[Inhoud]TWINTIGSTE HOOFDSTUK.SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DEN MENSCH.—SLOT.Over de gevolgen van de voortdurende teeltkeus van vrouwen volgens een verschillenden maatstaf van schoonheid in elk ras.—Over de oorzaken die de werking der seksueele teeltkeus tegenwerken bij beschaafde en wilde volken.—Over de voor de seksueele teeltkeus gunstige omstandigheden in voorhistorische tijden.—Over de werkingswijze der seksueele teeltkeus bij den mensch.—Over het feit, dat de vrouwen bij wilde stammen eenigermate in de gelegenheid zijn haar echtgenooten te kiezen.—Afwezigheid van haar op het lichaam, en ontwikkeling van den baard.—Kleur der huid.—Overzicht.Wij hebben in het vorige hoofdstuk gezien, dat bij alle onbeschaafde rassen versierselen, kleeding en uiterlijk aanzien op hoogen prijs worden gesteld, en dat de mannen de schoonheid hunner vrouwen volgens een zeer verschillenden maatstaf beoordeelen. Wij moeten nu onderzoeken, of deze voorkeur en de daarvan het gevolg zijnde teeltkeus gedurende vele geslachten van die vrouwen welke aan de mannen van elk ras de meest aantrekkelijke schijnen, de kenmerken van de vrouwen, alleen of van beide seksen had veranderd. Bij zoogdieren schijnt de algemeene regel te zijn, dat kenmerken van alle soorten gelijkelijk door de mannetjes en door de wijfjes worden overgeërfd; wij zouden daarom mogen verwachten, dat bij den mensch elk door seksueele teeltkeus door de vrouwen verkregenkenmerkgewoonlijk op de nakomelingschap van beiderlei sekse zou zijn overgeplant. Indien eenige verandering op die wijze is voortgebracht, is het bijna zeker, dat de verschillende rassen op verschillende wijze zullen zijn gewijzigd, daar elk zijn eigen maatstaf van schoonheid heeft.Bij den mensch, vooral bij wilden, storen vele oorzaken de werking der seksueele teeltkeus, voorzoover het lichamelijk maaksel aangaat. Beschaafde menschen worden in hooge mate aangetrokken door de[350]geestelijke bekoorlijkheden der vrouwen, door haar rijkdom, en voornamelijk door haar maatschappelijken rang; want mannen huwen zelden ver beneden hun stand. Die mannen welke het best slagen in het verkrijgen der schoonere vrouwen, zullen geen beter kans hebben om een lange lijn van nakomelingen na te laten dan andere mannen met leelijker vrouwen, met uitzondering van de weinige die hun vermogen volgens de wet der eerstgeboorte vermaken. Wat den tegenovergestelden vorm van teeltkeus, namelijk van de meer aantrekkelijke mannen door de vrouwen aangaat, zoo heeft op de keus der vrouwen, hoewel zij bij beschaafde natiën een vrije of bijna vrije keus hebben, hetgeen bij barbaarsche rassen niet het geval is, de maatschappelijke rang en rijkdom der mannen een grooten invloed; en de voorspoed van deze laatsten in het leven hangt in groote mate af van hun verstandelijke vermogens en geestkracht (energie), of van de vruchten van die zelfde vermogens bij hun voorvaders. Wij behoeven geen vergiffenis te vragen, dat wij dit onderwerp eenigszins uitvoerig behandelen; want, gelijk de Duitsche wijsgeer Schopenhauer opmerkt: „is het einddoel van alle liefde-intriges, hetzij zij komisch of tragisch zijn, in werkelijkheid belangrijker dan alle andere zaken in het menschelijk leven. Want het komt geheel en al neêr op niets minder dan de samenstelling van het volgende geslacht (generatie). Niet het geluk of ongeluk van eenig bijzonder individu, maar dat van het geheele toekomstige menschdom staat hier op het spel.”1Er is echter reden om te gelooven, dat de seksueele teeltkeus bij sommige beschaafde en half beschaafde volken eenigen invloed heeft gehad. Vele personen zijn overtuigd en naar het mij schijnt terecht, dat de leden van onze aristocratie, als men onder dit woord alle rijke families verstaat, bij welke het recht van eerstgeboorte lang heeft geheerscht, omdat zij gedurende vele geslachten de schoonste vrouwen van alle klassen tot hun echtgenooten hebben gekozen, volgens den Europeeschen maatstaf van schoonheid schooner zijn geworden, dan de middelklassen; en toch zijn de middelklassen geplaatst onder levensvoorwaarden die even gunstig zijn voor de volkomen ontwikkeling van het lichaam. Cook merkt op, dat de meerdere voortreffelijkheid in persoonlijke schoonheid, „die bij de areois of edelen op al de andere eilanden (van den Stillen Oceaan) kan worden opgemerkt, op de Sandwich-eilanden[351]algemeen is”; doch dit kan hoofdzakelijk het gevolg zijn van hun betere voeding en levenswijze.De oude reiziger Chardin zegt, de Perzen beschrijvende, dat hun „bloed tegenwoordig zeer is veredeld door veelvuldige kruisingen met de Georgiërs en Circassiërs, twee volken die alle andere in persoonlijke schoonheid overtreffen. Er is nauwelijks een man van rang in Perzië, die niet uit een Georgische of Circassische moeder is geboren.” Hij voegt er bij, dat zij hun schoonheid „niet erven van hun voorvaders; want zonder bovenvermelde vermenging zouden de mannen van rang in Perzië, die afstammelingen van de Tartaren zijn, uiterst leelijk wezen”.2Zie hier een nog merkwaardiger geval: de priesteressen die in den tempel van Venus Erycina te San-Giuliano in Sicilië den dienst verrichtten, werden uit de schoonste vrouwen van geheel Griekenland uitgezocht, zij waren geen Vestaalsche maagden, en Quatrefages3aan wien deze mededeeling is ontleend, zegt, dat de vrouwen van San-Giuliano nog tegenwoordig beroemd zijn als de schoonste van het eiland, en door kunstenaars als modellen worden gezocht. Het is echter klaarblijkelijk, dat de bewijzen in de bovengemelde gevallen twijfelachtig zijn.Het volgende geval verdient, hoewel op wilden betrekking hebbende, wegens zijn merkwaardigheid wel hier te worden medegedeeld. De heer Winwood Reade meldt mij, dat de Jollofs, een negerstam aan de westkust van Afrika, „opmerkelijk zijn wegens hun algemeen fraai uiterlijk”.Een zijner vrienden vraagde eens een dezer menschen:„hoe komt het, dat iedereen dien ik ontmoet, er zoo fraai uitziet, niet slechts uw mannen, maar ook uw vrouwen?” De Jollof antwoordde: „Dat is zeer gemakkelijk te verklaren: het is altijd onze gewoonte geweest diegenen onzer slaven, die een leelijk uiterlijk hadden, uit te zoeken en te verkoopen.” Het behoeft hier nauwelijks te worden bijgevoegd, dat bij alle wilden de slavinnen als bijwijven worden gebruikt. Dat deze neger, hetzij terecht of ten onrechte, het fraaie uiterlijk van zijn stam zou hebben toegeschreven aan de lang voortgezette eliminatie van de leelijke vrouwen, is niet zoo verwonderlijk, als het wellicht op[352]het eerste gezicht schijnt, want ik heb elders4aangetoond, dat negers de belangrijkheid van teeltkeus bij het fokken hunner huisdieren ten volle naar waarde schatten, en zou op gezag van den heer Reade nog meer bewijzen daarvoor kunnen mededeelen.Over de Oorzaken die de Werking der Seksueele Teeltkeus bij Wilden voorkomen of belemmeren.—De hoofdoorzaken zijn, ten eerste, zoogenaamde communale huwelijken of algemeene vermenging (promiscuïteit); ten tweede, kindermoord, vooral van vrouwelijke kinderen; ten derde, vroege verlovingen; en eindelijk de geringschatting die men voor vrouwen, als bloote slavinnen, gevoelt. Deze vier punten moeten eenigszins uitvoerig worden beschouwd.Het is duidelijk, dat, zoolang de paring van den mensch, of van eenig ander dier, aan het toeval wordt overgelaten, zonder dat een der beide seksen een keus uitoefent, er ook geen seksueele teeltkeus kan zijn, en er geen invloed op de nakomelingschap kan worden uitgeoefend, doordat zekere individu’s bij hun vrijage een voordeel over andere hebben. Nu beweert men, dat er nog op den huidigen dag stammen bestaan, die uitoefenen, hetgeen Sir J. Lubbock uit hoffelijkheid communale huwelijken noemt, dat is, dat alle mannen en vrouwen van den stam elkanders echtgenooten zijn. De losbandigheid van vele wilden is ongetwijfeld verbazend groot; maar het schijnt mij toe, dat er meer bewijzen noodig zijn, voordat wij volkomen kunnen aannemen, dat hun bestaande vermenging werkelijk volstrekt algemeen is. Desniettemin gelooven allen die het onderwerp zeer grondig hebben bestudeerd5, en wier oordeel veel meer waard is dan het mijne, dat het communale huwelijk de oorspronkelijke en algemeene vorm over de geheele wereld[353]was, met insluiting van het huwelijk tusschen broeders en zusters. Wijlen Sir A. Smith die groote reizen in Zuid-Afrika had gedaan, en veel wist van de zeden der wilden daar en elders, verzekerde mij ten sterkste, dat er naar zijn meening geen stam bestaat, waarin de vrouw als het eigendom van al de leden daarvan wordt beschouwd. Ik geloof dat dit oordeel in groote mate werd bepaald door den zin dien hij aan het woord huwelijk hechtte. In de hier volgende bespreking zal ik dit woord gebruiken in den zelfden zin als dierkundigen, wanneer zij van éénwijvige (monogame) dieren spreken, waarmede zij bedoelen, dat het mannetje wordt aangenomen door een enkel wijfje, of een enkel wijfje uitkiest en daarmede leeft, hetzij gedurende den paartijd of gedurende het geheele jaar, haar in bezit houdende door het recht van den sterkste; of als zij spreken van een veelwijvige (polygame) soort, bedoelende, dat het mannetje met meer dan één wijfje leeft. Deze soort van huwelijk is het eenige waarmede wij hier hebben te maken, daar zij voldoende is voor de werking der seksueele teeltkeus. Doch ik weet, dat verscheidene der boven aangehaalde schrijvers onder het woord huwelijk een erkend recht, beschermd door den stam, verstaan. De indirecte bewijzen ten gunste dezer meening zijn uiterst sterk en berusten voornamelijk op de namen der graden van bloedverwantschap, die tusschen de leden van den zelfden stam worden gebruikt, en alleen een verwantschap met den stam en niet met een der beide ouders te kennen geven. Het onderwerp is echter te uitgebreid en te ingewikkeld om hier te worden behandeld, en ik zal mij tot eenige weinige opmerkingen bepalen. Het is duidelijk, dat bij communale huwelijken, of daar waar de band des huwelijks zeer los is, de verwantschap tusschen het kind en zijn vader niet bekend kan zijn. Het schijnt echter bijna ongeloofelijk, dat de verwantschap tusschen het kind en zijn moeder ooit volkomen onbekend zou zijn geweest, vooral daar bij de meeste wilde stammen de moeders haar kinderen gedurende langen tijd zoogen. Overeenkomstig hiermede wordt in vele gevallen de afstamming alleen in de moederlijke lijn nagegaan, met uitsluiting van de vaderlijke. In vele andere gevallen echter drukken de gebruikt wordende namen alleen een verwantschap met den stam uit, met uitsluiting zelfs van de moeder. Het schijnt mogelijk, dat de band tusschen de verwante leden van den zelfden barbaarschen stam, aan allerlei soorten van gevaar blootgesteld, zooveel belangrijkerzoukunnen zijn, ten gevolge van de behoefte aan wederzijdsche bescherming en hulp, dan die tusschen[354]een moeder en haar kind, dat dit aanleiding gaf om alleen de woorden te gebruiken, die de eerste soort van verwantschappen uitdrukten; doch de heer Morgan is overtuigd, dat deze wijze om de zaak te beschouwen, in geenen deele voldoende is.De woorden die in verschillende deelen der wereld worden gebruikt om de graden van bloedverwantschap aan te duiden, kunnen volgens den zooeven aangehaalden schrijver, in twee groote klassen worden verdeeld: de klassificatorische en de beschrijvende,—de laatste wordt door ons gebruikt. Het is het klassificatorische stelsel dat zoo nadrukkelijk tot de meening aanleiding geeft, dat communale en andere uiterst losse vormen van huwelijk oorspronkelijk algemeen waren. Zoover ik echter de zaak begrijp, is er geen noodzakelijkheid om op dezen grond in een volstrekt vrije vermenging te gelooven. Mannen en vrouwen zouden, gelijk vele van de lagere dieren, vroeger vaste hoewel tijdelijke vereenigingen voor elke geboorte kunnen hebben gesloten, en in dit geval zou omtrent evenveel verwarring in de woorden voor de graden van bloedverwantschap zijn ontstaan, als in het geval van een geheel vrije vermenging. Voorzoover er de seksueele teeltkeus in is betrokken, is al wat noodig is, dat er een keus werd uitgeoefend, voordat de ouders zich vereenigden, en beteekent het weinig, of de vereenigingen levenslang of voor één jaargetijde duurden.Behalve de bewijzen die uit de woorden worden afgeleid, welke voor de graden van bloedverwantschap worden gebruikt, toonen ook andere aaneenschakelingen van redeneering het vroeger wijd en zijd heerschen van communale huwelijken aan. Sir J. Lubbock verklaart6op vernuftige wijze de vreemde en ver verspreide gewoonte van exogamie,—dat is, dat de mannen van éénen stam altijd vrouwen nemen uit een anderen stam, doordat het communisme de oorspronkelijke vorm van het huwelijk was, zoodat een man nimmer een vrouw voor zich alleen verkreeg, dan wanneer hij haar van een vreemden en vijandigen stam roofde, en dan zou zij natuurlijk zijn uitsluitend en kostbaar eigendom zijn geworden. Zoo zou de gewoonte om vrouwen te rooven ontstaan en wegens de daardoor behaalde eer ten laatste de algemeene gewoonte kunnen zijn geworden. Wij kunnen, volgens Sir J. Lubbock, op die wijze ook de noodzakelijkheid begrijpen „om voor het huwelijk boete te doen,daar het een verkrachting van de rechten van den stam was,[355]omdat, volgens de oude denkbeelden, een man geen recht had om zich zelf iets toe te eigenen, dat aan den geheelen stam behoorde.” Sir J. Lubbock geeft verder een hoogst opmerkelijke verzameling van feiten die aantoonen, dat in oude tijden hooge eer werd bewezen aan vrouwen die uiterst losbandig waren; en dit is, gelijk hij verklaart, begrijpelijk, indien wij aannemen, dat vrije vermenging de oorspronkelijke en daarom lang geëerde gewoonte van den stam was.7Hoewel de wijze waarop de huwelijksband zich heeft ontwikkeld, een duister onderwerp is, gelijk wij mogen afleiden uit de afwijkende meeningen omtrent verschillende punten van drie schrijvers die hem het grondigst hebben bestudeerd, namelijk, den heer Morgan, den heer M’Lennan en Sir J. Lubbock, schijnt het toch wegens de voorgaande en onderscheidene andere reeksen van bewijzen zeker8, dat het gebruik van het huwelijk zich trapsgewijze heeft ontwikkeld, en dat bijna algemeene vermenging eens door de geheele wereld heên uiterst algemeen was. Desniettemin kan ik wegens de analogie van de lagere dieren, meer in het bijzonder van die welke in de reeks het naast bij den mensch staan, niet gelooven, dat deze gewoonte in een uiterst verwijderd tijdperk heerschte, toen de mensch nog nauwelijks zijn tegenwoordigen rang op de ladder van het Dierenrijk had bereikt. De mensch stamt, gelijk ik heb trachten aan te toonen, zonder eenigen twijfel van een of ander op een aap gelijkend schepsel af. Bij de tegenwoordige Vierhandigen (Quadrumana) zijn, voor zoover hun levenswijze bekend is, de mannetjes van sommige soorten eenwijvig (monogaam), maar leven alleen gedurende een deel van het jaar met de wijfjes, gelijk met den Orang het geval schijnt te zijn. Onderscheidene soorten, zooals sommige van de Indische en Amerikaansche apen, zijn streng eenwijvig (monogaam) en leven gedurende het geheele jaar in gezelschap van hun wijfjes. Andere zijn veelwijvig (polygaam), gelijk de Gorilla en onderscheidene Amerikaansche soorten, en elk gezin leeft afzonderlijk. Zelfs wanneer dit plaats grijpt, leven de gezinnen die de zelfde streek bewonen, waarschijnlijk[356]gezellig; de Chimpanzee, bijvoorbeeld, wordt nu en dan in groote troepen aangetroffen. Wederom andere soorten zijn veelwijvig (polygaam); doch verscheidene mannetjes leven, elk met zijn eigen wijfje, in een troep vereenigd, gelijk bij onderscheidene soorten van Bavianen9.Wij mogen inderdaad uit hetgeen wij weten van de ijverzucht van alle mannelijke viervoetige dieren, gewapend, gelijk vele van hen zijn, met bijzondere wapenen om met hun medeminnaars te vechten, het besluit trekken, dat een algemeene vermenging in den natuurstaat uiterst onwaarschijnlijk is. De paren mogen niet levenslang, maar slechts voor elke geboorte bijeenblijven, toch zou dit, indien de mannetjes die het sterkst en het best in staat zijn om de wijfjes en de jongen te verdedigen of op andere wijze te helpen, de aantrekkelijkste wijfjes voor de voortteling konden uitkiezen, voldoende zijn voor de werking der seksueele teeltkeus.Daarom is het, indien wij ver genoeg terugblikken in den stroom des tijds, uiterst onwaarschijnlijk, dat de oorspronkelijke mannen en vrouwen in vrije vermenging met elkander leefden. Te oordeelen naar de sociale gewoonten van den mensch, gelijk hij nu bestaat, en naar het feit, dat de meeste wilden in veelwijverij (polygamie) leven, is de waarschijnlijkste meening, dat de oorspronkelijke man in den beginne in kleine gezelschappen leefde, elk met zooveel vrouwen, als hij kon onderhouden en verkrijgen, die hij ijverzuchtig tegen alle andere mannen zal hebben verdedigd. Hij kan ook met onderscheidene vrouwen op zich zelf hebben geleefd, gelijk de Gorilla; want alle inboorlingen „zijn het hierover eens, dat in elken troep slechts één volwassen mannetje wordt gezien; wanneer het jonge mannetje opgroeit, heeft een strijd om de opperheerschappij plaats, en de sterkste vestigt zich, door de andere te dooden of te verjagen, als het hoofd der gemeenschap.”10De jonge mannetjes die daardoor zijn verdreven en nu ronddwalen, zullen, als zij er eindelijk in slagen een gezellin te vinden, een te nauwe vermenging („interbreeding”) binnen de grenzen van de zelfde familie verhoeden.[357]Hoewel de wilden tegenwoordig uiterst losbandig zijn, en hoewel communale huwelijken vroeger in hooge mate mogen hebben geheerscht, zoo bestaat toch bij vele stammen de eene of andere vorm van huwelijk, maar van een veel losser aard dan bij beschaafde volken. Veelwijverij (polygamie) is, zooals juist werd aangevoerd, bijna algemeen in zwang bij de opperhoofden in elken stam. Desniettemin zijn er stammen welke bijna aan den voet van de ladder staan, die streng eenwijvig (monogaam) zijn. Dit is het geval met de Veddah’s van Ceylon; zij hebben, volgens Sir J. Lubbock11, een spreekwoord, „dat alleen de dood vrouw en man kan scheiden.” Een verstandelijk goed ontwikkeld opperhoofd uit Kandy, natuurlijk een polygamist, „ergerde zich in hooge mate over de uiterste barbaarschheid van slechts met ééne vrouw te leven en haar nooit te verlaten, voor men door den dood van haar wordt gescheiden.” Het was, zeide hij, „juist als bij de Wanderoe apen.” Of wilden die tegenwoordig den eenenofanderen vorm van huwelijk, hetzij veelwijvig (polygaam) of eenwijvig (monogaam), bezitten, die gewoonten van uit oorspronkelijke tijden hebben behouden, dan wel, of zij tot den eenen of anderen vorm van huwelijk zijn teruggekeerd, na een toestand van algemeene vrije vermenging te hebben doorloopen,—daarover waag ik het niet vermoedens uit te spreken.Kindermoord.—Dit gebruik is nu in de geheele wereld zeer veelvuldig, en er is reden om te gelooven, dat het in vroegere tijden een nog grooter verspreiding had.Barbaren vinden het moeilijk zich zelven en hun kinderen te onderhouden, en het is een eenvoudig plan hun kinderen te dooden. In Zuid-Amerika vernielden sommige stammen, gelijk Azara getuigt, zoovele kinderen van beide seksen, dat zij op het punt waren van uit te sterven. Op de Polynesische eilanden heeft men vrouwen gekend, die vier of vijf tot zelfs tien van haar kinderen hadden gedood, en Ellis kon geen enkele vrouw vinden, die er niet ten minste één had gedood. Overal waar kindermoord heerscht, zal de strijd om het bestaan in zoover minder hevig zijn, en zullen al de leden van den stam een bijna even goede kans hebben om hunweinigeovergebleven kinderen groot te brengen. In de meeste andere gevallen wordt een grooter aantal vrouwelijke dan mannelijke kinderen gedood; want het is duidelijk, dat deze laatsten van meer waarde voor den[358]stam zijn, daar zij, wanneer zij volwassen zijn, hem zullen helpen verdedigen, en zich zelf kunnen onderhouden. Doch de moeite die de vrouwen ondervinden bij het grootbrengen van kinderen, het daardoor veroorzaakte verlies van schoonheid, de hoogere waarde die men aan haar hecht, en haar gelukkiger lot, als zij weinig in getal zijn, worden door de vrouwen zelven en door onderscheidene waarnemers opgegeven als bijkomende beweegredenen voor kindermoord. In Australië waar het dooden van vrouwelijke kinderen nog veelvuldig plaats heeft, schatte Sir G. Grey de verhouding van de vrouwelijke inboorlingen tot de mannelijke als één tot drie; maar anderen zeggen, dat zij als twee tot drie is. In een dorp op de oostelijke grens van Indië vond KolonelMacCullochgeen enkel vrouwelijk kind.12Als ten gevolge van het dooden der vrouwelijke kinderen de vrouwen van een stam weinig in getal zijn, zal natuurlijk de gewoonte ontstaan om de vrouwen van naburige stammen te rooven. Sir John Lubbock schrijft echter, gelijk wij hebben gezien, dat gebruik voornamelijk hieraan toe, dat vroeger het communale huwelijk bestond en dat ten gevolge daarvan de mannen vrouwen van andere stammen roofden om haar als hun uitsluitend eigendom te houden. Bijkomende oorzaken zouden kunnen worden aangegeven, b.v. dat degemeenschappenzeer klein waren, in welk geval huwbare vrouwen dikwijls zouden ontbreken. Dat de gewoonte van vrouwenroof in vroegere tijden op groote schaal bestond, zelfs bij de voorouders van beschaafde natiën, wordt duidelijk aangetoond door het bewaard blijven van vele merkwaardige gebruiken en plechtigheden van welke de heer M’Lennan een hoogst belangwekkende beschrijving heeft gegeven. In onze eigen huwelijken schijnt de „beste man” oorspronkelijk de voornaamste helper van den bruidegom bij de handeling van het rooven te zijn geweest.(1)Zoolang nu de mannen zich gewoonlijk hun vrouwen door geweld en list verschaften, is het niet waarschijnlijk, dat zij de aantrekkelijkste vrouwen uitkozen(2); zij zullen blijde zijn geweest, als zij slechts de eene of andere vrouw konden vermeesteren. Zoodra echter aan de gewoonte om zich vrouwen van een anderen stam te verschaffen, door ruilhandel werd voldaan, gelijk nu op vele plaatsen geschiedt, zullen[359]het algemeen de aantrekkelijkste vrouwen zijn gekocht. De onophoudelijke kruising tusschen den eenen stam en den anderen, die een noodzakelijk gevolg van elken vorm van deze gewoonte is, zal echter een neiging hebben doen ontstaan om al de in het zelfde land wonende menschen in hun kenmerken ongeveer gelijkvormig te houden; en dit zal het vermogen der seksueele teeltkeus om de stammen te differentieeren, aanmerkelijk hebben tegengewerkt.De schaarschheid van de vrouwen, ten gevolge van het dooden der vrouwelijke kinderen, leidt ook tot een ander gebruik, namelijk tot veelmannerij (polyandrie) die in verscheidene deelen der wereld nog veelvuldig is, en die vroeger, volgens de meening van den heer M’Lennan, bijna algemeen heerschte: dit laatste besluit wordt echter door den heer Morgan en Sir J. Lubbock betwijfeld.13Zoodra twee of meer mannen zijn gedwongen ééne vrouw te huwen, is het zeker, dat al de vrouwen van den stam zullen huwen, en zal er door de mannen geen keus van de aantrekkelijkste vrouwen worden uitgeoefend. Onder deze omstandigheden zullen echter de vrouwen zonder twijfel het vermogen hebben om een keus te doen, en zullen aan de aantrekkelijkste mannen de voorkeur geven. Azara beschrijft, bij voorbeeld, hoe zorgvuldig een Guana-vrouw allerlei soorten van voorrechten bedingt, voor zij één of meer echtgenooten aanneemt, en ten gevolge daarvan dragen de mannen ongewone zorg voor hun uiterlijk aanzien.14De zeer leelijke mannen zullen er wellicht geen van allen in slagen om een vrouw te krijgen, of er slechts op later leeftijd een krijgen; maar de schoonste mannen zullen, ofschoon zij de voorspoedigste in het verkrijgen van een vrouw zouden zijn, voor zoover wij kunnen zien, niet meer nakomelingen nalaten om hun schoonheid te erven, dan de minder schoone echtgenooten van de zelfde vrouw.Vroege Verlovingen en Slavernij der vrouwen.—Bij vele wilden is het de gewoonte de vrouwen te verloven, als zij nog bloot kinderen zijn; en dit zal op werkzame wijze verhinderen, dat van een van beide zijden eenige voorkeur met betrekking tot het uiterlijk aanzien kan worden gegeven. Het zal echter niet verhinderen, dat de aantrekkelijkste vrouwen later door de mannen die meer macht hebben, aan hun[360]echtgenooten worden ontstolen of met geweld ontnomen; en dit geschiedt dikwijls in Australië, Amerika en andere deelen der wereld. De zelfde gevolgen ten opzichte van seksueele teeltkeus zullen tot op zekere hoogte plaats hebben, wanneer de vrouwen bijna uitsluitend als slavinnen of lastdieren worden gewaardeerd, gelijk bij de meeste wilden het geval is. De mannen zullen echter ten allen tijde de voorkeur geven aan de slavinnen die, volgens hun maatstaf van schoonheid, de schoonste zijn.Wij zien dus dat bij wilden onderscheidene gebruiken heerschen, die de werking der seksueele teeltkeus sterk belemmeren of volkomen kunnen opheffen. Daarentegen zijn de levensvoorwaarden waaraan wilden zijn blootgesteld, en sommige van hun gebruiken gunstig voor de natuurlijke teeltkeus; en deze komt altijd te zamen met de seksueele teeltkeus in het spel. Het is bekend, dat wilden veel hebben te lijden van telkens terugkeerende hongersnooden; zij vermeerderen hun voedsel niet door kunstmatige middelen; zij onthouden zich zelden van het huwelijk15en huwen over het algemeen op jeugdigen leeftijd. Bij gevolg moeten zij nu en dan aan een heftigen strijd om het leven zijn blootgesteld en zullen alleen de begunstigde individu’s blijven leven.Als wij de oorspronkelijke tijden beschouwen, toen de menschen nog slechts twijfelachtig den rang der menschelijkheid hadden bereikt, zullen zij waarschijnlijk, gelijk reeds is gezegd, hetzij in veelwijverij (polygamie) of tijdelijk in eenwijverij (monogamie) hebben geleefd. Hun vermenging zal, te oordeelen naar de analogie, niet volkomen algemeen zijn geweest. Zij zullen ongetwijfeld hun vrouwen, zoo goed als zij maar konden, tegen allerlei soort van vijanden hebben verdedigd en waarschijnlijk voor hun onderhoud en tevens voor dat van hun kroost op de jacht zijn gegaan. De sterkste en bekwaamste mannen zullen het best zijn geslaagd in den strijd om het leven en in het verkrijgen van aantrekkelijke vrouwen. In dit vroege tijdvak zullen de stamouders van den mensch, daar zij slechts zwakke verstandelijke vermogens bezaten,[361]niet vooruit hebben gezien op zaken die mogelijk in de toekomst konden gebeuren. Zij zullen door hun instinkt meer en door hun rede minder dan zelfs de tegenwoordige wilden zijn bestuurd. Zij zullen in dat tijdvak niet een van de sterkste van alle instinkten, dat aan alle lagere dieren gemeen is, namelijk de liefde voor hun jong kroost, gedeeltelijk hebben verloren, en zullen bij gevolg geen kindermoord hebben uitgeoefend. Er zal geen kunstmatige schaarschte van vrouwen zijn geweest en derhalve geen veelmannerij (polyandrie) plaats hebben gehad; er zullen geen vroege verlovingen in zwang zijn geweest; de vrouwen zullen niet alleen als slavinnen zijn gewaardeerd; beide seksen zullen, indien aan de vrouwen even goed als aan de mannen werd veroorloofd eenige keus uit te oefenen, hun gezellen hebben gekozen, niet wegens geestelijke bekoorlijkheden, of rijkdom of plaats in de maatschappij (sociale positie), maar bijna alleen wegens uiterlijke schoonheid. Al de volwassenen zullen zijn gehuwd of hebben gepaard, en al de kinderen zullen, zoover dat mogelijk was, zijn grootgebracht, zoodat de strijd om het leven periodiek uitermate heftig was. Zoo zullen gedurende deze oorspronkelijke tijden al de voorwaarden voor seksueele teeltkeus veel gunstiger zijn geweest dan in eenig later tijdperk, toen de mensch in zijn verstandelijke vermogens vooruit-, maar in zijn instinkten achteruit was gegaan. Daarom zal, welken invloed de seksueele teeltkeus ook moge hebben gehad op het ontstaan van de verschillen tusschen de menschenrassen en tusschen den mensch en de hoogere apen, die invloed veel machtiger zijn geweest in een zeer verwijderd tijdperk, dan op den huidigen dag.Over de Wijze waarop de Seksueele Teeltkeus op den Mensch heeft gewerkt.—Bij den oorspronkelijken mensch onder de gunstige zooeven geschilderde voorwaarden, en bij die wilden van den tegenwoordigen tijd, welke den eenen of anderen huwelijksband sluiten, zal de seksueele teeltkeus (hoewel in meerdere of mindere mate belemmerd, al naar de gewoonten van het dooden der vrouwelijke kinderen, vroege verlovingen enz., meer of minder in zwang waren) waarschijnlijk op de volgende wijze hebben gewerkt. De sterkste en moedigste mannen,—die welke hun gezinnen het best konden verdedigen en door de jacht onderhouden, en gedurende latere tijden de aanvoerders of opperhoofden werden,—die welke van de beste wapenen waren voorzien en de meeste eigendommen, zooals een grooter aantal honden of andere[362]dieren bezaten, zullen er in zijn geslaagd om gemiddeld een grooter aantal nakomelingen groot te brengen, dan de zwakkere, arme en lagere leden van de zelfde groep. Er kan ook geen twijfel bestaan, dat dergelijke mannen over het algemeen in staat zijn geweest om de aantrekkelijkste vrouwen uit te kiezen. Tegenwoordig slagen de opperhoofden van bijna elken stam door de geheele wereld heên er in om meer dan ééne vrouw te verkrijgen. Tot voor korten tijd toe was, naar ik van den heer Mantell hoor, bijna ieder meisje in Nieuw-Zeeland, dat mooi was, of mooi beloofde te worden,taboe(3)voor het eene of andere opperhoofd. Bij de Kaffers hebben, gelijk de heer C. Hamilton getuigt16, „de opperhoofden over het algemeen de keus uit de vrouwen van vele mijlen in den omtrek, en geven zich veel moeite om hun voorrecht te bevestigen en te bestendigen.” Wij hebben gezien, dat elk ras zijn eigen maatstaf van schoonheid heeft, en wij weten, dat het den mensch van nature eigen is elk kenmerkend punt in zijn tamme dieren, kleeding, versierselen en persoonlijk uiterlijk te bewonderen, als het een weinig boven den gewonen standaard is opgevoerd. Indien derhalve de voorgaande stellingen als juist werden aangenomen, en ik kan niet zien, dat zij twijfelachtig zijn, zou het een onverklaarbare omstandigheid zijn, indien het voor het huwelijk uitkiezen van de aantrekkelijkste vrouwen door de krachtigste mannen die gemiddeld een grooter aantal kinderen zouden aankweeken, niet na verloop van vele generatiën tot op zekere hoogte de kenmerken van den stam wijzigde.Als bij onze tamme dieren een vreemd ras in een nieuw land wordt ingevoerd of als aan een inlandsch ras langen tijd wegens zijn nuttigheid of sierlijkheid bijzondere zorg wordt gewijd, bevindt men na vele generatiën, overal waar de middelen tot vergelijking bestaan, dat het een grootere of geringere verandering heeft ondergaan. Dat is een gevolg van onbewuste teeltkeus gedurende een lange reeks van geslachten,—dat is het bewaard blijven van de best gekeurde individu’s—zonder eenigen wensch of verwachting van een dergelijken uitslag van de zijde van den fokker. Indien twee zorgvuldige fokkers gedurende vele jaren dieren van de zelfde familie aanfokken, en hen niet met elkander of met een gemeenschappelijken standaard vergelijken, vindt men na eenigen tijd, dat de dieren tot verwondering van hun eigenaars[363]eenigszins verschillend zijn geworden.17Elke fokker heeft, gelijk von Nathusius het juist uitdrukt, den stempel van zijn eigen geest—zijn eigen smaak en oordeel—op zijn dieren gedrukt. Welke reden kan dan worden opgegeven, waarom soortgelijke uitwerkselen niet zouden volgen op het lang voortgezette voor het huwelijk uitkiezen van de meest bewonderde vrouwen door die mannen van elken stam, die in staat waren om het grootste aantal kinderen tot op volwassen ouderdom groot te brengen? Dit zou een onbewuste teeltkeus zijn; want een uitwerking zou worden voortgebracht, onafhankelijk van elken wensch of verwachting van den kant der mannen die aan zekere vrouwen boven andere de voorkeur gaven.Laten wij veronderstellen, dat de leden van een stam bij welken de een of andere vorm van huwelijk in gebruik was, zich over een onbewoond vastland verspreidden; zij zouden zich spoedig in afzonderlijke horden splitsen, die van elkander zouden worden gescheiden door allerlei slagboomen, en nog werkdadiger door de onophoudelijke oorlogen die tusschen alle barbaarsche volken plaats grijpen. De horden zouden dus aan eenigszins verschillende levensvoorwaarden en levenswijze zijn onderworpen, en er vroeger of later toe komen om in geringe mate van elkander te verschillen. Zoodra dit plaats greep, zou elke afzonderlijke stam voor zich zelf een eenigszins verschillenden maatstaf van schoonheid aannemen18; en dan zou onbewuste teeltkeus in werking treden, doordat de machtigste en aanvoerende wilden aan zekere vrouwen boven andere de voorkeur gaven. Zoo zouden de verschillen tusschen de stammen, in het eerst zeer gering, allengs en onvermijdelijk in hoe langer hoe aanzienlijker mate worden vermeerderd.Bij dieren in den natuurstaat zijn vele aan de mannetjes eigen kenmerken, zooals grootte, kracht, bijzondere wapenen, moed en strijdlust door de wet van den strijd ontstaan. De half-menschelijke voorouders van den mensch zullen, gelijk hun verwanten, de Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana), bijna zeker daardoor zijn gewijzigd; en, evenals wilden nog heden om het bezit hunner vrouwen strijden, is een soortgelijk[364]proces van teeltkeus waarschijnlijk in meerdere of mindere mate tot op den huidigen dag toe werkzaam geweest. Andere kenmerken, aan de mannetjes der lagere dieren eigen, zooals levendige kleuren en onderscheidene versierselen, zijn verkregen, doordat door de wijfjes aan de meer aantrekkelijke mannetjes de voorkeur werd gegeven. Er zijn echter exceptioneele gevallen waarin de mannetjes in plaats van de gekozenen de kiezers zijn geweest. Wij herkennen dergelijke gevallen, doordat de wijfjes in hoogere mate zijn versierd dan de mannetjes,—terwijl haar tot versiering dienende kenmerken uitsluitend of hoofdzakelijk op haar vrouwelijke nakomelingschap zijn overgeplant. Één dergelijk geval is beschreven uit de Orde waartoe de mensch behoort, namelijk dat van den Rhesus-aap.De man is krachtiger naar lichaam en geest dan de vrouw, en in den wilden staat houdt hij haar in een veel ellendiger staat van dienstbaarheid dan het mannetje van eenig ander dier doet; het is daarom niet te verwonderen, dat het de man is, die het vermogen om te kiezen heeft verkregen. Vrouwen zijn zich overal bewust van de waarde van haar schoonheid; en als zij de middelen daartoe hebben, scheppen zij er meer behagen in om zich met allerlei soort van versierselen op te schikken, dan de mannen. Zij ontleenen aan mannelijke vogels de siervederen waarmede de natuur deze sekse tooide, om daarmede hun wijfjes te bekoren. Daar de vrouwen lang wegens haar schoonheid zijn gekozen, is het niet te verwonderen, dat sommige van de opeenvolgende afwijkingen op beperkte wijze zijn overgeplant, en dat bijgevolg de vrouwen haar schoonheid in eenigszins hoogere mate op haar vrouwelijke dan op haar mannelijke nakomelingschap hebben overgeplant. Daardoor zijn de vrouwen schooner geworden, gelijk de meeste menschen zullen toegeven, dan de andere sekse. Vrouwen planten echter ongetwijfeld de meeste harer kenmerken met insluiting der schoonheid, op haar nakomelingschap van beiderlei sekse over; zoodat de voortdurende voorkeur door mannen van elk ras gegeven aan die vrouwen welke volgens hun maatstaf van smaak de schoonste waren, een neiging zal doen ontstaan om alle individu’s van beiderlei sekse, tot het ras behoorende, op de zelfde manier te wijzigen.Wat den anderen vorm van seksueele teeltkeus aangaat (welke bij de lagere dieren verreweg de meest algemeene is), die namelijk, waarbij de wijfjes de kiezers zijn en alleen die mannetjes aannemen, welke haar het meest bekoren of opwekken, hebben wij alle reden om te[365]gelooven, dat hij vroeger op de voorouders van den mensch werkte. De man is naar alle waarschijnlijkheid zijn baard en wellicht eenige andere kenmerken verschuldigd aan overerving van een ouden voorvader die op deze wijze zijn versierselen verkreeg. Deze vorm van teeltkeus kan echter nu en dan ook in latere tijden hebben gewerkt; want bij uiterst barbaarsche stammen hebben de vrouwen meer macht om haar minnaars te kiezen, te verwerpen en aan te lokken, of om later van echtgenoot te veranderen, dan men wellicht zou hebben verwacht. Daar dit een punt van eenig belang is, zal ik de bewijzen daarvoor, die het mij mocht gelukken te verzamelen, uitvoerig mededeelen.Hearne beschrijft, hoe een vrouw in een der stammen van Arctisch Amerika herhaaldelijk van haar echtgenoot wegliep en zich naar een geliefden man begaf; en bij de Charrua’s van Zuid-Amerika is, gelijk Azara getuigt, het recht van echtscheiding volkomen vrij. Als bij de Abiponen een man een vrouw kiest, komt hij met de ouders aangaande den prijs overeen. „Het gebeurt echter dikwijls, dat het meisje niets wil weten van al wat tusschen de ouders en den bruidegom is overeengekomen, en halsstarrig over het huwelijk zelfs niet wil hooren spreken.” Zij loopt dikwijls weg, verbergt zich en ontsnapt zoo den bruidegom. Op de Fidsji-eilanden vermeestert de man de vrouw die hij tot echtgenoot begeert, door middel van wezenlijk of voorgewend geweld; maar, „indien zij, na het huis van haar schaker te hebben bereikt, de verbinding niet goedkeurt, zoekt zij een schuilplaats bij den een of ander die haar kan beschermen; indien zij echter tevreden is, dan is de zaak dadelijk klaar.” Kapitein Musters die onder de Patagoniërs leefde, zegt19, dat hun huwelijken altijd uit genegenheid worden gesloten; indien de ouders een echtgenoot kiezen, waarin hun dochter geen zin heeft, weigert zij hem en wordt nooit gedwongen om toe te geven.Op Vuurland verkrijgt een jong man eerst de toestemming der ouders door hun den eenen of anderen dienst te bewijzen, en beproeft daarna het meisje weg te voeren; „als zij echter onwillig is, verbergt zij zich in de bosschen, totdat haar bewonderaar van harte moede is naar haar te zoeken en de vervolging opgeeft; doch dit gebeurt zelden.” Bij de Kalmukken heeft een geregelde wedloop tusschen de bruid en den bruidegom plaats, waarbij de eerste een behoorlijk eind voor heeft; en aan Clarke werd verzekerd,„dat er geen[366]voorbeeld was, dat een meisje werd ingehaald, tenzij zij zwak voor haar vervolger had.” Evenzoo heeft bij de wilde stammen van Insulinde een soortgelijke wedloop plaats; en uit het verhaal van den heer Bouriens blijkt, gelijk Sir J.Lubbock opmerkt, „dat de prijs voor den wedloop niet wordt behaald door den vlugste, noch die van het gevecht door den sterkste, maar door den jongen man die het geluk heeft aan de bruid waarom men wedijvert, te behagen.” Een soortgelijke gewoonte met het zelfde gevolg heerscht bij de Korakken20van Noordoostelijk Azië.Laten wij ons nu tot Afrika wenden; de Kaffers koopen hun vrouwen, en de meisjes worden dikwijls door hun vaders hevig geslagen, als zij den gekozen echtgenoot niet willen aannemen; toch blijkt zeer duidelijk uit vele door den weleerw. heer Shooter medegedeelde feiten, dat zij een aanmerkelijke vrijheid in haar keus hebben. Zoo zijn er voorbeelden bekend van zeer leelijke, hoewel rijke mannen, die er niet in slagen konden om vrouwen te krijgen. De meisjes noodzaken, voor zij in de verloving toestemmen, de mannen om zich te laten bekijken, eerst van voren en dan van achteren, en „hun wijze van loopen te laten zien.” Er zijn voorbeelden van, dat zij een man huwelijksvoorstellen deden, en niet zelden loopen zij met een begunstigden minnaar weg. Evenzoo zegt ook de heer Lesley21die grondig met de Kaffers bekend was: „Men zou zich vergissen, als men meende, dat een meisje door haar vader op de zelfde wijze en met het zelfde gezag werd verkocht, waarmede hij over een koe zou beschikken.”Als bij de ellendige Bosjesmannen van Zuid-Afrika „een meisje tot huwbaren leeftijd is gekomen zonder verloofd te zijn, hetgeen echter niet dikwijls gebeurt, moet haar minnaar evengoed haar toestemming als die van haar ouders verkrijgen.”22De heer Winwood Reade stelde een[367]onderzoek voor mij in omtrent de Negers van Westelijk Afrika, en hij meldt mij, dat „het aan de vrouwen, ten minste bij de verstandigste Heidensche stammen, niet moeilijk valt de echtgenooten te verkrijgen die zij wenschen, hoewel het voor onvrouwelijk wordt gehouden een man te vragen om haar te huwen. Zij zijn volkomen in staat om verliefd te worden en om zich teeder, hartstochtelijk en trouw aan iemand te hechten.” Nog meer voorbeelden zouden kunnen worden gegeven.Wij zien dus, dat bij wilden de vrouwen ten opzichte van het huwelijk niet geheel en al in zulk een rampzaligen toestand verkeeren als men dikwijls heeft verondersteld. Zij kunnen de mannen aan welke zij de voorkeur geven, aanlokken, en kunnen somtijds die welke zij niet mogen lijden, hetzij voor of na het huwelijk verwerpen. Voorkeur van de zijde van de vrouw, bestendig in de zelfde richting werkende, zal ten laatste op de kenmerken van den stam invloed uitoefenen; want de vrouwen zullen over het algemeen niet slechts de schoonste mannen volgens haar maatstaf van smaak kiezen, maar die welke tevens het best in staat zijn om haar te verdedigen en te onderhouden. Dergelijke goed begaafde paren zullen gewoonlijk een aanzienlijker aantal nakomelingen grootbrengen dan de minder goed begaafde. De zelfde uitwerking zal blijkbaar op nog sterker uitgesproken wijze worden voortgebracht, indien er van beide zijden teeltkeus was, dat is, indien de aantrekkelijkste en tegelijkertijd krachtigste mannen aan de aantrekkelijkste vrouwen, en ook deze laatsten aan de eersten de voorkeur gaven. En deze twee vormen van teeltkeus schijnen werkelijk beide, hetzij al dan niet gelijktijdig, bij het menschelijk geslacht plaats te hebben gegrepen, vooral gedurende de vroege tijdvakken van onze lange geschiedenis.Wij zullen nu een weinig uitvoeriger, in verband met de seksueele teeltkeus, eenige van de kenmerken beschouwen, die de verschillende menschenrassen van elkander en van de lagere dieren onderscheiden, namelijk het meer of min volkomen ontbreken van haar op het lichaam en de kleur der huid. Wij behoeven niets te zeggen over de groote verscheidenheid in den vorm der gelaatstrekken en van den schedel bij de verschillende rassen, daar wij in het laatste hoofdstuk hebben gezien, hoe verschillend de maatstaf der schoonheid in deze opzichten is. Op deze kenmerken zal daarom waarschijnlijk de seksueele teeltkeus hebben ingewerkt; maar, zoover ik kan nagaan, hebben wij geen[368]middel om te beoordeelen, of er voornamelijk van de mannelijke dan wel van de vrouwelijke zijde is ingewerkt. De muzikale vermogens van den mensch zijn eveneens besproken.Het Ontbreken van Haar op het Lichaam en de Ontwikkeling daarvan op het Aangezicht en het Hoofd.—Uit de aanwezigheid van het wolachtige haar of lanugo op den menschelijken foetus en van op volwassen leeftijd hier en daar over het lichaam verspreide rudimentaire haren, mogen wij afleiden, dat de mensch van het eene of andere dier afstamt, dat behaard werd geboren en zulks levenslang bleef. Het verlies van het haar is hinderlijk en waarschijnlijk nadeelig voor den mensch zelfs in een warm klimaat; want hij wordt daar blootgesteld aan plotselinge afkoelingen, vooral gedurende vochtig weder. Gelijk de heer Wallace opmerkt, zijn in alle landen de inboorlingen blijde hun naakte ruggen en schouders door de eene of andere dunne bekleeding te kunnen beschermen. Niemand veronderstelt, dat de naaktheid der huid den mensch eenig direct voordeel aanbrengt, zoodat hij zijn haarkleed niet kan hebben verloren doornatuurlijketeeltkeus.23Wij hebben ook volstrekt geen gronden om aan te nemen, gelijk in een vorig hoofdstuk is aangetoond, dat dit verlies het gevolg kan zijn van de directe werking der levensvoorwaarden waaraan de mensch lang is blootgesteld geweest, of dat het het gevolg van correlatieve ontwikkeling is.Het ontbreken van haar op het lichaam is tot op zekere hoogte een[369]secundair seksueel kenmerk; want in alle deelen der wereld zijn de vrouwen minder harig dan de mannen. Wij mogen derhalve op redelijke gronden vermoeden, dat het een kenmerk is, hetwelk door seksueele teeltkeus werd verkregen. Wij weten, dat de aangezichten van onderscheidene soorten van apen, en groote plekken aan het achtereinde van het lichaam bij andere soorten, van haar zijn ontbloot; en wij mogen dit veilig toeschrijven aan seksueele teeltkeus; want deze plekken zijn niet alleen levendig gekleurd, maar somtijds, gelijk bij den mannelijken Mandril en den vrouwelijken Rhesus-aap, veel levendiger bij de eene sekse dan bij de andere.(4)Naarmate deze dieren allengs tot vollen wasdom komen, nemen de naakte plekken, naar de heer Bartlett mij heeft medegedeeld, in omvang toe naar verhouding tot de geheele grootte hunner lichamen. Het haar schijnt echter in deze gevallen niet te zijn verwijderd ter wille van de naaktheid, maar opdat de kleur der huid meer volkomen zou kunnen worden ten toon gesteld. Evenzoo zijn ook bij vele vogels de kop en de hals door seksueele teeltkeus van vederen ontbloot, opdat de levendig gekleurde huid zou kunnen worden ten toon gesteld.Daar de vrouw een minder harig lichaam heeft dan de man, en daar dit kenmerk aan alle rassen gemeen is, mogen wij besluiten, dat waarschijnlijk eerst onze vrouwelijke half-menschelijke voorouders hun haar gedeeltelijk verloren, en dat dit plaats greep in een uiterst verwijderd tijdvak, vóór de onderscheidene menschenrassen zich uit een gemeenschappelijken stam in verschillende richtingen hadden ontwikkeld. Toen onze vrouwelijke voorouders dit nieuwe kenmerk van naaktheid allengs verkregen, moeten zij het in bijna gelijke mate op hun jong kroost van beiderlei sekse hebben overgeplant, zoodat de overplanting daarvan, gelijk met vele versierselen bij zoogdieren en vogels het geval is, niet is beperkt noch door den leeftijd noch door de sekse. Er is niets verwonderlijks in, dat een gedeeltelijk verlies van het haar door de op apen gelijkende voorouders van den mensch als een sieraad is beschouwd; want wij hebben gezien, dat bij dieren van allerlei soort tallooze vreemde kenmerken als zoodanig zijn beschouwd en bijgevolg door seksueele teeltkeus gewijzigd. Het is ook niet te verwonderen, dat daardoor een eenigermate nadeelig kenmerk zou zijn verkregen; want wij weten, dat dit het geval is met de siervederen van sommige vogels en met de horens van sommige herten.De wijfjes van sommige anthropoïde apen zijn, gelijk in een vorig hoofdstuk[370]werd vermeld, een weinig minder harig op de ondervlakte van het lichaam dan de mannetjes, en hier hebben wij een punt dat tot uitgang voor het proces der ontharing kan hebben gediend. Ten opzichte van de voleindiging van dit proces door seksueele teeltkeus is het goed ons het Nieuw-Zeelandsch spreekwoord te herinneren: „Er is geen vrouw voor een harig man.” Allen die photographieën van de Siameesche harige familie hebben gezien, zullen toegeven, dat het tegenovergestelde uiterste van buitengewoon sterke behaardheid, belachelijk en afgrijselijk leelijk is. De koning van Siam moest zelfs een man door het geven van geld er toe brengen om de eerste harige vrouw in de familie te huwen, die dit kenmerk op haar jong kroost van beiderlei sekse overplantte.24Sommige rassen zijn veel hariger dan andere, vooral aan den mannelijken kant; maar men mag niet aannemen, dat de harigste rassen, bij voorbeeld Europeanen, volkomener een oorspronkelijken toestand hebben behouden dan de naakte rassen, zooals de Kalmukken of de Amerikanen. Het is een waarschijnlijker meening, dat de harigheid der eersten het gevolg is van een gedeeltelijk atavisme; want kenmerken die lang zijn overgeërfd, zijn altijd geneigd om terug te keeren. Een merkwaardig geval is door Pinel opgeteekend van een idioot, gezonken tot het peil van een redeloos dier, wiens rug, lendenen en schouders waren bedekt met haar, van2,5tot 5 centimeter lang. Nog eenige dergelijke gevallen zijn bekend. Het schijnt niet, dat een koud klimaat van invloed is geweest op en heeft geleid tot deze soort van atavisme; behalve wellicht bij de negers die gedurende verscheidene generatiën in de Vereenigde Staten zijn opgegroeid25, en wellicht[371]bij de Aino’s die de noordelijke eilanden van den Japanschen archipel bewonen. De wetten der erfelijkheid zijn echter zoo ingewikkeld, dat wij zelden haar werking begrijpen. Indien de grootere harigheid van sommige rassen het gevolg van atavisme was, zonder dat daarop eenige vorm van teeltkeus een belemmerenden invloed uitoefende, dan zou de uitermate groote veranderlijkheid (variabiliteit) van dit kenmerk, zelfs binnen de grenzen van het zelfde ras, ophouden opmerkelijk te zijn.Wat den baard aangaat, zoo vinden wij, als wij ons tot onze beste gidsen, namelijk de Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana), wenden, baarden bij vele soorten bij beide seksen even goed ontwikkeld, maar bij andere, hetzij tot de mannetjes beperkt of bij deze meer ontwikkeld dan bij de wijfjes. Wegens dit feit en wegens de merkwaardige rangschikking en ook levendige kleuren van het haar op de koppen van vele apen, is het hoogst waarschijnlijk, gelijk vroeger is uitgelegd, dat de mannetjes eerst hun baarden als een versiering door seksueele teeltkeus verkregen, en ze in de meeste gevallen in gelijke of bijna gelijke mate op hun nakomelingen van beiderlei seksen overplantten. Wij weten door Eschricht26, dat bij den mensch de vrouwelijke foetus even goed als de mannelijke veel haar op het aangezicht, vooral rondom den mond bezit; en dit toont aan, dat wij afstammen van voorouders bij welke beide seksen gebaard waren. Het schijnt daarom op het eerste gezicht waarschijnlijk, dat de man zijn baard uit een zeer vroeg tijdperk heeft behouden, terwijl de vrouw haar baard verloor op den zelfden tijd, toen haar lichaam bijna volkomen van haren werd ontbloot. Zelfs de kleur van den baard bij den mensch schijnt te zijn overgeërfd van een op een aap gelijkenden voorvader; want, als er eenig verschil in tint is tusschen het hoofdhaar en het baardhaar, dan is dit laatste bij alle apen en bij den mensch lichter gekleurd. Er is minder onwaarschijnlijkheid in gelegen, dat de mannen van de gebaarde rassen hun baarden uit oorspronkelijke tijden hebben behouden, dan in het geval van het haar op het lichaam; want bij de Vierhandigen (Quadrumana) bij welke het mannetje een grooteren baard dan het wijfje heeft, komt deze slechts op volwassen leeftijd tot volkomen ontwikkeling, en de latere ontwikkelingstrappen kunnen wellicht uitsluitend op den mensch zijn overgeplant. Wij kunnen dan begrijpen, waarom onze mannelijke kinderen, gelijk werkelijk het geval is, voordat zij den volwassen leeftijd[372]bereiken, even ontbloot van baarden zijn als onze vrouwelijke kinderen. Daarentegen bewijst de groote veranderlijkheid (variabiliteit) van den baard binnen de grenzen van het zelfde ras en bij verschillende rassen, dat er atavisme in het spel moet zijn gekomen. Hoe dit ook moge zijn, wij moeten de rol die de seksueele teeltkeus zelfs gedurende latere tijden kan hebben gespeeld, niet voorbijzien; want wij weten, dat bij wilden de mannen van de baardelooze rassen zich oneindig veel moeite geven om elk haartje op hun gelaat uit te trekken, als iets onaangenaams, terwijl de mannen van de gebaarde rassen den grootsten hoogmoed over hun baarden gevoelen. De vrouwen deelen ongetwijfeld in deze gevoelens, en indien dit zoo is, kan het moeilijk missen, of de seksueele teeltkeus heeft in den loop van latere tijden eenigen invloed uitgeoefend.27Het is ook mogelijk, dat de lang voortgezette gewoonte om het haar uit te trekken, erfelijke gevolgen heeft gehad. Dr. Brown-Séquard heeft aangetoond, dat, wanneer sommige dieren op een bijzondere wijze worden geopereerd, hun jongen daardoor worden aangedaan. Nog meer bewijzen zouden kunnen worden geleverd van de erfelijkheid van de gevolgen van verminkingen; maar een voor eenige jaren door den heer Salvin28ontdekt feit staat meer rechtstreeks in betrekking tot de onderhavige vraag; want hij heeft aangetoond, dat bij de motmots van welke men weet, dat zij gewoon zijn de vlag van de beide middelstestaartvederenaf te bijten, de vlag van deze vederen van nature eenigszins kleiner is.29Desniettemin zou bij den mensch de gewoonte van den baard en de haren op het lichaam uit te trekken,[373]waarschijnlijk niet zijn ontstaan, wanneer die niet reeds om de eene of andere reden minder waren geworden.Het is vrij moeilijk zich er een oordeel over te vormen, hoe het lange haar op onze hoofden tot ontwikkeling kwam. Eschricht30getuigt, dat bij den menschelijken foetus het haar op het gelaat gedurende de vijfde maand langer is dan op het hoofd; en dit bewijst, dat onze half-menschelijke voorouders niet van lange lokken waren voorzien, die derhalve een laat verworven kenmerk moeten zijn geweest. Dit wordt eveneens aangetoond door het buitengewone verschil in de lengte van het haar bij de verschillende rassen; bij den Neger vormt het haar eenvoudig een gekroesde mat; bij ons is het zeer lang, en bij de inboorlingen van Amerika reikt het niet zelden tot op den grond. Bij sommige soorten van Slankapen (Semnopithecus) is de kop met matig lang haar bedekt, en dit dient waarschijnlijk tot versiering en werd door seksueele teeltkeus verkregen. De zelfde meening mag tot den mensch worden uitgebreid; want wij weten, dat lange lokken heden ten dage zeer worden bewonderd, en zulks ook vroeger werden; de apostel Paulus zegt: „Soo een vrouwe langh hair draeght, dat het haer een eere is”(6); en wij hebben gezien, dat in Noord-Amerika iemand alleen wegens de lengte van zijn haar tot opperhoofd werd gekozen.Kleur der Huid.—De beste soort van bewijs, dat de kleur der huid door seksueele teeltkeus is gewijzigd, ontbreekt in het geval van den mensch; want de seksen verschillen in dit opzicht in het geheel niet, of slechts weinig en twijfelachtig.(7)Van den anderen kant weten wij uit vele reeds medegedeelde feiten, dat de kleur der huid door menschen van alle rassen als een hoogst belangrijk element van hun schoonheid wordt beschouwd, zoodat het een kenmerk is, dat geschikt zou zijn om door teeltkeus te worden gewijzigd, gelijk in tallooze voorbeelden bij de lagere dieren is geschied. Het schijnt op het eerste gezicht een monsterachtige veronderstelling, dat de gitzwartheid van den neger door seksueele teeltkeus is verkregen; doch deze meening wordt door onderscheidene analogieën ondersteund, en wij weten, dat[374]de negers hun eigen zwartheid bewonderen. Als bij Zoogdieren de seksen in kleur verschillen, is het mannetje dikwijls zwart of veel donkerder dan het wijfje; en het hangt eenvoudig van den vorm van erfelijkheid af, of deze of eenige andere tint op beide seksen of alleen op ééne sekse zal worden overgeplant. De gelijkenis van den Joden- of Satans-aap (Pithecia satanas) met zijn gitzwarte huid, witte rollende oogappels en zijn op de kruin van het hoofd gescheiden haar op een neger in miniatuur is bijna belachelijk.De kleur van het gelaat verschilt bij de onderscheidene soorten van apen veel meer dan bij de menschenrassen; en wij hebben goede reden om te gelooven, dat de roode, blauwe, oranje, bijna witte en zwarte kleuren van hun huid, zelfs wanneer zij aan beide seksen gemeen zijn, en de levendige kleuren van hun pels, zoowel als tot de versiering strekkende haarbossen aan den kop, allen door seksueele teeltkeus zijn verkregen. Daar de pasgeboren kinderen van de meest verschillende rassen lang zooveel niet in kleur verschillen als de volwassenen, hebben wij eenige geringe aanwijzing, dat de tinten der verschillende rassen werden verkregen na de verwijdering van het haar, die, gelijk vroeger is medegedeeld, in een zeer vroeg tijdperk moet hebben plaats gehad(8).Overzicht.—Wij mogen besluiten, dat de meerdere grootte, kracht, moed, strijdlustigheid en zelfs energie van den man, in vergelijking met de zelfde hoedanigheden van de vrouw, gedurende oorspronkelijke tijden werden verkregen en later zijn vermeerderd, hoofdzakelijk door de gevechten tusschen de mannen die wedijverden om het bezit der vrouwen. De grootere verstandelijke kracht en uitvindende vermogens van den man zijn waarschijnlijk ontstaan door natuurlijke teeltkeus, verbonden met de overgeërfde gevolgen van de gewoonte; want de verstandigste mannen zullen er het best in zijn geslaagd om zich zelven, hun vrouwen en kinderen te verdedigen en te onderhouden. Zoover de verbazend groote ingewikkeldheid van het onderwerp ons toelaat te oordeelen, schijnt het, dat onze mannelijke op apen gelijkende voorouders hun baarden verkregen als een sieraad om de tegenovergestelde sekse te bekoren en op te wekken, en hen overplantten op den man, gelijk hij nu bestaat. De wijfjes werden, naar het schijnt, het eerst op gelijksoortige wijze als seksueel sieraad van haar ontbloot; maar zij plantten dit kenmerk bijna gelijkelijk op beide seksen over. Het is niet onwaarschijnlijk[375]dat de wijfjes ook in andere opzichten met het zelfde doel en door de zelfde middelen werden gewijzigd, zoodat vrouwen liefelijker stemmen hebben verkregen en schooner zijn geworden dan de mannen.Het verdient bijzondere oplettendheid, dat bij den mensch al de voorwaarden voor seksueele teeltkeus veel gunstiger waren gedurende een zeer vroeg tijdvak, toen de mensch nog slechts even tot de menschelijke waardigheid was opgeklommen, dan gedurende latere tijden. Want hij zal toen, gelijk wij veilig mogen besluiten, meer door zijn instinktmatige hartstochten en minder door zorg voor de toekomst of rede zijn geleid. Hij zal toen niet zoo uiterst losbandig zijn geweest, als vele wilden nu zijn, en elke man zal zijn vrouw of vrouwen ijverzuchtig hebben bewaakt.Hij zal toen geen kindermoord hebben uitgeoefend, noch zijn vrouwen alleen als bruikbare slavinnen gewaardeerd, noch aan haar zijn verloofd, terwijl zij nog kinderen waren. Wij mogen daaruit afleiden dat de menschenrassen, voor zoover de seksueele teeltkeus aangaat, hoofdzakelijk gedurende een zeer verwijderd tijdvak werden gedifferentieerd; en dit besluit werpt licht op het merkwaardige feit, dat in het oudste tijdperk waarvan wij tot dusver eenig bericht hebben verkregen, de menschenrassen er reeds toe waren gekomen om bijna evenveel of volkomen evenveel van elkander te verschillen, als zij op den huidigen dag doen.De meeningen, hier voorgedragen over de rol die de seksueele teeltkeus in de geschiedenis van den mensch heeft gespeeld, hebben gebrek aan wetenschappelijke nauwkeurigheid. Hij die de werking van dit beginsel niet aanneemt in het geval der lagere dieren, zal al wat ik in de laatste hoofdstukken over den mensch heb gezegd, waarschijnlijk gering schatten. Wij kunnen niet stellig zeggen, dat dit kenmerk daardoor is gewijzigd, maar dat niet; echter is aangetoond, dat de menschenrassen van elkander en van hun naaste verwanten onder de lagere dieren verschillen in zekere kenmerken die hun van geen dienst zijn voor de gewone doeleinden van het leven en van welke het uiterst waarschijnlijk is, dat zij door seksueele teeltkeus zijn gewijzigd. Wij hebben gezien, dat bij de laagste wilden de menschen van elken stam hun eigen kenmerkende hoedanigheden,—de gedaante van hun hoofd en gelaat, den vierkanten vorm van hun jukbeenderen, het vooruitsteken of de platheid van hun neus, de kleur van hun huid, de lengte van hun hoofdhaar, het ontbreken van haar op het gelaat en het lichaam, of de aanwezigheid van een grooten baard en zoo voorts,—[376]bewonderen. Het kon daarom moeilijk missen, of deze en andere dergelijke punten moesten langzamerhand en allengs worden overdreven, omdat de machtigste en bekwaamste mannen in elken stam, die er in moesten slagen het grootste aantal kinderen groot te brengen, gedurende vele generaties de in de hoogste mate aldus gekenmerkte en daarom aantrekkelijkste vrouwen voor het huwelijk hebben uitgezocht. Ik voor mij kom tot het besluit, dat van al de oorzaken die hebben geleid tot de verschillen in uiterlijk aanzien tusschen de menschenrassen, en tot op zekere hoogte tusschen den mensch en de lagere dieren, de seksueele teeltkeus verreweg de werkzaamste is geweest.[Inhoud]AANTEEKENINGEN.(1)Evenals de „opeischer” in Drenthe. Men vergelijke het hoogst interessante stukje van M. M. Cohen Jr., „Een Drenthsche bruiloft ten platten lande” in den Nieuwen Drenthschen Volksalmanak voor 1884, blz. 241.(2)Dit kunnen wij Darwin volstrekt niet toegeven; wij zien volstrekt niet in, waarom de mannen, als zij zich met geweld van hun vrouwen meester maakten, niet liever de schoonste vrouwen, of de vrouwen die hun in eenig ander opzicht het aantrekkelijkst toeschenen, zouden hebben geroofd dan de minder schoone en de minder aantrekkelijke. Wij houden het zelfs voor hoogst waarschijnlijk, dat zij een dergelijke voorkeur toonden.(3)„Taboe”. Dit woord drukt een betrekking tot de goden of een uitsluiting van gewone doeleinden, en tevens een bijzondere bestemming vantaboeverklaarde personen, plaatsen of zaken uit. Het hangt met den godsdienst der Polynesiërs samen en was zoowel op de Sandwich-eilanden, als op Otaheite, Noukahiva, Nieuw-Zeeland enz. in gebruik. Zoo waren bij voorbeeld het vleesch van verschillende dieren en bijna alle tot offeren bestemde zakentaboeten gebruike van de goden en de mannen; de vrouwen waren derhalve van het genot er van uitgesloten. Soms werd een eiland of landstreektaboeverklaard, waarna geen vaartuig of persoon zich derwaarts mocht begeven. In deIsraëlietischeparadijslegende vindt men het zelfde begrip. De vrucht van den boom der kennis des goeds en des kwaads was taboe ten gebruike van Jahve en daarom mochten Adam en Eva er niet van eten. Dat een meisjetaboewerd verklaard voor een of ander opperhoofd, beteekent dus, dat zij uitsluitend voor zijn gebruik werd bestemd, en niemand haar kon huwen, zonder heiligschennis te begaan. Op het breken van de taboe stond de dood.(4)Bovenal wordt dit bewezen, doordat die apen die plekken blijkbaar bewonderen, er mede pronken en bij wijze van groet aan den beschouwer toedraaien. Zie Darwin’s supplementaire aanteekening, blz. 306.(5)Vergelijk aant. 2, Deel I, blz.81.(6)1 Cor. XI, 15; hij voegt er echter bij: „omdat het lang hair voor een decksel haer is gegeven”, en zegt ook (ibid., vers 14): „dat soo een man langh hair draeght, het hem oneere is.”(7)Of dit ook bij alle vroegere volken zoo is geweest, schijnt min of[377]twijfelachtig. Op de oude Egyptische monumenten (en, naar men verzekert ook op de bouwvallen van Yucatan en Chiapas) zijn de mannen standvastigbruinofrood, de vrouwengeelgekleurd. Waarschijnlijk moet dit echter op een andere wijze worden verklaard, dan door een werkelijk verschil in kleur tusschen de beide seksen bij de oude Egyptenaren en Amerikanen.(8)Emil Decker, een Duitscher, die langen tijd verblijf hield in Noord-Amerika, meent, dat het roode ras dat zich in de streken van het Alleghany-gebergte heeft gevormd, daar vooraldoor de kleur der omgevingde gele kleur zijner stamouders heeft verloren. Alles is daar rood; roodbruin is er het ijzerhoudend zand en de ijzerhoudende leem; roodbruin de stammen der pijnboomen, ceders en eiken; rood of roodbruin de herten, vossen en konijnen.Voor een volk dat van de jacht moest leven, was het een voordeel de zelfde kleur te bezitten om meer ongemerkt het wild te kunnen naderen en veiliger te zijn voor roofdieren.Volgens deze onderstelling zou de roode kleur der inboorlingen van Amerika dus een aanpassing zijn aan de kleur der omgeving.Omtrent Afrika merkt Decker ter loops op, dat daar eveneens een zekere kleurenharmonie in de verschillende voorwerpen valt waar te nemen. Zoo zijn de gorilla, chimpanzee en groote dikhuidige dieren zwart, evenals de neger. Omtrent de Maleiers en den orang-oetan had hij een soortgelijke opmerking kunnen maken. De gele kleur der Chineezen is in treffende harmonie met den gelen löss-grond, de gele rivieren, gele planten en dieren. Omtrent de woestijnbewonende Arabieren (en hun Semitische stamverwanten) zou hij eveneens zulk een opmerking hebben kunnen maken.Omtrent het Arische ras merkt R. E. de Haan („Alb. d. Natuur”, 1888, blz. 38, waar hij een referaat omtrent Decker’s hypothese geeft) op, dat de blanke kleur geen aanpassing kan zijn aan de witte poolgewesten, die naar de meest recente meeningen de bakermat van dat ras zouden zijn geweest.[378]1„Schopenhauer and Darwinism.”, in „Journal of Anthropology”, Jan. 1871, blz. 323.↑2Deze aanhalingen zijn ontleend aan Lawrence („Lectures on Physiology” enz., 1822, blz. 393) die de schoonheid der hoogere klassen in Engeland hieraan toeschrijft, dat zij gedurende langen tijd de schoonste vrouwen voor het huwelijk hebben uitgekozen.↑3„Anthropologie”, „Revue des Cours Scientifiques”, Oct. 1868, blz. 721.↑4„Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel II, blz. 220.↑5Sir J. Lubbock, „The Origin of Civilisation”, 1870, chap. III, vooral blz. 60–67. De heer M’Lennan spreekt in zijn uiterst belangrijk werk over „Primitive Marriage”, 1865, blz. 163, van de vereeniging der beide seksen „in de vroegste tijden als los, voorbijgaand en in zekere mate algemeen.” De heer M’Lennan en Sir J. Lubbock hebben vele bewijzen bijeenverzameld van de uitermate groote losbandigheid der wilden in den tegenwoordigen tijd. De heer L. H. Morgan besluit in zijn belangwekkende verhandeling over het klassificatorische stelsel van bloedverwantschap („Proc. American Acad. of Sciences”, vol. VII, Febr. 1868, blz. 475), dat gedurende de oorspronkelijke tijden de veelwijverij (polygamie) en alle vormen van huwelijk wezenlijk onbekend waren. Uit Sir J. Lubbock’s werk blijkt ook, dat Bachofen insgelijks gelooft, dat oorspronkelijk de communale vermenging heeft geheerscht.↑6„Address to British Association.” „On the Social and Religious Condition of the Lower Races of Man”, 1870, blz. 20.↑7„Origin of Civilisation”, 1870, blz. 86. In de onderscheidene boven aangehaalde werken zal men overvloedige getuigenissen vinden omtrent de verwantschap uitsluitend door de vrouwelijke linie of alleen met den stam.↑8De heer C. Staniland Wake redeneert sterk („Anthropologia”, Maart 1874, blz. 197) tegen de meeningen van drie schrijvers omtrent het vroeger heerschen van bijna algemeene seksueele vermenging (promiscuïteit); en hij meent, dat het klassificatorische stelsel van bloedverwantschap op andere wijze kan worden verklaard.↑9Brehm („Illustr. Thierleben”, Bd. I, blz. 77) zegt, datCynocephalus hamadryasin groote troepen leeft, die tweemaal zooveel volwassen wijfjes als volwassen mannetjes bevatten. Zie Rengger over Amerikaansche veelwijvige (polygame) soorten, en Owen („Anat. of Vertebrates”, vol. III, blz. 746) over Amerikaansche eenwijvige (monogame) soorten. Nog andere aanhalingen zouden hierbij kunnen worden gevoegd.↑10Dr. Savage, in „Boston Journal of Nat. Hist.”, vol. V, 1845–47, blz. 423.↑11„Prehistoric Times”, 1869, blz. 424.↑12Dr. Gerland („Ueber das Aussterben der Naturvölker”, 1868) heeft vele mededeelingen over kindermoord verzameld, zie voornamelijk blz. 27, 52, 54. Azara („Voyages” enz., tome II, blz. 94, 116) behandelt uitvoerig de beweegredenen. Zie ook M’Lennan (ibid., blz. 139) omtrent gevallen in Indië.↑13„Primitive Marriage”, blz. 208; Sir J. Lubbock, „Origin of Civilisation”, blz. 100. Zie ook den heer Morgan, loc. cit., omtrent het vroeger heerschen van veelmannerij (polyandrie).↑14„Voyages” enz., tome II, blz. 92–95.↑15Burchell zegt („Travels inSouth Africa”, vol. II, 1824, blz. 38), dat onder de wilde volken van Zuid-Afrika, noch mannen noch vrouwen ooit hun leven in den ongehuwden staat doorbrengen. Azara („Voyages dans l’Amérique Mérid.”, tome II, 1806, blz. 21) maakt de zelfde opmerking omtrent de wilde Indianen van Zuid-Amerika.↑16„Anthropological Review”, Jan. 1870, blz. XVI.↑17„HetVarieerender Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., deel II, blz. 224–231.↑18Een vernuftig schrijver beweert, op grond van een vergelijking van de schilderijen van Raphael,Rubensen moderne Fransche kunstenaars, dat het denkbeeld van schoonheid zelfs niet door Europa heên het zelfde is; zie de „Lives ofHaydnand Mozart” door M. Bombet, Eng. vert., blz. 278.↑19„Proc. R. Geogr. Soc.”, vol. XV, blz. 47.↑20McKennan, aangehaald door den heer Wake in „Anthropologia”, Oct. 1873, blz. 75.↑21D. Lesley, „Kafir Characterand Customs”, 1871, blz. 4.↑22Azara, „Voyages” enz, tome II, blz. 23. Dobrizhoffer, „An Account of the Abipones”, vol. II, 1822, blz. 207. Williams over de Fidsji-eilanders, aangehaald door Lubbock, „Origin of Civilisation”, 1870, blz. 79. Omtrent de Vuurlanders, King enFitzroy, „Voyages of theAdventureandBeagle”, vol. II, 1839, blz. 121. Omtrent de Kalmukken, de aanhaling van M’Lennan, „Primitive Marriage”, 1865, blz. 32. Omtrent de Maleiers, Lubbock, ibid., blz. 77. De weleerw. heer J. Shooter, „On the Kafirs of Natal”, 1857, blz. 52–60. Omtrent de Bosjesmannen, Burchell, „Travels inS. Africa”, vol. II, 1824, blz. 50.↑23„Contributions to the Theory of Natural Selection”, 1870, blz. 346. De heer Wallace gelooft (blz. 350), „dat de eene of andere intelligente kracht de ontwikkeling van den mensch heeft geleid of bepaald”; en hij beschouwt den haarloozen toestand der huid als een deze meening steunend feit. De weleerw. heer T. R. Stebbing merkt, commentariën op deze meening makende („Transactions of Devonshire Assoc. for Science”, 1870), op, dat, wanneer de heer Wallace „zijn gewone scherpzinnigheid in het vraagstuk van de onbehaardheid van ’s menschen huid had gebruikt, hij wellicht de mogelijkheid zou hebben ingezien, dat zij wegens haar meerdere schoonheid of wegens de gezondheid die het gevolg van meerdere zindelijkheid is, kon zijn gekozen. In elk geval is het bevreemdend, dat hij zich zelfs een hoogere intelligentie kan voorstellen, bezig met haar uit de ruggen te plukken (voor welke het volgens zijn eigen schildering nuttig en noodig zou zijn geweest), opdat de afstammelingen van die arme geschoren drommels na vele sterfgevallen ten gevolge van koude en vochtigheid in den loop van vele generaties”, zouden zijn gedwongen hooger te stijgen op de ladder der beschaving door de uitoefening van onderscheidene kunsten op de door den heer Wallace aangegeven wijze.↑24„Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel II, blz. 380.↑25„Investigations into Military and Anthropological Statistics of American Soldiers”, door B. Gould, 1869, blz. 568.—Er werden zorgvuldige waarnemingen gedaan omtrent de behaardheid van 2129 zwarte en gekleurde soldaten, terwijl zij zich baadden: en als men de uitgegeven tabel inziet, „is het bij den eersten blik reeds duidelijk, dat er in dit opzicht slechts weinig, indien eenig, verschil tusschen en de blanke en zwarte rassen is.” Het is echter zeker, dat de negers in hun oorspronkelijk en veel warmer vaderland Afrika opmerkelijk gladde lichamen hebben. Men moet er bijzonder acht op geven, dat onder bovengenoemde optelling zoowel zuivere zwarten als mulatten waren begrepen; en dit is een ongelukkige omstandigheid, daar volgens het beginsel waarvan ik elders de waarheid heb bewezen, gekruiste rassen uiterst vatbaar zullen zijn om door atavisme tot den oorspronkelijken harigen toestand van hun vroegen, op een aap gelijkenden voorvader terug te keeren.↑26„Ueber die Richtung der Haare am menschlichen Körper” in Müller’s „Archiv für Anat. und Phys.”, 1837, blz. 40.↑27De heer Sproat („Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz. 25) oppert ten opzichte van baardelooze inboorlingen van Vancouver’s Eiland het vermoeden, dat de gewoonte om de haren op het gelaat uit te trekken, „van generatie tot generatie voortgezet, wellicht ten laatste een ras zou voortbrengen, dat zich door een dunnen en verstrooiden baardgroei zou onderscheiden.” De gewoonte zou echter niet zijn ontstaan, tenzij de baard reeds ten gevolge van een of andere daarvan onafhankelijke oorzaak zeer was afgenomen. Wij hebben ook geen enkel direct bewijs, dat het bestendig uittrekken van het haar tot eenig erfelijk gevolg zou leiden. Ten gevolge van deze oorzaak van twijfel, heb ik tot dusverre nog geen gewag gemaakt van de door vele uitstekende ethnologen, bij voorbeeld den heer Gosse van Genève, verdedigde meening, dat kunstmatige wijzigingen van den schedel een neiging tot erfelijkheid hebben. Ik wensch dit besluit niet te bestrijden; en wij weten tegenwoordig door Dr.Brown-Séquard’smerkwaardige waarnemingen, vooral die welke onlangs (1870) aan deBritish Associationzijn medegedeeld, dat bij Guineesche biggetjes de gevolgen van operaties erfelijk zijn(5).↑28„Ueber die Richtung”, ibid., blz. 40.↑29„On the tail-feathers ofMotmots”, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1873, blz. 429.↑30De heer Sproat („Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz. 25) oppert deze zelfde meening. Eenige voorname ethnologen, onder anderen de heer Gosse van Genève, meenen, dat kunstmatige wijzigingen van den schedelvorm een neiging hebben om erfelijk te worden.↑
[Inhoud]TWINTIGSTE HOOFDSTUK.SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DEN MENSCH.—SLOT.Over de gevolgen van de voortdurende teeltkeus van vrouwen volgens een verschillenden maatstaf van schoonheid in elk ras.—Over de oorzaken die de werking der seksueele teeltkeus tegenwerken bij beschaafde en wilde volken.—Over de voor de seksueele teeltkeus gunstige omstandigheden in voorhistorische tijden.—Over de werkingswijze der seksueele teeltkeus bij den mensch.—Over het feit, dat de vrouwen bij wilde stammen eenigermate in de gelegenheid zijn haar echtgenooten te kiezen.—Afwezigheid van haar op het lichaam, en ontwikkeling van den baard.—Kleur der huid.—Overzicht.Wij hebben in het vorige hoofdstuk gezien, dat bij alle onbeschaafde rassen versierselen, kleeding en uiterlijk aanzien op hoogen prijs worden gesteld, en dat de mannen de schoonheid hunner vrouwen volgens een zeer verschillenden maatstaf beoordeelen. Wij moeten nu onderzoeken, of deze voorkeur en de daarvan het gevolg zijnde teeltkeus gedurende vele geslachten van die vrouwen welke aan de mannen van elk ras de meest aantrekkelijke schijnen, de kenmerken van de vrouwen, alleen of van beide seksen had veranderd. Bij zoogdieren schijnt de algemeene regel te zijn, dat kenmerken van alle soorten gelijkelijk door de mannetjes en door de wijfjes worden overgeërfd; wij zouden daarom mogen verwachten, dat bij den mensch elk door seksueele teeltkeus door de vrouwen verkregenkenmerkgewoonlijk op de nakomelingschap van beiderlei sekse zou zijn overgeplant. Indien eenige verandering op die wijze is voortgebracht, is het bijna zeker, dat de verschillende rassen op verschillende wijze zullen zijn gewijzigd, daar elk zijn eigen maatstaf van schoonheid heeft.Bij den mensch, vooral bij wilden, storen vele oorzaken de werking der seksueele teeltkeus, voorzoover het lichamelijk maaksel aangaat. Beschaafde menschen worden in hooge mate aangetrokken door de[350]geestelijke bekoorlijkheden der vrouwen, door haar rijkdom, en voornamelijk door haar maatschappelijken rang; want mannen huwen zelden ver beneden hun stand. Die mannen welke het best slagen in het verkrijgen der schoonere vrouwen, zullen geen beter kans hebben om een lange lijn van nakomelingen na te laten dan andere mannen met leelijker vrouwen, met uitzondering van de weinige die hun vermogen volgens de wet der eerstgeboorte vermaken. Wat den tegenovergestelden vorm van teeltkeus, namelijk van de meer aantrekkelijke mannen door de vrouwen aangaat, zoo heeft op de keus der vrouwen, hoewel zij bij beschaafde natiën een vrije of bijna vrije keus hebben, hetgeen bij barbaarsche rassen niet het geval is, de maatschappelijke rang en rijkdom der mannen een grooten invloed; en de voorspoed van deze laatsten in het leven hangt in groote mate af van hun verstandelijke vermogens en geestkracht (energie), of van de vruchten van die zelfde vermogens bij hun voorvaders. Wij behoeven geen vergiffenis te vragen, dat wij dit onderwerp eenigszins uitvoerig behandelen; want, gelijk de Duitsche wijsgeer Schopenhauer opmerkt: „is het einddoel van alle liefde-intriges, hetzij zij komisch of tragisch zijn, in werkelijkheid belangrijker dan alle andere zaken in het menschelijk leven. Want het komt geheel en al neêr op niets minder dan de samenstelling van het volgende geslacht (generatie). Niet het geluk of ongeluk van eenig bijzonder individu, maar dat van het geheele toekomstige menschdom staat hier op het spel.”1Er is echter reden om te gelooven, dat de seksueele teeltkeus bij sommige beschaafde en half beschaafde volken eenigen invloed heeft gehad. Vele personen zijn overtuigd en naar het mij schijnt terecht, dat de leden van onze aristocratie, als men onder dit woord alle rijke families verstaat, bij welke het recht van eerstgeboorte lang heeft geheerscht, omdat zij gedurende vele geslachten de schoonste vrouwen van alle klassen tot hun echtgenooten hebben gekozen, volgens den Europeeschen maatstaf van schoonheid schooner zijn geworden, dan de middelklassen; en toch zijn de middelklassen geplaatst onder levensvoorwaarden die even gunstig zijn voor de volkomen ontwikkeling van het lichaam. Cook merkt op, dat de meerdere voortreffelijkheid in persoonlijke schoonheid, „die bij de areois of edelen op al de andere eilanden (van den Stillen Oceaan) kan worden opgemerkt, op de Sandwich-eilanden[351]algemeen is”; doch dit kan hoofdzakelijk het gevolg zijn van hun betere voeding en levenswijze.De oude reiziger Chardin zegt, de Perzen beschrijvende, dat hun „bloed tegenwoordig zeer is veredeld door veelvuldige kruisingen met de Georgiërs en Circassiërs, twee volken die alle andere in persoonlijke schoonheid overtreffen. Er is nauwelijks een man van rang in Perzië, die niet uit een Georgische of Circassische moeder is geboren.” Hij voegt er bij, dat zij hun schoonheid „niet erven van hun voorvaders; want zonder bovenvermelde vermenging zouden de mannen van rang in Perzië, die afstammelingen van de Tartaren zijn, uiterst leelijk wezen”.2Zie hier een nog merkwaardiger geval: de priesteressen die in den tempel van Venus Erycina te San-Giuliano in Sicilië den dienst verrichtten, werden uit de schoonste vrouwen van geheel Griekenland uitgezocht, zij waren geen Vestaalsche maagden, en Quatrefages3aan wien deze mededeeling is ontleend, zegt, dat de vrouwen van San-Giuliano nog tegenwoordig beroemd zijn als de schoonste van het eiland, en door kunstenaars als modellen worden gezocht. Het is echter klaarblijkelijk, dat de bewijzen in de bovengemelde gevallen twijfelachtig zijn.Het volgende geval verdient, hoewel op wilden betrekking hebbende, wegens zijn merkwaardigheid wel hier te worden medegedeeld. De heer Winwood Reade meldt mij, dat de Jollofs, een negerstam aan de westkust van Afrika, „opmerkelijk zijn wegens hun algemeen fraai uiterlijk”.Een zijner vrienden vraagde eens een dezer menschen:„hoe komt het, dat iedereen dien ik ontmoet, er zoo fraai uitziet, niet slechts uw mannen, maar ook uw vrouwen?” De Jollof antwoordde: „Dat is zeer gemakkelijk te verklaren: het is altijd onze gewoonte geweest diegenen onzer slaven, die een leelijk uiterlijk hadden, uit te zoeken en te verkoopen.” Het behoeft hier nauwelijks te worden bijgevoegd, dat bij alle wilden de slavinnen als bijwijven worden gebruikt. Dat deze neger, hetzij terecht of ten onrechte, het fraaie uiterlijk van zijn stam zou hebben toegeschreven aan de lang voortgezette eliminatie van de leelijke vrouwen, is niet zoo verwonderlijk, als het wellicht op[352]het eerste gezicht schijnt, want ik heb elders4aangetoond, dat negers de belangrijkheid van teeltkeus bij het fokken hunner huisdieren ten volle naar waarde schatten, en zou op gezag van den heer Reade nog meer bewijzen daarvoor kunnen mededeelen.Over de Oorzaken die de Werking der Seksueele Teeltkeus bij Wilden voorkomen of belemmeren.—De hoofdoorzaken zijn, ten eerste, zoogenaamde communale huwelijken of algemeene vermenging (promiscuïteit); ten tweede, kindermoord, vooral van vrouwelijke kinderen; ten derde, vroege verlovingen; en eindelijk de geringschatting die men voor vrouwen, als bloote slavinnen, gevoelt. Deze vier punten moeten eenigszins uitvoerig worden beschouwd.Het is duidelijk, dat, zoolang de paring van den mensch, of van eenig ander dier, aan het toeval wordt overgelaten, zonder dat een der beide seksen een keus uitoefent, er ook geen seksueele teeltkeus kan zijn, en er geen invloed op de nakomelingschap kan worden uitgeoefend, doordat zekere individu’s bij hun vrijage een voordeel over andere hebben. Nu beweert men, dat er nog op den huidigen dag stammen bestaan, die uitoefenen, hetgeen Sir J. Lubbock uit hoffelijkheid communale huwelijken noemt, dat is, dat alle mannen en vrouwen van den stam elkanders echtgenooten zijn. De losbandigheid van vele wilden is ongetwijfeld verbazend groot; maar het schijnt mij toe, dat er meer bewijzen noodig zijn, voordat wij volkomen kunnen aannemen, dat hun bestaande vermenging werkelijk volstrekt algemeen is. Desniettemin gelooven allen die het onderwerp zeer grondig hebben bestudeerd5, en wier oordeel veel meer waard is dan het mijne, dat het communale huwelijk de oorspronkelijke en algemeene vorm over de geheele wereld[353]was, met insluiting van het huwelijk tusschen broeders en zusters. Wijlen Sir A. Smith die groote reizen in Zuid-Afrika had gedaan, en veel wist van de zeden der wilden daar en elders, verzekerde mij ten sterkste, dat er naar zijn meening geen stam bestaat, waarin de vrouw als het eigendom van al de leden daarvan wordt beschouwd. Ik geloof dat dit oordeel in groote mate werd bepaald door den zin dien hij aan het woord huwelijk hechtte. In de hier volgende bespreking zal ik dit woord gebruiken in den zelfden zin als dierkundigen, wanneer zij van éénwijvige (monogame) dieren spreken, waarmede zij bedoelen, dat het mannetje wordt aangenomen door een enkel wijfje, of een enkel wijfje uitkiest en daarmede leeft, hetzij gedurende den paartijd of gedurende het geheele jaar, haar in bezit houdende door het recht van den sterkste; of als zij spreken van een veelwijvige (polygame) soort, bedoelende, dat het mannetje met meer dan één wijfje leeft. Deze soort van huwelijk is het eenige waarmede wij hier hebben te maken, daar zij voldoende is voor de werking der seksueele teeltkeus. Doch ik weet, dat verscheidene der boven aangehaalde schrijvers onder het woord huwelijk een erkend recht, beschermd door den stam, verstaan. De indirecte bewijzen ten gunste dezer meening zijn uiterst sterk en berusten voornamelijk op de namen der graden van bloedverwantschap, die tusschen de leden van den zelfden stam worden gebruikt, en alleen een verwantschap met den stam en niet met een der beide ouders te kennen geven. Het onderwerp is echter te uitgebreid en te ingewikkeld om hier te worden behandeld, en ik zal mij tot eenige weinige opmerkingen bepalen. Het is duidelijk, dat bij communale huwelijken, of daar waar de band des huwelijks zeer los is, de verwantschap tusschen het kind en zijn vader niet bekend kan zijn. Het schijnt echter bijna ongeloofelijk, dat de verwantschap tusschen het kind en zijn moeder ooit volkomen onbekend zou zijn geweest, vooral daar bij de meeste wilde stammen de moeders haar kinderen gedurende langen tijd zoogen. Overeenkomstig hiermede wordt in vele gevallen de afstamming alleen in de moederlijke lijn nagegaan, met uitsluiting van de vaderlijke. In vele andere gevallen echter drukken de gebruikt wordende namen alleen een verwantschap met den stam uit, met uitsluiting zelfs van de moeder. Het schijnt mogelijk, dat de band tusschen de verwante leden van den zelfden barbaarschen stam, aan allerlei soorten van gevaar blootgesteld, zooveel belangrijkerzoukunnen zijn, ten gevolge van de behoefte aan wederzijdsche bescherming en hulp, dan die tusschen[354]een moeder en haar kind, dat dit aanleiding gaf om alleen de woorden te gebruiken, die de eerste soort van verwantschappen uitdrukten; doch de heer Morgan is overtuigd, dat deze wijze om de zaak te beschouwen, in geenen deele voldoende is.De woorden die in verschillende deelen der wereld worden gebruikt om de graden van bloedverwantschap aan te duiden, kunnen volgens den zooeven aangehaalden schrijver, in twee groote klassen worden verdeeld: de klassificatorische en de beschrijvende,—de laatste wordt door ons gebruikt. Het is het klassificatorische stelsel dat zoo nadrukkelijk tot de meening aanleiding geeft, dat communale en andere uiterst losse vormen van huwelijk oorspronkelijk algemeen waren. Zoover ik echter de zaak begrijp, is er geen noodzakelijkheid om op dezen grond in een volstrekt vrije vermenging te gelooven. Mannen en vrouwen zouden, gelijk vele van de lagere dieren, vroeger vaste hoewel tijdelijke vereenigingen voor elke geboorte kunnen hebben gesloten, en in dit geval zou omtrent evenveel verwarring in de woorden voor de graden van bloedverwantschap zijn ontstaan, als in het geval van een geheel vrije vermenging. Voorzoover er de seksueele teeltkeus in is betrokken, is al wat noodig is, dat er een keus werd uitgeoefend, voordat de ouders zich vereenigden, en beteekent het weinig, of de vereenigingen levenslang of voor één jaargetijde duurden.Behalve de bewijzen die uit de woorden worden afgeleid, welke voor de graden van bloedverwantschap worden gebruikt, toonen ook andere aaneenschakelingen van redeneering het vroeger wijd en zijd heerschen van communale huwelijken aan. Sir J. Lubbock verklaart6op vernuftige wijze de vreemde en ver verspreide gewoonte van exogamie,—dat is, dat de mannen van éénen stam altijd vrouwen nemen uit een anderen stam, doordat het communisme de oorspronkelijke vorm van het huwelijk was, zoodat een man nimmer een vrouw voor zich alleen verkreeg, dan wanneer hij haar van een vreemden en vijandigen stam roofde, en dan zou zij natuurlijk zijn uitsluitend en kostbaar eigendom zijn geworden. Zoo zou de gewoonte om vrouwen te rooven ontstaan en wegens de daardoor behaalde eer ten laatste de algemeene gewoonte kunnen zijn geworden. Wij kunnen, volgens Sir J. Lubbock, op die wijze ook de noodzakelijkheid begrijpen „om voor het huwelijk boete te doen,daar het een verkrachting van de rechten van den stam was,[355]omdat, volgens de oude denkbeelden, een man geen recht had om zich zelf iets toe te eigenen, dat aan den geheelen stam behoorde.” Sir J. Lubbock geeft verder een hoogst opmerkelijke verzameling van feiten die aantoonen, dat in oude tijden hooge eer werd bewezen aan vrouwen die uiterst losbandig waren; en dit is, gelijk hij verklaart, begrijpelijk, indien wij aannemen, dat vrije vermenging de oorspronkelijke en daarom lang geëerde gewoonte van den stam was.7Hoewel de wijze waarop de huwelijksband zich heeft ontwikkeld, een duister onderwerp is, gelijk wij mogen afleiden uit de afwijkende meeningen omtrent verschillende punten van drie schrijvers die hem het grondigst hebben bestudeerd, namelijk, den heer Morgan, den heer M’Lennan en Sir J. Lubbock, schijnt het toch wegens de voorgaande en onderscheidene andere reeksen van bewijzen zeker8, dat het gebruik van het huwelijk zich trapsgewijze heeft ontwikkeld, en dat bijna algemeene vermenging eens door de geheele wereld heên uiterst algemeen was. Desniettemin kan ik wegens de analogie van de lagere dieren, meer in het bijzonder van die welke in de reeks het naast bij den mensch staan, niet gelooven, dat deze gewoonte in een uiterst verwijderd tijdperk heerschte, toen de mensch nog nauwelijks zijn tegenwoordigen rang op de ladder van het Dierenrijk had bereikt. De mensch stamt, gelijk ik heb trachten aan te toonen, zonder eenigen twijfel van een of ander op een aap gelijkend schepsel af. Bij de tegenwoordige Vierhandigen (Quadrumana) zijn, voor zoover hun levenswijze bekend is, de mannetjes van sommige soorten eenwijvig (monogaam), maar leven alleen gedurende een deel van het jaar met de wijfjes, gelijk met den Orang het geval schijnt te zijn. Onderscheidene soorten, zooals sommige van de Indische en Amerikaansche apen, zijn streng eenwijvig (monogaam) en leven gedurende het geheele jaar in gezelschap van hun wijfjes. Andere zijn veelwijvig (polygaam), gelijk de Gorilla en onderscheidene Amerikaansche soorten, en elk gezin leeft afzonderlijk. Zelfs wanneer dit plaats grijpt, leven de gezinnen die de zelfde streek bewonen, waarschijnlijk[356]gezellig; de Chimpanzee, bijvoorbeeld, wordt nu en dan in groote troepen aangetroffen. Wederom andere soorten zijn veelwijvig (polygaam); doch verscheidene mannetjes leven, elk met zijn eigen wijfje, in een troep vereenigd, gelijk bij onderscheidene soorten van Bavianen9.Wij mogen inderdaad uit hetgeen wij weten van de ijverzucht van alle mannelijke viervoetige dieren, gewapend, gelijk vele van hen zijn, met bijzondere wapenen om met hun medeminnaars te vechten, het besluit trekken, dat een algemeene vermenging in den natuurstaat uiterst onwaarschijnlijk is. De paren mogen niet levenslang, maar slechts voor elke geboorte bijeenblijven, toch zou dit, indien de mannetjes die het sterkst en het best in staat zijn om de wijfjes en de jongen te verdedigen of op andere wijze te helpen, de aantrekkelijkste wijfjes voor de voortteling konden uitkiezen, voldoende zijn voor de werking der seksueele teeltkeus.Daarom is het, indien wij ver genoeg terugblikken in den stroom des tijds, uiterst onwaarschijnlijk, dat de oorspronkelijke mannen en vrouwen in vrije vermenging met elkander leefden. Te oordeelen naar de sociale gewoonten van den mensch, gelijk hij nu bestaat, en naar het feit, dat de meeste wilden in veelwijverij (polygamie) leven, is de waarschijnlijkste meening, dat de oorspronkelijke man in den beginne in kleine gezelschappen leefde, elk met zooveel vrouwen, als hij kon onderhouden en verkrijgen, die hij ijverzuchtig tegen alle andere mannen zal hebben verdedigd. Hij kan ook met onderscheidene vrouwen op zich zelf hebben geleefd, gelijk de Gorilla; want alle inboorlingen „zijn het hierover eens, dat in elken troep slechts één volwassen mannetje wordt gezien; wanneer het jonge mannetje opgroeit, heeft een strijd om de opperheerschappij plaats, en de sterkste vestigt zich, door de andere te dooden of te verjagen, als het hoofd der gemeenschap.”10De jonge mannetjes die daardoor zijn verdreven en nu ronddwalen, zullen, als zij er eindelijk in slagen een gezellin te vinden, een te nauwe vermenging („interbreeding”) binnen de grenzen van de zelfde familie verhoeden.[357]Hoewel de wilden tegenwoordig uiterst losbandig zijn, en hoewel communale huwelijken vroeger in hooge mate mogen hebben geheerscht, zoo bestaat toch bij vele stammen de eene of andere vorm van huwelijk, maar van een veel losser aard dan bij beschaafde volken. Veelwijverij (polygamie) is, zooals juist werd aangevoerd, bijna algemeen in zwang bij de opperhoofden in elken stam. Desniettemin zijn er stammen welke bijna aan den voet van de ladder staan, die streng eenwijvig (monogaam) zijn. Dit is het geval met de Veddah’s van Ceylon; zij hebben, volgens Sir J. Lubbock11, een spreekwoord, „dat alleen de dood vrouw en man kan scheiden.” Een verstandelijk goed ontwikkeld opperhoofd uit Kandy, natuurlijk een polygamist, „ergerde zich in hooge mate over de uiterste barbaarschheid van slechts met ééne vrouw te leven en haar nooit te verlaten, voor men door den dood van haar wordt gescheiden.” Het was, zeide hij, „juist als bij de Wanderoe apen.” Of wilden die tegenwoordig den eenenofanderen vorm van huwelijk, hetzij veelwijvig (polygaam) of eenwijvig (monogaam), bezitten, die gewoonten van uit oorspronkelijke tijden hebben behouden, dan wel, of zij tot den eenen of anderen vorm van huwelijk zijn teruggekeerd, na een toestand van algemeene vrije vermenging te hebben doorloopen,—daarover waag ik het niet vermoedens uit te spreken.Kindermoord.—Dit gebruik is nu in de geheele wereld zeer veelvuldig, en er is reden om te gelooven, dat het in vroegere tijden een nog grooter verspreiding had.Barbaren vinden het moeilijk zich zelven en hun kinderen te onderhouden, en het is een eenvoudig plan hun kinderen te dooden. In Zuid-Amerika vernielden sommige stammen, gelijk Azara getuigt, zoovele kinderen van beide seksen, dat zij op het punt waren van uit te sterven. Op de Polynesische eilanden heeft men vrouwen gekend, die vier of vijf tot zelfs tien van haar kinderen hadden gedood, en Ellis kon geen enkele vrouw vinden, die er niet ten minste één had gedood. Overal waar kindermoord heerscht, zal de strijd om het bestaan in zoover minder hevig zijn, en zullen al de leden van den stam een bijna even goede kans hebben om hunweinigeovergebleven kinderen groot te brengen. In de meeste andere gevallen wordt een grooter aantal vrouwelijke dan mannelijke kinderen gedood; want het is duidelijk, dat deze laatsten van meer waarde voor den[358]stam zijn, daar zij, wanneer zij volwassen zijn, hem zullen helpen verdedigen, en zich zelf kunnen onderhouden. Doch de moeite die de vrouwen ondervinden bij het grootbrengen van kinderen, het daardoor veroorzaakte verlies van schoonheid, de hoogere waarde die men aan haar hecht, en haar gelukkiger lot, als zij weinig in getal zijn, worden door de vrouwen zelven en door onderscheidene waarnemers opgegeven als bijkomende beweegredenen voor kindermoord. In Australië waar het dooden van vrouwelijke kinderen nog veelvuldig plaats heeft, schatte Sir G. Grey de verhouding van de vrouwelijke inboorlingen tot de mannelijke als één tot drie; maar anderen zeggen, dat zij als twee tot drie is. In een dorp op de oostelijke grens van Indië vond KolonelMacCullochgeen enkel vrouwelijk kind.12Als ten gevolge van het dooden der vrouwelijke kinderen de vrouwen van een stam weinig in getal zijn, zal natuurlijk de gewoonte ontstaan om de vrouwen van naburige stammen te rooven. Sir John Lubbock schrijft echter, gelijk wij hebben gezien, dat gebruik voornamelijk hieraan toe, dat vroeger het communale huwelijk bestond en dat ten gevolge daarvan de mannen vrouwen van andere stammen roofden om haar als hun uitsluitend eigendom te houden. Bijkomende oorzaken zouden kunnen worden aangegeven, b.v. dat degemeenschappenzeer klein waren, in welk geval huwbare vrouwen dikwijls zouden ontbreken. Dat de gewoonte van vrouwenroof in vroegere tijden op groote schaal bestond, zelfs bij de voorouders van beschaafde natiën, wordt duidelijk aangetoond door het bewaard blijven van vele merkwaardige gebruiken en plechtigheden van welke de heer M’Lennan een hoogst belangwekkende beschrijving heeft gegeven. In onze eigen huwelijken schijnt de „beste man” oorspronkelijk de voornaamste helper van den bruidegom bij de handeling van het rooven te zijn geweest.(1)Zoolang nu de mannen zich gewoonlijk hun vrouwen door geweld en list verschaften, is het niet waarschijnlijk, dat zij de aantrekkelijkste vrouwen uitkozen(2); zij zullen blijde zijn geweest, als zij slechts de eene of andere vrouw konden vermeesteren. Zoodra echter aan de gewoonte om zich vrouwen van een anderen stam te verschaffen, door ruilhandel werd voldaan, gelijk nu op vele plaatsen geschiedt, zullen[359]het algemeen de aantrekkelijkste vrouwen zijn gekocht. De onophoudelijke kruising tusschen den eenen stam en den anderen, die een noodzakelijk gevolg van elken vorm van deze gewoonte is, zal echter een neiging hebben doen ontstaan om al de in het zelfde land wonende menschen in hun kenmerken ongeveer gelijkvormig te houden; en dit zal het vermogen der seksueele teeltkeus om de stammen te differentieeren, aanmerkelijk hebben tegengewerkt.De schaarschheid van de vrouwen, ten gevolge van het dooden der vrouwelijke kinderen, leidt ook tot een ander gebruik, namelijk tot veelmannerij (polyandrie) die in verscheidene deelen der wereld nog veelvuldig is, en die vroeger, volgens de meening van den heer M’Lennan, bijna algemeen heerschte: dit laatste besluit wordt echter door den heer Morgan en Sir J. Lubbock betwijfeld.13Zoodra twee of meer mannen zijn gedwongen ééne vrouw te huwen, is het zeker, dat al de vrouwen van den stam zullen huwen, en zal er door de mannen geen keus van de aantrekkelijkste vrouwen worden uitgeoefend. Onder deze omstandigheden zullen echter de vrouwen zonder twijfel het vermogen hebben om een keus te doen, en zullen aan de aantrekkelijkste mannen de voorkeur geven. Azara beschrijft, bij voorbeeld, hoe zorgvuldig een Guana-vrouw allerlei soorten van voorrechten bedingt, voor zij één of meer echtgenooten aanneemt, en ten gevolge daarvan dragen de mannen ongewone zorg voor hun uiterlijk aanzien.14De zeer leelijke mannen zullen er wellicht geen van allen in slagen om een vrouw te krijgen, of er slechts op later leeftijd een krijgen; maar de schoonste mannen zullen, ofschoon zij de voorspoedigste in het verkrijgen van een vrouw zouden zijn, voor zoover wij kunnen zien, niet meer nakomelingen nalaten om hun schoonheid te erven, dan de minder schoone echtgenooten van de zelfde vrouw.Vroege Verlovingen en Slavernij der vrouwen.—Bij vele wilden is het de gewoonte de vrouwen te verloven, als zij nog bloot kinderen zijn; en dit zal op werkzame wijze verhinderen, dat van een van beide zijden eenige voorkeur met betrekking tot het uiterlijk aanzien kan worden gegeven. Het zal echter niet verhinderen, dat de aantrekkelijkste vrouwen later door de mannen die meer macht hebben, aan hun[360]echtgenooten worden ontstolen of met geweld ontnomen; en dit geschiedt dikwijls in Australië, Amerika en andere deelen der wereld. De zelfde gevolgen ten opzichte van seksueele teeltkeus zullen tot op zekere hoogte plaats hebben, wanneer de vrouwen bijna uitsluitend als slavinnen of lastdieren worden gewaardeerd, gelijk bij de meeste wilden het geval is. De mannen zullen echter ten allen tijde de voorkeur geven aan de slavinnen die, volgens hun maatstaf van schoonheid, de schoonste zijn.Wij zien dus dat bij wilden onderscheidene gebruiken heerschen, die de werking der seksueele teeltkeus sterk belemmeren of volkomen kunnen opheffen. Daarentegen zijn de levensvoorwaarden waaraan wilden zijn blootgesteld, en sommige van hun gebruiken gunstig voor de natuurlijke teeltkeus; en deze komt altijd te zamen met de seksueele teeltkeus in het spel. Het is bekend, dat wilden veel hebben te lijden van telkens terugkeerende hongersnooden; zij vermeerderen hun voedsel niet door kunstmatige middelen; zij onthouden zich zelden van het huwelijk15en huwen over het algemeen op jeugdigen leeftijd. Bij gevolg moeten zij nu en dan aan een heftigen strijd om het leven zijn blootgesteld en zullen alleen de begunstigde individu’s blijven leven.Als wij de oorspronkelijke tijden beschouwen, toen de menschen nog slechts twijfelachtig den rang der menschelijkheid hadden bereikt, zullen zij waarschijnlijk, gelijk reeds is gezegd, hetzij in veelwijverij (polygamie) of tijdelijk in eenwijverij (monogamie) hebben geleefd. Hun vermenging zal, te oordeelen naar de analogie, niet volkomen algemeen zijn geweest. Zij zullen ongetwijfeld hun vrouwen, zoo goed als zij maar konden, tegen allerlei soort van vijanden hebben verdedigd en waarschijnlijk voor hun onderhoud en tevens voor dat van hun kroost op de jacht zijn gegaan. De sterkste en bekwaamste mannen zullen het best zijn geslaagd in den strijd om het leven en in het verkrijgen van aantrekkelijke vrouwen. In dit vroege tijdvak zullen de stamouders van den mensch, daar zij slechts zwakke verstandelijke vermogens bezaten,[361]niet vooruit hebben gezien op zaken die mogelijk in de toekomst konden gebeuren. Zij zullen door hun instinkt meer en door hun rede minder dan zelfs de tegenwoordige wilden zijn bestuurd. Zij zullen in dat tijdvak niet een van de sterkste van alle instinkten, dat aan alle lagere dieren gemeen is, namelijk de liefde voor hun jong kroost, gedeeltelijk hebben verloren, en zullen bij gevolg geen kindermoord hebben uitgeoefend. Er zal geen kunstmatige schaarschte van vrouwen zijn geweest en derhalve geen veelmannerij (polyandrie) plaats hebben gehad; er zullen geen vroege verlovingen in zwang zijn geweest; de vrouwen zullen niet alleen als slavinnen zijn gewaardeerd; beide seksen zullen, indien aan de vrouwen even goed als aan de mannen werd veroorloofd eenige keus uit te oefenen, hun gezellen hebben gekozen, niet wegens geestelijke bekoorlijkheden, of rijkdom of plaats in de maatschappij (sociale positie), maar bijna alleen wegens uiterlijke schoonheid. Al de volwassenen zullen zijn gehuwd of hebben gepaard, en al de kinderen zullen, zoover dat mogelijk was, zijn grootgebracht, zoodat de strijd om het leven periodiek uitermate heftig was. Zoo zullen gedurende deze oorspronkelijke tijden al de voorwaarden voor seksueele teeltkeus veel gunstiger zijn geweest dan in eenig later tijdperk, toen de mensch in zijn verstandelijke vermogens vooruit-, maar in zijn instinkten achteruit was gegaan. Daarom zal, welken invloed de seksueele teeltkeus ook moge hebben gehad op het ontstaan van de verschillen tusschen de menschenrassen en tusschen den mensch en de hoogere apen, die invloed veel machtiger zijn geweest in een zeer verwijderd tijdperk, dan op den huidigen dag.Over de Wijze waarop de Seksueele Teeltkeus op den Mensch heeft gewerkt.—Bij den oorspronkelijken mensch onder de gunstige zooeven geschilderde voorwaarden, en bij die wilden van den tegenwoordigen tijd, welke den eenen of anderen huwelijksband sluiten, zal de seksueele teeltkeus (hoewel in meerdere of mindere mate belemmerd, al naar de gewoonten van het dooden der vrouwelijke kinderen, vroege verlovingen enz., meer of minder in zwang waren) waarschijnlijk op de volgende wijze hebben gewerkt. De sterkste en moedigste mannen,—die welke hun gezinnen het best konden verdedigen en door de jacht onderhouden, en gedurende latere tijden de aanvoerders of opperhoofden werden,—die welke van de beste wapenen waren voorzien en de meeste eigendommen, zooals een grooter aantal honden of andere[362]dieren bezaten, zullen er in zijn geslaagd om gemiddeld een grooter aantal nakomelingen groot te brengen, dan de zwakkere, arme en lagere leden van de zelfde groep. Er kan ook geen twijfel bestaan, dat dergelijke mannen over het algemeen in staat zijn geweest om de aantrekkelijkste vrouwen uit te kiezen. Tegenwoordig slagen de opperhoofden van bijna elken stam door de geheele wereld heên er in om meer dan ééne vrouw te verkrijgen. Tot voor korten tijd toe was, naar ik van den heer Mantell hoor, bijna ieder meisje in Nieuw-Zeeland, dat mooi was, of mooi beloofde te worden,taboe(3)voor het eene of andere opperhoofd. Bij de Kaffers hebben, gelijk de heer C. Hamilton getuigt16, „de opperhoofden over het algemeen de keus uit de vrouwen van vele mijlen in den omtrek, en geven zich veel moeite om hun voorrecht te bevestigen en te bestendigen.” Wij hebben gezien, dat elk ras zijn eigen maatstaf van schoonheid heeft, en wij weten, dat het den mensch van nature eigen is elk kenmerkend punt in zijn tamme dieren, kleeding, versierselen en persoonlijk uiterlijk te bewonderen, als het een weinig boven den gewonen standaard is opgevoerd. Indien derhalve de voorgaande stellingen als juist werden aangenomen, en ik kan niet zien, dat zij twijfelachtig zijn, zou het een onverklaarbare omstandigheid zijn, indien het voor het huwelijk uitkiezen van de aantrekkelijkste vrouwen door de krachtigste mannen die gemiddeld een grooter aantal kinderen zouden aankweeken, niet na verloop van vele generatiën tot op zekere hoogte de kenmerken van den stam wijzigde.Als bij onze tamme dieren een vreemd ras in een nieuw land wordt ingevoerd of als aan een inlandsch ras langen tijd wegens zijn nuttigheid of sierlijkheid bijzondere zorg wordt gewijd, bevindt men na vele generatiën, overal waar de middelen tot vergelijking bestaan, dat het een grootere of geringere verandering heeft ondergaan. Dat is een gevolg van onbewuste teeltkeus gedurende een lange reeks van geslachten,—dat is het bewaard blijven van de best gekeurde individu’s—zonder eenigen wensch of verwachting van een dergelijken uitslag van de zijde van den fokker. Indien twee zorgvuldige fokkers gedurende vele jaren dieren van de zelfde familie aanfokken, en hen niet met elkander of met een gemeenschappelijken standaard vergelijken, vindt men na eenigen tijd, dat de dieren tot verwondering van hun eigenaars[363]eenigszins verschillend zijn geworden.17Elke fokker heeft, gelijk von Nathusius het juist uitdrukt, den stempel van zijn eigen geest—zijn eigen smaak en oordeel—op zijn dieren gedrukt. Welke reden kan dan worden opgegeven, waarom soortgelijke uitwerkselen niet zouden volgen op het lang voortgezette voor het huwelijk uitkiezen van de meest bewonderde vrouwen door die mannen van elken stam, die in staat waren om het grootste aantal kinderen tot op volwassen ouderdom groot te brengen? Dit zou een onbewuste teeltkeus zijn; want een uitwerking zou worden voortgebracht, onafhankelijk van elken wensch of verwachting van den kant der mannen die aan zekere vrouwen boven andere de voorkeur gaven.Laten wij veronderstellen, dat de leden van een stam bij welken de een of andere vorm van huwelijk in gebruik was, zich over een onbewoond vastland verspreidden; zij zouden zich spoedig in afzonderlijke horden splitsen, die van elkander zouden worden gescheiden door allerlei slagboomen, en nog werkdadiger door de onophoudelijke oorlogen die tusschen alle barbaarsche volken plaats grijpen. De horden zouden dus aan eenigszins verschillende levensvoorwaarden en levenswijze zijn onderworpen, en er vroeger of later toe komen om in geringe mate van elkander te verschillen. Zoodra dit plaats greep, zou elke afzonderlijke stam voor zich zelf een eenigszins verschillenden maatstaf van schoonheid aannemen18; en dan zou onbewuste teeltkeus in werking treden, doordat de machtigste en aanvoerende wilden aan zekere vrouwen boven andere de voorkeur gaven. Zoo zouden de verschillen tusschen de stammen, in het eerst zeer gering, allengs en onvermijdelijk in hoe langer hoe aanzienlijker mate worden vermeerderd.Bij dieren in den natuurstaat zijn vele aan de mannetjes eigen kenmerken, zooals grootte, kracht, bijzondere wapenen, moed en strijdlust door de wet van den strijd ontstaan. De half-menschelijke voorouders van den mensch zullen, gelijk hun verwanten, de Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana), bijna zeker daardoor zijn gewijzigd; en, evenals wilden nog heden om het bezit hunner vrouwen strijden, is een soortgelijk[364]proces van teeltkeus waarschijnlijk in meerdere of mindere mate tot op den huidigen dag toe werkzaam geweest. Andere kenmerken, aan de mannetjes der lagere dieren eigen, zooals levendige kleuren en onderscheidene versierselen, zijn verkregen, doordat door de wijfjes aan de meer aantrekkelijke mannetjes de voorkeur werd gegeven. Er zijn echter exceptioneele gevallen waarin de mannetjes in plaats van de gekozenen de kiezers zijn geweest. Wij herkennen dergelijke gevallen, doordat de wijfjes in hoogere mate zijn versierd dan de mannetjes,—terwijl haar tot versiering dienende kenmerken uitsluitend of hoofdzakelijk op haar vrouwelijke nakomelingschap zijn overgeplant. Één dergelijk geval is beschreven uit de Orde waartoe de mensch behoort, namelijk dat van den Rhesus-aap.De man is krachtiger naar lichaam en geest dan de vrouw, en in den wilden staat houdt hij haar in een veel ellendiger staat van dienstbaarheid dan het mannetje van eenig ander dier doet; het is daarom niet te verwonderen, dat het de man is, die het vermogen om te kiezen heeft verkregen. Vrouwen zijn zich overal bewust van de waarde van haar schoonheid; en als zij de middelen daartoe hebben, scheppen zij er meer behagen in om zich met allerlei soort van versierselen op te schikken, dan de mannen. Zij ontleenen aan mannelijke vogels de siervederen waarmede de natuur deze sekse tooide, om daarmede hun wijfjes te bekoren. Daar de vrouwen lang wegens haar schoonheid zijn gekozen, is het niet te verwonderen, dat sommige van de opeenvolgende afwijkingen op beperkte wijze zijn overgeplant, en dat bijgevolg de vrouwen haar schoonheid in eenigszins hoogere mate op haar vrouwelijke dan op haar mannelijke nakomelingschap hebben overgeplant. Daardoor zijn de vrouwen schooner geworden, gelijk de meeste menschen zullen toegeven, dan de andere sekse. Vrouwen planten echter ongetwijfeld de meeste harer kenmerken met insluiting der schoonheid, op haar nakomelingschap van beiderlei sekse over; zoodat de voortdurende voorkeur door mannen van elk ras gegeven aan die vrouwen welke volgens hun maatstaf van smaak de schoonste waren, een neiging zal doen ontstaan om alle individu’s van beiderlei sekse, tot het ras behoorende, op de zelfde manier te wijzigen.Wat den anderen vorm van seksueele teeltkeus aangaat (welke bij de lagere dieren verreweg de meest algemeene is), die namelijk, waarbij de wijfjes de kiezers zijn en alleen die mannetjes aannemen, welke haar het meest bekoren of opwekken, hebben wij alle reden om te[365]gelooven, dat hij vroeger op de voorouders van den mensch werkte. De man is naar alle waarschijnlijkheid zijn baard en wellicht eenige andere kenmerken verschuldigd aan overerving van een ouden voorvader die op deze wijze zijn versierselen verkreeg. Deze vorm van teeltkeus kan echter nu en dan ook in latere tijden hebben gewerkt; want bij uiterst barbaarsche stammen hebben de vrouwen meer macht om haar minnaars te kiezen, te verwerpen en aan te lokken, of om later van echtgenoot te veranderen, dan men wellicht zou hebben verwacht. Daar dit een punt van eenig belang is, zal ik de bewijzen daarvoor, die het mij mocht gelukken te verzamelen, uitvoerig mededeelen.Hearne beschrijft, hoe een vrouw in een der stammen van Arctisch Amerika herhaaldelijk van haar echtgenoot wegliep en zich naar een geliefden man begaf; en bij de Charrua’s van Zuid-Amerika is, gelijk Azara getuigt, het recht van echtscheiding volkomen vrij. Als bij de Abiponen een man een vrouw kiest, komt hij met de ouders aangaande den prijs overeen. „Het gebeurt echter dikwijls, dat het meisje niets wil weten van al wat tusschen de ouders en den bruidegom is overeengekomen, en halsstarrig over het huwelijk zelfs niet wil hooren spreken.” Zij loopt dikwijls weg, verbergt zich en ontsnapt zoo den bruidegom. Op de Fidsji-eilanden vermeestert de man de vrouw die hij tot echtgenoot begeert, door middel van wezenlijk of voorgewend geweld; maar, „indien zij, na het huis van haar schaker te hebben bereikt, de verbinding niet goedkeurt, zoekt zij een schuilplaats bij den een of ander die haar kan beschermen; indien zij echter tevreden is, dan is de zaak dadelijk klaar.” Kapitein Musters die onder de Patagoniërs leefde, zegt19, dat hun huwelijken altijd uit genegenheid worden gesloten; indien de ouders een echtgenoot kiezen, waarin hun dochter geen zin heeft, weigert zij hem en wordt nooit gedwongen om toe te geven.Op Vuurland verkrijgt een jong man eerst de toestemming der ouders door hun den eenen of anderen dienst te bewijzen, en beproeft daarna het meisje weg te voeren; „als zij echter onwillig is, verbergt zij zich in de bosschen, totdat haar bewonderaar van harte moede is naar haar te zoeken en de vervolging opgeeft; doch dit gebeurt zelden.” Bij de Kalmukken heeft een geregelde wedloop tusschen de bruid en den bruidegom plaats, waarbij de eerste een behoorlijk eind voor heeft; en aan Clarke werd verzekerd,„dat er geen[366]voorbeeld was, dat een meisje werd ingehaald, tenzij zij zwak voor haar vervolger had.” Evenzoo heeft bij de wilde stammen van Insulinde een soortgelijke wedloop plaats; en uit het verhaal van den heer Bouriens blijkt, gelijk Sir J.Lubbock opmerkt, „dat de prijs voor den wedloop niet wordt behaald door den vlugste, noch die van het gevecht door den sterkste, maar door den jongen man die het geluk heeft aan de bruid waarom men wedijvert, te behagen.” Een soortgelijke gewoonte met het zelfde gevolg heerscht bij de Korakken20van Noordoostelijk Azië.Laten wij ons nu tot Afrika wenden; de Kaffers koopen hun vrouwen, en de meisjes worden dikwijls door hun vaders hevig geslagen, als zij den gekozen echtgenoot niet willen aannemen; toch blijkt zeer duidelijk uit vele door den weleerw. heer Shooter medegedeelde feiten, dat zij een aanmerkelijke vrijheid in haar keus hebben. Zoo zijn er voorbeelden bekend van zeer leelijke, hoewel rijke mannen, die er niet in slagen konden om vrouwen te krijgen. De meisjes noodzaken, voor zij in de verloving toestemmen, de mannen om zich te laten bekijken, eerst van voren en dan van achteren, en „hun wijze van loopen te laten zien.” Er zijn voorbeelden van, dat zij een man huwelijksvoorstellen deden, en niet zelden loopen zij met een begunstigden minnaar weg. Evenzoo zegt ook de heer Lesley21die grondig met de Kaffers bekend was: „Men zou zich vergissen, als men meende, dat een meisje door haar vader op de zelfde wijze en met het zelfde gezag werd verkocht, waarmede hij over een koe zou beschikken.”Als bij de ellendige Bosjesmannen van Zuid-Afrika „een meisje tot huwbaren leeftijd is gekomen zonder verloofd te zijn, hetgeen echter niet dikwijls gebeurt, moet haar minnaar evengoed haar toestemming als die van haar ouders verkrijgen.”22De heer Winwood Reade stelde een[367]onderzoek voor mij in omtrent de Negers van Westelijk Afrika, en hij meldt mij, dat „het aan de vrouwen, ten minste bij de verstandigste Heidensche stammen, niet moeilijk valt de echtgenooten te verkrijgen die zij wenschen, hoewel het voor onvrouwelijk wordt gehouden een man te vragen om haar te huwen. Zij zijn volkomen in staat om verliefd te worden en om zich teeder, hartstochtelijk en trouw aan iemand te hechten.” Nog meer voorbeelden zouden kunnen worden gegeven.Wij zien dus, dat bij wilden de vrouwen ten opzichte van het huwelijk niet geheel en al in zulk een rampzaligen toestand verkeeren als men dikwijls heeft verondersteld. Zij kunnen de mannen aan welke zij de voorkeur geven, aanlokken, en kunnen somtijds die welke zij niet mogen lijden, hetzij voor of na het huwelijk verwerpen. Voorkeur van de zijde van de vrouw, bestendig in de zelfde richting werkende, zal ten laatste op de kenmerken van den stam invloed uitoefenen; want de vrouwen zullen over het algemeen niet slechts de schoonste mannen volgens haar maatstaf van smaak kiezen, maar die welke tevens het best in staat zijn om haar te verdedigen en te onderhouden. Dergelijke goed begaafde paren zullen gewoonlijk een aanzienlijker aantal nakomelingen grootbrengen dan de minder goed begaafde. De zelfde uitwerking zal blijkbaar op nog sterker uitgesproken wijze worden voortgebracht, indien er van beide zijden teeltkeus was, dat is, indien de aantrekkelijkste en tegelijkertijd krachtigste mannen aan de aantrekkelijkste vrouwen, en ook deze laatsten aan de eersten de voorkeur gaven. En deze twee vormen van teeltkeus schijnen werkelijk beide, hetzij al dan niet gelijktijdig, bij het menschelijk geslacht plaats te hebben gegrepen, vooral gedurende de vroege tijdvakken van onze lange geschiedenis.Wij zullen nu een weinig uitvoeriger, in verband met de seksueele teeltkeus, eenige van de kenmerken beschouwen, die de verschillende menschenrassen van elkander en van de lagere dieren onderscheiden, namelijk het meer of min volkomen ontbreken van haar op het lichaam en de kleur der huid. Wij behoeven niets te zeggen over de groote verscheidenheid in den vorm der gelaatstrekken en van den schedel bij de verschillende rassen, daar wij in het laatste hoofdstuk hebben gezien, hoe verschillend de maatstaf der schoonheid in deze opzichten is. Op deze kenmerken zal daarom waarschijnlijk de seksueele teeltkeus hebben ingewerkt; maar, zoover ik kan nagaan, hebben wij geen[368]middel om te beoordeelen, of er voornamelijk van de mannelijke dan wel van de vrouwelijke zijde is ingewerkt. De muzikale vermogens van den mensch zijn eveneens besproken.Het Ontbreken van Haar op het Lichaam en de Ontwikkeling daarvan op het Aangezicht en het Hoofd.—Uit de aanwezigheid van het wolachtige haar of lanugo op den menschelijken foetus en van op volwassen leeftijd hier en daar over het lichaam verspreide rudimentaire haren, mogen wij afleiden, dat de mensch van het eene of andere dier afstamt, dat behaard werd geboren en zulks levenslang bleef. Het verlies van het haar is hinderlijk en waarschijnlijk nadeelig voor den mensch zelfs in een warm klimaat; want hij wordt daar blootgesteld aan plotselinge afkoelingen, vooral gedurende vochtig weder. Gelijk de heer Wallace opmerkt, zijn in alle landen de inboorlingen blijde hun naakte ruggen en schouders door de eene of andere dunne bekleeding te kunnen beschermen. Niemand veronderstelt, dat de naaktheid der huid den mensch eenig direct voordeel aanbrengt, zoodat hij zijn haarkleed niet kan hebben verloren doornatuurlijketeeltkeus.23Wij hebben ook volstrekt geen gronden om aan te nemen, gelijk in een vorig hoofdstuk is aangetoond, dat dit verlies het gevolg kan zijn van de directe werking der levensvoorwaarden waaraan de mensch lang is blootgesteld geweest, of dat het het gevolg van correlatieve ontwikkeling is.Het ontbreken van haar op het lichaam is tot op zekere hoogte een[369]secundair seksueel kenmerk; want in alle deelen der wereld zijn de vrouwen minder harig dan de mannen. Wij mogen derhalve op redelijke gronden vermoeden, dat het een kenmerk is, hetwelk door seksueele teeltkeus werd verkregen. Wij weten, dat de aangezichten van onderscheidene soorten van apen, en groote plekken aan het achtereinde van het lichaam bij andere soorten, van haar zijn ontbloot; en wij mogen dit veilig toeschrijven aan seksueele teeltkeus; want deze plekken zijn niet alleen levendig gekleurd, maar somtijds, gelijk bij den mannelijken Mandril en den vrouwelijken Rhesus-aap, veel levendiger bij de eene sekse dan bij de andere.(4)Naarmate deze dieren allengs tot vollen wasdom komen, nemen de naakte plekken, naar de heer Bartlett mij heeft medegedeeld, in omvang toe naar verhouding tot de geheele grootte hunner lichamen. Het haar schijnt echter in deze gevallen niet te zijn verwijderd ter wille van de naaktheid, maar opdat de kleur der huid meer volkomen zou kunnen worden ten toon gesteld. Evenzoo zijn ook bij vele vogels de kop en de hals door seksueele teeltkeus van vederen ontbloot, opdat de levendig gekleurde huid zou kunnen worden ten toon gesteld.Daar de vrouw een minder harig lichaam heeft dan de man, en daar dit kenmerk aan alle rassen gemeen is, mogen wij besluiten, dat waarschijnlijk eerst onze vrouwelijke half-menschelijke voorouders hun haar gedeeltelijk verloren, en dat dit plaats greep in een uiterst verwijderd tijdvak, vóór de onderscheidene menschenrassen zich uit een gemeenschappelijken stam in verschillende richtingen hadden ontwikkeld. Toen onze vrouwelijke voorouders dit nieuwe kenmerk van naaktheid allengs verkregen, moeten zij het in bijna gelijke mate op hun jong kroost van beiderlei sekse hebben overgeplant, zoodat de overplanting daarvan, gelijk met vele versierselen bij zoogdieren en vogels het geval is, niet is beperkt noch door den leeftijd noch door de sekse. Er is niets verwonderlijks in, dat een gedeeltelijk verlies van het haar door de op apen gelijkende voorouders van den mensch als een sieraad is beschouwd; want wij hebben gezien, dat bij dieren van allerlei soort tallooze vreemde kenmerken als zoodanig zijn beschouwd en bijgevolg door seksueele teeltkeus gewijzigd. Het is ook niet te verwonderen, dat daardoor een eenigermate nadeelig kenmerk zou zijn verkregen; want wij weten, dat dit het geval is met de siervederen van sommige vogels en met de horens van sommige herten.De wijfjes van sommige anthropoïde apen zijn, gelijk in een vorig hoofdstuk[370]werd vermeld, een weinig minder harig op de ondervlakte van het lichaam dan de mannetjes, en hier hebben wij een punt dat tot uitgang voor het proces der ontharing kan hebben gediend. Ten opzichte van de voleindiging van dit proces door seksueele teeltkeus is het goed ons het Nieuw-Zeelandsch spreekwoord te herinneren: „Er is geen vrouw voor een harig man.” Allen die photographieën van de Siameesche harige familie hebben gezien, zullen toegeven, dat het tegenovergestelde uiterste van buitengewoon sterke behaardheid, belachelijk en afgrijselijk leelijk is. De koning van Siam moest zelfs een man door het geven van geld er toe brengen om de eerste harige vrouw in de familie te huwen, die dit kenmerk op haar jong kroost van beiderlei sekse overplantte.24Sommige rassen zijn veel hariger dan andere, vooral aan den mannelijken kant; maar men mag niet aannemen, dat de harigste rassen, bij voorbeeld Europeanen, volkomener een oorspronkelijken toestand hebben behouden dan de naakte rassen, zooals de Kalmukken of de Amerikanen. Het is een waarschijnlijker meening, dat de harigheid der eersten het gevolg is van een gedeeltelijk atavisme; want kenmerken die lang zijn overgeërfd, zijn altijd geneigd om terug te keeren. Een merkwaardig geval is door Pinel opgeteekend van een idioot, gezonken tot het peil van een redeloos dier, wiens rug, lendenen en schouders waren bedekt met haar, van2,5tot 5 centimeter lang. Nog eenige dergelijke gevallen zijn bekend. Het schijnt niet, dat een koud klimaat van invloed is geweest op en heeft geleid tot deze soort van atavisme; behalve wellicht bij de negers die gedurende verscheidene generatiën in de Vereenigde Staten zijn opgegroeid25, en wellicht[371]bij de Aino’s die de noordelijke eilanden van den Japanschen archipel bewonen. De wetten der erfelijkheid zijn echter zoo ingewikkeld, dat wij zelden haar werking begrijpen. Indien de grootere harigheid van sommige rassen het gevolg van atavisme was, zonder dat daarop eenige vorm van teeltkeus een belemmerenden invloed uitoefende, dan zou de uitermate groote veranderlijkheid (variabiliteit) van dit kenmerk, zelfs binnen de grenzen van het zelfde ras, ophouden opmerkelijk te zijn.Wat den baard aangaat, zoo vinden wij, als wij ons tot onze beste gidsen, namelijk de Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana), wenden, baarden bij vele soorten bij beide seksen even goed ontwikkeld, maar bij andere, hetzij tot de mannetjes beperkt of bij deze meer ontwikkeld dan bij de wijfjes. Wegens dit feit en wegens de merkwaardige rangschikking en ook levendige kleuren van het haar op de koppen van vele apen, is het hoogst waarschijnlijk, gelijk vroeger is uitgelegd, dat de mannetjes eerst hun baarden als een versiering door seksueele teeltkeus verkregen, en ze in de meeste gevallen in gelijke of bijna gelijke mate op hun nakomelingen van beiderlei seksen overplantten. Wij weten door Eschricht26, dat bij den mensch de vrouwelijke foetus even goed als de mannelijke veel haar op het aangezicht, vooral rondom den mond bezit; en dit toont aan, dat wij afstammen van voorouders bij welke beide seksen gebaard waren. Het schijnt daarom op het eerste gezicht waarschijnlijk, dat de man zijn baard uit een zeer vroeg tijdperk heeft behouden, terwijl de vrouw haar baard verloor op den zelfden tijd, toen haar lichaam bijna volkomen van haren werd ontbloot. Zelfs de kleur van den baard bij den mensch schijnt te zijn overgeërfd van een op een aap gelijkenden voorvader; want, als er eenig verschil in tint is tusschen het hoofdhaar en het baardhaar, dan is dit laatste bij alle apen en bij den mensch lichter gekleurd. Er is minder onwaarschijnlijkheid in gelegen, dat de mannen van de gebaarde rassen hun baarden uit oorspronkelijke tijden hebben behouden, dan in het geval van het haar op het lichaam; want bij de Vierhandigen (Quadrumana) bij welke het mannetje een grooteren baard dan het wijfje heeft, komt deze slechts op volwassen leeftijd tot volkomen ontwikkeling, en de latere ontwikkelingstrappen kunnen wellicht uitsluitend op den mensch zijn overgeplant. Wij kunnen dan begrijpen, waarom onze mannelijke kinderen, gelijk werkelijk het geval is, voordat zij den volwassen leeftijd[372]bereiken, even ontbloot van baarden zijn als onze vrouwelijke kinderen. Daarentegen bewijst de groote veranderlijkheid (variabiliteit) van den baard binnen de grenzen van het zelfde ras en bij verschillende rassen, dat er atavisme in het spel moet zijn gekomen. Hoe dit ook moge zijn, wij moeten de rol die de seksueele teeltkeus zelfs gedurende latere tijden kan hebben gespeeld, niet voorbijzien; want wij weten, dat bij wilden de mannen van de baardelooze rassen zich oneindig veel moeite geven om elk haartje op hun gelaat uit te trekken, als iets onaangenaams, terwijl de mannen van de gebaarde rassen den grootsten hoogmoed over hun baarden gevoelen. De vrouwen deelen ongetwijfeld in deze gevoelens, en indien dit zoo is, kan het moeilijk missen, of de seksueele teeltkeus heeft in den loop van latere tijden eenigen invloed uitgeoefend.27Het is ook mogelijk, dat de lang voortgezette gewoonte om het haar uit te trekken, erfelijke gevolgen heeft gehad. Dr. Brown-Séquard heeft aangetoond, dat, wanneer sommige dieren op een bijzondere wijze worden geopereerd, hun jongen daardoor worden aangedaan. Nog meer bewijzen zouden kunnen worden geleverd van de erfelijkheid van de gevolgen van verminkingen; maar een voor eenige jaren door den heer Salvin28ontdekt feit staat meer rechtstreeks in betrekking tot de onderhavige vraag; want hij heeft aangetoond, dat bij de motmots van welke men weet, dat zij gewoon zijn de vlag van de beide middelstestaartvederenaf te bijten, de vlag van deze vederen van nature eenigszins kleiner is.29Desniettemin zou bij den mensch de gewoonte van den baard en de haren op het lichaam uit te trekken,[373]waarschijnlijk niet zijn ontstaan, wanneer die niet reeds om de eene of andere reden minder waren geworden.Het is vrij moeilijk zich er een oordeel over te vormen, hoe het lange haar op onze hoofden tot ontwikkeling kwam. Eschricht30getuigt, dat bij den menschelijken foetus het haar op het gelaat gedurende de vijfde maand langer is dan op het hoofd; en dit bewijst, dat onze half-menschelijke voorouders niet van lange lokken waren voorzien, die derhalve een laat verworven kenmerk moeten zijn geweest. Dit wordt eveneens aangetoond door het buitengewone verschil in de lengte van het haar bij de verschillende rassen; bij den Neger vormt het haar eenvoudig een gekroesde mat; bij ons is het zeer lang, en bij de inboorlingen van Amerika reikt het niet zelden tot op den grond. Bij sommige soorten van Slankapen (Semnopithecus) is de kop met matig lang haar bedekt, en dit dient waarschijnlijk tot versiering en werd door seksueele teeltkeus verkregen. De zelfde meening mag tot den mensch worden uitgebreid; want wij weten, dat lange lokken heden ten dage zeer worden bewonderd, en zulks ook vroeger werden; de apostel Paulus zegt: „Soo een vrouwe langh hair draeght, dat het haer een eere is”(6); en wij hebben gezien, dat in Noord-Amerika iemand alleen wegens de lengte van zijn haar tot opperhoofd werd gekozen.Kleur der Huid.—De beste soort van bewijs, dat de kleur der huid door seksueele teeltkeus is gewijzigd, ontbreekt in het geval van den mensch; want de seksen verschillen in dit opzicht in het geheel niet, of slechts weinig en twijfelachtig.(7)Van den anderen kant weten wij uit vele reeds medegedeelde feiten, dat de kleur der huid door menschen van alle rassen als een hoogst belangrijk element van hun schoonheid wordt beschouwd, zoodat het een kenmerk is, dat geschikt zou zijn om door teeltkeus te worden gewijzigd, gelijk in tallooze voorbeelden bij de lagere dieren is geschied. Het schijnt op het eerste gezicht een monsterachtige veronderstelling, dat de gitzwartheid van den neger door seksueele teeltkeus is verkregen; doch deze meening wordt door onderscheidene analogieën ondersteund, en wij weten, dat[374]de negers hun eigen zwartheid bewonderen. Als bij Zoogdieren de seksen in kleur verschillen, is het mannetje dikwijls zwart of veel donkerder dan het wijfje; en het hangt eenvoudig van den vorm van erfelijkheid af, of deze of eenige andere tint op beide seksen of alleen op ééne sekse zal worden overgeplant. De gelijkenis van den Joden- of Satans-aap (Pithecia satanas) met zijn gitzwarte huid, witte rollende oogappels en zijn op de kruin van het hoofd gescheiden haar op een neger in miniatuur is bijna belachelijk.De kleur van het gelaat verschilt bij de onderscheidene soorten van apen veel meer dan bij de menschenrassen; en wij hebben goede reden om te gelooven, dat de roode, blauwe, oranje, bijna witte en zwarte kleuren van hun huid, zelfs wanneer zij aan beide seksen gemeen zijn, en de levendige kleuren van hun pels, zoowel als tot de versiering strekkende haarbossen aan den kop, allen door seksueele teeltkeus zijn verkregen. Daar de pasgeboren kinderen van de meest verschillende rassen lang zooveel niet in kleur verschillen als de volwassenen, hebben wij eenige geringe aanwijzing, dat de tinten der verschillende rassen werden verkregen na de verwijdering van het haar, die, gelijk vroeger is medegedeeld, in een zeer vroeg tijdperk moet hebben plaats gehad(8).Overzicht.—Wij mogen besluiten, dat de meerdere grootte, kracht, moed, strijdlustigheid en zelfs energie van den man, in vergelijking met de zelfde hoedanigheden van de vrouw, gedurende oorspronkelijke tijden werden verkregen en later zijn vermeerderd, hoofdzakelijk door de gevechten tusschen de mannen die wedijverden om het bezit der vrouwen. De grootere verstandelijke kracht en uitvindende vermogens van den man zijn waarschijnlijk ontstaan door natuurlijke teeltkeus, verbonden met de overgeërfde gevolgen van de gewoonte; want de verstandigste mannen zullen er het best in zijn geslaagd om zich zelven, hun vrouwen en kinderen te verdedigen en te onderhouden. Zoover de verbazend groote ingewikkeldheid van het onderwerp ons toelaat te oordeelen, schijnt het, dat onze mannelijke op apen gelijkende voorouders hun baarden verkregen als een sieraad om de tegenovergestelde sekse te bekoren en op te wekken, en hen overplantten op den man, gelijk hij nu bestaat. De wijfjes werden, naar het schijnt, het eerst op gelijksoortige wijze als seksueel sieraad van haar ontbloot; maar zij plantten dit kenmerk bijna gelijkelijk op beide seksen over. Het is niet onwaarschijnlijk[375]dat de wijfjes ook in andere opzichten met het zelfde doel en door de zelfde middelen werden gewijzigd, zoodat vrouwen liefelijker stemmen hebben verkregen en schooner zijn geworden dan de mannen.Het verdient bijzondere oplettendheid, dat bij den mensch al de voorwaarden voor seksueele teeltkeus veel gunstiger waren gedurende een zeer vroeg tijdvak, toen de mensch nog slechts even tot de menschelijke waardigheid was opgeklommen, dan gedurende latere tijden. Want hij zal toen, gelijk wij veilig mogen besluiten, meer door zijn instinktmatige hartstochten en minder door zorg voor de toekomst of rede zijn geleid. Hij zal toen niet zoo uiterst losbandig zijn geweest, als vele wilden nu zijn, en elke man zal zijn vrouw of vrouwen ijverzuchtig hebben bewaakt.Hij zal toen geen kindermoord hebben uitgeoefend, noch zijn vrouwen alleen als bruikbare slavinnen gewaardeerd, noch aan haar zijn verloofd, terwijl zij nog kinderen waren. Wij mogen daaruit afleiden dat de menschenrassen, voor zoover de seksueele teeltkeus aangaat, hoofdzakelijk gedurende een zeer verwijderd tijdvak werden gedifferentieerd; en dit besluit werpt licht op het merkwaardige feit, dat in het oudste tijdperk waarvan wij tot dusver eenig bericht hebben verkregen, de menschenrassen er reeds toe waren gekomen om bijna evenveel of volkomen evenveel van elkander te verschillen, als zij op den huidigen dag doen.De meeningen, hier voorgedragen over de rol die de seksueele teeltkeus in de geschiedenis van den mensch heeft gespeeld, hebben gebrek aan wetenschappelijke nauwkeurigheid. Hij die de werking van dit beginsel niet aanneemt in het geval der lagere dieren, zal al wat ik in de laatste hoofdstukken over den mensch heb gezegd, waarschijnlijk gering schatten. Wij kunnen niet stellig zeggen, dat dit kenmerk daardoor is gewijzigd, maar dat niet; echter is aangetoond, dat de menschenrassen van elkander en van hun naaste verwanten onder de lagere dieren verschillen in zekere kenmerken die hun van geen dienst zijn voor de gewone doeleinden van het leven en van welke het uiterst waarschijnlijk is, dat zij door seksueele teeltkeus zijn gewijzigd. Wij hebben gezien, dat bij de laagste wilden de menschen van elken stam hun eigen kenmerkende hoedanigheden,—de gedaante van hun hoofd en gelaat, den vierkanten vorm van hun jukbeenderen, het vooruitsteken of de platheid van hun neus, de kleur van hun huid, de lengte van hun hoofdhaar, het ontbreken van haar op het gelaat en het lichaam, of de aanwezigheid van een grooten baard en zoo voorts,—[376]bewonderen. Het kon daarom moeilijk missen, of deze en andere dergelijke punten moesten langzamerhand en allengs worden overdreven, omdat de machtigste en bekwaamste mannen in elken stam, die er in moesten slagen het grootste aantal kinderen groot te brengen, gedurende vele generaties de in de hoogste mate aldus gekenmerkte en daarom aantrekkelijkste vrouwen voor het huwelijk hebben uitgezocht. Ik voor mij kom tot het besluit, dat van al de oorzaken die hebben geleid tot de verschillen in uiterlijk aanzien tusschen de menschenrassen, en tot op zekere hoogte tusschen den mensch en de lagere dieren, de seksueele teeltkeus verreweg de werkzaamste is geweest.[Inhoud]AANTEEKENINGEN.(1)Evenals de „opeischer” in Drenthe. Men vergelijke het hoogst interessante stukje van M. M. Cohen Jr., „Een Drenthsche bruiloft ten platten lande” in den Nieuwen Drenthschen Volksalmanak voor 1884, blz. 241.(2)Dit kunnen wij Darwin volstrekt niet toegeven; wij zien volstrekt niet in, waarom de mannen, als zij zich met geweld van hun vrouwen meester maakten, niet liever de schoonste vrouwen, of de vrouwen die hun in eenig ander opzicht het aantrekkelijkst toeschenen, zouden hebben geroofd dan de minder schoone en de minder aantrekkelijke. Wij houden het zelfs voor hoogst waarschijnlijk, dat zij een dergelijke voorkeur toonden.(3)„Taboe”. Dit woord drukt een betrekking tot de goden of een uitsluiting van gewone doeleinden, en tevens een bijzondere bestemming vantaboeverklaarde personen, plaatsen of zaken uit. Het hangt met den godsdienst der Polynesiërs samen en was zoowel op de Sandwich-eilanden, als op Otaheite, Noukahiva, Nieuw-Zeeland enz. in gebruik. Zoo waren bij voorbeeld het vleesch van verschillende dieren en bijna alle tot offeren bestemde zakentaboeten gebruike van de goden en de mannen; de vrouwen waren derhalve van het genot er van uitgesloten. Soms werd een eiland of landstreektaboeverklaard, waarna geen vaartuig of persoon zich derwaarts mocht begeven. In deIsraëlietischeparadijslegende vindt men het zelfde begrip. De vrucht van den boom der kennis des goeds en des kwaads was taboe ten gebruike van Jahve en daarom mochten Adam en Eva er niet van eten. Dat een meisjetaboewerd verklaard voor een of ander opperhoofd, beteekent dus, dat zij uitsluitend voor zijn gebruik werd bestemd, en niemand haar kon huwen, zonder heiligschennis te begaan. Op het breken van de taboe stond de dood.(4)Bovenal wordt dit bewezen, doordat die apen die plekken blijkbaar bewonderen, er mede pronken en bij wijze van groet aan den beschouwer toedraaien. Zie Darwin’s supplementaire aanteekening, blz. 306.(5)Vergelijk aant. 2, Deel I, blz.81.(6)1 Cor. XI, 15; hij voegt er echter bij: „omdat het lang hair voor een decksel haer is gegeven”, en zegt ook (ibid., vers 14): „dat soo een man langh hair draeght, het hem oneere is.”(7)Of dit ook bij alle vroegere volken zoo is geweest, schijnt min of[377]twijfelachtig. Op de oude Egyptische monumenten (en, naar men verzekert ook op de bouwvallen van Yucatan en Chiapas) zijn de mannen standvastigbruinofrood, de vrouwengeelgekleurd. Waarschijnlijk moet dit echter op een andere wijze worden verklaard, dan door een werkelijk verschil in kleur tusschen de beide seksen bij de oude Egyptenaren en Amerikanen.(8)Emil Decker, een Duitscher, die langen tijd verblijf hield in Noord-Amerika, meent, dat het roode ras dat zich in de streken van het Alleghany-gebergte heeft gevormd, daar vooraldoor de kleur der omgevingde gele kleur zijner stamouders heeft verloren. Alles is daar rood; roodbruin is er het ijzerhoudend zand en de ijzerhoudende leem; roodbruin de stammen der pijnboomen, ceders en eiken; rood of roodbruin de herten, vossen en konijnen.Voor een volk dat van de jacht moest leven, was het een voordeel de zelfde kleur te bezitten om meer ongemerkt het wild te kunnen naderen en veiliger te zijn voor roofdieren.Volgens deze onderstelling zou de roode kleur der inboorlingen van Amerika dus een aanpassing zijn aan de kleur der omgeving.Omtrent Afrika merkt Decker ter loops op, dat daar eveneens een zekere kleurenharmonie in de verschillende voorwerpen valt waar te nemen. Zoo zijn de gorilla, chimpanzee en groote dikhuidige dieren zwart, evenals de neger. Omtrent de Maleiers en den orang-oetan had hij een soortgelijke opmerking kunnen maken. De gele kleur der Chineezen is in treffende harmonie met den gelen löss-grond, de gele rivieren, gele planten en dieren. Omtrent de woestijnbewonende Arabieren (en hun Semitische stamverwanten) zou hij eveneens zulk een opmerking hebben kunnen maken.Omtrent het Arische ras merkt R. E. de Haan („Alb. d. Natuur”, 1888, blz. 38, waar hij een referaat omtrent Decker’s hypothese geeft) op, dat de blanke kleur geen aanpassing kan zijn aan de witte poolgewesten, die naar de meest recente meeningen de bakermat van dat ras zouden zijn geweest.[378]1„Schopenhauer and Darwinism.”, in „Journal of Anthropology”, Jan. 1871, blz. 323.↑2Deze aanhalingen zijn ontleend aan Lawrence („Lectures on Physiology” enz., 1822, blz. 393) die de schoonheid der hoogere klassen in Engeland hieraan toeschrijft, dat zij gedurende langen tijd de schoonste vrouwen voor het huwelijk hebben uitgekozen.↑3„Anthropologie”, „Revue des Cours Scientifiques”, Oct. 1868, blz. 721.↑4„Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel II, blz. 220.↑5Sir J. Lubbock, „The Origin of Civilisation”, 1870, chap. III, vooral blz. 60–67. De heer M’Lennan spreekt in zijn uiterst belangrijk werk over „Primitive Marriage”, 1865, blz. 163, van de vereeniging der beide seksen „in de vroegste tijden als los, voorbijgaand en in zekere mate algemeen.” De heer M’Lennan en Sir J. Lubbock hebben vele bewijzen bijeenverzameld van de uitermate groote losbandigheid der wilden in den tegenwoordigen tijd. De heer L. H. Morgan besluit in zijn belangwekkende verhandeling over het klassificatorische stelsel van bloedverwantschap („Proc. American Acad. of Sciences”, vol. VII, Febr. 1868, blz. 475), dat gedurende de oorspronkelijke tijden de veelwijverij (polygamie) en alle vormen van huwelijk wezenlijk onbekend waren. Uit Sir J. Lubbock’s werk blijkt ook, dat Bachofen insgelijks gelooft, dat oorspronkelijk de communale vermenging heeft geheerscht.↑6„Address to British Association.” „On the Social and Religious Condition of the Lower Races of Man”, 1870, blz. 20.↑7„Origin of Civilisation”, 1870, blz. 86. In de onderscheidene boven aangehaalde werken zal men overvloedige getuigenissen vinden omtrent de verwantschap uitsluitend door de vrouwelijke linie of alleen met den stam.↑8De heer C. Staniland Wake redeneert sterk („Anthropologia”, Maart 1874, blz. 197) tegen de meeningen van drie schrijvers omtrent het vroeger heerschen van bijna algemeene seksueele vermenging (promiscuïteit); en hij meent, dat het klassificatorische stelsel van bloedverwantschap op andere wijze kan worden verklaard.↑9Brehm („Illustr. Thierleben”, Bd. I, blz. 77) zegt, datCynocephalus hamadryasin groote troepen leeft, die tweemaal zooveel volwassen wijfjes als volwassen mannetjes bevatten. Zie Rengger over Amerikaansche veelwijvige (polygame) soorten, en Owen („Anat. of Vertebrates”, vol. III, blz. 746) over Amerikaansche eenwijvige (monogame) soorten. Nog andere aanhalingen zouden hierbij kunnen worden gevoegd.↑10Dr. Savage, in „Boston Journal of Nat. Hist.”, vol. V, 1845–47, blz. 423.↑11„Prehistoric Times”, 1869, blz. 424.↑12Dr. Gerland („Ueber das Aussterben der Naturvölker”, 1868) heeft vele mededeelingen over kindermoord verzameld, zie voornamelijk blz. 27, 52, 54. Azara („Voyages” enz., tome II, blz. 94, 116) behandelt uitvoerig de beweegredenen. Zie ook M’Lennan (ibid., blz. 139) omtrent gevallen in Indië.↑13„Primitive Marriage”, blz. 208; Sir J. Lubbock, „Origin of Civilisation”, blz. 100. Zie ook den heer Morgan, loc. cit., omtrent het vroeger heerschen van veelmannerij (polyandrie).↑14„Voyages” enz., tome II, blz. 92–95.↑15Burchell zegt („Travels inSouth Africa”, vol. II, 1824, blz. 38), dat onder de wilde volken van Zuid-Afrika, noch mannen noch vrouwen ooit hun leven in den ongehuwden staat doorbrengen. Azara („Voyages dans l’Amérique Mérid.”, tome II, 1806, blz. 21) maakt de zelfde opmerking omtrent de wilde Indianen van Zuid-Amerika.↑16„Anthropological Review”, Jan. 1870, blz. XVI.↑17„HetVarieerender Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., deel II, blz. 224–231.↑18Een vernuftig schrijver beweert, op grond van een vergelijking van de schilderijen van Raphael,Rubensen moderne Fransche kunstenaars, dat het denkbeeld van schoonheid zelfs niet door Europa heên het zelfde is; zie de „Lives ofHaydnand Mozart” door M. Bombet, Eng. vert., blz. 278.↑19„Proc. R. Geogr. Soc.”, vol. XV, blz. 47.↑20McKennan, aangehaald door den heer Wake in „Anthropologia”, Oct. 1873, blz. 75.↑21D. Lesley, „Kafir Characterand Customs”, 1871, blz. 4.↑22Azara, „Voyages” enz, tome II, blz. 23. Dobrizhoffer, „An Account of the Abipones”, vol. II, 1822, blz. 207. Williams over de Fidsji-eilanders, aangehaald door Lubbock, „Origin of Civilisation”, 1870, blz. 79. Omtrent de Vuurlanders, King enFitzroy, „Voyages of theAdventureandBeagle”, vol. II, 1839, blz. 121. Omtrent de Kalmukken, de aanhaling van M’Lennan, „Primitive Marriage”, 1865, blz. 32. Omtrent de Maleiers, Lubbock, ibid., blz. 77. De weleerw. heer J. Shooter, „On the Kafirs of Natal”, 1857, blz. 52–60. Omtrent de Bosjesmannen, Burchell, „Travels inS. Africa”, vol. II, 1824, blz. 50.↑23„Contributions to the Theory of Natural Selection”, 1870, blz. 346. De heer Wallace gelooft (blz. 350), „dat de eene of andere intelligente kracht de ontwikkeling van den mensch heeft geleid of bepaald”; en hij beschouwt den haarloozen toestand der huid als een deze meening steunend feit. De weleerw. heer T. R. Stebbing merkt, commentariën op deze meening makende („Transactions of Devonshire Assoc. for Science”, 1870), op, dat, wanneer de heer Wallace „zijn gewone scherpzinnigheid in het vraagstuk van de onbehaardheid van ’s menschen huid had gebruikt, hij wellicht de mogelijkheid zou hebben ingezien, dat zij wegens haar meerdere schoonheid of wegens de gezondheid die het gevolg van meerdere zindelijkheid is, kon zijn gekozen. In elk geval is het bevreemdend, dat hij zich zelfs een hoogere intelligentie kan voorstellen, bezig met haar uit de ruggen te plukken (voor welke het volgens zijn eigen schildering nuttig en noodig zou zijn geweest), opdat de afstammelingen van die arme geschoren drommels na vele sterfgevallen ten gevolge van koude en vochtigheid in den loop van vele generaties”, zouden zijn gedwongen hooger te stijgen op de ladder der beschaving door de uitoefening van onderscheidene kunsten op de door den heer Wallace aangegeven wijze.↑24„Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel II, blz. 380.↑25„Investigations into Military and Anthropological Statistics of American Soldiers”, door B. Gould, 1869, blz. 568.—Er werden zorgvuldige waarnemingen gedaan omtrent de behaardheid van 2129 zwarte en gekleurde soldaten, terwijl zij zich baadden: en als men de uitgegeven tabel inziet, „is het bij den eersten blik reeds duidelijk, dat er in dit opzicht slechts weinig, indien eenig, verschil tusschen en de blanke en zwarte rassen is.” Het is echter zeker, dat de negers in hun oorspronkelijk en veel warmer vaderland Afrika opmerkelijk gladde lichamen hebben. Men moet er bijzonder acht op geven, dat onder bovengenoemde optelling zoowel zuivere zwarten als mulatten waren begrepen; en dit is een ongelukkige omstandigheid, daar volgens het beginsel waarvan ik elders de waarheid heb bewezen, gekruiste rassen uiterst vatbaar zullen zijn om door atavisme tot den oorspronkelijken harigen toestand van hun vroegen, op een aap gelijkenden voorvader terug te keeren.↑26„Ueber die Richtung der Haare am menschlichen Körper” in Müller’s „Archiv für Anat. und Phys.”, 1837, blz. 40.↑27De heer Sproat („Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz. 25) oppert ten opzichte van baardelooze inboorlingen van Vancouver’s Eiland het vermoeden, dat de gewoonte om de haren op het gelaat uit te trekken, „van generatie tot generatie voortgezet, wellicht ten laatste een ras zou voortbrengen, dat zich door een dunnen en verstrooiden baardgroei zou onderscheiden.” De gewoonte zou echter niet zijn ontstaan, tenzij de baard reeds ten gevolge van een of andere daarvan onafhankelijke oorzaak zeer was afgenomen. Wij hebben ook geen enkel direct bewijs, dat het bestendig uittrekken van het haar tot eenig erfelijk gevolg zou leiden. Ten gevolge van deze oorzaak van twijfel, heb ik tot dusverre nog geen gewag gemaakt van de door vele uitstekende ethnologen, bij voorbeeld den heer Gosse van Genève, verdedigde meening, dat kunstmatige wijzigingen van den schedel een neiging tot erfelijkheid hebben. Ik wensch dit besluit niet te bestrijden; en wij weten tegenwoordig door Dr.Brown-Séquard’smerkwaardige waarnemingen, vooral die welke onlangs (1870) aan deBritish Associationzijn medegedeeld, dat bij Guineesche biggetjes de gevolgen van operaties erfelijk zijn(5).↑28„Ueber die Richtung”, ibid., blz. 40.↑29„On the tail-feathers ofMotmots”, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1873, blz. 429.↑30De heer Sproat („Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz. 25) oppert deze zelfde meening. Eenige voorname ethnologen, onder anderen de heer Gosse van Genève, meenen, dat kunstmatige wijzigingen van den schedelvorm een neiging hebben om erfelijk te worden.↑
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DEN MENSCH.—SLOT.Over de gevolgen van de voortdurende teeltkeus van vrouwen volgens een verschillenden maatstaf van schoonheid in elk ras.—Over de oorzaken die de werking der seksueele teeltkeus tegenwerken bij beschaafde en wilde volken.—Over de voor de seksueele teeltkeus gunstige omstandigheden in voorhistorische tijden.—Over de werkingswijze der seksueele teeltkeus bij den mensch.—Over het feit, dat de vrouwen bij wilde stammen eenigermate in de gelegenheid zijn haar echtgenooten te kiezen.—Afwezigheid van haar op het lichaam, en ontwikkeling van den baard.—Kleur der huid.—Overzicht.
Over de gevolgen van de voortdurende teeltkeus van vrouwen volgens een verschillenden maatstaf van schoonheid in elk ras.—Over de oorzaken die de werking der seksueele teeltkeus tegenwerken bij beschaafde en wilde volken.—Over de voor de seksueele teeltkeus gunstige omstandigheden in voorhistorische tijden.—Over de werkingswijze der seksueele teeltkeus bij den mensch.—Over het feit, dat de vrouwen bij wilde stammen eenigermate in de gelegenheid zijn haar echtgenooten te kiezen.—Afwezigheid van haar op het lichaam, en ontwikkeling van den baard.—Kleur der huid.—Overzicht.
Over de gevolgen van de voortdurende teeltkeus van vrouwen volgens een verschillenden maatstaf van schoonheid in elk ras.—Over de oorzaken die de werking der seksueele teeltkeus tegenwerken bij beschaafde en wilde volken.—Over de voor de seksueele teeltkeus gunstige omstandigheden in voorhistorische tijden.—Over de werkingswijze der seksueele teeltkeus bij den mensch.—Over het feit, dat de vrouwen bij wilde stammen eenigermate in de gelegenheid zijn haar echtgenooten te kiezen.—Afwezigheid van haar op het lichaam, en ontwikkeling van den baard.—Kleur der huid.—Overzicht.
Wij hebben in het vorige hoofdstuk gezien, dat bij alle onbeschaafde rassen versierselen, kleeding en uiterlijk aanzien op hoogen prijs worden gesteld, en dat de mannen de schoonheid hunner vrouwen volgens een zeer verschillenden maatstaf beoordeelen. Wij moeten nu onderzoeken, of deze voorkeur en de daarvan het gevolg zijnde teeltkeus gedurende vele geslachten van die vrouwen welke aan de mannen van elk ras de meest aantrekkelijke schijnen, de kenmerken van de vrouwen, alleen of van beide seksen had veranderd. Bij zoogdieren schijnt de algemeene regel te zijn, dat kenmerken van alle soorten gelijkelijk door de mannetjes en door de wijfjes worden overgeërfd; wij zouden daarom mogen verwachten, dat bij den mensch elk door seksueele teeltkeus door de vrouwen verkregenkenmerkgewoonlijk op de nakomelingschap van beiderlei sekse zou zijn overgeplant. Indien eenige verandering op die wijze is voortgebracht, is het bijna zeker, dat de verschillende rassen op verschillende wijze zullen zijn gewijzigd, daar elk zijn eigen maatstaf van schoonheid heeft.Bij den mensch, vooral bij wilden, storen vele oorzaken de werking der seksueele teeltkeus, voorzoover het lichamelijk maaksel aangaat. Beschaafde menschen worden in hooge mate aangetrokken door de[350]geestelijke bekoorlijkheden der vrouwen, door haar rijkdom, en voornamelijk door haar maatschappelijken rang; want mannen huwen zelden ver beneden hun stand. Die mannen welke het best slagen in het verkrijgen der schoonere vrouwen, zullen geen beter kans hebben om een lange lijn van nakomelingen na te laten dan andere mannen met leelijker vrouwen, met uitzondering van de weinige die hun vermogen volgens de wet der eerstgeboorte vermaken. Wat den tegenovergestelden vorm van teeltkeus, namelijk van de meer aantrekkelijke mannen door de vrouwen aangaat, zoo heeft op de keus der vrouwen, hoewel zij bij beschaafde natiën een vrije of bijna vrije keus hebben, hetgeen bij barbaarsche rassen niet het geval is, de maatschappelijke rang en rijkdom der mannen een grooten invloed; en de voorspoed van deze laatsten in het leven hangt in groote mate af van hun verstandelijke vermogens en geestkracht (energie), of van de vruchten van die zelfde vermogens bij hun voorvaders. Wij behoeven geen vergiffenis te vragen, dat wij dit onderwerp eenigszins uitvoerig behandelen; want, gelijk de Duitsche wijsgeer Schopenhauer opmerkt: „is het einddoel van alle liefde-intriges, hetzij zij komisch of tragisch zijn, in werkelijkheid belangrijker dan alle andere zaken in het menschelijk leven. Want het komt geheel en al neêr op niets minder dan de samenstelling van het volgende geslacht (generatie). Niet het geluk of ongeluk van eenig bijzonder individu, maar dat van het geheele toekomstige menschdom staat hier op het spel.”1Er is echter reden om te gelooven, dat de seksueele teeltkeus bij sommige beschaafde en half beschaafde volken eenigen invloed heeft gehad. Vele personen zijn overtuigd en naar het mij schijnt terecht, dat de leden van onze aristocratie, als men onder dit woord alle rijke families verstaat, bij welke het recht van eerstgeboorte lang heeft geheerscht, omdat zij gedurende vele geslachten de schoonste vrouwen van alle klassen tot hun echtgenooten hebben gekozen, volgens den Europeeschen maatstaf van schoonheid schooner zijn geworden, dan de middelklassen; en toch zijn de middelklassen geplaatst onder levensvoorwaarden die even gunstig zijn voor de volkomen ontwikkeling van het lichaam. Cook merkt op, dat de meerdere voortreffelijkheid in persoonlijke schoonheid, „die bij de areois of edelen op al de andere eilanden (van den Stillen Oceaan) kan worden opgemerkt, op de Sandwich-eilanden[351]algemeen is”; doch dit kan hoofdzakelijk het gevolg zijn van hun betere voeding en levenswijze.De oude reiziger Chardin zegt, de Perzen beschrijvende, dat hun „bloed tegenwoordig zeer is veredeld door veelvuldige kruisingen met de Georgiërs en Circassiërs, twee volken die alle andere in persoonlijke schoonheid overtreffen. Er is nauwelijks een man van rang in Perzië, die niet uit een Georgische of Circassische moeder is geboren.” Hij voegt er bij, dat zij hun schoonheid „niet erven van hun voorvaders; want zonder bovenvermelde vermenging zouden de mannen van rang in Perzië, die afstammelingen van de Tartaren zijn, uiterst leelijk wezen”.2Zie hier een nog merkwaardiger geval: de priesteressen die in den tempel van Venus Erycina te San-Giuliano in Sicilië den dienst verrichtten, werden uit de schoonste vrouwen van geheel Griekenland uitgezocht, zij waren geen Vestaalsche maagden, en Quatrefages3aan wien deze mededeeling is ontleend, zegt, dat de vrouwen van San-Giuliano nog tegenwoordig beroemd zijn als de schoonste van het eiland, en door kunstenaars als modellen worden gezocht. Het is echter klaarblijkelijk, dat de bewijzen in de bovengemelde gevallen twijfelachtig zijn.Het volgende geval verdient, hoewel op wilden betrekking hebbende, wegens zijn merkwaardigheid wel hier te worden medegedeeld. De heer Winwood Reade meldt mij, dat de Jollofs, een negerstam aan de westkust van Afrika, „opmerkelijk zijn wegens hun algemeen fraai uiterlijk”.Een zijner vrienden vraagde eens een dezer menschen:„hoe komt het, dat iedereen dien ik ontmoet, er zoo fraai uitziet, niet slechts uw mannen, maar ook uw vrouwen?” De Jollof antwoordde: „Dat is zeer gemakkelijk te verklaren: het is altijd onze gewoonte geweest diegenen onzer slaven, die een leelijk uiterlijk hadden, uit te zoeken en te verkoopen.” Het behoeft hier nauwelijks te worden bijgevoegd, dat bij alle wilden de slavinnen als bijwijven worden gebruikt. Dat deze neger, hetzij terecht of ten onrechte, het fraaie uiterlijk van zijn stam zou hebben toegeschreven aan de lang voortgezette eliminatie van de leelijke vrouwen, is niet zoo verwonderlijk, als het wellicht op[352]het eerste gezicht schijnt, want ik heb elders4aangetoond, dat negers de belangrijkheid van teeltkeus bij het fokken hunner huisdieren ten volle naar waarde schatten, en zou op gezag van den heer Reade nog meer bewijzen daarvoor kunnen mededeelen.Over de Oorzaken die de Werking der Seksueele Teeltkeus bij Wilden voorkomen of belemmeren.—De hoofdoorzaken zijn, ten eerste, zoogenaamde communale huwelijken of algemeene vermenging (promiscuïteit); ten tweede, kindermoord, vooral van vrouwelijke kinderen; ten derde, vroege verlovingen; en eindelijk de geringschatting die men voor vrouwen, als bloote slavinnen, gevoelt. Deze vier punten moeten eenigszins uitvoerig worden beschouwd.Het is duidelijk, dat, zoolang de paring van den mensch, of van eenig ander dier, aan het toeval wordt overgelaten, zonder dat een der beide seksen een keus uitoefent, er ook geen seksueele teeltkeus kan zijn, en er geen invloed op de nakomelingschap kan worden uitgeoefend, doordat zekere individu’s bij hun vrijage een voordeel over andere hebben. Nu beweert men, dat er nog op den huidigen dag stammen bestaan, die uitoefenen, hetgeen Sir J. Lubbock uit hoffelijkheid communale huwelijken noemt, dat is, dat alle mannen en vrouwen van den stam elkanders echtgenooten zijn. De losbandigheid van vele wilden is ongetwijfeld verbazend groot; maar het schijnt mij toe, dat er meer bewijzen noodig zijn, voordat wij volkomen kunnen aannemen, dat hun bestaande vermenging werkelijk volstrekt algemeen is. Desniettemin gelooven allen die het onderwerp zeer grondig hebben bestudeerd5, en wier oordeel veel meer waard is dan het mijne, dat het communale huwelijk de oorspronkelijke en algemeene vorm over de geheele wereld[353]was, met insluiting van het huwelijk tusschen broeders en zusters. Wijlen Sir A. Smith die groote reizen in Zuid-Afrika had gedaan, en veel wist van de zeden der wilden daar en elders, verzekerde mij ten sterkste, dat er naar zijn meening geen stam bestaat, waarin de vrouw als het eigendom van al de leden daarvan wordt beschouwd. Ik geloof dat dit oordeel in groote mate werd bepaald door den zin dien hij aan het woord huwelijk hechtte. In de hier volgende bespreking zal ik dit woord gebruiken in den zelfden zin als dierkundigen, wanneer zij van éénwijvige (monogame) dieren spreken, waarmede zij bedoelen, dat het mannetje wordt aangenomen door een enkel wijfje, of een enkel wijfje uitkiest en daarmede leeft, hetzij gedurende den paartijd of gedurende het geheele jaar, haar in bezit houdende door het recht van den sterkste; of als zij spreken van een veelwijvige (polygame) soort, bedoelende, dat het mannetje met meer dan één wijfje leeft. Deze soort van huwelijk is het eenige waarmede wij hier hebben te maken, daar zij voldoende is voor de werking der seksueele teeltkeus. Doch ik weet, dat verscheidene der boven aangehaalde schrijvers onder het woord huwelijk een erkend recht, beschermd door den stam, verstaan. De indirecte bewijzen ten gunste dezer meening zijn uiterst sterk en berusten voornamelijk op de namen der graden van bloedverwantschap, die tusschen de leden van den zelfden stam worden gebruikt, en alleen een verwantschap met den stam en niet met een der beide ouders te kennen geven. Het onderwerp is echter te uitgebreid en te ingewikkeld om hier te worden behandeld, en ik zal mij tot eenige weinige opmerkingen bepalen. Het is duidelijk, dat bij communale huwelijken, of daar waar de band des huwelijks zeer los is, de verwantschap tusschen het kind en zijn vader niet bekend kan zijn. Het schijnt echter bijna ongeloofelijk, dat de verwantschap tusschen het kind en zijn moeder ooit volkomen onbekend zou zijn geweest, vooral daar bij de meeste wilde stammen de moeders haar kinderen gedurende langen tijd zoogen. Overeenkomstig hiermede wordt in vele gevallen de afstamming alleen in de moederlijke lijn nagegaan, met uitsluiting van de vaderlijke. In vele andere gevallen echter drukken de gebruikt wordende namen alleen een verwantschap met den stam uit, met uitsluiting zelfs van de moeder. Het schijnt mogelijk, dat de band tusschen de verwante leden van den zelfden barbaarschen stam, aan allerlei soorten van gevaar blootgesteld, zooveel belangrijkerzoukunnen zijn, ten gevolge van de behoefte aan wederzijdsche bescherming en hulp, dan die tusschen[354]een moeder en haar kind, dat dit aanleiding gaf om alleen de woorden te gebruiken, die de eerste soort van verwantschappen uitdrukten; doch de heer Morgan is overtuigd, dat deze wijze om de zaak te beschouwen, in geenen deele voldoende is.De woorden die in verschillende deelen der wereld worden gebruikt om de graden van bloedverwantschap aan te duiden, kunnen volgens den zooeven aangehaalden schrijver, in twee groote klassen worden verdeeld: de klassificatorische en de beschrijvende,—de laatste wordt door ons gebruikt. Het is het klassificatorische stelsel dat zoo nadrukkelijk tot de meening aanleiding geeft, dat communale en andere uiterst losse vormen van huwelijk oorspronkelijk algemeen waren. Zoover ik echter de zaak begrijp, is er geen noodzakelijkheid om op dezen grond in een volstrekt vrije vermenging te gelooven. Mannen en vrouwen zouden, gelijk vele van de lagere dieren, vroeger vaste hoewel tijdelijke vereenigingen voor elke geboorte kunnen hebben gesloten, en in dit geval zou omtrent evenveel verwarring in de woorden voor de graden van bloedverwantschap zijn ontstaan, als in het geval van een geheel vrije vermenging. Voorzoover er de seksueele teeltkeus in is betrokken, is al wat noodig is, dat er een keus werd uitgeoefend, voordat de ouders zich vereenigden, en beteekent het weinig, of de vereenigingen levenslang of voor één jaargetijde duurden.Behalve de bewijzen die uit de woorden worden afgeleid, welke voor de graden van bloedverwantschap worden gebruikt, toonen ook andere aaneenschakelingen van redeneering het vroeger wijd en zijd heerschen van communale huwelijken aan. Sir J. Lubbock verklaart6op vernuftige wijze de vreemde en ver verspreide gewoonte van exogamie,—dat is, dat de mannen van éénen stam altijd vrouwen nemen uit een anderen stam, doordat het communisme de oorspronkelijke vorm van het huwelijk was, zoodat een man nimmer een vrouw voor zich alleen verkreeg, dan wanneer hij haar van een vreemden en vijandigen stam roofde, en dan zou zij natuurlijk zijn uitsluitend en kostbaar eigendom zijn geworden. Zoo zou de gewoonte om vrouwen te rooven ontstaan en wegens de daardoor behaalde eer ten laatste de algemeene gewoonte kunnen zijn geworden. Wij kunnen, volgens Sir J. Lubbock, op die wijze ook de noodzakelijkheid begrijpen „om voor het huwelijk boete te doen,daar het een verkrachting van de rechten van den stam was,[355]omdat, volgens de oude denkbeelden, een man geen recht had om zich zelf iets toe te eigenen, dat aan den geheelen stam behoorde.” Sir J. Lubbock geeft verder een hoogst opmerkelijke verzameling van feiten die aantoonen, dat in oude tijden hooge eer werd bewezen aan vrouwen die uiterst losbandig waren; en dit is, gelijk hij verklaart, begrijpelijk, indien wij aannemen, dat vrije vermenging de oorspronkelijke en daarom lang geëerde gewoonte van den stam was.7Hoewel de wijze waarop de huwelijksband zich heeft ontwikkeld, een duister onderwerp is, gelijk wij mogen afleiden uit de afwijkende meeningen omtrent verschillende punten van drie schrijvers die hem het grondigst hebben bestudeerd, namelijk, den heer Morgan, den heer M’Lennan en Sir J. Lubbock, schijnt het toch wegens de voorgaande en onderscheidene andere reeksen van bewijzen zeker8, dat het gebruik van het huwelijk zich trapsgewijze heeft ontwikkeld, en dat bijna algemeene vermenging eens door de geheele wereld heên uiterst algemeen was. Desniettemin kan ik wegens de analogie van de lagere dieren, meer in het bijzonder van die welke in de reeks het naast bij den mensch staan, niet gelooven, dat deze gewoonte in een uiterst verwijderd tijdperk heerschte, toen de mensch nog nauwelijks zijn tegenwoordigen rang op de ladder van het Dierenrijk had bereikt. De mensch stamt, gelijk ik heb trachten aan te toonen, zonder eenigen twijfel van een of ander op een aap gelijkend schepsel af. Bij de tegenwoordige Vierhandigen (Quadrumana) zijn, voor zoover hun levenswijze bekend is, de mannetjes van sommige soorten eenwijvig (monogaam), maar leven alleen gedurende een deel van het jaar met de wijfjes, gelijk met den Orang het geval schijnt te zijn. Onderscheidene soorten, zooals sommige van de Indische en Amerikaansche apen, zijn streng eenwijvig (monogaam) en leven gedurende het geheele jaar in gezelschap van hun wijfjes. Andere zijn veelwijvig (polygaam), gelijk de Gorilla en onderscheidene Amerikaansche soorten, en elk gezin leeft afzonderlijk. Zelfs wanneer dit plaats grijpt, leven de gezinnen die de zelfde streek bewonen, waarschijnlijk[356]gezellig; de Chimpanzee, bijvoorbeeld, wordt nu en dan in groote troepen aangetroffen. Wederom andere soorten zijn veelwijvig (polygaam); doch verscheidene mannetjes leven, elk met zijn eigen wijfje, in een troep vereenigd, gelijk bij onderscheidene soorten van Bavianen9.Wij mogen inderdaad uit hetgeen wij weten van de ijverzucht van alle mannelijke viervoetige dieren, gewapend, gelijk vele van hen zijn, met bijzondere wapenen om met hun medeminnaars te vechten, het besluit trekken, dat een algemeene vermenging in den natuurstaat uiterst onwaarschijnlijk is. De paren mogen niet levenslang, maar slechts voor elke geboorte bijeenblijven, toch zou dit, indien de mannetjes die het sterkst en het best in staat zijn om de wijfjes en de jongen te verdedigen of op andere wijze te helpen, de aantrekkelijkste wijfjes voor de voortteling konden uitkiezen, voldoende zijn voor de werking der seksueele teeltkeus.Daarom is het, indien wij ver genoeg terugblikken in den stroom des tijds, uiterst onwaarschijnlijk, dat de oorspronkelijke mannen en vrouwen in vrije vermenging met elkander leefden. Te oordeelen naar de sociale gewoonten van den mensch, gelijk hij nu bestaat, en naar het feit, dat de meeste wilden in veelwijverij (polygamie) leven, is de waarschijnlijkste meening, dat de oorspronkelijke man in den beginne in kleine gezelschappen leefde, elk met zooveel vrouwen, als hij kon onderhouden en verkrijgen, die hij ijverzuchtig tegen alle andere mannen zal hebben verdedigd. Hij kan ook met onderscheidene vrouwen op zich zelf hebben geleefd, gelijk de Gorilla; want alle inboorlingen „zijn het hierover eens, dat in elken troep slechts één volwassen mannetje wordt gezien; wanneer het jonge mannetje opgroeit, heeft een strijd om de opperheerschappij plaats, en de sterkste vestigt zich, door de andere te dooden of te verjagen, als het hoofd der gemeenschap.”10De jonge mannetjes die daardoor zijn verdreven en nu ronddwalen, zullen, als zij er eindelijk in slagen een gezellin te vinden, een te nauwe vermenging („interbreeding”) binnen de grenzen van de zelfde familie verhoeden.[357]Hoewel de wilden tegenwoordig uiterst losbandig zijn, en hoewel communale huwelijken vroeger in hooge mate mogen hebben geheerscht, zoo bestaat toch bij vele stammen de eene of andere vorm van huwelijk, maar van een veel losser aard dan bij beschaafde volken. Veelwijverij (polygamie) is, zooals juist werd aangevoerd, bijna algemeen in zwang bij de opperhoofden in elken stam. Desniettemin zijn er stammen welke bijna aan den voet van de ladder staan, die streng eenwijvig (monogaam) zijn. Dit is het geval met de Veddah’s van Ceylon; zij hebben, volgens Sir J. Lubbock11, een spreekwoord, „dat alleen de dood vrouw en man kan scheiden.” Een verstandelijk goed ontwikkeld opperhoofd uit Kandy, natuurlijk een polygamist, „ergerde zich in hooge mate over de uiterste barbaarschheid van slechts met ééne vrouw te leven en haar nooit te verlaten, voor men door den dood van haar wordt gescheiden.” Het was, zeide hij, „juist als bij de Wanderoe apen.” Of wilden die tegenwoordig den eenenofanderen vorm van huwelijk, hetzij veelwijvig (polygaam) of eenwijvig (monogaam), bezitten, die gewoonten van uit oorspronkelijke tijden hebben behouden, dan wel, of zij tot den eenen of anderen vorm van huwelijk zijn teruggekeerd, na een toestand van algemeene vrije vermenging te hebben doorloopen,—daarover waag ik het niet vermoedens uit te spreken.Kindermoord.—Dit gebruik is nu in de geheele wereld zeer veelvuldig, en er is reden om te gelooven, dat het in vroegere tijden een nog grooter verspreiding had.Barbaren vinden het moeilijk zich zelven en hun kinderen te onderhouden, en het is een eenvoudig plan hun kinderen te dooden. In Zuid-Amerika vernielden sommige stammen, gelijk Azara getuigt, zoovele kinderen van beide seksen, dat zij op het punt waren van uit te sterven. Op de Polynesische eilanden heeft men vrouwen gekend, die vier of vijf tot zelfs tien van haar kinderen hadden gedood, en Ellis kon geen enkele vrouw vinden, die er niet ten minste één had gedood. Overal waar kindermoord heerscht, zal de strijd om het bestaan in zoover minder hevig zijn, en zullen al de leden van den stam een bijna even goede kans hebben om hunweinigeovergebleven kinderen groot te brengen. In de meeste andere gevallen wordt een grooter aantal vrouwelijke dan mannelijke kinderen gedood; want het is duidelijk, dat deze laatsten van meer waarde voor den[358]stam zijn, daar zij, wanneer zij volwassen zijn, hem zullen helpen verdedigen, en zich zelf kunnen onderhouden. Doch de moeite die de vrouwen ondervinden bij het grootbrengen van kinderen, het daardoor veroorzaakte verlies van schoonheid, de hoogere waarde die men aan haar hecht, en haar gelukkiger lot, als zij weinig in getal zijn, worden door de vrouwen zelven en door onderscheidene waarnemers opgegeven als bijkomende beweegredenen voor kindermoord. In Australië waar het dooden van vrouwelijke kinderen nog veelvuldig plaats heeft, schatte Sir G. Grey de verhouding van de vrouwelijke inboorlingen tot de mannelijke als één tot drie; maar anderen zeggen, dat zij als twee tot drie is. In een dorp op de oostelijke grens van Indië vond KolonelMacCullochgeen enkel vrouwelijk kind.12Als ten gevolge van het dooden der vrouwelijke kinderen de vrouwen van een stam weinig in getal zijn, zal natuurlijk de gewoonte ontstaan om de vrouwen van naburige stammen te rooven. Sir John Lubbock schrijft echter, gelijk wij hebben gezien, dat gebruik voornamelijk hieraan toe, dat vroeger het communale huwelijk bestond en dat ten gevolge daarvan de mannen vrouwen van andere stammen roofden om haar als hun uitsluitend eigendom te houden. Bijkomende oorzaken zouden kunnen worden aangegeven, b.v. dat degemeenschappenzeer klein waren, in welk geval huwbare vrouwen dikwijls zouden ontbreken. Dat de gewoonte van vrouwenroof in vroegere tijden op groote schaal bestond, zelfs bij de voorouders van beschaafde natiën, wordt duidelijk aangetoond door het bewaard blijven van vele merkwaardige gebruiken en plechtigheden van welke de heer M’Lennan een hoogst belangwekkende beschrijving heeft gegeven. In onze eigen huwelijken schijnt de „beste man” oorspronkelijk de voornaamste helper van den bruidegom bij de handeling van het rooven te zijn geweest.(1)Zoolang nu de mannen zich gewoonlijk hun vrouwen door geweld en list verschaften, is het niet waarschijnlijk, dat zij de aantrekkelijkste vrouwen uitkozen(2); zij zullen blijde zijn geweest, als zij slechts de eene of andere vrouw konden vermeesteren. Zoodra echter aan de gewoonte om zich vrouwen van een anderen stam te verschaffen, door ruilhandel werd voldaan, gelijk nu op vele plaatsen geschiedt, zullen[359]het algemeen de aantrekkelijkste vrouwen zijn gekocht. De onophoudelijke kruising tusschen den eenen stam en den anderen, die een noodzakelijk gevolg van elken vorm van deze gewoonte is, zal echter een neiging hebben doen ontstaan om al de in het zelfde land wonende menschen in hun kenmerken ongeveer gelijkvormig te houden; en dit zal het vermogen der seksueele teeltkeus om de stammen te differentieeren, aanmerkelijk hebben tegengewerkt.De schaarschheid van de vrouwen, ten gevolge van het dooden der vrouwelijke kinderen, leidt ook tot een ander gebruik, namelijk tot veelmannerij (polyandrie) die in verscheidene deelen der wereld nog veelvuldig is, en die vroeger, volgens de meening van den heer M’Lennan, bijna algemeen heerschte: dit laatste besluit wordt echter door den heer Morgan en Sir J. Lubbock betwijfeld.13Zoodra twee of meer mannen zijn gedwongen ééne vrouw te huwen, is het zeker, dat al de vrouwen van den stam zullen huwen, en zal er door de mannen geen keus van de aantrekkelijkste vrouwen worden uitgeoefend. Onder deze omstandigheden zullen echter de vrouwen zonder twijfel het vermogen hebben om een keus te doen, en zullen aan de aantrekkelijkste mannen de voorkeur geven. Azara beschrijft, bij voorbeeld, hoe zorgvuldig een Guana-vrouw allerlei soorten van voorrechten bedingt, voor zij één of meer echtgenooten aanneemt, en ten gevolge daarvan dragen de mannen ongewone zorg voor hun uiterlijk aanzien.14De zeer leelijke mannen zullen er wellicht geen van allen in slagen om een vrouw te krijgen, of er slechts op later leeftijd een krijgen; maar de schoonste mannen zullen, ofschoon zij de voorspoedigste in het verkrijgen van een vrouw zouden zijn, voor zoover wij kunnen zien, niet meer nakomelingen nalaten om hun schoonheid te erven, dan de minder schoone echtgenooten van de zelfde vrouw.Vroege Verlovingen en Slavernij der vrouwen.—Bij vele wilden is het de gewoonte de vrouwen te verloven, als zij nog bloot kinderen zijn; en dit zal op werkzame wijze verhinderen, dat van een van beide zijden eenige voorkeur met betrekking tot het uiterlijk aanzien kan worden gegeven. Het zal echter niet verhinderen, dat de aantrekkelijkste vrouwen later door de mannen die meer macht hebben, aan hun[360]echtgenooten worden ontstolen of met geweld ontnomen; en dit geschiedt dikwijls in Australië, Amerika en andere deelen der wereld. De zelfde gevolgen ten opzichte van seksueele teeltkeus zullen tot op zekere hoogte plaats hebben, wanneer de vrouwen bijna uitsluitend als slavinnen of lastdieren worden gewaardeerd, gelijk bij de meeste wilden het geval is. De mannen zullen echter ten allen tijde de voorkeur geven aan de slavinnen die, volgens hun maatstaf van schoonheid, de schoonste zijn.Wij zien dus dat bij wilden onderscheidene gebruiken heerschen, die de werking der seksueele teeltkeus sterk belemmeren of volkomen kunnen opheffen. Daarentegen zijn de levensvoorwaarden waaraan wilden zijn blootgesteld, en sommige van hun gebruiken gunstig voor de natuurlijke teeltkeus; en deze komt altijd te zamen met de seksueele teeltkeus in het spel. Het is bekend, dat wilden veel hebben te lijden van telkens terugkeerende hongersnooden; zij vermeerderen hun voedsel niet door kunstmatige middelen; zij onthouden zich zelden van het huwelijk15en huwen over het algemeen op jeugdigen leeftijd. Bij gevolg moeten zij nu en dan aan een heftigen strijd om het leven zijn blootgesteld en zullen alleen de begunstigde individu’s blijven leven.Als wij de oorspronkelijke tijden beschouwen, toen de menschen nog slechts twijfelachtig den rang der menschelijkheid hadden bereikt, zullen zij waarschijnlijk, gelijk reeds is gezegd, hetzij in veelwijverij (polygamie) of tijdelijk in eenwijverij (monogamie) hebben geleefd. Hun vermenging zal, te oordeelen naar de analogie, niet volkomen algemeen zijn geweest. Zij zullen ongetwijfeld hun vrouwen, zoo goed als zij maar konden, tegen allerlei soort van vijanden hebben verdedigd en waarschijnlijk voor hun onderhoud en tevens voor dat van hun kroost op de jacht zijn gegaan. De sterkste en bekwaamste mannen zullen het best zijn geslaagd in den strijd om het leven en in het verkrijgen van aantrekkelijke vrouwen. In dit vroege tijdvak zullen de stamouders van den mensch, daar zij slechts zwakke verstandelijke vermogens bezaten,[361]niet vooruit hebben gezien op zaken die mogelijk in de toekomst konden gebeuren. Zij zullen door hun instinkt meer en door hun rede minder dan zelfs de tegenwoordige wilden zijn bestuurd. Zij zullen in dat tijdvak niet een van de sterkste van alle instinkten, dat aan alle lagere dieren gemeen is, namelijk de liefde voor hun jong kroost, gedeeltelijk hebben verloren, en zullen bij gevolg geen kindermoord hebben uitgeoefend. Er zal geen kunstmatige schaarschte van vrouwen zijn geweest en derhalve geen veelmannerij (polyandrie) plaats hebben gehad; er zullen geen vroege verlovingen in zwang zijn geweest; de vrouwen zullen niet alleen als slavinnen zijn gewaardeerd; beide seksen zullen, indien aan de vrouwen even goed als aan de mannen werd veroorloofd eenige keus uit te oefenen, hun gezellen hebben gekozen, niet wegens geestelijke bekoorlijkheden, of rijkdom of plaats in de maatschappij (sociale positie), maar bijna alleen wegens uiterlijke schoonheid. Al de volwassenen zullen zijn gehuwd of hebben gepaard, en al de kinderen zullen, zoover dat mogelijk was, zijn grootgebracht, zoodat de strijd om het leven periodiek uitermate heftig was. Zoo zullen gedurende deze oorspronkelijke tijden al de voorwaarden voor seksueele teeltkeus veel gunstiger zijn geweest dan in eenig later tijdperk, toen de mensch in zijn verstandelijke vermogens vooruit-, maar in zijn instinkten achteruit was gegaan. Daarom zal, welken invloed de seksueele teeltkeus ook moge hebben gehad op het ontstaan van de verschillen tusschen de menschenrassen en tusschen den mensch en de hoogere apen, die invloed veel machtiger zijn geweest in een zeer verwijderd tijdperk, dan op den huidigen dag.Over de Wijze waarop de Seksueele Teeltkeus op den Mensch heeft gewerkt.—Bij den oorspronkelijken mensch onder de gunstige zooeven geschilderde voorwaarden, en bij die wilden van den tegenwoordigen tijd, welke den eenen of anderen huwelijksband sluiten, zal de seksueele teeltkeus (hoewel in meerdere of mindere mate belemmerd, al naar de gewoonten van het dooden der vrouwelijke kinderen, vroege verlovingen enz., meer of minder in zwang waren) waarschijnlijk op de volgende wijze hebben gewerkt. De sterkste en moedigste mannen,—die welke hun gezinnen het best konden verdedigen en door de jacht onderhouden, en gedurende latere tijden de aanvoerders of opperhoofden werden,—die welke van de beste wapenen waren voorzien en de meeste eigendommen, zooals een grooter aantal honden of andere[362]dieren bezaten, zullen er in zijn geslaagd om gemiddeld een grooter aantal nakomelingen groot te brengen, dan de zwakkere, arme en lagere leden van de zelfde groep. Er kan ook geen twijfel bestaan, dat dergelijke mannen over het algemeen in staat zijn geweest om de aantrekkelijkste vrouwen uit te kiezen. Tegenwoordig slagen de opperhoofden van bijna elken stam door de geheele wereld heên er in om meer dan ééne vrouw te verkrijgen. Tot voor korten tijd toe was, naar ik van den heer Mantell hoor, bijna ieder meisje in Nieuw-Zeeland, dat mooi was, of mooi beloofde te worden,taboe(3)voor het eene of andere opperhoofd. Bij de Kaffers hebben, gelijk de heer C. Hamilton getuigt16, „de opperhoofden over het algemeen de keus uit de vrouwen van vele mijlen in den omtrek, en geven zich veel moeite om hun voorrecht te bevestigen en te bestendigen.” Wij hebben gezien, dat elk ras zijn eigen maatstaf van schoonheid heeft, en wij weten, dat het den mensch van nature eigen is elk kenmerkend punt in zijn tamme dieren, kleeding, versierselen en persoonlijk uiterlijk te bewonderen, als het een weinig boven den gewonen standaard is opgevoerd. Indien derhalve de voorgaande stellingen als juist werden aangenomen, en ik kan niet zien, dat zij twijfelachtig zijn, zou het een onverklaarbare omstandigheid zijn, indien het voor het huwelijk uitkiezen van de aantrekkelijkste vrouwen door de krachtigste mannen die gemiddeld een grooter aantal kinderen zouden aankweeken, niet na verloop van vele generatiën tot op zekere hoogte de kenmerken van den stam wijzigde.Als bij onze tamme dieren een vreemd ras in een nieuw land wordt ingevoerd of als aan een inlandsch ras langen tijd wegens zijn nuttigheid of sierlijkheid bijzondere zorg wordt gewijd, bevindt men na vele generatiën, overal waar de middelen tot vergelijking bestaan, dat het een grootere of geringere verandering heeft ondergaan. Dat is een gevolg van onbewuste teeltkeus gedurende een lange reeks van geslachten,—dat is het bewaard blijven van de best gekeurde individu’s—zonder eenigen wensch of verwachting van een dergelijken uitslag van de zijde van den fokker. Indien twee zorgvuldige fokkers gedurende vele jaren dieren van de zelfde familie aanfokken, en hen niet met elkander of met een gemeenschappelijken standaard vergelijken, vindt men na eenigen tijd, dat de dieren tot verwondering van hun eigenaars[363]eenigszins verschillend zijn geworden.17Elke fokker heeft, gelijk von Nathusius het juist uitdrukt, den stempel van zijn eigen geest—zijn eigen smaak en oordeel—op zijn dieren gedrukt. Welke reden kan dan worden opgegeven, waarom soortgelijke uitwerkselen niet zouden volgen op het lang voortgezette voor het huwelijk uitkiezen van de meest bewonderde vrouwen door die mannen van elken stam, die in staat waren om het grootste aantal kinderen tot op volwassen ouderdom groot te brengen? Dit zou een onbewuste teeltkeus zijn; want een uitwerking zou worden voortgebracht, onafhankelijk van elken wensch of verwachting van den kant der mannen die aan zekere vrouwen boven andere de voorkeur gaven.Laten wij veronderstellen, dat de leden van een stam bij welken de een of andere vorm van huwelijk in gebruik was, zich over een onbewoond vastland verspreidden; zij zouden zich spoedig in afzonderlijke horden splitsen, die van elkander zouden worden gescheiden door allerlei slagboomen, en nog werkdadiger door de onophoudelijke oorlogen die tusschen alle barbaarsche volken plaats grijpen. De horden zouden dus aan eenigszins verschillende levensvoorwaarden en levenswijze zijn onderworpen, en er vroeger of later toe komen om in geringe mate van elkander te verschillen. Zoodra dit plaats greep, zou elke afzonderlijke stam voor zich zelf een eenigszins verschillenden maatstaf van schoonheid aannemen18; en dan zou onbewuste teeltkeus in werking treden, doordat de machtigste en aanvoerende wilden aan zekere vrouwen boven andere de voorkeur gaven. Zoo zouden de verschillen tusschen de stammen, in het eerst zeer gering, allengs en onvermijdelijk in hoe langer hoe aanzienlijker mate worden vermeerderd.Bij dieren in den natuurstaat zijn vele aan de mannetjes eigen kenmerken, zooals grootte, kracht, bijzondere wapenen, moed en strijdlust door de wet van den strijd ontstaan. De half-menschelijke voorouders van den mensch zullen, gelijk hun verwanten, de Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana), bijna zeker daardoor zijn gewijzigd; en, evenals wilden nog heden om het bezit hunner vrouwen strijden, is een soortgelijk[364]proces van teeltkeus waarschijnlijk in meerdere of mindere mate tot op den huidigen dag toe werkzaam geweest. Andere kenmerken, aan de mannetjes der lagere dieren eigen, zooals levendige kleuren en onderscheidene versierselen, zijn verkregen, doordat door de wijfjes aan de meer aantrekkelijke mannetjes de voorkeur werd gegeven. Er zijn echter exceptioneele gevallen waarin de mannetjes in plaats van de gekozenen de kiezers zijn geweest. Wij herkennen dergelijke gevallen, doordat de wijfjes in hoogere mate zijn versierd dan de mannetjes,—terwijl haar tot versiering dienende kenmerken uitsluitend of hoofdzakelijk op haar vrouwelijke nakomelingschap zijn overgeplant. Één dergelijk geval is beschreven uit de Orde waartoe de mensch behoort, namelijk dat van den Rhesus-aap.De man is krachtiger naar lichaam en geest dan de vrouw, en in den wilden staat houdt hij haar in een veel ellendiger staat van dienstbaarheid dan het mannetje van eenig ander dier doet; het is daarom niet te verwonderen, dat het de man is, die het vermogen om te kiezen heeft verkregen. Vrouwen zijn zich overal bewust van de waarde van haar schoonheid; en als zij de middelen daartoe hebben, scheppen zij er meer behagen in om zich met allerlei soort van versierselen op te schikken, dan de mannen. Zij ontleenen aan mannelijke vogels de siervederen waarmede de natuur deze sekse tooide, om daarmede hun wijfjes te bekoren. Daar de vrouwen lang wegens haar schoonheid zijn gekozen, is het niet te verwonderen, dat sommige van de opeenvolgende afwijkingen op beperkte wijze zijn overgeplant, en dat bijgevolg de vrouwen haar schoonheid in eenigszins hoogere mate op haar vrouwelijke dan op haar mannelijke nakomelingschap hebben overgeplant. Daardoor zijn de vrouwen schooner geworden, gelijk de meeste menschen zullen toegeven, dan de andere sekse. Vrouwen planten echter ongetwijfeld de meeste harer kenmerken met insluiting der schoonheid, op haar nakomelingschap van beiderlei sekse over; zoodat de voortdurende voorkeur door mannen van elk ras gegeven aan die vrouwen welke volgens hun maatstaf van smaak de schoonste waren, een neiging zal doen ontstaan om alle individu’s van beiderlei sekse, tot het ras behoorende, op de zelfde manier te wijzigen.Wat den anderen vorm van seksueele teeltkeus aangaat (welke bij de lagere dieren verreweg de meest algemeene is), die namelijk, waarbij de wijfjes de kiezers zijn en alleen die mannetjes aannemen, welke haar het meest bekoren of opwekken, hebben wij alle reden om te[365]gelooven, dat hij vroeger op de voorouders van den mensch werkte. De man is naar alle waarschijnlijkheid zijn baard en wellicht eenige andere kenmerken verschuldigd aan overerving van een ouden voorvader die op deze wijze zijn versierselen verkreeg. Deze vorm van teeltkeus kan echter nu en dan ook in latere tijden hebben gewerkt; want bij uiterst barbaarsche stammen hebben de vrouwen meer macht om haar minnaars te kiezen, te verwerpen en aan te lokken, of om later van echtgenoot te veranderen, dan men wellicht zou hebben verwacht. Daar dit een punt van eenig belang is, zal ik de bewijzen daarvoor, die het mij mocht gelukken te verzamelen, uitvoerig mededeelen.Hearne beschrijft, hoe een vrouw in een der stammen van Arctisch Amerika herhaaldelijk van haar echtgenoot wegliep en zich naar een geliefden man begaf; en bij de Charrua’s van Zuid-Amerika is, gelijk Azara getuigt, het recht van echtscheiding volkomen vrij. Als bij de Abiponen een man een vrouw kiest, komt hij met de ouders aangaande den prijs overeen. „Het gebeurt echter dikwijls, dat het meisje niets wil weten van al wat tusschen de ouders en den bruidegom is overeengekomen, en halsstarrig over het huwelijk zelfs niet wil hooren spreken.” Zij loopt dikwijls weg, verbergt zich en ontsnapt zoo den bruidegom. Op de Fidsji-eilanden vermeestert de man de vrouw die hij tot echtgenoot begeert, door middel van wezenlijk of voorgewend geweld; maar, „indien zij, na het huis van haar schaker te hebben bereikt, de verbinding niet goedkeurt, zoekt zij een schuilplaats bij den een of ander die haar kan beschermen; indien zij echter tevreden is, dan is de zaak dadelijk klaar.” Kapitein Musters die onder de Patagoniërs leefde, zegt19, dat hun huwelijken altijd uit genegenheid worden gesloten; indien de ouders een echtgenoot kiezen, waarin hun dochter geen zin heeft, weigert zij hem en wordt nooit gedwongen om toe te geven.Op Vuurland verkrijgt een jong man eerst de toestemming der ouders door hun den eenen of anderen dienst te bewijzen, en beproeft daarna het meisje weg te voeren; „als zij echter onwillig is, verbergt zij zich in de bosschen, totdat haar bewonderaar van harte moede is naar haar te zoeken en de vervolging opgeeft; doch dit gebeurt zelden.” Bij de Kalmukken heeft een geregelde wedloop tusschen de bruid en den bruidegom plaats, waarbij de eerste een behoorlijk eind voor heeft; en aan Clarke werd verzekerd,„dat er geen[366]voorbeeld was, dat een meisje werd ingehaald, tenzij zij zwak voor haar vervolger had.” Evenzoo heeft bij de wilde stammen van Insulinde een soortgelijke wedloop plaats; en uit het verhaal van den heer Bouriens blijkt, gelijk Sir J.Lubbock opmerkt, „dat de prijs voor den wedloop niet wordt behaald door den vlugste, noch die van het gevecht door den sterkste, maar door den jongen man die het geluk heeft aan de bruid waarom men wedijvert, te behagen.” Een soortgelijke gewoonte met het zelfde gevolg heerscht bij de Korakken20van Noordoostelijk Azië.Laten wij ons nu tot Afrika wenden; de Kaffers koopen hun vrouwen, en de meisjes worden dikwijls door hun vaders hevig geslagen, als zij den gekozen echtgenoot niet willen aannemen; toch blijkt zeer duidelijk uit vele door den weleerw. heer Shooter medegedeelde feiten, dat zij een aanmerkelijke vrijheid in haar keus hebben. Zoo zijn er voorbeelden bekend van zeer leelijke, hoewel rijke mannen, die er niet in slagen konden om vrouwen te krijgen. De meisjes noodzaken, voor zij in de verloving toestemmen, de mannen om zich te laten bekijken, eerst van voren en dan van achteren, en „hun wijze van loopen te laten zien.” Er zijn voorbeelden van, dat zij een man huwelijksvoorstellen deden, en niet zelden loopen zij met een begunstigden minnaar weg. Evenzoo zegt ook de heer Lesley21die grondig met de Kaffers bekend was: „Men zou zich vergissen, als men meende, dat een meisje door haar vader op de zelfde wijze en met het zelfde gezag werd verkocht, waarmede hij over een koe zou beschikken.”Als bij de ellendige Bosjesmannen van Zuid-Afrika „een meisje tot huwbaren leeftijd is gekomen zonder verloofd te zijn, hetgeen echter niet dikwijls gebeurt, moet haar minnaar evengoed haar toestemming als die van haar ouders verkrijgen.”22De heer Winwood Reade stelde een[367]onderzoek voor mij in omtrent de Negers van Westelijk Afrika, en hij meldt mij, dat „het aan de vrouwen, ten minste bij de verstandigste Heidensche stammen, niet moeilijk valt de echtgenooten te verkrijgen die zij wenschen, hoewel het voor onvrouwelijk wordt gehouden een man te vragen om haar te huwen. Zij zijn volkomen in staat om verliefd te worden en om zich teeder, hartstochtelijk en trouw aan iemand te hechten.” Nog meer voorbeelden zouden kunnen worden gegeven.Wij zien dus, dat bij wilden de vrouwen ten opzichte van het huwelijk niet geheel en al in zulk een rampzaligen toestand verkeeren als men dikwijls heeft verondersteld. Zij kunnen de mannen aan welke zij de voorkeur geven, aanlokken, en kunnen somtijds die welke zij niet mogen lijden, hetzij voor of na het huwelijk verwerpen. Voorkeur van de zijde van de vrouw, bestendig in de zelfde richting werkende, zal ten laatste op de kenmerken van den stam invloed uitoefenen; want de vrouwen zullen over het algemeen niet slechts de schoonste mannen volgens haar maatstaf van smaak kiezen, maar die welke tevens het best in staat zijn om haar te verdedigen en te onderhouden. Dergelijke goed begaafde paren zullen gewoonlijk een aanzienlijker aantal nakomelingen grootbrengen dan de minder goed begaafde. De zelfde uitwerking zal blijkbaar op nog sterker uitgesproken wijze worden voortgebracht, indien er van beide zijden teeltkeus was, dat is, indien de aantrekkelijkste en tegelijkertijd krachtigste mannen aan de aantrekkelijkste vrouwen, en ook deze laatsten aan de eersten de voorkeur gaven. En deze twee vormen van teeltkeus schijnen werkelijk beide, hetzij al dan niet gelijktijdig, bij het menschelijk geslacht plaats te hebben gegrepen, vooral gedurende de vroege tijdvakken van onze lange geschiedenis.Wij zullen nu een weinig uitvoeriger, in verband met de seksueele teeltkeus, eenige van de kenmerken beschouwen, die de verschillende menschenrassen van elkander en van de lagere dieren onderscheiden, namelijk het meer of min volkomen ontbreken van haar op het lichaam en de kleur der huid. Wij behoeven niets te zeggen over de groote verscheidenheid in den vorm der gelaatstrekken en van den schedel bij de verschillende rassen, daar wij in het laatste hoofdstuk hebben gezien, hoe verschillend de maatstaf der schoonheid in deze opzichten is. Op deze kenmerken zal daarom waarschijnlijk de seksueele teeltkeus hebben ingewerkt; maar, zoover ik kan nagaan, hebben wij geen[368]middel om te beoordeelen, of er voornamelijk van de mannelijke dan wel van de vrouwelijke zijde is ingewerkt. De muzikale vermogens van den mensch zijn eveneens besproken.Het Ontbreken van Haar op het Lichaam en de Ontwikkeling daarvan op het Aangezicht en het Hoofd.—Uit de aanwezigheid van het wolachtige haar of lanugo op den menschelijken foetus en van op volwassen leeftijd hier en daar over het lichaam verspreide rudimentaire haren, mogen wij afleiden, dat de mensch van het eene of andere dier afstamt, dat behaard werd geboren en zulks levenslang bleef. Het verlies van het haar is hinderlijk en waarschijnlijk nadeelig voor den mensch zelfs in een warm klimaat; want hij wordt daar blootgesteld aan plotselinge afkoelingen, vooral gedurende vochtig weder. Gelijk de heer Wallace opmerkt, zijn in alle landen de inboorlingen blijde hun naakte ruggen en schouders door de eene of andere dunne bekleeding te kunnen beschermen. Niemand veronderstelt, dat de naaktheid der huid den mensch eenig direct voordeel aanbrengt, zoodat hij zijn haarkleed niet kan hebben verloren doornatuurlijketeeltkeus.23Wij hebben ook volstrekt geen gronden om aan te nemen, gelijk in een vorig hoofdstuk is aangetoond, dat dit verlies het gevolg kan zijn van de directe werking der levensvoorwaarden waaraan de mensch lang is blootgesteld geweest, of dat het het gevolg van correlatieve ontwikkeling is.Het ontbreken van haar op het lichaam is tot op zekere hoogte een[369]secundair seksueel kenmerk; want in alle deelen der wereld zijn de vrouwen minder harig dan de mannen. Wij mogen derhalve op redelijke gronden vermoeden, dat het een kenmerk is, hetwelk door seksueele teeltkeus werd verkregen. Wij weten, dat de aangezichten van onderscheidene soorten van apen, en groote plekken aan het achtereinde van het lichaam bij andere soorten, van haar zijn ontbloot; en wij mogen dit veilig toeschrijven aan seksueele teeltkeus; want deze plekken zijn niet alleen levendig gekleurd, maar somtijds, gelijk bij den mannelijken Mandril en den vrouwelijken Rhesus-aap, veel levendiger bij de eene sekse dan bij de andere.(4)Naarmate deze dieren allengs tot vollen wasdom komen, nemen de naakte plekken, naar de heer Bartlett mij heeft medegedeeld, in omvang toe naar verhouding tot de geheele grootte hunner lichamen. Het haar schijnt echter in deze gevallen niet te zijn verwijderd ter wille van de naaktheid, maar opdat de kleur der huid meer volkomen zou kunnen worden ten toon gesteld. Evenzoo zijn ook bij vele vogels de kop en de hals door seksueele teeltkeus van vederen ontbloot, opdat de levendig gekleurde huid zou kunnen worden ten toon gesteld.Daar de vrouw een minder harig lichaam heeft dan de man, en daar dit kenmerk aan alle rassen gemeen is, mogen wij besluiten, dat waarschijnlijk eerst onze vrouwelijke half-menschelijke voorouders hun haar gedeeltelijk verloren, en dat dit plaats greep in een uiterst verwijderd tijdvak, vóór de onderscheidene menschenrassen zich uit een gemeenschappelijken stam in verschillende richtingen hadden ontwikkeld. Toen onze vrouwelijke voorouders dit nieuwe kenmerk van naaktheid allengs verkregen, moeten zij het in bijna gelijke mate op hun jong kroost van beiderlei sekse hebben overgeplant, zoodat de overplanting daarvan, gelijk met vele versierselen bij zoogdieren en vogels het geval is, niet is beperkt noch door den leeftijd noch door de sekse. Er is niets verwonderlijks in, dat een gedeeltelijk verlies van het haar door de op apen gelijkende voorouders van den mensch als een sieraad is beschouwd; want wij hebben gezien, dat bij dieren van allerlei soort tallooze vreemde kenmerken als zoodanig zijn beschouwd en bijgevolg door seksueele teeltkeus gewijzigd. Het is ook niet te verwonderen, dat daardoor een eenigermate nadeelig kenmerk zou zijn verkregen; want wij weten, dat dit het geval is met de siervederen van sommige vogels en met de horens van sommige herten.De wijfjes van sommige anthropoïde apen zijn, gelijk in een vorig hoofdstuk[370]werd vermeld, een weinig minder harig op de ondervlakte van het lichaam dan de mannetjes, en hier hebben wij een punt dat tot uitgang voor het proces der ontharing kan hebben gediend. Ten opzichte van de voleindiging van dit proces door seksueele teeltkeus is het goed ons het Nieuw-Zeelandsch spreekwoord te herinneren: „Er is geen vrouw voor een harig man.” Allen die photographieën van de Siameesche harige familie hebben gezien, zullen toegeven, dat het tegenovergestelde uiterste van buitengewoon sterke behaardheid, belachelijk en afgrijselijk leelijk is. De koning van Siam moest zelfs een man door het geven van geld er toe brengen om de eerste harige vrouw in de familie te huwen, die dit kenmerk op haar jong kroost van beiderlei sekse overplantte.24Sommige rassen zijn veel hariger dan andere, vooral aan den mannelijken kant; maar men mag niet aannemen, dat de harigste rassen, bij voorbeeld Europeanen, volkomener een oorspronkelijken toestand hebben behouden dan de naakte rassen, zooals de Kalmukken of de Amerikanen. Het is een waarschijnlijker meening, dat de harigheid der eersten het gevolg is van een gedeeltelijk atavisme; want kenmerken die lang zijn overgeërfd, zijn altijd geneigd om terug te keeren. Een merkwaardig geval is door Pinel opgeteekend van een idioot, gezonken tot het peil van een redeloos dier, wiens rug, lendenen en schouders waren bedekt met haar, van2,5tot 5 centimeter lang. Nog eenige dergelijke gevallen zijn bekend. Het schijnt niet, dat een koud klimaat van invloed is geweest op en heeft geleid tot deze soort van atavisme; behalve wellicht bij de negers die gedurende verscheidene generatiën in de Vereenigde Staten zijn opgegroeid25, en wellicht[371]bij de Aino’s die de noordelijke eilanden van den Japanschen archipel bewonen. De wetten der erfelijkheid zijn echter zoo ingewikkeld, dat wij zelden haar werking begrijpen. Indien de grootere harigheid van sommige rassen het gevolg van atavisme was, zonder dat daarop eenige vorm van teeltkeus een belemmerenden invloed uitoefende, dan zou de uitermate groote veranderlijkheid (variabiliteit) van dit kenmerk, zelfs binnen de grenzen van het zelfde ras, ophouden opmerkelijk te zijn.Wat den baard aangaat, zoo vinden wij, als wij ons tot onze beste gidsen, namelijk de Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana), wenden, baarden bij vele soorten bij beide seksen even goed ontwikkeld, maar bij andere, hetzij tot de mannetjes beperkt of bij deze meer ontwikkeld dan bij de wijfjes. Wegens dit feit en wegens de merkwaardige rangschikking en ook levendige kleuren van het haar op de koppen van vele apen, is het hoogst waarschijnlijk, gelijk vroeger is uitgelegd, dat de mannetjes eerst hun baarden als een versiering door seksueele teeltkeus verkregen, en ze in de meeste gevallen in gelijke of bijna gelijke mate op hun nakomelingen van beiderlei seksen overplantten. Wij weten door Eschricht26, dat bij den mensch de vrouwelijke foetus even goed als de mannelijke veel haar op het aangezicht, vooral rondom den mond bezit; en dit toont aan, dat wij afstammen van voorouders bij welke beide seksen gebaard waren. Het schijnt daarom op het eerste gezicht waarschijnlijk, dat de man zijn baard uit een zeer vroeg tijdperk heeft behouden, terwijl de vrouw haar baard verloor op den zelfden tijd, toen haar lichaam bijna volkomen van haren werd ontbloot. Zelfs de kleur van den baard bij den mensch schijnt te zijn overgeërfd van een op een aap gelijkenden voorvader; want, als er eenig verschil in tint is tusschen het hoofdhaar en het baardhaar, dan is dit laatste bij alle apen en bij den mensch lichter gekleurd. Er is minder onwaarschijnlijkheid in gelegen, dat de mannen van de gebaarde rassen hun baarden uit oorspronkelijke tijden hebben behouden, dan in het geval van het haar op het lichaam; want bij de Vierhandigen (Quadrumana) bij welke het mannetje een grooteren baard dan het wijfje heeft, komt deze slechts op volwassen leeftijd tot volkomen ontwikkeling, en de latere ontwikkelingstrappen kunnen wellicht uitsluitend op den mensch zijn overgeplant. Wij kunnen dan begrijpen, waarom onze mannelijke kinderen, gelijk werkelijk het geval is, voordat zij den volwassen leeftijd[372]bereiken, even ontbloot van baarden zijn als onze vrouwelijke kinderen. Daarentegen bewijst de groote veranderlijkheid (variabiliteit) van den baard binnen de grenzen van het zelfde ras en bij verschillende rassen, dat er atavisme in het spel moet zijn gekomen. Hoe dit ook moge zijn, wij moeten de rol die de seksueele teeltkeus zelfs gedurende latere tijden kan hebben gespeeld, niet voorbijzien; want wij weten, dat bij wilden de mannen van de baardelooze rassen zich oneindig veel moeite geven om elk haartje op hun gelaat uit te trekken, als iets onaangenaams, terwijl de mannen van de gebaarde rassen den grootsten hoogmoed over hun baarden gevoelen. De vrouwen deelen ongetwijfeld in deze gevoelens, en indien dit zoo is, kan het moeilijk missen, of de seksueele teeltkeus heeft in den loop van latere tijden eenigen invloed uitgeoefend.27Het is ook mogelijk, dat de lang voortgezette gewoonte om het haar uit te trekken, erfelijke gevolgen heeft gehad. Dr. Brown-Séquard heeft aangetoond, dat, wanneer sommige dieren op een bijzondere wijze worden geopereerd, hun jongen daardoor worden aangedaan. Nog meer bewijzen zouden kunnen worden geleverd van de erfelijkheid van de gevolgen van verminkingen; maar een voor eenige jaren door den heer Salvin28ontdekt feit staat meer rechtstreeks in betrekking tot de onderhavige vraag; want hij heeft aangetoond, dat bij de motmots van welke men weet, dat zij gewoon zijn de vlag van de beide middelstestaartvederenaf te bijten, de vlag van deze vederen van nature eenigszins kleiner is.29Desniettemin zou bij den mensch de gewoonte van den baard en de haren op het lichaam uit te trekken,[373]waarschijnlijk niet zijn ontstaan, wanneer die niet reeds om de eene of andere reden minder waren geworden.Het is vrij moeilijk zich er een oordeel over te vormen, hoe het lange haar op onze hoofden tot ontwikkeling kwam. Eschricht30getuigt, dat bij den menschelijken foetus het haar op het gelaat gedurende de vijfde maand langer is dan op het hoofd; en dit bewijst, dat onze half-menschelijke voorouders niet van lange lokken waren voorzien, die derhalve een laat verworven kenmerk moeten zijn geweest. Dit wordt eveneens aangetoond door het buitengewone verschil in de lengte van het haar bij de verschillende rassen; bij den Neger vormt het haar eenvoudig een gekroesde mat; bij ons is het zeer lang, en bij de inboorlingen van Amerika reikt het niet zelden tot op den grond. Bij sommige soorten van Slankapen (Semnopithecus) is de kop met matig lang haar bedekt, en dit dient waarschijnlijk tot versiering en werd door seksueele teeltkeus verkregen. De zelfde meening mag tot den mensch worden uitgebreid; want wij weten, dat lange lokken heden ten dage zeer worden bewonderd, en zulks ook vroeger werden; de apostel Paulus zegt: „Soo een vrouwe langh hair draeght, dat het haer een eere is”(6); en wij hebben gezien, dat in Noord-Amerika iemand alleen wegens de lengte van zijn haar tot opperhoofd werd gekozen.Kleur der Huid.—De beste soort van bewijs, dat de kleur der huid door seksueele teeltkeus is gewijzigd, ontbreekt in het geval van den mensch; want de seksen verschillen in dit opzicht in het geheel niet, of slechts weinig en twijfelachtig.(7)Van den anderen kant weten wij uit vele reeds medegedeelde feiten, dat de kleur der huid door menschen van alle rassen als een hoogst belangrijk element van hun schoonheid wordt beschouwd, zoodat het een kenmerk is, dat geschikt zou zijn om door teeltkeus te worden gewijzigd, gelijk in tallooze voorbeelden bij de lagere dieren is geschied. Het schijnt op het eerste gezicht een monsterachtige veronderstelling, dat de gitzwartheid van den neger door seksueele teeltkeus is verkregen; doch deze meening wordt door onderscheidene analogieën ondersteund, en wij weten, dat[374]de negers hun eigen zwartheid bewonderen. Als bij Zoogdieren de seksen in kleur verschillen, is het mannetje dikwijls zwart of veel donkerder dan het wijfje; en het hangt eenvoudig van den vorm van erfelijkheid af, of deze of eenige andere tint op beide seksen of alleen op ééne sekse zal worden overgeplant. De gelijkenis van den Joden- of Satans-aap (Pithecia satanas) met zijn gitzwarte huid, witte rollende oogappels en zijn op de kruin van het hoofd gescheiden haar op een neger in miniatuur is bijna belachelijk.De kleur van het gelaat verschilt bij de onderscheidene soorten van apen veel meer dan bij de menschenrassen; en wij hebben goede reden om te gelooven, dat de roode, blauwe, oranje, bijna witte en zwarte kleuren van hun huid, zelfs wanneer zij aan beide seksen gemeen zijn, en de levendige kleuren van hun pels, zoowel als tot de versiering strekkende haarbossen aan den kop, allen door seksueele teeltkeus zijn verkregen. Daar de pasgeboren kinderen van de meest verschillende rassen lang zooveel niet in kleur verschillen als de volwassenen, hebben wij eenige geringe aanwijzing, dat de tinten der verschillende rassen werden verkregen na de verwijdering van het haar, die, gelijk vroeger is medegedeeld, in een zeer vroeg tijdperk moet hebben plaats gehad(8).Overzicht.—Wij mogen besluiten, dat de meerdere grootte, kracht, moed, strijdlustigheid en zelfs energie van den man, in vergelijking met de zelfde hoedanigheden van de vrouw, gedurende oorspronkelijke tijden werden verkregen en later zijn vermeerderd, hoofdzakelijk door de gevechten tusschen de mannen die wedijverden om het bezit der vrouwen. De grootere verstandelijke kracht en uitvindende vermogens van den man zijn waarschijnlijk ontstaan door natuurlijke teeltkeus, verbonden met de overgeërfde gevolgen van de gewoonte; want de verstandigste mannen zullen er het best in zijn geslaagd om zich zelven, hun vrouwen en kinderen te verdedigen en te onderhouden. Zoover de verbazend groote ingewikkeldheid van het onderwerp ons toelaat te oordeelen, schijnt het, dat onze mannelijke op apen gelijkende voorouders hun baarden verkregen als een sieraad om de tegenovergestelde sekse te bekoren en op te wekken, en hen overplantten op den man, gelijk hij nu bestaat. De wijfjes werden, naar het schijnt, het eerst op gelijksoortige wijze als seksueel sieraad van haar ontbloot; maar zij plantten dit kenmerk bijna gelijkelijk op beide seksen over. Het is niet onwaarschijnlijk[375]dat de wijfjes ook in andere opzichten met het zelfde doel en door de zelfde middelen werden gewijzigd, zoodat vrouwen liefelijker stemmen hebben verkregen en schooner zijn geworden dan de mannen.Het verdient bijzondere oplettendheid, dat bij den mensch al de voorwaarden voor seksueele teeltkeus veel gunstiger waren gedurende een zeer vroeg tijdvak, toen de mensch nog slechts even tot de menschelijke waardigheid was opgeklommen, dan gedurende latere tijden. Want hij zal toen, gelijk wij veilig mogen besluiten, meer door zijn instinktmatige hartstochten en minder door zorg voor de toekomst of rede zijn geleid. Hij zal toen niet zoo uiterst losbandig zijn geweest, als vele wilden nu zijn, en elke man zal zijn vrouw of vrouwen ijverzuchtig hebben bewaakt.Hij zal toen geen kindermoord hebben uitgeoefend, noch zijn vrouwen alleen als bruikbare slavinnen gewaardeerd, noch aan haar zijn verloofd, terwijl zij nog kinderen waren. Wij mogen daaruit afleiden dat de menschenrassen, voor zoover de seksueele teeltkeus aangaat, hoofdzakelijk gedurende een zeer verwijderd tijdvak werden gedifferentieerd; en dit besluit werpt licht op het merkwaardige feit, dat in het oudste tijdperk waarvan wij tot dusver eenig bericht hebben verkregen, de menschenrassen er reeds toe waren gekomen om bijna evenveel of volkomen evenveel van elkander te verschillen, als zij op den huidigen dag doen.De meeningen, hier voorgedragen over de rol die de seksueele teeltkeus in de geschiedenis van den mensch heeft gespeeld, hebben gebrek aan wetenschappelijke nauwkeurigheid. Hij die de werking van dit beginsel niet aanneemt in het geval der lagere dieren, zal al wat ik in de laatste hoofdstukken over den mensch heb gezegd, waarschijnlijk gering schatten. Wij kunnen niet stellig zeggen, dat dit kenmerk daardoor is gewijzigd, maar dat niet; echter is aangetoond, dat de menschenrassen van elkander en van hun naaste verwanten onder de lagere dieren verschillen in zekere kenmerken die hun van geen dienst zijn voor de gewone doeleinden van het leven en van welke het uiterst waarschijnlijk is, dat zij door seksueele teeltkeus zijn gewijzigd. Wij hebben gezien, dat bij de laagste wilden de menschen van elken stam hun eigen kenmerkende hoedanigheden,—de gedaante van hun hoofd en gelaat, den vierkanten vorm van hun jukbeenderen, het vooruitsteken of de platheid van hun neus, de kleur van hun huid, de lengte van hun hoofdhaar, het ontbreken van haar op het gelaat en het lichaam, of de aanwezigheid van een grooten baard en zoo voorts,—[376]bewonderen. Het kon daarom moeilijk missen, of deze en andere dergelijke punten moesten langzamerhand en allengs worden overdreven, omdat de machtigste en bekwaamste mannen in elken stam, die er in moesten slagen het grootste aantal kinderen groot te brengen, gedurende vele generaties de in de hoogste mate aldus gekenmerkte en daarom aantrekkelijkste vrouwen voor het huwelijk hebben uitgezocht. Ik voor mij kom tot het besluit, dat van al de oorzaken die hebben geleid tot de verschillen in uiterlijk aanzien tusschen de menschenrassen, en tot op zekere hoogte tusschen den mensch en de lagere dieren, de seksueele teeltkeus verreweg de werkzaamste is geweest.[Inhoud]AANTEEKENINGEN.(1)Evenals de „opeischer” in Drenthe. Men vergelijke het hoogst interessante stukje van M. M. Cohen Jr., „Een Drenthsche bruiloft ten platten lande” in den Nieuwen Drenthschen Volksalmanak voor 1884, blz. 241.(2)Dit kunnen wij Darwin volstrekt niet toegeven; wij zien volstrekt niet in, waarom de mannen, als zij zich met geweld van hun vrouwen meester maakten, niet liever de schoonste vrouwen, of de vrouwen die hun in eenig ander opzicht het aantrekkelijkst toeschenen, zouden hebben geroofd dan de minder schoone en de minder aantrekkelijke. Wij houden het zelfs voor hoogst waarschijnlijk, dat zij een dergelijke voorkeur toonden.(3)„Taboe”. Dit woord drukt een betrekking tot de goden of een uitsluiting van gewone doeleinden, en tevens een bijzondere bestemming vantaboeverklaarde personen, plaatsen of zaken uit. Het hangt met den godsdienst der Polynesiërs samen en was zoowel op de Sandwich-eilanden, als op Otaheite, Noukahiva, Nieuw-Zeeland enz. in gebruik. Zoo waren bij voorbeeld het vleesch van verschillende dieren en bijna alle tot offeren bestemde zakentaboeten gebruike van de goden en de mannen; de vrouwen waren derhalve van het genot er van uitgesloten. Soms werd een eiland of landstreektaboeverklaard, waarna geen vaartuig of persoon zich derwaarts mocht begeven. In deIsraëlietischeparadijslegende vindt men het zelfde begrip. De vrucht van den boom der kennis des goeds en des kwaads was taboe ten gebruike van Jahve en daarom mochten Adam en Eva er niet van eten. Dat een meisjetaboewerd verklaard voor een of ander opperhoofd, beteekent dus, dat zij uitsluitend voor zijn gebruik werd bestemd, en niemand haar kon huwen, zonder heiligschennis te begaan. Op het breken van de taboe stond de dood.(4)Bovenal wordt dit bewezen, doordat die apen die plekken blijkbaar bewonderen, er mede pronken en bij wijze van groet aan den beschouwer toedraaien. Zie Darwin’s supplementaire aanteekening, blz. 306.(5)Vergelijk aant. 2, Deel I, blz.81.(6)1 Cor. XI, 15; hij voegt er echter bij: „omdat het lang hair voor een decksel haer is gegeven”, en zegt ook (ibid., vers 14): „dat soo een man langh hair draeght, het hem oneere is.”(7)Of dit ook bij alle vroegere volken zoo is geweest, schijnt min of[377]twijfelachtig. Op de oude Egyptische monumenten (en, naar men verzekert ook op de bouwvallen van Yucatan en Chiapas) zijn de mannen standvastigbruinofrood, de vrouwengeelgekleurd. Waarschijnlijk moet dit echter op een andere wijze worden verklaard, dan door een werkelijk verschil in kleur tusschen de beide seksen bij de oude Egyptenaren en Amerikanen.(8)Emil Decker, een Duitscher, die langen tijd verblijf hield in Noord-Amerika, meent, dat het roode ras dat zich in de streken van het Alleghany-gebergte heeft gevormd, daar vooraldoor de kleur der omgevingde gele kleur zijner stamouders heeft verloren. Alles is daar rood; roodbruin is er het ijzerhoudend zand en de ijzerhoudende leem; roodbruin de stammen der pijnboomen, ceders en eiken; rood of roodbruin de herten, vossen en konijnen.Voor een volk dat van de jacht moest leven, was het een voordeel de zelfde kleur te bezitten om meer ongemerkt het wild te kunnen naderen en veiliger te zijn voor roofdieren.Volgens deze onderstelling zou de roode kleur der inboorlingen van Amerika dus een aanpassing zijn aan de kleur der omgeving.Omtrent Afrika merkt Decker ter loops op, dat daar eveneens een zekere kleurenharmonie in de verschillende voorwerpen valt waar te nemen. Zoo zijn de gorilla, chimpanzee en groote dikhuidige dieren zwart, evenals de neger. Omtrent de Maleiers en den orang-oetan had hij een soortgelijke opmerking kunnen maken. De gele kleur der Chineezen is in treffende harmonie met den gelen löss-grond, de gele rivieren, gele planten en dieren. Omtrent de woestijnbewonende Arabieren (en hun Semitische stamverwanten) zou hij eveneens zulk een opmerking hebben kunnen maken.Omtrent het Arische ras merkt R. E. de Haan („Alb. d. Natuur”, 1888, blz. 38, waar hij een referaat omtrent Decker’s hypothese geeft) op, dat de blanke kleur geen aanpassing kan zijn aan de witte poolgewesten, die naar de meest recente meeningen de bakermat van dat ras zouden zijn geweest.[378]
Wij hebben in het vorige hoofdstuk gezien, dat bij alle onbeschaafde rassen versierselen, kleeding en uiterlijk aanzien op hoogen prijs worden gesteld, en dat de mannen de schoonheid hunner vrouwen volgens een zeer verschillenden maatstaf beoordeelen. Wij moeten nu onderzoeken, of deze voorkeur en de daarvan het gevolg zijnde teeltkeus gedurende vele geslachten van die vrouwen welke aan de mannen van elk ras de meest aantrekkelijke schijnen, de kenmerken van de vrouwen, alleen of van beide seksen had veranderd. Bij zoogdieren schijnt de algemeene regel te zijn, dat kenmerken van alle soorten gelijkelijk door de mannetjes en door de wijfjes worden overgeërfd; wij zouden daarom mogen verwachten, dat bij den mensch elk door seksueele teeltkeus door de vrouwen verkregenkenmerkgewoonlijk op de nakomelingschap van beiderlei sekse zou zijn overgeplant. Indien eenige verandering op die wijze is voortgebracht, is het bijna zeker, dat de verschillende rassen op verschillende wijze zullen zijn gewijzigd, daar elk zijn eigen maatstaf van schoonheid heeft.
Bij den mensch, vooral bij wilden, storen vele oorzaken de werking der seksueele teeltkeus, voorzoover het lichamelijk maaksel aangaat. Beschaafde menschen worden in hooge mate aangetrokken door de[350]geestelijke bekoorlijkheden der vrouwen, door haar rijkdom, en voornamelijk door haar maatschappelijken rang; want mannen huwen zelden ver beneden hun stand. Die mannen welke het best slagen in het verkrijgen der schoonere vrouwen, zullen geen beter kans hebben om een lange lijn van nakomelingen na te laten dan andere mannen met leelijker vrouwen, met uitzondering van de weinige die hun vermogen volgens de wet der eerstgeboorte vermaken. Wat den tegenovergestelden vorm van teeltkeus, namelijk van de meer aantrekkelijke mannen door de vrouwen aangaat, zoo heeft op de keus der vrouwen, hoewel zij bij beschaafde natiën een vrije of bijna vrije keus hebben, hetgeen bij barbaarsche rassen niet het geval is, de maatschappelijke rang en rijkdom der mannen een grooten invloed; en de voorspoed van deze laatsten in het leven hangt in groote mate af van hun verstandelijke vermogens en geestkracht (energie), of van de vruchten van die zelfde vermogens bij hun voorvaders. Wij behoeven geen vergiffenis te vragen, dat wij dit onderwerp eenigszins uitvoerig behandelen; want, gelijk de Duitsche wijsgeer Schopenhauer opmerkt: „is het einddoel van alle liefde-intriges, hetzij zij komisch of tragisch zijn, in werkelijkheid belangrijker dan alle andere zaken in het menschelijk leven. Want het komt geheel en al neêr op niets minder dan de samenstelling van het volgende geslacht (generatie). Niet het geluk of ongeluk van eenig bijzonder individu, maar dat van het geheele toekomstige menschdom staat hier op het spel.”1
Er is echter reden om te gelooven, dat de seksueele teeltkeus bij sommige beschaafde en half beschaafde volken eenigen invloed heeft gehad. Vele personen zijn overtuigd en naar het mij schijnt terecht, dat de leden van onze aristocratie, als men onder dit woord alle rijke families verstaat, bij welke het recht van eerstgeboorte lang heeft geheerscht, omdat zij gedurende vele geslachten de schoonste vrouwen van alle klassen tot hun echtgenooten hebben gekozen, volgens den Europeeschen maatstaf van schoonheid schooner zijn geworden, dan de middelklassen; en toch zijn de middelklassen geplaatst onder levensvoorwaarden die even gunstig zijn voor de volkomen ontwikkeling van het lichaam. Cook merkt op, dat de meerdere voortreffelijkheid in persoonlijke schoonheid, „die bij de areois of edelen op al de andere eilanden (van den Stillen Oceaan) kan worden opgemerkt, op de Sandwich-eilanden[351]algemeen is”; doch dit kan hoofdzakelijk het gevolg zijn van hun betere voeding en levenswijze.
De oude reiziger Chardin zegt, de Perzen beschrijvende, dat hun „bloed tegenwoordig zeer is veredeld door veelvuldige kruisingen met de Georgiërs en Circassiërs, twee volken die alle andere in persoonlijke schoonheid overtreffen. Er is nauwelijks een man van rang in Perzië, die niet uit een Georgische of Circassische moeder is geboren.” Hij voegt er bij, dat zij hun schoonheid „niet erven van hun voorvaders; want zonder bovenvermelde vermenging zouden de mannen van rang in Perzië, die afstammelingen van de Tartaren zijn, uiterst leelijk wezen”.2Zie hier een nog merkwaardiger geval: de priesteressen die in den tempel van Venus Erycina te San-Giuliano in Sicilië den dienst verrichtten, werden uit de schoonste vrouwen van geheel Griekenland uitgezocht, zij waren geen Vestaalsche maagden, en Quatrefages3aan wien deze mededeeling is ontleend, zegt, dat de vrouwen van San-Giuliano nog tegenwoordig beroemd zijn als de schoonste van het eiland, en door kunstenaars als modellen worden gezocht. Het is echter klaarblijkelijk, dat de bewijzen in de bovengemelde gevallen twijfelachtig zijn.
Het volgende geval verdient, hoewel op wilden betrekking hebbende, wegens zijn merkwaardigheid wel hier te worden medegedeeld. De heer Winwood Reade meldt mij, dat de Jollofs, een negerstam aan de westkust van Afrika, „opmerkelijk zijn wegens hun algemeen fraai uiterlijk”.Een zijner vrienden vraagde eens een dezer menschen:„hoe komt het, dat iedereen dien ik ontmoet, er zoo fraai uitziet, niet slechts uw mannen, maar ook uw vrouwen?” De Jollof antwoordde: „Dat is zeer gemakkelijk te verklaren: het is altijd onze gewoonte geweest diegenen onzer slaven, die een leelijk uiterlijk hadden, uit te zoeken en te verkoopen.” Het behoeft hier nauwelijks te worden bijgevoegd, dat bij alle wilden de slavinnen als bijwijven worden gebruikt. Dat deze neger, hetzij terecht of ten onrechte, het fraaie uiterlijk van zijn stam zou hebben toegeschreven aan de lang voortgezette eliminatie van de leelijke vrouwen, is niet zoo verwonderlijk, als het wellicht op[352]het eerste gezicht schijnt, want ik heb elders4aangetoond, dat negers de belangrijkheid van teeltkeus bij het fokken hunner huisdieren ten volle naar waarde schatten, en zou op gezag van den heer Reade nog meer bewijzen daarvoor kunnen mededeelen.
Over de Oorzaken die de Werking der Seksueele Teeltkeus bij Wilden voorkomen of belemmeren.—De hoofdoorzaken zijn, ten eerste, zoogenaamde communale huwelijken of algemeene vermenging (promiscuïteit); ten tweede, kindermoord, vooral van vrouwelijke kinderen; ten derde, vroege verlovingen; en eindelijk de geringschatting die men voor vrouwen, als bloote slavinnen, gevoelt. Deze vier punten moeten eenigszins uitvoerig worden beschouwd.
Het is duidelijk, dat, zoolang de paring van den mensch, of van eenig ander dier, aan het toeval wordt overgelaten, zonder dat een der beide seksen een keus uitoefent, er ook geen seksueele teeltkeus kan zijn, en er geen invloed op de nakomelingschap kan worden uitgeoefend, doordat zekere individu’s bij hun vrijage een voordeel over andere hebben. Nu beweert men, dat er nog op den huidigen dag stammen bestaan, die uitoefenen, hetgeen Sir J. Lubbock uit hoffelijkheid communale huwelijken noemt, dat is, dat alle mannen en vrouwen van den stam elkanders echtgenooten zijn. De losbandigheid van vele wilden is ongetwijfeld verbazend groot; maar het schijnt mij toe, dat er meer bewijzen noodig zijn, voordat wij volkomen kunnen aannemen, dat hun bestaande vermenging werkelijk volstrekt algemeen is. Desniettemin gelooven allen die het onderwerp zeer grondig hebben bestudeerd5, en wier oordeel veel meer waard is dan het mijne, dat het communale huwelijk de oorspronkelijke en algemeene vorm over de geheele wereld[353]was, met insluiting van het huwelijk tusschen broeders en zusters. Wijlen Sir A. Smith die groote reizen in Zuid-Afrika had gedaan, en veel wist van de zeden der wilden daar en elders, verzekerde mij ten sterkste, dat er naar zijn meening geen stam bestaat, waarin de vrouw als het eigendom van al de leden daarvan wordt beschouwd. Ik geloof dat dit oordeel in groote mate werd bepaald door den zin dien hij aan het woord huwelijk hechtte. In de hier volgende bespreking zal ik dit woord gebruiken in den zelfden zin als dierkundigen, wanneer zij van éénwijvige (monogame) dieren spreken, waarmede zij bedoelen, dat het mannetje wordt aangenomen door een enkel wijfje, of een enkel wijfje uitkiest en daarmede leeft, hetzij gedurende den paartijd of gedurende het geheele jaar, haar in bezit houdende door het recht van den sterkste; of als zij spreken van een veelwijvige (polygame) soort, bedoelende, dat het mannetje met meer dan één wijfje leeft. Deze soort van huwelijk is het eenige waarmede wij hier hebben te maken, daar zij voldoende is voor de werking der seksueele teeltkeus. Doch ik weet, dat verscheidene der boven aangehaalde schrijvers onder het woord huwelijk een erkend recht, beschermd door den stam, verstaan. De indirecte bewijzen ten gunste dezer meening zijn uiterst sterk en berusten voornamelijk op de namen der graden van bloedverwantschap, die tusschen de leden van den zelfden stam worden gebruikt, en alleen een verwantschap met den stam en niet met een der beide ouders te kennen geven. Het onderwerp is echter te uitgebreid en te ingewikkeld om hier te worden behandeld, en ik zal mij tot eenige weinige opmerkingen bepalen. Het is duidelijk, dat bij communale huwelijken, of daar waar de band des huwelijks zeer los is, de verwantschap tusschen het kind en zijn vader niet bekend kan zijn. Het schijnt echter bijna ongeloofelijk, dat de verwantschap tusschen het kind en zijn moeder ooit volkomen onbekend zou zijn geweest, vooral daar bij de meeste wilde stammen de moeders haar kinderen gedurende langen tijd zoogen. Overeenkomstig hiermede wordt in vele gevallen de afstamming alleen in de moederlijke lijn nagegaan, met uitsluiting van de vaderlijke. In vele andere gevallen echter drukken de gebruikt wordende namen alleen een verwantschap met den stam uit, met uitsluiting zelfs van de moeder. Het schijnt mogelijk, dat de band tusschen de verwante leden van den zelfden barbaarschen stam, aan allerlei soorten van gevaar blootgesteld, zooveel belangrijkerzoukunnen zijn, ten gevolge van de behoefte aan wederzijdsche bescherming en hulp, dan die tusschen[354]een moeder en haar kind, dat dit aanleiding gaf om alleen de woorden te gebruiken, die de eerste soort van verwantschappen uitdrukten; doch de heer Morgan is overtuigd, dat deze wijze om de zaak te beschouwen, in geenen deele voldoende is.
De woorden die in verschillende deelen der wereld worden gebruikt om de graden van bloedverwantschap aan te duiden, kunnen volgens den zooeven aangehaalden schrijver, in twee groote klassen worden verdeeld: de klassificatorische en de beschrijvende,—de laatste wordt door ons gebruikt. Het is het klassificatorische stelsel dat zoo nadrukkelijk tot de meening aanleiding geeft, dat communale en andere uiterst losse vormen van huwelijk oorspronkelijk algemeen waren. Zoover ik echter de zaak begrijp, is er geen noodzakelijkheid om op dezen grond in een volstrekt vrije vermenging te gelooven. Mannen en vrouwen zouden, gelijk vele van de lagere dieren, vroeger vaste hoewel tijdelijke vereenigingen voor elke geboorte kunnen hebben gesloten, en in dit geval zou omtrent evenveel verwarring in de woorden voor de graden van bloedverwantschap zijn ontstaan, als in het geval van een geheel vrije vermenging. Voorzoover er de seksueele teeltkeus in is betrokken, is al wat noodig is, dat er een keus werd uitgeoefend, voordat de ouders zich vereenigden, en beteekent het weinig, of de vereenigingen levenslang of voor één jaargetijde duurden.
Behalve de bewijzen die uit de woorden worden afgeleid, welke voor de graden van bloedverwantschap worden gebruikt, toonen ook andere aaneenschakelingen van redeneering het vroeger wijd en zijd heerschen van communale huwelijken aan. Sir J. Lubbock verklaart6op vernuftige wijze de vreemde en ver verspreide gewoonte van exogamie,—dat is, dat de mannen van éénen stam altijd vrouwen nemen uit een anderen stam, doordat het communisme de oorspronkelijke vorm van het huwelijk was, zoodat een man nimmer een vrouw voor zich alleen verkreeg, dan wanneer hij haar van een vreemden en vijandigen stam roofde, en dan zou zij natuurlijk zijn uitsluitend en kostbaar eigendom zijn geworden. Zoo zou de gewoonte om vrouwen te rooven ontstaan en wegens de daardoor behaalde eer ten laatste de algemeene gewoonte kunnen zijn geworden. Wij kunnen, volgens Sir J. Lubbock, op die wijze ook de noodzakelijkheid begrijpen „om voor het huwelijk boete te doen,daar het een verkrachting van de rechten van den stam was,[355]omdat, volgens de oude denkbeelden, een man geen recht had om zich zelf iets toe te eigenen, dat aan den geheelen stam behoorde.” Sir J. Lubbock geeft verder een hoogst opmerkelijke verzameling van feiten die aantoonen, dat in oude tijden hooge eer werd bewezen aan vrouwen die uiterst losbandig waren; en dit is, gelijk hij verklaart, begrijpelijk, indien wij aannemen, dat vrije vermenging de oorspronkelijke en daarom lang geëerde gewoonte van den stam was.7
Hoewel de wijze waarop de huwelijksband zich heeft ontwikkeld, een duister onderwerp is, gelijk wij mogen afleiden uit de afwijkende meeningen omtrent verschillende punten van drie schrijvers die hem het grondigst hebben bestudeerd, namelijk, den heer Morgan, den heer M’Lennan en Sir J. Lubbock, schijnt het toch wegens de voorgaande en onderscheidene andere reeksen van bewijzen zeker8, dat het gebruik van het huwelijk zich trapsgewijze heeft ontwikkeld, en dat bijna algemeene vermenging eens door de geheele wereld heên uiterst algemeen was. Desniettemin kan ik wegens de analogie van de lagere dieren, meer in het bijzonder van die welke in de reeks het naast bij den mensch staan, niet gelooven, dat deze gewoonte in een uiterst verwijderd tijdperk heerschte, toen de mensch nog nauwelijks zijn tegenwoordigen rang op de ladder van het Dierenrijk had bereikt. De mensch stamt, gelijk ik heb trachten aan te toonen, zonder eenigen twijfel van een of ander op een aap gelijkend schepsel af. Bij de tegenwoordige Vierhandigen (Quadrumana) zijn, voor zoover hun levenswijze bekend is, de mannetjes van sommige soorten eenwijvig (monogaam), maar leven alleen gedurende een deel van het jaar met de wijfjes, gelijk met den Orang het geval schijnt te zijn. Onderscheidene soorten, zooals sommige van de Indische en Amerikaansche apen, zijn streng eenwijvig (monogaam) en leven gedurende het geheele jaar in gezelschap van hun wijfjes. Andere zijn veelwijvig (polygaam), gelijk de Gorilla en onderscheidene Amerikaansche soorten, en elk gezin leeft afzonderlijk. Zelfs wanneer dit plaats grijpt, leven de gezinnen die de zelfde streek bewonen, waarschijnlijk[356]gezellig; de Chimpanzee, bijvoorbeeld, wordt nu en dan in groote troepen aangetroffen. Wederom andere soorten zijn veelwijvig (polygaam); doch verscheidene mannetjes leven, elk met zijn eigen wijfje, in een troep vereenigd, gelijk bij onderscheidene soorten van Bavianen9.Wij mogen inderdaad uit hetgeen wij weten van de ijverzucht van alle mannelijke viervoetige dieren, gewapend, gelijk vele van hen zijn, met bijzondere wapenen om met hun medeminnaars te vechten, het besluit trekken, dat een algemeene vermenging in den natuurstaat uiterst onwaarschijnlijk is. De paren mogen niet levenslang, maar slechts voor elke geboorte bijeenblijven, toch zou dit, indien de mannetjes die het sterkst en het best in staat zijn om de wijfjes en de jongen te verdedigen of op andere wijze te helpen, de aantrekkelijkste wijfjes voor de voortteling konden uitkiezen, voldoende zijn voor de werking der seksueele teeltkeus.
Daarom is het, indien wij ver genoeg terugblikken in den stroom des tijds, uiterst onwaarschijnlijk, dat de oorspronkelijke mannen en vrouwen in vrije vermenging met elkander leefden. Te oordeelen naar de sociale gewoonten van den mensch, gelijk hij nu bestaat, en naar het feit, dat de meeste wilden in veelwijverij (polygamie) leven, is de waarschijnlijkste meening, dat de oorspronkelijke man in den beginne in kleine gezelschappen leefde, elk met zooveel vrouwen, als hij kon onderhouden en verkrijgen, die hij ijverzuchtig tegen alle andere mannen zal hebben verdedigd. Hij kan ook met onderscheidene vrouwen op zich zelf hebben geleefd, gelijk de Gorilla; want alle inboorlingen „zijn het hierover eens, dat in elken troep slechts één volwassen mannetje wordt gezien; wanneer het jonge mannetje opgroeit, heeft een strijd om de opperheerschappij plaats, en de sterkste vestigt zich, door de andere te dooden of te verjagen, als het hoofd der gemeenschap.”10De jonge mannetjes die daardoor zijn verdreven en nu ronddwalen, zullen, als zij er eindelijk in slagen een gezellin te vinden, een te nauwe vermenging („interbreeding”) binnen de grenzen van de zelfde familie verhoeden.[357]
Hoewel de wilden tegenwoordig uiterst losbandig zijn, en hoewel communale huwelijken vroeger in hooge mate mogen hebben geheerscht, zoo bestaat toch bij vele stammen de eene of andere vorm van huwelijk, maar van een veel losser aard dan bij beschaafde volken. Veelwijverij (polygamie) is, zooals juist werd aangevoerd, bijna algemeen in zwang bij de opperhoofden in elken stam. Desniettemin zijn er stammen welke bijna aan den voet van de ladder staan, die streng eenwijvig (monogaam) zijn. Dit is het geval met de Veddah’s van Ceylon; zij hebben, volgens Sir J. Lubbock11, een spreekwoord, „dat alleen de dood vrouw en man kan scheiden.” Een verstandelijk goed ontwikkeld opperhoofd uit Kandy, natuurlijk een polygamist, „ergerde zich in hooge mate over de uiterste barbaarschheid van slechts met ééne vrouw te leven en haar nooit te verlaten, voor men door den dood van haar wordt gescheiden.” Het was, zeide hij, „juist als bij de Wanderoe apen.” Of wilden die tegenwoordig den eenenofanderen vorm van huwelijk, hetzij veelwijvig (polygaam) of eenwijvig (monogaam), bezitten, die gewoonten van uit oorspronkelijke tijden hebben behouden, dan wel, of zij tot den eenen of anderen vorm van huwelijk zijn teruggekeerd, na een toestand van algemeene vrije vermenging te hebben doorloopen,—daarover waag ik het niet vermoedens uit te spreken.
Kindermoord.—Dit gebruik is nu in de geheele wereld zeer veelvuldig, en er is reden om te gelooven, dat het in vroegere tijden een nog grooter verspreiding had.Barbaren vinden het moeilijk zich zelven en hun kinderen te onderhouden, en het is een eenvoudig plan hun kinderen te dooden. In Zuid-Amerika vernielden sommige stammen, gelijk Azara getuigt, zoovele kinderen van beide seksen, dat zij op het punt waren van uit te sterven. Op de Polynesische eilanden heeft men vrouwen gekend, die vier of vijf tot zelfs tien van haar kinderen hadden gedood, en Ellis kon geen enkele vrouw vinden, die er niet ten minste één had gedood. Overal waar kindermoord heerscht, zal de strijd om het bestaan in zoover minder hevig zijn, en zullen al de leden van den stam een bijna even goede kans hebben om hunweinigeovergebleven kinderen groot te brengen. In de meeste andere gevallen wordt een grooter aantal vrouwelijke dan mannelijke kinderen gedood; want het is duidelijk, dat deze laatsten van meer waarde voor den[358]stam zijn, daar zij, wanneer zij volwassen zijn, hem zullen helpen verdedigen, en zich zelf kunnen onderhouden. Doch de moeite die de vrouwen ondervinden bij het grootbrengen van kinderen, het daardoor veroorzaakte verlies van schoonheid, de hoogere waarde die men aan haar hecht, en haar gelukkiger lot, als zij weinig in getal zijn, worden door de vrouwen zelven en door onderscheidene waarnemers opgegeven als bijkomende beweegredenen voor kindermoord. In Australië waar het dooden van vrouwelijke kinderen nog veelvuldig plaats heeft, schatte Sir G. Grey de verhouding van de vrouwelijke inboorlingen tot de mannelijke als één tot drie; maar anderen zeggen, dat zij als twee tot drie is. In een dorp op de oostelijke grens van Indië vond KolonelMacCullochgeen enkel vrouwelijk kind.12
Als ten gevolge van het dooden der vrouwelijke kinderen de vrouwen van een stam weinig in getal zijn, zal natuurlijk de gewoonte ontstaan om de vrouwen van naburige stammen te rooven. Sir John Lubbock schrijft echter, gelijk wij hebben gezien, dat gebruik voornamelijk hieraan toe, dat vroeger het communale huwelijk bestond en dat ten gevolge daarvan de mannen vrouwen van andere stammen roofden om haar als hun uitsluitend eigendom te houden. Bijkomende oorzaken zouden kunnen worden aangegeven, b.v. dat degemeenschappenzeer klein waren, in welk geval huwbare vrouwen dikwijls zouden ontbreken. Dat de gewoonte van vrouwenroof in vroegere tijden op groote schaal bestond, zelfs bij de voorouders van beschaafde natiën, wordt duidelijk aangetoond door het bewaard blijven van vele merkwaardige gebruiken en plechtigheden van welke de heer M’Lennan een hoogst belangwekkende beschrijving heeft gegeven. In onze eigen huwelijken schijnt de „beste man” oorspronkelijk de voornaamste helper van den bruidegom bij de handeling van het rooven te zijn geweest.(1)Zoolang nu de mannen zich gewoonlijk hun vrouwen door geweld en list verschaften, is het niet waarschijnlijk, dat zij de aantrekkelijkste vrouwen uitkozen(2); zij zullen blijde zijn geweest, als zij slechts de eene of andere vrouw konden vermeesteren. Zoodra echter aan de gewoonte om zich vrouwen van een anderen stam te verschaffen, door ruilhandel werd voldaan, gelijk nu op vele plaatsen geschiedt, zullen[359]het algemeen de aantrekkelijkste vrouwen zijn gekocht. De onophoudelijke kruising tusschen den eenen stam en den anderen, die een noodzakelijk gevolg van elken vorm van deze gewoonte is, zal echter een neiging hebben doen ontstaan om al de in het zelfde land wonende menschen in hun kenmerken ongeveer gelijkvormig te houden; en dit zal het vermogen der seksueele teeltkeus om de stammen te differentieeren, aanmerkelijk hebben tegengewerkt.
De schaarschheid van de vrouwen, ten gevolge van het dooden der vrouwelijke kinderen, leidt ook tot een ander gebruik, namelijk tot veelmannerij (polyandrie) die in verscheidene deelen der wereld nog veelvuldig is, en die vroeger, volgens de meening van den heer M’Lennan, bijna algemeen heerschte: dit laatste besluit wordt echter door den heer Morgan en Sir J. Lubbock betwijfeld.13Zoodra twee of meer mannen zijn gedwongen ééne vrouw te huwen, is het zeker, dat al de vrouwen van den stam zullen huwen, en zal er door de mannen geen keus van de aantrekkelijkste vrouwen worden uitgeoefend. Onder deze omstandigheden zullen echter de vrouwen zonder twijfel het vermogen hebben om een keus te doen, en zullen aan de aantrekkelijkste mannen de voorkeur geven. Azara beschrijft, bij voorbeeld, hoe zorgvuldig een Guana-vrouw allerlei soorten van voorrechten bedingt, voor zij één of meer echtgenooten aanneemt, en ten gevolge daarvan dragen de mannen ongewone zorg voor hun uiterlijk aanzien.14De zeer leelijke mannen zullen er wellicht geen van allen in slagen om een vrouw te krijgen, of er slechts op later leeftijd een krijgen; maar de schoonste mannen zullen, ofschoon zij de voorspoedigste in het verkrijgen van een vrouw zouden zijn, voor zoover wij kunnen zien, niet meer nakomelingen nalaten om hun schoonheid te erven, dan de minder schoone echtgenooten van de zelfde vrouw.
Vroege Verlovingen en Slavernij der vrouwen.—Bij vele wilden is het de gewoonte de vrouwen te verloven, als zij nog bloot kinderen zijn; en dit zal op werkzame wijze verhinderen, dat van een van beide zijden eenige voorkeur met betrekking tot het uiterlijk aanzien kan worden gegeven. Het zal echter niet verhinderen, dat de aantrekkelijkste vrouwen later door de mannen die meer macht hebben, aan hun[360]echtgenooten worden ontstolen of met geweld ontnomen; en dit geschiedt dikwijls in Australië, Amerika en andere deelen der wereld. De zelfde gevolgen ten opzichte van seksueele teeltkeus zullen tot op zekere hoogte plaats hebben, wanneer de vrouwen bijna uitsluitend als slavinnen of lastdieren worden gewaardeerd, gelijk bij de meeste wilden het geval is. De mannen zullen echter ten allen tijde de voorkeur geven aan de slavinnen die, volgens hun maatstaf van schoonheid, de schoonste zijn.
Wij zien dus dat bij wilden onderscheidene gebruiken heerschen, die de werking der seksueele teeltkeus sterk belemmeren of volkomen kunnen opheffen. Daarentegen zijn de levensvoorwaarden waaraan wilden zijn blootgesteld, en sommige van hun gebruiken gunstig voor de natuurlijke teeltkeus; en deze komt altijd te zamen met de seksueele teeltkeus in het spel. Het is bekend, dat wilden veel hebben te lijden van telkens terugkeerende hongersnooden; zij vermeerderen hun voedsel niet door kunstmatige middelen; zij onthouden zich zelden van het huwelijk15en huwen over het algemeen op jeugdigen leeftijd. Bij gevolg moeten zij nu en dan aan een heftigen strijd om het leven zijn blootgesteld en zullen alleen de begunstigde individu’s blijven leven.
Als wij de oorspronkelijke tijden beschouwen, toen de menschen nog slechts twijfelachtig den rang der menschelijkheid hadden bereikt, zullen zij waarschijnlijk, gelijk reeds is gezegd, hetzij in veelwijverij (polygamie) of tijdelijk in eenwijverij (monogamie) hebben geleefd. Hun vermenging zal, te oordeelen naar de analogie, niet volkomen algemeen zijn geweest. Zij zullen ongetwijfeld hun vrouwen, zoo goed als zij maar konden, tegen allerlei soort van vijanden hebben verdedigd en waarschijnlijk voor hun onderhoud en tevens voor dat van hun kroost op de jacht zijn gegaan. De sterkste en bekwaamste mannen zullen het best zijn geslaagd in den strijd om het leven en in het verkrijgen van aantrekkelijke vrouwen. In dit vroege tijdvak zullen de stamouders van den mensch, daar zij slechts zwakke verstandelijke vermogens bezaten,[361]niet vooruit hebben gezien op zaken die mogelijk in de toekomst konden gebeuren. Zij zullen door hun instinkt meer en door hun rede minder dan zelfs de tegenwoordige wilden zijn bestuurd. Zij zullen in dat tijdvak niet een van de sterkste van alle instinkten, dat aan alle lagere dieren gemeen is, namelijk de liefde voor hun jong kroost, gedeeltelijk hebben verloren, en zullen bij gevolg geen kindermoord hebben uitgeoefend. Er zal geen kunstmatige schaarschte van vrouwen zijn geweest en derhalve geen veelmannerij (polyandrie) plaats hebben gehad; er zullen geen vroege verlovingen in zwang zijn geweest; de vrouwen zullen niet alleen als slavinnen zijn gewaardeerd; beide seksen zullen, indien aan de vrouwen even goed als aan de mannen werd veroorloofd eenige keus uit te oefenen, hun gezellen hebben gekozen, niet wegens geestelijke bekoorlijkheden, of rijkdom of plaats in de maatschappij (sociale positie), maar bijna alleen wegens uiterlijke schoonheid. Al de volwassenen zullen zijn gehuwd of hebben gepaard, en al de kinderen zullen, zoover dat mogelijk was, zijn grootgebracht, zoodat de strijd om het leven periodiek uitermate heftig was. Zoo zullen gedurende deze oorspronkelijke tijden al de voorwaarden voor seksueele teeltkeus veel gunstiger zijn geweest dan in eenig later tijdperk, toen de mensch in zijn verstandelijke vermogens vooruit-, maar in zijn instinkten achteruit was gegaan. Daarom zal, welken invloed de seksueele teeltkeus ook moge hebben gehad op het ontstaan van de verschillen tusschen de menschenrassen en tusschen den mensch en de hoogere apen, die invloed veel machtiger zijn geweest in een zeer verwijderd tijdperk, dan op den huidigen dag.
Over de Wijze waarop de Seksueele Teeltkeus op den Mensch heeft gewerkt.—Bij den oorspronkelijken mensch onder de gunstige zooeven geschilderde voorwaarden, en bij die wilden van den tegenwoordigen tijd, welke den eenen of anderen huwelijksband sluiten, zal de seksueele teeltkeus (hoewel in meerdere of mindere mate belemmerd, al naar de gewoonten van het dooden der vrouwelijke kinderen, vroege verlovingen enz., meer of minder in zwang waren) waarschijnlijk op de volgende wijze hebben gewerkt. De sterkste en moedigste mannen,—die welke hun gezinnen het best konden verdedigen en door de jacht onderhouden, en gedurende latere tijden de aanvoerders of opperhoofden werden,—die welke van de beste wapenen waren voorzien en de meeste eigendommen, zooals een grooter aantal honden of andere[362]dieren bezaten, zullen er in zijn geslaagd om gemiddeld een grooter aantal nakomelingen groot te brengen, dan de zwakkere, arme en lagere leden van de zelfde groep. Er kan ook geen twijfel bestaan, dat dergelijke mannen over het algemeen in staat zijn geweest om de aantrekkelijkste vrouwen uit te kiezen. Tegenwoordig slagen de opperhoofden van bijna elken stam door de geheele wereld heên er in om meer dan ééne vrouw te verkrijgen. Tot voor korten tijd toe was, naar ik van den heer Mantell hoor, bijna ieder meisje in Nieuw-Zeeland, dat mooi was, of mooi beloofde te worden,taboe(3)voor het eene of andere opperhoofd. Bij de Kaffers hebben, gelijk de heer C. Hamilton getuigt16, „de opperhoofden over het algemeen de keus uit de vrouwen van vele mijlen in den omtrek, en geven zich veel moeite om hun voorrecht te bevestigen en te bestendigen.” Wij hebben gezien, dat elk ras zijn eigen maatstaf van schoonheid heeft, en wij weten, dat het den mensch van nature eigen is elk kenmerkend punt in zijn tamme dieren, kleeding, versierselen en persoonlijk uiterlijk te bewonderen, als het een weinig boven den gewonen standaard is opgevoerd. Indien derhalve de voorgaande stellingen als juist werden aangenomen, en ik kan niet zien, dat zij twijfelachtig zijn, zou het een onverklaarbare omstandigheid zijn, indien het voor het huwelijk uitkiezen van de aantrekkelijkste vrouwen door de krachtigste mannen die gemiddeld een grooter aantal kinderen zouden aankweeken, niet na verloop van vele generatiën tot op zekere hoogte de kenmerken van den stam wijzigde.
Als bij onze tamme dieren een vreemd ras in een nieuw land wordt ingevoerd of als aan een inlandsch ras langen tijd wegens zijn nuttigheid of sierlijkheid bijzondere zorg wordt gewijd, bevindt men na vele generatiën, overal waar de middelen tot vergelijking bestaan, dat het een grootere of geringere verandering heeft ondergaan. Dat is een gevolg van onbewuste teeltkeus gedurende een lange reeks van geslachten,—dat is het bewaard blijven van de best gekeurde individu’s—zonder eenigen wensch of verwachting van een dergelijken uitslag van de zijde van den fokker. Indien twee zorgvuldige fokkers gedurende vele jaren dieren van de zelfde familie aanfokken, en hen niet met elkander of met een gemeenschappelijken standaard vergelijken, vindt men na eenigen tijd, dat de dieren tot verwondering van hun eigenaars[363]eenigszins verschillend zijn geworden.17Elke fokker heeft, gelijk von Nathusius het juist uitdrukt, den stempel van zijn eigen geest—zijn eigen smaak en oordeel—op zijn dieren gedrukt. Welke reden kan dan worden opgegeven, waarom soortgelijke uitwerkselen niet zouden volgen op het lang voortgezette voor het huwelijk uitkiezen van de meest bewonderde vrouwen door die mannen van elken stam, die in staat waren om het grootste aantal kinderen tot op volwassen ouderdom groot te brengen? Dit zou een onbewuste teeltkeus zijn; want een uitwerking zou worden voortgebracht, onafhankelijk van elken wensch of verwachting van den kant der mannen die aan zekere vrouwen boven andere de voorkeur gaven.
Laten wij veronderstellen, dat de leden van een stam bij welken de een of andere vorm van huwelijk in gebruik was, zich over een onbewoond vastland verspreidden; zij zouden zich spoedig in afzonderlijke horden splitsen, die van elkander zouden worden gescheiden door allerlei slagboomen, en nog werkdadiger door de onophoudelijke oorlogen die tusschen alle barbaarsche volken plaats grijpen. De horden zouden dus aan eenigszins verschillende levensvoorwaarden en levenswijze zijn onderworpen, en er vroeger of later toe komen om in geringe mate van elkander te verschillen. Zoodra dit plaats greep, zou elke afzonderlijke stam voor zich zelf een eenigszins verschillenden maatstaf van schoonheid aannemen18; en dan zou onbewuste teeltkeus in werking treden, doordat de machtigste en aanvoerende wilden aan zekere vrouwen boven andere de voorkeur gaven. Zoo zouden de verschillen tusschen de stammen, in het eerst zeer gering, allengs en onvermijdelijk in hoe langer hoe aanzienlijker mate worden vermeerderd.
Bij dieren in den natuurstaat zijn vele aan de mannetjes eigen kenmerken, zooals grootte, kracht, bijzondere wapenen, moed en strijdlust door de wet van den strijd ontstaan. De half-menschelijke voorouders van den mensch zullen, gelijk hun verwanten, de Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana), bijna zeker daardoor zijn gewijzigd; en, evenals wilden nog heden om het bezit hunner vrouwen strijden, is een soortgelijk[364]proces van teeltkeus waarschijnlijk in meerdere of mindere mate tot op den huidigen dag toe werkzaam geweest. Andere kenmerken, aan de mannetjes der lagere dieren eigen, zooals levendige kleuren en onderscheidene versierselen, zijn verkregen, doordat door de wijfjes aan de meer aantrekkelijke mannetjes de voorkeur werd gegeven. Er zijn echter exceptioneele gevallen waarin de mannetjes in plaats van de gekozenen de kiezers zijn geweest. Wij herkennen dergelijke gevallen, doordat de wijfjes in hoogere mate zijn versierd dan de mannetjes,—terwijl haar tot versiering dienende kenmerken uitsluitend of hoofdzakelijk op haar vrouwelijke nakomelingschap zijn overgeplant. Één dergelijk geval is beschreven uit de Orde waartoe de mensch behoort, namelijk dat van den Rhesus-aap.
De man is krachtiger naar lichaam en geest dan de vrouw, en in den wilden staat houdt hij haar in een veel ellendiger staat van dienstbaarheid dan het mannetje van eenig ander dier doet; het is daarom niet te verwonderen, dat het de man is, die het vermogen om te kiezen heeft verkregen. Vrouwen zijn zich overal bewust van de waarde van haar schoonheid; en als zij de middelen daartoe hebben, scheppen zij er meer behagen in om zich met allerlei soort van versierselen op te schikken, dan de mannen. Zij ontleenen aan mannelijke vogels de siervederen waarmede de natuur deze sekse tooide, om daarmede hun wijfjes te bekoren. Daar de vrouwen lang wegens haar schoonheid zijn gekozen, is het niet te verwonderen, dat sommige van de opeenvolgende afwijkingen op beperkte wijze zijn overgeplant, en dat bijgevolg de vrouwen haar schoonheid in eenigszins hoogere mate op haar vrouwelijke dan op haar mannelijke nakomelingschap hebben overgeplant. Daardoor zijn de vrouwen schooner geworden, gelijk de meeste menschen zullen toegeven, dan de andere sekse. Vrouwen planten echter ongetwijfeld de meeste harer kenmerken met insluiting der schoonheid, op haar nakomelingschap van beiderlei sekse over; zoodat de voortdurende voorkeur door mannen van elk ras gegeven aan die vrouwen welke volgens hun maatstaf van smaak de schoonste waren, een neiging zal doen ontstaan om alle individu’s van beiderlei sekse, tot het ras behoorende, op de zelfde manier te wijzigen.
Wat den anderen vorm van seksueele teeltkeus aangaat (welke bij de lagere dieren verreweg de meest algemeene is), die namelijk, waarbij de wijfjes de kiezers zijn en alleen die mannetjes aannemen, welke haar het meest bekoren of opwekken, hebben wij alle reden om te[365]gelooven, dat hij vroeger op de voorouders van den mensch werkte. De man is naar alle waarschijnlijkheid zijn baard en wellicht eenige andere kenmerken verschuldigd aan overerving van een ouden voorvader die op deze wijze zijn versierselen verkreeg. Deze vorm van teeltkeus kan echter nu en dan ook in latere tijden hebben gewerkt; want bij uiterst barbaarsche stammen hebben de vrouwen meer macht om haar minnaars te kiezen, te verwerpen en aan te lokken, of om later van echtgenoot te veranderen, dan men wellicht zou hebben verwacht. Daar dit een punt van eenig belang is, zal ik de bewijzen daarvoor, die het mij mocht gelukken te verzamelen, uitvoerig mededeelen.
Hearne beschrijft, hoe een vrouw in een der stammen van Arctisch Amerika herhaaldelijk van haar echtgenoot wegliep en zich naar een geliefden man begaf; en bij de Charrua’s van Zuid-Amerika is, gelijk Azara getuigt, het recht van echtscheiding volkomen vrij. Als bij de Abiponen een man een vrouw kiest, komt hij met de ouders aangaande den prijs overeen. „Het gebeurt echter dikwijls, dat het meisje niets wil weten van al wat tusschen de ouders en den bruidegom is overeengekomen, en halsstarrig over het huwelijk zelfs niet wil hooren spreken.” Zij loopt dikwijls weg, verbergt zich en ontsnapt zoo den bruidegom. Op de Fidsji-eilanden vermeestert de man de vrouw die hij tot echtgenoot begeert, door middel van wezenlijk of voorgewend geweld; maar, „indien zij, na het huis van haar schaker te hebben bereikt, de verbinding niet goedkeurt, zoekt zij een schuilplaats bij den een of ander die haar kan beschermen; indien zij echter tevreden is, dan is de zaak dadelijk klaar.” Kapitein Musters die onder de Patagoniërs leefde, zegt19, dat hun huwelijken altijd uit genegenheid worden gesloten; indien de ouders een echtgenoot kiezen, waarin hun dochter geen zin heeft, weigert zij hem en wordt nooit gedwongen om toe te geven.Op Vuurland verkrijgt een jong man eerst de toestemming der ouders door hun den eenen of anderen dienst te bewijzen, en beproeft daarna het meisje weg te voeren; „als zij echter onwillig is, verbergt zij zich in de bosschen, totdat haar bewonderaar van harte moede is naar haar te zoeken en de vervolging opgeeft; doch dit gebeurt zelden.” Bij de Kalmukken heeft een geregelde wedloop tusschen de bruid en den bruidegom plaats, waarbij de eerste een behoorlijk eind voor heeft; en aan Clarke werd verzekerd,„dat er geen[366]voorbeeld was, dat een meisje werd ingehaald, tenzij zij zwak voor haar vervolger had.” Evenzoo heeft bij de wilde stammen van Insulinde een soortgelijke wedloop plaats; en uit het verhaal van den heer Bouriens blijkt, gelijk Sir J.Lubbock opmerkt, „dat de prijs voor den wedloop niet wordt behaald door den vlugste, noch die van het gevecht door den sterkste, maar door den jongen man die het geluk heeft aan de bruid waarom men wedijvert, te behagen.” Een soortgelijke gewoonte met het zelfde gevolg heerscht bij de Korakken20van Noordoostelijk Azië.
Laten wij ons nu tot Afrika wenden; de Kaffers koopen hun vrouwen, en de meisjes worden dikwijls door hun vaders hevig geslagen, als zij den gekozen echtgenoot niet willen aannemen; toch blijkt zeer duidelijk uit vele door den weleerw. heer Shooter medegedeelde feiten, dat zij een aanmerkelijke vrijheid in haar keus hebben. Zoo zijn er voorbeelden bekend van zeer leelijke, hoewel rijke mannen, die er niet in slagen konden om vrouwen te krijgen. De meisjes noodzaken, voor zij in de verloving toestemmen, de mannen om zich te laten bekijken, eerst van voren en dan van achteren, en „hun wijze van loopen te laten zien.” Er zijn voorbeelden van, dat zij een man huwelijksvoorstellen deden, en niet zelden loopen zij met een begunstigden minnaar weg. Evenzoo zegt ook de heer Lesley21die grondig met de Kaffers bekend was: „Men zou zich vergissen, als men meende, dat een meisje door haar vader op de zelfde wijze en met het zelfde gezag werd verkocht, waarmede hij over een koe zou beschikken.”Als bij de ellendige Bosjesmannen van Zuid-Afrika „een meisje tot huwbaren leeftijd is gekomen zonder verloofd te zijn, hetgeen echter niet dikwijls gebeurt, moet haar minnaar evengoed haar toestemming als die van haar ouders verkrijgen.”22De heer Winwood Reade stelde een[367]onderzoek voor mij in omtrent de Negers van Westelijk Afrika, en hij meldt mij, dat „het aan de vrouwen, ten minste bij de verstandigste Heidensche stammen, niet moeilijk valt de echtgenooten te verkrijgen die zij wenschen, hoewel het voor onvrouwelijk wordt gehouden een man te vragen om haar te huwen. Zij zijn volkomen in staat om verliefd te worden en om zich teeder, hartstochtelijk en trouw aan iemand te hechten.” Nog meer voorbeelden zouden kunnen worden gegeven.
Wij zien dus, dat bij wilden de vrouwen ten opzichte van het huwelijk niet geheel en al in zulk een rampzaligen toestand verkeeren als men dikwijls heeft verondersteld. Zij kunnen de mannen aan welke zij de voorkeur geven, aanlokken, en kunnen somtijds die welke zij niet mogen lijden, hetzij voor of na het huwelijk verwerpen. Voorkeur van de zijde van de vrouw, bestendig in de zelfde richting werkende, zal ten laatste op de kenmerken van den stam invloed uitoefenen; want de vrouwen zullen over het algemeen niet slechts de schoonste mannen volgens haar maatstaf van smaak kiezen, maar die welke tevens het best in staat zijn om haar te verdedigen en te onderhouden. Dergelijke goed begaafde paren zullen gewoonlijk een aanzienlijker aantal nakomelingen grootbrengen dan de minder goed begaafde. De zelfde uitwerking zal blijkbaar op nog sterker uitgesproken wijze worden voortgebracht, indien er van beide zijden teeltkeus was, dat is, indien de aantrekkelijkste en tegelijkertijd krachtigste mannen aan de aantrekkelijkste vrouwen, en ook deze laatsten aan de eersten de voorkeur gaven. En deze twee vormen van teeltkeus schijnen werkelijk beide, hetzij al dan niet gelijktijdig, bij het menschelijk geslacht plaats te hebben gegrepen, vooral gedurende de vroege tijdvakken van onze lange geschiedenis.
Wij zullen nu een weinig uitvoeriger, in verband met de seksueele teeltkeus, eenige van de kenmerken beschouwen, die de verschillende menschenrassen van elkander en van de lagere dieren onderscheiden, namelijk het meer of min volkomen ontbreken van haar op het lichaam en de kleur der huid. Wij behoeven niets te zeggen over de groote verscheidenheid in den vorm der gelaatstrekken en van den schedel bij de verschillende rassen, daar wij in het laatste hoofdstuk hebben gezien, hoe verschillend de maatstaf der schoonheid in deze opzichten is. Op deze kenmerken zal daarom waarschijnlijk de seksueele teeltkeus hebben ingewerkt; maar, zoover ik kan nagaan, hebben wij geen[368]middel om te beoordeelen, of er voornamelijk van de mannelijke dan wel van de vrouwelijke zijde is ingewerkt. De muzikale vermogens van den mensch zijn eveneens besproken.
Het Ontbreken van Haar op het Lichaam en de Ontwikkeling daarvan op het Aangezicht en het Hoofd.—Uit de aanwezigheid van het wolachtige haar of lanugo op den menschelijken foetus en van op volwassen leeftijd hier en daar over het lichaam verspreide rudimentaire haren, mogen wij afleiden, dat de mensch van het eene of andere dier afstamt, dat behaard werd geboren en zulks levenslang bleef. Het verlies van het haar is hinderlijk en waarschijnlijk nadeelig voor den mensch zelfs in een warm klimaat; want hij wordt daar blootgesteld aan plotselinge afkoelingen, vooral gedurende vochtig weder. Gelijk de heer Wallace opmerkt, zijn in alle landen de inboorlingen blijde hun naakte ruggen en schouders door de eene of andere dunne bekleeding te kunnen beschermen. Niemand veronderstelt, dat de naaktheid der huid den mensch eenig direct voordeel aanbrengt, zoodat hij zijn haarkleed niet kan hebben verloren doornatuurlijketeeltkeus.23Wij hebben ook volstrekt geen gronden om aan te nemen, gelijk in een vorig hoofdstuk is aangetoond, dat dit verlies het gevolg kan zijn van de directe werking der levensvoorwaarden waaraan de mensch lang is blootgesteld geweest, of dat het het gevolg van correlatieve ontwikkeling is.
Het ontbreken van haar op het lichaam is tot op zekere hoogte een[369]secundair seksueel kenmerk; want in alle deelen der wereld zijn de vrouwen minder harig dan de mannen. Wij mogen derhalve op redelijke gronden vermoeden, dat het een kenmerk is, hetwelk door seksueele teeltkeus werd verkregen. Wij weten, dat de aangezichten van onderscheidene soorten van apen, en groote plekken aan het achtereinde van het lichaam bij andere soorten, van haar zijn ontbloot; en wij mogen dit veilig toeschrijven aan seksueele teeltkeus; want deze plekken zijn niet alleen levendig gekleurd, maar somtijds, gelijk bij den mannelijken Mandril en den vrouwelijken Rhesus-aap, veel levendiger bij de eene sekse dan bij de andere.(4)Naarmate deze dieren allengs tot vollen wasdom komen, nemen de naakte plekken, naar de heer Bartlett mij heeft medegedeeld, in omvang toe naar verhouding tot de geheele grootte hunner lichamen. Het haar schijnt echter in deze gevallen niet te zijn verwijderd ter wille van de naaktheid, maar opdat de kleur der huid meer volkomen zou kunnen worden ten toon gesteld. Evenzoo zijn ook bij vele vogels de kop en de hals door seksueele teeltkeus van vederen ontbloot, opdat de levendig gekleurde huid zou kunnen worden ten toon gesteld.
Daar de vrouw een minder harig lichaam heeft dan de man, en daar dit kenmerk aan alle rassen gemeen is, mogen wij besluiten, dat waarschijnlijk eerst onze vrouwelijke half-menschelijke voorouders hun haar gedeeltelijk verloren, en dat dit plaats greep in een uiterst verwijderd tijdvak, vóór de onderscheidene menschenrassen zich uit een gemeenschappelijken stam in verschillende richtingen hadden ontwikkeld. Toen onze vrouwelijke voorouders dit nieuwe kenmerk van naaktheid allengs verkregen, moeten zij het in bijna gelijke mate op hun jong kroost van beiderlei sekse hebben overgeplant, zoodat de overplanting daarvan, gelijk met vele versierselen bij zoogdieren en vogels het geval is, niet is beperkt noch door den leeftijd noch door de sekse. Er is niets verwonderlijks in, dat een gedeeltelijk verlies van het haar door de op apen gelijkende voorouders van den mensch als een sieraad is beschouwd; want wij hebben gezien, dat bij dieren van allerlei soort tallooze vreemde kenmerken als zoodanig zijn beschouwd en bijgevolg door seksueele teeltkeus gewijzigd. Het is ook niet te verwonderen, dat daardoor een eenigermate nadeelig kenmerk zou zijn verkregen; want wij weten, dat dit het geval is met de siervederen van sommige vogels en met de horens van sommige herten.
De wijfjes van sommige anthropoïde apen zijn, gelijk in een vorig hoofdstuk[370]werd vermeld, een weinig minder harig op de ondervlakte van het lichaam dan de mannetjes, en hier hebben wij een punt dat tot uitgang voor het proces der ontharing kan hebben gediend. Ten opzichte van de voleindiging van dit proces door seksueele teeltkeus is het goed ons het Nieuw-Zeelandsch spreekwoord te herinneren: „Er is geen vrouw voor een harig man.” Allen die photographieën van de Siameesche harige familie hebben gezien, zullen toegeven, dat het tegenovergestelde uiterste van buitengewoon sterke behaardheid, belachelijk en afgrijselijk leelijk is. De koning van Siam moest zelfs een man door het geven van geld er toe brengen om de eerste harige vrouw in de familie te huwen, die dit kenmerk op haar jong kroost van beiderlei sekse overplantte.24
Sommige rassen zijn veel hariger dan andere, vooral aan den mannelijken kant; maar men mag niet aannemen, dat de harigste rassen, bij voorbeeld Europeanen, volkomener een oorspronkelijken toestand hebben behouden dan de naakte rassen, zooals de Kalmukken of de Amerikanen. Het is een waarschijnlijker meening, dat de harigheid der eersten het gevolg is van een gedeeltelijk atavisme; want kenmerken die lang zijn overgeërfd, zijn altijd geneigd om terug te keeren. Een merkwaardig geval is door Pinel opgeteekend van een idioot, gezonken tot het peil van een redeloos dier, wiens rug, lendenen en schouders waren bedekt met haar, van2,5tot 5 centimeter lang. Nog eenige dergelijke gevallen zijn bekend. Het schijnt niet, dat een koud klimaat van invloed is geweest op en heeft geleid tot deze soort van atavisme; behalve wellicht bij de negers die gedurende verscheidene generatiën in de Vereenigde Staten zijn opgegroeid25, en wellicht[371]bij de Aino’s die de noordelijke eilanden van den Japanschen archipel bewonen. De wetten der erfelijkheid zijn echter zoo ingewikkeld, dat wij zelden haar werking begrijpen. Indien de grootere harigheid van sommige rassen het gevolg van atavisme was, zonder dat daarop eenige vorm van teeltkeus een belemmerenden invloed uitoefende, dan zou de uitermate groote veranderlijkheid (variabiliteit) van dit kenmerk, zelfs binnen de grenzen van het zelfde ras, ophouden opmerkelijk te zijn.
Wat den baard aangaat, zoo vinden wij, als wij ons tot onze beste gidsen, namelijk de Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana), wenden, baarden bij vele soorten bij beide seksen even goed ontwikkeld, maar bij andere, hetzij tot de mannetjes beperkt of bij deze meer ontwikkeld dan bij de wijfjes. Wegens dit feit en wegens de merkwaardige rangschikking en ook levendige kleuren van het haar op de koppen van vele apen, is het hoogst waarschijnlijk, gelijk vroeger is uitgelegd, dat de mannetjes eerst hun baarden als een versiering door seksueele teeltkeus verkregen, en ze in de meeste gevallen in gelijke of bijna gelijke mate op hun nakomelingen van beiderlei seksen overplantten. Wij weten door Eschricht26, dat bij den mensch de vrouwelijke foetus even goed als de mannelijke veel haar op het aangezicht, vooral rondom den mond bezit; en dit toont aan, dat wij afstammen van voorouders bij welke beide seksen gebaard waren. Het schijnt daarom op het eerste gezicht waarschijnlijk, dat de man zijn baard uit een zeer vroeg tijdperk heeft behouden, terwijl de vrouw haar baard verloor op den zelfden tijd, toen haar lichaam bijna volkomen van haren werd ontbloot. Zelfs de kleur van den baard bij den mensch schijnt te zijn overgeërfd van een op een aap gelijkenden voorvader; want, als er eenig verschil in tint is tusschen het hoofdhaar en het baardhaar, dan is dit laatste bij alle apen en bij den mensch lichter gekleurd. Er is minder onwaarschijnlijkheid in gelegen, dat de mannen van de gebaarde rassen hun baarden uit oorspronkelijke tijden hebben behouden, dan in het geval van het haar op het lichaam; want bij de Vierhandigen (Quadrumana) bij welke het mannetje een grooteren baard dan het wijfje heeft, komt deze slechts op volwassen leeftijd tot volkomen ontwikkeling, en de latere ontwikkelingstrappen kunnen wellicht uitsluitend op den mensch zijn overgeplant. Wij kunnen dan begrijpen, waarom onze mannelijke kinderen, gelijk werkelijk het geval is, voordat zij den volwassen leeftijd[372]bereiken, even ontbloot van baarden zijn als onze vrouwelijke kinderen. Daarentegen bewijst de groote veranderlijkheid (variabiliteit) van den baard binnen de grenzen van het zelfde ras en bij verschillende rassen, dat er atavisme in het spel moet zijn gekomen. Hoe dit ook moge zijn, wij moeten de rol die de seksueele teeltkeus zelfs gedurende latere tijden kan hebben gespeeld, niet voorbijzien; want wij weten, dat bij wilden de mannen van de baardelooze rassen zich oneindig veel moeite geven om elk haartje op hun gelaat uit te trekken, als iets onaangenaams, terwijl de mannen van de gebaarde rassen den grootsten hoogmoed over hun baarden gevoelen. De vrouwen deelen ongetwijfeld in deze gevoelens, en indien dit zoo is, kan het moeilijk missen, of de seksueele teeltkeus heeft in den loop van latere tijden eenigen invloed uitgeoefend.27Het is ook mogelijk, dat de lang voortgezette gewoonte om het haar uit te trekken, erfelijke gevolgen heeft gehad. Dr. Brown-Séquard heeft aangetoond, dat, wanneer sommige dieren op een bijzondere wijze worden geopereerd, hun jongen daardoor worden aangedaan. Nog meer bewijzen zouden kunnen worden geleverd van de erfelijkheid van de gevolgen van verminkingen; maar een voor eenige jaren door den heer Salvin28ontdekt feit staat meer rechtstreeks in betrekking tot de onderhavige vraag; want hij heeft aangetoond, dat bij de motmots van welke men weet, dat zij gewoon zijn de vlag van de beide middelstestaartvederenaf te bijten, de vlag van deze vederen van nature eenigszins kleiner is.29Desniettemin zou bij den mensch de gewoonte van den baard en de haren op het lichaam uit te trekken,[373]waarschijnlijk niet zijn ontstaan, wanneer die niet reeds om de eene of andere reden minder waren geworden.
Het is vrij moeilijk zich er een oordeel over te vormen, hoe het lange haar op onze hoofden tot ontwikkeling kwam. Eschricht30getuigt, dat bij den menschelijken foetus het haar op het gelaat gedurende de vijfde maand langer is dan op het hoofd; en dit bewijst, dat onze half-menschelijke voorouders niet van lange lokken waren voorzien, die derhalve een laat verworven kenmerk moeten zijn geweest. Dit wordt eveneens aangetoond door het buitengewone verschil in de lengte van het haar bij de verschillende rassen; bij den Neger vormt het haar eenvoudig een gekroesde mat; bij ons is het zeer lang, en bij de inboorlingen van Amerika reikt het niet zelden tot op den grond. Bij sommige soorten van Slankapen (Semnopithecus) is de kop met matig lang haar bedekt, en dit dient waarschijnlijk tot versiering en werd door seksueele teeltkeus verkregen. De zelfde meening mag tot den mensch worden uitgebreid; want wij weten, dat lange lokken heden ten dage zeer worden bewonderd, en zulks ook vroeger werden; de apostel Paulus zegt: „Soo een vrouwe langh hair draeght, dat het haer een eere is”(6); en wij hebben gezien, dat in Noord-Amerika iemand alleen wegens de lengte van zijn haar tot opperhoofd werd gekozen.
Kleur der Huid.—De beste soort van bewijs, dat de kleur der huid door seksueele teeltkeus is gewijzigd, ontbreekt in het geval van den mensch; want de seksen verschillen in dit opzicht in het geheel niet, of slechts weinig en twijfelachtig.(7)Van den anderen kant weten wij uit vele reeds medegedeelde feiten, dat de kleur der huid door menschen van alle rassen als een hoogst belangrijk element van hun schoonheid wordt beschouwd, zoodat het een kenmerk is, dat geschikt zou zijn om door teeltkeus te worden gewijzigd, gelijk in tallooze voorbeelden bij de lagere dieren is geschied. Het schijnt op het eerste gezicht een monsterachtige veronderstelling, dat de gitzwartheid van den neger door seksueele teeltkeus is verkregen; doch deze meening wordt door onderscheidene analogieën ondersteund, en wij weten, dat[374]de negers hun eigen zwartheid bewonderen. Als bij Zoogdieren de seksen in kleur verschillen, is het mannetje dikwijls zwart of veel donkerder dan het wijfje; en het hangt eenvoudig van den vorm van erfelijkheid af, of deze of eenige andere tint op beide seksen of alleen op ééne sekse zal worden overgeplant. De gelijkenis van den Joden- of Satans-aap (Pithecia satanas) met zijn gitzwarte huid, witte rollende oogappels en zijn op de kruin van het hoofd gescheiden haar op een neger in miniatuur is bijna belachelijk.
De kleur van het gelaat verschilt bij de onderscheidene soorten van apen veel meer dan bij de menschenrassen; en wij hebben goede reden om te gelooven, dat de roode, blauwe, oranje, bijna witte en zwarte kleuren van hun huid, zelfs wanneer zij aan beide seksen gemeen zijn, en de levendige kleuren van hun pels, zoowel als tot de versiering strekkende haarbossen aan den kop, allen door seksueele teeltkeus zijn verkregen. Daar de pasgeboren kinderen van de meest verschillende rassen lang zooveel niet in kleur verschillen als de volwassenen, hebben wij eenige geringe aanwijzing, dat de tinten der verschillende rassen werden verkregen na de verwijdering van het haar, die, gelijk vroeger is medegedeeld, in een zeer vroeg tijdperk moet hebben plaats gehad(8).
Overzicht.—Wij mogen besluiten, dat de meerdere grootte, kracht, moed, strijdlustigheid en zelfs energie van den man, in vergelijking met de zelfde hoedanigheden van de vrouw, gedurende oorspronkelijke tijden werden verkregen en later zijn vermeerderd, hoofdzakelijk door de gevechten tusschen de mannen die wedijverden om het bezit der vrouwen. De grootere verstandelijke kracht en uitvindende vermogens van den man zijn waarschijnlijk ontstaan door natuurlijke teeltkeus, verbonden met de overgeërfde gevolgen van de gewoonte; want de verstandigste mannen zullen er het best in zijn geslaagd om zich zelven, hun vrouwen en kinderen te verdedigen en te onderhouden. Zoover de verbazend groote ingewikkeldheid van het onderwerp ons toelaat te oordeelen, schijnt het, dat onze mannelijke op apen gelijkende voorouders hun baarden verkregen als een sieraad om de tegenovergestelde sekse te bekoren en op te wekken, en hen overplantten op den man, gelijk hij nu bestaat. De wijfjes werden, naar het schijnt, het eerst op gelijksoortige wijze als seksueel sieraad van haar ontbloot; maar zij plantten dit kenmerk bijna gelijkelijk op beide seksen over. Het is niet onwaarschijnlijk[375]dat de wijfjes ook in andere opzichten met het zelfde doel en door de zelfde middelen werden gewijzigd, zoodat vrouwen liefelijker stemmen hebben verkregen en schooner zijn geworden dan de mannen.
Het verdient bijzondere oplettendheid, dat bij den mensch al de voorwaarden voor seksueele teeltkeus veel gunstiger waren gedurende een zeer vroeg tijdvak, toen de mensch nog slechts even tot de menschelijke waardigheid was opgeklommen, dan gedurende latere tijden. Want hij zal toen, gelijk wij veilig mogen besluiten, meer door zijn instinktmatige hartstochten en minder door zorg voor de toekomst of rede zijn geleid. Hij zal toen niet zoo uiterst losbandig zijn geweest, als vele wilden nu zijn, en elke man zal zijn vrouw of vrouwen ijverzuchtig hebben bewaakt.Hij zal toen geen kindermoord hebben uitgeoefend, noch zijn vrouwen alleen als bruikbare slavinnen gewaardeerd, noch aan haar zijn verloofd, terwijl zij nog kinderen waren. Wij mogen daaruit afleiden dat de menschenrassen, voor zoover de seksueele teeltkeus aangaat, hoofdzakelijk gedurende een zeer verwijderd tijdvak werden gedifferentieerd; en dit besluit werpt licht op het merkwaardige feit, dat in het oudste tijdperk waarvan wij tot dusver eenig bericht hebben verkregen, de menschenrassen er reeds toe waren gekomen om bijna evenveel of volkomen evenveel van elkander te verschillen, als zij op den huidigen dag doen.
De meeningen, hier voorgedragen over de rol die de seksueele teeltkeus in de geschiedenis van den mensch heeft gespeeld, hebben gebrek aan wetenschappelijke nauwkeurigheid. Hij die de werking van dit beginsel niet aanneemt in het geval der lagere dieren, zal al wat ik in de laatste hoofdstukken over den mensch heb gezegd, waarschijnlijk gering schatten. Wij kunnen niet stellig zeggen, dat dit kenmerk daardoor is gewijzigd, maar dat niet; echter is aangetoond, dat de menschenrassen van elkander en van hun naaste verwanten onder de lagere dieren verschillen in zekere kenmerken die hun van geen dienst zijn voor de gewone doeleinden van het leven en van welke het uiterst waarschijnlijk is, dat zij door seksueele teeltkeus zijn gewijzigd. Wij hebben gezien, dat bij de laagste wilden de menschen van elken stam hun eigen kenmerkende hoedanigheden,—de gedaante van hun hoofd en gelaat, den vierkanten vorm van hun jukbeenderen, het vooruitsteken of de platheid van hun neus, de kleur van hun huid, de lengte van hun hoofdhaar, het ontbreken van haar op het gelaat en het lichaam, of de aanwezigheid van een grooten baard en zoo voorts,—[376]bewonderen. Het kon daarom moeilijk missen, of deze en andere dergelijke punten moesten langzamerhand en allengs worden overdreven, omdat de machtigste en bekwaamste mannen in elken stam, die er in moesten slagen het grootste aantal kinderen groot te brengen, gedurende vele generaties de in de hoogste mate aldus gekenmerkte en daarom aantrekkelijkste vrouwen voor het huwelijk hebben uitgezocht. Ik voor mij kom tot het besluit, dat van al de oorzaken die hebben geleid tot de verschillen in uiterlijk aanzien tusschen de menschenrassen, en tot op zekere hoogte tusschen den mensch en de lagere dieren, de seksueele teeltkeus verreweg de werkzaamste is geweest.
[Inhoud]AANTEEKENINGEN.(1)Evenals de „opeischer” in Drenthe. Men vergelijke het hoogst interessante stukje van M. M. Cohen Jr., „Een Drenthsche bruiloft ten platten lande” in den Nieuwen Drenthschen Volksalmanak voor 1884, blz. 241.(2)Dit kunnen wij Darwin volstrekt niet toegeven; wij zien volstrekt niet in, waarom de mannen, als zij zich met geweld van hun vrouwen meester maakten, niet liever de schoonste vrouwen, of de vrouwen die hun in eenig ander opzicht het aantrekkelijkst toeschenen, zouden hebben geroofd dan de minder schoone en de minder aantrekkelijke. Wij houden het zelfs voor hoogst waarschijnlijk, dat zij een dergelijke voorkeur toonden.(3)„Taboe”. Dit woord drukt een betrekking tot de goden of een uitsluiting van gewone doeleinden, en tevens een bijzondere bestemming vantaboeverklaarde personen, plaatsen of zaken uit. Het hangt met den godsdienst der Polynesiërs samen en was zoowel op de Sandwich-eilanden, als op Otaheite, Noukahiva, Nieuw-Zeeland enz. in gebruik. Zoo waren bij voorbeeld het vleesch van verschillende dieren en bijna alle tot offeren bestemde zakentaboeten gebruike van de goden en de mannen; de vrouwen waren derhalve van het genot er van uitgesloten. Soms werd een eiland of landstreektaboeverklaard, waarna geen vaartuig of persoon zich derwaarts mocht begeven. In deIsraëlietischeparadijslegende vindt men het zelfde begrip. De vrucht van den boom der kennis des goeds en des kwaads was taboe ten gebruike van Jahve en daarom mochten Adam en Eva er niet van eten. Dat een meisjetaboewerd verklaard voor een of ander opperhoofd, beteekent dus, dat zij uitsluitend voor zijn gebruik werd bestemd, en niemand haar kon huwen, zonder heiligschennis te begaan. Op het breken van de taboe stond de dood.(4)Bovenal wordt dit bewezen, doordat die apen die plekken blijkbaar bewonderen, er mede pronken en bij wijze van groet aan den beschouwer toedraaien. Zie Darwin’s supplementaire aanteekening, blz. 306.(5)Vergelijk aant. 2, Deel I, blz.81.(6)1 Cor. XI, 15; hij voegt er echter bij: „omdat het lang hair voor een decksel haer is gegeven”, en zegt ook (ibid., vers 14): „dat soo een man langh hair draeght, het hem oneere is.”(7)Of dit ook bij alle vroegere volken zoo is geweest, schijnt min of[377]twijfelachtig. Op de oude Egyptische monumenten (en, naar men verzekert ook op de bouwvallen van Yucatan en Chiapas) zijn de mannen standvastigbruinofrood, de vrouwengeelgekleurd. Waarschijnlijk moet dit echter op een andere wijze worden verklaard, dan door een werkelijk verschil in kleur tusschen de beide seksen bij de oude Egyptenaren en Amerikanen.(8)Emil Decker, een Duitscher, die langen tijd verblijf hield in Noord-Amerika, meent, dat het roode ras dat zich in de streken van het Alleghany-gebergte heeft gevormd, daar vooraldoor de kleur der omgevingde gele kleur zijner stamouders heeft verloren. Alles is daar rood; roodbruin is er het ijzerhoudend zand en de ijzerhoudende leem; roodbruin de stammen der pijnboomen, ceders en eiken; rood of roodbruin de herten, vossen en konijnen.Voor een volk dat van de jacht moest leven, was het een voordeel de zelfde kleur te bezitten om meer ongemerkt het wild te kunnen naderen en veiliger te zijn voor roofdieren.Volgens deze onderstelling zou de roode kleur der inboorlingen van Amerika dus een aanpassing zijn aan de kleur der omgeving.Omtrent Afrika merkt Decker ter loops op, dat daar eveneens een zekere kleurenharmonie in de verschillende voorwerpen valt waar te nemen. Zoo zijn de gorilla, chimpanzee en groote dikhuidige dieren zwart, evenals de neger. Omtrent de Maleiers en den orang-oetan had hij een soortgelijke opmerking kunnen maken. De gele kleur der Chineezen is in treffende harmonie met den gelen löss-grond, de gele rivieren, gele planten en dieren. Omtrent de woestijnbewonende Arabieren (en hun Semitische stamverwanten) zou hij eveneens zulk een opmerking hebben kunnen maken.Omtrent het Arische ras merkt R. E. de Haan („Alb. d. Natuur”, 1888, blz. 38, waar hij een referaat omtrent Decker’s hypothese geeft) op, dat de blanke kleur geen aanpassing kan zijn aan de witte poolgewesten, die naar de meest recente meeningen de bakermat van dat ras zouden zijn geweest.[378]
AANTEEKENINGEN.
(1)Evenals de „opeischer” in Drenthe. Men vergelijke het hoogst interessante stukje van M. M. Cohen Jr., „Een Drenthsche bruiloft ten platten lande” in den Nieuwen Drenthschen Volksalmanak voor 1884, blz. 241.(2)Dit kunnen wij Darwin volstrekt niet toegeven; wij zien volstrekt niet in, waarom de mannen, als zij zich met geweld van hun vrouwen meester maakten, niet liever de schoonste vrouwen, of de vrouwen die hun in eenig ander opzicht het aantrekkelijkst toeschenen, zouden hebben geroofd dan de minder schoone en de minder aantrekkelijke. Wij houden het zelfs voor hoogst waarschijnlijk, dat zij een dergelijke voorkeur toonden.(3)„Taboe”. Dit woord drukt een betrekking tot de goden of een uitsluiting van gewone doeleinden, en tevens een bijzondere bestemming vantaboeverklaarde personen, plaatsen of zaken uit. Het hangt met den godsdienst der Polynesiërs samen en was zoowel op de Sandwich-eilanden, als op Otaheite, Noukahiva, Nieuw-Zeeland enz. in gebruik. Zoo waren bij voorbeeld het vleesch van verschillende dieren en bijna alle tot offeren bestemde zakentaboeten gebruike van de goden en de mannen; de vrouwen waren derhalve van het genot er van uitgesloten. Soms werd een eiland of landstreektaboeverklaard, waarna geen vaartuig of persoon zich derwaarts mocht begeven. In deIsraëlietischeparadijslegende vindt men het zelfde begrip. De vrucht van den boom der kennis des goeds en des kwaads was taboe ten gebruike van Jahve en daarom mochten Adam en Eva er niet van eten. Dat een meisjetaboewerd verklaard voor een of ander opperhoofd, beteekent dus, dat zij uitsluitend voor zijn gebruik werd bestemd, en niemand haar kon huwen, zonder heiligschennis te begaan. Op het breken van de taboe stond de dood.(4)Bovenal wordt dit bewezen, doordat die apen die plekken blijkbaar bewonderen, er mede pronken en bij wijze van groet aan den beschouwer toedraaien. Zie Darwin’s supplementaire aanteekening, blz. 306.(5)Vergelijk aant. 2, Deel I, blz.81.(6)1 Cor. XI, 15; hij voegt er echter bij: „omdat het lang hair voor een decksel haer is gegeven”, en zegt ook (ibid., vers 14): „dat soo een man langh hair draeght, het hem oneere is.”(7)Of dit ook bij alle vroegere volken zoo is geweest, schijnt min of[377]twijfelachtig. Op de oude Egyptische monumenten (en, naar men verzekert ook op de bouwvallen van Yucatan en Chiapas) zijn de mannen standvastigbruinofrood, de vrouwengeelgekleurd. Waarschijnlijk moet dit echter op een andere wijze worden verklaard, dan door een werkelijk verschil in kleur tusschen de beide seksen bij de oude Egyptenaren en Amerikanen.(8)Emil Decker, een Duitscher, die langen tijd verblijf hield in Noord-Amerika, meent, dat het roode ras dat zich in de streken van het Alleghany-gebergte heeft gevormd, daar vooraldoor de kleur der omgevingde gele kleur zijner stamouders heeft verloren. Alles is daar rood; roodbruin is er het ijzerhoudend zand en de ijzerhoudende leem; roodbruin de stammen der pijnboomen, ceders en eiken; rood of roodbruin de herten, vossen en konijnen.Voor een volk dat van de jacht moest leven, was het een voordeel de zelfde kleur te bezitten om meer ongemerkt het wild te kunnen naderen en veiliger te zijn voor roofdieren.Volgens deze onderstelling zou de roode kleur der inboorlingen van Amerika dus een aanpassing zijn aan de kleur der omgeving.Omtrent Afrika merkt Decker ter loops op, dat daar eveneens een zekere kleurenharmonie in de verschillende voorwerpen valt waar te nemen. Zoo zijn de gorilla, chimpanzee en groote dikhuidige dieren zwart, evenals de neger. Omtrent de Maleiers en den orang-oetan had hij een soortgelijke opmerking kunnen maken. De gele kleur der Chineezen is in treffende harmonie met den gelen löss-grond, de gele rivieren, gele planten en dieren. Omtrent de woestijnbewonende Arabieren (en hun Semitische stamverwanten) zou hij eveneens zulk een opmerking hebben kunnen maken.Omtrent het Arische ras merkt R. E. de Haan („Alb. d. Natuur”, 1888, blz. 38, waar hij een referaat omtrent Decker’s hypothese geeft) op, dat de blanke kleur geen aanpassing kan zijn aan de witte poolgewesten, die naar de meest recente meeningen de bakermat van dat ras zouden zijn geweest.[378]
(1)Evenals de „opeischer” in Drenthe. Men vergelijke het hoogst interessante stukje van M. M. Cohen Jr., „Een Drenthsche bruiloft ten platten lande” in den Nieuwen Drenthschen Volksalmanak voor 1884, blz. 241.
(2)Dit kunnen wij Darwin volstrekt niet toegeven; wij zien volstrekt niet in, waarom de mannen, als zij zich met geweld van hun vrouwen meester maakten, niet liever de schoonste vrouwen, of de vrouwen die hun in eenig ander opzicht het aantrekkelijkst toeschenen, zouden hebben geroofd dan de minder schoone en de minder aantrekkelijke. Wij houden het zelfs voor hoogst waarschijnlijk, dat zij een dergelijke voorkeur toonden.
(3)„Taboe”. Dit woord drukt een betrekking tot de goden of een uitsluiting van gewone doeleinden, en tevens een bijzondere bestemming vantaboeverklaarde personen, plaatsen of zaken uit. Het hangt met den godsdienst der Polynesiërs samen en was zoowel op de Sandwich-eilanden, als op Otaheite, Noukahiva, Nieuw-Zeeland enz. in gebruik. Zoo waren bij voorbeeld het vleesch van verschillende dieren en bijna alle tot offeren bestemde zakentaboeten gebruike van de goden en de mannen; de vrouwen waren derhalve van het genot er van uitgesloten. Soms werd een eiland of landstreektaboeverklaard, waarna geen vaartuig of persoon zich derwaarts mocht begeven. In deIsraëlietischeparadijslegende vindt men het zelfde begrip. De vrucht van den boom der kennis des goeds en des kwaads was taboe ten gebruike van Jahve en daarom mochten Adam en Eva er niet van eten. Dat een meisjetaboewerd verklaard voor een of ander opperhoofd, beteekent dus, dat zij uitsluitend voor zijn gebruik werd bestemd, en niemand haar kon huwen, zonder heiligschennis te begaan. Op het breken van de taboe stond de dood.
(4)Bovenal wordt dit bewezen, doordat die apen die plekken blijkbaar bewonderen, er mede pronken en bij wijze van groet aan den beschouwer toedraaien. Zie Darwin’s supplementaire aanteekening, blz. 306.
(5)Vergelijk aant. 2, Deel I, blz.81.
(6)1 Cor. XI, 15; hij voegt er echter bij: „omdat het lang hair voor een decksel haer is gegeven”, en zegt ook (ibid., vers 14): „dat soo een man langh hair draeght, het hem oneere is.”
(7)Of dit ook bij alle vroegere volken zoo is geweest, schijnt min of[377]twijfelachtig. Op de oude Egyptische monumenten (en, naar men verzekert ook op de bouwvallen van Yucatan en Chiapas) zijn de mannen standvastigbruinofrood, de vrouwengeelgekleurd. Waarschijnlijk moet dit echter op een andere wijze worden verklaard, dan door een werkelijk verschil in kleur tusschen de beide seksen bij de oude Egyptenaren en Amerikanen.
(8)Emil Decker, een Duitscher, die langen tijd verblijf hield in Noord-Amerika, meent, dat het roode ras dat zich in de streken van het Alleghany-gebergte heeft gevormd, daar vooraldoor de kleur der omgevingde gele kleur zijner stamouders heeft verloren. Alles is daar rood; roodbruin is er het ijzerhoudend zand en de ijzerhoudende leem; roodbruin de stammen der pijnboomen, ceders en eiken; rood of roodbruin de herten, vossen en konijnen.
Voor een volk dat van de jacht moest leven, was het een voordeel de zelfde kleur te bezitten om meer ongemerkt het wild te kunnen naderen en veiliger te zijn voor roofdieren.
Volgens deze onderstelling zou de roode kleur der inboorlingen van Amerika dus een aanpassing zijn aan de kleur der omgeving.
Omtrent Afrika merkt Decker ter loops op, dat daar eveneens een zekere kleurenharmonie in de verschillende voorwerpen valt waar te nemen. Zoo zijn de gorilla, chimpanzee en groote dikhuidige dieren zwart, evenals de neger. Omtrent de Maleiers en den orang-oetan had hij een soortgelijke opmerking kunnen maken. De gele kleur der Chineezen is in treffende harmonie met den gelen löss-grond, de gele rivieren, gele planten en dieren. Omtrent de woestijnbewonende Arabieren (en hun Semitische stamverwanten) zou hij eveneens zulk een opmerking hebben kunnen maken.
Omtrent het Arische ras merkt R. E. de Haan („Alb. d. Natuur”, 1888, blz. 38, waar hij een referaat omtrent Decker’s hypothese geeft) op, dat de blanke kleur geen aanpassing kan zijn aan de witte poolgewesten, die naar de meest recente meeningen de bakermat van dat ras zouden zijn geweest.[378]
1„Schopenhauer and Darwinism.”, in „Journal of Anthropology”, Jan. 1871, blz. 323.↑2Deze aanhalingen zijn ontleend aan Lawrence („Lectures on Physiology” enz., 1822, blz. 393) die de schoonheid der hoogere klassen in Engeland hieraan toeschrijft, dat zij gedurende langen tijd de schoonste vrouwen voor het huwelijk hebben uitgekozen.↑3„Anthropologie”, „Revue des Cours Scientifiques”, Oct. 1868, blz. 721.↑4„Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel II, blz. 220.↑5Sir J. Lubbock, „The Origin of Civilisation”, 1870, chap. III, vooral blz. 60–67. De heer M’Lennan spreekt in zijn uiterst belangrijk werk over „Primitive Marriage”, 1865, blz. 163, van de vereeniging der beide seksen „in de vroegste tijden als los, voorbijgaand en in zekere mate algemeen.” De heer M’Lennan en Sir J. Lubbock hebben vele bewijzen bijeenverzameld van de uitermate groote losbandigheid der wilden in den tegenwoordigen tijd. De heer L. H. Morgan besluit in zijn belangwekkende verhandeling over het klassificatorische stelsel van bloedverwantschap („Proc. American Acad. of Sciences”, vol. VII, Febr. 1868, blz. 475), dat gedurende de oorspronkelijke tijden de veelwijverij (polygamie) en alle vormen van huwelijk wezenlijk onbekend waren. Uit Sir J. Lubbock’s werk blijkt ook, dat Bachofen insgelijks gelooft, dat oorspronkelijk de communale vermenging heeft geheerscht.↑6„Address to British Association.” „On the Social and Religious Condition of the Lower Races of Man”, 1870, blz. 20.↑7„Origin of Civilisation”, 1870, blz. 86. In de onderscheidene boven aangehaalde werken zal men overvloedige getuigenissen vinden omtrent de verwantschap uitsluitend door de vrouwelijke linie of alleen met den stam.↑8De heer C. Staniland Wake redeneert sterk („Anthropologia”, Maart 1874, blz. 197) tegen de meeningen van drie schrijvers omtrent het vroeger heerschen van bijna algemeene seksueele vermenging (promiscuïteit); en hij meent, dat het klassificatorische stelsel van bloedverwantschap op andere wijze kan worden verklaard.↑9Brehm („Illustr. Thierleben”, Bd. I, blz. 77) zegt, datCynocephalus hamadryasin groote troepen leeft, die tweemaal zooveel volwassen wijfjes als volwassen mannetjes bevatten. Zie Rengger over Amerikaansche veelwijvige (polygame) soorten, en Owen („Anat. of Vertebrates”, vol. III, blz. 746) over Amerikaansche eenwijvige (monogame) soorten. Nog andere aanhalingen zouden hierbij kunnen worden gevoegd.↑10Dr. Savage, in „Boston Journal of Nat. Hist.”, vol. V, 1845–47, blz. 423.↑11„Prehistoric Times”, 1869, blz. 424.↑12Dr. Gerland („Ueber das Aussterben der Naturvölker”, 1868) heeft vele mededeelingen over kindermoord verzameld, zie voornamelijk blz. 27, 52, 54. Azara („Voyages” enz., tome II, blz. 94, 116) behandelt uitvoerig de beweegredenen. Zie ook M’Lennan (ibid., blz. 139) omtrent gevallen in Indië.↑13„Primitive Marriage”, blz. 208; Sir J. Lubbock, „Origin of Civilisation”, blz. 100. Zie ook den heer Morgan, loc. cit., omtrent het vroeger heerschen van veelmannerij (polyandrie).↑14„Voyages” enz., tome II, blz. 92–95.↑15Burchell zegt („Travels inSouth Africa”, vol. II, 1824, blz. 38), dat onder de wilde volken van Zuid-Afrika, noch mannen noch vrouwen ooit hun leven in den ongehuwden staat doorbrengen. Azara („Voyages dans l’Amérique Mérid.”, tome II, 1806, blz. 21) maakt de zelfde opmerking omtrent de wilde Indianen van Zuid-Amerika.↑16„Anthropological Review”, Jan. 1870, blz. XVI.↑17„HetVarieerender Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., deel II, blz. 224–231.↑18Een vernuftig schrijver beweert, op grond van een vergelijking van de schilderijen van Raphael,Rubensen moderne Fransche kunstenaars, dat het denkbeeld van schoonheid zelfs niet door Europa heên het zelfde is; zie de „Lives ofHaydnand Mozart” door M. Bombet, Eng. vert., blz. 278.↑19„Proc. R. Geogr. Soc.”, vol. XV, blz. 47.↑20McKennan, aangehaald door den heer Wake in „Anthropologia”, Oct. 1873, blz. 75.↑21D. Lesley, „Kafir Characterand Customs”, 1871, blz. 4.↑22Azara, „Voyages” enz, tome II, blz. 23. Dobrizhoffer, „An Account of the Abipones”, vol. II, 1822, blz. 207. Williams over de Fidsji-eilanders, aangehaald door Lubbock, „Origin of Civilisation”, 1870, blz. 79. Omtrent de Vuurlanders, King enFitzroy, „Voyages of theAdventureandBeagle”, vol. II, 1839, blz. 121. Omtrent de Kalmukken, de aanhaling van M’Lennan, „Primitive Marriage”, 1865, blz. 32. Omtrent de Maleiers, Lubbock, ibid., blz. 77. De weleerw. heer J. Shooter, „On the Kafirs of Natal”, 1857, blz. 52–60. Omtrent de Bosjesmannen, Burchell, „Travels inS. Africa”, vol. II, 1824, blz. 50.↑23„Contributions to the Theory of Natural Selection”, 1870, blz. 346. De heer Wallace gelooft (blz. 350), „dat de eene of andere intelligente kracht de ontwikkeling van den mensch heeft geleid of bepaald”; en hij beschouwt den haarloozen toestand der huid als een deze meening steunend feit. De weleerw. heer T. R. Stebbing merkt, commentariën op deze meening makende („Transactions of Devonshire Assoc. for Science”, 1870), op, dat, wanneer de heer Wallace „zijn gewone scherpzinnigheid in het vraagstuk van de onbehaardheid van ’s menschen huid had gebruikt, hij wellicht de mogelijkheid zou hebben ingezien, dat zij wegens haar meerdere schoonheid of wegens de gezondheid die het gevolg van meerdere zindelijkheid is, kon zijn gekozen. In elk geval is het bevreemdend, dat hij zich zelfs een hoogere intelligentie kan voorstellen, bezig met haar uit de ruggen te plukken (voor welke het volgens zijn eigen schildering nuttig en noodig zou zijn geweest), opdat de afstammelingen van die arme geschoren drommels na vele sterfgevallen ten gevolge van koude en vochtigheid in den loop van vele generaties”, zouden zijn gedwongen hooger te stijgen op de ladder der beschaving door de uitoefening van onderscheidene kunsten op de door den heer Wallace aangegeven wijze.↑24„Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel II, blz. 380.↑25„Investigations into Military and Anthropological Statistics of American Soldiers”, door B. Gould, 1869, blz. 568.—Er werden zorgvuldige waarnemingen gedaan omtrent de behaardheid van 2129 zwarte en gekleurde soldaten, terwijl zij zich baadden: en als men de uitgegeven tabel inziet, „is het bij den eersten blik reeds duidelijk, dat er in dit opzicht slechts weinig, indien eenig, verschil tusschen en de blanke en zwarte rassen is.” Het is echter zeker, dat de negers in hun oorspronkelijk en veel warmer vaderland Afrika opmerkelijk gladde lichamen hebben. Men moet er bijzonder acht op geven, dat onder bovengenoemde optelling zoowel zuivere zwarten als mulatten waren begrepen; en dit is een ongelukkige omstandigheid, daar volgens het beginsel waarvan ik elders de waarheid heb bewezen, gekruiste rassen uiterst vatbaar zullen zijn om door atavisme tot den oorspronkelijken harigen toestand van hun vroegen, op een aap gelijkenden voorvader terug te keeren.↑26„Ueber die Richtung der Haare am menschlichen Körper” in Müller’s „Archiv für Anat. und Phys.”, 1837, blz. 40.↑27De heer Sproat („Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz. 25) oppert ten opzichte van baardelooze inboorlingen van Vancouver’s Eiland het vermoeden, dat de gewoonte om de haren op het gelaat uit te trekken, „van generatie tot generatie voortgezet, wellicht ten laatste een ras zou voortbrengen, dat zich door een dunnen en verstrooiden baardgroei zou onderscheiden.” De gewoonte zou echter niet zijn ontstaan, tenzij de baard reeds ten gevolge van een of andere daarvan onafhankelijke oorzaak zeer was afgenomen. Wij hebben ook geen enkel direct bewijs, dat het bestendig uittrekken van het haar tot eenig erfelijk gevolg zou leiden. Ten gevolge van deze oorzaak van twijfel, heb ik tot dusverre nog geen gewag gemaakt van de door vele uitstekende ethnologen, bij voorbeeld den heer Gosse van Genève, verdedigde meening, dat kunstmatige wijzigingen van den schedel een neiging tot erfelijkheid hebben. Ik wensch dit besluit niet te bestrijden; en wij weten tegenwoordig door Dr.Brown-Séquard’smerkwaardige waarnemingen, vooral die welke onlangs (1870) aan deBritish Associationzijn medegedeeld, dat bij Guineesche biggetjes de gevolgen van operaties erfelijk zijn(5).↑28„Ueber die Richtung”, ibid., blz. 40.↑29„On the tail-feathers ofMotmots”, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1873, blz. 429.↑30De heer Sproat („Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz. 25) oppert deze zelfde meening. Eenige voorname ethnologen, onder anderen de heer Gosse van Genève, meenen, dat kunstmatige wijzigingen van den schedelvorm een neiging hebben om erfelijk te worden.↑
1„Schopenhauer and Darwinism.”, in „Journal of Anthropology”, Jan. 1871, blz. 323.↑2Deze aanhalingen zijn ontleend aan Lawrence („Lectures on Physiology” enz., 1822, blz. 393) die de schoonheid der hoogere klassen in Engeland hieraan toeschrijft, dat zij gedurende langen tijd de schoonste vrouwen voor het huwelijk hebben uitgekozen.↑3„Anthropologie”, „Revue des Cours Scientifiques”, Oct. 1868, blz. 721.↑4„Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel II, blz. 220.↑5Sir J. Lubbock, „The Origin of Civilisation”, 1870, chap. III, vooral blz. 60–67. De heer M’Lennan spreekt in zijn uiterst belangrijk werk over „Primitive Marriage”, 1865, blz. 163, van de vereeniging der beide seksen „in de vroegste tijden als los, voorbijgaand en in zekere mate algemeen.” De heer M’Lennan en Sir J. Lubbock hebben vele bewijzen bijeenverzameld van de uitermate groote losbandigheid der wilden in den tegenwoordigen tijd. De heer L. H. Morgan besluit in zijn belangwekkende verhandeling over het klassificatorische stelsel van bloedverwantschap („Proc. American Acad. of Sciences”, vol. VII, Febr. 1868, blz. 475), dat gedurende de oorspronkelijke tijden de veelwijverij (polygamie) en alle vormen van huwelijk wezenlijk onbekend waren. Uit Sir J. Lubbock’s werk blijkt ook, dat Bachofen insgelijks gelooft, dat oorspronkelijk de communale vermenging heeft geheerscht.↑6„Address to British Association.” „On the Social and Religious Condition of the Lower Races of Man”, 1870, blz. 20.↑7„Origin of Civilisation”, 1870, blz. 86. In de onderscheidene boven aangehaalde werken zal men overvloedige getuigenissen vinden omtrent de verwantschap uitsluitend door de vrouwelijke linie of alleen met den stam.↑8De heer C. Staniland Wake redeneert sterk („Anthropologia”, Maart 1874, blz. 197) tegen de meeningen van drie schrijvers omtrent het vroeger heerschen van bijna algemeene seksueele vermenging (promiscuïteit); en hij meent, dat het klassificatorische stelsel van bloedverwantschap op andere wijze kan worden verklaard.↑9Brehm („Illustr. Thierleben”, Bd. I, blz. 77) zegt, datCynocephalus hamadryasin groote troepen leeft, die tweemaal zooveel volwassen wijfjes als volwassen mannetjes bevatten. Zie Rengger over Amerikaansche veelwijvige (polygame) soorten, en Owen („Anat. of Vertebrates”, vol. III, blz. 746) over Amerikaansche eenwijvige (monogame) soorten. Nog andere aanhalingen zouden hierbij kunnen worden gevoegd.↑10Dr. Savage, in „Boston Journal of Nat. Hist.”, vol. V, 1845–47, blz. 423.↑11„Prehistoric Times”, 1869, blz. 424.↑12Dr. Gerland („Ueber das Aussterben der Naturvölker”, 1868) heeft vele mededeelingen over kindermoord verzameld, zie voornamelijk blz. 27, 52, 54. Azara („Voyages” enz., tome II, blz. 94, 116) behandelt uitvoerig de beweegredenen. Zie ook M’Lennan (ibid., blz. 139) omtrent gevallen in Indië.↑13„Primitive Marriage”, blz. 208; Sir J. Lubbock, „Origin of Civilisation”, blz. 100. Zie ook den heer Morgan, loc. cit., omtrent het vroeger heerschen van veelmannerij (polyandrie).↑14„Voyages” enz., tome II, blz. 92–95.↑15Burchell zegt („Travels inSouth Africa”, vol. II, 1824, blz. 38), dat onder de wilde volken van Zuid-Afrika, noch mannen noch vrouwen ooit hun leven in den ongehuwden staat doorbrengen. Azara („Voyages dans l’Amérique Mérid.”, tome II, 1806, blz. 21) maakt de zelfde opmerking omtrent de wilde Indianen van Zuid-Amerika.↑16„Anthropological Review”, Jan. 1870, blz. XVI.↑17„HetVarieerender Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., deel II, blz. 224–231.↑18Een vernuftig schrijver beweert, op grond van een vergelijking van de schilderijen van Raphael,Rubensen moderne Fransche kunstenaars, dat het denkbeeld van schoonheid zelfs niet door Europa heên het zelfde is; zie de „Lives ofHaydnand Mozart” door M. Bombet, Eng. vert., blz. 278.↑19„Proc. R. Geogr. Soc.”, vol. XV, blz. 47.↑20McKennan, aangehaald door den heer Wake in „Anthropologia”, Oct. 1873, blz. 75.↑21D. Lesley, „Kafir Characterand Customs”, 1871, blz. 4.↑22Azara, „Voyages” enz, tome II, blz. 23. Dobrizhoffer, „An Account of the Abipones”, vol. II, 1822, blz. 207. Williams over de Fidsji-eilanders, aangehaald door Lubbock, „Origin of Civilisation”, 1870, blz. 79. Omtrent de Vuurlanders, King enFitzroy, „Voyages of theAdventureandBeagle”, vol. II, 1839, blz. 121. Omtrent de Kalmukken, de aanhaling van M’Lennan, „Primitive Marriage”, 1865, blz. 32. Omtrent de Maleiers, Lubbock, ibid., blz. 77. De weleerw. heer J. Shooter, „On the Kafirs of Natal”, 1857, blz. 52–60. Omtrent de Bosjesmannen, Burchell, „Travels inS. Africa”, vol. II, 1824, blz. 50.↑23„Contributions to the Theory of Natural Selection”, 1870, blz. 346. De heer Wallace gelooft (blz. 350), „dat de eene of andere intelligente kracht de ontwikkeling van den mensch heeft geleid of bepaald”; en hij beschouwt den haarloozen toestand der huid als een deze meening steunend feit. De weleerw. heer T. R. Stebbing merkt, commentariën op deze meening makende („Transactions of Devonshire Assoc. for Science”, 1870), op, dat, wanneer de heer Wallace „zijn gewone scherpzinnigheid in het vraagstuk van de onbehaardheid van ’s menschen huid had gebruikt, hij wellicht de mogelijkheid zou hebben ingezien, dat zij wegens haar meerdere schoonheid of wegens de gezondheid die het gevolg van meerdere zindelijkheid is, kon zijn gekozen. In elk geval is het bevreemdend, dat hij zich zelfs een hoogere intelligentie kan voorstellen, bezig met haar uit de ruggen te plukken (voor welke het volgens zijn eigen schildering nuttig en noodig zou zijn geweest), opdat de afstammelingen van die arme geschoren drommels na vele sterfgevallen ten gevolge van koude en vochtigheid in den loop van vele generaties”, zouden zijn gedwongen hooger te stijgen op de ladder der beschaving door de uitoefening van onderscheidene kunsten op de door den heer Wallace aangegeven wijze.↑24„Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel II, blz. 380.↑25„Investigations into Military and Anthropological Statistics of American Soldiers”, door B. Gould, 1869, blz. 568.—Er werden zorgvuldige waarnemingen gedaan omtrent de behaardheid van 2129 zwarte en gekleurde soldaten, terwijl zij zich baadden: en als men de uitgegeven tabel inziet, „is het bij den eersten blik reeds duidelijk, dat er in dit opzicht slechts weinig, indien eenig, verschil tusschen en de blanke en zwarte rassen is.” Het is echter zeker, dat de negers in hun oorspronkelijk en veel warmer vaderland Afrika opmerkelijk gladde lichamen hebben. Men moet er bijzonder acht op geven, dat onder bovengenoemde optelling zoowel zuivere zwarten als mulatten waren begrepen; en dit is een ongelukkige omstandigheid, daar volgens het beginsel waarvan ik elders de waarheid heb bewezen, gekruiste rassen uiterst vatbaar zullen zijn om door atavisme tot den oorspronkelijken harigen toestand van hun vroegen, op een aap gelijkenden voorvader terug te keeren.↑26„Ueber die Richtung der Haare am menschlichen Körper” in Müller’s „Archiv für Anat. und Phys.”, 1837, blz. 40.↑27De heer Sproat („Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz. 25) oppert ten opzichte van baardelooze inboorlingen van Vancouver’s Eiland het vermoeden, dat de gewoonte om de haren op het gelaat uit te trekken, „van generatie tot generatie voortgezet, wellicht ten laatste een ras zou voortbrengen, dat zich door een dunnen en verstrooiden baardgroei zou onderscheiden.” De gewoonte zou echter niet zijn ontstaan, tenzij de baard reeds ten gevolge van een of andere daarvan onafhankelijke oorzaak zeer was afgenomen. Wij hebben ook geen enkel direct bewijs, dat het bestendig uittrekken van het haar tot eenig erfelijk gevolg zou leiden. Ten gevolge van deze oorzaak van twijfel, heb ik tot dusverre nog geen gewag gemaakt van de door vele uitstekende ethnologen, bij voorbeeld den heer Gosse van Genève, verdedigde meening, dat kunstmatige wijzigingen van den schedel een neiging tot erfelijkheid hebben. Ik wensch dit besluit niet te bestrijden; en wij weten tegenwoordig door Dr.Brown-Séquard’smerkwaardige waarnemingen, vooral die welke onlangs (1870) aan deBritish Associationzijn medegedeeld, dat bij Guineesche biggetjes de gevolgen van operaties erfelijk zijn(5).↑28„Ueber die Richtung”, ibid., blz. 40.↑29„On the tail-feathers ofMotmots”, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1873, blz. 429.↑30De heer Sproat („Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz. 25) oppert deze zelfde meening. Eenige voorname ethnologen, onder anderen de heer Gosse van Genève, meenen, dat kunstmatige wijzigingen van den schedelvorm een neiging hebben om erfelijk te worden.↑
1„Schopenhauer and Darwinism.”, in „Journal of Anthropology”, Jan. 1871, blz. 323.↑
1„Schopenhauer and Darwinism.”, in „Journal of Anthropology”, Jan. 1871, blz. 323.↑
2Deze aanhalingen zijn ontleend aan Lawrence („Lectures on Physiology” enz., 1822, blz. 393) die de schoonheid der hoogere klassen in Engeland hieraan toeschrijft, dat zij gedurende langen tijd de schoonste vrouwen voor het huwelijk hebben uitgekozen.↑
2Deze aanhalingen zijn ontleend aan Lawrence („Lectures on Physiology” enz., 1822, blz. 393) die de schoonheid der hoogere klassen in Engeland hieraan toeschrijft, dat zij gedurende langen tijd de schoonste vrouwen voor het huwelijk hebben uitgekozen.↑
3„Anthropologie”, „Revue des Cours Scientifiques”, Oct. 1868, blz. 721.↑
3„Anthropologie”, „Revue des Cours Scientifiques”, Oct. 1868, blz. 721.↑
4„Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel II, blz. 220.↑
4„Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel II, blz. 220.↑
5Sir J. Lubbock, „The Origin of Civilisation”, 1870, chap. III, vooral blz. 60–67. De heer M’Lennan spreekt in zijn uiterst belangrijk werk over „Primitive Marriage”, 1865, blz. 163, van de vereeniging der beide seksen „in de vroegste tijden als los, voorbijgaand en in zekere mate algemeen.” De heer M’Lennan en Sir J. Lubbock hebben vele bewijzen bijeenverzameld van de uitermate groote losbandigheid der wilden in den tegenwoordigen tijd. De heer L. H. Morgan besluit in zijn belangwekkende verhandeling over het klassificatorische stelsel van bloedverwantschap („Proc. American Acad. of Sciences”, vol. VII, Febr. 1868, blz. 475), dat gedurende de oorspronkelijke tijden de veelwijverij (polygamie) en alle vormen van huwelijk wezenlijk onbekend waren. Uit Sir J. Lubbock’s werk blijkt ook, dat Bachofen insgelijks gelooft, dat oorspronkelijk de communale vermenging heeft geheerscht.↑
5Sir J. Lubbock, „The Origin of Civilisation”, 1870, chap. III, vooral blz. 60–67. De heer M’Lennan spreekt in zijn uiterst belangrijk werk over „Primitive Marriage”, 1865, blz. 163, van de vereeniging der beide seksen „in de vroegste tijden als los, voorbijgaand en in zekere mate algemeen.” De heer M’Lennan en Sir J. Lubbock hebben vele bewijzen bijeenverzameld van de uitermate groote losbandigheid der wilden in den tegenwoordigen tijd. De heer L. H. Morgan besluit in zijn belangwekkende verhandeling over het klassificatorische stelsel van bloedverwantschap („Proc. American Acad. of Sciences”, vol. VII, Febr. 1868, blz. 475), dat gedurende de oorspronkelijke tijden de veelwijverij (polygamie) en alle vormen van huwelijk wezenlijk onbekend waren. Uit Sir J. Lubbock’s werk blijkt ook, dat Bachofen insgelijks gelooft, dat oorspronkelijk de communale vermenging heeft geheerscht.↑
6„Address to British Association.” „On the Social and Religious Condition of the Lower Races of Man”, 1870, blz. 20.↑
6„Address to British Association.” „On the Social and Religious Condition of the Lower Races of Man”, 1870, blz. 20.↑
7„Origin of Civilisation”, 1870, blz. 86. In de onderscheidene boven aangehaalde werken zal men overvloedige getuigenissen vinden omtrent de verwantschap uitsluitend door de vrouwelijke linie of alleen met den stam.↑
7„Origin of Civilisation”, 1870, blz. 86. In de onderscheidene boven aangehaalde werken zal men overvloedige getuigenissen vinden omtrent de verwantschap uitsluitend door de vrouwelijke linie of alleen met den stam.↑
8De heer C. Staniland Wake redeneert sterk („Anthropologia”, Maart 1874, blz. 197) tegen de meeningen van drie schrijvers omtrent het vroeger heerschen van bijna algemeene seksueele vermenging (promiscuïteit); en hij meent, dat het klassificatorische stelsel van bloedverwantschap op andere wijze kan worden verklaard.↑
8De heer C. Staniland Wake redeneert sterk („Anthropologia”, Maart 1874, blz. 197) tegen de meeningen van drie schrijvers omtrent het vroeger heerschen van bijna algemeene seksueele vermenging (promiscuïteit); en hij meent, dat het klassificatorische stelsel van bloedverwantschap op andere wijze kan worden verklaard.↑
9Brehm („Illustr. Thierleben”, Bd. I, blz. 77) zegt, datCynocephalus hamadryasin groote troepen leeft, die tweemaal zooveel volwassen wijfjes als volwassen mannetjes bevatten. Zie Rengger over Amerikaansche veelwijvige (polygame) soorten, en Owen („Anat. of Vertebrates”, vol. III, blz. 746) over Amerikaansche eenwijvige (monogame) soorten. Nog andere aanhalingen zouden hierbij kunnen worden gevoegd.↑
9Brehm („Illustr. Thierleben”, Bd. I, blz. 77) zegt, datCynocephalus hamadryasin groote troepen leeft, die tweemaal zooveel volwassen wijfjes als volwassen mannetjes bevatten. Zie Rengger over Amerikaansche veelwijvige (polygame) soorten, en Owen („Anat. of Vertebrates”, vol. III, blz. 746) over Amerikaansche eenwijvige (monogame) soorten. Nog andere aanhalingen zouden hierbij kunnen worden gevoegd.↑
10Dr. Savage, in „Boston Journal of Nat. Hist.”, vol. V, 1845–47, blz. 423.↑
10Dr. Savage, in „Boston Journal of Nat. Hist.”, vol. V, 1845–47, blz. 423.↑
11„Prehistoric Times”, 1869, blz. 424.↑
11„Prehistoric Times”, 1869, blz. 424.↑
12Dr. Gerland („Ueber das Aussterben der Naturvölker”, 1868) heeft vele mededeelingen over kindermoord verzameld, zie voornamelijk blz. 27, 52, 54. Azara („Voyages” enz., tome II, blz. 94, 116) behandelt uitvoerig de beweegredenen. Zie ook M’Lennan (ibid., blz. 139) omtrent gevallen in Indië.↑
12Dr. Gerland („Ueber das Aussterben der Naturvölker”, 1868) heeft vele mededeelingen over kindermoord verzameld, zie voornamelijk blz. 27, 52, 54. Azara („Voyages” enz., tome II, blz. 94, 116) behandelt uitvoerig de beweegredenen. Zie ook M’Lennan (ibid., blz. 139) omtrent gevallen in Indië.↑
13„Primitive Marriage”, blz. 208; Sir J. Lubbock, „Origin of Civilisation”, blz. 100. Zie ook den heer Morgan, loc. cit., omtrent het vroeger heerschen van veelmannerij (polyandrie).↑
13„Primitive Marriage”, blz. 208; Sir J. Lubbock, „Origin of Civilisation”, blz. 100. Zie ook den heer Morgan, loc. cit., omtrent het vroeger heerschen van veelmannerij (polyandrie).↑
14„Voyages” enz., tome II, blz. 92–95.↑
14„Voyages” enz., tome II, blz. 92–95.↑
15Burchell zegt („Travels inSouth Africa”, vol. II, 1824, blz. 38), dat onder de wilde volken van Zuid-Afrika, noch mannen noch vrouwen ooit hun leven in den ongehuwden staat doorbrengen. Azara („Voyages dans l’Amérique Mérid.”, tome II, 1806, blz. 21) maakt de zelfde opmerking omtrent de wilde Indianen van Zuid-Amerika.↑
15Burchell zegt („Travels inSouth Africa”, vol. II, 1824, blz. 38), dat onder de wilde volken van Zuid-Afrika, noch mannen noch vrouwen ooit hun leven in den ongehuwden staat doorbrengen. Azara („Voyages dans l’Amérique Mérid.”, tome II, 1806, blz. 21) maakt de zelfde opmerking omtrent de wilde Indianen van Zuid-Amerika.↑
16„Anthropological Review”, Jan. 1870, blz. XVI.↑
16„Anthropological Review”, Jan. 1870, blz. XVI.↑
17„HetVarieerender Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., deel II, blz. 224–231.↑
17„HetVarieerender Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., deel II, blz. 224–231.↑
18Een vernuftig schrijver beweert, op grond van een vergelijking van de schilderijen van Raphael,Rubensen moderne Fransche kunstenaars, dat het denkbeeld van schoonheid zelfs niet door Europa heên het zelfde is; zie de „Lives ofHaydnand Mozart” door M. Bombet, Eng. vert., blz. 278.↑
18Een vernuftig schrijver beweert, op grond van een vergelijking van de schilderijen van Raphael,Rubensen moderne Fransche kunstenaars, dat het denkbeeld van schoonheid zelfs niet door Europa heên het zelfde is; zie de „Lives ofHaydnand Mozart” door M. Bombet, Eng. vert., blz. 278.↑
19„Proc. R. Geogr. Soc.”, vol. XV, blz. 47.↑
19„Proc. R. Geogr. Soc.”, vol. XV, blz. 47.↑
20McKennan, aangehaald door den heer Wake in „Anthropologia”, Oct. 1873, blz. 75.↑
20McKennan, aangehaald door den heer Wake in „Anthropologia”, Oct. 1873, blz. 75.↑
21D. Lesley, „Kafir Characterand Customs”, 1871, blz. 4.↑
21D. Lesley, „Kafir Characterand Customs”, 1871, blz. 4.↑
22Azara, „Voyages” enz, tome II, blz. 23. Dobrizhoffer, „An Account of the Abipones”, vol. II, 1822, blz. 207. Williams over de Fidsji-eilanders, aangehaald door Lubbock, „Origin of Civilisation”, 1870, blz. 79. Omtrent de Vuurlanders, King enFitzroy, „Voyages of theAdventureandBeagle”, vol. II, 1839, blz. 121. Omtrent de Kalmukken, de aanhaling van M’Lennan, „Primitive Marriage”, 1865, blz. 32. Omtrent de Maleiers, Lubbock, ibid., blz. 77. De weleerw. heer J. Shooter, „On the Kafirs of Natal”, 1857, blz. 52–60. Omtrent de Bosjesmannen, Burchell, „Travels inS. Africa”, vol. II, 1824, blz. 50.↑
22Azara, „Voyages” enz, tome II, blz. 23. Dobrizhoffer, „An Account of the Abipones”, vol. II, 1822, blz. 207. Williams over de Fidsji-eilanders, aangehaald door Lubbock, „Origin of Civilisation”, 1870, blz. 79. Omtrent de Vuurlanders, King enFitzroy, „Voyages of theAdventureandBeagle”, vol. II, 1839, blz. 121. Omtrent de Kalmukken, de aanhaling van M’Lennan, „Primitive Marriage”, 1865, blz. 32. Omtrent de Maleiers, Lubbock, ibid., blz. 77. De weleerw. heer J. Shooter, „On the Kafirs of Natal”, 1857, blz. 52–60. Omtrent de Bosjesmannen, Burchell, „Travels inS. Africa”, vol. II, 1824, blz. 50.↑
23„Contributions to the Theory of Natural Selection”, 1870, blz. 346. De heer Wallace gelooft (blz. 350), „dat de eene of andere intelligente kracht de ontwikkeling van den mensch heeft geleid of bepaald”; en hij beschouwt den haarloozen toestand der huid als een deze meening steunend feit. De weleerw. heer T. R. Stebbing merkt, commentariën op deze meening makende („Transactions of Devonshire Assoc. for Science”, 1870), op, dat, wanneer de heer Wallace „zijn gewone scherpzinnigheid in het vraagstuk van de onbehaardheid van ’s menschen huid had gebruikt, hij wellicht de mogelijkheid zou hebben ingezien, dat zij wegens haar meerdere schoonheid of wegens de gezondheid die het gevolg van meerdere zindelijkheid is, kon zijn gekozen. In elk geval is het bevreemdend, dat hij zich zelfs een hoogere intelligentie kan voorstellen, bezig met haar uit de ruggen te plukken (voor welke het volgens zijn eigen schildering nuttig en noodig zou zijn geweest), opdat de afstammelingen van die arme geschoren drommels na vele sterfgevallen ten gevolge van koude en vochtigheid in den loop van vele generaties”, zouden zijn gedwongen hooger te stijgen op de ladder der beschaving door de uitoefening van onderscheidene kunsten op de door den heer Wallace aangegeven wijze.↑
23„Contributions to the Theory of Natural Selection”, 1870, blz. 346. De heer Wallace gelooft (blz. 350), „dat de eene of andere intelligente kracht de ontwikkeling van den mensch heeft geleid of bepaald”; en hij beschouwt den haarloozen toestand der huid als een deze meening steunend feit. De weleerw. heer T. R. Stebbing merkt, commentariën op deze meening makende („Transactions of Devonshire Assoc. for Science”, 1870), op, dat, wanneer de heer Wallace „zijn gewone scherpzinnigheid in het vraagstuk van de onbehaardheid van ’s menschen huid had gebruikt, hij wellicht de mogelijkheid zou hebben ingezien, dat zij wegens haar meerdere schoonheid of wegens de gezondheid die het gevolg van meerdere zindelijkheid is, kon zijn gekozen. In elk geval is het bevreemdend, dat hij zich zelfs een hoogere intelligentie kan voorstellen, bezig met haar uit de ruggen te plukken (voor welke het volgens zijn eigen schildering nuttig en noodig zou zijn geweest), opdat de afstammelingen van die arme geschoren drommels na vele sterfgevallen ten gevolge van koude en vochtigheid in den loop van vele generaties”, zouden zijn gedwongen hooger te stijgen op de ladder der beschaving door de uitoefening van onderscheidene kunsten op de door den heer Wallace aangegeven wijze.↑
24„Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel II, blz. 380.↑
24„Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel II, blz. 380.↑
25„Investigations into Military and Anthropological Statistics of American Soldiers”, door B. Gould, 1869, blz. 568.—Er werden zorgvuldige waarnemingen gedaan omtrent de behaardheid van 2129 zwarte en gekleurde soldaten, terwijl zij zich baadden: en als men de uitgegeven tabel inziet, „is het bij den eersten blik reeds duidelijk, dat er in dit opzicht slechts weinig, indien eenig, verschil tusschen en de blanke en zwarte rassen is.” Het is echter zeker, dat de negers in hun oorspronkelijk en veel warmer vaderland Afrika opmerkelijk gladde lichamen hebben. Men moet er bijzonder acht op geven, dat onder bovengenoemde optelling zoowel zuivere zwarten als mulatten waren begrepen; en dit is een ongelukkige omstandigheid, daar volgens het beginsel waarvan ik elders de waarheid heb bewezen, gekruiste rassen uiterst vatbaar zullen zijn om door atavisme tot den oorspronkelijken harigen toestand van hun vroegen, op een aap gelijkenden voorvader terug te keeren.↑
25„Investigations into Military and Anthropological Statistics of American Soldiers”, door B. Gould, 1869, blz. 568.—Er werden zorgvuldige waarnemingen gedaan omtrent de behaardheid van 2129 zwarte en gekleurde soldaten, terwijl zij zich baadden: en als men de uitgegeven tabel inziet, „is het bij den eersten blik reeds duidelijk, dat er in dit opzicht slechts weinig, indien eenig, verschil tusschen en de blanke en zwarte rassen is.” Het is echter zeker, dat de negers in hun oorspronkelijk en veel warmer vaderland Afrika opmerkelijk gladde lichamen hebben. Men moet er bijzonder acht op geven, dat onder bovengenoemde optelling zoowel zuivere zwarten als mulatten waren begrepen; en dit is een ongelukkige omstandigheid, daar volgens het beginsel waarvan ik elders de waarheid heb bewezen, gekruiste rassen uiterst vatbaar zullen zijn om door atavisme tot den oorspronkelijken harigen toestand van hun vroegen, op een aap gelijkenden voorvader terug te keeren.↑
26„Ueber die Richtung der Haare am menschlichen Körper” in Müller’s „Archiv für Anat. und Phys.”, 1837, blz. 40.↑
26„Ueber die Richtung der Haare am menschlichen Körper” in Müller’s „Archiv für Anat. und Phys.”, 1837, blz. 40.↑
27De heer Sproat („Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz. 25) oppert ten opzichte van baardelooze inboorlingen van Vancouver’s Eiland het vermoeden, dat de gewoonte om de haren op het gelaat uit te trekken, „van generatie tot generatie voortgezet, wellicht ten laatste een ras zou voortbrengen, dat zich door een dunnen en verstrooiden baardgroei zou onderscheiden.” De gewoonte zou echter niet zijn ontstaan, tenzij de baard reeds ten gevolge van een of andere daarvan onafhankelijke oorzaak zeer was afgenomen. Wij hebben ook geen enkel direct bewijs, dat het bestendig uittrekken van het haar tot eenig erfelijk gevolg zou leiden. Ten gevolge van deze oorzaak van twijfel, heb ik tot dusverre nog geen gewag gemaakt van de door vele uitstekende ethnologen, bij voorbeeld den heer Gosse van Genève, verdedigde meening, dat kunstmatige wijzigingen van den schedel een neiging tot erfelijkheid hebben. Ik wensch dit besluit niet te bestrijden; en wij weten tegenwoordig door Dr.Brown-Séquard’smerkwaardige waarnemingen, vooral die welke onlangs (1870) aan deBritish Associationzijn medegedeeld, dat bij Guineesche biggetjes de gevolgen van operaties erfelijk zijn(5).↑
27De heer Sproat („Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz. 25) oppert ten opzichte van baardelooze inboorlingen van Vancouver’s Eiland het vermoeden, dat de gewoonte om de haren op het gelaat uit te trekken, „van generatie tot generatie voortgezet, wellicht ten laatste een ras zou voortbrengen, dat zich door een dunnen en verstrooiden baardgroei zou onderscheiden.” De gewoonte zou echter niet zijn ontstaan, tenzij de baard reeds ten gevolge van een of andere daarvan onafhankelijke oorzaak zeer was afgenomen. Wij hebben ook geen enkel direct bewijs, dat het bestendig uittrekken van het haar tot eenig erfelijk gevolg zou leiden. Ten gevolge van deze oorzaak van twijfel, heb ik tot dusverre nog geen gewag gemaakt van de door vele uitstekende ethnologen, bij voorbeeld den heer Gosse van Genève, verdedigde meening, dat kunstmatige wijzigingen van den schedel een neiging tot erfelijkheid hebben. Ik wensch dit besluit niet te bestrijden; en wij weten tegenwoordig door Dr.Brown-Séquard’smerkwaardige waarnemingen, vooral die welke onlangs (1870) aan deBritish Associationzijn medegedeeld, dat bij Guineesche biggetjes de gevolgen van operaties erfelijk zijn(5).↑
28„Ueber die Richtung”, ibid., blz. 40.↑
28„Ueber die Richtung”, ibid., blz. 40.↑
29„On the tail-feathers ofMotmots”, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1873, blz. 429.↑
29„On the tail-feathers ofMotmots”, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1873, blz. 429.↑
30De heer Sproat („Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz. 25) oppert deze zelfde meening. Eenige voorname ethnologen, onder anderen de heer Gosse van Genève, meenen, dat kunstmatige wijzigingen van den schedelvorm een neiging hebben om erfelijk te worden.↑
30De heer Sproat („Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz. 25) oppert deze zelfde meening. Eenige voorname ethnologen, onder anderen de heer Gosse van Genève, meenen, dat kunstmatige wijzigingen van den schedelvorm een neiging hebben om erfelijk te worden.↑