Fig. 27.Fig. 27.Buitenste staartveder vanScolopax gallinago, naar Proc. Zoolog. Soc., 1858.Fig. 28.Fig. 28.Buitenste staartveder vanScolopax frenata.Fig. 29.Fig. 29.Buitenste staartveder vanScolopax Javensis.Bij het mannetje vanChamaepetes unicolor(een groote Hoenderachtige Vogel van Amerika) is de eerste primaire slagpen van den vleugel[61]naar het einde toe gebogen en veel dunner dan bij het wijfje. Bij een verwanten vogel, dePenelope nigra, nam de heer Salvin een mannetje waar, dat, terwijl hij naar beneden vloog met uitgestrekte vleugels, een soort van krakend, ruischend geluid maakte, gelijk dat van een boom die omvalt.53Alleen bij het mannetje van de Indische trapganzen (Sypheotides auritus) loopen de primaire slagpennen van de vleugels zeer puntig toe; en het is bekend, dat het mannetje van een verwanten vogel een gonzend geluid voortbrengt, terwijl hij aan het wijfje het hof maakt.54Bij een zeer verschillende groep van vogels, namelijk de Kolibri’s, zijn alleen bij de mannetjes van sommige soorten de schachten van hun primaire vleugelslagpennen sterk verbreed of de vlaggen plotseling naar het uiteinde toe uitgesneden. Bij het mannetje vanSelasphorus platycercusis, bij voorbeeld, als hij volwassen is, de eerste primaire vleugelslagpen (Fig.30) op die wijze uitgesneden. Terwijl hij van bloem tot bloem vliegt, maakt hij „een schril bijna fluitend geluid”55; maar het scheen den heer Salvin toe, dat dit geluid niet met opzet werd gemaakt.Fig. 30 en 31.Fig. 30 en 31.Fig. 30. Primaire vleugel-slagpen van het mannetje van een Kolibri (Selasphorus platycercus), naar een schets van den heer Salvin.Fig. 31. Overeenkomstige slagpen van het wijfje naar een schets van den heer Salvin.Bij onderscheidene soorten van een ondergeslacht vanPipraofManakineindelijk zijn desecundairevleugel-slagpennen bij de mannetjes op nog opmerkelijker wijze gewijzigd, zooals door den heer Sclater is beschreven. Bij de schitterend gekleurdeP. deliciosahebben de drie eerste secundaire vleugel-slagpennen dikke schachten en zijn naar het lichaam toe gekromd; bij de vierde en vijfde (Fig.32) is de verandering grooter en bij de zesde (Fig.33) en zevende (Fig.34) „is de schacht in buitengewone mate verdikt, zoodat zij een stevigen, hoornachtigen klomp vormt.” Ook de vlag is geheel van gedaante veranderd, in vergelijking met de overeenkomstige slagpennen (Fig.35,36,37) van het wijfje. Zelfs[62]de beenderen van den vleugel, die deze vreemde slagpennen bij het mannetje ondersteunen, zijn, volgens den heer Fraser, zeer verdikt. Deze kleine vogels maken een buitengewoon geluid, waarvan de eerste „hooge noot niet ongelijk is aan een zweepslag.”56Fig. 32.Fig. 32.Fig. 33.Fig. 33.Fig. 34.Fig. 34.Fig. 35.Fig. 35.Fig. 36.Fig. 36.Fig. 37.Fig. 37.Secundaire vleugel-slagpennen vanPipra deliciosa(naar den heer Sclater, inProc. Zool. Soc., 1860). De drie bovenste slagpennen (fig.32,33,34) van het mannetje; de drie onderste overeenkomstige slagpennen (fig.35,36,37) van het wijfje.Fig.32en35. Vijfde secundaire vleugel-slagpen van het mannetje en van het wijfje. Fig.33en36zesde secundaire slagpen, bovenvlak. Fig.34en37zevende secundaire slagpen, ondervlak.De verscheidenheid van de geluiden, zoowel vocale als instrumentale, door de mannetjes van vele soorten gedurende den paartijd voortgebracht, en de verscheidenheid van de middelen om die geluiden voort te brengen, zijn hoogst opmerkelijk. Wij krijgen daardoor een hoog denkbeeld van haar belangrijkheid voor seksueele doeleinden, en worden herinnerd aan het zelfde besluit ten opzichte van Insekten. Het is niet moeilijk zich de trappen voor te stellen, door welke de noten van een vogel, oorspronkelijk eenvoudig gebruikt als een roepstem of voor eenig ander doel, zouden kunnen zijn verbeterd tot een welluidenden liefdezang. Dit is iets moeilijker in het geval van de gewijzigde vederen, waardoor de trommelende, fluitende of bulderende geluiden worden voortgebracht. Wij hebben echter gezien, dat sommige vogels gedurende hun[63]vrijage hun ongewijzigde vederen doen fladderen, schudden of tegen elkander doen ratelen; en indien de wijfjes er toe kwamen hen die dit het best deden, voor de paring uit te kiezen, zouden de mannetjes die op een of ander deel van het lichaam de sterkste of dikste, of het spitst toeloopende vederen bezaten, het best slagen; en zoo zouden door langzame overgangstrappen de vederen in bijna elken graad kunnen zijn gewijzigd. De wijfjes zouden natuurlijk niet elke geringe opeenvolgende verandering van vorm, maar alleen de daardoor voortgebrachte geluiden opmerken. Het is een merkwaardig feit, dat, in de zelfde Klasse van dieren, geluiden zoo verschillend als het getrommel van den staart van de snip, het getik van den snavel van den specht, het krijschende, op het geluid van een trompet gelijkende geschreeuw van sommige watervogels, het gekir van de tortelduif en het gezang van den nachtegaal alleen aan de wijfjes van de onderscheidene soorten zou behagen. Wij moeten echter den smaak van verschillende soorten niet naar den zelfden maatstaf afmeten, en ook niet afmeten naar den maatstaf van den mensch. Zelfs bij den mensch moeten wij bedenken, welke wanluidende tonen, het slaan op tamtams en de schrille noten van rietfluitjes, aan de ooren van wilden behagen. Sir S. Baker merkt op57, dat „evenals de maag van een Arabier de voorkeur geeft aan het rauwe vleesch en de dampende lever, van het nog warme dier afgesneden, zijn oor ook aan zijn even ruwe wanluidende muziek boven elke andere de voorkeur geeft.”Fig. 38.Fig. 38.Priëelvogel (Chlamydera maculata), met zijn priëel (naar Brehm).Liefde-Vertooningen en Dansen.—Van de merkwaardige liefdegebaren van sommige vogels, vooral van de Hoenderachtigen (Gallinaceae) is reeds hier en daar gesproken, zoodat er slechts weinig behoeft te worden bijgevoegd. In Noordelijk Amerika verzamelen zich zekere Bosch-hoenders (Tetrao phasianellus) gedurende den paartijd elken morgen in groote menigte op een daartoe gekozen vlakke plaats, en loopen daar voortdurend in de rondte in een cirkel van ongeveer 15 of 20 voet middellijn, zoodat de grond geheel kaal is gesleten, gelijk een heksenkring. Bij deze „Patrijzendansen”, zooals zij door de jagers worden genoemd, nemen de vogels de vreemdsoortigste houdingen aan, en loopen rond, sommige van rechts naar links, andere in de tegenovergestelde richting. Audubon beschrijft de mannetjes van zekere reigersoort (Ardea herodias), die op hun lange pooten met groote waardigheid voor de wijfjes heên en weder loopen, en zoo hun mededingers uitdagen.[64]Van een van de walgelijke Aasgieren (Cathartes jota) getuigt de zelfde natuuronderzoeker, dat „de gebaren en de parade van het mannetje in ’t begin van het jaargetijde der liefde uiterst grappig zijn.”[65]Sommige vogels voeren hunliefdevertooningenuit in de lucht, in plaats van op den grond, zooals wij bij den zwarten Afrikaanschen wevervogel hebben gezien. Gedurende de lente verheft zich onze kleine inlandsche grasmusch (Sylvia cinerea) dikwijls eenige weinige voeten of ellen boven het kreupelhout in de lucht en „fladdert met een afwisselende en fantastische beweging, gedurig zingende, rond, en daalt daarna weder neêr op den tak waarop zij zat.” De groote Engelsche trapgans neemt onbeschrijfelijk koddige houdingen aan, terwijl hij het wijfje het hof maakt, gelijk hij door Wolf is afgebeeld. Een verwante Indische trapgans (Otis bengalensis) verheft zich daarbij loodrecht in de lucht, snel met zijn vleugels klepperende, zijn kuif overeind doende rijzen en de vederen van zijn nek en borst opzettende, en daalt daarna weder op den grond neder; hij herhaalt die beweging achtereenvolgens verscheidene malen, tegelijkertijd een bijzonder geluid makende. De wijfjes die toevallig in de nabijheid zijn, „gehoorzamen aan deze springlustige oproeping”, en als zij naderen, laat hij zijn vleugels zakken, en spreidt zijn staart uit gelijk een kalkoensche haan.58Fig. 39.Fig. 39.Het Prairiehoen (Tetrao cupido), naar Brehm, om de vederbossen aan de ooren te toonen.Het merkwaardigste geval wordt echter opgeleverd door drie verwante geslachten van Australische vogels, de vermaarde Priëelvogels—ongetwijfeld gezamenlijk afstammelingen van de eene of andere oude soort die het eerst het vreemde instinkt verkreeg om priëeltjes te bouwen om daarin hun liefde-vertooningen te volbrengen. De priëelen (Fig.38), die, zooals wij later zullen zien, zeer zijn opgesierd met vederen, schelpen, beenderen en bladeren, worden op den grond gebouwd, alleen met het doel om daarin te vrijen; want hun nesten worden in boomen gebouwd. Beide seksen helpen de priëelen bouwen; maar het mannetje is de voornaamste werkman. Zoo sterk is dit instinkt, dat het in gevangen staat wordt uitgeoefend, en de heer Strange heeft de gewoonten beschreven van eenige Satijnvogels(5)die hij in zijn vogelhuis (volière) in Nieuw Zuid·Wallis hield.59„Somtijds zal het mannetje het wijfje door het geheele vogelhuis nazitten, dan naar het priëel[66]gaan, een fraaie veder of een groot blad oppikken, een merkwaardig soort van geluid maken, al zijn vederen opzetten, rondom het priëel loopen en zoo opgewekt worden, dat zijn oogen op het punt schijnen van uit zijn kop te springen”; hij gaat voort door eerst den eenen,[67]daarna den anderen vleugel te openen, een lagen fluitenden toon voort te brengen, en schijnt, evenals de gewone huishaan, bezig met iets van den grond op te pikken, totdat eindelijk het wijfje hupsch naar hem toe komt. Kapitein Stokes heeft de levenswijze en „speelhuizen” van een andere soort, den Grooten Priëelvogel, beschreven, dien hij „zich zag vermaken met achteruit en vooruit te vliegen, een schelp beurtelings aan beide zijden vastpakkende en die in zijn bek door den ingang dragende.” Deze merkwaardige priëelen, alleen gemaakt als zalen van bijeenkomst, waar beide seksen zich vermaken en elkander het hof[68]maken, moeten den vogels veel arbeid kosten. Het priëel van de soort met vaalbruine borst is bij voorbeeld bijna 12 decimeter lang,41,5hoog en staat op een dik terras van twijgen.Fig. 39a.Fig. 39a.Tetrao cupido, voor het wijfje pronkende (J. W. Wood).Versiering.—Ik zal eerst de gevallen bespreken, waarin de mannetjes hetzij uitsluitend of in veel hooger mate zijn versierd dan de wijfjes; en in een volgend hoofdstuk die waarin beide seksen evenzeer zijn versierd, en eindelijk de zeldzame gevallen waarin het wijfje iets levendiger is gekleurd dan het mannetje. Evenals bij de kunstmatige versierselen die door wilde en beschaafde menschen worden gebruikt,aanhet hoofd, zoo is ook bij de natuurlijke versierselen der vogels de kop de hoofdzetel van de versiering.60In de versierselen heerscht, gelijk in het begin van dit hoofdstuk is vermeld, een verwonderlijke verscheidenheid. De siervederen van het voorhoofd of de achterzijde van het hoofd bestaan uit vederen van verschillenden vorm, die soms kunnen worden ten toon gesteld. Nu en dan komen sierlijke vederbossen aan de ooren voor (Fig.39). De kop is soms bedekt met fluweelachtig dons, gelijk die van den fazant, of hij is naakt en levendig gekleurd of hij draagt vleeschachtige aanhangsels, draden of met uit vaste stof gevormde knobbels. Ook de keel is soms met een baard of met vleeschlappen of lellen voorzien. Dergelijke aanhangsels zijn over het algemeen levendig gekleurd en dienen ongetwijfeld tot versiering, al verhoogen zij in onze oogen niet altijd de schoonheid; want, terwijl het mannetje bezig is met het wijfje het hof te maken, zwellen zij dikwijls op en verkrijgen levendiger kleuren, gelijk in het geval van den kalkoenschen haan. Op zulke tijden zwellen de vleeschachtige aanhangsels aan den kop van den mannelijken Tragopan-fazant (Ceriornis Temminckii) op tot een groote strook aan de keel en tot twee horens, een aan elke zijde van de prachtige kuif; en deze bezitten dan de levendigste blauwe kleur die ik ooit heb gezien. De Afrikaansche Neushorenvogel (Buccros Abyssinicus) blaast den scharlakenrooden, op een blaas gelijkenden vleeschlap aan zijn hals op, en zijn vleugels omlaag houdende en zijn staart uitspreidende, „maakt hij wezenlijk een voornaam figuur.”61Zelfs het regenboogvlies (iris) van het oog is soms bij het mannetje[69]levendiger gekleurd dan bij het wijfje; en dit is veelvuldig het geval met den snavel, bij voorbeeld bij onze gewone merel of zwarte lijster. Bij een andere soort van Neushorenvogel (Buceros corrugatus) zijn de geheele snavel en de verbazend groote helm bij het mannetje opzichtiger gekleurd dan bij het wijfje, en „de schuinsche groeven op de zijden van de onderkaak zijn uitsluitend aan het mannetje eigen.”62Ook de kop draagt dikwijls vleezige of ook wel draadvormige aanhangsels en vaste uitwassen. Indien deze niet aan beide seksen gemeen zijn, zijn zij altijd tot de mannetjes beperkt. De vaste uitwassen zijn uitvoerig beschreven door Dr. W. Marshall63, die aantoont, dat zij zijn gevormd, hetzij van spongieus been met huid bedekt, of van huid- en andere weefsels. Bij zoogdieren rusten ware horens altijd op de voorhoofdsbeenderen, maar bij vogels zijn verschillende beenderen tot dit doel gewijzigd; en bij soorten van de zelfde groep kunnen de uitsteeksels beenpitten hebben, of die geheel missen, met tusschenliggende ontwikkelingstrappen welke deze beide uitersten verbinden. Gelijk Dr. Marshall terecht opmerkt, hebben dus variaties van de meest verschillende soort gediend tot ontwikkeling door seksueele teeltkeus van deze tot versiering dienende aanhangsels.De mannetjes zijn dikwijls versierd met verlengde vederen die op bijna elk deel van het lichaam ontspringen. De vederen aan de keel en op de borst zijn dikwijls ontwikkeld tot fraaie halskragen en de staartvederen zijn dikwijls verlengd, zooals wij bij de staartdekvederen van den pauw en bij den staart van den Argus-fazant zien. Het lichaam van dezen laatsten vogel is niet grooter dan dat van een hoen, en toch is de lengte van de punt van den snavel tot het uiteinde van den staart niet minder dan 1 meter 6 decimeter.64De vleugelvederen zijn lang zoo veelvuldig niet verlengd als de staartvederen; want de verlenging daarvan zou voor het vliegen nadeelig zijn. Toch zijn de van fraaie oogvlekken (ocelli) voorziene secundaire vleugelslagpennen van den mannelijken Argus-fazant omtrent 9 decimeter lang; en bij een kleine Afrikaansche nachtzwaluw (Cosmetornis vexillarius) bereikt een der primaire vleugelslagpennen gedurende den paartijd een lengte van 65 centimeter, terwijl de vogel zelf slechts 25 centimeter lang is. Bij een[70]ander nauw verwant geslacht van nachtzwaluwen zijn de schachten van de verlengde vleugelslagpennen naakt, behalve aan het einde waar zich een schijfvormige vlag bevindt.65In weder een ander geslacht van nachtzwaluwen zijn de staartvederen zelfs nog verbazender ontwikkeld, zoodat wij zien, hoe de mannetjes van nauw verwante vogels de zelfde soort van versiering verkrijgen door de ontwikkeling van geheel verschillende vederen.Het is een merkwaardig feit, dat de vederen van tot verschillende groepen behoorende vogels op bijna volkomen de zelfde bijzondere wijze zijn gewijzigd. Zoo zijn de vleugelslagpennen bij een der bovenvermelde nachtzwaluwen naakt langs de schacht en eindigen in een schijfvormige vlag; of zijn, zooals zij somtijds worden genoemd, lepel- of raketvormig. Vederen van deze soort komen ook voor in den staart van een Motmot (Eumomota superciliaris), van een ijsvogel, vink, kolibri, papegaai, onderscheidene Indische Drongo-klauwieren,DicrurusenEdolius, bij een waarvan de schijf verticaal staat, en in den staart van sommige Paradijsvogels. Bij deze laatste vogels versieren soortgelijke, van fraaie oogvlekken (ocelli) voorziene vederen den kop, evenals ook bij sommige Hoenderachtige Vogels het geval is. Bij een Indische trapgans (Sypheotides auritus) eindigen ook de vederen waaruit de, omtrent 1 decimeter lange, vederbossen aan de ooren bestaan, in schijven.66De vlag van de vederen is ook bij onderscheidene zeer verschillende vogels draad- of donsachtig, b.v. bij sommige Reigers, Ibissen, Paradijsvogels en Hoenderachtige Vogels. In andere gevallen verdwijnt de vlag, en blijven de schachten naakt; en deze bereiken in den staart vanParadisea apodaeen lengte van 85 centimeter.67Wanneer kleinere vederen op die wijze zijn ontbloot, zien zij er uit als borstels, zooals op de borst van den kalkoenschen haan. Gelijk de mensch er toe komt om elke voorbijgaande mode in de kleeding te bewonderen, zoo schijnt ook bij de vogels elke soort van verandering in het maaksel of de kleur van de vederen van het mannetje door het wijfje te zijn bewonderd. Het feit, dat de vederen in zeer verschillende groepen op overeenkomstige wijze zijn gewijzigd, is ongetwijfeld oorspronkelijk het gevolg geweest[71]van de omstandigheid, dat al de vederen bijna het zelfde maaksel en de zelfde ontwikkelingswijze hadden en bijgevolg geneigd waren op de zelfde wijze te varieeren. Wij zien dikwijls neiging tot overeenkomstige verandering in het gevederte van onze tot verschillende soorten behoorende tamme rassen. Zoo hebben zich bij onderscheidene soorten kuiven gevormd. Bij een uitgestorven verscheidenheid van den kalkoen bestond de kuif uit naakte schachten met donzige uiteinden, zoodat zij tot op zekere hoogte op de boven beschreven raketvormige vederen geleken. Bij sommige duiven- en hoenderrassen zijn de vederen donsachtig met eenige neiging in de schachten om naakt te worden. Bij de Sebastopol-gans zijn de schoudervederen zeer verlengd, gekruld of zelfs spiraalvormig ineengerold, met donzige randen.68Ten opzichte der kleur behoeft hier nauwelijks iets te worden gezegd; want iedereen weet, hoe prachtig de kleuren der vleugels zijn, en hoe harmonisch zij zijn samengevoegd. De kleuren zijn dikwijls metaalglanzend en iriseerend. Cirkelvormige vlekken worden dikwijls omringd door een of meer verschillend geschakeerde gordels, en worden in oogvlekken (ocelli) veranderd. Er behoeft hier ook niet veel te worden gezegd over de wondervolle verschillen tusschen de seksen, noch over de uiterste schoonheid van de mannetjes van vele vogels. De gewone pauw levert een treffend voorbeeld. Vrouwelijke paradijsvogels zijn donker gekleurd en van alle versierselen ontbloot, terwijl de mannetjes waarschijnlijk de meest versierde van alle vogels zijn en daarin zooveel verscheidenheid vertoonen, dat men ze moet zien om ze naar waarde te schatten. De verlengde goudoranjekleurige siervederen die van onder de vleugels van Paradisea apoda ontspringen (zie Fig 40;P. rubra, een veel minder fraaie soort, voorstellende), vormen volgens de beschrijving, als zij verticaal worden opgericht en in trilling gebracht, een soort van halo(6), in het midden waarvan de kop „er uitziet als een kleine smaragden zon waarvan de stralen door de siervederen worden gevormd.”69Bij een andere bijzonder fraaie soort is de kop naakt „en van een rijk kobaltblauw, overkruist door verscheidene lijnen van zwarte fluweelachtige vederen.”70[72]Fig. 40.Fig. 40.Paradisea rubra, mannetje (naar Brehm).Fig. 41.Fig. 41.Paradisea papuana, voor het wijfje pronkende (T. W. Wood).De mannetjes der Kolibri’s (Fig.42en43) wedijveren in schoonheid bijna met de Paradijsvogels, gelijk iedereen zal toegeven, die de prachtige werken van den heer Gould of zijn rijke verzameling heeft gezien. Het is zeer opmerkelijk, op hoevele verschillende wijzen deze vogels[73]zijn versierd. Bijna elk deel van hun vederbos is daartoe gebruikt en gewijzigd; en de wijzigingen zijn, gelijk de heer Gould mij toonde, bij sommige soorten, tot bijna elke ondergroep behoorende, tot een verwonderlijk uiterste gedreven. Dergelijke gevallen gelijken merkwaardig veel op die welke wij bij onze tamme liefhebberijvogels[74]zien, die door den mensch tot versiering zijn opgekweekt; sommige individu’s varieerden oorspronkelijk in het eene kenmerk, en andere tot de zelfde soort behoorende individu’s in een ander kenmerk; en deze zijn door den mensch aangegrepen en tot het uiterste vermeerderd,—[75]gelijk bij voorbeeld de staart van de Pauwduif, de kuif van de Jacobijner-duif, de bek en vleeschlap van de Postduif en zoo verder. Het eenige verschil tusschen deze gevallen is, dat in het eene geval de uitslag[76]het gevolg is van de teeltkeus van den mensch, terwijl zij in het andere, zooals bij de Kolibri’s, Paradijsvogels enz., het gevolg is van seksueele teeltkeus,—dat is van het door de wijfjes voor de voortteling uitkiezen van de fraaiste mannetjes.Fig. 42.Fig. 42.Lophornis ornatus, mannetje en wijfje (naar Brehm).Fig. 43.Fig. 43.Spathura Underwoodi, mannetje en wijfje (naar Brehm).Ik zal slechts éénen anderen vogel vermelden, merkwaardig door de uitermate groote tegenstelling (contrast) in kleur tusschen de seksen, namelijk den Klokvogel (Chasmorhynchus niveus) van Zuid-Amerika, wiens geluid kan worden onderscheiden op den afstand van omtrent 4½ kilometer, en iedereen in verbazing brengt, die het voor het eerst hoort. Het mannetje is zuiver wit, terwijl het wijfje donkergroen is; en de eerste kleur is bij het land bewonende soorten, van matige grootte en van vreedzame levenswijze, zeer zeldzaam. Het mannetje bezit ook, volgens de beschrijving van Waterton, een spiraalvormige buis, omtrent 7½ centimeter lang, die uit het grondvlak van den snavel ontspringt. Zij is gitzwart en dicht bezet met kleine donsachtige veêrtjes. Deze buis kan met lucht worden opgeblazen door een verbinding met het verhemelte; en als zij niet is opgeblazen, hangt zij aan de eene zijde naar beneden. Het geslacht bestaat uit vier soorten, waarvan de mannetjes zeer verschillend zijn, terwijl de wijfjes, gelijk door den heer Sclater in een hoogst belangwekkende verhandeling is beschreven, zeer veel op elkander gelijken, en dus een uitnemend voorbeeld opleveren van den gewonen regel, dat binnen de grenzen van eene en de zelfde groep de mannetjes meer van elkander verschillen dan de wijfjes. Bij een tweede soort (C. nudicollis) is het mannetje eveneens sneeuwwit, met uitzondering van een breede strook naakte huid aan de keel en rondom de oogen, welke gedurende den paartijd een schoone groene kleur heeft. Bij een derde soort (C. tricarunculatus) zijn alleen de kop en de hals van het mannetje wit, terwijl het overige van het lichaam kastanjebruin is, en het mannetje van deze soort is voorzien van drie draadvormige aanhangsels die de halve lengte van het lichaam bezitten,—waarvan er een uit het grondvlak van den snavel en de beide andere uit de hoeken van den bek ontspringen.71Het gekleurde gevederte en sommige andere versierselen van de mannetjes, als zij volwassen zijn, worden, hetzij levenslang behouden of periodiek vernieuwd gedurende den zomer en den paartijd. In dat jaargetijde[77]veranderen de snavel en de naakte huid aan den kop veelvuldig van kleur, gelijk bij sommige reigers, ibissen, meeuwen, een van de zooeven vermelde klokvogels enz. Bij den witten ibis worden de wangen, de voor opblazing vatbare huid aan de keel en het grondgedeelte van den snavel dan karmozijnrood.72Bij een van de Ralachtige vogels,Gallicrex cristatus, ontwikkelt zich gedurende dat zelfde tijdperk een roode lel op den kop van het mannetje. Evenzoo is het gelegen met een dunnen, hoornachtigen kam op den snavel van een der pelikanen,P. erythrorhynchus; want na den paartijd worden deze hoornachtige kammen afgeworpen gelijk de horens van den kop der herten, en men vond de kust van een eiland in een meer in Nevada met deze merkwaardige afgeworpen deelen bedekt.73Kleurveranderingen in het gevederte, die met het jaargetijde in betrekking staan, hangen ten eerste van een dubbele jaarlijksche ruiing, ten tweede van een werkelijke kleurverandering van de vederen zelven, en ten derde van het op vaste tijden afwerpen van hun dof gekleurde randen, of van een in meerdere of mindere mate vereenigde werking van deze drie oorzaken af. Het afwerpen van de daarvoor vatbare randen kan worden vergeleken met het door zeer jonge vogels afwerpen van hun dons; want het dons ontspruit in de meeste gevallen uit de toppen van de eerste ware vederen.74Wat de vogels aangaat, die jaarlijks een dubbele ruiing ondergaan, zoo zijn er, ten eerste, eenige soorten, bij voorbeeld snippen, zwaluw-plevieren (Glareola) en wulpen bij welke de beide seksen op elkander gelijken en in geen der jaargetijden van kleur veranderen. Ik weet niet, of het wintergevederte dikker en warmer is dan het zomergevederte, hetgeen, wanneer er geen kleurverandering plaats grijpt, de meest waarschijnlijke oorzaak van een dubbele ruiing schijnt te zijn. Ten tweede zijn er vogels, bij voorbeeld zekere soorten van Ruiters (Totanus) en andere Steltloopers (Grallatores), waarvan de seksen op elkander gelijken, maar een eenigszins verschillend zomer- en wintergevederte hebben. Het verschil in kleur is echter in deze gevallen zoo gering, dat het moeilijk een voordeel voor hen kan zijn, en mag dan wellicht worden toegeschreven aan de verschillende levensvoorwaarden waaraan de vogels gedurende de beide jaargetijden zijn blootgesteld. Ten derde[78]zijn er vele andere vogels bij welke de seksen op elkander gelijken, doch die zeer verschillend zijn in hun zomer- en in hun wintergevederte. Ten vierde zijn er vogels bij welke de seksen van elkander in kleur verschillen, doch de wijfjes, hoewel tweemaal ruiende, het geheele jaar door de zelfde kleuren behouden, terwijl de mannetjes een kleurverandering, en soms, zooals met zekere trapganzen het geval is, een groote kleurverandering ondergaan. Ten vijfde en ten laatste zijn er vogels bij welke de seksen zoowel in zomer- als in wintergevederte van elkander verschillen, doch het mannetje bij elk terugkeerend jaargetijde een grootere verandering ondergaat dan het wijfje, waarvan de kemphaan (Machetes pugnax) een goed voorbeeld oplevert.Wat de oorzaak of het doel aangaat van de verschillen in kleur tusschen het zomer- en wintergevederte, zoo kan dit wellicht in sommige gevallen, gelijk in dat van het sneeuwhoen75, gedurende beide jaargetijden tot bescherming dienen. Als het verschil gering is, mag het wellicht, gelijk reeds is opgemerkt, aan de directe werking der levensvoorwaarden worden toegeschreven.Bij vele vogels kan het echter nauwelijks worden betwijfeld, of het zomergevederte dient tot versiering, zelfs wanneer beide seksen gelijk zijn. Wij mogen besluiten, dat dit het geval is met vele reigers, zilverreigers enz.; want zij verkrijgen hun schoone siervederen alleen gedurende den paartijd. Daarenboven zijn dergelijke siervederen, kuiven enz., hoewel beide seksen ze bezitten, nu en dan een weinig meer ontwikkeld bij het mannetje dan bij het wijfje; en zij gelijken op de vederen en versierselen die bij andere vogels alleen door de mannetjes worden bezeten. Het is ook bekend, dat opsluiting dikwijls, door in te werken op het voortplantingsstelsel van mannelijke vogels, de ontwikkeling van hun secundaire seksueele kenmerken verhindert, maar geen onmiddellijken invloed heeft op eenig ander kenmerk, en de heer Bartlett meldt mij, dat acht of negen voorwerpen van den kanoetstrandlooper (Tringa canutus) in den Londenschen dierentuin hun onversierd wintergevederte het geheele jaar door behielden, uit welk feit wij mogen afleiden, dat het zomergevederte,[79]hoewel aan beide seksen gemeen, in de natuur van het uitsluitend mannelijke gevederte van vele andere vogels deelt.76Uit de voorgaande feiten, meer bijzonder uit de omstandigheid, dat bij zekere vogels geen van beide seksen gedurende een der beide jaarlijksche ruiingen van kleur verandert, of zoo weinig verandert, dat de verandering hun moeilijk eenigermate van dienst kan zijn, en dat bij andere soorten de wijfjes, hoewel zij tweemaal ruien, toch het geheele jaar door de zelfde kleuren behouden, mogen wij besluiten, dat de gewoonte om tweemaal in het jaar te ruien, niet is verkregen, opdat het mannetje gedurende den paartijd er sierlijk uit zou zien, maar dat van de dubbele ruiing, oorspronkelijk met eenig ander doel verkregen, later in sommige gevallen partij is getrokken om een bruiloftskleed te verkrijgen.Het schijnt op het eerste gezicht een verwonderlijke omstandigheid, dat bij nauw verwante vogels sommige soorten geregeld tweemaal ’s jaars ruien en andere slechts eenmaal. Het sneeuwhoen, bij voorbeeld, ruit tweemaal of zelfs driemaal ’s jaars, en het korhoen slechts eenmaal; sommige van de prachtig gekleurde Honigvogels (Nectariniae) van Indië en sommigeondergeslachtenvan donker gekleurde Piepers (Anthus) hebben een dubbele, en andere slechts een enkele jaarlijksche ruiing.77De overgangen in de wijze van ruien, die men weet, dat bij onderscheidene vogels voorkomen, toonen ons echter, hoe soorten, of geheele groepen van soorten, oorspronkelijk hun dubbele jaarlijksche ruiing verkregen, of na eens die gewoonte te hebben verkregen, haar daarna weder kunnen hebben verloren. Bij zekere trapganzen en Plevierachtige Vogels is de voorjaarsruiing ver van volkomen, daar sommige vederen worden vernieuwd, terwijl andere alleen van kleur veranderen. Er is ook reden om te gelooven, dat bij zekere trapganzen en Ralachtige Vogels die eigenlijk een dubbele jaarlijksche ruiing ondergaan, sommige van de oudere mannetjes hun bruiloftsgevederte het[80]geheele jaar door behouden. Soms worden gedurende de lente slechts eenige weinige gewijzigde vederen bij het gevederte gevoegd, zooals het geval is met de schijfvormige staartvederen van zekere Indische drongo-klauwieren (Bhringa), en met de verlengde vederen op den rug, hals en kop van zekere reigers. Door dergelijke trapsgewijze overgangen zou de voorjaarsruiing hoe langer hoe vollediger kunnen worden, totdat eindelijk een volkomen dubbele ruiing was verkregen. Men kan ook aantoonen, dat er een overgang bestaat in de lengte van tijd gedurende welken elk der beide jaarlijksche gevederten wordt behouden, zoodat het eene er toe kan komen om het geheele jaar te worden behouden, omdat het andere volkomen verloren gaat. Zoo houdt de kemphaan (Machetes pugnax) zijn halskraag in het voorjaar slechts twee maanden lang. Het mannetje van denweduwvogel(Chera progne) verkrijgt in Natal zijn schoon gevederte en lange staartvederen in December of Januari en verliest ze in Maart, zoodat zij slechts gedurende omtrent drie maanden behouden blijven. De meeste soorten die een dubbele ruiing ondergaan, behouden hun tot versiering dienende vederen omstreeks zes maanden. Het mannetje van het wilde hoen (Gallus bankiva) behoudt echter de sikkelvormige vederen aan zijn hals gedurende negen of tien maanden; en wanneer deze worden afgeworpen, zijn de daaronder liggende zwarte vederen van den hals geheel aan het gezicht blootgesteld. Maar bij den tammen afstammeling van deze soort worden de sikkelvormige vederen aan den hals onmiddellijk door nieuwe vervangen, zoodat wij hier ten opzichte van een deel van het gevederte zien, hoe in den getemden staat een dubbele ruiing in een enkele is overgegaan.78Het is algemeen bekend, dat het mannetje van de gewone eend (Anas boschas) na den paartijd zijn mannelijk gevederte gedurende een tijd van drie maanden verliest, gedurende welken hij dat van het wijfje aanneemt. De mannelijke pijlstaarteend (Anas acuta) verliest zijn[81]gevederte voor den korteren tijd van zes weken of twee maanden, en Montagu merkt op, dat „deze dubbele ruiing binnen een zoo korten tijd een hoogst buitengewone omstandigheid is, die elke menschelijke redeneering schijnt te tarten.” Hij echter, die aan de trapsgewijze wijziging der soorten gelooft, zal volstrekt geen verwondering gevoelen, als hij overgangen van allerlei aard vindt. Als de mannelijke pijlstaarteend zijn nieuw gevederte binnen een nog korter tijdperk verkreeg, zouden de nieuwe mannelijke vederen bijna noodzakelijk met de oude, en beide met sommige die aan het wijfje eigen zijn, worden vermengd; en dit schijnt met het mannetje van een verwante soort, namelijk den pinduiker (Merganser serrator) het geval te zijn, want men zegt, dat de mannetjes „een verandering van gevederte ondergaan, die hen tot op zekere hoogte aan het wijfje gelijk maakt. Door een kleine nieuwe versnelling van het proces zou de dubbele ruiing geheel verloren gaan.”79Sommige mannelijke vogels worden, zooals boven is medegedeeld, in de lente levendiger gekleurd, niet door een voorjaarsruiing, maar hetzij door een werkelijke kleurverandering in de vederen of doordat de dof gekleurde randen daarvan worden afgeworpen. Aldus veroorzaakte kleurveranderingen kunnen langeren of korteren tijd duren. Zoo verspreidt zich in de lente over het geheele gevederte vanPelacanus onocrotaluseen fraaie rozeroode tint, met citroenkleurige vlekken op de borst; maar de heer Sclater getuigt, dat deze kleuren „niet lang duren, daar zij over het algemeen omstreeks zes weken of twee maanden, nadat zij zijn verkregen, weder verdwijnen.” Sommige soorten van vinken werpen de randen van hun vederen in de lente af en worden dan levendiger gekleurd, terwijl andere vinken geen dergelijke verandering ondergaan. Zoo prijktFringilla tristisvan de Vereenigde Staten (zoowel als vele andere Amerikaansche soorten) alleen met haar levendige kleuren, als de winter voorbij is, terwijl onze distelvink welke met dezen vogel nauwkeurig in levenswijze, en ons sijsje dat er nog nauwkeuriger in maaksel mede overeenkomt, een dergelijke verandering niet ondergaan. Een verschil van dezen aard in het gevederte van verwante soorten is echter niet te verwonderen; want het gewone kneutje dat tot de zelfde Familie behoort, prijkt in Engeland[82]alleen gedurende den zomer met een karmozijnen voorhoofd en borst, terwijl het in Madera deze kleuren gedurende het geheele jaar houdt.80Het Pronken van Mannelijke Vogels met hun Gevederte.—De mannetjes pronken ijverig met hun versierselen van allerlei soort, hetzij zij hen bestendig of slechts tijdelijk behouden, en gebruiken ze blijkbaar om de wijfjes op te wekken, aan te trekken of te bekoren. Soms zullen de mannetjes echter met hun versierselen pronken, hoewel zij niet in tegenwoordigheid van de wijfjes zijn, zooals nu en dan geschiedt met Boschhoenders op hun balz-plaatsen, en zooals bij den pauw kan worden opgemerkt. Deze laatste vogel verlangt echter blijkbaar iemand die naar hem ziet, en zal zijn pracht, zooals ik dikwijls heb gezien, voor kippen of zelfs voor biggen ten toon spreiden.81Alle natuuronderzoekers die nauwkeurig acht hebben gegeven op de gewoonten van vogels, hetzij in den natuurstaat of in tammen staat, zijn eenparig van oordeel, dat de mannetjes er behagen in scheppen om met hun schoonheid te pronken. Audubon spreekt er dikwijls van, dat het mannetje op onderscheidene wijze het wijfje tracht te bekoren. De heer Gould zegt, na eenige bijzonderheden van een mannelijken kolibri te hebben beschreven, dat hij niet twijfelt, of dit dier bezit het vermogen om ze op de voordeeligste wijze voor het wijfje ten toon te spreiden. Dr. Jerdon82drukt er op, dat het schoone gevederte van het mannetje dient „om het wijfje te betooveren en aan te trekken.” De heer Bartlett drukte zich in den Londenschen Dierentuin omtrent dit onderwerp in de sterkste bewoordingen tegen mij uit.
Fig. 27.Fig. 27.Buitenste staartveder vanScolopax gallinago, naar Proc. Zoolog. Soc., 1858.Fig. 28.Fig. 28.Buitenste staartveder vanScolopax frenata.Fig. 29.Fig. 29.Buitenste staartveder vanScolopax Javensis.Bij het mannetje vanChamaepetes unicolor(een groote Hoenderachtige Vogel van Amerika) is de eerste primaire slagpen van den vleugel[61]naar het einde toe gebogen en veel dunner dan bij het wijfje. Bij een verwanten vogel, dePenelope nigra, nam de heer Salvin een mannetje waar, dat, terwijl hij naar beneden vloog met uitgestrekte vleugels, een soort van krakend, ruischend geluid maakte, gelijk dat van een boom die omvalt.53Alleen bij het mannetje van de Indische trapganzen (Sypheotides auritus) loopen de primaire slagpennen van de vleugels zeer puntig toe; en het is bekend, dat het mannetje van een verwanten vogel een gonzend geluid voortbrengt, terwijl hij aan het wijfje het hof maakt.54Bij een zeer verschillende groep van vogels, namelijk de Kolibri’s, zijn alleen bij de mannetjes van sommige soorten de schachten van hun primaire vleugelslagpennen sterk verbreed of de vlaggen plotseling naar het uiteinde toe uitgesneden. Bij het mannetje vanSelasphorus platycercusis, bij voorbeeld, als hij volwassen is, de eerste primaire vleugelslagpen (Fig.30) op die wijze uitgesneden. Terwijl hij van bloem tot bloem vliegt, maakt hij „een schril bijna fluitend geluid”55; maar het scheen den heer Salvin toe, dat dit geluid niet met opzet werd gemaakt.Fig. 30 en 31.Fig. 30 en 31.Fig. 30. Primaire vleugel-slagpen van het mannetje van een Kolibri (Selasphorus platycercus), naar een schets van den heer Salvin.Fig. 31. Overeenkomstige slagpen van het wijfje naar een schets van den heer Salvin.Bij onderscheidene soorten van een ondergeslacht vanPipraofManakineindelijk zijn desecundairevleugel-slagpennen bij de mannetjes op nog opmerkelijker wijze gewijzigd, zooals door den heer Sclater is beschreven. Bij de schitterend gekleurdeP. deliciosahebben de drie eerste secundaire vleugel-slagpennen dikke schachten en zijn naar het lichaam toe gekromd; bij de vierde en vijfde (Fig.32) is de verandering grooter en bij de zesde (Fig.33) en zevende (Fig.34) „is de schacht in buitengewone mate verdikt, zoodat zij een stevigen, hoornachtigen klomp vormt.” Ook de vlag is geheel van gedaante veranderd, in vergelijking met de overeenkomstige slagpennen (Fig.35,36,37) van het wijfje. Zelfs[62]de beenderen van den vleugel, die deze vreemde slagpennen bij het mannetje ondersteunen, zijn, volgens den heer Fraser, zeer verdikt. Deze kleine vogels maken een buitengewoon geluid, waarvan de eerste „hooge noot niet ongelijk is aan een zweepslag.”56Fig. 32.Fig. 32.Fig. 33.Fig. 33.Fig. 34.Fig. 34.Fig. 35.Fig. 35.Fig. 36.Fig. 36.Fig. 37.Fig. 37.Secundaire vleugel-slagpennen vanPipra deliciosa(naar den heer Sclater, inProc. Zool. Soc., 1860). De drie bovenste slagpennen (fig.32,33,34) van het mannetje; de drie onderste overeenkomstige slagpennen (fig.35,36,37) van het wijfje.Fig.32en35. Vijfde secundaire vleugel-slagpen van het mannetje en van het wijfje. Fig.33en36zesde secundaire slagpen, bovenvlak. Fig.34en37zevende secundaire slagpen, ondervlak.De verscheidenheid van de geluiden, zoowel vocale als instrumentale, door de mannetjes van vele soorten gedurende den paartijd voortgebracht, en de verscheidenheid van de middelen om die geluiden voort te brengen, zijn hoogst opmerkelijk. Wij krijgen daardoor een hoog denkbeeld van haar belangrijkheid voor seksueele doeleinden, en worden herinnerd aan het zelfde besluit ten opzichte van Insekten. Het is niet moeilijk zich de trappen voor te stellen, door welke de noten van een vogel, oorspronkelijk eenvoudig gebruikt als een roepstem of voor eenig ander doel, zouden kunnen zijn verbeterd tot een welluidenden liefdezang. Dit is iets moeilijker in het geval van de gewijzigde vederen, waardoor de trommelende, fluitende of bulderende geluiden worden voortgebracht. Wij hebben echter gezien, dat sommige vogels gedurende hun[63]vrijage hun ongewijzigde vederen doen fladderen, schudden of tegen elkander doen ratelen; en indien de wijfjes er toe kwamen hen die dit het best deden, voor de paring uit te kiezen, zouden de mannetjes die op een of ander deel van het lichaam de sterkste of dikste, of het spitst toeloopende vederen bezaten, het best slagen; en zoo zouden door langzame overgangstrappen de vederen in bijna elken graad kunnen zijn gewijzigd. De wijfjes zouden natuurlijk niet elke geringe opeenvolgende verandering van vorm, maar alleen de daardoor voortgebrachte geluiden opmerken. Het is een merkwaardig feit, dat, in de zelfde Klasse van dieren, geluiden zoo verschillend als het getrommel van den staart van de snip, het getik van den snavel van den specht, het krijschende, op het geluid van een trompet gelijkende geschreeuw van sommige watervogels, het gekir van de tortelduif en het gezang van den nachtegaal alleen aan de wijfjes van de onderscheidene soorten zou behagen. Wij moeten echter den smaak van verschillende soorten niet naar den zelfden maatstaf afmeten, en ook niet afmeten naar den maatstaf van den mensch. Zelfs bij den mensch moeten wij bedenken, welke wanluidende tonen, het slaan op tamtams en de schrille noten van rietfluitjes, aan de ooren van wilden behagen. Sir S. Baker merkt op57, dat „evenals de maag van een Arabier de voorkeur geeft aan het rauwe vleesch en de dampende lever, van het nog warme dier afgesneden, zijn oor ook aan zijn even ruwe wanluidende muziek boven elke andere de voorkeur geeft.”Fig. 38.Fig. 38.Priëelvogel (Chlamydera maculata), met zijn priëel (naar Brehm).Liefde-Vertooningen en Dansen.—Van de merkwaardige liefdegebaren van sommige vogels, vooral van de Hoenderachtigen (Gallinaceae) is reeds hier en daar gesproken, zoodat er slechts weinig behoeft te worden bijgevoegd. In Noordelijk Amerika verzamelen zich zekere Bosch-hoenders (Tetrao phasianellus) gedurende den paartijd elken morgen in groote menigte op een daartoe gekozen vlakke plaats, en loopen daar voortdurend in de rondte in een cirkel van ongeveer 15 of 20 voet middellijn, zoodat de grond geheel kaal is gesleten, gelijk een heksenkring. Bij deze „Patrijzendansen”, zooals zij door de jagers worden genoemd, nemen de vogels de vreemdsoortigste houdingen aan, en loopen rond, sommige van rechts naar links, andere in de tegenovergestelde richting. Audubon beschrijft de mannetjes van zekere reigersoort (Ardea herodias), die op hun lange pooten met groote waardigheid voor de wijfjes heên en weder loopen, en zoo hun mededingers uitdagen.[64]Van een van de walgelijke Aasgieren (Cathartes jota) getuigt de zelfde natuuronderzoeker, dat „de gebaren en de parade van het mannetje in ’t begin van het jaargetijde der liefde uiterst grappig zijn.”[65]Sommige vogels voeren hunliefdevertooningenuit in de lucht, in plaats van op den grond, zooals wij bij den zwarten Afrikaanschen wevervogel hebben gezien. Gedurende de lente verheft zich onze kleine inlandsche grasmusch (Sylvia cinerea) dikwijls eenige weinige voeten of ellen boven het kreupelhout in de lucht en „fladdert met een afwisselende en fantastische beweging, gedurig zingende, rond, en daalt daarna weder neêr op den tak waarop zij zat.” De groote Engelsche trapgans neemt onbeschrijfelijk koddige houdingen aan, terwijl hij het wijfje het hof maakt, gelijk hij door Wolf is afgebeeld. Een verwante Indische trapgans (Otis bengalensis) verheft zich daarbij loodrecht in de lucht, snel met zijn vleugels klepperende, zijn kuif overeind doende rijzen en de vederen van zijn nek en borst opzettende, en daalt daarna weder op den grond neder; hij herhaalt die beweging achtereenvolgens verscheidene malen, tegelijkertijd een bijzonder geluid makende. De wijfjes die toevallig in de nabijheid zijn, „gehoorzamen aan deze springlustige oproeping”, en als zij naderen, laat hij zijn vleugels zakken, en spreidt zijn staart uit gelijk een kalkoensche haan.58Fig. 39.Fig. 39.Het Prairiehoen (Tetrao cupido), naar Brehm, om de vederbossen aan de ooren te toonen.Het merkwaardigste geval wordt echter opgeleverd door drie verwante geslachten van Australische vogels, de vermaarde Priëelvogels—ongetwijfeld gezamenlijk afstammelingen van de eene of andere oude soort die het eerst het vreemde instinkt verkreeg om priëeltjes te bouwen om daarin hun liefde-vertooningen te volbrengen. De priëelen (Fig.38), die, zooals wij later zullen zien, zeer zijn opgesierd met vederen, schelpen, beenderen en bladeren, worden op den grond gebouwd, alleen met het doel om daarin te vrijen; want hun nesten worden in boomen gebouwd. Beide seksen helpen de priëelen bouwen; maar het mannetje is de voornaamste werkman. Zoo sterk is dit instinkt, dat het in gevangen staat wordt uitgeoefend, en de heer Strange heeft de gewoonten beschreven van eenige Satijnvogels(5)die hij in zijn vogelhuis (volière) in Nieuw Zuid·Wallis hield.59„Somtijds zal het mannetje het wijfje door het geheele vogelhuis nazitten, dan naar het priëel[66]gaan, een fraaie veder of een groot blad oppikken, een merkwaardig soort van geluid maken, al zijn vederen opzetten, rondom het priëel loopen en zoo opgewekt worden, dat zijn oogen op het punt schijnen van uit zijn kop te springen”; hij gaat voort door eerst den eenen,[67]daarna den anderen vleugel te openen, een lagen fluitenden toon voort te brengen, en schijnt, evenals de gewone huishaan, bezig met iets van den grond op te pikken, totdat eindelijk het wijfje hupsch naar hem toe komt. Kapitein Stokes heeft de levenswijze en „speelhuizen” van een andere soort, den Grooten Priëelvogel, beschreven, dien hij „zich zag vermaken met achteruit en vooruit te vliegen, een schelp beurtelings aan beide zijden vastpakkende en die in zijn bek door den ingang dragende.” Deze merkwaardige priëelen, alleen gemaakt als zalen van bijeenkomst, waar beide seksen zich vermaken en elkander het hof[68]maken, moeten den vogels veel arbeid kosten. Het priëel van de soort met vaalbruine borst is bij voorbeeld bijna 12 decimeter lang,41,5hoog en staat op een dik terras van twijgen.Fig. 39a.Fig. 39a.Tetrao cupido, voor het wijfje pronkende (J. W. Wood).Versiering.—Ik zal eerst de gevallen bespreken, waarin de mannetjes hetzij uitsluitend of in veel hooger mate zijn versierd dan de wijfjes; en in een volgend hoofdstuk die waarin beide seksen evenzeer zijn versierd, en eindelijk de zeldzame gevallen waarin het wijfje iets levendiger is gekleurd dan het mannetje. Evenals bij de kunstmatige versierselen die door wilde en beschaafde menschen worden gebruikt,aanhet hoofd, zoo is ook bij de natuurlijke versierselen der vogels de kop de hoofdzetel van de versiering.60In de versierselen heerscht, gelijk in het begin van dit hoofdstuk is vermeld, een verwonderlijke verscheidenheid. De siervederen van het voorhoofd of de achterzijde van het hoofd bestaan uit vederen van verschillenden vorm, die soms kunnen worden ten toon gesteld. Nu en dan komen sierlijke vederbossen aan de ooren voor (Fig.39). De kop is soms bedekt met fluweelachtig dons, gelijk die van den fazant, of hij is naakt en levendig gekleurd of hij draagt vleeschachtige aanhangsels, draden of met uit vaste stof gevormde knobbels. Ook de keel is soms met een baard of met vleeschlappen of lellen voorzien. Dergelijke aanhangsels zijn over het algemeen levendig gekleurd en dienen ongetwijfeld tot versiering, al verhoogen zij in onze oogen niet altijd de schoonheid; want, terwijl het mannetje bezig is met het wijfje het hof te maken, zwellen zij dikwijls op en verkrijgen levendiger kleuren, gelijk in het geval van den kalkoenschen haan. Op zulke tijden zwellen de vleeschachtige aanhangsels aan den kop van den mannelijken Tragopan-fazant (Ceriornis Temminckii) op tot een groote strook aan de keel en tot twee horens, een aan elke zijde van de prachtige kuif; en deze bezitten dan de levendigste blauwe kleur die ik ooit heb gezien. De Afrikaansche Neushorenvogel (Buccros Abyssinicus) blaast den scharlakenrooden, op een blaas gelijkenden vleeschlap aan zijn hals op, en zijn vleugels omlaag houdende en zijn staart uitspreidende, „maakt hij wezenlijk een voornaam figuur.”61Zelfs het regenboogvlies (iris) van het oog is soms bij het mannetje[69]levendiger gekleurd dan bij het wijfje; en dit is veelvuldig het geval met den snavel, bij voorbeeld bij onze gewone merel of zwarte lijster. Bij een andere soort van Neushorenvogel (Buceros corrugatus) zijn de geheele snavel en de verbazend groote helm bij het mannetje opzichtiger gekleurd dan bij het wijfje, en „de schuinsche groeven op de zijden van de onderkaak zijn uitsluitend aan het mannetje eigen.”62Ook de kop draagt dikwijls vleezige of ook wel draadvormige aanhangsels en vaste uitwassen. Indien deze niet aan beide seksen gemeen zijn, zijn zij altijd tot de mannetjes beperkt. De vaste uitwassen zijn uitvoerig beschreven door Dr. W. Marshall63, die aantoont, dat zij zijn gevormd, hetzij van spongieus been met huid bedekt, of van huid- en andere weefsels. Bij zoogdieren rusten ware horens altijd op de voorhoofdsbeenderen, maar bij vogels zijn verschillende beenderen tot dit doel gewijzigd; en bij soorten van de zelfde groep kunnen de uitsteeksels beenpitten hebben, of die geheel missen, met tusschenliggende ontwikkelingstrappen welke deze beide uitersten verbinden. Gelijk Dr. Marshall terecht opmerkt, hebben dus variaties van de meest verschillende soort gediend tot ontwikkeling door seksueele teeltkeus van deze tot versiering dienende aanhangsels.De mannetjes zijn dikwijls versierd met verlengde vederen die op bijna elk deel van het lichaam ontspringen. De vederen aan de keel en op de borst zijn dikwijls ontwikkeld tot fraaie halskragen en de staartvederen zijn dikwijls verlengd, zooals wij bij de staartdekvederen van den pauw en bij den staart van den Argus-fazant zien. Het lichaam van dezen laatsten vogel is niet grooter dan dat van een hoen, en toch is de lengte van de punt van den snavel tot het uiteinde van den staart niet minder dan 1 meter 6 decimeter.64De vleugelvederen zijn lang zoo veelvuldig niet verlengd als de staartvederen; want de verlenging daarvan zou voor het vliegen nadeelig zijn. Toch zijn de van fraaie oogvlekken (ocelli) voorziene secundaire vleugelslagpennen van den mannelijken Argus-fazant omtrent 9 decimeter lang; en bij een kleine Afrikaansche nachtzwaluw (Cosmetornis vexillarius) bereikt een der primaire vleugelslagpennen gedurende den paartijd een lengte van 65 centimeter, terwijl de vogel zelf slechts 25 centimeter lang is. Bij een[70]ander nauw verwant geslacht van nachtzwaluwen zijn de schachten van de verlengde vleugelslagpennen naakt, behalve aan het einde waar zich een schijfvormige vlag bevindt.65In weder een ander geslacht van nachtzwaluwen zijn de staartvederen zelfs nog verbazender ontwikkeld, zoodat wij zien, hoe de mannetjes van nauw verwante vogels de zelfde soort van versiering verkrijgen door de ontwikkeling van geheel verschillende vederen.Het is een merkwaardig feit, dat de vederen van tot verschillende groepen behoorende vogels op bijna volkomen de zelfde bijzondere wijze zijn gewijzigd. Zoo zijn de vleugelslagpennen bij een der bovenvermelde nachtzwaluwen naakt langs de schacht en eindigen in een schijfvormige vlag; of zijn, zooals zij somtijds worden genoemd, lepel- of raketvormig. Vederen van deze soort komen ook voor in den staart van een Motmot (Eumomota superciliaris), van een ijsvogel, vink, kolibri, papegaai, onderscheidene Indische Drongo-klauwieren,DicrurusenEdolius, bij een waarvan de schijf verticaal staat, en in den staart van sommige Paradijsvogels. Bij deze laatste vogels versieren soortgelijke, van fraaie oogvlekken (ocelli) voorziene vederen den kop, evenals ook bij sommige Hoenderachtige Vogels het geval is. Bij een Indische trapgans (Sypheotides auritus) eindigen ook de vederen waaruit de, omtrent 1 decimeter lange, vederbossen aan de ooren bestaan, in schijven.66De vlag van de vederen is ook bij onderscheidene zeer verschillende vogels draad- of donsachtig, b.v. bij sommige Reigers, Ibissen, Paradijsvogels en Hoenderachtige Vogels. In andere gevallen verdwijnt de vlag, en blijven de schachten naakt; en deze bereiken in den staart vanParadisea apodaeen lengte van 85 centimeter.67Wanneer kleinere vederen op die wijze zijn ontbloot, zien zij er uit als borstels, zooals op de borst van den kalkoenschen haan. Gelijk de mensch er toe komt om elke voorbijgaande mode in de kleeding te bewonderen, zoo schijnt ook bij de vogels elke soort van verandering in het maaksel of de kleur van de vederen van het mannetje door het wijfje te zijn bewonderd. Het feit, dat de vederen in zeer verschillende groepen op overeenkomstige wijze zijn gewijzigd, is ongetwijfeld oorspronkelijk het gevolg geweest[71]van de omstandigheid, dat al de vederen bijna het zelfde maaksel en de zelfde ontwikkelingswijze hadden en bijgevolg geneigd waren op de zelfde wijze te varieeren. Wij zien dikwijls neiging tot overeenkomstige verandering in het gevederte van onze tot verschillende soorten behoorende tamme rassen. Zoo hebben zich bij onderscheidene soorten kuiven gevormd. Bij een uitgestorven verscheidenheid van den kalkoen bestond de kuif uit naakte schachten met donzige uiteinden, zoodat zij tot op zekere hoogte op de boven beschreven raketvormige vederen geleken. Bij sommige duiven- en hoenderrassen zijn de vederen donsachtig met eenige neiging in de schachten om naakt te worden. Bij de Sebastopol-gans zijn de schoudervederen zeer verlengd, gekruld of zelfs spiraalvormig ineengerold, met donzige randen.68Ten opzichte der kleur behoeft hier nauwelijks iets te worden gezegd; want iedereen weet, hoe prachtig de kleuren der vleugels zijn, en hoe harmonisch zij zijn samengevoegd. De kleuren zijn dikwijls metaalglanzend en iriseerend. Cirkelvormige vlekken worden dikwijls omringd door een of meer verschillend geschakeerde gordels, en worden in oogvlekken (ocelli) veranderd. Er behoeft hier ook niet veel te worden gezegd over de wondervolle verschillen tusschen de seksen, noch over de uiterste schoonheid van de mannetjes van vele vogels. De gewone pauw levert een treffend voorbeeld. Vrouwelijke paradijsvogels zijn donker gekleurd en van alle versierselen ontbloot, terwijl de mannetjes waarschijnlijk de meest versierde van alle vogels zijn en daarin zooveel verscheidenheid vertoonen, dat men ze moet zien om ze naar waarde te schatten. De verlengde goudoranjekleurige siervederen die van onder de vleugels van Paradisea apoda ontspringen (zie Fig 40;P. rubra, een veel minder fraaie soort, voorstellende), vormen volgens de beschrijving, als zij verticaal worden opgericht en in trilling gebracht, een soort van halo(6), in het midden waarvan de kop „er uitziet als een kleine smaragden zon waarvan de stralen door de siervederen worden gevormd.”69Bij een andere bijzonder fraaie soort is de kop naakt „en van een rijk kobaltblauw, overkruist door verscheidene lijnen van zwarte fluweelachtige vederen.”70[72]Fig. 40.Fig. 40.Paradisea rubra, mannetje (naar Brehm).Fig. 41.Fig. 41.Paradisea papuana, voor het wijfje pronkende (T. W. Wood).De mannetjes der Kolibri’s (Fig.42en43) wedijveren in schoonheid bijna met de Paradijsvogels, gelijk iedereen zal toegeven, die de prachtige werken van den heer Gould of zijn rijke verzameling heeft gezien. Het is zeer opmerkelijk, op hoevele verschillende wijzen deze vogels[73]zijn versierd. Bijna elk deel van hun vederbos is daartoe gebruikt en gewijzigd; en de wijzigingen zijn, gelijk de heer Gould mij toonde, bij sommige soorten, tot bijna elke ondergroep behoorende, tot een verwonderlijk uiterste gedreven. Dergelijke gevallen gelijken merkwaardig veel op die welke wij bij onze tamme liefhebberijvogels[74]zien, die door den mensch tot versiering zijn opgekweekt; sommige individu’s varieerden oorspronkelijk in het eene kenmerk, en andere tot de zelfde soort behoorende individu’s in een ander kenmerk; en deze zijn door den mensch aangegrepen en tot het uiterste vermeerderd,—[75]gelijk bij voorbeeld de staart van de Pauwduif, de kuif van de Jacobijner-duif, de bek en vleeschlap van de Postduif en zoo verder. Het eenige verschil tusschen deze gevallen is, dat in het eene geval de uitslag[76]het gevolg is van de teeltkeus van den mensch, terwijl zij in het andere, zooals bij de Kolibri’s, Paradijsvogels enz., het gevolg is van seksueele teeltkeus,—dat is van het door de wijfjes voor de voortteling uitkiezen van de fraaiste mannetjes.Fig. 42.Fig. 42.Lophornis ornatus, mannetje en wijfje (naar Brehm).Fig. 43.Fig. 43.Spathura Underwoodi, mannetje en wijfje (naar Brehm).Ik zal slechts éénen anderen vogel vermelden, merkwaardig door de uitermate groote tegenstelling (contrast) in kleur tusschen de seksen, namelijk den Klokvogel (Chasmorhynchus niveus) van Zuid-Amerika, wiens geluid kan worden onderscheiden op den afstand van omtrent 4½ kilometer, en iedereen in verbazing brengt, die het voor het eerst hoort. Het mannetje is zuiver wit, terwijl het wijfje donkergroen is; en de eerste kleur is bij het land bewonende soorten, van matige grootte en van vreedzame levenswijze, zeer zeldzaam. Het mannetje bezit ook, volgens de beschrijving van Waterton, een spiraalvormige buis, omtrent 7½ centimeter lang, die uit het grondvlak van den snavel ontspringt. Zij is gitzwart en dicht bezet met kleine donsachtige veêrtjes. Deze buis kan met lucht worden opgeblazen door een verbinding met het verhemelte; en als zij niet is opgeblazen, hangt zij aan de eene zijde naar beneden. Het geslacht bestaat uit vier soorten, waarvan de mannetjes zeer verschillend zijn, terwijl de wijfjes, gelijk door den heer Sclater in een hoogst belangwekkende verhandeling is beschreven, zeer veel op elkander gelijken, en dus een uitnemend voorbeeld opleveren van den gewonen regel, dat binnen de grenzen van eene en de zelfde groep de mannetjes meer van elkander verschillen dan de wijfjes. Bij een tweede soort (C. nudicollis) is het mannetje eveneens sneeuwwit, met uitzondering van een breede strook naakte huid aan de keel en rondom de oogen, welke gedurende den paartijd een schoone groene kleur heeft. Bij een derde soort (C. tricarunculatus) zijn alleen de kop en de hals van het mannetje wit, terwijl het overige van het lichaam kastanjebruin is, en het mannetje van deze soort is voorzien van drie draadvormige aanhangsels die de halve lengte van het lichaam bezitten,—waarvan er een uit het grondvlak van den snavel en de beide andere uit de hoeken van den bek ontspringen.71Het gekleurde gevederte en sommige andere versierselen van de mannetjes, als zij volwassen zijn, worden, hetzij levenslang behouden of periodiek vernieuwd gedurende den zomer en den paartijd. In dat jaargetijde[77]veranderen de snavel en de naakte huid aan den kop veelvuldig van kleur, gelijk bij sommige reigers, ibissen, meeuwen, een van de zooeven vermelde klokvogels enz. Bij den witten ibis worden de wangen, de voor opblazing vatbare huid aan de keel en het grondgedeelte van den snavel dan karmozijnrood.72Bij een van de Ralachtige vogels,Gallicrex cristatus, ontwikkelt zich gedurende dat zelfde tijdperk een roode lel op den kop van het mannetje. Evenzoo is het gelegen met een dunnen, hoornachtigen kam op den snavel van een der pelikanen,P. erythrorhynchus; want na den paartijd worden deze hoornachtige kammen afgeworpen gelijk de horens van den kop der herten, en men vond de kust van een eiland in een meer in Nevada met deze merkwaardige afgeworpen deelen bedekt.73Kleurveranderingen in het gevederte, die met het jaargetijde in betrekking staan, hangen ten eerste van een dubbele jaarlijksche ruiing, ten tweede van een werkelijke kleurverandering van de vederen zelven, en ten derde van het op vaste tijden afwerpen van hun dof gekleurde randen, of van een in meerdere of mindere mate vereenigde werking van deze drie oorzaken af. Het afwerpen van de daarvoor vatbare randen kan worden vergeleken met het door zeer jonge vogels afwerpen van hun dons; want het dons ontspruit in de meeste gevallen uit de toppen van de eerste ware vederen.74Wat de vogels aangaat, die jaarlijks een dubbele ruiing ondergaan, zoo zijn er, ten eerste, eenige soorten, bij voorbeeld snippen, zwaluw-plevieren (Glareola) en wulpen bij welke de beide seksen op elkander gelijken en in geen der jaargetijden van kleur veranderen. Ik weet niet, of het wintergevederte dikker en warmer is dan het zomergevederte, hetgeen, wanneer er geen kleurverandering plaats grijpt, de meest waarschijnlijke oorzaak van een dubbele ruiing schijnt te zijn. Ten tweede zijn er vogels, bij voorbeeld zekere soorten van Ruiters (Totanus) en andere Steltloopers (Grallatores), waarvan de seksen op elkander gelijken, maar een eenigszins verschillend zomer- en wintergevederte hebben. Het verschil in kleur is echter in deze gevallen zoo gering, dat het moeilijk een voordeel voor hen kan zijn, en mag dan wellicht worden toegeschreven aan de verschillende levensvoorwaarden waaraan de vogels gedurende de beide jaargetijden zijn blootgesteld. Ten derde[78]zijn er vele andere vogels bij welke de seksen op elkander gelijken, doch die zeer verschillend zijn in hun zomer- en in hun wintergevederte. Ten vierde zijn er vogels bij welke de seksen van elkander in kleur verschillen, doch de wijfjes, hoewel tweemaal ruiende, het geheele jaar door de zelfde kleuren behouden, terwijl de mannetjes een kleurverandering, en soms, zooals met zekere trapganzen het geval is, een groote kleurverandering ondergaan. Ten vijfde en ten laatste zijn er vogels bij welke de seksen zoowel in zomer- als in wintergevederte van elkander verschillen, doch het mannetje bij elk terugkeerend jaargetijde een grootere verandering ondergaat dan het wijfje, waarvan de kemphaan (Machetes pugnax) een goed voorbeeld oplevert.Wat de oorzaak of het doel aangaat van de verschillen in kleur tusschen het zomer- en wintergevederte, zoo kan dit wellicht in sommige gevallen, gelijk in dat van het sneeuwhoen75, gedurende beide jaargetijden tot bescherming dienen. Als het verschil gering is, mag het wellicht, gelijk reeds is opgemerkt, aan de directe werking der levensvoorwaarden worden toegeschreven.Bij vele vogels kan het echter nauwelijks worden betwijfeld, of het zomergevederte dient tot versiering, zelfs wanneer beide seksen gelijk zijn. Wij mogen besluiten, dat dit het geval is met vele reigers, zilverreigers enz.; want zij verkrijgen hun schoone siervederen alleen gedurende den paartijd. Daarenboven zijn dergelijke siervederen, kuiven enz., hoewel beide seksen ze bezitten, nu en dan een weinig meer ontwikkeld bij het mannetje dan bij het wijfje; en zij gelijken op de vederen en versierselen die bij andere vogels alleen door de mannetjes worden bezeten. Het is ook bekend, dat opsluiting dikwijls, door in te werken op het voortplantingsstelsel van mannelijke vogels, de ontwikkeling van hun secundaire seksueele kenmerken verhindert, maar geen onmiddellijken invloed heeft op eenig ander kenmerk, en de heer Bartlett meldt mij, dat acht of negen voorwerpen van den kanoetstrandlooper (Tringa canutus) in den Londenschen dierentuin hun onversierd wintergevederte het geheele jaar door behielden, uit welk feit wij mogen afleiden, dat het zomergevederte,[79]hoewel aan beide seksen gemeen, in de natuur van het uitsluitend mannelijke gevederte van vele andere vogels deelt.76Uit de voorgaande feiten, meer bijzonder uit de omstandigheid, dat bij zekere vogels geen van beide seksen gedurende een der beide jaarlijksche ruiingen van kleur verandert, of zoo weinig verandert, dat de verandering hun moeilijk eenigermate van dienst kan zijn, en dat bij andere soorten de wijfjes, hoewel zij tweemaal ruien, toch het geheele jaar door de zelfde kleuren behouden, mogen wij besluiten, dat de gewoonte om tweemaal in het jaar te ruien, niet is verkregen, opdat het mannetje gedurende den paartijd er sierlijk uit zou zien, maar dat van de dubbele ruiing, oorspronkelijk met eenig ander doel verkregen, later in sommige gevallen partij is getrokken om een bruiloftskleed te verkrijgen.Het schijnt op het eerste gezicht een verwonderlijke omstandigheid, dat bij nauw verwante vogels sommige soorten geregeld tweemaal ’s jaars ruien en andere slechts eenmaal. Het sneeuwhoen, bij voorbeeld, ruit tweemaal of zelfs driemaal ’s jaars, en het korhoen slechts eenmaal; sommige van de prachtig gekleurde Honigvogels (Nectariniae) van Indië en sommigeondergeslachtenvan donker gekleurde Piepers (Anthus) hebben een dubbele, en andere slechts een enkele jaarlijksche ruiing.77De overgangen in de wijze van ruien, die men weet, dat bij onderscheidene vogels voorkomen, toonen ons echter, hoe soorten, of geheele groepen van soorten, oorspronkelijk hun dubbele jaarlijksche ruiing verkregen, of na eens die gewoonte te hebben verkregen, haar daarna weder kunnen hebben verloren. Bij zekere trapganzen en Plevierachtige Vogels is de voorjaarsruiing ver van volkomen, daar sommige vederen worden vernieuwd, terwijl andere alleen van kleur veranderen. Er is ook reden om te gelooven, dat bij zekere trapganzen en Ralachtige Vogels die eigenlijk een dubbele jaarlijksche ruiing ondergaan, sommige van de oudere mannetjes hun bruiloftsgevederte het[80]geheele jaar door behouden. Soms worden gedurende de lente slechts eenige weinige gewijzigde vederen bij het gevederte gevoegd, zooals het geval is met de schijfvormige staartvederen van zekere Indische drongo-klauwieren (Bhringa), en met de verlengde vederen op den rug, hals en kop van zekere reigers. Door dergelijke trapsgewijze overgangen zou de voorjaarsruiing hoe langer hoe vollediger kunnen worden, totdat eindelijk een volkomen dubbele ruiing was verkregen. Men kan ook aantoonen, dat er een overgang bestaat in de lengte van tijd gedurende welken elk der beide jaarlijksche gevederten wordt behouden, zoodat het eene er toe kan komen om het geheele jaar te worden behouden, omdat het andere volkomen verloren gaat. Zoo houdt de kemphaan (Machetes pugnax) zijn halskraag in het voorjaar slechts twee maanden lang. Het mannetje van denweduwvogel(Chera progne) verkrijgt in Natal zijn schoon gevederte en lange staartvederen in December of Januari en verliest ze in Maart, zoodat zij slechts gedurende omtrent drie maanden behouden blijven. De meeste soorten die een dubbele ruiing ondergaan, behouden hun tot versiering dienende vederen omstreeks zes maanden. Het mannetje van het wilde hoen (Gallus bankiva) behoudt echter de sikkelvormige vederen aan zijn hals gedurende negen of tien maanden; en wanneer deze worden afgeworpen, zijn de daaronder liggende zwarte vederen van den hals geheel aan het gezicht blootgesteld. Maar bij den tammen afstammeling van deze soort worden de sikkelvormige vederen aan den hals onmiddellijk door nieuwe vervangen, zoodat wij hier ten opzichte van een deel van het gevederte zien, hoe in den getemden staat een dubbele ruiing in een enkele is overgegaan.78Het is algemeen bekend, dat het mannetje van de gewone eend (Anas boschas) na den paartijd zijn mannelijk gevederte gedurende een tijd van drie maanden verliest, gedurende welken hij dat van het wijfje aanneemt. De mannelijke pijlstaarteend (Anas acuta) verliest zijn[81]gevederte voor den korteren tijd van zes weken of twee maanden, en Montagu merkt op, dat „deze dubbele ruiing binnen een zoo korten tijd een hoogst buitengewone omstandigheid is, die elke menschelijke redeneering schijnt te tarten.” Hij echter, die aan de trapsgewijze wijziging der soorten gelooft, zal volstrekt geen verwondering gevoelen, als hij overgangen van allerlei aard vindt. Als de mannelijke pijlstaarteend zijn nieuw gevederte binnen een nog korter tijdperk verkreeg, zouden de nieuwe mannelijke vederen bijna noodzakelijk met de oude, en beide met sommige die aan het wijfje eigen zijn, worden vermengd; en dit schijnt met het mannetje van een verwante soort, namelijk den pinduiker (Merganser serrator) het geval te zijn, want men zegt, dat de mannetjes „een verandering van gevederte ondergaan, die hen tot op zekere hoogte aan het wijfje gelijk maakt. Door een kleine nieuwe versnelling van het proces zou de dubbele ruiing geheel verloren gaan.”79Sommige mannelijke vogels worden, zooals boven is medegedeeld, in de lente levendiger gekleurd, niet door een voorjaarsruiing, maar hetzij door een werkelijke kleurverandering in de vederen of doordat de dof gekleurde randen daarvan worden afgeworpen. Aldus veroorzaakte kleurveranderingen kunnen langeren of korteren tijd duren. Zoo verspreidt zich in de lente over het geheele gevederte vanPelacanus onocrotaluseen fraaie rozeroode tint, met citroenkleurige vlekken op de borst; maar de heer Sclater getuigt, dat deze kleuren „niet lang duren, daar zij over het algemeen omstreeks zes weken of twee maanden, nadat zij zijn verkregen, weder verdwijnen.” Sommige soorten van vinken werpen de randen van hun vederen in de lente af en worden dan levendiger gekleurd, terwijl andere vinken geen dergelijke verandering ondergaan. Zoo prijktFringilla tristisvan de Vereenigde Staten (zoowel als vele andere Amerikaansche soorten) alleen met haar levendige kleuren, als de winter voorbij is, terwijl onze distelvink welke met dezen vogel nauwkeurig in levenswijze, en ons sijsje dat er nog nauwkeuriger in maaksel mede overeenkomt, een dergelijke verandering niet ondergaan. Een verschil van dezen aard in het gevederte van verwante soorten is echter niet te verwonderen; want het gewone kneutje dat tot de zelfde Familie behoort, prijkt in Engeland[82]alleen gedurende den zomer met een karmozijnen voorhoofd en borst, terwijl het in Madera deze kleuren gedurende het geheele jaar houdt.80Het Pronken van Mannelijke Vogels met hun Gevederte.—De mannetjes pronken ijverig met hun versierselen van allerlei soort, hetzij zij hen bestendig of slechts tijdelijk behouden, en gebruiken ze blijkbaar om de wijfjes op te wekken, aan te trekken of te bekoren. Soms zullen de mannetjes echter met hun versierselen pronken, hoewel zij niet in tegenwoordigheid van de wijfjes zijn, zooals nu en dan geschiedt met Boschhoenders op hun balz-plaatsen, en zooals bij den pauw kan worden opgemerkt. Deze laatste vogel verlangt echter blijkbaar iemand die naar hem ziet, en zal zijn pracht, zooals ik dikwijls heb gezien, voor kippen of zelfs voor biggen ten toon spreiden.81Alle natuuronderzoekers die nauwkeurig acht hebben gegeven op de gewoonten van vogels, hetzij in den natuurstaat of in tammen staat, zijn eenparig van oordeel, dat de mannetjes er behagen in scheppen om met hun schoonheid te pronken. Audubon spreekt er dikwijls van, dat het mannetje op onderscheidene wijze het wijfje tracht te bekoren. De heer Gould zegt, na eenige bijzonderheden van een mannelijken kolibri te hebben beschreven, dat hij niet twijfelt, of dit dier bezit het vermogen om ze op de voordeeligste wijze voor het wijfje ten toon te spreiden. Dr. Jerdon82drukt er op, dat het schoone gevederte van het mannetje dient „om het wijfje te betooveren en aan te trekken.” De heer Bartlett drukte zich in den Londenschen Dierentuin omtrent dit onderwerp in de sterkste bewoordingen tegen mij uit.
Fig. 27.Fig. 27.Buitenste staartveder vanScolopax gallinago, naar Proc. Zoolog. Soc., 1858.Fig. 28.Fig. 28.Buitenste staartveder vanScolopax frenata.Fig. 29.Fig. 29.Buitenste staartveder vanScolopax Javensis.Bij het mannetje vanChamaepetes unicolor(een groote Hoenderachtige Vogel van Amerika) is de eerste primaire slagpen van den vleugel[61]naar het einde toe gebogen en veel dunner dan bij het wijfje. Bij een verwanten vogel, dePenelope nigra, nam de heer Salvin een mannetje waar, dat, terwijl hij naar beneden vloog met uitgestrekte vleugels, een soort van krakend, ruischend geluid maakte, gelijk dat van een boom die omvalt.53Alleen bij het mannetje van de Indische trapganzen (Sypheotides auritus) loopen de primaire slagpennen van de vleugels zeer puntig toe; en het is bekend, dat het mannetje van een verwanten vogel een gonzend geluid voortbrengt, terwijl hij aan het wijfje het hof maakt.54Bij een zeer verschillende groep van vogels, namelijk de Kolibri’s, zijn alleen bij de mannetjes van sommige soorten de schachten van hun primaire vleugelslagpennen sterk verbreed of de vlaggen plotseling naar het uiteinde toe uitgesneden. Bij het mannetje vanSelasphorus platycercusis, bij voorbeeld, als hij volwassen is, de eerste primaire vleugelslagpen (Fig.30) op die wijze uitgesneden. Terwijl hij van bloem tot bloem vliegt, maakt hij „een schril bijna fluitend geluid”55; maar het scheen den heer Salvin toe, dat dit geluid niet met opzet werd gemaakt.Fig. 30 en 31.Fig. 30 en 31.Fig. 30. Primaire vleugel-slagpen van het mannetje van een Kolibri (Selasphorus platycercus), naar een schets van den heer Salvin.Fig. 31. Overeenkomstige slagpen van het wijfje naar een schets van den heer Salvin.Bij onderscheidene soorten van een ondergeslacht vanPipraofManakineindelijk zijn desecundairevleugel-slagpennen bij de mannetjes op nog opmerkelijker wijze gewijzigd, zooals door den heer Sclater is beschreven. Bij de schitterend gekleurdeP. deliciosahebben de drie eerste secundaire vleugel-slagpennen dikke schachten en zijn naar het lichaam toe gekromd; bij de vierde en vijfde (Fig.32) is de verandering grooter en bij de zesde (Fig.33) en zevende (Fig.34) „is de schacht in buitengewone mate verdikt, zoodat zij een stevigen, hoornachtigen klomp vormt.” Ook de vlag is geheel van gedaante veranderd, in vergelijking met de overeenkomstige slagpennen (Fig.35,36,37) van het wijfje. Zelfs[62]de beenderen van den vleugel, die deze vreemde slagpennen bij het mannetje ondersteunen, zijn, volgens den heer Fraser, zeer verdikt. Deze kleine vogels maken een buitengewoon geluid, waarvan de eerste „hooge noot niet ongelijk is aan een zweepslag.”56Fig. 32.Fig. 32.Fig. 33.Fig. 33.Fig. 34.Fig. 34.Fig. 35.Fig. 35.Fig. 36.Fig. 36.Fig. 37.Fig. 37.Secundaire vleugel-slagpennen vanPipra deliciosa(naar den heer Sclater, inProc. Zool. Soc., 1860). De drie bovenste slagpennen (fig.32,33,34) van het mannetje; de drie onderste overeenkomstige slagpennen (fig.35,36,37) van het wijfje.Fig.32en35. Vijfde secundaire vleugel-slagpen van het mannetje en van het wijfje. Fig.33en36zesde secundaire slagpen, bovenvlak. Fig.34en37zevende secundaire slagpen, ondervlak.De verscheidenheid van de geluiden, zoowel vocale als instrumentale, door de mannetjes van vele soorten gedurende den paartijd voortgebracht, en de verscheidenheid van de middelen om die geluiden voort te brengen, zijn hoogst opmerkelijk. Wij krijgen daardoor een hoog denkbeeld van haar belangrijkheid voor seksueele doeleinden, en worden herinnerd aan het zelfde besluit ten opzichte van Insekten. Het is niet moeilijk zich de trappen voor te stellen, door welke de noten van een vogel, oorspronkelijk eenvoudig gebruikt als een roepstem of voor eenig ander doel, zouden kunnen zijn verbeterd tot een welluidenden liefdezang. Dit is iets moeilijker in het geval van de gewijzigde vederen, waardoor de trommelende, fluitende of bulderende geluiden worden voortgebracht. Wij hebben echter gezien, dat sommige vogels gedurende hun[63]vrijage hun ongewijzigde vederen doen fladderen, schudden of tegen elkander doen ratelen; en indien de wijfjes er toe kwamen hen die dit het best deden, voor de paring uit te kiezen, zouden de mannetjes die op een of ander deel van het lichaam de sterkste of dikste, of het spitst toeloopende vederen bezaten, het best slagen; en zoo zouden door langzame overgangstrappen de vederen in bijna elken graad kunnen zijn gewijzigd. De wijfjes zouden natuurlijk niet elke geringe opeenvolgende verandering van vorm, maar alleen de daardoor voortgebrachte geluiden opmerken. Het is een merkwaardig feit, dat, in de zelfde Klasse van dieren, geluiden zoo verschillend als het getrommel van den staart van de snip, het getik van den snavel van den specht, het krijschende, op het geluid van een trompet gelijkende geschreeuw van sommige watervogels, het gekir van de tortelduif en het gezang van den nachtegaal alleen aan de wijfjes van de onderscheidene soorten zou behagen. Wij moeten echter den smaak van verschillende soorten niet naar den zelfden maatstaf afmeten, en ook niet afmeten naar den maatstaf van den mensch. Zelfs bij den mensch moeten wij bedenken, welke wanluidende tonen, het slaan op tamtams en de schrille noten van rietfluitjes, aan de ooren van wilden behagen. Sir S. Baker merkt op57, dat „evenals de maag van een Arabier de voorkeur geeft aan het rauwe vleesch en de dampende lever, van het nog warme dier afgesneden, zijn oor ook aan zijn even ruwe wanluidende muziek boven elke andere de voorkeur geeft.”Fig. 38.Fig. 38.Priëelvogel (Chlamydera maculata), met zijn priëel (naar Brehm).Liefde-Vertooningen en Dansen.—Van de merkwaardige liefdegebaren van sommige vogels, vooral van de Hoenderachtigen (Gallinaceae) is reeds hier en daar gesproken, zoodat er slechts weinig behoeft te worden bijgevoegd. In Noordelijk Amerika verzamelen zich zekere Bosch-hoenders (Tetrao phasianellus) gedurende den paartijd elken morgen in groote menigte op een daartoe gekozen vlakke plaats, en loopen daar voortdurend in de rondte in een cirkel van ongeveer 15 of 20 voet middellijn, zoodat de grond geheel kaal is gesleten, gelijk een heksenkring. Bij deze „Patrijzendansen”, zooals zij door de jagers worden genoemd, nemen de vogels de vreemdsoortigste houdingen aan, en loopen rond, sommige van rechts naar links, andere in de tegenovergestelde richting. Audubon beschrijft de mannetjes van zekere reigersoort (Ardea herodias), die op hun lange pooten met groote waardigheid voor de wijfjes heên en weder loopen, en zoo hun mededingers uitdagen.[64]Van een van de walgelijke Aasgieren (Cathartes jota) getuigt de zelfde natuuronderzoeker, dat „de gebaren en de parade van het mannetje in ’t begin van het jaargetijde der liefde uiterst grappig zijn.”[65]Sommige vogels voeren hunliefdevertooningenuit in de lucht, in plaats van op den grond, zooals wij bij den zwarten Afrikaanschen wevervogel hebben gezien. Gedurende de lente verheft zich onze kleine inlandsche grasmusch (Sylvia cinerea) dikwijls eenige weinige voeten of ellen boven het kreupelhout in de lucht en „fladdert met een afwisselende en fantastische beweging, gedurig zingende, rond, en daalt daarna weder neêr op den tak waarop zij zat.” De groote Engelsche trapgans neemt onbeschrijfelijk koddige houdingen aan, terwijl hij het wijfje het hof maakt, gelijk hij door Wolf is afgebeeld. Een verwante Indische trapgans (Otis bengalensis) verheft zich daarbij loodrecht in de lucht, snel met zijn vleugels klepperende, zijn kuif overeind doende rijzen en de vederen van zijn nek en borst opzettende, en daalt daarna weder op den grond neder; hij herhaalt die beweging achtereenvolgens verscheidene malen, tegelijkertijd een bijzonder geluid makende. De wijfjes die toevallig in de nabijheid zijn, „gehoorzamen aan deze springlustige oproeping”, en als zij naderen, laat hij zijn vleugels zakken, en spreidt zijn staart uit gelijk een kalkoensche haan.58Fig. 39.Fig. 39.Het Prairiehoen (Tetrao cupido), naar Brehm, om de vederbossen aan de ooren te toonen.Het merkwaardigste geval wordt echter opgeleverd door drie verwante geslachten van Australische vogels, de vermaarde Priëelvogels—ongetwijfeld gezamenlijk afstammelingen van de eene of andere oude soort die het eerst het vreemde instinkt verkreeg om priëeltjes te bouwen om daarin hun liefde-vertooningen te volbrengen. De priëelen (Fig.38), die, zooals wij later zullen zien, zeer zijn opgesierd met vederen, schelpen, beenderen en bladeren, worden op den grond gebouwd, alleen met het doel om daarin te vrijen; want hun nesten worden in boomen gebouwd. Beide seksen helpen de priëelen bouwen; maar het mannetje is de voornaamste werkman. Zoo sterk is dit instinkt, dat het in gevangen staat wordt uitgeoefend, en de heer Strange heeft de gewoonten beschreven van eenige Satijnvogels(5)die hij in zijn vogelhuis (volière) in Nieuw Zuid·Wallis hield.59„Somtijds zal het mannetje het wijfje door het geheele vogelhuis nazitten, dan naar het priëel[66]gaan, een fraaie veder of een groot blad oppikken, een merkwaardig soort van geluid maken, al zijn vederen opzetten, rondom het priëel loopen en zoo opgewekt worden, dat zijn oogen op het punt schijnen van uit zijn kop te springen”; hij gaat voort door eerst den eenen,[67]daarna den anderen vleugel te openen, een lagen fluitenden toon voort te brengen, en schijnt, evenals de gewone huishaan, bezig met iets van den grond op te pikken, totdat eindelijk het wijfje hupsch naar hem toe komt. Kapitein Stokes heeft de levenswijze en „speelhuizen” van een andere soort, den Grooten Priëelvogel, beschreven, dien hij „zich zag vermaken met achteruit en vooruit te vliegen, een schelp beurtelings aan beide zijden vastpakkende en die in zijn bek door den ingang dragende.” Deze merkwaardige priëelen, alleen gemaakt als zalen van bijeenkomst, waar beide seksen zich vermaken en elkander het hof[68]maken, moeten den vogels veel arbeid kosten. Het priëel van de soort met vaalbruine borst is bij voorbeeld bijna 12 decimeter lang,41,5hoog en staat op een dik terras van twijgen.Fig. 39a.Fig. 39a.Tetrao cupido, voor het wijfje pronkende (J. W. Wood).Versiering.—Ik zal eerst de gevallen bespreken, waarin de mannetjes hetzij uitsluitend of in veel hooger mate zijn versierd dan de wijfjes; en in een volgend hoofdstuk die waarin beide seksen evenzeer zijn versierd, en eindelijk de zeldzame gevallen waarin het wijfje iets levendiger is gekleurd dan het mannetje. Evenals bij de kunstmatige versierselen die door wilde en beschaafde menschen worden gebruikt,aanhet hoofd, zoo is ook bij de natuurlijke versierselen der vogels de kop de hoofdzetel van de versiering.60In de versierselen heerscht, gelijk in het begin van dit hoofdstuk is vermeld, een verwonderlijke verscheidenheid. De siervederen van het voorhoofd of de achterzijde van het hoofd bestaan uit vederen van verschillenden vorm, die soms kunnen worden ten toon gesteld. Nu en dan komen sierlijke vederbossen aan de ooren voor (Fig.39). De kop is soms bedekt met fluweelachtig dons, gelijk die van den fazant, of hij is naakt en levendig gekleurd of hij draagt vleeschachtige aanhangsels, draden of met uit vaste stof gevormde knobbels. Ook de keel is soms met een baard of met vleeschlappen of lellen voorzien. Dergelijke aanhangsels zijn over het algemeen levendig gekleurd en dienen ongetwijfeld tot versiering, al verhoogen zij in onze oogen niet altijd de schoonheid; want, terwijl het mannetje bezig is met het wijfje het hof te maken, zwellen zij dikwijls op en verkrijgen levendiger kleuren, gelijk in het geval van den kalkoenschen haan. Op zulke tijden zwellen de vleeschachtige aanhangsels aan den kop van den mannelijken Tragopan-fazant (Ceriornis Temminckii) op tot een groote strook aan de keel en tot twee horens, een aan elke zijde van de prachtige kuif; en deze bezitten dan de levendigste blauwe kleur die ik ooit heb gezien. De Afrikaansche Neushorenvogel (Buccros Abyssinicus) blaast den scharlakenrooden, op een blaas gelijkenden vleeschlap aan zijn hals op, en zijn vleugels omlaag houdende en zijn staart uitspreidende, „maakt hij wezenlijk een voornaam figuur.”61Zelfs het regenboogvlies (iris) van het oog is soms bij het mannetje[69]levendiger gekleurd dan bij het wijfje; en dit is veelvuldig het geval met den snavel, bij voorbeeld bij onze gewone merel of zwarte lijster. Bij een andere soort van Neushorenvogel (Buceros corrugatus) zijn de geheele snavel en de verbazend groote helm bij het mannetje opzichtiger gekleurd dan bij het wijfje, en „de schuinsche groeven op de zijden van de onderkaak zijn uitsluitend aan het mannetje eigen.”62Ook de kop draagt dikwijls vleezige of ook wel draadvormige aanhangsels en vaste uitwassen. Indien deze niet aan beide seksen gemeen zijn, zijn zij altijd tot de mannetjes beperkt. De vaste uitwassen zijn uitvoerig beschreven door Dr. W. Marshall63, die aantoont, dat zij zijn gevormd, hetzij van spongieus been met huid bedekt, of van huid- en andere weefsels. Bij zoogdieren rusten ware horens altijd op de voorhoofdsbeenderen, maar bij vogels zijn verschillende beenderen tot dit doel gewijzigd; en bij soorten van de zelfde groep kunnen de uitsteeksels beenpitten hebben, of die geheel missen, met tusschenliggende ontwikkelingstrappen welke deze beide uitersten verbinden. Gelijk Dr. Marshall terecht opmerkt, hebben dus variaties van de meest verschillende soort gediend tot ontwikkeling door seksueele teeltkeus van deze tot versiering dienende aanhangsels.De mannetjes zijn dikwijls versierd met verlengde vederen die op bijna elk deel van het lichaam ontspringen. De vederen aan de keel en op de borst zijn dikwijls ontwikkeld tot fraaie halskragen en de staartvederen zijn dikwijls verlengd, zooals wij bij de staartdekvederen van den pauw en bij den staart van den Argus-fazant zien. Het lichaam van dezen laatsten vogel is niet grooter dan dat van een hoen, en toch is de lengte van de punt van den snavel tot het uiteinde van den staart niet minder dan 1 meter 6 decimeter.64De vleugelvederen zijn lang zoo veelvuldig niet verlengd als de staartvederen; want de verlenging daarvan zou voor het vliegen nadeelig zijn. Toch zijn de van fraaie oogvlekken (ocelli) voorziene secundaire vleugelslagpennen van den mannelijken Argus-fazant omtrent 9 decimeter lang; en bij een kleine Afrikaansche nachtzwaluw (Cosmetornis vexillarius) bereikt een der primaire vleugelslagpennen gedurende den paartijd een lengte van 65 centimeter, terwijl de vogel zelf slechts 25 centimeter lang is. Bij een[70]ander nauw verwant geslacht van nachtzwaluwen zijn de schachten van de verlengde vleugelslagpennen naakt, behalve aan het einde waar zich een schijfvormige vlag bevindt.65In weder een ander geslacht van nachtzwaluwen zijn de staartvederen zelfs nog verbazender ontwikkeld, zoodat wij zien, hoe de mannetjes van nauw verwante vogels de zelfde soort van versiering verkrijgen door de ontwikkeling van geheel verschillende vederen.Het is een merkwaardig feit, dat de vederen van tot verschillende groepen behoorende vogels op bijna volkomen de zelfde bijzondere wijze zijn gewijzigd. Zoo zijn de vleugelslagpennen bij een der bovenvermelde nachtzwaluwen naakt langs de schacht en eindigen in een schijfvormige vlag; of zijn, zooals zij somtijds worden genoemd, lepel- of raketvormig. Vederen van deze soort komen ook voor in den staart van een Motmot (Eumomota superciliaris), van een ijsvogel, vink, kolibri, papegaai, onderscheidene Indische Drongo-klauwieren,DicrurusenEdolius, bij een waarvan de schijf verticaal staat, en in den staart van sommige Paradijsvogels. Bij deze laatste vogels versieren soortgelijke, van fraaie oogvlekken (ocelli) voorziene vederen den kop, evenals ook bij sommige Hoenderachtige Vogels het geval is. Bij een Indische trapgans (Sypheotides auritus) eindigen ook de vederen waaruit de, omtrent 1 decimeter lange, vederbossen aan de ooren bestaan, in schijven.66De vlag van de vederen is ook bij onderscheidene zeer verschillende vogels draad- of donsachtig, b.v. bij sommige Reigers, Ibissen, Paradijsvogels en Hoenderachtige Vogels. In andere gevallen verdwijnt de vlag, en blijven de schachten naakt; en deze bereiken in den staart vanParadisea apodaeen lengte van 85 centimeter.67Wanneer kleinere vederen op die wijze zijn ontbloot, zien zij er uit als borstels, zooals op de borst van den kalkoenschen haan. Gelijk de mensch er toe komt om elke voorbijgaande mode in de kleeding te bewonderen, zoo schijnt ook bij de vogels elke soort van verandering in het maaksel of de kleur van de vederen van het mannetje door het wijfje te zijn bewonderd. Het feit, dat de vederen in zeer verschillende groepen op overeenkomstige wijze zijn gewijzigd, is ongetwijfeld oorspronkelijk het gevolg geweest[71]van de omstandigheid, dat al de vederen bijna het zelfde maaksel en de zelfde ontwikkelingswijze hadden en bijgevolg geneigd waren op de zelfde wijze te varieeren. Wij zien dikwijls neiging tot overeenkomstige verandering in het gevederte van onze tot verschillende soorten behoorende tamme rassen. Zoo hebben zich bij onderscheidene soorten kuiven gevormd. Bij een uitgestorven verscheidenheid van den kalkoen bestond de kuif uit naakte schachten met donzige uiteinden, zoodat zij tot op zekere hoogte op de boven beschreven raketvormige vederen geleken. Bij sommige duiven- en hoenderrassen zijn de vederen donsachtig met eenige neiging in de schachten om naakt te worden. Bij de Sebastopol-gans zijn de schoudervederen zeer verlengd, gekruld of zelfs spiraalvormig ineengerold, met donzige randen.68Ten opzichte der kleur behoeft hier nauwelijks iets te worden gezegd; want iedereen weet, hoe prachtig de kleuren der vleugels zijn, en hoe harmonisch zij zijn samengevoegd. De kleuren zijn dikwijls metaalglanzend en iriseerend. Cirkelvormige vlekken worden dikwijls omringd door een of meer verschillend geschakeerde gordels, en worden in oogvlekken (ocelli) veranderd. Er behoeft hier ook niet veel te worden gezegd over de wondervolle verschillen tusschen de seksen, noch over de uiterste schoonheid van de mannetjes van vele vogels. De gewone pauw levert een treffend voorbeeld. Vrouwelijke paradijsvogels zijn donker gekleurd en van alle versierselen ontbloot, terwijl de mannetjes waarschijnlijk de meest versierde van alle vogels zijn en daarin zooveel verscheidenheid vertoonen, dat men ze moet zien om ze naar waarde te schatten. De verlengde goudoranjekleurige siervederen die van onder de vleugels van Paradisea apoda ontspringen (zie Fig 40;P. rubra, een veel minder fraaie soort, voorstellende), vormen volgens de beschrijving, als zij verticaal worden opgericht en in trilling gebracht, een soort van halo(6), in het midden waarvan de kop „er uitziet als een kleine smaragden zon waarvan de stralen door de siervederen worden gevormd.”69Bij een andere bijzonder fraaie soort is de kop naakt „en van een rijk kobaltblauw, overkruist door verscheidene lijnen van zwarte fluweelachtige vederen.”70[72]Fig. 40.Fig. 40.Paradisea rubra, mannetje (naar Brehm).Fig. 41.Fig. 41.Paradisea papuana, voor het wijfje pronkende (T. W. Wood).De mannetjes der Kolibri’s (Fig.42en43) wedijveren in schoonheid bijna met de Paradijsvogels, gelijk iedereen zal toegeven, die de prachtige werken van den heer Gould of zijn rijke verzameling heeft gezien. Het is zeer opmerkelijk, op hoevele verschillende wijzen deze vogels[73]zijn versierd. Bijna elk deel van hun vederbos is daartoe gebruikt en gewijzigd; en de wijzigingen zijn, gelijk de heer Gould mij toonde, bij sommige soorten, tot bijna elke ondergroep behoorende, tot een verwonderlijk uiterste gedreven. Dergelijke gevallen gelijken merkwaardig veel op die welke wij bij onze tamme liefhebberijvogels[74]zien, die door den mensch tot versiering zijn opgekweekt; sommige individu’s varieerden oorspronkelijk in het eene kenmerk, en andere tot de zelfde soort behoorende individu’s in een ander kenmerk; en deze zijn door den mensch aangegrepen en tot het uiterste vermeerderd,—[75]gelijk bij voorbeeld de staart van de Pauwduif, de kuif van de Jacobijner-duif, de bek en vleeschlap van de Postduif en zoo verder. Het eenige verschil tusschen deze gevallen is, dat in het eene geval de uitslag[76]het gevolg is van de teeltkeus van den mensch, terwijl zij in het andere, zooals bij de Kolibri’s, Paradijsvogels enz., het gevolg is van seksueele teeltkeus,—dat is van het door de wijfjes voor de voortteling uitkiezen van de fraaiste mannetjes.Fig. 42.Fig. 42.Lophornis ornatus, mannetje en wijfje (naar Brehm).Fig. 43.Fig. 43.Spathura Underwoodi, mannetje en wijfje (naar Brehm).Ik zal slechts éénen anderen vogel vermelden, merkwaardig door de uitermate groote tegenstelling (contrast) in kleur tusschen de seksen, namelijk den Klokvogel (Chasmorhynchus niveus) van Zuid-Amerika, wiens geluid kan worden onderscheiden op den afstand van omtrent 4½ kilometer, en iedereen in verbazing brengt, die het voor het eerst hoort. Het mannetje is zuiver wit, terwijl het wijfje donkergroen is; en de eerste kleur is bij het land bewonende soorten, van matige grootte en van vreedzame levenswijze, zeer zeldzaam. Het mannetje bezit ook, volgens de beschrijving van Waterton, een spiraalvormige buis, omtrent 7½ centimeter lang, die uit het grondvlak van den snavel ontspringt. Zij is gitzwart en dicht bezet met kleine donsachtige veêrtjes. Deze buis kan met lucht worden opgeblazen door een verbinding met het verhemelte; en als zij niet is opgeblazen, hangt zij aan de eene zijde naar beneden. Het geslacht bestaat uit vier soorten, waarvan de mannetjes zeer verschillend zijn, terwijl de wijfjes, gelijk door den heer Sclater in een hoogst belangwekkende verhandeling is beschreven, zeer veel op elkander gelijken, en dus een uitnemend voorbeeld opleveren van den gewonen regel, dat binnen de grenzen van eene en de zelfde groep de mannetjes meer van elkander verschillen dan de wijfjes. Bij een tweede soort (C. nudicollis) is het mannetje eveneens sneeuwwit, met uitzondering van een breede strook naakte huid aan de keel en rondom de oogen, welke gedurende den paartijd een schoone groene kleur heeft. Bij een derde soort (C. tricarunculatus) zijn alleen de kop en de hals van het mannetje wit, terwijl het overige van het lichaam kastanjebruin is, en het mannetje van deze soort is voorzien van drie draadvormige aanhangsels die de halve lengte van het lichaam bezitten,—waarvan er een uit het grondvlak van den snavel en de beide andere uit de hoeken van den bek ontspringen.71Het gekleurde gevederte en sommige andere versierselen van de mannetjes, als zij volwassen zijn, worden, hetzij levenslang behouden of periodiek vernieuwd gedurende den zomer en den paartijd. In dat jaargetijde[77]veranderen de snavel en de naakte huid aan den kop veelvuldig van kleur, gelijk bij sommige reigers, ibissen, meeuwen, een van de zooeven vermelde klokvogels enz. Bij den witten ibis worden de wangen, de voor opblazing vatbare huid aan de keel en het grondgedeelte van den snavel dan karmozijnrood.72Bij een van de Ralachtige vogels,Gallicrex cristatus, ontwikkelt zich gedurende dat zelfde tijdperk een roode lel op den kop van het mannetje. Evenzoo is het gelegen met een dunnen, hoornachtigen kam op den snavel van een der pelikanen,P. erythrorhynchus; want na den paartijd worden deze hoornachtige kammen afgeworpen gelijk de horens van den kop der herten, en men vond de kust van een eiland in een meer in Nevada met deze merkwaardige afgeworpen deelen bedekt.73Kleurveranderingen in het gevederte, die met het jaargetijde in betrekking staan, hangen ten eerste van een dubbele jaarlijksche ruiing, ten tweede van een werkelijke kleurverandering van de vederen zelven, en ten derde van het op vaste tijden afwerpen van hun dof gekleurde randen, of van een in meerdere of mindere mate vereenigde werking van deze drie oorzaken af. Het afwerpen van de daarvoor vatbare randen kan worden vergeleken met het door zeer jonge vogels afwerpen van hun dons; want het dons ontspruit in de meeste gevallen uit de toppen van de eerste ware vederen.74Wat de vogels aangaat, die jaarlijks een dubbele ruiing ondergaan, zoo zijn er, ten eerste, eenige soorten, bij voorbeeld snippen, zwaluw-plevieren (Glareola) en wulpen bij welke de beide seksen op elkander gelijken en in geen der jaargetijden van kleur veranderen. Ik weet niet, of het wintergevederte dikker en warmer is dan het zomergevederte, hetgeen, wanneer er geen kleurverandering plaats grijpt, de meest waarschijnlijke oorzaak van een dubbele ruiing schijnt te zijn. Ten tweede zijn er vogels, bij voorbeeld zekere soorten van Ruiters (Totanus) en andere Steltloopers (Grallatores), waarvan de seksen op elkander gelijken, maar een eenigszins verschillend zomer- en wintergevederte hebben. Het verschil in kleur is echter in deze gevallen zoo gering, dat het moeilijk een voordeel voor hen kan zijn, en mag dan wellicht worden toegeschreven aan de verschillende levensvoorwaarden waaraan de vogels gedurende de beide jaargetijden zijn blootgesteld. Ten derde[78]zijn er vele andere vogels bij welke de seksen op elkander gelijken, doch die zeer verschillend zijn in hun zomer- en in hun wintergevederte. Ten vierde zijn er vogels bij welke de seksen van elkander in kleur verschillen, doch de wijfjes, hoewel tweemaal ruiende, het geheele jaar door de zelfde kleuren behouden, terwijl de mannetjes een kleurverandering, en soms, zooals met zekere trapganzen het geval is, een groote kleurverandering ondergaan. Ten vijfde en ten laatste zijn er vogels bij welke de seksen zoowel in zomer- als in wintergevederte van elkander verschillen, doch het mannetje bij elk terugkeerend jaargetijde een grootere verandering ondergaat dan het wijfje, waarvan de kemphaan (Machetes pugnax) een goed voorbeeld oplevert.Wat de oorzaak of het doel aangaat van de verschillen in kleur tusschen het zomer- en wintergevederte, zoo kan dit wellicht in sommige gevallen, gelijk in dat van het sneeuwhoen75, gedurende beide jaargetijden tot bescherming dienen. Als het verschil gering is, mag het wellicht, gelijk reeds is opgemerkt, aan de directe werking der levensvoorwaarden worden toegeschreven.Bij vele vogels kan het echter nauwelijks worden betwijfeld, of het zomergevederte dient tot versiering, zelfs wanneer beide seksen gelijk zijn. Wij mogen besluiten, dat dit het geval is met vele reigers, zilverreigers enz.; want zij verkrijgen hun schoone siervederen alleen gedurende den paartijd. Daarenboven zijn dergelijke siervederen, kuiven enz., hoewel beide seksen ze bezitten, nu en dan een weinig meer ontwikkeld bij het mannetje dan bij het wijfje; en zij gelijken op de vederen en versierselen die bij andere vogels alleen door de mannetjes worden bezeten. Het is ook bekend, dat opsluiting dikwijls, door in te werken op het voortplantingsstelsel van mannelijke vogels, de ontwikkeling van hun secundaire seksueele kenmerken verhindert, maar geen onmiddellijken invloed heeft op eenig ander kenmerk, en de heer Bartlett meldt mij, dat acht of negen voorwerpen van den kanoetstrandlooper (Tringa canutus) in den Londenschen dierentuin hun onversierd wintergevederte het geheele jaar door behielden, uit welk feit wij mogen afleiden, dat het zomergevederte,[79]hoewel aan beide seksen gemeen, in de natuur van het uitsluitend mannelijke gevederte van vele andere vogels deelt.76Uit de voorgaande feiten, meer bijzonder uit de omstandigheid, dat bij zekere vogels geen van beide seksen gedurende een der beide jaarlijksche ruiingen van kleur verandert, of zoo weinig verandert, dat de verandering hun moeilijk eenigermate van dienst kan zijn, en dat bij andere soorten de wijfjes, hoewel zij tweemaal ruien, toch het geheele jaar door de zelfde kleuren behouden, mogen wij besluiten, dat de gewoonte om tweemaal in het jaar te ruien, niet is verkregen, opdat het mannetje gedurende den paartijd er sierlijk uit zou zien, maar dat van de dubbele ruiing, oorspronkelijk met eenig ander doel verkregen, later in sommige gevallen partij is getrokken om een bruiloftskleed te verkrijgen.Het schijnt op het eerste gezicht een verwonderlijke omstandigheid, dat bij nauw verwante vogels sommige soorten geregeld tweemaal ’s jaars ruien en andere slechts eenmaal. Het sneeuwhoen, bij voorbeeld, ruit tweemaal of zelfs driemaal ’s jaars, en het korhoen slechts eenmaal; sommige van de prachtig gekleurde Honigvogels (Nectariniae) van Indië en sommigeondergeslachtenvan donker gekleurde Piepers (Anthus) hebben een dubbele, en andere slechts een enkele jaarlijksche ruiing.77De overgangen in de wijze van ruien, die men weet, dat bij onderscheidene vogels voorkomen, toonen ons echter, hoe soorten, of geheele groepen van soorten, oorspronkelijk hun dubbele jaarlijksche ruiing verkregen, of na eens die gewoonte te hebben verkregen, haar daarna weder kunnen hebben verloren. Bij zekere trapganzen en Plevierachtige Vogels is de voorjaarsruiing ver van volkomen, daar sommige vederen worden vernieuwd, terwijl andere alleen van kleur veranderen. Er is ook reden om te gelooven, dat bij zekere trapganzen en Ralachtige Vogels die eigenlijk een dubbele jaarlijksche ruiing ondergaan, sommige van de oudere mannetjes hun bruiloftsgevederte het[80]geheele jaar door behouden. Soms worden gedurende de lente slechts eenige weinige gewijzigde vederen bij het gevederte gevoegd, zooals het geval is met de schijfvormige staartvederen van zekere Indische drongo-klauwieren (Bhringa), en met de verlengde vederen op den rug, hals en kop van zekere reigers. Door dergelijke trapsgewijze overgangen zou de voorjaarsruiing hoe langer hoe vollediger kunnen worden, totdat eindelijk een volkomen dubbele ruiing was verkregen. Men kan ook aantoonen, dat er een overgang bestaat in de lengte van tijd gedurende welken elk der beide jaarlijksche gevederten wordt behouden, zoodat het eene er toe kan komen om het geheele jaar te worden behouden, omdat het andere volkomen verloren gaat. Zoo houdt de kemphaan (Machetes pugnax) zijn halskraag in het voorjaar slechts twee maanden lang. Het mannetje van denweduwvogel(Chera progne) verkrijgt in Natal zijn schoon gevederte en lange staartvederen in December of Januari en verliest ze in Maart, zoodat zij slechts gedurende omtrent drie maanden behouden blijven. De meeste soorten die een dubbele ruiing ondergaan, behouden hun tot versiering dienende vederen omstreeks zes maanden. Het mannetje van het wilde hoen (Gallus bankiva) behoudt echter de sikkelvormige vederen aan zijn hals gedurende negen of tien maanden; en wanneer deze worden afgeworpen, zijn de daaronder liggende zwarte vederen van den hals geheel aan het gezicht blootgesteld. Maar bij den tammen afstammeling van deze soort worden de sikkelvormige vederen aan den hals onmiddellijk door nieuwe vervangen, zoodat wij hier ten opzichte van een deel van het gevederte zien, hoe in den getemden staat een dubbele ruiing in een enkele is overgegaan.78Het is algemeen bekend, dat het mannetje van de gewone eend (Anas boschas) na den paartijd zijn mannelijk gevederte gedurende een tijd van drie maanden verliest, gedurende welken hij dat van het wijfje aanneemt. De mannelijke pijlstaarteend (Anas acuta) verliest zijn[81]gevederte voor den korteren tijd van zes weken of twee maanden, en Montagu merkt op, dat „deze dubbele ruiing binnen een zoo korten tijd een hoogst buitengewone omstandigheid is, die elke menschelijke redeneering schijnt te tarten.” Hij echter, die aan de trapsgewijze wijziging der soorten gelooft, zal volstrekt geen verwondering gevoelen, als hij overgangen van allerlei aard vindt. Als de mannelijke pijlstaarteend zijn nieuw gevederte binnen een nog korter tijdperk verkreeg, zouden de nieuwe mannelijke vederen bijna noodzakelijk met de oude, en beide met sommige die aan het wijfje eigen zijn, worden vermengd; en dit schijnt met het mannetje van een verwante soort, namelijk den pinduiker (Merganser serrator) het geval te zijn, want men zegt, dat de mannetjes „een verandering van gevederte ondergaan, die hen tot op zekere hoogte aan het wijfje gelijk maakt. Door een kleine nieuwe versnelling van het proces zou de dubbele ruiing geheel verloren gaan.”79Sommige mannelijke vogels worden, zooals boven is medegedeeld, in de lente levendiger gekleurd, niet door een voorjaarsruiing, maar hetzij door een werkelijke kleurverandering in de vederen of doordat de dof gekleurde randen daarvan worden afgeworpen. Aldus veroorzaakte kleurveranderingen kunnen langeren of korteren tijd duren. Zoo verspreidt zich in de lente over het geheele gevederte vanPelacanus onocrotaluseen fraaie rozeroode tint, met citroenkleurige vlekken op de borst; maar de heer Sclater getuigt, dat deze kleuren „niet lang duren, daar zij over het algemeen omstreeks zes weken of twee maanden, nadat zij zijn verkregen, weder verdwijnen.” Sommige soorten van vinken werpen de randen van hun vederen in de lente af en worden dan levendiger gekleurd, terwijl andere vinken geen dergelijke verandering ondergaan. Zoo prijktFringilla tristisvan de Vereenigde Staten (zoowel als vele andere Amerikaansche soorten) alleen met haar levendige kleuren, als de winter voorbij is, terwijl onze distelvink welke met dezen vogel nauwkeurig in levenswijze, en ons sijsje dat er nog nauwkeuriger in maaksel mede overeenkomt, een dergelijke verandering niet ondergaan. Een verschil van dezen aard in het gevederte van verwante soorten is echter niet te verwonderen; want het gewone kneutje dat tot de zelfde Familie behoort, prijkt in Engeland[82]alleen gedurende den zomer met een karmozijnen voorhoofd en borst, terwijl het in Madera deze kleuren gedurende het geheele jaar houdt.80Het Pronken van Mannelijke Vogels met hun Gevederte.—De mannetjes pronken ijverig met hun versierselen van allerlei soort, hetzij zij hen bestendig of slechts tijdelijk behouden, en gebruiken ze blijkbaar om de wijfjes op te wekken, aan te trekken of te bekoren. Soms zullen de mannetjes echter met hun versierselen pronken, hoewel zij niet in tegenwoordigheid van de wijfjes zijn, zooals nu en dan geschiedt met Boschhoenders op hun balz-plaatsen, en zooals bij den pauw kan worden opgemerkt. Deze laatste vogel verlangt echter blijkbaar iemand die naar hem ziet, en zal zijn pracht, zooals ik dikwijls heb gezien, voor kippen of zelfs voor biggen ten toon spreiden.81Alle natuuronderzoekers die nauwkeurig acht hebben gegeven op de gewoonten van vogels, hetzij in den natuurstaat of in tammen staat, zijn eenparig van oordeel, dat de mannetjes er behagen in scheppen om met hun schoonheid te pronken. Audubon spreekt er dikwijls van, dat het mannetje op onderscheidene wijze het wijfje tracht te bekoren. De heer Gould zegt, na eenige bijzonderheden van een mannelijken kolibri te hebben beschreven, dat hij niet twijfelt, of dit dier bezit het vermogen om ze op de voordeeligste wijze voor het wijfje ten toon te spreiden. Dr. Jerdon82drukt er op, dat het schoone gevederte van het mannetje dient „om het wijfje te betooveren en aan te trekken.” De heer Bartlett drukte zich in den Londenschen Dierentuin omtrent dit onderwerp in de sterkste bewoordingen tegen mij uit.
Fig. 27.Fig. 27.Buitenste staartveder vanScolopax gallinago, naar Proc. Zoolog. Soc., 1858.
Fig. 27.
Buitenste staartveder vanScolopax gallinago, naar Proc. Zoolog. Soc., 1858.
Fig. 28.Fig. 28.Buitenste staartveder vanScolopax frenata.Fig. 29.Fig. 29.Buitenste staartveder vanScolopax Javensis.
Fig. 28.Fig. 28.Buitenste staartveder vanScolopax frenata.
Fig. 28.
Buitenste staartveder vanScolopax frenata.
Fig. 29.Fig. 29.Buitenste staartveder vanScolopax Javensis.
Fig. 29.
Buitenste staartveder vanScolopax Javensis.
Bij het mannetje vanChamaepetes unicolor(een groote Hoenderachtige Vogel van Amerika) is de eerste primaire slagpen van den vleugel[61]naar het einde toe gebogen en veel dunner dan bij het wijfje. Bij een verwanten vogel, dePenelope nigra, nam de heer Salvin een mannetje waar, dat, terwijl hij naar beneden vloog met uitgestrekte vleugels, een soort van krakend, ruischend geluid maakte, gelijk dat van een boom die omvalt.53Alleen bij het mannetje van de Indische trapganzen (Sypheotides auritus) loopen de primaire slagpennen van de vleugels zeer puntig toe; en het is bekend, dat het mannetje van een verwanten vogel een gonzend geluid voortbrengt, terwijl hij aan het wijfje het hof maakt.54Bij een zeer verschillende groep van vogels, namelijk de Kolibri’s, zijn alleen bij de mannetjes van sommige soorten de schachten van hun primaire vleugelslagpennen sterk verbreed of de vlaggen plotseling naar het uiteinde toe uitgesneden. Bij het mannetje vanSelasphorus platycercusis, bij voorbeeld, als hij volwassen is, de eerste primaire vleugelslagpen (Fig.30) op die wijze uitgesneden. Terwijl hij van bloem tot bloem vliegt, maakt hij „een schril bijna fluitend geluid”55; maar het scheen den heer Salvin toe, dat dit geluid niet met opzet werd gemaakt.
Fig. 30 en 31.Fig. 30 en 31.Fig. 30. Primaire vleugel-slagpen van het mannetje van een Kolibri (Selasphorus platycercus), naar een schets van den heer Salvin.Fig. 31. Overeenkomstige slagpen van het wijfje naar een schets van den heer Salvin.
Fig. 30 en 31.
Fig. 30. Primaire vleugel-slagpen van het mannetje van een Kolibri (Selasphorus platycercus), naar een schets van den heer Salvin.
Fig. 31. Overeenkomstige slagpen van het wijfje naar een schets van den heer Salvin.
Bij onderscheidene soorten van een ondergeslacht vanPipraofManakineindelijk zijn desecundairevleugel-slagpennen bij de mannetjes op nog opmerkelijker wijze gewijzigd, zooals door den heer Sclater is beschreven. Bij de schitterend gekleurdeP. deliciosahebben de drie eerste secundaire vleugel-slagpennen dikke schachten en zijn naar het lichaam toe gekromd; bij de vierde en vijfde (Fig.32) is de verandering grooter en bij de zesde (Fig.33) en zevende (Fig.34) „is de schacht in buitengewone mate verdikt, zoodat zij een stevigen, hoornachtigen klomp vormt.” Ook de vlag is geheel van gedaante veranderd, in vergelijking met de overeenkomstige slagpennen (Fig.35,36,37) van het wijfje. Zelfs[62]de beenderen van den vleugel, die deze vreemde slagpennen bij het mannetje ondersteunen, zijn, volgens den heer Fraser, zeer verdikt. Deze kleine vogels maken een buitengewoon geluid, waarvan de eerste „hooge noot niet ongelijk is aan een zweepslag.”56
Fig. 32.Fig. 32.Fig. 33.Fig. 33.Fig. 34.Fig. 34.Fig. 35.Fig. 35.Fig. 36.Fig. 36.Fig. 37.Fig. 37.Secundaire vleugel-slagpennen vanPipra deliciosa(naar den heer Sclater, inProc. Zool. Soc., 1860). De drie bovenste slagpennen (fig.32,33,34) van het mannetje; de drie onderste overeenkomstige slagpennen (fig.35,36,37) van het wijfje.Fig.32en35. Vijfde secundaire vleugel-slagpen van het mannetje en van het wijfje. Fig.33en36zesde secundaire slagpen, bovenvlak. Fig.34en37zevende secundaire slagpen, ondervlak.
Fig. 32.Fig. 32.
Fig. 32.
Fig. 33.Fig. 33.
Fig. 33.
Fig. 34.Fig. 34.
Fig. 34.
Fig. 35.Fig. 35.
Fig. 35.
Fig. 36.Fig. 36.
Fig. 36.
Fig. 37.Fig. 37.
Fig. 37.
Secundaire vleugel-slagpennen vanPipra deliciosa(naar den heer Sclater, inProc. Zool. Soc., 1860). De drie bovenste slagpennen (fig.32,33,34) van het mannetje; de drie onderste overeenkomstige slagpennen (fig.35,36,37) van het wijfje.
Fig.32en35. Vijfde secundaire vleugel-slagpen van het mannetje en van het wijfje. Fig.33en36zesde secundaire slagpen, bovenvlak. Fig.34en37zevende secundaire slagpen, ondervlak.
De verscheidenheid van de geluiden, zoowel vocale als instrumentale, door de mannetjes van vele soorten gedurende den paartijd voortgebracht, en de verscheidenheid van de middelen om die geluiden voort te brengen, zijn hoogst opmerkelijk. Wij krijgen daardoor een hoog denkbeeld van haar belangrijkheid voor seksueele doeleinden, en worden herinnerd aan het zelfde besluit ten opzichte van Insekten. Het is niet moeilijk zich de trappen voor te stellen, door welke de noten van een vogel, oorspronkelijk eenvoudig gebruikt als een roepstem of voor eenig ander doel, zouden kunnen zijn verbeterd tot een welluidenden liefdezang. Dit is iets moeilijker in het geval van de gewijzigde vederen, waardoor de trommelende, fluitende of bulderende geluiden worden voortgebracht. Wij hebben echter gezien, dat sommige vogels gedurende hun[63]vrijage hun ongewijzigde vederen doen fladderen, schudden of tegen elkander doen ratelen; en indien de wijfjes er toe kwamen hen die dit het best deden, voor de paring uit te kiezen, zouden de mannetjes die op een of ander deel van het lichaam de sterkste of dikste, of het spitst toeloopende vederen bezaten, het best slagen; en zoo zouden door langzame overgangstrappen de vederen in bijna elken graad kunnen zijn gewijzigd. De wijfjes zouden natuurlijk niet elke geringe opeenvolgende verandering van vorm, maar alleen de daardoor voortgebrachte geluiden opmerken. Het is een merkwaardig feit, dat, in de zelfde Klasse van dieren, geluiden zoo verschillend als het getrommel van den staart van de snip, het getik van den snavel van den specht, het krijschende, op het geluid van een trompet gelijkende geschreeuw van sommige watervogels, het gekir van de tortelduif en het gezang van den nachtegaal alleen aan de wijfjes van de onderscheidene soorten zou behagen. Wij moeten echter den smaak van verschillende soorten niet naar den zelfden maatstaf afmeten, en ook niet afmeten naar den maatstaf van den mensch. Zelfs bij den mensch moeten wij bedenken, welke wanluidende tonen, het slaan op tamtams en de schrille noten van rietfluitjes, aan de ooren van wilden behagen. Sir S. Baker merkt op57, dat „evenals de maag van een Arabier de voorkeur geeft aan het rauwe vleesch en de dampende lever, van het nog warme dier afgesneden, zijn oor ook aan zijn even ruwe wanluidende muziek boven elke andere de voorkeur geeft.”
Fig. 38.Fig. 38.Priëelvogel (Chlamydera maculata), met zijn priëel (naar Brehm).
Fig. 38.
Priëelvogel (Chlamydera maculata), met zijn priëel (naar Brehm).
Liefde-Vertooningen en Dansen.—Van de merkwaardige liefdegebaren van sommige vogels, vooral van de Hoenderachtigen (Gallinaceae) is reeds hier en daar gesproken, zoodat er slechts weinig behoeft te worden bijgevoegd. In Noordelijk Amerika verzamelen zich zekere Bosch-hoenders (Tetrao phasianellus) gedurende den paartijd elken morgen in groote menigte op een daartoe gekozen vlakke plaats, en loopen daar voortdurend in de rondte in een cirkel van ongeveer 15 of 20 voet middellijn, zoodat de grond geheel kaal is gesleten, gelijk een heksenkring. Bij deze „Patrijzendansen”, zooals zij door de jagers worden genoemd, nemen de vogels de vreemdsoortigste houdingen aan, en loopen rond, sommige van rechts naar links, andere in de tegenovergestelde richting. Audubon beschrijft de mannetjes van zekere reigersoort (Ardea herodias), die op hun lange pooten met groote waardigheid voor de wijfjes heên en weder loopen, en zoo hun mededingers uitdagen.[64]Van een van de walgelijke Aasgieren (Cathartes jota) getuigt de zelfde natuuronderzoeker, dat „de gebaren en de parade van het mannetje in ’t begin van het jaargetijde der liefde uiterst grappig zijn.”[65]Sommige vogels voeren hunliefdevertooningenuit in de lucht, in plaats van op den grond, zooals wij bij den zwarten Afrikaanschen wevervogel hebben gezien. Gedurende de lente verheft zich onze kleine inlandsche grasmusch (Sylvia cinerea) dikwijls eenige weinige voeten of ellen boven het kreupelhout in de lucht en „fladdert met een afwisselende en fantastische beweging, gedurig zingende, rond, en daalt daarna weder neêr op den tak waarop zij zat.” De groote Engelsche trapgans neemt onbeschrijfelijk koddige houdingen aan, terwijl hij het wijfje het hof maakt, gelijk hij door Wolf is afgebeeld. Een verwante Indische trapgans (Otis bengalensis) verheft zich daarbij loodrecht in de lucht, snel met zijn vleugels klepperende, zijn kuif overeind doende rijzen en de vederen van zijn nek en borst opzettende, en daalt daarna weder op den grond neder; hij herhaalt die beweging achtereenvolgens verscheidene malen, tegelijkertijd een bijzonder geluid makende. De wijfjes die toevallig in de nabijheid zijn, „gehoorzamen aan deze springlustige oproeping”, en als zij naderen, laat hij zijn vleugels zakken, en spreidt zijn staart uit gelijk een kalkoensche haan.58
Fig. 39.Fig. 39.Het Prairiehoen (Tetrao cupido), naar Brehm, om de vederbossen aan de ooren te toonen.
Fig. 39.
Het Prairiehoen (Tetrao cupido), naar Brehm, om de vederbossen aan de ooren te toonen.
Het merkwaardigste geval wordt echter opgeleverd door drie verwante geslachten van Australische vogels, de vermaarde Priëelvogels—ongetwijfeld gezamenlijk afstammelingen van de eene of andere oude soort die het eerst het vreemde instinkt verkreeg om priëeltjes te bouwen om daarin hun liefde-vertooningen te volbrengen. De priëelen (Fig.38), die, zooals wij later zullen zien, zeer zijn opgesierd met vederen, schelpen, beenderen en bladeren, worden op den grond gebouwd, alleen met het doel om daarin te vrijen; want hun nesten worden in boomen gebouwd. Beide seksen helpen de priëelen bouwen; maar het mannetje is de voornaamste werkman. Zoo sterk is dit instinkt, dat het in gevangen staat wordt uitgeoefend, en de heer Strange heeft de gewoonten beschreven van eenige Satijnvogels(5)die hij in zijn vogelhuis (volière) in Nieuw Zuid·Wallis hield.59„Somtijds zal het mannetje het wijfje door het geheele vogelhuis nazitten, dan naar het priëel[66]gaan, een fraaie veder of een groot blad oppikken, een merkwaardig soort van geluid maken, al zijn vederen opzetten, rondom het priëel loopen en zoo opgewekt worden, dat zijn oogen op het punt schijnen van uit zijn kop te springen”; hij gaat voort door eerst den eenen,[67]daarna den anderen vleugel te openen, een lagen fluitenden toon voort te brengen, en schijnt, evenals de gewone huishaan, bezig met iets van den grond op te pikken, totdat eindelijk het wijfje hupsch naar hem toe komt. Kapitein Stokes heeft de levenswijze en „speelhuizen” van een andere soort, den Grooten Priëelvogel, beschreven, dien hij „zich zag vermaken met achteruit en vooruit te vliegen, een schelp beurtelings aan beide zijden vastpakkende en die in zijn bek door den ingang dragende.” Deze merkwaardige priëelen, alleen gemaakt als zalen van bijeenkomst, waar beide seksen zich vermaken en elkander het hof[68]maken, moeten den vogels veel arbeid kosten. Het priëel van de soort met vaalbruine borst is bij voorbeeld bijna 12 decimeter lang,41,5hoog en staat op een dik terras van twijgen.
Fig. 39a.Fig. 39a.Tetrao cupido, voor het wijfje pronkende (J. W. Wood).
Fig. 39a.
Tetrao cupido, voor het wijfje pronkende (J. W. Wood).
Versiering.—Ik zal eerst de gevallen bespreken, waarin de mannetjes hetzij uitsluitend of in veel hooger mate zijn versierd dan de wijfjes; en in een volgend hoofdstuk die waarin beide seksen evenzeer zijn versierd, en eindelijk de zeldzame gevallen waarin het wijfje iets levendiger is gekleurd dan het mannetje. Evenals bij de kunstmatige versierselen die door wilde en beschaafde menschen worden gebruikt,aanhet hoofd, zoo is ook bij de natuurlijke versierselen der vogels de kop de hoofdzetel van de versiering.60In de versierselen heerscht, gelijk in het begin van dit hoofdstuk is vermeld, een verwonderlijke verscheidenheid. De siervederen van het voorhoofd of de achterzijde van het hoofd bestaan uit vederen van verschillenden vorm, die soms kunnen worden ten toon gesteld. Nu en dan komen sierlijke vederbossen aan de ooren voor (Fig.39). De kop is soms bedekt met fluweelachtig dons, gelijk die van den fazant, of hij is naakt en levendig gekleurd of hij draagt vleeschachtige aanhangsels, draden of met uit vaste stof gevormde knobbels. Ook de keel is soms met een baard of met vleeschlappen of lellen voorzien. Dergelijke aanhangsels zijn over het algemeen levendig gekleurd en dienen ongetwijfeld tot versiering, al verhoogen zij in onze oogen niet altijd de schoonheid; want, terwijl het mannetje bezig is met het wijfje het hof te maken, zwellen zij dikwijls op en verkrijgen levendiger kleuren, gelijk in het geval van den kalkoenschen haan. Op zulke tijden zwellen de vleeschachtige aanhangsels aan den kop van den mannelijken Tragopan-fazant (Ceriornis Temminckii) op tot een groote strook aan de keel en tot twee horens, een aan elke zijde van de prachtige kuif; en deze bezitten dan de levendigste blauwe kleur die ik ooit heb gezien. De Afrikaansche Neushorenvogel (Buccros Abyssinicus) blaast den scharlakenrooden, op een blaas gelijkenden vleeschlap aan zijn hals op, en zijn vleugels omlaag houdende en zijn staart uitspreidende, „maakt hij wezenlijk een voornaam figuur.”61Zelfs het regenboogvlies (iris) van het oog is soms bij het mannetje[69]levendiger gekleurd dan bij het wijfje; en dit is veelvuldig het geval met den snavel, bij voorbeeld bij onze gewone merel of zwarte lijster. Bij een andere soort van Neushorenvogel (Buceros corrugatus) zijn de geheele snavel en de verbazend groote helm bij het mannetje opzichtiger gekleurd dan bij het wijfje, en „de schuinsche groeven op de zijden van de onderkaak zijn uitsluitend aan het mannetje eigen.”62
Ook de kop draagt dikwijls vleezige of ook wel draadvormige aanhangsels en vaste uitwassen. Indien deze niet aan beide seksen gemeen zijn, zijn zij altijd tot de mannetjes beperkt. De vaste uitwassen zijn uitvoerig beschreven door Dr. W. Marshall63, die aantoont, dat zij zijn gevormd, hetzij van spongieus been met huid bedekt, of van huid- en andere weefsels. Bij zoogdieren rusten ware horens altijd op de voorhoofdsbeenderen, maar bij vogels zijn verschillende beenderen tot dit doel gewijzigd; en bij soorten van de zelfde groep kunnen de uitsteeksels beenpitten hebben, of die geheel missen, met tusschenliggende ontwikkelingstrappen welke deze beide uitersten verbinden. Gelijk Dr. Marshall terecht opmerkt, hebben dus variaties van de meest verschillende soort gediend tot ontwikkeling door seksueele teeltkeus van deze tot versiering dienende aanhangsels.
De mannetjes zijn dikwijls versierd met verlengde vederen die op bijna elk deel van het lichaam ontspringen. De vederen aan de keel en op de borst zijn dikwijls ontwikkeld tot fraaie halskragen en de staartvederen zijn dikwijls verlengd, zooals wij bij de staartdekvederen van den pauw en bij den staart van den Argus-fazant zien. Het lichaam van dezen laatsten vogel is niet grooter dan dat van een hoen, en toch is de lengte van de punt van den snavel tot het uiteinde van den staart niet minder dan 1 meter 6 decimeter.64De vleugelvederen zijn lang zoo veelvuldig niet verlengd als de staartvederen; want de verlenging daarvan zou voor het vliegen nadeelig zijn. Toch zijn de van fraaie oogvlekken (ocelli) voorziene secundaire vleugelslagpennen van den mannelijken Argus-fazant omtrent 9 decimeter lang; en bij een kleine Afrikaansche nachtzwaluw (Cosmetornis vexillarius) bereikt een der primaire vleugelslagpennen gedurende den paartijd een lengte van 65 centimeter, terwijl de vogel zelf slechts 25 centimeter lang is. Bij een[70]ander nauw verwant geslacht van nachtzwaluwen zijn de schachten van de verlengde vleugelslagpennen naakt, behalve aan het einde waar zich een schijfvormige vlag bevindt.65In weder een ander geslacht van nachtzwaluwen zijn de staartvederen zelfs nog verbazender ontwikkeld, zoodat wij zien, hoe de mannetjes van nauw verwante vogels de zelfde soort van versiering verkrijgen door de ontwikkeling van geheel verschillende vederen.
Het is een merkwaardig feit, dat de vederen van tot verschillende groepen behoorende vogels op bijna volkomen de zelfde bijzondere wijze zijn gewijzigd. Zoo zijn de vleugelslagpennen bij een der bovenvermelde nachtzwaluwen naakt langs de schacht en eindigen in een schijfvormige vlag; of zijn, zooals zij somtijds worden genoemd, lepel- of raketvormig. Vederen van deze soort komen ook voor in den staart van een Motmot (Eumomota superciliaris), van een ijsvogel, vink, kolibri, papegaai, onderscheidene Indische Drongo-klauwieren,DicrurusenEdolius, bij een waarvan de schijf verticaal staat, en in den staart van sommige Paradijsvogels. Bij deze laatste vogels versieren soortgelijke, van fraaie oogvlekken (ocelli) voorziene vederen den kop, evenals ook bij sommige Hoenderachtige Vogels het geval is. Bij een Indische trapgans (Sypheotides auritus) eindigen ook de vederen waaruit de, omtrent 1 decimeter lange, vederbossen aan de ooren bestaan, in schijven.66De vlag van de vederen is ook bij onderscheidene zeer verschillende vogels draad- of donsachtig, b.v. bij sommige Reigers, Ibissen, Paradijsvogels en Hoenderachtige Vogels. In andere gevallen verdwijnt de vlag, en blijven de schachten naakt; en deze bereiken in den staart vanParadisea apodaeen lengte van 85 centimeter.67Wanneer kleinere vederen op die wijze zijn ontbloot, zien zij er uit als borstels, zooals op de borst van den kalkoenschen haan. Gelijk de mensch er toe komt om elke voorbijgaande mode in de kleeding te bewonderen, zoo schijnt ook bij de vogels elke soort van verandering in het maaksel of de kleur van de vederen van het mannetje door het wijfje te zijn bewonderd. Het feit, dat de vederen in zeer verschillende groepen op overeenkomstige wijze zijn gewijzigd, is ongetwijfeld oorspronkelijk het gevolg geweest[71]van de omstandigheid, dat al de vederen bijna het zelfde maaksel en de zelfde ontwikkelingswijze hadden en bijgevolg geneigd waren op de zelfde wijze te varieeren. Wij zien dikwijls neiging tot overeenkomstige verandering in het gevederte van onze tot verschillende soorten behoorende tamme rassen. Zoo hebben zich bij onderscheidene soorten kuiven gevormd. Bij een uitgestorven verscheidenheid van den kalkoen bestond de kuif uit naakte schachten met donzige uiteinden, zoodat zij tot op zekere hoogte op de boven beschreven raketvormige vederen geleken. Bij sommige duiven- en hoenderrassen zijn de vederen donsachtig met eenige neiging in de schachten om naakt te worden. Bij de Sebastopol-gans zijn de schoudervederen zeer verlengd, gekruld of zelfs spiraalvormig ineengerold, met donzige randen.68
Ten opzichte der kleur behoeft hier nauwelijks iets te worden gezegd; want iedereen weet, hoe prachtig de kleuren der vleugels zijn, en hoe harmonisch zij zijn samengevoegd. De kleuren zijn dikwijls metaalglanzend en iriseerend. Cirkelvormige vlekken worden dikwijls omringd door een of meer verschillend geschakeerde gordels, en worden in oogvlekken (ocelli) veranderd. Er behoeft hier ook niet veel te worden gezegd over de wondervolle verschillen tusschen de seksen, noch over de uiterste schoonheid van de mannetjes van vele vogels. De gewone pauw levert een treffend voorbeeld. Vrouwelijke paradijsvogels zijn donker gekleurd en van alle versierselen ontbloot, terwijl de mannetjes waarschijnlijk de meest versierde van alle vogels zijn en daarin zooveel verscheidenheid vertoonen, dat men ze moet zien om ze naar waarde te schatten. De verlengde goudoranjekleurige siervederen die van onder de vleugels van Paradisea apoda ontspringen (zie Fig 40;P. rubra, een veel minder fraaie soort, voorstellende), vormen volgens de beschrijving, als zij verticaal worden opgericht en in trilling gebracht, een soort van halo(6), in het midden waarvan de kop „er uitziet als een kleine smaragden zon waarvan de stralen door de siervederen worden gevormd.”69Bij een andere bijzonder fraaie soort is de kop naakt „en van een rijk kobaltblauw, overkruist door verscheidene lijnen van zwarte fluweelachtige vederen.”70[72]
Fig. 40.Fig. 40.Paradisea rubra, mannetje (naar Brehm).
Fig. 40.
Paradisea rubra, mannetje (naar Brehm).
Fig. 41.Fig. 41.Paradisea papuana, voor het wijfje pronkende (T. W. Wood).
Fig. 41.
Paradisea papuana, voor het wijfje pronkende (T. W. Wood).
De mannetjes der Kolibri’s (Fig.42en43) wedijveren in schoonheid bijna met de Paradijsvogels, gelijk iedereen zal toegeven, die de prachtige werken van den heer Gould of zijn rijke verzameling heeft gezien. Het is zeer opmerkelijk, op hoevele verschillende wijzen deze vogels[73]zijn versierd. Bijna elk deel van hun vederbos is daartoe gebruikt en gewijzigd; en de wijzigingen zijn, gelijk de heer Gould mij toonde, bij sommige soorten, tot bijna elke ondergroep behoorende, tot een verwonderlijk uiterste gedreven. Dergelijke gevallen gelijken merkwaardig veel op die welke wij bij onze tamme liefhebberijvogels[74]zien, die door den mensch tot versiering zijn opgekweekt; sommige individu’s varieerden oorspronkelijk in het eene kenmerk, en andere tot de zelfde soort behoorende individu’s in een ander kenmerk; en deze zijn door den mensch aangegrepen en tot het uiterste vermeerderd,—[75]gelijk bij voorbeeld de staart van de Pauwduif, de kuif van de Jacobijner-duif, de bek en vleeschlap van de Postduif en zoo verder. Het eenige verschil tusschen deze gevallen is, dat in het eene geval de uitslag[76]het gevolg is van de teeltkeus van den mensch, terwijl zij in het andere, zooals bij de Kolibri’s, Paradijsvogels enz., het gevolg is van seksueele teeltkeus,—dat is van het door de wijfjes voor de voortteling uitkiezen van de fraaiste mannetjes.
Fig. 42.Fig. 42.Lophornis ornatus, mannetje en wijfje (naar Brehm).
Fig. 42.
Lophornis ornatus, mannetje en wijfje (naar Brehm).
Fig. 43.Fig. 43.Spathura Underwoodi, mannetje en wijfje (naar Brehm).
Fig. 43.
Spathura Underwoodi, mannetje en wijfje (naar Brehm).
Ik zal slechts éénen anderen vogel vermelden, merkwaardig door de uitermate groote tegenstelling (contrast) in kleur tusschen de seksen, namelijk den Klokvogel (Chasmorhynchus niveus) van Zuid-Amerika, wiens geluid kan worden onderscheiden op den afstand van omtrent 4½ kilometer, en iedereen in verbazing brengt, die het voor het eerst hoort. Het mannetje is zuiver wit, terwijl het wijfje donkergroen is; en de eerste kleur is bij het land bewonende soorten, van matige grootte en van vreedzame levenswijze, zeer zeldzaam. Het mannetje bezit ook, volgens de beschrijving van Waterton, een spiraalvormige buis, omtrent 7½ centimeter lang, die uit het grondvlak van den snavel ontspringt. Zij is gitzwart en dicht bezet met kleine donsachtige veêrtjes. Deze buis kan met lucht worden opgeblazen door een verbinding met het verhemelte; en als zij niet is opgeblazen, hangt zij aan de eene zijde naar beneden. Het geslacht bestaat uit vier soorten, waarvan de mannetjes zeer verschillend zijn, terwijl de wijfjes, gelijk door den heer Sclater in een hoogst belangwekkende verhandeling is beschreven, zeer veel op elkander gelijken, en dus een uitnemend voorbeeld opleveren van den gewonen regel, dat binnen de grenzen van eene en de zelfde groep de mannetjes meer van elkander verschillen dan de wijfjes. Bij een tweede soort (C. nudicollis) is het mannetje eveneens sneeuwwit, met uitzondering van een breede strook naakte huid aan de keel en rondom de oogen, welke gedurende den paartijd een schoone groene kleur heeft. Bij een derde soort (C. tricarunculatus) zijn alleen de kop en de hals van het mannetje wit, terwijl het overige van het lichaam kastanjebruin is, en het mannetje van deze soort is voorzien van drie draadvormige aanhangsels die de halve lengte van het lichaam bezitten,—waarvan er een uit het grondvlak van den snavel en de beide andere uit de hoeken van den bek ontspringen.71
Het gekleurde gevederte en sommige andere versierselen van de mannetjes, als zij volwassen zijn, worden, hetzij levenslang behouden of periodiek vernieuwd gedurende den zomer en den paartijd. In dat jaargetijde[77]veranderen de snavel en de naakte huid aan den kop veelvuldig van kleur, gelijk bij sommige reigers, ibissen, meeuwen, een van de zooeven vermelde klokvogels enz. Bij den witten ibis worden de wangen, de voor opblazing vatbare huid aan de keel en het grondgedeelte van den snavel dan karmozijnrood.72Bij een van de Ralachtige vogels,Gallicrex cristatus, ontwikkelt zich gedurende dat zelfde tijdperk een roode lel op den kop van het mannetje. Evenzoo is het gelegen met een dunnen, hoornachtigen kam op den snavel van een der pelikanen,P. erythrorhynchus; want na den paartijd worden deze hoornachtige kammen afgeworpen gelijk de horens van den kop der herten, en men vond de kust van een eiland in een meer in Nevada met deze merkwaardige afgeworpen deelen bedekt.73
Kleurveranderingen in het gevederte, die met het jaargetijde in betrekking staan, hangen ten eerste van een dubbele jaarlijksche ruiing, ten tweede van een werkelijke kleurverandering van de vederen zelven, en ten derde van het op vaste tijden afwerpen van hun dof gekleurde randen, of van een in meerdere of mindere mate vereenigde werking van deze drie oorzaken af. Het afwerpen van de daarvoor vatbare randen kan worden vergeleken met het door zeer jonge vogels afwerpen van hun dons; want het dons ontspruit in de meeste gevallen uit de toppen van de eerste ware vederen.74
Wat de vogels aangaat, die jaarlijks een dubbele ruiing ondergaan, zoo zijn er, ten eerste, eenige soorten, bij voorbeeld snippen, zwaluw-plevieren (Glareola) en wulpen bij welke de beide seksen op elkander gelijken en in geen der jaargetijden van kleur veranderen. Ik weet niet, of het wintergevederte dikker en warmer is dan het zomergevederte, hetgeen, wanneer er geen kleurverandering plaats grijpt, de meest waarschijnlijke oorzaak van een dubbele ruiing schijnt te zijn. Ten tweede zijn er vogels, bij voorbeeld zekere soorten van Ruiters (Totanus) en andere Steltloopers (Grallatores), waarvan de seksen op elkander gelijken, maar een eenigszins verschillend zomer- en wintergevederte hebben. Het verschil in kleur is echter in deze gevallen zoo gering, dat het moeilijk een voordeel voor hen kan zijn, en mag dan wellicht worden toegeschreven aan de verschillende levensvoorwaarden waaraan de vogels gedurende de beide jaargetijden zijn blootgesteld. Ten derde[78]zijn er vele andere vogels bij welke de seksen op elkander gelijken, doch die zeer verschillend zijn in hun zomer- en in hun wintergevederte. Ten vierde zijn er vogels bij welke de seksen van elkander in kleur verschillen, doch de wijfjes, hoewel tweemaal ruiende, het geheele jaar door de zelfde kleuren behouden, terwijl de mannetjes een kleurverandering, en soms, zooals met zekere trapganzen het geval is, een groote kleurverandering ondergaan. Ten vijfde en ten laatste zijn er vogels bij welke de seksen zoowel in zomer- als in wintergevederte van elkander verschillen, doch het mannetje bij elk terugkeerend jaargetijde een grootere verandering ondergaat dan het wijfje, waarvan de kemphaan (Machetes pugnax) een goed voorbeeld oplevert.
Wat de oorzaak of het doel aangaat van de verschillen in kleur tusschen het zomer- en wintergevederte, zoo kan dit wellicht in sommige gevallen, gelijk in dat van het sneeuwhoen75, gedurende beide jaargetijden tot bescherming dienen. Als het verschil gering is, mag het wellicht, gelijk reeds is opgemerkt, aan de directe werking der levensvoorwaarden worden toegeschreven.Bij vele vogels kan het echter nauwelijks worden betwijfeld, of het zomergevederte dient tot versiering, zelfs wanneer beide seksen gelijk zijn. Wij mogen besluiten, dat dit het geval is met vele reigers, zilverreigers enz.; want zij verkrijgen hun schoone siervederen alleen gedurende den paartijd. Daarenboven zijn dergelijke siervederen, kuiven enz., hoewel beide seksen ze bezitten, nu en dan een weinig meer ontwikkeld bij het mannetje dan bij het wijfje; en zij gelijken op de vederen en versierselen die bij andere vogels alleen door de mannetjes worden bezeten. Het is ook bekend, dat opsluiting dikwijls, door in te werken op het voortplantingsstelsel van mannelijke vogels, de ontwikkeling van hun secundaire seksueele kenmerken verhindert, maar geen onmiddellijken invloed heeft op eenig ander kenmerk, en de heer Bartlett meldt mij, dat acht of negen voorwerpen van den kanoetstrandlooper (Tringa canutus) in den Londenschen dierentuin hun onversierd wintergevederte het geheele jaar door behielden, uit welk feit wij mogen afleiden, dat het zomergevederte,[79]hoewel aan beide seksen gemeen, in de natuur van het uitsluitend mannelijke gevederte van vele andere vogels deelt.76
Uit de voorgaande feiten, meer bijzonder uit de omstandigheid, dat bij zekere vogels geen van beide seksen gedurende een der beide jaarlijksche ruiingen van kleur verandert, of zoo weinig verandert, dat de verandering hun moeilijk eenigermate van dienst kan zijn, en dat bij andere soorten de wijfjes, hoewel zij tweemaal ruien, toch het geheele jaar door de zelfde kleuren behouden, mogen wij besluiten, dat de gewoonte om tweemaal in het jaar te ruien, niet is verkregen, opdat het mannetje gedurende den paartijd er sierlijk uit zou zien, maar dat van de dubbele ruiing, oorspronkelijk met eenig ander doel verkregen, later in sommige gevallen partij is getrokken om een bruiloftskleed te verkrijgen.
Het schijnt op het eerste gezicht een verwonderlijke omstandigheid, dat bij nauw verwante vogels sommige soorten geregeld tweemaal ’s jaars ruien en andere slechts eenmaal. Het sneeuwhoen, bij voorbeeld, ruit tweemaal of zelfs driemaal ’s jaars, en het korhoen slechts eenmaal; sommige van de prachtig gekleurde Honigvogels (Nectariniae) van Indië en sommigeondergeslachtenvan donker gekleurde Piepers (Anthus) hebben een dubbele, en andere slechts een enkele jaarlijksche ruiing.77De overgangen in de wijze van ruien, die men weet, dat bij onderscheidene vogels voorkomen, toonen ons echter, hoe soorten, of geheele groepen van soorten, oorspronkelijk hun dubbele jaarlijksche ruiing verkregen, of na eens die gewoonte te hebben verkregen, haar daarna weder kunnen hebben verloren. Bij zekere trapganzen en Plevierachtige Vogels is de voorjaarsruiing ver van volkomen, daar sommige vederen worden vernieuwd, terwijl andere alleen van kleur veranderen. Er is ook reden om te gelooven, dat bij zekere trapganzen en Ralachtige Vogels die eigenlijk een dubbele jaarlijksche ruiing ondergaan, sommige van de oudere mannetjes hun bruiloftsgevederte het[80]geheele jaar door behouden. Soms worden gedurende de lente slechts eenige weinige gewijzigde vederen bij het gevederte gevoegd, zooals het geval is met de schijfvormige staartvederen van zekere Indische drongo-klauwieren (Bhringa), en met de verlengde vederen op den rug, hals en kop van zekere reigers. Door dergelijke trapsgewijze overgangen zou de voorjaarsruiing hoe langer hoe vollediger kunnen worden, totdat eindelijk een volkomen dubbele ruiing was verkregen. Men kan ook aantoonen, dat er een overgang bestaat in de lengte van tijd gedurende welken elk der beide jaarlijksche gevederten wordt behouden, zoodat het eene er toe kan komen om het geheele jaar te worden behouden, omdat het andere volkomen verloren gaat. Zoo houdt de kemphaan (Machetes pugnax) zijn halskraag in het voorjaar slechts twee maanden lang. Het mannetje van denweduwvogel(Chera progne) verkrijgt in Natal zijn schoon gevederte en lange staartvederen in December of Januari en verliest ze in Maart, zoodat zij slechts gedurende omtrent drie maanden behouden blijven. De meeste soorten die een dubbele ruiing ondergaan, behouden hun tot versiering dienende vederen omstreeks zes maanden. Het mannetje van het wilde hoen (Gallus bankiva) behoudt echter de sikkelvormige vederen aan zijn hals gedurende negen of tien maanden; en wanneer deze worden afgeworpen, zijn de daaronder liggende zwarte vederen van den hals geheel aan het gezicht blootgesteld. Maar bij den tammen afstammeling van deze soort worden de sikkelvormige vederen aan den hals onmiddellijk door nieuwe vervangen, zoodat wij hier ten opzichte van een deel van het gevederte zien, hoe in den getemden staat een dubbele ruiing in een enkele is overgegaan.78
Het is algemeen bekend, dat het mannetje van de gewone eend (Anas boschas) na den paartijd zijn mannelijk gevederte gedurende een tijd van drie maanden verliest, gedurende welken hij dat van het wijfje aanneemt. De mannelijke pijlstaarteend (Anas acuta) verliest zijn[81]gevederte voor den korteren tijd van zes weken of twee maanden, en Montagu merkt op, dat „deze dubbele ruiing binnen een zoo korten tijd een hoogst buitengewone omstandigheid is, die elke menschelijke redeneering schijnt te tarten.” Hij echter, die aan de trapsgewijze wijziging der soorten gelooft, zal volstrekt geen verwondering gevoelen, als hij overgangen van allerlei aard vindt. Als de mannelijke pijlstaarteend zijn nieuw gevederte binnen een nog korter tijdperk verkreeg, zouden de nieuwe mannelijke vederen bijna noodzakelijk met de oude, en beide met sommige die aan het wijfje eigen zijn, worden vermengd; en dit schijnt met het mannetje van een verwante soort, namelijk den pinduiker (Merganser serrator) het geval te zijn, want men zegt, dat de mannetjes „een verandering van gevederte ondergaan, die hen tot op zekere hoogte aan het wijfje gelijk maakt. Door een kleine nieuwe versnelling van het proces zou de dubbele ruiing geheel verloren gaan.”79
Sommige mannelijke vogels worden, zooals boven is medegedeeld, in de lente levendiger gekleurd, niet door een voorjaarsruiing, maar hetzij door een werkelijke kleurverandering in de vederen of doordat de dof gekleurde randen daarvan worden afgeworpen. Aldus veroorzaakte kleurveranderingen kunnen langeren of korteren tijd duren. Zoo verspreidt zich in de lente over het geheele gevederte vanPelacanus onocrotaluseen fraaie rozeroode tint, met citroenkleurige vlekken op de borst; maar de heer Sclater getuigt, dat deze kleuren „niet lang duren, daar zij over het algemeen omstreeks zes weken of twee maanden, nadat zij zijn verkregen, weder verdwijnen.” Sommige soorten van vinken werpen de randen van hun vederen in de lente af en worden dan levendiger gekleurd, terwijl andere vinken geen dergelijke verandering ondergaan. Zoo prijktFringilla tristisvan de Vereenigde Staten (zoowel als vele andere Amerikaansche soorten) alleen met haar levendige kleuren, als de winter voorbij is, terwijl onze distelvink welke met dezen vogel nauwkeurig in levenswijze, en ons sijsje dat er nog nauwkeuriger in maaksel mede overeenkomt, een dergelijke verandering niet ondergaan. Een verschil van dezen aard in het gevederte van verwante soorten is echter niet te verwonderen; want het gewone kneutje dat tot de zelfde Familie behoort, prijkt in Engeland[82]alleen gedurende den zomer met een karmozijnen voorhoofd en borst, terwijl het in Madera deze kleuren gedurende het geheele jaar houdt.80
Het Pronken van Mannelijke Vogels met hun Gevederte.—De mannetjes pronken ijverig met hun versierselen van allerlei soort, hetzij zij hen bestendig of slechts tijdelijk behouden, en gebruiken ze blijkbaar om de wijfjes op te wekken, aan te trekken of te bekoren. Soms zullen de mannetjes echter met hun versierselen pronken, hoewel zij niet in tegenwoordigheid van de wijfjes zijn, zooals nu en dan geschiedt met Boschhoenders op hun balz-plaatsen, en zooals bij den pauw kan worden opgemerkt. Deze laatste vogel verlangt echter blijkbaar iemand die naar hem ziet, en zal zijn pracht, zooals ik dikwijls heb gezien, voor kippen of zelfs voor biggen ten toon spreiden.81Alle natuuronderzoekers die nauwkeurig acht hebben gegeven op de gewoonten van vogels, hetzij in den natuurstaat of in tammen staat, zijn eenparig van oordeel, dat de mannetjes er behagen in scheppen om met hun schoonheid te pronken. Audubon spreekt er dikwijls van, dat het mannetje op onderscheidene wijze het wijfje tracht te bekoren. De heer Gould zegt, na eenige bijzonderheden van een mannelijken kolibri te hebben beschreven, dat hij niet twijfelt, of dit dier bezit het vermogen om ze op de voordeeligste wijze voor het wijfje ten toon te spreiden. Dr. Jerdon82drukt er op, dat het schoone gevederte van het mannetje dient „om het wijfje te betooveren en aan te trekken.” De heer Bartlett drukte zich in den Londenschen Dierentuin omtrent dit onderwerp in de sterkste bewoordingen tegen mij uit.