Waarin het verhaal totMr. Faginen zijn kring terugkeert.
Terwijl binnen het armhuis in de provinciestad deze dingen voorvielen, zatFaginpeinzend bij een klein rookend vuurtje in zijn oude hol—hetzelfde, waaruitOliverdoorNancywas weggehaald. Hij had een blaasbalg op zijn knieën, waarmee hij blijkbaar gepoogd had het vuur wat op te vroolijken, maar hij was in diepe gedachten verzonken geraakt; de armen over den blaasbalg gevouwen en zijn kin rustend op zijn duimen, staarde hij afgetrokken op de roestige stangen van den haard.
Aan een tafel achter hem zaten de Slimme Vos,Charles BatesenChilling, allen verdiept in een spelwhist; de Vos speelde met den blinde tegenBatesenChilling. Het gezicht van den eerste, altijd buitengewoon schrander, won nog aan slimheid door de spanning waarmede hij op het spel lette en zijn opmerkzaam bespieden vanChilling'shand; van tijd tot tijd, als hij zijn kans schoon zag, wierp hij ernstige blikken daarheen en was zoo wijs, zijn eigen spel te regelen volgens het resultaat van wat hij in de kaarten van zijn buurman gezien had. Daar het een koude avond was, had de Vos in de kamer zijn hoed opgehouden, wat trouwens een gewoonte van hem was. Tusschen zijn tanden hield hij een steenen pijp, die hij er alleen een oogenblikje uit nam, wanneer het hem geschikt dacht, een verfrissching te nemen uit een kruik, die met jenevergroc gevuld, ten gebruike van het gezelschap op tafel stond.Batesspeelde ook met aandacht, maar daar hij levendiger van aard was dan zijn voortreffelijke vriend, greep hij meer dan deze naar de jenevergroc en gaf bovendien telkens grappen en niet-ter-zake-doende opmerkingen ten beste, die een ernstigwhist-spelerniet pasten. En de Slimme nam dan ook meer dan één gelegenheid waar, om zijn vriend deze onbehoorlijkheden ernstig onder het oog te brengen, waartoe hun innige gehechtheid aan elkaar hem het recht gaf;Charley Batesontving die terechtwijzingen altijd even goed geluimd; hij antwoordde alleen, dat zijn vriend „stikken” kon of zijn „kop in een zak steken,” of een andere snedige grap van hetzelfde allooi, die hij zoo gelukkig te pas wist te brengen, datMr. Chillinghem in stilte bewonderde.
Het was opmerkelijk, dat deze laatste en zijn maat voortdurend verloren en dat deze omstandigheid, inplaats vanBatesboos te maken, hem integendeel in de genoegelijkste stemming ter wereld scheen te brengen; na elk spel schaterde hij 't uit en beweerde, dat hij zijn heele leven nog niet zoo lollig gespeeld had.
„Dat 's groot slem en de robber,” zeiChillingmet een lang gezicht, terwijl hij een halve kroon uit zijn vestjeszak haalde. „Ik heb nog nooit zoo'n vent gezien als jij,Jack; jij wint alles. Zelfs als we goede kaarten hebben, kunnenCharleyen ik er niets van maken.”
Of de woorden, òf de toon van deze opmerking, die zeer spijtig klonk, vermaaktenCharley Bateszoozeer, dat zijn luide lachuitbarsting den Jood uit zijn gepeins opwekte en hem deed vragen, wat er aan de hand was.
„Aan de hand,Fagin!” riepCharley. „Ik wou, dat je 't spel gezien had.Tommy Chillingheeft geen slag gemaakt en ik speelde samen met hem tegen den Slimme met de blinde.”
„Ja! ja!” zei de Jood met een grijns, die genoeg aantoonde, dat hij geen moeite had, de oorzaak te begrijpen. „Probeer 't nog eens,Tom, probeer 't nog eens.”
„Ik niet, dank je wel,Fagin,” antwoorddeChilling.
„Ik heb er genoeg van. Die Vos heeft zoo'n gelukkige hand, dat er geen spelen tegen is.”
„Ha! ha!” antwoord de de Jood, „om de Vos iets af te winnen, moet je vroeger opstaan.”
„Vroeg opstaan!” zeiCharley Bates, „je moet je laarzen den heelen nacht aanhouden en een verrekijker voor ieder oog en een tooneelkijker om je hals, en dan win je 'themnog niet af.”
Mr. Dawkinsaanvaardde deze vriendelijke loftuitingen zeer wijsgeerig en bood aan, met ieder die wilde, om een shilling te wedden, dat de eerste kaart die hij uit het spel trok, een pop zou zijn. Daar niemand op de weddenschap inging en zijn pijp leeggerookt was, begon hij zich te vermaken door met een stukje krijt, waarmee hij de punten van het spel had opgeteekend, een plattegrond vanNewgateop de tafel te teekenen; onderwijl floot hij buitengewoon schel.
Nadat er in langen tijd niets gezegd was hield hij op met fluiten en zei: „Wat ben jij verschrikkelijk vervelend,Tommy!” „Waar zou hij—opChillingwijzend—over zitten te denken,Fagin?”
„Hoe kan ik dat weten, jongenlief?” gaf de Jood terug; hij keek de anderen aan en trok den blaasbalg open en dicht. „Misschien over zijn verlies; of over zijn uitstapje naar buiten, waar hij juist van is teruggekomen? Ha! ha! is dat 't niet?”
„Heelemaal niet,” antwoordde de Vos,Chilling, die juist iets wilde zeggen, in de rede vallend. „Wat zegjijCharley?”
„Ik zou zeggen”, antwoorddeBatesmet een grijns, „dat hij bijzonder lief deed tegenBetsy. Kijk, hij krijgt een kleur! O donders! dat 's een grap!Tommy Chillingis verliefd! OFagin!Fagin! wat 'n stel!”
Opgewonden bij de gedachte, datMr. Chillinghet slachtoffer zou zijn van een teederen hartstocht, liet Bates zich met zulk een kracht achterovervallen in zijn stoel dat hij zijn evenwicht verloor en achterover op dengrond sloeg, waar (het ongeval schaadde niet in 't minst aan zijn vroolijkheid) hij languit bleef liggen tot hij uitgelachen was; toen nam hij zijn vorige houding weer aan en begon opnieuw te lachen.
„Stoor je maar niet aan hem, beste jongen,” zei de Jood met een knipoogje naar jongeheerDawkins, terwijl hij jongeheerBateseen vermanend tikje met den blaasbalg toediende. „Betsyis een mooie meid. Houd je maar bij haarTom. Houd je bij haar.”
„Ik wil maar zeggen,Fagin,” vielChillingmet vuurrood gezicht in, „ik wil maar zeggen, dat dit hier geen mensch angaat.”
„Je hebt gelijk,” antwoordde de Jood, „maarCharleymoet altijd kletsen. Stoor je niet aan hem, jongen; stoor je niet aan hem.Betsyis een mooie meid. Doe wat zij je vraagt,Tom, en je zult je fortuin maken.”
„Ik doe juist wat zij me vraagt,” hernamChilling; „als ik haar raad niet gevolgd had, zou ik nooit in de tredmolen zijn geraakt. Maar voor jou werd 't een goed zaakje, nietwaar,Fagin? En wat is zes weken tredmolen? 't Moet toch één of anderen tijd komen; waarom dan maar niet in den winter, als jij niet graag zoo veel buiten komt, wat zeg jij,Fagin?”
„Je hebt gelijk, jongen,” gaf de Jood toe.
„Je zoudt 't nog eens doen, nietwaarTom,” vroeg de Vos met een knipoogje naarCharleyen den Jood, „als jeBeter mee helpen kon?”
„Dat zou ik zeker,” vielTomboos uit. „Daar! En ik zou wel eens willen weten, wie hetzelfde kan zeggen; nouFagin?”
„Niemand, jongen,” antwoordde de Jood, „geen ziel,Tom. Ik weet niemand, die het doen zou, behalve jij; niemand.”
„Ik zou me baantje schoon hebben kunnen vegen, als ik haar had willen verklikken; is 't nietFagin?”ging het arme, half-onnoozele slachtoffer voort. „Eén woord van mij zou haar der in gebracht hebben; nouFagin?”
„Zeker, natuurlijk jongen,” antwoordde de Jood.
„Maar ik kletste niet; is 't welFagin?” vroegTommet groote radheid van tong de ééne vraag na de andere loslatend.
„Nee, nee, zeker niet,” antwoordde de Jood, „daar was je te dapper voor. Veel te dapper, hoor jongen!”
„Misschien wel,” stemdeTomrondkijkend toe, „en als ik 't was, wat valt daar om te lachen; nouFagin?”
De Jood, die opmerkte, datChillinghoe langer hoe driftiger werd, haastte zich te verzekeren, dat niemand lachte, en om te getuigen, hoe ernstig het gezelschap was, deed hij een beroep opCharley, den hoofdschuldige. Maar toenCharleyzijn mond open deed om te betuigen, dat hij nooit in zijn leven zoo ernstig was geweest, bleek hij ongelukkigerwijs niet in staat, een hevige lachuitbarsting te bedwingen, waarop de beleedigdeChillingzonder eenige plichtpleging op den beleediger toestormde om hem een stomp toe te dienen;Charley, behendig in het ontkomen aan vervolgingen, bukte zich om den slag te ontwijken; hij koos het oogenblik zoo goed, dat de stomp terecht kwam op de borst van den vroolijken ouden heer en hem tegen den muur kwakte, waar hij naar adem stond te hijgen, terwijlChillinghem in diepe verslagenheid aankeek.
„Hoor!” riep de Vos op dit oogenblik. „Ik hoor de bel.” Hij nam het licht en sloop zachtjes naar boven.
Opnieuw, terwijl het gezelschap nog in donker zat, werd er ietwat ongeduldig aan de bel getrokken. Na een oogenblik verscheen de Vos weer en fluisterde, geheimzinnigFaginiets in 't oor.
„Wat!” riep de Jood, „alleen?”
De Vos knikte bevestigend en met zijn hand de kaarsvlambeschermend, gaf hij in stilte een vertrouwelijken wenk aanCharley, dat hij op 't oogenblik zijn grappen liever moest staken. Nadat hij dezen vriendendienst bewezen had, richtte hij zijn oogen op het gezicht van den Jood en wachtte zijn bevelen af.
De oude man bebeet zijn gele vingers en dacht eenige seconden na; zijn gezicht verried angst: alsof hij iets vreesde en bang was het ergste te vernemen. Eindelijk hief hij zijn hoofd op.
„Waar is hij?” vroeg hij.
De Vos wees naar boven en maakte een beweging om de kamer uit te gaan.
„Ja,” zei de Jood in antwoord op de stomme vraag. „Haal hem beneden. St! KalmCharley! BedaardTom! Zachtjes! zachtjes!”
Dit korte bevel aanCharley Batesen zijn tegenspeler werd zonder wederwoord dadelijk gehoorzaamd. Geen geluid verried hun tegenwoordigheid, toen de Vos de trap afkwam met het licht in zijn hand en gevolgd door een man in een groven kiel; deze wierp een snellen blik door de kamer, wikkelde een lange shawl los, die het ondergedeelte van zijn gezicht had bedekt en vertoonde het bleeke, ongewasschen, ongeschoren gezicht van „mooieToby.”
„Hoe gaat 't,Fagin?” vroeg deze waardige man, den Jood toeknikkend. „Stop die doek maar in m'n hoed, Vos, dan weet ik waar ik 'm vinden kan als ik weer uitsnij.... mooi zoo! Jij wordt een flinke jonge man van zaken, nog eer de ouwe uitknijpt.”
Met deze woorden sloeg hij zijn langen kiel om, door het ondergedeelte om zijn middel te winden, schoof een stoel bij het vuur en zette zijn voeten op de haardplaat.
„Kijk eensFagin,” zei hij en wees met treurig gebaar naar zijn kaplaarzen, „geen druppel schoensmeer sinds je weet wel; geen tintje zwart, voor den duivel! Maar kijkme niet zoo aan, man. Alles op zijn tijd. Ik kan niet over zaken spreken, eer ik gegeten en gedronken heb; dus geef'swat stevigs en laat ik dan eens kalm m'n maag vullen, voor 't eerst sinds drie dagen!”
De Jood wees den Vos, wat er aan eetbaars in huis was op tafel te brengen; hij ging tegenover den inbreker zitten en wachtte tot deze zou beginnen te spreken.
Naar de uiterlijke verschijnselen te oordeelen, maakteTobyvolstrekt geen haast om het gesprek te beginnen. Eerst stelde de Jood er zich mede tevreden, geduldig zijn gezicht te bestudeeren, alsof hij daar iets zou kunnen lezen van wat hij verlangde te weten; doch tevergeefs.Tobyzag er moe en uitgeput uit, maar zijn trekken hadden dezelfde vriendelijke rust van altijd; vuil noch baard konden den zelfgenoegzamen grijnslach van GladdeToby Crackitverbergen. Toen begon de Jood in steeds aangroeiend ongeduld elken hap, die de ander in zijn mond stak, na te kijken, terwijl hij in onbedwingbare opgewondenheid door de kamer op en neer liep. Het hielp alles niets.Tobyging met het uiterst vertoon van onverschilligheid voort met eten, tot hij niet meer kon; toen stuurde hij den Vos de kamer uit, sloot de deur, schonk een glas drank met water in en zette zich tot praten.
„In de eerste plaats,Fagin—” begonToby.
„Ja, ja!” viel de Jood in, zijn stoel dichterbij schuivend.Mr. Crackithield op, om een slok te nemen en te verklaren, dat de jenever best was; toen zette hij zijn voeten tegen den lagen schoorsteen, zoodat zijn schoenen ter hoogte van zijn oogen kwamen en begon bedaard te spreken.
„In de eerste plaats,Fagin,” zei de inbreker, „hoe is 't metBill?”
„Wat!” schreeuwde de Jood, opspringend van zijn stoel.
„Je wil toch niet zeggen—” vielToby, bleek wordend, in.
„Wil!” schreeuwde de Jood en stampte woedend op den grond. „Waar zijn ze?Sikesen de jongen? Waar zijn ze? Waar zijn ze geweest? Waar zitten ze? Waarom zijn ze niet hier gekomen?”
„De inbraak is mislukt,” zeiTobyzacht.
„Dat weet ik,” viel de Jood in, terwijl hij een courant uit zijn zak haalde en op een bericht wees. „Verder?”
„Ze schoten en de jongen werd geraakt. We staken de velden achter het huis over met hem tusschen ons in—rechttoe, rechtaan, zooals de kraai vliegt—over heg en steg. Zij zetten ons na. Vervloekt! de heele buurt was wakker en de honden achter ons.”
„De jongen?” stamelde de Jood.
„Billhad hem op zijn rug en vloog als de wind. We bleven staan, om hem tusschen ons in te nemen; zijn hoofd hing naar beneden en hij was koud. Ze waren ons op de hielen; ieder voor zich en buiten de galg blijven! We gingen van elkaar en lieten den jongen in een greppel liggen. Levend of dood; en dat 's alles wat ik van hem weet.”
De Jood wenkte, dat hij niets meer hooren wilde; hij stootte een luiden kreet uit, woelde met zijn handen door zijn haar, stortte de kamer uit en vluchtte naar buiten.
Waarin een geheimzinnig persoon op het tooneel verschijnt en waarin vele dingen, die tot dit verhaal behooren, gedaan en tot stand gebracht worden.
De oude man had den hoek van de straat bereikt, eer hij begon te bekomen van de ontsteltenis, door de mededeeling vanToby Crackitveroorzaakt. Hij gaf zijn ongewone vaart niet op, maar holde steeds voort, wild endoelloos, toen plotseling een rijtuig hard op hem aanreed; heftig geschreeuw van de voetgangers, die 't gevaar zagen, joeg hem terug naar het trottoir. Zooveel mogelijk de hoofdstraten mijdend, sluipend door stegen en sloppen, kwam hij eindelijk uit bijSnow Hill. Hier begon hij nog vlugger te loopen dan te voren; hij bleef niet staan tot hij opnieuw een slop was ingeslagen; toen, als besefte hij nu in zijn eigen element te zijn, verviel hij in zijn gewonen schuifelenden tred en scheen vrijer adem te halen.
Dicht bij de plaats, waarSnow Hill enHolborn Hillsamenkomen, ligt, als men uit decitykomt, aan de rechterhand een nauw, armoedig steegje, dat naarSaffron Hillleidt. In de vuile winkeltjes liggen hooge stapels tweedehands zijden zakdoeken van alle grootten en kleuren te koop, want hier wonen de opkoopers, die ze van de zakkenrollers koopen. Honderden van deze zakdoeken hangen te wapperen aan spijkers buiten de ramen of versieren de post van de deur en binnen liggen ze opgestapeld op planken. Hoe eng ook de grenzen van dit steegje, datField Laneheet, zijn, heeft 't toch zijn eigen barbier, zijn koffiehuis, zijn bierhuis en een herberg, waar gebakken visch wordt verkocht. Het is een handelskolonie op zichzelf, de stapelplaats van gestolen kleinigheden; vroeg in den morgen en bij het vallen van den avond komen daar zwijgende kooplieden, die in donkere achterkamers hun waren verhandelen en die even geheimzinnig weer heengaan als zij gekomen zijn. Hier stalt de kleerenjood, de schoenlapper en de lompenkoopman zijn waren uit, als lokvink voor de kleine dieven; hier in de smerige kelders liggen stapels oud ijzer en beenen, hoopen rottende wollen en linnen lappen te verroesten en te vergaan.
Het was hier, dat de Jood heen ging. Hij was welbekend bij de gele bewoners van het steegje; want zij, die opden uitkijk stonden om te koopen of te verkoopen, knikten hem vriendschappelijk toe als hij voorbij kwam. Hij beantwoordde de groeten op dezelfde wijze, doch deed geen poging tot meerdere toenadering, eer hij aan het andere eind van de steeg was gekomen; hier bleef hij staan en sprak een koopman aan van kleine gestalte, die zooveel van zijn eigen persoon in een kinderstoeltje had gewrongen als die stoel opnemen kon en voor zijn winkeldeur een pijp rookte.
„Het gezicht van u,Mr. Fagin, zou het booze oog genezen,” zeide deze eerbiedwaardige handelsman in antwoord op de vraag van den Jood naar zijn gezondheid.
„De nabuurschap zou mij een beetje te warm zijn,Lively,” zeiFagin, terwijl hij zijn wenkbrauwen optrok en zijn handen op zijn schouders kruiste.
„Ja, die klacht heb ik al een paar keer gehoord,” antwoordde de koopman, „maar 't koelt gauw weer af ook,vindje niet?”
Faginknikte toestemmend. In de richting vanSaffron Hillwijzend, vroeg hij, of daar ginder iemand òp was vannacht.
„Bij De Kreupelen?” vroeg de man.
De Jood knikte.
„Laat me eens zien,” ging de koopman nadenkend voort. „Ja, der zijn der 'n stuk of zes in gegaan, zoo ver ik weet. Ik geloof niet, dat je vriend daar is.”
„Sikesniet, meen je?” vroeg de Jood met teleurgesteld gezicht.
„Non ist wentus, zoo als de advocaten zeggen,” antwoordde de kleine man, terwijl hij 't hoofd schudde en een buitengewoon sluw gezicht zette. „Heb je wat te handelen, van avond?”
„Vanavond niet,” zei de Jood, zich omkeerend.
„Ga je naar „De Kreupelen”Fagin?” riep het kleinemannetje hem na. „Wacht! ik wil daar wel een slokje met je drinken!”
Maar daar de Jood omkeek en afwerend de hand bewoog, ten teeken, dat hij liever alleen ging, en daar de kleine man bovendien niet gemakkelijk uit den stoel kon komen, moest de herberg, waar „de Kreupelen” uithing, dezen avondMr. Lively'stegenwoordigheid missen. Toen hij er in geslaagd was, op te staan, was de Jood verdwenen;Mr. Livelyrekte zich tevergeefs op de teenen, in de hoop hem nog in 't oog te krijgen en werkte zich toen weer in zijn stoel; met de vrouw in den winkel aan den overkant wisselde hij een hoofdschuddend gebaar, waarin zich twijfel en wantrouwen uitdrukten; toen nam hij met gewichtig gezicht zijn pijp weer op.
„De drie Kreupelen” of liever „De Kreupelen,” zooals de naam luidde, waaronder de inrichting bij de vaste klanten bekend stond, was de herberg, waarin wijSikesen zijn hond al eens ontmoet hebben.Fagingaf den man in het buffet alleen een wenk en liep toen recht door naar boven, deed de deur van een kamer open en sloop naar binnen, ingespannen rondglurend met de hand boven de oogen, als zocht hij iemand.
De kamer was door twee gaspitten verlicht;luiken met boomen ervoor en stijf dichtgetrokken vaalroode gordijnen verhinderden den lichtschijn naar buiten uit te stralen. De zoldering was zwart geverfd, zoodat de lampenwalm geen kwaad aan de kleur kon doen en het vertrek was zoo vol dichten tabaksrook, dat het in 't eerst bijna onmogelijk was, iets te onderscheiden. Langzamerhand echter, terwijl een deel van de rook door de open deur wegtrok, vielen een massa hoofden te onderscheiden, even verward als de geluiden die de lucht vervulden en terwijl het oog aan het tooneel gewoon raakte, werd de toeschouwer er zich allengs van bewust hoe hier een talrijk gezelschap bijeen was, mannen envrouwen om een lange tafel geschaard; aan het boveneind zat een voorzitter met den voorzittershamer in de hand, terwijl een musicus, met een blauw-rooden neus en zijn gezicht, ter wering van kiespijn, met een doek omwonden, in den versten hoek vóór een hakkebord van een piano zat. TerwijlFaginzachtjes binnenkwam, liet de musicus juist bij wijze van preludium zijn vingers over de toetsen glijden, wat een algemeen geschreeuw om een lied uitlokte; toen dit bedaard was, vermaakte een jonge dame het gezelschap met een ballade in vier strofen; tusschen elke twee strofen speelde de begeleider zoo hard als hij kon de geheele melodie opnieuw door.
Toen dit uit was, gaf de voorzitter een teeken, waarop de beide musici, die rechts en links van den voorzitter zaten, een duet inzetten en onder luid applaus ten einde zongen. Het was merkwaardig, enkele gezichten gade te slaan, die onder de algemeene groep de aandacht tot zich trokken. Daar was de voorzitter zelf (de waard van de herberg) een ruwe, stoere, zwaar-gebouwde kerel, die onder het zingen zijn blikken her en derwaarts liet dwalen en terwijl hij alleen om de gezelligheid scheen te denken, oogen had voor alles wat er gedaan werd en ooren voor alles wat er gezegd werd—en scherpe ook. Naast hem zaten de zangers, die met de onverschilligheid van het vak de loftuitingen van het gezelschap in ontvangst namen, en zich uit dankbaarheid verwaardigden een dozijn glazen jenevergroc naar binnen te slaan, hun door de meest luidruchtige bewonderaars aangeboden; hunne gezichten, die bijna elke ondeugd in bijna elken graad uitdrukten, boeiden onweerstaanbaar de aandacht, juist door het terugstootende ervan.
Sluwheid, wreedheid en dronkenschap in elk stadium vertoonden zich hier op zijn duidelijkst en het donkerste en droefste deel van dit sombere tooneel vormden de vrouwen, enkele met het laatste restje van hun vroegerefrischheid, dat scheen te verwelken wanneer men er naar keek, anderen, die elk uiterlijk teeken en merk van haar sexe verloren hadden, zoodat niets overbleef dan het walgelijke slappe uitzicht, dat verdorvenheid en misdaad geven. Sommigen waren nog meisjes, anderen jonge vrouwen, doch allen nog in den opgang van het leven.
Faginechter voelde er geen ontroering bij; ijverig keek hij de gezichten langs terwijl er werd gezongen doch klaarblijkelijk zonder te vinden wat hij zocht.
Toen hij er eindelijk in geslaagd was, den blik op te vangen van den voorzitter, gaf hij dezen een lichten wenk en ging even zacht de kamer uit, als hij er binnen was gekomen.
„Wat kan ik voor u doen,Mr. Fagin?” vroeg de man, terwijl hij hem op het portaal volgde. „Blijft u niet bij ons? Ze zullen 't allemaal prettig vinden.”
De Jood schudde ongeduldig het hoofd en vroeg fluisterend: „Ishijhier?”
„Neen,” antwoordde de man.
„En niets vanBarneygehoord?” vroegFagin.
„Neen,” antwoordde de waard van „De Kreupelen,” want hij was het. „Hij zal niet voor den dag komen eer alles veilig is. Reken er op, ze hebben de lucht van hem en als hij zich vertoonde, was hij er meteen bij.Barneyzal wel in veiligheid zijn, anders had ik wel van hem gehoord. Ik wed, datBarneygoede zaken maakt. Laat dat maar aan hem over.”
„Komthijhier vanavond?” vroeg de Jood met denzelfden nadruk op het voornaamwoord.
„Monks, bedoelt u?” vroeg de herbergier aarzelend.
„St!” zei de Jood. „Ja.”
„Zeker,” antwoordde de man, terwijl hij een gouden horloge uit zijn zak haalde, „ik had hem al eer verwacht. Als u tien minuten wil wachten, zal hij....”
„Neen, neen,” zei de Jood haastig, alsof hij, ofschoon verlangend den persoon in kwestie te ontmoeten, zich tevens verlicht voelde door diens afwezigheid. „Zeg hem, dat ik hier ben geweest om hem te spreken en dat hij vanavond bij mij moet komen. Nee, zeg maar morgen. Nu hij hier niet is, is morgen vroeg genoeg.”
„Goed!” zei de man. „Anders niets?”
„Nu niet,” zei de Jood, terwijl hij naar beneden ging.
„Zeg,” zei de ander, heesch fluisterend, terwijl hij zich over de leuning heenboog, „'t zou een prachtig oogenblik zijn om zaken te doen! Ik hebPhil Barkerhier, zoo dronken, dat een kind hem er tusschen kan nemen.”
„Zoo! Maar 't isPhil'stijd nog niet;” zei de Jood, naar boven kijkend. „Philheeft nog meer te doen, eer we hem den bons kunnen geven; ga dus terug naar de anderen, goeie vriend en zeg hun, dat ze maar vroolijk moeten leven—zoolang ze er nog zijn! Ha! ha! ha!”
De waard beantwoordde het gelach van den ouden man en keerde tot zijn gasten terug. Zoodra de Jood alleen was, keerde de vroegere uitdrukking van angst en bedachtzaamheid op zijn gezicht terug. Na een oogenblik gepeinsd te hebben, riep hij een huurcabriolet aan en beval den koetsier, naarBethnalGreente rijden. Een kwart mijl vanSikes' woning af gaf hij hem zijn afscheid en legde het verdere kleine eindje te voet af.
„Nou,” mompelde de Jood, terwijl hij op de deur klopte, „als hier wat achter steekt, zal ik 't er wel uitkrijgen, meidlief, al ben je nog zoo slim.”
Nancywas in haar kamer, zei de vrouw, die opendeed.Faginsloop zachtjes naar boven, en ging zonder eenige plichtpleging binnen. Het meisje was alleen, ze lag met haar hoofd op tafel, 't haar om haar hoofd heen gespreid.
„Ze heeft gedronken,” dacht de Jood koel, „of misschien is ze alleen maar ongelukkig.”
Onder deze overdenking ging de oude man terug omde deur dicht te doen; het geluid hiervan deed het meisje opkijken. Ze keek hem strak in 't sluwe gezicht, terwijl zij vroeg of hij iets wist en luisterde naar zijn verhaal vanToby Crackit. Toen het uit was verviel zij weer in haar vorige houding, maar sprak geen woord. Ongeduldig schoof zij de kaars weg en één of tweemaal, terwijl zij zenuwachtig van houding veranderde, schuifelde zij met haar voeten over den grond, doch dit was al.
Terwijl het stil bleef, keek de Jood onrustig de kamer rond, als om zich er van te verzekeren, dat er geen teekens waren vanSikes' heimelijken terugkeer. Klaarblijkelijk voldaan over de uitkomst van zijn onderzoek, kuchte hij twee- of driemaal en deed evenveel pogingen, een gesprek te beginnen, maar het meisje gaf hem niet meer aandacht dan of hij van steen was. Eindelijk deed hij nog een poging, wreef zijn handen over elkaar en begon op zijn zoetsappigsten toon:
„En waar denk je, datBillnou is, beste meid?”
Het meisje stootte half verstaanbaar uit, dat zij het niet kon zeggen; naar het gesmoorde geluid te oordeelen, dat haar ontsnapte, scheen zij te schreien.
„En de jongen dan,” zei de Jood, zijn oogen inspannend om haar in 't gezicht te kunnen zien. „Arm kind! Achtergelaten in een greppelNance; begrijp eens!”
„Het kind,” zei het meisje, plotseling opkijkend, „is beter waar 't is dan bij ons; en als 'tBillgeen kwaad doet, hoop ik, dat hij dood in de greppel ligt en dat zijn beenderen er vergaan.”
„Wat!” riep de Jood verbaasd.
„Ja zeker,” gaf het meisje terug, haar oogen in de zijne. „Ik zal blij zijn, als ik hem niet meer zie en weet dat het ergste voorbij is. Ik kan 't niet verdragen, als hij bij mij is. Als ik hem zie, word ik tegen mezelf gekeerd en tegen jullie allemaal!”
„Ph!” zei de Jood norsch. „Je bent dronken.”
„Ben ik?” riep het meisje bitter. „'t Is jouw schuld niet, als ik 't niet ben! Als jij je zin had, was ik nooit iets anders, behalve op 't oogenblik—mijn stemming bevalt je niet, is 't wel?”
„Nee!” stemde de Jood woedend toe. „Nee!”
„Maak me dan anders!” viel het meisje in met een lach.
„Anders maken!” schreeuwde de Jood, buiten zichzelf doorNancy'sonverwachten tegenstand en den angst van dien nacht, „ik zal je anders maken! Luister sloerie! Luister naar mij, die met zes woordenSikeszoo zeker kan laten bengelen, alsof ik zijn keel al tusschen mijn vingers had. Als hij terugkomt, zonder den jongen; als hij vrij is en den jongen niet dood of levend bij mij brengt, vermoord hem dan zelf, als je hem niet aan de galg wilt hebben. En doe het op hetzelfde oogenblik, als hij zijn voet hier in de kamer zet, of—hoor wat ik zeg—'t is te laat!”
„Wat beteekent dat allemaal?” vroeg het meisje ondanks zichzelf.
„Wat het beteekent?” gingFaginvoort, dol van woede. „Als de jongen mij honderden ponden waard is, moet ik dan, wat 't lot zoo veilig op mijn weg bracht, weer verliezen door de stommiteiten van een bezopen bende, die ik zóó uit de wereld kan blazen? En moet ik me daarenboven nog binden aan een geboren duivel, die maar hoeft te willen, of hij heeft de macht om—”
Naar adem hijgend, begon de man te stamelen; op hetzelfde oogenblik stremde hij den stroom van zijn toorn en veranderde geheel van houding. Een oogenblik te voren had hij zijn vuisten in de lucht gebald, zijn oogen waren opengesperd en zijn gezicht door hartstocht verwrongen; nu zakte hij in elkaar in een stoel, kuchte kleintjes en beefde bij de gedachte, dat hij een verborgen schurkenstreek zelf aan 't licht had gebracht. Na een korte stilte, waagde hij het naarNancyte zien.Hij scheen eenigszins gerustgesteld, toen hij haar in dezelfde onverschillige houding zag, waaruit hij haar 't eerst had opgeschrikt.
„Nancy, meidlief!” kraste de Jood met zijn gewone stem. „Heb je me verstaan?”
„Laat me nu met rust,Fagin!” antwoordde het meisje, langzaam het hoofd opheffend. „Als hetBilldezen keer niet gelukt is, zal het een anderen keer lukken. Hij heeft al menig voordeelig zaakje voor je opgeknapt en zal er nog heel wat opknappen als hij kan; als hij niet kan, doet hij 't niet, dus praat er niet meer over.”
„Wat ik over de jongen zei, meen ik,” zei de Jood, zijn handpalmen zenuwachtig over elkaar wrijvend.
„De jongen moest, net als de anderen, zien dat hij wegkwam,” vielNancyhaastig in, „en ik zeg nog eens, ik hoop, dat hij dood is en weg van alle ongeluk en weg uit jullie handen—dat is te zeggen, als 't geen kwaad kan voorBill. En alsTobyer goed is afgekomen, zalBillook wel veilig zijn,wantBillis altijd tweeToby'swaard.”
„En wat ik gezegd heb?” vroeg de Jood, zijn glinsterende oogen strak op haar gericht.
„Als 't iets is, dat ik doen moet, moet je het nog eens over zeggen,” zeiNancy, „en als dat zoo is, moest je liever tot morgen wachten. Je hebt me 'n oogenblikkie der uit gehaald, maar nou ben ik weer suf.”
Fagindeed verschillende andere vragen, alle met het doel, zich te overtuigen of het meisje zijn onvoorzichtige uitlatingen verstaan had; maar ze gaf zoo gereed antwoord en bleef blijkbaar zoo onbewogen bij zijn onderzoekende blikken, dat zijn eerste indruk, hoe ze onder den invloed van sterken drank verkeerde, er door versterkt werd.Nancywas werkelijk niet vrij van een fout, die zeer algemeen was onderFagin'svrouwelijke leerlingen en waartoe zij in hun kindertijd meer werdenaangezet dan ervan teruggehouden. Haar ontredderd uiterlijk en een sterke jeneverlucht, die het vertrek vulde, leverden sterke bewijsgronden op voor de waarheid der veronderstellingen van den Jood, en toen zij, na de tijdelijke woedeuitbarsting, hierboven beschreven, terugviel, eerst in een soort verdooving en daarna in een mengeling van verschillende gevoelens, waarbij zij de ééne minuut tranen vergoot en de volgende allerlei uitroepen slaakte als: „Praat niet van sterven!” en wijsheden als: wat alles er toe deed, zoolang een man of een vrouw maar gelukkig was, zagMr. Fagin, die in zijn leven veel ondervinding van zulke dingen had opgedaan, met groote voldoening, dat zij inderdaad ver heen was.
Nadat zijn hart aldus gerustgesteld was en hij tegelijk zijn tweeledig doel, aan het meisje mede te deelen, wat hij dien avond had gehoord en zich er met eigen oogen van te overtuigen, datSikesniet thuis was, had bereikt, sloegMr. Faginopnieuw den weg naar huis in; hij liet zijn jonge vriendin slapend achter, met haar hoofd op tafel.
Het was een uur vóór middernacht. Het was donker en vinnig koud, dus kwam hij niet in de verzoeking, ergens stil te staan. De scherpe wind, die door de straten blies, scheen tegelijk met stof en modder alle voorbijgangers als weggevaagd te hebben, want er waren weinig menschen buiten en die weinigen haastten zich blijkbaar om thuis te komen. Voor den Jood woei de wind echter uit den goeden hoek; recht vóór den wind liep hij voort, bibberend en huiverend bij elken nieuwen vlaag, die hem ruw voortdreef op zijn weg.
Hij was den hoek van zijn eigen straat al om en grabbelde in zijn zak naar den huissleutel, toen een donkere gestalte te voorschijn kwam uit de schaduw achter een vooruitstekenden gevel, de straat overstak en onbemerkt naar hem toe sloop.
„Fagin!” fluisterde een stem vlak aan zijn oor.
„Ha!” zei de Jood en keerde zich snel om.... „is dat—”
„Ja,” viel de vreemde in. „Ik heb hier al twee uur staan wachten. Waar voor den duivel heb je toch gezeten?”
„Jouw zaken behartigd, beste jongen,” antwoordde de Jood, met een angstigen blik op zijn metgezel en onder het spreken zijn stap inhoudend. „Jouw zaken, den heelen avond.”
„Natuurlijk!” zei de ander met een grijns. „Nou, en wat komt er van?”
„Niets goeds,” antwoordde de Jood.
„Niets kwaads, hoop ik?” zei de vreemdeling, terwijl hij staan bleef en zijn metgezel verbijsterd aankeek.
De Jood schudde het hoofd en was op het punt te antwoorden, toen de vreemde hem het zwijgen oplei, met de opmerking, dat hij, wat hij te zeggen had, beter binnen de muren kon zeggen, want zijn bloed was verstijfd door het lange staan en de wind blies door hem heen; dus liepen zij op het huis toe, waarvoor zij juist waren aangekomen.
Faginzette een gezicht, alsof hij graag dit bezoek op zoo'n ongewoon uur had afgeslagen en mompelde iets, dat hij geen vuur aan had, maar toen de ander zijn verzoek op gebiedenden toon herhaalde, ontsloot hij de deur en verzocht hem, ze zacht te sluiten, terwijl hij een licht ging halen.
„'t Is hier zoo donker als in een graf,” zei de man, voorzichtig een paar stappen doende. „Maak wat voort!”
„Doe de deur dicht,” fluisterdeFaginuit het eind van de gang. Terwijl hij sprak, viel de deur met een slag dicht.
„Dat was mijn schuld niet,” zei de andere man, en zocht al tastend den weg. „De wind woei hem dicht of hij ging uit zichzelf dicht, één van beide. Licht me goedbij, of ik stoot mijn hersens nog uit mijn hoofd in dit vervloekte hol.”
Faginsloop voorzichtig de keukentrap af. Na een oogenblik kwam hij terug met een aangestoken kaars en de boodschap, datToby Crackitlag te slapen in de benedenachterkamer en dat de jongens in de voorkamer waren. Hij verzocht den man hem te volgen en ging vóór de trap op.
„We kunnen de paar woorden, die wij te zeggen hebben, hier binnen wel zeggen,” zei de Jood, terwijl hij een deur op de eerste verdieping opengooide, „en daar er gaten in de luiken zijn en de buren dus licht konden zien, zullen wij de kaars op de trap zetten. Zoo!”
Bij deze woorden bukte de Jood en zette de kaars op een trap naar boven, recht tegenover de kamerdeur. Daarna ging hij voor den ander uit het vertrek binnen; de eenige meubelstukken dáár waren een kapotte leuningstoel en een oude canapé zonder overtrek, die achter de deur stond. De vreemdeling ging als een vermoeid man op dit meubel zitten; de Jood trok den leuningstoel ook naar dezen hoek en ging tegenover hem zitten. Het was niet geheel donker, want de deur stond gedeeltelijk open, en de kaars wierp van buiten-af een flauwen schijn op den tegenoverliggenden muur. Ze spraken eenigen tijd fluisterend met elkaar. Ofschoon niets van het gesprek te verstaan was, behalve enkele afgebroken woorden nu en dan, zou een luisteraar gemakkelijk ontdekt hebben, datFaginzich scheen te verdedigen tegen een of andere opmerking van den ander en dat de laatste in een toestand van groote opgewondenheid verkeerde. Ze hadden misschien een kwartier of langer zoo gepraat, toenMonks—bij dien naam had de Jood den vreemdeling gedurende hun gesprekmeermalen genoemd—met iets luider stem zeide:
„Ik zeg nog eens, 't was verkeerd opgezet. Waaromheb je hem niet hier gehouden met de anderen en dadelijk een sluipende, snotterige zakkenroller van hem gemaakt?”
„Hoor hij!” riep de Jood, zijn schouders ophalend.
„Wil je me wijsmaken, dat je het niet had kunnen doen, als je gewild had?” vroegMonksstreng. „Heb je 't niet honderdmaal met andere jongens gedaan? Als je ten hoogste een jaar geduld gehad had, zou je hem dan niet hebben kunnen laten veroordeelen en veilig uit het land sturen, misschien voor zijn leven lang?”
„En wie zou daar voordeel bij gehad hebben, beste jongen?” vroeg de Jood nederig.
„Ik,” antwoorddeMonks.
„Maar ik niet,” zei de Jood onderworpen. „Hij zou me nog van nut kunnen zijn. Als er in een zaak twee partijen zijn, is 't niet meer dan billijk, dat de belangen van beiden overwogen worden; is 't niet, beste jongen?”
„Wat zou dat?” vroegMonks.
„Ik zeg, dat 't niet makkelijk was, hem het vak te leeren!” antwoordde de Jood, „hij was heel anders dan andere jongens in zulke omstandigheden.”
„Vervloekt! dat is zoo!” mompelde de man, „anders was hij al lang een dief geworden.”
„Ik had geen vat op hem,” ging de Jood met een ongerusten blik op het gezicht van den ander voort.„'t Drong niet tot hem door. Ik had niets om hem bang mee te maken en als we dat in 't begin niet hebben, is alle werk voor niets. Wat kon ik doen? Hem uitsturen met den Vos enCharley? Daar hadden we genoeg van; ik was bang voor ons allemaal.”
„Daar hadikniets mee te maken,” zeiMonks.
„Nee, nee! beste jongen!” viel de Jood weer in. „En ik heb er nou geen spijt van ook, want als dat niet gebeurd was, zou jij nooit je oog op den jongen hebben laten vallen en nooit tot de ontdekking zijn gekomen,dat hij 't was, dien je zocht. Nou! ik heb hem door de meid voor je terug gekregen en nou begintzijvoor hem in de bres te springen.”
„Draai die meid der hals om!” zeiMonksongeduldig.
„Ja, dat gaat moeielijk, beste vriend,” antwoordde de Jood met een glimlach, „en daarbij, zoo iets ligt niet op onzen weg, of ik zou 't één dezer dagen met plezier gedaan hebben. Ik weet best, hoe die meiden zijn,Monks. Zoo gauw de jongen hard begint te worden, geeft ze niet meer om hem dan om een stuk hout. Je wilt een dief van hem maken. Als hij leeft, kan ik van nu af een dief van hem maken en als—als—” zei de Jood, dichter naar den ander toeschuivend—„'t is niet waarschijnlijk hoor—maar als 't allemaal kwaad wil en hij is dood”—
„Dan is 't mijn schuld niet!” viel de ander met verschrikt gezicht in, terwijl hij den Jood met bevende handen bij den arm greep. „Denk daarom,Fagin, 't is mijn schuld niet. Alles behalve zijn dood, heb ik je van begin af aan gezegd. Ik wil geen bloed vergieten; 't komt altijd uit en je geweten plaagt er je om. Als hij dood is geschoten, is 't mijn schuld niet, hoor je? Hel en duivel! Wat is er in dit hol? Wat is dat?”
„Wat?” riep de Jood, terwijl hij opsprong en den lafaard met beide armen om het middel greep. „Waar?”
„Daar!” antwoordde de man, naar den muur starend. „Een schaduw! Ik zag de schaduw van een vrouw met een shawl en een muts; als een schim gleed ze over het behang.”
De Jood liet zijn greep los en ze snelden in wilde vaart de kamer uit. De kaars stond nog op dezelfde plaats en flikkerde in den tocht. Het licht deed hun niets zien als de verlaten trap en hun eigen bleeke gezichten. Ze luisterden scherp, doch diepe stilte heerschte in het gansche huis.
„'t Was verbeelding van je,” zei de Jood, terwijl hij de kaars opnam en zich tot den ander wendde.
„Ik kan er een eed op doen, dat ik 't gezien heb,” wierpMonksbevend tegen. „Toen ik de schaduw 't eerst zag stond ze gebogen en toen ik sprak, gleed ze weg.”
De Jood wierp een minachtenden blik op het bleeke gelaat van zijn metgezel; met de woorden dat de ander hem kon volgen, als hij er lust in had, daalde hij de trappen af. Ze keken in alle kamers; 't was er koud, hol en verlaten. Ze daalden in de gang en toen naar de kelders beneden. Tegen de lage muren kleefde groene schimmel; sporen van slakken glinsterden in het licht, maar alles was stil als het graf.
„Wat denk je wel?” zei de Jood, toen zij weer in de gang waren. „Behalve wij is er geen schepsel in het heele huis, uitgezonderdTobyen de jongens en die zitten veilig. Kijk maar!”
Ten bewijze dat hij de waarheid sprak, haalde de Jood twee sleutels uit zijn zak en legde uit hoe hij, den eersten keer toen hij naar beneden ging, om elke stoornis van hun beider onderhoud te voorkomen, de slapenden had opgesloten.
Deze overvloed van bewijzen brachtenMonksblijkbaar aan het wankelen. Terwijl zij hun onderzoek voortzetten, zonder iets te ontdekken, waren zijn beweringen langzamerhand àl minder heftig geworden; nu stootte hij een paar grimmige lachjes uit en erkende, dat het toch misschien alleen zijn verhitte verbeelding was geweest. Hij wees echter elke voortzetting van het gesprek voor dezen avond af met de plotselinge opmerking, dat het over éénen was. En zoo scheidde het beminnelijke paar.
Maakt de onbeleefdheid van een vroeger hoofdstuk weder goed, waarin een dame zonder eenige plichtpleging aan haar lot werd overgelaten.
Daar het een nederig schrijver volstrekt niet betaamt, zulk een gewichtig personage als een gemeentebode met zijn rug naar het vuur en de slippen van zijn jas onder zijn armen, zóó lang te laten wachten tot het hem behagen zal, den man de vrijheid te hergeven en daar het nog minder bij zijn positie of zijn gevoel voor galanterie past, op dezelfde wijze een dame te veronachtzamen, die door den bode met blikken vol teedere genegenheid was aangezien en in wier oor hij zoete woordjes had gefluisterd, die, nu ze uit dezen mond kwamen, het hart van welke maagd of vrouw ook in trilling zouden brengen, haast de geschiedschrijver, wiens pen deze woorden neerschrijft, zich—vertrouwend dat hij zijn plaats weet en dat hij met gepasten eerbied opziet naar diegenen op aarde aan wie een hooge en gewichtige waardigheid is toevertrouwd—haast hij zich, hun dien eerbied te betoonen, die hun positie vraagt en hen te behandelen met al de beleefdheid waarop hun verheven rang en (bij gevolg) hun verheven deugden, ongetwijfeld van zijn kant aanspraak maken. Tot dit doel lag het in zijn plan, hier een verhandeling in te lasschen over het goddelijk recht van gemeenteboden, en daarin onomstootbare bewijzen te leveren voor de stelling, dat een gemeentebode geen kwaad kan doen; ongetwijfeld zou zulk een verhandeling voor den welgeaarden lezer zoowel nuttig als aangenaam zijn geweest, doch bij gebrek aan tijd en plaatsruimte is de kroniekschrijver gedwongen, haar tot een meer geschikte gelegenheid uit te stellen. Komt diegelegenheid eenmaal, dan zal de kroniekschrijver zich er toe zetten, aan te toonen, dat een ware bode,—dat wil zeggen een Gemeentebode, verbonden aan een Gemeentelijk Armhuis en die door den aard van zijn ambt zijn zorgen ook tot de Gemeentelijke Kerk uitstrekt—dat zulk een man alleen al tengevolge van zijn ambt, gerekend kan worden alle uitstekende hoedanigheden en beste eigenschappen der menschheid te bezitten en dat geen bode van een of ander genootschap, of van een gerechtshof of zelfs van een hulpkerk (de laatste is mogelijk, maar dan in heel kleinen en minderwaardigen graad) ook maar de geringste aanspraak kan maken op één van deze uitstekende eigenschappen.
Mr.Bumblehad de theelepeltjes overgeteld, opnieuw het gewicht van de suikertang bepaald, de melkkan aan een nauwkeuriger onderzoek onderworpen en tot in de kleinste bijzonderheden den juisten toestand van de meubelen nagegaan, zelfs de paardenharen zittingen van de stoelen, en hij had dit proces wel zesmaal herhaald eer hij er over begon te denken, dat het tijd werd voor juffrouwCorneyom terug te komen. Denken wekt gedachten op en daar niets juffrouwCorney'sterugkomst aankondigde, kwam het inMr. Bumbleop, dat het een onschuldig en deugdzaam tijdverdrijf zou zijn, zijn nieuwsgierigheid verder te bevredigen door een onderzoekenden blik te werpen op den inhoud van juffrouwCorney'slâtafel.
Na eerst aan het sleutelgat geluisterd te hebben om zich ervan te overtuigen, dat er niemand aan kwam, begonMr. Bumblezich op de hoogte te stellen van den inhoud der drie breede laden; hij begon met de onderste. Deze laden lagen vol kleeren van goede stof en snit, zorgvuldig tusschen twee lagen courantenpapier en lavendel weggeborgen; 't onderzoek voldeed hem bijzonder.Toen hij na verloop van tijd aan de rechterhoeklade (waarin een sleutel stak) was gekomen en daarin een kistje, met een hangslot gesloten, ontdekte, dat, toen hij er aan schudde, een aangenaam geluid van klinkende munt gaf, keerdeMr. Bumblemet statigen pas naar den haard terug; hier nam hij zijn vroegere houding weer aan en zeide ernstig en vastbesloten: „Ik doe het!”
Na deze merkwaardige verklaring bleef hij tien minuten lang op een schalksche manier met zijn hoofd schudden alsof hij zichzelf ervan wilde overtuigen, dat hij nog een knappe kerel was en ten slotte beschouwde hij van ter zijde zijn beenen, klaarblijkelijk met veel belangstelling en voldoening.
Hij was nog rustig verdiept in deze laatste bezigheid, toen juffrouwCorneyde kamer kwam binnenstuiven en ademloos op een stoel bij den haard neerviel; ze bedekte haar oogen met de ééne hand, legde de andere op haar hart en hijgde naar adem.
„JuffrouwCorney,” zeiMr. Bumble, terwijl hij zich over de armmoeder heenboog, „wat is er, juffrouw? Is er iets gebeurd? Toe, geef antwoord; ik sta op.... op....”Mr. Bumblekon in zijn verwarring niet zoo gauw op het woord „heete kolen” komen, dus zei hij „op gebroken flesschen.”
„O,Mr. Bumble!” schreide de Moeder, „ik ben zoo vreeselijk geschrikt!”
„Geschrikt juffrouw!” riepMr. Bumble, „wie heeft 't gewaagd, u.... Ik weet 't al!” vielMr. Bumblezichzelf met zijn aangeboren waardigheid in de rede, „die gemeene schooiers hebben 't gedaan!”
„'t Is vreeselijk om aan te denken,” zei de dame huiverend.
„Denk er dannietaan, juffrouw,” zeiMr. Bumble.
„Ik kan 't niet laten!” teemde de dame.
„Neem dan eens iets, juffrouw,” raaddeMr. Bumblebedarend. „Een beetje van die wijn?”
„Voor niets ter wereld!” weerde juffrouwCorneyaf. „Ik zou niet kunnen.... o! Op de bovenste plank rechts.... o!”
Terwijl zij deze woorden uitstootte, scheen de goede vrouw klaarblijkelijk aan inwendige krampen ten prooi; met een vage handbeweging wees zij naar de kast.
Mr. Bumblesnelde naar de kast, greep een groen glazen flesch van de plank, die zij hem zoo vaag had aangeduid, schonk een theekopje vol met den inhoud van de flesch en hield het aan de lippen van de dame.
„Dat doet goed,” zei juffrouwCorney; zij leunde terug in haar stoel en dronk de helft van het kopje leeg.
Mr. Bumblesloeg zijn oogen met een vroom dankgebed naar de zoldering, toen sloeg hij ze weer neer in de richting van het kopje en hield het aan zijn neus.
„Pepermunt,” riep juffrouwCorneymet zwakke stem en lachte onder het spreken den bode vriendelijk toe. „Proeft u eens! Er is nog een bewijsje.... een bewijsje van iets anders in ook.”
Aarzelend proefdeMr. Bumblevan den medicijn, smakte met de lippen, nam nog een slokje en zette het kopje leeg neer.
„'t Is zeer versterkend,” zei juffrouwCorney.
„Dat geloof ik ook, juffrouw,” zei de bode.
Onder het spreken schoof hij een stoel naast de Moeder en vroeg op teederen toon, wat haar toch zoo had doen ontstellen.
„Niets,” antwoordde juffrouwCorney. „Ik ben een mal, gevoelig, zwak schepsel.”
„Zwak niet, juffrouw,” wierpMr. Bumbletegen en schoof zijn stoel nog een beetje dichter bij. „Bent u een zwak schepsel, juffrouwCorney?”
„We zijn allemaal zwakke schepsels,” zei juffrouwCorney, een algemeene waarheid uitsprekend.
„Dat zijn we,” zei de bode.
Gedurende een paar minuten werd door geen van beiden iets gezegd. Na verloop van dien tijd hadMr. Bumblede waarheid van deze gedachte gedemonstreerd door zijn linkerarm, die tot nu toe op de leuning van juffrouwCorney'sstoel had gerust, naar juffrouwCorney'sschorteband te brengen en hem langzamerhand dezelfde richting van dien band om haar middel te doen nemen.
„We zijn allemaal zwakke schepsels,” zeiMr. Bumble. JuffrouwCorneyzuchtte.
„Zucht niet, juffrouwCorney,” zeiMr. Bumble.
„Ik kan er niets aan doen,” zei juffrouwCorney. En zuchtte opnieuw.
„'t Is hier een heel prettige kamer, juffrouw,” zeiMr. Bumble, om zich heen kijkend. „Nog één kamer er bij, juffrouw, dat was alles wat men zich wenschen kon.”
„Dat zou te veel zijn voor één mensch,” murmelde de dame.
„Maar niet voor twee, juffrouw,” vielMr. Bumbleop teederen toon in. „Wel, juffrouwCorney?”
Toen de bode dit zeide, liet juffrouwCorneyhaar hoofd hangen en de bode liet het zijne hangen om juffrouwCorneyin 't gezicht te kunnen zien. JuffrouwCorneywendde met groote zedigheid haar gezicht af en trok haar hand terug om haar zakdoek te krijgen, maar onwillekeurig legde zij haar opnieuw in die vanMr. Bumble.
„U krijgt kolen van de Regenten, niet waar juffrouwCorney?” vroeg de bode met een teederen handdruk.
„En kaarsen,” antwoordde juffrouwCorney, terwijl zij den druk zachtjes teruggaf.
„Kolen, kaarsen en vrij wonen,” zeiMr. Bumble. „O, juffrouwCorney, wat bent u een engel!”
Tegen deze gevoelsuitbarsting was de dame niet bestand. Zij zonkMr. Bumblein de armen en in zijn ontroering drukte deze een hartstochtelijken zoen op haar kuische neusje.
„Het heerlijkste wat de Gemeente heeft!” riepMr. Bumblein vervoering uit. „Je weet toch, mijn engel, dat meneerSloutvanavond weer erger is?”
„Ja,” antwoordde juffrouwCorneyschuchter.
„Hij heeft geen week meer te leven, zegt de dokter,” gingMr. Bumblevoort. „Hij is de Vader van het Armhuis; door zijn dood komt die plaats open; daar moet iemand anders in komen. O! juffrouwCorney, wat een vooruitzicht! Wat een schoone gelegenheid om twee harten en twee huishoudens te vereenigen!”
JuffrouwCorneysnikte.
„Het kleine woordje?” vroegMr. Bumble, terwijl hij zich over de schuchtere schoone heenboog. „Het ééne kleine, kleine, kleine woordje, lieveCorney?”
„Ja-a-a....” zuchtte de matrone.
„Nog één,” ging de bode voort, „laat je teederheid me nog één ding zeggen.... Wanneer kan het gebeuren?”
Tweemaal trachtte juffrouwCorneyte spreken en tweemaal mislukte het. Eindelijk vatte zij al haar moed bij elkaar, sloeg haar armen omMr. Bumble'shals en zei, dat het zoo gauw kon gebeuren, als hij maar wou, en dat hij een „onweerstaanbare schat” was.
Toen de zaak aldus vriendschappelijk en tot beider genoegen geregeld was, werd het verbond plechtig bezegeld door een tweede kopje van de pepermunt-likeur; dat werd te meer noodzakelijk gemaakt door de ontroering van juffrouwCorney. Terwijl zij van den drank genoten, vertelde juffrouwCorneydat de oude vrouw gestorven was.
„Heel goed,” zeiMr. Bumble, zijnpepermunt-borreltjeslurpend, „als ik naar huis ga, zal ik bijSowerberryaanloopen en zeggen, dat hij morgen komt. Ben je daar zoo van geschrikt, lieverd?”
„'t Was niets bijzonders, schat,” zei de dame ontwijkend.
„Er moet toch iets geweest zijn, lieverd,” hieldMr. Bumbleaan. „Wil je 't je eigen B. niet vertellen?”
„Nu niet,” antwoordde de dame. „Op een anderen dag. Als we getrouwd zijn, schat.”
„Als we getrouwd zijn!” riepMr. Bumbleuit. „Eén van die schooier-kerels heeft 't toch niet gewaagd....”
„Nee, nee, schat!” viel de dame haastig in.
„Als ik dàt moest denken,” gingMr. Bumblevoort, „als ik moest denken, dat één van hen zijn gemeene oogen had durven opslaan naar dat lieve gezicht....”
„Dat zouden ze niet durven, schat....” viel de dame in.
„'t Is ze ook geraden!” zeiMr. Bumble, zijn vuist ballend. „Laat mij den man eens zien, uit onze Gemeente of er buiten, die dat zou durven wagen; ik kan hem verzekeren dat hij 't geen tweede keer zal doen!”
Wanneer dat gezegde niet opgeluisterd was geworden door heftige gebaren, zou het juist niet geklonken hebben als een compliment aan de bekoorlijkheden van de dame in kwestie; doch daarMr. Bumblede bedreiging vergezeld deed gaan van allerlei krijgshaftige gebaren, was zij zeer ontroerd door dit bewijs van zijn gehechtheid en betuigde, met groote bewondering, dat hij „een lieve duif” was.
De duif trok zijn jas aan en zette zijn steek op en na een lange, innige omhelzing met zijn toekomstige levensgezellin gewisseld te hebben, trotseerde hij opnieuw den kouden nachtwind; hij hield zich alleen een paar minuten in de mannenzaal op, om een beetje tegen de armen dáár te keer te gaan en zich er op die manier van te overtuigen, dat hij de post van Armhuisvader met de noodige strengheid zou weten te vervullen. In hetvolle bewustzijn van zijn waardigheid, verlietMr. Bumblehet Armhuis met een vroolijk hart en lichte visioenen van zijn toekomstige promotie; zijn geest hield zich hiermee bezig, tot hij het huis van den lijkbezorger bereikte.
Daar de heer en mejuffrouwSowerberryuit theedrinken waren enNoah Claypolenooit of te nimmer geneigd was tot meer lichamelijke inspanning, dan noodig is om de beide functies van eten en drinken naar behooren te vervullen, was de winkel niet gesloten, ofschoon het gewone sluitingsuur voorbij was.Mr. Bumbleklopte verscheidene malen met zijn stok op de toonbank, doch daar niemand antwoordde en hij licht zag schijnen door de ruit van het kleine kamertje achter den winkel, waagde hij het, daardoor naar binnen te gluren om te zien wat in de kamer voorviel en toen hij dit zag, was hij niet weinig verbaasd.
Er was gedekt voor het avondeten; op tafel stonden boterhammen, borden en glazen, een bierkruik en een wijnflesch. Aan het boveneinde van de tafel lagNoah Claypoleachteloos uitgestrekt in een leuningstoel, zijn beenen over één van de leuningen, een open knipmes in zijn ééne hand en een homp gesmeerd brood in de andere.
Vlak naast hem stondCharlotteuit een vaatje oesters open te maken;Mr. Claypolesloeg ze met verwonderlijke gulzigheid naar binnen. Een meer dan gewone roodheid in de streek van zijn neus en een soort starende blik van zijn rechteroog wezen er op, dat hij een klein beetje aangeschoten was; dit vermoeden werd versterkt door het groote genot waarmee hij blijkbaar de oesters tot zich nam en dat zijn oorzaak moest vinden in hun verkoelende werking bij inwendige verhitting.
„Hier is nog een heerlijke vette,Noah, schat!” zeiCharlotte, „proef eres; toe, deze ééne nog.”
„'n Heerlijk ding, zoo'n oester!” merkteMr. Claypoleop, toen hij de oester verslonden had. „Jammer, dat je, als je er al te veel van eet, zoo'n bezwaard gevoel krijgt, hèCharlotte?”
„Ja, dat is zonde en jammer,” zeiCharlotte.
„Dat is 't,” stemdeMr. Claypoletoe. „Houd jij niet van oesters!”
„Niet bijzonder,” antwoorddeCharlotte. „Ik zie ze liever jou eten,Noah, dan dat ik ze zelf eet.”
„Och!” zeiNoahpeinzend, „wat gek!”
„Neem er nog één,” zeiCharlotte. „Hier is er een met 'n prachtige, fijne baard!”
„Ik kan er geen meer naar binnen krijgen,” zeiNoah.„'t Spijt me genoeg. Kom hierCharlotte, dan krijg je een zoen.”
„Wat!” riepMr. Bumble, de kamer binnenstuivend. „Zeg dat nog eens!”
Charlottestootte een kreet uit en verborg haar gezicht in haar schort.Claypole, die niet verder van houding veranderde dan door zijn beenen op den grond te zetten, keek den bode in dronkenmansschrik aan.
„Zeg dat nog eens, gemeene, brutale slungel!” zeiMr. Bumble. „Hoe durf je zoo iets te noemen? En hoe durf jij hem aan te moedigen, slechte deern die je bent? Zoenen!” riepMr. Bumblein hevige verontwaardiging. „Foei! schaam je!”
„Ik wou 't niet doen,” zeiNoahop huilerigen toon. „Zij zoent mij altijd of ik 't wil of niet.”
„ONoah!” riepCharlotteverwijtend.
„Je doet 't, dat weet je ook wel!” herhaaldeNoah. „Ze doet altijd van die dingen, meneerBumble; dan strijkt ze me onder m'n kin, gerust meneer en haalt me op allerlei manieren an.”
„Stilte!” riepMr. Bumblestreng. „Ga naar beneden, meisje.Noah, jij gaat de winkel sluiten; pas op als je nog één woord zegt, eer je baas thuis komt en als hijthuiskomt, zeg dan dat meneerBumblemorgenochtend na 't ontbijt een doodkist voor een oude vrouw in 't Huis wil gezonden hebben. Hoor je? Zoenen!” riepMr. Bumble, met zijn handen in de hoogte. „De zonde en slechtheid van de lagere klassen in deze gemeente is verschrikkelijk. Wanneer het Parlement geen aandacht schenkt aan hun verschrikkelijke achteruitgang is ons land geruïneerd en gaat het volk geheel te gronde!”
Met deze woorden stapte de bode, trotsch en somber het huis van den lijkbezorger uit.
En nu wij hem zoover op zijn weg naar huis vergezeld en alle noodzakelijke voorbereidingen voor de begrafenis van de oude vrouw gemaakt hebben, laat ons nu eenige navraag beginnen naarOliver Twisten ons er van overtuigen, of hij nog in de greppel ligt, waarToby Crackithem achterliet.