HOOFDSTUKII.Aan wal gezetNa dit strenge optreden, smeekte een der matrozen, wat stoutmoediger dan de anderen, den kapitein, nòg eenige mannen aan wal te zetten om hun kameraads te helpen in hun strijd tegen de wilden, maar ’t mocht niet baten. Geprikkeld door ’t verzet dat hij overal om zich heen voelde, trad de gezagvoerder aan de ballustrade van het halfdek en sprak de bemanning kalm toe, wel overtuigd dat—had hij een ruwen toon aangeslagen—zeker twee derde het schip zou hebben verlaten.„’t Is zoowel in jullie eigen belang als in het mijne,” zei hij, „dat ik tot dezen ernstigen maatregel ben overgegaan. Muiterij aan boord staat gelijk met verraad in een koninklijk paleis, en ik zou tegenover de eigenaars van schip en lading niet verantwoord zijn, wanneer ik menschen aan boord duldde, die er met de misdadigste gedachten rondloopen. Zelf zou ik hartelijk wenschen, dat ik ze ergens anders aan wal had kunnen zetten, waar ze een vreedzamer bevolking hadden getroffen, of dat ik ze aan een rechtbank in eenChristenmaatschappij had kunnen uitleveren. Had ik bepaald hun ongeluk op ’t oog gehad, dan had ik ze, evengoed als de beide anderen, aan boord kunnen terechtstellen. Jullie ziet, ik geef ze graag een kans, maar ik kan onmogelijk mijn eigen leven en het behoud van het schip, waarvoor ik de verantwoordelijkheid draag, in de waagschaal stellen. Mochten er evenwel onder jullie zijn, die liever het schip verlaten dan hun plicht te doen, dan geef ik hen hiertoe volle vrijheid, al meen ik dit niet aan jullie verdiend te hebben. Maar álles liever—zelfs al zou ik ook alleen aan boord moeten blijven—dan met een troep verraders onder zeil te gaan, die ’t op mijn leven gemunt hebben.”En sprak de bemanning kalmeerend toe.En sprak de bemanning kalmeerend toe.Deze toespraak werd met zooveel overtuiging tot de matrozen gericht en was op zichzelf zoo redelijk, dat de meesten van hen zich voor ’t oogenblik bij de weigering neerlegden. Anderen evenwel staken de hoofden bijeen en schenen maar niet tot een besluit te kunnen komen. Tegen den avond—de wind was gaan liggen en de kap’tein had bevel gegeven pas tegen den morgen het anker te lichten, meldden zich drie en twintig mannen, waaronder twee timmerlieden en de chirurgijnsassistent bij den eersten stuurman. Ze verzochten hem den kapitein mede te deelen, dat ze aan wal gezet wenschten te worden om daar, zoo noodig met hun kameraads te sterven. Door versterking van hun aantal vertrouwden ze echter groote kans te hebben zich tegenover de wilden te handhaven tot zich eindelijk misschien eens een gelegenheid voor zou doen op ’t een of ander schip naar hun vaderland te ontkomen.Maar de eerste stuurman had geen lust in het „akkevietje.”„Als jullie besloten zijn ’t schip te verlaten, raad ik je aan, morgenochtend heel vroeg de groote sloep te nemen en stiekem naar land te roeien. Laat een briefje achter, dat jullie de sloep eerlijk zult afleveren aan de mannen die hij er om zendt. Ik beloof je zoolang mijn mond te zullen houden.”En zoo gebeurde het.Een uur voor het aanbreken van den dag, werd de groote sloep gestreken en scheepten de drie-en-twintig mannen zich in, ruimschoots voorzien van snaphanen, hartsvangers, pistolen, hellebaardenen pieken, en met een flinken voorraad kruit en kogels. Veel proviand hadden ze niet kunnen bemachtigen—enkel een kleine vijftig brooden—maar hun kisten met kleeren, instrumenten, gereedschappen en boeken werden alle mee ingeladen, en alles ging zóó stil in zijn werk, dat ze reeds halverwege de kust waren, eer de kap’tein er iets van bemerkte.Zoodra hij de vluchtelingen zag verdwijnen, gaf hij den kanonniersmaat—de kanonnier zelf lag ziek ter kooi—bevel op hen te schieten, maar tot zijn groote ergernis moest hij hooren, dat de maat tot de deserteurs behoorde en ze door zijn toedoen allerlei wapens en ammunitie hadden kunnen meenemen.Toen, begrijpende dat er niets aan te doen was, nam de kap’tein den schijn aan alsof ’t gebeurde hem onverschillig liet en sprak hij de overige manschappen wijselijk zeer vriendschappelijk toe.„Ik verheug me,” zei hij, „over den trouw en de bekwaamheid van mijn overgebleven bemanning en heb besloten, het loon dat de deserteurs toekwam, onder jullie te verdeelen. Ons schip is nu gelukkig geheel gezuiverd van dat onbetrouwbare muiterspak, dat naar mijn vaste overtuiging niet de minste reden had tot ontevredenheid.”Na deze tweede toespraak werd den kapitein de brief overhandigd waarin de vluchtingen verklaarden niets te hebben meegenomen wat hun eigendom niet was, behalve eenige wapens en ammunitie, die ze beslist noodig hadden, zoowel tot zelfverweer als om vogels en andere dierente dooden voor hun levensonderhoud. Daar ze evenwel een vrij groote som te goed hadden aan soldij, meenden ze de meegenomen artikelen daarmee dubbel en dwars betaald te hebben. De sloep zouden ze uitleveren aan wie hij wenschte te zenden, zonder eenige poging van hun kant hun vroegere kameraads tot medeplichtigheid over te halen. Onder aan den brief verzochten ze den kapitein alleen nog dringend, hun nóg een vaatje kruit en andere ammunitie te zenden en hun toe te staan den mast en het zeil van de sloep te houden, om, als ze eens zelf kans mochten zien een boot te maken, zee te kunnen kiezen, vertrouwende dat hun gesternte hen in behouden haven zou voeren.Na lezing van het eerbiedig gestelde geschrift riep de kap’tein de mannen nog eens op het halfdek bijeen, las den brief voor en sprak:„Hoewel de deserteurs alle aanspraak op mijn welwillendheid verbeurd hebben, wensch ik hun lot toch niet noodeloos te verzwaren. Ik ben dus besloten hun wat meer ammunitie te verstrekken. In plaats van het eene vat kruit waarom ze verzoeken, zal ik hun er twee zenden, en verder kogels, lood en kogelvormen naar verhouding. En om jullie te toonen dat ik geen kwaad met kwaad wensch te vergelden, zal ik nog een vaatje rum en een zak brood voor hen doen meegeven om hen in ’t leven te houden, tot ze zich zelf van voedsel kunnen voorzien.”De bemanning juichte den kap’tein voor zijn edelmoedigheid toe en ieder van hen zonderdeiets van zijn bezittingen voor ons af. Omstreeks drie uur in den middag kwam de pinas met zijn zoo welkomen inhoud voor den wal en leverden wij de groote sloep uit. Voorzichtigheidshalve had de kap’tein wel zorg gedragen enkel zeer beproefde matrozen naar ons toe te zenden, uit vrees dat anderen zich misschien nog door ons zouden laten overreden bij ons te blijven, of ons mee terug te nemen, wat hij ten strengste verboden had.Met ons zeven-en-twintigen—allen behoorlijk van wapenen voorzien—vormden we nu een flinken troep, waaronder, tot ons groote geluk, twee timmerlui, een kanonnier en, wat meer waard was dan al het andere, een chirurgijn of dokter, dat wil zeggen een assistent van een geneesheer te Goa, daar door ons aangemonsterd.De timmerlieden hadden een welvoorziene kist met gereedschappen en de dokter al zijn instrumenten en medicijnen meegebracht; alles bij elkaar gerekend, bedroeg onze bagage heel wat, ofschoon enkelen van ons, waaronder ikzelf, weinig meer bezaten dan de kleeren die ze aan hun lijf droegen.Maar ik had toch iets van groote waarde, waarop zij geen van allen aanspraak konden maken, n.l. de twee-en-twintig goudenmoidores, die ik in Brazilië gestolen had en nog een paar kleinere goudstukken. Alleen de kleinere goudstukken liet ik zien en éénmoidore, en geen van mijn lotgenooten had ook maar het geringste vermoeden van mijn rijkdom, daar ze mij allen kenden als een arme jongen, die door mijn vroegeren wreedenmeester uit medelijden opgenomen en als een slaaf behandeld was.’t Is te begrijpen dat wij vieren, die het eerst op het eiland waren afgezet, meer dan gelukkig waren over de komst der overigen, ofschoon we eerst vreesden dat ze gezonden zouden zijn om ons terug te halen en op te hangen.Het eerste groote nieuws dat ze ons vertelden, nadat ze ons in ’t kort het verhaal hadden gedaan van hun goed geslaagde vlucht, was—dat onze vroegere makker de timmerman veilig en wel aan boord was aangeland. Toen hij in zijn angst van ons wegliep, hadden we nooit gedacht dat hij werkelijk het schip zwemmende zou kunnen bereiken. We geloofden eerder dat hij in de bosschen verdwaald geraakt en nu in de handen der inboorlingen was gevallen of wel door wilde beesten verscheurd, beide voorstellingen buitengewoon geschikt om ons met de grootste zorg voor onze eigen naaste toekomst te vervullen.Daar we nu, mits we elkaar trouw ter zijde stonden, met onze bewapening een vrij aanzienlijke macht vormden tegenover de barbaren, gaven we elkaar plechtig de hand, dat geen van ons zich ooit zou afscheiden, doch dat we samen zouden leven en sterven; dat we het wild dat we mochten dooden, eerlijk zouden verdeelen en ons in alle meeningsverschillen bij het oordeel der meerderheid zouden neerleggen; dat we een kapitein zouden benoemen, dien we, op straffe des doods, hadden te gehoorzamen; dat we dit ambt beurtelings zouden vervullen, maar dat onzeaanvoerder het oordeel der anderen moest inroepen en niet tegen den wensch der meerderheid mocht handelen.Nadat wij deze regels hadden vastgesteld, besloten wij maatregelen te treffen voor onze voedselvoorziening en hiertoe verbinding te zoeken met de inboorlingen. Hoewel ze ons wel van nut waren en eetbare artikelen wisten te verschaffen, bemoeiden we ons toch niet meer met hen dan strikt noodzakelijk was, daar we hen als een dom, ruw, gulzig en wreed menschensoort leerden kennen, erger nog dan eenig ander onbeschaafd volk, dat we tot nu toe hadden ontmoet. Voor ons levensonderhoud zouden we wel in hoofdzaak aangewezen zijn op onze geweren; herten, gevogelte en allerlei wilde dieren waren er in overvloed.We ondervonden dat de inboorlingen zich weinig aan ons gelegen lieten liggen en zich er blijkbaar niet om bekommerden of wij op het eiland dachten te blijven of niet. Blijkbaar verkeerden ze in het denkbeeld dat ons schip nog op de reede lag, terwijl het kort nadat de groote sloep aan boord was geheschen, zee gekozen had en voor goed uit ons gezicht verdwenen was.Den volgenden morgen trokken twee van ons in de eene richting, twee in de andere er op uit om te zien welk soort van terrein we om ons heen hadden, en al heel gauw kwamen we tot de geruststellende ontdekking, dat het eiland buitengewoon vruchtbaar was en uitstekend geschikt om te bewonen. Jammer alleen, dat de wezens die we overal aantroffen, nauwelijks menschelijkkonden genoemd worden.Op verschillende plaatsen zagen we vee en eetbare waren, maar hoe goed een en ander ons ook te pas zou zijn gekomen, waagden we het toch niet er de hand op te leggen, vreezende ons heel de barbaarsche bevolking tot vijand te maken. Liever gingen wij op het voorstel, van twee onzer in om te trachten door gebarentaal met de zwarten te spreken en zoo uit te vorschen, hoe hun gevoelens ten opzichte van ons waren.Behoorlijk gewapend, togen elf van onze mannen er met dit doel op uit en kwamen terug met het bericht, dat ze eenige inboorlingen ontmoet hadden, die zich niet onwillig betoonden, maar schuw en angstig voor hun geweren waren geweest. Blijkbaar wisten ze dus waarvoor die vuurwapens dienden.Toen de onzen door teekenen beduid hadden, dat ze voedsel verlangden, kwamen ze met kruiden, vruchten, wortels en wat melk aandragen, die ze evenwel niet van zins waren weg te geven, doch slechts te verruilen voor iets dat wij hen mochten aanbieden.Onze mannen stonden een oogenblik verlegen, daar ze niets hadden meegebracht, maar gelukkig kwam een van hen op den inval hun een mes voor te houden, en dit wekte zóó sterk hun begeerte, dat ze er hevige ruzie over kregen. Toen de matroos merkte hoeveel het hun waard was, besloot hij het ook niet voor een kleinigheid af te staan, liet ze tegen elkaar opbieden en gaf het ten slotte in ruil voor een geit.Daarop toonde een der andere matrozen hun ookeen mes, en toen ze niets meer bij zich hadden, goed genoeg om er voor in de plaats te geven, maakte een der wilden teekenen dat ze iets moois zouden gaan halen, en na drie uren wachtens, kwamen de zwarten terug met een kleine, korte, dikke koe, die ze voor het mes inwisselden.Schijnbaar hadden we dus goede zaken gemaakt, maar ons ongeluk was, dat we geen kramerijen of andere koopwaar bezaten, want onze messen waren van even groote waarde voor ons zelf als voor hen, en we zouden er ook zeker nooit twee hebben weggegeven, als we niet zoo verlegen waren geweest om voedsel.Maar na verloop van eenige dagen ondervonden we dat de bosschen wemelden van wild, ’t geen we, zonder hun aanstoot te geven, konden dooden, zoodat een paar van ons geregeld ter jacht trokken en nooit met leege handen thuis kwamen.Verder beraadslaagden we over ons geld, en besloten we al wat we hadden bijeen te brengen om het zoolang mogelijk te doen strekken. En toen mijn beurt kwam, haalde ik eenmoidorete voorschijn en de twee losse dollars die ik nog rijk was.Met het goudstuk wilde ik een gunstigen indruk op hen maken en tegelijk voorkomen dat ze mijn kleeren doorzochten. Mijn toeleg gelukte volkomen; ze prezen me dat ik zoo eerlijk al wat ik bezat in de gemeenschappelijke kas stortte.Ons geld bewees ons echter niet zulke goede diensten als we verwacht hadden, daar de menschen er gebruik noch waarde van kenden en geen flauw begrip toonden te bezitten van de meerdere koopkrachtvan goud boven zilver. Onze voorraad geld—toch al niet groot—zou dus niet lang strekken om ons van provisie te voorzien.Bij een volgende beraadslaging bleken we ’t er allen over eens, dat we moesten trachten zoo spoedig mogelijk van dit verwenschte eiland weg te komen. Ik had, wat mij betreft, het maken van een plan graag aan hen overgelaten en was liever de bosschen ingegaan om te jagen, maar ze wilden mij niet toestaan er alleen op uit te trekken, uit vrees voor de wilde dieren die het eiland onveilig maakten, zooals we later tot onze schade zouden ondervinden.Met een plan tot ontkoming raakten we niet verder dan dat we, onder leiding van onze twee timmerlieden, zouden trachten een boot te bouwen en daarmee in zee te gaan, hopende den terugweg naar Goa te vinden, of ergens anders te landen, vanwaar we Portugal weer zouden kunnen bereiken.Al heel spoedig hierna werd met het bouwen van een boot begonnen, maar het bleek dat onze mannen de moeilijkheden verre hadden onderschat. Gebrek aan zagen, aan spijkers, pennen en bouten, werk, pik en teer om de naden te dichten, maakte de onderneming zoo goed als hopeloos, en na lang en vruchteloos denken en tobben stelde een der matrozen voor, in plaats van een sloep, liever een kano te maken, wat veel eenvoudiger zou zijn.„Maar,” merkte een der anderen op „we zouden immers nooit in een kano den Oceaan kunnenoversteken naar de kust van Malabar! En niet alleen zouden we er ons niet mee in zee kunnen wagen, maar ’t vaartuigje zou ons ook niet kunnen houden, zeven en twintig man met al onze bagage en proviand!”Tegen dit bezwaar viel niet veel in te brengen, en toen ik nu zag dat ze voor ’t oogenblik ten einde raad waren, nam ik de vrijheid—wat anders mijn gewoonte niet was—met een voorstel voor den dag te komen.„’t Lijkt me niet onmogelijk,” zei ik, „een kano te bouwen, groot en sterk genoeg voor ons allen, maar Goa of de kust van Malabar zouden we nooit bereiken, al was ’t alleen maar omdat we geen drinkwater genoeg kunnen meenemen voor zoo’n lange reis. Het avontuur zou stellig op onzen ondergang uitloopen; ’t zou gelijk staan met zelfmoord. Maar toch ben ik er vóór, een kano te maken.”Hierop vielen er mij een paar in de rede en riepen schamper uit:„Als je ons niets nieuws hebt te vertellen, had je je mond wel kunnen houden! Jij vindt de onderneming dus even gevaarlijk als wij. Wat praat je dan van tòch een kano te willen maken? Dan kunnen we ons de moeite wel besparen.”„Maar mijn idee is niet,” verdedigde ik mij, „om in een kano te ontsnappen, maar om langs de kust van ons eiland te kruisen, in afwachting van een grooter vaartuig dat we misschien konden bemachtigen. Elk volk, hoe barbaarsch ook overigens, bevaart op de een of andere wijze dezee; als we een ruimere boot veroverd hadden, konden we ons daar weer verder mee wagen en mogelijk ten slotte een klein schip overrompelen, dat ons zou brengen waar we maar wilden.”Bestudeerde mijn handpalmen.Bestudeerde mijn handpalmen.„Een mooi plan!” riep de een spottend, de ander in ernst.„Ja, ja!” vond een derde (onze kanonnier) „de Engelsche hond heeft ons een prachtigen raad gegeven, maar hij vergeet één ding, dat hij ons op die manier allemaal aan de galg brengt. Eerst een boot, daarna een schip stelen—want daar komt het toch feitelijk op neer—maakt ons allemaal tot zeeroovers, en het eind van ’t lied zal zijn, dat we alle zeven-en-twintig moeten hangen.”„Goed!” riep een der timmerlui. „Dan maarals zeeroovers! Ik wil liever de kans loopen als zeeroover gehangen te worden dan hier van honger om te komen.„Ja!” vielen de anderen hem bij, „de raad lijkt nog zoo gek niet. Laten we in ieder geval maar een kano bouwen.”En zoo moest de kanonnier voor de overmacht zwichten. Maar toe we de vergadering ophieven, kwam hij naar me toe, bestudeerde met de grootste aandacht mijn handpalmen en toen mijn gezicht, en zei:„Mijn jongen, neem je in acht; je bent geboren om kwaad te doen en hebt al heel jong slechte zeerooverspraktijken geleerd. Houd je voor gewaarschuwd, of je zult een gemeene dief worden!”„Waar ik nog eenmaal toe komen zal,” antwoordde ik lachend, „kan ik nu nog moeilijk zeggen. Maar in den nood waarin wij nu verkeerden, zou ik zonder eenig gewetensbezwaar het eerste het beste vaartuig overmeesteren, dat we mochten ontmoeten. Mijn vurigste wensch is, dat dit oogenblik niet ver meer af mag zijn en we onze vrijheid spoedig zullen herkrijgen.”Nauwelijks had ik uitgesproken, of een der mannen die aan den ingang van onze hut had gestaan, kwam naar ons toe, roepende dat de timmerman, op een heuvel op den uitkijk, een zeil zag.Wij maakten een vuurWij maakten een vuurIn minder dan geen tijd waren we allen den heuvel opgestormd, van waar de timmerman ons onder heftig armgezwaai bleef toeschreeuwen: „Een zeil! Een zeil!” Maar al konden we ookallen duidelijk een schip zien, de afstand was te groot om door eenig signaal zijn aandacht te trekken. Toch sleepten we een berg hout aan en stookten een vuur, om zooveel mogelijk rook te maken, doch te vergeefs. Door een perspectief-kijker, die de kanonnier bij zich droeg, kon hij waarnemen dat het schip, onbewust van onze aanwezigheid op het eiland, met volle zeilen—de wind was O.N.O.—naar Kaap de Goede Hoop stevende.Onze blijdschap was dus al heel gauw in droefheid verkeerd, en om onze zinnen te verzetten, begonnen we maar onmiddellijk aan onze kano. Hard werkende en van drie bijlen voorzien, hadden we vier dagen noodig om een grooten boom, dien we voor ons vaartuig op ’t oog hadden, om te hakken en uit te hollen, en toen we onze eenvoudige boot in ’t water hadden gesleept en ze behoorlijk zeeklaar bleek, waren we even trotsch en gelukkig als we vroeger geweest zouden zijn, wanneer we een groot oorlogschip tot onze beschikking hadden gehad.De ruimte van ons vaartuig viel erg mee; behalve dat het ons allen met gemak herbergde, bleef er voldoende plaats voor heel wat proviand enz. over, zoodat bij eenigen van ons opnieuw den wensch opkwam, er den tocht naar Goa mee te ondernemen.Na ernstige overweging, bleken de bezwaren der watervoorziening, het gemis van een kompas,het onbeschut blootgesteld zijn aan zon en regen en aan de overslaande golven echter zóó onoverkomelijk, dat mijn voorstel ten slotte werd opgevolgd omlangs de kust te blijven kruisen en uit te zien of zich iets voordeed.Bij de eerste proefvaart, waaraan we allen deelnamen, hadden we al bijna een nat pak gehaald en er, voor een deel althans, haast het hachje bij in geschoten. Er stond een vrij hooge zee en ons vaartuig schommelde zoo en werd zóó heen en en weer geslingerd, dat we een oogenblik vreesden allen kopje onder te gaan; maar met groote inspanning gelukte het ons wat meer gang in de kano te brengen, zoodat ze wat vaster kwam te liggen, en ten slotte kregen we haar gelukkig weer onder de kust.Inmiddels geraakten we in steeds grooter moeilijkheden wat onze voedselvoorziening betrof.De inboorlingen bleken ons vriendschappelijk genoeg gezind en kwamen zelfs eens naar ons toe met hun koning of opperhoofd, bij welke gelegenheid ze een lange, met allerlei versierselen behangen stok of paal tusschen ons en hen in den grond plantten, ’t geen, zooals we later begrepen, een teeken van vredelievendheid en goeden wil was; ook sleepten ze vee, gevogelte, vruchten, wortels en allerlei eetbare waar aan; maar wat hielp ons dat alles, nu wij aan onzen kant niets bezaten om het mee te koopen of voor iets te ruilen. Hadden we maar wat kramerijen en versierselen bij ons gehad! Wat vergulde kettingen, glazen kralen, spiegeltjes of dergelijke prullen, dan zouden we vee en ander voedsel genoeg hebben kunnen koopen voor een heel leger of voor de bemanning van een oorlogsvloot, maar voor onsgoede geld konden we geen stuk bemachtigen.„Laten we ze aanvallen met onze vuurwapens en hun al het vee afnemen,” stelde ik voor. „Die zwarte kerels zullen hier beter aan den kost kunnen komen dan wij, en ik ben niet van plan me kalm te laten doodhongeren.”„Om dan morgen of overmorgen door een leger van tienduizend van die duivels te worden aangevallen?” vroeg een der matrozen.Ik moest erkennen dat ik aan dit gevaarlijk gevolg niet gedacht had en peinsde te vergeefs hoe toch een oplossing te vinden.„Heb je misschien een vijl onder je rommel?” vroeg opeens een der matrozen, die vroeger bij een fijn-smid gewerkt had.„Jawel,” antwoordde de timmerman,„maar ’t is maar een kleintje.”„Des te beter,” zei de smid, en hij liep met hem mee om verschillende gereedschappen bij elkaar te zoeken.’t Duurde niet lang of onze smid had een vuurtje aangelegd en was druk aan ’t werk om, met behulp van de vijl en een gebroken beitel, dien hij in ’t vuur gloeiend maakte, verschillende geheimzinnige werktuigjes te fabriceeren. Toen hij met zijn toebereidselen klaar was, nam hij een paar muntstukjes, sloeg ze met een hamer op een steen plat tot ze zoo dun waren als papier, ging er toen vogels en andere dieren van snijden en bevestigde al die figuren ten slotte aan elkaar, zoodat ze als armbanden en halskettingen dienst konden doen.Nadat hij in een dag of veertien verscheiden van die kunstige versierselen had gemaakt, besloten we het resultaat van zijn vernuft op de proef te stellen; en ’t was verrassend de dolle vreugde der inboorlingen waar te nemen. Voor een dun stukje zilver, in den vorm van een vogel, kregen we twee koeien, en voor een der onbeholpen koperen armbanden allerlei eetbare produkten, ter waarde van een paar honderd gulden. Wat dus in muntvorm niet de geringste waarde voor ons had, kocht ons, in groote sieraden omgezet, meer dan het honderdvoudige van ’t geen we er in een beschaafd land voor zouden hebben gekregen.Op deze wijze leefden we langer dan een jaar, waarin de gedachte aan een mogelijkheid ter ontkoming ons nooit losliet. Inmiddels hadden we ons van drie flinke kano’s voorzien, en daar de wind bijna overal op het eiland zes maanden in de eene en de overige zes maanden in de tegenovergestelde richting blies, leek het ons niet onmogelijk met onze lichte vaartuigen een langen tocht te ondernemen. Hoe dikwijls het avontuurlijke plan echter ook gewikt en gewogen werd, steeds stuitte het af op de moeilijkheid, het zoo’n ontzaglijk langen tijd als waarschijnlijk noodig zou blijken, zonder drinkwater uit te houden.Eindelijk overtuigd dat dit groote plan onuitvoerbaar was, zetten we het ons uit het hoofd en begonnen twee andere kansen te overwegen; de een was, in de andere richting, dus naar ’t westen, te varen en te trachten Kaap de GoedeHoop te bereiken, waar we wel spoedig een Portugeesch schip zouden treffen, of te trachten naar ’t vasteland van Afrika over te steken en dan te land of te water naar de Roode Zee te reizen, waar een schip van de een of andere natie ons stellig wel gauw zou oppikken. Misschien ook, konden wij hén inpikken, een denkbeeld dat mij steeds door den geest bleef spoken.Onze knappe „zilversmid,” zooals we hem voortaan noemden, kwam met het Roode Zee-plan voor den dag, maar de kanonnier zei: „Ik ben eens van mijn leven met een sloep in de Roode Zee geweest en kan er dus een beetje over meepraten. Als jullie daarheen koerst, kun je je testament wel maken, want je wordt er vast en zeker óf door de Arabieren vermoord, óf tot slaven gemaakt door de Turken.”„Wat ’hoeven we te denken,” bracht ik hierop in ’t midden, „aan vermoord worden of aan slavernij? Zijn we dan niet in staat om bijna elk vaartuig dat we in die zeeën mochten ontmoeten, aan boord te klampen? In plaats dat zij ons nemen, nemen wij hen!”„Flink zoo, zeeroover,” zei lachend de kanonnier, die mijn toekomst zoo donker had ingezien. „Dát moet ik je ten minste tot je eer nageven, dat je voet bij stuk houdt. En wat mijn bezwaren betreft, ik moet erkennen dat ons geen andere weg overblijft.”Na nog wat heen en weer gepraat, besloten ze mijn raad op te volgen: kruisen en op den uitkijk blijven.„In de allereerste plaats,” zei ik, „is te onderzoeken of onze eilandbewoners betere vaartuigen bezitten dan wij, en zoo ja, er hun een afnemen. Misschien lukt het ons wel er een met een behoorlijk zeil en een dek te bemachtigen.”Tot ons geluk bevond zich onder ons troepje ook een koksmaat, die een heel eenvoudige manier bedacht om vleesch te conserveeren, zonder vat of pekel. Hij behandelde het in de zon met salpeter, dat in overvloed op het eiland te vinden was. Eer we nog een middel ter ontkoming hadden uitgedacht, was onze vleeschvoorraad al gestegen tot zes of zeven koeien en tien of twaalf geiten, en dit geprepareerde vleesch was zóó smakelijk, dat we meestal niet eens de moeite namen het voor ’t gebruik te koken, maar het even roosterden, of maar eenvoudig zoo droog aten. Onze allergrootste moeilijkheid bleef het drinkwater, vooral omdat we geen vat hadden om het in te bewaren en op zee mee te nemen.Daar onze eerste reis zich evenwel niet verder dan langs de kust van ’t eiland zou uitstrekken, besloten we den tocht te ondernemen, wat de gevolgen ook mochten zijn; en om ons zooveel mogelijk voor dorst te vrijwaren, had de timmerman middenin een der kano’s een soort van bak gemaakt en dit middenstuk afgedekt, zoodat we er overheen konden loopen. De zorgvuldig dicht gemaakt ruimte was zoo groot, dat ze ongeveer een okshoofd water kon bevatten. Ik kan deze vergaarbak niet beter vergelijken dan bij de bun waarin de visscherspinken hun visschenbewaren, behalve natuurlijk dat ons reservoir geen gaten in den bodem had om het zeewater binnen te laten, doch integendeel geheel waterdicht gemaakt was.Na al de voorafgaande besprekingen, kon de reis gauw genoeg ondernomen worden. Daar ons doel was langs de kust te varen, in de hoop een geschikt vaartuig machtig te worden, om er de zee mee over te steken, leek het ons ’t verstandigste aan de westkust van het eiland te blijven, tot aan het punt waar dit zich in noordwestelijke richting, tot vrij dicht naar de kust van Afrika, uitstrekt.Ik geloof niet dat er ooit ter wereld zoo’n zeereis en met zoo’n slecht toegeruste bemanning, aanvaard is. Zeker kozen we de ongunstigste zijde van het eiland om vreemde schepen te ontmoeten, daar deze doorgang of straat zeer weinig bevaren werd. Hoe het zij, wij staken in zee, nadat we al ons hebben en houden, onze ammunitie en proviand in de eerste plaats, aan boord hadden gebracht. Voor onze twee grootste kano’s hadden we masten en zeilen, de andere pagaaiden we voort, zoo goed en zoo kwaad als ’t ging; maar toen er een rukwind kwam opzetten, namen we haar op sleeptouw.
HOOFDSTUKII.Aan wal gezetNa dit strenge optreden, smeekte een der matrozen, wat stoutmoediger dan de anderen, den kapitein, nòg eenige mannen aan wal te zetten om hun kameraads te helpen in hun strijd tegen de wilden, maar ’t mocht niet baten. Geprikkeld door ’t verzet dat hij overal om zich heen voelde, trad de gezagvoerder aan de ballustrade van het halfdek en sprak de bemanning kalm toe, wel overtuigd dat—had hij een ruwen toon aangeslagen—zeker twee derde het schip zou hebben verlaten.„’t Is zoowel in jullie eigen belang als in het mijne,” zei hij, „dat ik tot dezen ernstigen maatregel ben overgegaan. Muiterij aan boord staat gelijk met verraad in een koninklijk paleis, en ik zou tegenover de eigenaars van schip en lading niet verantwoord zijn, wanneer ik menschen aan boord duldde, die er met de misdadigste gedachten rondloopen. Zelf zou ik hartelijk wenschen, dat ik ze ergens anders aan wal had kunnen zetten, waar ze een vreedzamer bevolking hadden getroffen, of dat ik ze aan een rechtbank in eenChristenmaatschappij had kunnen uitleveren. Had ik bepaald hun ongeluk op ’t oog gehad, dan had ik ze, evengoed als de beide anderen, aan boord kunnen terechtstellen. Jullie ziet, ik geef ze graag een kans, maar ik kan onmogelijk mijn eigen leven en het behoud van het schip, waarvoor ik de verantwoordelijkheid draag, in de waagschaal stellen. Mochten er evenwel onder jullie zijn, die liever het schip verlaten dan hun plicht te doen, dan geef ik hen hiertoe volle vrijheid, al meen ik dit niet aan jullie verdiend te hebben. Maar álles liever—zelfs al zou ik ook alleen aan boord moeten blijven—dan met een troep verraders onder zeil te gaan, die ’t op mijn leven gemunt hebben.”En sprak de bemanning kalmeerend toe.En sprak de bemanning kalmeerend toe.Deze toespraak werd met zooveel overtuiging tot de matrozen gericht en was op zichzelf zoo redelijk, dat de meesten van hen zich voor ’t oogenblik bij de weigering neerlegden. Anderen evenwel staken de hoofden bijeen en schenen maar niet tot een besluit te kunnen komen. Tegen den avond—de wind was gaan liggen en de kap’tein had bevel gegeven pas tegen den morgen het anker te lichten, meldden zich drie en twintig mannen, waaronder twee timmerlieden en de chirurgijnsassistent bij den eersten stuurman. Ze verzochten hem den kapitein mede te deelen, dat ze aan wal gezet wenschten te worden om daar, zoo noodig met hun kameraads te sterven. Door versterking van hun aantal vertrouwden ze echter groote kans te hebben zich tegenover de wilden te handhaven tot zich eindelijk misschien eens een gelegenheid voor zou doen op ’t een of ander schip naar hun vaderland te ontkomen.Maar de eerste stuurman had geen lust in het „akkevietje.”„Als jullie besloten zijn ’t schip te verlaten, raad ik je aan, morgenochtend heel vroeg de groote sloep te nemen en stiekem naar land te roeien. Laat een briefje achter, dat jullie de sloep eerlijk zult afleveren aan de mannen die hij er om zendt. Ik beloof je zoolang mijn mond te zullen houden.”En zoo gebeurde het.Een uur voor het aanbreken van den dag, werd de groote sloep gestreken en scheepten de drie-en-twintig mannen zich in, ruimschoots voorzien van snaphanen, hartsvangers, pistolen, hellebaardenen pieken, en met een flinken voorraad kruit en kogels. Veel proviand hadden ze niet kunnen bemachtigen—enkel een kleine vijftig brooden—maar hun kisten met kleeren, instrumenten, gereedschappen en boeken werden alle mee ingeladen, en alles ging zóó stil in zijn werk, dat ze reeds halverwege de kust waren, eer de kap’tein er iets van bemerkte.Zoodra hij de vluchtelingen zag verdwijnen, gaf hij den kanonniersmaat—de kanonnier zelf lag ziek ter kooi—bevel op hen te schieten, maar tot zijn groote ergernis moest hij hooren, dat de maat tot de deserteurs behoorde en ze door zijn toedoen allerlei wapens en ammunitie hadden kunnen meenemen.Toen, begrijpende dat er niets aan te doen was, nam de kap’tein den schijn aan alsof ’t gebeurde hem onverschillig liet en sprak hij de overige manschappen wijselijk zeer vriendschappelijk toe.„Ik verheug me,” zei hij, „over den trouw en de bekwaamheid van mijn overgebleven bemanning en heb besloten, het loon dat de deserteurs toekwam, onder jullie te verdeelen. Ons schip is nu gelukkig geheel gezuiverd van dat onbetrouwbare muiterspak, dat naar mijn vaste overtuiging niet de minste reden had tot ontevredenheid.”Na deze tweede toespraak werd den kapitein de brief overhandigd waarin de vluchtingen verklaarden niets te hebben meegenomen wat hun eigendom niet was, behalve eenige wapens en ammunitie, die ze beslist noodig hadden, zoowel tot zelfverweer als om vogels en andere dierente dooden voor hun levensonderhoud. Daar ze evenwel een vrij groote som te goed hadden aan soldij, meenden ze de meegenomen artikelen daarmee dubbel en dwars betaald te hebben. De sloep zouden ze uitleveren aan wie hij wenschte te zenden, zonder eenige poging van hun kant hun vroegere kameraads tot medeplichtigheid over te halen. Onder aan den brief verzochten ze den kapitein alleen nog dringend, hun nóg een vaatje kruit en andere ammunitie te zenden en hun toe te staan den mast en het zeil van de sloep te houden, om, als ze eens zelf kans mochten zien een boot te maken, zee te kunnen kiezen, vertrouwende dat hun gesternte hen in behouden haven zou voeren.Na lezing van het eerbiedig gestelde geschrift riep de kap’tein de mannen nog eens op het halfdek bijeen, las den brief voor en sprak:„Hoewel de deserteurs alle aanspraak op mijn welwillendheid verbeurd hebben, wensch ik hun lot toch niet noodeloos te verzwaren. Ik ben dus besloten hun wat meer ammunitie te verstrekken. In plaats van het eene vat kruit waarom ze verzoeken, zal ik hun er twee zenden, en verder kogels, lood en kogelvormen naar verhouding. En om jullie te toonen dat ik geen kwaad met kwaad wensch te vergelden, zal ik nog een vaatje rum en een zak brood voor hen doen meegeven om hen in ’t leven te houden, tot ze zich zelf van voedsel kunnen voorzien.”De bemanning juichte den kap’tein voor zijn edelmoedigheid toe en ieder van hen zonderdeiets van zijn bezittingen voor ons af. Omstreeks drie uur in den middag kwam de pinas met zijn zoo welkomen inhoud voor den wal en leverden wij de groote sloep uit. Voorzichtigheidshalve had de kap’tein wel zorg gedragen enkel zeer beproefde matrozen naar ons toe te zenden, uit vrees dat anderen zich misschien nog door ons zouden laten overreden bij ons te blijven, of ons mee terug te nemen, wat hij ten strengste verboden had.Met ons zeven-en-twintigen—allen behoorlijk van wapenen voorzien—vormden we nu een flinken troep, waaronder, tot ons groote geluk, twee timmerlui, een kanonnier en, wat meer waard was dan al het andere, een chirurgijn of dokter, dat wil zeggen een assistent van een geneesheer te Goa, daar door ons aangemonsterd.De timmerlieden hadden een welvoorziene kist met gereedschappen en de dokter al zijn instrumenten en medicijnen meegebracht; alles bij elkaar gerekend, bedroeg onze bagage heel wat, ofschoon enkelen van ons, waaronder ikzelf, weinig meer bezaten dan de kleeren die ze aan hun lijf droegen.Maar ik had toch iets van groote waarde, waarop zij geen van allen aanspraak konden maken, n.l. de twee-en-twintig goudenmoidores, die ik in Brazilië gestolen had en nog een paar kleinere goudstukken. Alleen de kleinere goudstukken liet ik zien en éénmoidore, en geen van mijn lotgenooten had ook maar het geringste vermoeden van mijn rijkdom, daar ze mij allen kenden als een arme jongen, die door mijn vroegeren wreedenmeester uit medelijden opgenomen en als een slaaf behandeld was.’t Is te begrijpen dat wij vieren, die het eerst op het eiland waren afgezet, meer dan gelukkig waren over de komst der overigen, ofschoon we eerst vreesden dat ze gezonden zouden zijn om ons terug te halen en op te hangen.Het eerste groote nieuws dat ze ons vertelden, nadat ze ons in ’t kort het verhaal hadden gedaan van hun goed geslaagde vlucht, was—dat onze vroegere makker de timmerman veilig en wel aan boord was aangeland. Toen hij in zijn angst van ons wegliep, hadden we nooit gedacht dat hij werkelijk het schip zwemmende zou kunnen bereiken. We geloofden eerder dat hij in de bosschen verdwaald geraakt en nu in de handen der inboorlingen was gevallen of wel door wilde beesten verscheurd, beide voorstellingen buitengewoon geschikt om ons met de grootste zorg voor onze eigen naaste toekomst te vervullen.Daar we nu, mits we elkaar trouw ter zijde stonden, met onze bewapening een vrij aanzienlijke macht vormden tegenover de barbaren, gaven we elkaar plechtig de hand, dat geen van ons zich ooit zou afscheiden, doch dat we samen zouden leven en sterven; dat we het wild dat we mochten dooden, eerlijk zouden verdeelen en ons in alle meeningsverschillen bij het oordeel der meerderheid zouden neerleggen; dat we een kapitein zouden benoemen, dien we, op straffe des doods, hadden te gehoorzamen; dat we dit ambt beurtelings zouden vervullen, maar dat onzeaanvoerder het oordeel der anderen moest inroepen en niet tegen den wensch der meerderheid mocht handelen.Nadat wij deze regels hadden vastgesteld, besloten wij maatregelen te treffen voor onze voedselvoorziening en hiertoe verbinding te zoeken met de inboorlingen. Hoewel ze ons wel van nut waren en eetbare artikelen wisten te verschaffen, bemoeiden we ons toch niet meer met hen dan strikt noodzakelijk was, daar we hen als een dom, ruw, gulzig en wreed menschensoort leerden kennen, erger nog dan eenig ander onbeschaafd volk, dat we tot nu toe hadden ontmoet. Voor ons levensonderhoud zouden we wel in hoofdzaak aangewezen zijn op onze geweren; herten, gevogelte en allerlei wilde dieren waren er in overvloed.We ondervonden dat de inboorlingen zich weinig aan ons gelegen lieten liggen en zich er blijkbaar niet om bekommerden of wij op het eiland dachten te blijven of niet. Blijkbaar verkeerden ze in het denkbeeld dat ons schip nog op de reede lag, terwijl het kort nadat de groote sloep aan boord was geheschen, zee gekozen had en voor goed uit ons gezicht verdwenen was.Den volgenden morgen trokken twee van ons in de eene richting, twee in de andere er op uit om te zien welk soort van terrein we om ons heen hadden, en al heel gauw kwamen we tot de geruststellende ontdekking, dat het eiland buitengewoon vruchtbaar was en uitstekend geschikt om te bewonen. Jammer alleen, dat de wezens die we overal aantroffen, nauwelijks menschelijkkonden genoemd worden.Op verschillende plaatsen zagen we vee en eetbare waren, maar hoe goed een en ander ons ook te pas zou zijn gekomen, waagden we het toch niet er de hand op te leggen, vreezende ons heel de barbaarsche bevolking tot vijand te maken. Liever gingen wij op het voorstel, van twee onzer in om te trachten door gebarentaal met de zwarten te spreken en zoo uit te vorschen, hoe hun gevoelens ten opzichte van ons waren.Behoorlijk gewapend, togen elf van onze mannen er met dit doel op uit en kwamen terug met het bericht, dat ze eenige inboorlingen ontmoet hadden, die zich niet onwillig betoonden, maar schuw en angstig voor hun geweren waren geweest. Blijkbaar wisten ze dus waarvoor die vuurwapens dienden.Toen de onzen door teekenen beduid hadden, dat ze voedsel verlangden, kwamen ze met kruiden, vruchten, wortels en wat melk aandragen, die ze evenwel niet van zins waren weg te geven, doch slechts te verruilen voor iets dat wij hen mochten aanbieden.Onze mannen stonden een oogenblik verlegen, daar ze niets hadden meegebracht, maar gelukkig kwam een van hen op den inval hun een mes voor te houden, en dit wekte zóó sterk hun begeerte, dat ze er hevige ruzie over kregen. Toen de matroos merkte hoeveel het hun waard was, besloot hij het ook niet voor een kleinigheid af te staan, liet ze tegen elkaar opbieden en gaf het ten slotte in ruil voor een geit.Daarop toonde een der andere matrozen hun ookeen mes, en toen ze niets meer bij zich hadden, goed genoeg om er voor in de plaats te geven, maakte een der wilden teekenen dat ze iets moois zouden gaan halen, en na drie uren wachtens, kwamen de zwarten terug met een kleine, korte, dikke koe, die ze voor het mes inwisselden.Schijnbaar hadden we dus goede zaken gemaakt, maar ons ongeluk was, dat we geen kramerijen of andere koopwaar bezaten, want onze messen waren van even groote waarde voor ons zelf als voor hen, en we zouden er ook zeker nooit twee hebben weggegeven, als we niet zoo verlegen waren geweest om voedsel.Maar na verloop van eenige dagen ondervonden we dat de bosschen wemelden van wild, ’t geen we, zonder hun aanstoot te geven, konden dooden, zoodat een paar van ons geregeld ter jacht trokken en nooit met leege handen thuis kwamen.Verder beraadslaagden we over ons geld, en besloten we al wat we hadden bijeen te brengen om het zoolang mogelijk te doen strekken. En toen mijn beurt kwam, haalde ik eenmoidorete voorschijn en de twee losse dollars die ik nog rijk was.Met het goudstuk wilde ik een gunstigen indruk op hen maken en tegelijk voorkomen dat ze mijn kleeren doorzochten. Mijn toeleg gelukte volkomen; ze prezen me dat ik zoo eerlijk al wat ik bezat in de gemeenschappelijke kas stortte.Ons geld bewees ons echter niet zulke goede diensten als we verwacht hadden, daar de menschen er gebruik noch waarde van kenden en geen flauw begrip toonden te bezitten van de meerdere koopkrachtvan goud boven zilver. Onze voorraad geld—toch al niet groot—zou dus niet lang strekken om ons van provisie te voorzien.Bij een volgende beraadslaging bleken we ’t er allen over eens, dat we moesten trachten zoo spoedig mogelijk van dit verwenschte eiland weg te komen. Ik had, wat mij betreft, het maken van een plan graag aan hen overgelaten en was liever de bosschen ingegaan om te jagen, maar ze wilden mij niet toestaan er alleen op uit te trekken, uit vrees voor de wilde dieren die het eiland onveilig maakten, zooals we later tot onze schade zouden ondervinden.Met een plan tot ontkoming raakten we niet verder dan dat we, onder leiding van onze twee timmerlieden, zouden trachten een boot te bouwen en daarmee in zee te gaan, hopende den terugweg naar Goa te vinden, of ergens anders te landen, vanwaar we Portugal weer zouden kunnen bereiken.Al heel spoedig hierna werd met het bouwen van een boot begonnen, maar het bleek dat onze mannen de moeilijkheden verre hadden onderschat. Gebrek aan zagen, aan spijkers, pennen en bouten, werk, pik en teer om de naden te dichten, maakte de onderneming zoo goed als hopeloos, en na lang en vruchteloos denken en tobben stelde een der matrozen voor, in plaats van een sloep, liever een kano te maken, wat veel eenvoudiger zou zijn.„Maar,” merkte een der anderen op „we zouden immers nooit in een kano den Oceaan kunnenoversteken naar de kust van Malabar! En niet alleen zouden we er ons niet mee in zee kunnen wagen, maar ’t vaartuigje zou ons ook niet kunnen houden, zeven en twintig man met al onze bagage en proviand!”Tegen dit bezwaar viel niet veel in te brengen, en toen ik nu zag dat ze voor ’t oogenblik ten einde raad waren, nam ik de vrijheid—wat anders mijn gewoonte niet was—met een voorstel voor den dag te komen.„’t Lijkt me niet onmogelijk,” zei ik, „een kano te bouwen, groot en sterk genoeg voor ons allen, maar Goa of de kust van Malabar zouden we nooit bereiken, al was ’t alleen maar omdat we geen drinkwater genoeg kunnen meenemen voor zoo’n lange reis. Het avontuur zou stellig op onzen ondergang uitloopen; ’t zou gelijk staan met zelfmoord. Maar toch ben ik er vóór, een kano te maken.”Hierop vielen er mij een paar in de rede en riepen schamper uit:„Als je ons niets nieuws hebt te vertellen, had je je mond wel kunnen houden! Jij vindt de onderneming dus even gevaarlijk als wij. Wat praat je dan van tòch een kano te willen maken? Dan kunnen we ons de moeite wel besparen.”„Maar mijn idee is niet,” verdedigde ik mij, „om in een kano te ontsnappen, maar om langs de kust van ons eiland te kruisen, in afwachting van een grooter vaartuig dat we misschien konden bemachtigen. Elk volk, hoe barbaarsch ook overigens, bevaart op de een of andere wijze dezee; als we een ruimere boot veroverd hadden, konden we ons daar weer verder mee wagen en mogelijk ten slotte een klein schip overrompelen, dat ons zou brengen waar we maar wilden.”Bestudeerde mijn handpalmen.Bestudeerde mijn handpalmen.„Een mooi plan!” riep de een spottend, de ander in ernst.„Ja, ja!” vond een derde (onze kanonnier) „de Engelsche hond heeft ons een prachtigen raad gegeven, maar hij vergeet één ding, dat hij ons op die manier allemaal aan de galg brengt. Eerst een boot, daarna een schip stelen—want daar komt het toch feitelijk op neer—maakt ons allemaal tot zeeroovers, en het eind van ’t lied zal zijn, dat we alle zeven-en-twintig moeten hangen.”„Goed!” riep een der timmerlui. „Dan maarals zeeroovers! Ik wil liever de kans loopen als zeeroover gehangen te worden dan hier van honger om te komen.„Ja!” vielen de anderen hem bij, „de raad lijkt nog zoo gek niet. Laten we in ieder geval maar een kano bouwen.”En zoo moest de kanonnier voor de overmacht zwichten. Maar toe we de vergadering ophieven, kwam hij naar me toe, bestudeerde met de grootste aandacht mijn handpalmen en toen mijn gezicht, en zei:„Mijn jongen, neem je in acht; je bent geboren om kwaad te doen en hebt al heel jong slechte zeerooverspraktijken geleerd. Houd je voor gewaarschuwd, of je zult een gemeene dief worden!”„Waar ik nog eenmaal toe komen zal,” antwoordde ik lachend, „kan ik nu nog moeilijk zeggen. Maar in den nood waarin wij nu verkeerden, zou ik zonder eenig gewetensbezwaar het eerste het beste vaartuig overmeesteren, dat we mochten ontmoeten. Mijn vurigste wensch is, dat dit oogenblik niet ver meer af mag zijn en we onze vrijheid spoedig zullen herkrijgen.”Nauwelijks had ik uitgesproken, of een der mannen die aan den ingang van onze hut had gestaan, kwam naar ons toe, roepende dat de timmerman, op een heuvel op den uitkijk, een zeil zag.Wij maakten een vuurWij maakten een vuurIn minder dan geen tijd waren we allen den heuvel opgestormd, van waar de timmerman ons onder heftig armgezwaai bleef toeschreeuwen: „Een zeil! Een zeil!” Maar al konden we ookallen duidelijk een schip zien, de afstand was te groot om door eenig signaal zijn aandacht te trekken. Toch sleepten we een berg hout aan en stookten een vuur, om zooveel mogelijk rook te maken, doch te vergeefs. Door een perspectief-kijker, die de kanonnier bij zich droeg, kon hij waarnemen dat het schip, onbewust van onze aanwezigheid op het eiland, met volle zeilen—de wind was O.N.O.—naar Kaap de Goede Hoop stevende.Onze blijdschap was dus al heel gauw in droefheid verkeerd, en om onze zinnen te verzetten, begonnen we maar onmiddellijk aan onze kano. Hard werkende en van drie bijlen voorzien, hadden we vier dagen noodig om een grooten boom, dien we voor ons vaartuig op ’t oog hadden, om te hakken en uit te hollen, en toen we onze eenvoudige boot in ’t water hadden gesleept en ze behoorlijk zeeklaar bleek, waren we even trotsch en gelukkig als we vroeger geweest zouden zijn, wanneer we een groot oorlogschip tot onze beschikking hadden gehad.De ruimte van ons vaartuig viel erg mee; behalve dat het ons allen met gemak herbergde, bleef er voldoende plaats voor heel wat proviand enz. over, zoodat bij eenigen van ons opnieuw den wensch opkwam, er den tocht naar Goa mee te ondernemen.Na ernstige overweging, bleken de bezwaren der watervoorziening, het gemis van een kompas,het onbeschut blootgesteld zijn aan zon en regen en aan de overslaande golven echter zóó onoverkomelijk, dat mijn voorstel ten slotte werd opgevolgd omlangs de kust te blijven kruisen en uit te zien of zich iets voordeed.Bij de eerste proefvaart, waaraan we allen deelnamen, hadden we al bijna een nat pak gehaald en er, voor een deel althans, haast het hachje bij in geschoten. Er stond een vrij hooge zee en ons vaartuig schommelde zoo en werd zóó heen en en weer geslingerd, dat we een oogenblik vreesden allen kopje onder te gaan; maar met groote inspanning gelukte het ons wat meer gang in de kano te brengen, zoodat ze wat vaster kwam te liggen, en ten slotte kregen we haar gelukkig weer onder de kust.Inmiddels geraakten we in steeds grooter moeilijkheden wat onze voedselvoorziening betrof.De inboorlingen bleken ons vriendschappelijk genoeg gezind en kwamen zelfs eens naar ons toe met hun koning of opperhoofd, bij welke gelegenheid ze een lange, met allerlei versierselen behangen stok of paal tusschen ons en hen in den grond plantten, ’t geen, zooals we later begrepen, een teeken van vredelievendheid en goeden wil was; ook sleepten ze vee, gevogelte, vruchten, wortels en allerlei eetbare waar aan; maar wat hielp ons dat alles, nu wij aan onzen kant niets bezaten om het mee te koopen of voor iets te ruilen. Hadden we maar wat kramerijen en versierselen bij ons gehad! Wat vergulde kettingen, glazen kralen, spiegeltjes of dergelijke prullen, dan zouden we vee en ander voedsel genoeg hebben kunnen koopen voor een heel leger of voor de bemanning van een oorlogsvloot, maar voor onsgoede geld konden we geen stuk bemachtigen.„Laten we ze aanvallen met onze vuurwapens en hun al het vee afnemen,” stelde ik voor. „Die zwarte kerels zullen hier beter aan den kost kunnen komen dan wij, en ik ben niet van plan me kalm te laten doodhongeren.”„Om dan morgen of overmorgen door een leger van tienduizend van die duivels te worden aangevallen?” vroeg een der matrozen.Ik moest erkennen dat ik aan dit gevaarlijk gevolg niet gedacht had en peinsde te vergeefs hoe toch een oplossing te vinden.„Heb je misschien een vijl onder je rommel?” vroeg opeens een der matrozen, die vroeger bij een fijn-smid gewerkt had.„Jawel,” antwoordde de timmerman,„maar ’t is maar een kleintje.”„Des te beter,” zei de smid, en hij liep met hem mee om verschillende gereedschappen bij elkaar te zoeken.’t Duurde niet lang of onze smid had een vuurtje aangelegd en was druk aan ’t werk om, met behulp van de vijl en een gebroken beitel, dien hij in ’t vuur gloeiend maakte, verschillende geheimzinnige werktuigjes te fabriceeren. Toen hij met zijn toebereidselen klaar was, nam hij een paar muntstukjes, sloeg ze met een hamer op een steen plat tot ze zoo dun waren als papier, ging er toen vogels en andere dieren van snijden en bevestigde al die figuren ten slotte aan elkaar, zoodat ze als armbanden en halskettingen dienst konden doen.Nadat hij in een dag of veertien verscheiden van die kunstige versierselen had gemaakt, besloten we het resultaat van zijn vernuft op de proef te stellen; en ’t was verrassend de dolle vreugde der inboorlingen waar te nemen. Voor een dun stukje zilver, in den vorm van een vogel, kregen we twee koeien, en voor een der onbeholpen koperen armbanden allerlei eetbare produkten, ter waarde van een paar honderd gulden. Wat dus in muntvorm niet de geringste waarde voor ons had, kocht ons, in groote sieraden omgezet, meer dan het honderdvoudige van ’t geen we er in een beschaafd land voor zouden hebben gekregen.Op deze wijze leefden we langer dan een jaar, waarin de gedachte aan een mogelijkheid ter ontkoming ons nooit losliet. Inmiddels hadden we ons van drie flinke kano’s voorzien, en daar de wind bijna overal op het eiland zes maanden in de eene en de overige zes maanden in de tegenovergestelde richting blies, leek het ons niet onmogelijk met onze lichte vaartuigen een langen tocht te ondernemen. Hoe dikwijls het avontuurlijke plan echter ook gewikt en gewogen werd, steeds stuitte het af op de moeilijkheid, het zoo’n ontzaglijk langen tijd als waarschijnlijk noodig zou blijken, zonder drinkwater uit te houden.Eindelijk overtuigd dat dit groote plan onuitvoerbaar was, zetten we het ons uit het hoofd en begonnen twee andere kansen te overwegen; de een was, in de andere richting, dus naar ’t westen, te varen en te trachten Kaap de GoedeHoop te bereiken, waar we wel spoedig een Portugeesch schip zouden treffen, of te trachten naar ’t vasteland van Afrika over te steken en dan te land of te water naar de Roode Zee te reizen, waar een schip van de een of andere natie ons stellig wel gauw zou oppikken. Misschien ook, konden wij hén inpikken, een denkbeeld dat mij steeds door den geest bleef spoken.Onze knappe „zilversmid,” zooals we hem voortaan noemden, kwam met het Roode Zee-plan voor den dag, maar de kanonnier zei: „Ik ben eens van mijn leven met een sloep in de Roode Zee geweest en kan er dus een beetje over meepraten. Als jullie daarheen koerst, kun je je testament wel maken, want je wordt er vast en zeker óf door de Arabieren vermoord, óf tot slaven gemaakt door de Turken.”„Wat ’hoeven we te denken,” bracht ik hierop in ’t midden, „aan vermoord worden of aan slavernij? Zijn we dan niet in staat om bijna elk vaartuig dat we in die zeeën mochten ontmoeten, aan boord te klampen? In plaats dat zij ons nemen, nemen wij hen!”„Flink zoo, zeeroover,” zei lachend de kanonnier, die mijn toekomst zoo donker had ingezien. „Dát moet ik je ten minste tot je eer nageven, dat je voet bij stuk houdt. En wat mijn bezwaren betreft, ik moet erkennen dat ons geen andere weg overblijft.”Na nog wat heen en weer gepraat, besloten ze mijn raad op te volgen: kruisen en op den uitkijk blijven.„In de allereerste plaats,” zei ik, „is te onderzoeken of onze eilandbewoners betere vaartuigen bezitten dan wij, en zoo ja, er hun een afnemen. Misschien lukt het ons wel er een met een behoorlijk zeil en een dek te bemachtigen.”Tot ons geluk bevond zich onder ons troepje ook een koksmaat, die een heel eenvoudige manier bedacht om vleesch te conserveeren, zonder vat of pekel. Hij behandelde het in de zon met salpeter, dat in overvloed op het eiland te vinden was. Eer we nog een middel ter ontkoming hadden uitgedacht, was onze vleeschvoorraad al gestegen tot zes of zeven koeien en tien of twaalf geiten, en dit geprepareerde vleesch was zóó smakelijk, dat we meestal niet eens de moeite namen het voor ’t gebruik te koken, maar het even roosterden, of maar eenvoudig zoo droog aten. Onze allergrootste moeilijkheid bleef het drinkwater, vooral omdat we geen vat hadden om het in te bewaren en op zee mee te nemen.Daar onze eerste reis zich evenwel niet verder dan langs de kust van ’t eiland zou uitstrekken, besloten we den tocht te ondernemen, wat de gevolgen ook mochten zijn; en om ons zooveel mogelijk voor dorst te vrijwaren, had de timmerman middenin een der kano’s een soort van bak gemaakt en dit middenstuk afgedekt, zoodat we er overheen konden loopen. De zorgvuldig dicht gemaakt ruimte was zoo groot, dat ze ongeveer een okshoofd water kon bevatten. Ik kan deze vergaarbak niet beter vergelijken dan bij de bun waarin de visscherspinken hun visschenbewaren, behalve natuurlijk dat ons reservoir geen gaten in den bodem had om het zeewater binnen te laten, doch integendeel geheel waterdicht gemaakt was.Na al de voorafgaande besprekingen, kon de reis gauw genoeg ondernomen worden. Daar ons doel was langs de kust te varen, in de hoop een geschikt vaartuig machtig te worden, om er de zee mee over te steken, leek het ons ’t verstandigste aan de westkust van het eiland te blijven, tot aan het punt waar dit zich in noordwestelijke richting, tot vrij dicht naar de kust van Afrika, uitstrekt.Ik geloof niet dat er ooit ter wereld zoo’n zeereis en met zoo’n slecht toegeruste bemanning, aanvaard is. Zeker kozen we de ongunstigste zijde van het eiland om vreemde schepen te ontmoeten, daar deze doorgang of straat zeer weinig bevaren werd. Hoe het zij, wij staken in zee, nadat we al ons hebben en houden, onze ammunitie en proviand in de eerste plaats, aan boord hadden gebracht. Voor onze twee grootste kano’s hadden we masten en zeilen, de andere pagaaiden we voort, zoo goed en zoo kwaad als ’t ging; maar toen er een rukwind kwam opzetten, namen we haar op sleeptouw.
HOOFDSTUKII.Aan wal gezet
Na dit strenge optreden, smeekte een der matrozen, wat stoutmoediger dan de anderen, den kapitein, nòg eenige mannen aan wal te zetten om hun kameraads te helpen in hun strijd tegen de wilden, maar ’t mocht niet baten. Geprikkeld door ’t verzet dat hij overal om zich heen voelde, trad de gezagvoerder aan de ballustrade van het halfdek en sprak de bemanning kalm toe, wel overtuigd dat—had hij een ruwen toon aangeslagen—zeker twee derde het schip zou hebben verlaten.„’t Is zoowel in jullie eigen belang als in het mijne,” zei hij, „dat ik tot dezen ernstigen maatregel ben overgegaan. Muiterij aan boord staat gelijk met verraad in een koninklijk paleis, en ik zou tegenover de eigenaars van schip en lading niet verantwoord zijn, wanneer ik menschen aan boord duldde, die er met de misdadigste gedachten rondloopen. Zelf zou ik hartelijk wenschen, dat ik ze ergens anders aan wal had kunnen zetten, waar ze een vreedzamer bevolking hadden getroffen, of dat ik ze aan een rechtbank in eenChristenmaatschappij had kunnen uitleveren. Had ik bepaald hun ongeluk op ’t oog gehad, dan had ik ze, evengoed als de beide anderen, aan boord kunnen terechtstellen. Jullie ziet, ik geef ze graag een kans, maar ik kan onmogelijk mijn eigen leven en het behoud van het schip, waarvoor ik de verantwoordelijkheid draag, in de waagschaal stellen. Mochten er evenwel onder jullie zijn, die liever het schip verlaten dan hun plicht te doen, dan geef ik hen hiertoe volle vrijheid, al meen ik dit niet aan jullie verdiend te hebben. Maar álles liever—zelfs al zou ik ook alleen aan boord moeten blijven—dan met een troep verraders onder zeil te gaan, die ’t op mijn leven gemunt hebben.”En sprak de bemanning kalmeerend toe.En sprak de bemanning kalmeerend toe.Deze toespraak werd met zooveel overtuiging tot de matrozen gericht en was op zichzelf zoo redelijk, dat de meesten van hen zich voor ’t oogenblik bij de weigering neerlegden. Anderen evenwel staken de hoofden bijeen en schenen maar niet tot een besluit te kunnen komen. Tegen den avond—de wind was gaan liggen en de kap’tein had bevel gegeven pas tegen den morgen het anker te lichten, meldden zich drie en twintig mannen, waaronder twee timmerlieden en de chirurgijnsassistent bij den eersten stuurman. Ze verzochten hem den kapitein mede te deelen, dat ze aan wal gezet wenschten te worden om daar, zoo noodig met hun kameraads te sterven. Door versterking van hun aantal vertrouwden ze echter groote kans te hebben zich tegenover de wilden te handhaven tot zich eindelijk misschien eens een gelegenheid voor zou doen op ’t een of ander schip naar hun vaderland te ontkomen.Maar de eerste stuurman had geen lust in het „akkevietje.”„Als jullie besloten zijn ’t schip te verlaten, raad ik je aan, morgenochtend heel vroeg de groote sloep te nemen en stiekem naar land te roeien. Laat een briefje achter, dat jullie de sloep eerlijk zult afleveren aan de mannen die hij er om zendt. Ik beloof je zoolang mijn mond te zullen houden.”En zoo gebeurde het.Een uur voor het aanbreken van den dag, werd de groote sloep gestreken en scheepten de drie-en-twintig mannen zich in, ruimschoots voorzien van snaphanen, hartsvangers, pistolen, hellebaardenen pieken, en met een flinken voorraad kruit en kogels. Veel proviand hadden ze niet kunnen bemachtigen—enkel een kleine vijftig brooden—maar hun kisten met kleeren, instrumenten, gereedschappen en boeken werden alle mee ingeladen, en alles ging zóó stil in zijn werk, dat ze reeds halverwege de kust waren, eer de kap’tein er iets van bemerkte.Zoodra hij de vluchtelingen zag verdwijnen, gaf hij den kanonniersmaat—de kanonnier zelf lag ziek ter kooi—bevel op hen te schieten, maar tot zijn groote ergernis moest hij hooren, dat de maat tot de deserteurs behoorde en ze door zijn toedoen allerlei wapens en ammunitie hadden kunnen meenemen.Toen, begrijpende dat er niets aan te doen was, nam de kap’tein den schijn aan alsof ’t gebeurde hem onverschillig liet en sprak hij de overige manschappen wijselijk zeer vriendschappelijk toe.„Ik verheug me,” zei hij, „over den trouw en de bekwaamheid van mijn overgebleven bemanning en heb besloten, het loon dat de deserteurs toekwam, onder jullie te verdeelen. Ons schip is nu gelukkig geheel gezuiverd van dat onbetrouwbare muiterspak, dat naar mijn vaste overtuiging niet de minste reden had tot ontevredenheid.”Na deze tweede toespraak werd den kapitein de brief overhandigd waarin de vluchtingen verklaarden niets te hebben meegenomen wat hun eigendom niet was, behalve eenige wapens en ammunitie, die ze beslist noodig hadden, zoowel tot zelfverweer als om vogels en andere dierente dooden voor hun levensonderhoud. Daar ze evenwel een vrij groote som te goed hadden aan soldij, meenden ze de meegenomen artikelen daarmee dubbel en dwars betaald te hebben. De sloep zouden ze uitleveren aan wie hij wenschte te zenden, zonder eenige poging van hun kant hun vroegere kameraads tot medeplichtigheid over te halen. Onder aan den brief verzochten ze den kapitein alleen nog dringend, hun nóg een vaatje kruit en andere ammunitie te zenden en hun toe te staan den mast en het zeil van de sloep te houden, om, als ze eens zelf kans mochten zien een boot te maken, zee te kunnen kiezen, vertrouwende dat hun gesternte hen in behouden haven zou voeren.Na lezing van het eerbiedig gestelde geschrift riep de kap’tein de mannen nog eens op het halfdek bijeen, las den brief voor en sprak:„Hoewel de deserteurs alle aanspraak op mijn welwillendheid verbeurd hebben, wensch ik hun lot toch niet noodeloos te verzwaren. Ik ben dus besloten hun wat meer ammunitie te verstrekken. In plaats van het eene vat kruit waarom ze verzoeken, zal ik hun er twee zenden, en verder kogels, lood en kogelvormen naar verhouding. En om jullie te toonen dat ik geen kwaad met kwaad wensch te vergelden, zal ik nog een vaatje rum en een zak brood voor hen doen meegeven om hen in ’t leven te houden, tot ze zich zelf van voedsel kunnen voorzien.”De bemanning juichte den kap’tein voor zijn edelmoedigheid toe en ieder van hen zonderdeiets van zijn bezittingen voor ons af. Omstreeks drie uur in den middag kwam de pinas met zijn zoo welkomen inhoud voor den wal en leverden wij de groote sloep uit. Voorzichtigheidshalve had de kap’tein wel zorg gedragen enkel zeer beproefde matrozen naar ons toe te zenden, uit vrees dat anderen zich misschien nog door ons zouden laten overreden bij ons te blijven, of ons mee terug te nemen, wat hij ten strengste verboden had.Met ons zeven-en-twintigen—allen behoorlijk van wapenen voorzien—vormden we nu een flinken troep, waaronder, tot ons groote geluk, twee timmerlui, een kanonnier en, wat meer waard was dan al het andere, een chirurgijn of dokter, dat wil zeggen een assistent van een geneesheer te Goa, daar door ons aangemonsterd.De timmerlieden hadden een welvoorziene kist met gereedschappen en de dokter al zijn instrumenten en medicijnen meegebracht; alles bij elkaar gerekend, bedroeg onze bagage heel wat, ofschoon enkelen van ons, waaronder ikzelf, weinig meer bezaten dan de kleeren die ze aan hun lijf droegen.Maar ik had toch iets van groote waarde, waarop zij geen van allen aanspraak konden maken, n.l. de twee-en-twintig goudenmoidores, die ik in Brazilië gestolen had en nog een paar kleinere goudstukken. Alleen de kleinere goudstukken liet ik zien en éénmoidore, en geen van mijn lotgenooten had ook maar het geringste vermoeden van mijn rijkdom, daar ze mij allen kenden als een arme jongen, die door mijn vroegeren wreedenmeester uit medelijden opgenomen en als een slaaf behandeld was.’t Is te begrijpen dat wij vieren, die het eerst op het eiland waren afgezet, meer dan gelukkig waren over de komst der overigen, ofschoon we eerst vreesden dat ze gezonden zouden zijn om ons terug te halen en op te hangen.Het eerste groote nieuws dat ze ons vertelden, nadat ze ons in ’t kort het verhaal hadden gedaan van hun goed geslaagde vlucht, was—dat onze vroegere makker de timmerman veilig en wel aan boord was aangeland. Toen hij in zijn angst van ons wegliep, hadden we nooit gedacht dat hij werkelijk het schip zwemmende zou kunnen bereiken. We geloofden eerder dat hij in de bosschen verdwaald geraakt en nu in de handen der inboorlingen was gevallen of wel door wilde beesten verscheurd, beide voorstellingen buitengewoon geschikt om ons met de grootste zorg voor onze eigen naaste toekomst te vervullen.Daar we nu, mits we elkaar trouw ter zijde stonden, met onze bewapening een vrij aanzienlijke macht vormden tegenover de barbaren, gaven we elkaar plechtig de hand, dat geen van ons zich ooit zou afscheiden, doch dat we samen zouden leven en sterven; dat we het wild dat we mochten dooden, eerlijk zouden verdeelen en ons in alle meeningsverschillen bij het oordeel der meerderheid zouden neerleggen; dat we een kapitein zouden benoemen, dien we, op straffe des doods, hadden te gehoorzamen; dat we dit ambt beurtelings zouden vervullen, maar dat onzeaanvoerder het oordeel der anderen moest inroepen en niet tegen den wensch der meerderheid mocht handelen.Nadat wij deze regels hadden vastgesteld, besloten wij maatregelen te treffen voor onze voedselvoorziening en hiertoe verbinding te zoeken met de inboorlingen. Hoewel ze ons wel van nut waren en eetbare artikelen wisten te verschaffen, bemoeiden we ons toch niet meer met hen dan strikt noodzakelijk was, daar we hen als een dom, ruw, gulzig en wreed menschensoort leerden kennen, erger nog dan eenig ander onbeschaafd volk, dat we tot nu toe hadden ontmoet. Voor ons levensonderhoud zouden we wel in hoofdzaak aangewezen zijn op onze geweren; herten, gevogelte en allerlei wilde dieren waren er in overvloed.We ondervonden dat de inboorlingen zich weinig aan ons gelegen lieten liggen en zich er blijkbaar niet om bekommerden of wij op het eiland dachten te blijven of niet. Blijkbaar verkeerden ze in het denkbeeld dat ons schip nog op de reede lag, terwijl het kort nadat de groote sloep aan boord was geheschen, zee gekozen had en voor goed uit ons gezicht verdwenen was.Den volgenden morgen trokken twee van ons in de eene richting, twee in de andere er op uit om te zien welk soort van terrein we om ons heen hadden, en al heel gauw kwamen we tot de geruststellende ontdekking, dat het eiland buitengewoon vruchtbaar was en uitstekend geschikt om te bewonen. Jammer alleen, dat de wezens die we overal aantroffen, nauwelijks menschelijkkonden genoemd worden.Op verschillende plaatsen zagen we vee en eetbare waren, maar hoe goed een en ander ons ook te pas zou zijn gekomen, waagden we het toch niet er de hand op te leggen, vreezende ons heel de barbaarsche bevolking tot vijand te maken. Liever gingen wij op het voorstel, van twee onzer in om te trachten door gebarentaal met de zwarten te spreken en zoo uit te vorschen, hoe hun gevoelens ten opzichte van ons waren.Behoorlijk gewapend, togen elf van onze mannen er met dit doel op uit en kwamen terug met het bericht, dat ze eenige inboorlingen ontmoet hadden, die zich niet onwillig betoonden, maar schuw en angstig voor hun geweren waren geweest. Blijkbaar wisten ze dus waarvoor die vuurwapens dienden.Toen de onzen door teekenen beduid hadden, dat ze voedsel verlangden, kwamen ze met kruiden, vruchten, wortels en wat melk aandragen, die ze evenwel niet van zins waren weg te geven, doch slechts te verruilen voor iets dat wij hen mochten aanbieden.Onze mannen stonden een oogenblik verlegen, daar ze niets hadden meegebracht, maar gelukkig kwam een van hen op den inval hun een mes voor te houden, en dit wekte zóó sterk hun begeerte, dat ze er hevige ruzie over kregen. Toen de matroos merkte hoeveel het hun waard was, besloot hij het ook niet voor een kleinigheid af te staan, liet ze tegen elkaar opbieden en gaf het ten slotte in ruil voor een geit.Daarop toonde een der andere matrozen hun ookeen mes, en toen ze niets meer bij zich hadden, goed genoeg om er voor in de plaats te geven, maakte een der wilden teekenen dat ze iets moois zouden gaan halen, en na drie uren wachtens, kwamen de zwarten terug met een kleine, korte, dikke koe, die ze voor het mes inwisselden.Schijnbaar hadden we dus goede zaken gemaakt, maar ons ongeluk was, dat we geen kramerijen of andere koopwaar bezaten, want onze messen waren van even groote waarde voor ons zelf als voor hen, en we zouden er ook zeker nooit twee hebben weggegeven, als we niet zoo verlegen waren geweest om voedsel.Maar na verloop van eenige dagen ondervonden we dat de bosschen wemelden van wild, ’t geen we, zonder hun aanstoot te geven, konden dooden, zoodat een paar van ons geregeld ter jacht trokken en nooit met leege handen thuis kwamen.Verder beraadslaagden we over ons geld, en besloten we al wat we hadden bijeen te brengen om het zoolang mogelijk te doen strekken. En toen mijn beurt kwam, haalde ik eenmoidorete voorschijn en de twee losse dollars die ik nog rijk was.Met het goudstuk wilde ik een gunstigen indruk op hen maken en tegelijk voorkomen dat ze mijn kleeren doorzochten. Mijn toeleg gelukte volkomen; ze prezen me dat ik zoo eerlijk al wat ik bezat in de gemeenschappelijke kas stortte.Ons geld bewees ons echter niet zulke goede diensten als we verwacht hadden, daar de menschen er gebruik noch waarde van kenden en geen flauw begrip toonden te bezitten van de meerdere koopkrachtvan goud boven zilver. Onze voorraad geld—toch al niet groot—zou dus niet lang strekken om ons van provisie te voorzien.Bij een volgende beraadslaging bleken we ’t er allen over eens, dat we moesten trachten zoo spoedig mogelijk van dit verwenschte eiland weg te komen. Ik had, wat mij betreft, het maken van een plan graag aan hen overgelaten en was liever de bosschen ingegaan om te jagen, maar ze wilden mij niet toestaan er alleen op uit te trekken, uit vrees voor de wilde dieren die het eiland onveilig maakten, zooals we later tot onze schade zouden ondervinden.Met een plan tot ontkoming raakten we niet verder dan dat we, onder leiding van onze twee timmerlieden, zouden trachten een boot te bouwen en daarmee in zee te gaan, hopende den terugweg naar Goa te vinden, of ergens anders te landen, vanwaar we Portugal weer zouden kunnen bereiken.Al heel spoedig hierna werd met het bouwen van een boot begonnen, maar het bleek dat onze mannen de moeilijkheden verre hadden onderschat. Gebrek aan zagen, aan spijkers, pennen en bouten, werk, pik en teer om de naden te dichten, maakte de onderneming zoo goed als hopeloos, en na lang en vruchteloos denken en tobben stelde een der matrozen voor, in plaats van een sloep, liever een kano te maken, wat veel eenvoudiger zou zijn.„Maar,” merkte een der anderen op „we zouden immers nooit in een kano den Oceaan kunnenoversteken naar de kust van Malabar! En niet alleen zouden we er ons niet mee in zee kunnen wagen, maar ’t vaartuigje zou ons ook niet kunnen houden, zeven en twintig man met al onze bagage en proviand!”Tegen dit bezwaar viel niet veel in te brengen, en toen ik nu zag dat ze voor ’t oogenblik ten einde raad waren, nam ik de vrijheid—wat anders mijn gewoonte niet was—met een voorstel voor den dag te komen.„’t Lijkt me niet onmogelijk,” zei ik, „een kano te bouwen, groot en sterk genoeg voor ons allen, maar Goa of de kust van Malabar zouden we nooit bereiken, al was ’t alleen maar omdat we geen drinkwater genoeg kunnen meenemen voor zoo’n lange reis. Het avontuur zou stellig op onzen ondergang uitloopen; ’t zou gelijk staan met zelfmoord. Maar toch ben ik er vóór, een kano te maken.”Hierop vielen er mij een paar in de rede en riepen schamper uit:„Als je ons niets nieuws hebt te vertellen, had je je mond wel kunnen houden! Jij vindt de onderneming dus even gevaarlijk als wij. Wat praat je dan van tòch een kano te willen maken? Dan kunnen we ons de moeite wel besparen.”„Maar mijn idee is niet,” verdedigde ik mij, „om in een kano te ontsnappen, maar om langs de kust van ons eiland te kruisen, in afwachting van een grooter vaartuig dat we misschien konden bemachtigen. Elk volk, hoe barbaarsch ook overigens, bevaart op de een of andere wijze dezee; als we een ruimere boot veroverd hadden, konden we ons daar weer verder mee wagen en mogelijk ten slotte een klein schip overrompelen, dat ons zou brengen waar we maar wilden.”Bestudeerde mijn handpalmen.Bestudeerde mijn handpalmen.„Een mooi plan!” riep de een spottend, de ander in ernst.„Ja, ja!” vond een derde (onze kanonnier) „de Engelsche hond heeft ons een prachtigen raad gegeven, maar hij vergeet één ding, dat hij ons op die manier allemaal aan de galg brengt. Eerst een boot, daarna een schip stelen—want daar komt het toch feitelijk op neer—maakt ons allemaal tot zeeroovers, en het eind van ’t lied zal zijn, dat we alle zeven-en-twintig moeten hangen.”„Goed!” riep een der timmerlui. „Dan maarals zeeroovers! Ik wil liever de kans loopen als zeeroover gehangen te worden dan hier van honger om te komen.„Ja!” vielen de anderen hem bij, „de raad lijkt nog zoo gek niet. Laten we in ieder geval maar een kano bouwen.”En zoo moest de kanonnier voor de overmacht zwichten. Maar toe we de vergadering ophieven, kwam hij naar me toe, bestudeerde met de grootste aandacht mijn handpalmen en toen mijn gezicht, en zei:„Mijn jongen, neem je in acht; je bent geboren om kwaad te doen en hebt al heel jong slechte zeerooverspraktijken geleerd. Houd je voor gewaarschuwd, of je zult een gemeene dief worden!”„Waar ik nog eenmaal toe komen zal,” antwoordde ik lachend, „kan ik nu nog moeilijk zeggen. Maar in den nood waarin wij nu verkeerden, zou ik zonder eenig gewetensbezwaar het eerste het beste vaartuig overmeesteren, dat we mochten ontmoeten. Mijn vurigste wensch is, dat dit oogenblik niet ver meer af mag zijn en we onze vrijheid spoedig zullen herkrijgen.”Nauwelijks had ik uitgesproken, of een der mannen die aan den ingang van onze hut had gestaan, kwam naar ons toe, roepende dat de timmerman, op een heuvel op den uitkijk, een zeil zag.Wij maakten een vuurWij maakten een vuurIn minder dan geen tijd waren we allen den heuvel opgestormd, van waar de timmerman ons onder heftig armgezwaai bleef toeschreeuwen: „Een zeil! Een zeil!” Maar al konden we ookallen duidelijk een schip zien, de afstand was te groot om door eenig signaal zijn aandacht te trekken. Toch sleepten we een berg hout aan en stookten een vuur, om zooveel mogelijk rook te maken, doch te vergeefs. Door een perspectief-kijker, die de kanonnier bij zich droeg, kon hij waarnemen dat het schip, onbewust van onze aanwezigheid op het eiland, met volle zeilen—de wind was O.N.O.—naar Kaap de Goede Hoop stevende.Onze blijdschap was dus al heel gauw in droefheid verkeerd, en om onze zinnen te verzetten, begonnen we maar onmiddellijk aan onze kano. Hard werkende en van drie bijlen voorzien, hadden we vier dagen noodig om een grooten boom, dien we voor ons vaartuig op ’t oog hadden, om te hakken en uit te hollen, en toen we onze eenvoudige boot in ’t water hadden gesleept en ze behoorlijk zeeklaar bleek, waren we even trotsch en gelukkig als we vroeger geweest zouden zijn, wanneer we een groot oorlogschip tot onze beschikking hadden gehad.De ruimte van ons vaartuig viel erg mee; behalve dat het ons allen met gemak herbergde, bleef er voldoende plaats voor heel wat proviand enz. over, zoodat bij eenigen van ons opnieuw den wensch opkwam, er den tocht naar Goa mee te ondernemen.Na ernstige overweging, bleken de bezwaren der watervoorziening, het gemis van een kompas,het onbeschut blootgesteld zijn aan zon en regen en aan de overslaande golven echter zóó onoverkomelijk, dat mijn voorstel ten slotte werd opgevolgd omlangs de kust te blijven kruisen en uit te zien of zich iets voordeed.Bij de eerste proefvaart, waaraan we allen deelnamen, hadden we al bijna een nat pak gehaald en er, voor een deel althans, haast het hachje bij in geschoten. Er stond een vrij hooge zee en ons vaartuig schommelde zoo en werd zóó heen en en weer geslingerd, dat we een oogenblik vreesden allen kopje onder te gaan; maar met groote inspanning gelukte het ons wat meer gang in de kano te brengen, zoodat ze wat vaster kwam te liggen, en ten slotte kregen we haar gelukkig weer onder de kust.Inmiddels geraakten we in steeds grooter moeilijkheden wat onze voedselvoorziening betrof.De inboorlingen bleken ons vriendschappelijk genoeg gezind en kwamen zelfs eens naar ons toe met hun koning of opperhoofd, bij welke gelegenheid ze een lange, met allerlei versierselen behangen stok of paal tusschen ons en hen in den grond plantten, ’t geen, zooals we later begrepen, een teeken van vredelievendheid en goeden wil was; ook sleepten ze vee, gevogelte, vruchten, wortels en allerlei eetbare waar aan; maar wat hielp ons dat alles, nu wij aan onzen kant niets bezaten om het mee te koopen of voor iets te ruilen. Hadden we maar wat kramerijen en versierselen bij ons gehad! Wat vergulde kettingen, glazen kralen, spiegeltjes of dergelijke prullen, dan zouden we vee en ander voedsel genoeg hebben kunnen koopen voor een heel leger of voor de bemanning van een oorlogsvloot, maar voor onsgoede geld konden we geen stuk bemachtigen.„Laten we ze aanvallen met onze vuurwapens en hun al het vee afnemen,” stelde ik voor. „Die zwarte kerels zullen hier beter aan den kost kunnen komen dan wij, en ik ben niet van plan me kalm te laten doodhongeren.”„Om dan morgen of overmorgen door een leger van tienduizend van die duivels te worden aangevallen?” vroeg een der matrozen.Ik moest erkennen dat ik aan dit gevaarlijk gevolg niet gedacht had en peinsde te vergeefs hoe toch een oplossing te vinden.„Heb je misschien een vijl onder je rommel?” vroeg opeens een der matrozen, die vroeger bij een fijn-smid gewerkt had.„Jawel,” antwoordde de timmerman,„maar ’t is maar een kleintje.”„Des te beter,” zei de smid, en hij liep met hem mee om verschillende gereedschappen bij elkaar te zoeken.’t Duurde niet lang of onze smid had een vuurtje aangelegd en was druk aan ’t werk om, met behulp van de vijl en een gebroken beitel, dien hij in ’t vuur gloeiend maakte, verschillende geheimzinnige werktuigjes te fabriceeren. Toen hij met zijn toebereidselen klaar was, nam hij een paar muntstukjes, sloeg ze met een hamer op een steen plat tot ze zoo dun waren als papier, ging er toen vogels en andere dieren van snijden en bevestigde al die figuren ten slotte aan elkaar, zoodat ze als armbanden en halskettingen dienst konden doen.Nadat hij in een dag of veertien verscheiden van die kunstige versierselen had gemaakt, besloten we het resultaat van zijn vernuft op de proef te stellen; en ’t was verrassend de dolle vreugde der inboorlingen waar te nemen. Voor een dun stukje zilver, in den vorm van een vogel, kregen we twee koeien, en voor een der onbeholpen koperen armbanden allerlei eetbare produkten, ter waarde van een paar honderd gulden. Wat dus in muntvorm niet de geringste waarde voor ons had, kocht ons, in groote sieraden omgezet, meer dan het honderdvoudige van ’t geen we er in een beschaafd land voor zouden hebben gekregen.Op deze wijze leefden we langer dan een jaar, waarin de gedachte aan een mogelijkheid ter ontkoming ons nooit losliet. Inmiddels hadden we ons van drie flinke kano’s voorzien, en daar de wind bijna overal op het eiland zes maanden in de eene en de overige zes maanden in de tegenovergestelde richting blies, leek het ons niet onmogelijk met onze lichte vaartuigen een langen tocht te ondernemen. Hoe dikwijls het avontuurlijke plan echter ook gewikt en gewogen werd, steeds stuitte het af op de moeilijkheid, het zoo’n ontzaglijk langen tijd als waarschijnlijk noodig zou blijken, zonder drinkwater uit te houden.Eindelijk overtuigd dat dit groote plan onuitvoerbaar was, zetten we het ons uit het hoofd en begonnen twee andere kansen te overwegen; de een was, in de andere richting, dus naar ’t westen, te varen en te trachten Kaap de GoedeHoop te bereiken, waar we wel spoedig een Portugeesch schip zouden treffen, of te trachten naar ’t vasteland van Afrika over te steken en dan te land of te water naar de Roode Zee te reizen, waar een schip van de een of andere natie ons stellig wel gauw zou oppikken. Misschien ook, konden wij hén inpikken, een denkbeeld dat mij steeds door den geest bleef spoken.Onze knappe „zilversmid,” zooals we hem voortaan noemden, kwam met het Roode Zee-plan voor den dag, maar de kanonnier zei: „Ik ben eens van mijn leven met een sloep in de Roode Zee geweest en kan er dus een beetje over meepraten. Als jullie daarheen koerst, kun je je testament wel maken, want je wordt er vast en zeker óf door de Arabieren vermoord, óf tot slaven gemaakt door de Turken.”„Wat ’hoeven we te denken,” bracht ik hierop in ’t midden, „aan vermoord worden of aan slavernij? Zijn we dan niet in staat om bijna elk vaartuig dat we in die zeeën mochten ontmoeten, aan boord te klampen? In plaats dat zij ons nemen, nemen wij hen!”„Flink zoo, zeeroover,” zei lachend de kanonnier, die mijn toekomst zoo donker had ingezien. „Dát moet ik je ten minste tot je eer nageven, dat je voet bij stuk houdt. En wat mijn bezwaren betreft, ik moet erkennen dat ons geen andere weg overblijft.”Na nog wat heen en weer gepraat, besloten ze mijn raad op te volgen: kruisen en op den uitkijk blijven.„In de allereerste plaats,” zei ik, „is te onderzoeken of onze eilandbewoners betere vaartuigen bezitten dan wij, en zoo ja, er hun een afnemen. Misschien lukt het ons wel er een met een behoorlijk zeil en een dek te bemachtigen.”Tot ons geluk bevond zich onder ons troepje ook een koksmaat, die een heel eenvoudige manier bedacht om vleesch te conserveeren, zonder vat of pekel. Hij behandelde het in de zon met salpeter, dat in overvloed op het eiland te vinden was. Eer we nog een middel ter ontkoming hadden uitgedacht, was onze vleeschvoorraad al gestegen tot zes of zeven koeien en tien of twaalf geiten, en dit geprepareerde vleesch was zóó smakelijk, dat we meestal niet eens de moeite namen het voor ’t gebruik te koken, maar het even roosterden, of maar eenvoudig zoo droog aten. Onze allergrootste moeilijkheid bleef het drinkwater, vooral omdat we geen vat hadden om het in te bewaren en op zee mee te nemen.Daar onze eerste reis zich evenwel niet verder dan langs de kust van ’t eiland zou uitstrekken, besloten we den tocht te ondernemen, wat de gevolgen ook mochten zijn; en om ons zooveel mogelijk voor dorst te vrijwaren, had de timmerman middenin een der kano’s een soort van bak gemaakt en dit middenstuk afgedekt, zoodat we er overheen konden loopen. De zorgvuldig dicht gemaakt ruimte was zoo groot, dat ze ongeveer een okshoofd water kon bevatten. Ik kan deze vergaarbak niet beter vergelijken dan bij de bun waarin de visscherspinken hun visschenbewaren, behalve natuurlijk dat ons reservoir geen gaten in den bodem had om het zeewater binnen te laten, doch integendeel geheel waterdicht gemaakt was.Na al de voorafgaande besprekingen, kon de reis gauw genoeg ondernomen worden. Daar ons doel was langs de kust te varen, in de hoop een geschikt vaartuig machtig te worden, om er de zee mee over te steken, leek het ons ’t verstandigste aan de westkust van het eiland te blijven, tot aan het punt waar dit zich in noordwestelijke richting, tot vrij dicht naar de kust van Afrika, uitstrekt.Ik geloof niet dat er ooit ter wereld zoo’n zeereis en met zoo’n slecht toegeruste bemanning, aanvaard is. Zeker kozen we de ongunstigste zijde van het eiland om vreemde schepen te ontmoeten, daar deze doorgang of straat zeer weinig bevaren werd. Hoe het zij, wij staken in zee, nadat we al ons hebben en houden, onze ammunitie en proviand in de eerste plaats, aan boord hadden gebracht. Voor onze twee grootste kano’s hadden we masten en zeilen, de andere pagaaiden we voort, zoo goed en zoo kwaad als ’t ging; maar toen er een rukwind kwam opzetten, namen we haar op sleeptouw.
Na dit strenge optreden, smeekte een der matrozen, wat stoutmoediger dan de anderen, den kapitein, nòg eenige mannen aan wal te zetten om hun kameraads te helpen in hun strijd tegen de wilden, maar ’t mocht niet baten. Geprikkeld door ’t verzet dat hij overal om zich heen voelde, trad de gezagvoerder aan de ballustrade van het halfdek en sprak de bemanning kalm toe, wel overtuigd dat—had hij een ruwen toon aangeslagen—zeker twee derde het schip zou hebben verlaten.
„’t Is zoowel in jullie eigen belang als in het mijne,” zei hij, „dat ik tot dezen ernstigen maatregel ben overgegaan. Muiterij aan boord staat gelijk met verraad in een koninklijk paleis, en ik zou tegenover de eigenaars van schip en lading niet verantwoord zijn, wanneer ik menschen aan boord duldde, die er met de misdadigste gedachten rondloopen. Zelf zou ik hartelijk wenschen, dat ik ze ergens anders aan wal had kunnen zetten, waar ze een vreedzamer bevolking hadden getroffen, of dat ik ze aan een rechtbank in eenChristenmaatschappij had kunnen uitleveren. Had ik bepaald hun ongeluk op ’t oog gehad, dan had ik ze, evengoed als de beide anderen, aan boord kunnen terechtstellen. Jullie ziet, ik geef ze graag een kans, maar ik kan onmogelijk mijn eigen leven en het behoud van het schip, waarvoor ik de verantwoordelijkheid draag, in de waagschaal stellen. Mochten er evenwel onder jullie zijn, die liever het schip verlaten dan hun plicht te doen, dan geef ik hen hiertoe volle vrijheid, al meen ik dit niet aan jullie verdiend te hebben. Maar álles liever—zelfs al zou ik ook alleen aan boord moeten blijven—dan met een troep verraders onder zeil te gaan, die ’t op mijn leven gemunt hebben.”
En sprak de bemanning kalmeerend toe.En sprak de bemanning kalmeerend toe.
En sprak de bemanning kalmeerend toe.
Deze toespraak werd met zooveel overtuiging tot de matrozen gericht en was op zichzelf zoo redelijk, dat de meesten van hen zich voor ’t oogenblik bij de weigering neerlegden. Anderen evenwel staken de hoofden bijeen en schenen maar niet tot een besluit te kunnen komen. Tegen den avond—de wind was gaan liggen en de kap’tein had bevel gegeven pas tegen den morgen het anker te lichten, meldden zich drie en twintig mannen, waaronder twee timmerlieden en de chirurgijnsassistent bij den eersten stuurman. Ze verzochten hem den kapitein mede te deelen, dat ze aan wal gezet wenschten te worden om daar, zoo noodig met hun kameraads te sterven. Door versterking van hun aantal vertrouwden ze echter groote kans te hebben zich tegenover de wilden te handhaven tot zich eindelijk misschien eens een gelegenheid voor zou doen op ’t een of ander schip naar hun vaderland te ontkomen.
Maar de eerste stuurman had geen lust in het „akkevietje.”
„Als jullie besloten zijn ’t schip te verlaten, raad ik je aan, morgenochtend heel vroeg de groote sloep te nemen en stiekem naar land te roeien. Laat een briefje achter, dat jullie de sloep eerlijk zult afleveren aan de mannen die hij er om zendt. Ik beloof je zoolang mijn mond te zullen houden.”
En zoo gebeurde het.
Een uur voor het aanbreken van den dag, werd de groote sloep gestreken en scheepten de drie-en-twintig mannen zich in, ruimschoots voorzien van snaphanen, hartsvangers, pistolen, hellebaardenen pieken, en met een flinken voorraad kruit en kogels. Veel proviand hadden ze niet kunnen bemachtigen—enkel een kleine vijftig brooden—maar hun kisten met kleeren, instrumenten, gereedschappen en boeken werden alle mee ingeladen, en alles ging zóó stil in zijn werk, dat ze reeds halverwege de kust waren, eer de kap’tein er iets van bemerkte.
Zoodra hij de vluchtelingen zag verdwijnen, gaf hij den kanonniersmaat—de kanonnier zelf lag ziek ter kooi—bevel op hen te schieten, maar tot zijn groote ergernis moest hij hooren, dat de maat tot de deserteurs behoorde en ze door zijn toedoen allerlei wapens en ammunitie hadden kunnen meenemen.
Toen, begrijpende dat er niets aan te doen was, nam de kap’tein den schijn aan alsof ’t gebeurde hem onverschillig liet en sprak hij de overige manschappen wijselijk zeer vriendschappelijk toe.
„Ik verheug me,” zei hij, „over den trouw en de bekwaamheid van mijn overgebleven bemanning en heb besloten, het loon dat de deserteurs toekwam, onder jullie te verdeelen. Ons schip is nu gelukkig geheel gezuiverd van dat onbetrouwbare muiterspak, dat naar mijn vaste overtuiging niet de minste reden had tot ontevredenheid.”
Na deze tweede toespraak werd den kapitein de brief overhandigd waarin de vluchtingen verklaarden niets te hebben meegenomen wat hun eigendom niet was, behalve eenige wapens en ammunitie, die ze beslist noodig hadden, zoowel tot zelfverweer als om vogels en andere dierente dooden voor hun levensonderhoud. Daar ze evenwel een vrij groote som te goed hadden aan soldij, meenden ze de meegenomen artikelen daarmee dubbel en dwars betaald te hebben. De sloep zouden ze uitleveren aan wie hij wenschte te zenden, zonder eenige poging van hun kant hun vroegere kameraads tot medeplichtigheid over te halen. Onder aan den brief verzochten ze den kapitein alleen nog dringend, hun nóg een vaatje kruit en andere ammunitie te zenden en hun toe te staan den mast en het zeil van de sloep te houden, om, als ze eens zelf kans mochten zien een boot te maken, zee te kunnen kiezen, vertrouwende dat hun gesternte hen in behouden haven zou voeren.
Na lezing van het eerbiedig gestelde geschrift riep de kap’tein de mannen nog eens op het halfdek bijeen, las den brief voor en sprak:
„Hoewel de deserteurs alle aanspraak op mijn welwillendheid verbeurd hebben, wensch ik hun lot toch niet noodeloos te verzwaren. Ik ben dus besloten hun wat meer ammunitie te verstrekken. In plaats van het eene vat kruit waarom ze verzoeken, zal ik hun er twee zenden, en verder kogels, lood en kogelvormen naar verhouding. En om jullie te toonen dat ik geen kwaad met kwaad wensch te vergelden, zal ik nog een vaatje rum en een zak brood voor hen doen meegeven om hen in ’t leven te houden, tot ze zich zelf van voedsel kunnen voorzien.”
De bemanning juichte den kap’tein voor zijn edelmoedigheid toe en ieder van hen zonderdeiets van zijn bezittingen voor ons af. Omstreeks drie uur in den middag kwam de pinas met zijn zoo welkomen inhoud voor den wal en leverden wij de groote sloep uit. Voorzichtigheidshalve had de kap’tein wel zorg gedragen enkel zeer beproefde matrozen naar ons toe te zenden, uit vrees dat anderen zich misschien nog door ons zouden laten overreden bij ons te blijven, of ons mee terug te nemen, wat hij ten strengste verboden had.
Met ons zeven-en-twintigen—allen behoorlijk van wapenen voorzien—vormden we nu een flinken troep, waaronder, tot ons groote geluk, twee timmerlui, een kanonnier en, wat meer waard was dan al het andere, een chirurgijn of dokter, dat wil zeggen een assistent van een geneesheer te Goa, daar door ons aangemonsterd.
De timmerlieden hadden een welvoorziene kist met gereedschappen en de dokter al zijn instrumenten en medicijnen meegebracht; alles bij elkaar gerekend, bedroeg onze bagage heel wat, ofschoon enkelen van ons, waaronder ikzelf, weinig meer bezaten dan de kleeren die ze aan hun lijf droegen.
Maar ik had toch iets van groote waarde, waarop zij geen van allen aanspraak konden maken, n.l. de twee-en-twintig goudenmoidores, die ik in Brazilië gestolen had en nog een paar kleinere goudstukken. Alleen de kleinere goudstukken liet ik zien en éénmoidore, en geen van mijn lotgenooten had ook maar het geringste vermoeden van mijn rijkdom, daar ze mij allen kenden als een arme jongen, die door mijn vroegeren wreedenmeester uit medelijden opgenomen en als een slaaf behandeld was.
’t Is te begrijpen dat wij vieren, die het eerst op het eiland waren afgezet, meer dan gelukkig waren over de komst der overigen, ofschoon we eerst vreesden dat ze gezonden zouden zijn om ons terug te halen en op te hangen.
Het eerste groote nieuws dat ze ons vertelden, nadat ze ons in ’t kort het verhaal hadden gedaan van hun goed geslaagde vlucht, was—dat onze vroegere makker de timmerman veilig en wel aan boord was aangeland. Toen hij in zijn angst van ons wegliep, hadden we nooit gedacht dat hij werkelijk het schip zwemmende zou kunnen bereiken. We geloofden eerder dat hij in de bosschen verdwaald geraakt en nu in de handen der inboorlingen was gevallen of wel door wilde beesten verscheurd, beide voorstellingen buitengewoon geschikt om ons met de grootste zorg voor onze eigen naaste toekomst te vervullen.
Daar we nu, mits we elkaar trouw ter zijde stonden, met onze bewapening een vrij aanzienlijke macht vormden tegenover de barbaren, gaven we elkaar plechtig de hand, dat geen van ons zich ooit zou afscheiden, doch dat we samen zouden leven en sterven; dat we het wild dat we mochten dooden, eerlijk zouden verdeelen en ons in alle meeningsverschillen bij het oordeel der meerderheid zouden neerleggen; dat we een kapitein zouden benoemen, dien we, op straffe des doods, hadden te gehoorzamen; dat we dit ambt beurtelings zouden vervullen, maar dat onzeaanvoerder het oordeel der anderen moest inroepen en niet tegen den wensch der meerderheid mocht handelen.
Nadat wij deze regels hadden vastgesteld, besloten wij maatregelen te treffen voor onze voedselvoorziening en hiertoe verbinding te zoeken met de inboorlingen. Hoewel ze ons wel van nut waren en eetbare artikelen wisten te verschaffen, bemoeiden we ons toch niet meer met hen dan strikt noodzakelijk was, daar we hen als een dom, ruw, gulzig en wreed menschensoort leerden kennen, erger nog dan eenig ander onbeschaafd volk, dat we tot nu toe hadden ontmoet. Voor ons levensonderhoud zouden we wel in hoofdzaak aangewezen zijn op onze geweren; herten, gevogelte en allerlei wilde dieren waren er in overvloed.
We ondervonden dat de inboorlingen zich weinig aan ons gelegen lieten liggen en zich er blijkbaar niet om bekommerden of wij op het eiland dachten te blijven of niet. Blijkbaar verkeerden ze in het denkbeeld dat ons schip nog op de reede lag, terwijl het kort nadat de groote sloep aan boord was geheschen, zee gekozen had en voor goed uit ons gezicht verdwenen was.
Den volgenden morgen trokken twee van ons in de eene richting, twee in de andere er op uit om te zien welk soort van terrein we om ons heen hadden, en al heel gauw kwamen we tot de geruststellende ontdekking, dat het eiland buitengewoon vruchtbaar was en uitstekend geschikt om te bewonen. Jammer alleen, dat de wezens die we overal aantroffen, nauwelijks menschelijkkonden genoemd worden.
Op verschillende plaatsen zagen we vee en eetbare waren, maar hoe goed een en ander ons ook te pas zou zijn gekomen, waagden we het toch niet er de hand op te leggen, vreezende ons heel de barbaarsche bevolking tot vijand te maken. Liever gingen wij op het voorstel, van twee onzer in om te trachten door gebarentaal met de zwarten te spreken en zoo uit te vorschen, hoe hun gevoelens ten opzichte van ons waren.
Behoorlijk gewapend, togen elf van onze mannen er met dit doel op uit en kwamen terug met het bericht, dat ze eenige inboorlingen ontmoet hadden, die zich niet onwillig betoonden, maar schuw en angstig voor hun geweren waren geweest. Blijkbaar wisten ze dus waarvoor die vuurwapens dienden.
Toen de onzen door teekenen beduid hadden, dat ze voedsel verlangden, kwamen ze met kruiden, vruchten, wortels en wat melk aandragen, die ze evenwel niet van zins waren weg te geven, doch slechts te verruilen voor iets dat wij hen mochten aanbieden.
Onze mannen stonden een oogenblik verlegen, daar ze niets hadden meegebracht, maar gelukkig kwam een van hen op den inval hun een mes voor te houden, en dit wekte zóó sterk hun begeerte, dat ze er hevige ruzie over kregen. Toen de matroos merkte hoeveel het hun waard was, besloot hij het ook niet voor een kleinigheid af te staan, liet ze tegen elkaar opbieden en gaf het ten slotte in ruil voor een geit.
Daarop toonde een der andere matrozen hun ookeen mes, en toen ze niets meer bij zich hadden, goed genoeg om er voor in de plaats te geven, maakte een der wilden teekenen dat ze iets moois zouden gaan halen, en na drie uren wachtens, kwamen de zwarten terug met een kleine, korte, dikke koe, die ze voor het mes inwisselden.
Schijnbaar hadden we dus goede zaken gemaakt, maar ons ongeluk was, dat we geen kramerijen of andere koopwaar bezaten, want onze messen waren van even groote waarde voor ons zelf als voor hen, en we zouden er ook zeker nooit twee hebben weggegeven, als we niet zoo verlegen waren geweest om voedsel.
Maar na verloop van eenige dagen ondervonden we dat de bosschen wemelden van wild, ’t geen we, zonder hun aanstoot te geven, konden dooden, zoodat een paar van ons geregeld ter jacht trokken en nooit met leege handen thuis kwamen.
Verder beraadslaagden we over ons geld, en besloten we al wat we hadden bijeen te brengen om het zoolang mogelijk te doen strekken. En toen mijn beurt kwam, haalde ik eenmoidorete voorschijn en de twee losse dollars die ik nog rijk was.
Met het goudstuk wilde ik een gunstigen indruk op hen maken en tegelijk voorkomen dat ze mijn kleeren doorzochten. Mijn toeleg gelukte volkomen; ze prezen me dat ik zoo eerlijk al wat ik bezat in de gemeenschappelijke kas stortte.
Ons geld bewees ons echter niet zulke goede diensten als we verwacht hadden, daar de menschen er gebruik noch waarde van kenden en geen flauw begrip toonden te bezitten van de meerdere koopkrachtvan goud boven zilver. Onze voorraad geld—toch al niet groot—zou dus niet lang strekken om ons van provisie te voorzien.
Bij een volgende beraadslaging bleken we ’t er allen over eens, dat we moesten trachten zoo spoedig mogelijk van dit verwenschte eiland weg te komen. Ik had, wat mij betreft, het maken van een plan graag aan hen overgelaten en was liever de bosschen ingegaan om te jagen, maar ze wilden mij niet toestaan er alleen op uit te trekken, uit vrees voor de wilde dieren die het eiland onveilig maakten, zooals we later tot onze schade zouden ondervinden.
Met een plan tot ontkoming raakten we niet verder dan dat we, onder leiding van onze twee timmerlieden, zouden trachten een boot te bouwen en daarmee in zee te gaan, hopende den terugweg naar Goa te vinden, of ergens anders te landen, vanwaar we Portugal weer zouden kunnen bereiken.
Al heel spoedig hierna werd met het bouwen van een boot begonnen, maar het bleek dat onze mannen de moeilijkheden verre hadden onderschat. Gebrek aan zagen, aan spijkers, pennen en bouten, werk, pik en teer om de naden te dichten, maakte de onderneming zoo goed als hopeloos, en na lang en vruchteloos denken en tobben stelde een der matrozen voor, in plaats van een sloep, liever een kano te maken, wat veel eenvoudiger zou zijn.
„Maar,” merkte een der anderen op „we zouden immers nooit in een kano den Oceaan kunnenoversteken naar de kust van Malabar! En niet alleen zouden we er ons niet mee in zee kunnen wagen, maar ’t vaartuigje zou ons ook niet kunnen houden, zeven en twintig man met al onze bagage en proviand!”
Tegen dit bezwaar viel niet veel in te brengen, en toen ik nu zag dat ze voor ’t oogenblik ten einde raad waren, nam ik de vrijheid—wat anders mijn gewoonte niet was—met een voorstel voor den dag te komen.
„’t Lijkt me niet onmogelijk,” zei ik, „een kano te bouwen, groot en sterk genoeg voor ons allen, maar Goa of de kust van Malabar zouden we nooit bereiken, al was ’t alleen maar omdat we geen drinkwater genoeg kunnen meenemen voor zoo’n lange reis. Het avontuur zou stellig op onzen ondergang uitloopen; ’t zou gelijk staan met zelfmoord. Maar toch ben ik er vóór, een kano te maken.”
Hierop vielen er mij een paar in de rede en riepen schamper uit:
„Als je ons niets nieuws hebt te vertellen, had je je mond wel kunnen houden! Jij vindt de onderneming dus even gevaarlijk als wij. Wat praat je dan van tòch een kano te willen maken? Dan kunnen we ons de moeite wel besparen.”
„Maar mijn idee is niet,” verdedigde ik mij, „om in een kano te ontsnappen, maar om langs de kust van ons eiland te kruisen, in afwachting van een grooter vaartuig dat we misschien konden bemachtigen. Elk volk, hoe barbaarsch ook overigens, bevaart op de een of andere wijze dezee; als we een ruimere boot veroverd hadden, konden we ons daar weer verder mee wagen en mogelijk ten slotte een klein schip overrompelen, dat ons zou brengen waar we maar wilden.”
Bestudeerde mijn handpalmen.Bestudeerde mijn handpalmen.
Bestudeerde mijn handpalmen.
„Een mooi plan!” riep de een spottend, de ander in ernst.
„Ja, ja!” vond een derde (onze kanonnier) „de Engelsche hond heeft ons een prachtigen raad gegeven, maar hij vergeet één ding, dat hij ons op die manier allemaal aan de galg brengt. Eerst een boot, daarna een schip stelen—want daar komt het toch feitelijk op neer—maakt ons allemaal tot zeeroovers, en het eind van ’t lied zal zijn, dat we alle zeven-en-twintig moeten hangen.”
„Goed!” riep een der timmerlui. „Dan maarals zeeroovers! Ik wil liever de kans loopen als zeeroover gehangen te worden dan hier van honger om te komen.
„Ja!” vielen de anderen hem bij, „de raad lijkt nog zoo gek niet. Laten we in ieder geval maar een kano bouwen.”
En zoo moest de kanonnier voor de overmacht zwichten. Maar toe we de vergadering ophieven, kwam hij naar me toe, bestudeerde met de grootste aandacht mijn handpalmen en toen mijn gezicht, en zei:
„Mijn jongen, neem je in acht; je bent geboren om kwaad te doen en hebt al heel jong slechte zeerooverspraktijken geleerd. Houd je voor gewaarschuwd, of je zult een gemeene dief worden!”
„Waar ik nog eenmaal toe komen zal,” antwoordde ik lachend, „kan ik nu nog moeilijk zeggen. Maar in den nood waarin wij nu verkeerden, zou ik zonder eenig gewetensbezwaar het eerste het beste vaartuig overmeesteren, dat we mochten ontmoeten. Mijn vurigste wensch is, dat dit oogenblik niet ver meer af mag zijn en we onze vrijheid spoedig zullen herkrijgen.”
Nauwelijks had ik uitgesproken, of een der mannen die aan den ingang van onze hut had gestaan, kwam naar ons toe, roepende dat de timmerman, op een heuvel op den uitkijk, een zeil zag.
Wij maakten een vuurWij maakten een vuur
Wij maakten een vuur
In minder dan geen tijd waren we allen den heuvel opgestormd, van waar de timmerman ons onder heftig armgezwaai bleef toeschreeuwen: „Een zeil! Een zeil!” Maar al konden we ookallen duidelijk een schip zien, de afstand was te groot om door eenig signaal zijn aandacht te trekken. Toch sleepten we een berg hout aan en stookten een vuur, om zooveel mogelijk rook te maken, doch te vergeefs. Door een perspectief-kijker, die de kanonnier bij zich droeg, kon hij waarnemen dat het schip, onbewust van onze aanwezigheid op het eiland, met volle zeilen—de wind was O.N.O.—naar Kaap de Goede Hoop stevende.
Onze blijdschap was dus al heel gauw in droefheid verkeerd, en om onze zinnen te verzetten, begonnen we maar onmiddellijk aan onze kano. Hard werkende en van drie bijlen voorzien, hadden we vier dagen noodig om een grooten boom, dien we voor ons vaartuig op ’t oog hadden, om te hakken en uit te hollen, en toen we onze eenvoudige boot in ’t water hadden gesleept en ze behoorlijk zeeklaar bleek, waren we even trotsch en gelukkig als we vroeger geweest zouden zijn, wanneer we een groot oorlogschip tot onze beschikking hadden gehad.
De ruimte van ons vaartuig viel erg mee; behalve dat het ons allen met gemak herbergde, bleef er voldoende plaats voor heel wat proviand enz. over, zoodat bij eenigen van ons opnieuw den wensch opkwam, er den tocht naar Goa mee te ondernemen.
Na ernstige overweging, bleken de bezwaren der watervoorziening, het gemis van een kompas,het onbeschut blootgesteld zijn aan zon en regen en aan de overslaande golven echter zóó onoverkomelijk, dat mijn voorstel ten slotte werd opgevolgd omlangs de kust te blijven kruisen en uit te zien of zich iets voordeed.
Bij de eerste proefvaart, waaraan we allen deelnamen, hadden we al bijna een nat pak gehaald en er, voor een deel althans, haast het hachje bij in geschoten. Er stond een vrij hooge zee en ons vaartuig schommelde zoo en werd zóó heen en en weer geslingerd, dat we een oogenblik vreesden allen kopje onder te gaan; maar met groote inspanning gelukte het ons wat meer gang in de kano te brengen, zoodat ze wat vaster kwam te liggen, en ten slotte kregen we haar gelukkig weer onder de kust.
Inmiddels geraakten we in steeds grooter moeilijkheden wat onze voedselvoorziening betrof.
De inboorlingen bleken ons vriendschappelijk genoeg gezind en kwamen zelfs eens naar ons toe met hun koning of opperhoofd, bij welke gelegenheid ze een lange, met allerlei versierselen behangen stok of paal tusschen ons en hen in den grond plantten, ’t geen, zooals we later begrepen, een teeken van vredelievendheid en goeden wil was; ook sleepten ze vee, gevogelte, vruchten, wortels en allerlei eetbare waar aan; maar wat hielp ons dat alles, nu wij aan onzen kant niets bezaten om het mee te koopen of voor iets te ruilen. Hadden we maar wat kramerijen en versierselen bij ons gehad! Wat vergulde kettingen, glazen kralen, spiegeltjes of dergelijke prullen, dan zouden we vee en ander voedsel genoeg hebben kunnen koopen voor een heel leger of voor de bemanning van een oorlogsvloot, maar voor onsgoede geld konden we geen stuk bemachtigen.
„Laten we ze aanvallen met onze vuurwapens en hun al het vee afnemen,” stelde ik voor. „Die zwarte kerels zullen hier beter aan den kost kunnen komen dan wij, en ik ben niet van plan me kalm te laten doodhongeren.”
„Om dan morgen of overmorgen door een leger van tienduizend van die duivels te worden aangevallen?” vroeg een der matrozen.
Ik moest erkennen dat ik aan dit gevaarlijk gevolg niet gedacht had en peinsde te vergeefs hoe toch een oplossing te vinden.
„Heb je misschien een vijl onder je rommel?” vroeg opeens een der matrozen, die vroeger bij een fijn-smid gewerkt had.
„Jawel,” antwoordde de timmerman,„maar ’t is maar een kleintje.”
„Des te beter,” zei de smid, en hij liep met hem mee om verschillende gereedschappen bij elkaar te zoeken.
’t Duurde niet lang of onze smid had een vuurtje aangelegd en was druk aan ’t werk om, met behulp van de vijl en een gebroken beitel, dien hij in ’t vuur gloeiend maakte, verschillende geheimzinnige werktuigjes te fabriceeren. Toen hij met zijn toebereidselen klaar was, nam hij een paar muntstukjes, sloeg ze met een hamer op een steen plat tot ze zoo dun waren als papier, ging er toen vogels en andere dieren van snijden en bevestigde al die figuren ten slotte aan elkaar, zoodat ze als armbanden en halskettingen dienst konden doen.
Nadat hij in een dag of veertien verscheiden van die kunstige versierselen had gemaakt, besloten we het resultaat van zijn vernuft op de proef te stellen; en ’t was verrassend de dolle vreugde der inboorlingen waar te nemen. Voor een dun stukje zilver, in den vorm van een vogel, kregen we twee koeien, en voor een der onbeholpen koperen armbanden allerlei eetbare produkten, ter waarde van een paar honderd gulden. Wat dus in muntvorm niet de geringste waarde voor ons had, kocht ons, in groote sieraden omgezet, meer dan het honderdvoudige van ’t geen we er in een beschaafd land voor zouden hebben gekregen.
Op deze wijze leefden we langer dan een jaar, waarin de gedachte aan een mogelijkheid ter ontkoming ons nooit losliet. Inmiddels hadden we ons van drie flinke kano’s voorzien, en daar de wind bijna overal op het eiland zes maanden in de eene en de overige zes maanden in de tegenovergestelde richting blies, leek het ons niet onmogelijk met onze lichte vaartuigen een langen tocht te ondernemen. Hoe dikwijls het avontuurlijke plan echter ook gewikt en gewogen werd, steeds stuitte het af op de moeilijkheid, het zoo’n ontzaglijk langen tijd als waarschijnlijk noodig zou blijken, zonder drinkwater uit te houden.
Eindelijk overtuigd dat dit groote plan onuitvoerbaar was, zetten we het ons uit het hoofd en begonnen twee andere kansen te overwegen; de een was, in de andere richting, dus naar ’t westen, te varen en te trachten Kaap de GoedeHoop te bereiken, waar we wel spoedig een Portugeesch schip zouden treffen, of te trachten naar ’t vasteland van Afrika over te steken en dan te land of te water naar de Roode Zee te reizen, waar een schip van de een of andere natie ons stellig wel gauw zou oppikken. Misschien ook, konden wij hén inpikken, een denkbeeld dat mij steeds door den geest bleef spoken.
Onze knappe „zilversmid,” zooals we hem voortaan noemden, kwam met het Roode Zee-plan voor den dag, maar de kanonnier zei: „Ik ben eens van mijn leven met een sloep in de Roode Zee geweest en kan er dus een beetje over meepraten. Als jullie daarheen koerst, kun je je testament wel maken, want je wordt er vast en zeker óf door de Arabieren vermoord, óf tot slaven gemaakt door de Turken.”
„Wat ’hoeven we te denken,” bracht ik hierop in ’t midden, „aan vermoord worden of aan slavernij? Zijn we dan niet in staat om bijna elk vaartuig dat we in die zeeën mochten ontmoeten, aan boord te klampen? In plaats dat zij ons nemen, nemen wij hen!”
„Flink zoo, zeeroover,” zei lachend de kanonnier, die mijn toekomst zoo donker had ingezien. „Dát moet ik je ten minste tot je eer nageven, dat je voet bij stuk houdt. En wat mijn bezwaren betreft, ik moet erkennen dat ons geen andere weg overblijft.”
Na nog wat heen en weer gepraat, besloten ze mijn raad op te volgen: kruisen en op den uitkijk blijven.
„In de allereerste plaats,” zei ik, „is te onderzoeken of onze eilandbewoners betere vaartuigen bezitten dan wij, en zoo ja, er hun een afnemen. Misschien lukt het ons wel er een met een behoorlijk zeil en een dek te bemachtigen.”
Tot ons geluk bevond zich onder ons troepje ook een koksmaat, die een heel eenvoudige manier bedacht om vleesch te conserveeren, zonder vat of pekel. Hij behandelde het in de zon met salpeter, dat in overvloed op het eiland te vinden was. Eer we nog een middel ter ontkoming hadden uitgedacht, was onze vleeschvoorraad al gestegen tot zes of zeven koeien en tien of twaalf geiten, en dit geprepareerde vleesch was zóó smakelijk, dat we meestal niet eens de moeite namen het voor ’t gebruik te koken, maar het even roosterden, of maar eenvoudig zoo droog aten. Onze allergrootste moeilijkheid bleef het drinkwater, vooral omdat we geen vat hadden om het in te bewaren en op zee mee te nemen.
Daar onze eerste reis zich evenwel niet verder dan langs de kust van ’t eiland zou uitstrekken, besloten we den tocht te ondernemen, wat de gevolgen ook mochten zijn; en om ons zooveel mogelijk voor dorst te vrijwaren, had de timmerman middenin een der kano’s een soort van bak gemaakt en dit middenstuk afgedekt, zoodat we er overheen konden loopen. De zorgvuldig dicht gemaakt ruimte was zoo groot, dat ze ongeveer een okshoofd water kon bevatten. Ik kan deze vergaarbak niet beter vergelijken dan bij de bun waarin de visscherspinken hun visschenbewaren, behalve natuurlijk dat ons reservoir geen gaten in den bodem had om het zeewater binnen te laten, doch integendeel geheel waterdicht gemaakt was.
Na al de voorafgaande besprekingen, kon de reis gauw genoeg ondernomen worden. Daar ons doel was langs de kust te varen, in de hoop een geschikt vaartuig machtig te worden, om er de zee mee over te steken, leek het ons ’t verstandigste aan de westkust van het eiland te blijven, tot aan het punt waar dit zich in noordwestelijke richting, tot vrij dicht naar de kust van Afrika, uitstrekt.
Ik geloof niet dat er ooit ter wereld zoo’n zeereis en met zoo’n slecht toegeruste bemanning, aanvaard is. Zeker kozen we de ongunstigste zijde van het eiland om vreemde schepen te ontmoeten, daar deze doorgang of straat zeer weinig bevaren werd. Hoe het zij, wij staken in zee, nadat we al ons hebben en houden, onze ammunitie en proviand in de eerste plaats, aan boord hadden gebracht. Voor onze twee grootste kano’s hadden we masten en zeilen, de andere pagaaiden we voort, zoo goed en zoo kwaad als ’t ging; maar toen er een rukwind kwam opzetten, namen we haar op sleeptouw.