HOOFDSTUK III.Rondom MadagaskarGedurende verscheiden dagen zeilden we vroolijk voorwaarts, zonder iets hinderlijks op onzen weg te ontmoeten. Hier en daar zagen we inboorlingen in kleine kano’s op de vischvangst, maar als we hen trachten te naderen, zochten ze—blijkbaar bang voor ons—zoo gauw mogelijk de kust te bereiken.Toen we dit tot onze teleurstelling een paar maal ondervonden hadden, kwam een onzer timmerlui op den inval, om, bij wijze van vredesvlag, een staak omhoog te steken, op de manier als zij gedaan hadden, toen ze hun koning aan ons kwamen voorstellen, en deze maatregel had de gewenschte uitwerking. Zoodra zij den volgenden ochtend den paal opmerkten dien wij in onze kleinste kano hadden omhoog gezet, wachtten ze ons af en pagaaiden ons zelfs een eindweegs te gemoet om ons een paar groote visschen aan te bieden, die wij niet kenden, maar die later bleken uitstekend te smaken.Jammer was het, ook nu weer, dat wij geen voldoende ruilmiddelen bezaten, doch onze fijnsmid bood hun twee ruitvormig gesneden en zeer dun geslagen zilverstukjes aan, met een gaatje in eender hoeken, en dit primitieve sieraad stemde hen zoo dankbaar, dat ze ons beduidden te wachten tot ze opnieuw hun netten zouden hebben opgehaald, waarna ze ons zooveel visch gaven als we slechts begeerden.Die een lap katoen aan haar mast had gebonden.Die een lap katoen aan haar mast had gebonden.Al dien tijd hielden we ’t oog gevestigd op hun bootjes, overwegende of ze ons op onzen tocht van dienst zouden kunnen zijn, maar ’t waren armzalige vaartuigjes; de zeilen bestonden uit een groote mat; behalve bij één kano, die een lap katoen aan haar mast had gebonden, en we besloten dus hun in ’t rustig bezit van hun eigendom te laten en verder noordwaarts te stevenen.Gedurende twaalf dagen bleven we voortdurend onder de kust, en daar de wind O.Z.O. was,hielden we een flink vaartje.We ontdekten geen enkele stad langs de kust, zelfs geen dorp; wel telkens eenige hutten bij elkaar tusschen de rotsen en groepjes menschen, blijkbaar toegeloopen om naar ons te kijken.Onze kleine vloot van drie schepen, met een kleine dertig gewapenden bemand, vormde zoo’n groot gevaar voor hen, dat ze ons stellig al wat ze bijeen konden brengen hadden willen geven om ons weer veilig kwijt te zijn. En aan den anderen kant voelden wij ons niet minder angstig en bezorgd en onveilig dan zij, afgaande op een doel, dat nauwelijks een doel kon genoemd worden.Naarmate we noordelijker kwamen, nam de hitte toe, en al spoedig werd ze ons—op het water en geheel onbeschut—bijna ondraaglijk. ’t Was October, en daar we ons op ’t zuidelijk halfrond bevonden, kwamen we als ’t ware elken dag wat dichter bij de zon. Een dag of vijf, zes geleden, waren we den keerkring gepasseerd, dus zou de zon nog een paar dagen later in haar zenith, vlak boven onze hoofden staan.Dit overwegende en tevens gedrongen door proviandgebrek, besloten we een geschikt plekje te zoeken om aan wal te gaan en onze tenten op te slaan, tot de hitte wat zou verminderen. Naar onze berekening hadden we half de lengte van het eiland langs gevaren en het punt bereikt, dat, naar het noordwesten uitstekende, het dichtst het vasteland van Afrika nadert. Toch vreesden we dat de afstand nog wel een honderdtwintig zeemijlen zou bedragen.Vroeg in den morgen voeren we dus naar de kust, ’t geen we alle drie of vier dagen deden om drinkwater te halen, en overlegden of we hier eenigen tijd zouden kampeeren; om allerlei redenen echter, kwam de plek ons niet geschikt voor en besloten we de reis nog maar eenigen tijd voort te zetten.Nadat we nog een week met een frisch briesje uit het Zuid-Oosten in noordwestelijke richting hadden voortgezeild, bereikten we een kaap of voorgebergte, dat ver in zee uitstak, en daar we brandend nieuwsgierig waren om te ontdekken wat er aan den anderen kant der kaap zou zijn, kwamen we overeen er om heen te zeilen, voor en aleer we een haven opzochten. We koersten dus maar weer verder, doch hoewel de wind aanhield, duurde het toch nog vier dagen eer we den uitstekende rots bereikten. En toen wachtte ons helaas een bittere teleurstelling! De kust week n.l. aan den anderen kant plotseling terug, blijkbaar nog veel meer dan aan de zuidzijde het geval was. Wilden we dus naar Afrika oversteken, dan moest het van dit punt zijn; verderop werd de zee steeds breeder—hoe breed wel, viel moeilijk te berekenen.Nog geheel onder den indruk van dezen tegenslag, werden we overvallen door zulke geweldige regen- en donderbuien als we nog zelden hadden bijgewoond. Haast-je, rep-je trachtten we dus de kust te bereiken en pagaaiden, door de kaap beschut, een kleine kreek in, die geheel door takken over-groeid was.Uitgeput van vermoeienis en door en door nat zag onze zaak er vrij wanhopig uit, en onze „duivelskunstenaar”,zooals een onzer den smid gedoopt had, plaatste een groot houten kruis op een rots, ongeveer een mijl van de kaap, en schreef er op, in ’t Portugeesch natuurlijk:„Kaap Wanhoop—God helpe ons!”Een groot houten kruis.Een groot houten kruis.Zoodra we wat bekomen waren, begonnen we een vuurtje te stoken om onze kleeren te drogen en daarna hout voor onze hutten bijeen te garen.Ons kamp werd ingericht aan de zuidzijde van de kreek en onder de beschutting van een steilen heuvel ten N.W., die gelukkig een groot deel van den dag de zonnestralen onderschepte. Een zoetwater beekje mondde in de kreek uit, en we zagen in een laagvlakte, oostelijk van ons, vee grazen enin zuidelijke richting een weg.Op deze gunstig gelegen plek bouwden we twaalf hutten van boomtakken, die we in den grond staken en van boven met dunne twijgjes en dergelijke bij elkaar bonden. De kreek vormde onze natuurlijke bescherming aan de noordzijde, de beek ten westen, en den zuid- en oostkant versterkten we met een wal die onze hutten geheel verborg. Achter dezen wal stonden onze woonhutten, en op behoorlijken afstand drie andere, kleinere hutten, één veiligheidshalve uitsluitend voor ons kruit bestemd, de tweede voor onze gereedschappen en proviand en de derde en grootste tot eet-, gezelschaps- en vergaderlokaal ingericht.Met behulp van de ruitvormige zilveren hangers, die onze smid weer dadelijk ging fabriceeren, viel het ons niet moeilijk ook hier met de inboorlingen handel te drijven, en onze koksmaat had al gauw de handen vol met het drogen en zouten van vijftig stuks zwart vee en geiten, terwijl de omtrek ons meer dan genoeg vruchten en eetbare wortelen opleverde.Zoo hielden we omstreeks vier maanden het leven, en toen de zon naar de evenaarslijn was teruggedraaid begonnen we onze volgende reis te beramen, om n.l. de straat van Zanquebar (Zanzibar), zooals de Portugezen haar noemen, over te steken en zoo mogelijk het vaste land van Afrika te bereiken.Voor zoover we elkaar verstaan konden, bespraken we het plan met verschillende inboorlingen, maar al wat we van hen te weten kwamen was,dat er aan den anderen kant van de zee een groot land lag, vol tijgers en leeuwen. Van den afstand hadden ze geen flauw begrip, terwijl onze mannen dien schatten op honderd à honderdvijftig mijlen, hoewel een van hen, die een wereldkaart bezat, hun duidelijk maakte dat het traject volgens de schaal niet meer dan tachtig zeemijlen kon zijn. Ook waren ze ’t er niet over eens of er onderweg eilanden lagen die we konden aandoen, en een oude, blinde, door een klein jongetje geleiden man ried ons tot einde Augustus op Madagaskar te blijven, daar we dan op een gunstigen wind en een kalme zee konden rekenen.In zekeren zin een zeer verheugende mededeeling, maar het langer blijven lachte onze mannen heel weinig toe, te minder omdat de zon in dien tijd dan weer naar het zuiden zou draaien.Ten slotte werd er weer raad belegd, en na veel en vervelend heen en weer praten zagen ze in, dat we, indien ons eenige verlangen was voldoende te eten en te drinken, gerust konden blijven waar we waren, doch dat we, als we ooit ons eigen land weer wenschten te bereiken, nu scheep dienden te gaan.Ik voor mij was met plezier op het eiland gebleven en had een eigenaardig voorgevoel, dat ik er nog eens zou terugkomen.„Als ik maar een schip met twintig kanonnen en een sloep bezat, allebei behoorlijk bemand,” zei ik, „zou ik geen plaats ter wereld weten waar ik liever woonde.”Met meerderheid van stemmen werd beslotende reis niet langer uit te stellen en den overtocht te wagen. Nu, een waagstuk was het zeker! Want terwijl de wind in die streek van September tot Maart uit het oosten blaast, zoo komt hij het overige gedeelte van ’t jaar als regel uit het westen. Nadat we dus, geholpen door een soort van land-bries, ongeveer vijftien of twintig mijlen hadden afgelegd—juist voldoende om ons geheel overgeleverd te gevoelen—blies de wind ons regelmatig en krachtig, afwisselend van uit het W.Z.W. of Z.W. vlak in ’t gezicht, zoodat we er niets geen profijt van konden trekken.Daarbij kwam nog dat vaartuigen als de onze niet hoog bij den wind kunnen zeilen. Was dit wél het geval geweest, dan zouden we, in N.N.W. richting uithalende, verscheiden eilanden op onzen weg ontmoet hebben, zooals wij later ontdekten. Maar dit bleek onmogelijk. Een kleine proefneming in die richting had ons bijna het leven gekost. Naar het noorden koersende, zoo dicht onder den wind als wij durfden wagen, vergaten wij rekening te houden met den vorm en ligging van het eiland zelf. We hadden Madagaskar bij een ver-uitstekend voorgebergte verlaten en bevonden ons dus nu—een mijl of veertig noordelijker, waar het eiland meer dan tweehonderd mijlen oostwaards terugwijkt—midden in zee tusschen Madagaskar en Afrika; van beide kusten bijna honderd mijlen verwijderd.Daar er flink wat wind stond, evenals de vorige dagen, uit het westen, hielden we, met de kleinste kano op sleeptouw, met volle zeilen op de kust aan.Tot ons groote geluk bleef de zee kalm; was erook maar even een rukwind opgestoken, dan zouden we ons leven verspeeld hebben, want onze kano’s waren ondiep en allerminst geschikt om een hooge zee te bevaren.Het hachlijke avontuur had ons elf dagen in spanning gehouden, en toen we eindelijk, op omstreeks tien mijlen afstands, land in zicht kregen was onze proviand bijna geheel verbruikt en tot het laatste druppeltje het water dat we meegenomen hadden. Uitgeput als we al waren, duurde het echter nog twee volle dagen eer we den vasten wal bereikten, daar een heete landwind onze afmattende pogingen nog bemoeilijkte.Deze onderneming gaf ons een voorproefje van wat ons te beurt zou zijn gevallen, wanneer we bij ongunstigen wind waren overgestoken en genas ons voor ’t oogenblik van den lust in ’t groote plan, ten minste tot we betere vaartuigen zouden veroverd hebben.Eindelijk aan wal gekomen, begonnen we maar weer getroost een nieuw kamp op te richten, ons, evenals tevoren,zoo goedmogelijk tegen overvallen wapenend. De inboorlingen bleken hier evenwel veel toeschietelijker en goedhartiger dan op de zuidelijke helft van het eiland, en al konden we elkaars taal weer niet verstaan, toch wisten we hun aan ’t verstand te brengen dat we vreemde zeelieden waren en gebrek aan voedsel hadden.Het eerste bewijs dat we van hun welwillendheid ondervonden, was, dat een hunner hoofden, zoodra hij ons met den bouw onzer hutten zag beginnen, met een stuk of zes mannen en vrouwen naar onstoe kwam en ons twee vette stieren en vijf geiten bracht, die hij ons voor niets afstond. Hij verbood de vrouwen zelfs de sieraden aan te raken, die wij hun aanboden. Ongeveer twee uur later verscheen er een tweede opperhoofd met een stoet van een vijftig negers, waarop wij voor alle veiligheid naar onze wapens grepen. Zoodra hij dit echter bemerkte, zond hij twee mannen met lange staken vooruit, die ze als een vredesteeken omhoog droegen en daarop dicht bij ons in den grond plantten. Toen de koning en de overige zwarten tot bij die staken genaderd waren, zetten ze al hun lansen in den grond en kwamen geheel ongewapend—ook hun bogen en pijlen lieten ze achter—naar ons toe.De plechtigheid moest ons duidelijk maken dat ze vrienden wenschten te zijn, iets wat ons blij verraste. Toen het opperhoofd van het tweede gezantschap onze mannen vrij onhandig hun hutten zag bouwen, wenkte hij eenige van zijn volgelingen, ons te komen helpen, en in een oogwenk hadden we vijftien of zestien negers tusschen ons aan ’t werk. Ze betoonden zich vrij wat handiger bouwers dan wij, en hadden in verwonderlijk korten tijd vier hutten—veel mooier dan de onze—in elkaar getooverd.Hierna zonden ze ons melk, pisangs, pompoenen en een overvloed van wortels en eetbare planten, waarop zij verdwenen, zonder iets van ons te willen aannemen. Een onzer mannen presenteerde den aanvoerder een borrel, dien hij met veel smaak leegdronk. En van dit oogenblik af kwam hij ons geregeld twee of driemaal ’s weeks bezoeken, altijdiets voor ons meebrengende. Eens zelfs zond hij ons zeven zwarte koeien, die wij op onze gewone manier droogden en bewaarden.Hier moet ik even een schijnbare nietigheid vertellen, die ons later evenwel groot voordeel bracht, dat n.l. het vleesch van hun geiten en koeien, maar voornamelijk van hun geiten, in gedroogden staat rood werd en buitengewoon hard en vast van vezel, zooals ik wel eens gerookt rundvleesch uit Holland gegeten had. Het smaakte hun zoo goed, ja was zoo’n groote lekkernij voor hen, dat ze, toen ze er eenmaal mee hadden kennis gemaakt, het altijd met ons trachtten te ruilen, waarbij wij wel zorgden aan ’t langste eind te trekken. Blijkbaar hadden ze er geen flauw begrip van wat het eigenlijk was, en ze boden ons met het grootste genoegen een heelen stier of een koe of iets anders wat we begeerden, voor tien of twaalf pond van ons gerookt of gedroogd vleesch.Reeds een dag na onze aankomst op dit noordelijk deel van het eiland merkten we twee voor ons zeer belangrijke dingen op. Ten eerste zagen we dat de negers aardewerk bezaten, waarvan ze op dezelfde wijze als wij gebruik maakten. Vooral werd onze aandacht getrokken door hun diepe aarden potten, die ze in den grond lieten zinken om hun drinkwater koel te houden. De tweede gewichtige ontdekking was: het betere en grootere soort van kano’s waarin ze hier voeren.Dit bracht ons op het denkbeeld eens te onderzoeken, of ze ook nóg grooter vaartuigen bouwden, of mogelijk andere stammen die het eiland bewoonden.Met veel moeite kwamen we door teekens en gebaren te weten—sommige van hun klanken waren ons nu ook niet geheel vreemd meer—dat zij geen grooter booten maakten dan die ze ons getoond hadden, maar dat aan de andere zijde van het eiland een stam leefde, die mooier vaartuigen bezat, met dekken en groote zeilen.Toen eenige van ons met dit blijde nieuws terugkwamen, besloten we eenparig het eiland te omvaren tot we ze zouden ontdekken, en met nieuwen moed trokken we aan ’t werk om onze kano’s na te zien en den noodigen leeftocht voor onze derde zeereis bijeen te pakken.Steeds onder de kust blijvende, duurde deze excursie een week of vijf, in welken tijd we verscheiden keer aan land gingen om water en provisie te halen. Bij al die gelegenheden vonden wij de inboorlingen bijzonder vrijmoedig en welwillend; ’t scheen wel dat ze „menschelijker” werden, naarmate wij noordelijker kwamen, en op zekeren morgen vroeg, toen we het allernoordelijkste puntje van ’t eiland bereikt hadden, riep een van onze mannen óvergelukkig: „Een zeil! Een zeil!”Werkelijk namen wij allen, doch een heel eind in zee, een schip waar; maar toen we het door onzen perspectief-kijker nader beschouwden, bleek het een vaartuig dat ons geheel onbekend was. Hoe wij ook tuurden en ons best deden de kenteekenen te onderscheiden, we konden het zooals men wel zegt, „niet thuis brengen”. ’t Was geen kaag, geen galjoen, geen kaper of van eenig ander ons bekend soort. Al wat we er van maken konden was, dathet zeewaarts stevende en dus steeds verder van ons verdween. Al gauw geraakte het dan ook uit ons gezicht en we verkeerden niet in een toestand het achterna te durven gaan. Eenigen van ons hoopten nog dat het terug zou komen, maar wij zagen het niet weer tijdens ons verblijf aan de noordkust en hielden het later—toen we meer dergelijke vaartuigen ontmoetten—voor een Arabisch schip, dat handel had gedreven op de kust van Mozambique of Zanzibar, een streek die wij later ook bezochten, zooals uit mijn verdere verhaal zal blijken.Voor zoover ik me herinner onderscheidden de inboorlingen zich op die verschillende kustgedeelten al heel weinig van elkaar; noch in kleur of gedaante, noch in manieren, gewoonten, bewapening of iets anders. Toch maakten wij bij verschillende gelegenheden uit allerlei gegevens op, dat ze geen contact met elkaar hadden. Hoe dit zij, tegenover ons toonden ze zich allen uiterst vriendelijk en hulpvaardig, ’t geen voor ons van het grootste belang was.Na onze reis langs de noordkust, zeilden we nu even vele weken zuidwaarts, ook nu natuurlijk af en toe den tocht onderbrekende om voedsel en water in te nemen; en eindelijk een uitstekende landpunt omvarende, die ongeveer een mijl in zee vooruitsprong, zagen we plotseling tot onze verrassing iets vóór ons, dat ons een kreet van vreugde deed uiten, hoewel het voor de betrokken personen een zeer treurige gebeurtenis moest geweest zijn, die nu tot onze blijdschap aanleiding gaf. Tusschende in zee vooruitspringende rotsen stak de romp van een Europeesch schip.Daar het nu, bij vloed, zelfs niet geheel onder water lag, begrepen we dat het schip bij eb voor een groot deel droog moest loopen. ’t Sprak van zelf, dat onze nieuwsgierigheid ons dreef—en gelukkig lieten wind en weer het ook toe—onmiddellijk naar het wrak te varen, wat ons niet veel moeite kostte. Bij nadere beschouwing zagen we dat het een Hollandsch schip was, dat nog niet heel lang in dien toestand kon hebben verkeerd, daar een groot deel van zijn achtersteven nog flink in elkaar zat met de bezaansmast nog overeind. Blijkbaar was haar achtersteven tusschen twee rotsen bekneld geraakt en zoo behouden gebleven, terwijl de voorplecht slechts voor een deel uit elkaar lag.Ofschoon we niets aan het wrak ontdekten, wat ons op dat oogenblik van dienst zou kunnen zijn, besloten we toch hier aan wal te gaan en een tijdlang in de buurt te blijven, op hoop eenig licht omtrent de scheepsramp te verkrijgen of, wat wij allen vurig zouden gewenscht hebben—iets omtrent de opvarenden te weten te komen. Wie weet, misschien hielden er zich nog wel eenigen aan den wal op, die ongeveer in dezelfde omstandigheden als wij verkeerden en ons aantal zouden willen versterken.Geland zijnde, wachtte ons een tweede verrassing: we vonden er namenlijk een volledige kleine scheepstimmerwerf; een helling met een windas, stellingen, planken, stukken hout, in ’t kort al wat er overblijft, wanneer men een schip heeftgebouwd en dat ons onmiddellijk op het denkbeeld bracht, het voorbeeld der schipbreukelingen te volgen.Hoogstwaarschijnlijk had de ongelukkige bemanning zich met een boot aan den wal kunnen redden, en daar een flinke sloep of bark gebouwd om er mee in zee te steken. Toen wij de inboorlingen vroegen welken kant ze waren uitgegaan, wezen ze naar ’t zuiden en zuidwesten, waaruit wij de gevolgtrekking maakten dat ze naar Kaap de Goede Hoop waren gezeild.Door hun voorbeeld aangestoken, besloten we, in ieder geval te trachten een zeeklare boot te timmeren en dan, op ons lot vertrouwende, het ruime sop te kiezen.We begonnen dus met onze timmerlui op te dragen te onderzoeken, wat de Hollanders aan materialen hadden achtergelaten, die ons van dienst konden zijn. Onder zeer veel bruikbaars, vonden ze o.a. ook een pik-ketel waar nog wat pik in zat.Ondanks alle goede vondsten, viel het werk ons toch lang niet mee. We hadden geen voldoende gereedschappen, geen ijzerwerk, geen touw, geen zeilen, zoodat we bij elk onderdeel wat we noodig hadden, onze eigen smeden, touwslagers en zeilmakers moesten zijn, ja allerlei beroepen uitoefenen, die wij nooit een van allen geleerd hadden. Maar nood leert niet alleen „bidden”, zooals het spreekwoord zegt, maar ook „uitvinden”, en we brachten allerlei dingen tot stand, die ons van te voren onuitvoerbaar hadden toegeschenen.Nadat onze timmerlui de afmetingen van onzeboot bepaald hadden, zetten ze ons allen aan ’t werk. Om te beginnen moesten we het wrak uit elkaar slaan en in onze kano’s alles meebrengen, wat slechts bruikbaar scheen. Aan den mast vooral was hen zeer veel gelegen, en met ontzaglijk veel inspanning gelukte het ons na twintig dagen hard werken hem behouden aan de kust te brengen.Intusschen hadden we ook heel wat ijzerwerk uit het wrak gehaald, zooals bouten, nagels, spijkers, krammen, waarvan onze smid, met bewonderenswaardige handigheid, roerpennen, oogen, spillen enz. maakte.Van het gebruik van een anker zagen we af, bij gebrek aan een behoorlijken kabel, en we slaagden er gelukkig in, om, geholpen door de negers, een soort van touw te maken van de vezels, die zij voor hun matten gebruikten, ’t geen ons een kabel verschafte om ons vaartuig aan de kust te meren, waarmee we ons voor ’t oogenblik tevreden stelden.Vier volle maanden brachten wij bij het wrak door, flink werkende en bezield door de hoop op uitkomst. Toen we eindelijk, na verloop van dien tijd, ons schip van stapel lieten loopen, had het wel vele gebreken, maar was het toch—alles bij elkaar genomen—beter dan we hadden mogen verwachten.Onze sloep, want daar leek het vaartuig het meest op, mat achttien à twintig ton, en wanneer we slechts masten en zeilen en voldoende takelage hadden gehad, zou het scheepje ons overal waar we maar wenschten, gebracht hebben. Wat echter de heele onderneming nog zou doen mislukken enal onzen arbeid vruchteloos dreigde te maken was ons gebrek aan teer en pek. De kleine voorraad van het laatste artikel dien we in de pot gevonden hadden, was natuurlijk bij lange na niet toereikend om de naden mee te dichten, en hoewel we ál deden wat we konden met een mengsel van talk en olie, twee artikelen die wij in het wrak gevonden hadden, toch beantwoordde dit op verre na niet aan het doel. Toen we onze sloep dus na veel moeite in ’t water hadden, bleek zij zoo lek als een mandje en moesten we, bij gemis van een pomp, met alle macht hoozen om haar boven water te houden.Wees ons een boom aan.Wees ons een boom aan.Diep terneergeslagen over deze bittere teleurstelling, zochten wij hulp bij de inboorlingen, en eenvan hen, een oude neger, wees ons een boom aan, waarvan het hout, als men het kookt, een lijmachtige vloeistof afscheidt, bijna zoo bruikbaar als teer. Den raad dankbaar opvolgende, verkregen wij werkelijk een stof, die uitstekend het pik vervangen kon en ons schip geheel waterdicht maakte. Bij verschillende gelegenheden kwam mij deze ontdekking later te pas.Toen ons schip dus zoover klaar was, maakten we een mooien mast uit den bezaansmast van het wrak, waaraan we onze zeilen zoo goed mogelijk bevestigden, voorzagen het nog van een roer, een helmstok en andere noodzakelijke onderdeelen, brachten onze victualiën en zooveel zoet water aan boord als wij konden bergen—want we hadden nog altijd geen vaten—en staken met een gunstigen wind in zee.Met onze onderzoekingstochten en het bouwen der sloep was nu bijna een jaar verstreken. Het moest nu omstreeks begin Februari zijn volgens onze mannen; de zon draaide gelukkig naar het noordelijk halfrond, wat ons allen dankbaar stemde, want de hitte was bijna ondraaglijk geweest. Zooals ik reeds zeide, hadden we den wind mee, die, naar ik later herhaaldelijk opmerkte, meestal uit den oosthoek waait, als de zon naar het noorden loopt.’t Groote vraagpunt was nu, welke richting we zouden kiezen, en nooit in mijn leven heb ik mannen zoo weifelachtig gezien. Sommige waren voor de oostelijke richting en waren liefst onmiddellijk in zee gestoken naar de kust van Malabar; maarandere, wat bedachtzamer, beschouwden de lengte van die reis een onoverkomelijk bezwaar en schudden afkeurend het hoofd, overtuigd dat noch onze leeftocht noch onze watervoorraad ons veroorloofden een reis van bijna tweeduizend mijlen te ondernemen, zonder eenig vast punt om onderweg aan te doen.Zij zelf hadden sinds lang hun zinnen gezet op een tocht naar het vasteland van Afrika, waar we volgens hen, goed in ons onderhoud zouden kunnen voorzien, ja zelfs rijk worden.Feitelijk viel er niet veel te kiezen; want hadden we tot het oosten besloten, dan zouden we hebben moeten wachten tot April of Mei.Eindelijk—daar de wind voortdurend Z.O., of O.Z.O. en het weer uitstekend bleef, werden we het er toch over eens te trachten de kust van Afrika te bereiken.Daar we ons voor die reis aan den verkeerden kant van het eiland bevonden, zeilden we eerst weer naar het noorden en zetten toen, om de kaap heendraaiende, koers naar het zuiden, steeds onder de kust houdende en hopende de naar ’t westen vooruitstekende punt van het eiland te bereiken, van waar onze overtocht naar ’t vasteland wel met een honderd mijlen zou verkort worden.Toen we evenwel een dertig mijlen hadden afgelegd, ondervonden we dat de wind onder de kust veranderde en we hem pal tegenkregen, waarom wij wel moesten besluiten in volle zee te steken, waar we den wind mee hadden. Ons vaartuig was weinig geschikt om hoog bij den wind te zeilen.Nadat we dus nog eens voor ’t laatst aan wal waren gegaan om ons van water en levensmiddelen te voorzien, staken we ten langen leste tegen het einde van Maart—met meer moed dan beleid, meer zelfvertrouwen dan verstandig overleg—naar het vasteland van Afrika over.Wat mij persoonlijk betrof, gevoelde ik niet den minsten angst of ongerustheid. Als we maar in ’t een of ander land terecht kwamen, liet het mij volkomen onverschillig, of dat ten oosten of ten westen van ons lag. Ik bekommerde mij in die dagen bitter weinig om mijn toekomst en hechtte, met de onnadenkendheid aan mijn leeftijd eigen, mijn goedkeuring aan al wat mij werd voorgesteld, hoe hachelijker, hoe liever.De reis, tamelijk wel in onwetendheid en radeloosheid begonnen, werd met al heel weinig oordeel voortgezet, want we wisten niets meer van den te volgen koers, dan dat we naar het westen moesten sturen met een paar streken N. of Z., en daar we geen andere streekwijzer bezaten dan een klein koperen zakkompas dat een der matrozen toevallig bij zich had gehad, toen we van ’t galjoen werden gezet, zeilden we vrij wel op goed geluk.Daar het God evenwel behaagde den wind in den O. en Z.O. hoek te houden, begrepen we dat we, N.W. bij W. sturende, vlak voor ’t lapje moesten gaan, en zoo kwamen we dan ook met een flink vaartje vooruit.Toch duurde de reis met ons schip dat maar heel weinig zeil voerde, veel langer dan we ons hadden voorgesteld.Iets vermeldenswaards deed zich op dezen tocht niet voor; er was niets wat ons eenige afleiding bezorgde of de eentonigheid onderbrak. Geen vaartuig, groot of klein, kwam in zicht. Blijkbaar lag de zee waarop we ons bevonden geheel buiten het gebied van den handel, terwijl de bevolking van Madagaskar niets meer wist omtrent het kustland van Afrika dan wij.Riep een onzer mannen: „Land!”Riep een onzer mannen: „Land!”Toen wij omstreeks acht of negen dagen onder zeil waren geweest, voortdurend met gunstigen wind, riep plotseling een onzer mannen: „Land!” een vreugdekreet die bij ons allen weerklank vond. Geen ontdekking kon ons op dat oogenblik gelukkiger hebben gestemd, want we hadden—ook bij een zeer klein rantsoen—nog maar voor tweedagen drinkwater aan boord. Tot onze teleurstelling duurde het nog den ganschen dag eer we het land bereikten; ’t was ’s morgens vroeg toen we het in ’t oog kregen, en pas tegen den nacht konden we voet aan wal zetten. De wind ging ongelukkigerwijze bijna geheel liggen, zoodat ons vaartuig—dat toch al zoo weinig zeil voerde—nauwelijks vooruit kwam.Maar hoe bitter was onze teleurstelling, toen we tot de ontdekking kwamen dat we, niet zooals we ons hadden voorgesteld, het vasteland van Afrika betreden hadden, doch slechts een nietig eilandje zonder bewoners (wij troffen er ten minste geen mensch aan) en geen ander vee dan een paar geiten, waarvan we er drie doodden. Zoo konden we dus weer eens aan versch vleesch smullen, en daar we heel goed drinkwater vonden, zetten we ons gauw over den tegenvaller heen, vertrouwende dat het vasteland toch niet meer veraf kon zijn.Met onze berekeningen kwamen we nog al eens meer verkeerd uit! Zelfs nu duurde het nog vijftien dagen eer we het vasteland bereikten—maar juist bijtijds, daar onze voorraad water en voedsel totaal was uitgeput. Gedurende de laatste twee dagen had aan ieder van ons maar een pint water kunnen verstrekt worden, wat bij de groote hitte, zeker niet voldoende was. Toen we de Afrikaansche kust dan ook eindelijk en ten laatste ontdekten—al was het ook nog op grooten afstand—schepten we allen nieuwen moed om nog wat dorst en honger te doorstaan, en tot ons geluk bracht een briesje,dat ’s nachts uit het oosten opstak, ons tegen den morgen binnen twee mijlen van de kust.In ons groot verlangen vasten grond onder de voeten te krijgen, landden we zoodra we gelegenheid zagen—wel wat voorbarig, zooals later bleek. Hadden we nog een beetje geduld geoefend, dan zouden we iets noordelijker een mooie rivier gevonden hebben.Met behulp van twee boomen, die we als meerpalen in den grond plantten, hielden we ons fregat vlot, waarbij onze, van een soort biezen gevlochten touwen, als kabels dienst moesten doen.Zoodra wij het land, vlak onder ons bereik wat in oogenschouw genomen, ons van versch water voorzien en wat voedsel verschaft hadden, gingen we weer met onzen voorraad aan boord.Veel hadden we niet veroverd; de levensmiddelen bleken schaarsch in die streek, doch we konden in ieder geval een stuk of wat vogels en een soort van wilden buffel schieten die klein van stuk was, maar smakelijk vleesch opleverde.Toen we een en ander hadden ingeladen, besloten we N.N.O. langs de kust te varen tot we een kreek of rivier zouden ontmoeten, die ons verder landwaarts in zou brengen naar een dorp of stad; want we hadden gegronde reden voor onze overtuiging, dat de kuststrook vrij dicht bewoond moest zijn, daar we ’s nachts herhaaldelijk op verschillende punten vuren en overdag op korten afstand rook hadden gezien.
HOOFDSTUK III.Rondom MadagaskarGedurende verscheiden dagen zeilden we vroolijk voorwaarts, zonder iets hinderlijks op onzen weg te ontmoeten. Hier en daar zagen we inboorlingen in kleine kano’s op de vischvangst, maar als we hen trachten te naderen, zochten ze—blijkbaar bang voor ons—zoo gauw mogelijk de kust te bereiken.Toen we dit tot onze teleurstelling een paar maal ondervonden hadden, kwam een onzer timmerlui op den inval, om, bij wijze van vredesvlag, een staak omhoog te steken, op de manier als zij gedaan hadden, toen ze hun koning aan ons kwamen voorstellen, en deze maatregel had de gewenschte uitwerking. Zoodra zij den volgenden ochtend den paal opmerkten dien wij in onze kleinste kano hadden omhoog gezet, wachtten ze ons af en pagaaiden ons zelfs een eindweegs te gemoet om ons een paar groote visschen aan te bieden, die wij niet kenden, maar die later bleken uitstekend te smaken.Jammer was het, ook nu weer, dat wij geen voldoende ruilmiddelen bezaten, doch onze fijnsmid bood hun twee ruitvormig gesneden en zeer dun geslagen zilverstukjes aan, met een gaatje in eender hoeken, en dit primitieve sieraad stemde hen zoo dankbaar, dat ze ons beduidden te wachten tot ze opnieuw hun netten zouden hebben opgehaald, waarna ze ons zooveel visch gaven als we slechts begeerden.Die een lap katoen aan haar mast had gebonden.Die een lap katoen aan haar mast had gebonden.Al dien tijd hielden we ’t oog gevestigd op hun bootjes, overwegende of ze ons op onzen tocht van dienst zouden kunnen zijn, maar ’t waren armzalige vaartuigjes; de zeilen bestonden uit een groote mat; behalve bij één kano, die een lap katoen aan haar mast had gebonden, en we besloten dus hun in ’t rustig bezit van hun eigendom te laten en verder noordwaarts te stevenen.Gedurende twaalf dagen bleven we voortdurend onder de kust, en daar de wind O.Z.O. was,hielden we een flink vaartje.We ontdekten geen enkele stad langs de kust, zelfs geen dorp; wel telkens eenige hutten bij elkaar tusschen de rotsen en groepjes menschen, blijkbaar toegeloopen om naar ons te kijken.Onze kleine vloot van drie schepen, met een kleine dertig gewapenden bemand, vormde zoo’n groot gevaar voor hen, dat ze ons stellig al wat ze bijeen konden brengen hadden willen geven om ons weer veilig kwijt te zijn. En aan den anderen kant voelden wij ons niet minder angstig en bezorgd en onveilig dan zij, afgaande op een doel, dat nauwelijks een doel kon genoemd worden.Naarmate we noordelijker kwamen, nam de hitte toe, en al spoedig werd ze ons—op het water en geheel onbeschut—bijna ondraaglijk. ’t Was October, en daar we ons op ’t zuidelijk halfrond bevonden, kwamen we als ’t ware elken dag wat dichter bij de zon. Een dag of vijf, zes geleden, waren we den keerkring gepasseerd, dus zou de zon nog een paar dagen later in haar zenith, vlak boven onze hoofden staan.Dit overwegende en tevens gedrongen door proviandgebrek, besloten we een geschikt plekje te zoeken om aan wal te gaan en onze tenten op te slaan, tot de hitte wat zou verminderen. Naar onze berekening hadden we half de lengte van het eiland langs gevaren en het punt bereikt, dat, naar het noordwesten uitstekende, het dichtst het vasteland van Afrika nadert. Toch vreesden we dat de afstand nog wel een honderdtwintig zeemijlen zou bedragen.Vroeg in den morgen voeren we dus naar de kust, ’t geen we alle drie of vier dagen deden om drinkwater te halen, en overlegden of we hier eenigen tijd zouden kampeeren; om allerlei redenen echter, kwam de plek ons niet geschikt voor en besloten we de reis nog maar eenigen tijd voort te zetten.Nadat we nog een week met een frisch briesje uit het Zuid-Oosten in noordwestelijke richting hadden voortgezeild, bereikten we een kaap of voorgebergte, dat ver in zee uitstak, en daar we brandend nieuwsgierig waren om te ontdekken wat er aan den anderen kant der kaap zou zijn, kwamen we overeen er om heen te zeilen, voor en aleer we een haven opzochten. We koersten dus maar weer verder, doch hoewel de wind aanhield, duurde het toch nog vier dagen eer we den uitstekende rots bereikten. En toen wachtte ons helaas een bittere teleurstelling! De kust week n.l. aan den anderen kant plotseling terug, blijkbaar nog veel meer dan aan de zuidzijde het geval was. Wilden we dus naar Afrika oversteken, dan moest het van dit punt zijn; verderop werd de zee steeds breeder—hoe breed wel, viel moeilijk te berekenen.Nog geheel onder den indruk van dezen tegenslag, werden we overvallen door zulke geweldige regen- en donderbuien als we nog zelden hadden bijgewoond. Haast-je, rep-je trachtten we dus de kust te bereiken en pagaaiden, door de kaap beschut, een kleine kreek in, die geheel door takken over-groeid was.Uitgeput van vermoeienis en door en door nat zag onze zaak er vrij wanhopig uit, en onze „duivelskunstenaar”,zooals een onzer den smid gedoopt had, plaatste een groot houten kruis op een rots, ongeveer een mijl van de kaap, en schreef er op, in ’t Portugeesch natuurlijk:„Kaap Wanhoop—God helpe ons!”Een groot houten kruis.Een groot houten kruis.Zoodra we wat bekomen waren, begonnen we een vuurtje te stoken om onze kleeren te drogen en daarna hout voor onze hutten bijeen te garen.Ons kamp werd ingericht aan de zuidzijde van de kreek en onder de beschutting van een steilen heuvel ten N.W., die gelukkig een groot deel van den dag de zonnestralen onderschepte. Een zoetwater beekje mondde in de kreek uit, en we zagen in een laagvlakte, oostelijk van ons, vee grazen enin zuidelijke richting een weg.Op deze gunstig gelegen plek bouwden we twaalf hutten van boomtakken, die we in den grond staken en van boven met dunne twijgjes en dergelijke bij elkaar bonden. De kreek vormde onze natuurlijke bescherming aan de noordzijde, de beek ten westen, en den zuid- en oostkant versterkten we met een wal die onze hutten geheel verborg. Achter dezen wal stonden onze woonhutten, en op behoorlijken afstand drie andere, kleinere hutten, één veiligheidshalve uitsluitend voor ons kruit bestemd, de tweede voor onze gereedschappen en proviand en de derde en grootste tot eet-, gezelschaps- en vergaderlokaal ingericht.Met behulp van de ruitvormige zilveren hangers, die onze smid weer dadelijk ging fabriceeren, viel het ons niet moeilijk ook hier met de inboorlingen handel te drijven, en onze koksmaat had al gauw de handen vol met het drogen en zouten van vijftig stuks zwart vee en geiten, terwijl de omtrek ons meer dan genoeg vruchten en eetbare wortelen opleverde.Zoo hielden we omstreeks vier maanden het leven, en toen de zon naar de evenaarslijn was teruggedraaid begonnen we onze volgende reis te beramen, om n.l. de straat van Zanquebar (Zanzibar), zooals de Portugezen haar noemen, over te steken en zoo mogelijk het vaste land van Afrika te bereiken.Voor zoover we elkaar verstaan konden, bespraken we het plan met verschillende inboorlingen, maar al wat we van hen te weten kwamen was,dat er aan den anderen kant van de zee een groot land lag, vol tijgers en leeuwen. Van den afstand hadden ze geen flauw begrip, terwijl onze mannen dien schatten op honderd à honderdvijftig mijlen, hoewel een van hen, die een wereldkaart bezat, hun duidelijk maakte dat het traject volgens de schaal niet meer dan tachtig zeemijlen kon zijn. Ook waren ze ’t er niet over eens of er onderweg eilanden lagen die we konden aandoen, en een oude, blinde, door een klein jongetje geleiden man ried ons tot einde Augustus op Madagaskar te blijven, daar we dan op een gunstigen wind en een kalme zee konden rekenen.In zekeren zin een zeer verheugende mededeeling, maar het langer blijven lachte onze mannen heel weinig toe, te minder omdat de zon in dien tijd dan weer naar het zuiden zou draaien.Ten slotte werd er weer raad belegd, en na veel en vervelend heen en weer praten zagen ze in, dat we, indien ons eenige verlangen was voldoende te eten en te drinken, gerust konden blijven waar we waren, doch dat we, als we ooit ons eigen land weer wenschten te bereiken, nu scheep dienden te gaan.Ik voor mij was met plezier op het eiland gebleven en had een eigenaardig voorgevoel, dat ik er nog eens zou terugkomen.„Als ik maar een schip met twintig kanonnen en een sloep bezat, allebei behoorlijk bemand,” zei ik, „zou ik geen plaats ter wereld weten waar ik liever woonde.”Met meerderheid van stemmen werd beslotende reis niet langer uit te stellen en den overtocht te wagen. Nu, een waagstuk was het zeker! Want terwijl de wind in die streek van September tot Maart uit het oosten blaast, zoo komt hij het overige gedeelte van ’t jaar als regel uit het westen. Nadat we dus, geholpen door een soort van land-bries, ongeveer vijftien of twintig mijlen hadden afgelegd—juist voldoende om ons geheel overgeleverd te gevoelen—blies de wind ons regelmatig en krachtig, afwisselend van uit het W.Z.W. of Z.W. vlak in ’t gezicht, zoodat we er niets geen profijt van konden trekken.Daarbij kwam nog dat vaartuigen als de onze niet hoog bij den wind kunnen zeilen. Was dit wél het geval geweest, dan zouden we, in N.N.W. richting uithalende, verscheiden eilanden op onzen weg ontmoet hebben, zooals wij later ontdekten. Maar dit bleek onmogelijk. Een kleine proefneming in die richting had ons bijna het leven gekost. Naar het noorden koersende, zoo dicht onder den wind als wij durfden wagen, vergaten wij rekening te houden met den vorm en ligging van het eiland zelf. We hadden Madagaskar bij een ver-uitstekend voorgebergte verlaten en bevonden ons dus nu—een mijl of veertig noordelijker, waar het eiland meer dan tweehonderd mijlen oostwaards terugwijkt—midden in zee tusschen Madagaskar en Afrika; van beide kusten bijna honderd mijlen verwijderd.Daar er flink wat wind stond, evenals de vorige dagen, uit het westen, hielden we, met de kleinste kano op sleeptouw, met volle zeilen op de kust aan.Tot ons groote geluk bleef de zee kalm; was erook maar even een rukwind opgestoken, dan zouden we ons leven verspeeld hebben, want onze kano’s waren ondiep en allerminst geschikt om een hooge zee te bevaren.Het hachlijke avontuur had ons elf dagen in spanning gehouden, en toen we eindelijk, op omstreeks tien mijlen afstands, land in zicht kregen was onze proviand bijna geheel verbruikt en tot het laatste druppeltje het water dat we meegenomen hadden. Uitgeput als we al waren, duurde het echter nog twee volle dagen eer we den vasten wal bereikten, daar een heete landwind onze afmattende pogingen nog bemoeilijkte.Deze onderneming gaf ons een voorproefje van wat ons te beurt zou zijn gevallen, wanneer we bij ongunstigen wind waren overgestoken en genas ons voor ’t oogenblik van den lust in ’t groote plan, ten minste tot we betere vaartuigen zouden veroverd hebben.Eindelijk aan wal gekomen, begonnen we maar weer getroost een nieuw kamp op te richten, ons, evenals tevoren,zoo goedmogelijk tegen overvallen wapenend. De inboorlingen bleken hier evenwel veel toeschietelijker en goedhartiger dan op de zuidelijke helft van het eiland, en al konden we elkaars taal weer niet verstaan, toch wisten we hun aan ’t verstand te brengen dat we vreemde zeelieden waren en gebrek aan voedsel hadden.Het eerste bewijs dat we van hun welwillendheid ondervonden, was, dat een hunner hoofden, zoodra hij ons met den bouw onzer hutten zag beginnen, met een stuk of zes mannen en vrouwen naar onstoe kwam en ons twee vette stieren en vijf geiten bracht, die hij ons voor niets afstond. Hij verbood de vrouwen zelfs de sieraden aan te raken, die wij hun aanboden. Ongeveer twee uur later verscheen er een tweede opperhoofd met een stoet van een vijftig negers, waarop wij voor alle veiligheid naar onze wapens grepen. Zoodra hij dit echter bemerkte, zond hij twee mannen met lange staken vooruit, die ze als een vredesteeken omhoog droegen en daarop dicht bij ons in den grond plantten. Toen de koning en de overige zwarten tot bij die staken genaderd waren, zetten ze al hun lansen in den grond en kwamen geheel ongewapend—ook hun bogen en pijlen lieten ze achter—naar ons toe.De plechtigheid moest ons duidelijk maken dat ze vrienden wenschten te zijn, iets wat ons blij verraste. Toen het opperhoofd van het tweede gezantschap onze mannen vrij onhandig hun hutten zag bouwen, wenkte hij eenige van zijn volgelingen, ons te komen helpen, en in een oogwenk hadden we vijftien of zestien negers tusschen ons aan ’t werk. Ze betoonden zich vrij wat handiger bouwers dan wij, en hadden in verwonderlijk korten tijd vier hutten—veel mooier dan de onze—in elkaar getooverd.Hierna zonden ze ons melk, pisangs, pompoenen en een overvloed van wortels en eetbare planten, waarop zij verdwenen, zonder iets van ons te willen aannemen. Een onzer mannen presenteerde den aanvoerder een borrel, dien hij met veel smaak leegdronk. En van dit oogenblik af kwam hij ons geregeld twee of driemaal ’s weeks bezoeken, altijdiets voor ons meebrengende. Eens zelfs zond hij ons zeven zwarte koeien, die wij op onze gewone manier droogden en bewaarden.Hier moet ik even een schijnbare nietigheid vertellen, die ons later evenwel groot voordeel bracht, dat n.l. het vleesch van hun geiten en koeien, maar voornamelijk van hun geiten, in gedroogden staat rood werd en buitengewoon hard en vast van vezel, zooals ik wel eens gerookt rundvleesch uit Holland gegeten had. Het smaakte hun zoo goed, ja was zoo’n groote lekkernij voor hen, dat ze, toen ze er eenmaal mee hadden kennis gemaakt, het altijd met ons trachtten te ruilen, waarbij wij wel zorgden aan ’t langste eind te trekken. Blijkbaar hadden ze er geen flauw begrip van wat het eigenlijk was, en ze boden ons met het grootste genoegen een heelen stier of een koe of iets anders wat we begeerden, voor tien of twaalf pond van ons gerookt of gedroogd vleesch.Reeds een dag na onze aankomst op dit noordelijk deel van het eiland merkten we twee voor ons zeer belangrijke dingen op. Ten eerste zagen we dat de negers aardewerk bezaten, waarvan ze op dezelfde wijze als wij gebruik maakten. Vooral werd onze aandacht getrokken door hun diepe aarden potten, die ze in den grond lieten zinken om hun drinkwater koel te houden. De tweede gewichtige ontdekking was: het betere en grootere soort van kano’s waarin ze hier voeren.Dit bracht ons op het denkbeeld eens te onderzoeken, of ze ook nóg grooter vaartuigen bouwden, of mogelijk andere stammen die het eiland bewoonden.Met veel moeite kwamen we door teekens en gebaren te weten—sommige van hun klanken waren ons nu ook niet geheel vreemd meer—dat zij geen grooter booten maakten dan die ze ons getoond hadden, maar dat aan de andere zijde van het eiland een stam leefde, die mooier vaartuigen bezat, met dekken en groote zeilen.Toen eenige van ons met dit blijde nieuws terugkwamen, besloten we eenparig het eiland te omvaren tot we ze zouden ontdekken, en met nieuwen moed trokken we aan ’t werk om onze kano’s na te zien en den noodigen leeftocht voor onze derde zeereis bijeen te pakken.Steeds onder de kust blijvende, duurde deze excursie een week of vijf, in welken tijd we verscheiden keer aan land gingen om water en provisie te halen. Bij al die gelegenheden vonden wij de inboorlingen bijzonder vrijmoedig en welwillend; ’t scheen wel dat ze „menschelijker” werden, naarmate wij noordelijker kwamen, en op zekeren morgen vroeg, toen we het allernoordelijkste puntje van ’t eiland bereikt hadden, riep een van onze mannen óvergelukkig: „Een zeil! Een zeil!”Werkelijk namen wij allen, doch een heel eind in zee, een schip waar; maar toen we het door onzen perspectief-kijker nader beschouwden, bleek het een vaartuig dat ons geheel onbekend was. Hoe wij ook tuurden en ons best deden de kenteekenen te onderscheiden, we konden het zooals men wel zegt, „niet thuis brengen”. ’t Was geen kaag, geen galjoen, geen kaper of van eenig ander ons bekend soort. Al wat we er van maken konden was, dathet zeewaarts stevende en dus steeds verder van ons verdween. Al gauw geraakte het dan ook uit ons gezicht en we verkeerden niet in een toestand het achterna te durven gaan. Eenigen van ons hoopten nog dat het terug zou komen, maar wij zagen het niet weer tijdens ons verblijf aan de noordkust en hielden het later—toen we meer dergelijke vaartuigen ontmoetten—voor een Arabisch schip, dat handel had gedreven op de kust van Mozambique of Zanzibar, een streek die wij later ook bezochten, zooals uit mijn verdere verhaal zal blijken.Voor zoover ik me herinner onderscheidden de inboorlingen zich op die verschillende kustgedeelten al heel weinig van elkaar; noch in kleur of gedaante, noch in manieren, gewoonten, bewapening of iets anders. Toch maakten wij bij verschillende gelegenheden uit allerlei gegevens op, dat ze geen contact met elkaar hadden. Hoe dit zij, tegenover ons toonden ze zich allen uiterst vriendelijk en hulpvaardig, ’t geen voor ons van het grootste belang was.Na onze reis langs de noordkust, zeilden we nu even vele weken zuidwaarts, ook nu natuurlijk af en toe den tocht onderbrekende om voedsel en water in te nemen; en eindelijk een uitstekende landpunt omvarende, die ongeveer een mijl in zee vooruitsprong, zagen we plotseling tot onze verrassing iets vóór ons, dat ons een kreet van vreugde deed uiten, hoewel het voor de betrokken personen een zeer treurige gebeurtenis moest geweest zijn, die nu tot onze blijdschap aanleiding gaf. Tusschende in zee vooruitspringende rotsen stak de romp van een Europeesch schip.Daar het nu, bij vloed, zelfs niet geheel onder water lag, begrepen we dat het schip bij eb voor een groot deel droog moest loopen. ’t Sprak van zelf, dat onze nieuwsgierigheid ons dreef—en gelukkig lieten wind en weer het ook toe—onmiddellijk naar het wrak te varen, wat ons niet veel moeite kostte. Bij nadere beschouwing zagen we dat het een Hollandsch schip was, dat nog niet heel lang in dien toestand kon hebben verkeerd, daar een groot deel van zijn achtersteven nog flink in elkaar zat met de bezaansmast nog overeind. Blijkbaar was haar achtersteven tusschen twee rotsen bekneld geraakt en zoo behouden gebleven, terwijl de voorplecht slechts voor een deel uit elkaar lag.Ofschoon we niets aan het wrak ontdekten, wat ons op dat oogenblik van dienst zou kunnen zijn, besloten we toch hier aan wal te gaan en een tijdlang in de buurt te blijven, op hoop eenig licht omtrent de scheepsramp te verkrijgen of, wat wij allen vurig zouden gewenscht hebben—iets omtrent de opvarenden te weten te komen. Wie weet, misschien hielden er zich nog wel eenigen aan den wal op, die ongeveer in dezelfde omstandigheden als wij verkeerden en ons aantal zouden willen versterken.Geland zijnde, wachtte ons een tweede verrassing: we vonden er namenlijk een volledige kleine scheepstimmerwerf; een helling met een windas, stellingen, planken, stukken hout, in ’t kort al wat er overblijft, wanneer men een schip heeftgebouwd en dat ons onmiddellijk op het denkbeeld bracht, het voorbeeld der schipbreukelingen te volgen.Hoogstwaarschijnlijk had de ongelukkige bemanning zich met een boot aan den wal kunnen redden, en daar een flinke sloep of bark gebouwd om er mee in zee te steken. Toen wij de inboorlingen vroegen welken kant ze waren uitgegaan, wezen ze naar ’t zuiden en zuidwesten, waaruit wij de gevolgtrekking maakten dat ze naar Kaap de Goede Hoop waren gezeild.Door hun voorbeeld aangestoken, besloten we, in ieder geval te trachten een zeeklare boot te timmeren en dan, op ons lot vertrouwende, het ruime sop te kiezen.We begonnen dus met onze timmerlui op te dragen te onderzoeken, wat de Hollanders aan materialen hadden achtergelaten, die ons van dienst konden zijn. Onder zeer veel bruikbaars, vonden ze o.a. ook een pik-ketel waar nog wat pik in zat.Ondanks alle goede vondsten, viel het werk ons toch lang niet mee. We hadden geen voldoende gereedschappen, geen ijzerwerk, geen touw, geen zeilen, zoodat we bij elk onderdeel wat we noodig hadden, onze eigen smeden, touwslagers en zeilmakers moesten zijn, ja allerlei beroepen uitoefenen, die wij nooit een van allen geleerd hadden. Maar nood leert niet alleen „bidden”, zooals het spreekwoord zegt, maar ook „uitvinden”, en we brachten allerlei dingen tot stand, die ons van te voren onuitvoerbaar hadden toegeschenen.Nadat onze timmerlui de afmetingen van onzeboot bepaald hadden, zetten ze ons allen aan ’t werk. Om te beginnen moesten we het wrak uit elkaar slaan en in onze kano’s alles meebrengen, wat slechts bruikbaar scheen. Aan den mast vooral was hen zeer veel gelegen, en met ontzaglijk veel inspanning gelukte het ons na twintig dagen hard werken hem behouden aan de kust te brengen.Intusschen hadden we ook heel wat ijzerwerk uit het wrak gehaald, zooals bouten, nagels, spijkers, krammen, waarvan onze smid, met bewonderenswaardige handigheid, roerpennen, oogen, spillen enz. maakte.Van het gebruik van een anker zagen we af, bij gebrek aan een behoorlijken kabel, en we slaagden er gelukkig in, om, geholpen door de negers, een soort van touw te maken van de vezels, die zij voor hun matten gebruikten, ’t geen ons een kabel verschafte om ons vaartuig aan de kust te meren, waarmee we ons voor ’t oogenblik tevreden stelden.Vier volle maanden brachten wij bij het wrak door, flink werkende en bezield door de hoop op uitkomst. Toen we eindelijk, na verloop van dien tijd, ons schip van stapel lieten loopen, had het wel vele gebreken, maar was het toch—alles bij elkaar genomen—beter dan we hadden mogen verwachten.Onze sloep, want daar leek het vaartuig het meest op, mat achttien à twintig ton, en wanneer we slechts masten en zeilen en voldoende takelage hadden gehad, zou het scheepje ons overal waar we maar wenschten, gebracht hebben. Wat echter de heele onderneming nog zou doen mislukken enal onzen arbeid vruchteloos dreigde te maken was ons gebrek aan teer en pek. De kleine voorraad van het laatste artikel dien we in de pot gevonden hadden, was natuurlijk bij lange na niet toereikend om de naden mee te dichten, en hoewel we ál deden wat we konden met een mengsel van talk en olie, twee artikelen die wij in het wrak gevonden hadden, toch beantwoordde dit op verre na niet aan het doel. Toen we onze sloep dus na veel moeite in ’t water hadden, bleek zij zoo lek als een mandje en moesten we, bij gemis van een pomp, met alle macht hoozen om haar boven water te houden.Wees ons een boom aan.Wees ons een boom aan.Diep terneergeslagen over deze bittere teleurstelling, zochten wij hulp bij de inboorlingen, en eenvan hen, een oude neger, wees ons een boom aan, waarvan het hout, als men het kookt, een lijmachtige vloeistof afscheidt, bijna zoo bruikbaar als teer. Den raad dankbaar opvolgende, verkregen wij werkelijk een stof, die uitstekend het pik vervangen kon en ons schip geheel waterdicht maakte. Bij verschillende gelegenheden kwam mij deze ontdekking later te pas.Toen ons schip dus zoover klaar was, maakten we een mooien mast uit den bezaansmast van het wrak, waaraan we onze zeilen zoo goed mogelijk bevestigden, voorzagen het nog van een roer, een helmstok en andere noodzakelijke onderdeelen, brachten onze victualiën en zooveel zoet water aan boord als wij konden bergen—want we hadden nog altijd geen vaten—en staken met een gunstigen wind in zee.Met onze onderzoekingstochten en het bouwen der sloep was nu bijna een jaar verstreken. Het moest nu omstreeks begin Februari zijn volgens onze mannen; de zon draaide gelukkig naar het noordelijk halfrond, wat ons allen dankbaar stemde, want de hitte was bijna ondraaglijk geweest. Zooals ik reeds zeide, hadden we den wind mee, die, naar ik later herhaaldelijk opmerkte, meestal uit den oosthoek waait, als de zon naar het noorden loopt.’t Groote vraagpunt was nu, welke richting we zouden kiezen, en nooit in mijn leven heb ik mannen zoo weifelachtig gezien. Sommige waren voor de oostelijke richting en waren liefst onmiddellijk in zee gestoken naar de kust van Malabar; maarandere, wat bedachtzamer, beschouwden de lengte van die reis een onoverkomelijk bezwaar en schudden afkeurend het hoofd, overtuigd dat noch onze leeftocht noch onze watervoorraad ons veroorloofden een reis van bijna tweeduizend mijlen te ondernemen, zonder eenig vast punt om onderweg aan te doen.Zij zelf hadden sinds lang hun zinnen gezet op een tocht naar het vasteland van Afrika, waar we volgens hen, goed in ons onderhoud zouden kunnen voorzien, ja zelfs rijk worden.Feitelijk viel er niet veel te kiezen; want hadden we tot het oosten besloten, dan zouden we hebben moeten wachten tot April of Mei.Eindelijk—daar de wind voortdurend Z.O., of O.Z.O. en het weer uitstekend bleef, werden we het er toch over eens te trachten de kust van Afrika te bereiken.Daar we ons voor die reis aan den verkeerden kant van het eiland bevonden, zeilden we eerst weer naar het noorden en zetten toen, om de kaap heendraaiende, koers naar het zuiden, steeds onder de kust houdende en hopende de naar ’t westen vooruitstekende punt van het eiland te bereiken, van waar onze overtocht naar ’t vasteland wel met een honderd mijlen zou verkort worden.Toen we evenwel een dertig mijlen hadden afgelegd, ondervonden we dat de wind onder de kust veranderde en we hem pal tegenkregen, waarom wij wel moesten besluiten in volle zee te steken, waar we den wind mee hadden. Ons vaartuig was weinig geschikt om hoog bij den wind te zeilen.Nadat we dus nog eens voor ’t laatst aan wal waren gegaan om ons van water en levensmiddelen te voorzien, staken we ten langen leste tegen het einde van Maart—met meer moed dan beleid, meer zelfvertrouwen dan verstandig overleg—naar het vasteland van Afrika over.Wat mij persoonlijk betrof, gevoelde ik niet den minsten angst of ongerustheid. Als we maar in ’t een of ander land terecht kwamen, liet het mij volkomen onverschillig, of dat ten oosten of ten westen van ons lag. Ik bekommerde mij in die dagen bitter weinig om mijn toekomst en hechtte, met de onnadenkendheid aan mijn leeftijd eigen, mijn goedkeuring aan al wat mij werd voorgesteld, hoe hachelijker, hoe liever.De reis, tamelijk wel in onwetendheid en radeloosheid begonnen, werd met al heel weinig oordeel voortgezet, want we wisten niets meer van den te volgen koers, dan dat we naar het westen moesten sturen met een paar streken N. of Z., en daar we geen andere streekwijzer bezaten dan een klein koperen zakkompas dat een der matrozen toevallig bij zich had gehad, toen we van ’t galjoen werden gezet, zeilden we vrij wel op goed geluk.Daar het God evenwel behaagde den wind in den O. en Z.O. hoek te houden, begrepen we dat we, N.W. bij W. sturende, vlak voor ’t lapje moesten gaan, en zoo kwamen we dan ook met een flink vaartje vooruit.Toch duurde de reis met ons schip dat maar heel weinig zeil voerde, veel langer dan we ons hadden voorgesteld.Iets vermeldenswaards deed zich op dezen tocht niet voor; er was niets wat ons eenige afleiding bezorgde of de eentonigheid onderbrak. Geen vaartuig, groot of klein, kwam in zicht. Blijkbaar lag de zee waarop we ons bevonden geheel buiten het gebied van den handel, terwijl de bevolking van Madagaskar niets meer wist omtrent het kustland van Afrika dan wij.Riep een onzer mannen: „Land!”Riep een onzer mannen: „Land!”Toen wij omstreeks acht of negen dagen onder zeil waren geweest, voortdurend met gunstigen wind, riep plotseling een onzer mannen: „Land!” een vreugdekreet die bij ons allen weerklank vond. Geen ontdekking kon ons op dat oogenblik gelukkiger hebben gestemd, want we hadden—ook bij een zeer klein rantsoen—nog maar voor tweedagen drinkwater aan boord. Tot onze teleurstelling duurde het nog den ganschen dag eer we het land bereikten; ’t was ’s morgens vroeg toen we het in ’t oog kregen, en pas tegen den nacht konden we voet aan wal zetten. De wind ging ongelukkigerwijze bijna geheel liggen, zoodat ons vaartuig—dat toch al zoo weinig zeil voerde—nauwelijks vooruit kwam.Maar hoe bitter was onze teleurstelling, toen we tot de ontdekking kwamen dat we, niet zooals we ons hadden voorgesteld, het vasteland van Afrika betreden hadden, doch slechts een nietig eilandje zonder bewoners (wij troffen er ten minste geen mensch aan) en geen ander vee dan een paar geiten, waarvan we er drie doodden. Zoo konden we dus weer eens aan versch vleesch smullen, en daar we heel goed drinkwater vonden, zetten we ons gauw over den tegenvaller heen, vertrouwende dat het vasteland toch niet meer veraf kon zijn.Met onze berekeningen kwamen we nog al eens meer verkeerd uit! Zelfs nu duurde het nog vijftien dagen eer we het vasteland bereikten—maar juist bijtijds, daar onze voorraad water en voedsel totaal was uitgeput. Gedurende de laatste twee dagen had aan ieder van ons maar een pint water kunnen verstrekt worden, wat bij de groote hitte, zeker niet voldoende was. Toen we de Afrikaansche kust dan ook eindelijk en ten laatste ontdekten—al was het ook nog op grooten afstand—schepten we allen nieuwen moed om nog wat dorst en honger te doorstaan, en tot ons geluk bracht een briesje,dat ’s nachts uit het oosten opstak, ons tegen den morgen binnen twee mijlen van de kust.In ons groot verlangen vasten grond onder de voeten te krijgen, landden we zoodra we gelegenheid zagen—wel wat voorbarig, zooals later bleek. Hadden we nog een beetje geduld geoefend, dan zouden we iets noordelijker een mooie rivier gevonden hebben.Met behulp van twee boomen, die we als meerpalen in den grond plantten, hielden we ons fregat vlot, waarbij onze, van een soort biezen gevlochten touwen, als kabels dienst moesten doen.Zoodra wij het land, vlak onder ons bereik wat in oogenschouw genomen, ons van versch water voorzien en wat voedsel verschaft hadden, gingen we weer met onzen voorraad aan boord.Veel hadden we niet veroverd; de levensmiddelen bleken schaarsch in die streek, doch we konden in ieder geval een stuk of wat vogels en een soort van wilden buffel schieten die klein van stuk was, maar smakelijk vleesch opleverde.Toen we een en ander hadden ingeladen, besloten we N.N.O. langs de kust te varen tot we een kreek of rivier zouden ontmoeten, die ons verder landwaarts in zou brengen naar een dorp of stad; want we hadden gegronde reden voor onze overtuiging, dat de kuststrook vrij dicht bewoond moest zijn, daar we ’s nachts herhaaldelijk op verschillende punten vuren en overdag op korten afstand rook hadden gezien.
HOOFDSTUK III.Rondom Madagaskar
Gedurende verscheiden dagen zeilden we vroolijk voorwaarts, zonder iets hinderlijks op onzen weg te ontmoeten. Hier en daar zagen we inboorlingen in kleine kano’s op de vischvangst, maar als we hen trachten te naderen, zochten ze—blijkbaar bang voor ons—zoo gauw mogelijk de kust te bereiken.Toen we dit tot onze teleurstelling een paar maal ondervonden hadden, kwam een onzer timmerlui op den inval, om, bij wijze van vredesvlag, een staak omhoog te steken, op de manier als zij gedaan hadden, toen ze hun koning aan ons kwamen voorstellen, en deze maatregel had de gewenschte uitwerking. Zoodra zij den volgenden ochtend den paal opmerkten dien wij in onze kleinste kano hadden omhoog gezet, wachtten ze ons af en pagaaiden ons zelfs een eindweegs te gemoet om ons een paar groote visschen aan te bieden, die wij niet kenden, maar die later bleken uitstekend te smaken.Jammer was het, ook nu weer, dat wij geen voldoende ruilmiddelen bezaten, doch onze fijnsmid bood hun twee ruitvormig gesneden en zeer dun geslagen zilverstukjes aan, met een gaatje in eender hoeken, en dit primitieve sieraad stemde hen zoo dankbaar, dat ze ons beduidden te wachten tot ze opnieuw hun netten zouden hebben opgehaald, waarna ze ons zooveel visch gaven als we slechts begeerden.Die een lap katoen aan haar mast had gebonden.Die een lap katoen aan haar mast had gebonden.Al dien tijd hielden we ’t oog gevestigd op hun bootjes, overwegende of ze ons op onzen tocht van dienst zouden kunnen zijn, maar ’t waren armzalige vaartuigjes; de zeilen bestonden uit een groote mat; behalve bij één kano, die een lap katoen aan haar mast had gebonden, en we besloten dus hun in ’t rustig bezit van hun eigendom te laten en verder noordwaarts te stevenen.Gedurende twaalf dagen bleven we voortdurend onder de kust, en daar de wind O.Z.O. was,hielden we een flink vaartje.We ontdekten geen enkele stad langs de kust, zelfs geen dorp; wel telkens eenige hutten bij elkaar tusschen de rotsen en groepjes menschen, blijkbaar toegeloopen om naar ons te kijken.Onze kleine vloot van drie schepen, met een kleine dertig gewapenden bemand, vormde zoo’n groot gevaar voor hen, dat ze ons stellig al wat ze bijeen konden brengen hadden willen geven om ons weer veilig kwijt te zijn. En aan den anderen kant voelden wij ons niet minder angstig en bezorgd en onveilig dan zij, afgaande op een doel, dat nauwelijks een doel kon genoemd worden.Naarmate we noordelijker kwamen, nam de hitte toe, en al spoedig werd ze ons—op het water en geheel onbeschut—bijna ondraaglijk. ’t Was October, en daar we ons op ’t zuidelijk halfrond bevonden, kwamen we als ’t ware elken dag wat dichter bij de zon. Een dag of vijf, zes geleden, waren we den keerkring gepasseerd, dus zou de zon nog een paar dagen later in haar zenith, vlak boven onze hoofden staan.Dit overwegende en tevens gedrongen door proviandgebrek, besloten we een geschikt plekje te zoeken om aan wal te gaan en onze tenten op te slaan, tot de hitte wat zou verminderen. Naar onze berekening hadden we half de lengte van het eiland langs gevaren en het punt bereikt, dat, naar het noordwesten uitstekende, het dichtst het vasteland van Afrika nadert. Toch vreesden we dat de afstand nog wel een honderdtwintig zeemijlen zou bedragen.Vroeg in den morgen voeren we dus naar de kust, ’t geen we alle drie of vier dagen deden om drinkwater te halen, en overlegden of we hier eenigen tijd zouden kampeeren; om allerlei redenen echter, kwam de plek ons niet geschikt voor en besloten we de reis nog maar eenigen tijd voort te zetten.Nadat we nog een week met een frisch briesje uit het Zuid-Oosten in noordwestelijke richting hadden voortgezeild, bereikten we een kaap of voorgebergte, dat ver in zee uitstak, en daar we brandend nieuwsgierig waren om te ontdekken wat er aan den anderen kant der kaap zou zijn, kwamen we overeen er om heen te zeilen, voor en aleer we een haven opzochten. We koersten dus maar weer verder, doch hoewel de wind aanhield, duurde het toch nog vier dagen eer we den uitstekende rots bereikten. En toen wachtte ons helaas een bittere teleurstelling! De kust week n.l. aan den anderen kant plotseling terug, blijkbaar nog veel meer dan aan de zuidzijde het geval was. Wilden we dus naar Afrika oversteken, dan moest het van dit punt zijn; verderop werd de zee steeds breeder—hoe breed wel, viel moeilijk te berekenen.Nog geheel onder den indruk van dezen tegenslag, werden we overvallen door zulke geweldige regen- en donderbuien als we nog zelden hadden bijgewoond. Haast-je, rep-je trachtten we dus de kust te bereiken en pagaaiden, door de kaap beschut, een kleine kreek in, die geheel door takken over-groeid was.Uitgeput van vermoeienis en door en door nat zag onze zaak er vrij wanhopig uit, en onze „duivelskunstenaar”,zooals een onzer den smid gedoopt had, plaatste een groot houten kruis op een rots, ongeveer een mijl van de kaap, en schreef er op, in ’t Portugeesch natuurlijk:„Kaap Wanhoop—God helpe ons!”Een groot houten kruis.Een groot houten kruis.Zoodra we wat bekomen waren, begonnen we een vuurtje te stoken om onze kleeren te drogen en daarna hout voor onze hutten bijeen te garen.Ons kamp werd ingericht aan de zuidzijde van de kreek en onder de beschutting van een steilen heuvel ten N.W., die gelukkig een groot deel van den dag de zonnestralen onderschepte. Een zoetwater beekje mondde in de kreek uit, en we zagen in een laagvlakte, oostelijk van ons, vee grazen enin zuidelijke richting een weg.Op deze gunstig gelegen plek bouwden we twaalf hutten van boomtakken, die we in den grond staken en van boven met dunne twijgjes en dergelijke bij elkaar bonden. De kreek vormde onze natuurlijke bescherming aan de noordzijde, de beek ten westen, en den zuid- en oostkant versterkten we met een wal die onze hutten geheel verborg. Achter dezen wal stonden onze woonhutten, en op behoorlijken afstand drie andere, kleinere hutten, één veiligheidshalve uitsluitend voor ons kruit bestemd, de tweede voor onze gereedschappen en proviand en de derde en grootste tot eet-, gezelschaps- en vergaderlokaal ingericht.Met behulp van de ruitvormige zilveren hangers, die onze smid weer dadelijk ging fabriceeren, viel het ons niet moeilijk ook hier met de inboorlingen handel te drijven, en onze koksmaat had al gauw de handen vol met het drogen en zouten van vijftig stuks zwart vee en geiten, terwijl de omtrek ons meer dan genoeg vruchten en eetbare wortelen opleverde.Zoo hielden we omstreeks vier maanden het leven, en toen de zon naar de evenaarslijn was teruggedraaid begonnen we onze volgende reis te beramen, om n.l. de straat van Zanquebar (Zanzibar), zooals de Portugezen haar noemen, over te steken en zoo mogelijk het vaste land van Afrika te bereiken.Voor zoover we elkaar verstaan konden, bespraken we het plan met verschillende inboorlingen, maar al wat we van hen te weten kwamen was,dat er aan den anderen kant van de zee een groot land lag, vol tijgers en leeuwen. Van den afstand hadden ze geen flauw begrip, terwijl onze mannen dien schatten op honderd à honderdvijftig mijlen, hoewel een van hen, die een wereldkaart bezat, hun duidelijk maakte dat het traject volgens de schaal niet meer dan tachtig zeemijlen kon zijn. Ook waren ze ’t er niet over eens of er onderweg eilanden lagen die we konden aandoen, en een oude, blinde, door een klein jongetje geleiden man ried ons tot einde Augustus op Madagaskar te blijven, daar we dan op een gunstigen wind en een kalme zee konden rekenen.In zekeren zin een zeer verheugende mededeeling, maar het langer blijven lachte onze mannen heel weinig toe, te minder omdat de zon in dien tijd dan weer naar het zuiden zou draaien.Ten slotte werd er weer raad belegd, en na veel en vervelend heen en weer praten zagen ze in, dat we, indien ons eenige verlangen was voldoende te eten en te drinken, gerust konden blijven waar we waren, doch dat we, als we ooit ons eigen land weer wenschten te bereiken, nu scheep dienden te gaan.Ik voor mij was met plezier op het eiland gebleven en had een eigenaardig voorgevoel, dat ik er nog eens zou terugkomen.„Als ik maar een schip met twintig kanonnen en een sloep bezat, allebei behoorlijk bemand,” zei ik, „zou ik geen plaats ter wereld weten waar ik liever woonde.”Met meerderheid van stemmen werd beslotende reis niet langer uit te stellen en den overtocht te wagen. Nu, een waagstuk was het zeker! Want terwijl de wind in die streek van September tot Maart uit het oosten blaast, zoo komt hij het overige gedeelte van ’t jaar als regel uit het westen. Nadat we dus, geholpen door een soort van land-bries, ongeveer vijftien of twintig mijlen hadden afgelegd—juist voldoende om ons geheel overgeleverd te gevoelen—blies de wind ons regelmatig en krachtig, afwisselend van uit het W.Z.W. of Z.W. vlak in ’t gezicht, zoodat we er niets geen profijt van konden trekken.Daarbij kwam nog dat vaartuigen als de onze niet hoog bij den wind kunnen zeilen. Was dit wél het geval geweest, dan zouden we, in N.N.W. richting uithalende, verscheiden eilanden op onzen weg ontmoet hebben, zooals wij later ontdekten. Maar dit bleek onmogelijk. Een kleine proefneming in die richting had ons bijna het leven gekost. Naar het noorden koersende, zoo dicht onder den wind als wij durfden wagen, vergaten wij rekening te houden met den vorm en ligging van het eiland zelf. We hadden Madagaskar bij een ver-uitstekend voorgebergte verlaten en bevonden ons dus nu—een mijl of veertig noordelijker, waar het eiland meer dan tweehonderd mijlen oostwaards terugwijkt—midden in zee tusschen Madagaskar en Afrika; van beide kusten bijna honderd mijlen verwijderd.Daar er flink wat wind stond, evenals de vorige dagen, uit het westen, hielden we, met de kleinste kano op sleeptouw, met volle zeilen op de kust aan.Tot ons groote geluk bleef de zee kalm; was erook maar even een rukwind opgestoken, dan zouden we ons leven verspeeld hebben, want onze kano’s waren ondiep en allerminst geschikt om een hooge zee te bevaren.Het hachlijke avontuur had ons elf dagen in spanning gehouden, en toen we eindelijk, op omstreeks tien mijlen afstands, land in zicht kregen was onze proviand bijna geheel verbruikt en tot het laatste druppeltje het water dat we meegenomen hadden. Uitgeput als we al waren, duurde het echter nog twee volle dagen eer we den vasten wal bereikten, daar een heete landwind onze afmattende pogingen nog bemoeilijkte.Deze onderneming gaf ons een voorproefje van wat ons te beurt zou zijn gevallen, wanneer we bij ongunstigen wind waren overgestoken en genas ons voor ’t oogenblik van den lust in ’t groote plan, ten minste tot we betere vaartuigen zouden veroverd hebben.Eindelijk aan wal gekomen, begonnen we maar weer getroost een nieuw kamp op te richten, ons, evenals tevoren,zoo goedmogelijk tegen overvallen wapenend. De inboorlingen bleken hier evenwel veel toeschietelijker en goedhartiger dan op de zuidelijke helft van het eiland, en al konden we elkaars taal weer niet verstaan, toch wisten we hun aan ’t verstand te brengen dat we vreemde zeelieden waren en gebrek aan voedsel hadden.Het eerste bewijs dat we van hun welwillendheid ondervonden, was, dat een hunner hoofden, zoodra hij ons met den bouw onzer hutten zag beginnen, met een stuk of zes mannen en vrouwen naar onstoe kwam en ons twee vette stieren en vijf geiten bracht, die hij ons voor niets afstond. Hij verbood de vrouwen zelfs de sieraden aan te raken, die wij hun aanboden. Ongeveer twee uur later verscheen er een tweede opperhoofd met een stoet van een vijftig negers, waarop wij voor alle veiligheid naar onze wapens grepen. Zoodra hij dit echter bemerkte, zond hij twee mannen met lange staken vooruit, die ze als een vredesteeken omhoog droegen en daarop dicht bij ons in den grond plantten. Toen de koning en de overige zwarten tot bij die staken genaderd waren, zetten ze al hun lansen in den grond en kwamen geheel ongewapend—ook hun bogen en pijlen lieten ze achter—naar ons toe.De plechtigheid moest ons duidelijk maken dat ze vrienden wenschten te zijn, iets wat ons blij verraste. Toen het opperhoofd van het tweede gezantschap onze mannen vrij onhandig hun hutten zag bouwen, wenkte hij eenige van zijn volgelingen, ons te komen helpen, en in een oogwenk hadden we vijftien of zestien negers tusschen ons aan ’t werk. Ze betoonden zich vrij wat handiger bouwers dan wij, en hadden in verwonderlijk korten tijd vier hutten—veel mooier dan de onze—in elkaar getooverd.Hierna zonden ze ons melk, pisangs, pompoenen en een overvloed van wortels en eetbare planten, waarop zij verdwenen, zonder iets van ons te willen aannemen. Een onzer mannen presenteerde den aanvoerder een borrel, dien hij met veel smaak leegdronk. En van dit oogenblik af kwam hij ons geregeld twee of driemaal ’s weeks bezoeken, altijdiets voor ons meebrengende. Eens zelfs zond hij ons zeven zwarte koeien, die wij op onze gewone manier droogden en bewaarden.Hier moet ik even een schijnbare nietigheid vertellen, die ons later evenwel groot voordeel bracht, dat n.l. het vleesch van hun geiten en koeien, maar voornamelijk van hun geiten, in gedroogden staat rood werd en buitengewoon hard en vast van vezel, zooals ik wel eens gerookt rundvleesch uit Holland gegeten had. Het smaakte hun zoo goed, ja was zoo’n groote lekkernij voor hen, dat ze, toen ze er eenmaal mee hadden kennis gemaakt, het altijd met ons trachtten te ruilen, waarbij wij wel zorgden aan ’t langste eind te trekken. Blijkbaar hadden ze er geen flauw begrip van wat het eigenlijk was, en ze boden ons met het grootste genoegen een heelen stier of een koe of iets anders wat we begeerden, voor tien of twaalf pond van ons gerookt of gedroogd vleesch.Reeds een dag na onze aankomst op dit noordelijk deel van het eiland merkten we twee voor ons zeer belangrijke dingen op. Ten eerste zagen we dat de negers aardewerk bezaten, waarvan ze op dezelfde wijze als wij gebruik maakten. Vooral werd onze aandacht getrokken door hun diepe aarden potten, die ze in den grond lieten zinken om hun drinkwater koel te houden. De tweede gewichtige ontdekking was: het betere en grootere soort van kano’s waarin ze hier voeren.Dit bracht ons op het denkbeeld eens te onderzoeken, of ze ook nóg grooter vaartuigen bouwden, of mogelijk andere stammen die het eiland bewoonden.Met veel moeite kwamen we door teekens en gebaren te weten—sommige van hun klanken waren ons nu ook niet geheel vreemd meer—dat zij geen grooter booten maakten dan die ze ons getoond hadden, maar dat aan de andere zijde van het eiland een stam leefde, die mooier vaartuigen bezat, met dekken en groote zeilen.Toen eenige van ons met dit blijde nieuws terugkwamen, besloten we eenparig het eiland te omvaren tot we ze zouden ontdekken, en met nieuwen moed trokken we aan ’t werk om onze kano’s na te zien en den noodigen leeftocht voor onze derde zeereis bijeen te pakken.Steeds onder de kust blijvende, duurde deze excursie een week of vijf, in welken tijd we verscheiden keer aan land gingen om water en provisie te halen. Bij al die gelegenheden vonden wij de inboorlingen bijzonder vrijmoedig en welwillend; ’t scheen wel dat ze „menschelijker” werden, naarmate wij noordelijker kwamen, en op zekeren morgen vroeg, toen we het allernoordelijkste puntje van ’t eiland bereikt hadden, riep een van onze mannen óvergelukkig: „Een zeil! Een zeil!”Werkelijk namen wij allen, doch een heel eind in zee, een schip waar; maar toen we het door onzen perspectief-kijker nader beschouwden, bleek het een vaartuig dat ons geheel onbekend was. Hoe wij ook tuurden en ons best deden de kenteekenen te onderscheiden, we konden het zooals men wel zegt, „niet thuis brengen”. ’t Was geen kaag, geen galjoen, geen kaper of van eenig ander ons bekend soort. Al wat we er van maken konden was, dathet zeewaarts stevende en dus steeds verder van ons verdween. Al gauw geraakte het dan ook uit ons gezicht en we verkeerden niet in een toestand het achterna te durven gaan. Eenigen van ons hoopten nog dat het terug zou komen, maar wij zagen het niet weer tijdens ons verblijf aan de noordkust en hielden het later—toen we meer dergelijke vaartuigen ontmoetten—voor een Arabisch schip, dat handel had gedreven op de kust van Mozambique of Zanzibar, een streek die wij later ook bezochten, zooals uit mijn verdere verhaal zal blijken.Voor zoover ik me herinner onderscheidden de inboorlingen zich op die verschillende kustgedeelten al heel weinig van elkaar; noch in kleur of gedaante, noch in manieren, gewoonten, bewapening of iets anders. Toch maakten wij bij verschillende gelegenheden uit allerlei gegevens op, dat ze geen contact met elkaar hadden. Hoe dit zij, tegenover ons toonden ze zich allen uiterst vriendelijk en hulpvaardig, ’t geen voor ons van het grootste belang was.Na onze reis langs de noordkust, zeilden we nu even vele weken zuidwaarts, ook nu natuurlijk af en toe den tocht onderbrekende om voedsel en water in te nemen; en eindelijk een uitstekende landpunt omvarende, die ongeveer een mijl in zee vooruitsprong, zagen we plotseling tot onze verrassing iets vóór ons, dat ons een kreet van vreugde deed uiten, hoewel het voor de betrokken personen een zeer treurige gebeurtenis moest geweest zijn, die nu tot onze blijdschap aanleiding gaf. Tusschende in zee vooruitspringende rotsen stak de romp van een Europeesch schip.Daar het nu, bij vloed, zelfs niet geheel onder water lag, begrepen we dat het schip bij eb voor een groot deel droog moest loopen. ’t Sprak van zelf, dat onze nieuwsgierigheid ons dreef—en gelukkig lieten wind en weer het ook toe—onmiddellijk naar het wrak te varen, wat ons niet veel moeite kostte. Bij nadere beschouwing zagen we dat het een Hollandsch schip was, dat nog niet heel lang in dien toestand kon hebben verkeerd, daar een groot deel van zijn achtersteven nog flink in elkaar zat met de bezaansmast nog overeind. Blijkbaar was haar achtersteven tusschen twee rotsen bekneld geraakt en zoo behouden gebleven, terwijl de voorplecht slechts voor een deel uit elkaar lag.Ofschoon we niets aan het wrak ontdekten, wat ons op dat oogenblik van dienst zou kunnen zijn, besloten we toch hier aan wal te gaan en een tijdlang in de buurt te blijven, op hoop eenig licht omtrent de scheepsramp te verkrijgen of, wat wij allen vurig zouden gewenscht hebben—iets omtrent de opvarenden te weten te komen. Wie weet, misschien hielden er zich nog wel eenigen aan den wal op, die ongeveer in dezelfde omstandigheden als wij verkeerden en ons aantal zouden willen versterken.Geland zijnde, wachtte ons een tweede verrassing: we vonden er namenlijk een volledige kleine scheepstimmerwerf; een helling met een windas, stellingen, planken, stukken hout, in ’t kort al wat er overblijft, wanneer men een schip heeftgebouwd en dat ons onmiddellijk op het denkbeeld bracht, het voorbeeld der schipbreukelingen te volgen.Hoogstwaarschijnlijk had de ongelukkige bemanning zich met een boot aan den wal kunnen redden, en daar een flinke sloep of bark gebouwd om er mee in zee te steken. Toen wij de inboorlingen vroegen welken kant ze waren uitgegaan, wezen ze naar ’t zuiden en zuidwesten, waaruit wij de gevolgtrekking maakten dat ze naar Kaap de Goede Hoop waren gezeild.Door hun voorbeeld aangestoken, besloten we, in ieder geval te trachten een zeeklare boot te timmeren en dan, op ons lot vertrouwende, het ruime sop te kiezen.We begonnen dus met onze timmerlui op te dragen te onderzoeken, wat de Hollanders aan materialen hadden achtergelaten, die ons van dienst konden zijn. Onder zeer veel bruikbaars, vonden ze o.a. ook een pik-ketel waar nog wat pik in zat.Ondanks alle goede vondsten, viel het werk ons toch lang niet mee. We hadden geen voldoende gereedschappen, geen ijzerwerk, geen touw, geen zeilen, zoodat we bij elk onderdeel wat we noodig hadden, onze eigen smeden, touwslagers en zeilmakers moesten zijn, ja allerlei beroepen uitoefenen, die wij nooit een van allen geleerd hadden. Maar nood leert niet alleen „bidden”, zooals het spreekwoord zegt, maar ook „uitvinden”, en we brachten allerlei dingen tot stand, die ons van te voren onuitvoerbaar hadden toegeschenen.Nadat onze timmerlui de afmetingen van onzeboot bepaald hadden, zetten ze ons allen aan ’t werk. Om te beginnen moesten we het wrak uit elkaar slaan en in onze kano’s alles meebrengen, wat slechts bruikbaar scheen. Aan den mast vooral was hen zeer veel gelegen, en met ontzaglijk veel inspanning gelukte het ons na twintig dagen hard werken hem behouden aan de kust te brengen.Intusschen hadden we ook heel wat ijzerwerk uit het wrak gehaald, zooals bouten, nagels, spijkers, krammen, waarvan onze smid, met bewonderenswaardige handigheid, roerpennen, oogen, spillen enz. maakte.Van het gebruik van een anker zagen we af, bij gebrek aan een behoorlijken kabel, en we slaagden er gelukkig in, om, geholpen door de negers, een soort van touw te maken van de vezels, die zij voor hun matten gebruikten, ’t geen ons een kabel verschafte om ons vaartuig aan de kust te meren, waarmee we ons voor ’t oogenblik tevreden stelden.Vier volle maanden brachten wij bij het wrak door, flink werkende en bezield door de hoop op uitkomst. Toen we eindelijk, na verloop van dien tijd, ons schip van stapel lieten loopen, had het wel vele gebreken, maar was het toch—alles bij elkaar genomen—beter dan we hadden mogen verwachten.Onze sloep, want daar leek het vaartuig het meest op, mat achttien à twintig ton, en wanneer we slechts masten en zeilen en voldoende takelage hadden gehad, zou het scheepje ons overal waar we maar wenschten, gebracht hebben. Wat echter de heele onderneming nog zou doen mislukken enal onzen arbeid vruchteloos dreigde te maken was ons gebrek aan teer en pek. De kleine voorraad van het laatste artikel dien we in de pot gevonden hadden, was natuurlijk bij lange na niet toereikend om de naden mee te dichten, en hoewel we ál deden wat we konden met een mengsel van talk en olie, twee artikelen die wij in het wrak gevonden hadden, toch beantwoordde dit op verre na niet aan het doel. Toen we onze sloep dus na veel moeite in ’t water hadden, bleek zij zoo lek als een mandje en moesten we, bij gemis van een pomp, met alle macht hoozen om haar boven water te houden.Wees ons een boom aan.Wees ons een boom aan.Diep terneergeslagen over deze bittere teleurstelling, zochten wij hulp bij de inboorlingen, en eenvan hen, een oude neger, wees ons een boom aan, waarvan het hout, als men het kookt, een lijmachtige vloeistof afscheidt, bijna zoo bruikbaar als teer. Den raad dankbaar opvolgende, verkregen wij werkelijk een stof, die uitstekend het pik vervangen kon en ons schip geheel waterdicht maakte. Bij verschillende gelegenheden kwam mij deze ontdekking later te pas.Toen ons schip dus zoover klaar was, maakten we een mooien mast uit den bezaansmast van het wrak, waaraan we onze zeilen zoo goed mogelijk bevestigden, voorzagen het nog van een roer, een helmstok en andere noodzakelijke onderdeelen, brachten onze victualiën en zooveel zoet water aan boord als wij konden bergen—want we hadden nog altijd geen vaten—en staken met een gunstigen wind in zee.Met onze onderzoekingstochten en het bouwen der sloep was nu bijna een jaar verstreken. Het moest nu omstreeks begin Februari zijn volgens onze mannen; de zon draaide gelukkig naar het noordelijk halfrond, wat ons allen dankbaar stemde, want de hitte was bijna ondraaglijk geweest. Zooals ik reeds zeide, hadden we den wind mee, die, naar ik later herhaaldelijk opmerkte, meestal uit den oosthoek waait, als de zon naar het noorden loopt.’t Groote vraagpunt was nu, welke richting we zouden kiezen, en nooit in mijn leven heb ik mannen zoo weifelachtig gezien. Sommige waren voor de oostelijke richting en waren liefst onmiddellijk in zee gestoken naar de kust van Malabar; maarandere, wat bedachtzamer, beschouwden de lengte van die reis een onoverkomelijk bezwaar en schudden afkeurend het hoofd, overtuigd dat noch onze leeftocht noch onze watervoorraad ons veroorloofden een reis van bijna tweeduizend mijlen te ondernemen, zonder eenig vast punt om onderweg aan te doen.Zij zelf hadden sinds lang hun zinnen gezet op een tocht naar het vasteland van Afrika, waar we volgens hen, goed in ons onderhoud zouden kunnen voorzien, ja zelfs rijk worden.Feitelijk viel er niet veel te kiezen; want hadden we tot het oosten besloten, dan zouden we hebben moeten wachten tot April of Mei.Eindelijk—daar de wind voortdurend Z.O., of O.Z.O. en het weer uitstekend bleef, werden we het er toch over eens te trachten de kust van Afrika te bereiken.Daar we ons voor die reis aan den verkeerden kant van het eiland bevonden, zeilden we eerst weer naar het noorden en zetten toen, om de kaap heendraaiende, koers naar het zuiden, steeds onder de kust houdende en hopende de naar ’t westen vooruitstekende punt van het eiland te bereiken, van waar onze overtocht naar ’t vasteland wel met een honderd mijlen zou verkort worden.Toen we evenwel een dertig mijlen hadden afgelegd, ondervonden we dat de wind onder de kust veranderde en we hem pal tegenkregen, waarom wij wel moesten besluiten in volle zee te steken, waar we den wind mee hadden. Ons vaartuig was weinig geschikt om hoog bij den wind te zeilen.Nadat we dus nog eens voor ’t laatst aan wal waren gegaan om ons van water en levensmiddelen te voorzien, staken we ten langen leste tegen het einde van Maart—met meer moed dan beleid, meer zelfvertrouwen dan verstandig overleg—naar het vasteland van Afrika over.Wat mij persoonlijk betrof, gevoelde ik niet den minsten angst of ongerustheid. Als we maar in ’t een of ander land terecht kwamen, liet het mij volkomen onverschillig, of dat ten oosten of ten westen van ons lag. Ik bekommerde mij in die dagen bitter weinig om mijn toekomst en hechtte, met de onnadenkendheid aan mijn leeftijd eigen, mijn goedkeuring aan al wat mij werd voorgesteld, hoe hachelijker, hoe liever.De reis, tamelijk wel in onwetendheid en radeloosheid begonnen, werd met al heel weinig oordeel voortgezet, want we wisten niets meer van den te volgen koers, dan dat we naar het westen moesten sturen met een paar streken N. of Z., en daar we geen andere streekwijzer bezaten dan een klein koperen zakkompas dat een der matrozen toevallig bij zich had gehad, toen we van ’t galjoen werden gezet, zeilden we vrij wel op goed geluk.Daar het God evenwel behaagde den wind in den O. en Z.O. hoek te houden, begrepen we dat we, N.W. bij W. sturende, vlak voor ’t lapje moesten gaan, en zoo kwamen we dan ook met een flink vaartje vooruit.Toch duurde de reis met ons schip dat maar heel weinig zeil voerde, veel langer dan we ons hadden voorgesteld.Iets vermeldenswaards deed zich op dezen tocht niet voor; er was niets wat ons eenige afleiding bezorgde of de eentonigheid onderbrak. Geen vaartuig, groot of klein, kwam in zicht. Blijkbaar lag de zee waarop we ons bevonden geheel buiten het gebied van den handel, terwijl de bevolking van Madagaskar niets meer wist omtrent het kustland van Afrika dan wij.Riep een onzer mannen: „Land!”Riep een onzer mannen: „Land!”Toen wij omstreeks acht of negen dagen onder zeil waren geweest, voortdurend met gunstigen wind, riep plotseling een onzer mannen: „Land!” een vreugdekreet die bij ons allen weerklank vond. Geen ontdekking kon ons op dat oogenblik gelukkiger hebben gestemd, want we hadden—ook bij een zeer klein rantsoen—nog maar voor tweedagen drinkwater aan boord. Tot onze teleurstelling duurde het nog den ganschen dag eer we het land bereikten; ’t was ’s morgens vroeg toen we het in ’t oog kregen, en pas tegen den nacht konden we voet aan wal zetten. De wind ging ongelukkigerwijze bijna geheel liggen, zoodat ons vaartuig—dat toch al zoo weinig zeil voerde—nauwelijks vooruit kwam.Maar hoe bitter was onze teleurstelling, toen we tot de ontdekking kwamen dat we, niet zooals we ons hadden voorgesteld, het vasteland van Afrika betreden hadden, doch slechts een nietig eilandje zonder bewoners (wij troffen er ten minste geen mensch aan) en geen ander vee dan een paar geiten, waarvan we er drie doodden. Zoo konden we dus weer eens aan versch vleesch smullen, en daar we heel goed drinkwater vonden, zetten we ons gauw over den tegenvaller heen, vertrouwende dat het vasteland toch niet meer veraf kon zijn.Met onze berekeningen kwamen we nog al eens meer verkeerd uit! Zelfs nu duurde het nog vijftien dagen eer we het vasteland bereikten—maar juist bijtijds, daar onze voorraad water en voedsel totaal was uitgeput. Gedurende de laatste twee dagen had aan ieder van ons maar een pint water kunnen verstrekt worden, wat bij de groote hitte, zeker niet voldoende was. Toen we de Afrikaansche kust dan ook eindelijk en ten laatste ontdekten—al was het ook nog op grooten afstand—schepten we allen nieuwen moed om nog wat dorst en honger te doorstaan, en tot ons geluk bracht een briesje,dat ’s nachts uit het oosten opstak, ons tegen den morgen binnen twee mijlen van de kust.In ons groot verlangen vasten grond onder de voeten te krijgen, landden we zoodra we gelegenheid zagen—wel wat voorbarig, zooals later bleek. Hadden we nog een beetje geduld geoefend, dan zouden we iets noordelijker een mooie rivier gevonden hebben.Met behulp van twee boomen, die we als meerpalen in den grond plantten, hielden we ons fregat vlot, waarbij onze, van een soort biezen gevlochten touwen, als kabels dienst moesten doen.Zoodra wij het land, vlak onder ons bereik wat in oogenschouw genomen, ons van versch water voorzien en wat voedsel verschaft hadden, gingen we weer met onzen voorraad aan boord.Veel hadden we niet veroverd; de levensmiddelen bleken schaarsch in die streek, doch we konden in ieder geval een stuk of wat vogels en een soort van wilden buffel schieten die klein van stuk was, maar smakelijk vleesch opleverde.Toen we een en ander hadden ingeladen, besloten we N.N.O. langs de kust te varen tot we een kreek of rivier zouden ontmoeten, die ons verder landwaarts in zou brengen naar een dorp of stad; want we hadden gegronde reden voor onze overtuiging, dat de kuststrook vrij dicht bewoond moest zijn, daar we ’s nachts herhaaldelijk op verschillende punten vuren en overdag op korten afstand rook hadden gezien.
Gedurende verscheiden dagen zeilden we vroolijk voorwaarts, zonder iets hinderlijks op onzen weg te ontmoeten. Hier en daar zagen we inboorlingen in kleine kano’s op de vischvangst, maar als we hen trachten te naderen, zochten ze—blijkbaar bang voor ons—zoo gauw mogelijk de kust te bereiken.
Toen we dit tot onze teleurstelling een paar maal ondervonden hadden, kwam een onzer timmerlui op den inval, om, bij wijze van vredesvlag, een staak omhoog te steken, op de manier als zij gedaan hadden, toen ze hun koning aan ons kwamen voorstellen, en deze maatregel had de gewenschte uitwerking. Zoodra zij den volgenden ochtend den paal opmerkten dien wij in onze kleinste kano hadden omhoog gezet, wachtten ze ons af en pagaaiden ons zelfs een eindweegs te gemoet om ons een paar groote visschen aan te bieden, die wij niet kenden, maar die later bleken uitstekend te smaken.
Jammer was het, ook nu weer, dat wij geen voldoende ruilmiddelen bezaten, doch onze fijnsmid bood hun twee ruitvormig gesneden en zeer dun geslagen zilverstukjes aan, met een gaatje in eender hoeken, en dit primitieve sieraad stemde hen zoo dankbaar, dat ze ons beduidden te wachten tot ze opnieuw hun netten zouden hebben opgehaald, waarna ze ons zooveel visch gaven als we slechts begeerden.
Die een lap katoen aan haar mast had gebonden.Die een lap katoen aan haar mast had gebonden.
Die een lap katoen aan haar mast had gebonden.
Al dien tijd hielden we ’t oog gevestigd op hun bootjes, overwegende of ze ons op onzen tocht van dienst zouden kunnen zijn, maar ’t waren armzalige vaartuigjes; de zeilen bestonden uit een groote mat; behalve bij één kano, die een lap katoen aan haar mast had gebonden, en we besloten dus hun in ’t rustig bezit van hun eigendom te laten en verder noordwaarts te stevenen.
Gedurende twaalf dagen bleven we voortdurend onder de kust, en daar de wind O.Z.O. was,hielden we een flink vaartje.
We ontdekten geen enkele stad langs de kust, zelfs geen dorp; wel telkens eenige hutten bij elkaar tusschen de rotsen en groepjes menschen, blijkbaar toegeloopen om naar ons te kijken.
Onze kleine vloot van drie schepen, met een kleine dertig gewapenden bemand, vormde zoo’n groot gevaar voor hen, dat ze ons stellig al wat ze bijeen konden brengen hadden willen geven om ons weer veilig kwijt te zijn. En aan den anderen kant voelden wij ons niet minder angstig en bezorgd en onveilig dan zij, afgaande op een doel, dat nauwelijks een doel kon genoemd worden.
Naarmate we noordelijker kwamen, nam de hitte toe, en al spoedig werd ze ons—op het water en geheel onbeschut—bijna ondraaglijk. ’t Was October, en daar we ons op ’t zuidelijk halfrond bevonden, kwamen we als ’t ware elken dag wat dichter bij de zon. Een dag of vijf, zes geleden, waren we den keerkring gepasseerd, dus zou de zon nog een paar dagen later in haar zenith, vlak boven onze hoofden staan.
Dit overwegende en tevens gedrongen door proviandgebrek, besloten we een geschikt plekje te zoeken om aan wal te gaan en onze tenten op te slaan, tot de hitte wat zou verminderen. Naar onze berekening hadden we half de lengte van het eiland langs gevaren en het punt bereikt, dat, naar het noordwesten uitstekende, het dichtst het vasteland van Afrika nadert. Toch vreesden we dat de afstand nog wel een honderdtwintig zeemijlen zou bedragen.
Vroeg in den morgen voeren we dus naar de kust, ’t geen we alle drie of vier dagen deden om drinkwater te halen, en overlegden of we hier eenigen tijd zouden kampeeren; om allerlei redenen echter, kwam de plek ons niet geschikt voor en besloten we de reis nog maar eenigen tijd voort te zetten.
Nadat we nog een week met een frisch briesje uit het Zuid-Oosten in noordwestelijke richting hadden voortgezeild, bereikten we een kaap of voorgebergte, dat ver in zee uitstak, en daar we brandend nieuwsgierig waren om te ontdekken wat er aan den anderen kant der kaap zou zijn, kwamen we overeen er om heen te zeilen, voor en aleer we een haven opzochten. We koersten dus maar weer verder, doch hoewel de wind aanhield, duurde het toch nog vier dagen eer we den uitstekende rots bereikten. En toen wachtte ons helaas een bittere teleurstelling! De kust week n.l. aan den anderen kant plotseling terug, blijkbaar nog veel meer dan aan de zuidzijde het geval was. Wilden we dus naar Afrika oversteken, dan moest het van dit punt zijn; verderop werd de zee steeds breeder—hoe breed wel, viel moeilijk te berekenen.
Nog geheel onder den indruk van dezen tegenslag, werden we overvallen door zulke geweldige regen- en donderbuien als we nog zelden hadden bijgewoond. Haast-je, rep-je trachtten we dus de kust te bereiken en pagaaiden, door de kaap beschut, een kleine kreek in, die geheel door takken over-groeid was.
Uitgeput van vermoeienis en door en door nat zag onze zaak er vrij wanhopig uit, en onze „duivelskunstenaar”,zooals een onzer den smid gedoopt had, plaatste een groot houten kruis op een rots, ongeveer een mijl van de kaap, en schreef er op, in ’t Portugeesch natuurlijk:
„Kaap Wanhoop—God helpe ons!”
„Kaap Wanhoop—God helpe ons!”
Een groot houten kruis.Een groot houten kruis.
Een groot houten kruis.
Zoodra we wat bekomen waren, begonnen we een vuurtje te stoken om onze kleeren te drogen en daarna hout voor onze hutten bijeen te garen.
Ons kamp werd ingericht aan de zuidzijde van de kreek en onder de beschutting van een steilen heuvel ten N.W., die gelukkig een groot deel van den dag de zonnestralen onderschepte. Een zoetwater beekje mondde in de kreek uit, en we zagen in een laagvlakte, oostelijk van ons, vee grazen enin zuidelijke richting een weg.
Op deze gunstig gelegen plek bouwden we twaalf hutten van boomtakken, die we in den grond staken en van boven met dunne twijgjes en dergelijke bij elkaar bonden. De kreek vormde onze natuurlijke bescherming aan de noordzijde, de beek ten westen, en den zuid- en oostkant versterkten we met een wal die onze hutten geheel verborg. Achter dezen wal stonden onze woonhutten, en op behoorlijken afstand drie andere, kleinere hutten, één veiligheidshalve uitsluitend voor ons kruit bestemd, de tweede voor onze gereedschappen en proviand en de derde en grootste tot eet-, gezelschaps- en vergaderlokaal ingericht.
Met behulp van de ruitvormige zilveren hangers, die onze smid weer dadelijk ging fabriceeren, viel het ons niet moeilijk ook hier met de inboorlingen handel te drijven, en onze koksmaat had al gauw de handen vol met het drogen en zouten van vijftig stuks zwart vee en geiten, terwijl de omtrek ons meer dan genoeg vruchten en eetbare wortelen opleverde.
Zoo hielden we omstreeks vier maanden het leven, en toen de zon naar de evenaarslijn was teruggedraaid begonnen we onze volgende reis te beramen, om n.l. de straat van Zanquebar (Zanzibar), zooals de Portugezen haar noemen, over te steken en zoo mogelijk het vaste land van Afrika te bereiken.
Voor zoover we elkaar verstaan konden, bespraken we het plan met verschillende inboorlingen, maar al wat we van hen te weten kwamen was,dat er aan den anderen kant van de zee een groot land lag, vol tijgers en leeuwen. Van den afstand hadden ze geen flauw begrip, terwijl onze mannen dien schatten op honderd à honderdvijftig mijlen, hoewel een van hen, die een wereldkaart bezat, hun duidelijk maakte dat het traject volgens de schaal niet meer dan tachtig zeemijlen kon zijn. Ook waren ze ’t er niet over eens of er onderweg eilanden lagen die we konden aandoen, en een oude, blinde, door een klein jongetje geleiden man ried ons tot einde Augustus op Madagaskar te blijven, daar we dan op een gunstigen wind en een kalme zee konden rekenen.
In zekeren zin een zeer verheugende mededeeling, maar het langer blijven lachte onze mannen heel weinig toe, te minder omdat de zon in dien tijd dan weer naar het zuiden zou draaien.
Ten slotte werd er weer raad belegd, en na veel en vervelend heen en weer praten zagen ze in, dat we, indien ons eenige verlangen was voldoende te eten en te drinken, gerust konden blijven waar we waren, doch dat we, als we ooit ons eigen land weer wenschten te bereiken, nu scheep dienden te gaan.
Ik voor mij was met plezier op het eiland gebleven en had een eigenaardig voorgevoel, dat ik er nog eens zou terugkomen.
„Als ik maar een schip met twintig kanonnen en een sloep bezat, allebei behoorlijk bemand,” zei ik, „zou ik geen plaats ter wereld weten waar ik liever woonde.”
Met meerderheid van stemmen werd beslotende reis niet langer uit te stellen en den overtocht te wagen. Nu, een waagstuk was het zeker! Want terwijl de wind in die streek van September tot Maart uit het oosten blaast, zoo komt hij het overige gedeelte van ’t jaar als regel uit het westen. Nadat we dus, geholpen door een soort van land-bries, ongeveer vijftien of twintig mijlen hadden afgelegd—juist voldoende om ons geheel overgeleverd te gevoelen—blies de wind ons regelmatig en krachtig, afwisselend van uit het W.Z.W. of Z.W. vlak in ’t gezicht, zoodat we er niets geen profijt van konden trekken.
Daarbij kwam nog dat vaartuigen als de onze niet hoog bij den wind kunnen zeilen. Was dit wél het geval geweest, dan zouden we, in N.N.W. richting uithalende, verscheiden eilanden op onzen weg ontmoet hebben, zooals wij later ontdekten. Maar dit bleek onmogelijk. Een kleine proefneming in die richting had ons bijna het leven gekost. Naar het noorden koersende, zoo dicht onder den wind als wij durfden wagen, vergaten wij rekening te houden met den vorm en ligging van het eiland zelf. We hadden Madagaskar bij een ver-uitstekend voorgebergte verlaten en bevonden ons dus nu—een mijl of veertig noordelijker, waar het eiland meer dan tweehonderd mijlen oostwaards terugwijkt—midden in zee tusschen Madagaskar en Afrika; van beide kusten bijna honderd mijlen verwijderd.
Daar er flink wat wind stond, evenals de vorige dagen, uit het westen, hielden we, met de kleinste kano op sleeptouw, met volle zeilen op de kust aan.
Tot ons groote geluk bleef de zee kalm; was erook maar even een rukwind opgestoken, dan zouden we ons leven verspeeld hebben, want onze kano’s waren ondiep en allerminst geschikt om een hooge zee te bevaren.
Het hachlijke avontuur had ons elf dagen in spanning gehouden, en toen we eindelijk, op omstreeks tien mijlen afstands, land in zicht kregen was onze proviand bijna geheel verbruikt en tot het laatste druppeltje het water dat we meegenomen hadden. Uitgeput als we al waren, duurde het echter nog twee volle dagen eer we den vasten wal bereikten, daar een heete landwind onze afmattende pogingen nog bemoeilijkte.
Deze onderneming gaf ons een voorproefje van wat ons te beurt zou zijn gevallen, wanneer we bij ongunstigen wind waren overgestoken en genas ons voor ’t oogenblik van den lust in ’t groote plan, ten minste tot we betere vaartuigen zouden veroverd hebben.
Eindelijk aan wal gekomen, begonnen we maar weer getroost een nieuw kamp op te richten, ons, evenals tevoren,zoo goedmogelijk tegen overvallen wapenend. De inboorlingen bleken hier evenwel veel toeschietelijker en goedhartiger dan op de zuidelijke helft van het eiland, en al konden we elkaars taal weer niet verstaan, toch wisten we hun aan ’t verstand te brengen dat we vreemde zeelieden waren en gebrek aan voedsel hadden.
Het eerste bewijs dat we van hun welwillendheid ondervonden, was, dat een hunner hoofden, zoodra hij ons met den bouw onzer hutten zag beginnen, met een stuk of zes mannen en vrouwen naar onstoe kwam en ons twee vette stieren en vijf geiten bracht, die hij ons voor niets afstond. Hij verbood de vrouwen zelfs de sieraden aan te raken, die wij hun aanboden. Ongeveer twee uur later verscheen er een tweede opperhoofd met een stoet van een vijftig negers, waarop wij voor alle veiligheid naar onze wapens grepen. Zoodra hij dit echter bemerkte, zond hij twee mannen met lange staken vooruit, die ze als een vredesteeken omhoog droegen en daarop dicht bij ons in den grond plantten. Toen de koning en de overige zwarten tot bij die staken genaderd waren, zetten ze al hun lansen in den grond en kwamen geheel ongewapend—ook hun bogen en pijlen lieten ze achter—naar ons toe.
De plechtigheid moest ons duidelijk maken dat ze vrienden wenschten te zijn, iets wat ons blij verraste. Toen het opperhoofd van het tweede gezantschap onze mannen vrij onhandig hun hutten zag bouwen, wenkte hij eenige van zijn volgelingen, ons te komen helpen, en in een oogwenk hadden we vijftien of zestien negers tusschen ons aan ’t werk. Ze betoonden zich vrij wat handiger bouwers dan wij, en hadden in verwonderlijk korten tijd vier hutten—veel mooier dan de onze—in elkaar getooverd.
Hierna zonden ze ons melk, pisangs, pompoenen en een overvloed van wortels en eetbare planten, waarop zij verdwenen, zonder iets van ons te willen aannemen. Een onzer mannen presenteerde den aanvoerder een borrel, dien hij met veel smaak leegdronk. En van dit oogenblik af kwam hij ons geregeld twee of driemaal ’s weeks bezoeken, altijdiets voor ons meebrengende. Eens zelfs zond hij ons zeven zwarte koeien, die wij op onze gewone manier droogden en bewaarden.
Hier moet ik even een schijnbare nietigheid vertellen, die ons later evenwel groot voordeel bracht, dat n.l. het vleesch van hun geiten en koeien, maar voornamelijk van hun geiten, in gedroogden staat rood werd en buitengewoon hard en vast van vezel, zooals ik wel eens gerookt rundvleesch uit Holland gegeten had. Het smaakte hun zoo goed, ja was zoo’n groote lekkernij voor hen, dat ze, toen ze er eenmaal mee hadden kennis gemaakt, het altijd met ons trachtten te ruilen, waarbij wij wel zorgden aan ’t langste eind te trekken. Blijkbaar hadden ze er geen flauw begrip van wat het eigenlijk was, en ze boden ons met het grootste genoegen een heelen stier of een koe of iets anders wat we begeerden, voor tien of twaalf pond van ons gerookt of gedroogd vleesch.
Reeds een dag na onze aankomst op dit noordelijk deel van het eiland merkten we twee voor ons zeer belangrijke dingen op. Ten eerste zagen we dat de negers aardewerk bezaten, waarvan ze op dezelfde wijze als wij gebruik maakten. Vooral werd onze aandacht getrokken door hun diepe aarden potten, die ze in den grond lieten zinken om hun drinkwater koel te houden. De tweede gewichtige ontdekking was: het betere en grootere soort van kano’s waarin ze hier voeren.
Dit bracht ons op het denkbeeld eens te onderzoeken, of ze ook nóg grooter vaartuigen bouwden, of mogelijk andere stammen die het eiland bewoonden.Met veel moeite kwamen we door teekens en gebaren te weten—sommige van hun klanken waren ons nu ook niet geheel vreemd meer—dat zij geen grooter booten maakten dan die ze ons getoond hadden, maar dat aan de andere zijde van het eiland een stam leefde, die mooier vaartuigen bezat, met dekken en groote zeilen.
Toen eenige van ons met dit blijde nieuws terugkwamen, besloten we eenparig het eiland te omvaren tot we ze zouden ontdekken, en met nieuwen moed trokken we aan ’t werk om onze kano’s na te zien en den noodigen leeftocht voor onze derde zeereis bijeen te pakken.
Steeds onder de kust blijvende, duurde deze excursie een week of vijf, in welken tijd we verscheiden keer aan land gingen om water en provisie te halen. Bij al die gelegenheden vonden wij de inboorlingen bijzonder vrijmoedig en welwillend; ’t scheen wel dat ze „menschelijker” werden, naarmate wij noordelijker kwamen, en op zekeren morgen vroeg, toen we het allernoordelijkste puntje van ’t eiland bereikt hadden, riep een van onze mannen óvergelukkig: „Een zeil! Een zeil!”
Werkelijk namen wij allen, doch een heel eind in zee, een schip waar; maar toen we het door onzen perspectief-kijker nader beschouwden, bleek het een vaartuig dat ons geheel onbekend was. Hoe wij ook tuurden en ons best deden de kenteekenen te onderscheiden, we konden het zooals men wel zegt, „niet thuis brengen”. ’t Was geen kaag, geen galjoen, geen kaper of van eenig ander ons bekend soort. Al wat we er van maken konden was, dathet zeewaarts stevende en dus steeds verder van ons verdween. Al gauw geraakte het dan ook uit ons gezicht en we verkeerden niet in een toestand het achterna te durven gaan. Eenigen van ons hoopten nog dat het terug zou komen, maar wij zagen het niet weer tijdens ons verblijf aan de noordkust en hielden het later—toen we meer dergelijke vaartuigen ontmoetten—voor een Arabisch schip, dat handel had gedreven op de kust van Mozambique of Zanzibar, een streek die wij later ook bezochten, zooals uit mijn verdere verhaal zal blijken.
Voor zoover ik me herinner onderscheidden de inboorlingen zich op die verschillende kustgedeelten al heel weinig van elkaar; noch in kleur of gedaante, noch in manieren, gewoonten, bewapening of iets anders. Toch maakten wij bij verschillende gelegenheden uit allerlei gegevens op, dat ze geen contact met elkaar hadden. Hoe dit zij, tegenover ons toonden ze zich allen uiterst vriendelijk en hulpvaardig, ’t geen voor ons van het grootste belang was.
Na onze reis langs de noordkust, zeilden we nu even vele weken zuidwaarts, ook nu natuurlijk af en toe den tocht onderbrekende om voedsel en water in te nemen; en eindelijk een uitstekende landpunt omvarende, die ongeveer een mijl in zee vooruitsprong, zagen we plotseling tot onze verrassing iets vóór ons, dat ons een kreet van vreugde deed uiten, hoewel het voor de betrokken personen een zeer treurige gebeurtenis moest geweest zijn, die nu tot onze blijdschap aanleiding gaf. Tusschende in zee vooruitspringende rotsen stak de romp van een Europeesch schip.
Daar het nu, bij vloed, zelfs niet geheel onder water lag, begrepen we dat het schip bij eb voor een groot deel droog moest loopen. ’t Sprak van zelf, dat onze nieuwsgierigheid ons dreef—en gelukkig lieten wind en weer het ook toe—onmiddellijk naar het wrak te varen, wat ons niet veel moeite kostte. Bij nadere beschouwing zagen we dat het een Hollandsch schip was, dat nog niet heel lang in dien toestand kon hebben verkeerd, daar een groot deel van zijn achtersteven nog flink in elkaar zat met de bezaansmast nog overeind. Blijkbaar was haar achtersteven tusschen twee rotsen bekneld geraakt en zoo behouden gebleven, terwijl de voorplecht slechts voor een deel uit elkaar lag.
Ofschoon we niets aan het wrak ontdekten, wat ons op dat oogenblik van dienst zou kunnen zijn, besloten we toch hier aan wal te gaan en een tijdlang in de buurt te blijven, op hoop eenig licht omtrent de scheepsramp te verkrijgen of, wat wij allen vurig zouden gewenscht hebben—iets omtrent de opvarenden te weten te komen. Wie weet, misschien hielden er zich nog wel eenigen aan den wal op, die ongeveer in dezelfde omstandigheden als wij verkeerden en ons aantal zouden willen versterken.
Geland zijnde, wachtte ons een tweede verrassing: we vonden er namenlijk een volledige kleine scheepstimmerwerf; een helling met een windas, stellingen, planken, stukken hout, in ’t kort al wat er overblijft, wanneer men een schip heeftgebouwd en dat ons onmiddellijk op het denkbeeld bracht, het voorbeeld der schipbreukelingen te volgen.
Hoogstwaarschijnlijk had de ongelukkige bemanning zich met een boot aan den wal kunnen redden, en daar een flinke sloep of bark gebouwd om er mee in zee te steken. Toen wij de inboorlingen vroegen welken kant ze waren uitgegaan, wezen ze naar ’t zuiden en zuidwesten, waaruit wij de gevolgtrekking maakten dat ze naar Kaap de Goede Hoop waren gezeild.
Door hun voorbeeld aangestoken, besloten we, in ieder geval te trachten een zeeklare boot te timmeren en dan, op ons lot vertrouwende, het ruime sop te kiezen.
We begonnen dus met onze timmerlui op te dragen te onderzoeken, wat de Hollanders aan materialen hadden achtergelaten, die ons van dienst konden zijn. Onder zeer veel bruikbaars, vonden ze o.a. ook een pik-ketel waar nog wat pik in zat.
Ondanks alle goede vondsten, viel het werk ons toch lang niet mee. We hadden geen voldoende gereedschappen, geen ijzerwerk, geen touw, geen zeilen, zoodat we bij elk onderdeel wat we noodig hadden, onze eigen smeden, touwslagers en zeilmakers moesten zijn, ja allerlei beroepen uitoefenen, die wij nooit een van allen geleerd hadden. Maar nood leert niet alleen „bidden”, zooals het spreekwoord zegt, maar ook „uitvinden”, en we brachten allerlei dingen tot stand, die ons van te voren onuitvoerbaar hadden toegeschenen.
Nadat onze timmerlui de afmetingen van onzeboot bepaald hadden, zetten ze ons allen aan ’t werk. Om te beginnen moesten we het wrak uit elkaar slaan en in onze kano’s alles meebrengen, wat slechts bruikbaar scheen. Aan den mast vooral was hen zeer veel gelegen, en met ontzaglijk veel inspanning gelukte het ons na twintig dagen hard werken hem behouden aan de kust te brengen.
Intusschen hadden we ook heel wat ijzerwerk uit het wrak gehaald, zooals bouten, nagels, spijkers, krammen, waarvan onze smid, met bewonderenswaardige handigheid, roerpennen, oogen, spillen enz. maakte.
Van het gebruik van een anker zagen we af, bij gebrek aan een behoorlijken kabel, en we slaagden er gelukkig in, om, geholpen door de negers, een soort van touw te maken van de vezels, die zij voor hun matten gebruikten, ’t geen ons een kabel verschafte om ons vaartuig aan de kust te meren, waarmee we ons voor ’t oogenblik tevreden stelden.
Vier volle maanden brachten wij bij het wrak door, flink werkende en bezield door de hoop op uitkomst. Toen we eindelijk, na verloop van dien tijd, ons schip van stapel lieten loopen, had het wel vele gebreken, maar was het toch—alles bij elkaar genomen—beter dan we hadden mogen verwachten.
Onze sloep, want daar leek het vaartuig het meest op, mat achttien à twintig ton, en wanneer we slechts masten en zeilen en voldoende takelage hadden gehad, zou het scheepje ons overal waar we maar wenschten, gebracht hebben. Wat echter de heele onderneming nog zou doen mislukken enal onzen arbeid vruchteloos dreigde te maken was ons gebrek aan teer en pek. De kleine voorraad van het laatste artikel dien we in de pot gevonden hadden, was natuurlijk bij lange na niet toereikend om de naden mee te dichten, en hoewel we ál deden wat we konden met een mengsel van talk en olie, twee artikelen die wij in het wrak gevonden hadden, toch beantwoordde dit op verre na niet aan het doel. Toen we onze sloep dus na veel moeite in ’t water hadden, bleek zij zoo lek als een mandje en moesten we, bij gemis van een pomp, met alle macht hoozen om haar boven water te houden.
Wees ons een boom aan.Wees ons een boom aan.
Wees ons een boom aan.
Diep terneergeslagen over deze bittere teleurstelling, zochten wij hulp bij de inboorlingen, en eenvan hen, een oude neger, wees ons een boom aan, waarvan het hout, als men het kookt, een lijmachtige vloeistof afscheidt, bijna zoo bruikbaar als teer. Den raad dankbaar opvolgende, verkregen wij werkelijk een stof, die uitstekend het pik vervangen kon en ons schip geheel waterdicht maakte. Bij verschillende gelegenheden kwam mij deze ontdekking later te pas.
Toen ons schip dus zoover klaar was, maakten we een mooien mast uit den bezaansmast van het wrak, waaraan we onze zeilen zoo goed mogelijk bevestigden, voorzagen het nog van een roer, een helmstok en andere noodzakelijke onderdeelen, brachten onze victualiën en zooveel zoet water aan boord als wij konden bergen—want we hadden nog altijd geen vaten—en staken met een gunstigen wind in zee.
Met onze onderzoekingstochten en het bouwen der sloep was nu bijna een jaar verstreken. Het moest nu omstreeks begin Februari zijn volgens onze mannen; de zon draaide gelukkig naar het noordelijk halfrond, wat ons allen dankbaar stemde, want de hitte was bijna ondraaglijk geweest. Zooals ik reeds zeide, hadden we den wind mee, die, naar ik later herhaaldelijk opmerkte, meestal uit den oosthoek waait, als de zon naar het noorden loopt.
’t Groote vraagpunt was nu, welke richting we zouden kiezen, en nooit in mijn leven heb ik mannen zoo weifelachtig gezien. Sommige waren voor de oostelijke richting en waren liefst onmiddellijk in zee gestoken naar de kust van Malabar; maarandere, wat bedachtzamer, beschouwden de lengte van die reis een onoverkomelijk bezwaar en schudden afkeurend het hoofd, overtuigd dat noch onze leeftocht noch onze watervoorraad ons veroorloofden een reis van bijna tweeduizend mijlen te ondernemen, zonder eenig vast punt om onderweg aan te doen.
Zij zelf hadden sinds lang hun zinnen gezet op een tocht naar het vasteland van Afrika, waar we volgens hen, goed in ons onderhoud zouden kunnen voorzien, ja zelfs rijk worden.
Feitelijk viel er niet veel te kiezen; want hadden we tot het oosten besloten, dan zouden we hebben moeten wachten tot April of Mei.
Eindelijk—daar de wind voortdurend Z.O., of O.Z.O. en het weer uitstekend bleef, werden we het er toch over eens te trachten de kust van Afrika te bereiken.
Daar we ons voor die reis aan den verkeerden kant van het eiland bevonden, zeilden we eerst weer naar het noorden en zetten toen, om de kaap heendraaiende, koers naar het zuiden, steeds onder de kust houdende en hopende de naar ’t westen vooruitstekende punt van het eiland te bereiken, van waar onze overtocht naar ’t vasteland wel met een honderd mijlen zou verkort worden.
Toen we evenwel een dertig mijlen hadden afgelegd, ondervonden we dat de wind onder de kust veranderde en we hem pal tegenkregen, waarom wij wel moesten besluiten in volle zee te steken, waar we den wind mee hadden. Ons vaartuig was weinig geschikt om hoog bij den wind te zeilen.
Nadat we dus nog eens voor ’t laatst aan wal waren gegaan om ons van water en levensmiddelen te voorzien, staken we ten langen leste tegen het einde van Maart—met meer moed dan beleid, meer zelfvertrouwen dan verstandig overleg—naar het vasteland van Afrika over.
Wat mij persoonlijk betrof, gevoelde ik niet den minsten angst of ongerustheid. Als we maar in ’t een of ander land terecht kwamen, liet het mij volkomen onverschillig, of dat ten oosten of ten westen van ons lag. Ik bekommerde mij in die dagen bitter weinig om mijn toekomst en hechtte, met de onnadenkendheid aan mijn leeftijd eigen, mijn goedkeuring aan al wat mij werd voorgesteld, hoe hachelijker, hoe liever.
De reis, tamelijk wel in onwetendheid en radeloosheid begonnen, werd met al heel weinig oordeel voortgezet, want we wisten niets meer van den te volgen koers, dan dat we naar het westen moesten sturen met een paar streken N. of Z., en daar we geen andere streekwijzer bezaten dan een klein koperen zakkompas dat een der matrozen toevallig bij zich had gehad, toen we van ’t galjoen werden gezet, zeilden we vrij wel op goed geluk.
Daar het God evenwel behaagde den wind in den O. en Z.O. hoek te houden, begrepen we dat we, N.W. bij W. sturende, vlak voor ’t lapje moesten gaan, en zoo kwamen we dan ook met een flink vaartje vooruit.
Toch duurde de reis met ons schip dat maar heel weinig zeil voerde, veel langer dan we ons hadden voorgesteld.
Iets vermeldenswaards deed zich op dezen tocht niet voor; er was niets wat ons eenige afleiding bezorgde of de eentonigheid onderbrak. Geen vaartuig, groot of klein, kwam in zicht. Blijkbaar lag de zee waarop we ons bevonden geheel buiten het gebied van den handel, terwijl de bevolking van Madagaskar niets meer wist omtrent het kustland van Afrika dan wij.
Riep een onzer mannen: „Land!”Riep een onzer mannen: „Land!”
Riep een onzer mannen: „Land!”
Toen wij omstreeks acht of negen dagen onder zeil waren geweest, voortdurend met gunstigen wind, riep plotseling een onzer mannen: „Land!” een vreugdekreet die bij ons allen weerklank vond. Geen ontdekking kon ons op dat oogenblik gelukkiger hebben gestemd, want we hadden—ook bij een zeer klein rantsoen—nog maar voor tweedagen drinkwater aan boord. Tot onze teleurstelling duurde het nog den ganschen dag eer we het land bereikten; ’t was ’s morgens vroeg toen we het in ’t oog kregen, en pas tegen den nacht konden we voet aan wal zetten. De wind ging ongelukkigerwijze bijna geheel liggen, zoodat ons vaartuig—dat toch al zoo weinig zeil voerde—nauwelijks vooruit kwam.
Maar hoe bitter was onze teleurstelling, toen we tot de ontdekking kwamen dat we, niet zooals we ons hadden voorgesteld, het vasteland van Afrika betreden hadden, doch slechts een nietig eilandje zonder bewoners (wij troffen er ten minste geen mensch aan) en geen ander vee dan een paar geiten, waarvan we er drie doodden. Zoo konden we dus weer eens aan versch vleesch smullen, en daar we heel goed drinkwater vonden, zetten we ons gauw over den tegenvaller heen, vertrouwende dat het vasteland toch niet meer veraf kon zijn.
Met onze berekeningen kwamen we nog al eens meer verkeerd uit! Zelfs nu duurde het nog vijftien dagen eer we het vasteland bereikten—maar juist bijtijds, daar onze voorraad water en voedsel totaal was uitgeput. Gedurende de laatste twee dagen had aan ieder van ons maar een pint water kunnen verstrekt worden, wat bij de groote hitte, zeker niet voldoende was. Toen we de Afrikaansche kust dan ook eindelijk en ten laatste ontdekten—al was het ook nog op grooten afstand—schepten we allen nieuwen moed om nog wat dorst en honger te doorstaan, en tot ons geluk bracht een briesje,dat ’s nachts uit het oosten opstak, ons tegen den morgen binnen twee mijlen van de kust.
In ons groot verlangen vasten grond onder de voeten te krijgen, landden we zoodra we gelegenheid zagen—wel wat voorbarig, zooals later bleek. Hadden we nog een beetje geduld geoefend, dan zouden we iets noordelijker een mooie rivier gevonden hebben.
Met behulp van twee boomen, die we als meerpalen in den grond plantten, hielden we ons fregat vlot, waarbij onze, van een soort biezen gevlochten touwen, als kabels dienst moesten doen.
Zoodra wij het land, vlak onder ons bereik wat in oogenschouw genomen, ons van versch water voorzien en wat voedsel verschaft hadden, gingen we weer met onzen voorraad aan boord.
Veel hadden we niet veroverd; de levensmiddelen bleken schaarsch in die streek, doch we konden in ieder geval een stuk of wat vogels en een soort van wilden buffel schieten die klein van stuk was, maar smakelijk vleesch opleverde.
Toen we een en ander hadden ingeladen, besloten we N.N.O. langs de kust te varen tot we een kreek of rivier zouden ontmoeten, die ons verder landwaarts in zou brengen naar een dorp of stad; want we hadden gegronde reden voor onze overtuiging, dat de kuststrook vrij dicht bewoond moest zijn, daar we ’s nachts herhaaldelijk op verschillende punten vuren en overdag op korten afstand rook hadden gezien.