HOOFDSTUK XLIX.

Monksen de heerBrownlowkomen eindelijk te zamen—hun onderhoud en de tijding waardoor dit onderhoud gestoord werd.

De avond begon te vallen, toen de heerBrownlowvoor zijn eigen deur uit een huurkoets stapte en zachtjes klopte. Toen de deur open ging, stapte een stevig gebouwd man uit de koets en stelde zich op aan den éénen kant van de trede, terwijl een andere man, die op den bok had gezeten, ook naar beneden kwam en aan den anderen kant ging staan. Op een teeken van den heerBrownlowhielpen zij een derden man uitstappen, namen hem tusschen zich in en liepen haastig het huis binnen. Deze man wasMonks.

Op dezelfde wijze gingen zij zwijgend de trap op, en de heerBrownlow, die vooruit ging, bracht hen in een achterkamer. Bij de deur van dit vertrek bleefMonks, die met blijkbaren tegenzin volgde, plotseling staan. De beide mannen keken den ouden heer aan als om van hem verdere instructies te ontvangen.

„Hij weet waartusschen hij te kiezen heeft,” zeide de heerBrownlow. „Als hij aarzelt of maar één vinger uitsteekt, zonder dat u het hem beveelt, neem hem dan mee op straat, roep de hulp van de politie in en laat hem uit mijn naam, als een schurk arresteeren.”

„Hoe durft u zoo tegen mij te spreken?” vroegMonks.

„Hoe durft u mij daartoe te dwingen, jonge man?” antwoordde de heerBrownlow, terwijl hij den ander strak in het gezicht keek. „Wilt u dwaas genoeg zijn, dit huis te verlaten? Laat hem los. Zoo mijnheer. U bent vrij om te gaan en wij om te volgen. Maar ik waarschuw u, bij alles wat mij heilig is, dat ik u op het oogenblik,dat u een voet op straat zet, laat arresteeren onder beschuldiging van oplichting en berooving. Ik ben vastbesloten en onverbiddelijk. Als u besloten bent ook zoo te zijn, dan kome uw bloed over uw hoofd!”

„Op wiens gezag wordt ik op straat opgelicht en door die honden van kerels hier gebracht?” vroegMonks, terwijl hij de mannen, die naast hem stonden, beurtelings aankeek.

„Op mijn gezag,” antwoordde de heerBrownlow. „Deze personen zijn in mijn dienst. Als u u beklaagt over vrijheidsberooving—terwijl u hier naar toe kwam, had u de macht en de gelegenheid een klacht in te dienen, maar het scheen u raadzamer te zwijgen—doch, ik zeg 't nog eens, stel u onder bescherming der wet. Dan zal ik mij ook op de wet beroepen; doch wanneer u eenmaal te ver bent gegaan om u terug te trekken, en u heeft u onder andere machten gesteld, moet u van mij geen lankmoedigheid meer verwachten en niet zeggen, dat ik u in 't verderf gestort heb, waarin u u zelf hebt neergeworpen.”

Monkswas blijkbaar verbijsterd en ongerust er bij. Hij aarzelde.

„U moet snel besluiten,” zei de heerBrownlow, volkomen bedaard en op vasten toon. „Wanneer u liever heeft, dat ik mijn klacht openlijk indien en u daardoor tot een straf verwijs, waarvan ik de zwaarte, ofschoon ik er met een huivering aan denk, niet vooruit vast kan stellen, dan, ik zeg 't nogmaals, weet u den weg. Wanneer u er van afziet en mijn mededoogen inroept en de vergeving van hen, die u diep heeft beleedigd, ga dan zonder een woord te spreken in dien stoel zitten. Die staat al twee dagen lang op u te wachten.”

Monksmompelde enkele onverstaanbare woorden, maar aarzelde nog.

„U moet besluiten,” zei de heerBrownlow. „Een woord van mij en de keus is voor altijd beslist.”

Nog aarzelde de man.

„Ik ben niet van plan het op een accoordje te gooien,” zei de heerBrownlow, „en daar ik hierin voor de dierbaarste belangen van anderen opkom, heb ik er ook het recht niet toe.”

„Is er,” vroegMonkshakkelend—„is er—geen middenweg?”

„Neen.”

Monkskeek den ouden heer angstig aan, doch toen hij op zijn gezicht niets las als strengheid en een vast besluit, liep hij de kamer binnen, haalde zijn schouders op en ging zitten.

„Sluit de deur aan den buitenkant,” zei de heerBrownlowtot de helpers, „en kom als ik schel.”

De mannen gehoorzaamden en de twee mannen bleven alleen.

„'t Is een mooie behandeling, mijnheer,” zeideMonks, terwijl hij hoed en jas neergooide, „en dat door den oudsten vriend van mijn vader.”

„Juist omdat ik uw vader's oudste vriend was, omdat de wenschen en verlangens van jonge gelukkige jaren aan zijn herinnering zijn verbonden en aan dat liefelijke wezentje, zijn vleesch en bloed, die in haar jeugd door God werd opgeroepen en mij alleen achterliet als een eenzame; juist omdat hij als jongen met mij samen neerknielde bij het sterfbed van zijn eenige zuster op den morgen, die—doch de Hemel beschikte het anders—haar tot mijn jonge vrouw zou gemaakt hebben; omdat mijn verdorde hart zich van dien tijd af tot aan zijn dood aan hem verbonden voelde door al zijn beproevingen en dwalingen heen; omdat oude herinneringen en ontroeringen mijn hart vervulden en zelfs, als ik u aanzie, oude gedachten aan hem in mij opkomen; om al deze dingen ben ik ertoe geneigd, u zacht te behandelen—ja,Edward Leeford, zelfsnu—en ik bloos,omdat u zóó onwaardig bent, dien naam te dragen.”

„Wat heeft mijn naam daarmee te maken?” vroeg de ander, die in zwijgende verbazing de ontroering van den ouden heer had gadegeslagen. „Wat beteekent die naam voor mij?”

„Niets,” antwoorddeMr. Brownlow—„niets voor u. Maar het washaarnaam en zelfs nu, na dezen langen tijd, komen in mij, ouden man, de gloed en de trilling terug, die ik eenmaal voelde, wanneer die naam maar door een vreemde genoemd werd. Ik ben heel blij, dat u een anderen naam hebt aangenomen—heel, heel blij.”

„Dat is allemaal mooi en wel,” zeideMonks, (dien wij bij zijn aangenomen naam zullen blijven noemen) na een lange stilte, gedurende welke hij in nijdige koppigheid heen en weer had zitten schuifelen, terwijl de heerBrownlowde hand voor zijn gezicht hield. „Maar wat wilt u eigenlijk van mij?”

„U hebt een broer,” zeideMr. Brownlow, weer gekalmeerd, „toen ik den naam van dien broer in uw oor fluisterde, terwijl ik achter u liep op straat, was dit bijna genoeg om u er toe te brengen, mij verwonderd en ongerust te volgen.”

„Ik heb geen broer,” antwoorddeMonks. „U weet, dat ik eenig kind was. Waarom praat u van broers? Dat weet u evengoed als ik.”

„Luister naar wat ik weet en u misschien niet,” zei de heerBrownlow. „Langzamerhand zult u er wel belang in gaan stellen. Ik weet dat u de eenige onnatuurlijke spruit bent uit het ongelukkige huwelijk, waartoe uw ongelukkige vader, toen hij nauwelijks meer dan een jongen was, gedwongen werd door familietrots en door de meest bekrompen en gierige eerzucht.”

„U kunt die harde benamingen wel achterwege laten,” vielMonksmet een smadelijken lach in. „U kent het feit en dat is mij genoeg.”

„Maar ik ken ook,” ging de oude heer voort, „de ellende, de langzame foltering, de voortdurende angst van die ongelukkige verbintenis. Ik weet, hoe onverschillig en moe dat ongelukkige paar den zwaren keten meesleepte, terwijl de wereld voor hen als vergiftigd was. Ik weet, hoe koude vormelijkheid gevolgd werd door openlijke verwijten, hoe onverschilligheid veranderde in weerzin, weerzin in haat en haat in walging, totdat zij eindelijk den drukkenden keten verbraken, ver van elkaar weggingen, ieder een deel van den keten torsend, waarvan alleen de dood de schakels kon verbreken en die zij in een nieuwen kring onder een vroolijk uiterlijk trachtten te verbergen. Uw moeder slaagde er in, zij vergat spoedig. Maar het knaagde en vrat jarenlang aan uw vaders hart.”

„Nou ja, ze waren gescheiden,” zeiMonks, „en wat verder?”

„Toen zij eenigen tijd gescheiden waren,” hernam de heerBrownlow, „en uw moeder, die geheel opging in de vermaken van het vasteland, voor 't uiterlijk den tien jaar jongeren echtgenoot had vergeten, ontmoette hij, die, nu al zijn verwachtingen teleurgesteld waren, in zijn ouderlijk huis verbleef, nieuwe vrienden.Dezeomstandigheid is u ten minste bekend.”

„Ik weet er niets van,” zeiMonks, terwijl hij zijn oogen afwendde en met zijn voet op den grond stampte, als een man, die besloten is, alles te ontkennen. „Niets.”

„Uw houding en niet minder wat u gedaan heeft, geeft mij de overtuiging, dat u het nooit hebt vergeten en nooit hebt opgehouden er met bitterheid aan te denken,” antwoordde de heerBrownlow. „Ik spreek van vijftien jaar geleden, toen u niet ouder was dan elf jaar en uw vader pas één en dertig—want hij was, dat herhaal ik, nog een jongen, toenzijnvader hem beval te trouwen. Moet ik gebeurtenissen ophalen, die een schaduw werpenop de nagedachtenis van uw vader, of wilt u dat voorkomen en mij de waarheid onthullen?”

„Ik heb niets te onthullen,” wierpMonkstegen. „Praat u maar door, als u er lust in hebt.”

„Die nieuwe vrienden dan,” zei de heerBrownlow, „was het gezin van een zeeofficier, die zich uit den actieven dienst had teruggetrokken; zijn vrouw was een jaar te voren gestorven en liet hem twee kinderen na—er waren er meer geweest, maar van het geheele gezin waren er gelukkig maar twee in leven gebleven. Beiden waren dochters; de ééne was een mooi meisje van negentien jaar, de andere een kind van twee of drie jaar.”

„Wat gaat mij dat aan?” vroegMonks.

„Zij woonden,” ging de heerBrownlowvoort, schijnbaar zonder de opmerking te hooren, „ergens buiten, waar ook uw vader op één van zijn zwerftochten was gekomen en zich had gevestigd. Kennismaking, vertrouwelijke omgang, vriendschap, volgden elkaar ras op. Uw vader was begaafd als weinig menschen. Hij geleek innerlijk en uiterlijk op zijn zuster. Toen de oude officier hem beter leerde kennen, begon hij van hem te houden. Ik wenschte, dat het daarbij gebleven was. Zijn dochter—kreeg ook uw vader lief.”

De oude heer zweeg;Monksbeet zich met neergeslagen oogen op de lippen; toen hij dit zag, ging de oude heer dadelijk voort:

„Na een jaar was hij verbonden, plechtig verbonden aan die dochter en was hij het voorwerp van de eerste, trouwe, vurige, eenige hartstocht van een onervaren meisje.”

„Uw verhaal is vrij lang,” merkteMonksop, terwijl hij onrustig op zijn stoel heen en weer schoof.

„Het is een waar verhaal van droefenis, beproevingen en leed, jonge man,” hernam de heerBrownlow, „enzulke verhalen zijn gewoonlijk lang; als het vertellen kon van onvermengde vreugde en geluk, zou het heel kort zijn. Ten laatste stierf één der rijke bloedverwanten, aan wiens belang en positie uw vader was opgeofferd, zooals zoo dikwijls gebeurt,—het is niets bijzonders. Om de ellende, die hij mede veroorzaakt had, goed te maken, liet hij aan uw vaderzijnheilmiddel voor alle kwalen na—geld. Het was noodzakelijk dat uw vader onmiddellijk naar Rome reisde, waar die bloedverwant voor zijn gezondheid heen was gegaan, en waar hij bij zijn sterven zijn zaken in groote verwarring had achtergelaten. Uw vader ging, werd daar overvallen door een doodelijke ziekte en werd op het oogenblik toen het bericht te Parijs aankwam, nagereisd door uw moeder, die u meenam; den dag na haar aankomst stierf hij zonder testament na te laten—zonder testament—zoodat de geheele bezitting aan haar en u ten deel viel.”

Bij dit gedeelte van het verhaal, hieldMonksden adem in en luisterde met een uitdrukking van gespannen aandacht op zijn gezicht, ofschoon zijn oogen niet op den spreker waren gericht. Toen de heerBrownloween oogenblik zweeg, veranderde hij van houding op de wijze van iemand, die zich plotseling verlicht voelt en veegde zijn gezicht en handen af.

„Eer hij naar het vasteland overstak en toen hij op zijn weg daarheen door Londen kwam,” zeide de heerBrownlowlangzaam, met zijn oogen op het gezicht van den ander gericht, „kwam hij bij mij.”

„Daar heb ik nooit van gehoord,” vielMonksin, op een toon, die ongeloovig moest schijnen, doch waarin meer een onaangename verrastheid doorklonk.

„Hij kwam bij mij en liet met andere dingen, een schilderij achter—een portret, dat hijzelf had geschilderd—het portret van dat arme meisje—hij wilde 't niet in zijn eigen woning laten en kon het ook niet meenemen opzijn overhaaste reis. Hij was vol zelfverwijt, elke schaduw bijna joeg hem angst aan, hij sprak in wilde onsamenhangende woorden van ondergang en oneer, die hij over anderen had gebracht, en vertrouwde mij zijn voornemen toe, zijn geheele bezitting in elk geval te gelde te maken en na op zijn vrouw en u een deel van zijn nieuwverworven bezit vastgezet te hebben, het land uit te gaan—ik begreep maar al te wel, dat hij niet alleen zou gaan—en er nooit meer terug te keeren. Zelfs voor mij, zijn ouden jeugdvriend, wiens vriendschap wortelde in den grond, waarin iemand rustte, die ons beiden zoo dierbaar was geweest, zelfs mij nam hij niet in vertrouwen; hij beloofde mij alles te zullen schrijven en mij dan nog eenmaal weer te zullen zien, voor de laatste maal op aarde. Helaas!Ditwas de laatste maal. Ik kreeg geen brief en zag hem nooit meer.

„Toen alles voorbij was,” vervolgde de heerBrownlowna een oogenblik, „toen alles voorbij was, ging ik naar de plek van zijn—ik zal de uitdrukking gebruiken, die de wereld zeker zou gebruiken, want hij is toch buiten het bereik van de goed- of afkeuring dier wereld—zijn schuldige liefde, vastbesloten, dat, als mijn vrees bewaarheid werd, dat arme dwalende kind een huis en een hart zou vinden om haar te beschermen en te troosten. De familie was de week te voren vertrokken; zij hadden de kleine schulden in het dorp betaald en waren 's nachts heengegaan. Waarom of waarheen, kon niemand zeggen.”

Monkshaalde steeds vrijer adem en keek met een triomfantelijken glimlach rond.

„Toen uw broertje”—zei de heerBrownlow, zijn stoel dichter bij dien vanMonksschuivend—„toen uw broertje, een zwak, arm, verwaarloosd kind—door een hoogere macht dan het toeval op mijn weg gevoerd werd, en door mij behoed werd voor een leven van schande en misdaad—”

„Wat?” riepMonks.

„Door mij,” zei de heerBrownlow, „ik heb u immers gezegd, dat u belang zoudt gaan stellen in mijn verhaal. Door mij, zeg ik nog eens—ik zie, dat uw sluwe helper mijn naam verzwegen heeft, ofschoon die, voor zoover hij weet, u geheel vreemd in de ooren moet klinken. Toen hij dan door mij opgenomen was en in mijn huis herstelde van een ziekte, werd ik getroffen door de sprekende gelijkenis tusschen hem en het portret, waarvan ik u gesproken heb. Zelfs toen ik hem voor 't eerst zag, vuil en ellendig als hij was, lag er op zijn gezicht dikwijls een uitdrukking, die mijn aandacht trok zooals 't gezicht van een oud vriend ons soms in een flits verschijnt in een levendigen droom. Ik behoef u niet te vertellen, dat hij opgelicht werd eer ik zijn geschiedenis wist....”

„Waarom niet?” vroegMonkshaastig.

„Omdat u dat al weet.”

„Ik?”

„Het is vergeefs, dit te ontkennen,” hernam de heerBrownlow, „ik zal u laten zien, dat ik nog meer weet.”

„U—u—hebt geen bewijzen tegen mij,” stameldeMonks. „Ik tart u om ze bij te brengen.”

„We zullen zien,” antwoordde de oude heer, met een onderzoekenden blik. „Ik verloor den jongen en welke pogingen ik ook aanwendde, hij werd niet gevonden. Daar uw moeder gestorven was, begreep ik, dat u de eenige was, die het geheim zou kunnen ontsluieren en daar u, toen ik 't laatst van u hoorde, op uw eigen bezitting in West-Indië verblijf hield,—waarheen u, zooals u weet, bij uw moeders dood uitweek om de gevolgen van uw slechte leven hier te ontgaan—deed ik de reis daarheen. U was al maanden te voren vandaar vertrokken en men dacht u in Londen, maar niemand kon zeggenwaar. Ik ging terug. Uw zaakwaarnemers waren niet op de hoogte van uw verblijfplaats. U kwamen ging, zeiden zij, even vreemd als u altijd gedaan had; soms zagen zij u eenige dagen achter elkaar, soms in maanden niet; naar alle waarschijnlijkheid leidde u hetzelfde slechte leven met dezelfde schandelijke menschen, waarmee u zich reeds had opgehouden toen u nog een wilde, ontembare jongen was. Ik viel hen steeds opnieuw met aanvragen lastig. Ik doorkruiste dag en nacht de straten, maar tot twee uur geleden bleven al mijn pogingen tevergeefs en ik kreeg niets van u te zien.”

„En nu u mij ziet,” zeideMonks, terwijl hij met een driest gebaar opstond, „wat nu? Oplichting en berooving—'t klinkt heel erg, en dat wilt u rechtvaardigen omdat u u verbeeldt gelijkenis te ontdekken tusschen een of anderen snotjongen en een kladschilderij van een gestorven man. Broeder! U weet niet eens, of er een kind bestaat van dat mooie paar; dat weet u niet eens.”

„Ikwist't niet,” hernam de heerBrownlow, terwijl hij ook opstond, „maar in de laatste veertien dagen heb ik alles gehoord. U heeft een broer; u weet 't en u kent hem. Er was een testament, dat uw moeder vernietigd heeft; dit geheim en de winst ervan vertrouwde ze u toe op haar eigen sterfbed. Het testament hield een aanduiding in, dat er waarschijnlijk een kind uit deze droeve verbintenis geboren zou worden; het kind werd geboren en u ontmoette het toevallig, waarbij uw argwaan werd opgewekt door zijn gelijkenis met uw vader. U ging naar zijn geboorteplaats. Er bestonden bewijzen—bewijzen, die lang verborgen waren gehouden—van zijn geboorte en de namen zijner bloedverwanten. Deze bewijzen werden vernietigd door u en om uw eigen woorden aan uw medeplichtige, den Jood, te herhalen: „de eenige bewijzen voor de identiteit van den jongen liggen op den bodem der rivier en de oude heks, die ze van de moeder gekregen heeft, ligt te rotten in haar kist.” Onwaardige zoon, lafaard, leugenaar—jij, die 's nachtsin donkere holen samenkomt met dieven en moordenaars, jij, wiens schanddaden een gewelddadigen dood gebracht hebben over het hoofd van iemand, die millioen maal zooveel waard is als jij—jij, die van de wieg af niets dan bitterheid bracht in je vaders hart en in wien alle slechte hartstochten, ondeugden en verdorvenheden voortwoekerden, totdat zij een uitweg vonden in een afschuwelijke ziekte, die je gezicht tot den spiegel van je ziel heeft gemaakt—jij,Edward Leeford, durf je mij nog te trotseeren?”

„Neen, neen, neen!” antwoordde de lafaard, verslagen door dezen vloed van beschuldigingen.

„Elk woord!” riep de oude heer uit—„elk woord, dat tusschen jou en dien schurk is gesproken, weet ik. Schaduwen op den muur hebben je gefluister opgevangen en 't mij overgebracht; het bijzijn van het vervolgde kind zelf heeft de ondeugd op zijn weg tegengehouden en er den moed van de deugd aan verleend. Er is een moord gepleegd, waarin je moreel of daadwerkelijk betrokken bent.”

„Neen, neen,” vielMonksin. „Ik—ik—daar weet ik niets van; ik wou juist gaan hooren, wat er van waar was, toen u mij overviel. Ik wist niets van de zaak af. Ik dacht, dat het een gewone twist was.”

„Het was de onthulling van uw geheim,” vulde de heerBrownlowaan. „Wilt u mij nu het geheele geheim onthullen?”

„Ja.”

„Uw hand zetten onder een schriftelijke getuigenis van de waarheid en ze in 't bijzijn van getuigen herhalen?”

„Dat beloof ik.”

„Wilt u rustig hier blijven tot zulk een document is opgemaakt en met mij naar de plaats gaan, die ik het meest geschikt acht om het te onderteekenen?”

„Als u er op staat, zal ik dat ook doen,” antwoorddeMonks.

„U moet nog meer doen. Schadevergoeding geven aan een onschuldig en braaf kind, want dat is hij, al is hij de spruit van een schuldige en ongelukkige liefde. U heeft de voorwaarden van het testament niet vergeten. Voer ze uit in zoover zij uw broertje betreffen en ga dan waarheen het u goeddunkt. In deze wereld zult u hem niet meer ontmoeten.”

TerwijlMonksop en neer liep en met somberen, nijdigen blik dezen eisch bepeinsde en de mogelijkheid om er aan te ontkomen, aan den éénen kant getrokken door zijn angst en aan den anderen door zijn haat, werd de deur haastig opengeworpen en een heer (Mr. Losberne) kwam in vreeselijke opgewondenheid de kamer binnenstuiven.

„De man wordt gearresteerd!” riep hij. „Vanavond wordt hij gearresteerd!”

„De moordenaar?” vroeg de heerBrownlow.

„Ja, ja! Ze hebben zijn hond om een of ander oud krot zien dwalen en 't schijnt wel zoo goed als zeker, dat de baas daar binnen is of er, als 't donker is, komen zal. In alle richtingen zijn speurders aan 't zoeken. Ik heb de mannen gesproken, die hem gevangen moeten nemen en ze zeggen, dat hij onmogelijk ontsnappen kan. Het stadsbestuur heeft vanavond een belooning van honderd pond voor zijn gevangenneming uitgeloofd.”

„Ik geef er nog vijftig bij,” zeideMr. Brownlow, „dat zal ik met mijn eigen mond bevestigen, als ik er bij kan zijn. Waar is mijnheerMaylie?”

„Harry? Zoodra hij gezien had, dat uw vriend hier veilig en wel met u in een rijtuig zat, ging hij naar de plaats, waar hij dit laatste bericht heeft gehoord,” antwoordde de dokter, „hij is te paard gestegen en weggehold om zich op een afgesproken plaats in een der voorsteden bij de eerste afdeeling van de vervolgers aan te sluiten.”

„EnFagin?” vroeg de heerBrownlow, „hoe is 't met hem?”

„Volgens de laatste berichten was hij nog niet gearresteerd, maar dit zal gauw genoeg gebeuren of 't is al zoover. Van hem zijn ze zeker.”

„Bent u besloten?” vroeg de heerBrownlowmet zachte stem aanMonks.

„Ja,” antwoordde hij. „Zult u—mijn—mijn geheim bewaren?”

„Dat zal ik. Blijf hier tot ik terugkom. 't Is uw eenige hoop op veiligheid.”

Zij gingen de kamer uit en de deur werd opnieuw gesloten.

„Wat heeft u gedaan?” vroeg de dokter fluisterend.

„Alles wat ik gehoopt had te doen en meer zelfs. Door het verhaal van het arme meisje te verbinden met wat ik zelf wist en met wat onze goede vriend ter plaatse te weten was gekomen, liet ik hem geen gaatje over om te ontsnappen en legde de geheele schurkenstreek bloot; 't werd mij alles zoo klaar als de dag. We moesten overmorgenavond om zeven uur vaststellen voor onze samenkomst. Wij komen er eenige uren eerder aan, maar moeten eerst wat uitrusten; vooralRose, diemisschienmeer kracht noodig zal hebben dan u of ik nu nog kunnen voorzien. Maar mijn bloed kookt van verlangen om dat arme vermoorde schepsel te wreken. Welken kant zijn zij uitgegaan?”

„Rijd rechtdoor naar het politiebureau, dan komt u nog net bijtijds,” antwoordde dokterLosberne. „Ik blijf hier.”

De heeren namen haastig afscheid van elkaar; beiden verkeerden in koortsachtige opwinding.

Vervolging en ontsnapping.

Aan dat deel van de Theems, dat in de buurt van de kerk vanRotherhitheligt, waar de gebouwen aan de oevers het vuilst zijn en de schepen op de rivier het zwartst door het stof van de kolenschepen en den rook van de dicht op elkaar gebouwde lage huizen, ligt de smerigste, de zonderlingste, de vreemdste warwinkel van gebouwen die Londen bergt, en die de groote massa der bewoners van de groote stad zelfs niet bij naam kent.

Om hier te komen moet de bezoeker een warnet van enge, nauwe, vuile steegjes doorgaan, waar de ruwsten en armsten der oeverbewoners bij elkaar hokken en hun armoedige zaakjes drijven. In de winkeltjes liggen de goedkoopste en onsmakelijkste eetwaren opgehoopt; de grofste en gemeenste kleedingstukken bengelen aan de deur en ramen en kozijnen der uitdragers. Zich een weg banend door troepen werkelooze arbeiders van het minste soort, door sjouwerlui, kolendragers, brutale wijven, kinderen in lompen en het schuim en vuil van de rivier, komt de bezoeker slechts met moeite vooruit; in de nauwe sloppen rechts en links, ziet en ruikt hij walgelijke dingen, en zijn ooren worden verdoofd door het geratel van zware wagens, die groote voorraden koopwaar vervoeren naar en van de pakhuizen, die aan elken hoek oprijzen. Wanneer hij eindelijk in meer afgelegen, stillere straten komt, loopt hij onder overhellende huisgevels door, die zich over de straat heenbuigen, vervallen muren, die schijnen te waggelen als men er voorbij loopt, afgebrokkelde schoorsteenen, die klaar staan, geheel in elkaar te vallen, ramen beschermd door roestige ijzeren roeden, bijna vergaan door tijd en vuil, en alles wat deverbeelding uit kan denken aan teekenen van verval en verwaarloozing.

In zulk een buurt, tegenoverDockhead, in het vlekSouthwark, ligt hetJacob'seiland, omgeven door een modderige gracht, bij hoog tij zes of acht voet diep en vijftien of twintig voet breed; vroeger heette dezeMill-Pond, maar in den tijd waarin ons verhaal speelt stond ze bekend alsFolly Ditch. Het is een kreek of inham van de Theems en men kan hem bij vloed altijd vol laten loopen, door de sluizen te openen bij de loodpletmolens, waaraan het water zijn vroegeren naam ontleende. Op zulk een oogenblik ziet een vreemdeling, die op een der houten bruggetjes staat, die bijMillLaneoverFolly Ditchzijn geslagen, hoe de bewoners der huizen aan beide kanten uit hun achterdeuren en ramen emmers, tobbes en andere huishoudelijke gereedschappen naar beneden laten om het water op te vangen; en wanneer de vreemdeling dan tevens zijn oogen wendt naar de huizen zelf, zal, wat hij daar ziet, hem in de hoogste verwondering brengen. Bouwvallige, houten galerijen, die langs den achterkant van een half dozijn huizen loopen, met gaten er in om doorkijk te gunnen op den modderpoel beneden; gebroken en dichtgeplakte ramen, waaruit stokken naar buiten steken om linnengoed op te drogen, dat er nooit is; kamertjes zoo klein, zoo smerig, zoo eng, dat de lucht er te benauwd schijnt zelfs voor al het vuil dat zij bergen; houten gebouwtjes, die in den modder vooruitsteken en er in neer dreigen te storten—zooals met enkelen al gebeurd is; muren met vuil besmeerd en fondamenten, die in elkaar zakken; elke walgelijke trek der armoede, elk afstootend bewijs van bederf en verrotting; dit alles versiert de oevers vanFolly Ditch.

OpJacob'seiland zijn de pakhuizen dakloos en leeg, de muren vallen in elkaar, de ramen zijn geen ramen meer, de deuren liggen op straat, de schoorsteenen zijnzwart maar rooken niet. Dertig of veertig jaar geleden, eer de plaats in verval kwam door verliezen en processen, was het een drukke handelsbuurt; maar nu is het niets als een ellendig eiland. De huizen hebben geen eigenaar; wie er den moed toe hadden zijn er in getrokken en daar leven zij en daar sterven zij. Wie een wijkplaats zoekt opJacob's eiland moet wel krachtige redenen hebben, zich te verbergen, of tot den uitersten toestand van verval zijn gekomen.

Van één der alleenstaande, vrij groote huizen, dat met den achterkant naar de sloot stond, op de wijze, zooals het hierboven reeds werd beschreven, waren deuren en ramen—hoe vervallen het ook in andere opzichten mocht zijn—zeer stevig verzekerd.

In één der bovenkamers van dit huis zaten drie mannen bij elkaar; van tijd tot tijd keken ze elkaar aan met oogen vol angst en verwachting en vervielen dan weer in diep en somber zwijgen. Eén van de drie wasToby Crackit; de tweedeMr. Chillingen de derde een misdadiger van vijftig jaar, wiens neus vroeger bij een of andere vechtpartij was ingeslagen en die een verschrikkelijk litteeken over zijn gezicht had, waarschijnlijk bij dezelfde gelegenheid opgeloopen. Deze man was een ontvluchte galeiboef en heetteKags.

„Ik wou,” zeideToby, terwijl hij zich totMr. Chillingwendde, „dat jij een ander hol had opgezocht, toen de twee oude te warm werden en dat je niet hier was gekomen, kereltje.”

„Waarom heb je dat niet gedaan, stomkop?” vroegKags.

„Ik had gedacht, dat jullie wel een beetje blijder zou zijn als je me zag,” antwoorddeMr. Chillingop droeven toon.

„Ja, kijk eris hier, jongmensch,” zeiToby, „als een man zoo op zichzelf blijft als ik altijd gedaan heb en daardoor een aardig huis boven zijn hoofd heeft, waargeen mensch zijn neus in kan steken, dan kijk je raar op, als je de eer van een bezoek wordt aangedaan door een jongmensch, (hoe aardig en hoe geschikt dat jongemensch overigens mag zijn om kaart mee te spelen) in jouw omstandigheden.”

„Vooral als de man, die graag op zichzelf blijft, hier een vriend heeft, die een beetje eer dan verwacht werd uit verre landen is teruggekeerd en die te bescheiden is om zich bij zijn terugkomst aan de rechters voor te gaan stellen,” voegdeKagser bij.

Er was een oogenblik van stilte, waarnaToby Crackit, die blijkbaar het hopelooze inzag van verdere pogingen, zijn rol van 't kan-me-niet-schelen vol te houden, zich totChillingwendde met de vraag:

„Wanneer isFaginingerekend?”

„Net tegen etenstijd—om twee uur vanmiddag;Charleyen ik zochten ons fortuin in den schoorsteen van het waschhok enBolterkroop met zijn hoofd naar beneden in de leege waterton, maar zijn beenen waren zoo heerlijk lang, dat ze er boven uit staken en dus werd hij ook ingerekend.”

„EnBet?”

„ArmeBet! Zij ging het lijk zien om te zeggen wie het was,”antwoorddeChilling, terwijl zijn gezicht al meer betrok, „zij liep weg als een razende, gillend en schreeuwend en vloog met haar hoofd tegen den muur. Dus deden ze haar een dwangbuis aan en brachten haar naar 't ziekenhuis—en daar is ze nu nog.”

„Wat is er vanBatesgeworden?” vroegKags.

„Hij liep nog wat rond, omdat hij hier niet vóór donker aan wou komen, maar hij zal gauw hier zijn,” antwoorddeChilling. „We kunnen nergens anders naar toe, want al de menschen uit de „Kreupelen” zijn gevangen genomen, en de gelagkamer daar—ik heb 't met m'n eigen oogen gezien—zit vol dienders.”

„Dat is leelijk,” merkteTobyop, terwijl hij zich op de lippen beet. „Meer dan één zal er bij gelapt worden.”

„De zittingen zijn begonnen,” zeiKags; „als de instructie voorbij is enBolterhoofdgetuige wordt—wat hij natuurlijk zal zijn na wat hij al gezegd heeft—dan kunnen zeFaginvan medeplichtigheid beschuldigen; Vrijdag zal 't vonnis worden uitgesproken en over zes dagen hangt hij te bengelen, bij God—!”

„Je had moeten hooren hoe 't volk te keer ging,” zeiChilling, „de agenten vochten als duivels, anders hadden ze hem verscheurd. Eéns viel hij, maar ze maakten een kring om hem heen en sloegen er zich door. Je had moeten zien, hoe hij er uitzag, vol bloed en modder en hoe hij zich aan de agenten vastklemde, of ze zijn liefste vrienden waren. Ik zie ze nog vóór me; ze konden bijna niet blijven staan in het gedrang en ze sleeptenFaginbijna mee; ik zie de menschen nog achter mekaar springen en tieren, ze knarsetandden en scholden hem uit; ik zie nog 't bloed op zijn haar en baard en hoor 't geschreeuw, waarmee de vrouwen zich op den hoek van de straat midden in 't gedrang werkten en zwoeren, dat zij 't hart uit zijn lijf zouden scheuren!”

Chillingdrukte in ontzetting de handen tegen zijn ooren en liep als een waanzinnige met gesloten oogen eenige malen de kamer op en neer.

Terwijl hij dit deed en de beide mannen er met neergeslagen oogen zwijgend bij zaten, werd op de trap een getrippel gehoord en de hond vanSikessprong de kamer binnen. De mannen sprongen op, holden eerst naar het raam en toen de trap af naar buiten. De hond was door een open raam binnengekomen; hij deed geen poging hen te volgen en zijn meester was niet te zien.

„Wat beteekent dat?” zeiToby, toen zij weer terug waren. „Hij zal toch niet hier komen? Dat—dat—hoop ik niet.”

„Als hij hier kwam, zou hij met den hond zijn meegekomen,” zeiKagsen boog zich over het dier, dat op den grond lag. „Hier! geef es wat water voor 'm, 't beest heeft zich een ongeluk geloopen.”

„Hij heeft 't tot den laatsten druppel opgedronken,”zeiChilling, nadat hij een poosje zwijgend naar den hond had gekeken. „Hij zit vol modder—hij loopt kreupel en is half blind—hij komt van heel ver.”

„Waar kan hij vandaan zijn gekomen!” riepTobyuit. „Natuurlijk is hij eerst naar de andere holen geweest en toen hij daar vreemden vond, naar hier gekomen, waar hij dikwijls geweest is. Maar waar kan hij eerst vandaan zijn gekomen en hoe komt hij hier alleen, zonder hem?”

„Hij—(niemand van hen noemde den moordenaar bij zijn gewonen naam)—hij zal zich toch niet van kant hebben gemaakt? Wat denk je?” vroegChilling.

Tobyschudde het hoofd.

„Als dat zoo was,” zeideKags, „zou de hond ons mee willen hebben naar de plek, waar hij 't gedaan heeft. Neen. Ik denk, dat hij 't land uit is gegaan en de hond achter heeft gelaten. Hij moet hem op een of andere manier de bons hebben gegeven, anders zou 't beest niet zoo rustig zijn.”

Deze verklaring, die de meest waarschijnlijke leek, werd als de rechte aangenomen; de hond kroop onder een stoel en rolde zich, zonder meer van iemand notitie te nemen, in elkaar om te gaan slapen.

Daar het donker was, werd het luik gesloten, een kaars aangestoken en op tafel gezet. Alle drie waren diep onder den indruk van de verschrikkelijke gebeurtenissen der laatste twee dagen, nog drukkender door het gevaar en de onzekerheid, waarin zij zelf verkeerden. Ze schoven hun stoelen dicht bij elkaar en schrikten op bij elk geluid. Ze spraken weinig en dat weinige fluisterend; wanneer de overblijfselen van devermoorde vrouw in de kamer daarnaast hadden gelegen, hadden zij niet stiller en meer verslagen kunnen zijn.

Zoo hadden ze eenigen tijd bij elkaar gezeten, toen zij plotseling haastig op de deur beneden hoorden kloppen.

„Bates,” zeideKagsen keek met boos gezicht om zich heen om zijn eigen angst te bedwingen.

Er werd opnieuw geklopt. Neen, hij was 't niet. Hij klopte nooit zóó.

Crackitging naar het raam; toen hij zijn hoofd naar binnen trok, beefde hij over al zijn leden. Hij behoefde niet te zeggen, wie het was, zijn bleeke gezicht zeide genoeg. De hond was ook terstond opgesprongen en liep jankend naar de deur.

„We moeten hem binnenlaten,” zeideCrackit, terwijl hij de kaars opnam.

„Is daar niets aan te doen?” vroeg de andere man met heesche stem.

„Niets. Hijmoetbinnen worden gelaten.”

„Laat ons niet in donker,” zeiKags; hij nam een kaars van den schoorsteen en stak hem aan met zóó bevende hand, dat het kloppen zich tweemaal herhaald had, eer hij er mee klaar was.

Crackitging naar beneden, naar de deur en kwam terug met een man, die het benedengedeelte van zijn gezicht met een halsdoek had omwonden en nog een halsdoek om zijn hoofd had onder zijn hoed. Langzaam deed hij ze af en vertoonde een aschgrauw gezicht, diepliggende oogen en holle wangen, met een baard van drie dagen; zijn vermagerde lichaam scheen nog slechts met moeite adem te halen; het leek de geest vanSikes.

Hij legde zijn hand op een stoel, die midden in de kamer stond, maar toen hij op het punt stond er in neer te vallen, huiverde hij en keek over zijn schouder;hij trok den stoel dicht tegen den muur—zoo dicht als 't kon—en ging zitten.

Er was nog geen woord gewisseld. Zwijgend keek hij van den één naar den ander. Als de oogen van één der mannen de zijne toevallig ontmoetten, werden zij terstond weer afgewend. Toen hij eindelijk met holle stem de stilte verbrak, sprongen zij alle drie op. Het was of zij den klank ervan nooit te voren gehoord hadden.

„Hoe komt die hond hier?”

„Alleen, drie uur geleden.”

„In de avondbladen staat, datFagingevat is. Is 't waar of een leugen?”

„Waar.”

Opnieuw zwegen zij.

„Vervloekt zijn jullie allemaal!” zeideSikes, terwijl hij met de hand over zijn voorhoofd streek. „Hebben jullie me niks te zeggen?”

Ze schenen onrustig te worden, maar niemand sprak.

„'t Is zoo goed als jouw huis hier,” zeideSikes, zich totCrackitwendend, „zal je mij uitleveren of laat je me hier blijven tot ze me niet meer zoeken?”

„Je kan hier blijven als je denkt dat 't veilig is,” antwoordde de toegesprokene na een lichte aarzeling.

Sikesrichtte langzaam zijn oogen naar den muur achter zich; hij trachtte meer zijn hoofd om te keeren dan dat hij het werkelijk deed en vroeg: „Is—het—het lijk—is 't begraven?”

Ze schudden het hoofd.

„Waarom niet?” zei hij met denzelfden schuwen blik achter zich. „Waarom laten ze zulke leelijke dingen boven aarde? Wie klopt daar?”

Terwijl hij de kamer uitging, beduiddeCrackitmet een beweging van zijn hoofd, dat er niets te vreezen was en kwam terstond terug metCharley Batesachter zich aan.Sikeszat tegenover de deur, zoodat de jongenhem op het oogenblik, dat hij binnenkwam, in het gezicht zag.

„Toby,” zei de jongen, terugdeinzend toenSikeszijn oogen op hem richtte, „waarom heb je mij dit niet beneden gezegd?”

Er was zoo iets verschrikkelijks geweest in het terugschrikken van de drie mannen, dat de ongelukkige man tenminste dezen jongen gunstig voor zich wilde stemmen. Dus knikte hij hem toe en maakte een beweging om hem de hand toe te steken.

„Laat mij in een andere kamer gaan,” zei de jongen, nog verder achteruitwijkend.

„Charley!” zeideSikes, terwijl hij een stap vooruit deed, „ken je me niet meer?”

„Kom niet dicht bij me,” antwoordde de jongen, terwijl hij steeds achteruitweek en den moordenaar met oogen vol ontzetting aanzag. „Monster!”

De man bleef half-weg staan en zij keken elkaar aan; maarSikessloeg langzamerhand zijn oogen neer.

„Jullie drieën bent getuigen,” riep de jongen, terwijl hij zijn gebalde vuist schudde en zich onder het spreken meer en meer opwond. „Jullie drieën bent getuige—ik ben niet bang voor hem—als zij hem hier komen zoeken, dan verraad ik hem, dan verraad ik hem! Ik zeg 't eens voor altijd. Hij mag me der voor doodmaken als hij wil, of als hij durft, maar als ik hier ben, zal ik hem verraden. Ik zou 't doen, al werd hij levend verbrand. Moordenaar! Help! Als jullie drieën maar iets van mannen hebt, dan help je me! Moord! Help! Sla 'm neer!”

Terwijl hij deze kreten uitstootte en ze door heftige gebaren vergezeld deed gaan, wierp de jongen zich werkelijk alleen op den sterken man; door de spanning van zijn krachten en het plotselinge van zijn aanval, deed hijSikesmet een smak op den grond vallen.

De drie toeschouwers schenen gansch verbijsterd. Zij kwamen niet tusschenbeiden en de man en de jongen rolden te zamen over den grond; de jongen scheen de slagen, die op hem neerregenden, niet te voelen; vaster en vaster grepen zijn handen den moordenaar bij de borst en onophoudelijk klonken zijn kreten om hulp.

Maar de strijd was te ongelijk om lang te kunnen duren.Sikeshad hem ondergekregen en zette hem zijn knie op de keel, toenCrackithem met een verschrikten blik achteruittrok en op het raam wees. Beneden glommen lichten, klonken stemmen, die luid en ernstig spraken, het getrappel van haastige voetstappen—er scheen geen einde aan te komen—die over de houten brug vlakbij kwamen. Er scheen een man te paard onder de menigte te zijn, want op het ongelijke plaveisel klonk het geklikklak van paardenhoeven. De lichtschijn werd sterker, de voetstappen werden luider en drukker. Er werd hard op de deur geklopt en daarna klonk het heesche gehuil van zooveel woedende stemmen, dat de stoutmoedigste ervoor gesidderd zou hebben.

„Help!” gilde de jongen met snijdende stem. „Hij is hier! Breek de deur open!”

„In naam des Konings,” riepen de stemmen buiten en het heesche gebrul verhief zich opnieuw, luider dan te voren.

„Trap de deur in!” schreeuwde de jongen. „Ze doen niet open. Loop recht naar de kamer waar 't licht brandt. Trap de deur in!”

Toen hij zweeg hagelden zware, dichte slagen neer op de deur en de luiken en de menigte barstte in een luid hoerageroep los, waardoor de luisterende voor 't eerst eenig idee kreeg van het groote aantal.

„Doe de deur open van een of andere kamer, waar ik dat schreeuwende duivelskind in kan stoppen,” riepSikeswoest, terwijl hij heen en weer liep en den jongen evengemakkelijk meesleepte of hij een leege zak was. „Die deur. Gauw!” Hij slingerde den jongen naar binnen, gooide de deur dicht en draaide den sleutel om.

„Is de benedendeur dicht?”

„Met slot en ketting,” antwoorddeCrackit, die, evenals de twee andere mannen, nog geheel hulpeloos en verbijsterd zitten bleef.

„Zijn de paneelen sterk?”

„Met ijzer beslagen.”

„De ramen ook?”

„Ja, de ramen ook.”

„Vervloekt zijn jullie!” schreeuwde de wanhopige schurk, terwijl hij het raam opschoof en de menigte buiten bedreigde. „Doe wat je kan! Ik ben jullie toch te slim af!”

Van al de vreeselijke kreten, die ooit door sterfelijke ooren gehoord zijn, kon er geen vreeselijker zijn dan de schreeuw van de woedende menigte. Enkelen riepen tot hen, die 't dichtstbij stonden, het huis in brand te steken; anderen brulden de agenten toe, hem dood te schieten. Niemand van hen allen scheen zoo woedend als de man te paard; hij wierp zich uit den zadel, drong door de menigte heen, alsof hij door water zwom en riep onder het raam met een stem, die boven alle anderen uitklonk: „Twintig guineas voor wie een ladder brengt!”

De dichtstbijzijnden namen den kreet over en honderden herhaalden hem. Enkelen riepen om ladders, anderen om smidshamers; sommigen liepen met fakkels heen en weer als om hem te zoeken, kwamen weer terug en begonnen opnieuw te brullen; anderen verspilden hun adem aan onmachtige verwenschingen en vervloekingen; enkelen drongen vooruit met de opgewondenheid van waanzinnigen en hielden daardoor degenen, die na hen kwamen, tegen; onder de stoutmoedigsten waren er, die probeerden langs de goot en den verbrokkeldenmuur omhoog te klimmen en heel de menigte golfde in de duisternis beneden op en neer als een korenveld, door een stormwind bewogen, en liet van tijd tot tijd te zamen een luid en woedend gehuil weerklinken.

„De vloed,” riep de moordenaar, terwijl hij terugdeinsde de kamer in, om de gezichten niet meer te zien; „de vloed was aan het opkomen, toen ik hier kwam. Geef mij een touw, een lang touw. Ze staan allemaal aan den voorkant. Ik kan me in deFolly Ditchlaten vallen en langs dien weg ontkomen. Geef me een touw of ik doe nog drie moorden en dood mezelf.”

De mannen, die als door een panischen schrik bevangen waren, wezen naar de plaats, waar touw te vinden was; de moordenaar koos haastig het langste en sterkste touw en klom op den nok van het huis.

Alle ramen aan den achterkant van het huis waren lang geleden dichtgemetseld, behalve één luikje in de kamer, waar de jongen was opgesloten, maar dat was zóó klein, dat zelfs diens lichaam er niet door kon. Maar van uit deze opening was hij voortdurend tot de menschen buiten blijven roepen, den achterkant in 't oog te houden; en dus, toen de moordenaar eindelijk door het dakraampje op den nok van het huis was geklommen, werd deze gebeurtenis door een luiden kreet aan hen, die aan den voorkant stonden, kenbaar gemaakt; dezen begonnen dadelijk om te loopen, als een dichte ononderbroken stroom.

Sikesdrukte een plank, die hij tot dit doel had meegenomen, zóó stevig tegen het luik, dat 't heel moeielijk moest zijn, het van binnen open te krijgen; hij schoof over de pannen vooruit en keek over de lage daklijst naar beneden. Het water was afgeloopen en de gracht een modderpoel. Gedurende deze oogenblikken had de menigte in gespannen aandacht zijn bewegingen gevolgd, waarvan zij de bedoeling niet dadelijk begrepen; maarop het oogenblik, toen zij deze begrepen en wisten, dat het plan verijdeld was, steeg een triomfkreet op, waarbij vergeleken al het vorige geschreeuw niets als gefluister was. Nog eens en nog eens steeg dezelfde kreet op. Zij, die te veraf stonden om de beteekenis ervan te begrijpen, namen den klank over; de kreten klonken en weerklonken; het was alsof de bevolking van de gansche stad was toegestroomd om den moordenaar te vervloeken.

Het volk van den voorkant drong op, steeds op, in een dichten, vastgesloten stroom van woedende gezichten, hier en daar verlicht en in al zijn razernij getoond door den schijn der fakkels. In de huizen aan den overkant van de gracht was de menigte binnengedrongen; ramen werden opengegooid of kloekweg losgerukt; voor elk raam verscheen een dichte massa gezichten; op elk dak groepten hoopen menschen. Alle bruggen (er waren er drie) bogen onder het gewicht van de menigte, die er op stond. De stroom ging steeds voort, om een hoek of een gat te vinden, van waaruit men zijn kreten de lucht in kon stooten en den moordenaar, al was het maar voor een oogenblik, te zien kon krijgen.

„Ze hebben hem!” riep een man op de dichtstbijzijnde brug. „Hoera!”

Zooveel mutsen en hoeden werden in de hoogte geworpen dat de menigte door de ontbloote hoofden lichter scheen dan te voren.

„Ik geef vijftig pond,” riep een oude heer van af dezelfde plek, „aan wie hem levend vangt. Ik blijf hier staan, tot die man mij om het geld komt vragen.”

Weer klonk gebrul. Op dit oogenblik ging de tijding door de menigte, dat de deur eindelijk ingerameid was en dat de man, die 't eerst om een ladder geroepen had, naar binnen was gegaan. Toen dit bericht van mond tot mond ging, keerde de stroom plotseling om; de menschen voor de ramen, die de anderen van de bruggen terugzagen gaan, verlieten hun plaats, holden de straat op en voegden zich bij de dichte menigte, die nu verward om de juist verlaten plaats heendrong; iedereen vocht en duwde zijn tegenstander en allen drongen ongeduldig vooruit om bij de deur te komen en den misdadiger te zien, als hij door de agenten naar buiten werd gebracht. Verschrikkelijk waren de kreten en 't gegil van hen, die tot stikkens toe gedrongen werden of onder den voet raakten; de nauwe steegjes waren opgepropt met menschen, en op dit oogenblik, te midden van het gedrang van degenen, die weer vóór het huis wilden komen en anderen om zich uit het gewoel te bevrijden, werd er minder aandacht aan den moordenaar geschonken, ofschoon het algemeene verlangen, dat hij gegrepen zou worden, zoo mogelijk nog aangroeide.

De man was in elkaar gezakt, overweldigd door de woede der menigte en de onmogelijkheid van ontsnapping; plotseling zag hij een kans, hij sprong op, vastbesloten een laatste poging te wagen voor zijn leven door zich in de gracht te laten vallen en—op gevaar af in de modder te stikken,—te trachten in de duisternis en de verwarring te ontkomen.

Met nieuwe kracht en moed bezield en voortgedreven door het rumoer in 't huis, dat hem deed begrijpen, hoe men werkelijk was binnengedrongen, steunde hij zijn voet tegen één der schoorsteenen, sloeg één eind van het touw er stevig omheen en maakte met behulp van zijn vingers en zijn tanden in een paar seconden een strik aan het andere eind. Hij kon zich met behulp van het touw neerlaten, tot iets meer dan zijn eigen lengte van den grond en hield zijn mes klaar om het touw door te snijden.

Op hetzelfde oogenblik, dat hij de lus over zijn hoofd gooide, om er dan zijn armen door te steken en toen de reeds genoemde oude heer (die zich om den menschenstroomte weerstaan en zijn plaats te behouden aan de leuning van de brug vastklemde) de menschen om hem heen waarschuwde, hoe de moordenaar zich naar beneden ging laten—op datzelfde oogenblik keek de moordenaar achter zich naar het dak, sloeg de armen boven zijn hoofd en gaf een gil van schrik.

„De oogen! de oogen!” kreet hij met onmenschelijke stem.

Als door den bliksem getroffen, wankelde hij achterwaarts, verloor zijn evenwicht en stortte over de daklijst naar beneden. De strik was om zijn nek. Door zijn gewicht trok de strik dicht, zoo strak als de pees van een boog en even snel als de pijl die er door wordt afgezonden.

Hij viel vijf en dertig voet diep. Toen volgde een hevige schok, een vreeselijke trekking in alle leden, en daar hing hij met het open mes in zijn verstijvende hand.

De oude schoorsteen trilde door den schok, maar doorstond hem kloek. De moordenaar bengelde levenloos tegen den muur; de jongen duwde het schommelende lijk, dat hem het uitzicht benam, op zij en riep tot het volk hem er in godsnaam uit te laten.

Een hond, die zich tot nu toe verborgen had gehouden, liep met wanhopig gehuil op de daklijst heen en weer; toen maakte hij zich gereed tot een sprong en kwam neer op den schouder van den doode. Hij miste zijn houvast en viel in de gracht, in den val onderste boven keerend; zijn kop kwam op een steen neer en sloeg te pletter.

Geeft de verklaring van meer dan een geheim en bevat een huwelijksvoorstel, waarbij geen woord over speldengeld gerept wordt.

De gebeurtenissen, in het vorige hoofdstuk vermeld, waren nog maar twee dagen oud, toenOliverom drie uur 's middags in een reiskoets zat, die met snellen gang naar zijn geboorteplaats reed. MevrouwMaylieenRoseen juffrouwBedwinen de goede dokter waren bij hem en de heerBrownlowvolgde in een post-chais met nog één persoon, wiens naam nog niet genoemd is.

Ze hadden niet veel gepraat onderweg, wantOliververkeerde in een staat van opgewondenheid en onzekerheid, die hem de kracht benam zijn gedachten te verzamelen en hem bijna belette te spreken; zijn metgezellen schenen in niet geringer mate onder denzelfden indruk te verkeeren. De heerBrownlowhad hem en de twee dames zeer omzichtig in kennis gesteld met den aard der onthullingen, vanMonksverkregen, en ofschoon zij wisten, dat het 't doel was van dezen tocht, het zoo goed begonnen werk te voltooien, hing er over de geheele zaak nog genoeg geheimzinnigs en twijfelachtigs om hen in de hevigste spanning het verdere verloop tegemoet te doen zien.

Dezelfde hartelijke vriend had met behulp van dokterLosbernezorgvuldig alle kanalen verstopt, waardoor de verschrikkelijke gebeurtenissen, die juist te voren hadden plaats gegrepen, hun ter oore hadden kunnen komen. „'t Is zoo,” redeneerde hij, „ze moeten er binnenkort alles van hooren, maar dat kan op een geschikter oogenblik dan het tegenwoordige gebeuren want slechter gekozen kan het moeielijk zijn.” Zoo reisden zij in stilte voort, ieder verdiept in zijn eigen gedachten omtrenthet doel, dat hen te zamen had gebracht, en geen van allen geneigd, uiting te geven aan de gedachten, die in allen bij menigte opkwamen.

Maar al wasOliveronder dezen indruk stil geweest, terwijl zij langs een weg, dien hij nooit gezien had, naar zijn geboorteplaats reden, toch vloog een gansche stroom van herinneringen terug naar den vroegeren tijd en een massa ontroeringen ontwaakten in zijn borst, wanneer zijn gedachten terugkeerden naar den weg, dien hij te voet had afgelegd als een arme zwerveling zonder tehuis, zonder een vriend om hem te helpen of een dak om hem te beschutten.

„Kijk! daar! daar!” riepOliver, terwijl hij de hand vanRosegreep en uit het raampje van de koets wees, „daar is het paaltje, waar ik over ben geklommen; daar zijn de heggen, waar ik achter wegkroop, uit angst, dat iemand mij achterhalen zou en terugbrengen! Daar is het paadje door de velden, dat voert naar het huis, waar ik als klein kind ben geweest! ODick! Dick!mijn lieve oude vriendje, als ik jou nu eens zien kon!”

„Je zult hem gauw zien,” vielRosein, terwijl zij zacht zijn gevouwen handen tusschen de hare nam. „Je zult hem vertellen, hoe gelukkig je bent en hoe rijk je bent geworden en dat in je geluk het je grootste wensch is, terug te komen om ook hem gelukkig te maken.”

„Ja, ja,” zeiOliver, „en we—we nemen hem mee hier vandaan en geven hem kleeren en lessen en sturen hem ergens naar buiten, waar hij sterk en gezond kan worden—niet?”

Roseknikte ja, want de jongen lachte en schreide tegelijk en zag er zoo gelukkig uit, dat zij niet kon spreken.

„U zult goed en lief voor hem zijn, want dat bent u voor iedereen,” zeiOliver. „Zijn verhalen zullen u aan het schreien maken, dat weet ik; maar dat is niets, datis niets; u zult er aan denken, dat het allemaal voorbij is en weer glimlachen—dat weet ik ook—als u er aan denkt, hoe goed hij het dan heeft; zoo heeft u met mij ook gedaan. Toen ik wegliep, zeide hij: „God zegen je,” tegen mij,”riepOlivermet een uitbarsting van teedere ontroering;„en nu zal ik zeggen:„God zegen je,” en hem toonen, hoeveel ik van hem houd!”

Toen zij de stad naderden en eindelijk door de nauwe straten reden, kostte het niet weinig moeite, de opgewondenheid van den jongen binnen de perken te houden. Daar was de werkplaats vanSowerberry, nog net als vroeger, alleen kleiner en minder indrukwekkend dan hij gedacht had—daar waren al de bekende winkels en huizen, waarvan elk bijna hem een of andere kleine gebeurtenis in herinnering bracht—daar was het armhuis, de treurige gevangenis van zijn jeugd, met zijn sombere ramen aan de straat—aan de poort stond dezelfde, magere portier: toen hij hem zag, schrikteOliveronwillekeurig terug en lachte dadelijk daarop zichzelf uit, omdat hij zoo dwaas was; toen schreide hij, en lachte weer—overal aan de deuren en vensters zag hij bekende gezichten—alles was bijna nog alsof hij het gisteren verlaten had en heel zijn tegenwoordige leven een heerlijke droom was.

Maar het was zuivere, echte, blijde werkelijkheid.

Zij reden rechtdoor naar de deur van het voornaamste hôtel, (waarOlivervroeger met ontzag naar placht op te kijken en dat hij voor een machtig paleis hield, maar dat eenigszins in grootschheid en grootheid achteruit was gegaan); hier stondMr. Grimwighen op te wachten; hij kuste de jonge dame en de oude ook, toen zij uit de koets stapten, alsof hij de grootvader van de heele familie was en was geheel glimlachjes en vriendelijkheid en bood geen enkele maal aan, zijn hoofd op te eten, neen, geen enkele maal; niet eens toen hij het met een ouden postiljon aan den stok kreeg over den kortsten weg naar Londen,en volhield, dat hij dezen 't best wist, ofschoon hij maar eens dien weg langs gekomen was en dan nog wel vast in slaap. Het middagmaal stond klaar en de logeerkamers waren gereed en alles was als door betoovering in orde.

Ondanks dit alles, begon, nadat de drukte van het eerste halfuur voorbij was, dezelfde stilte en gedruktheid te heerschen waardoor hun geheele reis zich had gekenmerkt. De heerBrownlowkwam niet bij hen aan tafel, maar bleef in een aparte kamer. De beide andere heeren liepen met gespannen gezichten in en uit en gedurende de korte oogenblikken, dat zij binnen waren, spraken zij apart. Eens werd mevrouwMaylieweggeroepen en kwam, nadat zij bijna een uur lang weg was geweest, terug met oogen, gezwollen door het schreien. Dit alles maakteRoseenOliver, die niet in de nieuwe geheimen deelden, zenuwachtig en ongerust. Zij zaten stil, of spraken, als zij een paar woorden wisselden, fluisterend, als bang den klank van hun eigen stemmen te hooren.

Eindelijk, het was al negen uur en zij begonnen te denken, dat zij dien avond niets meer hooren zouden, kwamen dokterLosberneen de heerGrimwigde kamer binnen, gevolgd door den heerBrownlowen een man, waarvan de komstOliverhet bijna deed uitschreeuwen; want men zeide hem, dat het zijn broeder was en het was dezelfde man, dien hij in de herberg van het stadje had ontmoet en dien hij metFagindoor het raam van zijn kamertje naar binnen had zien kijken.Monkswierp den jongen een blik van haat toe, die hij zelfs nu niet bedwingen kon en ging dicht bij de deur zitten. De heerBrownlow, met papieren in de hand, ging naar een tafel, waarRoseenOliverdichtbij zaten.

„Het is een pijnlijke plicht,” zeide hij, „maar deze verklaringen, die te Londen in tegenwoordigheid van vele getuigen geteekend zijn, moeten in extenso hier herhaald worden. Ik zou u graag deze vernedering besparen,maar we moeten, eer we van elkaar gaan, de verklaringen van uw eigen lippen vernemen en u weet waarom.”

„Ga voort,” zei de toegesprokene, terwijl hij zijn gezicht afkeerde. „Vlug. Ik denk, dat ik nu wel haast genoeg gedaan heb. Houd me niet langer hier.”

„Dat kind,” zeide de heerBrownlow, terwijl hijOlivertot zich trok en hem de hand op het hoofd legde, „is uw half-broeder; de natuurlijke zoon van uw vader, mijn dierbare vriendEdwin Leeford, en van de armeAgnes Fleming, die bij zijn geboorte stierf.”

„Ja,” zeideMonks, met een schuinschen blik naar den jongen, die zoo beefde dat men bijna het kloppen van zijn hart kon hooren. „Dat is hun bastaard.”

„De uitdrukking, door u gebruikt,” zeiMr. Brownlowop strengen toon,„is een verwijt voor hen, die lang reeds vrij zijn van de zwakke berechting dezer wereld. Het woord werpt geen ongunstig licht op eenig levend mensch, behalve op u, die het gebruikt. Laat dat rusten. Hij werd in deze stad geboren.”

„In het armhuis van deze stad,” was het norsche antwoord. „U hebt de geschiedenis dáár.” Onder het spreken wees hij ongeduldig naar de papieren.

„Ik moet ze hier ook hooren” zeideMr. Brownlowen keek de toehoorders beurtelings aan.

„Luister dan! Goed!” antwoorddeMonks. „Zijn vader was ziek geworden in Rome en werd daar opgezocht door zijn vrouw, mijn moeder, van wien hij langen tijd gescheiden was geweest; zij kwam uit Parijs en nam mij mee—om te zien wat hij geërfd had zoover ik weet, want zij had nooit veel liefde voor hem gevoeld, noch hij voor haar. Hij wist niet, dat wij er waren, want hij was bewusteloos en dat bleef zoo tot den volgenden dag, toen hij stierf. Onder de papieren in zijn lessenaar waren er twee, gedateerd op den avond toen zijn ziekte begonen geadresseerd aan u,” wenddeMonkszich tot den heerBrownlow, „en ingesloten bij enkele regels aan u, met een aanwijzing buiten op het pakket, dat het niet verzonden mocht worden vóór zijn dood. Eén van deze papieren was een brief aan dieAgnes; het andere een testament.”

„En die brief?” vroeg de heerBrownlow.

„De brief? Een velletje papier, dicht beschreven met een berouwvolle biecht en gebeden tot God om haar te helpen. Hij had het meisje een verhaal op de mouw gespeld hoe een of ander geheim—dat eenmaal aan het licht zou komen—hem belette, haar nu reeds te trouwen; en zoo had zij voortgeleefd met geduldig vertrouwen in hem, tot zij al te veel vertrouwde en verloor, wat niemand haar ooit terug kon geven. Het was in dien tijd nog maar enkele maanden vóór haar bevalling. Hij vertelde haar alles wat hij, als hij was blijven leven, gedaan zou hebben om haar schande te verbergen en smeekte haar, als hij stierf, zijn nagedachtenis niet te vervloeken of te denken, dat de gevolgen van hun zonde over haar hoofd zouden komen of over dat van hun kindje, want hij alleen was de schuldige. Hij herinnerde haar aan den dag, waarop hij haar het medaillon en den ring gegeven had met haar doopnaam er in gegraveerd en een open plaats voor den naam dien hij had gehoopt, dat zij eenmaal zou dragen—hij verzocht haar, deze dingen te bewaren en op haar hart te dragen, zooals zij tot nu toe gedaan had—en zoo ging de brief door, nog eens hetzelfde in dezelfde woorden en nog eens, alsof hij aan het ijlen was geraakt. Ik geloof trouwens dat dit het geval was.”

„En het testament,” zeideMr. Brownlow, terwijlOliverde tranen over het gezicht stroomden.

Monkszweeg.

„Het testament,” hernam de heerBrownlow, in zijn plaats het woord nemend, „was in denzelfden geest als de brief. Hij sprak van ellende, die zijn vrouw over hemhad gebracht; over het opstandige karakter, de ondeugd, de lust in kwaaddoen en de slechte hartstochten van u, zijn eenigen zoon, die opgevoed was in haat jegens zijn vader; hij liet u en uw moeder elk een jaargeld na van achthonderd pond. Zijn bezittingen verdeelde hij verder in twee helften—één voorAgnes Flemingen de andere voor hun kind, wanneer het levend ter wereld zou komen en opgroeien. Als het een meisje was, zou het 't geld onvoorwaardelijk erven; maar als 't een jongen was, alleen onder deze voorwaarde, dat het kind gedurende zijn minderjarigheid nooit zijn naam had zien noemen in een zaak van openlijke oneer, gemeenheid, lafheid of slechtheid. Uw vader deed dit, naar hij zeide, om zijn vertrouwen in de moeder te toonen en zijn overtuiging—die nu de dood naderde, des te sterker in hem werd—dat het kind haar lieve hart en edel karakter zou erven. Wanneer hij teleurgesteld werd in deze verwachting, zou het geld aan u komen, want dan alleen, als beide kinderen gelijk waren, zou hij uw eerste aanspraak op zijn beurs erkennen; op zijn hart had ge nooit aanspraak gemaakt; van uw vroegste jeugd af, had ge hem koel en met weerzin afgestooten.”

„Mijn moeder,” hernamMonksop luider toon, „deed wat zij als vrouw moest doen. Zij verbrandde dit testament. De brief bereikte nimmer zijn bestemming, doch zij bewaarde hem met andere bewijsstukken voor het geval, dat men deze schandvlek zou willen loochenen. De vader van het meisje vernam door haar de waarheid, met elke bijzonderheid, die haar hevige haat—waarvoor ik haar nog liefheb—er bij kon voegen. Gebogen onder het gevoel van schande en oneer, vluchtte hij met zijn kinderen naar een afgelegen hoek vanWales, en nam, opdat zijn vrienden nooit zouden weten waarheen hij gevlucht was, zelfs een anderen naam aan; en hier werd hij, niet lang daarna, dood in zijn bed gevonden. Hetmeisje had eenige weken tevoren haar thuis heimelijk verlaten; haar vader had alle steden en dorpen in de buurt afgeloopen om haar te zoeken; in den nacht, nadat hij thuis was gekomen, overtuigd dat zij om haar en zijn schande te bedekken, den dood had gezocht, brak zijn oude hart.”

Hier volgde een korte stilte, totMr. Brownlowden draad van het verhaal weer opvatte.

„Jaren later,” zeide hij, „kwam de moeder van dezen man—vanEdward Leeford—bij mij. Haar zoon had haar verlaten, toen hij nauwelijks achttien jaar was; hij had haar geld en juweelen gestolen; gespeeld, het gewonnene verspeeld en valsche handteekeningen gezet, was naar Londen gevlucht, waar hij twee jaar lang onder het laagste geboefte verkeerde. Zij leed aan een pijnlijke, ongeneeslijke ziekte, en wenschte hem voor haar dood nog eenmaal te zien. Er werd navraag gedaan en overal gezocht. De onderzoekingen bleven langen tijd vruchteloos, doch slaagden eindelijk en hij ging met haar terug naar Frankrijk.”

„Daar stierf zij,” zeideMonks, „na een slepende ziekte; op haar doodsbed vertrouwde zij mij deze geheimen toe met haar onwrikbare, doodelijke haat jegens allen, die er in betrokken waren—dezen haat behoefde zij mij trouwens niet na te laten; dien had ik lang te voren al van haar geërfd. Zij wilde niet gelooven, dat het jonge meisje zichzelf om het leven had gebracht met het kind, maar vermoedde, dat er een kind van het mannelijk geslacht was geboren, dat in leven was. Ik zwoer haar, dit kind, wanneer het ooit mijn pad kruiste, dood te jagen; het nooit met rust te laten; het te vervolgen met bittere en genadelooze vijandschap; den haat, dien ik diep voelde, onverzoenlijk op hem neer te doen dalen, en op de zotte pralerij van dat beleedigende testament te spuwen, door hem, als ik kon, aan de galg te brengen.Ik begon goed en als er geen kletsende meiden waren geweest, zou ik geëindigd zijn zooals ik begonnen was.”


Back to IndexNext