Nancyhoudt zich aan de afspraak.
De kerkklokken sloegen kwart vóór twaalven, toen twee gestalten opLondon Bridgeverschenen. De ééne,die met vluchtige, snelle schreden voortliep, was een vrouw; gespannen keek zij om zich heen als verwachtte zij iets of iemand; de andere was een man, die voortsloop in de diepste schaduw die hij vinden kon, en op eenigen afstand zijn schreden regelde naar de hare—als zij bleef staan, bleef hij ook staan en als zij weer voortging, sloop hij tersluiks voort—maar hij zorgde ervoor, nooit, in den ijver van zijn vervolging, dichter bij haar te komen. Zoo gingen zij over de brug van denMiddlesex—naar denSurreyoever, toen de vrouw, blijkbaar teleurgesteld in haar ijverig onderzoeken van de voorbijgangers, terugkeerde. De beweging was plotseling, maar de bespieder was op zijn hoede; snel trok hij zich terug in één der schuilhoeken boven de pijlers van de brug, boog zich over de leuning om te beter zijn gestalte te verbergen en liet haar op het trottoir aan den overkant voorbijgaan. Toen zij hem ongeveer evenveel vooruit was als te voren, gleed hij zachtjes naar beneden en volgde haar opnieuw. Toen zij bijna midden op de brug was, bleef zij staan. De man bleef ook staan.
Het was een zeer donkere nacht. Het was overdag slecht weer geweest en op dit uur en op deze plaats kwamen weinig menschen voorbij. Die er waren liepen haastig voorbij; waarschijnlijk zonder de vrouw of den man, die haar bespionneerde, te zien—in elk geval zonder acht op hen te geven. Hun uiterlijk was er niet op berekend de onbelangrijke aandacht te trekken van dat deel der arme Londensche bevolking, die toevallig dien avond over de brug kwamen om in een of andere koude portiek of deurlooze keet een schuilplaats te zoeken, waar zij hun hoofd konden neerleggen; zij stonden daar zwijgend, zonder iemand van de voorbijgangers aan te spreken of door hen aangesproken te worden.
Over de rivier hing mist, waarin de roode gloed der vuren op de vaartuigen, aan de verschillende kadenvastgemeerd, ver-dofte en de donkere gebouwen aan de oevers te donkerder werden en minder duidelijk te onderscheiden. Zwaar en somber rezen de oude zwartberookte pakhuizen boven de dichte warreling van daken en gevels aan beide oevers uit en blikten ernstig neer in het water, dat zelfs te zwart was om hunne massieve vormen te weerkaatsen. De torenspitsen van de kerk van den Heiligen Verlosser en vanSt. Magnus, sinds zoo lange tijden de reuzenwachters van de oude brug, waren in den nevel te onderscheiden, maar het mastbosch stroomafwaarts en de dichte massa torenspitsen stroomopwaarts waren bijna geheel verborgen voor het gezicht.
Het meisje had eenige malen de brug op en neer geloopen—altijddoor nauwkeurig waargenomen door haar verborgen achtervolger—toen de zware klok van de Sint Pauluskerk verkondigde, hoe weer een dag gestorven was. Middernacht daalde neer op de dichtbevolkte stad. Op paleizen, nachtkelders, gevangenissen en gekkenhuizen; op jonggeborenen en op stervenden, op zieken en gezonden; op de stijve gezichten van lijken en de kalme slaap der kinderen; op die allen daalde de middernacht.
De klok was nog geen twee minuten koud, toen een jonge dame, vergezeld door een heer met grijs haar, op korten afstand van de brug uit een huurrijtuig stapten en na het voertuig weggezonden te hebben, recht de brug op liepen. Ze hadden nauwelijks den voet erop gezet, toen het meisje opschrikte en onmiddellijk op hen toeliep.
ToenNancyzich bij hen voegde, keken zij juist onder het voortloopen om zich heen als menschen die iets verwachten, maar vermoeden, dat hun verwachting niet in vervulling zal gaan. Zij bleven staan, met een uitroep van verwondering, dien zij echter terstond onderdrukten,want een man, gekleed als iemand van buiten de stad, liep op dit oogenblik dicht langs hen heen, zóó dicht, dat zijne kleeren de hunne raakten.
„Hier niet,” zeideNancyhaastig, „ik ben bang hier met u te spreken.Kom mee—weg van den publieken weg—die trap af!”
Onder het spreken wees zij met haar hand in de richting waar zij hen heen wilde hebben; de buitenman keek om zich heen, vroeg op ruwen toon, waarom zij de heele brug innamen en liep voorbij.
De trap, dieNancybedoelde, vormde op denSurreyoeveren aan denzelfden kant van de brug als de kerk van den Verlosser, een landingplaats in de rivier. De man, die er uitzag als een buitenman, sloop hier haastig heen, zonder opgemerkt te worden; nadat hij de plek in oogenschouw had genomen, begon hij de trap af te klimmen.
Deze trappen zijn een deel van de brug; ze bestaan uit drie treden. Juist bij de tweede trede, als men naar beneden gaat links, eindigt de steenen muur in een zuil die naar de Theems is gekeerd. De lagere treden worden breeder, zoodat iemand die dezen hoek van den muur omslaat, onmogelijk gezien kan worden door iemand op het trapje, die boven hem staat, al is het maar één trede. Toen hij hier was, keek de buitenman haastig om zich heen; daar hij geen betere schuilplaats zag en er met 't lage getij overvloed van ruimte was, sloop hij ter zijde, drukte zijn rug tegen de pilaar en wachtte; hij was er vrij zeker van, dat de anderen niet verder naar beneden zouden gaan en dat, zelfs al kon hij niet hooren wat zij zeiden, hij hen toch veilig weer zou kunnen volgen.
De tijd ging zoo langzaam voorbij in deze eenzame schuilplaats en de spion verlangde zoozeer de beweegredenen te leeren kennen van een samenkomst, die gansch anders was dan wat hij verwachtte, dat hij meer daneens op 't punt stond de zaak als verloren te beschouwen en te denken, òf dat de anderen veel hooger op de trap waren blijven staan, òf dat zij naar een heel andere plaats waren gegaan voor hun geheimzinnig onderhoud. Hij was op 't punt uit zijn schuilplaats te voorschijn te komen en weer op de brug te gaan, toen hij het geluid van voetstappen hoorde en dadelijk daarop, bijna vlak aan zijn oor, het geluid van stemmen.
Hij duwde zich rechtop tegen den muur en luisterde opmerkzaam, terwijl hij nauwelijks ademhaalde.
„Dit is ver genoeg,” zeide een stem, klaarblijkelijk die van den heer. „Ik vind 't niet goed dat de jonge dame nog verder gaat. Menigeen zou je niet genoeg vertrouwd hebben om zelfs zoover te komen, maar u ziet, ik ben bereid uw zin te doen.”
„Mijn zin te doen!” riep de stem van het meisje, dat hij gevolgd had. „U bent wel goed, heusch meneer. Mijn zin te doen! Nou ja, 't komt er niet op an.”
„Waarom en met welk doel,” hernam de heer op vriendelijker toon, „kunt u ons op deze vreemde plek gebracht hebben? Waarom wilde u niet, dat ik boven met u sprak, waar het licht is en waar menschen in de buurt zijn, inplaats van ons naar dit donkere, ongelegen oord te brengen?”
„Ik heb u al gezegd,” antwoorddeNancy, „dat ik bang was om daar met u te praten. Ik weet niet hoe 't komt,” zei het meisje met een huivering, „maar ik heb vanavond zoo'n gevoel van angst over me, dat ik haast niet op m'n beenen staan kan.”
„Angst waarvoor?” vroeg de oude heer, die medelijden met haar scheen te hebben.
„Dat weet ik zelf niet,” antwoorddeNancy. „Ik wou dat ik 't wist. Ik denk aan allerlei verschrikkelijks: aan dood en aan lijkkleeden met bloed er op; den heelen dag heb ik die angst gehad; die brandt als vuur in me.”
„Verbeelding,” zei de oude heer bedarend.
„Geen verbeelding,” hernam het meisje met heesche stem.„Ik kan er een eed op doen, dat ik „doodkist” in groote zwarte letters geschreven zag op elke bladzijde van het boek—ja.... en vanavond droegen ze een doodkist vlak langs me heen.”
„Daar is niets ongewoons in,” zei de oude heer. „Ik ben er zoo dikwijls een voorbijgegaan.”
„Ja,een werkelijke,” viel het meisje in. „Maar dit was geen werkelijke.”
Er was zoo iets vreemds in den toon waarop zij deze woorden uitte, dat de verborgen luisteraar een koude huivering voelde en het bloed in zijn aderen verstijfde. Nooit had iets hem zoo troostend in de ooren geklonken als de zachte stem van de jonge dame, dieNancyvroeg, toch kalm te zijn en niet toe te geven aan zulke verschrikkelijke verbeeldingen.
„U moet haar vriendelijk toespreken,” zeide de jonge dame tot haar metgezel. „Arm schepsel! Zij schijnt het wel noodig te hebben.”
„Uw hoogmoedige vromen zouden uit de hoogte op me neer hebben gezien als ik was zooals vanavond en gepreekt hebben van vlammen en wraak,” riep het meisje. „O, lieve juffrouw, waarom zijn de menschen, die er op gesteld zijn, Gods uitverkorenen te heeten, niet even vriendelijk en zacht voor ons arme ellendigen als u? U, die jeugd heeft en schoonheid en zooveel, dat die vromen verloren hebben, u zoudt met recht trotsch kunnen zijn inplaats van zooveel nederiger dan zij.”
„Och!” zeide de oude heer. „Een Turk keert zijn gezicht, na het goed gewasschen te hebben, naar het Oosten als hij bidt; die goede menschen, waar u over spreekt, wrijven eerst hun gezicht zoo in tegen de wereld, dat er geen glimlach meer op overblijft en dan keeren zij zich even zeker als de Turk het naar het Oosten doet,naar den donkersten kant van den hemel. Als ik kiezen moet tusschen den Muzelman en den Pharizeeër, dan kies ik den eerste.”
Deze woorden schenen tot de jonge dame gericht te zijn en werden misschien gesproken met de bedoeling,Nancytijd te geven, tot zichzelf te komen. Een oogenblik later wendde de heer zich tot haar.
„U bent den vorigen Zondagavond niet gekomen,” zeide hij.
„Ik kon niet,” antwoorddeNancy, „ik werd met geweld tegengehouden.”
„Door wie?”
„Door den man, waar ik de juffrouw laatst al van verteld heb.”
„Ik hoop toch, dat u niet verdacht werd in verbinding te staan met iemand met betrekking tot het onderwerp, dat ons hier brengt?” vroeg de oude heer.
„Neen,” antwoordde het meisje en schudde 't hoofd. „'t Is niet makkelijk voor me van hem weg te gaan als hij niet weet waarom; ik had de juffrouw den eersten keer ook niet kunnen spreken, als ik hem, vóór ik wegging, niet een dosis laudanum had gegeven.”
„Werd hij wakker eer je terug was?” vroeg de heer.
„Neen, en noch hij, noch een van de anderen verdenkt me.”
„Goed. En luister nu naar me.”
„Ik luister,” zei het meisje, toen hij een oogenblik zweeg.
„Deze jonge dame,” begon de oude heer, „heeft aan mij en aan enkele andere vertrouwde vrienden verteld, wat u haar veertien dagen geleden gezegd hebt. Ik erken, dat ik eerst twijfelde, of u wel volkomen betrouwbaar was, maar nu geloof ik vast in u.”
„Dat kunt u doen,” zei het meisje ernstig.
„Ik herhaal, dat ik u volkomen vertrouw. Om u dit te bewijzen, deel ik u zonder eenig voorbehoud mee,dat wij van plan zijn dien man, dienMonks, het geheim, wat het ook wezen moge, te ontrukken, door op zijn vrees te werken. Maar als—als—” hernam de heer, „als we hem niet in handen kunnen krijgen, of niet van hem te weten kunnen komen wat wij willen, dan—moet je ons den Jood overleveren.”
„Fagin!” riep het meisje, terugdeinzend.
„Die man moet aan ons door u worden overgeleverd,” zei de heer.
„Dat doe ik niet! Dat doe ik nooit!” antwoordde het meisje. „Ofschoon hij een duivel is en voor mij erger dan een duivel is geweest, dat doe ik nooit.”
„U wilt dus niet?” vroeg de oude heer, die dit antwoord scheen te verwachten.
„Nooit!” antwoordde het meisje.
„Waarom niet?”
„Om één reden,” antwoordde het meisje met vaste stem, „om één reden, die de dame weet en waarin zij aan mijn kant zal staan; ik weet, dat zij dat doen zal, want ik heb haar belofte; en dan ook om deze reden, dat, al heeft hij een slecht leven geleid, ik ook een slecht leven geleid heb; velen van ons zijn te zamen denzelfden weg gegaan en ik wil hen niet verraden, terwijl zij, zij allen, mij hadden kunnen verraden, maar het nooit deden, hoe slecht zij ook zijn mogen.”
„Welnu,” zei de oude heer snel, alsof dit het punt was, dat hij verlangd had te bereiken, „lever danMonksin mijn handen en laat aan ons over wat wij met hem doen willen.”
„En als hij de anderen verraadt?”
„Ik beloof u, dat de zaak in dat geval, zoodra wij de waarheid uit hem hebben gekregen, verder zal blijven rusten; inOliver'sgeschiedenis moeten omstandigheden wezen, die niet zonder pijnlijke onthullingen aan 't licht zijn te brengen; als de waarheid eenmaal aan den dag is, zullen de anderen vrij uitgaan.”
„En als de waarheid niet aan 't licht komt?”
„Dan,” ging de oude heer voort, „zalFagintoch nooit zonder uw toestemming voor 't gerecht gebracht worden. In dat geval zou ik u redenen kunnen aantoonen, waarvoor u zwichten zoudt.”
„Wil de juffrouw mij daarop ook haar woord geven?” vroeg het meisje.
„Ja,” antwoorddeRose. „Mijn eerlijk woord.”
„ZalMonksnooit vernemen hoe u weet wat u weet?” vroegNancyna kort zwijgen.
„Nooit,” antwoordde de oude heer. „Wij zullen het zoo aanleggen, dat hij het zelfs nooit vermoeden zal.”
„Ik ben een leugenaarster geweest en heb van kindaf onder leugenaars geleefd,” zeiNancyna een nieuwe stilte, „maar ik zal u op uw woord gelooven.”
Nadat zij van beiden de verzekering had ontvangen, dit veilig te kunnen doen, sprak zij verder met zóó zachte stem, dat het den luisteraar dikwijls moeielijk viel zelfs te begrijpen, waarover zij sprak, en beschreef den naam en de ligging van de herberg, waar zij dien avond bespied was. De wijze waarop zij nu en dan ophield, wees er op, dat de oude heer enkele haastige aanteekeningen maakte van wat zij vertelde. Nadat zij nauwkeurig het uiterlijk van de herberg had beschreven, de beste plek vanwaar men er het oog op had, zonder de aandacht te trekken, en de avond en het uur waaropMonkser gewoonlijk kwam, scheen zij een oogenblik na te denken met het doel zijn gezicht en uiterlijke verschijning duidelijker in haar geheugen terug te roepen.
„Hij is lang,” zei het meisje, „en een stevig gebouwde man, maar niet dik; hij heeft een onvasten gang en kijkt onder het loopen voortdurend over zijn schouder, dan over de ééne en dan over de andere. Vergeet dit niet, want zijn oogen liggen zooveel dieper in zijn hoofd dan bij iemand anders, dat je hem bijna alleen al daaruit kuntherkennen. Zijn gezicht is donker van tint evenals zijn haar en zijn oogen; ofschoon hij niet ouder dan zes- of acht en twintig jaar kan zijn, ziet hij er vervallen en afgeleefd uit. Zijn lippen zijn dikwijls bleek en vol tand-indrukken, want hij heeft hevige toevallen en bijt zich soms in zijn handen tot zij vol wonden zijn. Waar schrikt u van?” vroeg het meisje en zweeg plotseling.
De oude heer antwoordde op haastigen toon, dat hij er zich niet van bewust was en verzocht haar, voort te gaan.
„Ik heb deze dingen voor een deel van andere menschen uit de herberg gehoord,” hernamNancy, „ik zelf heb hem maar tweemaal gezien en beide keeren was hij in een wijden mantel gewikkeld. Ik geloof, dat dit alles is wat ik zeggen kan, om hem door u te doen herkennen. Nee wacht,” voegde zij er bij. „In zijn hals, zoo hoog, dat een deel er van uit zijn halsdoek komt als hij zijn hoofd omkeert, is een....”
„Een breed rood lidteeken als een brandwond?” riep de oude heer uit.
„Wat?” zei het meisje. „Kent u hem?”
De jonge dame stootte een kreet van verbazing uit en gedurende eenige oogenblikken waren zij zóó stil, dat de luisteraar hunne ademhaling duidelijk kon hooren.
„Ik geloof het wel,” zei de oude heer, de stilte verbrekend. „Naar uw beschrijving te oordeelen. We zullen zien. Veel menschen lijken verwonderlijk veel op elkaar. Misschien is het niet dezelfde man.”
Terwijl hij dit schijnbaar onverschillig zeide, kwam hij een paar stappen dichter bij den verborgen spion, wat deze op kon maken uit de duidelijkheid, waarmede hij hem kon hooren mompelen: „Hij moet 't zijn!”
„Nu,” zeide hij en keerde, naar het geluid te oordeelen, naar de plaats terug, waar hij te voren gestaan had, „u heeft ons een heel grooten dienst bewezen en ik zou graag in ruil iets voor u willen doen. Wat kan ik voor u doen?”
„Niets,” antwoorddeNancy.
„Dat meent u toch niet,” hernam de oude heer met een stem en op een toon zóó vol vriendelijkheid, dat een veel harder en verstokter gemoed er door geroerd zou worden.
„Denk eens na. Toe, zeg 't me.”
„Niets meneer,” herhaalde het meisje schreiend. „U kunt niets doen om mij te helpen. Voor mij is werkelijk alle hoop verloren.”
„U wijst zelf de hoop af,” zei de oude heer.„Het verleden is voor u een treurige verspilling geweest van uw jeugdige krachten; u heeft de onberekenbare schatten weggeworpen, die de Schepper maar eenmaal verleent en nooit weer geeft; maar u moogt hopen op de toekomst. Ik zeg niet, dat het in onze macht staat, vrede te brengen in uw hart en uw geest; die komen alleen als u ze zoekt; maar het is ons mogelijk en het is onze vurige wensch, u een rustig toevluchtsoord te verschaffen, hetzij in Engeland, of, als u bang bent, hier te blijven, in een ander land. Eer de morgen aanbreekt, eer de rivier ontwaakt in den eersten schijn van het daglicht, zult u zóó volkomen en zonder eenig spoor na te laten buiten het bereik zijn van uw vroegere levensgezellen, alsof u op ditzelfde oogenblik van de aarde verdween. Kom! Ik wil niet, dat u teruggaat en nog één woord met één uwer vroegere metgezellen wisselt of nog één blik slaat op de plek, waar u gewoond hebt, of de lucht inademt, die verderf en dood is voor u. Verlaat dat alles, nu er tijd en gelegenheid voor is!”
„Nu zal ze wel overtuigd zijn,” riep de jonge dame uit. „Ze weifelt, dat weet ik zeker.”
„Ik vrees van niet, lieverd,” zei de oude heer.
„Neen mijnheer, ik weifel niet,” hernam het meisje na een korten tweestrijd. „Ik ben gekluisterd aan mijn oude leven. Ik haat en verfoei het nu, maar ik kan erniet van los komen. Ik moet te ver gegaan zijn om terug te keeren—en toch, ik weet niet, maar als u een poos geleden zoo tot mij gesproken had, zou ik het weggelachen hebben. Maar,” zeide zij, haastig om zich heen ziende, „nu komt die angst weer over me. Ik moet naar huis.”
„Naar huis!” herhaalde het jonge meisje met grooten nadruk op het woord.
„Naar huis juffrouw,” herhaalde het meisje. „Naar het tehuis, dat ik voor mijzelf heb opgericht, waar ik mijn heele leven voor heb gewerkt. Laat ons afscheid nemen. Ik zal worden nagegaan of gezien. Ga weg! Ga weg! Als ik u werkelijk een dienst heb bewezen, is alles wat ik vraag, dat u mij alleen laat en mij mijn eigen weg laat gaan.”
„Het is vergeefs,” zei de oude heer met een zucht. „Door hier te blijven brengen wij haar veiligheid misschien in gevaar. Misschien hebben wij haar al langer opgehouden dan zij verwacht had.”
„Ja, ja,” stootte het meisje uit. „Dat hebt u.”
„Wat zal het einde zijn van 't leven van dit arme schepseltje?” riepRoseuit.
„Wat?” herhaaldeNancy. „Kijk eens voor u uit, juffrouw. Kijk naar dat donkere water. Hoe dikwijls leest u niet van schepsels als ik, die in de golven springen en geen levend wezen achterlaten om haar verlies te betreuren. 't Kan over jaren gebeuren of misschien over maanden, maar ten slotte zal het daar toe komen.”
„Toe, spreek zoo niet,” zeiRosesnikkend.
„Uw ooren zullen het nooit vernemen, juffrouw, en God verhoede dat u het hooren zoudt!” hernam het meisje. „Goeiennacht! Goeiennacht!”
De heer keerde zich om.
„Deze beurs,” zei de jonge dame. „Neem die aan om mijnentwil, zoodat u in een uur van nood eenige hulp zult hebben.”
„Neen! Ik heb dit niet voor geld gedaan. Laat mij die gedachte behouden. En toch—geef mij iets, dat u heeft gedragen—ik wou graag iets hebben—neen, geen ring—uw handschoenen of uw zakdoek—iets, dat ik bewaren kan, omdat het van u is geweest, lieve juffrouw. Zoo. Dank u. God zegene u. Goeiennacht, goeiennacht!”
De hevige opwinding van het meisje en de angst voor eenigerlei ontdekking, die haar bloot zou stellen aan mishandeling, scheen den ouden heer tot het besluit te brengen, haar wensch in te willigen en van haar weg te gaan. Het geluid van weggaande voetstappen was te hooren en de stemmen zwegen.
Spoedig daarop verschenen de gestalten van de jonge dame en haar metgezel op de brug. Boven aan de trap bleven zij staan.
„Luister!” riep het jonge meisje en luisterde. „Riep daar iemand? Ik dacht, dat ik haar stem hoorde.”
„Neen lieverd,” antwoorddeMr. Brownlow, terwijl hij een treurigen blik achter zich wierp. „Ze blijft daar tot we weg zijn.”
Rose Maylieaarzelde nog, maar de oude heer trok haar arm door den zijne en bracht haar met zacht geweld weg. Terwijl zij heen gingen, zonkNancybijna in haar volle lengte neer op één van de steenen treden en gaf in bittere tranen uiting aan de angst van haar hart.
Na een poos stond zij op en klom met zwakke, wankele schreden naar de straat. De verbaasde luisteraar bleef nog eenige minuten onbewegelijk op zijn post; nadat hij zich door voorzichtige blikken ervan overtuigd had, dat hij alleen was, sloop hij langzaam uit zijn schuilplaats te voorschijn en keerde, sluipend in de schaduw van den muur, op dezelfde wijze terug, als hij naar beneden was gekomen.
ToenNoah Claypoleboven was gluurde hij meer dan eens in 't rond om er zeker van te zijn, dat niemandhem zag; daarop snelde hij zoo spoedig hij kon heen en ging zoo hard als zijn beenen hem dragen konden, naar het huis van den Jood.
Noodlottige gevolgen.
Het was bijna twee uur vóór het aanbreken van den dag, het tijdstip, dat in den Herfst van het jaar met recht de dood van den nacht genoemd kan worden; als de straten stil en verlaten zijn; als zelfs de geluiden schijnen te slapen en verdorvenheid en losbandigheid naar huis zijn gewaggeld om te gaan droomen. Op dit stille rustige uur zatFaginwakend in zijn oude hol; zijn gezicht was zoo bleek en vertrokken, zijn oogen zóó rood en met bloed doorschoten, dat hij minder een man leek dan een afschuwelijke spookgestalte, nog vochtig van het graf en gepijnigd door een boozen geest. In een oude, half vergane deken gewikkeld, zat hij in elkaar gekrompen bij den kouden haard; zijn gezicht gewend naar een bijna uitgebrande kaars, die op een tafel bij hem stond. Zijn rechterhand hield hij tegen de lippen, en toen hij, in gedachten verzonken, op zijn lange, zwarte nagels beet, kwamen in zijn ingevallen mond eenige tandbrokken te zien, die van een hond of een rat schenen te zijn.
Op een matras op den vloer lagNoah Claypolevast in slaap. Nu en dan richtte de oude man even zijn oogen op hem en wendde ze dan weer naar de kaars; van de lange pit, die bijna omviel, droppelden klonters heet kaarsvet op de tafel, wat er op wees, hoeFagin'sgedachten elders waren.
En dat waren zij inderdaad. Spijt over de mislukking van zijn gewichtig plan; haat jegens het meisje, dat hetgewaagd had met vreemden samen te spannen; wantrouwen jegens de oprechtheid van haar weigering, hem te verraden; bittere teleurstelling, nu hij zijn wraak opSikesmissen zou; vrees voor ontdekking, ondergang en dood; en boven alles een razende, doodelijke woede; zóó waren de woeste gedachten die achter elkaar in snelle warreling doorFagin'sgeest gingen, terwijl de zwartste driften, de vreeselijkste plannen in zijn ziel werkten.
Zonder maar in 't minst van houding te veranderen of eenige aandacht aan den tijd te geven, bleef hij zitten, totdat zijn scherpe ooren een voetstap in de straat onderscheidden.
„Eindelijk,” mompelde hij en veegde zijn droge lippen af. „Eindelijk!”
Terwijl hij sprak, ging de bel zachtjes over. Hij sloop naar boven om open te doen en kwam weldra terug met een man, tot aan de kin in zijn jas gewikkeld, die een pak onder zijn arm droeg. Toen hij zat en zijn overjas afgooide kon menSikes' forsche gestalte herkennen.
„Daar!” zei hij en legde het pak op tafel. „Pas hier goed op en verhandel 't zoo duur als je kan. 't Heeft moeite genoeg gekost om het te krijgen; ik had gedacht hier al drie uur eerder te zijn.”
Fagingreep het pak, sloot het in de kast en ging weer zitten zonder spreken. Maar terwijl hij dit deed, verloor hij den inbreker geen oogenblik uit het oog; nu zij weer over elkaar zaten, van aangezicht tot aangezicht, keek hij hem strak aan; zijn lippen beefden zóó en zijn gezicht was zoo veranderd door de driften, die in hem werkten, datSikesonwillekeurig zijn stoel achteruitschoof en hem met een uitdrukking van oprechte angst aankeek.
„Wat nou?” riepSikes. „Waarom kijk je 'n mensch zoo an?”
Faginhief zijn rechterhand op en schudde zijn bevendewijsvinger; maar hij was zoo opgewonden, dat hij voor 't oogenblik de spraak had verloren.
„Vervloekt!” zeideSikesen greep met een verschrikt gezicht naar zijn borst. „Hij is gek geworden. 't Is hier zaak op mezelf te passen.”
„Neen, neen,” vielFaginin, die eindelijk zijn stem terug kreeg. „Nee—Jij nietBill. Ik heb niks—niks tegen jou.”
„Zoo? Niet?” zeiSikes, terwijl hij hem ernstig aankeek en voor alle zekerheid zijn pistool bij de hand nam. „Dat 's gelukkig—voor één van ons beiden. Wie dat is, doet er niet toe.”
„Ik heb je wat te zeggenBill,” zeideFagin, zijn stoel nader schuivend, „wat je nog doller zal maken dan ik ben.”
„Zoo?” vroeg de roover met ongeloovig gezicht. „Zeg maar op! Maar maak voort ofNancezal denken, dat ik verongelukt ben.”
„Verongelukt!” riepFagin. „Daar heeft ze zelf al voor gezorgd.”
Als verbijsterd keekSikesden Jood aan, en toen hij daar geen voldoende verklaring vond, greep hij hem met zijn ruwe vuist bij de kraag en schudde hem hevig heen en weer.
„Spreek op! Zal je spreken!” zeide hij, „of—je zult 't gauw niet meer kunnen. Doe je mond open en zeg in duidelijke woorden wat je te zeggen hebt. Voor den dag er mee, vervloekte ouwe schurk, voor den dag er mee!”
„Stel je voor, dat die kerel, die daar leit”—begonFagin.
Sikeskeerde zich naar den slapendenNoah, alsof hij hem tevoren nog niet opgemerkt had. „Nou?” vroeg hij, terwijl hij zijn vorige houding weder aannam.
„Stel je voor, dat die kerel,” gingFaginvoort, „gebabbeld had—er ons allemaal bij had gelapt—dat hijeerst de rechte menschen tot dat doel had uitgezocht en dan een samenkomst met ze had op straat om ons uit te teekenen, ieder merk te zeggen, waaraan wij te herkennen waren en het hol, waar wij 't best te vangen waren. Stel je voor, dat hij dit alles gedaan had en bovendien geklikt over een zaak, waar we allemaal meer of minder in betrokken zijn—en dat uit eigen liefhebberij; niet omdat de dienders hem te pakken hebben of in een verhoor of doordat hij op water en brood heeft gezeten—maar uit liefhebberij, omdat hij 't aardig vindt; dat hij 's nachts naar buiten sloop om de menschen, die 't meest tegen ons hebben, op te gaan zoeken en ons aan hen te verraden. Versta je me?” vroeg de Jood, terwijl zijn oogen vuur schoten. „Als hij dat allemaal had gedaan, wat dan?”
„Wat dan!” antwoorddeSikesmet een gruwelijken vloek. „Als hij nog leefde, zou ik z'n kop onder mijn ijzeren hak fijn trappen, in evenveel stukken als er haren op zijn hoofd zijn.”
„En alsik't gedaan had!” riepFaginbijna gillend.„Ikdie zooveel weet en zoovelen behalve mijzelf aan de galg kon brengen!”
„Dat weet ik niet,” antwoorddeSikesknarsetandend, terwijl hij wit werd bij de enkele gedachte. „Maar ik zou iets doen in de gevangenis, dat me in de ijzers zou brengen; en als ik tegelijk met jou verhoord werd, zou ik met die ijzers op je anvliegen en voor ieders oogen je hersens uit je kop slaan. Ik zou zooveel kracht hebben,” mompelde de inbreker, terwijl hij zijn gespierden arm uitstak, „dat ik je hoofd even fijn zou vermorzelen of er een geladen wagen overheen was gegaan.”
„Zou je dat doen?”
„Of ik....?” zei de inbreker. „Probeer 't maar is!”
„En als hetCharleywas of de Vos, ofBet, of—”
„'t Kan me niet schelen wie,” zeiSikesongeduldig.„Wie 't ook was, ik zou het hem op dezelfde manier betaald zetten.”
Faginkeek den roover strak aan, wenkte hem stil te zijn, boog zich over het bed op den vloer en schudde den slapende heen en weer.Sikesleunde voorover in zijn stoel en keek het met zijn handen op zijn knieën aan, nieuwsgierig waar dat gevraag en al die voorbereiding op uit zou loopen.
„Bolter! Bolter!Arme jongen!” zeideFagin; hij keekSikesaan met een uitdrukking van duivelsche spanning en sprak zacht en met nadruk: „Hij is moe—moe omdat hijhaarzoo lang bespied heeft—haarzoo lang....Bill.”
„Wat bedoel je?” vroegBillterugdeinzend.
Fagingaf geen antwoord, maar boog zich opnieuw over den slapende heen en heesch hem op, tot hij in zittende houding kwam. Nadat zijn aangenomen naam verscheidene malen herhaald was, wreefNoahzijn oogen uit, geeuwde en keek slaperig om zich heen.
„Vertel 't me nog eens—nog eens, dat hij 't hoort,” zei de Jood opSikeswijzend.
„Wat vertellen?” vroegNoahslaperig, terwijl hij zich schurkte.
„Dat van—Nancy,” zeiFaginen greepSikesbij de vuist als wilde hij hem verhinderen, zijn huis te verlaten eer hij genoeg gehoord had. „Je bent haar gevolgd?”
„Ja.”
„NaarLondon Bridge?”
„Ja.”
„Waar zij met twee menschen samenkwam?”
„Ja.”
„Een heer en een dame, waar zij uit eigen beweging al vroeger heen was gegaan, die haar vroegen de heele bende te verraden, in de eerste plaatsMonks. Dit deed ze—en hem te beschrijven—dit deed ze—en te vertellen in welk huis wij bij mekaar komen en naar toe gaan—ditvertelde ze—en van waaruit men de beste kijk er op had—dit vertelde ze—en op welk uur de lui daarheen gingen—dit vertelde ze. Dat vertelde ze allemaal. Woord voor woord zonder één bedreiging, zonder tegenspartelen—is 't niet?” riepFagin, half dol van woede.
„Jawel,” antwoorddeNoah, zich op zijn hoofd krabbend. „Zoo was 't precies.”
„Wat zeiden ze over verleden Zondag?”
„Over verleden Zondag!” herhaaldeNoahpeinzend. „Dat heb ik je al gezegd.”
„Nog eens. Zeg 't nog eens!” schreeuwdeFagin, Sikesvaster grijpend, terwijl hij met zijn andere hand door de lucht zwaaide en het schuim hem op de lippen kwam.
„Ze vroegen haar,” zeiNoah, in wien, nu hij goed wakker was, een vaag vermoeden opkwam, wieSikeswas—„ze vroegen, waarom ze verleden Zondag niet gekomen was, zooals ze beloofd had. Ze zei, dat ze niet kon.”
„Waarom niet, waarom niet? Zeg hem dat.”
„Omdat zij met geweld thuis werd gehouden doorBill, den man, waar zij vroeger al van verteld had,” antwoorddeNoah.
„En wat verder over hem?” riepFagin. „Wat verder over den man, waar zij vroeger al van verteld had? Zeg hem dat, zeg hem dat.”
„Nou, dat ze niet makkelijk de deur uit kon komen, als hij niet wist, waar ze heen ging,” zeiNoah, „en dus, toen ze den eersten keer naar die dame toeging, had ze—ha! ha! ik moest er gerust om lachen, toen zij 't zei—had ze hem laudanum gegeven.”
„Hel en duivel!” riepSikes, zich woest vanFaginlosrukkend. „Laat me deruit!”
Hij slingerde den ouden man van zich af, vloog de kamer uit en holde woest de trappen op.
„Bill! Bill!” riepFagin, terwijl hij hem haastig volgde. „Een woordje nog! Eén woordje maar.
Het woordje zou niet gesproken zijn als de inbreker in staat was geweest de deur open te krijgen; toen de Jood hijgend bij hem kwam, stond hij al vloekend vruchteloos aan de deur te wringen.”
„Laat me deruit,” zeiSikes, „praat niet tegen me. 't Is gevaarlijk. Laat me deruit!”
„Laat me nog één woord zeggen,” zeiFagin, met zijn hand op het slot. „Je zal toch niet—?”
„Nou!” vroeg de ander.
„Je zal toch niet al te—te driftig—zijn,Bill?”
De dag brak aan en het was licht genoeg, dat de beide mannen elkaar in 't gezicht konden zien. Ze wisselden één snellen blik; in beider oogen brandde een vuur, waarvan de beteekenis niet te ontkennen viel.
„Ik bedoel,” zeideFagin, die hiermee toonde te begrijpen, hoe langer veinzen geen nut had, „niet te driftig voor je eigen veiligheid. Leg 't slim aanBill, niet te ruw.”
Sikesgaf geen antwoord; hij rukte de deur open, waarvanFaginhet slot los had gedraaid, en snelde de stille straat op.
Zonder stilstaan, zonder een oogenblik na te denken, zonder ook maar eenmaal zijn hoofd naar rechts of naar links te wenden, of zijn oogen omhoog te heffen of ze naar den grond te slaan, doch in woeste beslotenheid recht voor zich uit starend, zijn tanden zoo stijf op elkaar geklemd, dat het kaakbeen door de geweldige inspanning door zijn huid naar buiten scheen te komen, ging de roover met dezelfde snelheid voort; hij mompelde geen woord, noch liet hij één spier verslappen, tot hij zijn eigen woning bereikte. Zachtjes deed hij met een sleutel de deur open en ging met lichten stap de trap op; in zijn kamer draaide hij 't slot van de deur tweemaal omen schoof er een zware tafel vóór; daarna trok hij de bedgordijnen open.
Nancylag half gekleed op het bed. Zijn komst had haar gewekt, want zij rees met een schuwen, verschrikten blik op.
„Sta op!” zei de man.
„Benjij'tBill!” zei het meisje met een uitdrukking van blijdschap om zijn terugkomst.
„Ik ben 't,” was het antwoord. „Sta op.”
Er brandde een kaars, maar de man rukte ze van de kandelaar en gooide ze onder het haardrooster. ToenNancyhet flauwe daglicht buiten zag, stond zij op om het gordijn open te trekken.
„Laat dat,” zeideSikes, terwijl zijn hand haar tegenhield.
„'t Is licht genoeg voor wat ik te doen heb.”
„Bill,” fluisterdeNancymet ongeruste stem, „waarom kijk je me zoo aan?”
Een oogenblik zat de inbreker haar aan te kijken met trillende neusvleugels en hijgende borst; toen greep hij haar bij hoofd en nek en sleepte haar naar 't midden van de kamer; met een blik naar de deur drukte hij haar zijn hand op den mond.
„Bill! Bill!” hijgde het meisje, in doodsangst tegenstrevend, „ik—ik zal niet schreeuwen—geen één keer—luister—spreek tegen me—zeg wat ik gedaan heb.”
„Dat weet je heel goed, duivelin!” antwoordde de roover, naar adem hijgend. „Ze hebben je gezien vannacht; elk woord, dat je gezegd hebt, is gehoord.”
„Spaar dan mijn leven om 's Hemels wil, zooals ik het jouwe gespaard heb,” viel het meisje in, zich aan hem vastklemmend. „Bill, lieveBill, je kunt 't hart niet hebben, mij te vermoorden. O! bedenk wat ik juist vannacht heb opgegeven voor jou. Jemoettijd hebben om na te denken en jezelf deze misdaad te besparen; iklaat je niet los, je kan me niet van je afgooien.Bill, Bill, terwille van de lieve God, terwille van jezelf, van mij, houd op, eer je mijn bloed vergiet! Ik ben je trouw geweest, dat zweer ik bij mijn schuldige ziel!”
De man worstelde woedend om zijn armen vrij te maken, maarNancyhad haar armen om de zijne geslagen en hoe hij ook rukte, hij kon ze niet los krijgen.
„Bill!” riep het meisje, terwijl zij trachtte haar hoofd op zijn borst te leggen, „die meneer en die lieve dame vertelden mij vannacht van een tehuis in een ander land, waar ik in eenzaamheid en vrede zou kunnen leven. Laat mij hen weer opzoeken en hen op mijn knieën smeeken, aan jou dezelfde genade en goedheid te bewijzen; laten wij allebei heengaan van deze verschrikkelijke plaats en verweg ieder alleen een beter leven beginnen en behalve in onze gebeden vergeten hoe wij hier geleefd hebben en elkaar nooit terug zien. Het is nooit te laat voor berouw. Dat zeiden ze—ik voel het nu ook—maar we moeten tijd hebben—een beetje tijd maar!”
Sikesbevrijdde zijn éénen arm en greep zijn pistool. De zekerheid, dat hij onmiddellijk ontdekt zou worden als hij schoot, flitste zelfs te midden van zijn woede door zijn brein; met alle kracht liet hij het pistool tweemaal neerkomen op haar opgeheven gezicht, dat bijna het zijne raakte.
Zij wankelde en viel neer, bijna blind door het bloed, dat uit een diepe wond in haar voorhoofd gudste; met moeite hief zij zich op haar knieën, haalde een witten zakdoek—dien vanRose Maylie—uit haar boezem, hief dezen zooveel haar zwakke krachten het veroorloofden in haar gevouwen handen ten Hemel en zond een gebed om genade op tot haar Schepper.
Het was een ontzettend schouwspel. De moordenaar wankelde achteruit naar den muur, bedekte zijn gezicht met de ééne hand, greep een dikken knuppel en sloeg haar neer.
De vlucht vanSikes.
Van al de slechte daden, die onder bescherming van de duisternis dien nacht binnen Londen's wijde palen gepleegd werden, was dit de slechtste. Van al de verschrikkingen, die hun afschuwelijke uitwaseming verspreidden in de morgenlucht, was dit de laagste en de wreedste.
De zon, de heldere zon, die den menschen niet alleen licht brengt, maar nieuw leven en hoop en levenslust levenslust—ging over de dicht bevolkte stad in stralenden, helderen luister op. Zij zond haar stralen door kostbaar gekleurd glas en ramen met papier beplakt, op het koepeldak van de cathedralen en op rottend aas. Zij verlichtte de kamer, waar de vermoorde vrouw lag. Het licht drong binnen.Sikestrachtte het buiten te sluiten, maar het stroomde binnen door kieren en spleten. Het tooneel was reeds ontzettend geweest in den valen morgenschijn; wat was het dan nu in het schitterende licht!
Hij bewoog zich niet—de vrees hield hem bevangen. Zij had nog eens gekreund en haar hand bewogen, en in angst en woede had hij nog eens en nog eens toegeslagen.
Hij gooide een deken over haar heen, maar het was erger, de oogen in zijn verbeelding te zien en te denken, dat zij zich naar hem toekeerden, dan ze omhoog te zien staren, alsof zij den weerschijn van de bloedplas volgden, die in de zonnestralen tegen de zoldering trilde en danste. Hij had de deken weer weggetrokken. En nu lag daar het lijk—niets dan vleesch en bloed—maarzulkvleesch en zooveel bloed!
Hij stak licht op, maakte vuur aan en wierp den knuppel er in. Aan het hout kleefde haar, dat in de vlam omhoogwerd geblazen, als lichte asch neerviel en door den luchtstroom den schoorsteen in dwarrelde. Zelfs dit deed hem ontstellen ondanks zijn hardheid; maar hij hield den knuppel vast tot hij door midden brak en smeet hem toen op de kolen om verder op te branden en tot asch te vergaan. Hij waschte zich en wreef zijn kleeren af; er waren vlekken, die niet uit te wisschen waren, maar hij sneed de stukken eruit en verbrandde ze. Overal door de kamer waren bloedvlekken verspreid! Zelfs de pooten van den hond lieten bloedige sporen na.
Al dien tijd had hij het lijk geen enkele maal den rug toegekeerd; zelfs niet voor een oogenblik. Toen hij klaar was met wat hij te doen had, ging hij achterwaarts naar de deur, trok den hond achter zich aan, uit angst dat hij anders opnieuw bloed aan zijn pooten zou krijgen en daarmee nieuwe bewijzen voor den moord mee naar buiten zou nemen. Hij deed de deur zachtjes dicht, draaide het slot om, nam den sleutel er uit en ging naar buiten.
Hij liep naar den overkant van de straat en keek op naar het raam, om zich ervan te verzekeren, dat aan den buitenkant niets te zien was. Het gordijn was nog gesloten;Nancyhad het open willen trekken om het licht binnen te laten, dat zij nooit meer zien zou.Hetlag bijna vlak daaronder.Hijwist dat. God, hoe scheen de zon daar juist binnen! Hij keek slechts een oogenblik. Het was een verlichting uit de kamer te zijn. Hij floot den hond en ging met vlugge stappen weg.
Hij ging doorIslington, klom den heuvel op teHighgate, waar de gedenksteen staat voorWellington, daalde af naarHighgate Hill; hij liep als doelloos, onzeker waar hij heen zou gaan, en sloeg, zoodra hij dezen heuvel begon af te dalen, weer rechtsom, nam het voetpad door de velden, dat langsCaen Woodloopt en kwam zoo inHampstead Heath. Nadat hij door deVale of Healthden hollen weg doorgegaan was, klom hij den aardenwal aan den overkant op, stak den weg over, die de dorpenHampsteadenHighgateverbindt en liep de heide verder over naar de velden vanNorth End; hier legde hij zich onder een heg neer en viel in slaap.
Hij was spoedig weer op de been en op weg—niet verder het land in, maar langs den straatweg terug naar Londen—toen weer terug—toen over een ander deel van dezelfde heide waar hij al geloopen had—nu eens op en neer jagend door de velden of in greppels neervallend om te rusten, dan weer opspringend om een andere plek te zoeken; dan weer hetzelfde en weer verder jagend.
Waar kon hij heengaan wat dichtbij was en niet te vol met menschen om wat te eten en te drinken te krijgen?Hendow. Dat was een goede plek, niet ver en buiten den gewonen weg. Daarheen richtte hij zijn schreden—nu eens liep hij hard, dan weer, uit een onbegrijpelijken gril kroop hij als een slak of bleef heelemaal staan en sloeg met zijn stok op de heg. Maar toen hij inHendowkwam, was het hem of alle menschen, die hij tegenkwam—zelfs de kinderen aan de deuren—hem wantrouwend aankeken. Weer keerde hij om, zonder moed gevonden te hebben voedsel of drinken te koopen, ofschoon hij zooveel uren gevast had; en opnieuw zwierf hij over de heide, onzeker waarheen te gaan.
Hij legde mijlen en nog eens mijlen af en kwam toch weer op dezelfde plek terug. De morgen en de middag waren voorbij en de dag was aan het afnemen en nog doolde hij rond, heen en terug, op en neer om altijd op dezelfde plek terug te komen. Eindelijk ging hij weg en nam zijn richting naarHatfield.
Het was negen uur 's avonds, toen de man, volkomen uitgeput, met zijn hond, die hinkte en kreupel liep door de ongewone inspanning, den heuvel afkwam langs de kerk van het stille dorpje, door de straat strompeldeen een kleine herberg binnensloop, waarvan het licht hem had aangelokt. In de gelagkamer brandde een vuur en enkele boerenarbeiders zaten er omheen te drinken. Ze maakten plaats voor den vreemdeling, maar hij ging in den versten hoek zitten en at en dronk alleen, of liever met zijn hond, dien hij van tijd tot tijd een brok toegooide. Het gesprek van de mannen, die bij het vuur zaten, liep over het land in de buurt en de pachters; en toen deze actueele onderwerpen uitgeput waren, over den leeftijd van een ouden man, die den vorigen Zondag begraven was; de jonge mannen hielden hem voor heel oud en de oude mannen verklaarden, dat hij nog heel jong was geweest—niet ouder, zeide een grootvader met witte haren, dan hijzelf—hij had minstens nog vijftien jaar te leven gehad—als hij voorzichtig was geweest; als hij voorzichtig was geweest.
Hierin was niets, dat de aandacht trok of ongerustheid op kon wekken. De roover betaalde zijn vertering en bleef stil en onopgemerkt in zijn hoekje zitten; hij was bijna in slaap gevallen, toen hij half gewekt werd door de luidruchtige binnenkomst van een nieuwen gast.
Het was een kluchtige klant, marskramer en kwakzalver tegelijk, die het land doortrok met slijpsteenen, aanzetriemen, scheermessen, zeepballen, poetsgoed voor tuigen, drankjes voor honden en paarden, goedkoope odeur, zalf en dergelijke dingen, die hij in een mars op zijn rug droeg. Zijn binnenkomen was het sein voor allerlei grappen met de buitenlui, waarmee hij niet ophield eer hij zijn avondeten verorberd had en zijn mars opendeed, met de slimme bedoeling het nuttige met het aangename te verbinden.
„En wat 's dat voor goed? Kan je dat eten,Harry?” vroeg een grinnikende boer en wees naar eenige vierkante tabletjes in een hoekje van de mars.
„Dit,” zei de man, er één te voorschijn halend, „ditis het onfeilbare en onwaardeerbare middel om alle soorten van vlekken uit te maken: roest, vuil, schimmel, spikkels of moddervlekken uit zijde, satijn, linnen, neteldoek, laken, krip, merinos, moeseline, bombazijn of wollen stoffen. Wijn-vlekken, vruchten-vlekken, biervlekken, watervlekken, verfvlekken, pekvlekken, alle mogelijke vlekken, alles gaat er uit, als je er maar eens met dit onfeilbaar, onwaardeerbaar middel overheen wrijft. Als een dame een vlek op haar eer heeft, hoeft zij maar een tabletje in te slikken en ze is in eens genezen—want het is vergif. Als een meneer dit wil bewijzen, heeft hij maar één zoo'n vierkantje door te slikken en hij heeft 't overtuigendste bewijs—'t werkt even zeker als een pistoolschot en smaakt veel slechter, dus des te grooter verdienste voor wie 't gebruikt. Eén penny 't stuk. Die uitnemende dingen, één penny het stuk!”
Dadelijk kwamen twee koopers opdagen en vele der toehoorders verkeerden blijkbaar in twijfel of zij koopen zouden of niet. Toen de koopman dit merkte, groeide zijn welsprekendheid nog aan.
„'t Wordt even gauw verkocht als 't gemaakt wordt,” zei de kerel. „Veertien watermolens, zes stoommachines en een galvanische batterij werken er voortdurend aan, en ze kunnen ze niet gauw genoeg maken, al werken de mannen zoo hard, dat ze er dood bij neervallen; hun weduwen krijgen onmiddellijk pensioen met twintig pond per jaar voor elk kind en een premie van vijftig voor tweelingen. Een penny 't stuk! Twee halfpence is ook goed en vier farthings worden met gejuich ontvangen. Eén penny 't stuk! Wijnvlekken, vruchtenvlekken, biervlekken, watervlekken, verfvlekken, pikvlekken, moddervlekken, bloedvlekken! Op de hoed van een van de heeren hier zit een vlek; die zal ik er uit maken, eer hij een kruikalevoor me kan bestellen.”
„Hé!” riepSikesopspringend. „Geef die hoed hier!”
„Ik zal 't er netjes uitmaken, meneer,” zei de man, met een knipoogje naar de toeschouwers, „eer u door de kamer kan loopen om hem terug te halen. Heeren, let allemaal op de donkere vlek op den hoed van dezen meneer, niet grooter dan een shilling, maar dikker dan een halve crown. Of het een wijnvlek is of een vruchtenvlek of een biervlek of een watervlek, of een verfvlek of een pikvlek, een moddervlek of een bloedvlek—”
De man kwam niet verder, wantSikesgooide met een afschuwelijke verwensching de tafel om, rukte den hoed uit zijn handen en stormde de herberg uit.
Toen de moordenaar zag, dat niemand hem volgde en bedacht, dat men hem waarschijnlijk voor een dronken, onbehouwen vlegel hield, deed dezelfde ongedurigheid en besluiteloosheid, die hem ondanks zichzelf den geheelen dag bevangen had, hem terugkeeren naar het stadje; terwijl hij al voortloopend uitweek voor den lichtschijn der lantarens van een postwagen, die in de straat stond, herkende hij deze als de postkar van Londen en zag dat ze voor het kleine posthuis stond. Hij stak de straat over om te luisteren, al wist hij bijna zeker wat hij te hooren zou krijgen.
De conducteur stond in de deur op den brievenzak te wachten. Een man, als boschwachter gekleed, kwam op dit oogenblik voor den dag en de conducteur gaf hem een mand, die klaar lag op straat.
„Dat is voor jullie,” zei de postiljon. „Nou, maak een beetje voort daar binnen! Die vervloekte zak, eergisteravond was hij ook niet klaar; dat gaat zoo niet hoor!”
„Nog nieuws in stad, Ben?” vroeg de boschwachter, terwijl hij terugging tot aan de luiken van het posthuis om beter de paarden te kunnen bewonderen.
„Niks waar ik van weet,” antwoordde de man, terwijl hij zijn handschoenen aantrok. „'t Koren is wat gestegen. Ook heb ik van een moord hooren praten in de buurtvanSpitalfields, maar op zoo'n verhaal kan je niet aan.”
„O, dat verhaal is waar,” zei een heer binnen, die uit het raam keek. „En 'n verschrikkelijke moord was 't ook.”
„Zoo meneer?” zei de conducteur en tikte tegen zijn pet. „'n Man of 'n vrouw, meneer?”
„'n Vrouw,” antwoordde de heer. „Ze denken....”
„Nou Ben!” riep de postiljon ongeduldig.
„Die verdomde zak,” zei de conducteur, „zijn jullie binnen in slaap gevallen?”
„Hij komt al!” riep de man van het posthuis, terwijl hij naar buiten kwam hollen.
„Komt al,” bromde de conducteur. „Zoo is 't ook met de rijke vrouw, die verliefd op me zal worden, maar ik weet niet wanneer. Hier geef op. Al kla-ar!”
Een paar vroolijke horenstooten en de postwagen was weg.
Sikesbleef in de straat staan, schijnbaar onbewogen door wat hij zoo juist gehoord had; niets hield hem voor het oogenblik bezig dan de vraag, waar hij heen zou gaan. Eindelijk ging hij opnieuw terug en sloeg den weg in, die vanHatfieldnaarSt. Albansvoert.
Verdrietig liep hij voort; maar toen hij de stad achter zich had en in de eenzaamheid en duisternis van den weg verzonk, voelde hij, hoe hem een angstgevoel bekroop, dat hem tot in zijn binnenste deed verstijven. Elk voorwerp vóór hem, of het werkelijkheid was of schaduw, stil of in beweging, nam den vorm aan van een of ander vreeselijk ding; maar deze angst was niets, vergeleken bij het visioen, waardoor hij gekweld werd, alsof de vermoorde van dien ochtend hem op de hielen volgde. Hij kon in de duisternis den omtrek van de gedaante tot in de kleinste lijnen natrekken, en merkte op, hoe strak en plechtig ze voort scheen te schrijden. Hij kon hooren, hoe haar kleederen de bladeren beroerden enelk windzuchtje scheen haar laatsten zachten kreet te herhalen. Als hij staan bleef, bleef de gedaante ook staan. Als hij hard liep, volgde de gedaante—ze liep niet hard, dat zou minder verschrikkelijk zijn geweest, maar als een lijk, dat zich slechts mechanisch beweegt en door denzelfden melancolieken, loomen luchtstroom, steeds in dezelfde maat wordt voortbewogen.
Nu en dan keerde hij zich om, met het wanhopige besluit het spooksel te verjagen, al zou de aanblik ervan hem ook dooden; maar zijn haren rezen te berge en zijn bloed stond stil, want het spooksel had zich met hem omgekeerd en was nu achter hem. Dien morgen had hij gezorgd, dat het vóór hem bleef, maar nu was het achter hem—altijd. Hij leunde met zijn rug tegen een aarden wal en voelde dat het spooksel boven hem stond, scherp afgeteekend tegen den kouden nachthemel. Hij liet zich op den weg vallen—met zijn rug op den grond. Bij zijn hoofd stond het, stil, rechtop en onbewegelijk—een levende grafsteen met bloedige inscriptie.
Laat niemand ervan spreken, dat de moordenaar aan de gerechtigheid ontkomt en daaruit het bewijs putten, dat de Voorzienigheid zou slapen. Elke langgerekte minuut van dien doodsangst droeg twintig maal twintig stervensoogenblikken in zich om.
Op een veld, dat hij overliep, stond een hut, die een schuilplaats voor den nacht kon bieden. Vóór de deur rezen drie hooge populieren, waardoor het binnen stikdonker was; de wind ruischte door de boomen met droef gehuil. Hijkonniet voort blijven loopen tot de dag zou aanbreken; daarom ging hij dicht tegen den muur van de hut aan liggen—om nieuwe folteringen te ondergaan.
Want nu verscheen hem een visioen, even onwrikbaar, maar verschrikkelijker nog dan dat, waaraan hij ontsnapt was. Die wijdgesperde starende oogen, zooglansloos en strak, dat hij ze liever in werkelijkheid had gezien dan in zijn verbeelding, verschenen hem te midden der duisternis—zelve licht, doch aan niets licht mededeelend. Er waren er slechts twee, doch ze waren overal. Als hij de handen voor zijn gezicht sloeg, zag hij zijn kamer met al de welbekende voorwerpen—enkele zelfs, die hij vergeten zou hebben, wanneer hij alleen met zijn geheugen te werk was gegaan—alles op zijn gewone plaats. Het lijk lag ook op zijn plaats en de oogen zagen er uit als toen hij wegsloop. Hij sprong op en vluchtte naar buiten, het veld op. De gedaante was achter hem. Hij ging de hut weer binnen en liet zich opnieuw op den grond vallen. De oogen waren er, nog eer hij lag.
Hij bleef in de hut ten prooi aan een ontzetting, waarvan hijzelf alleen de verschrikking wist; bevend in elken vezel van zijn lichaam, terwijl het koude zweet uit alle poriën naar buiten brak. Plotseling bracht de nachtwind het gerucht over van geschreeuw in de verte en stemmenrumoer vol schrik en ontsteltenis. Op die eenzame plaats scheen elk menschelijk geluid, zelfs wanneer het een werkelijke reden tot ongerustheid inhield, hem welkom.
Bij het gevoel, dat gevaar voor zijn leven dreigde, herkreeg hij zijn kracht en moed; hij sprong op en snelde naar buiten.
De wijde hemel scheen in vuur te staan. Vlammenzuilen laaiden op en lieten een regen van vonken neerdalen; de omtrek was er vier mijlen in 't rond door verlicht en wolken van rook dreven in de richting, waar hij stond. De kreten werden luider, toen nieuwe stemmen zich in het rumoer mengden en hij kon den kreet van „Brand!” onderscheiden, vermengd met het gelui van de alarmklok, den val van zware lichamen en het geloei der vlammen, als zij een nieuwe hinderpaal op hun weg ontmoetten en dan weer oplaaiden als opnieuw gevoed. Terwijl hij keek, groeide het rumoer aan. Daar warenmenschen—mannen en vrouwen—licht, leven. 't Was, of hij nieuw leven in zich voelde. Hij snelde vooruit—recht door, zoo hard hij loopen kon—over heg en steg, over greppels en heuvels, even dol als zijn hond, die met luid geblaf vóór hem uit holde.
Hij kwam op de plaats van den brand. Daar liepen halfgekleede gedaanten als razenden heen en weer, sommigen trachtten de verschrikte paarden uit de stallen te halen, anderen dreven het vee van het erf en uit de bijgebouwen, weer anderen kwamen te midden van den vonkenregen aanloopen met allerlei brandende voorwerpen, op gevaar af door de neervallende, brandende balken getroffen te worden. De openingen, waar een uur te voren deuren en vensters geweest waren, gunden een blik in den razenden vuurgloed; muren waggelden en stortten neer in den brandenden poel; gesmolten lood en ijzer druppelde wit gloeiend neer op den grond. Vrouwen en kinderen jammerden en de mannen moedigden elkaar aan met kreten en schreeuwen. Het geratel van de brandspuiten en het gesis van het water, als het op het brandende hout kwam, vermengden zich met het oorverdoovende lawaai.Sikesschreeuwde ook mee, tot hij er schor van was; vluchtend voor zichzelf en voor die vreeselijke herinnering, stortte hij zich in het dichtste gewoel.
Den geheelen nacht dook hij nu hier, dan daar onder; nu eens werkte hij aan de pompen, dan vloog hij door rook en vlammen heen, maar steeds zorgde hij daar te zijn, waar het meeste rumoer en het drukste menschengewoel was. De ladders op en neer, op de daken van de bijgebouwen, over vloeren, die beefden en kraakten onder zijn gewicht, vlak bij vallende steenen en puinbrokken, overal was hij, waar de groote brand woedde, maar zijn leven scheen onkwetsbaar te zijn; tot aan het aanbreken van den morgen, toen niets meer over was dan rook en een zwartverbranderuïne, had hij geen schrammetjeof kneuzing, en voelde vermoeidheid noch drukkende gedachten.
Doch toen de dolle opwinding voorbij was, keerde het verschrikkelijke besef van zijn misdaad met tienvoudige hevigheid terug. Wantrouwend keek hij rond, want de mannen stonden in groepen te praten en hij vreesde, dat hij het onderwerp van hun gesprek was. De hond gehoorzaamde den veelbeteekenenden wenk van zijn vinger en ze slopen samen weg. Hij kwam langs een brandspuit, waar eenige mannen bij elkaar zaten en zij riepen hem, hun schaft te deelen. Hij nam wat brood en vleesch; terwijl hij een teug bier nam, hoorde hij de brandweermannen, die uit Londen kwamen, over den moord spreken. „Ze zeggen, dat hij naarBirminghamis gegaan,” zeide één van hen, „maar ze zullen hem wel krijgen, want de veldwachters zijn gewaarschuwd en door het heele land wordt naar hem gezocht.”
Sikesliep weg en ging voort, tot hij er bijna bij neerviel; toen legde hij zich in een laantje neer en viel in een langen, onrustigen slaap, waaruit hij telkens wakker schrikte. Weer ging hij verder, besluiteloos en weifelend en opgejaagd door den angst, weer een eenzamen nacht door te brengen.
Plotseling kwam hij tot het wanhopige besluit, naar Londen terug te keeren.
„Daar heb ik tenminste iemand om tegen te praten,” dacht hij. „En het is een goede schuilplaats. Ze zullen nooit denken, me daar te snappen, nadat ik eerst hier buiten ben geweest. Waarom kan ik me daar niet een week of zoo verstoppen, vanFaginsplint zien los te krijgen en naar Frankrijk gaan? Verdomd! ik waag het.”
Zonder uitstel volgde hij deze ingeving en begon de terugreis langs de minst bezochte wegen; hij besloot, zich dichtbij de hoofdstad te verbergen; als het donker was, langs een omweg de stad binnen te komen en danrechtuit naar de buurt te gaan, die hij als zijn doel had gekozen.
Maar de hond! Als zijn signalement verspreid werd, zou 't er zeker bij vermeld worden, dat de hond niet te vinden was en waarschijnlijk bij hem zou zijn. Dat kon tot zijn aanhouding leiden, als hij op straat gezien werd. Hij besloot dus, den hond te verdrinken, raapte een zwaren steen op en bond dien onder het voortloopen aan zijn zakdoek.
Het dier keek naar zijn meester op, terwijl deze de toebereidselen maakte, en hetzij zijn instinct hem iets deed begrijpen van wat het doel was, of dat de inbreker hem somberder dan anders aankeek, hij bleef wat verder achter dan gewoonlijk en kwam langzaam, op zijn buik kruipend, nader. Toen zijn meester aan den rand van een poel staan bleef en om zich heen keek om hem te roepen, bleef hij staan.
„Hoor je me niet? Kom hier!” riepSikes.
De hond kwam uit kracht der gewoonte, maar toenSikeszich bukte om den zakdoek om zijn nek te binden, bromde hij kwaadaardig en sprong achteruit.
„Hier!” riep de roover.
De hond kwispelstaartte, maar bewoog zich niet.Sikesmaakte nu een strik en riep nog eens.
De hond kwam nader, sloop achteruit, bleef een oogenblik staan, keerde zich om en maakte zich zoo hard hij kon uit de voeten.
De man floot nog eens en nog eens, ging zitten, in de verwachting dat hij wel terug zou komen. Maar geen hond verscheen en eindelijk zette hij den tocht voort.