[Inhoud]ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE ZOOGDIEREN.Kampstrijd tusschen de mannetjes.—Bijzondere wapenen, tot hen alleen beperkt.—Oorzaak van het ontbreken der wapenen bij het wijfje.—Wapenen aan beide seksen gemeen, toch oorspronkelijk eerst door het mannetje verkregen.—Andere gebruiken van dergelijke wapenen.—Hun hooge belangrijkheid.—Meerdere grootte van het mannetje.—Verdedigingsmiddelen.—Over de voorkeur, door elk der beide seksen betoond bij de paring van viervoetige dieren.Bij de Zoogdieren schijnt het mannetje het wijfje veel meer te verkrijgen door den kampstrijd met zijn medeminnaars, dan door het pronken met zijn bekoorlijkheden. De vreesachtigste dieren die volstrekt geen bijzondere wapenen voor den strijd bezitten, leveren elkander gedurende den paartijd wanhopige gevechten. Men heeft twee rammelaars (mannelijke hazen) met elkander zien vechten, totdat de eene was gedood; mannelijke mollen vechten dikwijls en niet zelden met noodlottig gevolg; mannelijke eekhoorns „bekampen elkander dikwijls en brengen elkander daarbij meermalen zware wonden toe”; de mannelijke bevers handelen evenzoo, „zoodat nauwelijks een vel zonder litteekens is.”1Ik nam het zelfde waar bij de huiden der wilde lama’s(1)in Patagonië; en eens waren verscheidene hunner zoo verdiept in het gevecht, dat zij zonder vrees tot in mijn onmiddellijke nabijheid kwamen. Livingstone zegt, dat de mannetjes der vele dieren van Zuid-Afrika bijna altijd litteekens vertoonen van in vroegere gevechten ontvangen wonden.De wet van den strijd heerscht zoowel bij de zoogdieren welke het water, als bij die welke het land bewonen. Het is bekend, hoe wanhopend de mannelijke zeehonden, zoowel met hun tanden als met hun[226]klauwen, gedurende den paartijd vechten, en hun huid is ook dikwijls met litteekens bedekt. De mannelijke cachelotten zijn in dien tijd zeer ijverzuchtig en in hun gevechten „geraken zij dikwijls met hun kaken in elkander verward, en gaan op hun zijde liggen en draaien zich rond”, zoodat door sommige natuuronderzoekers wordt geloofd, dat de veelvuldig voorkomende misvormingen van hun onderkaken door deze gevechten worden veroorzaakt.2Van alle mannelijke dieren die van bijzondere wapenen voor het gevecht zijn voorzien, is het bekend, dat zij elkander vinnig bevechten. De moed en wanhopende gevechten van herten zijn dikwijls beschreven; in verschillende werelddeelen heeft men hun geraamten gevonden, met de horens onontwarbaar in elkander gestrengeld, aantoonende, hoe ellendig overwinnaar en overwonnene waren omgekomen.3Geen dier ter wereld is zoo gevaarlijk als de olifant in den bronstijd. Lord Tankerville heeft mij een levendige beschrijving gegeven van de gevechten tusschen de wilde stieren van Chillingham Park, de afstammelingen ontaard in lichaamsgrootte, maar niet in moed, van het reusachtige rund der voorwereld (Bos primigenius).(2)In 1861 streden verscheidene met elkander om de oppermacht; en men nam waar, dat twee van de jongere stieren den ouden leider van de kudde gezamenlijk aanvielen, hem overwonnen en buiten gevecht stelden, zoodat de boschwachters geloofden, dat hij doodelijk gewond in een naburig woud lag. Doch eenige weinige dagen later naderde een van de jonge stieren alleen het woud; en toen kwam de „koning der jacht” die zich slechts om wraak te nemen, schuil had gehouden, daaruit te voorschijn en doodde in korten tijd zijn tegenstander. Daarna begaf hij zich wederom rustig naar de kudde en voerde daar nog langen tijd onbetwist de heerschappij. Admiraal Sir B. J. Sulivan meldt mij, dat hij, toen hij op de Falklands-eilanden verblijf hield, een jongen Engelschen hengst invoerde, die met acht merries de heuvels nabij Port[227]William veelvuldig bezocht. Op deze heuvels bevonden zich twee wilde hengsten, elk met een kleine kudde merries; „en het is zeker, dat deze hengsten elkander nooit zouden zijn genaderd zonder te vechten.” Beide hadden afzonderlijk beproefd met den Engelschen hengst te vechten en zijn merries weg te drijven, doch waren daarin niet geslaagd. Op zekeren dag kwamen zijte zamenen vielen hem aan. Dit werd gezien door den kapitein aan wien de zorg voor de paarden was opgedragen, en die, naar de plaats toe rijdende, een van de beide hengsten met den Engelschen hengst in gevecht vond, terwijl de andere bezig was de merries weg te drijven, en er reeds vier van de overige had gescheiden. De kapitein maakte een einde aan de zaak, door het geheele gezelschap in de kraal („corral”) te drijven; want de wilde hengsten wilden de merries niet verlaten.Mannelijke dieren die reeds met toereikend snijdende of scheurende tanden voor de gewone doeleinden van het leven zijn voorzien, zooals bij de Verscheurende Dieren (Carnivora), Insektenvreters (Insectivora) en Knaagdieren (Rodentia), zijn zelden van wapenen voorzien, die bijzonder zijn ingericht voor den kamp met hun medeminnaars. Met de mannetjes van vele andere dieren is het echter een geheel ander geval. Wij zien dit aan de horens der herten en van zekere soorten van antilopen, bij welke de wijfjes ongehorend zijn. Bij vele dieren zijn de hondstanden in de boven- of benedenkaak, of in beide, veel grooter bij de mannetjes dan bij de wijfjes, of ontbreken bij deze laatsten, met uitzondering somtijds van een verborgen rudiment. Sommige antilopen, het muskusdier, de kameel, het paard, het wilde zwijn, onderscheidene apen,robben en de walrus leveren voorbeelden van de onderscheidene gevallen op. Bij de wijfjes van den walrus ontbreken de slagtanden somtijds geheel.4Bij den mannelijken Indischen olifant en bij den mannelijken dugong5vormen de snijtanden van de bovenkaak aanvallende wapenen. Bij den mannelijken narwal of zeeëenhoren is slechts een van de tanden der bovenkaak ontwikkeld tot den welbekenden, spiraalvormig gewonden, zoogenaamden horen die somtijds van2,7tot 3 meter lengte heeft.[228]Men gelooft, dat de mannetjes deze horens gebruiken om met elkander te vechten; want „een ongebroken horen kan men slechts zelden verkrijgen, en nu en dan vindt men een waarbij de punt van een anderen in de gebroken plaats is vastgeklemd”.6De tand aan de tegenovergestelde zijde van den kop van het mannetje bestaat uit een rudiment van omstreeks 25 centimeter lengte, dat door de kaak wordt omsloten. Het is echter geen zeer groote zeldzaamheid om tweehoornige narwals te vinden, bij welke beide tanden goed zijn ontwikkeld.Bij de wijfjes zijn beide tanden rudimentair. De mannelijke cachelot heeft een grooter kop dan de vrouwelijke, en deze helpt ongetwijfeld deze dieren bij hun zeegevechten. Het mannetje van het vogelbekdier (Ornithorhynchus) eindelijk is van een merkwaardigen toestel voorzien, namelijk van een spoor aan den achtervoet, die zeer veel gelijkt op den gifttand van een vergiftige slang; het gebruik daarvan is niet bekend; maar wij mogen veronderstellen, dat zij tot aanvallend wapen dient.7Bij het wijfje wordt zij alleen door een rudiment vertegenwoordigd.(3)Als de mannetjes van wapens zijn voorzien, die de wijfjes niet bezitten, kan het nauwelijks worden betwijfeld, dat zij worden gebruikt om met andere mannetjes te vechten, en dat zij door seksueele teeltkeus zijn verkregen. Het is niet waarschijnlijk, ten minste in de meeste gevallen, dat de wijfjes dergelijke wapenen niet hebben verkregen, omdat zij nutteloos en overtollig, of op de eene of andere wijze nadeelig waren. Daar zij dikwijls door de mannetjes van vele dieren voor verschillende doeleinden, meer in het bijzonder als verdedigingsmiddel tegen hun vijanden worden gebruikt, is het integendeel een verwonderingwekkend feit, dat zij bij de wijfjes zoo armelijk zijn ontwikkeld of geheel ontbreken. Ongetwijfeld zou bij de hinde de ontwikkeling gedurende elk opeenvolgend jaar van groote vertakte horens, en bij vrouwelijke olifanten de ontwikkeling van verbazend groote slagtanden, een groote verspilling van levenskracht zijn geweest, als men aanneemt, dat zij van geen nut voor de wijfjes waren. Bij gevolg zouden afwijkingen in de grootte dezer organen, die tot hun geheel verdwijnen leidden, onder de heerschappij der natuurlijke teeltkeus zijn gekomen, en, indien zij in hun overplanting tot de vrouwelijke nakomelingschap waren beperkt, hun ontwikkeling door seksueele teeltkeus bij de mannetjes niet hebben[229]verhinderd. Hoe kunnen wij echter volgens deze beschouwingswijze de aanwezigheid van horens bij de wijfjes van sommige antilopen en van slagtanden bij de wijfjes van vele dieren die slechts weinig voor die der mannetjes in grootte onderdoen, verklaren? De verklaring moet, geloof ik, in bijna alle gevallen in de wetten der erfelijkheid worden gezocht.Daar het rendier de eenige soort van de geheele Familie der Herten is, waarvan het wijfje horens bezit, hoewel iets kleiner, dunner en minder getakt dan bij het mannetje, zou men van zelf op de gedachte komen, dat zij haar in eenig opzicht van dienst moesten wezen. Er zijn echter eenige feiten die tegen deze meening pleiten. Het wijfje behoudt haar horens van den tijd af, waarop zij tot volkomen ontwikkeling komen, namelijk in September, het geheele jaar door, tot Mei, wanneer zij haar jongen werpt; terwijl het mannetje zijn horens veel vlugger afwerpt, tegen het einde van November. Daar beide seksen de zelfde behoeften en de zelfde levenswijze hebben, en daar het mannetje zijn gewei gedurende den winter afwerpt, is het zeer onwaarschijnlijk, dat het aan het wijfje eenigen bijzonderen dienst kan bewijzen gedurende dit jaargetijde dat het grootste gedeelte van den tijd gedurende welken zij horens draagt, omvat. Het is ook niet waarschijnlijk, dat zij de horens kan hebben geërfd van den eenen of anderen ouden stamvader van de geheele Familie der Herten; want uit het feit, dat alleen de mannetjes bij zoovele soorten in alle deelen der wereld horens bezitten, mogen wij besluiten, dat dit een oorspronkelijk kenmerk van de geheele groep was. Het schijnt derhalve, dat de horens van het mannetje op het wijfje moeten zijn overgeplant in een later tijdperk dan dat waarop de onderscheidene soorten zich uit den gemeenschappelijken stam in verschillende richtingen ontwikkelden; doch dat dit geen plaats greep om haar eenig bijzonder voordeel te verschaffen.8Wij weten, dat de horens zich bij het rendier op een ongewoon vroegen leeftijd ontwikkelen; maar wat de oorzaak hiervan kan zijn geweest, is ons niet bekend. Het gevolg daarvan schijnt echter de overbrenging van de horens op beide seksen te zijn geweest. Het is volgens de hypothese der pangenesis begrijpelijk, dat een zeer geringe[230]verandering in het gestel van het mannetje, hetzij in het weefsel van het voorhoofd of in de kiempjes van de horens, tot hun vroege ontwikkeling zou kunnen leiden; en daar de jongen van beide seksen, vóór het tijdperk waarin zij in staat zijn zich voort te planten, omtrent het zelfde gestel bezitten, zouden de horens, indien zij zich bij het mannetje op vroegen leeftijd ontwikkelden, een neiging verkrijgen om gelijkelijk op beide seksen te worden overgeplant.(4)Tot staving dezer meening moeten wij bedenken, dat de horens altijd door het wijfje heên worden overgeplant, en dat zij een latent vermogen tot ontwikkeling daarvan bezit, gelijk wij bij oude of zieke wijfjes zien.9Daarenboven vertoonen de wijfjes van sommige andere soorten van herten rudimenten van horens; zoo heeft het wijfje vanCervulus moschatus„in een knoest eindigende borstelachtige haarbossen, in plaats van een horen”; en „bij de meeste voorwerpen van het wijfje van het Wapiti-hert (Cervus Canadensis) is er een scherp beenachtig uitsteeksel op de plaats van den horen.”10Op grond van deze verschillende overwegingen mogen wij besluiten, dat het bezit van tamelijk goed ontwikkelde horens bij het vrouwelijke rendier is veroorzaakt, doordat de mannetjes ze eerst verkregen als wapens om met andere mannetjes te vechten en dat zij zich tevens ten gevolge van de eene of andere onbekende oorzaak bij de mannetjes op een ongewoon vroegen leeftijd ontwikkelden en ten gevolge daarvan op beide seksen werden overgeplant.Laten wij nu tot de holhoornige Herkauwende Dieren overgaan: bij de Antilopen kan men eentrapsgewijzereeks vormen, beginnende met de soorten waarbij de wijfjes volstrekt geen horens hebben, vervolgens eerst overgaande tot die waarbij de wijfjes zulke kleine horens hebben, dat zij bijna rudimentair zijn, gelijk bijAntilocapra Americana, dan tot die waarvan de wijfjes tamelijk goed ontwikkelde horens hebben, die echter duidelijk kleiner en dunner en somtijds anders gevormd11[231]zijn dan die van het mannetje, en eindigende met die bij welke beide seksen horens van gelijke grootte hebben. Evenals bij het rendier, bestaat er ook bij de antilopen een betrekking tusschen het tijdperk van de ontwikkeling der horens en hun overplanting op ééne of op beide seksen; het is daarom waarschijnlijk, dat hun aanwezigheid of ontbreken bij de wijfjes van sommige soorten, en hun meer of minder volkomen toestand bij de wijfjes van andere soorten afhankelijk is, niet van een of ander bijzonder gebruik waartoe zij dienen, maar eenvoudig van den vorm van erfelijkheid, die de overhand heeft behouden. Het komt met deze meening overeen, dat zelfs in één en het zelfde geslacht van sommige soorten beide seksen, van andere alleen de mannetjes daarvan zijn voorzien. Het is een opmerkelijk feit, dat, hoewel de wijfjes vanAntilope bezoarcticain den regel geen horens bezitten, de heer Blyth niet minder dan drie wijfjes heeft gezien, die er van waren voorzien; en er was geen reden om te veronderstellen, dat zij oud of ziek waren. De mannetjes van deze soort hebben lange, rechte, spiraalvormig gewonden horens die bijna evenwijdig aan elkander loopen en naar achteren zijn gericht. Die van het wijfje zijn, wanneer zij aanwezig zijn, zeer verschillend van vorm; want zij zijn niet spiraalvormig gewonden, en, zich wijd uiteenspreidende, buigen zij zich om, zoodat hun punten naar voren zijn. Het is een nog merkwaardiger feit, dat bij het gesneden (gecastreerde) mannetje, gelijk de heer Blyth mij meldt, de horens den zelfden bijzonderen vorm hebben als bij het wijfje, maar langer en dikker zijn. In alle gevallen hangen de verschillen tusschen de horens van de mannetjes en de wijfjes en van gesneden en ongesneden mannetjes waarschijnlijk van verschillende oorzaken af,—van de meer of minder volkomen overplanting van mannelijke kenmerken op de wijfjes,—van den vroegeren toestand van de stamouders der soort,—en gedeeltelijk wellicht van een verschillende voeding der horens omtrent op de zelfde wijze als de sporen van den huishaan, als zij op den kam of op andere deelen van het lichaam worden geënt, allerlei afwijkende (abnormale) vormen aannemen, omdat zij op een andere wijze worden gevoed.Bij al de wilde soorten van Geiten en Schapen zijn de horens bij het mannetje grooter dan bij het wijfje, en ontbreken somtijds bij dit laatste zelfs geheel.12Bij onderscheidene tamme rassen van schapen en[232]geiten zijn alleen de mannetjes van horens voorzien; en het is een beteekenisvol feit, dat bij één dergelijk ras aan de kust van Guinea de horens, gelijk de heer Winwood Reade mij meldt, bij het gesneden (gecastreerde) mannetje niet tot ontwikkeling komen, zoodat zij in dit opzicht op de zelfde wijze worden aangedaan als de horens van herten. Bij sommige rassen, zooals bij dat van N.-Wales, bij hetwelk eigenlijk beide seksen gehorend zijn, zijn de ooien zeer dikwijls horenloos. Bij deze zelfde schapen zijn, naar mij door een te vertrouwen getuige is medegedeeld, die met opzet een kudde gedurende den lammertijd onderzocht, de horens bij de geboorte over het algemeen veel volkomener ontwikkeld bij het mannetje dan bij het wijfje. De heer J. Peel kruiste zijn Lonk-schapen van welke beide seksen altijd horens dragen, met horenlooze Leicesters en horenlooze Shropshire Downs; en de uitslag was, dat de mannelijke jongen veel kleiner horens bezaten, en deze bij de vrouwelijke geheel ontbraken. Deze verschillende feiten bewijzen, dat bij schapen de horens een veel minder vast geworden (gefixeerd) kenmerk zijn bij ooien dan bij rammen; en dit leidt er ons toe om de horens als een eigenlijk mannelijk kenmerk te beschouwen. Bij den volwassen muskusos (Ovibos moschatus) zijn de horens van het mannetje grooter dan die van het wijfje, en bij dit laatste raken de grondvlakken der horens elkander niet.13Omtrent het gewone hoornvee merkt de heer Blyth op: „Bij de meeste wilde runderen zijn de horens langer en dikker bij den stier dan bij de koe, en bij de Banteng-koe (Bos sondaicus) zijn de horens opmerkelijk klein, en hellen zeer naar achteren over. Bij de tamme runderrassen, zoowel bij de typen met een bult als bij die zonder bult, zijn de horens bij den stier kort en dik en bij de koe en den os langer en slanker, en bij den Indischen buffel zijn zij bij den stier korter en dikker, bij de koe langer en slanker. Bij den wilden gaoer(B. gaurus) zijn de horens bij den stier meestal zoowel langer als dikker dan bij de koe.”14Bij de meeste holhoornige Herkauwende Dieren zijn derhalve de horens van het mannetje hetzij langer of sterker dan die van het wijfje. Bij den stompneuzigen neushoren (Rhinoceros simus) zijn, gelijk ik er hier bij mag voegen, de horens van het wijfje over het algemeen langer maar minder krachtig dan bij het mannetje; en bij sommige andere soorten van neushorens[233]zijn zij, naar men zegt, bij het wijfje korter.15Uit deze onderscheidene feiten mogen wij het besluit trekken, dat horens van alle soorten, zelfs wanneer zij bij beide seksen gelijkelijk zijn ontwikkeld, oorspronkelijk door de mannetjes werden verkregen om andere mannetjes mede te overwinnen en meer of minder volkomen op het wijfje zijn overgeplant, in verhouding tot de kracht van den gelijken vorm van erfelijkheid.De uitwerkselen der ontmanning verdienen de aandacht, omdat zij licht werpen op dit zelfde punt. Herten vernieuwen na de operatie nimmer hun horens meer. Het mannelijke rendier maakt hierop echter een uitzondering, daar hij hen na de castratie wel hernieuwt. Dit feit, zoowel als het bezit van horens door beide seksen, schijnt op het eerste gezicht te bewijzen, dat de horens bij deze soort geen seksueel kenmerk vormen16; maar, daar de horens zich bij het rendier op zeer jongen leeftijd ontwikkelen, vóórdat de seksen in gestel verschillen, is het niet te verwonderen, dat de horens niet worden aangedaan door de ontmanning, zelfs wanneer zij oorspronkelijk door het mannetje werden verkregen. Bij schapen dragen eigenlijk beide seksen horens; en men heeft mij medegedeeld, dat bij Welshschapen de horens van de rammen door ontmanning aanmerkelijk kleiner worden gemaakt; maar de hoegrootheid dier afneming is zeer afhankelijk van den leeftijd waarop de operatie plaats heeft, gelijk eveneens het geval is met andere dieren. Merino-rammen hebben groote horens, terwijl de ooien „over het algemeen gesproken zonder horens zijn”; en bij dit ras schijnt castratie een eenigszins sterker uitwerking te hebben, zoodat, wanneer die op jeugdigen leeftijd wordt uitgevoerd, de horens „bijna onontwikkeld blijven.”17Op de kust van Guinea is er een ras waarbij de ooien nooit horens dragen, en, gelijk de heer Winwood Reade mij meldt, de rammen na de ontmanning daarvan geheel worden ontbloot. Bij runderen worden de horens der stieren door de castratie zeer veranderd; want, in plaats van kort en dik te zijn, worden zij langer dan die van[234]de koe, maar gelijken overigens op deze. DeAntilope bezoarcticalevert een eenigszins soortgelijk geval op; de mannetjes hebben lange, rechte, schroefsgewijs gedraaide horens, ongeveer evenwijdig aan elkander loopende en naar achteren gericht; de wijfjes bezitten soms horens; maar, als deze aanwezig zijn, hebben zij een geheel andere gedaante, want dan zijn zij niet schroefvormig, maar spreiden zich ver uit elkander uit, zijn rondgebogen met de punten naar voren. Nu is het een opmerkelijk feit, dat bij het gesneden mannetje, gelijk de heer Blyth mij meldt, de horens van den zelfden bijzonderen vorm zijn als bij het wijfje, maar langer en dikker. Als wij naar de analogie mogen oordeelen, vertoont het wijfje ons, in deze beide gevallen van runderen en de antilope, den vroegeren toestand van de horens bij den eenen of anderen voormaligen stamvader van elk der beide soorten. Maar waarom de ontmanning ten gevolge heeft, dat een vroegere toestand van de horens opnieuw verschijnt, kan niet met eenige zekerheid worden verklaard. Desniettemin komt het mij waarschijnlijk voor, dat op ongeveer dezelfde wijze, als de storing in het gestel van de jongen, veroorzaakt door de kruising van twee verschillende soorten of rassen, dikwijls leidt tot het opnieuw verschijnen van lang verloren kenmerken18, zoo ook hier de storing in het gestel van het individu, ten gevolge der ontmanning, de zelfde uitwerking voortbrengt.De slagtanden van den olifant verschillen bij de onderscheidene soorten of rassen volgens de sekse op omtrent de zelfde wijze als de horens van Herkauwende Dieren. In Indië en Malakka zijn alleen de mannetjes van goed ontwikkelde slagtanden voorzien. De olifant van Ceylon wordt door de meeste natuuronderzoekers als een afzonderlijke soort beschouwd en hier „wordt er op een honderdtal niet één gevonden met slagtanden, terwijl de weinige die ze bezitten, uitsluitend mannetjes zijn.”19De Afrikaansche olifant is ongetwijfeld een afzonderlijke soort, en het wijfje heeft groote, goed ontwikkelde slagtanden, hoewel niet zoo groot als die van het mannetje. Deze verschillen in de slagtanden bij de verschillende rassen en soorten van olifanten,—de groote verscheidenheid bij de horens van herten en in ’t bijzonder van het wilde rendier,—het nu en dan aanwezig zijn van horens bij de vrouwelijke[235]Antilope bezoartica,—de aanwezigheid van twee stoottanden bij eenige weinige mannelijke narwals,—het volkomen ontbreken van slagtanden bij sommige vrouwelijke walrussen,—zijn allen voorbeelden van de uiterst groote vatbaarheid voor variabiliteit van secundaire seksueele kenmerken en van hun zeer groote geneigdheid om bij nauw verwante vormen te verschillen.Hoewel slagtanden en horens zich in alle gevallen oorspronkelijk als seksueele wapens hebben ontwikkeld, dienen zij dikwijls voor andere doeleinden. De olifant gebruikt zijn slagtanden om den tijger aan te vallen; volgens Bruce kerft hij de stammen der boomen daarmede in, tot zij gemakkelijk kunnen worden omvergeworpen, en haalt er ook het melige binnenste gedeelte van palmboomen mede uit. In Afrika gebruikt hij dikwijls een slagtand, en wel altijd den zelfden, om den grond te beproeven en zich daardoor te vergewissen, of deze zijn gewicht kan dragen. De gewone stier verdedigt de kudde met zijn horens; en volgens Lloyd heeft men in Zweden waargenomen, dat de eland een wolf met éénen enkelen slag van zijn groote horens doodsloeg. Vele soortgelijke feiten zouden kunnen worden opgesomd. Een van de merkwaardigste secundaire gebruiken waartoe de horens van eenig dier somtijds worden gebruikt, is dat hetwelk door kapitein Hutton20is waargenomen bij de wilde geit (Capra aegagrus) van het Himalayagebergte, en ook van den steenbok(5)wordt verhaald, dat namelijk het mannetje, wanneer hij toevallig van een hoogte afvalt, zijn kop naar binnen ombuigt en, door op zijn massieve horens te vallen, den schok breekt. Het wijfje kan haar horens die kleiner zijn, niet op die wijze gebruiken; maar, wegens haar rustiger aard, heeft zij die vreemde soort van schild ook niet noodig.Elk mannelijk dier gebruikt zijn wapenen op zijn eigen bijzondere wijze. De gewone ram neemt een aanloop en stoot met zooveel kracht met de basis van zijn horens, dat ik een sterken man daardoor met evenveel gemak heb zien omverwerpen, alsof het een kind was. Geiten en sommige soorten van schapen, bij voorbeeldOvis cyclocerosvan Afghanistan, gaan op hun achterpooten staan, en stooten dan niet alleen, maar „doen een benedenwaartschen houw en een naar boven gerichten stoot als met een sabel met den geribden voorkant van hun den vorm van den Turkschen sabel hebbenden horen. Toen eenO.[236]cycloceroseens een grooten tammen ram aanviel, die een bekende vechtersbaas was, overwon hij hem door de bloote nieuwheid van zijn wijze van vechten, daar hij zich altijd dadelijk op zijn tegenstander wierp en hem dwars over aangezicht en neus een scherpen benedenwaartschen houw met zijn kop gaf, en dan op zij sprong, eer de stoot kon worden teruggegeven.”21In Pembrokeshire heeft men een bok waargenomen, het opperhoofd van een sedert verscheidene geslachten verwilderde kudde, die onderscheidene andere mannetjes in tweegevechten had gedood; deze bok bezat verbazend groote horens die van punt tot punt in rechte lijn 99 centimeter maten. De gewone stier steekt, gelijk iedereen weet, zijn tegenstander en slingert hem heên en weêr; doch de Italiaansche buffel gebruikt, zegt men, nimmer zijn horens; hij geeft een vreeselijken stoot met zijn bol voorhoofd, en vertrapt dan den gevallen vijand met zijn knieën—een instinkt dat de gewone stier niet bezit.22Vandaar wordt een hond die een buffel bij den neus pakt, oogenblikkelijk verpletterd. Wij moeten echter bedenken, dat de Italiaansche buffel lang getemd is geweest, en het is in geenen deele zeker, dat de wilde stamvorm eveneens gevormde horens had.(6)De heer Bartlett deelt mij mede, dat een vrouwelijke Kaapsche buffel (Bubalus Caffer) met een stier van de zelfde soort binnen een omheining werd gebracht; zij viel hem aan, en hij drong haar daarentegen met groote hevigheid voort. Het bleek den heer Bartlett echter duidelijk, dat, als de stier niet een edele verdraagzaamheid had getoond, hij haar gemakkelijk door een enkelen zijdelingschen stoot met zijn verbazend groote horens kon hebben gedood. De giraffe gebruikt haar korte met haar bedekte horens die bij het mannetje iets korter dan bij het wijfje zijn, op een merkwaardige wijze; want met haar langen nek slingert zij haar kop naar beide zijden, bijna met de bovenzijde naar beneden, met zooveel kracht, dat ik een harde plank heb gezien, die door een enkelen slag diepe indrukken had verkregen.Fig. 60.Fig. 60.Oryx leucoryx, mannetje (naar de Knowsley menagerie).Bij de Antilopen is het dikwijls moeilijk om zich voor te stellen hoe zij bij mogelijkheid haar merkwaardig gevormde horens kunnen gebruiken; zoo heeft de Springbok(7)(Ant. euchore) vrij korte rechtopstaande[237]horens waarvan de scherpe punten bijna rechthoekig naar binnen zijn gebogen, zoodat zij tegenover elkander staan; de heer Bartlett weet niet, hoe zij worden gebruikt, maar merkt op, dat zij een vreeselijke wonde onder aan elke zijde van het gelaat van een tegenstander zouden maken. De zacht gebogen horens van deOryx leucoryx(Fig.60) zijn naar achteren gericht en zoo lang, dat hun punten tot over het midden van den rug reiken, over welken zij in daaraan bijna evenwijdige lijn staan. Zij schijnen dus al zeer slecht geschikt om mede te vechten; maar de heer Bartlett deelt mij mede, dat wanneer twee dezer dieren zich tot den strijd gereed maken, zij nederknielen, met hun koppen tusschen hun voorpooten, en in deze houding staan de horens omtrent evenwijdig aan en dicht bij den grond met de punten naar voren en een weinig naar boven gericht. De strijders naderen elkander dan allengs en trachten de naar boven gekeerde punten onder elkanders lichamen te brengen; indien een hunner hierin slaagt, springt hij plotseling op, tegelijkertijd zijn kop omhoog werpende, en kan aldus zijn tegenstander wonden of misschien zelfs doorboren. Beide dieren knielen altijd zoodanig neder, dat zij zich zooveel mogelijk tegen deze beweging beschutten. Er is een voorbeeld opgeteekend, dat een dezer dieren zijn horens met goed gevolg zelfs tegen een leeuw heeft gebruikt; maar toch moet hij, omdat hij genoodzaakt is zijn kop tusschen zijn voorpooten te nemen om de punten van zijn horens naar voren te brengen, over[238]het algemeen zeer in het nadeel zijn, als hij door eenig ander dier wordt aangevallen. Het is daarom niet waarschijnlijk, dat de horens tot hun tegenwoordige groote lengte en bijzondere stelling zijn gewijzigd, als een bescherming tegen roofdieren. Wij kunnen echter begrijpen, dat, zoodra een of ander voormalig mannelijk voorouder van denOryxmatig lange horens verkreeg, die een weinig naar achteren waren gericht, hij in zijn gevechten met medeminnaars zou gedwongen zijn geweest om zijn kop iets naar binnen of naar beneden te buigen, gelijk het thans sommige herten doen, en het is niet onwaarschijnlijk, dat hij de gewoonte eerst om nu en dan, en later om geregeld neder te knielen, zou hebben verkregen. In dit geval is het bijna zeker, dat de mannetjes die de langste horens bezaten, een groot voordeel zouden hebben gehad boven andere met korter horens; en dan zouden de horens allengs hoe langer hoe langer zijn gemaakt door seksueele teeltkeus, totdat zij hun tegenwoordige buitengewone lengte en stelling verkregen.Bij vele soorten van Herten levert de vertaktheid der horens een opmerkelijke moeilijkheid op; want ongetwijfeld zou een enkele rechte punt een veel ernstiger wond veroorzaken dan verscheidene divergeerende punten. In Sir Philip Egerton’s museum is er een horen van het edelhert (Cervus elaphus) van 75 centimeter lang, met „niet minder dan vijftien einden of takken”; en te Moritzburg wordt er nog een gewei van een edelhert bewaard, in 1699 door Frederik I geschoten, waarvan elke horen het verbazende aantal van drie-en-dertig takken draagt. Richardson beeldt een paar horens van het wilde rendier met negen-en-twintig punten af.23Uit de wijze waarop de horens zijn vertakt, en meer in het bijzonder uit het bekende feit, dat herten nu en dan vechten door elkander met hun voorpooten te trappen24, trok de heer Bailly werkelijk het besluit, dat hun horens veel meer nadeelig dan nuttig voor hen waren! Deze schrijver ziet echter de geregelde gevechten tusschen mededingende mannetjes over het hoofd. Daar ik zeer in verlegenheid was over het gebruik of voordeel van de takken, wendde[239]ik mij tot den heer McNeill van Colinsay, die lang en zorgvuldig zijn aandacht aan de levenswijze van het edelhert heeft gewijd, en deze meldt mij, dat hij nooit heeft gezien, dat een der takken een werkzame rol in het gevecht speelde, doch dat de oogtakken, daar zij naar beneden hellen, een groote bescherming aan het voorhoofd verleenen, en dat hun punten ook bij den aanval worden gebruikt. Sir Philip Egerton deelt mij ook zoowel ten opzichte van het edelhert als van het damhert mede, dat zij, wanneer zij vechten, plotseling tegen elkander stooten, en hun geweien tegen elkanders lichaam drukkende, een vertwijfelden kamp beginnen. Als het eene ten laatste is gedwongen te wijken en zich om te keeren, tracht de overwinnaar zijn oogtakken in het lichaam van zijn verslagen vijand te steken. Het schijnt dus, dat de bovenste takken hoofdzakelijk of uitsluitend worden gebruikt om voorwaarts te dringen en af te weren. Bij sommige soorten worden desniettemin de bovenste takken als aanvals- (offensieve) wapenen gebruikt; toen in het park van Judge Caton te Ottawa een man door een Wapiti-hert (Cervus Canadensis) werd aangevallen, en verscheidene mannen hem trachtten te helpen, „lichtte het hert zijn kop niet van den grond op; hij hield inderdaad zijn kop omtrent plat op den grond, met zijn neus bijna tusschen zijn voorpooten, behalve wanneer hij zijn kop naar de eene zijde draaide om een nieuwe waarneming als voorbereiding voor een uitval te doen.” In deze houding waren de eindpunten van de horens op zijn tegenstanders gericht. „Bij het draaien van zijn kop was hij genoodzaakt hem iets op te lichten, omdat zijn gewei zoo lang was, dat hij zijn kop niet om kon draaien zonder het aan de eene zijde op te lichten, terwijl het aan de andere zijde den bodem aanraakte.”Het hert dreef op die wijze de te hulp geschoten mannen langzamerhand terug tot op een afstand van 45 tot 60 meter; en de aangevallen man werd gedood.25Hoewel de horens van herten werkzame wapenen zijn, kan het, geloof ik, niet worden betwijfeld, dat één enkele punt veel gevaarlijker zou zijn geweest dan een vertakt gewei, en Judge Caton die een groote ondervinding omtrent herten heeft, is het hierin geheel met mij eens. Ook schijnen de vertakte horens, hoewel hoogst belangrijk als verdedigingsmiddel tegen mededingende herten, voor dit doel niet volkomen geschikt te zijn, daar zij vatbaar zijn om in elkander verward te geraken.[240]Het vermoeden is mij daarom in de gedachte gekomen, dat zij wellicht gedeeltelijk tot versiering dienden. Dat de vertakte horens van herten zoowel als de schoone liervormige horens van sommige antilopen, met hun bevallige dubbele bocht (Fig.61) in onze oogen tot sieraad strekken, zal niemand betwisten. Indien dus de horens, gelijk de prachtige uitrusting der ridders van weleer, bijdragen tot het edel uiterlijk van herten en antilopen, kunnen zij gedeeltelijk voor dit doel, hoewel voornamelijk voor werkelijken dienst in den strijd, zijn gewijzigd; maar ik heb geen bewijzen voor deze meening.Fig. 61.Fig. 61.Strepsiceros Kuda(naar Andrew Smith’s„Zoology of South Africa”).Een belangwekkend geval is onlangs bekend gemaakt, waaruit schijnt te blijken, dat de horens van een hert in de Vereenigde Staten op dit oogenblik bezig zijn met door seksueele en natuurlijke teeltkeus een wijziging te ondergaan.Een schrijver in een uitstekend Amerikaansch tijdschrift26zegt, dat hij op zijn minst een-en-twintig jaar lang in de Adirondacks heeft gejaagd, waar het Virginische hert (Cervus Virginianus) overvloedig voorkomt. Omtrent veertien jaar geleden hoorde hij voor ’t eerst van spitshorenbokken („spikehorn bucks”) spreken. Deze werden van jaar tot jaar meer algemeen; omtrent[241]vijf jaar geleden schoot hij er een, en later een tweeden, en tegenwoordig worden zij veelvuldig gedood. „De spitshoren verschilt zeer van het gewone gewei vanC. Virginianus. Hij bestaat uit een enkele spits, slanker dan de gewone horens en nauwelijks half zoo lang, die van het voorhoofd naar voren uitsteekt en in een zeer scherpe punt eindigt. Hij geeft zijn bezitter een aanmerkelijk voordeel over den gewonen hertebok. Behalve dat hij dezen in staat stelt om vlugger door dichte wouden en het onderhout te loopen (iedere jager weet, dat hinden en eenjarige hertebokken veel sneller loopen dan de oude hertebokken, als deze met hun lastig gewei zijn gewapend), is de spitshoren een krachtiger wapen dan het gewone gewei. Met dit voordeel winnen de spitshorenbokken op de gewone hertebokken, en kunnen hen na verloop van tijd in de Adirondacks volkomen verdringen. Ongetwijfeld was de eerste spitshorenbok eenvoudig een toevallige speling der natuur. Zijn spitshorens gaven hem echter een voordeel en stelden hem in staat zijn eigenaardigheid voort te planten. Zijn nakomelingen hebben, daar zij het zelfde voordeel bezaten, de eigenaardigheid in een voortdurend klimmende reden voortgeplant, totdat zij langzaam de een gewoon gewei bezittende herten uit de streek die door hen wordt bewoond, verdrijven.”Een criticus heeft tegen deze verklaring de scherpzinnige tegenwerping gemaakt, waarom, indien de eenvoudige horens nu zoo voordeelig zijn, het vertakte gewei van den stamvorm ooit tot ontwikkeling is gekomen? Hierop antwoord ik, dat een nieuwe wijze van aanval en nieuwe wapens een groot voordeel kunnen zijn, gelijk wordt aangetoond door het geval van deOvis cyclocerosdie een gewonen ram die vermaard was om zijn kracht in het gevecht, aldus overwon. Hoewel het vertakte gewei van een hert goed geschikt is om met zijn medeminnaars te vechten, en ofschoon het wellicht voordeelig zou zijn voor de spitshoornige verscheidenheid (variëteit) om langzamerhand lange en vertakte horens te verkrijgen, indien zij alleen met anderen van de zelfde soort had te vechten, volgt hieruit toch in geenen deele, dat vertakte horens het beste middel zouden zijn om een anders gewapenden vijand te overwinnen. In het voorgaande geval vanOryx leucoryxis het bijna zeker, dat de overwinning zou worden behaald door een antilope die korte horens bezat en dus niet noodig had neêr te knielen, hoewel het voor eenOryxvoordeelig zou kunnen zijn om nog langer horens te bezitten, als hij alleen met mededingers van zijn eigen soort vocht.Mannelijke viervoetige dieren die van slagtanden zijn voorzien, gebruiken[242]hen op onderscheidene wijzen, evenals met horens het geval is. Het mannelijke wilde zwijn stoot er zijdelings en naar boven mede, het muskusdier met ernstig gevolg naar beneden.27De walrus kan, hoewel hij zulk een korten hals en zulk een log lichaam heeft, „met evenveel behendigheid, hetzij naar boven, of naar beneden, of zijdelings stooten.”28De Indische olifant vecht, naar mij wijlen Dr. Falconer heeft medegedeeld, al naar de stelling en de kromming zijner slagtanden, op een verschillende wijze. Als zij naar voren en naar boven zijn gericht, is hij in staat een tijger op aanzienlijken afstand voort te slingeren—men zegt zelfs tot negen meter ver; als zij kort en naar beneden zijn gekeerd, tracht hij den tijger plotseling aan den grond te nagelen, en is derhalve gevaarlijk voor zijn berijder, die kans heeft uit zijn hoedah te worden geworpen.29Zeer weinige mannelijke zoogdieren bezitten wapenen van twee verschillende soorten, bijzonder ingericht om met mededingende mannetjes te vechten. Het mannelijk muntjac-hert (Cervulus) maakt hierop echter een uitzondering, daar hij van horens en van uitstekende hoektanden is voorzien. Doch de eene vorm van wapen is dikwijls in den loop der eeuwen door een anderen vorm vervangen, zooals wij mogen afleiden uit hetgeen volgt. Bij Herkauwende Dieren staat de ontwikkeling van horens over het algemeen in omgekeerde reden met die van zelfs slechts matig ontwikkelde hoektanden. Zoo zijn de kameelen, wilde lama’s, dwergherten en muskusdieren hoornloos, en zij hebben werkzame hoektanden die „bij de wijfjes altijd kleiner zijn dan bij de mannetjes.” DeCamelidaehebben in haar bovenkaken, behalve haar ware hoektanden, nog een paar hoektandvormige snijtanden.30Mannelijke herten en antilopen daarentegen bezitten horens, en zij hebben zelden hoektanden; en deze zijn, wanneer zij voorhanden zijn, altijd van geringe grootte, zoodat het twijfelachtig is, of zij bij hun gevechten van eenigen dienst zijn. BijAntilope montanabestaan zij alleen als rudimenten bij het jonge mannetje en verdwijnen, als hij oud wordt; en zij ontbreken bij het wijfje op alle leeftijden; doch bij de wijfjes van sommige[243]andere antilopen heeft men waargenomen, dat zij nu en dan rudimenten van deze tanden vertoonen.31Hengsten hebben kleine hoektanden die bij de merrie hetzij geheel ontbreken of rudimentair zijn; maar zij schijnen bij het vechten niet te worden gebruikt; want hengsten bijten met hun snijtanden en doen hun bekken niet wijd open gelijk kameelen en wilde lama’s. In alle gevallen waarin het mannetje hoektanden in een tegenwoordig niet werkzamen staat bezit, terwijl het wijfje er òf in het geheel geen òf eenvoudig rudimenten er van bezit, mogen wij besluiten, dat de vroegere mannelijke stamvader van de soort van werkzame hoektanden was voorzien, die gedeeltelijk op het wijfje waren overgebracht. Het kleiner worden van deze tanden bij de mannetjes schijnt het gevolg te zijn geweest van eenige verandering in hun wijze van vechten, dikwijls (maar niet in het geval van het paard) veroorzaakt door de ontwikkeling van nieuwe wapenen.Slagtanden en horens zijn blijkbaar van hoog belang voor hun bezitters; want bij hun ontwikkeling wordt veel georganiseerde stof verbruikt. Een enkele slagtand van den Aziatischen olifant,—één van de uitgestorven woldragende soort(8),—en van den Afrikaanschen olifant wogen, gelijk men heeft waargenomen, respectievelijk 66, 70 en 80 kilogram, en zelfs nog zwaardere zijn door sommige schrijvers vermeld.32Bij herten bij welke de horens periodiek worden vernieuwd, moet de invloed op het gestel nog grooter zijn; de horens van den Amerikaanschen eland wegen bij voorbeeld van 22 tot 27 kilogram, en die van den uitgestorven Ierschen reuzeneland(9)van 27 tot 32 kilogram,—terwijl de schedel van dit laatste dier gemiddeld slechts 2⅓ kilogram weegt. Bij schapen sleept de ontwikkeling der horens, ofschoon zij niet periodiek worden vernieuwd, volgens de meening van vele landbouwkundigen, gevoelig verlies voor den fokker met zich. Herten zijn daarenboven bij het ontsnappen aan roofdieren met een den wedren verzwarend extra-gewicht belast, en worden bij het doorloopen van boschachtige[244]streken daardoor zeer vertraagd. De Amerikaansche eland, bij voorbeeld, met horens die van punt tot punt1,65M. meten, kan, hoewel hij ze zoo goed weet te besturen, dat hij geen dood takje zal aanraken of breken, wanneer hij rustig rondwandelt, niet zoo behendig handelen, als hij voor een troep wolven vlucht. „Gedurende zijn loop houdt hij zijn neus omhoog, zoodat zijn horens horizontaal naar achteren liggen, en kan in deze houding den grond niet duidelijk zien.”33De punten van de horens van den Ierschenreuzenelandstonden werkelijk2,44M. uiteen! Zoolang de horens met een fluweelachtige huid zijn bedekt, hetgeen bij het edelhert omtrent twaalf weken duurt, zijn zij uiterst gevoelig voor een stoot, zoodat in Duitschland de herten in dien tijd hun levenswijze tot op zekere hoogte veranderen, en dichte bosschen vermijden, doch jong kreupelhout en laag struikgewas opzoeken.34Deze feiten herinneren er ons aan, dat mannelijke vogels siervederen hebben verkregen ten koste van hun vliegvermogen, en andere versierselen met eenig krachtverlies in hun gevechten met hun medeminnaars.Als bij viervoetige dieren, gelijk dikwijls het geval is, de seksen in grootte verschillen, zijn de mannetjes, geloof ik, altijd grooter en sterker. Dit geldt op sterk uitgedrukte wijze, naar de heer Gould mij meldt, bij de Buideldieren (Marsupialia) van Australië, waarvan de mannetjes tot op een ongewoon laten leeftijd schijnen door te gaan met groeien. Het meest buitengewone geval is echter dat van een der robben, den zeebeer (Callorhinus ursinus)(10), waarbij een volgroeid wijfje minder dan een zesde van een volgroeid mannetje weegt.35Dr. Gill merkt op, dat bij de in veelwijverij levende robben van welke de mannetjes, gelijk bekend is, woedend met elkander vechten, de seksen zeer in grootte verschillen; terwijl zij bij de eenwijvige soorten daarin slechts weinig verschillen. Ook de walvisschen leveren bewijzen van het verband tusschen de strijdlustigheid van de mannetjes en de grootte van hun lichaam, in vergelijking van die van het wijfje; de mannetjes van den Groenlandschen walvisch vechten niet met elkander, en zij zijn niet[245]grooter, maar eer kleiner dan hun wijfjes; daarentegen vechten mannelijke cachelotten veel met elkander, en op hun lichaam vindt men „dikwijls litteekens met de indruksels van de tanden hunner mededingers”, en zij zijn dubbel zoo groot als de wijfjes. De grootere kracht van het mannetje wordt, gelijk Hunter reeds lang geleden opmerkte36, zonder uitzondering in die deelen van het lichaam ontwikkeld, die bij den kampstrijd met medeminnaars in werking worden gebracht, bij voorbeeld in den zwaren nek van den stier. Mannelijke viervoetige dieren zijn ook moediger en strijdlustiger dan de wijfjes. Er kan weinig twijfel bestaan, dat deze kenmerken zijn verkregen, gedeeltelijk door seksueele teeltkeus, ten gevolge van een lange reeks overwinningen door de sterkste en moedigste mannetjes over de zwakkere behaald, en gedeeltelijk door de overgeërfde gevolgen van het gebruik. Het is waarschijnlijk, dat de opeenvolgende afwijkingen in kracht, grootte en moed, hetzij die werden veroorzaakt door zoogenaamde spontane variabiliteit of door de gevolgen van het gebruik, door de opeenhooping waarvan de mannelijke viervoetige dieren de hen kenmerkende hoedanigheden hebben verkregen, zich vrij laat in het leven voordeden, en derhalve in haar overplanting in hooge mate tot de zelfde sekse beperkt bleven.Uit dit oogpunt was ik zeer verlangend mededeelingen te verkrijgen omtrent den Schotschen hertenhond van welken de seksen meer in grootte verschillen, dan die van eenig ander hondenras (hoewel zij bij bloedhonden aanmerkelijk verschillen), of dan die van eenige wilde hondensoort die mij bekend is. Ik wendde mij daarom tot den heer Cupples, een welbekend fokker van deze honden, die vele van zijn eigen honden heeft gewogen en gemeten en die met groote vriendelijkheid de volgende feiten voor mij uit onderscheidene bronnen bijeen heeft verzameld. Uitstekende reuen zijn aan den schouder gemeten van 71 centimeter, wat voor weinig geldt, tot 83 of zelfs 86 centimeters hoog, en wegen van 36, hetgeen laag is, tot 54, of zelfs meer kilogrammen. De teven zijn van 58 tot 68 of zelfs 71 centimeters hoog, en wegen 22 tot 32, of zelfs 36 kilogram.37De heer Cupples besluit,[246]dat van 43 tot 45 kilogram voor de reuen en 32 voor de teven een goed middelgetal zou zijn; maar er is reden om te gelooven, dat vroeger beide seksen een hooger gewicht bereikten. De heer Cupples heeft jonge honden gewogen, toen zij veertien dagen oud waren; bij een werpsel overtrof het gemiddelde gewicht van vier reuen dat van twee teven met 184 gram; bij een ander werpsel overtrof het gemiddelde gewicht van vier reuen dat van ééne teef met minder dan 28 gram; de zelfde reuen overtroffen, toen zij drie weken oud waren, de teef met 396 gram en op den leeftijd van zes weken met bijna 212 gram. De heer Wright van Yeldersley House zegt in een brief aan den heer Cupples: „Ik heb aanteekening gehouden van de grootte en het gewicht van jonge honden van vele werpsels, en, zoover mijn ondervinding gaat, verschillen jonge reuen zeer weinig van teven, totdat zij omtrent vijf of zes maanden oud zijn; en dan beginnen de reuen te groeien, en winnen op de teven zoowel in grootte als in gewicht. Bij de geboorte en nog verscheidene weken daarna zal een jonge teef nu en dan grooter zijn dan één van de reuen; maar later worden zij zonder uitzondering door hen overtroffen.” De heerMcNeillvan Colinsay komt tot het besluit, dat „de reuen hun volkomen grootte niet bereiken, voor zij over de twee jaar oud zijn, hoewel de teven die spoediger bereiken.” Volgens de ondervinding van den heer Cupples gaan reuen voort met in grootte toe te nemen, tot zij twaalf of achttien, en in gewicht, tot zij van achttien tot vier-en-twintig maanden oud zijn, terwijl de teven ophouden met in grootte toe te nemen op den leeftijd van negen tot veertien of vijftien maanden en in gewicht op den leeftijd van twaalf tot vijftien maanden. Uit deze verschillende mededeelingen blijkt duidelijk, dat het verschil in grootte tusschen den reu en de teef van den Schotschen hertenhond eerst vrij laat in het leven zijn toppunt bereikt. Bij de jacht worden bijna uitsluitend reuen gebruikt; want, naar de heerMcNeillmij meldt, hebben de teven geen genoegzame kracht en gewicht om een volwassen hert naar beneden te trekken. Uit de in oude legenden gebruikte namen blijkt het, naar ik van den heer Cupples hoor, dat in een zeer oud tijdvak de reuen het meest werden gevierd, terwijl de teven alleen als de moeders van beroemde honden worden vermeld. Het is gedurende vele geslachten het mannetje geweest, wiens kracht, grootte, vlugheid en moed voornamelijk zijn beproefd, en de beste zullen voor de verdere aanfokking zijn gebruikt. Daar de mannetjes echter hun volle grootte niet eer dan in een vrij laat levenstijdperk[247]verkrijgen, zullen zij, in overeenstemming met de meermalen aangewezen wet, een neiging hebben bezeten om hun kenmerken alleen op hun mannelijke nakomelingschap over te planten; en op die wijze moet waarschijnlijk de aanmerkelijke ongelijkheid in grootte tusschen de seksen van den Schotschen hertenhond worden verklaard.Fig. 62.Fig. 62.Kop van het mannetje van het gewone wilde zwijn, in den bloeitijd van het leven (naar Brehm).De mannetjes van eenige weinige viervoetige dieren bezitten organen of deelen die alleen als verdedigingsmiddelen tegen de aanvallen van andere mannetjes worden ontwikkeld. Sommige soorten van herten gebruiken, gelijk wij hebben gezien, de bovenste takken van hun horens hoofdzakelijk of uitsluitend om zich te verdedigen; en de Oryx-antilope verdedigt zich, zooals de heer Bartlett mij heeft medegedeeld, zeer behendig met zijn lange sierlijk gebogen horens; doch deze worden ook als aanvals- (offensieve) wapenen gebruikt. Neushorens weren, gelijk de zelfde waarnemer opmerkt, bij den strijd elkanders zijdelingsche stooten met hun horens af, die daarbij luide tegen elkander kletteren, gelijk ook de slagtanden van wilde zwijnen doen. Hoewel de mannelijke wilde zwijnen wanhopig met elkander vechten, ontvangen zij, volgens Brehm, zelden doodelijke stooten, daar de meeste op elkanders slagtanden of op de harde spekachtige huidlaag vallen, die den schouder bedekt, welke de Duitsche jagers het schild noemen; en hier hebben wij een deel dat bijzonder voor de verdediging is gewijzigd. Bij mannelijke wilde zwijnen in de kracht van het leven (Fig.62) worden de slagtanden in de onderkaak gebruikt om te vechten; doch in den ouderdom worden zij, gelijk Brehm getuigt, zoozeer naar binnen en naar boven over den snoet gebogen, dat zij daartoe niet langer kunnen worden gebruikt. Zij kunnen nog steeds en zelfs op nog werkzamer wijze als verdedigingsmiddel worden gebruikt. Als vergoeding voor het verlies van de onderste slagtanden als aanvals- (offensieve) wapenen nemen die van de bovenkaak, die altijd een weinig zijdelings uitsteken, gedurende den ouderdom zoozeer in lengte toe en krommen zich zoozeer naar boven, dat zij als aanvalsmiddel kunnen worden[248]gebruikt. Desniettemin is een oud mannelijk wild zwijn niet zoo gevaarlijk voor den mensch als een dat zes of zeven jaar oud is.38Fig. 63.Fig. 63.Schedel van een hertzwijn (naar Wallace’s „Malay Archipelago”).Bij het volwassen mannetje van het hertzwijn(11)van Celebes (Fig.63) zijn de onderste slagtanden gevaarlijke wapenen, evenals die van het mannetje van het Europeesche wilde zwijn in de kracht van het leven, terwijl de bovenste slagtanden zoo lang zijn en zoozeer naar binnen omgekrulde punten hebben, dat zij somtijds zelfs het voorhoofd aanraken en volkomen onbruikbaar zijn als aanvals- (offensieve) wapenen. Zij gelijken meer op horens dan op tanden en zijn zoo klaarblijkelijk nutteloos als tanden, dat men vroeger veronderstelde, dat het dier zijn kop deed uitrusten, door ze aan een tak vast te haken. Hun bolle zijden zouden echter, als het hoofd een weinig op zijde werd gehouden, uitnemend tot verdediging kunnen dienen; en daardoor komt het wellicht, dat zij bij oude dieren „gewoonlijk zijn afgebroken, alsof[249]het ten gevolge van een gevecht was.”39Wij hebben hier dus het merkwaardige geval, dat de bovenste slagtanden van het hertzwijn, in den bloeitijd van het leven, geregeld een vorm aannemen, die hen blijkbaar alleen voor de verdediging geschikt maakt, terwijl bij het Europeesche mannelijke wilde zwijn de onderste en tegenovergestelde slagtanden in een mindere mate en alleen gedurende den ouderdom omtrent den zelfden vorm aannemen, en dan op de zelfde wijze alleen voor de verdediging dienen.Fig. 64.Fig. 64.Kop van een Afrikaansch breedsnuitig varken, naar „Proc. Zool. Soc.”, 1869. (Ik bemerk nu, dat deze teekening den kop van een wijfje voorstelt, doch zij dient om op verkleinde schaal de kenmerken van het mannetje te toonen.)Bij het Afrikaansch breedsnuitig varken(12)(Phacochoerus aethiopicus, Fig.64) krommen zich de slagtanden in de bovenkaak van het mannetje gedurende den bloeitijd van het leven naar boven en dienen, daar zij puntig zijn, als vreeselijke wapenen. De slagtanden in de onderkaak zijn scherper dan die in de bovenkaak; maar wegens hun kortheid schijnt het, dat zij nauwelijks ooit als aanvals- (offensieve) wapenen kunnen worden gebruikt. Zij moeten echter die van de bovenkaak zeer versterken, daar zij zoo zijn afgesleten, dat zij nauwkeurig tegen de basis van deze laatste passen. Noch de bovenste, noch de benedenste slagtanden schijnen bijzonder te zijn gewijzigd om als verdedigende[250](defensieve) wapenen te dienen, hoewel zij daartoe ongetwijfeld in zekere mate worden gebruikt. Het breedsnuitig varken is echter niet ontbloot van andere bijzondere middelen van bescherming; want het bezit aan beide zijden van het gelaat onder de oogen een tamelijk hard, maar toch veerkrachtig, kraakbeenig, langwerpig kussen (Fig.64), dat vijf tot zeven en een halven centimeter naar buiten uitsteekt, en het scheen den heer Bartlett en mij zelf toe, toen wij het levende dier zagen, dat deze kussens, als zij aan de onderzijde door de slagtanden van een tegenstander werden getroffen, naar boven zouden worden gedraaid, en zoo op bewonderenswaardige wijze de een weinig uitpuilende oogen beschermen. Deze wilde zwijnen staan, gelijk ik er op autoriteit van den heer Bartlett bij mag voegen, als zij te zamen vechten, direct met de aangezichten naar elkander toe.Eindelijk bezit het Afrikaansche penseelzwijn (Potamochoerus penicillatus) een harden kraakbeenigen knobbel aan elke zijde van het gelaat beneden de oogen, die aan het veerkrachtig kussen van het breedsnuitig varken beantwoordt. Het bezit ook twee beenige uitsteeksels aan de bovenkaak boven de neusgaten. Een mannetje van deze soort in den Londenschen dierentuin brak onlangs in het hok van een breedsnuitig varken in. Zij vochten den geheelen nacht door en werden ’s morgens zeer uitgeput, maar niet ernstig gewond, gevonden. Het is een beteekenisvol feit, dat het doel van de boven beschreven uitsteeksels en uitwassen aantoont, dat deze met bloed waren bedekt en op buitengewone wijze gekerfd en afgeschaafd.Hoewel de mannetjes van zoovele leden van de familie der zwijnen van wapenen, en, gelijk wij zooeven hebben gezien, van verdedigingsmiddelen zijn voorzien, schijnen die wapenen in een vrij laat geologisch tijdvak te zijn verkregen. Dr. Forsyth Major beschrijft40verschillende miocene soorten bij geen waarvan de slagtanden bij de mannetjes sterk ontwikkeld schijnen te zijn geweest; en Prof.Rütimeyerwerd vroeger door dit zelfde feit getroffen.De manen van den leeuw vormen een goed verdedigingsmiddel tegen het eenige gevaar waaraan hij bloot staat, namelijk de aanvallen van andere leeuwen die zijn medeminnaars zijn; want de mannetjes leveren elkander, gelijk mij de heer A. Smith mededeelt, woedende gevechten, en een jonge leeuw durft een ouden niet naderen. In het jaar[251]1857 brak een tijger te Bromwich in het hok van een leeuw, en een vreeselijk tooneel volgde hierop; „de manen van den leeuw beschutten zijn hals en kop voor erge verwondingen; maar de tijger slaagde er ten laatste in hem den buik open te rijten, en binnen weinige minuten was hij dood.”41De breede kraag rondom den hals en de kin van den Canadaschen lynx (Felix Canadensis) is veel langer bij het mannetje dan bij het wijfje; maar of hij als een verdedigingsmiddel wordt gebruikt, weet ik niet. Het is bekend, dat mannelijke robben wanhopig met elkander vechten, en de mannetjes van sommige soorten (de zeeleeuw,Otaria jubata)42hebben groote manen, terwijl de wijfjes kleine of in het geheel geen manen hebben. Het mannetje van den choakkama van de Kaap de Goede Hoop (Cynocephalus porcarius) heeft veel langer manen en grooter hoektanden dan het wijfje, en de manen dienen waarschijnlijk tot bescherming; want toen ik aan de oppassers van den Londenschen dierentuin, zonder hun eenigen leiddraad tot mijn doel te geven, vroeg, of een van de apen andere van zijn soort bijzonder bij den nek aanviel, kreeg ik ten antwoord, dat dit niet het geval was, behalve bij de bovengenoemde soort van baviaan. Bij den Hamadryas-baviaan vergelijkt Ehrenberg de manen van het volwassen mannetje bij die van den jongen leeuw, terwijl bij de jongen van beiderlei sekse en bij het wijfje de manen bijna geheel ontbreken.Het scheen mij waarschijnlijk, dat de verbazend groote wollige manen van het mannetje van den Amerikaanschen bison, die bijna tot den grond toe reiken en veel meer zijn ontwikkeld bij de mannetjes dan bij de wijfjes, hun tot bescherming dienden bij hun vreeselijke gevechten; maar een ondervindingrijk jager verhaalde Judge Caton, dat hij nooit eenig feit had waargenomen, dat ten gunste dezer meening sprak. De hengst heeft dikker en voller manen dan de merrie, en ik heb bijzondere nasporingen gedaan bij twee groote africhters en fokkers, aan wier zorgen vele hengsten waren toevertrouwd, en zij verzekerden mij, dat de hengsten,„zonder uitzondering, elkander bij den hals trachten te pakken.” Uit de voorgaande opgaven volgt echter geenszins, dat, wanneer het haar aan den hals tot verdedigingsmiddel dient, het[252]zich oorspronkelijk tot dit doel ontwikkelde, hoewel dit in sommige gevallen, gelijk in dat van den leeuw, waarschijnlijk is. De heerMcNeillheeft mij medegedeeld, dat de lange haren aan de keel van het edelhert (Cervus elaphus) het zeer tot bescherming dienen, als het wordt gejaagd; want de honden trachten het over het algemeen bij de keel te grijpen; doch het is niet waarschijnlijk, dat deze haren zich bijzonder tot dat doel hebben ontwikkeld; want in dat geval kunnen wij ons verzekerd houden, dat ook de jongen en het wijfje op de zelfde wijze zouden zijn beschermd.Over de Voorliefde of Keus bij het Paren, waarvan beide seksen van de Viervoetige Dieren blijken geven.—Voor ik in het volgende hoofdstuk de verschillen tusschen de seksen in de stem, den geur dien zij verspreiden, en de versiering beschrijf, zal het gepast zijn hier te overwegen of de seksen bij haar vereeniging eenige keus uitoefenen. Geeft het wijfje de voorkeur aan eenig bijzonder mannetje, hetzij voor- of nadat de mannetjes met elkander om de heerschappij hebben gestreden; of kiest het mannetje, als hij niet veelwijvig (polygaam) is, eenig bijzonder wijfje voor de voortteling uit? De algemeene indruk onder fokkers schijnt te zijn, dat het mannetje elk wijfje aanneemt; en dit is, ten gevolge van zijn vurigheid, in de meeste gevallen waarschijnlijk de waarheid. Of het wijfje in den regel elk mannetje zonder verschil te maken, aanneemt, is veel twijfelachtiger. In het veertiende hoofdstuk over Vogels, werd een aanmerkelijke hoeveelheid directe en indirecte bewijzen bijgebracht, om aan te toonen, dat het wijfje haar gezel uitkiest; en het zou een vreemde anomalie zijn, als vrouwelijke viervoetige dieren die hooger staan op de ladder der georganiseerde wezens en hooger ontwikkelde geestvermogens hebben, niet over het algemeen, of ten minste dikwijls, eenige keus uitoefenden. Het wijfje zou in de meeste gevallen kunnen ontsnappen, als haar het hof werd gemaakt door een mannetje dat haar niet behaagde of opwekte; en als zij, gelijk zoo onophoudelijk gebeurt, door verscheidene mannetjes werd vervolgd, zou zij dikwijls de gelegenheid hebben, om, terwijl deze samen vochten, te ontsnappen of ten minste tijdelijk te paren met eenig ander bepaald mannetje. Dit laatste is dikwijls waargenomen in Schotland bij wijfjes van het edelhert, naar Sir Philip Egerton mij heeft medegedeeld.43[253]Het is nauwelijks mogelijk, dat er veel van bekend zou zijn, of vrouwelijke viervoetige dieren in den natuurstaat eenige keus bij hun huwelijksvereenigingen uitoefenen. De volgende zeer opmerkelijke bijzonderheden over de vrijage van een der geoorde robben, den zeebeer (Callorhinus ursinus), worden medegedeeld44op autoriteit van Kapitein Bryant die ruimschoots gelegenheid tot waarneming had. Hij zegt: „vele van de wijfjes schijnen bij hun aankomst op het eiland waar zij paren, begeerig te zijn om naar het eene of andere bijzondere mannetje terug te keeren, en beklimmen dikwijls de in zee gelegen rotsen om het geheele gezelschap te overzien, roepen luid en schijnen te luisteren, of zij niet een bekende stem hooren. Dan begeven zij zich naar een andere plaats, en doen nogmaals het zelfde … Zoodra een wijfje het strand bereikt, gaat het dichtst bijzijnde mannetje naar beneden naar haar toe en maakt intusschen een geluid, op het klokken van een hen tot haar kuikens gelijkende. Hij buigt voor haar en liefkoost haar, totdat hij tusschen haar en het water geraakt, zoodat zij hem niet kan ontsnappen. Dan veranderen zijn manieren, en met een norsch gebrom drijft hij haar naar een plaats in zijn harem. Dit gaat zoo voort, totdat de onderste rij van den harem bijna vol is. Dan kiezen de zich hooger op bevindende mannetjes den tijd uit, waarop hun meer gelukkige buurlieden zich van hun wachtpost verwijderen, om hun vrouwen te stelen. Dit doen zij, door haar in hun bekken te nemen en over de koppen van de andere wijfjes heen te tillen en met zorgvuldigheid in hun eigen harem te plaatsen, haar dragende, evenals de kat het haar jongen doet. De mannetjes die zich nog hooger op bevinden, gaan op de zelfde wijze voort, totdat de geheele ruimte is ingenomen. Dikwijls volgt er een gevecht tusschen twee mannetjes om het bezit van het zelfde wijfje, en beide, haar tegelijkertijd grijpende, trekken haar op eens in tweeën of kwetsen haar vreeselijk met hun tanden. Als de ruimte geheel vol is, wandelt het oude mannetje zelfbehagelijk rond, overziet zijn familie, beknort hen die de anderen dringen of storen, en jaagt grimmig alle indringers weg. Dit toezicht houdt hem voortdurend ijverig bezig.”[254]Daar zoo weinig bekend is omtrent de vrijage van dieren in den natuurstaat, heb ik trachten te ontdekken, in hoever onze tamme viervoetige dieren bij hun paringen eenige keus doen blijken. Honden geven de beste gelegenheid tot waarneming, als men zorgvuldig op hen let en hen goed begrijpt. Vele fokkers hebben hun meening over dit punt in zeer sterke woorden uitgedrukt. Zoo merkt de heer Mayhew op: „De teven zijn in staat haar genegenheid te kennen te geven; en teedere herinneringen hebben evenveel macht over haar, als, gelijk bekend is, in andere gevallen, waar het hoogere dieren geldt. Teven zijn niet altijd verstandig in haar liefde, en in staat om zich weg te gooien aan straathonden van zeer laag gehalte. Indien zij met een metgezel van gemeen uiterlijk worden opgekweekt, ontstaat er dikwijls tusschen het paar een trouw die geen verloop van tijd later kan doen ophouden. De hartstocht, want dat is het werkelijk, verkrijgt een meer dan romantische duurzaamheid.” De heer Mayhew,die zijn opmerkzaamheid hoofdzakelijk aan de kleinere rassen toewijdde, is overtuigd, dat de teven sterk worden aangetrokken door reuen van aanzienlijke grootte.45De welbekende veearts Blaine getuigt46, dat zijn eigen vrouwelijke mops („pug”) zoo gehecht werd aan een Engelsch hondje („spaniel”), en een vrouwelijke langharige jachthond („setter”) aan een kettinghond („cur”), dat zij in geen van beide gevallen met een hond van haar eigen ras wilden paren, voor verscheidene weken waren voorbijgegaan. Twee soortgelijke en betrouwbare berichten zijn mij omtrent een vrouwelijken water-jachthond („retriever”) en een Engelsch hondje („spaniel”) gegeven, die beide op „terrier” honden verliefd werden.De heer Cupples meldt mij, dat hij persoonlijk kan instaan voor de nauwkeurigheid van het volgende, nog merkwaardiger geval waarin een kostbare en verwonderlijk verstandige vrouwelijke „terrier” een water-jachthond („retriever”) die aan een buurman toebehoorde, zoozeer beminde, dat zij dikwijls van hem moest worden weggesleept. Nadat zij voor goed waren gescheiden, wilde zij, ofschoon zich herhaaldelijk melk in haar tepels vertoonde, nooit meer iets weten van de vrijage van andere honden, en bracht tot spijt van haar eigenaar nooit jongen ter[255]wereld. De heer Cupples getuigt ook, dat een vrouwelijke hertenhond die zich op dit oogenblik (1868) in zijn bezit bevindt, driemaal jongen ter wereld heeft gebracht, en bij elke gelegenheid een merkbare voorkeur aan den dag legde voor een van de grootste en schoonste, maar niet den vurigsten, van vier mannelijke hertenhonden, allen in de kracht van het leven, die met haar leefden. De heer Cupples heeft opgemerkt, dat een teef over het algemeen een reu begunstigt, waarmede zij in gezelschap is geweest en dien zij kent; haar schuwheid en beschroomdheid nemen haar eerst tegen een vreemden reu in. De reu daarentegen schijnt eerder genegenheid te gevoelen voor vreemde teven. Het schijnt zelden te gebeuren, dat de reu eene of andere bijzondere teef afwijst; doch de heer Wright van Yeldersley House, een groot hondenfokker, meldt mij, dat eenige voorbeelden daarvan te zijner kennis zijn gekomen; hij haalt het geval aan van een van zijn eigen hertenhonden, die volstrekt geen acht wilde geven op een bepaalden vrouwelijken dog („mastiff”), zoodat een andere hertenhond moest worden gebruikt. Het zou overtollig zijn nog meer voorbeelden te geven, en ik wil alleen hierbij voegen, dat de heer Barr die met zorg vele bloedhonden heeft aangefokt, getuigt, dat zij bijna altijd een bijzondere voorkeur geven aan bepaalde individu’s van de andere sekse. Eindelijk schreef mij onlangs de heer Cupples, na nogmaals een jaar lang zijn opmerkzaamheid aan de zaak te hebben gewijd: „Ik heb mijn vorig bericht volkomen bevestigd gezien, dat honden bij de paring een besliste voorkeur voor elkander toonen, en daarbij dikwijls de grootte, de levendige kleur en het individueele karakter en ook de mate van hun vroegere vertrouwelijkheid invloed op hen hebben.”Wat paarden aangaat, deelt de heer Blenkiron, de grootste fokker van renpaarden op de wereld, mij mede, dat de hengsten zoo dikwijls grillig in hun keus zijn, en de eene merrie afwijzende, zonder eenige blijkbare oorzaak aan een andere de voorkeur geven, dat voortdurend de meest verschillende kunstgrepen in het werk moeten worden gesteld. De vermaarde Monarque wilde, bij voorbeeld, nooit met bewustheid de moeder van Gladiateur met een blik verwaardigen, en men moest list te baat nemen. Wij kunnen gedeeltelijk de reden inzien, waarom kostbare renpaard-hengsten waarnaar zooveel vraag is, zoo eigenzinnig in hun keus zijn. De heer Blenkiron heeft nimmer waargenomen, dat een merrie een hengst afwees; doch dit is geschied in den stal van den heer Wright, zoodat de merrie moest worden misleid. Prosper[256]Lucas47haalt onderscheidene getuigenissen van Fransche autoriteiten aan en merkt op: „On voit des étalons, qui s’éprennent d’une jument, et négligent toutes les autres.” Hij deelt, op gezag van Baëlen, soortgelijke feiten ten opzichte van stieren mede. Hoffberg zegt, het tamme rendier van Lapland beschrijvende: „Foeminae majores et fortiores mares prae caeteris admittunt, ad eos confugiunt, a junioribus agitatae, qui hos in fugam conjiciunt.” Een geestelijke die vele zwijnen heeft gefokt, verzekert mij, dat zeugen dikwijls den eenen beer afwijzen en dadelijk daarop een anderen aannemen.Wegens deze feiten kan er geen twijfel bestaan, dat bij de meeste onzer tamme viervoetige dieren dikwijls sterke individueele antipathieën en voorliefden worden getoond, en dat wel veel algemeener door het wijfje dan door het mannetje. Daar dit het geval is, is het onwaarschijnlijk, dat de paringen van viervoetige dieren in den natuurstaat aan het bloote toeval zouden zijn overgelaten. Het is veel waarschijnlijker, dat de wijfjes door bijzondere mannetjes worden aangelokt of opgewekt, die zekere kenmerken in hoogere mate bezitten dan andere mannetjes; maar welke deze kenmerken zijn, kunnen wij zelden of nooit met zekerheid ontdekken.[Inhoud]AANTEEKENINGEN.(1)Auchenia huanaco.(2)Gedurende de oudheid en Middeleeuwen leefden in Midden-Europa twee soorten van wilde runderen, de Wisent of Europeesche Bison (Bos bonasus) en de Urus (Bos Urus), de eerste waarschijnlijk een rechtstreeksche afstammeling van den diluvialenBos priscus, de tweede van het rund der voorwereld (Bos primigenius). Beide worden bij Caesar, Seneca en Plinius, bij vele middeleeuwsche schrijvers, in oude Duitsche wetten en jachtberichten vermeld en scherp van elkander onderscheiden. Beide waren zeer groote, sterke en woeste dieren; van den Urus zegt Caesar, dat hij in grootte weinig voor den olifant onderdeed en dat zijn jacht bij de Germanen voor de roemrijkste gold. In het Niebelungenlied worden beide als jachtdieren vermeld; bij de beschrijving toch van de jacht van Siegfried in Wasgau wordt gezegd:„Darnach schlug er wieder einenWiesentund einen Elk48,StarkerUreviere und einen grimmen Schelk.”49Het tweede dezer runderen (Bos Urus) was het dier dat de Duitschers[257]„Auerochs” noemden; sedert het op het vasteland van Europa is uitgestorven wordt de naam door zeer vele schrijvers voorBos bonasusgebruikt; hiertegen bestaat m.i. niet veel bezwaar (verba valent usu) wanneer slechts altijd, ’t zij uit den zin, ’t zij door de bijvoeging van den Latijnschen naam, blijkt, van welk der twee runderen sprake is, nog liever, wanneer men dan den naam „Auerochs” niet voorBos Urusgebruikt. Dat oorspronkelijkBos UrusAuerochs werd genoemd, doch tevens, dat de naamsverwarring reeds uit oude tijden dagteekent, blijkt o.a. uit twee afbeeldingen van wilde runderen, die in een oud boekje over Rusland en Polen van den Oostenrijkschen gezant von Herberstain voorkomen. Onder de eerste die een op ons tam rund gelijkend dier voorstelt, staat: „Ich bin der Urus, welchen die PolenTurnennen, die DeutschenAuerox, die NichtkennerBison”, en onder de tweede: „Ich bin derBison, welchen die PolenSubrnennen, die DeutschenWysent, die NichtkennerUrochs.”Van de Wisent leeft nog ééne enkele kudde in het woud van Bialowicza in Lithauen, dank zij de bescherming, haar aldaar achtereenvolgens door de koningen van Polen en de keizers van Rusland verleend. In 1853 was deze kudde 1543 stuks sterk, doch in 1866 nog slechts 500 stuks. Daarenboven heeft men in de laatste jaren ook in den Kaukasus Wisents aangetroffen, en ook in Midden-Azië moeten er nog in den omtrek van het meer Koko-Nor voorkomen.Deze Wisents, gewoonlijk minder juist Auerossen genoemd, zijn runderen met sterke manen op schoft en hals, met zeer breed gewelfd voorhoofd, op den bekenden Amerikaanschen Bison gelijkende; in den loop der eeuwen schijnen zij in grootte te zijn afgenomen; een in 1555 in Pruisen gedoode Wisentstier toch was2,1meter hoog en3,9meter lang; tegenwoordig zijn de grootste stieren zelden meer dan1,5meter hoog en2,25meter lang.De Urus of eigenlijke Aueros geleek, volgens oude beschrijvingen, volkomen op het tamme rund, en onderscheidde zich slechts daarvan door zijn meerdere grootte, zijn sterker ontwikkelde horens en zijn kleur die zwart was met een witachtige streep op den rug. Volgens sommigen (o.a. Fitzinger) zouden onze inlandsche tamme runderen van dit dier afstammen.50Zooals wij reeds zeiden, is de Urus op het vaste land van Europa uitgestorven. Ook in Groot-Brittannië kwamen echter in de Middeleeuwen wilde[258]runderen voor, die o.a. de bosschen in den omtrek van Londen zeer onveilig maakten en door wier bestrijding sommige ridders zich veel roem verwierven. Waarschijnlijk behoorden deze runderen tot de zelfde soort als de Urus, of waren ten minste van nauwverwante soort.In de dertiende eeuw waren deze wilde runderen in den omtrek van Londen reeds geheel uitgestorven; ook elders worden zij hoe langer hoe zeldzamer. In 1260 werd door toedoen van Williams van Farrarus het park van Chartly in Staffordshire met een omheining omgeven, opdat de wilde runderen daar rustig in volle vrijheid zouden kunnen blijven voortleven. Op verscheidene andere plaatsen vond dit voorbeeld navolging. In het begin der zestiende eeuw werd het nergens dan in deze parken aangetroffen, wier aantal tegenwoordig tot vier of vijf is geslonken, waarvan het bekendste dat van Chillinghamcastle bij Berwick aan de Tweed in Northumberlandshire is. Eén dier parken (dat in het Cadzowwoud bij Hamilton in Lanarcshire) ligt in Schotland. Men vergelijke over deze parkrunderen, Darwin, „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel I, blz. 100.(3)De spoor van het mannetje is doorboord en de holte staat in verband met een aan de binnenzijde der dij gelegen klier. Volgens Harting („Leerboek van de grondbeginselen der Dierkunde”, Deel II, Afd. I, blz. 314) bezit het door de klier afgescheiden vocht echter geen vergiftige eigenschappen, en bezit het wijfje op de plaats waar zich bij het mannetje de spoor bevindt, eenholte, vermoedelijk dienende tot opneming van de spoor tijdens de paring. Om deze redenen vermoed ik, dat Darwin de spoor van het vogelbekdier ten onrechte voor een aanvals- (offensief) wapen houdt, en zij integendeel een paringsorgaan is.(4)Van der Hoeven („Handboek der Dierkunde”, 2de uitgave, Deel II, blz. 633) merkt, na te hebben vermeld, dat zich bij gesnedenhertengeen horens ontwikkelen, of zoo zij reeds, voor de castratie plaats had, waren ontwikkeld, niet meer afvallen, in een noot op: „Van het rendier nochtans zegt Linnaeus,„castratus quotannis cornua deponit”,Syst. nat.I, ed. 12, p. 93. Het zelfde wordt ook door Sundevall tegen latere tegenspraak verdedigd.” Dit feit is in volkomen overeenstemming met de vroege ontwikkeling der horens bijbeideseksen van het rendier, waardoor zij als het ware ophouden een seksueel kenmerk te zijn.51Bij de overige soorten van herten bij welke de horens en hun geregeld jaarlijks afvallen tot de mannelijke sekse zijn beperkt, is het duidelijk, dat wanneer de speciaal seksueele ontwikkeling door de castratie is gestuit, de horens zich niet meer ontwikkelen, of, als zij vóór de castratie waren ontwikkeld, niet meer afvallen.(5)Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 571) houdt dit, wat den steenbok aangaat, voor een sprookje. Hij zegt: „Die alten kindlichen Berichtstatter ersannen wunderliche Märchen um diese auffallenden Fähigkeiten der Steinböcke zu erklären, und manche dieser Märchen haben sich Jahrhunderte fortgesponnen und werden heute noch von Unbewanderten auf Treue und Glauben hingenommen. So meint Geszner, dasz das Thier seine gewaltigen[259]Hörner hauptsachlich benutze, um sich aus bedeutenden Höhen auf sie zu stürzen” enz. DaarCapra aegagrusveel minder stevige en groote horens heeft dan de steenbok, geloof ik, dat, als zulks bij den steenbok een sprookje is, het ook bijCapra aegagruswaarschijnlijk als zoodanig moet worden beschouwd.(6)Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 630) zegt van den Italiaanschen buffel, dat het volstrekt niet valt te betwijfelen, dat hij uit Indië komt, daar hij met den aldaar nog in het wild levendevolkomenovereenstemt. Derhalve is het wel degelijk zeker, dat de wilde stamvorm eveneens gevormde horens bezat als de tamme. Vergelijk mijn aant. op hoofdst. III van Darwin’s „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 121.(7)Springbokis de naam dien de Nederlandsche kolonisten aan de Kaap de Goede Hoop aanAntilope euchorehebben gegeven. Het is merkwaardig, hoevele Zuid-Afrikaansche dieren op die wijze Nederlandsche namen hebben ontvangen, die later, hoewel soms min of meer misvormd, ook in andere talen, in het Duitsch, Engelsch, ja zelfs soms in het Fransch het burgerrecht hebben verkregen. Wij noemen als zoodanig, behalve den Springbok, onder de Antilopen: den Rietbok (Eleotragus arundinaceus), den Duiker (Cephalophus mergens), den Bleekbok (Antilope scoparia), den Klipspringer (Oreotragus saltatrix), den Blauwbok (Aegocerus leucophaeus), den Waterbok (Kobus ellipsiprymnus), den Spietsbok (Oryx gazella), het Hartebeest (Acronotus Caama), het Wildebeest (Catoblepas Gnu), enz. Ook onder andere groepen van Zuid-Afrikaansche dieren vindt men er met Nederlandsche namen, bij voorbeeld de Muishond (zoo noemen de Afrikaanders de civetkat), het tot de Tandelooze dieren (Edentata) behoorende Aardvarken (Orycteropus capensis), enz. (vergelijk ook aanteekening 12, en Deel I, blz.574, aanteekening 9).(8)Elephas primigenius.(9)Megaceros hibernicus.(10)Volgens Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 783) wordt het mannetje1,8tot2,7, het wijfje0,9tot1,2meter lang.(11)Poreus babyrussa.(12)Onder dezen naam wordtPacochoerus aethiopicusbeschreven in een Nederlandsch boekje uit de vorige eeuw (Vosmaer, „Beschrijving van het Afrikaansch Breedsnuitig Varken”, Amsterdam, 1766, 4o, met gekleurde afbeeldingen). De Nederlandsche kolonisten aan de Kaap noemen dit dier den Hardlooper of Snellooper.[260]
[Inhoud]ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE ZOOGDIEREN.Kampstrijd tusschen de mannetjes.—Bijzondere wapenen, tot hen alleen beperkt.—Oorzaak van het ontbreken der wapenen bij het wijfje.—Wapenen aan beide seksen gemeen, toch oorspronkelijk eerst door het mannetje verkregen.—Andere gebruiken van dergelijke wapenen.—Hun hooge belangrijkheid.—Meerdere grootte van het mannetje.—Verdedigingsmiddelen.—Over de voorkeur, door elk der beide seksen betoond bij de paring van viervoetige dieren.Bij de Zoogdieren schijnt het mannetje het wijfje veel meer te verkrijgen door den kampstrijd met zijn medeminnaars, dan door het pronken met zijn bekoorlijkheden. De vreesachtigste dieren die volstrekt geen bijzondere wapenen voor den strijd bezitten, leveren elkander gedurende den paartijd wanhopige gevechten. Men heeft twee rammelaars (mannelijke hazen) met elkander zien vechten, totdat de eene was gedood; mannelijke mollen vechten dikwijls en niet zelden met noodlottig gevolg; mannelijke eekhoorns „bekampen elkander dikwijls en brengen elkander daarbij meermalen zware wonden toe”; de mannelijke bevers handelen evenzoo, „zoodat nauwelijks een vel zonder litteekens is.”1Ik nam het zelfde waar bij de huiden der wilde lama’s(1)in Patagonië; en eens waren verscheidene hunner zoo verdiept in het gevecht, dat zij zonder vrees tot in mijn onmiddellijke nabijheid kwamen. Livingstone zegt, dat de mannetjes der vele dieren van Zuid-Afrika bijna altijd litteekens vertoonen van in vroegere gevechten ontvangen wonden.De wet van den strijd heerscht zoowel bij de zoogdieren welke het water, als bij die welke het land bewonen. Het is bekend, hoe wanhopend de mannelijke zeehonden, zoowel met hun tanden als met hun[226]klauwen, gedurende den paartijd vechten, en hun huid is ook dikwijls met litteekens bedekt. De mannelijke cachelotten zijn in dien tijd zeer ijverzuchtig en in hun gevechten „geraken zij dikwijls met hun kaken in elkander verward, en gaan op hun zijde liggen en draaien zich rond”, zoodat door sommige natuuronderzoekers wordt geloofd, dat de veelvuldig voorkomende misvormingen van hun onderkaken door deze gevechten worden veroorzaakt.2Van alle mannelijke dieren die van bijzondere wapenen voor het gevecht zijn voorzien, is het bekend, dat zij elkander vinnig bevechten. De moed en wanhopende gevechten van herten zijn dikwijls beschreven; in verschillende werelddeelen heeft men hun geraamten gevonden, met de horens onontwarbaar in elkander gestrengeld, aantoonende, hoe ellendig overwinnaar en overwonnene waren omgekomen.3Geen dier ter wereld is zoo gevaarlijk als de olifant in den bronstijd. Lord Tankerville heeft mij een levendige beschrijving gegeven van de gevechten tusschen de wilde stieren van Chillingham Park, de afstammelingen ontaard in lichaamsgrootte, maar niet in moed, van het reusachtige rund der voorwereld (Bos primigenius).(2)In 1861 streden verscheidene met elkander om de oppermacht; en men nam waar, dat twee van de jongere stieren den ouden leider van de kudde gezamenlijk aanvielen, hem overwonnen en buiten gevecht stelden, zoodat de boschwachters geloofden, dat hij doodelijk gewond in een naburig woud lag. Doch eenige weinige dagen later naderde een van de jonge stieren alleen het woud; en toen kwam de „koning der jacht” die zich slechts om wraak te nemen, schuil had gehouden, daaruit te voorschijn en doodde in korten tijd zijn tegenstander. Daarna begaf hij zich wederom rustig naar de kudde en voerde daar nog langen tijd onbetwist de heerschappij. Admiraal Sir B. J. Sulivan meldt mij, dat hij, toen hij op de Falklands-eilanden verblijf hield, een jongen Engelschen hengst invoerde, die met acht merries de heuvels nabij Port[227]William veelvuldig bezocht. Op deze heuvels bevonden zich twee wilde hengsten, elk met een kleine kudde merries; „en het is zeker, dat deze hengsten elkander nooit zouden zijn genaderd zonder te vechten.” Beide hadden afzonderlijk beproefd met den Engelschen hengst te vechten en zijn merries weg te drijven, doch waren daarin niet geslaagd. Op zekeren dag kwamen zijte zamenen vielen hem aan. Dit werd gezien door den kapitein aan wien de zorg voor de paarden was opgedragen, en die, naar de plaats toe rijdende, een van de beide hengsten met den Engelschen hengst in gevecht vond, terwijl de andere bezig was de merries weg te drijven, en er reeds vier van de overige had gescheiden. De kapitein maakte een einde aan de zaak, door het geheele gezelschap in de kraal („corral”) te drijven; want de wilde hengsten wilden de merries niet verlaten.Mannelijke dieren die reeds met toereikend snijdende of scheurende tanden voor de gewone doeleinden van het leven zijn voorzien, zooals bij de Verscheurende Dieren (Carnivora), Insektenvreters (Insectivora) en Knaagdieren (Rodentia), zijn zelden van wapenen voorzien, die bijzonder zijn ingericht voor den kamp met hun medeminnaars. Met de mannetjes van vele andere dieren is het echter een geheel ander geval. Wij zien dit aan de horens der herten en van zekere soorten van antilopen, bij welke de wijfjes ongehorend zijn. Bij vele dieren zijn de hondstanden in de boven- of benedenkaak, of in beide, veel grooter bij de mannetjes dan bij de wijfjes, of ontbreken bij deze laatsten, met uitzondering somtijds van een verborgen rudiment. Sommige antilopen, het muskusdier, de kameel, het paard, het wilde zwijn, onderscheidene apen,robben en de walrus leveren voorbeelden van de onderscheidene gevallen op. Bij de wijfjes van den walrus ontbreken de slagtanden somtijds geheel.4Bij den mannelijken Indischen olifant en bij den mannelijken dugong5vormen de snijtanden van de bovenkaak aanvallende wapenen. Bij den mannelijken narwal of zeeëenhoren is slechts een van de tanden der bovenkaak ontwikkeld tot den welbekenden, spiraalvormig gewonden, zoogenaamden horen die somtijds van2,7tot 3 meter lengte heeft.[228]Men gelooft, dat de mannetjes deze horens gebruiken om met elkander te vechten; want „een ongebroken horen kan men slechts zelden verkrijgen, en nu en dan vindt men een waarbij de punt van een anderen in de gebroken plaats is vastgeklemd”.6De tand aan de tegenovergestelde zijde van den kop van het mannetje bestaat uit een rudiment van omstreeks 25 centimeter lengte, dat door de kaak wordt omsloten. Het is echter geen zeer groote zeldzaamheid om tweehoornige narwals te vinden, bij welke beide tanden goed zijn ontwikkeld.Bij de wijfjes zijn beide tanden rudimentair. De mannelijke cachelot heeft een grooter kop dan de vrouwelijke, en deze helpt ongetwijfeld deze dieren bij hun zeegevechten. Het mannetje van het vogelbekdier (Ornithorhynchus) eindelijk is van een merkwaardigen toestel voorzien, namelijk van een spoor aan den achtervoet, die zeer veel gelijkt op den gifttand van een vergiftige slang; het gebruik daarvan is niet bekend; maar wij mogen veronderstellen, dat zij tot aanvallend wapen dient.7Bij het wijfje wordt zij alleen door een rudiment vertegenwoordigd.(3)Als de mannetjes van wapens zijn voorzien, die de wijfjes niet bezitten, kan het nauwelijks worden betwijfeld, dat zij worden gebruikt om met andere mannetjes te vechten, en dat zij door seksueele teeltkeus zijn verkregen. Het is niet waarschijnlijk, ten minste in de meeste gevallen, dat de wijfjes dergelijke wapenen niet hebben verkregen, omdat zij nutteloos en overtollig, of op de eene of andere wijze nadeelig waren. Daar zij dikwijls door de mannetjes van vele dieren voor verschillende doeleinden, meer in het bijzonder als verdedigingsmiddel tegen hun vijanden worden gebruikt, is het integendeel een verwonderingwekkend feit, dat zij bij de wijfjes zoo armelijk zijn ontwikkeld of geheel ontbreken. Ongetwijfeld zou bij de hinde de ontwikkeling gedurende elk opeenvolgend jaar van groote vertakte horens, en bij vrouwelijke olifanten de ontwikkeling van verbazend groote slagtanden, een groote verspilling van levenskracht zijn geweest, als men aanneemt, dat zij van geen nut voor de wijfjes waren. Bij gevolg zouden afwijkingen in de grootte dezer organen, die tot hun geheel verdwijnen leidden, onder de heerschappij der natuurlijke teeltkeus zijn gekomen, en, indien zij in hun overplanting tot de vrouwelijke nakomelingschap waren beperkt, hun ontwikkeling door seksueele teeltkeus bij de mannetjes niet hebben[229]verhinderd. Hoe kunnen wij echter volgens deze beschouwingswijze de aanwezigheid van horens bij de wijfjes van sommige antilopen en van slagtanden bij de wijfjes van vele dieren die slechts weinig voor die der mannetjes in grootte onderdoen, verklaren? De verklaring moet, geloof ik, in bijna alle gevallen in de wetten der erfelijkheid worden gezocht.Daar het rendier de eenige soort van de geheele Familie der Herten is, waarvan het wijfje horens bezit, hoewel iets kleiner, dunner en minder getakt dan bij het mannetje, zou men van zelf op de gedachte komen, dat zij haar in eenig opzicht van dienst moesten wezen. Er zijn echter eenige feiten die tegen deze meening pleiten. Het wijfje behoudt haar horens van den tijd af, waarop zij tot volkomen ontwikkeling komen, namelijk in September, het geheele jaar door, tot Mei, wanneer zij haar jongen werpt; terwijl het mannetje zijn horens veel vlugger afwerpt, tegen het einde van November. Daar beide seksen de zelfde behoeften en de zelfde levenswijze hebben, en daar het mannetje zijn gewei gedurende den winter afwerpt, is het zeer onwaarschijnlijk, dat het aan het wijfje eenigen bijzonderen dienst kan bewijzen gedurende dit jaargetijde dat het grootste gedeelte van den tijd gedurende welken zij horens draagt, omvat. Het is ook niet waarschijnlijk, dat zij de horens kan hebben geërfd van den eenen of anderen ouden stamvader van de geheele Familie der Herten; want uit het feit, dat alleen de mannetjes bij zoovele soorten in alle deelen der wereld horens bezitten, mogen wij besluiten, dat dit een oorspronkelijk kenmerk van de geheele groep was. Het schijnt derhalve, dat de horens van het mannetje op het wijfje moeten zijn overgeplant in een later tijdperk dan dat waarop de onderscheidene soorten zich uit den gemeenschappelijken stam in verschillende richtingen ontwikkelden; doch dat dit geen plaats greep om haar eenig bijzonder voordeel te verschaffen.8Wij weten, dat de horens zich bij het rendier op een ongewoon vroegen leeftijd ontwikkelen; maar wat de oorzaak hiervan kan zijn geweest, is ons niet bekend. Het gevolg daarvan schijnt echter de overbrenging van de horens op beide seksen te zijn geweest. Het is volgens de hypothese der pangenesis begrijpelijk, dat een zeer geringe[230]verandering in het gestel van het mannetje, hetzij in het weefsel van het voorhoofd of in de kiempjes van de horens, tot hun vroege ontwikkeling zou kunnen leiden; en daar de jongen van beide seksen, vóór het tijdperk waarin zij in staat zijn zich voort te planten, omtrent het zelfde gestel bezitten, zouden de horens, indien zij zich bij het mannetje op vroegen leeftijd ontwikkelden, een neiging verkrijgen om gelijkelijk op beide seksen te worden overgeplant.(4)Tot staving dezer meening moeten wij bedenken, dat de horens altijd door het wijfje heên worden overgeplant, en dat zij een latent vermogen tot ontwikkeling daarvan bezit, gelijk wij bij oude of zieke wijfjes zien.9Daarenboven vertoonen de wijfjes van sommige andere soorten van herten rudimenten van horens; zoo heeft het wijfje vanCervulus moschatus„in een knoest eindigende borstelachtige haarbossen, in plaats van een horen”; en „bij de meeste voorwerpen van het wijfje van het Wapiti-hert (Cervus Canadensis) is er een scherp beenachtig uitsteeksel op de plaats van den horen.”10Op grond van deze verschillende overwegingen mogen wij besluiten, dat het bezit van tamelijk goed ontwikkelde horens bij het vrouwelijke rendier is veroorzaakt, doordat de mannetjes ze eerst verkregen als wapens om met andere mannetjes te vechten en dat zij zich tevens ten gevolge van de eene of andere onbekende oorzaak bij de mannetjes op een ongewoon vroegen leeftijd ontwikkelden en ten gevolge daarvan op beide seksen werden overgeplant.Laten wij nu tot de holhoornige Herkauwende Dieren overgaan: bij de Antilopen kan men eentrapsgewijzereeks vormen, beginnende met de soorten waarbij de wijfjes volstrekt geen horens hebben, vervolgens eerst overgaande tot die waarbij de wijfjes zulke kleine horens hebben, dat zij bijna rudimentair zijn, gelijk bijAntilocapra Americana, dan tot die waarvan de wijfjes tamelijk goed ontwikkelde horens hebben, die echter duidelijk kleiner en dunner en somtijds anders gevormd11[231]zijn dan die van het mannetje, en eindigende met die bij welke beide seksen horens van gelijke grootte hebben. Evenals bij het rendier, bestaat er ook bij de antilopen een betrekking tusschen het tijdperk van de ontwikkeling der horens en hun overplanting op ééne of op beide seksen; het is daarom waarschijnlijk, dat hun aanwezigheid of ontbreken bij de wijfjes van sommige soorten, en hun meer of minder volkomen toestand bij de wijfjes van andere soorten afhankelijk is, niet van een of ander bijzonder gebruik waartoe zij dienen, maar eenvoudig van den vorm van erfelijkheid, die de overhand heeft behouden. Het komt met deze meening overeen, dat zelfs in één en het zelfde geslacht van sommige soorten beide seksen, van andere alleen de mannetjes daarvan zijn voorzien. Het is een opmerkelijk feit, dat, hoewel de wijfjes vanAntilope bezoarcticain den regel geen horens bezitten, de heer Blyth niet minder dan drie wijfjes heeft gezien, die er van waren voorzien; en er was geen reden om te veronderstellen, dat zij oud of ziek waren. De mannetjes van deze soort hebben lange, rechte, spiraalvormig gewonden horens die bijna evenwijdig aan elkander loopen en naar achteren zijn gericht. Die van het wijfje zijn, wanneer zij aanwezig zijn, zeer verschillend van vorm; want zij zijn niet spiraalvormig gewonden, en, zich wijd uiteenspreidende, buigen zij zich om, zoodat hun punten naar voren zijn. Het is een nog merkwaardiger feit, dat bij het gesneden (gecastreerde) mannetje, gelijk de heer Blyth mij meldt, de horens den zelfden bijzonderen vorm hebben als bij het wijfje, maar langer en dikker zijn. In alle gevallen hangen de verschillen tusschen de horens van de mannetjes en de wijfjes en van gesneden en ongesneden mannetjes waarschijnlijk van verschillende oorzaken af,—van de meer of minder volkomen overplanting van mannelijke kenmerken op de wijfjes,—van den vroegeren toestand van de stamouders der soort,—en gedeeltelijk wellicht van een verschillende voeding der horens omtrent op de zelfde wijze als de sporen van den huishaan, als zij op den kam of op andere deelen van het lichaam worden geënt, allerlei afwijkende (abnormale) vormen aannemen, omdat zij op een andere wijze worden gevoed.Bij al de wilde soorten van Geiten en Schapen zijn de horens bij het mannetje grooter dan bij het wijfje, en ontbreken somtijds bij dit laatste zelfs geheel.12Bij onderscheidene tamme rassen van schapen en[232]geiten zijn alleen de mannetjes van horens voorzien; en het is een beteekenisvol feit, dat bij één dergelijk ras aan de kust van Guinea de horens, gelijk de heer Winwood Reade mij meldt, bij het gesneden (gecastreerde) mannetje niet tot ontwikkeling komen, zoodat zij in dit opzicht op de zelfde wijze worden aangedaan als de horens van herten. Bij sommige rassen, zooals bij dat van N.-Wales, bij hetwelk eigenlijk beide seksen gehorend zijn, zijn de ooien zeer dikwijls horenloos. Bij deze zelfde schapen zijn, naar mij door een te vertrouwen getuige is medegedeeld, die met opzet een kudde gedurende den lammertijd onderzocht, de horens bij de geboorte over het algemeen veel volkomener ontwikkeld bij het mannetje dan bij het wijfje. De heer J. Peel kruiste zijn Lonk-schapen van welke beide seksen altijd horens dragen, met horenlooze Leicesters en horenlooze Shropshire Downs; en de uitslag was, dat de mannelijke jongen veel kleiner horens bezaten, en deze bij de vrouwelijke geheel ontbraken. Deze verschillende feiten bewijzen, dat bij schapen de horens een veel minder vast geworden (gefixeerd) kenmerk zijn bij ooien dan bij rammen; en dit leidt er ons toe om de horens als een eigenlijk mannelijk kenmerk te beschouwen. Bij den volwassen muskusos (Ovibos moschatus) zijn de horens van het mannetje grooter dan die van het wijfje, en bij dit laatste raken de grondvlakken der horens elkander niet.13Omtrent het gewone hoornvee merkt de heer Blyth op: „Bij de meeste wilde runderen zijn de horens langer en dikker bij den stier dan bij de koe, en bij de Banteng-koe (Bos sondaicus) zijn de horens opmerkelijk klein, en hellen zeer naar achteren over. Bij de tamme runderrassen, zoowel bij de typen met een bult als bij die zonder bult, zijn de horens bij den stier kort en dik en bij de koe en den os langer en slanker, en bij den Indischen buffel zijn zij bij den stier korter en dikker, bij de koe langer en slanker. Bij den wilden gaoer(B. gaurus) zijn de horens bij den stier meestal zoowel langer als dikker dan bij de koe.”14Bij de meeste holhoornige Herkauwende Dieren zijn derhalve de horens van het mannetje hetzij langer of sterker dan die van het wijfje. Bij den stompneuzigen neushoren (Rhinoceros simus) zijn, gelijk ik er hier bij mag voegen, de horens van het wijfje over het algemeen langer maar minder krachtig dan bij het mannetje; en bij sommige andere soorten van neushorens[233]zijn zij, naar men zegt, bij het wijfje korter.15Uit deze onderscheidene feiten mogen wij het besluit trekken, dat horens van alle soorten, zelfs wanneer zij bij beide seksen gelijkelijk zijn ontwikkeld, oorspronkelijk door de mannetjes werden verkregen om andere mannetjes mede te overwinnen en meer of minder volkomen op het wijfje zijn overgeplant, in verhouding tot de kracht van den gelijken vorm van erfelijkheid.De uitwerkselen der ontmanning verdienen de aandacht, omdat zij licht werpen op dit zelfde punt. Herten vernieuwen na de operatie nimmer hun horens meer. Het mannelijke rendier maakt hierop echter een uitzondering, daar hij hen na de castratie wel hernieuwt. Dit feit, zoowel als het bezit van horens door beide seksen, schijnt op het eerste gezicht te bewijzen, dat de horens bij deze soort geen seksueel kenmerk vormen16; maar, daar de horens zich bij het rendier op zeer jongen leeftijd ontwikkelen, vóórdat de seksen in gestel verschillen, is het niet te verwonderen, dat de horens niet worden aangedaan door de ontmanning, zelfs wanneer zij oorspronkelijk door het mannetje werden verkregen. Bij schapen dragen eigenlijk beide seksen horens; en men heeft mij medegedeeld, dat bij Welshschapen de horens van de rammen door ontmanning aanmerkelijk kleiner worden gemaakt; maar de hoegrootheid dier afneming is zeer afhankelijk van den leeftijd waarop de operatie plaats heeft, gelijk eveneens het geval is met andere dieren. Merino-rammen hebben groote horens, terwijl de ooien „over het algemeen gesproken zonder horens zijn”; en bij dit ras schijnt castratie een eenigszins sterker uitwerking te hebben, zoodat, wanneer die op jeugdigen leeftijd wordt uitgevoerd, de horens „bijna onontwikkeld blijven.”17Op de kust van Guinea is er een ras waarbij de ooien nooit horens dragen, en, gelijk de heer Winwood Reade mij meldt, de rammen na de ontmanning daarvan geheel worden ontbloot. Bij runderen worden de horens der stieren door de castratie zeer veranderd; want, in plaats van kort en dik te zijn, worden zij langer dan die van[234]de koe, maar gelijken overigens op deze. DeAntilope bezoarcticalevert een eenigszins soortgelijk geval op; de mannetjes hebben lange, rechte, schroefsgewijs gedraaide horens, ongeveer evenwijdig aan elkander loopende en naar achteren gericht; de wijfjes bezitten soms horens; maar, als deze aanwezig zijn, hebben zij een geheel andere gedaante, want dan zijn zij niet schroefvormig, maar spreiden zich ver uit elkander uit, zijn rondgebogen met de punten naar voren. Nu is het een opmerkelijk feit, dat bij het gesneden mannetje, gelijk de heer Blyth mij meldt, de horens van den zelfden bijzonderen vorm zijn als bij het wijfje, maar langer en dikker. Als wij naar de analogie mogen oordeelen, vertoont het wijfje ons, in deze beide gevallen van runderen en de antilope, den vroegeren toestand van de horens bij den eenen of anderen voormaligen stamvader van elk der beide soorten. Maar waarom de ontmanning ten gevolge heeft, dat een vroegere toestand van de horens opnieuw verschijnt, kan niet met eenige zekerheid worden verklaard. Desniettemin komt het mij waarschijnlijk voor, dat op ongeveer dezelfde wijze, als de storing in het gestel van de jongen, veroorzaakt door de kruising van twee verschillende soorten of rassen, dikwijls leidt tot het opnieuw verschijnen van lang verloren kenmerken18, zoo ook hier de storing in het gestel van het individu, ten gevolge der ontmanning, de zelfde uitwerking voortbrengt.De slagtanden van den olifant verschillen bij de onderscheidene soorten of rassen volgens de sekse op omtrent de zelfde wijze als de horens van Herkauwende Dieren. In Indië en Malakka zijn alleen de mannetjes van goed ontwikkelde slagtanden voorzien. De olifant van Ceylon wordt door de meeste natuuronderzoekers als een afzonderlijke soort beschouwd en hier „wordt er op een honderdtal niet één gevonden met slagtanden, terwijl de weinige die ze bezitten, uitsluitend mannetjes zijn.”19De Afrikaansche olifant is ongetwijfeld een afzonderlijke soort, en het wijfje heeft groote, goed ontwikkelde slagtanden, hoewel niet zoo groot als die van het mannetje. Deze verschillen in de slagtanden bij de verschillende rassen en soorten van olifanten,—de groote verscheidenheid bij de horens van herten en in ’t bijzonder van het wilde rendier,—het nu en dan aanwezig zijn van horens bij de vrouwelijke[235]Antilope bezoartica,—de aanwezigheid van twee stoottanden bij eenige weinige mannelijke narwals,—het volkomen ontbreken van slagtanden bij sommige vrouwelijke walrussen,—zijn allen voorbeelden van de uiterst groote vatbaarheid voor variabiliteit van secundaire seksueele kenmerken en van hun zeer groote geneigdheid om bij nauw verwante vormen te verschillen.Hoewel slagtanden en horens zich in alle gevallen oorspronkelijk als seksueele wapens hebben ontwikkeld, dienen zij dikwijls voor andere doeleinden. De olifant gebruikt zijn slagtanden om den tijger aan te vallen; volgens Bruce kerft hij de stammen der boomen daarmede in, tot zij gemakkelijk kunnen worden omvergeworpen, en haalt er ook het melige binnenste gedeelte van palmboomen mede uit. In Afrika gebruikt hij dikwijls een slagtand, en wel altijd den zelfden, om den grond te beproeven en zich daardoor te vergewissen, of deze zijn gewicht kan dragen. De gewone stier verdedigt de kudde met zijn horens; en volgens Lloyd heeft men in Zweden waargenomen, dat de eland een wolf met éénen enkelen slag van zijn groote horens doodsloeg. Vele soortgelijke feiten zouden kunnen worden opgesomd. Een van de merkwaardigste secundaire gebruiken waartoe de horens van eenig dier somtijds worden gebruikt, is dat hetwelk door kapitein Hutton20is waargenomen bij de wilde geit (Capra aegagrus) van het Himalayagebergte, en ook van den steenbok(5)wordt verhaald, dat namelijk het mannetje, wanneer hij toevallig van een hoogte afvalt, zijn kop naar binnen ombuigt en, door op zijn massieve horens te vallen, den schok breekt. Het wijfje kan haar horens die kleiner zijn, niet op die wijze gebruiken; maar, wegens haar rustiger aard, heeft zij die vreemde soort van schild ook niet noodig.Elk mannelijk dier gebruikt zijn wapenen op zijn eigen bijzondere wijze. De gewone ram neemt een aanloop en stoot met zooveel kracht met de basis van zijn horens, dat ik een sterken man daardoor met evenveel gemak heb zien omverwerpen, alsof het een kind was. Geiten en sommige soorten van schapen, bij voorbeeldOvis cyclocerosvan Afghanistan, gaan op hun achterpooten staan, en stooten dan niet alleen, maar „doen een benedenwaartschen houw en een naar boven gerichten stoot als met een sabel met den geribden voorkant van hun den vorm van den Turkschen sabel hebbenden horen. Toen eenO.[236]cycloceroseens een grooten tammen ram aanviel, die een bekende vechtersbaas was, overwon hij hem door de bloote nieuwheid van zijn wijze van vechten, daar hij zich altijd dadelijk op zijn tegenstander wierp en hem dwars over aangezicht en neus een scherpen benedenwaartschen houw met zijn kop gaf, en dan op zij sprong, eer de stoot kon worden teruggegeven.”21In Pembrokeshire heeft men een bok waargenomen, het opperhoofd van een sedert verscheidene geslachten verwilderde kudde, die onderscheidene andere mannetjes in tweegevechten had gedood; deze bok bezat verbazend groote horens die van punt tot punt in rechte lijn 99 centimeter maten. De gewone stier steekt, gelijk iedereen weet, zijn tegenstander en slingert hem heên en weêr; doch de Italiaansche buffel gebruikt, zegt men, nimmer zijn horens; hij geeft een vreeselijken stoot met zijn bol voorhoofd, en vertrapt dan den gevallen vijand met zijn knieën—een instinkt dat de gewone stier niet bezit.22Vandaar wordt een hond die een buffel bij den neus pakt, oogenblikkelijk verpletterd. Wij moeten echter bedenken, dat de Italiaansche buffel lang getemd is geweest, en het is in geenen deele zeker, dat de wilde stamvorm eveneens gevormde horens had.(6)De heer Bartlett deelt mij mede, dat een vrouwelijke Kaapsche buffel (Bubalus Caffer) met een stier van de zelfde soort binnen een omheining werd gebracht; zij viel hem aan, en hij drong haar daarentegen met groote hevigheid voort. Het bleek den heer Bartlett echter duidelijk, dat, als de stier niet een edele verdraagzaamheid had getoond, hij haar gemakkelijk door een enkelen zijdelingschen stoot met zijn verbazend groote horens kon hebben gedood. De giraffe gebruikt haar korte met haar bedekte horens die bij het mannetje iets korter dan bij het wijfje zijn, op een merkwaardige wijze; want met haar langen nek slingert zij haar kop naar beide zijden, bijna met de bovenzijde naar beneden, met zooveel kracht, dat ik een harde plank heb gezien, die door een enkelen slag diepe indrukken had verkregen.Fig. 60.Fig. 60.Oryx leucoryx, mannetje (naar de Knowsley menagerie).Bij de Antilopen is het dikwijls moeilijk om zich voor te stellen hoe zij bij mogelijkheid haar merkwaardig gevormde horens kunnen gebruiken; zoo heeft de Springbok(7)(Ant. euchore) vrij korte rechtopstaande[237]horens waarvan de scherpe punten bijna rechthoekig naar binnen zijn gebogen, zoodat zij tegenover elkander staan; de heer Bartlett weet niet, hoe zij worden gebruikt, maar merkt op, dat zij een vreeselijke wonde onder aan elke zijde van het gelaat van een tegenstander zouden maken. De zacht gebogen horens van deOryx leucoryx(Fig.60) zijn naar achteren gericht en zoo lang, dat hun punten tot over het midden van den rug reiken, over welken zij in daaraan bijna evenwijdige lijn staan. Zij schijnen dus al zeer slecht geschikt om mede te vechten; maar de heer Bartlett deelt mij mede, dat wanneer twee dezer dieren zich tot den strijd gereed maken, zij nederknielen, met hun koppen tusschen hun voorpooten, en in deze houding staan de horens omtrent evenwijdig aan en dicht bij den grond met de punten naar voren en een weinig naar boven gericht. De strijders naderen elkander dan allengs en trachten de naar boven gekeerde punten onder elkanders lichamen te brengen; indien een hunner hierin slaagt, springt hij plotseling op, tegelijkertijd zijn kop omhoog werpende, en kan aldus zijn tegenstander wonden of misschien zelfs doorboren. Beide dieren knielen altijd zoodanig neder, dat zij zich zooveel mogelijk tegen deze beweging beschutten. Er is een voorbeeld opgeteekend, dat een dezer dieren zijn horens met goed gevolg zelfs tegen een leeuw heeft gebruikt; maar toch moet hij, omdat hij genoodzaakt is zijn kop tusschen zijn voorpooten te nemen om de punten van zijn horens naar voren te brengen, over[238]het algemeen zeer in het nadeel zijn, als hij door eenig ander dier wordt aangevallen. Het is daarom niet waarschijnlijk, dat de horens tot hun tegenwoordige groote lengte en bijzondere stelling zijn gewijzigd, als een bescherming tegen roofdieren. Wij kunnen echter begrijpen, dat, zoodra een of ander voormalig mannelijk voorouder van denOryxmatig lange horens verkreeg, die een weinig naar achteren waren gericht, hij in zijn gevechten met medeminnaars zou gedwongen zijn geweest om zijn kop iets naar binnen of naar beneden te buigen, gelijk het thans sommige herten doen, en het is niet onwaarschijnlijk, dat hij de gewoonte eerst om nu en dan, en later om geregeld neder te knielen, zou hebben verkregen. In dit geval is het bijna zeker, dat de mannetjes die de langste horens bezaten, een groot voordeel zouden hebben gehad boven andere met korter horens; en dan zouden de horens allengs hoe langer hoe langer zijn gemaakt door seksueele teeltkeus, totdat zij hun tegenwoordige buitengewone lengte en stelling verkregen.Bij vele soorten van Herten levert de vertaktheid der horens een opmerkelijke moeilijkheid op; want ongetwijfeld zou een enkele rechte punt een veel ernstiger wond veroorzaken dan verscheidene divergeerende punten. In Sir Philip Egerton’s museum is er een horen van het edelhert (Cervus elaphus) van 75 centimeter lang, met „niet minder dan vijftien einden of takken”; en te Moritzburg wordt er nog een gewei van een edelhert bewaard, in 1699 door Frederik I geschoten, waarvan elke horen het verbazende aantal van drie-en-dertig takken draagt. Richardson beeldt een paar horens van het wilde rendier met negen-en-twintig punten af.23Uit de wijze waarop de horens zijn vertakt, en meer in het bijzonder uit het bekende feit, dat herten nu en dan vechten door elkander met hun voorpooten te trappen24, trok de heer Bailly werkelijk het besluit, dat hun horens veel meer nadeelig dan nuttig voor hen waren! Deze schrijver ziet echter de geregelde gevechten tusschen mededingende mannetjes over het hoofd. Daar ik zeer in verlegenheid was over het gebruik of voordeel van de takken, wendde[239]ik mij tot den heer McNeill van Colinsay, die lang en zorgvuldig zijn aandacht aan de levenswijze van het edelhert heeft gewijd, en deze meldt mij, dat hij nooit heeft gezien, dat een der takken een werkzame rol in het gevecht speelde, doch dat de oogtakken, daar zij naar beneden hellen, een groote bescherming aan het voorhoofd verleenen, en dat hun punten ook bij den aanval worden gebruikt. Sir Philip Egerton deelt mij ook zoowel ten opzichte van het edelhert als van het damhert mede, dat zij, wanneer zij vechten, plotseling tegen elkander stooten, en hun geweien tegen elkanders lichaam drukkende, een vertwijfelden kamp beginnen. Als het eene ten laatste is gedwongen te wijken en zich om te keeren, tracht de overwinnaar zijn oogtakken in het lichaam van zijn verslagen vijand te steken. Het schijnt dus, dat de bovenste takken hoofdzakelijk of uitsluitend worden gebruikt om voorwaarts te dringen en af te weren. Bij sommige soorten worden desniettemin de bovenste takken als aanvals- (offensieve) wapenen gebruikt; toen in het park van Judge Caton te Ottawa een man door een Wapiti-hert (Cervus Canadensis) werd aangevallen, en verscheidene mannen hem trachtten te helpen, „lichtte het hert zijn kop niet van den grond op; hij hield inderdaad zijn kop omtrent plat op den grond, met zijn neus bijna tusschen zijn voorpooten, behalve wanneer hij zijn kop naar de eene zijde draaide om een nieuwe waarneming als voorbereiding voor een uitval te doen.” In deze houding waren de eindpunten van de horens op zijn tegenstanders gericht. „Bij het draaien van zijn kop was hij genoodzaakt hem iets op te lichten, omdat zijn gewei zoo lang was, dat hij zijn kop niet om kon draaien zonder het aan de eene zijde op te lichten, terwijl het aan de andere zijde den bodem aanraakte.”Het hert dreef op die wijze de te hulp geschoten mannen langzamerhand terug tot op een afstand van 45 tot 60 meter; en de aangevallen man werd gedood.25Hoewel de horens van herten werkzame wapenen zijn, kan het, geloof ik, niet worden betwijfeld, dat één enkele punt veel gevaarlijker zou zijn geweest dan een vertakt gewei, en Judge Caton die een groote ondervinding omtrent herten heeft, is het hierin geheel met mij eens. Ook schijnen de vertakte horens, hoewel hoogst belangrijk als verdedigingsmiddel tegen mededingende herten, voor dit doel niet volkomen geschikt te zijn, daar zij vatbaar zijn om in elkander verward te geraken.[240]Het vermoeden is mij daarom in de gedachte gekomen, dat zij wellicht gedeeltelijk tot versiering dienden. Dat de vertakte horens van herten zoowel als de schoone liervormige horens van sommige antilopen, met hun bevallige dubbele bocht (Fig.61) in onze oogen tot sieraad strekken, zal niemand betwisten. Indien dus de horens, gelijk de prachtige uitrusting der ridders van weleer, bijdragen tot het edel uiterlijk van herten en antilopen, kunnen zij gedeeltelijk voor dit doel, hoewel voornamelijk voor werkelijken dienst in den strijd, zijn gewijzigd; maar ik heb geen bewijzen voor deze meening.Fig. 61.Fig. 61.Strepsiceros Kuda(naar Andrew Smith’s„Zoology of South Africa”).Een belangwekkend geval is onlangs bekend gemaakt, waaruit schijnt te blijken, dat de horens van een hert in de Vereenigde Staten op dit oogenblik bezig zijn met door seksueele en natuurlijke teeltkeus een wijziging te ondergaan.Een schrijver in een uitstekend Amerikaansch tijdschrift26zegt, dat hij op zijn minst een-en-twintig jaar lang in de Adirondacks heeft gejaagd, waar het Virginische hert (Cervus Virginianus) overvloedig voorkomt. Omtrent veertien jaar geleden hoorde hij voor ’t eerst van spitshorenbokken („spikehorn bucks”) spreken. Deze werden van jaar tot jaar meer algemeen; omtrent[241]vijf jaar geleden schoot hij er een, en later een tweeden, en tegenwoordig worden zij veelvuldig gedood. „De spitshoren verschilt zeer van het gewone gewei vanC. Virginianus. Hij bestaat uit een enkele spits, slanker dan de gewone horens en nauwelijks half zoo lang, die van het voorhoofd naar voren uitsteekt en in een zeer scherpe punt eindigt. Hij geeft zijn bezitter een aanmerkelijk voordeel over den gewonen hertebok. Behalve dat hij dezen in staat stelt om vlugger door dichte wouden en het onderhout te loopen (iedere jager weet, dat hinden en eenjarige hertebokken veel sneller loopen dan de oude hertebokken, als deze met hun lastig gewei zijn gewapend), is de spitshoren een krachtiger wapen dan het gewone gewei. Met dit voordeel winnen de spitshorenbokken op de gewone hertebokken, en kunnen hen na verloop van tijd in de Adirondacks volkomen verdringen. Ongetwijfeld was de eerste spitshorenbok eenvoudig een toevallige speling der natuur. Zijn spitshorens gaven hem echter een voordeel en stelden hem in staat zijn eigenaardigheid voort te planten. Zijn nakomelingen hebben, daar zij het zelfde voordeel bezaten, de eigenaardigheid in een voortdurend klimmende reden voortgeplant, totdat zij langzaam de een gewoon gewei bezittende herten uit de streek die door hen wordt bewoond, verdrijven.”Een criticus heeft tegen deze verklaring de scherpzinnige tegenwerping gemaakt, waarom, indien de eenvoudige horens nu zoo voordeelig zijn, het vertakte gewei van den stamvorm ooit tot ontwikkeling is gekomen? Hierop antwoord ik, dat een nieuwe wijze van aanval en nieuwe wapens een groot voordeel kunnen zijn, gelijk wordt aangetoond door het geval van deOvis cyclocerosdie een gewonen ram die vermaard was om zijn kracht in het gevecht, aldus overwon. Hoewel het vertakte gewei van een hert goed geschikt is om met zijn medeminnaars te vechten, en ofschoon het wellicht voordeelig zou zijn voor de spitshoornige verscheidenheid (variëteit) om langzamerhand lange en vertakte horens te verkrijgen, indien zij alleen met anderen van de zelfde soort had te vechten, volgt hieruit toch in geenen deele, dat vertakte horens het beste middel zouden zijn om een anders gewapenden vijand te overwinnen. In het voorgaande geval vanOryx leucoryxis het bijna zeker, dat de overwinning zou worden behaald door een antilope die korte horens bezat en dus niet noodig had neêr te knielen, hoewel het voor eenOryxvoordeelig zou kunnen zijn om nog langer horens te bezitten, als hij alleen met mededingers van zijn eigen soort vocht.Mannelijke viervoetige dieren die van slagtanden zijn voorzien, gebruiken[242]hen op onderscheidene wijzen, evenals met horens het geval is. Het mannelijke wilde zwijn stoot er zijdelings en naar boven mede, het muskusdier met ernstig gevolg naar beneden.27De walrus kan, hoewel hij zulk een korten hals en zulk een log lichaam heeft, „met evenveel behendigheid, hetzij naar boven, of naar beneden, of zijdelings stooten.”28De Indische olifant vecht, naar mij wijlen Dr. Falconer heeft medegedeeld, al naar de stelling en de kromming zijner slagtanden, op een verschillende wijze. Als zij naar voren en naar boven zijn gericht, is hij in staat een tijger op aanzienlijken afstand voort te slingeren—men zegt zelfs tot negen meter ver; als zij kort en naar beneden zijn gekeerd, tracht hij den tijger plotseling aan den grond te nagelen, en is derhalve gevaarlijk voor zijn berijder, die kans heeft uit zijn hoedah te worden geworpen.29Zeer weinige mannelijke zoogdieren bezitten wapenen van twee verschillende soorten, bijzonder ingericht om met mededingende mannetjes te vechten. Het mannelijk muntjac-hert (Cervulus) maakt hierop echter een uitzondering, daar hij van horens en van uitstekende hoektanden is voorzien. Doch de eene vorm van wapen is dikwijls in den loop der eeuwen door een anderen vorm vervangen, zooals wij mogen afleiden uit hetgeen volgt. Bij Herkauwende Dieren staat de ontwikkeling van horens over het algemeen in omgekeerde reden met die van zelfs slechts matig ontwikkelde hoektanden. Zoo zijn de kameelen, wilde lama’s, dwergherten en muskusdieren hoornloos, en zij hebben werkzame hoektanden die „bij de wijfjes altijd kleiner zijn dan bij de mannetjes.” DeCamelidaehebben in haar bovenkaken, behalve haar ware hoektanden, nog een paar hoektandvormige snijtanden.30Mannelijke herten en antilopen daarentegen bezitten horens, en zij hebben zelden hoektanden; en deze zijn, wanneer zij voorhanden zijn, altijd van geringe grootte, zoodat het twijfelachtig is, of zij bij hun gevechten van eenigen dienst zijn. BijAntilope montanabestaan zij alleen als rudimenten bij het jonge mannetje en verdwijnen, als hij oud wordt; en zij ontbreken bij het wijfje op alle leeftijden; doch bij de wijfjes van sommige[243]andere antilopen heeft men waargenomen, dat zij nu en dan rudimenten van deze tanden vertoonen.31Hengsten hebben kleine hoektanden die bij de merrie hetzij geheel ontbreken of rudimentair zijn; maar zij schijnen bij het vechten niet te worden gebruikt; want hengsten bijten met hun snijtanden en doen hun bekken niet wijd open gelijk kameelen en wilde lama’s. In alle gevallen waarin het mannetje hoektanden in een tegenwoordig niet werkzamen staat bezit, terwijl het wijfje er òf in het geheel geen òf eenvoudig rudimenten er van bezit, mogen wij besluiten, dat de vroegere mannelijke stamvader van de soort van werkzame hoektanden was voorzien, die gedeeltelijk op het wijfje waren overgebracht. Het kleiner worden van deze tanden bij de mannetjes schijnt het gevolg te zijn geweest van eenige verandering in hun wijze van vechten, dikwijls (maar niet in het geval van het paard) veroorzaakt door de ontwikkeling van nieuwe wapenen.Slagtanden en horens zijn blijkbaar van hoog belang voor hun bezitters; want bij hun ontwikkeling wordt veel georganiseerde stof verbruikt. Een enkele slagtand van den Aziatischen olifant,—één van de uitgestorven woldragende soort(8),—en van den Afrikaanschen olifant wogen, gelijk men heeft waargenomen, respectievelijk 66, 70 en 80 kilogram, en zelfs nog zwaardere zijn door sommige schrijvers vermeld.32Bij herten bij welke de horens periodiek worden vernieuwd, moet de invloed op het gestel nog grooter zijn; de horens van den Amerikaanschen eland wegen bij voorbeeld van 22 tot 27 kilogram, en die van den uitgestorven Ierschen reuzeneland(9)van 27 tot 32 kilogram,—terwijl de schedel van dit laatste dier gemiddeld slechts 2⅓ kilogram weegt. Bij schapen sleept de ontwikkeling der horens, ofschoon zij niet periodiek worden vernieuwd, volgens de meening van vele landbouwkundigen, gevoelig verlies voor den fokker met zich. Herten zijn daarenboven bij het ontsnappen aan roofdieren met een den wedren verzwarend extra-gewicht belast, en worden bij het doorloopen van boschachtige[244]streken daardoor zeer vertraagd. De Amerikaansche eland, bij voorbeeld, met horens die van punt tot punt1,65M. meten, kan, hoewel hij ze zoo goed weet te besturen, dat hij geen dood takje zal aanraken of breken, wanneer hij rustig rondwandelt, niet zoo behendig handelen, als hij voor een troep wolven vlucht. „Gedurende zijn loop houdt hij zijn neus omhoog, zoodat zijn horens horizontaal naar achteren liggen, en kan in deze houding den grond niet duidelijk zien.”33De punten van de horens van den Ierschenreuzenelandstonden werkelijk2,44M. uiteen! Zoolang de horens met een fluweelachtige huid zijn bedekt, hetgeen bij het edelhert omtrent twaalf weken duurt, zijn zij uiterst gevoelig voor een stoot, zoodat in Duitschland de herten in dien tijd hun levenswijze tot op zekere hoogte veranderen, en dichte bosschen vermijden, doch jong kreupelhout en laag struikgewas opzoeken.34Deze feiten herinneren er ons aan, dat mannelijke vogels siervederen hebben verkregen ten koste van hun vliegvermogen, en andere versierselen met eenig krachtverlies in hun gevechten met hun medeminnaars.Als bij viervoetige dieren, gelijk dikwijls het geval is, de seksen in grootte verschillen, zijn de mannetjes, geloof ik, altijd grooter en sterker. Dit geldt op sterk uitgedrukte wijze, naar de heer Gould mij meldt, bij de Buideldieren (Marsupialia) van Australië, waarvan de mannetjes tot op een ongewoon laten leeftijd schijnen door te gaan met groeien. Het meest buitengewone geval is echter dat van een der robben, den zeebeer (Callorhinus ursinus)(10), waarbij een volgroeid wijfje minder dan een zesde van een volgroeid mannetje weegt.35Dr. Gill merkt op, dat bij de in veelwijverij levende robben van welke de mannetjes, gelijk bekend is, woedend met elkander vechten, de seksen zeer in grootte verschillen; terwijl zij bij de eenwijvige soorten daarin slechts weinig verschillen. Ook de walvisschen leveren bewijzen van het verband tusschen de strijdlustigheid van de mannetjes en de grootte van hun lichaam, in vergelijking van die van het wijfje; de mannetjes van den Groenlandschen walvisch vechten niet met elkander, en zij zijn niet[245]grooter, maar eer kleiner dan hun wijfjes; daarentegen vechten mannelijke cachelotten veel met elkander, en op hun lichaam vindt men „dikwijls litteekens met de indruksels van de tanden hunner mededingers”, en zij zijn dubbel zoo groot als de wijfjes. De grootere kracht van het mannetje wordt, gelijk Hunter reeds lang geleden opmerkte36, zonder uitzondering in die deelen van het lichaam ontwikkeld, die bij den kampstrijd met medeminnaars in werking worden gebracht, bij voorbeeld in den zwaren nek van den stier. Mannelijke viervoetige dieren zijn ook moediger en strijdlustiger dan de wijfjes. Er kan weinig twijfel bestaan, dat deze kenmerken zijn verkregen, gedeeltelijk door seksueele teeltkeus, ten gevolge van een lange reeks overwinningen door de sterkste en moedigste mannetjes over de zwakkere behaald, en gedeeltelijk door de overgeërfde gevolgen van het gebruik. Het is waarschijnlijk, dat de opeenvolgende afwijkingen in kracht, grootte en moed, hetzij die werden veroorzaakt door zoogenaamde spontane variabiliteit of door de gevolgen van het gebruik, door de opeenhooping waarvan de mannelijke viervoetige dieren de hen kenmerkende hoedanigheden hebben verkregen, zich vrij laat in het leven voordeden, en derhalve in haar overplanting in hooge mate tot de zelfde sekse beperkt bleven.Uit dit oogpunt was ik zeer verlangend mededeelingen te verkrijgen omtrent den Schotschen hertenhond van welken de seksen meer in grootte verschillen, dan die van eenig ander hondenras (hoewel zij bij bloedhonden aanmerkelijk verschillen), of dan die van eenige wilde hondensoort die mij bekend is. Ik wendde mij daarom tot den heer Cupples, een welbekend fokker van deze honden, die vele van zijn eigen honden heeft gewogen en gemeten en die met groote vriendelijkheid de volgende feiten voor mij uit onderscheidene bronnen bijeen heeft verzameld. Uitstekende reuen zijn aan den schouder gemeten van 71 centimeter, wat voor weinig geldt, tot 83 of zelfs 86 centimeters hoog, en wegen van 36, hetgeen laag is, tot 54, of zelfs meer kilogrammen. De teven zijn van 58 tot 68 of zelfs 71 centimeters hoog, en wegen 22 tot 32, of zelfs 36 kilogram.37De heer Cupples besluit,[246]dat van 43 tot 45 kilogram voor de reuen en 32 voor de teven een goed middelgetal zou zijn; maar er is reden om te gelooven, dat vroeger beide seksen een hooger gewicht bereikten. De heer Cupples heeft jonge honden gewogen, toen zij veertien dagen oud waren; bij een werpsel overtrof het gemiddelde gewicht van vier reuen dat van twee teven met 184 gram; bij een ander werpsel overtrof het gemiddelde gewicht van vier reuen dat van ééne teef met minder dan 28 gram; de zelfde reuen overtroffen, toen zij drie weken oud waren, de teef met 396 gram en op den leeftijd van zes weken met bijna 212 gram. De heer Wright van Yeldersley House zegt in een brief aan den heer Cupples: „Ik heb aanteekening gehouden van de grootte en het gewicht van jonge honden van vele werpsels, en, zoover mijn ondervinding gaat, verschillen jonge reuen zeer weinig van teven, totdat zij omtrent vijf of zes maanden oud zijn; en dan beginnen de reuen te groeien, en winnen op de teven zoowel in grootte als in gewicht. Bij de geboorte en nog verscheidene weken daarna zal een jonge teef nu en dan grooter zijn dan één van de reuen; maar later worden zij zonder uitzondering door hen overtroffen.” De heerMcNeillvan Colinsay komt tot het besluit, dat „de reuen hun volkomen grootte niet bereiken, voor zij over de twee jaar oud zijn, hoewel de teven die spoediger bereiken.” Volgens de ondervinding van den heer Cupples gaan reuen voort met in grootte toe te nemen, tot zij twaalf of achttien, en in gewicht, tot zij van achttien tot vier-en-twintig maanden oud zijn, terwijl de teven ophouden met in grootte toe te nemen op den leeftijd van negen tot veertien of vijftien maanden en in gewicht op den leeftijd van twaalf tot vijftien maanden. Uit deze verschillende mededeelingen blijkt duidelijk, dat het verschil in grootte tusschen den reu en de teef van den Schotschen hertenhond eerst vrij laat in het leven zijn toppunt bereikt. Bij de jacht worden bijna uitsluitend reuen gebruikt; want, naar de heerMcNeillmij meldt, hebben de teven geen genoegzame kracht en gewicht om een volwassen hert naar beneden te trekken. Uit de in oude legenden gebruikte namen blijkt het, naar ik van den heer Cupples hoor, dat in een zeer oud tijdvak de reuen het meest werden gevierd, terwijl de teven alleen als de moeders van beroemde honden worden vermeld. Het is gedurende vele geslachten het mannetje geweest, wiens kracht, grootte, vlugheid en moed voornamelijk zijn beproefd, en de beste zullen voor de verdere aanfokking zijn gebruikt. Daar de mannetjes echter hun volle grootte niet eer dan in een vrij laat levenstijdperk[247]verkrijgen, zullen zij, in overeenstemming met de meermalen aangewezen wet, een neiging hebben bezeten om hun kenmerken alleen op hun mannelijke nakomelingschap over te planten; en op die wijze moet waarschijnlijk de aanmerkelijke ongelijkheid in grootte tusschen de seksen van den Schotschen hertenhond worden verklaard.Fig. 62.Fig. 62.Kop van het mannetje van het gewone wilde zwijn, in den bloeitijd van het leven (naar Brehm).De mannetjes van eenige weinige viervoetige dieren bezitten organen of deelen die alleen als verdedigingsmiddelen tegen de aanvallen van andere mannetjes worden ontwikkeld. Sommige soorten van herten gebruiken, gelijk wij hebben gezien, de bovenste takken van hun horens hoofdzakelijk of uitsluitend om zich te verdedigen; en de Oryx-antilope verdedigt zich, zooals de heer Bartlett mij heeft medegedeeld, zeer behendig met zijn lange sierlijk gebogen horens; doch deze worden ook als aanvals- (offensieve) wapenen gebruikt. Neushorens weren, gelijk de zelfde waarnemer opmerkt, bij den strijd elkanders zijdelingsche stooten met hun horens af, die daarbij luide tegen elkander kletteren, gelijk ook de slagtanden van wilde zwijnen doen. Hoewel de mannelijke wilde zwijnen wanhopig met elkander vechten, ontvangen zij, volgens Brehm, zelden doodelijke stooten, daar de meeste op elkanders slagtanden of op de harde spekachtige huidlaag vallen, die den schouder bedekt, welke de Duitsche jagers het schild noemen; en hier hebben wij een deel dat bijzonder voor de verdediging is gewijzigd. Bij mannelijke wilde zwijnen in de kracht van het leven (Fig.62) worden de slagtanden in de onderkaak gebruikt om te vechten; doch in den ouderdom worden zij, gelijk Brehm getuigt, zoozeer naar binnen en naar boven over den snoet gebogen, dat zij daartoe niet langer kunnen worden gebruikt. Zij kunnen nog steeds en zelfs op nog werkzamer wijze als verdedigingsmiddel worden gebruikt. Als vergoeding voor het verlies van de onderste slagtanden als aanvals- (offensieve) wapenen nemen die van de bovenkaak, die altijd een weinig zijdelings uitsteken, gedurende den ouderdom zoozeer in lengte toe en krommen zich zoozeer naar boven, dat zij als aanvalsmiddel kunnen worden[248]gebruikt. Desniettemin is een oud mannelijk wild zwijn niet zoo gevaarlijk voor den mensch als een dat zes of zeven jaar oud is.38Fig. 63.Fig. 63.Schedel van een hertzwijn (naar Wallace’s „Malay Archipelago”).Bij het volwassen mannetje van het hertzwijn(11)van Celebes (Fig.63) zijn de onderste slagtanden gevaarlijke wapenen, evenals die van het mannetje van het Europeesche wilde zwijn in de kracht van het leven, terwijl de bovenste slagtanden zoo lang zijn en zoozeer naar binnen omgekrulde punten hebben, dat zij somtijds zelfs het voorhoofd aanraken en volkomen onbruikbaar zijn als aanvals- (offensieve) wapenen. Zij gelijken meer op horens dan op tanden en zijn zoo klaarblijkelijk nutteloos als tanden, dat men vroeger veronderstelde, dat het dier zijn kop deed uitrusten, door ze aan een tak vast te haken. Hun bolle zijden zouden echter, als het hoofd een weinig op zijde werd gehouden, uitnemend tot verdediging kunnen dienen; en daardoor komt het wellicht, dat zij bij oude dieren „gewoonlijk zijn afgebroken, alsof[249]het ten gevolge van een gevecht was.”39Wij hebben hier dus het merkwaardige geval, dat de bovenste slagtanden van het hertzwijn, in den bloeitijd van het leven, geregeld een vorm aannemen, die hen blijkbaar alleen voor de verdediging geschikt maakt, terwijl bij het Europeesche mannelijke wilde zwijn de onderste en tegenovergestelde slagtanden in een mindere mate en alleen gedurende den ouderdom omtrent den zelfden vorm aannemen, en dan op de zelfde wijze alleen voor de verdediging dienen.Fig. 64.Fig. 64.Kop van een Afrikaansch breedsnuitig varken, naar „Proc. Zool. Soc.”, 1869. (Ik bemerk nu, dat deze teekening den kop van een wijfje voorstelt, doch zij dient om op verkleinde schaal de kenmerken van het mannetje te toonen.)Bij het Afrikaansch breedsnuitig varken(12)(Phacochoerus aethiopicus, Fig.64) krommen zich de slagtanden in de bovenkaak van het mannetje gedurende den bloeitijd van het leven naar boven en dienen, daar zij puntig zijn, als vreeselijke wapenen. De slagtanden in de onderkaak zijn scherper dan die in de bovenkaak; maar wegens hun kortheid schijnt het, dat zij nauwelijks ooit als aanvals- (offensieve) wapenen kunnen worden gebruikt. Zij moeten echter die van de bovenkaak zeer versterken, daar zij zoo zijn afgesleten, dat zij nauwkeurig tegen de basis van deze laatste passen. Noch de bovenste, noch de benedenste slagtanden schijnen bijzonder te zijn gewijzigd om als verdedigende[250](defensieve) wapenen te dienen, hoewel zij daartoe ongetwijfeld in zekere mate worden gebruikt. Het breedsnuitig varken is echter niet ontbloot van andere bijzondere middelen van bescherming; want het bezit aan beide zijden van het gelaat onder de oogen een tamelijk hard, maar toch veerkrachtig, kraakbeenig, langwerpig kussen (Fig.64), dat vijf tot zeven en een halven centimeter naar buiten uitsteekt, en het scheen den heer Bartlett en mij zelf toe, toen wij het levende dier zagen, dat deze kussens, als zij aan de onderzijde door de slagtanden van een tegenstander werden getroffen, naar boven zouden worden gedraaid, en zoo op bewonderenswaardige wijze de een weinig uitpuilende oogen beschermen. Deze wilde zwijnen staan, gelijk ik er op autoriteit van den heer Bartlett bij mag voegen, als zij te zamen vechten, direct met de aangezichten naar elkander toe.Eindelijk bezit het Afrikaansche penseelzwijn (Potamochoerus penicillatus) een harden kraakbeenigen knobbel aan elke zijde van het gelaat beneden de oogen, die aan het veerkrachtig kussen van het breedsnuitig varken beantwoordt. Het bezit ook twee beenige uitsteeksels aan de bovenkaak boven de neusgaten. Een mannetje van deze soort in den Londenschen dierentuin brak onlangs in het hok van een breedsnuitig varken in. Zij vochten den geheelen nacht door en werden ’s morgens zeer uitgeput, maar niet ernstig gewond, gevonden. Het is een beteekenisvol feit, dat het doel van de boven beschreven uitsteeksels en uitwassen aantoont, dat deze met bloed waren bedekt en op buitengewone wijze gekerfd en afgeschaafd.Hoewel de mannetjes van zoovele leden van de familie der zwijnen van wapenen, en, gelijk wij zooeven hebben gezien, van verdedigingsmiddelen zijn voorzien, schijnen die wapenen in een vrij laat geologisch tijdvak te zijn verkregen. Dr. Forsyth Major beschrijft40verschillende miocene soorten bij geen waarvan de slagtanden bij de mannetjes sterk ontwikkeld schijnen te zijn geweest; en Prof.Rütimeyerwerd vroeger door dit zelfde feit getroffen.De manen van den leeuw vormen een goed verdedigingsmiddel tegen het eenige gevaar waaraan hij bloot staat, namelijk de aanvallen van andere leeuwen die zijn medeminnaars zijn; want de mannetjes leveren elkander, gelijk mij de heer A. Smith mededeelt, woedende gevechten, en een jonge leeuw durft een ouden niet naderen. In het jaar[251]1857 brak een tijger te Bromwich in het hok van een leeuw, en een vreeselijk tooneel volgde hierop; „de manen van den leeuw beschutten zijn hals en kop voor erge verwondingen; maar de tijger slaagde er ten laatste in hem den buik open te rijten, en binnen weinige minuten was hij dood.”41De breede kraag rondom den hals en de kin van den Canadaschen lynx (Felix Canadensis) is veel langer bij het mannetje dan bij het wijfje; maar of hij als een verdedigingsmiddel wordt gebruikt, weet ik niet. Het is bekend, dat mannelijke robben wanhopig met elkander vechten, en de mannetjes van sommige soorten (de zeeleeuw,Otaria jubata)42hebben groote manen, terwijl de wijfjes kleine of in het geheel geen manen hebben. Het mannetje van den choakkama van de Kaap de Goede Hoop (Cynocephalus porcarius) heeft veel langer manen en grooter hoektanden dan het wijfje, en de manen dienen waarschijnlijk tot bescherming; want toen ik aan de oppassers van den Londenschen dierentuin, zonder hun eenigen leiddraad tot mijn doel te geven, vroeg, of een van de apen andere van zijn soort bijzonder bij den nek aanviel, kreeg ik ten antwoord, dat dit niet het geval was, behalve bij de bovengenoemde soort van baviaan. Bij den Hamadryas-baviaan vergelijkt Ehrenberg de manen van het volwassen mannetje bij die van den jongen leeuw, terwijl bij de jongen van beiderlei sekse en bij het wijfje de manen bijna geheel ontbreken.Het scheen mij waarschijnlijk, dat de verbazend groote wollige manen van het mannetje van den Amerikaanschen bison, die bijna tot den grond toe reiken en veel meer zijn ontwikkeld bij de mannetjes dan bij de wijfjes, hun tot bescherming dienden bij hun vreeselijke gevechten; maar een ondervindingrijk jager verhaalde Judge Caton, dat hij nooit eenig feit had waargenomen, dat ten gunste dezer meening sprak. De hengst heeft dikker en voller manen dan de merrie, en ik heb bijzondere nasporingen gedaan bij twee groote africhters en fokkers, aan wier zorgen vele hengsten waren toevertrouwd, en zij verzekerden mij, dat de hengsten,„zonder uitzondering, elkander bij den hals trachten te pakken.” Uit de voorgaande opgaven volgt echter geenszins, dat, wanneer het haar aan den hals tot verdedigingsmiddel dient, het[252]zich oorspronkelijk tot dit doel ontwikkelde, hoewel dit in sommige gevallen, gelijk in dat van den leeuw, waarschijnlijk is. De heerMcNeillheeft mij medegedeeld, dat de lange haren aan de keel van het edelhert (Cervus elaphus) het zeer tot bescherming dienen, als het wordt gejaagd; want de honden trachten het over het algemeen bij de keel te grijpen; doch het is niet waarschijnlijk, dat deze haren zich bijzonder tot dat doel hebben ontwikkeld; want in dat geval kunnen wij ons verzekerd houden, dat ook de jongen en het wijfje op de zelfde wijze zouden zijn beschermd.Over de Voorliefde of Keus bij het Paren, waarvan beide seksen van de Viervoetige Dieren blijken geven.—Voor ik in het volgende hoofdstuk de verschillen tusschen de seksen in de stem, den geur dien zij verspreiden, en de versiering beschrijf, zal het gepast zijn hier te overwegen of de seksen bij haar vereeniging eenige keus uitoefenen. Geeft het wijfje de voorkeur aan eenig bijzonder mannetje, hetzij voor- of nadat de mannetjes met elkander om de heerschappij hebben gestreden; of kiest het mannetje, als hij niet veelwijvig (polygaam) is, eenig bijzonder wijfje voor de voortteling uit? De algemeene indruk onder fokkers schijnt te zijn, dat het mannetje elk wijfje aanneemt; en dit is, ten gevolge van zijn vurigheid, in de meeste gevallen waarschijnlijk de waarheid. Of het wijfje in den regel elk mannetje zonder verschil te maken, aanneemt, is veel twijfelachtiger. In het veertiende hoofdstuk over Vogels, werd een aanmerkelijke hoeveelheid directe en indirecte bewijzen bijgebracht, om aan te toonen, dat het wijfje haar gezel uitkiest; en het zou een vreemde anomalie zijn, als vrouwelijke viervoetige dieren die hooger staan op de ladder der georganiseerde wezens en hooger ontwikkelde geestvermogens hebben, niet over het algemeen, of ten minste dikwijls, eenige keus uitoefenden. Het wijfje zou in de meeste gevallen kunnen ontsnappen, als haar het hof werd gemaakt door een mannetje dat haar niet behaagde of opwekte; en als zij, gelijk zoo onophoudelijk gebeurt, door verscheidene mannetjes werd vervolgd, zou zij dikwijls de gelegenheid hebben, om, terwijl deze samen vochten, te ontsnappen of ten minste tijdelijk te paren met eenig ander bepaald mannetje. Dit laatste is dikwijls waargenomen in Schotland bij wijfjes van het edelhert, naar Sir Philip Egerton mij heeft medegedeeld.43[253]Het is nauwelijks mogelijk, dat er veel van bekend zou zijn, of vrouwelijke viervoetige dieren in den natuurstaat eenige keus bij hun huwelijksvereenigingen uitoefenen. De volgende zeer opmerkelijke bijzonderheden over de vrijage van een der geoorde robben, den zeebeer (Callorhinus ursinus), worden medegedeeld44op autoriteit van Kapitein Bryant die ruimschoots gelegenheid tot waarneming had. Hij zegt: „vele van de wijfjes schijnen bij hun aankomst op het eiland waar zij paren, begeerig te zijn om naar het eene of andere bijzondere mannetje terug te keeren, en beklimmen dikwijls de in zee gelegen rotsen om het geheele gezelschap te overzien, roepen luid en schijnen te luisteren, of zij niet een bekende stem hooren. Dan begeven zij zich naar een andere plaats, en doen nogmaals het zelfde … Zoodra een wijfje het strand bereikt, gaat het dichtst bijzijnde mannetje naar beneden naar haar toe en maakt intusschen een geluid, op het klokken van een hen tot haar kuikens gelijkende. Hij buigt voor haar en liefkoost haar, totdat hij tusschen haar en het water geraakt, zoodat zij hem niet kan ontsnappen. Dan veranderen zijn manieren, en met een norsch gebrom drijft hij haar naar een plaats in zijn harem. Dit gaat zoo voort, totdat de onderste rij van den harem bijna vol is. Dan kiezen de zich hooger op bevindende mannetjes den tijd uit, waarop hun meer gelukkige buurlieden zich van hun wachtpost verwijderen, om hun vrouwen te stelen. Dit doen zij, door haar in hun bekken te nemen en over de koppen van de andere wijfjes heen te tillen en met zorgvuldigheid in hun eigen harem te plaatsen, haar dragende, evenals de kat het haar jongen doet. De mannetjes die zich nog hooger op bevinden, gaan op de zelfde wijze voort, totdat de geheele ruimte is ingenomen. Dikwijls volgt er een gevecht tusschen twee mannetjes om het bezit van het zelfde wijfje, en beide, haar tegelijkertijd grijpende, trekken haar op eens in tweeën of kwetsen haar vreeselijk met hun tanden. Als de ruimte geheel vol is, wandelt het oude mannetje zelfbehagelijk rond, overziet zijn familie, beknort hen die de anderen dringen of storen, en jaagt grimmig alle indringers weg. Dit toezicht houdt hem voortdurend ijverig bezig.”[254]Daar zoo weinig bekend is omtrent de vrijage van dieren in den natuurstaat, heb ik trachten te ontdekken, in hoever onze tamme viervoetige dieren bij hun paringen eenige keus doen blijken. Honden geven de beste gelegenheid tot waarneming, als men zorgvuldig op hen let en hen goed begrijpt. Vele fokkers hebben hun meening over dit punt in zeer sterke woorden uitgedrukt. Zoo merkt de heer Mayhew op: „De teven zijn in staat haar genegenheid te kennen te geven; en teedere herinneringen hebben evenveel macht over haar, als, gelijk bekend is, in andere gevallen, waar het hoogere dieren geldt. Teven zijn niet altijd verstandig in haar liefde, en in staat om zich weg te gooien aan straathonden van zeer laag gehalte. Indien zij met een metgezel van gemeen uiterlijk worden opgekweekt, ontstaat er dikwijls tusschen het paar een trouw die geen verloop van tijd later kan doen ophouden. De hartstocht, want dat is het werkelijk, verkrijgt een meer dan romantische duurzaamheid.” De heer Mayhew,die zijn opmerkzaamheid hoofdzakelijk aan de kleinere rassen toewijdde, is overtuigd, dat de teven sterk worden aangetrokken door reuen van aanzienlijke grootte.45De welbekende veearts Blaine getuigt46, dat zijn eigen vrouwelijke mops („pug”) zoo gehecht werd aan een Engelsch hondje („spaniel”), en een vrouwelijke langharige jachthond („setter”) aan een kettinghond („cur”), dat zij in geen van beide gevallen met een hond van haar eigen ras wilden paren, voor verscheidene weken waren voorbijgegaan. Twee soortgelijke en betrouwbare berichten zijn mij omtrent een vrouwelijken water-jachthond („retriever”) en een Engelsch hondje („spaniel”) gegeven, die beide op „terrier” honden verliefd werden.De heer Cupples meldt mij, dat hij persoonlijk kan instaan voor de nauwkeurigheid van het volgende, nog merkwaardiger geval waarin een kostbare en verwonderlijk verstandige vrouwelijke „terrier” een water-jachthond („retriever”) die aan een buurman toebehoorde, zoozeer beminde, dat zij dikwijls van hem moest worden weggesleept. Nadat zij voor goed waren gescheiden, wilde zij, ofschoon zich herhaaldelijk melk in haar tepels vertoonde, nooit meer iets weten van de vrijage van andere honden, en bracht tot spijt van haar eigenaar nooit jongen ter[255]wereld. De heer Cupples getuigt ook, dat een vrouwelijke hertenhond die zich op dit oogenblik (1868) in zijn bezit bevindt, driemaal jongen ter wereld heeft gebracht, en bij elke gelegenheid een merkbare voorkeur aan den dag legde voor een van de grootste en schoonste, maar niet den vurigsten, van vier mannelijke hertenhonden, allen in de kracht van het leven, die met haar leefden. De heer Cupples heeft opgemerkt, dat een teef over het algemeen een reu begunstigt, waarmede zij in gezelschap is geweest en dien zij kent; haar schuwheid en beschroomdheid nemen haar eerst tegen een vreemden reu in. De reu daarentegen schijnt eerder genegenheid te gevoelen voor vreemde teven. Het schijnt zelden te gebeuren, dat de reu eene of andere bijzondere teef afwijst; doch de heer Wright van Yeldersley House, een groot hondenfokker, meldt mij, dat eenige voorbeelden daarvan te zijner kennis zijn gekomen; hij haalt het geval aan van een van zijn eigen hertenhonden, die volstrekt geen acht wilde geven op een bepaalden vrouwelijken dog („mastiff”), zoodat een andere hertenhond moest worden gebruikt. Het zou overtollig zijn nog meer voorbeelden te geven, en ik wil alleen hierbij voegen, dat de heer Barr die met zorg vele bloedhonden heeft aangefokt, getuigt, dat zij bijna altijd een bijzondere voorkeur geven aan bepaalde individu’s van de andere sekse. Eindelijk schreef mij onlangs de heer Cupples, na nogmaals een jaar lang zijn opmerkzaamheid aan de zaak te hebben gewijd: „Ik heb mijn vorig bericht volkomen bevestigd gezien, dat honden bij de paring een besliste voorkeur voor elkander toonen, en daarbij dikwijls de grootte, de levendige kleur en het individueele karakter en ook de mate van hun vroegere vertrouwelijkheid invloed op hen hebben.”Wat paarden aangaat, deelt de heer Blenkiron, de grootste fokker van renpaarden op de wereld, mij mede, dat de hengsten zoo dikwijls grillig in hun keus zijn, en de eene merrie afwijzende, zonder eenige blijkbare oorzaak aan een andere de voorkeur geven, dat voortdurend de meest verschillende kunstgrepen in het werk moeten worden gesteld. De vermaarde Monarque wilde, bij voorbeeld, nooit met bewustheid de moeder van Gladiateur met een blik verwaardigen, en men moest list te baat nemen. Wij kunnen gedeeltelijk de reden inzien, waarom kostbare renpaard-hengsten waarnaar zooveel vraag is, zoo eigenzinnig in hun keus zijn. De heer Blenkiron heeft nimmer waargenomen, dat een merrie een hengst afwees; doch dit is geschied in den stal van den heer Wright, zoodat de merrie moest worden misleid. Prosper[256]Lucas47haalt onderscheidene getuigenissen van Fransche autoriteiten aan en merkt op: „On voit des étalons, qui s’éprennent d’une jument, et négligent toutes les autres.” Hij deelt, op gezag van Baëlen, soortgelijke feiten ten opzichte van stieren mede. Hoffberg zegt, het tamme rendier van Lapland beschrijvende: „Foeminae majores et fortiores mares prae caeteris admittunt, ad eos confugiunt, a junioribus agitatae, qui hos in fugam conjiciunt.” Een geestelijke die vele zwijnen heeft gefokt, verzekert mij, dat zeugen dikwijls den eenen beer afwijzen en dadelijk daarop een anderen aannemen.Wegens deze feiten kan er geen twijfel bestaan, dat bij de meeste onzer tamme viervoetige dieren dikwijls sterke individueele antipathieën en voorliefden worden getoond, en dat wel veel algemeener door het wijfje dan door het mannetje. Daar dit het geval is, is het onwaarschijnlijk, dat de paringen van viervoetige dieren in den natuurstaat aan het bloote toeval zouden zijn overgelaten. Het is veel waarschijnlijker, dat de wijfjes door bijzondere mannetjes worden aangelokt of opgewekt, die zekere kenmerken in hoogere mate bezitten dan andere mannetjes; maar welke deze kenmerken zijn, kunnen wij zelden of nooit met zekerheid ontdekken.[Inhoud]AANTEEKENINGEN.(1)Auchenia huanaco.(2)Gedurende de oudheid en Middeleeuwen leefden in Midden-Europa twee soorten van wilde runderen, de Wisent of Europeesche Bison (Bos bonasus) en de Urus (Bos Urus), de eerste waarschijnlijk een rechtstreeksche afstammeling van den diluvialenBos priscus, de tweede van het rund der voorwereld (Bos primigenius). Beide worden bij Caesar, Seneca en Plinius, bij vele middeleeuwsche schrijvers, in oude Duitsche wetten en jachtberichten vermeld en scherp van elkander onderscheiden. Beide waren zeer groote, sterke en woeste dieren; van den Urus zegt Caesar, dat hij in grootte weinig voor den olifant onderdeed en dat zijn jacht bij de Germanen voor de roemrijkste gold. In het Niebelungenlied worden beide als jachtdieren vermeld; bij de beschrijving toch van de jacht van Siegfried in Wasgau wordt gezegd:„Darnach schlug er wieder einenWiesentund einen Elk48,StarkerUreviere und einen grimmen Schelk.”49Het tweede dezer runderen (Bos Urus) was het dier dat de Duitschers[257]„Auerochs” noemden; sedert het op het vasteland van Europa is uitgestorven wordt de naam door zeer vele schrijvers voorBos bonasusgebruikt; hiertegen bestaat m.i. niet veel bezwaar (verba valent usu) wanneer slechts altijd, ’t zij uit den zin, ’t zij door de bijvoeging van den Latijnschen naam, blijkt, van welk der twee runderen sprake is, nog liever, wanneer men dan den naam „Auerochs” niet voorBos Urusgebruikt. Dat oorspronkelijkBos UrusAuerochs werd genoemd, doch tevens, dat de naamsverwarring reeds uit oude tijden dagteekent, blijkt o.a. uit twee afbeeldingen van wilde runderen, die in een oud boekje over Rusland en Polen van den Oostenrijkschen gezant von Herberstain voorkomen. Onder de eerste die een op ons tam rund gelijkend dier voorstelt, staat: „Ich bin der Urus, welchen die PolenTurnennen, die DeutschenAuerox, die NichtkennerBison”, en onder de tweede: „Ich bin derBison, welchen die PolenSubrnennen, die DeutschenWysent, die NichtkennerUrochs.”Van de Wisent leeft nog ééne enkele kudde in het woud van Bialowicza in Lithauen, dank zij de bescherming, haar aldaar achtereenvolgens door de koningen van Polen en de keizers van Rusland verleend. In 1853 was deze kudde 1543 stuks sterk, doch in 1866 nog slechts 500 stuks. Daarenboven heeft men in de laatste jaren ook in den Kaukasus Wisents aangetroffen, en ook in Midden-Azië moeten er nog in den omtrek van het meer Koko-Nor voorkomen.Deze Wisents, gewoonlijk minder juist Auerossen genoemd, zijn runderen met sterke manen op schoft en hals, met zeer breed gewelfd voorhoofd, op den bekenden Amerikaanschen Bison gelijkende; in den loop der eeuwen schijnen zij in grootte te zijn afgenomen; een in 1555 in Pruisen gedoode Wisentstier toch was2,1meter hoog en3,9meter lang; tegenwoordig zijn de grootste stieren zelden meer dan1,5meter hoog en2,25meter lang.De Urus of eigenlijke Aueros geleek, volgens oude beschrijvingen, volkomen op het tamme rund, en onderscheidde zich slechts daarvan door zijn meerdere grootte, zijn sterker ontwikkelde horens en zijn kleur die zwart was met een witachtige streep op den rug. Volgens sommigen (o.a. Fitzinger) zouden onze inlandsche tamme runderen van dit dier afstammen.50Zooals wij reeds zeiden, is de Urus op het vaste land van Europa uitgestorven. Ook in Groot-Brittannië kwamen echter in de Middeleeuwen wilde[258]runderen voor, die o.a. de bosschen in den omtrek van Londen zeer onveilig maakten en door wier bestrijding sommige ridders zich veel roem verwierven. Waarschijnlijk behoorden deze runderen tot de zelfde soort als de Urus, of waren ten minste van nauwverwante soort.In de dertiende eeuw waren deze wilde runderen in den omtrek van Londen reeds geheel uitgestorven; ook elders worden zij hoe langer hoe zeldzamer. In 1260 werd door toedoen van Williams van Farrarus het park van Chartly in Staffordshire met een omheining omgeven, opdat de wilde runderen daar rustig in volle vrijheid zouden kunnen blijven voortleven. Op verscheidene andere plaatsen vond dit voorbeeld navolging. In het begin der zestiende eeuw werd het nergens dan in deze parken aangetroffen, wier aantal tegenwoordig tot vier of vijf is geslonken, waarvan het bekendste dat van Chillinghamcastle bij Berwick aan de Tweed in Northumberlandshire is. Eén dier parken (dat in het Cadzowwoud bij Hamilton in Lanarcshire) ligt in Schotland. Men vergelijke over deze parkrunderen, Darwin, „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel I, blz. 100.(3)De spoor van het mannetje is doorboord en de holte staat in verband met een aan de binnenzijde der dij gelegen klier. Volgens Harting („Leerboek van de grondbeginselen der Dierkunde”, Deel II, Afd. I, blz. 314) bezit het door de klier afgescheiden vocht echter geen vergiftige eigenschappen, en bezit het wijfje op de plaats waar zich bij het mannetje de spoor bevindt, eenholte, vermoedelijk dienende tot opneming van de spoor tijdens de paring. Om deze redenen vermoed ik, dat Darwin de spoor van het vogelbekdier ten onrechte voor een aanvals- (offensief) wapen houdt, en zij integendeel een paringsorgaan is.(4)Van der Hoeven („Handboek der Dierkunde”, 2de uitgave, Deel II, blz. 633) merkt, na te hebben vermeld, dat zich bij gesnedenhertengeen horens ontwikkelen, of zoo zij reeds, voor de castratie plaats had, waren ontwikkeld, niet meer afvallen, in een noot op: „Van het rendier nochtans zegt Linnaeus,„castratus quotannis cornua deponit”,Syst. nat.I, ed. 12, p. 93. Het zelfde wordt ook door Sundevall tegen latere tegenspraak verdedigd.” Dit feit is in volkomen overeenstemming met de vroege ontwikkeling der horens bijbeideseksen van het rendier, waardoor zij als het ware ophouden een seksueel kenmerk te zijn.51Bij de overige soorten van herten bij welke de horens en hun geregeld jaarlijks afvallen tot de mannelijke sekse zijn beperkt, is het duidelijk, dat wanneer de speciaal seksueele ontwikkeling door de castratie is gestuit, de horens zich niet meer ontwikkelen, of, als zij vóór de castratie waren ontwikkeld, niet meer afvallen.(5)Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 571) houdt dit, wat den steenbok aangaat, voor een sprookje. Hij zegt: „Die alten kindlichen Berichtstatter ersannen wunderliche Märchen um diese auffallenden Fähigkeiten der Steinböcke zu erklären, und manche dieser Märchen haben sich Jahrhunderte fortgesponnen und werden heute noch von Unbewanderten auf Treue und Glauben hingenommen. So meint Geszner, dasz das Thier seine gewaltigen[259]Hörner hauptsachlich benutze, um sich aus bedeutenden Höhen auf sie zu stürzen” enz. DaarCapra aegagrusveel minder stevige en groote horens heeft dan de steenbok, geloof ik, dat, als zulks bij den steenbok een sprookje is, het ook bijCapra aegagruswaarschijnlijk als zoodanig moet worden beschouwd.(6)Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 630) zegt van den Italiaanschen buffel, dat het volstrekt niet valt te betwijfelen, dat hij uit Indië komt, daar hij met den aldaar nog in het wild levendevolkomenovereenstemt. Derhalve is het wel degelijk zeker, dat de wilde stamvorm eveneens gevormde horens bezat als de tamme. Vergelijk mijn aant. op hoofdst. III van Darwin’s „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 121.(7)Springbokis de naam dien de Nederlandsche kolonisten aan de Kaap de Goede Hoop aanAntilope euchorehebben gegeven. Het is merkwaardig, hoevele Zuid-Afrikaansche dieren op die wijze Nederlandsche namen hebben ontvangen, die later, hoewel soms min of meer misvormd, ook in andere talen, in het Duitsch, Engelsch, ja zelfs soms in het Fransch het burgerrecht hebben verkregen. Wij noemen als zoodanig, behalve den Springbok, onder de Antilopen: den Rietbok (Eleotragus arundinaceus), den Duiker (Cephalophus mergens), den Bleekbok (Antilope scoparia), den Klipspringer (Oreotragus saltatrix), den Blauwbok (Aegocerus leucophaeus), den Waterbok (Kobus ellipsiprymnus), den Spietsbok (Oryx gazella), het Hartebeest (Acronotus Caama), het Wildebeest (Catoblepas Gnu), enz. Ook onder andere groepen van Zuid-Afrikaansche dieren vindt men er met Nederlandsche namen, bij voorbeeld de Muishond (zoo noemen de Afrikaanders de civetkat), het tot de Tandelooze dieren (Edentata) behoorende Aardvarken (Orycteropus capensis), enz. (vergelijk ook aanteekening 12, en Deel I, blz.574, aanteekening 9).(8)Elephas primigenius.(9)Megaceros hibernicus.(10)Volgens Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 783) wordt het mannetje1,8tot2,7, het wijfje0,9tot1,2meter lang.(11)Poreus babyrussa.(12)Onder dezen naam wordtPacochoerus aethiopicusbeschreven in een Nederlandsch boekje uit de vorige eeuw (Vosmaer, „Beschrijving van het Afrikaansch Breedsnuitig Varken”, Amsterdam, 1766, 4o, met gekleurde afbeeldingen). De Nederlandsche kolonisten aan de Kaap noemen dit dier den Hardlooper of Snellooper.[260]
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE ZOOGDIEREN.Kampstrijd tusschen de mannetjes.—Bijzondere wapenen, tot hen alleen beperkt.—Oorzaak van het ontbreken der wapenen bij het wijfje.—Wapenen aan beide seksen gemeen, toch oorspronkelijk eerst door het mannetje verkregen.—Andere gebruiken van dergelijke wapenen.—Hun hooge belangrijkheid.—Meerdere grootte van het mannetje.—Verdedigingsmiddelen.—Over de voorkeur, door elk der beide seksen betoond bij de paring van viervoetige dieren.
Kampstrijd tusschen de mannetjes.—Bijzondere wapenen, tot hen alleen beperkt.—Oorzaak van het ontbreken der wapenen bij het wijfje.—Wapenen aan beide seksen gemeen, toch oorspronkelijk eerst door het mannetje verkregen.—Andere gebruiken van dergelijke wapenen.—Hun hooge belangrijkheid.—Meerdere grootte van het mannetje.—Verdedigingsmiddelen.—Over de voorkeur, door elk der beide seksen betoond bij de paring van viervoetige dieren.
Kampstrijd tusschen de mannetjes.—Bijzondere wapenen, tot hen alleen beperkt.—Oorzaak van het ontbreken der wapenen bij het wijfje.—Wapenen aan beide seksen gemeen, toch oorspronkelijk eerst door het mannetje verkregen.—Andere gebruiken van dergelijke wapenen.—Hun hooge belangrijkheid.—Meerdere grootte van het mannetje.—Verdedigingsmiddelen.—Over de voorkeur, door elk der beide seksen betoond bij de paring van viervoetige dieren.
Bij de Zoogdieren schijnt het mannetje het wijfje veel meer te verkrijgen door den kampstrijd met zijn medeminnaars, dan door het pronken met zijn bekoorlijkheden. De vreesachtigste dieren die volstrekt geen bijzondere wapenen voor den strijd bezitten, leveren elkander gedurende den paartijd wanhopige gevechten. Men heeft twee rammelaars (mannelijke hazen) met elkander zien vechten, totdat de eene was gedood; mannelijke mollen vechten dikwijls en niet zelden met noodlottig gevolg; mannelijke eekhoorns „bekampen elkander dikwijls en brengen elkander daarbij meermalen zware wonden toe”; de mannelijke bevers handelen evenzoo, „zoodat nauwelijks een vel zonder litteekens is.”1Ik nam het zelfde waar bij de huiden der wilde lama’s(1)in Patagonië; en eens waren verscheidene hunner zoo verdiept in het gevecht, dat zij zonder vrees tot in mijn onmiddellijke nabijheid kwamen. Livingstone zegt, dat de mannetjes der vele dieren van Zuid-Afrika bijna altijd litteekens vertoonen van in vroegere gevechten ontvangen wonden.De wet van den strijd heerscht zoowel bij de zoogdieren welke het water, als bij die welke het land bewonen. Het is bekend, hoe wanhopend de mannelijke zeehonden, zoowel met hun tanden als met hun[226]klauwen, gedurende den paartijd vechten, en hun huid is ook dikwijls met litteekens bedekt. De mannelijke cachelotten zijn in dien tijd zeer ijverzuchtig en in hun gevechten „geraken zij dikwijls met hun kaken in elkander verward, en gaan op hun zijde liggen en draaien zich rond”, zoodat door sommige natuuronderzoekers wordt geloofd, dat de veelvuldig voorkomende misvormingen van hun onderkaken door deze gevechten worden veroorzaakt.2Van alle mannelijke dieren die van bijzondere wapenen voor het gevecht zijn voorzien, is het bekend, dat zij elkander vinnig bevechten. De moed en wanhopende gevechten van herten zijn dikwijls beschreven; in verschillende werelddeelen heeft men hun geraamten gevonden, met de horens onontwarbaar in elkander gestrengeld, aantoonende, hoe ellendig overwinnaar en overwonnene waren omgekomen.3Geen dier ter wereld is zoo gevaarlijk als de olifant in den bronstijd. Lord Tankerville heeft mij een levendige beschrijving gegeven van de gevechten tusschen de wilde stieren van Chillingham Park, de afstammelingen ontaard in lichaamsgrootte, maar niet in moed, van het reusachtige rund der voorwereld (Bos primigenius).(2)In 1861 streden verscheidene met elkander om de oppermacht; en men nam waar, dat twee van de jongere stieren den ouden leider van de kudde gezamenlijk aanvielen, hem overwonnen en buiten gevecht stelden, zoodat de boschwachters geloofden, dat hij doodelijk gewond in een naburig woud lag. Doch eenige weinige dagen later naderde een van de jonge stieren alleen het woud; en toen kwam de „koning der jacht” die zich slechts om wraak te nemen, schuil had gehouden, daaruit te voorschijn en doodde in korten tijd zijn tegenstander. Daarna begaf hij zich wederom rustig naar de kudde en voerde daar nog langen tijd onbetwist de heerschappij. Admiraal Sir B. J. Sulivan meldt mij, dat hij, toen hij op de Falklands-eilanden verblijf hield, een jongen Engelschen hengst invoerde, die met acht merries de heuvels nabij Port[227]William veelvuldig bezocht. Op deze heuvels bevonden zich twee wilde hengsten, elk met een kleine kudde merries; „en het is zeker, dat deze hengsten elkander nooit zouden zijn genaderd zonder te vechten.” Beide hadden afzonderlijk beproefd met den Engelschen hengst te vechten en zijn merries weg te drijven, doch waren daarin niet geslaagd. Op zekeren dag kwamen zijte zamenen vielen hem aan. Dit werd gezien door den kapitein aan wien de zorg voor de paarden was opgedragen, en die, naar de plaats toe rijdende, een van de beide hengsten met den Engelschen hengst in gevecht vond, terwijl de andere bezig was de merries weg te drijven, en er reeds vier van de overige had gescheiden. De kapitein maakte een einde aan de zaak, door het geheele gezelschap in de kraal („corral”) te drijven; want de wilde hengsten wilden de merries niet verlaten.Mannelijke dieren die reeds met toereikend snijdende of scheurende tanden voor de gewone doeleinden van het leven zijn voorzien, zooals bij de Verscheurende Dieren (Carnivora), Insektenvreters (Insectivora) en Knaagdieren (Rodentia), zijn zelden van wapenen voorzien, die bijzonder zijn ingericht voor den kamp met hun medeminnaars. Met de mannetjes van vele andere dieren is het echter een geheel ander geval. Wij zien dit aan de horens der herten en van zekere soorten van antilopen, bij welke de wijfjes ongehorend zijn. Bij vele dieren zijn de hondstanden in de boven- of benedenkaak, of in beide, veel grooter bij de mannetjes dan bij de wijfjes, of ontbreken bij deze laatsten, met uitzondering somtijds van een verborgen rudiment. Sommige antilopen, het muskusdier, de kameel, het paard, het wilde zwijn, onderscheidene apen,robben en de walrus leveren voorbeelden van de onderscheidene gevallen op. Bij de wijfjes van den walrus ontbreken de slagtanden somtijds geheel.4Bij den mannelijken Indischen olifant en bij den mannelijken dugong5vormen de snijtanden van de bovenkaak aanvallende wapenen. Bij den mannelijken narwal of zeeëenhoren is slechts een van de tanden der bovenkaak ontwikkeld tot den welbekenden, spiraalvormig gewonden, zoogenaamden horen die somtijds van2,7tot 3 meter lengte heeft.[228]Men gelooft, dat de mannetjes deze horens gebruiken om met elkander te vechten; want „een ongebroken horen kan men slechts zelden verkrijgen, en nu en dan vindt men een waarbij de punt van een anderen in de gebroken plaats is vastgeklemd”.6De tand aan de tegenovergestelde zijde van den kop van het mannetje bestaat uit een rudiment van omstreeks 25 centimeter lengte, dat door de kaak wordt omsloten. Het is echter geen zeer groote zeldzaamheid om tweehoornige narwals te vinden, bij welke beide tanden goed zijn ontwikkeld.Bij de wijfjes zijn beide tanden rudimentair. De mannelijke cachelot heeft een grooter kop dan de vrouwelijke, en deze helpt ongetwijfeld deze dieren bij hun zeegevechten. Het mannetje van het vogelbekdier (Ornithorhynchus) eindelijk is van een merkwaardigen toestel voorzien, namelijk van een spoor aan den achtervoet, die zeer veel gelijkt op den gifttand van een vergiftige slang; het gebruik daarvan is niet bekend; maar wij mogen veronderstellen, dat zij tot aanvallend wapen dient.7Bij het wijfje wordt zij alleen door een rudiment vertegenwoordigd.(3)Als de mannetjes van wapens zijn voorzien, die de wijfjes niet bezitten, kan het nauwelijks worden betwijfeld, dat zij worden gebruikt om met andere mannetjes te vechten, en dat zij door seksueele teeltkeus zijn verkregen. Het is niet waarschijnlijk, ten minste in de meeste gevallen, dat de wijfjes dergelijke wapenen niet hebben verkregen, omdat zij nutteloos en overtollig, of op de eene of andere wijze nadeelig waren. Daar zij dikwijls door de mannetjes van vele dieren voor verschillende doeleinden, meer in het bijzonder als verdedigingsmiddel tegen hun vijanden worden gebruikt, is het integendeel een verwonderingwekkend feit, dat zij bij de wijfjes zoo armelijk zijn ontwikkeld of geheel ontbreken. Ongetwijfeld zou bij de hinde de ontwikkeling gedurende elk opeenvolgend jaar van groote vertakte horens, en bij vrouwelijke olifanten de ontwikkeling van verbazend groote slagtanden, een groote verspilling van levenskracht zijn geweest, als men aanneemt, dat zij van geen nut voor de wijfjes waren. Bij gevolg zouden afwijkingen in de grootte dezer organen, die tot hun geheel verdwijnen leidden, onder de heerschappij der natuurlijke teeltkeus zijn gekomen, en, indien zij in hun overplanting tot de vrouwelijke nakomelingschap waren beperkt, hun ontwikkeling door seksueele teeltkeus bij de mannetjes niet hebben[229]verhinderd. Hoe kunnen wij echter volgens deze beschouwingswijze de aanwezigheid van horens bij de wijfjes van sommige antilopen en van slagtanden bij de wijfjes van vele dieren die slechts weinig voor die der mannetjes in grootte onderdoen, verklaren? De verklaring moet, geloof ik, in bijna alle gevallen in de wetten der erfelijkheid worden gezocht.Daar het rendier de eenige soort van de geheele Familie der Herten is, waarvan het wijfje horens bezit, hoewel iets kleiner, dunner en minder getakt dan bij het mannetje, zou men van zelf op de gedachte komen, dat zij haar in eenig opzicht van dienst moesten wezen. Er zijn echter eenige feiten die tegen deze meening pleiten. Het wijfje behoudt haar horens van den tijd af, waarop zij tot volkomen ontwikkeling komen, namelijk in September, het geheele jaar door, tot Mei, wanneer zij haar jongen werpt; terwijl het mannetje zijn horens veel vlugger afwerpt, tegen het einde van November. Daar beide seksen de zelfde behoeften en de zelfde levenswijze hebben, en daar het mannetje zijn gewei gedurende den winter afwerpt, is het zeer onwaarschijnlijk, dat het aan het wijfje eenigen bijzonderen dienst kan bewijzen gedurende dit jaargetijde dat het grootste gedeelte van den tijd gedurende welken zij horens draagt, omvat. Het is ook niet waarschijnlijk, dat zij de horens kan hebben geërfd van den eenen of anderen ouden stamvader van de geheele Familie der Herten; want uit het feit, dat alleen de mannetjes bij zoovele soorten in alle deelen der wereld horens bezitten, mogen wij besluiten, dat dit een oorspronkelijk kenmerk van de geheele groep was. Het schijnt derhalve, dat de horens van het mannetje op het wijfje moeten zijn overgeplant in een later tijdperk dan dat waarop de onderscheidene soorten zich uit den gemeenschappelijken stam in verschillende richtingen ontwikkelden; doch dat dit geen plaats greep om haar eenig bijzonder voordeel te verschaffen.8Wij weten, dat de horens zich bij het rendier op een ongewoon vroegen leeftijd ontwikkelen; maar wat de oorzaak hiervan kan zijn geweest, is ons niet bekend. Het gevolg daarvan schijnt echter de overbrenging van de horens op beide seksen te zijn geweest. Het is volgens de hypothese der pangenesis begrijpelijk, dat een zeer geringe[230]verandering in het gestel van het mannetje, hetzij in het weefsel van het voorhoofd of in de kiempjes van de horens, tot hun vroege ontwikkeling zou kunnen leiden; en daar de jongen van beide seksen, vóór het tijdperk waarin zij in staat zijn zich voort te planten, omtrent het zelfde gestel bezitten, zouden de horens, indien zij zich bij het mannetje op vroegen leeftijd ontwikkelden, een neiging verkrijgen om gelijkelijk op beide seksen te worden overgeplant.(4)Tot staving dezer meening moeten wij bedenken, dat de horens altijd door het wijfje heên worden overgeplant, en dat zij een latent vermogen tot ontwikkeling daarvan bezit, gelijk wij bij oude of zieke wijfjes zien.9Daarenboven vertoonen de wijfjes van sommige andere soorten van herten rudimenten van horens; zoo heeft het wijfje vanCervulus moschatus„in een knoest eindigende borstelachtige haarbossen, in plaats van een horen”; en „bij de meeste voorwerpen van het wijfje van het Wapiti-hert (Cervus Canadensis) is er een scherp beenachtig uitsteeksel op de plaats van den horen.”10Op grond van deze verschillende overwegingen mogen wij besluiten, dat het bezit van tamelijk goed ontwikkelde horens bij het vrouwelijke rendier is veroorzaakt, doordat de mannetjes ze eerst verkregen als wapens om met andere mannetjes te vechten en dat zij zich tevens ten gevolge van de eene of andere onbekende oorzaak bij de mannetjes op een ongewoon vroegen leeftijd ontwikkelden en ten gevolge daarvan op beide seksen werden overgeplant.Laten wij nu tot de holhoornige Herkauwende Dieren overgaan: bij de Antilopen kan men eentrapsgewijzereeks vormen, beginnende met de soorten waarbij de wijfjes volstrekt geen horens hebben, vervolgens eerst overgaande tot die waarbij de wijfjes zulke kleine horens hebben, dat zij bijna rudimentair zijn, gelijk bijAntilocapra Americana, dan tot die waarvan de wijfjes tamelijk goed ontwikkelde horens hebben, die echter duidelijk kleiner en dunner en somtijds anders gevormd11[231]zijn dan die van het mannetje, en eindigende met die bij welke beide seksen horens van gelijke grootte hebben. Evenals bij het rendier, bestaat er ook bij de antilopen een betrekking tusschen het tijdperk van de ontwikkeling der horens en hun overplanting op ééne of op beide seksen; het is daarom waarschijnlijk, dat hun aanwezigheid of ontbreken bij de wijfjes van sommige soorten, en hun meer of minder volkomen toestand bij de wijfjes van andere soorten afhankelijk is, niet van een of ander bijzonder gebruik waartoe zij dienen, maar eenvoudig van den vorm van erfelijkheid, die de overhand heeft behouden. Het komt met deze meening overeen, dat zelfs in één en het zelfde geslacht van sommige soorten beide seksen, van andere alleen de mannetjes daarvan zijn voorzien. Het is een opmerkelijk feit, dat, hoewel de wijfjes vanAntilope bezoarcticain den regel geen horens bezitten, de heer Blyth niet minder dan drie wijfjes heeft gezien, die er van waren voorzien; en er was geen reden om te veronderstellen, dat zij oud of ziek waren. De mannetjes van deze soort hebben lange, rechte, spiraalvormig gewonden horens die bijna evenwijdig aan elkander loopen en naar achteren zijn gericht. Die van het wijfje zijn, wanneer zij aanwezig zijn, zeer verschillend van vorm; want zij zijn niet spiraalvormig gewonden, en, zich wijd uiteenspreidende, buigen zij zich om, zoodat hun punten naar voren zijn. Het is een nog merkwaardiger feit, dat bij het gesneden (gecastreerde) mannetje, gelijk de heer Blyth mij meldt, de horens den zelfden bijzonderen vorm hebben als bij het wijfje, maar langer en dikker zijn. In alle gevallen hangen de verschillen tusschen de horens van de mannetjes en de wijfjes en van gesneden en ongesneden mannetjes waarschijnlijk van verschillende oorzaken af,—van de meer of minder volkomen overplanting van mannelijke kenmerken op de wijfjes,—van den vroegeren toestand van de stamouders der soort,—en gedeeltelijk wellicht van een verschillende voeding der horens omtrent op de zelfde wijze als de sporen van den huishaan, als zij op den kam of op andere deelen van het lichaam worden geënt, allerlei afwijkende (abnormale) vormen aannemen, omdat zij op een andere wijze worden gevoed.Bij al de wilde soorten van Geiten en Schapen zijn de horens bij het mannetje grooter dan bij het wijfje, en ontbreken somtijds bij dit laatste zelfs geheel.12Bij onderscheidene tamme rassen van schapen en[232]geiten zijn alleen de mannetjes van horens voorzien; en het is een beteekenisvol feit, dat bij één dergelijk ras aan de kust van Guinea de horens, gelijk de heer Winwood Reade mij meldt, bij het gesneden (gecastreerde) mannetje niet tot ontwikkeling komen, zoodat zij in dit opzicht op de zelfde wijze worden aangedaan als de horens van herten. Bij sommige rassen, zooals bij dat van N.-Wales, bij hetwelk eigenlijk beide seksen gehorend zijn, zijn de ooien zeer dikwijls horenloos. Bij deze zelfde schapen zijn, naar mij door een te vertrouwen getuige is medegedeeld, die met opzet een kudde gedurende den lammertijd onderzocht, de horens bij de geboorte over het algemeen veel volkomener ontwikkeld bij het mannetje dan bij het wijfje. De heer J. Peel kruiste zijn Lonk-schapen van welke beide seksen altijd horens dragen, met horenlooze Leicesters en horenlooze Shropshire Downs; en de uitslag was, dat de mannelijke jongen veel kleiner horens bezaten, en deze bij de vrouwelijke geheel ontbraken. Deze verschillende feiten bewijzen, dat bij schapen de horens een veel minder vast geworden (gefixeerd) kenmerk zijn bij ooien dan bij rammen; en dit leidt er ons toe om de horens als een eigenlijk mannelijk kenmerk te beschouwen. Bij den volwassen muskusos (Ovibos moschatus) zijn de horens van het mannetje grooter dan die van het wijfje, en bij dit laatste raken de grondvlakken der horens elkander niet.13Omtrent het gewone hoornvee merkt de heer Blyth op: „Bij de meeste wilde runderen zijn de horens langer en dikker bij den stier dan bij de koe, en bij de Banteng-koe (Bos sondaicus) zijn de horens opmerkelijk klein, en hellen zeer naar achteren over. Bij de tamme runderrassen, zoowel bij de typen met een bult als bij die zonder bult, zijn de horens bij den stier kort en dik en bij de koe en den os langer en slanker, en bij den Indischen buffel zijn zij bij den stier korter en dikker, bij de koe langer en slanker. Bij den wilden gaoer(B. gaurus) zijn de horens bij den stier meestal zoowel langer als dikker dan bij de koe.”14Bij de meeste holhoornige Herkauwende Dieren zijn derhalve de horens van het mannetje hetzij langer of sterker dan die van het wijfje. Bij den stompneuzigen neushoren (Rhinoceros simus) zijn, gelijk ik er hier bij mag voegen, de horens van het wijfje over het algemeen langer maar minder krachtig dan bij het mannetje; en bij sommige andere soorten van neushorens[233]zijn zij, naar men zegt, bij het wijfje korter.15Uit deze onderscheidene feiten mogen wij het besluit trekken, dat horens van alle soorten, zelfs wanneer zij bij beide seksen gelijkelijk zijn ontwikkeld, oorspronkelijk door de mannetjes werden verkregen om andere mannetjes mede te overwinnen en meer of minder volkomen op het wijfje zijn overgeplant, in verhouding tot de kracht van den gelijken vorm van erfelijkheid.De uitwerkselen der ontmanning verdienen de aandacht, omdat zij licht werpen op dit zelfde punt. Herten vernieuwen na de operatie nimmer hun horens meer. Het mannelijke rendier maakt hierop echter een uitzondering, daar hij hen na de castratie wel hernieuwt. Dit feit, zoowel als het bezit van horens door beide seksen, schijnt op het eerste gezicht te bewijzen, dat de horens bij deze soort geen seksueel kenmerk vormen16; maar, daar de horens zich bij het rendier op zeer jongen leeftijd ontwikkelen, vóórdat de seksen in gestel verschillen, is het niet te verwonderen, dat de horens niet worden aangedaan door de ontmanning, zelfs wanneer zij oorspronkelijk door het mannetje werden verkregen. Bij schapen dragen eigenlijk beide seksen horens; en men heeft mij medegedeeld, dat bij Welshschapen de horens van de rammen door ontmanning aanmerkelijk kleiner worden gemaakt; maar de hoegrootheid dier afneming is zeer afhankelijk van den leeftijd waarop de operatie plaats heeft, gelijk eveneens het geval is met andere dieren. Merino-rammen hebben groote horens, terwijl de ooien „over het algemeen gesproken zonder horens zijn”; en bij dit ras schijnt castratie een eenigszins sterker uitwerking te hebben, zoodat, wanneer die op jeugdigen leeftijd wordt uitgevoerd, de horens „bijna onontwikkeld blijven.”17Op de kust van Guinea is er een ras waarbij de ooien nooit horens dragen, en, gelijk de heer Winwood Reade mij meldt, de rammen na de ontmanning daarvan geheel worden ontbloot. Bij runderen worden de horens der stieren door de castratie zeer veranderd; want, in plaats van kort en dik te zijn, worden zij langer dan die van[234]de koe, maar gelijken overigens op deze. DeAntilope bezoarcticalevert een eenigszins soortgelijk geval op; de mannetjes hebben lange, rechte, schroefsgewijs gedraaide horens, ongeveer evenwijdig aan elkander loopende en naar achteren gericht; de wijfjes bezitten soms horens; maar, als deze aanwezig zijn, hebben zij een geheel andere gedaante, want dan zijn zij niet schroefvormig, maar spreiden zich ver uit elkander uit, zijn rondgebogen met de punten naar voren. Nu is het een opmerkelijk feit, dat bij het gesneden mannetje, gelijk de heer Blyth mij meldt, de horens van den zelfden bijzonderen vorm zijn als bij het wijfje, maar langer en dikker. Als wij naar de analogie mogen oordeelen, vertoont het wijfje ons, in deze beide gevallen van runderen en de antilope, den vroegeren toestand van de horens bij den eenen of anderen voormaligen stamvader van elk der beide soorten. Maar waarom de ontmanning ten gevolge heeft, dat een vroegere toestand van de horens opnieuw verschijnt, kan niet met eenige zekerheid worden verklaard. Desniettemin komt het mij waarschijnlijk voor, dat op ongeveer dezelfde wijze, als de storing in het gestel van de jongen, veroorzaakt door de kruising van twee verschillende soorten of rassen, dikwijls leidt tot het opnieuw verschijnen van lang verloren kenmerken18, zoo ook hier de storing in het gestel van het individu, ten gevolge der ontmanning, de zelfde uitwerking voortbrengt.De slagtanden van den olifant verschillen bij de onderscheidene soorten of rassen volgens de sekse op omtrent de zelfde wijze als de horens van Herkauwende Dieren. In Indië en Malakka zijn alleen de mannetjes van goed ontwikkelde slagtanden voorzien. De olifant van Ceylon wordt door de meeste natuuronderzoekers als een afzonderlijke soort beschouwd en hier „wordt er op een honderdtal niet één gevonden met slagtanden, terwijl de weinige die ze bezitten, uitsluitend mannetjes zijn.”19De Afrikaansche olifant is ongetwijfeld een afzonderlijke soort, en het wijfje heeft groote, goed ontwikkelde slagtanden, hoewel niet zoo groot als die van het mannetje. Deze verschillen in de slagtanden bij de verschillende rassen en soorten van olifanten,—de groote verscheidenheid bij de horens van herten en in ’t bijzonder van het wilde rendier,—het nu en dan aanwezig zijn van horens bij de vrouwelijke[235]Antilope bezoartica,—de aanwezigheid van twee stoottanden bij eenige weinige mannelijke narwals,—het volkomen ontbreken van slagtanden bij sommige vrouwelijke walrussen,—zijn allen voorbeelden van de uiterst groote vatbaarheid voor variabiliteit van secundaire seksueele kenmerken en van hun zeer groote geneigdheid om bij nauw verwante vormen te verschillen.Hoewel slagtanden en horens zich in alle gevallen oorspronkelijk als seksueele wapens hebben ontwikkeld, dienen zij dikwijls voor andere doeleinden. De olifant gebruikt zijn slagtanden om den tijger aan te vallen; volgens Bruce kerft hij de stammen der boomen daarmede in, tot zij gemakkelijk kunnen worden omvergeworpen, en haalt er ook het melige binnenste gedeelte van palmboomen mede uit. In Afrika gebruikt hij dikwijls een slagtand, en wel altijd den zelfden, om den grond te beproeven en zich daardoor te vergewissen, of deze zijn gewicht kan dragen. De gewone stier verdedigt de kudde met zijn horens; en volgens Lloyd heeft men in Zweden waargenomen, dat de eland een wolf met éénen enkelen slag van zijn groote horens doodsloeg. Vele soortgelijke feiten zouden kunnen worden opgesomd. Een van de merkwaardigste secundaire gebruiken waartoe de horens van eenig dier somtijds worden gebruikt, is dat hetwelk door kapitein Hutton20is waargenomen bij de wilde geit (Capra aegagrus) van het Himalayagebergte, en ook van den steenbok(5)wordt verhaald, dat namelijk het mannetje, wanneer hij toevallig van een hoogte afvalt, zijn kop naar binnen ombuigt en, door op zijn massieve horens te vallen, den schok breekt. Het wijfje kan haar horens die kleiner zijn, niet op die wijze gebruiken; maar, wegens haar rustiger aard, heeft zij die vreemde soort van schild ook niet noodig.Elk mannelijk dier gebruikt zijn wapenen op zijn eigen bijzondere wijze. De gewone ram neemt een aanloop en stoot met zooveel kracht met de basis van zijn horens, dat ik een sterken man daardoor met evenveel gemak heb zien omverwerpen, alsof het een kind was. Geiten en sommige soorten van schapen, bij voorbeeldOvis cyclocerosvan Afghanistan, gaan op hun achterpooten staan, en stooten dan niet alleen, maar „doen een benedenwaartschen houw en een naar boven gerichten stoot als met een sabel met den geribden voorkant van hun den vorm van den Turkschen sabel hebbenden horen. Toen eenO.[236]cycloceroseens een grooten tammen ram aanviel, die een bekende vechtersbaas was, overwon hij hem door de bloote nieuwheid van zijn wijze van vechten, daar hij zich altijd dadelijk op zijn tegenstander wierp en hem dwars over aangezicht en neus een scherpen benedenwaartschen houw met zijn kop gaf, en dan op zij sprong, eer de stoot kon worden teruggegeven.”21In Pembrokeshire heeft men een bok waargenomen, het opperhoofd van een sedert verscheidene geslachten verwilderde kudde, die onderscheidene andere mannetjes in tweegevechten had gedood; deze bok bezat verbazend groote horens die van punt tot punt in rechte lijn 99 centimeter maten. De gewone stier steekt, gelijk iedereen weet, zijn tegenstander en slingert hem heên en weêr; doch de Italiaansche buffel gebruikt, zegt men, nimmer zijn horens; hij geeft een vreeselijken stoot met zijn bol voorhoofd, en vertrapt dan den gevallen vijand met zijn knieën—een instinkt dat de gewone stier niet bezit.22Vandaar wordt een hond die een buffel bij den neus pakt, oogenblikkelijk verpletterd. Wij moeten echter bedenken, dat de Italiaansche buffel lang getemd is geweest, en het is in geenen deele zeker, dat de wilde stamvorm eveneens gevormde horens had.(6)De heer Bartlett deelt mij mede, dat een vrouwelijke Kaapsche buffel (Bubalus Caffer) met een stier van de zelfde soort binnen een omheining werd gebracht; zij viel hem aan, en hij drong haar daarentegen met groote hevigheid voort. Het bleek den heer Bartlett echter duidelijk, dat, als de stier niet een edele verdraagzaamheid had getoond, hij haar gemakkelijk door een enkelen zijdelingschen stoot met zijn verbazend groote horens kon hebben gedood. De giraffe gebruikt haar korte met haar bedekte horens die bij het mannetje iets korter dan bij het wijfje zijn, op een merkwaardige wijze; want met haar langen nek slingert zij haar kop naar beide zijden, bijna met de bovenzijde naar beneden, met zooveel kracht, dat ik een harde plank heb gezien, die door een enkelen slag diepe indrukken had verkregen.Fig. 60.Fig. 60.Oryx leucoryx, mannetje (naar de Knowsley menagerie).Bij de Antilopen is het dikwijls moeilijk om zich voor te stellen hoe zij bij mogelijkheid haar merkwaardig gevormde horens kunnen gebruiken; zoo heeft de Springbok(7)(Ant. euchore) vrij korte rechtopstaande[237]horens waarvan de scherpe punten bijna rechthoekig naar binnen zijn gebogen, zoodat zij tegenover elkander staan; de heer Bartlett weet niet, hoe zij worden gebruikt, maar merkt op, dat zij een vreeselijke wonde onder aan elke zijde van het gelaat van een tegenstander zouden maken. De zacht gebogen horens van deOryx leucoryx(Fig.60) zijn naar achteren gericht en zoo lang, dat hun punten tot over het midden van den rug reiken, over welken zij in daaraan bijna evenwijdige lijn staan. Zij schijnen dus al zeer slecht geschikt om mede te vechten; maar de heer Bartlett deelt mij mede, dat wanneer twee dezer dieren zich tot den strijd gereed maken, zij nederknielen, met hun koppen tusschen hun voorpooten, en in deze houding staan de horens omtrent evenwijdig aan en dicht bij den grond met de punten naar voren en een weinig naar boven gericht. De strijders naderen elkander dan allengs en trachten de naar boven gekeerde punten onder elkanders lichamen te brengen; indien een hunner hierin slaagt, springt hij plotseling op, tegelijkertijd zijn kop omhoog werpende, en kan aldus zijn tegenstander wonden of misschien zelfs doorboren. Beide dieren knielen altijd zoodanig neder, dat zij zich zooveel mogelijk tegen deze beweging beschutten. Er is een voorbeeld opgeteekend, dat een dezer dieren zijn horens met goed gevolg zelfs tegen een leeuw heeft gebruikt; maar toch moet hij, omdat hij genoodzaakt is zijn kop tusschen zijn voorpooten te nemen om de punten van zijn horens naar voren te brengen, over[238]het algemeen zeer in het nadeel zijn, als hij door eenig ander dier wordt aangevallen. Het is daarom niet waarschijnlijk, dat de horens tot hun tegenwoordige groote lengte en bijzondere stelling zijn gewijzigd, als een bescherming tegen roofdieren. Wij kunnen echter begrijpen, dat, zoodra een of ander voormalig mannelijk voorouder van denOryxmatig lange horens verkreeg, die een weinig naar achteren waren gericht, hij in zijn gevechten met medeminnaars zou gedwongen zijn geweest om zijn kop iets naar binnen of naar beneden te buigen, gelijk het thans sommige herten doen, en het is niet onwaarschijnlijk, dat hij de gewoonte eerst om nu en dan, en later om geregeld neder te knielen, zou hebben verkregen. In dit geval is het bijna zeker, dat de mannetjes die de langste horens bezaten, een groot voordeel zouden hebben gehad boven andere met korter horens; en dan zouden de horens allengs hoe langer hoe langer zijn gemaakt door seksueele teeltkeus, totdat zij hun tegenwoordige buitengewone lengte en stelling verkregen.Bij vele soorten van Herten levert de vertaktheid der horens een opmerkelijke moeilijkheid op; want ongetwijfeld zou een enkele rechte punt een veel ernstiger wond veroorzaken dan verscheidene divergeerende punten. In Sir Philip Egerton’s museum is er een horen van het edelhert (Cervus elaphus) van 75 centimeter lang, met „niet minder dan vijftien einden of takken”; en te Moritzburg wordt er nog een gewei van een edelhert bewaard, in 1699 door Frederik I geschoten, waarvan elke horen het verbazende aantal van drie-en-dertig takken draagt. Richardson beeldt een paar horens van het wilde rendier met negen-en-twintig punten af.23Uit de wijze waarop de horens zijn vertakt, en meer in het bijzonder uit het bekende feit, dat herten nu en dan vechten door elkander met hun voorpooten te trappen24, trok de heer Bailly werkelijk het besluit, dat hun horens veel meer nadeelig dan nuttig voor hen waren! Deze schrijver ziet echter de geregelde gevechten tusschen mededingende mannetjes over het hoofd. Daar ik zeer in verlegenheid was over het gebruik of voordeel van de takken, wendde[239]ik mij tot den heer McNeill van Colinsay, die lang en zorgvuldig zijn aandacht aan de levenswijze van het edelhert heeft gewijd, en deze meldt mij, dat hij nooit heeft gezien, dat een der takken een werkzame rol in het gevecht speelde, doch dat de oogtakken, daar zij naar beneden hellen, een groote bescherming aan het voorhoofd verleenen, en dat hun punten ook bij den aanval worden gebruikt. Sir Philip Egerton deelt mij ook zoowel ten opzichte van het edelhert als van het damhert mede, dat zij, wanneer zij vechten, plotseling tegen elkander stooten, en hun geweien tegen elkanders lichaam drukkende, een vertwijfelden kamp beginnen. Als het eene ten laatste is gedwongen te wijken en zich om te keeren, tracht de overwinnaar zijn oogtakken in het lichaam van zijn verslagen vijand te steken. Het schijnt dus, dat de bovenste takken hoofdzakelijk of uitsluitend worden gebruikt om voorwaarts te dringen en af te weren. Bij sommige soorten worden desniettemin de bovenste takken als aanvals- (offensieve) wapenen gebruikt; toen in het park van Judge Caton te Ottawa een man door een Wapiti-hert (Cervus Canadensis) werd aangevallen, en verscheidene mannen hem trachtten te helpen, „lichtte het hert zijn kop niet van den grond op; hij hield inderdaad zijn kop omtrent plat op den grond, met zijn neus bijna tusschen zijn voorpooten, behalve wanneer hij zijn kop naar de eene zijde draaide om een nieuwe waarneming als voorbereiding voor een uitval te doen.” In deze houding waren de eindpunten van de horens op zijn tegenstanders gericht. „Bij het draaien van zijn kop was hij genoodzaakt hem iets op te lichten, omdat zijn gewei zoo lang was, dat hij zijn kop niet om kon draaien zonder het aan de eene zijde op te lichten, terwijl het aan de andere zijde den bodem aanraakte.”Het hert dreef op die wijze de te hulp geschoten mannen langzamerhand terug tot op een afstand van 45 tot 60 meter; en de aangevallen man werd gedood.25Hoewel de horens van herten werkzame wapenen zijn, kan het, geloof ik, niet worden betwijfeld, dat één enkele punt veel gevaarlijker zou zijn geweest dan een vertakt gewei, en Judge Caton die een groote ondervinding omtrent herten heeft, is het hierin geheel met mij eens. Ook schijnen de vertakte horens, hoewel hoogst belangrijk als verdedigingsmiddel tegen mededingende herten, voor dit doel niet volkomen geschikt te zijn, daar zij vatbaar zijn om in elkander verward te geraken.[240]Het vermoeden is mij daarom in de gedachte gekomen, dat zij wellicht gedeeltelijk tot versiering dienden. Dat de vertakte horens van herten zoowel als de schoone liervormige horens van sommige antilopen, met hun bevallige dubbele bocht (Fig.61) in onze oogen tot sieraad strekken, zal niemand betwisten. Indien dus de horens, gelijk de prachtige uitrusting der ridders van weleer, bijdragen tot het edel uiterlijk van herten en antilopen, kunnen zij gedeeltelijk voor dit doel, hoewel voornamelijk voor werkelijken dienst in den strijd, zijn gewijzigd; maar ik heb geen bewijzen voor deze meening.Fig. 61.Fig. 61.Strepsiceros Kuda(naar Andrew Smith’s„Zoology of South Africa”).Een belangwekkend geval is onlangs bekend gemaakt, waaruit schijnt te blijken, dat de horens van een hert in de Vereenigde Staten op dit oogenblik bezig zijn met door seksueele en natuurlijke teeltkeus een wijziging te ondergaan.Een schrijver in een uitstekend Amerikaansch tijdschrift26zegt, dat hij op zijn minst een-en-twintig jaar lang in de Adirondacks heeft gejaagd, waar het Virginische hert (Cervus Virginianus) overvloedig voorkomt. Omtrent veertien jaar geleden hoorde hij voor ’t eerst van spitshorenbokken („spikehorn bucks”) spreken. Deze werden van jaar tot jaar meer algemeen; omtrent[241]vijf jaar geleden schoot hij er een, en later een tweeden, en tegenwoordig worden zij veelvuldig gedood. „De spitshoren verschilt zeer van het gewone gewei vanC. Virginianus. Hij bestaat uit een enkele spits, slanker dan de gewone horens en nauwelijks half zoo lang, die van het voorhoofd naar voren uitsteekt en in een zeer scherpe punt eindigt. Hij geeft zijn bezitter een aanmerkelijk voordeel over den gewonen hertebok. Behalve dat hij dezen in staat stelt om vlugger door dichte wouden en het onderhout te loopen (iedere jager weet, dat hinden en eenjarige hertebokken veel sneller loopen dan de oude hertebokken, als deze met hun lastig gewei zijn gewapend), is de spitshoren een krachtiger wapen dan het gewone gewei. Met dit voordeel winnen de spitshorenbokken op de gewone hertebokken, en kunnen hen na verloop van tijd in de Adirondacks volkomen verdringen. Ongetwijfeld was de eerste spitshorenbok eenvoudig een toevallige speling der natuur. Zijn spitshorens gaven hem echter een voordeel en stelden hem in staat zijn eigenaardigheid voort te planten. Zijn nakomelingen hebben, daar zij het zelfde voordeel bezaten, de eigenaardigheid in een voortdurend klimmende reden voortgeplant, totdat zij langzaam de een gewoon gewei bezittende herten uit de streek die door hen wordt bewoond, verdrijven.”Een criticus heeft tegen deze verklaring de scherpzinnige tegenwerping gemaakt, waarom, indien de eenvoudige horens nu zoo voordeelig zijn, het vertakte gewei van den stamvorm ooit tot ontwikkeling is gekomen? Hierop antwoord ik, dat een nieuwe wijze van aanval en nieuwe wapens een groot voordeel kunnen zijn, gelijk wordt aangetoond door het geval van deOvis cyclocerosdie een gewonen ram die vermaard was om zijn kracht in het gevecht, aldus overwon. Hoewel het vertakte gewei van een hert goed geschikt is om met zijn medeminnaars te vechten, en ofschoon het wellicht voordeelig zou zijn voor de spitshoornige verscheidenheid (variëteit) om langzamerhand lange en vertakte horens te verkrijgen, indien zij alleen met anderen van de zelfde soort had te vechten, volgt hieruit toch in geenen deele, dat vertakte horens het beste middel zouden zijn om een anders gewapenden vijand te overwinnen. In het voorgaande geval vanOryx leucoryxis het bijna zeker, dat de overwinning zou worden behaald door een antilope die korte horens bezat en dus niet noodig had neêr te knielen, hoewel het voor eenOryxvoordeelig zou kunnen zijn om nog langer horens te bezitten, als hij alleen met mededingers van zijn eigen soort vocht.Mannelijke viervoetige dieren die van slagtanden zijn voorzien, gebruiken[242]hen op onderscheidene wijzen, evenals met horens het geval is. Het mannelijke wilde zwijn stoot er zijdelings en naar boven mede, het muskusdier met ernstig gevolg naar beneden.27De walrus kan, hoewel hij zulk een korten hals en zulk een log lichaam heeft, „met evenveel behendigheid, hetzij naar boven, of naar beneden, of zijdelings stooten.”28De Indische olifant vecht, naar mij wijlen Dr. Falconer heeft medegedeeld, al naar de stelling en de kromming zijner slagtanden, op een verschillende wijze. Als zij naar voren en naar boven zijn gericht, is hij in staat een tijger op aanzienlijken afstand voort te slingeren—men zegt zelfs tot negen meter ver; als zij kort en naar beneden zijn gekeerd, tracht hij den tijger plotseling aan den grond te nagelen, en is derhalve gevaarlijk voor zijn berijder, die kans heeft uit zijn hoedah te worden geworpen.29Zeer weinige mannelijke zoogdieren bezitten wapenen van twee verschillende soorten, bijzonder ingericht om met mededingende mannetjes te vechten. Het mannelijk muntjac-hert (Cervulus) maakt hierop echter een uitzondering, daar hij van horens en van uitstekende hoektanden is voorzien. Doch de eene vorm van wapen is dikwijls in den loop der eeuwen door een anderen vorm vervangen, zooals wij mogen afleiden uit hetgeen volgt. Bij Herkauwende Dieren staat de ontwikkeling van horens over het algemeen in omgekeerde reden met die van zelfs slechts matig ontwikkelde hoektanden. Zoo zijn de kameelen, wilde lama’s, dwergherten en muskusdieren hoornloos, en zij hebben werkzame hoektanden die „bij de wijfjes altijd kleiner zijn dan bij de mannetjes.” DeCamelidaehebben in haar bovenkaken, behalve haar ware hoektanden, nog een paar hoektandvormige snijtanden.30Mannelijke herten en antilopen daarentegen bezitten horens, en zij hebben zelden hoektanden; en deze zijn, wanneer zij voorhanden zijn, altijd van geringe grootte, zoodat het twijfelachtig is, of zij bij hun gevechten van eenigen dienst zijn. BijAntilope montanabestaan zij alleen als rudimenten bij het jonge mannetje en verdwijnen, als hij oud wordt; en zij ontbreken bij het wijfje op alle leeftijden; doch bij de wijfjes van sommige[243]andere antilopen heeft men waargenomen, dat zij nu en dan rudimenten van deze tanden vertoonen.31Hengsten hebben kleine hoektanden die bij de merrie hetzij geheel ontbreken of rudimentair zijn; maar zij schijnen bij het vechten niet te worden gebruikt; want hengsten bijten met hun snijtanden en doen hun bekken niet wijd open gelijk kameelen en wilde lama’s. In alle gevallen waarin het mannetje hoektanden in een tegenwoordig niet werkzamen staat bezit, terwijl het wijfje er òf in het geheel geen òf eenvoudig rudimenten er van bezit, mogen wij besluiten, dat de vroegere mannelijke stamvader van de soort van werkzame hoektanden was voorzien, die gedeeltelijk op het wijfje waren overgebracht. Het kleiner worden van deze tanden bij de mannetjes schijnt het gevolg te zijn geweest van eenige verandering in hun wijze van vechten, dikwijls (maar niet in het geval van het paard) veroorzaakt door de ontwikkeling van nieuwe wapenen.Slagtanden en horens zijn blijkbaar van hoog belang voor hun bezitters; want bij hun ontwikkeling wordt veel georganiseerde stof verbruikt. Een enkele slagtand van den Aziatischen olifant,—één van de uitgestorven woldragende soort(8),—en van den Afrikaanschen olifant wogen, gelijk men heeft waargenomen, respectievelijk 66, 70 en 80 kilogram, en zelfs nog zwaardere zijn door sommige schrijvers vermeld.32Bij herten bij welke de horens periodiek worden vernieuwd, moet de invloed op het gestel nog grooter zijn; de horens van den Amerikaanschen eland wegen bij voorbeeld van 22 tot 27 kilogram, en die van den uitgestorven Ierschen reuzeneland(9)van 27 tot 32 kilogram,—terwijl de schedel van dit laatste dier gemiddeld slechts 2⅓ kilogram weegt. Bij schapen sleept de ontwikkeling der horens, ofschoon zij niet periodiek worden vernieuwd, volgens de meening van vele landbouwkundigen, gevoelig verlies voor den fokker met zich. Herten zijn daarenboven bij het ontsnappen aan roofdieren met een den wedren verzwarend extra-gewicht belast, en worden bij het doorloopen van boschachtige[244]streken daardoor zeer vertraagd. De Amerikaansche eland, bij voorbeeld, met horens die van punt tot punt1,65M. meten, kan, hoewel hij ze zoo goed weet te besturen, dat hij geen dood takje zal aanraken of breken, wanneer hij rustig rondwandelt, niet zoo behendig handelen, als hij voor een troep wolven vlucht. „Gedurende zijn loop houdt hij zijn neus omhoog, zoodat zijn horens horizontaal naar achteren liggen, en kan in deze houding den grond niet duidelijk zien.”33De punten van de horens van den Ierschenreuzenelandstonden werkelijk2,44M. uiteen! Zoolang de horens met een fluweelachtige huid zijn bedekt, hetgeen bij het edelhert omtrent twaalf weken duurt, zijn zij uiterst gevoelig voor een stoot, zoodat in Duitschland de herten in dien tijd hun levenswijze tot op zekere hoogte veranderen, en dichte bosschen vermijden, doch jong kreupelhout en laag struikgewas opzoeken.34Deze feiten herinneren er ons aan, dat mannelijke vogels siervederen hebben verkregen ten koste van hun vliegvermogen, en andere versierselen met eenig krachtverlies in hun gevechten met hun medeminnaars.Als bij viervoetige dieren, gelijk dikwijls het geval is, de seksen in grootte verschillen, zijn de mannetjes, geloof ik, altijd grooter en sterker. Dit geldt op sterk uitgedrukte wijze, naar de heer Gould mij meldt, bij de Buideldieren (Marsupialia) van Australië, waarvan de mannetjes tot op een ongewoon laten leeftijd schijnen door te gaan met groeien. Het meest buitengewone geval is echter dat van een der robben, den zeebeer (Callorhinus ursinus)(10), waarbij een volgroeid wijfje minder dan een zesde van een volgroeid mannetje weegt.35Dr. Gill merkt op, dat bij de in veelwijverij levende robben van welke de mannetjes, gelijk bekend is, woedend met elkander vechten, de seksen zeer in grootte verschillen; terwijl zij bij de eenwijvige soorten daarin slechts weinig verschillen. Ook de walvisschen leveren bewijzen van het verband tusschen de strijdlustigheid van de mannetjes en de grootte van hun lichaam, in vergelijking van die van het wijfje; de mannetjes van den Groenlandschen walvisch vechten niet met elkander, en zij zijn niet[245]grooter, maar eer kleiner dan hun wijfjes; daarentegen vechten mannelijke cachelotten veel met elkander, en op hun lichaam vindt men „dikwijls litteekens met de indruksels van de tanden hunner mededingers”, en zij zijn dubbel zoo groot als de wijfjes. De grootere kracht van het mannetje wordt, gelijk Hunter reeds lang geleden opmerkte36, zonder uitzondering in die deelen van het lichaam ontwikkeld, die bij den kampstrijd met medeminnaars in werking worden gebracht, bij voorbeeld in den zwaren nek van den stier. Mannelijke viervoetige dieren zijn ook moediger en strijdlustiger dan de wijfjes. Er kan weinig twijfel bestaan, dat deze kenmerken zijn verkregen, gedeeltelijk door seksueele teeltkeus, ten gevolge van een lange reeks overwinningen door de sterkste en moedigste mannetjes over de zwakkere behaald, en gedeeltelijk door de overgeërfde gevolgen van het gebruik. Het is waarschijnlijk, dat de opeenvolgende afwijkingen in kracht, grootte en moed, hetzij die werden veroorzaakt door zoogenaamde spontane variabiliteit of door de gevolgen van het gebruik, door de opeenhooping waarvan de mannelijke viervoetige dieren de hen kenmerkende hoedanigheden hebben verkregen, zich vrij laat in het leven voordeden, en derhalve in haar overplanting in hooge mate tot de zelfde sekse beperkt bleven.Uit dit oogpunt was ik zeer verlangend mededeelingen te verkrijgen omtrent den Schotschen hertenhond van welken de seksen meer in grootte verschillen, dan die van eenig ander hondenras (hoewel zij bij bloedhonden aanmerkelijk verschillen), of dan die van eenige wilde hondensoort die mij bekend is. Ik wendde mij daarom tot den heer Cupples, een welbekend fokker van deze honden, die vele van zijn eigen honden heeft gewogen en gemeten en die met groote vriendelijkheid de volgende feiten voor mij uit onderscheidene bronnen bijeen heeft verzameld. Uitstekende reuen zijn aan den schouder gemeten van 71 centimeter, wat voor weinig geldt, tot 83 of zelfs 86 centimeters hoog, en wegen van 36, hetgeen laag is, tot 54, of zelfs meer kilogrammen. De teven zijn van 58 tot 68 of zelfs 71 centimeters hoog, en wegen 22 tot 32, of zelfs 36 kilogram.37De heer Cupples besluit,[246]dat van 43 tot 45 kilogram voor de reuen en 32 voor de teven een goed middelgetal zou zijn; maar er is reden om te gelooven, dat vroeger beide seksen een hooger gewicht bereikten. De heer Cupples heeft jonge honden gewogen, toen zij veertien dagen oud waren; bij een werpsel overtrof het gemiddelde gewicht van vier reuen dat van twee teven met 184 gram; bij een ander werpsel overtrof het gemiddelde gewicht van vier reuen dat van ééne teef met minder dan 28 gram; de zelfde reuen overtroffen, toen zij drie weken oud waren, de teef met 396 gram en op den leeftijd van zes weken met bijna 212 gram. De heer Wright van Yeldersley House zegt in een brief aan den heer Cupples: „Ik heb aanteekening gehouden van de grootte en het gewicht van jonge honden van vele werpsels, en, zoover mijn ondervinding gaat, verschillen jonge reuen zeer weinig van teven, totdat zij omtrent vijf of zes maanden oud zijn; en dan beginnen de reuen te groeien, en winnen op de teven zoowel in grootte als in gewicht. Bij de geboorte en nog verscheidene weken daarna zal een jonge teef nu en dan grooter zijn dan één van de reuen; maar later worden zij zonder uitzondering door hen overtroffen.” De heerMcNeillvan Colinsay komt tot het besluit, dat „de reuen hun volkomen grootte niet bereiken, voor zij over de twee jaar oud zijn, hoewel de teven die spoediger bereiken.” Volgens de ondervinding van den heer Cupples gaan reuen voort met in grootte toe te nemen, tot zij twaalf of achttien, en in gewicht, tot zij van achttien tot vier-en-twintig maanden oud zijn, terwijl de teven ophouden met in grootte toe te nemen op den leeftijd van negen tot veertien of vijftien maanden en in gewicht op den leeftijd van twaalf tot vijftien maanden. Uit deze verschillende mededeelingen blijkt duidelijk, dat het verschil in grootte tusschen den reu en de teef van den Schotschen hertenhond eerst vrij laat in het leven zijn toppunt bereikt. Bij de jacht worden bijna uitsluitend reuen gebruikt; want, naar de heerMcNeillmij meldt, hebben de teven geen genoegzame kracht en gewicht om een volwassen hert naar beneden te trekken. Uit de in oude legenden gebruikte namen blijkt het, naar ik van den heer Cupples hoor, dat in een zeer oud tijdvak de reuen het meest werden gevierd, terwijl de teven alleen als de moeders van beroemde honden worden vermeld. Het is gedurende vele geslachten het mannetje geweest, wiens kracht, grootte, vlugheid en moed voornamelijk zijn beproefd, en de beste zullen voor de verdere aanfokking zijn gebruikt. Daar de mannetjes echter hun volle grootte niet eer dan in een vrij laat levenstijdperk[247]verkrijgen, zullen zij, in overeenstemming met de meermalen aangewezen wet, een neiging hebben bezeten om hun kenmerken alleen op hun mannelijke nakomelingschap over te planten; en op die wijze moet waarschijnlijk de aanmerkelijke ongelijkheid in grootte tusschen de seksen van den Schotschen hertenhond worden verklaard.Fig. 62.Fig. 62.Kop van het mannetje van het gewone wilde zwijn, in den bloeitijd van het leven (naar Brehm).De mannetjes van eenige weinige viervoetige dieren bezitten organen of deelen die alleen als verdedigingsmiddelen tegen de aanvallen van andere mannetjes worden ontwikkeld. Sommige soorten van herten gebruiken, gelijk wij hebben gezien, de bovenste takken van hun horens hoofdzakelijk of uitsluitend om zich te verdedigen; en de Oryx-antilope verdedigt zich, zooals de heer Bartlett mij heeft medegedeeld, zeer behendig met zijn lange sierlijk gebogen horens; doch deze worden ook als aanvals- (offensieve) wapenen gebruikt. Neushorens weren, gelijk de zelfde waarnemer opmerkt, bij den strijd elkanders zijdelingsche stooten met hun horens af, die daarbij luide tegen elkander kletteren, gelijk ook de slagtanden van wilde zwijnen doen. Hoewel de mannelijke wilde zwijnen wanhopig met elkander vechten, ontvangen zij, volgens Brehm, zelden doodelijke stooten, daar de meeste op elkanders slagtanden of op de harde spekachtige huidlaag vallen, die den schouder bedekt, welke de Duitsche jagers het schild noemen; en hier hebben wij een deel dat bijzonder voor de verdediging is gewijzigd. Bij mannelijke wilde zwijnen in de kracht van het leven (Fig.62) worden de slagtanden in de onderkaak gebruikt om te vechten; doch in den ouderdom worden zij, gelijk Brehm getuigt, zoozeer naar binnen en naar boven over den snoet gebogen, dat zij daartoe niet langer kunnen worden gebruikt. Zij kunnen nog steeds en zelfs op nog werkzamer wijze als verdedigingsmiddel worden gebruikt. Als vergoeding voor het verlies van de onderste slagtanden als aanvals- (offensieve) wapenen nemen die van de bovenkaak, die altijd een weinig zijdelings uitsteken, gedurende den ouderdom zoozeer in lengte toe en krommen zich zoozeer naar boven, dat zij als aanvalsmiddel kunnen worden[248]gebruikt. Desniettemin is een oud mannelijk wild zwijn niet zoo gevaarlijk voor den mensch als een dat zes of zeven jaar oud is.38Fig. 63.Fig. 63.Schedel van een hertzwijn (naar Wallace’s „Malay Archipelago”).Bij het volwassen mannetje van het hertzwijn(11)van Celebes (Fig.63) zijn de onderste slagtanden gevaarlijke wapenen, evenals die van het mannetje van het Europeesche wilde zwijn in de kracht van het leven, terwijl de bovenste slagtanden zoo lang zijn en zoozeer naar binnen omgekrulde punten hebben, dat zij somtijds zelfs het voorhoofd aanraken en volkomen onbruikbaar zijn als aanvals- (offensieve) wapenen. Zij gelijken meer op horens dan op tanden en zijn zoo klaarblijkelijk nutteloos als tanden, dat men vroeger veronderstelde, dat het dier zijn kop deed uitrusten, door ze aan een tak vast te haken. Hun bolle zijden zouden echter, als het hoofd een weinig op zijde werd gehouden, uitnemend tot verdediging kunnen dienen; en daardoor komt het wellicht, dat zij bij oude dieren „gewoonlijk zijn afgebroken, alsof[249]het ten gevolge van een gevecht was.”39Wij hebben hier dus het merkwaardige geval, dat de bovenste slagtanden van het hertzwijn, in den bloeitijd van het leven, geregeld een vorm aannemen, die hen blijkbaar alleen voor de verdediging geschikt maakt, terwijl bij het Europeesche mannelijke wilde zwijn de onderste en tegenovergestelde slagtanden in een mindere mate en alleen gedurende den ouderdom omtrent den zelfden vorm aannemen, en dan op de zelfde wijze alleen voor de verdediging dienen.Fig. 64.Fig. 64.Kop van een Afrikaansch breedsnuitig varken, naar „Proc. Zool. Soc.”, 1869. (Ik bemerk nu, dat deze teekening den kop van een wijfje voorstelt, doch zij dient om op verkleinde schaal de kenmerken van het mannetje te toonen.)Bij het Afrikaansch breedsnuitig varken(12)(Phacochoerus aethiopicus, Fig.64) krommen zich de slagtanden in de bovenkaak van het mannetje gedurende den bloeitijd van het leven naar boven en dienen, daar zij puntig zijn, als vreeselijke wapenen. De slagtanden in de onderkaak zijn scherper dan die in de bovenkaak; maar wegens hun kortheid schijnt het, dat zij nauwelijks ooit als aanvals- (offensieve) wapenen kunnen worden gebruikt. Zij moeten echter die van de bovenkaak zeer versterken, daar zij zoo zijn afgesleten, dat zij nauwkeurig tegen de basis van deze laatste passen. Noch de bovenste, noch de benedenste slagtanden schijnen bijzonder te zijn gewijzigd om als verdedigende[250](defensieve) wapenen te dienen, hoewel zij daartoe ongetwijfeld in zekere mate worden gebruikt. Het breedsnuitig varken is echter niet ontbloot van andere bijzondere middelen van bescherming; want het bezit aan beide zijden van het gelaat onder de oogen een tamelijk hard, maar toch veerkrachtig, kraakbeenig, langwerpig kussen (Fig.64), dat vijf tot zeven en een halven centimeter naar buiten uitsteekt, en het scheen den heer Bartlett en mij zelf toe, toen wij het levende dier zagen, dat deze kussens, als zij aan de onderzijde door de slagtanden van een tegenstander werden getroffen, naar boven zouden worden gedraaid, en zoo op bewonderenswaardige wijze de een weinig uitpuilende oogen beschermen. Deze wilde zwijnen staan, gelijk ik er op autoriteit van den heer Bartlett bij mag voegen, als zij te zamen vechten, direct met de aangezichten naar elkander toe.Eindelijk bezit het Afrikaansche penseelzwijn (Potamochoerus penicillatus) een harden kraakbeenigen knobbel aan elke zijde van het gelaat beneden de oogen, die aan het veerkrachtig kussen van het breedsnuitig varken beantwoordt. Het bezit ook twee beenige uitsteeksels aan de bovenkaak boven de neusgaten. Een mannetje van deze soort in den Londenschen dierentuin brak onlangs in het hok van een breedsnuitig varken in. Zij vochten den geheelen nacht door en werden ’s morgens zeer uitgeput, maar niet ernstig gewond, gevonden. Het is een beteekenisvol feit, dat het doel van de boven beschreven uitsteeksels en uitwassen aantoont, dat deze met bloed waren bedekt en op buitengewone wijze gekerfd en afgeschaafd.Hoewel de mannetjes van zoovele leden van de familie der zwijnen van wapenen, en, gelijk wij zooeven hebben gezien, van verdedigingsmiddelen zijn voorzien, schijnen die wapenen in een vrij laat geologisch tijdvak te zijn verkregen. Dr. Forsyth Major beschrijft40verschillende miocene soorten bij geen waarvan de slagtanden bij de mannetjes sterk ontwikkeld schijnen te zijn geweest; en Prof.Rütimeyerwerd vroeger door dit zelfde feit getroffen.De manen van den leeuw vormen een goed verdedigingsmiddel tegen het eenige gevaar waaraan hij bloot staat, namelijk de aanvallen van andere leeuwen die zijn medeminnaars zijn; want de mannetjes leveren elkander, gelijk mij de heer A. Smith mededeelt, woedende gevechten, en een jonge leeuw durft een ouden niet naderen. In het jaar[251]1857 brak een tijger te Bromwich in het hok van een leeuw, en een vreeselijk tooneel volgde hierop; „de manen van den leeuw beschutten zijn hals en kop voor erge verwondingen; maar de tijger slaagde er ten laatste in hem den buik open te rijten, en binnen weinige minuten was hij dood.”41De breede kraag rondom den hals en de kin van den Canadaschen lynx (Felix Canadensis) is veel langer bij het mannetje dan bij het wijfje; maar of hij als een verdedigingsmiddel wordt gebruikt, weet ik niet. Het is bekend, dat mannelijke robben wanhopig met elkander vechten, en de mannetjes van sommige soorten (de zeeleeuw,Otaria jubata)42hebben groote manen, terwijl de wijfjes kleine of in het geheel geen manen hebben. Het mannetje van den choakkama van de Kaap de Goede Hoop (Cynocephalus porcarius) heeft veel langer manen en grooter hoektanden dan het wijfje, en de manen dienen waarschijnlijk tot bescherming; want toen ik aan de oppassers van den Londenschen dierentuin, zonder hun eenigen leiddraad tot mijn doel te geven, vroeg, of een van de apen andere van zijn soort bijzonder bij den nek aanviel, kreeg ik ten antwoord, dat dit niet het geval was, behalve bij de bovengenoemde soort van baviaan. Bij den Hamadryas-baviaan vergelijkt Ehrenberg de manen van het volwassen mannetje bij die van den jongen leeuw, terwijl bij de jongen van beiderlei sekse en bij het wijfje de manen bijna geheel ontbreken.Het scheen mij waarschijnlijk, dat de verbazend groote wollige manen van het mannetje van den Amerikaanschen bison, die bijna tot den grond toe reiken en veel meer zijn ontwikkeld bij de mannetjes dan bij de wijfjes, hun tot bescherming dienden bij hun vreeselijke gevechten; maar een ondervindingrijk jager verhaalde Judge Caton, dat hij nooit eenig feit had waargenomen, dat ten gunste dezer meening sprak. De hengst heeft dikker en voller manen dan de merrie, en ik heb bijzondere nasporingen gedaan bij twee groote africhters en fokkers, aan wier zorgen vele hengsten waren toevertrouwd, en zij verzekerden mij, dat de hengsten,„zonder uitzondering, elkander bij den hals trachten te pakken.” Uit de voorgaande opgaven volgt echter geenszins, dat, wanneer het haar aan den hals tot verdedigingsmiddel dient, het[252]zich oorspronkelijk tot dit doel ontwikkelde, hoewel dit in sommige gevallen, gelijk in dat van den leeuw, waarschijnlijk is. De heerMcNeillheeft mij medegedeeld, dat de lange haren aan de keel van het edelhert (Cervus elaphus) het zeer tot bescherming dienen, als het wordt gejaagd; want de honden trachten het over het algemeen bij de keel te grijpen; doch het is niet waarschijnlijk, dat deze haren zich bijzonder tot dat doel hebben ontwikkeld; want in dat geval kunnen wij ons verzekerd houden, dat ook de jongen en het wijfje op de zelfde wijze zouden zijn beschermd.Over de Voorliefde of Keus bij het Paren, waarvan beide seksen van de Viervoetige Dieren blijken geven.—Voor ik in het volgende hoofdstuk de verschillen tusschen de seksen in de stem, den geur dien zij verspreiden, en de versiering beschrijf, zal het gepast zijn hier te overwegen of de seksen bij haar vereeniging eenige keus uitoefenen. Geeft het wijfje de voorkeur aan eenig bijzonder mannetje, hetzij voor- of nadat de mannetjes met elkander om de heerschappij hebben gestreden; of kiest het mannetje, als hij niet veelwijvig (polygaam) is, eenig bijzonder wijfje voor de voortteling uit? De algemeene indruk onder fokkers schijnt te zijn, dat het mannetje elk wijfje aanneemt; en dit is, ten gevolge van zijn vurigheid, in de meeste gevallen waarschijnlijk de waarheid. Of het wijfje in den regel elk mannetje zonder verschil te maken, aanneemt, is veel twijfelachtiger. In het veertiende hoofdstuk over Vogels, werd een aanmerkelijke hoeveelheid directe en indirecte bewijzen bijgebracht, om aan te toonen, dat het wijfje haar gezel uitkiest; en het zou een vreemde anomalie zijn, als vrouwelijke viervoetige dieren die hooger staan op de ladder der georganiseerde wezens en hooger ontwikkelde geestvermogens hebben, niet over het algemeen, of ten minste dikwijls, eenige keus uitoefenden. Het wijfje zou in de meeste gevallen kunnen ontsnappen, als haar het hof werd gemaakt door een mannetje dat haar niet behaagde of opwekte; en als zij, gelijk zoo onophoudelijk gebeurt, door verscheidene mannetjes werd vervolgd, zou zij dikwijls de gelegenheid hebben, om, terwijl deze samen vochten, te ontsnappen of ten minste tijdelijk te paren met eenig ander bepaald mannetje. Dit laatste is dikwijls waargenomen in Schotland bij wijfjes van het edelhert, naar Sir Philip Egerton mij heeft medegedeeld.43[253]Het is nauwelijks mogelijk, dat er veel van bekend zou zijn, of vrouwelijke viervoetige dieren in den natuurstaat eenige keus bij hun huwelijksvereenigingen uitoefenen. De volgende zeer opmerkelijke bijzonderheden over de vrijage van een der geoorde robben, den zeebeer (Callorhinus ursinus), worden medegedeeld44op autoriteit van Kapitein Bryant die ruimschoots gelegenheid tot waarneming had. Hij zegt: „vele van de wijfjes schijnen bij hun aankomst op het eiland waar zij paren, begeerig te zijn om naar het eene of andere bijzondere mannetje terug te keeren, en beklimmen dikwijls de in zee gelegen rotsen om het geheele gezelschap te overzien, roepen luid en schijnen te luisteren, of zij niet een bekende stem hooren. Dan begeven zij zich naar een andere plaats, en doen nogmaals het zelfde … Zoodra een wijfje het strand bereikt, gaat het dichtst bijzijnde mannetje naar beneden naar haar toe en maakt intusschen een geluid, op het klokken van een hen tot haar kuikens gelijkende. Hij buigt voor haar en liefkoost haar, totdat hij tusschen haar en het water geraakt, zoodat zij hem niet kan ontsnappen. Dan veranderen zijn manieren, en met een norsch gebrom drijft hij haar naar een plaats in zijn harem. Dit gaat zoo voort, totdat de onderste rij van den harem bijna vol is. Dan kiezen de zich hooger op bevindende mannetjes den tijd uit, waarop hun meer gelukkige buurlieden zich van hun wachtpost verwijderen, om hun vrouwen te stelen. Dit doen zij, door haar in hun bekken te nemen en over de koppen van de andere wijfjes heen te tillen en met zorgvuldigheid in hun eigen harem te plaatsen, haar dragende, evenals de kat het haar jongen doet. De mannetjes die zich nog hooger op bevinden, gaan op de zelfde wijze voort, totdat de geheele ruimte is ingenomen. Dikwijls volgt er een gevecht tusschen twee mannetjes om het bezit van het zelfde wijfje, en beide, haar tegelijkertijd grijpende, trekken haar op eens in tweeën of kwetsen haar vreeselijk met hun tanden. Als de ruimte geheel vol is, wandelt het oude mannetje zelfbehagelijk rond, overziet zijn familie, beknort hen die de anderen dringen of storen, en jaagt grimmig alle indringers weg. Dit toezicht houdt hem voortdurend ijverig bezig.”[254]Daar zoo weinig bekend is omtrent de vrijage van dieren in den natuurstaat, heb ik trachten te ontdekken, in hoever onze tamme viervoetige dieren bij hun paringen eenige keus doen blijken. Honden geven de beste gelegenheid tot waarneming, als men zorgvuldig op hen let en hen goed begrijpt. Vele fokkers hebben hun meening over dit punt in zeer sterke woorden uitgedrukt. Zoo merkt de heer Mayhew op: „De teven zijn in staat haar genegenheid te kennen te geven; en teedere herinneringen hebben evenveel macht over haar, als, gelijk bekend is, in andere gevallen, waar het hoogere dieren geldt. Teven zijn niet altijd verstandig in haar liefde, en in staat om zich weg te gooien aan straathonden van zeer laag gehalte. Indien zij met een metgezel van gemeen uiterlijk worden opgekweekt, ontstaat er dikwijls tusschen het paar een trouw die geen verloop van tijd later kan doen ophouden. De hartstocht, want dat is het werkelijk, verkrijgt een meer dan romantische duurzaamheid.” De heer Mayhew,die zijn opmerkzaamheid hoofdzakelijk aan de kleinere rassen toewijdde, is overtuigd, dat de teven sterk worden aangetrokken door reuen van aanzienlijke grootte.45De welbekende veearts Blaine getuigt46, dat zijn eigen vrouwelijke mops („pug”) zoo gehecht werd aan een Engelsch hondje („spaniel”), en een vrouwelijke langharige jachthond („setter”) aan een kettinghond („cur”), dat zij in geen van beide gevallen met een hond van haar eigen ras wilden paren, voor verscheidene weken waren voorbijgegaan. Twee soortgelijke en betrouwbare berichten zijn mij omtrent een vrouwelijken water-jachthond („retriever”) en een Engelsch hondje („spaniel”) gegeven, die beide op „terrier” honden verliefd werden.De heer Cupples meldt mij, dat hij persoonlijk kan instaan voor de nauwkeurigheid van het volgende, nog merkwaardiger geval waarin een kostbare en verwonderlijk verstandige vrouwelijke „terrier” een water-jachthond („retriever”) die aan een buurman toebehoorde, zoozeer beminde, dat zij dikwijls van hem moest worden weggesleept. Nadat zij voor goed waren gescheiden, wilde zij, ofschoon zich herhaaldelijk melk in haar tepels vertoonde, nooit meer iets weten van de vrijage van andere honden, en bracht tot spijt van haar eigenaar nooit jongen ter[255]wereld. De heer Cupples getuigt ook, dat een vrouwelijke hertenhond die zich op dit oogenblik (1868) in zijn bezit bevindt, driemaal jongen ter wereld heeft gebracht, en bij elke gelegenheid een merkbare voorkeur aan den dag legde voor een van de grootste en schoonste, maar niet den vurigsten, van vier mannelijke hertenhonden, allen in de kracht van het leven, die met haar leefden. De heer Cupples heeft opgemerkt, dat een teef over het algemeen een reu begunstigt, waarmede zij in gezelschap is geweest en dien zij kent; haar schuwheid en beschroomdheid nemen haar eerst tegen een vreemden reu in. De reu daarentegen schijnt eerder genegenheid te gevoelen voor vreemde teven. Het schijnt zelden te gebeuren, dat de reu eene of andere bijzondere teef afwijst; doch de heer Wright van Yeldersley House, een groot hondenfokker, meldt mij, dat eenige voorbeelden daarvan te zijner kennis zijn gekomen; hij haalt het geval aan van een van zijn eigen hertenhonden, die volstrekt geen acht wilde geven op een bepaalden vrouwelijken dog („mastiff”), zoodat een andere hertenhond moest worden gebruikt. Het zou overtollig zijn nog meer voorbeelden te geven, en ik wil alleen hierbij voegen, dat de heer Barr die met zorg vele bloedhonden heeft aangefokt, getuigt, dat zij bijna altijd een bijzondere voorkeur geven aan bepaalde individu’s van de andere sekse. Eindelijk schreef mij onlangs de heer Cupples, na nogmaals een jaar lang zijn opmerkzaamheid aan de zaak te hebben gewijd: „Ik heb mijn vorig bericht volkomen bevestigd gezien, dat honden bij de paring een besliste voorkeur voor elkander toonen, en daarbij dikwijls de grootte, de levendige kleur en het individueele karakter en ook de mate van hun vroegere vertrouwelijkheid invloed op hen hebben.”Wat paarden aangaat, deelt de heer Blenkiron, de grootste fokker van renpaarden op de wereld, mij mede, dat de hengsten zoo dikwijls grillig in hun keus zijn, en de eene merrie afwijzende, zonder eenige blijkbare oorzaak aan een andere de voorkeur geven, dat voortdurend de meest verschillende kunstgrepen in het werk moeten worden gesteld. De vermaarde Monarque wilde, bij voorbeeld, nooit met bewustheid de moeder van Gladiateur met een blik verwaardigen, en men moest list te baat nemen. Wij kunnen gedeeltelijk de reden inzien, waarom kostbare renpaard-hengsten waarnaar zooveel vraag is, zoo eigenzinnig in hun keus zijn. De heer Blenkiron heeft nimmer waargenomen, dat een merrie een hengst afwees; doch dit is geschied in den stal van den heer Wright, zoodat de merrie moest worden misleid. Prosper[256]Lucas47haalt onderscheidene getuigenissen van Fransche autoriteiten aan en merkt op: „On voit des étalons, qui s’éprennent d’une jument, et négligent toutes les autres.” Hij deelt, op gezag van Baëlen, soortgelijke feiten ten opzichte van stieren mede. Hoffberg zegt, het tamme rendier van Lapland beschrijvende: „Foeminae majores et fortiores mares prae caeteris admittunt, ad eos confugiunt, a junioribus agitatae, qui hos in fugam conjiciunt.” Een geestelijke die vele zwijnen heeft gefokt, verzekert mij, dat zeugen dikwijls den eenen beer afwijzen en dadelijk daarop een anderen aannemen.Wegens deze feiten kan er geen twijfel bestaan, dat bij de meeste onzer tamme viervoetige dieren dikwijls sterke individueele antipathieën en voorliefden worden getoond, en dat wel veel algemeener door het wijfje dan door het mannetje. Daar dit het geval is, is het onwaarschijnlijk, dat de paringen van viervoetige dieren in den natuurstaat aan het bloote toeval zouden zijn overgelaten. Het is veel waarschijnlijker, dat de wijfjes door bijzondere mannetjes worden aangelokt of opgewekt, die zekere kenmerken in hoogere mate bezitten dan andere mannetjes; maar welke deze kenmerken zijn, kunnen wij zelden of nooit met zekerheid ontdekken.[Inhoud]AANTEEKENINGEN.(1)Auchenia huanaco.(2)Gedurende de oudheid en Middeleeuwen leefden in Midden-Europa twee soorten van wilde runderen, de Wisent of Europeesche Bison (Bos bonasus) en de Urus (Bos Urus), de eerste waarschijnlijk een rechtstreeksche afstammeling van den diluvialenBos priscus, de tweede van het rund der voorwereld (Bos primigenius). Beide worden bij Caesar, Seneca en Plinius, bij vele middeleeuwsche schrijvers, in oude Duitsche wetten en jachtberichten vermeld en scherp van elkander onderscheiden. Beide waren zeer groote, sterke en woeste dieren; van den Urus zegt Caesar, dat hij in grootte weinig voor den olifant onderdeed en dat zijn jacht bij de Germanen voor de roemrijkste gold. In het Niebelungenlied worden beide als jachtdieren vermeld; bij de beschrijving toch van de jacht van Siegfried in Wasgau wordt gezegd:„Darnach schlug er wieder einenWiesentund einen Elk48,StarkerUreviere und einen grimmen Schelk.”49Het tweede dezer runderen (Bos Urus) was het dier dat de Duitschers[257]„Auerochs” noemden; sedert het op het vasteland van Europa is uitgestorven wordt de naam door zeer vele schrijvers voorBos bonasusgebruikt; hiertegen bestaat m.i. niet veel bezwaar (verba valent usu) wanneer slechts altijd, ’t zij uit den zin, ’t zij door de bijvoeging van den Latijnschen naam, blijkt, van welk der twee runderen sprake is, nog liever, wanneer men dan den naam „Auerochs” niet voorBos Urusgebruikt. Dat oorspronkelijkBos UrusAuerochs werd genoemd, doch tevens, dat de naamsverwarring reeds uit oude tijden dagteekent, blijkt o.a. uit twee afbeeldingen van wilde runderen, die in een oud boekje over Rusland en Polen van den Oostenrijkschen gezant von Herberstain voorkomen. Onder de eerste die een op ons tam rund gelijkend dier voorstelt, staat: „Ich bin der Urus, welchen die PolenTurnennen, die DeutschenAuerox, die NichtkennerBison”, en onder de tweede: „Ich bin derBison, welchen die PolenSubrnennen, die DeutschenWysent, die NichtkennerUrochs.”Van de Wisent leeft nog ééne enkele kudde in het woud van Bialowicza in Lithauen, dank zij de bescherming, haar aldaar achtereenvolgens door de koningen van Polen en de keizers van Rusland verleend. In 1853 was deze kudde 1543 stuks sterk, doch in 1866 nog slechts 500 stuks. Daarenboven heeft men in de laatste jaren ook in den Kaukasus Wisents aangetroffen, en ook in Midden-Azië moeten er nog in den omtrek van het meer Koko-Nor voorkomen.Deze Wisents, gewoonlijk minder juist Auerossen genoemd, zijn runderen met sterke manen op schoft en hals, met zeer breed gewelfd voorhoofd, op den bekenden Amerikaanschen Bison gelijkende; in den loop der eeuwen schijnen zij in grootte te zijn afgenomen; een in 1555 in Pruisen gedoode Wisentstier toch was2,1meter hoog en3,9meter lang; tegenwoordig zijn de grootste stieren zelden meer dan1,5meter hoog en2,25meter lang.De Urus of eigenlijke Aueros geleek, volgens oude beschrijvingen, volkomen op het tamme rund, en onderscheidde zich slechts daarvan door zijn meerdere grootte, zijn sterker ontwikkelde horens en zijn kleur die zwart was met een witachtige streep op den rug. Volgens sommigen (o.a. Fitzinger) zouden onze inlandsche tamme runderen van dit dier afstammen.50Zooals wij reeds zeiden, is de Urus op het vaste land van Europa uitgestorven. Ook in Groot-Brittannië kwamen echter in de Middeleeuwen wilde[258]runderen voor, die o.a. de bosschen in den omtrek van Londen zeer onveilig maakten en door wier bestrijding sommige ridders zich veel roem verwierven. Waarschijnlijk behoorden deze runderen tot de zelfde soort als de Urus, of waren ten minste van nauwverwante soort.In de dertiende eeuw waren deze wilde runderen in den omtrek van Londen reeds geheel uitgestorven; ook elders worden zij hoe langer hoe zeldzamer. In 1260 werd door toedoen van Williams van Farrarus het park van Chartly in Staffordshire met een omheining omgeven, opdat de wilde runderen daar rustig in volle vrijheid zouden kunnen blijven voortleven. Op verscheidene andere plaatsen vond dit voorbeeld navolging. In het begin der zestiende eeuw werd het nergens dan in deze parken aangetroffen, wier aantal tegenwoordig tot vier of vijf is geslonken, waarvan het bekendste dat van Chillinghamcastle bij Berwick aan de Tweed in Northumberlandshire is. Eén dier parken (dat in het Cadzowwoud bij Hamilton in Lanarcshire) ligt in Schotland. Men vergelijke over deze parkrunderen, Darwin, „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel I, blz. 100.(3)De spoor van het mannetje is doorboord en de holte staat in verband met een aan de binnenzijde der dij gelegen klier. Volgens Harting („Leerboek van de grondbeginselen der Dierkunde”, Deel II, Afd. I, blz. 314) bezit het door de klier afgescheiden vocht echter geen vergiftige eigenschappen, en bezit het wijfje op de plaats waar zich bij het mannetje de spoor bevindt, eenholte, vermoedelijk dienende tot opneming van de spoor tijdens de paring. Om deze redenen vermoed ik, dat Darwin de spoor van het vogelbekdier ten onrechte voor een aanvals- (offensief) wapen houdt, en zij integendeel een paringsorgaan is.(4)Van der Hoeven („Handboek der Dierkunde”, 2de uitgave, Deel II, blz. 633) merkt, na te hebben vermeld, dat zich bij gesnedenhertengeen horens ontwikkelen, of zoo zij reeds, voor de castratie plaats had, waren ontwikkeld, niet meer afvallen, in een noot op: „Van het rendier nochtans zegt Linnaeus,„castratus quotannis cornua deponit”,Syst. nat.I, ed. 12, p. 93. Het zelfde wordt ook door Sundevall tegen latere tegenspraak verdedigd.” Dit feit is in volkomen overeenstemming met de vroege ontwikkeling der horens bijbeideseksen van het rendier, waardoor zij als het ware ophouden een seksueel kenmerk te zijn.51Bij de overige soorten van herten bij welke de horens en hun geregeld jaarlijks afvallen tot de mannelijke sekse zijn beperkt, is het duidelijk, dat wanneer de speciaal seksueele ontwikkeling door de castratie is gestuit, de horens zich niet meer ontwikkelen, of, als zij vóór de castratie waren ontwikkeld, niet meer afvallen.(5)Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 571) houdt dit, wat den steenbok aangaat, voor een sprookje. Hij zegt: „Die alten kindlichen Berichtstatter ersannen wunderliche Märchen um diese auffallenden Fähigkeiten der Steinböcke zu erklären, und manche dieser Märchen haben sich Jahrhunderte fortgesponnen und werden heute noch von Unbewanderten auf Treue und Glauben hingenommen. So meint Geszner, dasz das Thier seine gewaltigen[259]Hörner hauptsachlich benutze, um sich aus bedeutenden Höhen auf sie zu stürzen” enz. DaarCapra aegagrusveel minder stevige en groote horens heeft dan de steenbok, geloof ik, dat, als zulks bij den steenbok een sprookje is, het ook bijCapra aegagruswaarschijnlijk als zoodanig moet worden beschouwd.(6)Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 630) zegt van den Italiaanschen buffel, dat het volstrekt niet valt te betwijfelen, dat hij uit Indië komt, daar hij met den aldaar nog in het wild levendevolkomenovereenstemt. Derhalve is het wel degelijk zeker, dat de wilde stamvorm eveneens gevormde horens bezat als de tamme. Vergelijk mijn aant. op hoofdst. III van Darwin’s „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 121.(7)Springbokis de naam dien de Nederlandsche kolonisten aan de Kaap de Goede Hoop aanAntilope euchorehebben gegeven. Het is merkwaardig, hoevele Zuid-Afrikaansche dieren op die wijze Nederlandsche namen hebben ontvangen, die later, hoewel soms min of meer misvormd, ook in andere talen, in het Duitsch, Engelsch, ja zelfs soms in het Fransch het burgerrecht hebben verkregen. Wij noemen als zoodanig, behalve den Springbok, onder de Antilopen: den Rietbok (Eleotragus arundinaceus), den Duiker (Cephalophus mergens), den Bleekbok (Antilope scoparia), den Klipspringer (Oreotragus saltatrix), den Blauwbok (Aegocerus leucophaeus), den Waterbok (Kobus ellipsiprymnus), den Spietsbok (Oryx gazella), het Hartebeest (Acronotus Caama), het Wildebeest (Catoblepas Gnu), enz. Ook onder andere groepen van Zuid-Afrikaansche dieren vindt men er met Nederlandsche namen, bij voorbeeld de Muishond (zoo noemen de Afrikaanders de civetkat), het tot de Tandelooze dieren (Edentata) behoorende Aardvarken (Orycteropus capensis), enz. (vergelijk ook aanteekening 12, en Deel I, blz.574, aanteekening 9).(8)Elephas primigenius.(9)Megaceros hibernicus.(10)Volgens Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 783) wordt het mannetje1,8tot2,7, het wijfje0,9tot1,2meter lang.(11)Poreus babyrussa.(12)Onder dezen naam wordtPacochoerus aethiopicusbeschreven in een Nederlandsch boekje uit de vorige eeuw (Vosmaer, „Beschrijving van het Afrikaansch Breedsnuitig Varken”, Amsterdam, 1766, 4o, met gekleurde afbeeldingen). De Nederlandsche kolonisten aan de Kaap noemen dit dier den Hardlooper of Snellooper.[260]
Bij de Zoogdieren schijnt het mannetje het wijfje veel meer te verkrijgen door den kampstrijd met zijn medeminnaars, dan door het pronken met zijn bekoorlijkheden. De vreesachtigste dieren die volstrekt geen bijzondere wapenen voor den strijd bezitten, leveren elkander gedurende den paartijd wanhopige gevechten. Men heeft twee rammelaars (mannelijke hazen) met elkander zien vechten, totdat de eene was gedood; mannelijke mollen vechten dikwijls en niet zelden met noodlottig gevolg; mannelijke eekhoorns „bekampen elkander dikwijls en brengen elkander daarbij meermalen zware wonden toe”; de mannelijke bevers handelen evenzoo, „zoodat nauwelijks een vel zonder litteekens is.”1Ik nam het zelfde waar bij de huiden der wilde lama’s(1)in Patagonië; en eens waren verscheidene hunner zoo verdiept in het gevecht, dat zij zonder vrees tot in mijn onmiddellijke nabijheid kwamen. Livingstone zegt, dat de mannetjes der vele dieren van Zuid-Afrika bijna altijd litteekens vertoonen van in vroegere gevechten ontvangen wonden.
De wet van den strijd heerscht zoowel bij de zoogdieren welke het water, als bij die welke het land bewonen. Het is bekend, hoe wanhopend de mannelijke zeehonden, zoowel met hun tanden als met hun[226]klauwen, gedurende den paartijd vechten, en hun huid is ook dikwijls met litteekens bedekt. De mannelijke cachelotten zijn in dien tijd zeer ijverzuchtig en in hun gevechten „geraken zij dikwijls met hun kaken in elkander verward, en gaan op hun zijde liggen en draaien zich rond”, zoodat door sommige natuuronderzoekers wordt geloofd, dat de veelvuldig voorkomende misvormingen van hun onderkaken door deze gevechten worden veroorzaakt.2
Van alle mannelijke dieren die van bijzondere wapenen voor het gevecht zijn voorzien, is het bekend, dat zij elkander vinnig bevechten. De moed en wanhopende gevechten van herten zijn dikwijls beschreven; in verschillende werelddeelen heeft men hun geraamten gevonden, met de horens onontwarbaar in elkander gestrengeld, aantoonende, hoe ellendig overwinnaar en overwonnene waren omgekomen.3Geen dier ter wereld is zoo gevaarlijk als de olifant in den bronstijd. Lord Tankerville heeft mij een levendige beschrijving gegeven van de gevechten tusschen de wilde stieren van Chillingham Park, de afstammelingen ontaard in lichaamsgrootte, maar niet in moed, van het reusachtige rund der voorwereld (Bos primigenius).(2)In 1861 streden verscheidene met elkander om de oppermacht; en men nam waar, dat twee van de jongere stieren den ouden leider van de kudde gezamenlijk aanvielen, hem overwonnen en buiten gevecht stelden, zoodat de boschwachters geloofden, dat hij doodelijk gewond in een naburig woud lag. Doch eenige weinige dagen later naderde een van de jonge stieren alleen het woud; en toen kwam de „koning der jacht” die zich slechts om wraak te nemen, schuil had gehouden, daaruit te voorschijn en doodde in korten tijd zijn tegenstander. Daarna begaf hij zich wederom rustig naar de kudde en voerde daar nog langen tijd onbetwist de heerschappij. Admiraal Sir B. J. Sulivan meldt mij, dat hij, toen hij op de Falklands-eilanden verblijf hield, een jongen Engelschen hengst invoerde, die met acht merries de heuvels nabij Port[227]William veelvuldig bezocht. Op deze heuvels bevonden zich twee wilde hengsten, elk met een kleine kudde merries; „en het is zeker, dat deze hengsten elkander nooit zouden zijn genaderd zonder te vechten.” Beide hadden afzonderlijk beproefd met den Engelschen hengst te vechten en zijn merries weg te drijven, doch waren daarin niet geslaagd. Op zekeren dag kwamen zijte zamenen vielen hem aan. Dit werd gezien door den kapitein aan wien de zorg voor de paarden was opgedragen, en die, naar de plaats toe rijdende, een van de beide hengsten met den Engelschen hengst in gevecht vond, terwijl de andere bezig was de merries weg te drijven, en er reeds vier van de overige had gescheiden. De kapitein maakte een einde aan de zaak, door het geheele gezelschap in de kraal („corral”) te drijven; want de wilde hengsten wilden de merries niet verlaten.
Mannelijke dieren die reeds met toereikend snijdende of scheurende tanden voor de gewone doeleinden van het leven zijn voorzien, zooals bij de Verscheurende Dieren (Carnivora), Insektenvreters (Insectivora) en Knaagdieren (Rodentia), zijn zelden van wapenen voorzien, die bijzonder zijn ingericht voor den kamp met hun medeminnaars. Met de mannetjes van vele andere dieren is het echter een geheel ander geval. Wij zien dit aan de horens der herten en van zekere soorten van antilopen, bij welke de wijfjes ongehorend zijn. Bij vele dieren zijn de hondstanden in de boven- of benedenkaak, of in beide, veel grooter bij de mannetjes dan bij de wijfjes, of ontbreken bij deze laatsten, met uitzondering somtijds van een verborgen rudiment. Sommige antilopen, het muskusdier, de kameel, het paard, het wilde zwijn, onderscheidene apen,robben en de walrus leveren voorbeelden van de onderscheidene gevallen op. Bij de wijfjes van den walrus ontbreken de slagtanden somtijds geheel.4Bij den mannelijken Indischen olifant en bij den mannelijken dugong5vormen de snijtanden van de bovenkaak aanvallende wapenen. Bij den mannelijken narwal of zeeëenhoren is slechts een van de tanden der bovenkaak ontwikkeld tot den welbekenden, spiraalvormig gewonden, zoogenaamden horen die somtijds van2,7tot 3 meter lengte heeft.[228]Men gelooft, dat de mannetjes deze horens gebruiken om met elkander te vechten; want „een ongebroken horen kan men slechts zelden verkrijgen, en nu en dan vindt men een waarbij de punt van een anderen in de gebroken plaats is vastgeklemd”.6De tand aan de tegenovergestelde zijde van den kop van het mannetje bestaat uit een rudiment van omstreeks 25 centimeter lengte, dat door de kaak wordt omsloten. Het is echter geen zeer groote zeldzaamheid om tweehoornige narwals te vinden, bij welke beide tanden goed zijn ontwikkeld.Bij de wijfjes zijn beide tanden rudimentair. De mannelijke cachelot heeft een grooter kop dan de vrouwelijke, en deze helpt ongetwijfeld deze dieren bij hun zeegevechten. Het mannetje van het vogelbekdier (Ornithorhynchus) eindelijk is van een merkwaardigen toestel voorzien, namelijk van een spoor aan den achtervoet, die zeer veel gelijkt op den gifttand van een vergiftige slang; het gebruik daarvan is niet bekend; maar wij mogen veronderstellen, dat zij tot aanvallend wapen dient.7Bij het wijfje wordt zij alleen door een rudiment vertegenwoordigd.(3)
Als de mannetjes van wapens zijn voorzien, die de wijfjes niet bezitten, kan het nauwelijks worden betwijfeld, dat zij worden gebruikt om met andere mannetjes te vechten, en dat zij door seksueele teeltkeus zijn verkregen. Het is niet waarschijnlijk, ten minste in de meeste gevallen, dat de wijfjes dergelijke wapenen niet hebben verkregen, omdat zij nutteloos en overtollig, of op de eene of andere wijze nadeelig waren. Daar zij dikwijls door de mannetjes van vele dieren voor verschillende doeleinden, meer in het bijzonder als verdedigingsmiddel tegen hun vijanden worden gebruikt, is het integendeel een verwonderingwekkend feit, dat zij bij de wijfjes zoo armelijk zijn ontwikkeld of geheel ontbreken. Ongetwijfeld zou bij de hinde de ontwikkeling gedurende elk opeenvolgend jaar van groote vertakte horens, en bij vrouwelijke olifanten de ontwikkeling van verbazend groote slagtanden, een groote verspilling van levenskracht zijn geweest, als men aanneemt, dat zij van geen nut voor de wijfjes waren. Bij gevolg zouden afwijkingen in de grootte dezer organen, die tot hun geheel verdwijnen leidden, onder de heerschappij der natuurlijke teeltkeus zijn gekomen, en, indien zij in hun overplanting tot de vrouwelijke nakomelingschap waren beperkt, hun ontwikkeling door seksueele teeltkeus bij de mannetjes niet hebben[229]verhinderd. Hoe kunnen wij echter volgens deze beschouwingswijze de aanwezigheid van horens bij de wijfjes van sommige antilopen en van slagtanden bij de wijfjes van vele dieren die slechts weinig voor die der mannetjes in grootte onderdoen, verklaren? De verklaring moet, geloof ik, in bijna alle gevallen in de wetten der erfelijkheid worden gezocht.
Daar het rendier de eenige soort van de geheele Familie der Herten is, waarvan het wijfje horens bezit, hoewel iets kleiner, dunner en minder getakt dan bij het mannetje, zou men van zelf op de gedachte komen, dat zij haar in eenig opzicht van dienst moesten wezen. Er zijn echter eenige feiten die tegen deze meening pleiten. Het wijfje behoudt haar horens van den tijd af, waarop zij tot volkomen ontwikkeling komen, namelijk in September, het geheele jaar door, tot Mei, wanneer zij haar jongen werpt; terwijl het mannetje zijn horens veel vlugger afwerpt, tegen het einde van November. Daar beide seksen de zelfde behoeften en de zelfde levenswijze hebben, en daar het mannetje zijn gewei gedurende den winter afwerpt, is het zeer onwaarschijnlijk, dat het aan het wijfje eenigen bijzonderen dienst kan bewijzen gedurende dit jaargetijde dat het grootste gedeelte van den tijd gedurende welken zij horens draagt, omvat. Het is ook niet waarschijnlijk, dat zij de horens kan hebben geërfd van den eenen of anderen ouden stamvader van de geheele Familie der Herten; want uit het feit, dat alleen de mannetjes bij zoovele soorten in alle deelen der wereld horens bezitten, mogen wij besluiten, dat dit een oorspronkelijk kenmerk van de geheele groep was. Het schijnt derhalve, dat de horens van het mannetje op het wijfje moeten zijn overgeplant in een later tijdperk dan dat waarop de onderscheidene soorten zich uit den gemeenschappelijken stam in verschillende richtingen ontwikkelden; doch dat dit geen plaats greep om haar eenig bijzonder voordeel te verschaffen.8
Wij weten, dat de horens zich bij het rendier op een ongewoon vroegen leeftijd ontwikkelen; maar wat de oorzaak hiervan kan zijn geweest, is ons niet bekend. Het gevolg daarvan schijnt echter de overbrenging van de horens op beide seksen te zijn geweest. Het is volgens de hypothese der pangenesis begrijpelijk, dat een zeer geringe[230]verandering in het gestel van het mannetje, hetzij in het weefsel van het voorhoofd of in de kiempjes van de horens, tot hun vroege ontwikkeling zou kunnen leiden; en daar de jongen van beide seksen, vóór het tijdperk waarin zij in staat zijn zich voort te planten, omtrent het zelfde gestel bezitten, zouden de horens, indien zij zich bij het mannetje op vroegen leeftijd ontwikkelden, een neiging verkrijgen om gelijkelijk op beide seksen te worden overgeplant.(4)Tot staving dezer meening moeten wij bedenken, dat de horens altijd door het wijfje heên worden overgeplant, en dat zij een latent vermogen tot ontwikkeling daarvan bezit, gelijk wij bij oude of zieke wijfjes zien.9Daarenboven vertoonen de wijfjes van sommige andere soorten van herten rudimenten van horens; zoo heeft het wijfje vanCervulus moschatus„in een knoest eindigende borstelachtige haarbossen, in plaats van een horen”; en „bij de meeste voorwerpen van het wijfje van het Wapiti-hert (Cervus Canadensis) is er een scherp beenachtig uitsteeksel op de plaats van den horen.”10Op grond van deze verschillende overwegingen mogen wij besluiten, dat het bezit van tamelijk goed ontwikkelde horens bij het vrouwelijke rendier is veroorzaakt, doordat de mannetjes ze eerst verkregen als wapens om met andere mannetjes te vechten en dat zij zich tevens ten gevolge van de eene of andere onbekende oorzaak bij de mannetjes op een ongewoon vroegen leeftijd ontwikkelden en ten gevolge daarvan op beide seksen werden overgeplant.
Laten wij nu tot de holhoornige Herkauwende Dieren overgaan: bij de Antilopen kan men eentrapsgewijzereeks vormen, beginnende met de soorten waarbij de wijfjes volstrekt geen horens hebben, vervolgens eerst overgaande tot die waarbij de wijfjes zulke kleine horens hebben, dat zij bijna rudimentair zijn, gelijk bijAntilocapra Americana, dan tot die waarvan de wijfjes tamelijk goed ontwikkelde horens hebben, die echter duidelijk kleiner en dunner en somtijds anders gevormd11[231]zijn dan die van het mannetje, en eindigende met die bij welke beide seksen horens van gelijke grootte hebben. Evenals bij het rendier, bestaat er ook bij de antilopen een betrekking tusschen het tijdperk van de ontwikkeling der horens en hun overplanting op ééne of op beide seksen; het is daarom waarschijnlijk, dat hun aanwezigheid of ontbreken bij de wijfjes van sommige soorten, en hun meer of minder volkomen toestand bij de wijfjes van andere soorten afhankelijk is, niet van een of ander bijzonder gebruik waartoe zij dienen, maar eenvoudig van den vorm van erfelijkheid, die de overhand heeft behouden. Het komt met deze meening overeen, dat zelfs in één en het zelfde geslacht van sommige soorten beide seksen, van andere alleen de mannetjes daarvan zijn voorzien. Het is een opmerkelijk feit, dat, hoewel de wijfjes vanAntilope bezoarcticain den regel geen horens bezitten, de heer Blyth niet minder dan drie wijfjes heeft gezien, die er van waren voorzien; en er was geen reden om te veronderstellen, dat zij oud of ziek waren. De mannetjes van deze soort hebben lange, rechte, spiraalvormig gewonden horens die bijna evenwijdig aan elkander loopen en naar achteren zijn gericht. Die van het wijfje zijn, wanneer zij aanwezig zijn, zeer verschillend van vorm; want zij zijn niet spiraalvormig gewonden, en, zich wijd uiteenspreidende, buigen zij zich om, zoodat hun punten naar voren zijn. Het is een nog merkwaardiger feit, dat bij het gesneden (gecastreerde) mannetje, gelijk de heer Blyth mij meldt, de horens den zelfden bijzonderen vorm hebben als bij het wijfje, maar langer en dikker zijn. In alle gevallen hangen de verschillen tusschen de horens van de mannetjes en de wijfjes en van gesneden en ongesneden mannetjes waarschijnlijk van verschillende oorzaken af,—van de meer of minder volkomen overplanting van mannelijke kenmerken op de wijfjes,—van den vroegeren toestand van de stamouders der soort,—en gedeeltelijk wellicht van een verschillende voeding der horens omtrent op de zelfde wijze als de sporen van den huishaan, als zij op den kam of op andere deelen van het lichaam worden geënt, allerlei afwijkende (abnormale) vormen aannemen, omdat zij op een andere wijze worden gevoed.
Bij al de wilde soorten van Geiten en Schapen zijn de horens bij het mannetje grooter dan bij het wijfje, en ontbreken somtijds bij dit laatste zelfs geheel.12Bij onderscheidene tamme rassen van schapen en[232]geiten zijn alleen de mannetjes van horens voorzien; en het is een beteekenisvol feit, dat bij één dergelijk ras aan de kust van Guinea de horens, gelijk de heer Winwood Reade mij meldt, bij het gesneden (gecastreerde) mannetje niet tot ontwikkeling komen, zoodat zij in dit opzicht op de zelfde wijze worden aangedaan als de horens van herten. Bij sommige rassen, zooals bij dat van N.-Wales, bij hetwelk eigenlijk beide seksen gehorend zijn, zijn de ooien zeer dikwijls horenloos. Bij deze zelfde schapen zijn, naar mij door een te vertrouwen getuige is medegedeeld, die met opzet een kudde gedurende den lammertijd onderzocht, de horens bij de geboorte over het algemeen veel volkomener ontwikkeld bij het mannetje dan bij het wijfje. De heer J. Peel kruiste zijn Lonk-schapen van welke beide seksen altijd horens dragen, met horenlooze Leicesters en horenlooze Shropshire Downs; en de uitslag was, dat de mannelijke jongen veel kleiner horens bezaten, en deze bij de vrouwelijke geheel ontbraken. Deze verschillende feiten bewijzen, dat bij schapen de horens een veel minder vast geworden (gefixeerd) kenmerk zijn bij ooien dan bij rammen; en dit leidt er ons toe om de horens als een eigenlijk mannelijk kenmerk te beschouwen. Bij den volwassen muskusos (Ovibos moschatus) zijn de horens van het mannetje grooter dan die van het wijfje, en bij dit laatste raken de grondvlakken der horens elkander niet.13Omtrent het gewone hoornvee merkt de heer Blyth op: „Bij de meeste wilde runderen zijn de horens langer en dikker bij den stier dan bij de koe, en bij de Banteng-koe (Bos sondaicus) zijn de horens opmerkelijk klein, en hellen zeer naar achteren over. Bij de tamme runderrassen, zoowel bij de typen met een bult als bij die zonder bult, zijn de horens bij den stier kort en dik en bij de koe en den os langer en slanker, en bij den Indischen buffel zijn zij bij den stier korter en dikker, bij de koe langer en slanker. Bij den wilden gaoer(B. gaurus) zijn de horens bij den stier meestal zoowel langer als dikker dan bij de koe.”14Bij de meeste holhoornige Herkauwende Dieren zijn derhalve de horens van het mannetje hetzij langer of sterker dan die van het wijfje. Bij den stompneuzigen neushoren (Rhinoceros simus) zijn, gelijk ik er hier bij mag voegen, de horens van het wijfje over het algemeen langer maar minder krachtig dan bij het mannetje; en bij sommige andere soorten van neushorens[233]zijn zij, naar men zegt, bij het wijfje korter.15Uit deze onderscheidene feiten mogen wij het besluit trekken, dat horens van alle soorten, zelfs wanneer zij bij beide seksen gelijkelijk zijn ontwikkeld, oorspronkelijk door de mannetjes werden verkregen om andere mannetjes mede te overwinnen en meer of minder volkomen op het wijfje zijn overgeplant, in verhouding tot de kracht van den gelijken vorm van erfelijkheid.
De uitwerkselen der ontmanning verdienen de aandacht, omdat zij licht werpen op dit zelfde punt. Herten vernieuwen na de operatie nimmer hun horens meer. Het mannelijke rendier maakt hierop echter een uitzondering, daar hij hen na de castratie wel hernieuwt. Dit feit, zoowel als het bezit van horens door beide seksen, schijnt op het eerste gezicht te bewijzen, dat de horens bij deze soort geen seksueel kenmerk vormen16; maar, daar de horens zich bij het rendier op zeer jongen leeftijd ontwikkelen, vóórdat de seksen in gestel verschillen, is het niet te verwonderen, dat de horens niet worden aangedaan door de ontmanning, zelfs wanneer zij oorspronkelijk door het mannetje werden verkregen. Bij schapen dragen eigenlijk beide seksen horens; en men heeft mij medegedeeld, dat bij Welshschapen de horens van de rammen door ontmanning aanmerkelijk kleiner worden gemaakt; maar de hoegrootheid dier afneming is zeer afhankelijk van den leeftijd waarop de operatie plaats heeft, gelijk eveneens het geval is met andere dieren. Merino-rammen hebben groote horens, terwijl de ooien „over het algemeen gesproken zonder horens zijn”; en bij dit ras schijnt castratie een eenigszins sterker uitwerking te hebben, zoodat, wanneer die op jeugdigen leeftijd wordt uitgevoerd, de horens „bijna onontwikkeld blijven.”17Op de kust van Guinea is er een ras waarbij de ooien nooit horens dragen, en, gelijk de heer Winwood Reade mij meldt, de rammen na de ontmanning daarvan geheel worden ontbloot. Bij runderen worden de horens der stieren door de castratie zeer veranderd; want, in plaats van kort en dik te zijn, worden zij langer dan die van[234]de koe, maar gelijken overigens op deze. DeAntilope bezoarcticalevert een eenigszins soortgelijk geval op; de mannetjes hebben lange, rechte, schroefsgewijs gedraaide horens, ongeveer evenwijdig aan elkander loopende en naar achteren gericht; de wijfjes bezitten soms horens; maar, als deze aanwezig zijn, hebben zij een geheel andere gedaante, want dan zijn zij niet schroefvormig, maar spreiden zich ver uit elkander uit, zijn rondgebogen met de punten naar voren. Nu is het een opmerkelijk feit, dat bij het gesneden mannetje, gelijk de heer Blyth mij meldt, de horens van den zelfden bijzonderen vorm zijn als bij het wijfje, maar langer en dikker. Als wij naar de analogie mogen oordeelen, vertoont het wijfje ons, in deze beide gevallen van runderen en de antilope, den vroegeren toestand van de horens bij den eenen of anderen voormaligen stamvader van elk der beide soorten. Maar waarom de ontmanning ten gevolge heeft, dat een vroegere toestand van de horens opnieuw verschijnt, kan niet met eenige zekerheid worden verklaard. Desniettemin komt het mij waarschijnlijk voor, dat op ongeveer dezelfde wijze, als de storing in het gestel van de jongen, veroorzaakt door de kruising van twee verschillende soorten of rassen, dikwijls leidt tot het opnieuw verschijnen van lang verloren kenmerken18, zoo ook hier de storing in het gestel van het individu, ten gevolge der ontmanning, de zelfde uitwerking voortbrengt.
De slagtanden van den olifant verschillen bij de onderscheidene soorten of rassen volgens de sekse op omtrent de zelfde wijze als de horens van Herkauwende Dieren. In Indië en Malakka zijn alleen de mannetjes van goed ontwikkelde slagtanden voorzien. De olifant van Ceylon wordt door de meeste natuuronderzoekers als een afzonderlijke soort beschouwd en hier „wordt er op een honderdtal niet één gevonden met slagtanden, terwijl de weinige die ze bezitten, uitsluitend mannetjes zijn.”19De Afrikaansche olifant is ongetwijfeld een afzonderlijke soort, en het wijfje heeft groote, goed ontwikkelde slagtanden, hoewel niet zoo groot als die van het mannetje. Deze verschillen in de slagtanden bij de verschillende rassen en soorten van olifanten,—de groote verscheidenheid bij de horens van herten en in ’t bijzonder van het wilde rendier,—het nu en dan aanwezig zijn van horens bij de vrouwelijke[235]Antilope bezoartica,—de aanwezigheid van twee stoottanden bij eenige weinige mannelijke narwals,—het volkomen ontbreken van slagtanden bij sommige vrouwelijke walrussen,—zijn allen voorbeelden van de uiterst groote vatbaarheid voor variabiliteit van secundaire seksueele kenmerken en van hun zeer groote geneigdheid om bij nauw verwante vormen te verschillen.
Hoewel slagtanden en horens zich in alle gevallen oorspronkelijk als seksueele wapens hebben ontwikkeld, dienen zij dikwijls voor andere doeleinden. De olifant gebruikt zijn slagtanden om den tijger aan te vallen; volgens Bruce kerft hij de stammen der boomen daarmede in, tot zij gemakkelijk kunnen worden omvergeworpen, en haalt er ook het melige binnenste gedeelte van palmboomen mede uit. In Afrika gebruikt hij dikwijls een slagtand, en wel altijd den zelfden, om den grond te beproeven en zich daardoor te vergewissen, of deze zijn gewicht kan dragen. De gewone stier verdedigt de kudde met zijn horens; en volgens Lloyd heeft men in Zweden waargenomen, dat de eland een wolf met éénen enkelen slag van zijn groote horens doodsloeg. Vele soortgelijke feiten zouden kunnen worden opgesomd. Een van de merkwaardigste secundaire gebruiken waartoe de horens van eenig dier somtijds worden gebruikt, is dat hetwelk door kapitein Hutton20is waargenomen bij de wilde geit (Capra aegagrus) van het Himalayagebergte, en ook van den steenbok(5)wordt verhaald, dat namelijk het mannetje, wanneer hij toevallig van een hoogte afvalt, zijn kop naar binnen ombuigt en, door op zijn massieve horens te vallen, den schok breekt. Het wijfje kan haar horens die kleiner zijn, niet op die wijze gebruiken; maar, wegens haar rustiger aard, heeft zij die vreemde soort van schild ook niet noodig.
Elk mannelijk dier gebruikt zijn wapenen op zijn eigen bijzondere wijze. De gewone ram neemt een aanloop en stoot met zooveel kracht met de basis van zijn horens, dat ik een sterken man daardoor met evenveel gemak heb zien omverwerpen, alsof het een kind was. Geiten en sommige soorten van schapen, bij voorbeeldOvis cyclocerosvan Afghanistan, gaan op hun achterpooten staan, en stooten dan niet alleen, maar „doen een benedenwaartschen houw en een naar boven gerichten stoot als met een sabel met den geribden voorkant van hun den vorm van den Turkschen sabel hebbenden horen. Toen eenO.[236]cycloceroseens een grooten tammen ram aanviel, die een bekende vechtersbaas was, overwon hij hem door de bloote nieuwheid van zijn wijze van vechten, daar hij zich altijd dadelijk op zijn tegenstander wierp en hem dwars over aangezicht en neus een scherpen benedenwaartschen houw met zijn kop gaf, en dan op zij sprong, eer de stoot kon worden teruggegeven.”21In Pembrokeshire heeft men een bok waargenomen, het opperhoofd van een sedert verscheidene geslachten verwilderde kudde, die onderscheidene andere mannetjes in tweegevechten had gedood; deze bok bezat verbazend groote horens die van punt tot punt in rechte lijn 99 centimeter maten. De gewone stier steekt, gelijk iedereen weet, zijn tegenstander en slingert hem heên en weêr; doch de Italiaansche buffel gebruikt, zegt men, nimmer zijn horens; hij geeft een vreeselijken stoot met zijn bol voorhoofd, en vertrapt dan den gevallen vijand met zijn knieën—een instinkt dat de gewone stier niet bezit.22Vandaar wordt een hond die een buffel bij den neus pakt, oogenblikkelijk verpletterd. Wij moeten echter bedenken, dat de Italiaansche buffel lang getemd is geweest, en het is in geenen deele zeker, dat de wilde stamvorm eveneens gevormde horens had.(6)De heer Bartlett deelt mij mede, dat een vrouwelijke Kaapsche buffel (Bubalus Caffer) met een stier van de zelfde soort binnen een omheining werd gebracht; zij viel hem aan, en hij drong haar daarentegen met groote hevigheid voort. Het bleek den heer Bartlett echter duidelijk, dat, als de stier niet een edele verdraagzaamheid had getoond, hij haar gemakkelijk door een enkelen zijdelingschen stoot met zijn verbazend groote horens kon hebben gedood. De giraffe gebruikt haar korte met haar bedekte horens die bij het mannetje iets korter dan bij het wijfje zijn, op een merkwaardige wijze; want met haar langen nek slingert zij haar kop naar beide zijden, bijna met de bovenzijde naar beneden, met zooveel kracht, dat ik een harde plank heb gezien, die door een enkelen slag diepe indrukken had verkregen.
Fig. 60.Fig. 60.Oryx leucoryx, mannetje (naar de Knowsley menagerie).
Fig. 60.
Oryx leucoryx, mannetje (naar de Knowsley menagerie).
Bij de Antilopen is het dikwijls moeilijk om zich voor te stellen hoe zij bij mogelijkheid haar merkwaardig gevormde horens kunnen gebruiken; zoo heeft de Springbok(7)(Ant. euchore) vrij korte rechtopstaande[237]horens waarvan de scherpe punten bijna rechthoekig naar binnen zijn gebogen, zoodat zij tegenover elkander staan; de heer Bartlett weet niet, hoe zij worden gebruikt, maar merkt op, dat zij een vreeselijke wonde onder aan elke zijde van het gelaat van een tegenstander zouden maken. De zacht gebogen horens van deOryx leucoryx(Fig.60) zijn naar achteren gericht en zoo lang, dat hun punten tot over het midden van den rug reiken, over welken zij in daaraan bijna evenwijdige lijn staan. Zij schijnen dus al zeer slecht geschikt om mede te vechten; maar de heer Bartlett deelt mij mede, dat wanneer twee dezer dieren zich tot den strijd gereed maken, zij nederknielen, met hun koppen tusschen hun voorpooten, en in deze houding staan de horens omtrent evenwijdig aan en dicht bij den grond met de punten naar voren en een weinig naar boven gericht. De strijders naderen elkander dan allengs en trachten de naar boven gekeerde punten onder elkanders lichamen te brengen; indien een hunner hierin slaagt, springt hij plotseling op, tegelijkertijd zijn kop omhoog werpende, en kan aldus zijn tegenstander wonden of misschien zelfs doorboren. Beide dieren knielen altijd zoodanig neder, dat zij zich zooveel mogelijk tegen deze beweging beschutten. Er is een voorbeeld opgeteekend, dat een dezer dieren zijn horens met goed gevolg zelfs tegen een leeuw heeft gebruikt; maar toch moet hij, omdat hij genoodzaakt is zijn kop tusschen zijn voorpooten te nemen om de punten van zijn horens naar voren te brengen, over[238]het algemeen zeer in het nadeel zijn, als hij door eenig ander dier wordt aangevallen. Het is daarom niet waarschijnlijk, dat de horens tot hun tegenwoordige groote lengte en bijzondere stelling zijn gewijzigd, als een bescherming tegen roofdieren. Wij kunnen echter begrijpen, dat, zoodra een of ander voormalig mannelijk voorouder van denOryxmatig lange horens verkreeg, die een weinig naar achteren waren gericht, hij in zijn gevechten met medeminnaars zou gedwongen zijn geweest om zijn kop iets naar binnen of naar beneden te buigen, gelijk het thans sommige herten doen, en het is niet onwaarschijnlijk, dat hij de gewoonte eerst om nu en dan, en later om geregeld neder te knielen, zou hebben verkregen. In dit geval is het bijna zeker, dat de mannetjes die de langste horens bezaten, een groot voordeel zouden hebben gehad boven andere met korter horens; en dan zouden de horens allengs hoe langer hoe langer zijn gemaakt door seksueele teeltkeus, totdat zij hun tegenwoordige buitengewone lengte en stelling verkregen.
Bij vele soorten van Herten levert de vertaktheid der horens een opmerkelijke moeilijkheid op; want ongetwijfeld zou een enkele rechte punt een veel ernstiger wond veroorzaken dan verscheidene divergeerende punten. In Sir Philip Egerton’s museum is er een horen van het edelhert (Cervus elaphus) van 75 centimeter lang, met „niet minder dan vijftien einden of takken”; en te Moritzburg wordt er nog een gewei van een edelhert bewaard, in 1699 door Frederik I geschoten, waarvan elke horen het verbazende aantal van drie-en-dertig takken draagt. Richardson beeldt een paar horens van het wilde rendier met negen-en-twintig punten af.23Uit de wijze waarop de horens zijn vertakt, en meer in het bijzonder uit het bekende feit, dat herten nu en dan vechten door elkander met hun voorpooten te trappen24, trok de heer Bailly werkelijk het besluit, dat hun horens veel meer nadeelig dan nuttig voor hen waren! Deze schrijver ziet echter de geregelde gevechten tusschen mededingende mannetjes over het hoofd. Daar ik zeer in verlegenheid was over het gebruik of voordeel van de takken, wendde[239]ik mij tot den heer McNeill van Colinsay, die lang en zorgvuldig zijn aandacht aan de levenswijze van het edelhert heeft gewijd, en deze meldt mij, dat hij nooit heeft gezien, dat een der takken een werkzame rol in het gevecht speelde, doch dat de oogtakken, daar zij naar beneden hellen, een groote bescherming aan het voorhoofd verleenen, en dat hun punten ook bij den aanval worden gebruikt. Sir Philip Egerton deelt mij ook zoowel ten opzichte van het edelhert als van het damhert mede, dat zij, wanneer zij vechten, plotseling tegen elkander stooten, en hun geweien tegen elkanders lichaam drukkende, een vertwijfelden kamp beginnen. Als het eene ten laatste is gedwongen te wijken en zich om te keeren, tracht de overwinnaar zijn oogtakken in het lichaam van zijn verslagen vijand te steken. Het schijnt dus, dat de bovenste takken hoofdzakelijk of uitsluitend worden gebruikt om voorwaarts te dringen en af te weren. Bij sommige soorten worden desniettemin de bovenste takken als aanvals- (offensieve) wapenen gebruikt; toen in het park van Judge Caton te Ottawa een man door een Wapiti-hert (Cervus Canadensis) werd aangevallen, en verscheidene mannen hem trachtten te helpen, „lichtte het hert zijn kop niet van den grond op; hij hield inderdaad zijn kop omtrent plat op den grond, met zijn neus bijna tusschen zijn voorpooten, behalve wanneer hij zijn kop naar de eene zijde draaide om een nieuwe waarneming als voorbereiding voor een uitval te doen.” In deze houding waren de eindpunten van de horens op zijn tegenstanders gericht. „Bij het draaien van zijn kop was hij genoodzaakt hem iets op te lichten, omdat zijn gewei zoo lang was, dat hij zijn kop niet om kon draaien zonder het aan de eene zijde op te lichten, terwijl het aan de andere zijde den bodem aanraakte.”Het hert dreef op die wijze de te hulp geschoten mannen langzamerhand terug tot op een afstand van 45 tot 60 meter; en de aangevallen man werd gedood.25
Hoewel de horens van herten werkzame wapenen zijn, kan het, geloof ik, niet worden betwijfeld, dat één enkele punt veel gevaarlijker zou zijn geweest dan een vertakt gewei, en Judge Caton die een groote ondervinding omtrent herten heeft, is het hierin geheel met mij eens. Ook schijnen de vertakte horens, hoewel hoogst belangrijk als verdedigingsmiddel tegen mededingende herten, voor dit doel niet volkomen geschikt te zijn, daar zij vatbaar zijn om in elkander verward te geraken.[240]Het vermoeden is mij daarom in de gedachte gekomen, dat zij wellicht gedeeltelijk tot versiering dienden. Dat de vertakte horens van herten zoowel als de schoone liervormige horens van sommige antilopen, met hun bevallige dubbele bocht (Fig.61) in onze oogen tot sieraad strekken, zal niemand betwisten. Indien dus de horens, gelijk de prachtige uitrusting der ridders van weleer, bijdragen tot het edel uiterlijk van herten en antilopen, kunnen zij gedeeltelijk voor dit doel, hoewel voornamelijk voor werkelijken dienst in den strijd, zijn gewijzigd; maar ik heb geen bewijzen voor deze meening.
Fig. 61.Fig. 61.Strepsiceros Kuda(naar Andrew Smith’s„Zoology of South Africa”).
Fig. 61.
Strepsiceros Kuda(naar Andrew Smith’s„Zoology of South Africa”).
Een belangwekkend geval is onlangs bekend gemaakt, waaruit schijnt te blijken, dat de horens van een hert in de Vereenigde Staten op dit oogenblik bezig zijn met door seksueele en natuurlijke teeltkeus een wijziging te ondergaan.Een schrijver in een uitstekend Amerikaansch tijdschrift26zegt, dat hij op zijn minst een-en-twintig jaar lang in de Adirondacks heeft gejaagd, waar het Virginische hert (Cervus Virginianus) overvloedig voorkomt. Omtrent veertien jaar geleden hoorde hij voor ’t eerst van spitshorenbokken („spikehorn bucks”) spreken. Deze werden van jaar tot jaar meer algemeen; omtrent[241]vijf jaar geleden schoot hij er een, en later een tweeden, en tegenwoordig worden zij veelvuldig gedood. „De spitshoren verschilt zeer van het gewone gewei vanC. Virginianus. Hij bestaat uit een enkele spits, slanker dan de gewone horens en nauwelijks half zoo lang, die van het voorhoofd naar voren uitsteekt en in een zeer scherpe punt eindigt. Hij geeft zijn bezitter een aanmerkelijk voordeel over den gewonen hertebok. Behalve dat hij dezen in staat stelt om vlugger door dichte wouden en het onderhout te loopen (iedere jager weet, dat hinden en eenjarige hertebokken veel sneller loopen dan de oude hertebokken, als deze met hun lastig gewei zijn gewapend), is de spitshoren een krachtiger wapen dan het gewone gewei. Met dit voordeel winnen de spitshorenbokken op de gewone hertebokken, en kunnen hen na verloop van tijd in de Adirondacks volkomen verdringen. Ongetwijfeld was de eerste spitshorenbok eenvoudig een toevallige speling der natuur. Zijn spitshorens gaven hem echter een voordeel en stelden hem in staat zijn eigenaardigheid voort te planten. Zijn nakomelingen hebben, daar zij het zelfde voordeel bezaten, de eigenaardigheid in een voortdurend klimmende reden voortgeplant, totdat zij langzaam de een gewoon gewei bezittende herten uit de streek die door hen wordt bewoond, verdrijven.”
Een criticus heeft tegen deze verklaring de scherpzinnige tegenwerping gemaakt, waarom, indien de eenvoudige horens nu zoo voordeelig zijn, het vertakte gewei van den stamvorm ooit tot ontwikkeling is gekomen? Hierop antwoord ik, dat een nieuwe wijze van aanval en nieuwe wapens een groot voordeel kunnen zijn, gelijk wordt aangetoond door het geval van deOvis cyclocerosdie een gewonen ram die vermaard was om zijn kracht in het gevecht, aldus overwon. Hoewel het vertakte gewei van een hert goed geschikt is om met zijn medeminnaars te vechten, en ofschoon het wellicht voordeelig zou zijn voor de spitshoornige verscheidenheid (variëteit) om langzamerhand lange en vertakte horens te verkrijgen, indien zij alleen met anderen van de zelfde soort had te vechten, volgt hieruit toch in geenen deele, dat vertakte horens het beste middel zouden zijn om een anders gewapenden vijand te overwinnen. In het voorgaande geval vanOryx leucoryxis het bijna zeker, dat de overwinning zou worden behaald door een antilope die korte horens bezat en dus niet noodig had neêr te knielen, hoewel het voor eenOryxvoordeelig zou kunnen zijn om nog langer horens te bezitten, als hij alleen met mededingers van zijn eigen soort vocht.
Mannelijke viervoetige dieren die van slagtanden zijn voorzien, gebruiken[242]hen op onderscheidene wijzen, evenals met horens het geval is. Het mannelijke wilde zwijn stoot er zijdelings en naar boven mede, het muskusdier met ernstig gevolg naar beneden.27De walrus kan, hoewel hij zulk een korten hals en zulk een log lichaam heeft, „met evenveel behendigheid, hetzij naar boven, of naar beneden, of zijdelings stooten.”28De Indische olifant vecht, naar mij wijlen Dr. Falconer heeft medegedeeld, al naar de stelling en de kromming zijner slagtanden, op een verschillende wijze. Als zij naar voren en naar boven zijn gericht, is hij in staat een tijger op aanzienlijken afstand voort te slingeren—men zegt zelfs tot negen meter ver; als zij kort en naar beneden zijn gekeerd, tracht hij den tijger plotseling aan den grond te nagelen, en is derhalve gevaarlijk voor zijn berijder, die kans heeft uit zijn hoedah te worden geworpen.29
Zeer weinige mannelijke zoogdieren bezitten wapenen van twee verschillende soorten, bijzonder ingericht om met mededingende mannetjes te vechten. Het mannelijk muntjac-hert (Cervulus) maakt hierop echter een uitzondering, daar hij van horens en van uitstekende hoektanden is voorzien. Doch de eene vorm van wapen is dikwijls in den loop der eeuwen door een anderen vorm vervangen, zooals wij mogen afleiden uit hetgeen volgt. Bij Herkauwende Dieren staat de ontwikkeling van horens over het algemeen in omgekeerde reden met die van zelfs slechts matig ontwikkelde hoektanden. Zoo zijn de kameelen, wilde lama’s, dwergherten en muskusdieren hoornloos, en zij hebben werkzame hoektanden die „bij de wijfjes altijd kleiner zijn dan bij de mannetjes.” DeCamelidaehebben in haar bovenkaken, behalve haar ware hoektanden, nog een paar hoektandvormige snijtanden.30Mannelijke herten en antilopen daarentegen bezitten horens, en zij hebben zelden hoektanden; en deze zijn, wanneer zij voorhanden zijn, altijd van geringe grootte, zoodat het twijfelachtig is, of zij bij hun gevechten van eenigen dienst zijn. BijAntilope montanabestaan zij alleen als rudimenten bij het jonge mannetje en verdwijnen, als hij oud wordt; en zij ontbreken bij het wijfje op alle leeftijden; doch bij de wijfjes van sommige[243]andere antilopen heeft men waargenomen, dat zij nu en dan rudimenten van deze tanden vertoonen.31Hengsten hebben kleine hoektanden die bij de merrie hetzij geheel ontbreken of rudimentair zijn; maar zij schijnen bij het vechten niet te worden gebruikt; want hengsten bijten met hun snijtanden en doen hun bekken niet wijd open gelijk kameelen en wilde lama’s. In alle gevallen waarin het mannetje hoektanden in een tegenwoordig niet werkzamen staat bezit, terwijl het wijfje er òf in het geheel geen òf eenvoudig rudimenten er van bezit, mogen wij besluiten, dat de vroegere mannelijke stamvader van de soort van werkzame hoektanden was voorzien, die gedeeltelijk op het wijfje waren overgebracht. Het kleiner worden van deze tanden bij de mannetjes schijnt het gevolg te zijn geweest van eenige verandering in hun wijze van vechten, dikwijls (maar niet in het geval van het paard) veroorzaakt door de ontwikkeling van nieuwe wapenen.
Slagtanden en horens zijn blijkbaar van hoog belang voor hun bezitters; want bij hun ontwikkeling wordt veel georganiseerde stof verbruikt. Een enkele slagtand van den Aziatischen olifant,—één van de uitgestorven woldragende soort(8),—en van den Afrikaanschen olifant wogen, gelijk men heeft waargenomen, respectievelijk 66, 70 en 80 kilogram, en zelfs nog zwaardere zijn door sommige schrijvers vermeld.32Bij herten bij welke de horens periodiek worden vernieuwd, moet de invloed op het gestel nog grooter zijn; de horens van den Amerikaanschen eland wegen bij voorbeeld van 22 tot 27 kilogram, en die van den uitgestorven Ierschen reuzeneland(9)van 27 tot 32 kilogram,—terwijl de schedel van dit laatste dier gemiddeld slechts 2⅓ kilogram weegt. Bij schapen sleept de ontwikkeling der horens, ofschoon zij niet periodiek worden vernieuwd, volgens de meening van vele landbouwkundigen, gevoelig verlies voor den fokker met zich. Herten zijn daarenboven bij het ontsnappen aan roofdieren met een den wedren verzwarend extra-gewicht belast, en worden bij het doorloopen van boschachtige[244]streken daardoor zeer vertraagd. De Amerikaansche eland, bij voorbeeld, met horens die van punt tot punt1,65M. meten, kan, hoewel hij ze zoo goed weet te besturen, dat hij geen dood takje zal aanraken of breken, wanneer hij rustig rondwandelt, niet zoo behendig handelen, als hij voor een troep wolven vlucht. „Gedurende zijn loop houdt hij zijn neus omhoog, zoodat zijn horens horizontaal naar achteren liggen, en kan in deze houding den grond niet duidelijk zien.”33De punten van de horens van den Ierschenreuzenelandstonden werkelijk2,44M. uiteen! Zoolang de horens met een fluweelachtige huid zijn bedekt, hetgeen bij het edelhert omtrent twaalf weken duurt, zijn zij uiterst gevoelig voor een stoot, zoodat in Duitschland de herten in dien tijd hun levenswijze tot op zekere hoogte veranderen, en dichte bosschen vermijden, doch jong kreupelhout en laag struikgewas opzoeken.34Deze feiten herinneren er ons aan, dat mannelijke vogels siervederen hebben verkregen ten koste van hun vliegvermogen, en andere versierselen met eenig krachtverlies in hun gevechten met hun medeminnaars.
Als bij viervoetige dieren, gelijk dikwijls het geval is, de seksen in grootte verschillen, zijn de mannetjes, geloof ik, altijd grooter en sterker. Dit geldt op sterk uitgedrukte wijze, naar de heer Gould mij meldt, bij de Buideldieren (Marsupialia) van Australië, waarvan de mannetjes tot op een ongewoon laten leeftijd schijnen door te gaan met groeien. Het meest buitengewone geval is echter dat van een der robben, den zeebeer (Callorhinus ursinus)(10), waarbij een volgroeid wijfje minder dan een zesde van een volgroeid mannetje weegt.35Dr. Gill merkt op, dat bij de in veelwijverij levende robben van welke de mannetjes, gelijk bekend is, woedend met elkander vechten, de seksen zeer in grootte verschillen; terwijl zij bij de eenwijvige soorten daarin slechts weinig verschillen. Ook de walvisschen leveren bewijzen van het verband tusschen de strijdlustigheid van de mannetjes en de grootte van hun lichaam, in vergelijking van die van het wijfje; de mannetjes van den Groenlandschen walvisch vechten niet met elkander, en zij zijn niet[245]grooter, maar eer kleiner dan hun wijfjes; daarentegen vechten mannelijke cachelotten veel met elkander, en op hun lichaam vindt men „dikwijls litteekens met de indruksels van de tanden hunner mededingers”, en zij zijn dubbel zoo groot als de wijfjes. De grootere kracht van het mannetje wordt, gelijk Hunter reeds lang geleden opmerkte36, zonder uitzondering in die deelen van het lichaam ontwikkeld, die bij den kampstrijd met medeminnaars in werking worden gebracht, bij voorbeeld in den zwaren nek van den stier. Mannelijke viervoetige dieren zijn ook moediger en strijdlustiger dan de wijfjes. Er kan weinig twijfel bestaan, dat deze kenmerken zijn verkregen, gedeeltelijk door seksueele teeltkeus, ten gevolge van een lange reeks overwinningen door de sterkste en moedigste mannetjes over de zwakkere behaald, en gedeeltelijk door de overgeërfde gevolgen van het gebruik. Het is waarschijnlijk, dat de opeenvolgende afwijkingen in kracht, grootte en moed, hetzij die werden veroorzaakt door zoogenaamde spontane variabiliteit of door de gevolgen van het gebruik, door de opeenhooping waarvan de mannelijke viervoetige dieren de hen kenmerkende hoedanigheden hebben verkregen, zich vrij laat in het leven voordeden, en derhalve in haar overplanting in hooge mate tot de zelfde sekse beperkt bleven.
Uit dit oogpunt was ik zeer verlangend mededeelingen te verkrijgen omtrent den Schotschen hertenhond van welken de seksen meer in grootte verschillen, dan die van eenig ander hondenras (hoewel zij bij bloedhonden aanmerkelijk verschillen), of dan die van eenige wilde hondensoort die mij bekend is. Ik wendde mij daarom tot den heer Cupples, een welbekend fokker van deze honden, die vele van zijn eigen honden heeft gewogen en gemeten en die met groote vriendelijkheid de volgende feiten voor mij uit onderscheidene bronnen bijeen heeft verzameld. Uitstekende reuen zijn aan den schouder gemeten van 71 centimeter, wat voor weinig geldt, tot 83 of zelfs 86 centimeters hoog, en wegen van 36, hetgeen laag is, tot 54, of zelfs meer kilogrammen. De teven zijn van 58 tot 68 of zelfs 71 centimeters hoog, en wegen 22 tot 32, of zelfs 36 kilogram.37De heer Cupples besluit,[246]dat van 43 tot 45 kilogram voor de reuen en 32 voor de teven een goed middelgetal zou zijn; maar er is reden om te gelooven, dat vroeger beide seksen een hooger gewicht bereikten. De heer Cupples heeft jonge honden gewogen, toen zij veertien dagen oud waren; bij een werpsel overtrof het gemiddelde gewicht van vier reuen dat van twee teven met 184 gram; bij een ander werpsel overtrof het gemiddelde gewicht van vier reuen dat van ééne teef met minder dan 28 gram; de zelfde reuen overtroffen, toen zij drie weken oud waren, de teef met 396 gram en op den leeftijd van zes weken met bijna 212 gram. De heer Wright van Yeldersley House zegt in een brief aan den heer Cupples: „Ik heb aanteekening gehouden van de grootte en het gewicht van jonge honden van vele werpsels, en, zoover mijn ondervinding gaat, verschillen jonge reuen zeer weinig van teven, totdat zij omtrent vijf of zes maanden oud zijn; en dan beginnen de reuen te groeien, en winnen op de teven zoowel in grootte als in gewicht. Bij de geboorte en nog verscheidene weken daarna zal een jonge teef nu en dan grooter zijn dan één van de reuen; maar later worden zij zonder uitzondering door hen overtroffen.” De heerMcNeillvan Colinsay komt tot het besluit, dat „de reuen hun volkomen grootte niet bereiken, voor zij over de twee jaar oud zijn, hoewel de teven die spoediger bereiken.” Volgens de ondervinding van den heer Cupples gaan reuen voort met in grootte toe te nemen, tot zij twaalf of achttien, en in gewicht, tot zij van achttien tot vier-en-twintig maanden oud zijn, terwijl de teven ophouden met in grootte toe te nemen op den leeftijd van negen tot veertien of vijftien maanden en in gewicht op den leeftijd van twaalf tot vijftien maanden. Uit deze verschillende mededeelingen blijkt duidelijk, dat het verschil in grootte tusschen den reu en de teef van den Schotschen hertenhond eerst vrij laat in het leven zijn toppunt bereikt. Bij de jacht worden bijna uitsluitend reuen gebruikt; want, naar de heerMcNeillmij meldt, hebben de teven geen genoegzame kracht en gewicht om een volwassen hert naar beneden te trekken. Uit de in oude legenden gebruikte namen blijkt het, naar ik van den heer Cupples hoor, dat in een zeer oud tijdvak de reuen het meest werden gevierd, terwijl de teven alleen als de moeders van beroemde honden worden vermeld. Het is gedurende vele geslachten het mannetje geweest, wiens kracht, grootte, vlugheid en moed voornamelijk zijn beproefd, en de beste zullen voor de verdere aanfokking zijn gebruikt. Daar de mannetjes echter hun volle grootte niet eer dan in een vrij laat levenstijdperk[247]verkrijgen, zullen zij, in overeenstemming met de meermalen aangewezen wet, een neiging hebben bezeten om hun kenmerken alleen op hun mannelijke nakomelingschap over te planten; en op die wijze moet waarschijnlijk de aanmerkelijke ongelijkheid in grootte tusschen de seksen van den Schotschen hertenhond worden verklaard.
Fig. 62.Fig. 62.Kop van het mannetje van het gewone wilde zwijn, in den bloeitijd van het leven (naar Brehm).
Fig. 62.
Kop van het mannetje van het gewone wilde zwijn, in den bloeitijd van het leven (naar Brehm).
De mannetjes van eenige weinige viervoetige dieren bezitten organen of deelen die alleen als verdedigingsmiddelen tegen de aanvallen van andere mannetjes worden ontwikkeld. Sommige soorten van herten gebruiken, gelijk wij hebben gezien, de bovenste takken van hun horens hoofdzakelijk of uitsluitend om zich te verdedigen; en de Oryx-antilope verdedigt zich, zooals de heer Bartlett mij heeft medegedeeld, zeer behendig met zijn lange sierlijk gebogen horens; doch deze worden ook als aanvals- (offensieve) wapenen gebruikt. Neushorens weren, gelijk de zelfde waarnemer opmerkt, bij den strijd elkanders zijdelingsche stooten met hun horens af, die daarbij luide tegen elkander kletteren, gelijk ook de slagtanden van wilde zwijnen doen. Hoewel de mannelijke wilde zwijnen wanhopig met elkander vechten, ontvangen zij, volgens Brehm, zelden doodelijke stooten, daar de meeste op elkanders slagtanden of op de harde spekachtige huidlaag vallen, die den schouder bedekt, welke de Duitsche jagers het schild noemen; en hier hebben wij een deel dat bijzonder voor de verdediging is gewijzigd. Bij mannelijke wilde zwijnen in de kracht van het leven (Fig.62) worden de slagtanden in de onderkaak gebruikt om te vechten; doch in den ouderdom worden zij, gelijk Brehm getuigt, zoozeer naar binnen en naar boven over den snoet gebogen, dat zij daartoe niet langer kunnen worden gebruikt. Zij kunnen nog steeds en zelfs op nog werkzamer wijze als verdedigingsmiddel worden gebruikt. Als vergoeding voor het verlies van de onderste slagtanden als aanvals- (offensieve) wapenen nemen die van de bovenkaak, die altijd een weinig zijdelings uitsteken, gedurende den ouderdom zoozeer in lengte toe en krommen zich zoozeer naar boven, dat zij als aanvalsmiddel kunnen worden[248]gebruikt. Desniettemin is een oud mannelijk wild zwijn niet zoo gevaarlijk voor den mensch als een dat zes of zeven jaar oud is.38
Fig. 63.Fig. 63.Schedel van een hertzwijn (naar Wallace’s „Malay Archipelago”).
Fig. 63.
Schedel van een hertzwijn (naar Wallace’s „Malay Archipelago”).
Bij het volwassen mannetje van het hertzwijn(11)van Celebes (Fig.63) zijn de onderste slagtanden gevaarlijke wapenen, evenals die van het mannetje van het Europeesche wilde zwijn in de kracht van het leven, terwijl de bovenste slagtanden zoo lang zijn en zoozeer naar binnen omgekrulde punten hebben, dat zij somtijds zelfs het voorhoofd aanraken en volkomen onbruikbaar zijn als aanvals- (offensieve) wapenen. Zij gelijken meer op horens dan op tanden en zijn zoo klaarblijkelijk nutteloos als tanden, dat men vroeger veronderstelde, dat het dier zijn kop deed uitrusten, door ze aan een tak vast te haken. Hun bolle zijden zouden echter, als het hoofd een weinig op zijde werd gehouden, uitnemend tot verdediging kunnen dienen; en daardoor komt het wellicht, dat zij bij oude dieren „gewoonlijk zijn afgebroken, alsof[249]het ten gevolge van een gevecht was.”39Wij hebben hier dus het merkwaardige geval, dat de bovenste slagtanden van het hertzwijn, in den bloeitijd van het leven, geregeld een vorm aannemen, die hen blijkbaar alleen voor de verdediging geschikt maakt, terwijl bij het Europeesche mannelijke wilde zwijn de onderste en tegenovergestelde slagtanden in een mindere mate en alleen gedurende den ouderdom omtrent den zelfden vorm aannemen, en dan op de zelfde wijze alleen voor de verdediging dienen.
Fig. 64.Fig. 64.Kop van een Afrikaansch breedsnuitig varken, naar „Proc. Zool. Soc.”, 1869. (Ik bemerk nu, dat deze teekening den kop van een wijfje voorstelt, doch zij dient om op verkleinde schaal de kenmerken van het mannetje te toonen.)
Fig. 64.
Kop van een Afrikaansch breedsnuitig varken, naar „Proc. Zool. Soc.”, 1869. (Ik bemerk nu, dat deze teekening den kop van een wijfje voorstelt, doch zij dient om op verkleinde schaal de kenmerken van het mannetje te toonen.)
Bij het Afrikaansch breedsnuitig varken(12)(Phacochoerus aethiopicus, Fig.64) krommen zich de slagtanden in de bovenkaak van het mannetje gedurende den bloeitijd van het leven naar boven en dienen, daar zij puntig zijn, als vreeselijke wapenen. De slagtanden in de onderkaak zijn scherper dan die in de bovenkaak; maar wegens hun kortheid schijnt het, dat zij nauwelijks ooit als aanvals- (offensieve) wapenen kunnen worden gebruikt. Zij moeten echter die van de bovenkaak zeer versterken, daar zij zoo zijn afgesleten, dat zij nauwkeurig tegen de basis van deze laatste passen. Noch de bovenste, noch de benedenste slagtanden schijnen bijzonder te zijn gewijzigd om als verdedigende[250](defensieve) wapenen te dienen, hoewel zij daartoe ongetwijfeld in zekere mate worden gebruikt. Het breedsnuitig varken is echter niet ontbloot van andere bijzondere middelen van bescherming; want het bezit aan beide zijden van het gelaat onder de oogen een tamelijk hard, maar toch veerkrachtig, kraakbeenig, langwerpig kussen (Fig.64), dat vijf tot zeven en een halven centimeter naar buiten uitsteekt, en het scheen den heer Bartlett en mij zelf toe, toen wij het levende dier zagen, dat deze kussens, als zij aan de onderzijde door de slagtanden van een tegenstander werden getroffen, naar boven zouden worden gedraaid, en zoo op bewonderenswaardige wijze de een weinig uitpuilende oogen beschermen. Deze wilde zwijnen staan, gelijk ik er op autoriteit van den heer Bartlett bij mag voegen, als zij te zamen vechten, direct met de aangezichten naar elkander toe.
Eindelijk bezit het Afrikaansche penseelzwijn (Potamochoerus penicillatus) een harden kraakbeenigen knobbel aan elke zijde van het gelaat beneden de oogen, die aan het veerkrachtig kussen van het breedsnuitig varken beantwoordt. Het bezit ook twee beenige uitsteeksels aan de bovenkaak boven de neusgaten. Een mannetje van deze soort in den Londenschen dierentuin brak onlangs in het hok van een breedsnuitig varken in. Zij vochten den geheelen nacht door en werden ’s morgens zeer uitgeput, maar niet ernstig gewond, gevonden. Het is een beteekenisvol feit, dat het doel van de boven beschreven uitsteeksels en uitwassen aantoont, dat deze met bloed waren bedekt en op buitengewone wijze gekerfd en afgeschaafd.
Hoewel de mannetjes van zoovele leden van de familie der zwijnen van wapenen, en, gelijk wij zooeven hebben gezien, van verdedigingsmiddelen zijn voorzien, schijnen die wapenen in een vrij laat geologisch tijdvak te zijn verkregen. Dr. Forsyth Major beschrijft40verschillende miocene soorten bij geen waarvan de slagtanden bij de mannetjes sterk ontwikkeld schijnen te zijn geweest; en Prof.Rütimeyerwerd vroeger door dit zelfde feit getroffen.
De manen van den leeuw vormen een goed verdedigingsmiddel tegen het eenige gevaar waaraan hij bloot staat, namelijk de aanvallen van andere leeuwen die zijn medeminnaars zijn; want de mannetjes leveren elkander, gelijk mij de heer A. Smith mededeelt, woedende gevechten, en een jonge leeuw durft een ouden niet naderen. In het jaar[251]1857 brak een tijger te Bromwich in het hok van een leeuw, en een vreeselijk tooneel volgde hierop; „de manen van den leeuw beschutten zijn hals en kop voor erge verwondingen; maar de tijger slaagde er ten laatste in hem den buik open te rijten, en binnen weinige minuten was hij dood.”41De breede kraag rondom den hals en de kin van den Canadaschen lynx (Felix Canadensis) is veel langer bij het mannetje dan bij het wijfje; maar of hij als een verdedigingsmiddel wordt gebruikt, weet ik niet. Het is bekend, dat mannelijke robben wanhopig met elkander vechten, en de mannetjes van sommige soorten (de zeeleeuw,Otaria jubata)42hebben groote manen, terwijl de wijfjes kleine of in het geheel geen manen hebben. Het mannetje van den choakkama van de Kaap de Goede Hoop (Cynocephalus porcarius) heeft veel langer manen en grooter hoektanden dan het wijfje, en de manen dienen waarschijnlijk tot bescherming; want toen ik aan de oppassers van den Londenschen dierentuin, zonder hun eenigen leiddraad tot mijn doel te geven, vroeg, of een van de apen andere van zijn soort bijzonder bij den nek aanviel, kreeg ik ten antwoord, dat dit niet het geval was, behalve bij de bovengenoemde soort van baviaan. Bij den Hamadryas-baviaan vergelijkt Ehrenberg de manen van het volwassen mannetje bij die van den jongen leeuw, terwijl bij de jongen van beiderlei sekse en bij het wijfje de manen bijna geheel ontbreken.
Het scheen mij waarschijnlijk, dat de verbazend groote wollige manen van het mannetje van den Amerikaanschen bison, die bijna tot den grond toe reiken en veel meer zijn ontwikkeld bij de mannetjes dan bij de wijfjes, hun tot bescherming dienden bij hun vreeselijke gevechten; maar een ondervindingrijk jager verhaalde Judge Caton, dat hij nooit eenig feit had waargenomen, dat ten gunste dezer meening sprak. De hengst heeft dikker en voller manen dan de merrie, en ik heb bijzondere nasporingen gedaan bij twee groote africhters en fokkers, aan wier zorgen vele hengsten waren toevertrouwd, en zij verzekerden mij, dat de hengsten,„zonder uitzondering, elkander bij den hals trachten te pakken.” Uit de voorgaande opgaven volgt echter geenszins, dat, wanneer het haar aan den hals tot verdedigingsmiddel dient, het[252]zich oorspronkelijk tot dit doel ontwikkelde, hoewel dit in sommige gevallen, gelijk in dat van den leeuw, waarschijnlijk is. De heerMcNeillheeft mij medegedeeld, dat de lange haren aan de keel van het edelhert (Cervus elaphus) het zeer tot bescherming dienen, als het wordt gejaagd; want de honden trachten het over het algemeen bij de keel te grijpen; doch het is niet waarschijnlijk, dat deze haren zich bijzonder tot dat doel hebben ontwikkeld; want in dat geval kunnen wij ons verzekerd houden, dat ook de jongen en het wijfje op de zelfde wijze zouden zijn beschermd.
Over de Voorliefde of Keus bij het Paren, waarvan beide seksen van de Viervoetige Dieren blijken geven.—Voor ik in het volgende hoofdstuk de verschillen tusschen de seksen in de stem, den geur dien zij verspreiden, en de versiering beschrijf, zal het gepast zijn hier te overwegen of de seksen bij haar vereeniging eenige keus uitoefenen. Geeft het wijfje de voorkeur aan eenig bijzonder mannetje, hetzij voor- of nadat de mannetjes met elkander om de heerschappij hebben gestreden; of kiest het mannetje, als hij niet veelwijvig (polygaam) is, eenig bijzonder wijfje voor de voortteling uit? De algemeene indruk onder fokkers schijnt te zijn, dat het mannetje elk wijfje aanneemt; en dit is, ten gevolge van zijn vurigheid, in de meeste gevallen waarschijnlijk de waarheid. Of het wijfje in den regel elk mannetje zonder verschil te maken, aanneemt, is veel twijfelachtiger. In het veertiende hoofdstuk over Vogels, werd een aanmerkelijke hoeveelheid directe en indirecte bewijzen bijgebracht, om aan te toonen, dat het wijfje haar gezel uitkiest; en het zou een vreemde anomalie zijn, als vrouwelijke viervoetige dieren die hooger staan op de ladder der georganiseerde wezens en hooger ontwikkelde geestvermogens hebben, niet over het algemeen, of ten minste dikwijls, eenige keus uitoefenden. Het wijfje zou in de meeste gevallen kunnen ontsnappen, als haar het hof werd gemaakt door een mannetje dat haar niet behaagde of opwekte; en als zij, gelijk zoo onophoudelijk gebeurt, door verscheidene mannetjes werd vervolgd, zou zij dikwijls de gelegenheid hebben, om, terwijl deze samen vochten, te ontsnappen of ten minste tijdelijk te paren met eenig ander bepaald mannetje. Dit laatste is dikwijls waargenomen in Schotland bij wijfjes van het edelhert, naar Sir Philip Egerton mij heeft medegedeeld.43[253]
Het is nauwelijks mogelijk, dat er veel van bekend zou zijn, of vrouwelijke viervoetige dieren in den natuurstaat eenige keus bij hun huwelijksvereenigingen uitoefenen. De volgende zeer opmerkelijke bijzonderheden over de vrijage van een der geoorde robben, den zeebeer (Callorhinus ursinus), worden medegedeeld44op autoriteit van Kapitein Bryant die ruimschoots gelegenheid tot waarneming had. Hij zegt: „vele van de wijfjes schijnen bij hun aankomst op het eiland waar zij paren, begeerig te zijn om naar het eene of andere bijzondere mannetje terug te keeren, en beklimmen dikwijls de in zee gelegen rotsen om het geheele gezelschap te overzien, roepen luid en schijnen te luisteren, of zij niet een bekende stem hooren. Dan begeven zij zich naar een andere plaats, en doen nogmaals het zelfde … Zoodra een wijfje het strand bereikt, gaat het dichtst bijzijnde mannetje naar beneden naar haar toe en maakt intusschen een geluid, op het klokken van een hen tot haar kuikens gelijkende. Hij buigt voor haar en liefkoost haar, totdat hij tusschen haar en het water geraakt, zoodat zij hem niet kan ontsnappen. Dan veranderen zijn manieren, en met een norsch gebrom drijft hij haar naar een plaats in zijn harem. Dit gaat zoo voort, totdat de onderste rij van den harem bijna vol is. Dan kiezen de zich hooger op bevindende mannetjes den tijd uit, waarop hun meer gelukkige buurlieden zich van hun wachtpost verwijderen, om hun vrouwen te stelen. Dit doen zij, door haar in hun bekken te nemen en over de koppen van de andere wijfjes heen te tillen en met zorgvuldigheid in hun eigen harem te plaatsen, haar dragende, evenals de kat het haar jongen doet. De mannetjes die zich nog hooger op bevinden, gaan op de zelfde wijze voort, totdat de geheele ruimte is ingenomen. Dikwijls volgt er een gevecht tusschen twee mannetjes om het bezit van het zelfde wijfje, en beide, haar tegelijkertijd grijpende, trekken haar op eens in tweeën of kwetsen haar vreeselijk met hun tanden. Als de ruimte geheel vol is, wandelt het oude mannetje zelfbehagelijk rond, overziet zijn familie, beknort hen die de anderen dringen of storen, en jaagt grimmig alle indringers weg. Dit toezicht houdt hem voortdurend ijverig bezig.”[254]
Daar zoo weinig bekend is omtrent de vrijage van dieren in den natuurstaat, heb ik trachten te ontdekken, in hoever onze tamme viervoetige dieren bij hun paringen eenige keus doen blijken. Honden geven de beste gelegenheid tot waarneming, als men zorgvuldig op hen let en hen goed begrijpt. Vele fokkers hebben hun meening over dit punt in zeer sterke woorden uitgedrukt. Zoo merkt de heer Mayhew op: „De teven zijn in staat haar genegenheid te kennen te geven; en teedere herinneringen hebben evenveel macht over haar, als, gelijk bekend is, in andere gevallen, waar het hoogere dieren geldt. Teven zijn niet altijd verstandig in haar liefde, en in staat om zich weg te gooien aan straathonden van zeer laag gehalte. Indien zij met een metgezel van gemeen uiterlijk worden opgekweekt, ontstaat er dikwijls tusschen het paar een trouw die geen verloop van tijd later kan doen ophouden. De hartstocht, want dat is het werkelijk, verkrijgt een meer dan romantische duurzaamheid.” De heer Mayhew,die zijn opmerkzaamheid hoofdzakelijk aan de kleinere rassen toewijdde, is overtuigd, dat de teven sterk worden aangetrokken door reuen van aanzienlijke grootte.45De welbekende veearts Blaine getuigt46, dat zijn eigen vrouwelijke mops („pug”) zoo gehecht werd aan een Engelsch hondje („spaniel”), en een vrouwelijke langharige jachthond („setter”) aan een kettinghond („cur”), dat zij in geen van beide gevallen met een hond van haar eigen ras wilden paren, voor verscheidene weken waren voorbijgegaan. Twee soortgelijke en betrouwbare berichten zijn mij omtrent een vrouwelijken water-jachthond („retriever”) en een Engelsch hondje („spaniel”) gegeven, die beide op „terrier” honden verliefd werden.
De heer Cupples meldt mij, dat hij persoonlijk kan instaan voor de nauwkeurigheid van het volgende, nog merkwaardiger geval waarin een kostbare en verwonderlijk verstandige vrouwelijke „terrier” een water-jachthond („retriever”) die aan een buurman toebehoorde, zoozeer beminde, dat zij dikwijls van hem moest worden weggesleept. Nadat zij voor goed waren gescheiden, wilde zij, ofschoon zich herhaaldelijk melk in haar tepels vertoonde, nooit meer iets weten van de vrijage van andere honden, en bracht tot spijt van haar eigenaar nooit jongen ter[255]wereld. De heer Cupples getuigt ook, dat een vrouwelijke hertenhond die zich op dit oogenblik (1868) in zijn bezit bevindt, driemaal jongen ter wereld heeft gebracht, en bij elke gelegenheid een merkbare voorkeur aan den dag legde voor een van de grootste en schoonste, maar niet den vurigsten, van vier mannelijke hertenhonden, allen in de kracht van het leven, die met haar leefden. De heer Cupples heeft opgemerkt, dat een teef over het algemeen een reu begunstigt, waarmede zij in gezelschap is geweest en dien zij kent; haar schuwheid en beschroomdheid nemen haar eerst tegen een vreemden reu in. De reu daarentegen schijnt eerder genegenheid te gevoelen voor vreemde teven. Het schijnt zelden te gebeuren, dat de reu eene of andere bijzondere teef afwijst; doch de heer Wright van Yeldersley House, een groot hondenfokker, meldt mij, dat eenige voorbeelden daarvan te zijner kennis zijn gekomen; hij haalt het geval aan van een van zijn eigen hertenhonden, die volstrekt geen acht wilde geven op een bepaalden vrouwelijken dog („mastiff”), zoodat een andere hertenhond moest worden gebruikt. Het zou overtollig zijn nog meer voorbeelden te geven, en ik wil alleen hierbij voegen, dat de heer Barr die met zorg vele bloedhonden heeft aangefokt, getuigt, dat zij bijna altijd een bijzondere voorkeur geven aan bepaalde individu’s van de andere sekse. Eindelijk schreef mij onlangs de heer Cupples, na nogmaals een jaar lang zijn opmerkzaamheid aan de zaak te hebben gewijd: „Ik heb mijn vorig bericht volkomen bevestigd gezien, dat honden bij de paring een besliste voorkeur voor elkander toonen, en daarbij dikwijls de grootte, de levendige kleur en het individueele karakter en ook de mate van hun vroegere vertrouwelijkheid invloed op hen hebben.”
Wat paarden aangaat, deelt de heer Blenkiron, de grootste fokker van renpaarden op de wereld, mij mede, dat de hengsten zoo dikwijls grillig in hun keus zijn, en de eene merrie afwijzende, zonder eenige blijkbare oorzaak aan een andere de voorkeur geven, dat voortdurend de meest verschillende kunstgrepen in het werk moeten worden gesteld. De vermaarde Monarque wilde, bij voorbeeld, nooit met bewustheid de moeder van Gladiateur met een blik verwaardigen, en men moest list te baat nemen. Wij kunnen gedeeltelijk de reden inzien, waarom kostbare renpaard-hengsten waarnaar zooveel vraag is, zoo eigenzinnig in hun keus zijn. De heer Blenkiron heeft nimmer waargenomen, dat een merrie een hengst afwees; doch dit is geschied in den stal van den heer Wright, zoodat de merrie moest worden misleid. Prosper[256]Lucas47haalt onderscheidene getuigenissen van Fransche autoriteiten aan en merkt op: „On voit des étalons, qui s’éprennent d’une jument, et négligent toutes les autres.” Hij deelt, op gezag van Baëlen, soortgelijke feiten ten opzichte van stieren mede. Hoffberg zegt, het tamme rendier van Lapland beschrijvende: „Foeminae majores et fortiores mares prae caeteris admittunt, ad eos confugiunt, a junioribus agitatae, qui hos in fugam conjiciunt.” Een geestelijke die vele zwijnen heeft gefokt, verzekert mij, dat zeugen dikwijls den eenen beer afwijzen en dadelijk daarop een anderen aannemen.
Wegens deze feiten kan er geen twijfel bestaan, dat bij de meeste onzer tamme viervoetige dieren dikwijls sterke individueele antipathieën en voorliefden worden getoond, en dat wel veel algemeener door het wijfje dan door het mannetje. Daar dit het geval is, is het onwaarschijnlijk, dat de paringen van viervoetige dieren in den natuurstaat aan het bloote toeval zouden zijn overgelaten. Het is veel waarschijnlijker, dat de wijfjes door bijzondere mannetjes worden aangelokt of opgewekt, die zekere kenmerken in hoogere mate bezitten dan andere mannetjes; maar welke deze kenmerken zijn, kunnen wij zelden of nooit met zekerheid ontdekken.
[Inhoud]AANTEEKENINGEN.(1)Auchenia huanaco.(2)Gedurende de oudheid en Middeleeuwen leefden in Midden-Europa twee soorten van wilde runderen, de Wisent of Europeesche Bison (Bos bonasus) en de Urus (Bos Urus), de eerste waarschijnlijk een rechtstreeksche afstammeling van den diluvialenBos priscus, de tweede van het rund der voorwereld (Bos primigenius). Beide worden bij Caesar, Seneca en Plinius, bij vele middeleeuwsche schrijvers, in oude Duitsche wetten en jachtberichten vermeld en scherp van elkander onderscheiden. Beide waren zeer groote, sterke en woeste dieren; van den Urus zegt Caesar, dat hij in grootte weinig voor den olifant onderdeed en dat zijn jacht bij de Germanen voor de roemrijkste gold. In het Niebelungenlied worden beide als jachtdieren vermeld; bij de beschrijving toch van de jacht van Siegfried in Wasgau wordt gezegd:„Darnach schlug er wieder einenWiesentund einen Elk48,StarkerUreviere und einen grimmen Schelk.”49Het tweede dezer runderen (Bos Urus) was het dier dat de Duitschers[257]„Auerochs” noemden; sedert het op het vasteland van Europa is uitgestorven wordt de naam door zeer vele schrijvers voorBos bonasusgebruikt; hiertegen bestaat m.i. niet veel bezwaar (verba valent usu) wanneer slechts altijd, ’t zij uit den zin, ’t zij door de bijvoeging van den Latijnschen naam, blijkt, van welk der twee runderen sprake is, nog liever, wanneer men dan den naam „Auerochs” niet voorBos Urusgebruikt. Dat oorspronkelijkBos UrusAuerochs werd genoemd, doch tevens, dat de naamsverwarring reeds uit oude tijden dagteekent, blijkt o.a. uit twee afbeeldingen van wilde runderen, die in een oud boekje over Rusland en Polen van den Oostenrijkschen gezant von Herberstain voorkomen. Onder de eerste die een op ons tam rund gelijkend dier voorstelt, staat: „Ich bin der Urus, welchen die PolenTurnennen, die DeutschenAuerox, die NichtkennerBison”, en onder de tweede: „Ich bin derBison, welchen die PolenSubrnennen, die DeutschenWysent, die NichtkennerUrochs.”Van de Wisent leeft nog ééne enkele kudde in het woud van Bialowicza in Lithauen, dank zij de bescherming, haar aldaar achtereenvolgens door de koningen van Polen en de keizers van Rusland verleend. In 1853 was deze kudde 1543 stuks sterk, doch in 1866 nog slechts 500 stuks. Daarenboven heeft men in de laatste jaren ook in den Kaukasus Wisents aangetroffen, en ook in Midden-Azië moeten er nog in den omtrek van het meer Koko-Nor voorkomen.Deze Wisents, gewoonlijk minder juist Auerossen genoemd, zijn runderen met sterke manen op schoft en hals, met zeer breed gewelfd voorhoofd, op den bekenden Amerikaanschen Bison gelijkende; in den loop der eeuwen schijnen zij in grootte te zijn afgenomen; een in 1555 in Pruisen gedoode Wisentstier toch was2,1meter hoog en3,9meter lang; tegenwoordig zijn de grootste stieren zelden meer dan1,5meter hoog en2,25meter lang.De Urus of eigenlijke Aueros geleek, volgens oude beschrijvingen, volkomen op het tamme rund, en onderscheidde zich slechts daarvan door zijn meerdere grootte, zijn sterker ontwikkelde horens en zijn kleur die zwart was met een witachtige streep op den rug. Volgens sommigen (o.a. Fitzinger) zouden onze inlandsche tamme runderen van dit dier afstammen.50Zooals wij reeds zeiden, is de Urus op het vaste land van Europa uitgestorven. Ook in Groot-Brittannië kwamen echter in de Middeleeuwen wilde[258]runderen voor, die o.a. de bosschen in den omtrek van Londen zeer onveilig maakten en door wier bestrijding sommige ridders zich veel roem verwierven. Waarschijnlijk behoorden deze runderen tot de zelfde soort als de Urus, of waren ten minste van nauwverwante soort.In de dertiende eeuw waren deze wilde runderen in den omtrek van Londen reeds geheel uitgestorven; ook elders worden zij hoe langer hoe zeldzamer. In 1260 werd door toedoen van Williams van Farrarus het park van Chartly in Staffordshire met een omheining omgeven, opdat de wilde runderen daar rustig in volle vrijheid zouden kunnen blijven voortleven. Op verscheidene andere plaatsen vond dit voorbeeld navolging. In het begin der zestiende eeuw werd het nergens dan in deze parken aangetroffen, wier aantal tegenwoordig tot vier of vijf is geslonken, waarvan het bekendste dat van Chillinghamcastle bij Berwick aan de Tweed in Northumberlandshire is. Eén dier parken (dat in het Cadzowwoud bij Hamilton in Lanarcshire) ligt in Schotland. Men vergelijke over deze parkrunderen, Darwin, „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel I, blz. 100.(3)De spoor van het mannetje is doorboord en de holte staat in verband met een aan de binnenzijde der dij gelegen klier. Volgens Harting („Leerboek van de grondbeginselen der Dierkunde”, Deel II, Afd. I, blz. 314) bezit het door de klier afgescheiden vocht echter geen vergiftige eigenschappen, en bezit het wijfje op de plaats waar zich bij het mannetje de spoor bevindt, eenholte, vermoedelijk dienende tot opneming van de spoor tijdens de paring. Om deze redenen vermoed ik, dat Darwin de spoor van het vogelbekdier ten onrechte voor een aanvals- (offensief) wapen houdt, en zij integendeel een paringsorgaan is.(4)Van der Hoeven („Handboek der Dierkunde”, 2de uitgave, Deel II, blz. 633) merkt, na te hebben vermeld, dat zich bij gesnedenhertengeen horens ontwikkelen, of zoo zij reeds, voor de castratie plaats had, waren ontwikkeld, niet meer afvallen, in een noot op: „Van het rendier nochtans zegt Linnaeus,„castratus quotannis cornua deponit”,Syst. nat.I, ed. 12, p. 93. Het zelfde wordt ook door Sundevall tegen latere tegenspraak verdedigd.” Dit feit is in volkomen overeenstemming met de vroege ontwikkeling der horens bijbeideseksen van het rendier, waardoor zij als het ware ophouden een seksueel kenmerk te zijn.51Bij de overige soorten van herten bij welke de horens en hun geregeld jaarlijks afvallen tot de mannelijke sekse zijn beperkt, is het duidelijk, dat wanneer de speciaal seksueele ontwikkeling door de castratie is gestuit, de horens zich niet meer ontwikkelen, of, als zij vóór de castratie waren ontwikkeld, niet meer afvallen.(5)Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 571) houdt dit, wat den steenbok aangaat, voor een sprookje. Hij zegt: „Die alten kindlichen Berichtstatter ersannen wunderliche Märchen um diese auffallenden Fähigkeiten der Steinböcke zu erklären, und manche dieser Märchen haben sich Jahrhunderte fortgesponnen und werden heute noch von Unbewanderten auf Treue und Glauben hingenommen. So meint Geszner, dasz das Thier seine gewaltigen[259]Hörner hauptsachlich benutze, um sich aus bedeutenden Höhen auf sie zu stürzen” enz. DaarCapra aegagrusveel minder stevige en groote horens heeft dan de steenbok, geloof ik, dat, als zulks bij den steenbok een sprookje is, het ook bijCapra aegagruswaarschijnlijk als zoodanig moet worden beschouwd.(6)Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 630) zegt van den Italiaanschen buffel, dat het volstrekt niet valt te betwijfelen, dat hij uit Indië komt, daar hij met den aldaar nog in het wild levendevolkomenovereenstemt. Derhalve is het wel degelijk zeker, dat de wilde stamvorm eveneens gevormde horens bezat als de tamme. Vergelijk mijn aant. op hoofdst. III van Darwin’s „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 121.(7)Springbokis de naam dien de Nederlandsche kolonisten aan de Kaap de Goede Hoop aanAntilope euchorehebben gegeven. Het is merkwaardig, hoevele Zuid-Afrikaansche dieren op die wijze Nederlandsche namen hebben ontvangen, die later, hoewel soms min of meer misvormd, ook in andere talen, in het Duitsch, Engelsch, ja zelfs soms in het Fransch het burgerrecht hebben verkregen. Wij noemen als zoodanig, behalve den Springbok, onder de Antilopen: den Rietbok (Eleotragus arundinaceus), den Duiker (Cephalophus mergens), den Bleekbok (Antilope scoparia), den Klipspringer (Oreotragus saltatrix), den Blauwbok (Aegocerus leucophaeus), den Waterbok (Kobus ellipsiprymnus), den Spietsbok (Oryx gazella), het Hartebeest (Acronotus Caama), het Wildebeest (Catoblepas Gnu), enz. Ook onder andere groepen van Zuid-Afrikaansche dieren vindt men er met Nederlandsche namen, bij voorbeeld de Muishond (zoo noemen de Afrikaanders de civetkat), het tot de Tandelooze dieren (Edentata) behoorende Aardvarken (Orycteropus capensis), enz. (vergelijk ook aanteekening 12, en Deel I, blz.574, aanteekening 9).(8)Elephas primigenius.(9)Megaceros hibernicus.(10)Volgens Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 783) wordt het mannetje1,8tot2,7, het wijfje0,9tot1,2meter lang.(11)Poreus babyrussa.(12)Onder dezen naam wordtPacochoerus aethiopicusbeschreven in een Nederlandsch boekje uit de vorige eeuw (Vosmaer, „Beschrijving van het Afrikaansch Breedsnuitig Varken”, Amsterdam, 1766, 4o, met gekleurde afbeeldingen). De Nederlandsche kolonisten aan de Kaap noemen dit dier den Hardlooper of Snellooper.[260]
AANTEEKENINGEN.
(1)Auchenia huanaco.(2)Gedurende de oudheid en Middeleeuwen leefden in Midden-Europa twee soorten van wilde runderen, de Wisent of Europeesche Bison (Bos bonasus) en de Urus (Bos Urus), de eerste waarschijnlijk een rechtstreeksche afstammeling van den diluvialenBos priscus, de tweede van het rund der voorwereld (Bos primigenius). Beide worden bij Caesar, Seneca en Plinius, bij vele middeleeuwsche schrijvers, in oude Duitsche wetten en jachtberichten vermeld en scherp van elkander onderscheiden. Beide waren zeer groote, sterke en woeste dieren; van den Urus zegt Caesar, dat hij in grootte weinig voor den olifant onderdeed en dat zijn jacht bij de Germanen voor de roemrijkste gold. In het Niebelungenlied worden beide als jachtdieren vermeld; bij de beschrijving toch van de jacht van Siegfried in Wasgau wordt gezegd:„Darnach schlug er wieder einenWiesentund einen Elk48,StarkerUreviere und einen grimmen Schelk.”49Het tweede dezer runderen (Bos Urus) was het dier dat de Duitschers[257]„Auerochs” noemden; sedert het op het vasteland van Europa is uitgestorven wordt de naam door zeer vele schrijvers voorBos bonasusgebruikt; hiertegen bestaat m.i. niet veel bezwaar (verba valent usu) wanneer slechts altijd, ’t zij uit den zin, ’t zij door de bijvoeging van den Latijnschen naam, blijkt, van welk der twee runderen sprake is, nog liever, wanneer men dan den naam „Auerochs” niet voorBos Urusgebruikt. Dat oorspronkelijkBos UrusAuerochs werd genoemd, doch tevens, dat de naamsverwarring reeds uit oude tijden dagteekent, blijkt o.a. uit twee afbeeldingen van wilde runderen, die in een oud boekje over Rusland en Polen van den Oostenrijkschen gezant von Herberstain voorkomen. Onder de eerste die een op ons tam rund gelijkend dier voorstelt, staat: „Ich bin der Urus, welchen die PolenTurnennen, die DeutschenAuerox, die NichtkennerBison”, en onder de tweede: „Ich bin derBison, welchen die PolenSubrnennen, die DeutschenWysent, die NichtkennerUrochs.”Van de Wisent leeft nog ééne enkele kudde in het woud van Bialowicza in Lithauen, dank zij de bescherming, haar aldaar achtereenvolgens door de koningen van Polen en de keizers van Rusland verleend. In 1853 was deze kudde 1543 stuks sterk, doch in 1866 nog slechts 500 stuks. Daarenboven heeft men in de laatste jaren ook in den Kaukasus Wisents aangetroffen, en ook in Midden-Azië moeten er nog in den omtrek van het meer Koko-Nor voorkomen.Deze Wisents, gewoonlijk minder juist Auerossen genoemd, zijn runderen met sterke manen op schoft en hals, met zeer breed gewelfd voorhoofd, op den bekenden Amerikaanschen Bison gelijkende; in den loop der eeuwen schijnen zij in grootte te zijn afgenomen; een in 1555 in Pruisen gedoode Wisentstier toch was2,1meter hoog en3,9meter lang; tegenwoordig zijn de grootste stieren zelden meer dan1,5meter hoog en2,25meter lang.De Urus of eigenlijke Aueros geleek, volgens oude beschrijvingen, volkomen op het tamme rund, en onderscheidde zich slechts daarvan door zijn meerdere grootte, zijn sterker ontwikkelde horens en zijn kleur die zwart was met een witachtige streep op den rug. Volgens sommigen (o.a. Fitzinger) zouden onze inlandsche tamme runderen van dit dier afstammen.50Zooals wij reeds zeiden, is de Urus op het vaste land van Europa uitgestorven. Ook in Groot-Brittannië kwamen echter in de Middeleeuwen wilde[258]runderen voor, die o.a. de bosschen in den omtrek van Londen zeer onveilig maakten en door wier bestrijding sommige ridders zich veel roem verwierven. Waarschijnlijk behoorden deze runderen tot de zelfde soort als de Urus, of waren ten minste van nauwverwante soort.In de dertiende eeuw waren deze wilde runderen in den omtrek van Londen reeds geheel uitgestorven; ook elders worden zij hoe langer hoe zeldzamer. In 1260 werd door toedoen van Williams van Farrarus het park van Chartly in Staffordshire met een omheining omgeven, opdat de wilde runderen daar rustig in volle vrijheid zouden kunnen blijven voortleven. Op verscheidene andere plaatsen vond dit voorbeeld navolging. In het begin der zestiende eeuw werd het nergens dan in deze parken aangetroffen, wier aantal tegenwoordig tot vier of vijf is geslonken, waarvan het bekendste dat van Chillinghamcastle bij Berwick aan de Tweed in Northumberlandshire is. Eén dier parken (dat in het Cadzowwoud bij Hamilton in Lanarcshire) ligt in Schotland. Men vergelijke over deze parkrunderen, Darwin, „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel I, blz. 100.(3)De spoor van het mannetje is doorboord en de holte staat in verband met een aan de binnenzijde der dij gelegen klier. Volgens Harting („Leerboek van de grondbeginselen der Dierkunde”, Deel II, Afd. I, blz. 314) bezit het door de klier afgescheiden vocht echter geen vergiftige eigenschappen, en bezit het wijfje op de plaats waar zich bij het mannetje de spoor bevindt, eenholte, vermoedelijk dienende tot opneming van de spoor tijdens de paring. Om deze redenen vermoed ik, dat Darwin de spoor van het vogelbekdier ten onrechte voor een aanvals- (offensief) wapen houdt, en zij integendeel een paringsorgaan is.(4)Van der Hoeven („Handboek der Dierkunde”, 2de uitgave, Deel II, blz. 633) merkt, na te hebben vermeld, dat zich bij gesnedenhertengeen horens ontwikkelen, of zoo zij reeds, voor de castratie plaats had, waren ontwikkeld, niet meer afvallen, in een noot op: „Van het rendier nochtans zegt Linnaeus,„castratus quotannis cornua deponit”,Syst. nat.I, ed. 12, p. 93. Het zelfde wordt ook door Sundevall tegen latere tegenspraak verdedigd.” Dit feit is in volkomen overeenstemming met de vroege ontwikkeling der horens bijbeideseksen van het rendier, waardoor zij als het ware ophouden een seksueel kenmerk te zijn.51Bij de overige soorten van herten bij welke de horens en hun geregeld jaarlijks afvallen tot de mannelijke sekse zijn beperkt, is het duidelijk, dat wanneer de speciaal seksueele ontwikkeling door de castratie is gestuit, de horens zich niet meer ontwikkelen, of, als zij vóór de castratie waren ontwikkeld, niet meer afvallen.(5)Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 571) houdt dit, wat den steenbok aangaat, voor een sprookje. Hij zegt: „Die alten kindlichen Berichtstatter ersannen wunderliche Märchen um diese auffallenden Fähigkeiten der Steinböcke zu erklären, und manche dieser Märchen haben sich Jahrhunderte fortgesponnen und werden heute noch von Unbewanderten auf Treue und Glauben hingenommen. So meint Geszner, dasz das Thier seine gewaltigen[259]Hörner hauptsachlich benutze, um sich aus bedeutenden Höhen auf sie zu stürzen” enz. DaarCapra aegagrusveel minder stevige en groote horens heeft dan de steenbok, geloof ik, dat, als zulks bij den steenbok een sprookje is, het ook bijCapra aegagruswaarschijnlijk als zoodanig moet worden beschouwd.(6)Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 630) zegt van den Italiaanschen buffel, dat het volstrekt niet valt te betwijfelen, dat hij uit Indië komt, daar hij met den aldaar nog in het wild levendevolkomenovereenstemt. Derhalve is het wel degelijk zeker, dat de wilde stamvorm eveneens gevormde horens bezat als de tamme. Vergelijk mijn aant. op hoofdst. III van Darwin’s „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 121.(7)Springbokis de naam dien de Nederlandsche kolonisten aan de Kaap de Goede Hoop aanAntilope euchorehebben gegeven. Het is merkwaardig, hoevele Zuid-Afrikaansche dieren op die wijze Nederlandsche namen hebben ontvangen, die later, hoewel soms min of meer misvormd, ook in andere talen, in het Duitsch, Engelsch, ja zelfs soms in het Fransch het burgerrecht hebben verkregen. Wij noemen als zoodanig, behalve den Springbok, onder de Antilopen: den Rietbok (Eleotragus arundinaceus), den Duiker (Cephalophus mergens), den Bleekbok (Antilope scoparia), den Klipspringer (Oreotragus saltatrix), den Blauwbok (Aegocerus leucophaeus), den Waterbok (Kobus ellipsiprymnus), den Spietsbok (Oryx gazella), het Hartebeest (Acronotus Caama), het Wildebeest (Catoblepas Gnu), enz. Ook onder andere groepen van Zuid-Afrikaansche dieren vindt men er met Nederlandsche namen, bij voorbeeld de Muishond (zoo noemen de Afrikaanders de civetkat), het tot de Tandelooze dieren (Edentata) behoorende Aardvarken (Orycteropus capensis), enz. (vergelijk ook aanteekening 12, en Deel I, blz.574, aanteekening 9).(8)Elephas primigenius.(9)Megaceros hibernicus.(10)Volgens Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 783) wordt het mannetje1,8tot2,7, het wijfje0,9tot1,2meter lang.(11)Poreus babyrussa.(12)Onder dezen naam wordtPacochoerus aethiopicusbeschreven in een Nederlandsch boekje uit de vorige eeuw (Vosmaer, „Beschrijving van het Afrikaansch Breedsnuitig Varken”, Amsterdam, 1766, 4o, met gekleurde afbeeldingen). De Nederlandsche kolonisten aan de Kaap noemen dit dier den Hardlooper of Snellooper.[260]
(1)Auchenia huanaco.
(2)Gedurende de oudheid en Middeleeuwen leefden in Midden-Europa twee soorten van wilde runderen, de Wisent of Europeesche Bison (Bos bonasus) en de Urus (Bos Urus), de eerste waarschijnlijk een rechtstreeksche afstammeling van den diluvialenBos priscus, de tweede van het rund der voorwereld (Bos primigenius). Beide worden bij Caesar, Seneca en Plinius, bij vele middeleeuwsche schrijvers, in oude Duitsche wetten en jachtberichten vermeld en scherp van elkander onderscheiden. Beide waren zeer groote, sterke en woeste dieren; van den Urus zegt Caesar, dat hij in grootte weinig voor den olifant onderdeed en dat zijn jacht bij de Germanen voor de roemrijkste gold. In het Niebelungenlied worden beide als jachtdieren vermeld; bij de beschrijving toch van de jacht van Siegfried in Wasgau wordt gezegd:
„Darnach schlug er wieder einenWiesentund einen Elk48,StarkerUreviere und einen grimmen Schelk.”49
„Darnach schlug er wieder einenWiesentund einen Elk48,
StarkerUreviere und einen grimmen Schelk.”49
Het tweede dezer runderen (Bos Urus) was het dier dat de Duitschers[257]„Auerochs” noemden; sedert het op het vasteland van Europa is uitgestorven wordt de naam door zeer vele schrijvers voorBos bonasusgebruikt; hiertegen bestaat m.i. niet veel bezwaar (verba valent usu) wanneer slechts altijd, ’t zij uit den zin, ’t zij door de bijvoeging van den Latijnschen naam, blijkt, van welk der twee runderen sprake is, nog liever, wanneer men dan den naam „Auerochs” niet voorBos Urusgebruikt. Dat oorspronkelijkBos UrusAuerochs werd genoemd, doch tevens, dat de naamsverwarring reeds uit oude tijden dagteekent, blijkt o.a. uit twee afbeeldingen van wilde runderen, die in een oud boekje over Rusland en Polen van den Oostenrijkschen gezant von Herberstain voorkomen. Onder de eerste die een op ons tam rund gelijkend dier voorstelt, staat: „Ich bin der Urus, welchen die PolenTurnennen, die DeutschenAuerox, die NichtkennerBison”, en onder de tweede: „Ich bin derBison, welchen die PolenSubrnennen, die DeutschenWysent, die NichtkennerUrochs.”
Van de Wisent leeft nog ééne enkele kudde in het woud van Bialowicza in Lithauen, dank zij de bescherming, haar aldaar achtereenvolgens door de koningen van Polen en de keizers van Rusland verleend. In 1853 was deze kudde 1543 stuks sterk, doch in 1866 nog slechts 500 stuks. Daarenboven heeft men in de laatste jaren ook in den Kaukasus Wisents aangetroffen, en ook in Midden-Azië moeten er nog in den omtrek van het meer Koko-Nor voorkomen.
Deze Wisents, gewoonlijk minder juist Auerossen genoemd, zijn runderen met sterke manen op schoft en hals, met zeer breed gewelfd voorhoofd, op den bekenden Amerikaanschen Bison gelijkende; in den loop der eeuwen schijnen zij in grootte te zijn afgenomen; een in 1555 in Pruisen gedoode Wisentstier toch was2,1meter hoog en3,9meter lang; tegenwoordig zijn de grootste stieren zelden meer dan1,5meter hoog en2,25meter lang.
De Urus of eigenlijke Aueros geleek, volgens oude beschrijvingen, volkomen op het tamme rund, en onderscheidde zich slechts daarvan door zijn meerdere grootte, zijn sterker ontwikkelde horens en zijn kleur die zwart was met een witachtige streep op den rug. Volgens sommigen (o.a. Fitzinger) zouden onze inlandsche tamme runderen van dit dier afstammen.50
Zooals wij reeds zeiden, is de Urus op het vaste land van Europa uitgestorven. Ook in Groot-Brittannië kwamen echter in de Middeleeuwen wilde[258]runderen voor, die o.a. de bosschen in den omtrek van Londen zeer onveilig maakten en door wier bestrijding sommige ridders zich veel roem verwierven. Waarschijnlijk behoorden deze runderen tot de zelfde soort als de Urus, of waren ten minste van nauwverwante soort.
In de dertiende eeuw waren deze wilde runderen in den omtrek van Londen reeds geheel uitgestorven; ook elders worden zij hoe langer hoe zeldzamer. In 1260 werd door toedoen van Williams van Farrarus het park van Chartly in Staffordshire met een omheining omgeven, opdat de wilde runderen daar rustig in volle vrijheid zouden kunnen blijven voortleven. Op verscheidene andere plaatsen vond dit voorbeeld navolging. In het begin der zestiende eeuw werd het nergens dan in deze parken aangetroffen, wier aantal tegenwoordig tot vier of vijf is geslonken, waarvan het bekendste dat van Chillinghamcastle bij Berwick aan de Tweed in Northumberlandshire is. Eén dier parken (dat in het Cadzowwoud bij Hamilton in Lanarcshire) ligt in Schotland. Men vergelijke over deze parkrunderen, Darwin, „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel I, blz. 100.
(3)De spoor van het mannetje is doorboord en de holte staat in verband met een aan de binnenzijde der dij gelegen klier. Volgens Harting („Leerboek van de grondbeginselen der Dierkunde”, Deel II, Afd. I, blz. 314) bezit het door de klier afgescheiden vocht echter geen vergiftige eigenschappen, en bezit het wijfje op de plaats waar zich bij het mannetje de spoor bevindt, eenholte, vermoedelijk dienende tot opneming van de spoor tijdens de paring. Om deze redenen vermoed ik, dat Darwin de spoor van het vogelbekdier ten onrechte voor een aanvals- (offensief) wapen houdt, en zij integendeel een paringsorgaan is.
(4)Van der Hoeven („Handboek der Dierkunde”, 2de uitgave, Deel II, blz. 633) merkt, na te hebben vermeld, dat zich bij gesnedenhertengeen horens ontwikkelen, of zoo zij reeds, voor de castratie plaats had, waren ontwikkeld, niet meer afvallen, in een noot op: „Van het rendier nochtans zegt Linnaeus,„castratus quotannis cornua deponit”,Syst. nat.I, ed. 12, p. 93. Het zelfde wordt ook door Sundevall tegen latere tegenspraak verdedigd.” Dit feit is in volkomen overeenstemming met de vroege ontwikkeling der horens bijbeideseksen van het rendier, waardoor zij als het ware ophouden een seksueel kenmerk te zijn.51Bij de overige soorten van herten bij welke de horens en hun geregeld jaarlijks afvallen tot de mannelijke sekse zijn beperkt, is het duidelijk, dat wanneer de speciaal seksueele ontwikkeling door de castratie is gestuit, de horens zich niet meer ontwikkelen, of, als zij vóór de castratie waren ontwikkeld, niet meer afvallen.
(5)Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 571) houdt dit, wat den steenbok aangaat, voor een sprookje. Hij zegt: „Die alten kindlichen Berichtstatter ersannen wunderliche Märchen um diese auffallenden Fähigkeiten der Steinböcke zu erklären, und manche dieser Märchen haben sich Jahrhunderte fortgesponnen und werden heute noch von Unbewanderten auf Treue und Glauben hingenommen. So meint Geszner, dasz das Thier seine gewaltigen[259]Hörner hauptsachlich benutze, um sich aus bedeutenden Höhen auf sie zu stürzen” enz. DaarCapra aegagrusveel minder stevige en groote horens heeft dan de steenbok, geloof ik, dat, als zulks bij den steenbok een sprookje is, het ook bijCapra aegagruswaarschijnlijk als zoodanig moet worden beschouwd.
(6)Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 630) zegt van den Italiaanschen buffel, dat het volstrekt niet valt te betwijfelen, dat hij uit Indië komt, daar hij met den aldaar nog in het wild levendevolkomenovereenstemt. Derhalve is het wel degelijk zeker, dat de wilde stamvorm eveneens gevormde horens bezat als de tamme. Vergelijk mijn aant. op hoofdst. III van Darwin’s „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 121.
(7)Springbokis de naam dien de Nederlandsche kolonisten aan de Kaap de Goede Hoop aanAntilope euchorehebben gegeven. Het is merkwaardig, hoevele Zuid-Afrikaansche dieren op die wijze Nederlandsche namen hebben ontvangen, die later, hoewel soms min of meer misvormd, ook in andere talen, in het Duitsch, Engelsch, ja zelfs soms in het Fransch het burgerrecht hebben verkregen. Wij noemen als zoodanig, behalve den Springbok, onder de Antilopen: den Rietbok (Eleotragus arundinaceus), den Duiker (Cephalophus mergens), den Bleekbok (Antilope scoparia), den Klipspringer (Oreotragus saltatrix), den Blauwbok (Aegocerus leucophaeus), den Waterbok (Kobus ellipsiprymnus), den Spietsbok (Oryx gazella), het Hartebeest (Acronotus Caama), het Wildebeest (Catoblepas Gnu), enz. Ook onder andere groepen van Zuid-Afrikaansche dieren vindt men er met Nederlandsche namen, bij voorbeeld de Muishond (zoo noemen de Afrikaanders de civetkat), het tot de Tandelooze dieren (Edentata) behoorende Aardvarken (Orycteropus capensis), enz. (vergelijk ook aanteekening 12, en Deel I, blz.574, aanteekening 9).
(8)Elephas primigenius.
(9)Megaceros hibernicus.
(10)Volgens Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 783) wordt het mannetje1,8tot2,7, het wijfje0,9tot1,2meter lang.
(11)Poreus babyrussa.
(12)Onder dezen naam wordtPacochoerus aethiopicusbeschreven in een Nederlandsch boekje uit de vorige eeuw (Vosmaer, „Beschrijving van het Afrikaansch Breedsnuitig Varken”, Amsterdam, 1766, 4o, met gekleurde afbeeldingen). De Nederlandsche kolonisten aan de Kaap noemen dit dier den Hardlooper of Snellooper.[260]