Terwijl de schurk de armen over elkaar sloeg en in de onmacht van teleurgestelde schurkerij zichzelf verwenschte, wendde de heerBrownlowzich tot de ontstelde toehoorders en legde uit, hoe de Jood, van ouds de medeplichtige en vertrouwde vanMonks, een groote belooning had ontvangen, als hijOlivergevangen hield, waarvan weer een deel teruggegeven moest worden, wanneer de jongen ontkwam; een geschil over dit punt had tot hun bezoek aan het landhuis geleid met het doel,Oliver'sidentiteit vast te stellen.
„Het medaillon en de ring?” vroegMr. BrownlowaanMonks.
„Die heb ik gekocht van den man en de vrouw, waar ik u van heb verteld; die vrouw stal ze van de baker, die ze van het lijk stal,” antwoorddeMonksmet neergeslagen oogen. „U weet wat er mee gebeurd is.”
De heerBrownlowgaf den heerGrimwigeen wenk, waarop deze dadelijk de kamer uitging en terstond terugkwam, juffrouwBumblevoor zich uitduwend en haar tegenstrevenden echtvriend achter zich aantrekkend.
„Bedriegen mijn oogen mij!” riepMr. Bumblemet slecht gespeeld vreugdvertoon, „of is dat niet kleineOliver? OOliverals je wist, hoe ik naar je verlangd heb.”
„Hou je mond, gek!” mompelde juffrouwBumble.
„Is 't dan niet natuurlijk, juffrouwBumble?” wierp de armhuis-vader tegen. „Begrijp je niet, dat ik wat bijzonders voel—ik, die hem in de Gemeente heb opgevoed—als ik hem hier zie zitten tusschen zulke voorname dames en heeren. Ik heb altijd van die jongen gehouden, of hij mijn eigen—mijn eigen—grootvader was,” zeiMr. Bumble, tevergeefs naar een passende vergelijking zoekend. „JongeheerOliver, lieve jongen, herinner je je die goeie meneer met zijn witte vest nog?Verleden week is hij naar den hemel gegaan, in een elken kist met zilveren handvatsels,Oliver.”
„Kom vriend,” vielMr. Grimwigknorrig in, „laat uw gevoelens rusten.”
„Ik zal mijn best doen, meneer,” antwoorddeMr. Bumble. „Hoe maakt u 't, meneer? Gezond, hoop ik.”
Deze begroeting was tot den heerBrownlowgericht, die het eerbiedwaardige paar tot op korten afstand was genaderd. Hij wees naarMonksen vroeg:
„Kent u die persoon?”
„Neen,” antwoordde juffrouwBumblezonder bedenken.
„U dan misschien?” vroeg de heerBrownlowaan haar echtgenoot.
„Ik heb hem nooit in mijn leven gezien,” zeiMr. Bumble.
„Heeft u hem misschien iets verkocht?”
„Neen,” antwoorddeMr. Bumble.
„U hebt nooit een zeker gouden medaillon en ring gehad?” vroegMr. Brownlow.
„Welzeker niet,” antwoordde de armmoeder. „Waarom worden wij hier gebracht om op zulke nonsens te antwoorden?”
Weer gaf de heerBrownlowden heerGrimwigeen wenk en weer hinkte de laatste met buitengewone bereidwilligheid de kamer uit. Maar nu kwam hij niet binnen met een dikke man en vrouw; ditmaal bracht hij twee oude bestjes mee, die beefden en wankelden onder het loopen.
„U sloot de deur dien avond, toen ouweSallystierf,” zei de eerste en hief haar beenige hand op, „maar u kon de klank van de woorden niet wegsluiten en de kieren in de deur niet dichtstoppen.”
„Neen, neen,” zei de ander, terwijl zij om zich heen keek en haar tandelooze kaken over elkaar schoof. „Neen, neen, neen.”
„We hoorden, hoe zij probeerde te vertellen wat zij gedaan had en we zagen, hoe u een papier uit haar hand nam en we zagen ook, dat u den volgenden dag naar het pandjeshuis ging,” zei de eerste.
„Ja,” voegde de tweede er bij, „en 't was een medaillon en een gouden ring. Dat hebben we ontdekt en zagen, dat de pandjesbaas 't u gaf. Wij waren er ook, ja wij waren er ook bij.”
„En we weten nog meer,” hernam de eerste, „want zij vertelde ons dikwijls, lang geleden, dat de jonge moeder haar had verteld, hoe ze voelde er niet door te zullen komen en hoe zij op 't oogenblik dat ze ziek werd, op weg was om te sterven bij het graf van den vader van haar kind.”
„Wilt u den pandjesbaas zelf spreken?” vroeg de heerGrimwigmet een beweging naar de deur.
„Neen,” antwoordde de vrouw, „als hij—” naarMonkswijzend—„als hij laf genoeg geweest is om te bekennen, en ik zie, dat hij 't gedaan heeft, en u hebt al die ouwe heksen uitgevraagd, tot u de rechte gevonden had, dan heb ik niets meer te zeggen. Ikhebdie dingen verkocht en ze zijn ergens, waar u ze nooit vandaan zult halen. En wat zou dat nou?”
„Niets,” antwoordde de heerBrownlow, „alleen staat het aan ons er voor te zorgen, dat geen van u beiden meer op een post van vertrouwen gesteld wordt. U kunt gaan.”
„Ik hoop toch,” zeiMr. Bumble, terwijl hij met een berouwvol gezicht om zich heen keek, terwijlMr. Grimwigmet de twee oude vrouwen heenging—„ik hoop, dat dit ongelukkige voorvalletje mij mijn betrekking bij de Gemeente niet zal kosten?”
„Dat zal het juist,” antwoorddeMr. Brownlow. „U kunt daar op rekenen en u moogt nog blij zijn, dat het daarmee afloopt.”
„'t Was allemaal 't doen van juffrouwBumble. Zijwou met alle geweld,” stameldeMr. Bumble, nadat hij zich ervan overtuigd had, dat zijn echtvriendin de kamer had verlaten.
„Dat is geen verontschuldiging,” hernam de heerBrownlow. „U was er bij tegenwoordig, toen die kleinoodiën vernietigd werden en in de oogen van de wet bent u het meest schuldig van u beiden, want de wet neemt aan, dat uw vrouw onder uw aandrang handelde.”
„Als de wet dat aanneemt,” zeiMr. Bumble, terwijl hij zijn hoed tusschen zijn beide handen kneep, „dan is de wet een ezel—een idioot. Als dat het inzicht is van de wet, dan is de wet een vrijgezel; en het ergste wat ik de wet kan toewenschen, is, dat hem de pogen mogen opengaan door ondervinding—door ondervinding, zeg ik.”
NadatMr. Bumbledeze twee woorden met grooten nadruk herhaald had, zette hij zijn hoed vast op zijn hoofd, stak de handen in zijn zakken en volgde zijn levensgezellin naar beneden.
„Miss Rose,” zeideMr. Brownlow, terwijl hij zich totRosewendde, „geef mij uw hand. Wees niet bang. U hoeft niet bang te zijn voor de enkele woorden, die ik nog te zeggen heb.”
„Als die—ik weet wel niet hoe 't kan—maar als die woorden—iets met mij te maken hebben,” zeideRose, „toe, laat mij ze dan op een ander oogenblik hooren. Ik voel me nu niet sterk en niet opgewekt genoeg.”
„Kom,” gaf de oude heer terug, terwijl hij haar arm door den zijne trok,„ik weet zeker, dat u kracht genoeg heeft. Kent u deze jonge dame, mijnheer?”
„Ja,” antwoorddeMonks.
„Ik heb u nooit gezien,” zeiRosezacht.
„Ik heb u dikwijls gezien,” antwoorddeMonks.
„De vader van de ongelukkigeAgneshadtweedochters,” zei de heerBrownlow. „Wat werd er van de andere dochter—die nog een kind was?”
„Toen de vader van dat kind in een vreemde plaats stierf,” hernamMonks, „onder een aangenomen naam, zonder een brief, een boek of een reepje papier na te laten, dat ook maar de geringste aanwijzing kon geven, waardoor zijn vrienden of bloedverwanten opgespoord konden worden—werd het kind door arme boerenmenschen opgenomen, die het als hun eigen kind grootbrachten.”
„Ga voort,” zeideMr. Brownlow, terwijl hij mevrouwMaylieeen wenk gaf, nader te komen. „Ga voort.”
„U kon niet uitvinden, waar die menschen heen waren getrokken,” zeiMonks, „maar waar vriendschap onmachtig blijkt, baant haat zich dikwijls een weg. Na een jaar van slim onderzoek ontdekte mijn moeder het—en vond het kind.”
„Zij nam het mee, nietwaar?”
„Neen. De menschen waren arm en begonnen—tenminste de man—genoeg te krijgen van hun fraaie menschlievendheid; dus liet mijn moeder het kind bij hen; ze gaf hun een klein geschenk in geld dat niet lang zou reiken, en beloofde meer, met het plan, dit nooit te zenden. Om het kind ongelukkig te maken, vertrouwde zij niet alleen op hun ontevredenheid en armoede, maar vertelde bovendien het verhaal van haar zuster's schande, met zulke veranderingen, als haar geschikt voorkwamen; beval hen aan, goed op het kind te passen, want ze stamde van slecht bloed af en vertelde hun dat zij een onwettig kind was, dat zeker den een of anderen tijd den slechten weg zou opgaan. De omstandigheden schenen de waarheid van dit alles te bevestigen; de menschen geloofden het en zoo werd het kind overgeleverd aan een bestaan, zóó ellendig, dat zelfs wij voldaan waren, totdat een rijke weduwe, die toen inChesterwoonde, het meisje toevallig zag, er medelijden mee kreeg en haar in huis nam. 't Was of de duivel tegen ons in't spel was, want ten spijt van al onze pogingen, bleef zij daar en was gelukkig. Een jaar of twee, drie geleden, verloor ik haar uit het oog en zag haar eerst vóór een paar maanden terug.”
„Ziet u haar nu?”
„Ja. Aan uw arm.”
„Maar daarom ben je toch mijn nichtje,” riep MevrouwMaylie, terwijl zij het meisje, dat bijna onmachtig neerviel, in haar armen sloot, „toch mijn lieve, lieve kind. Ik zou haar niet willen verliezen voor alle schatten ter wereld. Mijn lieve vriendinnetje, mijn eigen dierbare meisje!”
„De eenige vriendin, die ik ooit gehad heb,” riepRose, terwijl zij zich aan haar vastklemde. „De liefste, beste vriendin. O 't is of mijn hart uit elkaar springt. Ik kan dit niet allemaal dragen.”
„Je hebt meer gedragen en bent, door alles heen, het beste en liefste schepseltje gebleven, dat ooit geluk gaf aan ieder die haar kende,” zeide mevrouwMaylie, haar teeder omhelzend.
„Kom, kom, kindlief, denk eens aan iemand, die er naar snakt, je in zijn armen te sluiten; 't arme kind! Kijk dan—toe, lieverd!”
„Niettante,” riepOlivermet zijn armen omRose'shals, „ik zal je nooit tante noemen—maar zuster, mijn eigen, lieve zuster; mijn hart zei me van begin af dat ik van je houden moest.Rose, lieve, lieveRose!”
Laat ons de tranen, die vergoten werden en de afgebroken woorden die gestameld werden, terwijl de weezen elkaar lang en innig omvat hielden, heilig houden. In dat ééne oogenblik wonnen en verloren zij vader, moeder en zuster. In den beker dien zij dronken, was vreugde en droefheid gemengd; maar 't waren geen bittere tranen, want elke smart was reeds zóó verzacht en omweven van zulke liefelijke teedere herinneringen,dat de smart zelf in een ernstige vreugd verkeerde en vrij werd van pijn.
Ze bleven langen tijd alleen. Eindelijk verkondigde een zacht klopje op de deur, dat er iemand buiten stond.
Oliverdeed de deur open, slipte weg en maakte plaats voorHarry Maylie.
„Ik weet alles,” zeide hij, terwijl hij naast het bekoorlijke meisje ging zitten. „LieveRose, ik weet alles.”
„'t Is geen toeval, dat ik hier ben,” voegde hij er na een lange poos van stilte bij, „ook heb ik dit alles niet vanavond gehoord, want ik wist het gisteren—niet eer dan gisteren. Kun je raden, dat ik hier kom om je aan een belofte te herinneren?”
„Wacht,” zeideRose. „Weet je werkelijk alles?”
„Alles. Je hebt mij verlof gegeven, binnen het tijdsverloop van een jaar op het onderwerp van ons laatste gesprek terug te komen.”
„Dat heb ik, ja.”
„Niet om je te dwingen je besluit te veranderen,” ging de jonge man voort, „maar om het je te hooren herhalen, als je wilde. Ik zou, welke positie of welk fortuin ik ook had, fortuin en positie aan je voeten leggen en als je nog vasthield aan je vroegere besluit zou ik, daartoe had ik mij verbonden, door woord noch daad trachten, er verandering in te brengen.”
„Dezelfde redenen, die mij toen dat besluit deden nemen, bestaan nog voor mij,” zeideRoseop vasten toon. „Wanneer ik ooit een sterke en onontkoombare verplichting voelde jegens haar, wier goedheid mij gered heeft uit een leven van lijden en armoede, dan toch zeker wel vanavond? Het kost strijd,” zeideRose, „maar ik ben er trotsch op, dien strijd door te maken; het doet pijn, maar mijn hart zal dien pijn verdragen.”
„De onthullingen van vanavond—” begonHarry.
„De onthullingen van vanavond,” vielRosezacht in,„laten mij met betrekking tot jou in dezelfde positie als tevoren.”
„Je verhardt je hart tegen mij,Rose,” verweetHarry.
„OHarry, Harry,” zei het jonge meisje, in tranen uitbarstend, „kon ik dat maar en mijzelf dezen pijn besparen!”
„Waarom doe je jezelf dan zooveel pijn?” vroegHarryen nam haar hand. „DenkRoseaan wat je vanavond gehoord hebt.”
„En wat heb ik dan gehoord? Wat heb ik gehoord?” riepRose. „Dat het gevoel van diepe schande zóó op mijn eigen vader inwerkte, dat hij de heele wereld schuwde—we hebben al genoeg gezegdHarry, we hebben genoeg gezegd.”
„Nog niet, nog niet,” zei de jonge man, en hield haar tegen, toen zij opstond. „Mijn verwachtingen, mijn wenschen, mijn vooruitzichten, mijn gevoel—alles wat mijn leven vervulde, behalve mijn liefde voor jou—hebben een verandering ondergaan. Ik bied je nu niet een hooge plaats aan met een praatzieke menigte om je heen; je zult niet in aanraking behoeven te komen met een wereld vol laster en minachting, waar schuldelooze wangen blozen door iets anders dan werkelijk schuldbewustzijn en schaamte,—alles wat ik je aanbied is een tehuis, een hart en een huis—ja liefsteRose, dat alleen.”
„Wat bedoel je?” stamelde zij.
„Ik bedoel alleen dit—toen ik laatst van je heenging, geschiedde dit met het vaste besluit, alle denkbeeldige hinderpalen tusschen jou en mij uit den weg te ruimen; als jij niet in mijn wereld kon komen, zou ik tot de jouwe gaan; geen geboortetrots zou den neus voor jou optrekken, want ik liet dien trots los. Dit heb ik gedaan. Zij die mij hierom den rug hebben toegekeerd, keerden jou den rug toe en bewezen daarmee, dat je gelijk had. Allerleimachtige beschermheeren, allerlei connecties van invloed en rang, die mij vroeger toelachten, kijken mij nu onverschillig aan; maar in Engeland's schoonste dreven zijn lachende velden en wuivende boomen en naast een dorpskerkje—mijnkerkjeRose—staat een landelijke woning, waar jij mij trotscher kunt maken dan al de verwachtingen, waarvan ik afstand heb gedaan, al waren ze nog duizendmaal schooner geweest. Dit is numijnplaats in de maatschappij en die leg ik aan jouw voeten.”
„Vervelend met 't souper op een paar verliefde menschen te moeten wachten,” zeiMr. Grimwig, toen hij wakker werd uit zijn dutje en zijn zakdoek van zijn hoofd nam.
Om de waarheid te zeggen, had 't souper verschrikkelijk lang staan wachten. Noch mevrouwMaylie, nochHarry, nochRose, (die allen te zamen binnen kwamen) konden een verklaring ervoor geven.
„Ik dacht er waarachtig over, mijn hoofd op te eten,” zeiMr. Grimwig, „want ik begon te gelooven, dat ik niets anders meer kreeg. Als u 't mij toestaat, zal ik zoo vrij zijn de toekomstige bruid met een kus te feliciteeren.”
Mr. Grimwigmaakte onmiddellijk van deze vrijheid tegenover het blozende meisje gebruik; het voorbeeld werkte zoo aanstekelijk, dat het onmiddellijk door den dokter enMr. Brownlowwerd nagevolgd. Sommige menschen beweren dat het voorbeeld 't eerst doorHarry Mayliein een donkere kamer ernaast gegeven was, maar de meest geloofwaardige autoriteiten verklaren dit kortweg voor een schandaal, daar hij jong was en geestelijke.
„Oliver, kindlief,” zeide mevrouwMaylie, „waar ben je geweest en waarom kijk je zoo verdrietig? Detranen loopen nu zelfs langs je gezicht. Wat scheelt er aan?”
De wereld is vol van teleurstelling—dikwijls in de verwachtingen die ons het liefst zijn, en verwachtingen die ons hart het meest eer aandoen.
ArmeDickwas dood!
De laatste nacht vanFagin'sleven.
Het gerechtshof was van boven tot beneden met menschengezichten als geplaveid. Vragende, nieuwsgierige oogen gluurden uit elke duim ruimte. Vanaf het hekje vóór de kooi der beschuldigden, tot in het verste punt van het kleinste hoekje der galerijen, waren aller blikken gericht op één man—Fagin. Voor en achter hem—boven, beneden, rechts en links, scheen hij omgeven te zijn door een firmament, dat aan alle kanten schitterde van heldere oogen.
In dien glans van levend licht stond hij met de ééne hand op de houten balustrade vóór hem, de andere aan zijn oor en zijn hoofd naar voren gebogen, om beter elk woord op te vangen, dat door den voorzitter der rechtbank, die zijn aanklacht voor de jury indiende, werd gesproken. Van tijd tot tijd wendde hij zijn oogen met scherpen blik naar de jury om het kleinste vederlichte gunstige teeken waar te nemen; toen de punten der beschuldiging met verschrikkelijke duidelijkheid werden vastgesteld, keek hij naar zijn advocaat, met de stomme bede, dat deze tenminste iets ten zijnen gunste zou zeggen. Behalve deze teekenen van vrees, bewoog hij hand noch voet. Sedert de zitting begon, had hij nauwelijks eenige beweging gemaakt en nu de rechter ophield met spreken, bleef hij nog in dezelfde strakke houdingvan gespannen aandacht met zijn starenden blik op hem gericht, alsof hij nog luisterde.
Een licht gedruisch in het hof bracht hem tot zichzelf.
Toen hij om zich heen keek, zag hij, hoe de juryleden de hoofden bijeen staken om over hun uitspraak te beraadslagen. Toen zijn oogen naar de galerijen dwaalden, kon hij de menschen zich over elkaar heen zien buigen om zijn gezicht te zien—sommigen richtten haastig hun kijkers op hem—en anderen fluisterden met een uitdrukking van afschuw op hun gezicht hunne buren iets in. Enkelen schenen niet op hem te letten en keken alleen naar de juryleden, in ongeduldige verwondering, hoe zij nog konden aarzelen. Maar op geen enkel gezicht—zelfs niet onder de vrouwen, die er in grooten getale waren—kon hij ook maar het geringste medegevoel voor hemzelf lezen, of eenig ander gevoel dan een alles overheerschend verlangen hem te zien veroordeelen.
Terwijl hij dat alles in één verbijsterenden blik opnam, werd het opnieuw doodelijk stil en toen hij omkeek, zag hij, dat de juryleden zich tot den rechter hadden gewend. Stil!
Zij vroegen alleen verlof zich terug te trekken.
Toen zij voorbijgingen om heen te gaan, keek hij hen één voor één strak in het gezicht, als om te zien tot welk oordeel het meerendeel neigde; maar tevergeefs. De gevangenbewaarder tikte hem op den schouder. Hij volgde werktuigelijk naar den hoek van de kooi en ging op een stoel zitten. De man wees hem dien aan; anders zou hij hem niet gezien hebben.
Weer keek hij op naar de galerij. Sommigen van de toehoorders zaten te eten, anderen wuifden zich koelte toe met hunne zakdoeken, want het was stikheet in de menschenvolte. Een jonge man schetste het gezicht van den beschuldigde in een opschrijfboekje.Fagindacht er over of het lijken zou, en keek er naar hoe de teekenaarde punt van zijn potlood afbrak en met zijn mes een nieuwe maakte, zooals een toeschouwer, die er niets mee te maken had, zou kunnen doen.
Op dezelfde wijze begon zijn geest, toen hij zijn oogen opnieuw naar den rechter wendde, zich bezig te houden met de snit van diens jas en hoeveel die gekost zou hebben en hoe hij die moest aantrekken. Bij de rechtbank was een oude dikke heer, die een half uur te voren weg was gegaan en nu terugkwam.Faginvroeg zich af, of deze man misschien was gaan eten, wat hij gegeten had en waar; hij vervolgde deze onverschillige gedachten, tot dat een nieuw voorwerp zijn aandacht trok en weer nieuwe dergelijke gedachten wekte.
Niet dat zijn geest al dezen tijd ook maar een oogenblik bevrijd was van het drukkende, overweldigende besef, dat het graf zich voor zijn voeten had geopend; dit bewustzijn bleef hem voortdurend bij als een vaag algemeen iets, waarop hij zijn gedachten niet kon vestigen. Zoo kwam hij er toe, terwijl hij beefde en gloeide bij het idee van den naderenden dood, de ijzeren spijlen vóór hem te gaan tellen en zich af te vragen, hoe de punt van die ééne afgebroken zou zijn en of die gemaakt zou worden of zoo maar gelaten. Toen dacht hij aan al de verschrikkingen van de galg en het schavot—en keek naar een man, die water op den vloer sprenkelde tegen de hitte—en ging toen weer door met denken.
Eindelijk werd er om stilte geroepen en allen keken ademloos naar de deur. De jury kwam weer binnen en ging vlak langs hem heen. Hij kon niets op hunne gezichten lezen; ze konden evengoed van steen zijn geweest. Doodsche stilte heerschte—geen gerucht—geen ademtocht—Schuldig.
Het gebouw daverde door een geweldigen kreet en nog één en nog één, buiten antwoordde een diep gegrom dat aangroeide en wegstierf als rollende donder.
Dit was een vreugdekreet van het volk buiten, waarmee de tijding begroet werd, datFaginden volgenden maandag zou sterven.
Het rumoer bedaarde en men vroegFaginof hij iets te zeggen had, dat het doodvonnis zou kunnen opschorten.
Hij had zijn luisterende houding weer aangenomen en keek den ondervrager strak aan, terwijl deze de vraag deed; maar ze werd tweemaal herhaald eer hij ze scheen te verstaan, en toen mompelde hij slechts, dat hij een oud man was—een oud man—een oud man—en ging van gefluister tot stilte over.
De rechter zette de zwarte kap op en de gevangene stond nog in dezelfde houding. De verschrikkelijke plechtigheid van het oogenblik deed een vrouw op de galerij een kreet uiten;Faginkeek haastig op als geërgerd door de stoornis en boog zich nog oplettender voorover. De toespraak was plechtig en aangrijpend, het vonnis vreeselijk om te hooren. Maar hij stond daar als een marmeren beeld, zonder één spier te vertrekken. Zijn ingevallen gezicht was steeds voorovergebogen, zijn onderkaak hing naar beneden en zijn oogen staarden voor zich uit, toen de gevangenbewaarder de hand op zijn arm legde om hem weg te brengen. Hij staarde hem een oogenblik als versuft aan en gehoorzaamde.
Zij brachten hem door een gepleisterd vertrek onder de gerechtszaal, waar eenige gevangenen zaten te wachten tot hun beurt kwam en anderen spraken met de bezoekers, die samenhoopten vóór een hek, dat op de binnenplaats uitzag. Er was niemand om methemte spreken; maar toen hij voorbijging, gingen de gevangenen achteruit om hem beter te doen zien door de menschen, die zich tegen het hek aandrukten; zij ontvingen hem met scheldwoorden, geschreeuw en gesis. Hij balde zijn vuist en wilde naar hen spuwen, maar zijn geleiders trokken hem voort door een sombere gang, met enkeleflauwe lampen verlicht, naar het middengedeelte van de gevangenis.
HIJ GING OP EEN STEENEN BANK ZITTEN, IN DE CEL.HIJ GING OP EEN STEENEN BANK ZITTEN, IN DE CEL.
HIJ GING OP EEN STEENEN BANK ZITTEN, IN DE CEL.
Hier werd hij gefouilleerd, om zeker te zijn dat hij niets bij zich had dat de werking van het gerecht kon voorkomen; nadat dit afgeloopen was, brachten zij hem naar een der cellen voor veroordeelden en lieten hem daar alleen.
Hij ging tegenover de deur op een steenen bank zitten, die tot zit- en slaapplaats diende; hij sloeg zijn met bloed beloopen oogen naar den grond en trachtte zijn gedachten te verzamelen. Na een poosje begon hij zich enkele onsamenhangende gedeelten van wat de rechter gezegd had, te herinneren, ofschoon het hem in de rechtzaal had toegeschenen, dat hij geen woord verstond. Deze fragmenten namen langzamerhand hun juiste plaats in en riepen allengs andere op, zoodat hij na eenigen tijd het geheel, zooals het was uitgesproken, in zijn hoofd had. Opgehangen te worden aan den hals tot de dood er op volgde—dat was het einde. Opgehangen tot hij dood was.
Terwijl het donkerder werd, begon hij te denken aan alle mannen die hij gekend had en die op het schavot waren gestorven: sommigen door zijn toedoen. Zij rezen op voor zijn geest, zoo snel achter elkaar, dat hij ze nauwelijks tellen kon. Hij had enkelen van hen zien sterven en had nog grappen gemaakt, omdat zij stierven met een gebed op hunne lippen. Met wat een ratelend geluid viel het luik onder hen neer en hoe plotseling veranderden zij van sterke kloeke mannen in een schommelenden hoop kleeren.
Sommigen van hen hadden misschien dezelfde cel bewoond—hadden op dezelfde plek gezeten. Het was stikdonker; waarom werd er geen licht gebracht? De cel was vele jaren tevoren gebouwd. Honderden menschen moesten hier hun laatste uren doorgebrachthebben. Het was alsof hij in een grafgewelf zat met lijken om hem heen—de kap, de strop, de gebonden armen, de gezichten, die hij kende, zelfs onder dien afschuwelijken sluier.—Licht, licht!
Eindelijk, toen hij zijn handen wond had geslagen tegen de zware deur en de muren, kwamen twee mannen binnen, de één met een kaars, die hij in een ijzeren houder tegen den muur zette, de ander een matras achter zich aan sleepend om den nacht op door te brengen; want de gevangene mocht niet meer alleen worden gelaten.
Toen kwam de nacht—donkere, sombere, stille nacht. Anderen, die waken, zijn verheugd, wanneer zij de kerkklok hooren slaan, want elk uur brengt den dag nader. AanFaginbrachten de klokken niets dan wanhoop. De slag van elke ijzeren klok was geladen met dien éénen diepen, hollen klank—Dood. Wat baatten hem de drukte en het rumoer van den blijden morgen, dat zelfs tot hier doordrong? Het was doodsgelui in een anderen vorm, dat hoon voegde bij de waarschuwing.
De dag ging voorbij. Dag! Er was geen dag; hij was even gauw verdwenen als verschenen—en weer werd het nacht; de nacht, zoo lang en toch zoo kort; lang door zijn vreeselijke stilte en kort door het vluchtige der uren. Het ééne oogenblik tierde en vloekte hij, het volgende huilde hij en trok zich de haren uit het hoofd. Eerbiedwaardige mannen van zijn eigen geloof waren bij hem gekomen om met hem te bidden, maar hij had ze met vloeken weggejaagd. Zij hernieuwden hun menschlievende pogingen, en hij sloeg hen weg.
Zaterdagnacht. Hij had nog maar één nacht te leven. En terwijl hij hier aan dacht, brak de dag aan—Zondag.
Eerst in den avond van dezen laatsten verschrikkelijken dag kwam het pijnigende bewustzijn van zijn hulpeloozen, wanhopigen toestand met volle kracht over zijn verdorven ziel; niet dat hij ooit eenige bepaaldeof vaste hoop op begenadiging had behouden, maar hij was tot nu toe niet in staat geweest, zijn nabijen dood anders dan als een vage waarschijnlijkheid te beschouwen. Hij had weinig gesproken met de beide mannen, die elkander aflosten bij zijn bewaking, en zij, van hun kant, deden geen moeite zijn aandacht te trekken. Hij had daar gezeten, wakker, maar droomend. Nu sprong hij elke minuut op en holde met wijdgesperden mond en brandende huid heen en weer in zulk een paroxisme van angst en woede, dat zelfs zij, die aan zulke schouwspelen gewend waren, ontzet voor hem terugweken.
Eindelijk werd hij zóó verschrikkelijk door de folteringen van zijn slechte geweten, dat één man alleen het niet kon uithouden, hier te zitten en het aan te zien; dus bleven de twee te zamen waken.
Hij hurkte neer op zijn steenen leger en dacht aan het verleden. Op den dag van zijn gevangenneming was hij gewond door steenworpen uit de menigte en zijn hoofd was nog met een linnen doek omwonden. Zijn roode haar hing om zijn bloedeloos gezicht, zijn baard was half uitgerukt en in knoopen verward, in zijn oogen blonk een verschrikkelijk vuur, zijn ongewasschen huid kraakte door den koortsgloed, die hem innerlijk verteerde. Acht—negen—tien. Als het geen valstrik was om hem schrik aan te jagen en de uren kwamen werkelijk zoo dicht achter elkander aan, waar zou hij dan zijn, als zij weer rond waren geweest! Elf. Eer nog de klank van het vorige uur was gestorven, sloeg reeds een nieuw.
Om acht uur zou hij de eenige rouwdrager zijn bij zijn eigen begrafenis; om elf uur—
De vreeselijke muren vanNewgate, waarbinnen zich zooveel ellende en zooveel onuitsprekelijke angst hadden verborgen, niet alleen voor de oogen, doch maar al te dikwijls en al te lang voor de gedachten der menschen daarbuiten, hadden nooit zulk een verschrikkelijkschouwspel gezien als dit. De weinigen die onder het voorbijgaan bleven toeven en zich afvroegen, wat de man deed, die morgen opgehangen zou worden, zouden dien nacht slecht geslapen hebben, als zij hem hadden kunnen zien.
Van vroeg in den morgen af tot bijna middernacht toe, kwamen kleine groepjes van twee of drie menschen bij den concierge en vroegen met spanning op hunne gezichten, of er eenig uitstel was verleend. Het ontkennende antwoord werd als welkome tijding aan de troepen menschen op de straat overgebracht; men wees elkaar de deur, waardoor hij naar buiten moest komen, en de plek waar het schavot opgericht zou worden en na met aarzelende stappen heen te zijn gegaan, keerde men weer terug om zich het tooneel van de terechtstelling voor te stellen. Langzamerhand gingen zij één voor één heen; en een uur lang was de straat in het midden van den nacht overgelaten aan stilte en duisternis.
Het plein vóór de gevangenis was leeggeruimd en eenige sterke zwartgeverfde slagboomen waren reeds over de straat geworpen om de opdringende menigte tegen te houden, toen de heerBrownlowenOlivervoor de poort verschenen en een bewijs vertoonden om tot den gevangene te worden toegelaten, geteekend door één der sheriffs. Zij werden dadelijk bij den concierge toegelaten.
„Moet de jongeheer ook mee, meneer?” vroeg de man, wiens taak het was, hen te geleiden. „'t Is geen geschikt schouwspel voor kinderen, meneer.”
„Dat is 't ook niet, goeie vriend,” gaf de heerBrownlowtoe, „maar de zaak, die ik met den gevangene heb te bespreken, staat met dezen jongen in het nauwste verband, en daar het kind hem gezien heeft midden in zijn geluk en zijn schurkerij, oordeel ik het goed—al kost het wat pijn en angst—dat hij hem nu ook ziet.”
Deze woorden werden ter zijde gesproken, zoodatOliverze niet kon hooren. De man tikte tegen zijn hoed, keekOlivermet eenige nieuwsgierigheid aan en ontsloot een deur tegenover die, waardoor zij binnen waren gekomen; door donkere kronkelende gangen bracht hij hen naar de cellen.
„Hier,” zei de man en bleef staan in een donkere gang, waar twee werklieden in diepe stilte bezig waren—„hier komt hij langs. Als u dezen kant uitgaat, kunt u de deur zien, waardoor hij naar buiten komt.”
Hij bracht hen in een steenen keuken, waar allerlei koperen gereedschap stond om 't voedsel voor de gevangenen te bereiden en wees naar een deur. Er boven was een open traliewerk, waardoor de klank van mannenstemmen naar buiten kwam, vermengd met het geluid van gehamer en het gooien van balken. Ze waren bezig het schavot op te richten.
Van hier kwamen zij door verscheidene sterke deuren, die van binnen door andere cipiers geopend werden; na over een open binnenplaats gegaan te zijn beklommen zij een nauw trapje en kwamen in een gang met aan den linkerkant een rij sterke deuren. De cipier wenkte hen te blijven staan, waar zij waren en klopte met een sleutelbos op één der deuren. De twee wachters kwamen, na een oogenblik gefluisterd te hebben, in de gang, rekten zich uit, alsof ze blij waren met het oogenblik van vrijheid en wenkten de bezoekers, den cipier in de cel te volgen. Dit deden zij.
De veroordeelde zat op zijn bank en wiegde zich heen en weer met een gezicht, dat meer geleek op dat van een opgesloten dier dan van een mensch. Blijkbaar vertoefde zijn geest bij zijn oude leven, want hij ging voort te mompelen, zonder zich van hun komst anders bewust te worden dan als deel van zijn verbeeldingsspel.
„GoedCharley—goed gedaan,” murmelde hij.
„Oliverook, ha! ha! ha!Oliverook—je bent nou een jongeheer—een—Breng de jongen naar bed!”
De cipier namOliver'svrije hand, fluisterde hem in, niet bang te zijn en bleefFaginzwijgend aankijken.
„Breng hem naar bed!” riepFagin. „Hooren jullie niet? Hij is de—de—ja, hij is de schuld van alles. 't Is het geld wel waard, hem er toe te krijgen—Bolter'sstrot,Bill; laat de meid met rust—Bolter'sstrot zoo diep als je kan. Zaag zijn hoofd af!”
„Fagin,” zei de cipier.
„Die ben ik!” riepFaginen verviel terstond weer in de luisterende houding, die hij voor de rechtbank had aangenomen. „Een oude man, mijne heeren; een heel oude, oude man!”
„Hier,” zei de cipier en legde hem de hand op de borst om hem neer te houden. „Hier is iemand, die je spreken wil, en je een paar vragen wil doen, denk ik.Fagin, Fagin! Ben jij een man?”
„Ik zal er niet lang meer één zijn,” antwoordde hij en keek op met een gezicht, waarop geen andere menschelijke gevoelens te lezen waren dan woede en schrik. „Sla ze allemaal dood! Wat voor recht hebben ze, mij te slachten?”
Onder het spreken kreeg hijOliverenMr. Brownlowin 't oog. Naar den versten hoek van de bank terugwijkend, vroeg hij, wat zij hier kwamen doen.
„Kalm,” zei de cipier, hem neerdrukkend. „Nu mijnheer, zeg hem wat u verlangt. En wilt u alsjeblieft voortmaken, want hij wordt hoe langer hoe erger.”
„U hebt eenige papieren,” zei de heerBrownlow, naar voren komend, „die u voor veiligheid in handen werden gegeven door een zekerenMonks.”
„'t Is alles gelogen,” antwoorddeFagin. „Ik heb er geen één—geen één.”
„In den naam van God,” zei de heerBrownlowopplechtigen toon, „zeg dat niet, nu ge op den rand van het graf staat, maar zeg me waar ze zijn. Je weet, datSikesdood is, datMonksbekend heeft, dat er geen hoop meer is iets te winnen. Waar zijn die papieren?”
„Oliver,” riepFagin, tot hem gewend. „Hier! Laat mij het jou influisteren.”
„Ik ben niet bang,” zeideOliverzacht, terwijl hij de hand vanMr. Brownlowlosliet.
„De papieren,” zeiFagin, terwijl hijOlivernaar zich toe trok, „zitten in een linnen zak in een gat van den schoorsteen op de bovenste voorkamer. Ik wil je spreken, jongenlief. Ik wil je spreken.”
„Ja, ja,” zeiOliver. „Laat mij een gebed doen. Toe! Laat mij één gebed doen. Bid maar één keer met me op uw knieën en dan praten wij tot aan den morgen.”
„Naar buiten! Naar buiten!” antwoorddeFagin, duwde den jongen naar de deur en keek met vagen blik over zijn hoofd heen. „Zeg, dat ik in slaap ben gevallen—jouzullen ze gelooven. Je kan me naar buiten krijgen, als je mij zoo meeneemt. Toe dan, toe dan!”
„O! God vergeve dezen ongelukkigen man!” riep de jongen, in tranen uitbarstend.
„Goed zoo, goed zoo,” zeiFagin. „Zoo komen we er. Eerst deze deur. Ik zal wel beven als we voorbij de galg komen, daar moet je niet op letten, maar doorloopen. Nou! nou! nou!”
„Heeft u hem niets anders te vragen, mijnheer?” vroeg de cipier.
„Te vragen niet,” antwoordde de heerBrownlow. „Als ik mocht hopen, hem tot het besef van zijn toestand te brengen—”
„Dat lukt toch niet, mijnheer,” hernam de man hoofdschuddend. „U moest nu maar liever heengaan.”
De celdeur ging open en de wachters kwamen terug.
„Vooruit, vooruit!” riepFagin. „Zachtjes, maar niet zoo langzaam. Vlugger! Vlugger!”
De mannen grepen hem, bevrijddenOliveruit zijn greep en hielden hem terug. Een oogenblik worstelde hij met de kracht der wanhoop en stootte toen kreten uit, die zelfs door de dikke gevangenismuren heendrongen en hun in de ooren bleven klinken, tot zij op de binnenplaats waren.
Het duurde eenigen tijd eer zij buiten de gevangenis waren.Oliverviel bijna flauw na dit verschrikkelijke tooneel en was zoo zwak, dat hij wel een uur lang geen kracht had om te loopen.
Toen zij buiten kwamen, brak de dag aan; reeds had zich een groote menigte verzameld; de ramen waren vol menschen, die rookten en kaart speelden om zich den tijd te korten; de menigte drong, kibbelde, lachte. Alles sprak van leven en bezigheid, behalve een donkere groep van voorwerpen in het midden—de zwarte stellage, de dwarsbalk, het koord en al de ontzettende teekenen des doods.
Het laatste.
De lotgevallen van hen, die in dit verhaal een plaats hebben ingenomen, loopen ten einde. Het weinige dat den geschiedschrijver te boeken overblijft, kan in enkele eenvoudige woorden verteld worden.
Eer het drie maanden verder was, warenRose FlemingenHarry Mayliegetrouwd in de dorpskerk, waarin de jonge geestelijke voortaan zijn arbeidsveld zou vinden; denzelfden dag betrokken zij hun nieuw, gelukkig tehuis.
MevrouwMaylienam haar intrek bij haar zoon en haar schoondochter, om gedurende de kalme dagendie haar nog restten, het grootste geluk te genieten dat een waardigen ouderdom geschonken kan worden—het bijwonen van het geluk van hen aan wie in een welbesteed leven de warmste liefde en teederheid zonder ophouden werden gegeven.
Na nauwkeurig onderzoek bleek, dat wanneer het overschot van het vermogen dat opMonks' naam stond, (en dat noch in zijn handen, noch in die van zijn moeder was aangegroeid) gelijkelijk verdeeld werd tusschen hem enOliver, aan ieder niet veel meer dan drieduizend pond zou toebedeeld worden. Als de voorwaarden van zijn vaders testament uitgevoerd waren, zouOliverhet geheel hebben gekregen, maar de heerBrownlow, die niet gaarne den oudsten zoon de gelegenheid wilde ontnemen afstand te doen van zijn vroegere ondeugden en een eerlijk leven te beginnen, stelde deze wijze van verdeeling voor, waarmee zijn jonge beschermeling gaarne instemde.
Monks, die zijn aangenomen naam bleef dragen, vertrok met zijn deel naar een afgelegen oord van de Nieuwe Wereld; nadat zijn geld spoedig verteerd was, verviel hij weer in zijn oude praktijken, onderging tengevolge van een nieuwe oplichterij en schurkerij een langdurige gevangenisstraf, kreeg ten slotte een hevigen aanval van zijn oude kwaal en stierf in de gevangenis. Even ver van huis stierven de voornaamste leden der bende van zijn vriendFagin.
De heerBrownlownamOliverals zijn zoon aan. Met hem en de oude huishoudster ging hij binnen een mijl van de pastorie wonen, de verblijfplaats van zijn liefste vrienden; hiermee vervulde hij den vurigsten wensch vanOliver'swarm oprecht hart en droeg het zijne er toe bij, een kleinen kring te stichten, waarin iedereen zoo dicht bij 't volmaakte geluk was als in deze wisselvallige wereld maar mogelijk is.
Spoedig na het huwelijk van de jongelui, keerde de goede oude dokter naarChertseyterug; nu hij beroofd was van het gezelschap zijner beste vrienden, zou hij zeker ontevreden zijn geweest, wanneer zijn aard voor zulk een gevoel open stond; en hij zou mopperig zijn geworden, als hij geweten hadhoe. Gedurende twee of drie maanden stelde hij er zich tevreden mede, toespelingen te maken op zijn angst, dat hij de lucht niet goed meer kon verdragen; toen ontdekte hij, dat de streek werkelijk niet meer zoo goed voor hem was als vroeger, droeg zijn practijk aan zijn assistent over, huurde een landhuisje bij het dorp, waar zijn jonge vriend predikant was en was dadelijk weer de oude. Hier legde hij zich toe op tuinieren, planten, visschen, timmeren en verschillende andere soortgelijke bezigheden, waarop hij met zijn gewone voortvarendheid aanviel; in elk daarvan is hij sedert dien tijd in den omtrek als een groote autoriteit beroemd geworden.
Vóór zijn verhuizing had hij innige vriendschap opgevat voorMr. Grimwig, vriendschap, die door dien excentrieken heer beantwoord werd. Dientengevolge wordt hij vele keeren in het jaar doorMr. Grimwigbezocht. Bij al die gelegenheden gaatMr. Grimwigook met vurigen ijver planten, visschen en timmeren; hij doet alles op een zonderlinge, origineele manier, maar houdt steeds zijn geliefkoosde verzekering vol, dat zijn methode de rechte is.—Zondags laat hij nooit na, de preek van den jongen geestelijke in diens gezicht te becritiseeren, om later aan dokterLosbernein diep vertrouwen te zeggen, dat hij de preek uitstekend vond, maar het beter oordeelde, dit niet te zeggen. Het is een vaste en zeer geliefkoosde grap van den heerBrownlow, hem te bespotten om zijn vroegere voorspelling aangaandeOliveren hem te herinneren aan den avond, toen zij met het horloge tusschen hen in zijn terugkomst zaten af tewachten; maarMr. Grimwighoudt vol, dat hij in de hoofdzaak toch gelijk had en merkt ten bewijze daarvan op, datOliverten slotteniet terugkwam, waarop altijd een lach van zijn kant volgt, die hem in het beste humeur ter wereld brengt.
Mr. Noah Claypole, door de kroon begenadigd, omdat hij als getuige tegenFaginwas toegelaten, vond zijn vak toch niet zoo veilig als hij wel wenschte en zocht eenigen tijd naar een bestaan, dat niet te veel werk meebracht. Na eenige beraadslaging koos hij het beroep van stillen verklikker, in welk vak hij zich een aardig bestaan weet te verzekeren. Zijn wijze van werken is, eens per week gedurende kerktijd metCharlotte, beiden zeer fatsoenlijk gekleed, uit te gaan. De dame valt flauw voor de deur van een menschlievenden herbergier, de mijnheer krijgt voor drie pence brandewijn om haar bij te brengen, geeft den herbergier den volgenden dag aan en steekt de helft van de boete in zijn zak. Soms valtMr. Claypolezelf flauw, maar het resultaat is hetzelfde.
Mr. Bumbleen zijn vrouw, uit hun betrekking ontslagen, verzonken langzamerhand tot groote armoede en ellende en werden eindelijk in hetzelfde armhuis opgenomen, waar zij eenmaal over anderen gebaasd hadden. Men heeftMr. Bumblehooren zeggen, dat hij in zijn tegenspoed en vernedering zelfs niet blij kon zijn, van zijn vrouw te zijn gescheiden.
WatMr. GilesenBrittlesbetreft, zij blijven nog in hun oude betrekking, ofschoon de eerste kaal is geworden en de laatste heelemaal grijs. Zij slapen in de pastorie, maar verdeelen hun diensten zóó gelijkelijk onder de bewoners hier enOliverenMr. Brownlowen dokterLosberne, dat de dorpsbewoners tot op den huidigen dag nog niet hebben kunnen ontdekken, in welk huis zij nu eigenlijk behooren.
Charles Bates, ontzet over de misdaad vanSikes, begon er over na te denken, of een eerlijk bestaan ten slotte toch niet het beste was. Toen hij tot de conclusie kwam, dat dit werkelijk het geval was, keerde hij het verleden den rug toe, besloten het door nieuwe werkzaamheid uit te wisschen.
Hij streed eerlijk en had veel te verduren den eersten tijd, doch daar hij een opgewekten aard bezat en een goed doel najoeg, slaagde hij ten slotte; nadat hij boerenknecht en voermansjongen was geweest, is hij nu de vroolijkste jonge veefokker in heelNorthamptonshire.
De hand, die deze woorden neerschreef, beeft, nu het einde van haar taak nadert; gaarne zou zij den draad van deze avonturen nog wat verder spinnen.
Zoo gaarne zou ik nog wat vertoeven bij enkelen van hen, onder wie ik mij zoo langen tijd heb bewogen en in hun geluk deelen door te trachten het af te malen.
Ik zouRose Mayliewillen schetsen als bloeiende, bekoorlijke jonge vrouw, zacht en vriendelijk licht verspreidend op haar stille levenspad, licht, dat afstraalde op allen, die met haar dat pad bewandelden en hun tot in het hart scheen. Ik zou het leven en de vreugd willen schilderen van den kring om den haard en van de vroolijke zomergroep; ik zou haar in den middag willen volgen door de warme velden en den zachten klank van haar lieve stem beluisteren op de avondwandeling in den maneschijn; ik zou haar willen zien bij al de goedheid en liefdadigheid buitenshuis en de glimlachende, onvermoeide vervulling der huiselijke plichten binnenshuis; ik zou haar en den zoon van haar gestorven zuster willen teekenen, gelukkig in hun liefde voor elkander en heele uren bezig, zich de bloedverwanten voor te stellen, die zij op zoo droeve wijze verloren hadden; ik zou mij nog eens de vroolijke gezichtjes voor den geest willen halen, die om haar knieën drongen en luisteren naar hunblij gebabbel; ik zou de tonen van dien helderen lach in mijn geheugen willen roepen en de traan van medegevoel, die in zachte blauwe oogen glinsterde, vast willen houden. Deze en duizend blikken en glimlachjes en gedachten en woorden—ik zou ze gaarne alle weergeven.
Hoe de heerBrownlowdagelijks voortging, den geest van zijn aangenomen zoon met kennis te verrijken en meer en meer aan hem gehecht raakte, terwijl zijn karakter zich ontwikkelde en toonde hoe het zaad, dat hij in hem gezaaid had, wortel schoot—hoe hij in hem telkens nieuwe trekken ontdekte van zijn vroegeren vriend, die in zijn eigen hart oude herinneringen wekten, droeve en toch liefelijke, troostende herinneringen—hoe de beide weezen, door tegenspoed beproefd, de lessen van dien tegenspoed herdenken door barmhartigheid jegens anderen en onderlinge liefde en vurigen dank aan Hem, die hen had beschermd en behouden,—dit alles zijn zaken, die niet verteld behoeven te worden. Ik heb al gezegd, dat zij waarlijk gelukkig waren; en zonder innige liefde, menschlievendheid en dankbaarheid aan dat Wezen, wiens weg Genade is en wiens eerste eigenschap is Barmhartigheid jegens alles wat ademhaalt, kan geen geluk bestaan.
Bij het altaar van de oude dorpskerk is een wit marmeren gedenksteen aangebracht, waarop tot nog toe slechts één woord: „Agnes.” In dat graf rust geen kist en mogen het vele, vele jaren duren, eer er een andere naam op wordt gegrift! Doch, als de geesten der gestorvenen ooit op de aarde terugkeeren om de plaatsen te bezoeken, gewijd door de liefde van hen, die zij in het leven liefhadden—door liefde, die verder reikt dan het graf—dan geloof ik, dat de schim vanAgnessoms om dat stille hoekje heendwaalt. En ik geloof het niet minder, nu dat hoekje in een kerk is en zij een zwakke was die gedoold heeft.