Oliver, getergd doorNoah'splagerijen, valt hem aan en doet hem versteld staan.
Toen de proeftijd van een maand om was, werdOliverformeel als leerjongen aangenomen. De tijd van het jaar was toen juist flink ongezond. Doodkisten stegen in prijs, om een handelsterm te gebruiken, en in den loop van enkele weken deedOliverheel wat ondervinding op. De uitslag van meneerSowerberry'svernuftig uitgedachte nieuwigheid overtrof zelfs diens stoutste verwachtingen. De oudste inwoners herinnerden zich geen tijd, waarin de mazelen zooveel en met een zoo noodlottig gevolg heerschten, en talrijk waren de rouwstoeten, waarbij kleineOlivervooruitliep, met een krippen rouwlamfer tot zijn knieën, tot onbeschrijfelijke bewondering en ontroering van alle moeders in de stad. DaarOliverzijn meester ook bij de meeste van zijn andere begrafenissen vergezelde, opdat hij zich die gelijkmoedigheid van geest en macht over zijn zenuwen zou eigen maken, welke onontbeerlijk zijn voor een goeden lijkbezorger, kreeg hij overvloedig gelegenheid op te merken, met welke prachtige berusting en geestkracht sommige sterke persoonlijkheden hunne smarten en verliezen dragen. Bijvoorbeeld alsSowerberryde opdracht had voor de begrafenis van een of anderen rijken heer of rijke dame, omringd van een groot aantal neven en nichten. Deze waren gansch ontroostbaar geweest gedurende de voorafgaande ziekte en konden zelfs tegenover vreemden hun verdriet niet onderdrukken, doch onder elkaar plachten zij zoo vroolijk te zijn als 't maar kon—heel opgewekt en tevreden—en praatten zoo vrij en vroolijk met elkaar, alsof er niets gebeurd was dat hen bedroeven kon. Er waren ook mannen die hetverlies van hun vrouw met heldhaftige kalmte droegen. En de vrouwen, die in de rouw gingen voor hun overleden mannen, wel verre van te treuren in het smartgewaad, schenen zich voorgenomen te hebben, dit zoo mooi en bekoorlijk mogelijk te maken. Het was tevens opmerkelijk, dat dames en heeren, die bij de begrafenisplechtigheid buiten zichzelf van verdriet waren, zoo gauw ze thuis kwamen, weer opleefden en eer het thee drinken was afgeloopen geheel zichzelf waren. Dit alles was heel genoegelijk en leerrijk om te zien enOlivernam het met groote bewondering waar.
Ofschoon ikOliversbiograaf ben, durf ik niet met zekerheid beweren, dat hij door het voorbeeld van deze brave menschen tot berusting gebracht werd, maar ik kan zeer bepaald zeggen, dat hij gedurende vele maanden zich onderwierp aan het gezag en de mishandelingen vanNoah Claypole, die hem veel slechter behandelde dan vroeger, nu zijn jaloerschheid was opgewekt, omdat de nieuwe jongen tot het dragen van den zwarten staf en de lamfer bevorderd was, terwijl hij, de oudere, zich steeds met de bonten muts en leeren broek moest vergenoegen.
Charlottebehandelde hem slecht omdatNoahhet deed, en juffrouwSowerberrywas zijn verklaarde vijandin omdat meneerSowerberryhem vriendelijk behandelde; tusschen dit drietal aan den éénen en al de begrafenissen aan den anderen kant, voeldeOliverzich niet zoo op zijn gemak als het hongerige varkentje, dat bij vergissing op den graanzolder van een brouwerij werd opgesloten.
En nu kom ik tot een heel gewichtig hoofdstuk vanOliver's geschiedenis; ik heb een daad te vermelden, die—oogenschijnlijk misschien onbeduidend en zonder beteekenis—indirect een beslissende verandering bracht in al zijn toekomstige omstandigheden en vooruitzichten.
Op een dag warenOliverenNoahop het gewoneetensuur naar de keuken afgedaald om te smullen aan een stukje schapenvleesch—anderhalf pond van het slechtste stuk van den hals; daarCharlottewerd weggeroepen moesten ze een oogenblik wachten enNoah Claypole, die honger had en uit zijn humeur was, wist dat tijdsverloop niet beter aan te vullen dan doorOliver Twistte plagen en te treiteren.
Geheel in beslag genomen door dit onschuldig vermaak, legdeNoahzijn voeten op het tafellaken en trokOliverbij zijn haar en zijn ooren, gaf als zijn meening te kennen, datOlivereen kruiper was, maakte verder gewag van zijn plan te komen kijken alsOliveropgehangen werd en meer dergelijke liefelijke plagerijen, wantNoahwas een kwaadaardige, ongemanierde jongen, door de publieke liefdadigheid opgevoed.
Daar geen dezer plagerijen de gewenschte uitwerking had,Oliveraan het schreien te brengen, spandeNoahzich in om nog grappiger te zijn, en met dat doel deed hij wat vele domkoppen met veel grooter naam danNoahdezer dagen nog wel doen als zij geestig willen zijn: hij werd persoonlijk.
„Weesjongen,” zeiNoah, „hoe is 't met je moeder?”
„Zij is dood,” antwoorddeOliver, „zeg niets van haar!”
Oliver'skleur werd donkerder, terwijl hij dit zeide; hij haalde snel adem, zijn mond en neusvleugels trilden verdacht, watmr. Claypoleaanzag als de voorteekenen van een hevige huiluitbarsting.
Onder dezen indruk hernieuwde hij den aanval.
„Waar is ze an gestorven, weesjongen?”
„Aan een gebroken hart, hebben een paar van onze oude vrouwtjes me verteld,” antwoorddeOliver, meer alsof hij tot zichzelf sprak dan als antwoord aanNoah. „Ik geloof dat ik weet wat 't is, daaraan te sterven!”
„Tra-la-la weesjongen,” zeiNoah, toen een traanlangsOliver'swangen rolde. „Waarom begin je nou te snotteren?”
„Niet omjou,” antwoorddeOliver, haastig den traan wegvegend. „Dat moet je niet denken.”
„Nee, niet om mij hè?” smaaldeNoah.
„Nee, niet om jou,” antwoorddeOlivervinnig. „En nou is 't genoeg. Praat nou niet meer over mijn moeder; ik waarschuw je!”
„Waarschuw je!” riepNoah. „Zoo, zoo! Waarschuw je me? Weesjongen, word niet brutaal.Jouwmoeder, pf! Ze was nogal 'n mooie! Och lieve God!”Noahschudde veelbeteekenend het hoofd en stak zijn rood neusje zoo ver in de lucht als hij met mogelijkheid kon.
„Och ja, weesjongen,” gingNoah, aangemoedigd doorOliver'sstilzwijgen, voort; hij sprak nu op een spottenden toon van gehuicheld medelijden—de meest ondragelijke toon, die er bestaat. „Och ja, weesjongen, daar is nou niks meer an te doen; en natuurlijk kon jij 't toen ook niet helpen; en 't spijt me voor je; en 't spijt ons allemaal en we hebben met je te doen. Maar je moet weten, weesjongen, je moeder was een gemeen straatwijf.”
„Wat zeg je?” vroegOliver, den ander scherp aanziende.
„'n Gemeen straatwijf, weesjongen,” antwoorddeNoahkoeltjes. „En 't is maar goed, weesjongen, dat ze op z'n tijd doodging, anders zou ze inBridewellte werk gesteld zijn of uit 't land gejaagd of opgehangen; dit is nog 't waarschijnlijkst van alles, denk je niet?”
Bloedrood van woede sprongOliverop, gooide tafel en stoel om, greepNoahbij den strot, schudde hem in razernij door elkaar tot zijn tanden klapperden in zijn mond, en al zijn kracht tezamentrekkend in één hevigen slag, smeet hij hem op den grond.
Een minuut tevoren had de jongen daar gezeten als het stille, zachte, onderworpen wezen, waartoe de hardebehandeling hem gemaakt had. Doch de geest van verzet die in hem sluimerde was eindelijk naar buiten gebroken; de schandelijke beleediging, zijn doode moeder aangedaan, had zijn bloed aan het koken gebracht. Zijn borst scheen zich uit te zetten; hij stond rechtop; zijn oogen schitterden; heel zijn uiterlijk was veranderd, terwijl hij als stralend neerkeek op zijn laffen kwelgeest, die nu aan zijn voeten lag te kruipen; met een durf zooals hij nooit te voren gekend had, daagdeOliverhem uit.
„Hij zal me vermoorden!” kreetNoah. „Charlotte! Juffrouw! De nieuwe jongen vermoordt me! Help! help!Oliveris gek geworden!Char-lotte!”
Noah'skreten werden beantwoord door een luiden schreeuw vanCharlotteen een nog luideren van juffrouwSowerberry; de eerste vloog door een zijdeur de keuken in, terwijl de laatste op de trap bleef staan, tot zij er zeker van was zonder levensgevaar naar beneden te kunnen komen.
„Kleine schavuit!” schreeuwdeCharlotte, en greepOliverbeet met al haar kracht, die ongeveer gelijk stond met de kracht van een matig sterk man in bijzonder goede vechtconditie. „O jij kleine, ondankbare, leelijke gemeene schobbejak!” Tusschen elke lettergreep gafCharlotte Oliveruit alle macht een klap en een gil ten algemeenen nutte.
Charlotte's vuist was niet van de kleinste, maar alsof deze vuist nog niet voldoende in staat wasOliver'srazernij tot kalmte te brengen, stormde juffrouwSowerberryde keuken binnen en hield hem met één hand vast, terwijl zij met de andere zijn gezicht bewerkte. Bij dezen gunstigen stand van zaken stondNoahop van den grond en begon hem van achteren te stompen.
CHARLOTTE'S VUIST WAS NIET VAN DE KLEINSTE.CHARLOTTE'S VUIST WAS NIET VAN DE KLEINSTE.
CHARLOTTE'S VUIST WAS NIET VAN DE KLEINSTE.
De inspanning bij dit alles was te hevig om lang te kunnen duren. Toen zij allen uitgeput waren en niet langer slaan en rukken konden, sleepten zijOliver, dieschreeuwde en zich verzette, maar in geenen deele verslagen was, naar het kolenhok en sloten hem daar op. Hierna zakte juffrouwSowerberryneer in een stoel en barstte in tranen uit.
„Lieve hemel, ze valt flauw!” zeiCharlotte. „Een glas water, toeNoah! Gauw!”
„OCharlotte!” zeide juffrouwSowerberry, zoo duidelijk sprekend als mogelijk was door gebrek aan adem en overvloed van koud water, datNoahover haar hoofd en schouders had uitgegoten. „OCharlotte, wat een zegen, dat wij niet allemaal vermoord zijn in ons bed!”
„Ja juffrouw, dat is zeker een zegen!” was het antwoord. „Ik hoop nou maar, dat dit den baas een les zal zijn, om niet meer van die verschrikkelijke schepsels in huis te halen, die van de wieg af geboren moordenaars en roovers zijn! Die armeNoah! 't Scheelde maar weinig of hij was vermoord, toen ik binnenkwam.”
„Arme jongen!” zei juffrouwSowerberryen keekNoahmedelijdend aan.
Toen hij zoo beklaagd werd, wreefNoah, wiens bovenste vestknoop ongeveer even hoog was als de kruin vanOliver'shoofd, met den binnenkant van zijn knuisten over zijn oogen, tot het hem gelukte eenige tranen en snikken te voorschijn te brengen.
„Wat moeten we doen!” riep juffrouwSowerberryuit. „De baas is niet thuis; er is geen man in huis en die deur trapt hij binnen tien minuten in.”Oliver'swoedende schoppen tegen het bewuste dunne houten deurtje maakte het zeer waarschijnlijk, dat dit vermoeden bewaarheid zou worden.
„Goeie hemel! ik weet niet juffrouw,” zeiCharlotte, „of we moesten om de politie sturen.”
„Of om militairen,” opperdeNoah.
„Nee, nee,” zei juffrouwSowerberry, die zich nuOliver'souden vriend herinnerde. „Loop gauw naarmeneerBumble,Noah, en vraag hem dadelijk hier te komen; er is geen minuut te verliezen. Ga maar zonder muts! Gauw! Houd onder het loopen maar een mes tegen dat blauwe oog van je. Dan zwelt 't niet op.”
Noahgunde zich geen tijd te antwoorden, maar holde weg zoo hard hij kon; de menschen op straat keken verwonderd naar dien jongen in liefdadigheidskleeren, die de straten doorrende zonder muts op zijn hoofd en een pennemes tegen zijn oog gedrukt.
Oliverblijft weerbarstig.
Noah Claypoleholde zoo hard hij kon door de straten, hij bleef geen oogenblik staan om adem te scheppen, eer hij bij de poort van het armhuis was. Nadat hij hier een paar minuten rust had genomen om zich voor te bereiden tot een indrukwekkende vertooning van tranen en snikken en ontdaanheid, klopte hij hard op de poort; de oude verpleegde, die opendeed, zag zulk een ongelukkig gezicht vóór zich, dat zelfs hij, die ten allen tijde ongelukkige gezichten om zich heen zag, verwonderd opkeek.
„Wat is er met den jongen?” vroeg de oude man.
„MeneerBumble! MeneerBumble!” riepNoah, met goedgespeelde ontroering en op zoo luiden, angstigen toon, dat deze niet alleen het oor vanMr. Bumble, die toevallig in de buurt was, bereikte, doch den man zóó deed ontstellen, dat hij den tuin inliep zonder zijn steek.—Dit buitengewone, opmerkelijke voorval toont aan, dat zelfs een bode, voortgedreven door een plotselingen, machtigen impuls, overvallen kan worden door een tijdelijk verlies van zelfbeheersching en het vergeten van zijn persoonlijke waardigheid.
„O meneerBumble, o meneer!” zeiNoah. „Oliver.... meneer....Oliveris....”
„Wat? Wat?” vielMr. Bumblein, met een glans van genoegen in zijn koude oogen. „Hij is toch niet weggeloopen, hij is toch niet weggeloopen,Noah?”
„Nee meneer, nee. Niet weggeloopen, maar hij is gek geworden,” antwoorddeNoah. „Hij wou me vermoorden, meneer; en toen wou hijCharlottevermoorden en toen de juffrouw. O, wat doet 't 'n pijn! Om van dood te gaan, meneer!”
Hier wrong en draaideNoahzijn lichaam in uitgezochte, aalachtige bewegingen, waarmee hijMr. Bumblete verstaan wilde geven, dat hij uitOliver'shevigen, ontzettenden aanval verschillende inwendige kneuzingen en verwondingen had behouden, die hem op dit oogenblik de verschrikkelijkste folteringen deden uitstaan.
ToenNoahzag, dat zijn mededeelingMr. Bumblemet stomheid sloeg, trachtte hij de uitwerking te versterken door nog tienmaal luider dan te voren te klagen over zijn verwondingen, en toen hij een heer met een wit vest over de plaats zag loopen, werden zijn klaagliederen droever dan ooit; hij begreep instinctmatig, dat het zeer doeltreffend zou zijn, de aandacht te trekken van genoemden heer en zijn verontwaardiging op te wekken.
De opmerkzaamheid van den heer met het witte vest was spoedig opgewekt, want hij had nog geen drie passen gedaan of hij keerde zich geërgerd om en vroeg waarom die jongen daar zoo stond te janken, en waaromMr. Bumblehem niet iets toediende, dat zijn vrijwillige noodkreten in onvrijwillige zou veranderen.
„'t Is een arme jongen van de armenschool, meneer,” antwoorddeMr. Bumble, „die bijna vermoord is—heusch, meneer, bijna vermoord—doorOliver Twist.”
„Wel heb ik ooit!” riep de heer met het witte vest uit,terwijl hij staan bleef. „Dat heb ik wel gedacht! Ik had van 't begin af een duister voorgevoel, dat die onbeschaamde jonge woesteling nog eens aan de galg zou komen!”
„En hij heeft ook geprobeerd de dienstbode te vermoorden,” zeiMr. Bumblemet aschgrauw gelaat.
„En zijn juffrouw,” vielClaypolein.
„En zijn baas ook; zei je dat niet,Noah?” vroegMr. Bumble.
„Nee, die is uit, anders zou hij hem vermoord hebben,” antwoorddeNoah. „Hij zei dat hij 't zou doen.”
„Wat? Zei hij, dat hij 't doen zou?” vroeg de heer met het witte vest.
„Ja meneer,” antwoorddeNoah. „En meneer, de juffrouw vraagt, of meneerBumbledadelijk mee zou kunnen gaan om hem een pak slaag te geven. Want de baas is uit.”
„Zeker, beste jongen, zeker,” zei de heer met het witte vest; hij glimlachte genadig en streeldeNoahover zijn hoofd, dat zoowat drie duim boven het zijne uitstak.
„Je bent een goede jongen, een heel goede jongen. Hier heb je een penny.Bumble, ga naarSowerberryen neem je stok mee en kijk wat er gedaan kan worden. Ontzie hem niet,Bumble.”
„Dat zal ik zeker niet, meneer,” antwoordde de bode, en maakte het pikdraad los, dat om het ondereind van zijn stok was gewonden om bij openlijke strafoefeningen gebruikt te worden.
„Zeg aanSowerberry, dat hij hem ook niet ontzien moet. Zonder ranselen maken ze nooit iets van hem,” zei de heer met het witte vest.
„Ik zal er voor zorgen, meneer,” antwoordde de bode.
Daar steek en wandelstok nu naar den zin van hun eigenaar waren uitgerust, begavenMr. BumbleenNoah Claypolezich met allen spoed naar de werkplaats van den lijkbezorger.
Hier was niet de minste verbetering in den toestand gekomen.Sowerberrywas nog niet thuis enOliverschopte met onverminderde woede tegen de deur van het kolenhok. De verhalen van zijn razernij, verteld door juffrouwSowerberryenCharlotte, waren zoo verbijsterend, datMr. Bumblehet voorzichtig oordeelde, te onderhandelen, eer hij de deur opendeed. Met dit doel gaf hij bij wijze van inleiding een schop tegen den buitenkant, toen bracht hij zijn mond voor het sleutelgat en zeide op lagen, indrukwekkenden toon:
„Oliver!”
„Toe, laat mij er uit!” antwoorddeOliveraan den binnenkant.
„Ken je deze stem,Oliver?” vroegMr. Bumble.
„Ja,” antwoorddeOliver.
„Ben je er niet bang voor? Beef je niet, terwijl ik spreek?” vroegMr. Bumble.
„Nee!” antwoorddeOliverdriest.
Dit antwoord, zoo verschillend van wat hij verwacht had te zullen uitlokken en gewend was te hooren, deedMr. Bumbleniet weinig versteld staan. Hij deed een stap terug van het sleutelgat, richtte zich in zijn volle lengte op en keek in stomme verbazing van den één der drie toehoorders naar den ander.
„Ziet u, meneerBumble, hij moet gek zijn,” zei juffrouwSowerberry. „Een jongen, die maar half zijn verstand bij elkaar had, zou zoo niet tegen u durven spreken.”
„'t Is geen waanzin, juffrouw,” hernamMr. Bumblena een oogenblik van diep nadenken. „'t Is het vleesch.”
„Wat?” riep juffrouwSowerberry.
„Het vleesch, juffrouw, het vleesch,” herhaaldeBumblemet ernstigen nadruk. „U heeft hem overvoerd, juffrouw. U heeft kunstmatig de ziel en den geest in hem wakker geroepen, en dat past niet voor een mensch in zijn omstandigheden; de Regenten, die philosofen van hetpraktische leven zijn, zullen u dat wel verklaren. Wat hebben armen met ziel of geest te maken? 't Is meer dan genoeg, dat wij hun lichamen in het leven houden. Als u die jongen bij de pap had gehouden, zou dit nooit gebeurd zijn.”
„Och lieve hemel!” riep juffrouwSowerberryuit en hief met vroom gebaar haar oogen naar de keukenzoldering, „dat komt er van als je royaal bent!”
De royaliteit van juffrouwSowerberryjegensOliverhad daarin bestaan, dat alle kliekjes en afval, die niemand anders wilde eten, hem met milde hand toegestopt werden; dus lag er heel wat deemoed en zelf-vernedering in, dat zij zich vrijwillig boog onderBumble'szware beschuldiging, waaraan zij, om haar recht te doen, geheel onschuldig was in gedachte, woord of daad.
„Ja!” zeiMr. Bumble, toen de dame haar oogen weer naar de aarde wendde, „het eenige wat naar mijn idee gedaan kan worden, is hem een dagje in dat hok te laten, tot de honger hem een beetje kalmer heeft gemaakt en hem er dan uit te halen en hem gedurende zijn leertijd niets anders dan waterpap te geven. Hij komt uit een slechte familie. De baker en de dokter zeiden allebei, dat die moeder van hem op den weg naar het huis pijn en narigheid had uitgestaan, waar elke fatsoenlijke vrouw al weken te voren aan gestorven zou zijn.”
ToenMr. Bumblezoover gekomen was, begonOliver, die juist genoeg verstond om te weten, dat er weer een of andere toespeling op zijn moeder werd gemaakt, opnieuw tegen de deur te schoppen met een woede, die elk ander geluid onhoorbaar maakte. Op dit oogenblik kwamSowerberrythuis. ToenOliver'smisdaad hem verteld was, met zooveel overdrijving als de vrouwen noodig oordeelden om zijn gramschap op te wekken, deed hij met een ruk de deur van het hokopen en sleepte zijn opstandigen leerjongen bij zijn kraag er uit.
Oliver'skleeren waren gescheurd bij de kloppartij, zijn gezicht was vol krabben en striemen en zijn haar hing over zijn voorhoofd. Doch de woede-uitdrukking was niet verdwenen en terwijl hij uit zijn gevangenis werd gehaald, keek hijNoahdriest en donker aan en toonde niet den minsten angst.
„Nou, jij bent 'n mooie jongen, dat moet ik zeggen,” zeiSowerberry, schuddeOliverdoor elkaar en gaf hem een oorvijg.
„Hij schold mijn moeder uit,” zeiOliver.
„Nou, en al deed hij dat, kleine ondankbare rekel,” zei juffrouwSowerberry. „Zij verdiende 't en meer nog.”
„Dat is niet waar!” zeiOliver.
„'t Is wel waar!” zei juffrouwSowerberry.
„'t Is een leugen!” zeiOliver.
JuffrouwSowerberrybarstte in een vloed van tranen uit. Deze tranenvloed lietMr. Sowerberrygeen keus. Als hij nog één oogenblik geaarzeld had omOliverten strengste te straffen, zou hij—dit moet elken lezer met eenige ervaring, in verband met alle voorafgaande huiselijke twisten duidelijk zijn—een onmensch wezen, een onnatuurlijke echtgenoot, een kwelgeest, een laaghartige man en verschillende andere liefelijke dingen meer, te veel om in dit hoofdstuk op te noemen. Om hem recht te doen, moeten wij erkennen, dat hij, zoover als zijn macht ging—en dat was niet heel ver—den jongen goed gezind was, misschien omdat dit in zijn eigen belang was, misschien omdat zijn vrouw een hekel aanOliverhad. Doch de tranenvloed liet hem geen uitweg; dus gaf hij den jongen maar dadelijk een rammeling, waardoor zelfs juffrouwSowerberrytevredengesteld was en die het eigenlijk onnoodig maakte, datMr. Bumbledaarna zijn stok nog in werking stelde. Den verderen dag werdOliverin de achterkeuken opgesloten in gezelschap van een pomp en een snee brood. 's Avonds maakte juffrouwSowerberryeerst buiten de deur verschillende opmerkingen, die allesbehalve vriendelijk waren jegens de nagedachtenis vanOliver'smoeder; toen keek zij naar binnen en beval hem, onder scheldwoorden en plagerijen vanNoahenCharlotte, zijn armzalige slaapplaats op te zoeken.
Eerst toenOliveralleen was gelaten in de stille, sombere werkplaats van den doodkistenmaker, gaf hij zich over aan de gevoelens, die, zooals te begrijpen is, door de behandeling van dien dag in hem—kind als hij nog was—waren opgewekt. Hij had hun hoon aangehoord met een minachtenden blik; hij had de slagen ondergaan zonder een schreeuw te geven, want in zijn hart groeide de trots, die, al hadden ze hem levend geroosterd, elken kreet—ook den laatste—terugdrong. Maar nu, nu niemand hem kon hooren of zien, nu viel hij op zijn knieën op den grond en terwijl hij 't gezicht in de handen verborg, schreide hij; mogen zeer weinigen van ons zóó jong reeds zulke tranen schreien voor het oog van God! dit verhoede Hij tot eer van het menschelijk geslacht! Een lange poos bleefOliveronbewegelijk in deze houding. Toen hij oprees, brandde de kaars laag in den kandelaar. Nadat hij aandachtig om zich heen had gekeken en scherp geluisterd, schoof hij zachtjes de grendels van de deur en keek naar buiten.
Het was een koude, donkere nacht. De sterren schenen, inOliver'soogen, verder van de aarde af te zijn, dan hij ze ooit gezien had; er was geen wind en de sombere schaduwen, door de boomen op den grond geworpen, schenen doodsch en griezelig in hun roerloosheid. Zachtjes sloot hij de deur weer. Van het doovende kaarslicht maakte hij gebruik om de enkele kleedingstukken, diehij had, in een zakdoek te pakken; toen ging hij op een schaafbank zitten om den morgen af te wachten.
Bij den eersten lichtstraal, die door de openingen in de luiken binnenviel, stondOliverop en ontgrendelde opnieuw de deur. Nog één schuchteren blik in 't rond—één oogenblik van aarzeling—toen had hij de deur achter zich gesloten en stond op straat.
Hij keek naar rechts en links, onzeker waarheen te vluchten. Hij herinnerde zich, dat de wagens, als zij de stad uitgingen, den heuvel opreden. Hij nam denzelfden weg en toen hij bij een voetpad kwam, dat zooals hij wist eerst door de akkers voerde en dan verder weer op den grooten weg uitkwam, sloeg hij dit in en stapte flink door.
Oliverherinnerde zich, hoe hij langs datzelfde pad naastMr. Bumblehad geloopen, toen deze hem 't eerst van het Buitenhuis naar het armhuis bracht. Zijn weg leidde recht op het Buitenhuis aan. Zijn hart bonsde toen hij dit bedacht en hij was al half besloten, terug te keeren. Maar hij had al een heel eind afgelegd en zou veel tijd verliezen als hij 't deed. Bovendien was het nog zoo vroeg, dat hij weinig gevaar liep gezien te worden en liep dus door.
Nu was hij bij het Huis. Niemand van de bewoners scheen nog op te zijn.Oliverbleef staan en keek in den tuin. Een jongen was bezig één van de perkjes te wieden; toenOliverstilstond, keek de andere jongen op enOliverherkende één van zijn vroegere kameraadjes.Oliverwas blij hem te zien vóór hij wegging, want ofschoon de ander jonger was, was hij toch zijn vriendje en speelmakkertje geweest. Ze hadden samen slaag gehad en honger geleden en waren samen opgesloten, vele, vele malen.
„Pst,Dick!” zeiOliver, toen de jongen naar het hek holde en zijn arm door de tralies stak om hem te begroeten. „Is er al iemand op?”
„Niemand als ik,” antwoordde het kind.
„Je moet niet vertellen, dat je me gezien hebt,Dick,” zeiOliver. „Ik loop weg. Ze slaan me en mishandelen me,Dick, en ik ga mijn fortuin zoeken, ergens ver weg. Ik weet niet waar. Wat zie je bleek!”
„Ik heb den dokter hooren zeggen, dat ik gauw dood ga,” antwoordde het kind met een flauwen glimlach. „Ik ben blij, dat ik je zie, maar blijf hier niet staan!”
„Jawel, ik wil je even goedendag zeggen,” hernamOliver. „Ik zie je weerDick, dat weet ik zeker. Je zult gezond zijn en gelukkig!”
„Dat hoop ik,” antwoordde het kind. „Als ik dood ben, eerder niet. Ik weet, dat de dokter gelijk heeft,Oliver, want ik droom zoo dikwijls van den hemel en van engelen en van lieve gezichten, die ik nooit zie als ik wakker ben. Geef me een zoen.” De jongen klom op het hekje en sloeg zijn armpjes omOliver'shals. „Dag! God zegen je!”
De zegenwensch kwam van de lippen van een kind, doch het was de eerste, dienOliverooit over zijn hoofd had hooren uitspreken; en hij vergat die nooit, in al den strijd en de smart en de moeiten en lotswisselingen van zijn volgend leven.
Oliverloopt naar Londen—hij ontmoet onderweg een zonderling jongmensch.
Oliverkwam bij den slagboom, waar het zijpad eindigde en was opnieuw op den straatweg. Het was nu acht uur. Ofschoon hij bijna vijf mijlen van de stad verwijderd was, kroop hij nu eens weg achter de boschjes en holde dan weer voort, uit angst dat hij vervolgd en ingehaald zou worden. Tegen twaalf uur ging hij eindelijk bij eenmijlpaal zitten om uit te rusten en begon er voor 't eerst over te denken, waar hij heen zou gaan en waarvan hij zou leven.
Op de paal, waarbij hij zat, stond in groote letters aangeduid, dat Londen juist zeventig mijlen ver aflag.
De naam riep een nieuwe reeks denkbeelden in den jongen wakker. Londen!—die groote stad! Daar zou niemand—zelfsMr. Bumbleniet—hem vinden! Hij had de oude mannetjes in het armhuis ook dikwijls hooren zeggen, dat geen flinke jongen in Londen gebrek hoefde te lijden en dat er in die groote stad middelen bestonden om aan den kost te komen, waar de menschen, die buiten opgegroeid waren, geen denkbeeld van hadden. Dat was juist de meest geschikte plek voor een dakloozen jongen, die zou sterven op straat, als niemand hem voorthielp. Toen deze dingen hem door het hoofd gingen, sprong hij op en liep weer voort.
Hij had den afstand tusschen hem en Londen nog met volle vier mijlen verminderd, eer hij bedacht, hoeveel hij nog moest afleggen vóór hij kon hopen, de plaats van zijn bestemming te bereiken. Terwijl deze overweging zich aan hem opdrong, hield hij zijn stap een weinig in en dacht na over de middelen om er te komen. Hij had een korst brood, een grof hemd en twee paar kousen in zijn bundeltje. Ook had hij een penny in zijn zak, een geschenk vanSowerberry, toen hij zich bij een of andere begrafenis bijzonder goed van zijn taak gekweten had. „Een schoon hemd,” dachtOliver, „is wel heel prettig en twee paar gestopte kousen ook, en een penny ook; maar ze geven niet veel als je vijf en zestig mijl af moet leggen in den winter.” Doch ofschoonOliver'sgedachten heel vlug en juist waren in het wijzen op moeielijkheden, waren zij—evenals die van de meeste menschen—volkomen buiten staat eenig uitvoerbaar middel aan te geven om de moeilijkheden te boven te komen; dus nadathij geruimen tijd gedacht had zonder tot een besluit te komen, hing hij zijn bundeltje over den anderen schouder en sjokte verder.
Oliverliep dien dag twintig mijlen en kreeg in dien tijd niets over zijn lippen als de korst brood en een paar teugen water, die hij aan de huizen vroeg langs den weg. Toen het avond werd, liep hij een weiland op, kroop onder een hooischelf en besloot daar tot den morgen te blijven liggen. Eerst was hij angstig, want de wind huilde akelig over de verlaten velden en hij was koud en hongerig en eenzamer dan ooit te voren. Doch daar hij doodmoe was van zijn tocht, viel hij spoedig in slaap en vergat zijn verdriet.
Toen hij den volgenden morgen opstond, was hij koud en stijf en zóó hongerig, dat hij genoodzaakt was in het eerste dorp, waar hij door kwam, zijn penny in te ruilen voor een broodje. Hij had niet meer dan twaalf mijlen afgelegd, toen opnieuw de avond viel. Zijn voeten waren doorgeloopen en zijn beenen zóó zwak, dat zij onder hem trilden. Een tweede nacht, in de ijzige vochtige buitenlucht verergerde het gevoel van moeheid; toen hij den morgen daarna verder wilde gaan, moest hij zich voortsleepen.
Hij wachtte beneden aan een steilen heuvel tot de postwagen aankwam en bedelde toen bij de reizigers die buitenop zaten, doch er waren er maar enkelen, die op hem letten en deze zeiden hem nog, te wachten tot ze op den heuvel waren en eerst eens te laten zien hoe ver hij hard kon loopen voor een halve penny. De armeOlivertrachtte den postwagen een eindje bij te houden, doch door zijn moeheid en doorgeloopen voeten gelukte het niet. Toen de passagiers dat zagen, staken zij hun halve penny weer in hun zak en verklaarden dat hij een luie rekel was en niets verdiende; de postwagen ratelde weg en liet niets als een stofwolk achter.
In enkele dorpen stonden groote borden met de waarschuwing, dat iedereen die bedelde in deze gemeente, in de gevangenis gezet zou worden.Oliverkeek hier verschrikt naar en was blij, zoo gauw mogelijk dergelijke dorpen weer uit te zijn. In andere dorpen stond hij bij de herbergen en keek iederen voorbijganger treurig aan; een handelwijze, die gewoonlijk daarmee eindigde, dat de waardin aan één van de rondslenterende postjongens beval, dien vreemden jongen weg te jagen, want ze wist zeker, dat hij een of ander weg kwam kapen. Als hij aan een boerderij bedelde, was het tien tegen één, dat de boer dreigde den hond op hem los te laten, en als hij zijn neus in een winkel stak, praatten ze over den veldwachter—dit deedOliverhet hart in de keel kloppen; gedurende vele uren was dit dikwijls het eenige wat hij in de keel kreeg.
Wanneer een goedhartige tolbaas en een wandelende oude dame er niet geweest waren, zou aanOliver'slijden een eind zijn gekomen op dezelfde wijze, waarop dat van zijn moeder eindigde; met andere woorden, hij zou stellig en zeker dood zijn neergevallen op den koninklijken straatweg. Maar de tolbaas gaf hem een maal brood met kaas en de oude vrouw, die een verongelukten kleinzoon zwervende had in een of ander ver oord van de wereld, had medelijden met het arme weesje en gaf hem het weinige dat ze missen kon—en meer nog—met zulke teedere, hartelijke woorden en zooveel tranen van deernis en mededoogen, dat zij dieper indruk maakten opOliver'shart, dan al het lijden dat hij had ondergaan.
Vroeg in den zevenden morgen, nadat hij zijn geboorteplaats verlaten had, strompeldeOliverlangzaam het stadjeBarnetbinnen. De luiken waren nog overal voor de ramen, de straat was verlaten, geen ziel was nog wakker voor het dagwerk. De zon verrees in al haar stralende schoonheid, doch het licht diende alleen omden jongen, die met bloedende voeten en overdekt met stof op een stoep zat, zijn eigen hopeloozen toestand en verlatenheid kenbaar te maken.
Langzamerhand gingen de luiken open, de gordijnen werden opgetrokken en er begonnen menschen voorbij te komen. Enkelen bleven staan omOlivereen oogenblik aan te kijken, of keerden zich om, om onder het voorthaasten naar hem te zien, maar niemand hielp hem of nam de moeite, te vragen hoe hij hier kwam. Hij had den moed niet te bedelen. Dus bleef hij zitten.
Een tijdlang bleef hij op de stoep gehurkt zitten, zich verwonderend over het groot aantal herbergen, (inBarnetwas om het andere huis een herberg, groot of klein); lusteloos keek hij naar de postwagens, die voorbijkwamen en dacht er over, hoe vreemd het was, dat die wagens in enkele uren met gemak hetzelfde konden doen, waarvoor hij zich een week lang had ingespannen met een moed en vastberadenheid, die boven zijn leeftijd uitgingen. Plotseling werd zijn aandacht getrokken door een jongen, die na hem een oogenblik te voren onverschillig voorbij te zijn geloopen, omgekeerd was en hem nu aan den overkant van de straat aandachtig stond op te nemen. Eerst schonk hij er weinig aandacht aan, maar de jongen bleef hem zoo lang strak aankijken, datOliverhet hoofd ophief en hem zijn strakken blik teruggaf. Hierop stak de jongen de straat over, ging naarOlivertoe en zei:
„Hallo, kuikentje, wat scheelt der an?”
De jongen, die deze vraag tot den zwerveling richtte, was ongeveer van denzelfden leeftijd, maar hij zag er zoo zonderling uit alsOlivernog nooit een jongen gezien had. Hij had een gewoon jongensgezicht, met een stompen neus en een terugwijkend voorhoofd, hij was zoo vuil als men maar wenschen kan en hij had de manieren en gebaren van een volwassen man. Hij wasklein voor zijn leeftijd, had kromme beenen en kleine, stekende, leelijke oogjes. Zijn hoed stond op 't topje van zijn hoofd, alsof hij er ieder oogenblik dreigde af te vallen—en dit zou ook zeker gebeurd zijn, wanneer de eigenaar niet met een zekere handigheid nu en dan den hoed een ruk had gegeven, die hem weer op zijn plaats bracht. Hij had een mannejas aan die hem op de hielen hing. De mouwen had hij tot halfweg zijn armen opgeslagen, om zijn handen vrij te krijgen, klaarblijkelijk met geen ander doel dan ze in de zakken van zijn bombazijnen broek te steken, want daar hield hij ze. Alles met elkaar zag hij er uit als het meest zwetsende, pocherige heertje van vier voet zes of nog minder, dat ooit in laarzen stond.
„Hallo kuikentje, wat scheelt der an?” vroeg dit zonderlinge jongmensch aanOliver.
„Ik ben zoo moe en ik heb zoo'n honger,” antwoorddeOliver, terwijl onder het spreken de tranen hem in de oogen kwamen. „Ik heb een heel eind geloopen. Ik heb zeven dagen geloopen.”
„Zeven dagen geloopen!” herhaalde het jongmensch. „O, ik snap 't al. Je moest voor de steekneus, niet? Maar,” voegde hij er bij, terwijl hij Olivers verwonderden blik opmerkte, „ik denk, dat je niet eens weet wat 'n steekneus is, slimmerd, die je bent!”
Oliverantwoordde schuchter, dat hij wel eens met dat woord over een vogel had hooren spreken.
„Nee maar, wat 'n groene ben jij!” riep de ander uit. „'n Steekneus, dat is 'n rechter, en als je voor de steekneus loopt, dan kom je niet vooruit, maar je gaat altijd na de hoogte en nooit niet na benejen. Ben je al eens in de molen1)geweest?”
„Welke molen?” vroegOliver.
„Welke molen? Wel de molen—demolen, die zoo weinig plaats inneemt, dat ie in 'n steenen huisje werkten die altijd 't best draait als het de menschen niet voor den wind gaat; als de wind draait krijgt de molen geen werklui. Maar kom,” zei 't jongmensch, „je moet wat te bikken hebben en je zal 't hebben. Ik zit zelf op zwart zaad, niet meer as een paar spie, maar, ik zal es putten. Hup! sta op je stelten! Vooruit dan! Voorwaarts!”
Het jongmensch hielpOliveropstaan en nam hem mee naar een winkel in de buurt, waar hij een flink stuk ham en een broodje kocht; de ham werd voor stof en vuil bewaard door de vernuftige uitvinding, een holte in het broodje te maken en daar de ham in te stoppen. Met het brood onder den arm ging het jongmensch een klein kroegje binnen en liep vooruit naar een vertrekje achter de gelagkamer. Hier werd op verlangen van het geheimzinnige jongmensch een pot bier gebracht. Uitgenoodigd door zijn nieuwen vriend, tastteOlivertoe en deed zich een heelen tijd te goed aan het maal, terwijl de vreemde jongen hem van tijd tot tijd opmerkzaam aankeek.
„Op weg naar Londen?” vroeg de vreemde jongen, toenOlivereindelijk klaar was.
„Ja.”
„Ben je daar thuis?”
„Nee.”
„Geld?”
„Nee.”
De vreemde jongen floot en stopte zijn armen zoo ver in zijn zakken als de wijde jasmouwen toelieten.
„Woon jij in Londen?” vroegOliver.
„Ja. Als ik thuis ben,” antwoordde de jongen. „Je moet vannacht zeker een slaapplaats hebben, niet?”
„Ja,” antwoorddeOliver. „Ik heb niet onder een dak geslapen, sinds ik op weg ben.”
„Maak je daar maar niet ongerust over,” zei het jongmensch. „Ik mot vanavond in Londen zijn, en ik weet 'n knappe ouwe meneer die daar woont, daar kenje voor niks slapen; die meneer zal je nooit 'n cent vragen—ten minste als je bij hem wordt gebracht door iemand die hij kent. En kent hij mij niet? O nee! Heelemaal niet! Volstrekt niet! Wel nee!”
Het jongemensch glimlachte, als om aan te duiden, dat de laatste zinnen lichtelijk ironisch bedoeld waren en dronk ondertusschen zijn pot bier leeg.
Het onverwachte aanbod van een slaapgelegenheid was te verleidelijk om afgeslagen te worden, vooral toen het onmiddellijk gevolgd werd door de mededeeling, dat de bewuste oude heer ongetwijfeld in minder dan geen tijdOliveraan een betrekking zou helpen. Dit leidde tot een meer vriendschappelijk en vertrouwelijk gesprek, waarbijOliverte weten kwam, dat zijn vriendJack Dawkinsheette en dat hij de bijzondere lieveling en protégé was van den ouden heer voornoemd.
Het uiterlijk van jongeheerDawkinslegde niet juist een gunstige getuigenis af omtrent de voordeelen, die de belangstelling van zijn beschermer opleverde voor hen die hij onder zijn bescherming nam, doch daar hij er een loszinnige en liederlijke manier van spreken op nahield en verder bekende hoe hij onder zijn vrienden bekend stond met den bijnaam van „de Slimme Vos,” kwamOlivertot het besluit, dat de jongen een onverschillig en slecht karakter had, zoodat de zedelijke voorschriften van zijn weldoener tot nu toe aan hem verspild waren. Onder dezen indruk besloot hij in stilte, te trachten zich zoo spoedig mogelijk de tevredenheid van den ouden heer te verwerven, en als hij bevond, dat de Vos onverbeterlijk was, wat hij half en half vermoedde, voor de eer van zijn verderen omgang te bedanken.
DaarJack Dawkinser op tegen had, vóór den avond in Londen te komen, was het bijna elf uur toen zij de tol bijIslingtonbereikten. Zij sloegenSt. John's Roadin, liepen het nauwe straatje door dat bijSadler's WellsTheatreeindigt, doorExmouth StreetenCoppice Row, langs het poortje opzij van het armhuis, over de klassieke plaats, die eens den naam droeg vanHockley-in-the-Hole, vandaar naarLittle Saffron Hillen zoo naarSaffron Hill the Great, waar de Vos met vlugge stappen doorheen holde,Oliverbevelend vlak achter hem te blijven. OfschoonOliverwerk genoeg had om zijn gids in het oog te houden, kon hij niet nalaten, in het voorbijgaan nu en dan een haastigen blik naar beide zijden te werpen. Nooit had hij een smeriger, ellendiger oord gezien. De steeg was nauw en modderig en de lucht bezwangerd met walgelijke geuren. Er waren verscheidene kleine winkeltjes, maar de eenige winkelvoorraad scheen in kleine kinderen te bestaan, die zelfs op dit nachtelijk uur in en uit de deuren kropen of binnen aan het schreeuwen waren. De eenige huizen, die er te midden van het algemeene verval goed aan toe schenen te zijn, waren de herbergen en daarbinnen waren Ieren van het minste slag uit alle macht aan 't ruzie maken. Overdekte poortjes en binnenplaatsen, die hier en daar op de hoofdstraat uitkwamen, borgen kleine groepen huizen, waar dronken mannen en vrouwen zich letterlijk wentelden in vuil, en uit verschillende deuren slopen groote, ongunstig uitziende kerels, die naar hun uiterlijk te oordeelen niet veel goeds in hun schild voerden.
Oliverdacht er juist over, of het niet beter was weg te loopen, toen zij aan 't eind van de steeg waren. Zijn geleider greep hem bij den arm en duwde de deur open van een huis bijField Lane; hij trok hem in de gang en sloot de deur achter hem.
„Wie daar?” riep een stem van achteren, in antwoord op een fluitje van de Vos.
„Hoog spel,” was het antwoord.
Dit scheen een wachtwoord of teeken te zijn, dat alles goed was, want aan het eind van de gang verscheende zwakke glans van een kaars en waar de leuning van de vroegere keukentrap was weggebroken, kwam het gezicht van een man te voorschijn.
„Jullie bent met je tweeën,” zei de man, stak zijn kaars meer naar voren en hield de hand boven zijn oogen. „Wie is de andere?”
„'n Nieuw lid,” antwoorddeJack Dawkins,Olivervooruit duwend.
„Waar komt hij vandaan?”
„Van Groenland. IsFaginboven?”
„Ja, hij zoekt de lappen uit. Vooruit maar!”
De kaars werd teruggehaald en het gezicht verdween.
Olivertastte met zijn ééne hand langs den muur, terwijl de andere stevig door zijn geleider werd vastgehouden; zoo steeg hij met veel moeite de donkere, uitgesleten trap op. Zijn geleider ging naar boven met een gemak en behendigheid, die er op wezen, dat hij hier gewend was. Hij gooide de deur van een achterkamer open en trokOliverachter zich naar binnen. De muren en de zoldering van de kamer waren volkomen zwart door vuil en ouderdom. Voor het vuur stond een ongeverfde tafel, waarop een kaars, in den hals van een bierflesch gestoken, twee of drie tinnen bekers, een broodje, boter en een bord. In een braadpan, die op het vuur stond en met een touw aan den schoorsteenmantel was vastgemaakt, lagen eenige worstjes te braden; een stokoude, gerimpelde Jood stond met een lange vork in zijn hand over de pan heengebogen; zijn schurkachtig, terugstootend gezicht werd overschaduwd door een dikke bos warrelig rood haar. Hij had een vettige flanellen kamerjapon aan, die zijn hals bloot liet, en scheen zijn aandacht te verdeelen tusschen de braadpan en den kleerenhanger, waarover een menigte zijden zakdoeken hingen.
Op den grond lagen naast elkaar verscheidene slordigeslaapplaatsen, van oude zakken gemaakt. Om de tafel zaten vier of vijf jongens, niet ouder dan de Vos, die lange pijpen rookten en drank dronken alsof zij mannen van middelbaren leeftijd waren. Zij drongen allen om hun kameraad heen, terwijl deze den Jood enkele woorden influisterde; toen keerden zij zich om en keken grinnikend naarOliver. De Jood deed het ook, met zijn vork in zijn hand.
„Dat is hij,Fagin,” zeideJack Dawkins, „mijn vriendOliver Twist.”
De Jood grinnikte; hij maakte een diepe buiging voorOliver, nam zijn hand en hoopte, dat hij de eer zou hebben, nader met hem kennis te maken. Hierop kwamen de jongelui met de pijpen om hem heen staan en schudden heel hard zijn beide handen—vooral die, waarin hij zijn bundeltje hield. Eén van de jongelui beijverde zich om zijn pet op te hangen, een ander was zoo vriendelijk, zijn handen in zijn zakken te steken, om hem, nu hij zoo moe was, de moeite te besparen, ze zelf leeg te maken als hij naar bed ging. Waarschijnlijk zouden deze beleefdheden zich nog veel verder uitgestrekt hebben, wanneer de Jood niet met milde hand zijn vork op de hoofden en schouders der gedienstige jongelui had laten spelen.
„We zijn heel blij je te zien,Oliver—heel blij,” zei de Jood.
„Vos, neem de worstjes van het vuur en zet er een ton bij, voorOliver. O, je kijkt naar de zakdoeken, is 't niet? Dat zijn er heel wat, niet? We hebben ze net uitgezocht voor de wasch; dat is allesOliver, dat is alles. Ha! ha! ha!”