„Goed,” zei de dokter. „Nu ik je hier zie,Giles, denk ik er weer aan, dat ik op den dag, voordat ik hier zoo haastig naar toe ging, op verzoek van je goede meesteres een kleine opdracht vervulde ten gunste van jou. Kom eens even hier in den hoek, wil je?”
Mr. Gilesstapte heel gewichtig, maar toch eenigszins verbaasd, naar den hoek en werd daar vereerd met een korte, gefluisterde mededeeling van den dokter, aan het slot waarvanGilesverscheidene buigingen maakte en met buitengewone statigheid de kamer uitstapte.
Over het onderwerp van dit gesprek werd in de kamer niet gesproken, maar de keuken was er spoedig over ingelicht, wantMr. Gilesging daar recht naar toe, riep om een kruikaleen vertelde in majestueuse houding, die veel indruk maakte, dat het zijne meesteres behaagd had, ingevolge zijn moedig gedrag bij gelegenheidvan de poging tot inbraak, ten zijnen voordeele de som van vijf-en-twintig pond op de spaarbank te zetten. Bij dit bericht hieven de beide vrouwelijke dienstboden handen en oogen ten hemel en merkten op, datMr. Gilesnu wel trotsch zou worden, waaropMr. Giles, zijn jabot rechttrekkend: „Neen, Neen” antwoordde, en dat hij haar zeer dankbaar zou zijn, wanneer zij, mocht hij zich trotsch toonen tegenover zijn minderen, hem daarop wilden wijzen. Daarna maakte hij nog vele andere opmerkingen, die niet minder zijn nederigheid in het licht stelden en die met dezelfde toejuiching en waardeering ontvangen werden; zij waren dan ook over het geheel even origineel en doeltreffend als de opmerkingen van groote mannen gewoonlijk zijn.
De verdere avond ging in de huiskamer opgewekt voorbij, want de dokter was vroolijk gestemd, en hoe vermoeid of afgetrokkenHarry Mayliein 't begin ook mocht zijn, hij was niet bestand tegen de opgeruimdheid van den dokter, die zich uitte in allerlei kwinkslagen en herinneringen uit zijn praktijk, en in grapjes, dieOliverhet koddigste toeschenen wat hij ooit gehoord had en waar hij dus schaterend om lachte, tot blijkbare voldoening van den dokter; deze lachte zelf hartelijk om zijn eigen grappen totdatHarry, door de macht der sympathie, bijna even hard meelachte. Zoo zaten zij zoo vroolijk bij elkaar, als in de gegeven omstandigheden maar mogelijk was en het was laat eer zij met lichte, dankbare harten uit elkaar gingen om de rust te zoeken, waaraan zij, na de spanning en onzekerheid der laatste dagen, groote behoefte hadden.
Oliverstond den volgenden morgen veel opgeruimder op en begon met veel meer plezier aan zijn gewone morgenbezigheden dan hij dagen lang gekend had. De vogels werden weer op hun oude plaatsje buiten gehangen om daar te zingen en de mooiste wilde bloemendie te vinden waren, werden weer geplukt, omRosemet hun schoonheid te verheugen. De droefheid, die in de oogen van den angstigen jongen de vorige dagen over alle voorwerpen, al waren ze nog zoo mooi, te hangen scheen, was nu als door betoovering weggevaagd. De dauw scheen helderder te schitteren op de groene bladeren, de lucht scheen vervuld van liefelijker muziek en de hemel zelf scheen blauwer en helderder. Zoo groot is de invloed, die onze eigen gedachten verleenen zelfs aan het uiterlijk van dingen buiten ons. Menschen, die de natuur en hunne medemenschen aanzien en roepen, dat alles donker en somber is, hebben gelijk, maar de sombere kleuren zijn de weerschijn van hun eigen kranke oogen en harten. De werkelijke kleuren zijn fijn, men heeft heldere oogen noodig om ze te zien.
We moeten hier opmerken enOlivermerkte het te zijner tijd eveneens op, dat deze morgentochten niet langer alleen werden gemaakt.Harry Maylielegde na den eersten morgen, toen hijOlivermet volle handen thuis zag komen, zulk een liefde voor bloemen aan den dag en zulk een goeden smaak om ze te schikken, dat hij hierin zijn jonger vriendje ver achter zich liet. Doch al wasOliverde mindere in dit opzicht, hij wist waar de beste bloemen te vinden waren en den éénen ochtend na den andere zwierven zij samen door den omtrek en brachten de mooiste bloemen, die bloeiden. Het raam vanRose'skamer stond nu open, want zij hield er van, de welige zomerlucht binnen te voelen stroomen en leefde op in de heerlijke frischheid ervan, maar juist binnen het kozijn stond één klein bouquetje in 't water, dat elken morgen met de grootste zorg verfrischt werd.Oliverkon niet nalaten op te merken, dat de verflenste bloemen nooit weggegooid werden, ofschoon het vaasje geregeld opnieuw werd gevuld; ook zag hij, dat de dokter, zoo dikwijls hij in den tuin kwam, vast en zeker zijn oogen naar dat bijzonderehoekje opsloeg en nadenkend met het hoofd knikte, terwijl hij zijn morgenwandeling voortzette. Intusschen vlogen de dagen voorbij enRosenam snel in beterschap toe.
De tijd vielOliverniet lang, al wasRosenog niet uit haar kamer geweest en al waren er geen avondwandelingen, behalve nu en dan een klein eindje met mevrouwMaylie. Hij legde zich met verdubbelden ijver toe op de lessen van den witharigen ouden heer en werkte zóó hard, dat zijn snelle vorderingen hemzelf verbaasden. Bij dit werk werd hij op zekeren dag hevig verschrikt en ontsteld door een onverwachte gebeurtenis.
Het kamertje, waar hij gewoonlijk zat als hij zijn lessen leerde, was gelijkvloers en lag aan den achterkant van het huis. Het was een echt tuinkamertje met een tralievenster, waaromheen jasmijn en kamperfoelie groeiden, waarvan de ranken om de tralies kropen en het vertrekje met hun heerlijken geur vulden.
Het zag uit in een tuin, die met een hekje naar een omheind grasveld voerde; in heel den omtrek waren frissche weilanden en bosschen. In die richting lag geen ander huis in de buurt en men had er een uitgestrekt vergezicht.
Op een mooien avond, toen de eerste schaduwen der schemering op de aarde nederdaalden, zatOlivervóór dit raam, ingespannen bezig met zijn boeken. Een tijd lang had hij zich in zijn boek verdiept en daar de dag drukkend warm was geweest en hij zich nogal had ingespannen, ligt er geen minachting in voor den schrijver van dat boek, wie het ook zij, wanneer ik zeg, datOliverlangzamerhand in slaap viel.
„ST.... VRIEND! MEENDE HIJ TE HOOREN ZEGGEN.... HIJ IS 'T STELLIG.”„ST.... VRIEND! MEENDE HIJ TE HOOREN ZEGGEN.... HIJ IS 'T STELLIG.”
„ST.... VRIEND! MEENDE HIJ TE HOOREN ZEGGEN.... HIJ IS 'T STELLIG.”
Soms besluipt ons een soort van slaap, die het lichaam gevangen houdt, doch den geest zich bewust laat blijven van de dingen om hem heen en hem vrij laat, rond te dwalen, waarheen hij lust heeft. In zoover drukkende loomheid, volslagen gebrek aan kracht en onmacht onzegedachten te controleeren of ons te bewegen, slaap genoemd kunnen worden, dan is dit slaap en toch hebben wij besef van alles, wat om ons heen voorvalt. Wanneer wij op zulk een oogenblik droomen, vereenzelvigen zich woorden, die werkelijk gesproken worden, of klanken, die werkelijk bestaan, met verrassende vlugheid met onze droom-visioenen, totdat werkelijkheid en verbeelding zoo vreemd dooreengemengd zijn, dat het naderhand bijna onmogelijk is, ze van elkaar te scheiden. Doch dit, een treffend wonder, is volstrekt niet alleen aan zulk een droomtoestand eigen. Het is een onbetwistbaar feit, dat, ofschoon onze gevoels- en gezichtszinnen voor het oogenblik dood zijn, toch de gedachten van onzen slaap en de droomtafereelen, die wij zien, den daadwerkelijken invloed ondervinden, zelfs vande zwijgende tegenwoordigheidvan een of ander voorwerp buiten ons, dat misschien niet bij ons was, toen wij onze oogen sloten en van welks nabijheid wij bij ons wakker zijn niet wisten.Oliverwist heel goed, dat hij in zijn eigen kamertje zat, dat zijn boeken vóór hem op tafel lagen, dat de geurige buitenlucht van buiten door de slingerplanten heen binnenstroomde. En toch sliep hij. Plotseling veranderde het tooneel, de lucht werd benauwd en drukkend en hij ontdekte met een gevoel van ontzetting, dat hij weer in het huis van den Jood was. Daar zat de afschuwelijke oude man in zijn gewone hoekje en wees naar hem, met afgewend gezicht fluisterde hij een anderen man, die naast hem zat, iets in.
„St..... vriend!” meende hij den Jood te hooren zeggen, „hij is 't, stellig. Kom mee.”
„Hij!” scheen de andere man te antwoorden, „denk je, dat ik me in hem vergissen kan? Al had een stoet spoken ook allemaal zijn gedaante aangenomen en hij stond er tusschen, dan zou toch iets me zeggen, hoe ik hem er uit zou vinden. Al begroef je hem vijftig voetdiep en je bracht mij bij het graf, dan zou ik toch, geloof ik, weten, dat hij er onder lag, al stond er geen teeken op!”
De man scheen dit met zoo'n vreeselijken haat te zeggen, datOlivervan angst wakker werd en opsprong.
God! wat was dat, dat het bloed naar zijn hart terugdreef en hem buiten staat deed zijn te schreeuwen of zich te verroeren? Daar—daar—vóór het raam, vlak vóór hem—zóó vlak bij, dat hij hem bijna had kunnen aanraken eer hij terugdeinsde, met zijn oogen de kamer inglurend en de zijne ontmoetend, daar stond de Jood! En naast hem, wit van woede of angst of van beide, zagOliverde norsche trekken van denzelfden man, die in de herberg tegen hem was aangebotst. Het was maar een oogwenk, een flits, en weg waren zij! Maar zij hadden hem herkend en hij hen en hunne gezichten waren zoo vast in zijn geheugen geprent, alsof zij diep in steen gegriffeld waren en hij ze zóó van zijn geboorte af vóór zich had gehad. Een oogenblik stond hij als vastgenageld aan den grond; toen sprong hij uit het raam in den tuin en schreeuwde luidkeels om hulp.
Verhaalt den onbevredigenden afloop vanOliver'savontuur en een niet onbelangrijk gesprek tusschenHarry MaylieenRose.
Toen de bewoners van het huis opOliver'skreten haastig naar de plek kwamen loopen vanwaar ze weerklonken, vonden zij hem bleek en opgewonden wijzen naar de weiden achter het huis, terwijl hij nauwelijks in staat was de woorden duidelijk uit te brengen. „De Jood! De Jood!”
Mr. Gilesbegreep in 't geheel niet, wat die kreet beduidde, maarHarry Maylie, die vlugger van begrip wasenOliver'sgeschiedenis van zijn moeder gehoord had, begreep het terstond.
„Welken kant is hij uitgegaan?” vroeg hij en nam een dikken stok, die in een hoek stond.
„Die!” antwoorddeOliveren wees in de richting, die de man genomen had. „Ze waren dadelijk uit 't gezicht.”
„Dan zijn ze in de greppel!” zeiHarry. „Kom mee! En blijf zoo dicht bij me als je kunt.” Met deze woorden sprong hij over de heg en holde weg met een vlugheid, die het voor de anderen heel moeielijk maakte, hem bij te houden.
Gilesvolgde zoo goed hij kon enOlivervolgde ook, en een paar minuten later tuimelde dokterLosberne, die juist van een wandeling terugkwam, achter hen aan over de heg; en vlugger opspringend dan men van hem zou verwachten, nam hij met niet weinig snelheid deel aan den loop, steeds zoo hard mogelijk schreeuwend om te weten wat er toch was.
Voort holden ze allemaal; ze stonden niet stil om adem te halen tot de voorman, in een hoek van het weiland, datOliverhad aangewezen, nauwkeurig de greppel en de heg er naast begon te doorzoeken, wat den overigen gelegenheid gaf, hem in te halen, en aanOliverom dokterLosbernete vertellen, wat aanleiding tot die verwoede vervolging had gegeven.
Al hun zoeken was tevergeefs. Zelfs geen versche sporen van voetstappen waren te zien. Ze stonden nu op den top van een heuveltje, vanwaar men den omtrek in elke richting drie of vier mijlen ver kon overzien. Links in de diepte lag het dorp; maar om daar te komen, na in de richting gegaan te zijn, dieOliveraanwees, moesten de mannen over een open stuk grond gegaan zijn, wat zij onmogelijk in zoo'n korten tijd hadden kunnen doen. In andere richting werd het weiland omzoomd door eendicht bosch, maar deze schuilplaats konden zij om dezelfde reden nog niet bereikt hebben.
„Je moet gedroomd hebben,Oliver,” zeiHarry.
„Neen, heusch niet, mijnheer,” antwoorddeOliver, huiverend bij de enkele herinnering aan het gezicht van den ouden schurk,„daarvoor heb ik hem te duidelijk gezien. Ik zag ze allebei, even duidelijk als ik u nu zie.”
„Wie was de ander?” vroegenHarryen de dokter tegelijk.
„Dezelfde man waar ik u van vertelde, die in de herberg tegen me aanliep,” zeiOliver. „We keken elkaar vlak in 't gezicht en ik kan er op zweren, dat hij 't was.”
„Zijn ze dezen kant uitgegaan?” vroegHarry, „weet je 't zeker?”
„Even zeker, als dat de mannen voor het raam stonden,” antwoorddeOliveren wees onder het spreken naar de heg, die den tuin van het weiland scheidde. „De lange man sprong er dáár overheen; de Jood liep een paar stappen naar rechts en kroop door dat gat.”
De beide heeren zagen, hoe ernstigOliver'sgezicht stond onder het spreken en terwijl zij beurtelings hem en elkander aankeken, waren zij blijkbaar voldaan over de nauwkeurigheid, waarmee hij vertelde. Toch, in geen enkele richting waren indrukken van voetstappen te vinden, alsof mannen haastig waren weggevlucht. Het gras stond hoog, doch het was nergens platgetrapt, behalve waar hun eigen voeten er overheen waren gegaan.
De kanten der slooten waren van vochtige klei, maar nergens konden zij den indruk van mannenschoenen ontdekken of het geringste teeken, dat er op wees, hoe hier in de laatste uren de grond door eenigen voet betreden was.
„'t Is vreemd,” zeiHarry.
„Vreemd?” herhaalde de dokter. „Hier zoudenBlathersenDuffzelfs geen raad op weten.”
Ofschoon hun zoeken blijkbaar zonder resultaat was, gaven zij het niet op, eer het vallen van den avond verdere pogingen onmogelijk maakte en zelfs toen gaven zij het slechts met tegenzin op.Gileswerd naar de verschillende bierhuizen in het dorp gezonden, gewapend met de nauwkeurigste beschrijving, dieOlivervan uiterlijk en kleeding der vreemdelingen kon geven. Van hen beiden was ten minste de Jood wel zoo bijzonder, dat hij opgemerkt zou zijn, wanneer hij iets was komen drinken of door het dorp had geloopen, maarGileskwam met geen enkel bericht terug, dat het geheim kon oplossen of zelfs maar minder geheimzinnig maken.
Den volgenden dag werd er opnieuw gezocht en opnieuw nagevraagd, maar met geen beter resultaat. Den daarop volgenden dag gingenOliveren de heerMaylienaar het stadje in de buurt, in de hoop daar iets van den man te zien of te hooren; maar ook deze poging was vruchteloos. Na enkele dagen raakte de zaak in het vergeetboek, zooals de meeste zaken, wanneer de nieuwsgierigheid, bij gebrek aan nieuw voedsel, vanzelf sterft.
Intusschen namRosesnel in beterschap toe. Ze mocht van haar kamer komen, kon uitgaan en bracht, toen zij weer in den familiekring kwam, vreugde in aller harten.
Maar, ofschoon deze gelukkige verandering blijkbaar op den kleinen kring inwerkte en ofschoon vroolijke stemmen en blij gelach weer in het landhuis gehoord werden, scheen er nu en dan een vreemde terughoudendheid te heerschen tusschen enkelen uit den kleinen kring—waarin ookRosebetrokken was en dieOliverniet ontging. MevrouwMaylieen haar zoon sloten zich dikwijls langen tijd te zamen op en meer dan eens verscheenRosemet sporen van tranen op haar gezicht.
Nadat dokterLosberneeen dag had vastgesteld voor zijn vertrek naarChertsey, namen deze symptomentoe en het werd duidelijk, dat er iets gaande was, dat de rust van het jonge meisje bedreigde en nog van iemand anders ook.
Eindelijk, op een morgen, toenRosealleen in de ontbijtkamer was, kwamHarry Mayliebinnen en vroeg na eenige aarzeling verlof, haar een oogenblik te spreken. „Eén oogenblik—even maar—Rose, dat is genoeg,” zei de jonge man en trok zijn stoel naast den hare. „Wat ik te zeggen heb, kan je niet onbekend zijn; je kent de liefste wenschen van mijn hart, al heb je ze nog niet van mijn lippen gehoord.”
Rosewas, dadelijk toen hij binnenkwam, heel bleek geworden, maar dit kon het gevolg zijn van haar ziekte. Zij boog alleen, en wachtte, terwijl zij zich over de planten voor het raam heenboog, zwijgend tot hij voort zou gaan.
„Ik—ik—had hier al eer vandaan moeten gaan,” zeideHarry.
„Dat had je zeker,” antwoorddeRose. „Vergeef me, dat ik het zeg, maar ik wou, dat je 't gedaan had.”
„Ik kwam hier in de vreeselijkste en meest folterende angst, die er bestaat,” zei de jonge man, „de angst, het eenige dierbare wezen te verliezen, op wie al mijn verlangens en wenschen zijn gevestigd. Je was den dood nabij, zwevend tusschen hemel en aarde. Wij weten, dat, als wat jong is en schoon en goed, bezocht wordt door ziekte, de reine ziel zich als vanzelf keert naar het blijde tehuis van eeuwige rust; wij weten, dat de besten en edelsten van ons geslacht maar al te dikwijls in den bloei verwelken.”
Toen deze woorden werden gesproken, sprongen tranen in de oogen van het teere meisje en toen een traan op de bloem viel waar zij zich overheen boog en helder bleef glinsteren in de kelk, waardoor de bloem nog mooier werd, toen scheen het, alsof, wat zoo natuurlijk opweldeuit haar lieve jonge ziel, zich verwant voelde aan de liefelijkste dingen der natuur.
„Een wezen,” ging de jonge man hartstochtelijk voort, „een wezen, even schoon en schuldeloos als een van God's engelen, zweefde tusschen leven en dood. O! wie durfde hopen, dat zij terug zou keeren tot de smart en moeite van deze wereld, wanneer die andere verre wereld, waartoe zij behoorde, zich reeds half opende voor haar blik!Rose, Rose! te moeten denken, dat je heen zoudt gaan als een zachte schaduw, door een licht van boven op de aarde geworpen; geen hoop te hebben, dat je gespaard zoudt worden voor hen, die hier vertoeven; nauwelijks een reden te weten, waarom dit zou gebeuren; te weten, dat je behoorde in die schitterende sfeer, waarheen zoo velen van de schoonste en de beste reeds vroeg hunne vlucht hebben genomen en toch te midden van al die troostgronden te bidden, dat je behouden mocht blijven voor hen, die je liefhadden—dit was een tweestrijd, bijna te zwaar om te dragen. Daar leed ik onder bij dag en bij nacht en daarbij kwam zulk een overweldigende stroom van angsten, vermoedens en zelfzuchtig verdriet, wanneer je zoudt sterven en nooit zoudt weten, hoe innig ik je liefhad, dat verstand en bewustzijn bijna bezweken onder den last ervan. Je werd beter. Elken dag, ja, bijna elk uur, kwam je gezondheid als bij druppels terug, die den zwakken, loomvlietenden levensstroom in je weer aandreven tot een krachtigen, ruischenden vloed.
Met oogen, bijna blind door verlangen en diepe gehechtheid, heb ik gezien, hoe je als van den dood tot het leven terugkwam. Zeg niet, hoe je wenschte, dat ik dit niet had bijgewoond; het heeft mijn hart verzacht jegens de geheele menschheid.”
„Dat bedoelde ik niet,” zeiRoseschreiend, „ik wou alleen, dat je hier vandaan was gegaan om je weer aanje hooge en edele streven te wijden; een streven dat je waardig is.”
„Er is geen doel meer waard nagejaagd te worden door mij, of door de edelste natuur die bestaat, dan het winnen van zulk een hart als het jouwe,” zei de jonge man, terwijl hij haar hand nam. „Rose, mijn eigen, lieveRose! Jaren lang—jaren lang—heb ik je liefgehad; ik hoopte beroemd te worden en dan vol trots thuis te komen en jou te zeggen, dat ik alleen roem begeerd had om jou er in te laten deelen; in mijn wakend droomen stelde ik mij voor, hoe ik je in dat gelukkige oogenblik al de stille teekens die ik gegeven had van mijn jongensgenegenheid in herinnering zou brengen; hoe ik je hand zou nemen als de vervulling van een oud zwijgend gesloten verbond, dat tusschen ons bezegeld was! Die tijd is niet gekomen; maar nu zonder roem en zonder dat één van mijn jeugd-illusies nog verwezenlijkt werd, bied ik je het hart aan, dat al zoo lang van jou was en zet al mijn geluk op de woorden, waarmee jij het aanbod zult aanvaarden.”
„Je bent altijd vriendelijk en goed voor mij geweest,” zeideRose, terwijl zij trachtte haar ontroering te onderdrukken. „Je weet, dat ik niet ongevoelig ben of ondankbaar; hoor dan mijn antwoord.”
„Het is, dat ik mag trachten je te verdienen, nietwaarRose?”
„Het is,” antwoorddeRose, „dat je moet trachten mij te vergeten; niet als je oude trouwe speelmakkertje, want dat zou mij pijn doen; maar alleen als het voorwerp van je liefde. Kijk om je heen en denk er eens aan, hoeveel harten er in de wereld te winnen zijn, waarop je trotsch kunt wezen. Vertrouw mij toe, dat je een ander lief hebt als je wilt en ik zal de meest oprechte, warmste en trouwste vriendin voor je zijn.”
Er volgde een stilte, gedurende welkeRose, die haargezicht in haar ééne hand verborgen had, den vrijen loop liet aan haar tranen.Harryhield nog altijd de andere vast.
„En je redenen,Rose?” vroeg hij eindelijk met zachte stem, „je redenen voor deze beslissing?”
„Je hebt 't recht ze te kennen,” gafRosetoe. „Je kunt niets zeggen, dat verandering brengt in mijn besluit. Het is een plicht, dien ik moet volbrengen. Dat ben ik niet alleen aan anderen, maar ook aan mijzelf verplicht.”
„Aan jezelf?”
„JaHarry. Ik ben aan mijzelve verplicht, dat ik als meisje zonder vrienden en zonder huwelijksgift, met een smet op mijn naam, aan jouw vrienden geen reden geef, te vermoeden, dat ik zoo laag zou zijn gebruik te maken van je verliefdheid om als een last op al je verwachtingen voor de toekomst te drukken. Ik ben aan jou en je familie verplicht, te beletten, dat je, in de warmte van je edelmoedige natuur, deze groote hinderpaal zoudt plaatsen op je weg om in de wereld vooruit te komen.”
„Als je neigingen overeenkomen met je plichtsbesef—” begonHarry.
„Dat doen zij niet,” vielRosein met donkeren blos.
„Dus je beantwoordt mijn liefde?” vroegHarry. „Zeg dat alleen maar, lieveRose; zeg dat alleen en verzacht de bitterheid van deze wreede teleurstelling!”
„Als ik 't had kunnen doen zonder den man, dien ik liefheb, groot onrecht aan te doen,” hernamRose, „dan zou ik—”
„Mijn liefdesbetuiging heel anders hebben beantwoord?” zeiHarry. „Verzwijg dat ten minste niet voor mij,Rose.”
„Dat is zoo,” zeideRose. „Maar,” voegde zij erbij, terwijl zij hare hand losmaakte, „waarom zouden wij dit pijnlijke gesprek voortzetten? Heel pijnlijk voor mij en toch laat het iets gelukkigs na, want het zal gelukkigzijn, te weten, dat ik in jouw hart eens de hooge plaats innam, die ik daar nu heb en elke overwinning, die je in je leven behaalt, zal mij met nieuwe kracht ennieuwenmoed vervullen. VaarwelHarry! Zooals vandaag zullen we elkaar niet meer ontmoeten, maar in een andere verhouding dan die waarin dit gesprek ons had kunnen brengen, zullen wij lang en gelukkig verbonden zijn; mogen alle zegeningen, die een trouw en oprecht hart af kan smeeken van de bron van alle waarheid en oprechtheid, je gelukkig maken!”
„Nog één woord,Rose,” zeideHarry. „Laat mij de reden in je eigen woorden hooren. Van je eigen lippen—toe!”
„Je hebt een schitterende toekomst voor je,” antwoorddeRoseop vasten toon. „Al de eereplaatsen, waarop groote talenten en machtige connecties een man in het openbare leven kunnen brengen, staan voor je open. Maar die connecties zijn trotsch; ik zou niet in aanraking willen komen met menschen, die smalen op de moeder, welke mij het leven schonk en evenmin oneer of tegenslag brengen over den zoon van haar, die zoo goed de plaats van die moeder bij mij vervuld heeft. In één woord,” zei het meisje en wendde haar gezicht af, daar zij voelde hoe de tijdelijke moed haar ging begeven, „er rust een vlek op mijn naam, waarvoor de wereld een onschuldige boeten laat. Ik zal er geen ander mede bevlekken en het verwijt zal alleen mij treffen.”
„Nog één woord,Rose. LiefsteRose, nog één!” riepHarryen wierp zich voor haar op de knieën. „Als ik minder—mindergelukkigwas geweest, zou de wereld zeggen—als mijn bestemming een effen, eenvoudig leven was geweest—als ik ziek, arm, ongelukkig was geweest, zou je je dan van mij afgewend hebben? Of komt deze overweging daaruit voort, dat ik misschien aanspraak zal mogen maken op eer en rijkdom?”
„Dwing mij niet, te antwoorden,” zeiRose. „Die vraagkomt niet ter sprake en zal nooit ter sprake komen. 't Is niet mooi, ja bijna hard, ze uit te spreken.”
„Als je antwoord zijn zou, wat ik bijna durf hopen, dat het is,” hernamHarry, „zal dit een straal van geluk werpen op mijn eenzamen weg en mijn pad verlichten. Het is geen nietig iets, door een paar woorden zooveel te doen voor iemand, die je boven alles liefheeft. ORose! in naam van mijn vurige, en onwankelbare liefde, in naam van al wat ik geleden heb om jou en al het lijden, dat je mij nog oplegt, antwoord op die ééne vraag!”
„Nu dan. Als het lot je een andere bestemming had gegeven,” sprakRose, „zelfs als je een weinig maar niet zoo ver boven mij had gestaan; als ik een hulp en troost voor je had kunnen zijn in een nederig leven van vrede en eenvoud, en niet hoefde te vreezen door een eerzuchtige en voorname menigte als een last en een hinderpaal beschouwd te worden, dan zou deze beproeving mij bespaard zijn. Ik heb nu alle reden om heel, heel gelukkig te zijn, maar ik erkenHarry, dat ik dan gelukkiger geweest zou zijn.”
TerwijlRosedeze bekentenis deed, woelden door haar hoofd tal van herinneringen aan vroegere verwachtingen, die zij als kind gekoesterd had; maar zij voerden tranen mee, zooals oude verwachtingen doen wanneer zij vernietigd zijn en deze tranen gaven haar verlichting.
„Ik kan niet helpen, dat ik zoo zwak ben, maar 't maakt mijn besluit des te vaster,” zeiRose, hem haar hand toestekend. „Ik moet nu werkelijk heengaan.”
„Ik vraag één belofte,” zeiHarry. „Eens, en niet meer dan eens—zeg over een jaar, maar 't kan veel eer zijn—mag ik nog over dit onderwerp met je spreken en dan voor de laatste maal?”
„Maar niet om te trachten mijn besluit te veranderen,” antwoorddeRosemet een droeven glimlach, „dat zal tevergeefs zijn.”
„Neen,” zeiHarry, „om het je te hooren herhalen, als je wilt, voor 't laatst herhalen! Ik zal aan je voeten leggen, welke plaats of welk fortuin ik ook bezit en als je nog vasthoudt aan je tegenwoordige besluit, zal ik dit door woord noch daad trachten te veranderen.”
„Dan is 't goed,” zeideRose, „'t zal nog maar eens pijn doen en tegen dien tijd zal ik beter in staat zijn die te verdragen.”
Zij stak opnieuw haar hand uit. Maar de jonge man trok haar aan zijn hart, drukte een kus op haar blanke voorhoofd en haastte zich de kamer uit.
Is heel kort en schijnbaar zonder belang; maar ondanks dat moet het toch gelezen worden als vervolg op het vorige en als een sleutel tot een ander, dat volgen zal, wanneer de tijd ervoor gekomen is.
„En dus ben je besloten van morgen mijn reisgezel te zijn, hé?” vroeg de dokter, toenHarry Mayliebij hem enOliveraan de ontbijttafel kwam. „Jij blijft ook geen twee halve uren na elkaar bij hetzelfde plan!”
„U zult er dezer dagen wel anders over oordeelen,” zeideHarryen kleurde zonder eenige naspeurlijke reden.
„Ik hoop, dat ik er reden voor zal hebben,” antwoordde de dokter, „ofschoon ik bekennen moet, dat ik 't niet geloof. Gisterenmorgen nog was je plotseling besloten, hier te blijven en als een gehoorzame zoon met je moeder mee naar de zeekust te gaan. Eer het middag was, verkondig je, dat je mij de eer zult aandoen mij zoover als ik ga te vergezellen op je weg naar Londen. 's Avonds dring je, heel geheimzinnig, bij mij aan, op reis te gaan eer de dames op zijn; waarvan het gevolg is, datOliverhier aan 't ontbijt zit, terwijl hij in de weilanden behoorde te dwalen om botanische wonderen van allerlei soort op te zoeken. 't Is al te erg, wat zeg jij,Oliver?”
„'t Zou mij erg gespeten hebben, niet thuis te zijn als u en mijnheerMaylieweggaan,” antwoorddeOliver.
„Jij bent een aardige jongen,” zei de dokter, „als je weer inChertseybent, moet je mij eens komen opzoeken. Maar in ernstHarry, heeft een of ander bericht van de groote hansen je in eens zoo doen verlangen om weg te gaan?”
„De groote hansen,” antwoorddeHarry, „onder welke benaming ik vermoed dat u mijn zeer waarde oom bedoelt, hebben me heelemaal geen bericht gezonden, sinds ik hier ben; ook is het in dezen tijd van 't jaar niet waarschijnlijk dat iets mijn onmiddellijke verschijning bij hen noodzakelijk zou maken.”
„Wel,” zei de dokter, „jij bent een gekke jongen. Maar natuurlijk brengen ze je bij de verkiezing nog vóór Kerstmis in het Parlement en deze plotselinge wisselingen en veranderingen zijn geen slechte voorbereiding in de politiek. Er is iets voor te zeggen. Goed getrained te zijn is altijd aan te bevelen, of de wedstrijd om een positie, een eerebeker of een wedrenprijs gaat.”
Harry Mayliezette een gezicht, alsof hij dit korte gesprek kon doen volgen door één of twee opmerkingen, die den dokter niet weinig versteld zouden doen staan, maar hij vergenoegde er zich mee, te zeggen: „We zullen wel zien” en ging niet verder op het onderwerp door. Kort daarop reed de postsjees voor de deur.Gileskwam de bagage halen en de dokter holde naar buiten om te zien of alles er wel was.
„Oliver,” zeideHarry Mayliemet zachte stem, „ik wou graag een woordje met je spreken.”
Oliverging naar de breede vensterbank, waarheenHarryhem wenkte; heel verbaasd toen hij opmerkte hoe de jonge man tegelijk bedroefd en opgewonden scheen.
„Je kunt nu toch goed schrijven?” vroegHarryen legde zijn hand opOliver'sarm.
„Ik hoop 't, mijnheer,” antwoorddeOliver.
„Ik kom misschien in langen tijd niet weer thuis; ik wou graag, dat je mij schreef—laten we zeggen eens in de veertien dagen om den anderen maandag—naar het Algemeene Postkantoor in Londen. Wil je?”
„O! zeker mijnheer, ik zal er trotsch op zijn, dat ik 't doen mag,” riepOliveruit, erg vereerd met de opdracht.
„Ik wou graag weten, hoe mijn moeder en juffrouwMayliehet maken,” zei de jonge man, „en dan mag je ook een velletje volschrijven met te vertellen, welke wandelingen je doet en waar je over praat en of zij—mijn moeder enMiss Mayliemeen ik—gelukkig en vroolijk zijn. Begrijp je me?”
„O, ja mijnheer, best,” antwoorddeOliver.
„Ik wou liever, dat je er met haarzelve niet over sprak,” zeiHarryhaastig, „omdat moeder dan misschien ook meer aan mij zou willen schrijven en 't is zoo'n moeite voor haar. Laat het een geheim zijn tusschen jou en mij en denk er om, dat je alles schrijft! Ik reken op je.”
Oliver, die zich heel vereerd en gewichtig voelde, nu hem zoo iets belangrijks opgedragen werd, beloofde het geheim te bewaren en uitvoerig te zijn in zijn berichten. MijnheerMaylienam afscheid van hem met allerlei verzekeringen van zijn genegenheid en bescherming.
De dokter zat in de postkoets,Giles(die achter zou blijven) hield de deur open en de dienstmeisjes stonden in den tuin te kijken.Harrywierp één vluchtigen blik op het tralievenster en sprong in het rijtuig.
„Vooruit!” riep hij,„vlug, snel, in galop! Niets dat niet hard vliegt, zal mij vandaag bijhouden. Hoor je?”
„Hallo!” riep de dokter, terwijl hij haastig het voorraampje neerliet en den postiljon toeschreeuwde: „mij kaniets, dat heel langzaam vliegt, wel bijhouden. Hoor je?”
Ratelend en rammelend, tot de afstand het geluid onhoorbaar maakte en alleen het oog den snellen gang nog waar kon nemen, zocht het voertuig zijn weg langs den weg, bijna verborgen in een stofwolk, nu eens gansch verdwenen en dan weer zichtbaar, al naar de voorwerpen of de bochten van den weg het toelieten. Eerst toen de stofwolk niet meer te zien was, verspreidden de toeschouwers zich.
Er was één toeschouwster, die nog lang, nadat het rijtuig mijlen ver weg was, haar oogen gericht hield op de plek, waar het was verdwenen; want achter het witte gordijn, dat haar, toenHarrynaar het raam opkeek, verborgen had, zatRose.
„Hij schijnt vroolijk en gelukkig,” zeide zij eindelijk. „Ik vreesde, dat hij anders zou zijn. Ik vergiste me. Daar ben ik heel, heel blij om.”
Tranen kunnen zoowel verdriet als blijdschap uitdrukken, maar de tranen, die langsRose'sgezicht vloeiden, terwijl zij peinzend voor het raam zat en altijd in dezelfde richting staarde, schenen meer van verdriet dan van vreugde te spreken.
Waarin de lezer een tegenstelling zal opmerken, niet ongewoon in huwelijksaangelegenheden.
Mr. Bumblezat in zijn huiskamer in het Armhuis; zijn oogen rustten met een verdrietige uitdrukking op den somberen schoorsteen, die,—koud en glimmend—nu, in den zomer, geen blijder glans uitstraalde dan den weerschijn van enkele flauwe zonnestralen. Van den zolder hing een papieren vliegenvanger af, waarheen hij nu en dan zijn oogen nadenkend opsloeg; als de argelooze insectenom het lokkende traliewerk heenvlogen, slaakteMr. Bumbleeen diepen zucht, terwijl een nog somberder schaduw over zijn trekken gleed.Mr. Bumblepeinsde; mogelijk brachten de insecten hem een of ander pijnlijk voorval uit zijn eigen leven in herinnering.
De somberheid vanMr. Bumblewas niet het eenige, dat in het hart van den toeschouwer een weldoend gevoel van medelijden op kon wekken. Er waren nog andere verschijnselen, zeer nauw verbonden met zijn eigen persoon, die er op wezen, dat een groote verandering in zijn omstandigheden had plaats gegrepen. De gegalonneerde jas en de driekante steek, waar waren zij? Nog droeg hij een korte broek en donker katoenen kousen, maar het was dezelfde broek niet meer. Zijn jas had wijde panden en leek in dat opzicht op de vroegere jas, maar o, hoe anders was zij toch! De indrukwekkende steek was vervangen door een eenvoudigen ronden hoed.Mr. Bumblewas geen gemeentebode meer.
Er zijn ambten in het leven, die, behalve het materiëele voordeel, dat zij bieden, nog een bijzondere waarde en waardigheid ontleenen aan de jassen en vesten, die er mee verbonden zijn. Een veldmaarschalk heeft zijn uniform, een bisschop zijn zijden talaar, een raadsheer zijn zijden toga, een gemeentebode zijn driekanten steek. Neem den bisschop zijn talaar af, den bode zijn steek en galon en wat schiet er over? Een man. Niets dan een man. Waardigheid, heiligheid zelfs, hangen meer samen met jassen en vesten dan vele menschen denken.
Mr. Bumblehad juffrouwCorneygetrouwd en was vader van het Armhuis geworden. De macht was op een anderen gemeentebode overgegaan. Op hem waren de driekante steek, de jas met goudgalon en de stok alle drie overgegaan.
„En morgen wordt het twee maanden!” zei Mr.Bumblemet een zucht. „'t Lijkt een eeuwigheid.”
Mr. Bumblebedoelde wellicht, dat hij een heel menschenleven van geluk in het korte tijdsverloop van acht weken genoten had; maar de zucht—die was zoo veelbeteekenend.
„Ik heb mezelf verkocht,” zeideMr. Bumble, zijn gedachtenloop vervolgend, „voor zes theelepeltjes, een suikertang en een melkkan, met een zoodjetweedehands meubelsen twintig pond in geld. 't Is een prijsje. Goedkoop, vervloekt goedkoop!”
„Goedkoop!” riep een scherpe stem inMr. Bumble'soor, „jij zou altijd nog te duur geweest zijn en ik heb je duur genoeg betaald, dat weet Onze Lieve Heer daarboven!”
Mr. Bumblekeerde zich om en keek in het gezicht van zijn teergevoelige wederhelft, die, ofschoon ze de weinige woorden van zijn klacht, die ze verstaan had, maar half begreep, op goed geluk bovengenoemde opmerking waagde.
„JuffrouwBumble!” zeiMr. Bumblemet sentimenteele gestrengheid.
„Nou?” vroeg de dame.
„Wees zoo goed mij aan te zien,” zeiMr. Bumbleen hield zijn oogen strak op haar gericht. („Als zij zulke oogen uithoudt,” zeiMr. Bumblein zichzelf, „dan staat zij voor niets. Geen arme heeft die oogen nog kunnen verdragen. Als 't geen indruk op haar maakt, is mijn macht verloren.”)
Of een uiterst geringe expansie van de oogen genoeg is om gemeente-armen, die door de schrale voeding niet heel sterk zijn, in elkaar te doen krimpen; of dat juffrouwCorneybijzonder ongevoelig was voor adelaarsblikken, is een zaak van opvatting. Een feit is 't, dat de waardige matrone in geenen deele doorMr. Bumble'sdreigenden blik uit het veld was geslagen maar er integendeelgroote minachting tegenover stelde en er zelfs om lachte, met een lach, die oprecht klonk.
Bij dit onverwachte geluid keekMr. Bumbleeerst ongeloovig en toen verbluft. Daarna nam hij zijn vroegere houding weer aan en bleef peinzen, tot zijn aandacht opnieuw werd getrokken door de stem van zijn levensgezellin.
„Blijf je hier den heelen dag zitten snurken?” vroeg juffrouwBumble.
„Ik zal hier blijven zitten, zoo lang ik het goed vind, juffrouw,” antwoorddeMr. Bumble, „en ofschoon ik niet snurkte, zal ik snurken, gapen, niezen, lachen of huilen, net naar 't mij invalt; dat is mijn recht.”
„Jouwrecht!” smaalde juffrouwBumblemet onuitsprekelijke minachting.
„Dat heb ik gezegd, juffrouw,” zeiMr. Bumble. „Een man heeft het recht, te bevelen.”
„Goeie hemel! en wat heeft een vrouw dan voor recht, zeg me dat eens!” riep de weduwe vanMr. Corneyzaliger.
„Om te gehoorzamen, vrouw,” donderdeMr. Bumble. „Dat had je ongelukkige gestorven man je moeten leeren, dan leefde hij misschien nu nog. Ik wou, dat 't waar was, de arme man!”
JuffrouwBumblebegreep in een flits, dat nu het beslissende oogenblik was aangebroken en dat het er om ging, aan welken kant eens en voor goed de heerschappij zou zijn; nauwelijks hoorde zij deze toespeling op den doode of zij viel in een stoel neer, gilde hardop uit, datMr. Bumbleeen ruwe wreedaard was en barstte in een vloed van tranen uit.
Maar tranen vonden nooit den weg naarMr. Bumble'sziel; zijn hart was waterproef. Evenals waschbare vilten hoeden, die mooier worden door een regenbui, werden zijn zenuwen sterker en krachtiger door tranenbuiën; deze waren teekenen van zwakheid en in zooverzwijgende getuigenissen van zijn eigen macht; daarom behaagden ze hem en wekten hem op. Hij keek zijn goede vrouw zeer voldaan aan en moedigde haar aan, maar zoo hard te huilen als ze kon; de dokters beschouwden schreien als zeer bevorderlijk aan de gezondheid.
„'t Verruimt de longen, wascht 't gezicht, oefent de oogen en tempert de drift,” zeiMr. Bumble. „Dus huil maar op!”
Terwijl hij deze grap ten beste gaf, namMr. Bumblezijn hoed van den spijker en zette hem eenigszins zwierig op één oor, zooals een man doet, die voelt, dat hij zijn meerderheid behoorlijk heeft doen gelden; toen stak hij zijn handen in zijn zakken en slenterde, met een guitig, voldaan gezicht naar de deur.
JuffrouwCorneyhad de proef genomen met tranen, omdat dit gemakkelijker was dan een vuistgevecht, maar zij was volkomen bereid, de proef met het laatste te nemen, zooalsMr. Bumblespoedig gewaar zou worden.
Het eerste bewijs, dat hij ervan ondervond, was een hol geluid, waarop onmiddellijk zijn hoed naar den anderen kant van de kamer vloog. Toen zijn hoofd door dezen eersten aanval ontbloot was, greep de dame, die ervaren was in het vak, hem stevig met de ééne hand bij de keel en liet met de andere een bui van slagen, (met razende woede en veel behendigheid toegebracht) op zijn hoofd neerregenen. Toen dit gedaan was, begon zij hem bij afwisseling in zijn gezicht te krabben en aan zijn haar te trekken; toen zij hem zooveel straf had toegediend, als de beleediging volgens haar oordeel eischte, duwde zij hem in een stoel, die gelukkig juist tot dat doel klaar stond en daagde hem uit, nog eens over zijn recht te spreken als hij 't hart had.
„Sta op!” zei juffrouwBumbleop bevelenden toon. „En pak je weg, of ik bega een ongeluk aan je.”
Mr. Bumblestond met een berouwvol gezicht op,zich afvragend wat dat ongeluk wel zijn zou. Hij raapte zijn hoed op en ging naar de deur.
„Ga je?” vroeg juffrouwBumble.
„Ja, vrouwtje, ja,” antwoorddeMr. Bumblemet een snellere beweging naar de deur. „Ik wou niet—ik ga al vrouwtje! Je bent zoo verschrikkelijk driftig, dat ik....”
Op dit oogenblik deed juffrouwBumbleeen haastigen stap vooruit om het karpet goed te leggen, dat in de schermutseling van zijn plaats was geraakt.Mr. Bumblevloog onmiddellijk de kamer uit, zonder ook maar één gedachte aan zijn onafgemaakte zin te wijden en liet de vroegere juffrouwCorneyten volle het veld behouden.
Mr. Bumblewas eerlijk bij verrassing overrompeld en eerlijk verslagen. Hij had een besliste neiging voor grootdoenerij, hield er niet weinig van, kleine wreedheidjes te plegen en was dientengevolge ('t is overbodig dit te zeggen) een lafaard. Dit sluit echter volstrekt geen geringschatting voor zijn karakter in, want vele officieele personen, die in hooge eer worden gehouden en zeer bewonderd, zijn aan dergelijke zwakheden onderworpen. De opmerking wordt hier zelfs meer in zijn voordeel gemaakt dan in zijn nadeel en met het doel, den lezer te doen zien, hoe volkomen geschikt hij was om ambtenaar te zijn.
Doch de maat van zijn vernedering was nog niet vol.
Hij had een rondgang door het huis gemaakt en voor het eerst bedacht, dat de armenwetten werkelijk te hard waren en dat mannen, die van hun vrouwen wegliepen, zoodat deze ten laste der gemeente kwamen, rechtens in 't geheel geen straf verdienden, maar eer beloond moesten worden als verdienstelijke individuen, die veel verduurd hadden; zoo kwam hij bij een kamer, waar enkelen van de vrouwelijke verpleegden gewoonlijk het goed van de Gemeente waschten en waar hij nu drukke stemmen hoorde.
„Hm!” zeiMr. Bumbleen nam al zijn natuurlijke waardigheid te baat. „Die vrouwen zullen ten minste mijn rechten eerbiedigen. Hé! hé! Wat beteekent dat lawaai, wijventroep?”
Bij deze woorden deedMr. Bumblede deur open en kwam met een woedend gezicht de kamer binnen, doch dit veranderde in eens in een nederig, bang gezicht, toen zijn oogen onverwachts de gestalte van zijn zeer waarde echtgenoote ontmoetten.
„Vrouwtje,” zeiMr. Bumble, „ik wist niet, dat jij hier was.”
„Wist niet, dat ik hier was,” herhaalde juffrouwBumble. „Wat doejijhier?”
„Ik dacht vrouwtje, dat zij te veel praatten om hun werk behoorlijk te doen,” antwoorddeMr. Bumbleen staarde afgetrokken naar twee oude vrouwtjes aan de waschtobbe, die in stomme verbazing het deemoedige gedrag van den armhuisvader aankeken.
„Jijdacht, dat ze te veel praatten?” zei juffrouwBumble. „Wat gaat jou dat aan?”
„Och.... vrouwtje....” stameldeMr. Bumbleonderworpen.
„Wat gaat jou dat an?” vroeg juffrouwBumblenog eens.
„'t Is waar, jij bent de moeder hier, vrouwtje,” gafMr. Bumbletoe, „maar ik dacht, dat je misschien niet in de buurt was.”
„Ik zal je eens wat zeggen, meneerBumble,” gaf zijn vrouw terug. „We hebben jou hier heelemaal niet noodig. Jij houdt er veel te veel van, je neus in dingen te steken, die je niet aangaan; iedereen in 't Huis lacht er om als je je rug gekeerd hebt en je maakt er je elk uur van den dag bespottelijk mee. Ga weg, vooruit!”
Mr. Bumble, die onder ware folteringen zag wat een schik de twee oude vrouwtjes hadden, en hoe luidruchtigzij samen gichelden, aarzelde een oogenblik. JuffrouwBumble, wier geduld geen uitstel gedoogde, greep een tijl met zeepsop, duwde hem naar de deur en beval hem, onmiddellijk heen te gaan, wilde hij den inhoud niet op zijn waardige persoon uitgestort zien.
Wat konMr. Bumbledoen? Hij keek verslagen rond en sloop heen; toen hij bij de deur was, ging het gegichel van de twee oude vrouwtjes over in een schril gelach vol onuitsprekelijke pret. Dat ontbrak er nog maar aan! Hij was vernederd in hun oogen, hij had zijn aanzien en macht zelfs bij die schooiers verloren, van de hoogte en pracht als gemeentebode was hij neergezonken tot de diepte van een belachelijken pantoffelheld.
„Alles in twee maanden tijd!” zeiMr. Bumble, van sombere gedachten vervuld. „Twee maanden! Niet meer dan twee maanden geleden was ik niet alleen mijn eigen baas, maar de baas over iedereen, zoo ver het 't Armhuis betreft, en nu!....”
Het was te veel.Mr. Bumblegaf den jongen, die de poort voor hem opendeed, een oorvijg (want al peinzend was hij bij den uitgang gekomen) en liep in gedachten verzonken, de straat op.
Hij liep de ééne straat uit en de andere in, totdat de beweging zijn hevigste smart wat bedaard had en toen maakte de verandering in zijn stemming hem dorstig. Hij ging verscheidene herbergen voorbij, maar bleef eindelijk staan voor een kroeg in een zijstraat, waar de gelagkamer, naar hij bij een haastigen blik over de luiken ontdekte, geheel leeg was op één klant na. Op dit oogenblik begon het hard te regenen. Dit bracht de beslissing.Mr. Bumblestapte naar binnen, bestelde in het voorbijgaan iets aan het buffet en ging het vertrek binnen, waar hij van de straat af naar binnen had gekeken.