deelen die toch bestaan en voor andere doeleinden noodzakelijk zijn; maar in de volgende gevallen zijn zekere vederen bijzonder gewijzigd met het uitdrukkelijke doel om de geluiden voort te brengen. Het trommelende, of blatende, ofhinnikende, of donderende geluid, zooals het door verschillende waarnemers wordt uitgedrukt, dat door de gewone watersnip (Scolopax gallinago) wordt gemaakt, moet iedereen hebben verwonderd, die het ooit heeft gehoord. De vogel vliegt, gedurende den paartijd, tot „een hoogte van wellicht duizend voet”, en na een tijd lang in zigzag heên en weder te hebben gevlogen, daalt hij[60]volgens een gebogen lijn, met uitgespreiden staart en trillende vleugels, met verwonderlijke snelheid naar de aarde neder. Het geluid wordt alleen gedurende deze snelle nederdaling voortgebracht. Niemand was in staat de oorzaak te verklaren, totdat de heer Meves opmerkte, dat de buitenste vederen aan elke zijde van den staart een bijzonderen vorm hebben (Fig.27), daar zij een stijve sabelvormige schachtbezitten, met schuinsche baarden van ongewone lengte, terwijl de vlaggen sterk met elkander zijn verbonden. Hij bevond, dat hij door op deze vederen te blazen of door ze aan een langen dunnen stok vast te maken en ze snel door de lucht te zwaaien, het trommelend geluid, door den levenden vogel gemaakt, volkomen kon nabootsen. Beide seksen zijn van deze vederen voorzien; maar zij zijn over het algemeen grooter bij het mannetje dan bij het wijfje, en geven bij het eerste een lager toon. Bij sommige soorten, zooals bijS. frenata(Fig.28), zijn vier vederen, en bijS. javensis(Fig.29) niet minder dan acht vederen aan elken kant van den staart sterk gewijzigd. De vederen van verschillende soorten geven, als zij door de lucht worden gezwaaid, verschillende tonen; deScolopax Wilsoniivan de Vereenigde Staten maakt een zwiepend geluid, als hij met snelheid naar de aarde nederdaalt.52