EEN STOKOUDE, GERIMPELDE JOOD STOND MET EEN LANGE VORK IN DE HAND BIJ DE PAN.EEN STOKOUDE, GERIMPELDE JOOD STOND MET EEN LANGE VORK IN DE HAND BIJ DE PAN.
EEN STOKOUDE, GERIMPELDE JOOD STOND MET EEN LANGE VORK IN DE HAND BIJ DE PAN.
Het laatste gedeelte van deze toespraak riep bij al de veelbelovende leerlingen van den vroolijken heer een schaterende lachuitbarsting te voorschijn. Zij lachten nog terwijl zij aan het avondeten gingen.Oliverat zijndeel op en de Jood mengde voor hem een glas heete jenevergroc, met de bijvoeging dat hij het dadelijk op moest drinken, omdat een van de andere heeren het glas moest hebben.Oliverdeed zooals hem werd bevolen. Dadelijk daarop voelde hij hoe hij zachtjes werd opgetild en op één van de zakken neergelegd, en toen zonk hij in diepen slaap.
1)De tredmolen. Vert.
Bevat verdere bijzonderheden betreffende den vriendelijken ouden heer en zijn leerlingen.
Oliverwerd den volgenden morgen eerst laat wakker uit een zwaren, langdurigen slaap. Er was niemand in de kamer dan de oude Jood, die bezig was in een pannetje koffie te koken voor het ontbijt; zachtjes in zichzelf fluitend roerde hij de koffie om met een ijzeren lepel. Nu en dan hield hij even op om te luisteren of zich beneden eenig gerucht deed hooren en wanneer hij gerustgesteld was ging hij weer voort met fluiten en roeren.
OfschoonOliverniet meer sliep, was hij ook niet goed wakker. Er bestaat een toestand van halve verdooving, tusschen slapen en waken, waarin men binnen vijf minuten meer droomt met half open oogen en half bewustzijn van wat er om ons heen gebeurt, dan in vijf nachten met vastgesloten oogen, als de geest in volkomen bewusteloosheid verzonken is. Op zulke oogenblikken is een sterveling zich juist genoeg bewust van wat zijn geest verricht, om in een glimp iets vast te grijpen van de machtige vermogens van dien geest, hoe deze, wanneer de belemmering van het lichaam van hem is weggenomen, zich zonder op plaats of tijd te letten, los kan maken van de aarde.
Oliververkeerde juist in dezen toestand. Met zijnhalf gesloten oogen zag hij den Jood, hoorde zijn zachte fluiten en onderkende het geluid van den lepel, die tegen de kanten van het pannetje schuurde en toch waren tegelijk zijn gedachten door zijn geest aan het werk gezet en hielden zij zich bezig met bijna iedereen, dien hij ooit gekend had.
Toen de koffie klaar was, zette de Jood het pannetje op de schoorsteenplaat. Na een oogenblik in besluitelooze houding te hebben gewacht, als wist hij niet goed, wat te doen, keerde hij zich om, keek naarOliveren riep hem bij zijn naam.Oliverantwoordde niet en had geheel den schijn te slapen.
Toen de Jood op dit punt gerust gesteld was, liep hij zachtjes naar de deur en sloot haar. Toen haalde hij, naar hetOlivertoescheen, uit een valluik in den grond, een klein kistje te voorschijn, dat hij zorgvuldig op de tafel zette. Zijn oogen schitterden toen hij het deksel oplichtte en in het kistje keek. Hij trok een ouden stoel bij de tafel en ging er op zitten; uit het kistje nam hij een prachtig gouden horloge, schitterend van juweelen.
„Aha!” zei de Jood, schouderschokkend en heel zijn gezicht vertrekkend in een afschuwelijke grijns. „Slimme honden! Slimme honden! Tot 't laatst hun bek gehouden! Nooit aan den ouden steek gezegd, waar ze vandaan kwamen. Nooit oudenFaginverraden. Waarvoor zouden ze ook? 't Zou den strop niet losgemaakt hebben, 't luik onder de galg zou er geen minuut langer om dicht gebleven zijn. Nee, nee, nee! Goeie kerels! Goeie kerels!”
Onder het mompelen van deze en andere dergelijke overpeinzingen borg de Jood het horloge weer op zijn verborgen plaats. Nog minstens een half dozijn horloges werden haastig uit hetzelfde kistje te voorschijn gehaald en met hetzelfde genot bekeken; bovendien ringen, broches, armbanden en andere byouteriën, zoo prachtigen zoo kunstig gemaakt, datOliverzelfs niet bij benadering wist, hoe ze heetten.
Nadat de Jood deze kleinodiën weer op hun plaats had geborgen, haalde hij nog een voorwerp te voorschijn, zóó klein, dat het op de palm van zijn hand kon liggen. Er scheen een zeer fijne inscriptie op te staan, want de Jood legde het plat op tafel, overschaduwde het met zijn hand en bleef er langen tijd aandachtig over heen gebogen. Eindelijk legde hij het neer, alsof hij wanhoopte aan het gelukken van zijn poging en mompelde, terwijl hij achteroverleunde in zijn stoel:
„Toch een mooi ding, de doodstraf! Doode menschen hebben geen berouw, doode menschen kletsen niet over leelijke histories. 'n Prachtig ding voor ons vak! Vijf na elkaar opgeknoopt en geen een over om voor verrader te spelen of z'n lef te verliezen.”
Terwijl de Jood deze woorden uitte, vielen zijn blinkende, donkere oogen, die tot nu toe voor zich uit gestaard hadden, opOliver'sgezicht; de oogen van den jongen keken hem in stomme verbazing aan en ofschoon de zijne ze slechts een oogwenk ontmoetten—niet meer dan een seconde—was dit genoeg om den ouden man te doen begrijpen, dat hij bespied was. Hij wierp het deksel van het kistje met een smak dicht en keek woedend op, terwijl zijn hand een broodmes, dat op tafel lag, vastgreep. Doch hij beefde hevig, want zelfs in zijn schrik konOliverzien, dat het mes trilde in de lucht.
„Wat moet dat?” zei de Jood. „Waarom begluur je me? Waarom ben je wakker? Wat heb je gezien? Spreek op, jongen! Gauw! Gauw! of ik zal je....”
„Ik kon niet meer slapen, meneer,” antwoorddeOliverbedeesd. „'t Spijt me erg, dat ik u boos heb gemaakt, meneer.”
„Je was 'n uur geleden toch nog niet wakker?” vroeg de Jood met een woesten blik naar den jongen.
„Nee! nee! heusch niet!” antwoorddeOliver.
„Is 't wel waar?” schreeuwde de Jood in dreigende houding en met nog woedender blik dan te voren.
„Gerust niet, meneer,” antwoorddeOliverernstig. „Ik was pas wakker, meneer.”
„Nou, stil maar, kereltje,” zeide de Jood, plotseling weer in zijn ouden manier van doen vervallend; eer hij het mes neerlegde, speelde hij er een beetje mee, als om den ander te doen gelooven, dat hij het alleen daarvoor in de hand had genomen. „Dat weet ik immers wel, beste jongen. Ik wou je maar eens aan 't schrikken maken. Je bent 'n beste jongen. Ha ha! je bent 'n beste jongen,Oliver.” De Jood wreef zich grinnikend in de handen, maar keek toch ongerust naar het kistje.
„Heb je wat gezien van die mooie dingen m'n jongen?” vroeg de Jood na een oogenblik, terwijl hij zijn hand op het kistje legde.
„Ja meneer,” antwoorddeOliver.
„O!” zei de Jood en werd bleek. „Ze.... ze zijn van mij,Oliver; 't is mijn kleine bezitting. Alles wat ik heb om op mijn ouden dag van te leven. De menschen zeggen dat ik een vrek ben, m'n jongen. Alleen maar een vrek, anders niet.”
Oliverdacht dat de oude heer werkelijk een gierigaard moest zijn, om in zoo'n onoogelijke plaats te wonen met zooveel horloges; maar bedenkend, dat zijn genegenheid voor de Vos en de andere jongens hem misschien veel geld kostte, wierp hij alleen een eerbiedigen blik op den Jood en vroeg of hij op mocht staan.
„Zeker, m'n jongen, zeker,” antwoordde de oude heer.
„Wacht, in de hoek bij de deur staat een kruik water. Breng die hier, dan zal ik je een kom geven om je te wasschen, mijn jongen.”
Oliverstond op, liep de kamer door en bukte eenoogenblik om de kruik op te tillen. Toen hij zijn hoofd weer omkeerde, was het kistje verdwenen.
Hij had zich nauwelijks gewasschen en alles weer opgeruimd, door de kom, op aanwijzing van den Jood, buiten het raam leeg te gooien, toen de Vos terugkwam, vergezeld van een vroolijken kameraad, dienOliverden vorigen avond had zien rooken en die nu in den vorm aan hem werd voorgesteld alsCharley Bates. Het viertal ging zitten om te ontbijten met de koffie en vier warme broodjes met ham, die de Vos in zijn hoed had meegebracht.
„Wel,” zei de Jood met een sluwen blik naarOliver, terwijl hij zich tot den Vos wendde, „wel jongens, ik hoop dat jullie vanmorgen aan 't werk bent geweest?”
„Of we,” antwoordde de Vos.
„As kartouwen,” voegdeCharley Bateser bij.
„Beste jongens! beste jongens!” zei de Jood. „Wat hebjij, Vos?”
„Twee zakportefeuilles,” antwoordde 't jongemensch.
„Gespekt?” vroeg de Jood gretig.
„Zoo tamelijk,” antwoordde de Vos, terwijl hij twee zakportefeuilles te voorschijn haalde, de een groen en de ander rood.
„Niet al te zwaar,” zei de Jood, terwijl hij den binnenkant aandachtig bekeek,„maar heel aardig gemaakt. 'n Knap werkman, nietwaarOliver?”
„Ja meneer, erg knap,” antwoorddeOliver. WaaropCharley Batesuitbundig begon te lachen, tot groote verbazing vanOliver, die in het voorgevallene niets belachelijks kon zien.
„En wat heb jij, mijn jongen?” vroegFaginaanCharles Bates.
„Lappen,” antwoorddeBatesen haalde op hetzelfde oogenblik vier zakdoeken te voorschijn.
„Hm,” zei de Jood, terwijl hij ze nauwkeurig bekeek,„'t zijn beste—heele beste. Maar je hebt ze niet goed gemerkt,Charley, dus die merken halen we er uit met een naald. We zullenOliverleeren hoe hij dat doen moet. NietwaarOliver? Ha! ha! ha!”
„Asjeblieft meneer,” zeiOliver.
„Jij zou ook wel zoo vlug alsCharley Bateszakdoeken willen maken, is 't niet, beste jongen?” vroeg de Jood.
„Graag meneer, als u 't me wil leeren,” antwoorddeOliver.
JongeheerBateszag in dit antwoord zoo iets buitengewoon grappigs, dat hij opnieuw in lachen uitbarstte; door dien lach schoot de koffie, die hij aan 't drinken was, in het verkeerde keelgat, waardoor hij bijna aan een vroegtijdigen verstikkingsdood ten prooi viel.
ToenCharleyweer tot zich zelf kwam, zeide hij, om zich tegenover het gezelschap over zijn onbeleefdheid te verontschuldigen, „hij is ook zoo lekker groen!”
De Vos zei niets, maar streekOliver'shaar boven zijn oogen glad en zei dat hij wel gauw wijzer zou worden, waarop de oude heer, dieOliver'skleur donkerder zag worden, van onderwerp veranderde door te vragen of er veel menschen bij de terechtstelling waren geweest dien morgen.Oliverwas al meer en meer verwonderd, want uit de antwoorden van de twee jongens bleek duidelijk, dat zij er bij waren geweest enOliverbegreep niet hoe zij dan nog tijd hadden kunnen vinden, zoo vlijtig te zijn.
Toen het ontbijt weggeruimd was, begon de vroolijke oude heer met de twee jongens een heel vreemd, buitengewoon spelletje te spelen. Dit ging zoo: de vroolijke oude heer stak een snuifdoos in zijn ééne en een portefeuille in zijn andere broekzak, een horloge in zijn vestjeszak, met een ketting om zijn hals; op zijn overhemd stak hij een speld met een nagemaakten diamant, knoopte zijn jas stijf dicht, borg zijn zakdoek en brillehuis in zijn zakken en liep de kamer op en neer met een stok, zooalsmen op elk uur van den dag oude heeren op straat kan zien loopen. Nu bleef hij bij den schoorsteen staan, dan bij de deur, met den schijn alsof hij ingespannen voor een winkelraam stond te turen.
Op zulke oogenblikken keek hij telkens om zich heen, uit angst voor dieven, en klopte beurtelings op zijn zakken, om te voelen of hij niets verloren had. Hij deed dit alles zoo grappig en natuurlijk, datOliverlachte tot de tranen hem over de wangen rolden. Al dien tijd volgden de beide jongens hem dicht op de hielen; telkens als hij zich omkeerde, maakten zij zich zoo vlug uit de voeten, dat het onmogelijk was, hun bewegingen te volgen. Eindelijk trapte de Vos hem op zijn voeten of struikelde bij ongeluk over zijn beenen, terwijlCharley Bateshem van achteren een duw gaf, en in dat ééne oogenblik ontnamen zij hem met ongelooflijke snelheid, snuifdoos, portefeuille, horlogeketting, horloge, dasspeld, zakdoek, zelfs 't brillehuis. Zoo dikwijls de oude heer een hand in één van zijn zakken voelde, riep hij waar de hand was en dan begon het spelletje opnieuw.
Toen dit spelletje verscheidene malen gespeeld was, kwamen twee jonge dames de jongelui opzoeken; de ééne heetteBeten de anderNancy. Ze hadden beiden een rijken haardos, die echter slordig was opgemaakt en schenen niet veel om nette schoenen en kousen te geven. Ze waren misschien niet juist mooi, maar ze hadden frissche kleuren en zagen er stevig en vriendelijk uit. Daar ze zeer vrij en ongedwongen in hun manier van doen waren, vondOliver't werkelijk aardige meisjes. En dat waren zij dan ook zonder twijfel.
Deze bezoekers bleven een heelen tijd. Toen een van de jonge dames klaagde dat ze zoo koud was van binnen, werd jenever te voorschijn gehaald en het gesprek werd zeer levendig en vroolijk. Eindelijk maakteCharles Batesde opmerking, dat het tijd werd 'm te smeren.
Oliverbegreep dit als een uitheemsche uitdrukking voor uitgaan, want dadelijk daarop gingen de Vos enCharleyen de twee jonge meisjes te zamen weg, nadat de vriendelijke oude Jood hun geld gegeven had om te verteren.
„Kijk, m'n jongen,” zeideFagin. „Is dat geen prettig leventje? Nu blijven ze den heelen dag uit.”
„Zijn ze al klaar met hun werk?” vroegOliver.
„Ja,” zei de Jood, „dat is te zeggen, niet als ze onverwachts, terwijl ze uit zijn, een of ander werk tegenkomen; dan zullen ze 't niet laten, reken daarop. Neem een voorbeeld aan ze, m'n jongen. Neem 'n voorbeeld aan ze.” Om zijn woorden kracht bij te zetten, sloeg hij met de kolenschop op den haard, „doe alles wat ze zeggen en vraag ze in alle dingen om raad, vooral de Vos. Dat wordt een groot man en hij zal van jou ook een groot man maken als je zijn voorbeeld volgt.—Hangt mijn zakdoek uit m'n zak, beste jongen?” vroeg de Jood plotseling.
„Ja meneer,” zeiOliver.
„Probeer eens of je hem uit m'n zak kunt halen, zonder dat ik er iets van voel, zooals je 't van de jongens gezien hebt, straks bij dat spelletje.”
Oliverhield met de ééne hand den onderkant van den zak vast, zooals hij het de Vos had zien doen en haalde met de andere voorzichtig den zakdoek er uit.
„Heb je 'm?” riep de Jood.
„Hier meneer,” zeiOliveren hield den zakdoek op.
„Je bent een knappe jongen,” prees de vroolijke oude heer en streekOliverliefkozend over het hoofd. „Ik heb nooit zoo'n snuggeren jongen gezien. Hier heb je een shilling. Als je zoo voortgaat, zul je den grootsten man van dezen tijd worden. En kom nou hier, dan zal ik je leeren, hoe je de merken uit de zakdoeken moet halen.”
Oliverdacht er over, hoe zijn kans om een groot man te worden in verband kon staan met dat spelletje om de zakken van den ouden heer te rollen. Maar bedenkend,dat de Jood, die zooveel ouder was, dit wel beter zou weten dan hij, volgde hij hem zwijgend naar de tafel en was spoedig verdiept in zijn nieuwe werk.
Oliverleert de karakters van zijn nieuwe vrienden kennen—hij doet ondervinding op tot hoogen prijs—een kort, maar zeer belangrijk hoofdstuk in deze geschiedenis.
Vele dagen lang bleefOliverin de kamer van den Jood; hij tarnde de merken uit de zakdoeken (waarvan dagelijks heel wat thuis gebracht werden) en nam somtijds deel aan het reeds beschreven spel, dat de Jood en de jongens geregeld elken morgen speelden. Eindelijk begon hij te snakken naar versche lucht en smeekte bij elke gelegenheid den ouden man, hem met zijn twee kameraden te laten meegaan naar 't werk.
Oliververlangde te meer om aan het werk te komen, doordat hij gezien had welke strenge zedelijke beginselen de oude man er op nahield. Als de Vos ofCharley Bates's avonds met leege handen thuis kwamen, voer hij met groote heftigheid uit over het slechte van luiheid en ledigheid; en om hen ervan te overtuigen hoe noodzakelijk het was werkzaam te zijn, zond hij hen zonder avondeten naar bed. Eén keer ging hij zelfs zoo ver, hen beiden de trappen af te stompen, doch dat was alleen het gevolg van te ver gedreven deugdzame principes.
Eindelijk kreegOliverop een morgen de gelegenheid, waarop hij zoo gretig gewacht had. Twee of drie dagen lang waren er geen zakdoeken geweest om aan te werken en de maaltijden waren vrij schraal geweest. Misschiendroeg dit er toe bij, den ouden heer zijn toestemming te doen geven; hetzij dit zoo was of niet, hij zei aanOliverdat hij mee mocht gaan en stelde hem onder het gezamenlijke opzicht vanCharley Batesen zijn vriend, de Vos.
De drie jongens gingen er op uit; de Vos als gewoonlijk met omgeslagen jasmouwen en zijn hoed scheef op zijn hoofd, jongeheerBatesvoortslenterend met zijn handen in zijn zakken, enOlivertusschen hen in, zich afvragend waar zij heen gingen en in welk werk hij 't eerst onderwezen zou worden.
Ze liepen met zulke luie, leelijke slenterpassen, datOliveral heel gauw begon te denken, hoe zijn makkers op weg waren den ouden man te bedriegen, door in 't geheel niet naar hun werk te gaan. Daarbij vond de Vos er een ondeugend pleizier in, kleinen jongens de pet van 't hoofd te slaan en zoo ver mogelijk weg te gooien, terwijlCharley Batesenkele zeer vrije opvattingen omtrent het eigendomsrecht aan den dag legde, door verscheidene appels en uien weg te kapen van de stalletjes aan den waterkant en ze in zijn zakken te doen verdwijnen. Die zakken konden zoo verbazend veel bevatten, dat 't wel scheen alsof zij zijn kleeren in alle richtingen doorkruisten. Dit alles stondOliverzoo tegen, dat hij op 't punt stond te verklaren, dat hij terug wilde, hij zou zoo goed en zoo kwaad als het ging den weg wel zoeken, toen plotseling zijn gedachten in andere banen werden geleid door een geheimzinnige verandering in het doen en laten van den Vos.
Ze kwamen juist van een nauw pleintje, niet ver van de open plek inClerkenwell, die nog uit vreemde behoudendheid „Het Groene Plein” wordt genoemd, toen de Vos plotseling staan bleef, hij legde zijn vinger op de lippen en trok uiterst behoedzaam en voorzichtig zijn kameraden achteruit.
„Wat is er?” vroegOliver.
OLIVER ZAG DE HAND VAN „DEN VOS” VERDWIJNEN IN DE ZAK VAN DEN OUDEN HEER.OLIVERZAG DE HAND VAN „DEN VOS” VERDWIJNEN IN DE ZAK VAN DEN OUDEN HEER.
OLIVERZAG DE HAND VAN „DEN VOS” VERDWIJNEN IN DE ZAK VAN DEN OUDEN HEER.
„St!” antwoordde de Vos. „Zie je die oude kerel bij het boekenstalletje?”
„Die oude heer aan den overkant?” vroegOliver. „Ja, die zie ik.”
„Die is goed,” zei de Vos.
„'n Beste,” merkteCharley Batesop.
Oliverkeek in de grootste verbazing van den een naar den ander, maar hij mocht niets vragen, want de twee jongens staken steelsgewijze de straat over en slopen dicht achter den ouden heer, die hun aandacht had getrokken.Oliverliep een paar passen achter hen aan; hij wist niet of hij achter- of vooruit zou gaan en keek in stille verbazing toe.
De oude heer zag er zeer eerbiedwaardig uit, met een gepoederd hoofd en een gouden bril op. Hij had een donkergroene jas aan met zwart fluweelen kraag, een witten broek en een dunnen bamboe wandelstok onder den arm. Hij had een boek van het stalletje genomen en stond zoo verdiept in zijn lectuur, alsof hij in zijn eigen studeerkamer in een leunstoel zat. Waarschijnlijk verbeeldde hij zich, dat hij daar was, want uit zijn afgetrokkenheid bleek duidelijk, dat hij het boekenstalletje niet zag, noch de straat, noch de jongens, kortom niets dan zijn boek; hij las steeds door, sloeg het blad om als hij aan 't eind van een pagina was, begon dan weer bovenaan de volgende en ging zoo geregeld door met de grootste belangstelling en ijver.
Hoe groot wasOliver'safschuw en schrik, toen hij op kleinen afstand, zijn oogen zoo wijdgeopend als met mogelijkheid kon, de hand van den Vos zag verdwijnen in den zak van den ouden heer en er een zakdoek uithalen! Hij zag hoe de Vos den zakdoek aanCharley Batestoereikte en eindelijk hoe de beide jongens zoo hard ze konden om den hoek verdwenen!
Plotseling was den jongen alles duidelijk, heel hetgeheim van de zakdoeken, de horloges, de juweelen en den Jood. Hij bleef een oogenblik staan; de schrik deed het bloed in zijn aderen zóó gloeien alsof hij in een verschroeiend vuur was; toen, verward en ontsteld, keerde hij zich om en zette het, zonder te weten wat hij deed, op een loopen, zoo snel zijn beenen hem dragen konden. Dit alles gebeurde binnen het tijdsverloop van een minuut. Op hetzelfde oogenblik, datOliverbegon weg te loopen, stak de oude heer zijn hand in zijn zak, miste zijn zakdoek en keek scherp om zich heen. Toen hij den jongen zoo hard weg zag loopen, zag hij natuurlijk in hem den dief en met den uitroep: „Houd den dief!” liep hij hem na zoo hard hij kon, het boek nog in zijn hand.
De oude heer echter was niet de eenige, die schreeuwde. De Vos enCharley Bates, die niet de algemeene aandacht wilden trekken door op straat hard te loopen, waren de eerste de beste portiek om den hoek in gevlucht. Nauwelijks hoorden zij het geschreeuw en zagen zijOliverweghollen, of zij kwamen, dadelijk begrijpend hoe de zaken stonden, vlug te voorschijn, schreeuwden mee: „Houd den dief!” en namen als goede burgers deel aan de algemeene jacht.
OfschoonOliverzijn opvoeding ontvangen had van philosofen, had hij zich niet de schoone theorie eigen gemaakt, dat zelfbehoud de eerste wet is der natuur. Wanneer dit wel het geval ware geweest, zou hij hier misschien op voorbereid zijn geweest. Zoo onvoorbereid trof het hem te meer, dus liep hij voort als de wind, met den ouden heer en de twee jongens brullend en schreeuwend achter hem aan. „Houd den dief! Houd den dief!”
Deze klank heeft tooverkracht. De handelsman laat er zich door uit zijn kantoor lokken en de vrachtrijder van zijn wagen, de slager laat zijn vleeschbak in den steek, de bakker zijn mand, de melkboer zijn emmer, de loopjongen zijn pakjes, de schooljongen zijn knikkers, destraatmaker zijn houweel, het kind zijn raket. Daar rennen ze heen, door elkaar, hals over kop, schreeuwend, tierend, gillend, op de hoeken aanbotsend tegen de voorbijgangers, struikelend over honden en de vogels opjagend; straten, pleinen en stegen weergalmen van den kreet.
„Houd den dief! Houd den dief!” De kreet wordt overgenomen door honderd stemmen en de menigte groeit aan bij elke zijstraat. Weg hollen ze, plassend door den modder, schrapend over het plaveisel; de ramen gaan open, de menschen hollen naar buiten, voort holt de menigte, een heel publiek laat de poppenkast in de steek midden in het spannendste van de vertooning en voegt zich bij de voorthollende menigte; ze gillen mee, zetten den kreet nieuwe kracht bij: „Houd den dief! Houd den dief!”
„Houd den dief! Houd den dief!” Diep in het menschelijke wezen woont de hartstochtom op iets te jagen. Eén ongelukkig kind, buiten adem, hijgend van uitputting, met doodsangst in zijn oogen, groote zweetdruppels gudsend langs zijn gezicht, spant al zijn zenuwen in om zijn vervolgers te ontkomen, en terwijl zij zijn spoor volgen en elk oogenblik op hem winnen, vuren zij zijn bezwijkende krachten aan met steeds luidere kreten en huilen en gillen van vreugd.
„Houd den dief!” Ja, houd hem in Godsnaam, al was het maar uit erbarming.
Eindelijk gegrepen! Een goed gemikte slag. Hij ligt op de straat, en de menigte staat hem nieuwsgierig aan te gapen; elke nieuw-aangekomene duwt en wringt zich tusschen de anderen door om hem maar te zien. „Op zij!” „Geef hem wat lucht!” „Gekheid, hij verdient 't niet.” „Waar is de heer?” „Daar komt hij aan in de straat.” „Plaats voor den mijnheer!” „Is dat de jongen, meneer?” „Ja.”
Oliverlag op den grond, bedekt met stof en modder,zijn mond bloedde, hij keek met verwezen blikken naar al de gezichten om hem heen, toen de oude heer door de voorsten der vervolgers gedienstig in den kring werd getrokken en geduwd.
„Ja,” zei de heer, „ik vrees dat het de jongen is.”
„Vrees!” mompelde de menigte. „Dat 's 'n goeie mop!”
„Arme jongen!” zei de heer, „hij heeft zich bezeerd.”
„Dat hebikgedaan meneer,” zei een lange, lummelachtige kerel, naar voren komend, „ik heb hem met m'n knuist op z'n mond getimmerd.Ikheb hem tegengehouden.”
De kerel tikte met een grijns tegen zijn hoed, verwachtend, dat hij iets voor zijn moeite zou krijgen, maar de oude heer nam hem op met een uitdrukking van weerzin en keek toen angstig rond, alsof hij er over dacht, zelf weg te loopen, en 't is zeer waarschijnlijk, dat hij er een poging toe aangewend zou hebben, waardoor een nieuwe jacht in het leven ware geroepen, wanneer niet een politie-agent, (die gewoonlijk in zulke gevallen de laatste is, welke verschijnt) op dit oogenblik zich een weg door de menigte had gebaand enOliverbij zijn kraag had gepakt.
„Kom, sta op,” zei de man ruw.
„Ik heb 't heusch niet gedaan, meneer. Heusch, twee andere jongens hebben 't gedaan,” zeiOliverhandenwringend, terwijl hij om zich heen keek. „Ze zijn hier wel ergens.”
„O nee, die zijn er natuurlijk vandoor,” zei de agent. Hij bedoelde het ironisch, maar 't was de waarheid, want de Vos enCharley Bateswaren door de eerste de beste steeg ontsnapt. „Kom, vooruit!”
„Doe 'm geen pijn,” zei de oude heer medelijdend.
„O nee, ik zal 'm geen pijn doen,” zei de agent en trok om dit te bewijzen, Olivers buisje half van zijn rug. „Kom, ik ken je, 't geeft allemaal niets. Zal je op je beenen staan, kleine rakker?”
Oliver, die nauwelijks meer staan kon, spande zich in om op te rijzen en werd dadelijk daarop bij zijn kraag door de straten gesleept. De oude heer wandelde mee naast den agent en al degenen uit de menigte, die gelegenheid hadden de gebeurtenis nog verder mee te maken, liepen vooruit en keken van tijd tot tijd om naarOliver. De jongens schreeuwden triomfantelijk en voort ging het.
Handelt overMr. Fang, den politie-rechter, en geeft een klein staaltje van de wijze waarop hij gerechtigheid oefende.
De misdaad was gepleegd binnen het district en zelfs in de onmiddellijke nabijheid van een der voornaamste bureaux van politie. De menigte smaakte alleen de voldoening,Oliverdoor twee of drie straten te begeleiden naar een plein,Mutton Hillgenaamd; hier werd hij door een laag poortje over een vuile binnenplaats aan den achterkant binnen den tempel der snelle gerechtigheid gebracht. Ze kwamen op een klein bestraat binnenplaatsje, en hier ontmoetten zij een dikken man met een bos haar op zijn gezicht en een bos sleutels in zijn hand.
„Wat is er nou aan de hand?” vroeg de man onverschillig.
„Een jonge zakkenroller,” antwoordde de man, dieOliverbeet had.
„Bent u de bestolene meneer?” vroeg de man met de sleutels.
„Ja,” antwoordde de oude heer, „maar ik ben er niet zeker van, dat deze jongen werkelijk mijn zakdoek heeft gestolen. Ik—ik zou de zaak liever niet vervolgen.”
„'t Moet nu voor den rechter komen, meneer,” hernam de man. „Zijn Edelachtbare is over een halve minuut te spreken.—Hier, galgenbrok!”
Dit was een uitnoodiging voorOliverom een deur binnen te gaan, die de man onder het spreken opendeed en die naar een steenen cel voerde. Hier werd hij gefouilleerd en toen er niets op hem gevonden werd, opgesloten.
De cel geleek in vorm en grootte op den kelder van een huis, alleen niet zoo licht. Het was er gruwelijk smerig, want het was Maandagochtend en er waren sinds Zaterdagavond zes dronken menschen in opgesloten geweest. Maar dit is maar een kleinigheid. In onze politie-bureaux worden elken nacht mannen en vrouwen, aan wie niet dan een onbeteekenend iets ten laste is gelegd—let op dit woord—opgesloten in holen, waarbij vergeleken die inNewgate, in gebruik bij de grootste misdadigers, over wie het schuldig en het doodvonnis is uitgesproken, paleizen zijn. Laat iemand die hier aan twijfelt, de beide eens vergelijken.
De oude heer zag er bijna even bedroefd uit alsOlivertoen de sleutel in het slot knarste. Met een zucht keek hij naar het boek, dat de onschuldige oorzaak van al dat tumult was geweest.
„Er is iets in het gezicht van dien jongen,” zei de oude heer in zichzelf, terwijl hij zachtjes op en neer liep en peinzend met het boek tegen zijn kin klopte, „iets dat me treft en ontroert. Kan hij onschuldig zijn? Hij zag er uit als—Ja,” riep de oude heer uit, plotseling staan blijvend en naar boven starend, „God! waar heb ik toch een gezicht gezien, dat hier op leek?”
Na eenige oogenblikken nagedacht te hebben, ging de oude heer met hetzelfde peinzende gezicht een achterkamer binnen, die op de binnenplaats uitzag; en daar, in een hoek teruggetrokken, riep hij voor zijn geestesoogheel een drom van gezichten op, waarover jaren lang een donkere sluier had gehangen. „Neen,” zei de oude heer hoofdschuddend, „het moet verbeelding zijn.”
Nog eens ging hij de gezichten na. Hij had ze opgeroepen, en het was niet gemakkelijk het lijkkleed, dat hen zoo lang bedekt had, er weer overheen te hangen. Daar waren gezichten van vrienden en van vijanden en van velen, die bijna vreemden waren geweest, doch nu uit de menigte naar voren drongen; daar waren gezichten van jonge, bloeiende meisjes, die nu oude vrouwen waren; er waren gezichten, waarover het graf zich had gesloten, maar die nu door den geest, die machtiger is dan het graf, opnieuw omkleed werden met de oude frissche schoonheid, de schittering der oogen, den vroolijken glimlach; door zijn leemen omhulsel vluchtte de ziel naar buiten en fluisterde van schoonheid aan gene zijde van het graf, schoonheid die alleen van gedaante verandert om verhevener te worden, en een zacht en vriendelijk licht te werpen op het pad naar den hemel.
Doch de oude heer kon zich geen enkel gelaat herinneren, waarmedeOliver'strekken iets gemeen hadden. Dus uitte hij een zucht om de herinneringen, die hij had opgewekt; en daar hij, gelukkig voor hemzelf, een verstrooide oude heer was, begroef hij zijn herinneringen opnieuw in het vergeelde boek.
Hij werd gewekt door een klop op zijn schouder en het verzoek van den man met de sleutels, hem naar 't bureau te volgen. Hij sloeg zijn boek dicht en werd dadelijk in de indrukwekkende tegenwoordigheid van den beroemden heerFanggebracht.
Het bureau was een voorkamer met betimmerde muren.Mr. Fangzat aan 't boveneind achter een hekje, aan de ééne zijde van de deur was een soort van houten kooi, waarin de armeOliveral was opgesloten; hij beefde hevig door het indrukwekkende van wat er gebeurde.Mr. Fangwas een magere, rechte, stijve man van middelbare lengte, het weinige haar dat hij had, groeide aan den achterkant en op zij van zijn hoofd. Zijn gezicht was streng en rood. Wanneer hij werkelijk niet de gewoonte had, meer te drinken dan goed voor hem was, kon hij een aanklacht wegens laster tegen zijn gezicht indienen en een groote schadevergoeding eischen.
De oude heer boog eerbiedig en vooruitloopend tot bij den lessenaar van den rechter, zeide hij, een kaartje overreikend: „Hier is mijn naam en adres mijnheer!” Toen deed hij een paar passen achteruit en wachtte na een tweede beleefde en welgemanierde buiging, tot hij ondervraagd zou worden.
Nu wasMr. Fangop dat oogenblik bezig in een morgenblad een artikel door te lezen, dat betrekking had op één van zijn laatste uitspraken en voor de drie honderd vijftigste maal den Staatssecretaris van het Ministerie van Binnenlandsche Zaken aanbeval op hem letten. Hij was daardoor uit zijn humeur en keek boos op.
„Wie bent u?” zeiMr. Fang.
De oude heer wees, eenigszins verwonderd, naar zijn kaartje.
„Agent!” zeiMr. Fang, terwijl hij het kaartje minachtend op zij schoof met de courant. „Wie is die man?”
„Mijn naam, mijnheer,” zeide de oude heer op den toon van een beschaafd man, „mijn naam isBrownlow. Sta mij toe den naam te vragen van den overheidspersoon, die onder bescherming van zijn ambt, een respectabel mensch zonder eenige reden durft te beleedigen.”
Terwijl hij dit zeide, keekMr. Brownlowhet bureau rond als zocht hij iemand, die hem de gewenschte inlichtingen zou willen geven.
„Agent!” zeiMr. Fang, het papier vóór zich verschuivend, „waar wordt die man van beschuldigd?”
„Hij is heelemaal niet beschuldigd, Edelachtbare,”antwoordde de agent. „Hij verschijnt als aanklager van den jongen, Edelachtbare.”
Zijn Edelachtbare wist dit heel goed; maar 't was een goede uitvlucht en een veilige.
„Aanklager van den jongen, zoo?” zeiFangen namMr. Brownlowmet een minachtenden blik van het hoofd tot de voeten op. „Neem hem den eed af!”
„Eer ik den eed afleg, moet ik verlof vragen, een woord te zeggen,” zeiMr. Brownlow, „en dat is, dat ik werkelijk nooit zonder deze huidige ondervinding, geloofd zou hebben.....”
„Hou je mond, mijnheer!” zeiMr. Fangbeslist.
„Dat doe ik niet!” antwoordde de oude heer.
„Hou onmiddellijk je mond of ik laat je van mijn bureau gooien!” zeiMr. Fang. „U bent een onbeschaamde brutale kerel! Hoe durft u een magistraat te brutaliseeren!”
„Wat!” riep de oude heer uit, rood wordend.
„Neem dien man den eed af!” zeiFangtot den klerk. „Ik wil geen woord meer hooren. Neem hem den eed af!”
Mr. Brownlowwas hoogst verontwaardigd; maar overwegende, dat hij den jongen slechts benadeelen zou door er aan toe te geven, onderdrukte hij zijn gevoelens en onderwierp zich onmiddellijk aan de eed-aflegging.
„Nu,” zeiFang, „waarvan wordt die jongen beschuldigd? Wat hebt u te zeggen, mijnheer?”
„Ik stond bij een boekenstalletje”—begonMr. Brownlow.
„Houd uw mond, mijnheer!” zeiMr. Fang. „Agent! Waar is de agent? Hier, neem dien agent den eed af. Nu agent, wat is de zaak?”
De agent vertelde met gepaste nederigheid, hoe hij de beschuldiging had uitgebracht, hoe hijOlivergefouilleerd en niets op hem gevonden had, en hoe dit alles was wat hij wist.
„Zijn er getuigen?” vroegMr. Fang.
„Neen Edelachtbare,” antwoordde de agent.
Mr. Fangbleef enkele minuten zwijgend zitten, toen keerde hij zich naar den beschuldiger en vroeg met stijgende drift:
„Zult u zeggen waarvan u dien jongen beschuldigt, man, ja of neen? U hebt den eed gedaan. Als u nu hier staat en weigert inlichtingen te geven, dan zal ik u straffen wegens gebrek aan eerbied voor de wet; dat zal ik bij....”
Bij wie of wat kwam niemand te weten, want de klerk en de gevangenbewaarder begonnen juist op het goede oogenblik hardop te hoesten; de eerste liet een zwaar boek op den grond vallen, waardoor de verdere woorden niet gehoord werden—toevallig natuurlijk.
Na verscheidene malen op beleedigende wijze in de rede gevallen te zijn, slaagdeMr. Brownlower in het geval uiteen te zetten; hij merkte op, hoe hij in het eerste oogenblik van verrassing, den jongen had nageloopen, omdat hij hem weg zag hollen en sprak de hoop uit, dat, ingeval de politierechter den jongen, zij 't niet zelf voor een dief, toch voor diefjesmaat hield, hij zooveel zachtheid jegens hem zou gebruiken als de wet toeliet.
„Hij heeft zich al bezeerd,” zei de oude heer ten slotte.
„En ik vrees,” voegde hij er op vasten toon bij, terwijl hij naar de kooi keek, „ik vrees werkelijk, dat hij ziek is.”
„O ja, wel zeker!” smaaldeMr. Fang. „Kom, jonge rakker, geen van je kunsten hier; daar kom je niet verder mee. Hoe heet je?”
Olivertrachtte te antwoorden, maar zijn tong weigerde hem den dienst. Hij was doodsbleek en het geheele vertrek scheen met hem rond te draaien.
„Hoe heet je, verstokte booswicht?” vroegMr. Fang. „Agent, hoe heet hij?”
Deze vraag werd gericht tot een dikken ouden manmet een gestreept vest, die bij de kooi stond. Hij boog zich overOliverheen en herhaalde de vraag; doch daar hij bevond, hoeOliverwerkelijk buiten staat was de vraag te verstaan en wetend hoe zijn zwijgen den politierechter slechts te meer zou vertoornen en zijn vonnis verzwaren, waagde hij het, maar iets te zeggen.
„Hij zegt, dat hijTom Whiteheet, Edelachtbare,” zei de goedhartige dievenvanger.
„Wil hij niet hardop praten, hoe is 't?” vroegFang. „Heel goed, heel goed. Waar woont hij?”
„Waar hij kan, Edelachtbare,” antwoordde de agent, opnieuw voorgevendOliver'santwoord over te brengen.
„Heeft hij ouders?” vroegMr. Fang.
„Hij zegt, dat ze gestorven zijn, toen hij een kind was, Edelachtbare.” Hiermee sprak hij het antwoord uit, dat gewoonlijk op die vraag werd gegeven.
Toen de ondervraging zoo ver gevorderd was, hiefOliverhet hoofd op; hij keek met smeekende oogen rond en mompelde zachtjes het verzoek om een slokje water.
„Aanstellerij en malligheid!” zeiMr. Fang. „Probeer me niet voor den gek te houden.”
„Ik geloof, dat hij werkelijk ziek is, Edelachtbare,” zei de politiedienaar met overtuiging.
„Ik weet wel beter,” zeiMr. Fang.
„Pas op agent,” zei de oude heer, instinctmatig zijn handen uitstekend, „hij zal vallen.”
„Ga op zij agent,” riepFang, „laat hem vallen als hij wil.”
Olivermaakte gebruik van de vriendelijk gegeven toestemming en viel in een flauwte op den grond. De mannen in het bureau keken elkaar aan, maar niemand durfde zich te verroeren.
„Ik wist wel, dat hij simuleerde,” zeiFang, alsof het voorgevallene hier het onbetwistbare bewijs voor was. „Laat 'm maar liggen; 't zal hem gauw genoeg gaan vervelen.”
„Hoe denkt u dit geval te behandelen, mijnheer?” vroeg de klerk met zachte stem.
„Heel kort,”antwoorddeMr. Fang. „Hij wordt tot drie maanden veroordeeld—natuurlijk met tewerkstelling. Ontruim het bureau.”
De deur werd tot dit doel geopend en een tweetal mannen maakten zich gereed, den bewusteloozen jongen naar zijn cel te brengen, toen een oudachtig man, fatsoenlijk maar armoedig gekleed in een kaal zwart pak, haastig het bureau binnen kwam hollen en naar den magistraat toe kwam.
„Wacht! Wacht! Breng hem niet weg! Om Godswil, wacht een oogenblik!” riep de nieuw aangekomene, buiten adem door het haasten.
Ofschoon de magistraat in een bureau als dit een onbeperkte macht uitoefent over de vrijheid, den goeden naam, het karakter van Haar Majesteits onderdanen, vooral van de armen, en ofschoon binnen deze muren dagelijks genoeg streken worden uitgehaald om de engelen zich blind te doen schreien, zijn zij gesloten voor het publiek, behalve door bemiddeling van de pers. Dientengevolge wasMr. Fangniet weinig verontwaardigd, een ongenooden gast op zulk een oneerbiedige, onordelijke wijze te zien binnenstormen.
„Wat beteekent dat? Wie is dat? Gooi dien man er uit. Ontruim het bureau!” riepMr. Fang.
„Ikwilspreken,” riep de man, „ik wil er niet uitgegooid worden. Ik heb alles gezien. Ik houd 't boekenstalletje. U moet mij den eed afnemen. Ik wil niet zwijgen.Mr. Fang, u moet mij aanhooren. U mag 't niet weigeren.”
De man was in zijn recht. Zijn optreden was beslist en de zaak werd te ernstig om zoo maar zonder meer van de baan geschoven te worden.
„Neem dien man den eed af,” snauwdeMr. Fang, allesbehalve vriendelijk. „Nu man, wat heb je te zeggen?”
„Dit,” zei de man; „ik zag drie jongens—twee andere en dezen jongen hier—aan den overkant van de straat voorbijslenteren, terwijl deze heer stond te lezen. De diefstal werd door een anderen jongen gepleegd. Ik zag 't gebeuren en ik zag, dat deze jongen heelemaal verbijsterd er bij stond.”
Daar hij nu weer eenigszins op adem was gekomen, ging de eerzame houder van het boekenstalletje voort, een meer samenhangend relaas te geven van de omstandigheden, waaronder de diefstal gepleegd werd.
„Waarom bent u niet eer hier gekomen?” vroegFangna een stilte.
„Ik had niemand om op den winkel te passen,” antwoordde de man. „Iedereen, die mij had kunnen helpen was meegeloopen, den jongen achterna. Eerst vijf minuten geleden kon ik iemand krijgen en ik ben hier naar toe gehold.”
„De aanklager stond te lezen, nietwaar?” vroegFangna een nieuwe stilte.
„Ja,” antwoordde de man. „Uit het boek, dat hij in zijn hand heeft.”
„O, dat boek?” zeiFang. „Is 't betaald?”
„Neen,” antwoordde de man met een glimlach.
„Lieve hemel, dat heb ik heelemaal vergeten!” riep de oude heer argeloos uit.
„'n Mooi iemand om een armen jongen te beschuldigen!” zeiFang, met een grappige poging om er humaan uit te zien. „Ik moet zeggen, mijnheer, dat u zich onder zeer verdachte en onwaardige omstandigheden meester hebt gemaakt van dat boek en u moogt het wel als een geluk beschouwen, dat de eigenaar van vervolging afziet. Laat dit een les voor u zijn, of de wet zal u nog eens achterhalen. De jongen is vrij. Ontruim het bureau.”
„Wel verdomd!” riep de oude heer en liet de woede,die hij zoo lang bedwongen had, den vrijen teugel, „wel verdomd! Ik zal....”
„Ontruim het bureau!” zei de politierechter. „Agenten, versta je me? Ontruim het bureau.”
Het bevel werd gehoorzaamd; de verontwaardigdeMr. Brownlowwerd naar buiten geloodst, met het boek in zijn ééne en den bamboestok in zijn andere hand, buiten zichzelf van woede en verontwaardiging. Hij kwam op de binnenplaats en op hetzelfde oogenblik verdween zijn drift. KleineOliver Twistlag op zijn rug op den grond. Men had zijn hemd losgemaakt en zijn slapen met water bevochtigd. Zijn gezicht was doodsbleek en een koude huivering deed zijn geheele lichaam trillen.
„Arme jongen, arme jongen!” zeiMr. Brownlow, zich over hem heen buigend. „Wilt u eén van allen een rijtuig halen? Dadelijk!”
Er werd een rijtuig gehaald; nadatOlivervoorzichtig op de ééne bank was gelegd, stapte de oude heer ook in en ging op de andere bank zitten.
„Mag ik meegaan?” vroeg de man van het boekenstalletje, naar binnen kijkend.
„Ja zeker, natuurlijk mijnheer,” zeiMr. Brownlowhaastig. „Ik zou u vergeten. Goeie hemel! Ik heb dat ongelukkige boek nog in mijn hand! Stap in. De arme jongen! Er is geen tijd te verliezen.”
De man van het boekenstalletje stapte in het rijtuig en ze reden weg.
WaarinOliverbeter verzorgd wordt dan ooit te voren—en waarin het verhaal terugkeert tot den vroolijken ouden heer en zijn jeugdige vrienden.
Het rijtuig rolde heen, doorMount PleasantenExmouth Street, bijna langs denzelfden weg dienOlivergegaan was toen hij 't eerst in Londen kwam met den Vos. InIslingtonbij de herberg „De Engel” sloeg het een anderen weg in en hield eindelijk stil voor een net huis in een rustige, beschaduwde straat dichtbijPentonville. Hier werd onverwijld een bed opgemaakt enMr. Brownlowzorgde, dat zijn jonge beschermeling er zorgzaam en gemakkelijk in werd neergelegd.Oliverwerd met oneindige teederheid en zorg verpleegd.
Doch verscheidene dagen lang bleefOliverongevoelig voor al de goedheid van zijn nieuwe vrienden. De zon ging op en ging onder, en ging opnieuw op en ging opnieuw onder vele, vele malen; en steeds lag de jongen op zijn ziekbed, wegterend onder de droge, verslindende koortshitte. De worm verricht zijn werk op het doode lichaam niet met grooter zekerheid, dan deze sluipende koorts op het levende gestel.
Zwak, vermagerd en bleek, ontwaakte hij ten laatste uit wat een lange, benauwde droom scheen. Met moeite oprijzend in bed, 't hoofd steunend op zijn bevenden arm, keek hij verbijsterd rond.
„Wat is dit voor een kamer? Waar hebben ze me naar toe gebracht?” zeideOliver. „Dit is niet dezelfde plek, waar ik in slaap viel.”
Daar hij zich duizelig en slap voelde, uitte hij deze woorden met zwakke stem; doch zij werden terstond verstaan, de gordijnen aan het hoofdeinde van het bedwerden haastig opengetrokken en een moederlijke oude dame, zeer zindelijk en netjes gekleed, rees op uit een leuningstoel vlak bij het bed, waarin zij had zitten naaien.
„Stil beste jongen,” zei de oude dame zacht. „Je moet je heel rustig houden, anders word je weer ziek; je bent er slecht aan toe geweest, haast zoo slecht als 't maar kan. Kom, ga weer liggen als een flinke jongen!” Met deze woorden legde de oude dameOliver'shoofd heel zachtjes neer op het kussen; terwijl zij het haar van zijn voorhoofd wegstreek, keek zij hem zoo vriendelijk aan, dat hij niet kon nalaten, met zijn kleine vermagerde hand de hare te nemen en haar arm om zijn hals te leggen.
„Och!” zei de oude dame met tranen in de oogen, „wat een lieve, dankbare jongen is dat. Wat een schat! Wat zou zijn moeder wel voelen, als ze hier had gezeten zooals ik en hem nu kon zien!”
„Misschien ziet ze me wel,” fluisterdeOliver, zijn handen vouwend, „misschien zit zij wel bij me. Ik heb net zoo'n gevoel of zij hier is geweest.”
„Dat was de koorts, lieverd,” zei de oude dame vriendelijk.
„Dat denk ik ook wel,” zeideOliver, „want de hemel is erg ver weg en ze zijn daar veel te gelukkig om naar 't bed van een armen jongen toe te komen. Maar als ze wist, dat ik ziek was, zal zij zelfs dáár wel medelijden met me gehad hebben, want vóór ze stierf, was zij zelf ook erg ziek. Maar ik denk eigenlijk niet, dat zij iets van me weet,” voegdeOliverer na een oogenblik van stilte bij. „Als ze gezien had, dat ik pijn leed, zou 't haar verdriet gedaan hebben, en als ik van haar droomde, stond haar gezicht altijd lief en vroolijk.”
De oude dame antwoordde niet; zij veegde eerst haar oogen af en toen haar bril, die op de sprei lag, alsof die ook deel uitmaakte van haar lichaam; toen gaf zijOliveriets koels te drinken, streek hem over de wangen en zei,dat hij heel stil moest liggen; anders werd hij weer ziek. Dus hieldOliverzich heel stil; deels omdat hij de oude dame graag in alles wilde gehoorzamen, deels, om de waarheid te zeggen, daar hij volkomen uitgeput was door wat hij al gezegd had. Hij viel spoedig in een zachte sluimering, waaruit hij gewekt werd door het licht van een kaars; deze, die vlak bij het bed stond, bescheen een heer met een groot, hardtikkend gouden horloge in de hand, die hem den pols voelde en verklaarde, dat hij veel beter was.
„Nietwaar, je voelt je een boel beter, beste jongen?” vroeg de dokter.
„Ja mijnheer,” antwoorddeOliver.
„Natuurlijk,” zei de dokter. „En je hebt honger, is 't niet?”
„Neen mijnheer!”antwoorddeOliver.
„Hm!” zei de dokter. „Neen, natuurlijk niet. Hij heeft geen honger, juffrouwBedwin.” En de dokter zette een geleerd gezicht.
De oude dame boog eerbiedig het hoofd, als om aan te toonen, dat zij den dokter als een heel knappen man beschouwde. De dokter scheen het daar volkomen mede eens te zijn.
„Je hebt slaap, is 't niet, beste jongen?” vroeg de dokter.
„Neen mijnheer,” antwoorddeOliver.
„Juist,” zei de dokter met een heel slim, voldaan gezicht. „Je hebt geen slaap en geen dorst. Is 't wel?”
„Ja mijnheer, wèl dorst,” antwoorddeOliver.
„Net wat ik verwachtte, juffrouwBedwin,” zei de dokter. „Natuurlijk is hij dorstig. U mag hem wat thee geven en een stukje geroosterd brood zonder boter. Niet te warm toedekken, juffrouw, maar oppassen, dat hij geen kou vat; wilt u daaraan denken?”
De oude dame maakte een buiging. De dokter proefde van den verkoelenden drank en hechtte er zijn hoogegoedkeuring aan; daarna ging hij haastig weg, en terwijl hij de trap afliep, kraakten zijn laarzen, heel voornaam en heel gewichtig.Oliverdommelde bijna dadelijk opnieuw in; toen hij wakker werd, was het bijna twaalf uur 's nachts. De oude dame wenschte hem vriendelijk goeden nacht en liet hem over aan de zorg van een dikke oude vrouw, die juist de kamer was binnengekomen; in een klein bundeltje bracht zij een gebedenboek mee en een geweldige nachtmuts. Nadat zij de laatste een plaats op haar hoofd en het eerste op de tafel gegeven had, vertelde de vrouw aanOliver, dat zij bij hem kwam waken; daarna trok zij haar stoel bij het vuur en verviel in een reeks van korte dutjes, waaruit zij telkens opschrikte met gezucht en keelgeschraap en verschillende knikkende bewegingen van haar lichaam, die echter geen erger effekt hadden, dan dat zij hevig over haar neus wreef en opnieuw in slaap viel.
Zoo kroop de nacht langzaam voorbij.Oliverlag eenigen tijd wakker en telde de lichtkringen, die de weerschijn van het nachtlichtje op den zolder wierp; of zijn moede oogen trachtten het ingewikkelde patroon van het behangsel aan den muur te volgen. De duisternis en de diepe stilte van de kamer hadden iets plechtigs; toen, onder den indruk daarvan, de gedachte in den jongen opkwam, dat de dood hier vele dagen en nachten rondgewaard had, en misschien weer zou naderen met de somberheid en verschrikking van zijn ontzettende tegenwoordigheid, drukte hij zijn gezicht in het kussen en bad vurig tot den hemel.
Allengs viel hij in dien diepen, rustigen slaap, die alleen herstel uit een zware ziekte geven kan; die kalme, vredige rust, waaruit wij met een zeker leedgevoel ontwaken. Wie zou, wanneer deze slaap de dood was, weder wenschen te ontwaken tot al de moeiten en plagen van het leven, tot al de zorgen voor het tegenwoordige,alle angsten voor de toekomst en vooral tot al de drukkende herinneringen aan het verleden?
Het was al uren lang helder dag, toenOliverzijn oogen open deed, en toen hij 't deed, voelde hij zich gelukkig en vroolijk. De crisis van de ziekte was veilig doorstaan. Hij behoorde weer tot de wereld.
Na drie dagen kon hij opzitten in een gemakkelijken stoel, goed gesteund door kussens; en daar hij nog te zwak was om te loopen, had juffrouwBedwinhem naar beneden gedragen, naar de kleine huiskamer, die haar rijk was. Toen zij hem bij het vuur had gezet, ging de goede, oude dame zelf ook zitten, en in haar groote vreugde, hem zooveel beter te zien, begon zij hevig te schreien.
„Let er maar niet op, lieve jongen,” zeide de oude dame. „Ik huil alleen maar eens lekkertjes uit. Daar, 't is al over ook, en nu ben ik heerlijk opgelucht.”
„U bent zoo goed voor me, juffrouw,” zeiOliver.
„Praat daar nu niet over, lieverd,” zei de oude dame, „dat heeft niets met je bouillon te maken en 't is hoog tijd, dat je die krijgt, want de dokter zegt, datMr. Brownlowje misschien vanmorgen komt opzoeken; en dan moeten we ons beste beentje voorzetten, want hoe beter we er uitzien, hoe meer hij in zijn schik zal wezen.”
Met deze woorden ging de oude dame een bord vol bouillon warmen in een pannetje.Olivervond, dat de bouillon krachtig genoeg was, om, als ze behoorlijk verdund werd, ten minste drie honderd vijftig armen een maal te verschaffen.
„Houd je van schilderijen, lieverd?” vroeg de oude dame, toen zij zag, hoeOlivermet alle aandacht keek naar een portret, dat juist tegenover zijn stoel aan den muur hing.
„Ik weet 't eigenlijk niet, juffrouw,” antwoorddeOliver,zonder zijn oogen van het doek af te wenden, „ik heb zoo weinig gezien, dat ik 't heusch niet weet. Wat heeft die dame een mooi, lief gezicht!”
„Och kind!” zei de oude dame, „schilders maken de dames altijd mooier dan ze zijn; anders kregen ze geen klanten. De man, die de machine heeft uitgevonden, om precies gelijkende portretten te maken, kon van te voren weten, datditnooit succes zou hebben; zoo iets is veel te eerlijk. Veel te eerlijk,” zei de oude dame, hartelijk lachend om haar eigen grap.
„Is—is dit iemand, juffrouw?” vroegOliver.
„Ja,” zei de oude dame, een oogenblik opkijkend van haar bouillon, „'t is een portret.”
„Van wie juffrouw?” vroegOliver.
„Dat weet ik gerust niet, lieverd,” antwoordde de oude dame vriendelijk. „'t Lijkt toch, geloof ik, niet op iemand, die jij of ik kennen. Je schijnt 't mooi te vinden.”
„'t Is zoo lief,” antwoorddeOliver.
„Je bent er toch niet bang voor?” vroeg de oude dame, en merkte in de grootste verbazing op, dat het kind met iets angstigs naar het portret keek.
„O, nee, nee,” antwoorddeOliverhaastig, „maar die oogen kijken zoo verdrietig en 't is of ze mij aankijken, hoe ik ook zit. Mijn hart gaat bonzen,” voegde hij er met zachte stem bij, „net of dat gezicht levend is en tegen mij spreken wil, maar niet kan.”
„Goeie hemel!” riep de oude dame verschrikt uit, „praat zoo niet, kind. Je bent nog zwak en zenuwachtig na je ziekte. Laat mij je stoel naar den anderen kant rollen, dan zie je 't niet. Zoo!” zei de oude dame, de daad bij het woord voegend, „nu zie je 't tenminste niet.”
Oliverzag het in zijn verbeelding nog even duidelijk alsof hij niet van plaats veranderd was, maar hij vond het beter, de vriendelijke oude dame niet meer te verontrusten, dus glimlachte hij vriendelijk, toen zij hemaankeek, en juffrouwBedwin, tevreden nu hij rustiger scheen, zoutte de bouillon en brak er stukjes brood in met al den omslag, die zulke plechtige toebereidselen vereischten.
Oliverat de soep met ongewone haast op. Nauwelijks was de laatste lepel vol naar binnen, toen er zachtjes op de deur werd geklopt. „Binnen!” zei de oude dame, en binnen kwamBrownlow.
De oude heer kwam zoo vroolijk binnen als 't maar kon, maar nauwelijks had hij zijn bril op zijn voorhoofd geschoven en zijn handen achter de panden van zijn jas gestoken omOliverop zijn gemak te bekijken, of zijn gezicht begon op een vreemde manier te vertrekken.
Oliverzag er door zijn ziekte heel teer en bijna doorschijnend uit; uit eerbied voor zijn weldoener deed hij een vergeefsche poging om op te staan, die daarmede eindigde, dat hij weer in zijn stoel terugzonk; de kwestie is, om de waarheid te zeggen, dat het hart vanMr. Brownlow, dat groot genoeg was om over zes oude heeren vol menschelijke gevoelens verdeeld te worden, hem door de werking van een of ander hydraulisch proces, dat alleen grooter philosofen dan wij zouden weten te verklaren, de tranen in de oogen dreef.
„Arme jongen, arme jongen!” zeideMr. Brownlow, zijn keel schrapend. „Ik ben een beetje schor vanmorgen, juffrouwBedwin. Ik ben bang, dat ik kou heb gevat.”
„Dat hoop ik niet, mijnheer,” zeide juffrouwBedwin. „Al 't linnengoed dat u gebruikt heeft, was goed uitgedampt, mijnheer.”
„Ik weet 't niet, juffrouwBedwin. Ik weet 't niet,” zeiMr. Brownlow, „ik geloof, dat ik gisteren een vochtig tafellaken had; maar 't doet er niet toe. Hoe voel je je, beste jongen?”
„Heel gelukkig mijnheer,” antwoorddeOliver. „En heel dankbaar voor uw goedheid.”
„Je bent een bravejongen,” zeiMr. Brownlowmet vaste stem. „Heb je hem wat te eten gegeven, juffrouwBedwin? En een of ander slap drankje zeker?”
„Hij heeft net een bord lekkere, sterke bouillon gehad mijnheer,” antwoordde juffrouwBedwin, haar hoofd een beetje in de hoogte stekend en met een scherpen klemtoon op het laatste woord, als om aan te toonen, dat er tusschen een slap drankje en goed getrokken bouillon niet de minste verwantschap of overeenkomst bestond.
„Brr!” zeideMr. Brownlowmet een lichte huivering, „een paar glazen portwijn zou hem veel meer goed hebben gedaan. Is 't niet,Tom White?”
„Ik heetOliver, mijnheer,” antwoordde de kleine zieke met verbaasden blik.
„Oliver?” zeiMr. Brownlow. „Oliver-wat?Oliver White?”
„Nee mijnheer,Twist—Oliver Twist.”
„'n Vreemde naam!” zei de oude heer. „Hoe kwam je er toe, aan den rechter te zeggen, dat jeWhiteheette?”
„Dat heb ik niet gezegd, mijnheer,” antwoorddeOliververbaasd.
Dit klonk zoozeer als een leugen, dat de oude heerOlivereenigszins strak aankeek. Het was onmogelijk aan hem te twijfelen; er sprak waarheid uit elken scherpen trek van zijn mager gezichtje.
„Een of ander misverstand,” zeiMr. Brownlow.
Maar ofschoon er niet langer reden bestond omOliverstrak aan te kijken, kwam de vroegere gedachte aan een gelijkenis tusschen dit gezicht en een ander, dat hij gekend had, zoo sterk in hem terug, dat hij zijn oogen niet af kon wenden.
„Ik hoop, dat u niet boos op mij bent, mijnheer?” vroegOliver, zijn oogen smeekend opheffend.
„Neen, neen!” antwoordde de oude heer. „Nee maar! juffrouwBedwin, kijk eens!”
Terwijl hij sprak, wees hij haastig naar het portret bovenOliver'shoofd en toen naar het gezicht van den jongen. Het ééne was de levende copie van het andere. Oogen, voorhoofd, mond, elke trek was dezelfde. De uitdrukking was voor het oogenblik zoo precies gelijk, dat het kleinste lijntje met verbijsterende nauwkeurigheid nagetrokken scheen te zijn.
Oliverwist niet, waardoor deze onverwachte uitroep veroorzaakt werd, want hij schrikte ervan en daar hij nog niet sterk genoeg was om dien schrik te verdragen, viel hij flauw. Een zwakheid van zijn kant, die den verhaler de gelegenheid verschaft, den lezer uit de onzekerheid te helpen ten opzichte der twee jonge leerlingen van den vroolijken ouden heer.
Toen de Vos en zijn waardige vriendCharley Batesinstemden met het hulpgeschreeuw, dat, tengevolge van hun onwettigen aanval op het persoonlijk eigendom vanMr. BrownlowachterOliveraanbrulde, werden zij geleid door een zeer gepaste en prijzenswaardige zucht tot zelfbehoud en daar elk rechtgeaard Engelschman de vrijheid der burgers en de onaantastbaarheid van het individu als het eerste beschouwt, waarop hij trotsch mag zijn, behoef ik den lezer nauwelijks er op te wijzen, hoe deze handelwijze genoemde jongelieden noodzakelijk moet doen stijgen in het oordeel van alle vaderlandslievende menschen, die oog hebben voor het openbare welzijn; bijna in dezelfde mate als waarin dit sterke bewijs van den ijver waarmede zij voor eigen veiligheid en levensbehoud zorgden, bij kan dragen ter versterking en bekrachtiging van den kleinen wettenketen, door zekere diepzinnige en gezond-oordeelende wijsgeeren erkend als de bron van alle handelingen en daden der Natuur.
Genoemde philosofen brengen met groote wijsheid alle gedragingen van deze goede Dame terug tot zekere grondstellingenen theorieën en onder het maken van een zeer gepast en aardig compliment aan haar groote wijsheid, schakelen zij alle gevoeligheden of edelmoedige drijfveeren uit. Want dit zijn zaken, verre beneden een vrouwelijk wezen, dat onder algemeene instemming erkend wordt als te zijn verheven boven vele kleine zwakheden van haar sekse.
Wanneer ik eenig verder bewijs behoefde voor de streng wijsgeerige wijze waarop deze jongelieden zich in hun delicate positie gedroegen, zou ik dat dadelijk vinden in het feit (ook reeds vroeger in dit verhaal vermeld), dat zij, toen de algemeene aandacht opOlivergevestigd was, de vervolging staakten en langs den kortst mogelijken weg naar huis gingen. Het is mijn bedoeling niet te beweren, dat beroemde en geleerde wijsgeeren gewoonlijk den kortsten weg nemen, die tot een of ander groot doel voert (veel eer is het hun gewoonte den afstand te verlengen door omhaal van woorden en zweverige omschrijvingen, niet ongelijk aan die waarin beschonken menschen, onder den invloed van al te grooten vloed van ideeën, plegen te vervallen); ik wil alleen zeggen, en zeg dit met nadruk, dat vele invloedrijke philosofen, wanneer zij hunne theorieën uitspreken, onveranderlijk blijk geven van groote wijsheid en inzicht, door zich te wapenen tegen alle mogelijke toevallige gebeurtenissen, die zij veronderstellen, dat zich voor zouden kunnen doen.
Zoo mag men, om in het groot goed te doen, in het klein iets slechts doen, en ge moogt alle middelen gebruiken, die door het beoogde doel gerechtvaardigd worden; de waardeering der beteekenis van goed en kwaad, of liever het onderscheid tusschen die beide, wordt geheel overgelaten aan den betrokken wijsgeer, die het vast zal stellen met zijn helder, begrijpend en onpartijdig inzicht van zijn eigen bijzonder geval.
Eerst nadat de jongens, zoo vlug ze konden, door eendoolhof van nauwe steegjes en straatjes waren geloopen, waagden zij het onder een laag donker poortje stil te staan. Toen zij er zoo lang zwijgend gestaan hadden, tot zij juist genoeg op adem waren gekomen om te kunnen spreken, lietCharley Bateseen uitroep van pret hooren; hij barstte uit in een dollen schaterlach, liet zich op een stoep vallen en rolde daar in de grootste vroolijkheid om en om.