HOOFDSTUK IV.

HOOFDSTUK IV.Het vastelandOns geduld werd nog langer op de proef gesteld dan we gedacht hadden, maar ten slotte kwamen we toch aan een groote baai, waarin zich verscheiden kreken of riviertjes uitstortten. Den eersten den besten van deze kleine stroomen invarende, zagen we al spoedig eenige hutten met groepjes inboorlingen er omheen, en in een inham aan de noordzijde der kreek landende, staken we onmiddellijk onze vredesvlag op—een staak met een witte lap er aan gebonden—welk signaal ze gelukkig bleken te begrijpen.Mannen, vrouwen, kinderen—allen geheel naakt—kwamen, aanvankelijk aarzelend, doch al heel gauw wat stoutmoediger, op ons vaartuig af. Nadat ze ons een tijdlang verwonderd, sommige angstig, hadden aangegaapt, begonnen ze teekenen van toenadering te vertoonen. Onze eerste proefneming was: onze hand aan onzen mond te brengen om hen te beduiden dat we water begeerden. Tot onze blijdschap begrepen ze ons dadelijk, en drie vrouwen en een paar jongens stoven weg om heel gauw, na een minuut of tien ongeveer, terug te komen met aarden potten—waarschijnlijk in de zon gebakken—gevuld met water. Nadat ze dezepotten, die werkelijk goed van vorm waren, enkele vrij sierlijk zelfs, op veiligen afstand van ons hadden neergezet, trokken ze zich terug, het aan ons overlatende ze weg te halen, wat wij natuurlijk met gretigen spoed deden.Eenige uren later brachten ze ons wortels en kruiden en een soort van vruchten die we nooit een van allen gezien hadden, maar daar we hun niets in ruil konden aanbieden, staakten ze al spoedig hun vriendelijkheden en begrepen we wel, niet zooveel van hen te kunnen verwachten als van de negers op Madagaskar.Gelukkig wist onze duivelskunstenaar, de fijnsmid, weer in de moeilijkheid te voorzien door zoo spoedig mogelijk aan ’t werk te gaan. Van stukken plaatijzer die hij van het wrak had overgehouden en meegenomen, smeedde hij allerlei snuisterijen: vogels, hondjes, kruisen, haken, vierkanten, ringen enz.:—die wij allen hielpen afvijlen en blinkend schuren.Ook nu weer bleken deze waardelooze prullen de inboorlingen kinderlijk gelukkig te maken, en zonder eenige moeite kregen we er overvloed van provisie voor in de plaats: geiten, wilde zwijnen, koeien, fruit en gevogelte.Dit waren dus onze eerste ervaringen op het vasteland van Afrika; om te beginnen niet zoo slecht, als we bedachten dat er misschien geen verlatener, ongastvrijer en onbekender land op de gansche aarde bestond—Groenland en Nova Zembla niet uitgezonderd. Bij nadere kennismaking bleek ons evenwel dat ook de minst bewoonbarestreken toch nog door menschelijke wezens bezocht werden, hoewel het voor ons—hun aard en gewoonten in aanmerking genomen—beter zou geweest zijn, wanneer we ze maar niet hadden aangetroffen.Nadat we ons hier eenige dagen hadden opgehouden, namen wij, na ernstige overleggingen, het stoutmoedigste, wanhopigste besluit, dat misschien ooit door een troep je mannen is genomen: om n.l. dwars door het land te reizen, van de kust van Mozambique aan den oostelijken of Indischen Oceaan, naar de kust van Angola of Guinea aan den westelijken of Atlantischen, een uitgestrektheid van minstens achttienhonderd mijlen. Op dien tocht zouden we ondraaglijke hitte hebben te doorstaan, eindelooze woestijnen moeten overtrekken—zonder voertuigen of lastdieren om onze bagage te dragen,—en ons tegen tallooze verscheurende dieren, zooals leeuwen, tijgers, luipaarden en olifanten moeten verdedigen. De zon zou—terwijl we voortdurend dichtbij den evenaar voorttrokken—verzengend op ons neerschijnen; we zouden hoogstwaarschijnlijk aan woeste en wreede negerstammen het hoofd moeten bieden, honger en dorst moeten verduren—in één woord verschrikkingen en ontberingen moeten dulden, die ook den heldhaftigsten mensch met angst moesten vervullen.En toch, ondanks al die dreigende vooruitzichten, besloten we het avontuur te wagen en al de toebereidselen te treffen, die de omstandigheden en onze onbekendheid met hetgeen vóór ons lag, mogelijk maakten.Sedert lang waren we gewend geraakt aan het barrevoets loopen op rotsigen bodem, op kiezel en op gras en strand, doch nu ondervonden we dat dit alles niet haalde bij het loopen op het brandend heete zand van Afrika’s woestijnen.We voorzagen ons dus van een soort schoenen, gemaakt uit dierenhuiden, die we in de zon lieten drogen en daardoor hard en taai werden. Met het haar naar binnen gekeerd, zaten ze zoo zacht als handschoenen, en in ’t gebruik bleken ze haast onverslijtbaar.Van een paar inboorlingen bij wie we ons het best verstaanbaar konden maken, hoorden we, dat er in het ons onbekende land veel rivieren, veel leeuwen en tijgers en ook een soort van wilde katten waren—civetkatten zooals wij later zagen.Toen wij hen, naar ’t westen wijzende, vroegen, of er wel eens ooit iemand dien kant was uitgegaan, knikten ze bevestigend, maar ze konden ons niets omtrent die reizigers vertellen. Behalve dat ze ons aan proviand hielpen, was er weinig hulp van hen te verwachten, en toen we hun verzochten ons een van allen tot gids te willen strekken, haalden ze de schouders op, zooals een Franschman doet wanneer hij bang is iets te ondernemen. Op onze vragen betreffende de wilde dieren, lachten ze en beduidden ons dat we daar geen gevaar van hadden te duchten. Met veel inspanning van weerskanten begrepen we dat ze alle bang waren voor vuur en we ze dus door er een te stoken ’s nachts op een afstand konden houden, ’t geen onze ervaring later bevestigde.Op dit punt dus gerustgesteld aanvaardden we de reis, die, hoe hachlijk en onuitvoerbaar ook, gerechtvaardigd werd door verschillende overwegingen.In de eerste plaats stond ons geen andere weg open om tot bevrijding te geraken; we bevonden ons aan een kust waar nooit eenig Europeesch schip landde. De kans dat we hier ooit zouden worden gevonden en naar beschaafdere streken meegenomen, was dus zoo goed als uitgesloten.Hadden we ’t gewaagd langs de verlaten kust van Mozambique en Afrika naar het noorden te zeilen tot we de Roode Zee bereikten, dan liepen we groot gevaar in handen van de Arabieren te vallen en als slaven aan de Turken verkocht te worden, wat, naar ’t geen onze oudste timmerman van de Mohammedanen wist te vertellen, erger zou zijn dan de dood.Ook konden we geen schip bouwen dat ons over de Arabische zee naar Indië zou brengen of, met eenig uitzicht haar te bereiken, naar Kaap de Goede Hoop, daar de wind zeer veranderlijk en de zee op die breedte buitengewoon onstuimig was. We wisten echter allen dat we—als het ons slechts gelukken mocht dit uitgestrekte vasteland over te steken—we een of meer van de groote rivieren zouden kunnen bereiken, die in den Atlantischen Oceaan uitmonden. Hadden we eenmaal zulk een rivier gevonden, dan konden we ons kano’s bouwen en hiermee, desnoods duizenden mijlen ver, den stroom afvaren. De voedselmoeilijkheid was altijd door middel van onze geweren op te lossen; waterhadden we nog overal aangetroffen en—wat eenigen onder ons sterk tot dit plan deed overhellen—er bestond volgens hen een groote kans, dat we in West-Afrika goud zouden kunnen bemachtigen, dat ons misschien nog schadeloos zou stellen voor alle doorgestane ellende en vermoeienis.Zooals ik al eens eerder verteld heb, bekommerde ik mij over ’t algemeen heel weinig om de besluiten die mijn makkers namen. Ik had eenmaal mijn opinie geuit en bleef er bij, dat we moesten trachten in de Arabische Golf te komen of bij de monding van de Roode Zee om daar een der talrijke in- en uitgaande schepen af te wachten, er ons zoo mogelijk van meester te maken en dan te koersen waarheen we maar wilden. Toen ze me nu begonnen te praten van een voetreis van twee of drieduizend mijlen, voor een deel door een woestijn, te midden van allerlei verscheurende dieren, dreigde het bloed mij in de aderen te stollen—ik schaam mij niet dit te bekennen—en spande ik al mijn overredingskracht in, hen voor mijn oorspronkelijk denkbeeld te winnen.Maar ze waren allen zeer beslist in hun overtuiging, en ik kon evengoed mijn mond hebben gehouden. Ons twistgesprek eindigde dan ook met mijn belofte dat ik mij bij de meerderheid zou neerleggen, en het besluit tot de gevaarlijke onderneming werd genomen.Ons eerste werk was nu door waarnemingen betreffende den zonnestand vast te stellen waar we ons ten naastenbij bevonden; op 12 graden en 35 minuten ten zuiden van den evenaar zooalsons bleek. Daarna bestudeerden we zorgvuldig de zeekaarten en zagen we dat de kust van Angola tusschen 8 en 11 graden zuiderbreedte lag en de kust van Guinea tusschen 12 en 19 graden noorderbreedte.Het doel dat we ons ten slotte voor oogen stelden was de kust van Angola. Dit leek ons het best uitvoerbaar, daar we ons nagenoeg op dezelfde breedte bevonden en we deze streek dus, in rechte lijn westwaards reizende, moesten bereiken. Daarbij twijfelde geen van ons er aan, of we zouden wel een of meer rivieren ontmoeten, die onzen tocht konden vergemakkelijken, terwijl we het groote meer, door de inboorlingen Coalmucoa genoemd—een binnenzee waaruit men zegt dat de Nijl ontspringt—per kano hoopten te kunnen oversteken. Maar we hadden de bezwaren onderschat, zooals uit het vervolg van mijn verhaal blijken zal.De tweede overweging was, hoe we onze bagage zouden vervoeren, die we onder geen voorwaarde in den steek mochten laten. En wat hadden we moeten beginnen zonder onze munitie, waarmee we ons voedsel moesten veroveren en ons verdedigen tegen wilde dieren en volksstammen misschien? Toch was onze munitie alleen al een te zware vracht voor ons, in een land, waar de hitte ons het eigen lichaam reeds tot last deed zijn.De negers ondervragende, kwamen we tot het resultaat dat er geen enkel pakdier onder hen in gebruik was—geen paarden, ezels, muilen, kameelen of dromedarissen. Het eenige tamme beest dat ze er op nahielden was een soort vanbuffel, zooals wij er een geschoten hadden. Sommige van die dieren luisterden naar hun stem en bevelen. Ook lieten ze hen wel eens lasten dragen, en heel dikwijls gebruikten ze de buffels om, op hun rug gezeten, rivieren of meertjes over te steken, daar ze kolossale zwemmers waren.Totaal onbedreven in den omgang met die dieren en niet wetende hoe ze te beladen, bleef dit vraagstuk ons echter groote zorg geven.Tenslotte stelde ik voor: „Laat ons ruzie zoeken met eenige van de inboorlingen, er een stuk of tien, twaalf gevangen nemen en ze als slaven meevoeren. We houden hen dan de geheele reis bij ons, laten ze onze bagage dragen, den weg wijzen en met andere negerstammen voor ons onderhandelen.”Dit niet zeer edele voorstel—maar de nood waarin we ons bevonden moge als verontschuldiging gelden—vond eerst heftigen tegenstand, om ten slotte met algemeene instemming te worden aangenomen. Al te kieskeurig konden we in onze omstandigheden niet zijn en buitendien gaven de inboorlingen ons spoedig zelf aanleiding een straf op hen toe te passen.Nadat we tot nu toe steeds in goed vertrouwen met de negers gehandeld hadden, werden we op een keer leelijk door hen bedrogen.Zooals reeds herhaaldelijk gebeurd was, hadden we eenige koeien van hen gekocht in ruil voor de snuisterijen die onze smid zoo kunstig wist te maken, doch toen er eens een klein meeningsverschil rees, nadat de negers de versierselen reeds in ontvangst hadden genomen, begonnen ze onzeonderhandelaars plotseling uit te schelden en als dollen te schreeuwen, eenige van hun kameraden met woeste gebaren en kreten beduidende het vee weg te drijven, en luidkeels lachende om de teleurstelling der onzen. Toen op het getier een paar van onze mannen, die in de nabijheid vertoefden, kwamen aangesneld, wierp de neger die den koop gesloten had zijn lans naar onzen smid, en het wapen was zoo juist gericht, dat hij stellig gedood zou zijn als hij niet juist bijtijds ter zijde was gesprongen. Nu kreeg hij alleen een vleeschwond in den linkerarm, ’t geen hem echter zoo driftig maakte, dat hij zijn geweer aanlegde en den zwarten bedrieger door het hart schoot.De overige negers die bij het voorval tegenwoordig waren geweest en eenige die het op korten afstand hadden gadegeslagen, waren niet weinig onthutst en beangst: eerst door den vuurstraal, toen door den knal en eindelijk door het neerstorten van hun stamgenoot. Als verstijfd bleven ze staan. Toen ze evenwel wat van den schrik bekomen waren, stiet een van hen op flinken afstand van ons een doordringenden schreeuw uit, een soort van oorlogskreet, zooals ons weldra bleek, waarop al de anderen, hem onmiddellijk begrijpende, met denzelfden woesten schreeuw antwoordden en kwamen aangerend, terwijl wij, aanvankelijk zelfs niet vermoedende, wat er aan de hand was, in zoutpilaren schenen veranderd en elkaar als een troep dwazen aanstaarden.Doch al heel gauw werd de toestand ons maar al te duidelijk. In den tijd van twee of drie minutenplantte de eigenaardige rauwe schreeuw zich voort van de eene bewoonde plek naar de andere, door al hun dorpen of nederzettingen, zelfs tot over de kreek; en tot onze ontzetting zagen we even later een naakte menigte pijlsnel aanrennen naar de plek waar de twist ontstaan was. In minder dan een uur waren er een vijfhonderd wilden bijeen, sommige met pijl en boog, de meeste met lansen gewapend, die ze zoo verwonderlijk behendig wisten te hanteeren, dat ik hen menigmaal een vogel in zijn vlucht zag raken.Er bleef ons slechts zeer weinig tijd tot overleg over, daar de menigte ieder oogenblik toenam, en ik geloof stellig dat ze—waren we aan wal gebleven—in korten tijd tot tienduizend personen zou zijn aangegroeid. Het beste wat wij dus doen konden was naar onze sloep te vluchten, vanwaar we ons behoorlijk hadden kunnen verdedigen, of onze vijanden wat dichter te naderen en te zien wat een paar salvo’s zouden uitwerken.Na een haastige woordenwisseling besloten we tot het laatste, vertrouwende dat ons geweervuur hen van schrik op de vlucht zou drijven. In aaneengesloten linie trokken we moedig op hen aan, terwijl zij ons afwachtten, niet anders denkende, naar ik veronderstel, dan dat ze ons allen met hun lansen zouden dooden. Vrij dicht bij hen gekomen hielden we halt, en onze linie uitbreidende door den afstand tusschen elke twee mannen te vergrooten, gaven we vuur. Behalve verschillende gewonden die wisten te ontkomen, bleven er zestien zwarten op de plaats dood, terwijl er nog drie zóó gevoelig geraakt waren,dat ze omstreeks twintig of dertig meter verder neervielen.Onmiddellijk na ons salvo barstten ze in een afgrijselijk geschreeuw of gehuil los, deels aangeheven door de gewonden, deels door de mannen die de lijken beweenden van hen die roerloos terneer lagen. Nooit in mijn leven heb ik akeliger gejammer gehoord.Nadat we gevuurd hadden, bleven we staan om onze geweren opnieuw te laden, en toen de wilden geen teekenen gaven de vlucht te willen nemen, legden we weer op hen aan en doodden er nu omstreeks negen. Daar ze nu echter niet meer zoo dicht opeengedrongen stonden als in ’t begin, vuurden we niet allen tegelijk, doch werd aan zeven van ons bevolen hun munitie te sparen en voorwaarts te treden, zoodra de anderen geschoten hadden, terwijl deze voor de derde maal gelegenheid kregen te laden.Zoodra wij het tweede salvo hadden afgevuurd, hieven we een luid gejuich aan, waaronder de zeven overigen ongeveer twintig meter naderden en vuur gaven en de achtersten, die ook weer haastig geladen hadden, losbrandden. Eer het zoover gekomen was, gingen ze echter aan den haal, alsof de duivel hen op de hielen zat.Toen we op het slagveld kwamen, zagen we veel meer dooden op den grond liggen dan we meenden te hebben getroffen, ja, zelfs meer dan we kogels hadden afgeschoten. Voor dit wonderlijke verschijnsel konden we eerst geen verklaring vinden, maar na eenig nadenken kwamen we tot de gevolgtrekking,dat de zwarten eenvoudig door den schrik hun bewustzijn hadden verloren, en nadat wij de gevallenen zorgvuldig onderzocht hadden, bleek dit ook werkelijk het geval. Toch moeten er naar mijn vaste overtuiging echter ook verscheiden onder geweest zijn die enkel door den schrik stierven.Nadat deze doodelijk ontstelden langzamerhand weer tot zichzelf gekomen waren, schenen ze ons zoo ongeveer als bovennatuurlijke wezens te beschouwen, als goden of duivels, wàt was ons niet recht duidelijk en liet ons ook onverschillig. De hoofdzaak was, dat ze ons met den grootst mogelijken eerbied behandelden. Sommigen knielden voor ons neer, anderen lieten zich plat op den grond vallen1en maakten de vreemdste gebaren, meer dan dwaas in ons oog, maar duidelijk genoeg om ons te doen zien, dat ze zich onvoorwaardelijk onderwierpen.Geen schooner gelegenheid om gevangenen te maken en ze als lastdragers op onze reis mee te voeren, dacht ik, en gelukkig waren mijn kameraads het allen met mij eens. We kozen dus een zestig flinke, sterke jonge mannen uit en beduidden hen dat ze met ons mee moesten trekken, waartoe ze zich onmiddellijk bereid toonden. De transport-moeilijkheid scheen hiermee dus opgelost, maar het bleef de vraag, of we de negers konden vertrouwen, daar we de bevolking, in tegenstelling met die op Madagaskar, als woest, wraakgierig en verraderlijk hadden leeren kennen. Andere dan echte slavendiensten zouden we dus niet van hen mogen verwachten; alleen zoolang ze ons vreesden,zouden ze zich onderworpen betoonen en slechts onder dwang voor ons werken.Eer ik verder ga moet ik hier even vertellen, dat ik van dien dag af mij wat ernstiger rekenschap begon te geven van de omstandigheden waarin wij ons bevonden en mij meer om den gang van zaken begon te bekommeren. Mijn makkers waren wel alle vrij wat ouder dan ik, maar ik had bij verschillende gelegenheden opgemerkt, dat ze ’t hoofd kwijt raakten, of zooals ik het nu zou noemen „weinig tegenwoordigheid van geest toonden”, wanneer het tot handelen in ernstige omstandigheden komen moest.Bij hun twist met de inboorlingen werd mij dit voor ’t eerst volkomen duidelijk. Hoewel ze toen toch vast besloten waren hen aan te vallen, zonk het hart hen al in de schoenen toen de zwarten, na het eerste salvo, niet dadelijk het hazenpad kozen, en ik geloof zeker, dat de onzen—had ons vaartuig dichter onder hun bereik gelegen—als één man op de vlucht zouden zijn gegaan.Verbaasd over hun lafheid en bang dat ze den toestand geheel voor ons zouden bederven, begon ik hen krachtig aan te moedigen en riep ik hen bevelend toe, onmiddellijk op nieuw te laden en te vuren.„Als jullie goed keurt dat ik de leiding neem, kan ik je verzekeren, dat we de negers allen op de vlucht zullen drijven!” verzekerde ik hen, volkomen overtuigd van wat ik beweerde.En zoo gebeurde het ook.Toen er voor de tweede maal geladen was, commandeerdeik dat slechts de grootste helft van ons zoude vuren. „En nu, kameraden,” zei ik, „in stormpas erop af!” Onder een luid hoera, snelde ik de mannen vooruit die nog niet geschoten hadden, en nog eer ik bevel tot vuren gaf, rende de heele zwarte bende voor ons weg, het bosch in.Van dit oogenblik af noemden de Portugezen mij half spottend, half in ernstSeignior Capitanio, maar toen ik hen zei dat ik geen „Seignior” wenschte te heeten, stelde de kanonnier, die vrij goed Engelsch sprak voor, mij „Kapitein Bob” te noemen, en dezen titel behield ik voortaan.Een eigenaardigheid van de Portugeezen, die ik telkens gedurende mijn leven onder hen opmerkte, is, dat ze—zoowel in massa als ieder afzonderlijk—zich flink genoeg gedragen wanneer ze een opwekkend voorbeeld hebben, krachtig worden aangespoord en gesteund; zijn ze evenwel geheel op zichzelf aangewezen, dan laten ze gauw den moed zinken en brengen het tot niets. Zoo zouden ze ook in ons geval ongetwijfeld voor een troep wilden gevlucht zijn—al hadden ze op die wijze toch hun leven niet kunnen redden—als ik hun niet had toegeroepen stand te houden en de heele geschiedenis eerder als een spel dan als een ernstig gevecht had voorgesteld.Ook bij verschillende volgende gelegenheden, merkte ik deze karakterzwakte op, en ik moet bekennen, dat ik me menigmaal later afvroeg, hoe een troepje mannen—dat in critieke oogenblikken zoo in geestkracht te kort schoot—het stoute besluit kon hebben gevat om de roekelooste enslechtst uitvoerbaren tocht te beramen, welke ooit ter wereld ondernomen werd.Twee of drie flinke kerels vormden den kern van ons gezelschap en hielden het door hun energie en werkkracht bijeen. Van den beginne af hadden deze trouwens eenige leiding aan onze zwerftochten gegeven en in moeilijke gevallen raad weten te schaffen; het waren in de eerste plaats de kanonnier, ten tweede onze artiest, de fijnsmid, en ten derde—hoewel niet met de twee vorigen te vergelijken—een van onze timmerlieden. Dit drietal vormde de ziel van elke onderneming en aan hun persoonlijken moed dankten de overigen de standvastigheid, die ze nu en dan nog aan den dag legden. Toen zij zagen dat ik bereid was ook een deel van de verantwoordelijkheid op me te nemen, drukten ze mij de hand en bij volgende gelegenheden vroegen ze altijd mijn oordeel.Onze kanonnier was een uitstekend wiskunstenaar, die veel gelezen en op zijn manier gestudeerd had. Door veel met hem te praten, leerde ik ook de gronden van de verschillende wetenschappen kennen, die met de scheepvaart verband houden, en voornamelijk over aardrijkskundige aangelegenheden vertelde hij gaarne.Toen hij bemerkte, dat ik gretig verlangde te weten en te begrijpen, bracht hij me op velerlei gebied zijn algemeene kennis bij, gaf mij een juist begrip van den vorm der aarde, de ligging der landen ten opzichte van elkaar, den loop der rivieren en deelde hij me mede wat hij wist van de leerstellingen omtrent de sferen en de beweging dersterren. Deze laatste wetenschap vooral wekte sterk mijn belangstelling, en in mijn later leven heb ik er steeds naar getracht voor mezelf een aannemelijk astronomisch stelsel op te bouwen.Bracht hij me zijn algemeene kennis bij.Bracht hij me zijn algemeene kennis bij.De omgang met dezen eenvoudigen, ontwikkelden man deed den vurigen wensch bij mij ontwaken, om ál wat onder mijn bereik kwam te leeren en overtuigde mij, dat ik het nooit tot iets flinks in de wereld zou kunnen brengen, wanneer ik niet een grootere mate van kennis vergaarde dan waarover zeelieden gewoonlijk beschikken. Hij wees er mij op, dat onwetendheid den mensch altijd tot een onderschikten rang veroordeelt en prees mij om mijn begeerte en vatbaarheid om te leeren.Door zijn lof gevleid en niet vrij van eerzucht, besloot ik later—als we weer in Europa terugmochten komen en ik ooit wat geld bezitten zou, alles in ’t werk te stellen, om datgene te bestudeeren wat iemand tot een knap zeevaarder kan maken.Maar ik moet tot mijn verhaal terugkeeren.Toen de kanonnier mij, na mijn ingrijpen in ’t gevecht, hoorde voorstellen een deel onzer gevangenen als lastdragers mee te voeren, keerde hij zich naar mij toe en zei op luiden toon:„Kap’tein Bob, ik ben van oordeel dat jij voortaan onze leider moet zijn, want we danken den goeden afloop van dit ernstige avontuur enkel en alleen aan jou.”„Neen,” weerde ik af. „Je moet niet overdrijven wat ik gedaan heb. Laten we jou liever tot Capitano kiezen. Ik ben veel te jong.”Zoo werd toen besloten dat hij onze aanvoerder zou wezen; maar daar hij niet alleen de verantwoordelijkheid wilde dragen, verzocht hij mij hem te willen ter zijde staan, en toen allen zijn verzoek ondersteunden, moest ik hier wel in toestemmen.De eerste opdracht die ik in mijn nieuwe waardigheid kreeg was al buitengewoon moeilijk, n.l. om de leiding van de gevangenen op mij te nemen, ’t geen ik echter met goed vertrouwen ondernam. Lastiger dan dit „karweitje” bleken evenwel nog de vraagstukken waarover wij raad belegden: welken weg we zouden inslaan en hoe we ons van den noodigen proviand konden voorzien.Onder de gevangenen bevond zich een lange, knappe, welgemaakte neger, wien de overigen veel eerbied bewezen en die, zooals we later hoorden, de zoon van een hunner koningen was. Naar’t scheenwerd zijn vader bij ons eerste salvo gedood, terwijl hij een schot in den arm en in de heup gekregen had. Daar het laatste schot in het vleezige gedeelte was aangekomen, voelde hij zich doodzwak door al het bloedverlies. Beide wonden hadden hem geheel buiten gevecht gesteld en we zouden hem misschien rustig hebben laten sterven, indien het niet bij me was opgekomen, dat hij ons van grooten dienst zou kunnen zijn, als een soort van bevelvoerder over onze lastdragers. Ik verzocht dus onzen chirurgijnsleerling hem onder handen te nemen en beduidde den armen drommel zoo goed ik kon, dat we hem weer zouden genezen.Niet te verwonderen dat het verzorgen en verbinden van hun vorst den eerbied der negers voor ons nog verhoogde! Blijkbaar meenden ze dat we op een even geheimzinnige manier konden dooden als weer levend maken, en nadat de Zwarte Prins, zooals we hem gemakshalve noemden, een zes of zevental negers bij zich geroepen en hun iets bevolen had, kwamen ze alle zeven naar mij toe, vielen op de knieën en maakten—telkens naar de plek wijzende, waar hun koning gevallen was—aandoenlijk smeekende gebaren.Eerst begreep ik niet wat ze wilden, maar toen een van hen den doode oprichtte, op zijn hoofdwond en toen naar den chirurgijn wees, werd het ons duidelijk, dat ze ons in staat achtten ook de gesneuvelden tot het leven terug te brengen.Ons onvermogen wijselijk verbergende, deelden we hen mee dat de gedooden de personen waren, die ons het eerst hadden aangevallen en dat we zedaarom in geen geval weer levend wilden maken, maar dat we den jongen vorst, mits hij ons gehoorzaam bleef, niet zouden laten sterven en zijn pols en been genezen.Hierna liet hij een der mannen een langen pijl halen en voor hem op den grond leggen. Den pijl met zijn linkerhand aanvattende—de rechterpols was gebroken—wees hij naar de zon, brak den schicht toen in tweeën, richtte de punt op zijn borst en reikte mij die toen aan. Uit een en ander maakten wij op, dat hij de zon tot getuige riep van zijn onveranderlijke vriendschap voor mij. En geen Christen had zich ooit nauwgezetter aan een eed kunnen houden dan deze wilde koningszoon, die zich gedurende vele moeilijke maanden een verknocht dienaar betoonde.Toen ik hem bij den chirurgijn had gebracht, begon deze de wonden onmiddellijk te verzorgen. Wat de heup betreft—de kogel was er gelukkig niet in doorgedrongen, maar had slechts een oppervlakkige vleeschwonde veroorzaakt, die, behoorlijk gereinigd en verbonden, spoedig weer genas; maar met den pols was het ernstiger gesteld; een der beenderen van den onderarm bleek gebroken. Nadat onze dokter het lichaamsdeel gezet en gespalkt had, bond hij het in een draagband of lichter, die hij om den nek van den patiënt vastmaakte, hem beduidende dat hij den arm niet mocht bewegen. Dit voorschrift volgde de wilde zoo stipt op, dat hij ging zitten en zich niet verroerde, tenzij de chirurgijn hem permissie gaf.Ik getroostte mij veel moeite om dezen negerverstaanbaar te maken wat ons plan was en welke diensten we van zijn mannen wilden vergen; in de eerste plaats leerde ik hem de beteekenis van verschillende veelgebruikte woorden, en daar hij zeer vlug van begrip bleek, bereikte ik veel meer met mijn onderricht dan ik me had voorgesteld.Begon deze de wonden te verzorgen.Begon deze de wonden te verzorgen.Toen hij uit onze toebereidselen opmaakte dat we ook voor ’t begin van de reis proviand vergaarden, deelde hij ons mee, dat dit geheel overbodig was, daar we nog gedurende veertig dagreizen voedsel zouden vinden. Aanvankelijk kon hij ons het getal veertig niet begrijpelijk maken, tot eindelijk een der negers, op zijn bevel, veertig steentjes op een rij legde, ons met gebaren beduidende, dat we zooveel dagen voedsel zouden vinden als hij steentjes neerlegde.Daarop toonde ik hem onze bagage, een heele vracht, dank zij onze munitie, onze timmermans- en smidsgereedschappen, onze zeemans-instrumenten, kisten met flesschen enz. Nadat hij eenige artikelen ter hand had genomen, om het gewicht te keuren, schudde hij het hoofd, waarop ik onze mannen verzocht al hun hebben en houden zoo beknopt mogelijk te verpakken en wat niet strikt noodig was achter te laten. Met leedwezen offerden we dus onze elf kisten op, die ons bij ’t kampeeren zulke goede diensten hadden bewezen.Daarop beloofde hij ons eenige jonge buffels om de pakken te dragen, te kennen gevende, dat ze ons als we moe werden, ook een tijdlang op hun rug konden nemen, een denkbeeld dat we met verontwaardiging afwezen. Wel overlegden we, dat de buffels, als we ze niet langer als pakdieren noodig hadden, zeer eetbaar voedsel zouden opleveren.Toen dit alles vastgesteld was, bracht ik hem naar onze sloep, waarover hij de grootste verbazing uitte. Nog nooit had hij iets dergelijks gezien.Hun booten waren maar armzalige vaartuigjes, zonder stuur of steven, gemaakt uit geitenvellen, die ze met gedroogde darmen aaneennaaiden en met een mengsel van hars en olie bestreken, dat een afschuwelijke lucht van zich gaf. De kano’s van de inboorlingen op Madagaskar konden meesterstukken van scheepsbouw genoemd worden bij deze ongelukkige dingen vergeleken.Toen we onzen vorst aan boord geholpen hadden, want zijn been hinderde hem nog, lieten we hem den inhoud zien en beduidden hem dat zijn mannendat alles voor ons dragen moesten. „Ce Seignior”, en „Yes Sir” antwoordde hij lachend, en een pak optillende, gaf hij te kennen, dat hij zelf ook zou helpen dragen, zoo gauw zijn arm genezen was, wat echter niet in onze bedoeling lag, daar hij boven de andere negers moest staan.Onze gevangenen hadden we inmiddels binnen een ruw paalwerk of palissade opgesloten en hen met touwen van gevlochten plantenvezels gebonden. Nadat we hun vorst weer aan wal hadden gedragen, namen we hem mee naar de gevangenen en lieten hun vragen of ze met ons wilden reizen naar het land van de leeuwen. Uit zijn druk gepraat begrepen we alleen maar dat ze „Ce Seignior” moesten zeggen als ze mee wilden, en tot onze verwondering riepen ze allen „Ce Seignior! Ce Seignior!” in hun handen klappende en naar de zon opkijkende, ’t geen, volgens hun hoofdman, een gelofte van trouw beteekende.Onmiddellijk na het afleggen van dezen eed evenwel, begon een van hen een lange rede tegen den vorst te houden, waarin hij telkens met de dwaaste gebaren op ons wees en iets van ons scheen te wenschen, dat hun allen na aan ’t harte ging. Toen ik den jongen koningszoon vroeg wat ze begeerden, zei hij: de zekerheid dat we hen niet zouden dooden maar henchiaruck(voedsel) zouden geven en niet door de wilde dieren laten verscheuren. Deze gelofte legde ik gaarne af, waarop hij naar de zon wees en in de handen klapte, een voorbeeld, dat ik begreep te moeten volgen, en nadat ik mijn verklaring dus onder eede bevestigd had, vielenal de gevangenen plat op den grond en uitten, weer opgestaan, de vreemdste, schrilste kreten die ik ooit van menschelijke wezens gehoord heb.Zoodra deze plechtigheid was afgeloopen, wijdden we al onze aandacht aan het vraagstuk van de proviand, die wij toch, zoowel voor onze gevangenen, als voor onszelf zouden noodig hebben, en in mijn gebarengesprek hieromtrent met den vorst, gaf hij mij te verstaan, dat als ik een der gevangenen wilde loslaten, deze naar hun dorp zou gaan, om lastdieren en voedsel te halen. Blijkbaar zette ik een gezicht alsof ik de zaak niet vertrouwde, hij begon tenminste betuigingen van trouw te uiten en bond o.a. een stuk touw om zijn hals, waarvan hij mij het eene einde toehield, te kennen gevende, dat ik hem mocht ophangen als de neger niet terugkwam. Ik stemde dus toe en liet den slaaf vrij, die daarop uitvoerige instructies van zijn meester ontving, ook betreffende den tijd van zijn terugkomst, ’t geen viel af te leiden uit hun zorgvuldig waarnemen van den zonnestand.De neger rende alsof hij bezeten was en hield dit vol tot hij geheel uit het gezicht verdween, waaruit ik opmaakte, dat hij een langen weg had af te leggen.Den volgenden morgen, omstreeks twee uur na zonsopgang, wenkte „de Zwarte Prins” mij dringend, bij hem te komen, een verzoek, dat hij met een eigenaardig geroep ondersteunde. Toen ik naast hem stond, wees hij naar een heuvel op ongeveer twee mijlen afstands en scherp turende, onderscheidde ik duidelijk een kleine drift vee en verscheiden inboorlingen.Dit waren, zooals hij me beduidde, de mannen die hij had uitgezonden en eenige stamgenooten.Nog voor den afgesproken tijd kwam hij dan ook bij onze hutten aan met verscheiden runderen, ongeveer zestien geiten en vier jonge buffels, geoefend in het dragen van lasten.1Zietitelplaat.↑

HOOFDSTUK IV.Het vastelandOns geduld werd nog langer op de proef gesteld dan we gedacht hadden, maar ten slotte kwamen we toch aan een groote baai, waarin zich verscheiden kreken of riviertjes uitstortten. Den eersten den besten van deze kleine stroomen invarende, zagen we al spoedig eenige hutten met groepjes inboorlingen er omheen, en in een inham aan de noordzijde der kreek landende, staken we onmiddellijk onze vredesvlag op—een staak met een witte lap er aan gebonden—welk signaal ze gelukkig bleken te begrijpen.Mannen, vrouwen, kinderen—allen geheel naakt—kwamen, aanvankelijk aarzelend, doch al heel gauw wat stoutmoediger, op ons vaartuig af. Nadat ze ons een tijdlang verwonderd, sommige angstig, hadden aangegaapt, begonnen ze teekenen van toenadering te vertoonen. Onze eerste proefneming was: onze hand aan onzen mond te brengen om hen te beduiden dat we water begeerden. Tot onze blijdschap begrepen ze ons dadelijk, en drie vrouwen en een paar jongens stoven weg om heel gauw, na een minuut of tien ongeveer, terug te komen met aarden potten—waarschijnlijk in de zon gebakken—gevuld met water. Nadat ze dezepotten, die werkelijk goed van vorm waren, enkele vrij sierlijk zelfs, op veiligen afstand van ons hadden neergezet, trokken ze zich terug, het aan ons overlatende ze weg te halen, wat wij natuurlijk met gretigen spoed deden.Eenige uren later brachten ze ons wortels en kruiden en een soort van vruchten die we nooit een van allen gezien hadden, maar daar we hun niets in ruil konden aanbieden, staakten ze al spoedig hun vriendelijkheden en begrepen we wel, niet zooveel van hen te kunnen verwachten als van de negers op Madagaskar.Gelukkig wist onze duivelskunstenaar, de fijnsmid, weer in de moeilijkheid te voorzien door zoo spoedig mogelijk aan ’t werk te gaan. Van stukken plaatijzer die hij van het wrak had overgehouden en meegenomen, smeedde hij allerlei snuisterijen: vogels, hondjes, kruisen, haken, vierkanten, ringen enz.:—die wij allen hielpen afvijlen en blinkend schuren.Ook nu weer bleken deze waardelooze prullen de inboorlingen kinderlijk gelukkig te maken, en zonder eenige moeite kregen we er overvloed van provisie voor in de plaats: geiten, wilde zwijnen, koeien, fruit en gevogelte.Dit waren dus onze eerste ervaringen op het vasteland van Afrika; om te beginnen niet zoo slecht, als we bedachten dat er misschien geen verlatener, ongastvrijer en onbekender land op de gansche aarde bestond—Groenland en Nova Zembla niet uitgezonderd. Bij nadere kennismaking bleek ons evenwel dat ook de minst bewoonbarestreken toch nog door menschelijke wezens bezocht werden, hoewel het voor ons—hun aard en gewoonten in aanmerking genomen—beter zou geweest zijn, wanneer we ze maar niet hadden aangetroffen.Nadat we ons hier eenige dagen hadden opgehouden, namen wij, na ernstige overleggingen, het stoutmoedigste, wanhopigste besluit, dat misschien ooit door een troep je mannen is genomen: om n.l. dwars door het land te reizen, van de kust van Mozambique aan den oostelijken of Indischen Oceaan, naar de kust van Angola of Guinea aan den westelijken of Atlantischen, een uitgestrektheid van minstens achttienhonderd mijlen. Op dien tocht zouden we ondraaglijke hitte hebben te doorstaan, eindelooze woestijnen moeten overtrekken—zonder voertuigen of lastdieren om onze bagage te dragen,—en ons tegen tallooze verscheurende dieren, zooals leeuwen, tijgers, luipaarden en olifanten moeten verdedigen. De zon zou—terwijl we voortdurend dichtbij den evenaar voorttrokken—verzengend op ons neerschijnen; we zouden hoogstwaarschijnlijk aan woeste en wreede negerstammen het hoofd moeten bieden, honger en dorst moeten verduren—in één woord verschrikkingen en ontberingen moeten dulden, die ook den heldhaftigsten mensch met angst moesten vervullen.En toch, ondanks al die dreigende vooruitzichten, besloten we het avontuur te wagen en al de toebereidselen te treffen, die de omstandigheden en onze onbekendheid met hetgeen vóór ons lag, mogelijk maakten.Sedert lang waren we gewend geraakt aan het barrevoets loopen op rotsigen bodem, op kiezel en op gras en strand, doch nu ondervonden we dat dit alles niet haalde bij het loopen op het brandend heete zand van Afrika’s woestijnen.We voorzagen ons dus van een soort schoenen, gemaakt uit dierenhuiden, die we in de zon lieten drogen en daardoor hard en taai werden. Met het haar naar binnen gekeerd, zaten ze zoo zacht als handschoenen, en in ’t gebruik bleken ze haast onverslijtbaar.Van een paar inboorlingen bij wie we ons het best verstaanbaar konden maken, hoorden we, dat er in het ons onbekende land veel rivieren, veel leeuwen en tijgers en ook een soort van wilde katten waren—civetkatten zooals wij later zagen.Toen wij hen, naar ’t westen wijzende, vroegen, of er wel eens ooit iemand dien kant was uitgegaan, knikten ze bevestigend, maar ze konden ons niets omtrent die reizigers vertellen. Behalve dat ze ons aan proviand hielpen, was er weinig hulp van hen te verwachten, en toen we hun verzochten ons een van allen tot gids te willen strekken, haalden ze de schouders op, zooals een Franschman doet wanneer hij bang is iets te ondernemen. Op onze vragen betreffende de wilde dieren, lachten ze en beduidden ons dat we daar geen gevaar van hadden te duchten. Met veel inspanning van weerskanten begrepen we dat ze alle bang waren voor vuur en we ze dus door er een te stoken ’s nachts op een afstand konden houden, ’t geen onze ervaring later bevestigde.Op dit punt dus gerustgesteld aanvaardden we de reis, die, hoe hachlijk en onuitvoerbaar ook, gerechtvaardigd werd door verschillende overwegingen.In de eerste plaats stond ons geen andere weg open om tot bevrijding te geraken; we bevonden ons aan een kust waar nooit eenig Europeesch schip landde. De kans dat we hier ooit zouden worden gevonden en naar beschaafdere streken meegenomen, was dus zoo goed als uitgesloten.Hadden we ’t gewaagd langs de verlaten kust van Mozambique en Afrika naar het noorden te zeilen tot we de Roode Zee bereikten, dan liepen we groot gevaar in handen van de Arabieren te vallen en als slaven aan de Turken verkocht te worden, wat, naar ’t geen onze oudste timmerman van de Mohammedanen wist te vertellen, erger zou zijn dan de dood.Ook konden we geen schip bouwen dat ons over de Arabische zee naar Indië zou brengen of, met eenig uitzicht haar te bereiken, naar Kaap de Goede Hoop, daar de wind zeer veranderlijk en de zee op die breedte buitengewoon onstuimig was. We wisten echter allen dat we—als het ons slechts gelukken mocht dit uitgestrekte vasteland over te steken—we een of meer van de groote rivieren zouden kunnen bereiken, die in den Atlantischen Oceaan uitmonden. Hadden we eenmaal zulk een rivier gevonden, dan konden we ons kano’s bouwen en hiermee, desnoods duizenden mijlen ver, den stroom afvaren. De voedselmoeilijkheid was altijd door middel van onze geweren op te lossen; waterhadden we nog overal aangetroffen en—wat eenigen onder ons sterk tot dit plan deed overhellen—er bestond volgens hen een groote kans, dat we in West-Afrika goud zouden kunnen bemachtigen, dat ons misschien nog schadeloos zou stellen voor alle doorgestane ellende en vermoeienis.Zooals ik al eens eerder verteld heb, bekommerde ik mij over ’t algemeen heel weinig om de besluiten die mijn makkers namen. Ik had eenmaal mijn opinie geuit en bleef er bij, dat we moesten trachten in de Arabische Golf te komen of bij de monding van de Roode Zee om daar een der talrijke in- en uitgaande schepen af te wachten, er ons zoo mogelijk van meester te maken en dan te koersen waarheen we maar wilden. Toen ze me nu begonnen te praten van een voetreis van twee of drieduizend mijlen, voor een deel door een woestijn, te midden van allerlei verscheurende dieren, dreigde het bloed mij in de aderen te stollen—ik schaam mij niet dit te bekennen—en spande ik al mijn overredingskracht in, hen voor mijn oorspronkelijk denkbeeld te winnen.Maar ze waren allen zeer beslist in hun overtuiging, en ik kon evengoed mijn mond hebben gehouden. Ons twistgesprek eindigde dan ook met mijn belofte dat ik mij bij de meerderheid zou neerleggen, en het besluit tot de gevaarlijke onderneming werd genomen.Ons eerste werk was nu door waarnemingen betreffende den zonnestand vast te stellen waar we ons ten naastenbij bevonden; op 12 graden en 35 minuten ten zuiden van den evenaar zooalsons bleek. Daarna bestudeerden we zorgvuldig de zeekaarten en zagen we dat de kust van Angola tusschen 8 en 11 graden zuiderbreedte lag en de kust van Guinea tusschen 12 en 19 graden noorderbreedte.Het doel dat we ons ten slotte voor oogen stelden was de kust van Angola. Dit leek ons het best uitvoerbaar, daar we ons nagenoeg op dezelfde breedte bevonden en we deze streek dus, in rechte lijn westwaards reizende, moesten bereiken. Daarbij twijfelde geen van ons er aan, of we zouden wel een of meer rivieren ontmoeten, die onzen tocht konden vergemakkelijken, terwijl we het groote meer, door de inboorlingen Coalmucoa genoemd—een binnenzee waaruit men zegt dat de Nijl ontspringt—per kano hoopten te kunnen oversteken. Maar we hadden de bezwaren onderschat, zooals uit het vervolg van mijn verhaal blijken zal.De tweede overweging was, hoe we onze bagage zouden vervoeren, die we onder geen voorwaarde in den steek mochten laten. En wat hadden we moeten beginnen zonder onze munitie, waarmee we ons voedsel moesten veroveren en ons verdedigen tegen wilde dieren en volksstammen misschien? Toch was onze munitie alleen al een te zware vracht voor ons, in een land, waar de hitte ons het eigen lichaam reeds tot last deed zijn.De negers ondervragende, kwamen we tot het resultaat dat er geen enkel pakdier onder hen in gebruik was—geen paarden, ezels, muilen, kameelen of dromedarissen. Het eenige tamme beest dat ze er op nahielden was een soort vanbuffel, zooals wij er een geschoten hadden. Sommige van die dieren luisterden naar hun stem en bevelen. Ook lieten ze hen wel eens lasten dragen, en heel dikwijls gebruikten ze de buffels om, op hun rug gezeten, rivieren of meertjes over te steken, daar ze kolossale zwemmers waren.Totaal onbedreven in den omgang met die dieren en niet wetende hoe ze te beladen, bleef dit vraagstuk ons echter groote zorg geven.Tenslotte stelde ik voor: „Laat ons ruzie zoeken met eenige van de inboorlingen, er een stuk of tien, twaalf gevangen nemen en ze als slaven meevoeren. We houden hen dan de geheele reis bij ons, laten ze onze bagage dragen, den weg wijzen en met andere negerstammen voor ons onderhandelen.”Dit niet zeer edele voorstel—maar de nood waarin we ons bevonden moge als verontschuldiging gelden—vond eerst heftigen tegenstand, om ten slotte met algemeene instemming te worden aangenomen. Al te kieskeurig konden we in onze omstandigheden niet zijn en buitendien gaven de inboorlingen ons spoedig zelf aanleiding een straf op hen toe te passen.Nadat we tot nu toe steeds in goed vertrouwen met de negers gehandeld hadden, werden we op een keer leelijk door hen bedrogen.Zooals reeds herhaaldelijk gebeurd was, hadden we eenige koeien van hen gekocht in ruil voor de snuisterijen die onze smid zoo kunstig wist te maken, doch toen er eens een klein meeningsverschil rees, nadat de negers de versierselen reeds in ontvangst hadden genomen, begonnen ze onzeonderhandelaars plotseling uit te schelden en als dollen te schreeuwen, eenige van hun kameraden met woeste gebaren en kreten beduidende het vee weg te drijven, en luidkeels lachende om de teleurstelling der onzen. Toen op het getier een paar van onze mannen, die in de nabijheid vertoefden, kwamen aangesneld, wierp de neger die den koop gesloten had zijn lans naar onzen smid, en het wapen was zoo juist gericht, dat hij stellig gedood zou zijn als hij niet juist bijtijds ter zijde was gesprongen. Nu kreeg hij alleen een vleeschwond in den linkerarm, ’t geen hem echter zoo driftig maakte, dat hij zijn geweer aanlegde en den zwarten bedrieger door het hart schoot.De overige negers die bij het voorval tegenwoordig waren geweest en eenige die het op korten afstand hadden gadegeslagen, waren niet weinig onthutst en beangst: eerst door den vuurstraal, toen door den knal en eindelijk door het neerstorten van hun stamgenoot. Als verstijfd bleven ze staan. Toen ze evenwel wat van den schrik bekomen waren, stiet een van hen op flinken afstand van ons een doordringenden schreeuw uit, een soort van oorlogskreet, zooals ons weldra bleek, waarop al de anderen, hem onmiddellijk begrijpende, met denzelfden woesten schreeuw antwoordden en kwamen aangerend, terwijl wij, aanvankelijk zelfs niet vermoedende, wat er aan de hand was, in zoutpilaren schenen veranderd en elkaar als een troep dwazen aanstaarden.Doch al heel gauw werd de toestand ons maar al te duidelijk. In den tijd van twee of drie minutenplantte de eigenaardige rauwe schreeuw zich voort van de eene bewoonde plek naar de andere, door al hun dorpen of nederzettingen, zelfs tot over de kreek; en tot onze ontzetting zagen we even later een naakte menigte pijlsnel aanrennen naar de plek waar de twist ontstaan was. In minder dan een uur waren er een vijfhonderd wilden bijeen, sommige met pijl en boog, de meeste met lansen gewapend, die ze zoo verwonderlijk behendig wisten te hanteeren, dat ik hen menigmaal een vogel in zijn vlucht zag raken.Er bleef ons slechts zeer weinig tijd tot overleg over, daar de menigte ieder oogenblik toenam, en ik geloof stellig dat ze—waren we aan wal gebleven—in korten tijd tot tienduizend personen zou zijn aangegroeid. Het beste wat wij dus doen konden was naar onze sloep te vluchten, vanwaar we ons behoorlijk hadden kunnen verdedigen, of onze vijanden wat dichter te naderen en te zien wat een paar salvo’s zouden uitwerken.Na een haastige woordenwisseling besloten we tot het laatste, vertrouwende dat ons geweervuur hen van schrik op de vlucht zou drijven. In aaneengesloten linie trokken we moedig op hen aan, terwijl zij ons afwachtten, niet anders denkende, naar ik veronderstel, dan dat ze ons allen met hun lansen zouden dooden. Vrij dicht bij hen gekomen hielden we halt, en onze linie uitbreidende door den afstand tusschen elke twee mannen te vergrooten, gaven we vuur. Behalve verschillende gewonden die wisten te ontkomen, bleven er zestien zwarten op de plaats dood, terwijl er nog drie zóó gevoelig geraakt waren,dat ze omstreeks twintig of dertig meter verder neervielen.Onmiddellijk na ons salvo barstten ze in een afgrijselijk geschreeuw of gehuil los, deels aangeheven door de gewonden, deels door de mannen die de lijken beweenden van hen die roerloos terneer lagen. Nooit in mijn leven heb ik akeliger gejammer gehoord.Nadat we gevuurd hadden, bleven we staan om onze geweren opnieuw te laden, en toen de wilden geen teekenen gaven de vlucht te willen nemen, legden we weer op hen aan en doodden er nu omstreeks negen. Daar ze nu echter niet meer zoo dicht opeengedrongen stonden als in ’t begin, vuurden we niet allen tegelijk, doch werd aan zeven van ons bevolen hun munitie te sparen en voorwaarts te treden, zoodra de anderen geschoten hadden, terwijl deze voor de derde maal gelegenheid kregen te laden.Zoodra wij het tweede salvo hadden afgevuurd, hieven we een luid gejuich aan, waaronder de zeven overigen ongeveer twintig meter naderden en vuur gaven en de achtersten, die ook weer haastig geladen hadden, losbrandden. Eer het zoover gekomen was, gingen ze echter aan den haal, alsof de duivel hen op de hielen zat.Toen we op het slagveld kwamen, zagen we veel meer dooden op den grond liggen dan we meenden te hebben getroffen, ja, zelfs meer dan we kogels hadden afgeschoten. Voor dit wonderlijke verschijnsel konden we eerst geen verklaring vinden, maar na eenig nadenken kwamen we tot de gevolgtrekking,dat de zwarten eenvoudig door den schrik hun bewustzijn hadden verloren, en nadat wij de gevallenen zorgvuldig onderzocht hadden, bleek dit ook werkelijk het geval. Toch moeten er naar mijn vaste overtuiging echter ook verscheiden onder geweest zijn die enkel door den schrik stierven.Nadat deze doodelijk ontstelden langzamerhand weer tot zichzelf gekomen waren, schenen ze ons zoo ongeveer als bovennatuurlijke wezens te beschouwen, als goden of duivels, wàt was ons niet recht duidelijk en liet ons ook onverschillig. De hoofdzaak was, dat ze ons met den grootst mogelijken eerbied behandelden. Sommigen knielden voor ons neer, anderen lieten zich plat op den grond vallen1en maakten de vreemdste gebaren, meer dan dwaas in ons oog, maar duidelijk genoeg om ons te doen zien, dat ze zich onvoorwaardelijk onderwierpen.Geen schooner gelegenheid om gevangenen te maken en ze als lastdragers op onze reis mee te voeren, dacht ik, en gelukkig waren mijn kameraads het allen met mij eens. We kozen dus een zestig flinke, sterke jonge mannen uit en beduidden hen dat ze met ons mee moesten trekken, waartoe ze zich onmiddellijk bereid toonden. De transport-moeilijkheid scheen hiermee dus opgelost, maar het bleef de vraag, of we de negers konden vertrouwen, daar we de bevolking, in tegenstelling met die op Madagaskar, als woest, wraakgierig en verraderlijk hadden leeren kennen. Andere dan echte slavendiensten zouden we dus niet van hen mogen verwachten; alleen zoolang ze ons vreesden,zouden ze zich onderworpen betoonen en slechts onder dwang voor ons werken.Eer ik verder ga moet ik hier even vertellen, dat ik van dien dag af mij wat ernstiger rekenschap begon te geven van de omstandigheden waarin wij ons bevonden en mij meer om den gang van zaken begon te bekommeren. Mijn makkers waren wel alle vrij wat ouder dan ik, maar ik had bij verschillende gelegenheden opgemerkt, dat ze ’t hoofd kwijt raakten, of zooals ik het nu zou noemen „weinig tegenwoordigheid van geest toonden”, wanneer het tot handelen in ernstige omstandigheden komen moest.Bij hun twist met de inboorlingen werd mij dit voor ’t eerst volkomen duidelijk. Hoewel ze toen toch vast besloten waren hen aan te vallen, zonk het hart hen al in de schoenen toen de zwarten, na het eerste salvo, niet dadelijk het hazenpad kozen, en ik geloof zeker, dat de onzen—had ons vaartuig dichter onder hun bereik gelegen—als één man op de vlucht zouden zijn gegaan.Verbaasd over hun lafheid en bang dat ze den toestand geheel voor ons zouden bederven, begon ik hen krachtig aan te moedigen en riep ik hen bevelend toe, onmiddellijk op nieuw te laden en te vuren.„Als jullie goed keurt dat ik de leiding neem, kan ik je verzekeren, dat we de negers allen op de vlucht zullen drijven!” verzekerde ik hen, volkomen overtuigd van wat ik beweerde.En zoo gebeurde het ook.Toen er voor de tweede maal geladen was, commandeerdeik dat slechts de grootste helft van ons zoude vuren. „En nu, kameraden,” zei ik, „in stormpas erop af!” Onder een luid hoera, snelde ik de mannen vooruit die nog niet geschoten hadden, en nog eer ik bevel tot vuren gaf, rende de heele zwarte bende voor ons weg, het bosch in.Van dit oogenblik af noemden de Portugezen mij half spottend, half in ernstSeignior Capitanio, maar toen ik hen zei dat ik geen „Seignior” wenschte te heeten, stelde de kanonnier, die vrij goed Engelsch sprak voor, mij „Kapitein Bob” te noemen, en dezen titel behield ik voortaan.Een eigenaardigheid van de Portugeezen, die ik telkens gedurende mijn leven onder hen opmerkte, is, dat ze—zoowel in massa als ieder afzonderlijk—zich flink genoeg gedragen wanneer ze een opwekkend voorbeeld hebben, krachtig worden aangespoord en gesteund; zijn ze evenwel geheel op zichzelf aangewezen, dan laten ze gauw den moed zinken en brengen het tot niets. Zoo zouden ze ook in ons geval ongetwijfeld voor een troep wilden gevlucht zijn—al hadden ze op die wijze toch hun leven niet kunnen redden—als ik hun niet had toegeroepen stand te houden en de heele geschiedenis eerder als een spel dan als een ernstig gevecht had voorgesteld.Ook bij verschillende volgende gelegenheden, merkte ik deze karakterzwakte op, en ik moet bekennen, dat ik me menigmaal later afvroeg, hoe een troepje mannen—dat in critieke oogenblikken zoo in geestkracht te kort schoot—het stoute besluit kon hebben gevat om de roekelooste enslechtst uitvoerbaren tocht te beramen, welke ooit ter wereld ondernomen werd.Twee of drie flinke kerels vormden den kern van ons gezelschap en hielden het door hun energie en werkkracht bijeen. Van den beginne af hadden deze trouwens eenige leiding aan onze zwerftochten gegeven en in moeilijke gevallen raad weten te schaffen; het waren in de eerste plaats de kanonnier, ten tweede onze artiest, de fijnsmid, en ten derde—hoewel niet met de twee vorigen te vergelijken—een van onze timmerlieden. Dit drietal vormde de ziel van elke onderneming en aan hun persoonlijken moed dankten de overigen de standvastigheid, die ze nu en dan nog aan den dag legden. Toen zij zagen dat ik bereid was ook een deel van de verantwoordelijkheid op me te nemen, drukten ze mij de hand en bij volgende gelegenheden vroegen ze altijd mijn oordeel.Onze kanonnier was een uitstekend wiskunstenaar, die veel gelezen en op zijn manier gestudeerd had. Door veel met hem te praten, leerde ik ook de gronden van de verschillende wetenschappen kennen, die met de scheepvaart verband houden, en voornamelijk over aardrijkskundige aangelegenheden vertelde hij gaarne.Toen hij bemerkte, dat ik gretig verlangde te weten en te begrijpen, bracht hij me op velerlei gebied zijn algemeene kennis bij, gaf mij een juist begrip van den vorm der aarde, de ligging der landen ten opzichte van elkaar, den loop der rivieren en deelde hij me mede wat hij wist van de leerstellingen omtrent de sferen en de beweging dersterren. Deze laatste wetenschap vooral wekte sterk mijn belangstelling, en in mijn later leven heb ik er steeds naar getracht voor mezelf een aannemelijk astronomisch stelsel op te bouwen.Bracht hij me zijn algemeene kennis bij.Bracht hij me zijn algemeene kennis bij.De omgang met dezen eenvoudigen, ontwikkelden man deed den vurigen wensch bij mij ontwaken, om ál wat onder mijn bereik kwam te leeren en overtuigde mij, dat ik het nooit tot iets flinks in de wereld zou kunnen brengen, wanneer ik niet een grootere mate van kennis vergaarde dan waarover zeelieden gewoonlijk beschikken. Hij wees er mij op, dat onwetendheid den mensch altijd tot een onderschikten rang veroordeelt en prees mij om mijn begeerte en vatbaarheid om te leeren.Door zijn lof gevleid en niet vrij van eerzucht, besloot ik later—als we weer in Europa terugmochten komen en ik ooit wat geld bezitten zou, alles in ’t werk te stellen, om datgene te bestudeeren wat iemand tot een knap zeevaarder kan maken.Maar ik moet tot mijn verhaal terugkeeren.Toen de kanonnier mij, na mijn ingrijpen in ’t gevecht, hoorde voorstellen een deel onzer gevangenen als lastdragers mee te voeren, keerde hij zich naar mij toe en zei op luiden toon:„Kap’tein Bob, ik ben van oordeel dat jij voortaan onze leider moet zijn, want we danken den goeden afloop van dit ernstige avontuur enkel en alleen aan jou.”„Neen,” weerde ik af. „Je moet niet overdrijven wat ik gedaan heb. Laten we jou liever tot Capitano kiezen. Ik ben veel te jong.”Zoo werd toen besloten dat hij onze aanvoerder zou wezen; maar daar hij niet alleen de verantwoordelijkheid wilde dragen, verzocht hij mij hem te willen ter zijde staan, en toen allen zijn verzoek ondersteunden, moest ik hier wel in toestemmen.De eerste opdracht die ik in mijn nieuwe waardigheid kreeg was al buitengewoon moeilijk, n.l. om de leiding van de gevangenen op mij te nemen, ’t geen ik echter met goed vertrouwen ondernam. Lastiger dan dit „karweitje” bleken evenwel nog de vraagstukken waarover wij raad belegden: welken weg we zouden inslaan en hoe we ons van den noodigen proviand konden voorzien.Onder de gevangenen bevond zich een lange, knappe, welgemaakte neger, wien de overigen veel eerbied bewezen en die, zooals we later hoorden, de zoon van een hunner koningen was. Naar’t scheenwerd zijn vader bij ons eerste salvo gedood, terwijl hij een schot in den arm en in de heup gekregen had. Daar het laatste schot in het vleezige gedeelte was aangekomen, voelde hij zich doodzwak door al het bloedverlies. Beide wonden hadden hem geheel buiten gevecht gesteld en we zouden hem misschien rustig hebben laten sterven, indien het niet bij me was opgekomen, dat hij ons van grooten dienst zou kunnen zijn, als een soort van bevelvoerder over onze lastdragers. Ik verzocht dus onzen chirurgijnsleerling hem onder handen te nemen en beduidde den armen drommel zoo goed ik kon, dat we hem weer zouden genezen.Niet te verwonderen dat het verzorgen en verbinden van hun vorst den eerbied der negers voor ons nog verhoogde! Blijkbaar meenden ze dat we op een even geheimzinnige manier konden dooden als weer levend maken, en nadat de Zwarte Prins, zooals we hem gemakshalve noemden, een zes of zevental negers bij zich geroepen en hun iets bevolen had, kwamen ze alle zeven naar mij toe, vielen op de knieën en maakten—telkens naar de plek wijzende, waar hun koning gevallen was—aandoenlijk smeekende gebaren.Eerst begreep ik niet wat ze wilden, maar toen een van hen den doode oprichtte, op zijn hoofdwond en toen naar den chirurgijn wees, werd het ons duidelijk, dat ze ons in staat achtten ook de gesneuvelden tot het leven terug te brengen.Ons onvermogen wijselijk verbergende, deelden we hen mee dat de gedooden de personen waren, die ons het eerst hadden aangevallen en dat we zedaarom in geen geval weer levend wilden maken, maar dat we den jongen vorst, mits hij ons gehoorzaam bleef, niet zouden laten sterven en zijn pols en been genezen.Hierna liet hij een der mannen een langen pijl halen en voor hem op den grond leggen. Den pijl met zijn linkerhand aanvattende—de rechterpols was gebroken—wees hij naar de zon, brak den schicht toen in tweeën, richtte de punt op zijn borst en reikte mij die toen aan. Uit een en ander maakten wij op, dat hij de zon tot getuige riep van zijn onveranderlijke vriendschap voor mij. En geen Christen had zich ooit nauwgezetter aan een eed kunnen houden dan deze wilde koningszoon, die zich gedurende vele moeilijke maanden een verknocht dienaar betoonde.Toen ik hem bij den chirurgijn had gebracht, begon deze de wonden onmiddellijk te verzorgen. Wat de heup betreft—de kogel was er gelukkig niet in doorgedrongen, maar had slechts een oppervlakkige vleeschwonde veroorzaakt, die, behoorlijk gereinigd en verbonden, spoedig weer genas; maar met den pols was het ernstiger gesteld; een der beenderen van den onderarm bleek gebroken. Nadat onze dokter het lichaamsdeel gezet en gespalkt had, bond hij het in een draagband of lichter, die hij om den nek van den patiënt vastmaakte, hem beduidende dat hij den arm niet mocht bewegen. Dit voorschrift volgde de wilde zoo stipt op, dat hij ging zitten en zich niet verroerde, tenzij de chirurgijn hem permissie gaf.Ik getroostte mij veel moeite om dezen negerverstaanbaar te maken wat ons plan was en welke diensten we van zijn mannen wilden vergen; in de eerste plaats leerde ik hem de beteekenis van verschillende veelgebruikte woorden, en daar hij zeer vlug van begrip bleek, bereikte ik veel meer met mijn onderricht dan ik me had voorgesteld.Begon deze de wonden te verzorgen.Begon deze de wonden te verzorgen.Toen hij uit onze toebereidselen opmaakte dat we ook voor ’t begin van de reis proviand vergaarden, deelde hij ons mee, dat dit geheel overbodig was, daar we nog gedurende veertig dagreizen voedsel zouden vinden. Aanvankelijk kon hij ons het getal veertig niet begrijpelijk maken, tot eindelijk een der negers, op zijn bevel, veertig steentjes op een rij legde, ons met gebaren beduidende, dat we zooveel dagen voedsel zouden vinden als hij steentjes neerlegde.Daarop toonde ik hem onze bagage, een heele vracht, dank zij onze munitie, onze timmermans- en smidsgereedschappen, onze zeemans-instrumenten, kisten met flesschen enz. Nadat hij eenige artikelen ter hand had genomen, om het gewicht te keuren, schudde hij het hoofd, waarop ik onze mannen verzocht al hun hebben en houden zoo beknopt mogelijk te verpakken en wat niet strikt noodig was achter te laten. Met leedwezen offerden we dus onze elf kisten op, die ons bij ’t kampeeren zulke goede diensten hadden bewezen.Daarop beloofde hij ons eenige jonge buffels om de pakken te dragen, te kennen gevende, dat ze ons als we moe werden, ook een tijdlang op hun rug konden nemen, een denkbeeld dat we met verontwaardiging afwezen. Wel overlegden we, dat de buffels, als we ze niet langer als pakdieren noodig hadden, zeer eetbaar voedsel zouden opleveren.Toen dit alles vastgesteld was, bracht ik hem naar onze sloep, waarover hij de grootste verbazing uitte. Nog nooit had hij iets dergelijks gezien.Hun booten waren maar armzalige vaartuigjes, zonder stuur of steven, gemaakt uit geitenvellen, die ze met gedroogde darmen aaneennaaiden en met een mengsel van hars en olie bestreken, dat een afschuwelijke lucht van zich gaf. De kano’s van de inboorlingen op Madagaskar konden meesterstukken van scheepsbouw genoemd worden bij deze ongelukkige dingen vergeleken.Toen we onzen vorst aan boord geholpen hadden, want zijn been hinderde hem nog, lieten we hem den inhoud zien en beduidden hem dat zijn mannendat alles voor ons dragen moesten. „Ce Seignior”, en „Yes Sir” antwoordde hij lachend, en een pak optillende, gaf hij te kennen, dat hij zelf ook zou helpen dragen, zoo gauw zijn arm genezen was, wat echter niet in onze bedoeling lag, daar hij boven de andere negers moest staan.Onze gevangenen hadden we inmiddels binnen een ruw paalwerk of palissade opgesloten en hen met touwen van gevlochten plantenvezels gebonden. Nadat we hun vorst weer aan wal hadden gedragen, namen we hem mee naar de gevangenen en lieten hun vragen of ze met ons wilden reizen naar het land van de leeuwen. Uit zijn druk gepraat begrepen we alleen maar dat ze „Ce Seignior” moesten zeggen als ze mee wilden, en tot onze verwondering riepen ze allen „Ce Seignior! Ce Seignior!” in hun handen klappende en naar de zon opkijkende, ’t geen, volgens hun hoofdman, een gelofte van trouw beteekende.Onmiddellijk na het afleggen van dezen eed evenwel, begon een van hen een lange rede tegen den vorst te houden, waarin hij telkens met de dwaaste gebaren op ons wees en iets van ons scheen te wenschen, dat hun allen na aan ’t harte ging. Toen ik den jongen koningszoon vroeg wat ze begeerden, zei hij: de zekerheid dat we hen niet zouden dooden maar henchiaruck(voedsel) zouden geven en niet door de wilde dieren laten verscheuren. Deze gelofte legde ik gaarne af, waarop hij naar de zon wees en in de handen klapte, een voorbeeld, dat ik begreep te moeten volgen, en nadat ik mijn verklaring dus onder eede bevestigd had, vielenal de gevangenen plat op den grond en uitten, weer opgestaan, de vreemdste, schrilste kreten die ik ooit van menschelijke wezens gehoord heb.Zoodra deze plechtigheid was afgeloopen, wijdden we al onze aandacht aan het vraagstuk van de proviand, die wij toch, zoowel voor onze gevangenen, als voor onszelf zouden noodig hebben, en in mijn gebarengesprek hieromtrent met den vorst, gaf hij mij te verstaan, dat als ik een der gevangenen wilde loslaten, deze naar hun dorp zou gaan, om lastdieren en voedsel te halen. Blijkbaar zette ik een gezicht alsof ik de zaak niet vertrouwde, hij begon tenminste betuigingen van trouw te uiten en bond o.a. een stuk touw om zijn hals, waarvan hij mij het eene einde toehield, te kennen gevende, dat ik hem mocht ophangen als de neger niet terugkwam. Ik stemde dus toe en liet den slaaf vrij, die daarop uitvoerige instructies van zijn meester ontving, ook betreffende den tijd van zijn terugkomst, ’t geen viel af te leiden uit hun zorgvuldig waarnemen van den zonnestand.De neger rende alsof hij bezeten was en hield dit vol tot hij geheel uit het gezicht verdween, waaruit ik opmaakte, dat hij een langen weg had af te leggen.Den volgenden morgen, omstreeks twee uur na zonsopgang, wenkte „de Zwarte Prins” mij dringend, bij hem te komen, een verzoek, dat hij met een eigenaardig geroep ondersteunde. Toen ik naast hem stond, wees hij naar een heuvel op ongeveer twee mijlen afstands en scherp turende, onderscheidde ik duidelijk een kleine drift vee en verscheiden inboorlingen.Dit waren, zooals hij me beduidde, de mannen die hij had uitgezonden en eenige stamgenooten.Nog voor den afgesproken tijd kwam hij dan ook bij onze hutten aan met verscheiden runderen, ongeveer zestien geiten en vier jonge buffels, geoefend in het dragen van lasten.1Zietitelplaat.↑

HOOFDSTUK IV.Het vasteland

Ons geduld werd nog langer op de proef gesteld dan we gedacht hadden, maar ten slotte kwamen we toch aan een groote baai, waarin zich verscheiden kreken of riviertjes uitstortten. Den eersten den besten van deze kleine stroomen invarende, zagen we al spoedig eenige hutten met groepjes inboorlingen er omheen, en in een inham aan de noordzijde der kreek landende, staken we onmiddellijk onze vredesvlag op—een staak met een witte lap er aan gebonden—welk signaal ze gelukkig bleken te begrijpen.Mannen, vrouwen, kinderen—allen geheel naakt—kwamen, aanvankelijk aarzelend, doch al heel gauw wat stoutmoediger, op ons vaartuig af. Nadat ze ons een tijdlang verwonderd, sommige angstig, hadden aangegaapt, begonnen ze teekenen van toenadering te vertoonen. Onze eerste proefneming was: onze hand aan onzen mond te brengen om hen te beduiden dat we water begeerden. Tot onze blijdschap begrepen ze ons dadelijk, en drie vrouwen en een paar jongens stoven weg om heel gauw, na een minuut of tien ongeveer, terug te komen met aarden potten—waarschijnlijk in de zon gebakken—gevuld met water. Nadat ze dezepotten, die werkelijk goed van vorm waren, enkele vrij sierlijk zelfs, op veiligen afstand van ons hadden neergezet, trokken ze zich terug, het aan ons overlatende ze weg te halen, wat wij natuurlijk met gretigen spoed deden.Eenige uren later brachten ze ons wortels en kruiden en een soort van vruchten die we nooit een van allen gezien hadden, maar daar we hun niets in ruil konden aanbieden, staakten ze al spoedig hun vriendelijkheden en begrepen we wel, niet zooveel van hen te kunnen verwachten als van de negers op Madagaskar.Gelukkig wist onze duivelskunstenaar, de fijnsmid, weer in de moeilijkheid te voorzien door zoo spoedig mogelijk aan ’t werk te gaan. Van stukken plaatijzer die hij van het wrak had overgehouden en meegenomen, smeedde hij allerlei snuisterijen: vogels, hondjes, kruisen, haken, vierkanten, ringen enz.:—die wij allen hielpen afvijlen en blinkend schuren.Ook nu weer bleken deze waardelooze prullen de inboorlingen kinderlijk gelukkig te maken, en zonder eenige moeite kregen we er overvloed van provisie voor in de plaats: geiten, wilde zwijnen, koeien, fruit en gevogelte.Dit waren dus onze eerste ervaringen op het vasteland van Afrika; om te beginnen niet zoo slecht, als we bedachten dat er misschien geen verlatener, ongastvrijer en onbekender land op de gansche aarde bestond—Groenland en Nova Zembla niet uitgezonderd. Bij nadere kennismaking bleek ons evenwel dat ook de minst bewoonbarestreken toch nog door menschelijke wezens bezocht werden, hoewel het voor ons—hun aard en gewoonten in aanmerking genomen—beter zou geweest zijn, wanneer we ze maar niet hadden aangetroffen.Nadat we ons hier eenige dagen hadden opgehouden, namen wij, na ernstige overleggingen, het stoutmoedigste, wanhopigste besluit, dat misschien ooit door een troep je mannen is genomen: om n.l. dwars door het land te reizen, van de kust van Mozambique aan den oostelijken of Indischen Oceaan, naar de kust van Angola of Guinea aan den westelijken of Atlantischen, een uitgestrektheid van minstens achttienhonderd mijlen. Op dien tocht zouden we ondraaglijke hitte hebben te doorstaan, eindelooze woestijnen moeten overtrekken—zonder voertuigen of lastdieren om onze bagage te dragen,—en ons tegen tallooze verscheurende dieren, zooals leeuwen, tijgers, luipaarden en olifanten moeten verdedigen. De zon zou—terwijl we voortdurend dichtbij den evenaar voorttrokken—verzengend op ons neerschijnen; we zouden hoogstwaarschijnlijk aan woeste en wreede negerstammen het hoofd moeten bieden, honger en dorst moeten verduren—in één woord verschrikkingen en ontberingen moeten dulden, die ook den heldhaftigsten mensch met angst moesten vervullen.En toch, ondanks al die dreigende vooruitzichten, besloten we het avontuur te wagen en al de toebereidselen te treffen, die de omstandigheden en onze onbekendheid met hetgeen vóór ons lag, mogelijk maakten.Sedert lang waren we gewend geraakt aan het barrevoets loopen op rotsigen bodem, op kiezel en op gras en strand, doch nu ondervonden we dat dit alles niet haalde bij het loopen op het brandend heete zand van Afrika’s woestijnen.We voorzagen ons dus van een soort schoenen, gemaakt uit dierenhuiden, die we in de zon lieten drogen en daardoor hard en taai werden. Met het haar naar binnen gekeerd, zaten ze zoo zacht als handschoenen, en in ’t gebruik bleken ze haast onverslijtbaar.Van een paar inboorlingen bij wie we ons het best verstaanbaar konden maken, hoorden we, dat er in het ons onbekende land veel rivieren, veel leeuwen en tijgers en ook een soort van wilde katten waren—civetkatten zooals wij later zagen.Toen wij hen, naar ’t westen wijzende, vroegen, of er wel eens ooit iemand dien kant was uitgegaan, knikten ze bevestigend, maar ze konden ons niets omtrent die reizigers vertellen. Behalve dat ze ons aan proviand hielpen, was er weinig hulp van hen te verwachten, en toen we hun verzochten ons een van allen tot gids te willen strekken, haalden ze de schouders op, zooals een Franschman doet wanneer hij bang is iets te ondernemen. Op onze vragen betreffende de wilde dieren, lachten ze en beduidden ons dat we daar geen gevaar van hadden te duchten. Met veel inspanning van weerskanten begrepen we dat ze alle bang waren voor vuur en we ze dus door er een te stoken ’s nachts op een afstand konden houden, ’t geen onze ervaring later bevestigde.Op dit punt dus gerustgesteld aanvaardden we de reis, die, hoe hachlijk en onuitvoerbaar ook, gerechtvaardigd werd door verschillende overwegingen.In de eerste plaats stond ons geen andere weg open om tot bevrijding te geraken; we bevonden ons aan een kust waar nooit eenig Europeesch schip landde. De kans dat we hier ooit zouden worden gevonden en naar beschaafdere streken meegenomen, was dus zoo goed als uitgesloten.Hadden we ’t gewaagd langs de verlaten kust van Mozambique en Afrika naar het noorden te zeilen tot we de Roode Zee bereikten, dan liepen we groot gevaar in handen van de Arabieren te vallen en als slaven aan de Turken verkocht te worden, wat, naar ’t geen onze oudste timmerman van de Mohammedanen wist te vertellen, erger zou zijn dan de dood.Ook konden we geen schip bouwen dat ons over de Arabische zee naar Indië zou brengen of, met eenig uitzicht haar te bereiken, naar Kaap de Goede Hoop, daar de wind zeer veranderlijk en de zee op die breedte buitengewoon onstuimig was. We wisten echter allen dat we—als het ons slechts gelukken mocht dit uitgestrekte vasteland over te steken—we een of meer van de groote rivieren zouden kunnen bereiken, die in den Atlantischen Oceaan uitmonden. Hadden we eenmaal zulk een rivier gevonden, dan konden we ons kano’s bouwen en hiermee, desnoods duizenden mijlen ver, den stroom afvaren. De voedselmoeilijkheid was altijd door middel van onze geweren op te lossen; waterhadden we nog overal aangetroffen en—wat eenigen onder ons sterk tot dit plan deed overhellen—er bestond volgens hen een groote kans, dat we in West-Afrika goud zouden kunnen bemachtigen, dat ons misschien nog schadeloos zou stellen voor alle doorgestane ellende en vermoeienis.Zooals ik al eens eerder verteld heb, bekommerde ik mij over ’t algemeen heel weinig om de besluiten die mijn makkers namen. Ik had eenmaal mijn opinie geuit en bleef er bij, dat we moesten trachten in de Arabische Golf te komen of bij de monding van de Roode Zee om daar een der talrijke in- en uitgaande schepen af te wachten, er ons zoo mogelijk van meester te maken en dan te koersen waarheen we maar wilden. Toen ze me nu begonnen te praten van een voetreis van twee of drieduizend mijlen, voor een deel door een woestijn, te midden van allerlei verscheurende dieren, dreigde het bloed mij in de aderen te stollen—ik schaam mij niet dit te bekennen—en spande ik al mijn overredingskracht in, hen voor mijn oorspronkelijk denkbeeld te winnen.Maar ze waren allen zeer beslist in hun overtuiging, en ik kon evengoed mijn mond hebben gehouden. Ons twistgesprek eindigde dan ook met mijn belofte dat ik mij bij de meerderheid zou neerleggen, en het besluit tot de gevaarlijke onderneming werd genomen.Ons eerste werk was nu door waarnemingen betreffende den zonnestand vast te stellen waar we ons ten naastenbij bevonden; op 12 graden en 35 minuten ten zuiden van den evenaar zooalsons bleek. Daarna bestudeerden we zorgvuldig de zeekaarten en zagen we dat de kust van Angola tusschen 8 en 11 graden zuiderbreedte lag en de kust van Guinea tusschen 12 en 19 graden noorderbreedte.Het doel dat we ons ten slotte voor oogen stelden was de kust van Angola. Dit leek ons het best uitvoerbaar, daar we ons nagenoeg op dezelfde breedte bevonden en we deze streek dus, in rechte lijn westwaards reizende, moesten bereiken. Daarbij twijfelde geen van ons er aan, of we zouden wel een of meer rivieren ontmoeten, die onzen tocht konden vergemakkelijken, terwijl we het groote meer, door de inboorlingen Coalmucoa genoemd—een binnenzee waaruit men zegt dat de Nijl ontspringt—per kano hoopten te kunnen oversteken. Maar we hadden de bezwaren onderschat, zooals uit het vervolg van mijn verhaal blijken zal.De tweede overweging was, hoe we onze bagage zouden vervoeren, die we onder geen voorwaarde in den steek mochten laten. En wat hadden we moeten beginnen zonder onze munitie, waarmee we ons voedsel moesten veroveren en ons verdedigen tegen wilde dieren en volksstammen misschien? Toch was onze munitie alleen al een te zware vracht voor ons, in een land, waar de hitte ons het eigen lichaam reeds tot last deed zijn.De negers ondervragende, kwamen we tot het resultaat dat er geen enkel pakdier onder hen in gebruik was—geen paarden, ezels, muilen, kameelen of dromedarissen. Het eenige tamme beest dat ze er op nahielden was een soort vanbuffel, zooals wij er een geschoten hadden. Sommige van die dieren luisterden naar hun stem en bevelen. Ook lieten ze hen wel eens lasten dragen, en heel dikwijls gebruikten ze de buffels om, op hun rug gezeten, rivieren of meertjes over te steken, daar ze kolossale zwemmers waren.Totaal onbedreven in den omgang met die dieren en niet wetende hoe ze te beladen, bleef dit vraagstuk ons echter groote zorg geven.Tenslotte stelde ik voor: „Laat ons ruzie zoeken met eenige van de inboorlingen, er een stuk of tien, twaalf gevangen nemen en ze als slaven meevoeren. We houden hen dan de geheele reis bij ons, laten ze onze bagage dragen, den weg wijzen en met andere negerstammen voor ons onderhandelen.”Dit niet zeer edele voorstel—maar de nood waarin we ons bevonden moge als verontschuldiging gelden—vond eerst heftigen tegenstand, om ten slotte met algemeene instemming te worden aangenomen. Al te kieskeurig konden we in onze omstandigheden niet zijn en buitendien gaven de inboorlingen ons spoedig zelf aanleiding een straf op hen toe te passen.Nadat we tot nu toe steeds in goed vertrouwen met de negers gehandeld hadden, werden we op een keer leelijk door hen bedrogen.Zooals reeds herhaaldelijk gebeurd was, hadden we eenige koeien van hen gekocht in ruil voor de snuisterijen die onze smid zoo kunstig wist te maken, doch toen er eens een klein meeningsverschil rees, nadat de negers de versierselen reeds in ontvangst hadden genomen, begonnen ze onzeonderhandelaars plotseling uit te schelden en als dollen te schreeuwen, eenige van hun kameraden met woeste gebaren en kreten beduidende het vee weg te drijven, en luidkeels lachende om de teleurstelling der onzen. Toen op het getier een paar van onze mannen, die in de nabijheid vertoefden, kwamen aangesneld, wierp de neger die den koop gesloten had zijn lans naar onzen smid, en het wapen was zoo juist gericht, dat hij stellig gedood zou zijn als hij niet juist bijtijds ter zijde was gesprongen. Nu kreeg hij alleen een vleeschwond in den linkerarm, ’t geen hem echter zoo driftig maakte, dat hij zijn geweer aanlegde en den zwarten bedrieger door het hart schoot.De overige negers die bij het voorval tegenwoordig waren geweest en eenige die het op korten afstand hadden gadegeslagen, waren niet weinig onthutst en beangst: eerst door den vuurstraal, toen door den knal en eindelijk door het neerstorten van hun stamgenoot. Als verstijfd bleven ze staan. Toen ze evenwel wat van den schrik bekomen waren, stiet een van hen op flinken afstand van ons een doordringenden schreeuw uit, een soort van oorlogskreet, zooals ons weldra bleek, waarop al de anderen, hem onmiddellijk begrijpende, met denzelfden woesten schreeuw antwoordden en kwamen aangerend, terwijl wij, aanvankelijk zelfs niet vermoedende, wat er aan de hand was, in zoutpilaren schenen veranderd en elkaar als een troep dwazen aanstaarden.Doch al heel gauw werd de toestand ons maar al te duidelijk. In den tijd van twee of drie minutenplantte de eigenaardige rauwe schreeuw zich voort van de eene bewoonde plek naar de andere, door al hun dorpen of nederzettingen, zelfs tot over de kreek; en tot onze ontzetting zagen we even later een naakte menigte pijlsnel aanrennen naar de plek waar de twist ontstaan was. In minder dan een uur waren er een vijfhonderd wilden bijeen, sommige met pijl en boog, de meeste met lansen gewapend, die ze zoo verwonderlijk behendig wisten te hanteeren, dat ik hen menigmaal een vogel in zijn vlucht zag raken.Er bleef ons slechts zeer weinig tijd tot overleg over, daar de menigte ieder oogenblik toenam, en ik geloof stellig dat ze—waren we aan wal gebleven—in korten tijd tot tienduizend personen zou zijn aangegroeid. Het beste wat wij dus doen konden was naar onze sloep te vluchten, vanwaar we ons behoorlijk hadden kunnen verdedigen, of onze vijanden wat dichter te naderen en te zien wat een paar salvo’s zouden uitwerken.Na een haastige woordenwisseling besloten we tot het laatste, vertrouwende dat ons geweervuur hen van schrik op de vlucht zou drijven. In aaneengesloten linie trokken we moedig op hen aan, terwijl zij ons afwachtten, niet anders denkende, naar ik veronderstel, dan dat ze ons allen met hun lansen zouden dooden. Vrij dicht bij hen gekomen hielden we halt, en onze linie uitbreidende door den afstand tusschen elke twee mannen te vergrooten, gaven we vuur. Behalve verschillende gewonden die wisten te ontkomen, bleven er zestien zwarten op de plaats dood, terwijl er nog drie zóó gevoelig geraakt waren,dat ze omstreeks twintig of dertig meter verder neervielen.Onmiddellijk na ons salvo barstten ze in een afgrijselijk geschreeuw of gehuil los, deels aangeheven door de gewonden, deels door de mannen die de lijken beweenden van hen die roerloos terneer lagen. Nooit in mijn leven heb ik akeliger gejammer gehoord.Nadat we gevuurd hadden, bleven we staan om onze geweren opnieuw te laden, en toen de wilden geen teekenen gaven de vlucht te willen nemen, legden we weer op hen aan en doodden er nu omstreeks negen. Daar ze nu echter niet meer zoo dicht opeengedrongen stonden als in ’t begin, vuurden we niet allen tegelijk, doch werd aan zeven van ons bevolen hun munitie te sparen en voorwaarts te treden, zoodra de anderen geschoten hadden, terwijl deze voor de derde maal gelegenheid kregen te laden.Zoodra wij het tweede salvo hadden afgevuurd, hieven we een luid gejuich aan, waaronder de zeven overigen ongeveer twintig meter naderden en vuur gaven en de achtersten, die ook weer haastig geladen hadden, losbrandden. Eer het zoover gekomen was, gingen ze echter aan den haal, alsof de duivel hen op de hielen zat.Toen we op het slagveld kwamen, zagen we veel meer dooden op den grond liggen dan we meenden te hebben getroffen, ja, zelfs meer dan we kogels hadden afgeschoten. Voor dit wonderlijke verschijnsel konden we eerst geen verklaring vinden, maar na eenig nadenken kwamen we tot de gevolgtrekking,dat de zwarten eenvoudig door den schrik hun bewustzijn hadden verloren, en nadat wij de gevallenen zorgvuldig onderzocht hadden, bleek dit ook werkelijk het geval. Toch moeten er naar mijn vaste overtuiging echter ook verscheiden onder geweest zijn die enkel door den schrik stierven.Nadat deze doodelijk ontstelden langzamerhand weer tot zichzelf gekomen waren, schenen ze ons zoo ongeveer als bovennatuurlijke wezens te beschouwen, als goden of duivels, wàt was ons niet recht duidelijk en liet ons ook onverschillig. De hoofdzaak was, dat ze ons met den grootst mogelijken eerbied behandelden. Sommigen knielden voor ons neer, anderen lieten zich plat op den grond vallen1en maakten de vreemdste gebaren, meer dan dwaas in ons oog, maar duidelijk genoeg om ons te doen zien, dat ze zich onvoorwaardelijk onderwierpen.Geen schooner gelegenheid om gevangenen te maken en ze als lastdragers op onze reis mee te voeren, dacht ik, en gelukkig waren mijn kameraads het allen met mij eens. We kozen dus een zestig flinke, sterke jonge mannen uit en beduidden hen dat ze met ons mee moesten trekken, waartoe ze zich onmiddellijk bereid toonden. De transport-moeilijkheid scheen hiermee dus opgelost, maar het bleef de vraag, of we de negers konden vertrouwen, daar we de bevolking, in tegenstelling met die op Madagaskar, als woest, wraakgierig en verraderlijk hadden leeren kennen. Andere dan echte slavendiensten zouden we dus niet van hen mogen verwachten; alleen zoolang ze ons vreesden,zouden ze zich onderworpen betoonen en slechts onder dwang voor ons werken.Eer ik verder ga moet ik hier even vertellen, dat ik van dien dag af mij wat ernstiger rekenschap begon te geven van de omstandigheden waarin wij ons bevonden en mij meer om den gang van zaken begon te bekommeren. Mijn makkers waren wel alle vrij wat ouder dan ik, maar ik had bij verschillende gelegenheden opgemerkt, dat ze ’t hoofd kwijt raakten, of zooals ik het nu zou noemen „weinig tegenwoordigheid van geest toonden”, wanneer het tot handelen in ernstige omstandigheden komen moest.Bij hun twist met de inboorlingen werd mij dit voor ’t eerst volkomen duidelijk. Hoewel ze toen toch vast besloten waren hen aan te vallen, zonk het hart hen al in de schoenen toen de zwarten, na het eerste salvo, niet dadelijk het hazenpad kozen, en ik geloof zeker, dat de onzen—had ons vaartuig dichter onder hun bereik gelegen—als één man op de vlucht zouden zijn gegaan.Verbaasd over hun lafheid en bang dat ze den toestand geheel voor ons zouden bederven, begon ik hen krachtig aan te moedigen en riep ik hen bevelend toe, onmiddellijk op nieuw te laden en te vuren.„Als jullie goed keurt dat ik de leiding neem, kan ik je verzekeren, dat we de negers allen op de vlucht zullen drijven!” verzekerde ik hen, volkomen overtuigd van wat ik beweerde.En zoo gebeurde het ook.Toen er voor de tweede maal geladen was, commandeerdeik dat slechts de grootste helft van ons zoude vuren. „En nu, kameraden,” zei ik, „in stormpas erop af!” Onder een luid hoera, snelde ik de mannen vooruit die nog niet geschoten hadden, en nog eer ik bevel tot vuren gaf, rende de heele zwarte bende voor ons weg, het bosch in.Van dit oogenblik af noemden de Portugezen mij half spottend, half in ernstSeignior Capitanio, maar toen ik hen zei dat ik geen „Seignior” wenschte te heeten, stelde de kanonnier, die vrij goed Engelsch sprak voor, mij „Kapitein Bob” te noemen, en dezen titel behield ik voortaan.Een eigenaardigheid van de Portugeezen, die ik telkens gedurende mijn leven onder hen opmerkte, is, dat ze—zoowel in massa als ieder afzonderlijk—zich flink genoeg gedragen wanneer ze een opwekkend voorbeeld hebben, krachtig worden aangespoord en gesteund; zijn ze evenwel geheel op zichzelf aangewezen, dan laten ze gauw den moed zinken en brengen het tot niets. Zoo zouden ze ook in ons geval ongetwijfeld voor een troep wilden gevlucht zijn—al hadden ze op die wijze toch hun leven niet kunnen redden—als ik hun niet had toegeroepen stand te houden en de heele geschiedenis eerder als een spel dan als een ernstig gevecht had voorgesteld.Ook bij verschillende volgende gelegenheden, merkte ik deze karakterzwakte op, en ik moet bekennen, dat ik me menigmaal later afvroeg, hoe een troepje mannen—dat in critieke oogenblikken zoo in geestkracht te kort schoot—het stoute besluit kon hebben gevat om de roekelooste enslechtst uitvoerbaren tocht te beramen, welke ooit ter wereld ondernomen werd.Twee of drie flinke kerels vormden den kern van ons gezelschap en hielden het door hun energie en werkkracht bijeen. Van den beginne af hadden deze trouwens eenige leiding aan onze zwerftochten gegeven en in moeilijke gevallen raad weten te schaffen; het waren in de eerste plaats de kanonnier, ten tweede onze artiest, de fijnsmid, en ten derde—hoewel niet met de twee vorigen te vergelijken—een van onze timmerlieden. Dit drietal vormde de ziel van elke onderneming en aan hun persoonlijken moed dankten de overigen de standvastigheid, die ze nu en dan nog aan den dag legden. Toen zij zagen dat ik bereid was ook een deel van de verantwoordelijkheid op me te nemen, drukten ze mij de hand en bij volgende gelegenheden vroegen ze altijd mijn oordeel.Onze kanonnier was een uitstekend wiskunstenaar, die veel gelezen en op zijn manier gestudeerd had. Door veel met hem te praten, leerde ik ook de gronden van de verschillende wetenschappen kennen, die met de scheepvaart verband houden, en voornamelijk over aardrijkskundige aangelegenheden vertelde hij gaarne.Toen hij bemerkte, dat ik gretig verlangde te weten en te begrijpen, bracht hij me op velerlei gebied zijn algemeene kennis bij, gaf mij een juist begrip van den vorm der aarde, de ligging der landen ten opzichte van elkaar, den loop der rivieren en deelde hij me mede wat hij wist van de leerstellingen omtrent de sferen en de beweging dersterren. Deze laatste wetenschap vooral wekte sterk mijn belangstelling, en in mijn later leven heb ik er steeds naar getracht voor mezelf een aannemelijk astronomisch stelsel op te bouwen.Bracht hij me zijn algemeene kennis bij.Bracht hij me zijn algemeene kennis bij.De omgang met dezen eenvoudigen, ontwikkelden man deed den vurigen wensch bij mij ontwaken, om ál wat onder mijn bereik kwam te leeren en overtuigde mij, dat ik het nooit tot iets flinks in de wereld zou kunnen brengen, wanneer ik niet een grootere mate van kennis vergaarde dan waarover zeelieden gewoonlijk beschikken. Hij wees er mij op, dat onwetendheid den mensch altijd tot een onderschikten rang veroordeelt en prees mij om mijn begeerte en vatbaarheid om te leeren.Door zijn lof gevleid en niet vrij van eerzucht, besloot ik later—als we weer in Europa terugmochten komen en ik ooit wat geld bezitten zou, alles in ’t werk te stellen, om datgene te bestudeeren wat iemand tot een knap zeevaarder kan maken.Maar ik moet tot mijn verhaal terugkeeren.Toen de kanonnier mij, na mijn ingrijpen in ’t gevecht, hoorde voorstellen een deel onzer gevangenen als lastdragers mee te voeren, keerde hij zich naar mij toe en zei op luiden toon:„Kap’tein Bob, ik ben van oordeel dat jij voortaan onze leider moet zijn, want we danken den goeden afloop van dit ernstige avontuur enkel en alleen aan jou.”„Neen,” weerde ik af. „Je moet niet overdrijven wat ik gedaan heb. Laten we jou liever tot Capitano kiezen. Ik ben veel te jong.”Zoo werd toen besloten dat hij onze aanvoerder zou wezen; maar daar hij niet alleen de verantwoordelijkheid wilde dragen, verzocht hij mij hem te willen ter zijde staan, en toen allen zijn verzoek ondersteunden, moest ik hier wel in toestemmen.De eerste opdracht die ik in mijn nieuwe waardigheid kreeg was al buitengewoon moeilijk, n.l. om de leiding van de gevangenen op mij te nemen, ’t geen ik echter met goed vertrouwen ondernam. Lastiger dan dit „karweitje” bleken evenwel nog de vraagstukken waarover wij raad belegden: welken weg we zouden inslaan en hoe we ons van den noodigen proviand konden voorzien.Onder de gevangenen bevond zich een lange, knappe, welgemaakte neger, wien de overigen veel eerbied bewezen en die, zooals we later hoorden, de zoon van een hunner koningen was. Naar’t scheenwerd zijn vader bij ons eerste salvo gedood, terwijl hij een schot in den arm en in de heup gekregen had. Daar het laatste schot in het vleezige gedeelte was aangekomen, voelde hij zich doodzwak door al het bloedverlies. Beide wonden hadden hem geheel buiten gevecht gesteld en we zouden hem misschien rustig hebben laten sterven, indien het niet bij me was opgekomen, dat hij ons van grooten dienst zou kunnen zijn, als een soort van bevelvoerder over onze lastdragers. Ik verzocht dus onzen chirurgijnsleerling hem onder handen te nemen en beduidde den armen drommel zoo goed ik kon, dat we hem weer zouden genezen.Niet te verwonderen dat het verzorgen en verbinden van hun vorst den eerbied der negers voor ons nog verhoogde! Blijkbaar meenden ze dat we op een even geheimzinnige manier konden dooden als weer levend maken, en nadat de Zwarte Prins, zooals we hem gemakshalve noemden, een zes of zevental negers bij zich geroepen en hun iets bevolen had, kwamen ze alle zeven naar mij toe, vielen op de knieën en maakten—telkens naar de plek wijzende, waar hun koning gevallen was—aandoenlijk smeekende gebaren.Eerst begreep ik niet wat ze wilden, maar toen een van hen den doode oprichtte, op zijn hoofdwond en toen naar den chirurgijn wees, werd het ons duidelijk, dat ze ons in staat achtten ook de gesneuvelden tot het leven terug te brengen.Ons onvermogen wijselijk verbergende, deelden we hen mee dat de gedooden de personen waren, die ons het eerst hadden aangevallen en dat we zedaarom in geen geval weer levend wilden maken, maar dat we den jongen vorst, mits hij ons gehoorzaam bleef, niet zouden laten sterven en zijn pols en been genezen.Hierna liet hij een der mannen een langen pijl halen en voor hem op den grond leggen. Den pijl met zijn linkerhand aanvattende—de rechterpols was gebroken—wees hij naar de zon, brak den schicht toen in tweeën, richtte de punt op zijn borst en reikte mij die toen aan. Uit een en ander maakten wij op, dat hij de zon tot getuige riep van zijn onveranderlijke vriendschap voor mij. En geen Christen had zich ooit nauwgezetter aan een eed kunnen houden dan deze wilde koningszoon, die zich gedurende vele moeilijke maanden een verknocht dienaar betoonde.Toen ik hem bij den chirurgijn had gebracht, begon deze de wonden onmiddellijk te verzorgen. Wat de heup betreft—de kogel was er gelukkig niet in doorgedrongen, maar had slechts een oppervlakkige vleeschwonde veroorzaakt, die, behoorlijk gereinigd en verbonden, spoedig weer genas; maar met den pols was het ernstiger gesteld; een der beenderen van den onderarm bleek gebroken. Nadat onze dokter het lichaamsdeel gezet en gespalkt had, bond hij het in een draagband of lichter, die hij om den nek van den patiënt vastmaakte, hem beduidende dat hij den arm niet mocht bewegen. Dit voorschrift volgde de wilde zoo stipt op, dat hij ging zitten en zich niet verroerde, tenzij de chirurgijn hem permissie gaf.Ik getroostte mij veel moeite om dezen negerverstaanbaar te maken wat ons plan was en welke diensten we van zijn mannen wilden vergen; in de eerste plaats leerde ik hem de beteekenis van verschillende veelgebruikte woorden, en daar hij zeer vlug van begrip bleek, bereikte ik veel meer met mijn onderricht dan ik me had voorgesteld.Begon deze de wonden te verzorgen.Begon deze de wonden te verzorgen.Toen hij uit onze toebereidselen opmaakte dat we ook voor ’t begin van de reis proviand vergaarden, deelde hij ons mee, dat dit geheel overbodig was, daar we nog gedurende veertig dagreizen voedsel zouden vinden. Aanvankelijk kon hij ons het getal veertig niet begrijpelijk maken, tot eindelijk een der negers, op zijn bevel, veertig steentjes op een rij legde, ons met gebaren beduidende, dat we zooveel dagen voedsel zouden vinden als hij steentjes neerlegde.Daarop toonde ik hem onze bagage, een heele vracht, dank zij onze munitie, onze timmermans- en smidsgereedschappen, onze zeemans-instrumenten, kisten met flesschen enz. Nadat hij eenige artikelen ter hand had genomen, om het gewicht te keuren, schudde hij het hoofd, waarop ik onze mannen verzocht al hun hebben en houden zoo beknopt mogelijk te verpakken en wat niet strikt noodig was achter te laten. Met leedwezen offerden we dus onze elf kisten op, die ons bij ’t kampeeren zulke goede diensten hadden bewezen.Daarop beloofde hij ons eenige jonge buffels om de pakken te dragen, te kennen gevende, dat ze ons als we moe werden, ook een tijdlang op hun rug konden nemen, een denkbeeld dat we met verontwaardiging afwezen. Wel overlegden we, dat de buffels, als we ze niet langer als pakdieren noodig hadden, zeer eetbaar voedsel zouden opleveren.Toen dit alles vastgesteld was, bracht ik hem naar onze sloep, waarover hij de grootste verbazing uitte. Nog nooit had hij iets dergelijks gezien.Hun booten waren maar armzalige vaartuigjes, zonder stuur of steven, gemaakt uit geitenvellen, die ze met gedroogde darmen aaneennaaiden en met een mengsel van hars en olie bestreken, dat een afschuwelijke lucht van zich gaf. De kano’s van de inboorlingen op Madagaskar konden meesterstukken van scheepsbouw genoemd worden bij deze ongelukkige dingen vergeleken.Toen we onzen vorst aan boord geholpen hadden, want zijn been hinderde hem nog, lieten we hem den inhoud zien en beduidden hem dat zijn mannendat alles voor ons dragen moesten. „Ce Seignior”, en „Yes Sir” antwoordde hij lachend, en een pak optillende, gaf hij te kennen, dat hij zelf ook zou helpen dragen, zoo gauw zijn arm genezen was, wat echter niet in onze bedoeling lag, daar hij boven de andere negers moest staan.Onze gevangenen hadden we inmiddels binnen een ruw paalwerk of palissade opgesloten en hen met touwen van gevlochten plantenvezels gebonden. Nadat we hun vorst weer aan wal hadden gedragen, namen we hem mee naar de gevangenen en lieten hun vragen of ze met ons wilden reizen naar het land van de leeuwen. Uit zijn druk gepraat begrepen we alleen maar dat ze „Ce Seignior” moesten zeggen als ze mee wilden, en tot onze verwondering riepen ze allen „Ce Seignior! Ce Seignior!” in hun handen klappende en naar de zon opkijkende, ’t geen, volgens hun hoofdman, een gelofte van trouw beteekende.Onmiddellijk na het afleggen van dezen eed evenwel, begon een van hen een lange rede tegen den vorst te houden, waarin hij telkens met de dwaaste gebaren op ons wees en iets van ons scheen te wenschen, dat hun allen na aan ’t harte ging. Toen ik den jongen koningszoon vroeg wat ze begeerden, zei hij: de zekerheid dat we hen niet zouden dooden maar henchiaruck(voedsel) zouden geven en niet door de wilde dieren laten verscheuren. Deze gelofte legde ik gaarne af, waarop hij naar de zon wees en in de handen klapte, een voorbeeld, dat ik begreep te moeten volgen, en nadat ik mijn verklaring dus onder eede bevestigd had, vielenal de gevangenen plat op den grond en uitten, weer opgestaan, de vreemdste, schrilste kreten die ik ooit van menschelijke wezens gehoord heb.Zoodra deze plechtigheid was afgeloopen, wijdden we al onze aandacht aan het vraagstuk van de proviand, die wij toch, zoowel voor onze gevangenen, als voor onszelf zouden noodig hebben, en in mijn gebarengesprek hieromtrent met den vorst, gaf hij mij te verstaan, dat als ik een der gevangenen wilde loslaten, deze naar hun dorp zou gaan, om lastdieren en voedsel te halen. Blijkbaar zette ik een gezicht alsof ik de zaak niet vertrouwde, hij begon tenminste betuigingen van trouw te uiten en bond o.a. een stuk touw om zijn hals, waarvan hij mij het eene einde toehield, te kennen gevende, dat ik hem mocht ophangen als de neger niet terugkwam. Ik stemde dus toe en liet den slaaf vrij, die daarop uitvoerige instructies van zijn meester ontving, ook betreffende den tijd van zijn terugkomst, ’t geen viel af te leiden uit hun zorgvuldig waarnemen van den zonnestand.De neger rende alsof hij bezeten was en hield dit vol tot hij geheel uit het gezicht verdween, waaruit ik opmaakte, dat hij een langen weg had af te leggen.Den volgenden morgen, omstreeks twee uur na zonsopgang, wenkte „de Zwarte Prins” mij dringend, bij hem te komen, een verzoek, dat hij met een eigenaardig geroep ondersteunde. Toen ik naast hem stond, wees hij naar een heuvel op ongeveer twee mijlen afstands en scherp turende, onderscheidde ik duidelijk een kleine drift vee en verscheiden inboorlingen.Dit waren, zooals hij me beduidde, de mannen die hij had uitgezonden en eenige stamgenooten.Nog voor den afgesproken tijd kwam hij dan ook bij onze hutten aan met verscheiden runderen, ongeveer zestien geiten en vier jonge buffels, geoefend in het dragen van lasten.

Ons geduld werd nog langer op de proef gesteld dan we gedacht hadden, maar ten slotte kwamen we toch aan een groote baai, waarin zich verscheiden kreken of riviertjes uitstortten. Den eersten den besten van deze kleine stroomen invarende, zagen we al spoedig eenige hutten met groepjes inboorlingen er omheen, en in een inham aan de noordzijde der kreek landende, staken we onmiddellijk onze vredesvlag op—een staak met een witte lap er aan gebonden—welk signaal ze gelukkig bleken te begrijpen.

Mannen, vrouwen, kinderen—allen geheel naakt—kwamen, aanvankelijk aarzelend, doch al heel gauw wat stoutmoediger, op ons vaartuig af. Nadat ze ons een tijdlang verwonderd, sommige angstig, hadden aangegaapt, begonnen ze teekenen van toenadering te vertoonen. Onze eerste proefneming was: onze hand aan onzen mond te brengen om hen te beduiden dat we water begeerden. Tot onze blijdschap begrepen ze ons dadelijk, en drie vrouwen en een paar jongens stoven weg om heel gauw, na een minuut of tien ongeveer, terug te komen met aarden potten—waarschijnlijk in de zon gebakken—gevuld met water. Nadat ze dezepotten, die werkelijk goed van vorm waren, enkele vrij sierlijk zelfs, op veiligen afstand van ons hadden neergezet, trokken ze zich terug, het aan ons overlatende ze weg te halen, wat wij natuurlijk met gretigen spoed deden.

Eenige uren later brachten ze ons wortels en kruiden en een soort van vruchten die we nooit een van allen gezien hadden, maar daar we hun niets in ruil konden aanbieden, staakten ze al spoedig hun vriendelijkheden en begrepen we wel, niet zooveel van hen te kunnen verwachten als van de negers op Madagaskar.

Gelukkig wist onze duivelskunstenaar, de fijnsmid, weer in de moeilijkheid te voorzien door zoo spoedig mogelijk aan ’t werk te gaan. Van stukken plaatijzer die hij van het wrak had overgehouden en meegenomen, smeedde hij allerlei snuisterijen: vogels, hondjes, kruisen, haken, vierkanten, ringen enz.:—die wij allen hielpen afvijlen en blinkend schuren.

Ook nu weer bleken deze waardelooze prullen de inboorlingen kinderlijk gelukkig te maken, en zonder eenige moeite kregen we er overvloed van provisie voor in de plaats: geiten, wilde zwijnen, koeien, fruit en gevogelte.

Dit waren dus onze eerste ervaringen op het vasteland van Afrika; om te beginnen niet zoo slecht, als we bedachten dat er misschien geen verlatener, ongastvrijer en onbekender land op de gansche aarde bestond—Groenland en Nova Zembla niet uitgezonderd. Bij nadere kennismaking bleek ons evenwel dat ook de minst bewoonbarestreken toch nog door menschelijke wezens bezocht werden, hoewel het voor ons—hun aard en gewoonten in aanmerking genomen—beter zou geweest zijn, wanneer we ze maar niet hadden aangetroffen.

Nadat we ons hier eenige dagen hadden opgehouden, namen wij, na ernstige overleggingen, het stoutmoedigste, wanhopigste besluit, dat misschien ooit door een troep je mannen is genomen: om n.l. dwars door het land te reizen, van de kust van Mozambique aan den oostelijken of Indischen Oceaan, naar de kust van Angola of Guinea aan den westelijken of Atlantischen, een uitgestrektheid van minstens achttienhonderd mijlen. Op dien tocht zouden we ondraaglijke hitte hebben te doorstaan, eindelooze woestijnen moeten overtrekken—zonder voertuigen of lastdieren om onze bagage te dragen,—en ons tegen tallooze verscheurende dieren, zooals leeuwen, tijgers, luipaarden en olifanten moeten verdedigen. De zon zou—terwijl we voortdurend dichtbij den evenaar voorttrokken—verzengend op ons neerschijnen; we zouden hoogstwaarschijnlijk aan woeste en wreede negerstammen het hoofd moeten bieden, honger en dorst moeten verduren—in één woord verschrikkingen en ontberingen moeten dulden, die ook den heldhaftigsten mensch met angst moesten vervullen.

En toch, ondanks al die dreigende vooruitzichten, besloten we het avontuur te wagen en al de toebereidselen te treffen, die de omstandigheden en onze onbekendheid met hetgeen vóór ons lag, mogelijk maakten.

Sedert lang waren we gewend geraakt aan het barrevoets loopen op rotsigen bodem, op kiezel en op gras en strand, doch nu ondervonden we dat dit alles niet haalde bij het loopen op het brandend heete zand van Afrika’s woestijnen.

We voorzagen ons dus van een soort schoenen, gemaakt uit dierenhuiden, die we in de zon lieten drogen en daardoor hard en taai werden. Met het haar naar binnen gekeerd, zaten ze zoo zacht als handschoenen, en in ’t gebruik bleken ze haast onverslijtbaar.

Van een paar inboorlingen bij wie we ons het best verstaanbaar konden maken, hoorden we, dat er in het ons onbekende land veel rivieren, veel leeuwen en tijgers en ook een soort van wilde katten waren—civetkatten zooals wij later zagen.

Toen wij hen, naar ’t westen wijzende, vroegen, of er wel eens ooit iemand dien kant was uitgegaan, knikten ze bevestigend, maar ze konden ons niets omtrent die reizigers vertellen. Behalve dat ze ons aan proviand hielpen, was er weinig hulp van hen te verwachten, en toen we hun verzochten ons een van allen tot gids te willen strekken, haalden ze de schouders op, zooals een Franschman doet wanneer hij bang is iets te ondernemen. Op onze vragen betreffende de wilde dieren, lachten ze en beduidden ons dat we daar geen gevaar van hadden te duchten. Met veel inspanning van weerskanten begrepen we dat ze alle bang waren voor vuur en we ze dus door er een te stoken ’s nachts op een afstand konden houden, ’t geen onze ervaring later bevestigde.

Op dit punt dus gerustgesteld aanvaardden we de reis, die, hoe hachlijk en onuitvoerbaar ook, gerechtvaardigd werd door verschillende overwegingen.

In de eerste plaats stond ons geen andere weg open om tot bevrijding te geraken; we bevonden ons aan een kust waar nooit eenig Europeesch schip landde. De kans dat we hier ooit zouden worden gevonden en naar beschaafdere streken meegenomen, was dus zoo goed als uitgesloten.

Hadden we ’t gewaagd langs de verlaten kust van Mozambique en Afrika naar het noorden te zeilen tot we de Roode Zee bereikten, dan liepen we groot gevaar in handen van de Arabieren te vallen en als slaven aan de Turken verkocht te worden, wat, naar ’t geen onze oudste timmerman van de Mohammedanen wist te vertellen, erger zou zijn dan de dood.

Ook konden we geen schip bouwen dat ons over de Arabische zee naar Indië zou brengen of, met eenig uitzicht haar te bereiken, naar Kaap de Goede Hoop, daar de wind zeer veranderlijk en de zee op die breedte buitengewoon onstuimig was. We wisten echter allen dat we—als het ons slechts gelukken mocht dit uitgestrekte vasteland over te steken—we een of meer van de groote rivieren zouden kunnen bereiken, die in den Atlantischen Oceaan uitmonden. Hadden we eenmaal zulk een rivier gevonden, dan konden we ons kano’s bouwen en hiermee, desnoods duizenden mijlen ver, den stroom afvaren. De voedselmoeilijkheid was altijd door middel van onze geweren op te lossen; waterhadden we nog overal aangetroffen en—wat eenigen onder ons sterk tot dit plan deed overhellen—er bestond volgens hen een groote kans, dat we in West-Afrika goud zouden kunnen bemachtigen, dat ons misschien nog schadeloos zou stellen voor alle doorgestane ellende en vermoeienis.

Zooals ik al eens eerder verteld heb, bekommerde ik mij over ’t algemeen heel weinig om de besluiten die mijn makkers namen. Ik had eenmaal mijn opinie geuit en bleef er bij, dat we moesten trachten in de Arabische Golf te komen of bij de monding van de Roode Zee om daar een der talrijke in- en uitgaande schepen af te wachten, er ons zoo mogelijk van meester te maken en dan te koersen waarheen we maar wilden. Toen ze me nu begonnen te praten van een voetreis van twee of drieduizend mijlen, voor een deel door een woestijn, te midden van allerlei verscheurende dieren, dreigde het bloed mij in de aderen te stollen—ik schaam mij niet dit te bekennen—en spande ik al mijn overredingskracht in, hen voor mijn oorspronkelijk denkbeeld te winnen.

Maar ze waren allen zeer beslist in hun overtuiging, en ik kon evengoed mijn mond hebben gehouden. Ons twistgesprek eindigde dan ook met mijn belofte dat ik mij bij de meerderheid zou neerleggen, en het besluit tot de gevaarlijke onderneming werd genomen.

Ons eerste werk was nu door waarnemingen betreffende den zonnestand vast te stellen waar we ons ten naastenbij bevonden; op 12 graden en 35 minuten ten zuiden van den evenaar zooalsons bleek. Daarna bestudeerden we zorgvuldig de zeekaarten en zagen we dat de kust van Angola tusschen 8 en 11 graden zuiderbreedte lag en de kust van Guinea tusschen 12 en 19 graden noorderbreedte.

Het doel dat we ons ten slotte voor oogen stelden was de kust van Angola. Dit leek ons het best uitvoerbaar, daar we ons nagenoeg op dezelfde breedte bevonden en we deze streek dus, in rechte lijn westwaards reizende, moesten bereiken. Daarbij twijfelde geen van ons er aan, of we zouden wel een of meer rivieren ontmoeten, die onzen tocht konden vergemakkelijken, terwijl we het groote meer, door de inboorlingen Coalmucoa genoemd—een binnenzee waaruit men zegt dat de Nijl ontspringt—per kano hoopten te kunnen oversteken. Maar we hadden de bezwaren onderschat, zooals uit het vervolg van mijn verhaal blijken zal.

De tweede overweging was, hoe we onze bagage zouden vervoeren, die we onder geen voorwaarde in den steek mochten laten. En wat hadden we moeten beginnen zonder onze munitie, waarmee we ons voedsel moesten veroveren en ons verdedigen tegen wilde dieren en volksstammen misschien? Toch was onze munitie alleen al een te zware vracht voor ons, in een land, waar de hitte ons het eigen lichaam reeds tot last deed zijn.

De negers ondervragende, kwamen we tot het resultaat dat er geen enkel pakdier onder hen in gebruik was—geen paarden, ezels, muilen, kameelen of dromedarissen. Het eenige tamme beest dat ze er op nahielden was een soort vanbuffel, zooals wij er een geschoten hadden. Sommige van die dieren luisterden naar hun stem en bevelen. Ook lieten ze hen wel eens lasten dragen, en heel dikwijls gebruikten ze de buffels om, op hun rug gezeten, rivieren of meertjes over te steken, daar ze kolossale zwemmers waren.

Totaal onbedreven in den omgang met die dieren en niet wetende hoe ze te beladen, bleef dit vraagstuk ons echter groote zorg geven.

Tenslotte stelde ik voor: „Laat ons ruzie zoeken met eenige van de inboorlingen, er een stuk of tien, twaalf gevangen nemen en ze als slaven meevoeren. We houden hen dan de geheele reis bij ons, laten ze onze bagage dragen, den weg wijzen en met andere negerstammen voor ons onderhandelen.”

Dit niet zeer edele voorstel—maar de nood waarin we ons bevonden moge als verontschuldiging gelden—vond eerst heftigen tegenstand, om ten slotte met algemeene instemming te worden aangenomen. Al te kieskeurig konden we in onze omstandigheden niet zijn en buitendien gaven de inboorlingen ons spoedig zelf aanleiding een straf op hen toe te passen.

Nadat we tot nu toe steeds in goed vertrouwen met de negers gehandeld hadden, werden we op een keer leelijk door hen bedrogen.

Zooals reeds herhaaldelijk gebeurd was, hadden we eenige koeien van hen gekocht in ruil voor de snuisterijen die onze smid zoo kunstig wist te maken, doch toen er eens een klein meeningsverschil rees, nadat de negers de versierselen reeds in ontvangst hadden genomen, begonnen ze onzeonderhandelaars plotseling uit te schelden en als dollen te schreeuwen, eenige van hun kameraden met woeste gebaren en kreten beduidende het vee weg te drijven, en luidkeels lachende om de teleurstelling der onzen. Toen op het getier een paar van onze mannen, die in de nabijheid vertoefden, kwamen aangesneld, wierp de neger die den koop gesloten had zijn lans naar onzen smid, en het wapen was zoo juist gericht, dat hij stellig gedood zou zijn als hij niet juist bijtijds ter zijde was gesprongen. Nu kreeg hij alleen een vleeschwond in den linkerarm, ’t geen hem echter zoo driftig maakte, dat hij zijn geweer aanlegde en den zwarten bedrieger door het hart schoot.

De overige negers die bij het voorval tegenwoordig waren geweest en eenige die het op korten afstand hadden gadegeslagen, waren niet weinig onthutst en beangst: eerst door den vuurstraal, toen door den knal en eindelijk door het neerstorten van hun stamgenoot. Als verstijfd bleven ze staan. Toen ze evenwel wat van den schrik bekomen waren, stiet een van hen op flinken afstand van ons een doordringenden schreeuw uit, een soort van oorlogskreet, zooals ons weldra bleek, waarop al de anderen, hem onmiddellijk begrijpende, met denzelfden woesten schreeuw antwoordden en kwamen aangerend, terwijl wij, aanvankelijk zelfs niet vermoedende, wat er aan de hand was, in zoutpilaren schenen veranderd en elkaar als een troep dwazen aanstaarden.

Doch al heel gauw werd de toestand ons maar al te duidelijk. In den tijd van twee of drie minutenplantte de eigenaardige rauwe schreeuw zich voort van de eene bewoonde plek naar de andere, door al hun dorpen of nederzettingen, zelfs tot over de kreek; en tot onze ontzetting zagen we even later een naakte menigte pijlsnel aanrennen naar de plek waar de twist ontstaan was. In minder dan een uur waren er een vijfhonderd wilden bijeen, sommige met pijl en boog, de meeste met lansen gewapend, die ze zoo verwonderlijk behendig wisten te hanteeren, dat ik hen menigmaal een vogel in zijn vlucht zag raken.

Er bleef ons slechts zeer weinig tijd tot overleg over, daar de menigte ieder oogenblik toenam, en ik geloof stellig dat ze—waren we aan wal gebleven—in korten tijd tot tienduizend personen zou zijn aangegroeid. Het beste wat wij dus doen konden was naar onze sloep te vluchten, vanwaar we ons behoorlijk hadden kunnen verdedigen, of onze vijanden wat dichter te naderen en te zien wat een paar salvo’s zouden uitwerken.

Na een haastige woordenwisseling besloten we tot het laatste, vertrouwende dat ons geweervuur hen van schrik op de vlucht zou drijven. In aaneengesloten linie trokken we moedig op hen aan, terwijl zij ons afwachtten, niet anders denkende, naar ik veronderstel, dan dat ze ons allen met hun lansen zouden dooden. Vrij dicht bij hen gekomen hielden we halt, en onze linie uitbreidende door den afstand tusschen elke twee mannen te vergrooten, gaven we vuur. Behalve verschillende gewonden die wisten te ontkomen, bleven er zestien zwarten op de plaats dood, terwijl er nog drie zóó gevoelig geraakt waren,dat ze omstreeks twintig of dertig meter verder neervielen.

Onmiddellijk na ons salvo barstten ze in een afgrijselijk geschreeuw of gehuil los, deels aangeheven door de gewonden, deels door de mannen die de lijken beweenden van hen die roerloos terneer lagen. Nooit in mijn leven heb ik akeliger gejammer gehoord.

Nadat we gevuurd hadden, bleven we staan om onze geweren opnieuw te laden, en toen de wilden geen teekenen gaven de vlucht te willen nemen, legden we weer op hen aan en doodden er nu omstreeks negen. Daar ze nu echter niet meer zoo dicht opeengedrongen stonden als in ’t begin, vuurden we niet allen tegelijk, doch werd aan zeven van ons bevolen hun munitie te sparen en voorwaarts te treden, zoodra de anderen geschoten hadden, terwijl deze voor de derde maal gelegenheid kregen te laden.

Zoodra wij het tweede salvo hadden afgevuurd, hieven we een luid gejuich aan, waaronder de zeven overigen ongeveer twintig meter naderden en vuur gaven en de achtersten, die ook weer haastig geladen hadden, losbrandden. Eer het zoover gekomen was, gingen ze echter aan den haal, alsof de duivel hen op de hielen zat.

Toen we op het slagveld kwamen, zagen we veel meer dooden op den grond liggen dan we meenden te hebben getroffen, ja, zelfs meer dan we kogels hadden afgeschoten. Voor dit wonderlijke verschijnsel konden we eerst geen verklaring vinden, maar na eenig nadenken kwamen we tot de gevolgtrekking,dat de zwarten eenvoudig door den schrik hun bewustzijn hadden verloren, en nadat wij de gevallenen zorgvuldig onderzocht hadden, bleek dit ook werkelijk het geval. Toch moeten er naar mijn vaste overtuiging echter ook verscheiden onder geweest zijn die enkel door den schrik stierven.

Nadat deze doodelijk ontstelden langzamerhand weer tot zichzelf gekomen waren, schenen ze ons zoo ongeveer als bovennatuurlijke wezens te beschouwen, als goden of duivels, wàt was ons niet recht duidelijk en liet ons ook onverschillig. De hoofdzaak was, dat ze ons met den grootst mogelijken eerbied behandelden. Sommigen knielden voor ons neer, anderen lieten zich plat op den grond vallen1en maakten de vreemdste gebaren, meer dan dwaas in ons oog, maar duidelijk genoeg om ons te doen zien, dat ze zich onvoorwaardelijk onderwierpen.

Geen schooner gelegenheid om gevangenen te maken en ze als lastdragers op onze reis mee te voeren, dacht ik, en gelukkig waren mijn kameraads het allen met mij eens. We kozen dus een zestig flinke, sterke jonge mannen uit en beduidden hen dat ze met ons mee moesten trekken, waartoe ze zich onmiddellijk bereid toonden. De transport-moeilijkheid scheen hiermee dus opgelost, maar het bleef de vraag, of we de negers konden vertrouwen, daar we de bevolking, in tegenstelling met die op Madagaskar, als woest, wraakgierig en verraderlijk hadden leeren kennen. Andere dan echte slavendiensten zouden we dus niet van hen mogen verwachten; alleen zoolang ze ons vreesden,zouden ze zich onderworpen betoonen en slechts onder dwang voor ons werken.

Eer ik verder ga moet ik hier even vertellen, dat ik van dien dag af mij wat ernstiger rekenschap begon te geven van de omstandigheden waarin wij ons bevonden en mij meer om den gang van zaken begon te bekommeren. Mijn makkers waren wel alle vrij wat ouder dan ik, maar ik had bij verschillende gelegenheden opgemerkt, dat ze ’t hoofd kwijt raakten, of zooals ik het nu zou noemen „weinig tegenwoordigheid van geest toonden”, wanneer het tot handelen in ernstige omstandigheden komen moest.

Bij hun twist met de inboorlingen werd mij dit voor ’t eerst volkomen duidelijk. Hoewel ze toen toch vast besloten waren hen aan te vallen, zonk het hart hen al in de schoenen toen de zwarten, na het eerste salvo, niet dadelijk het hazenpad kozen, en ik geloof zeker, dat de onzen—had ons vaartuig dichter onder hun bereik gelegen—als één man op de vlucht zouden zijn gegaan.

Verbaasd over hun lafheid en bang dat ze den toestand geheel voor ons zouden bederven, begon ik hen krachtig aan te moedigen en riep ik hen bevelend toe, onmiddellijk op nieuw te laden en te vuren.

„Als jullie goed keurt dat ik de leiding neem, kan ik je verzekeren, dat we de negers allen op de vlucht zullen drijven!” verzekerde ik hen, volkomen overtuigd van wat ik beweerde.

En zoo gebeurde het ook.

Toen er voor de tweede maal geladen was, commandeerdeik dat slechts de grootste helft van ons zoude vuren. „En nu, kameraden,” zei ik, „in stormpas erop af!” Onder een luid hoera, snelde ik de mannen vooruit die nog niet geschoten hadden, en nog eer ik bevel tot vuren gaf, rende de heele zwarte bende voor ons weg, het bosch in.

Van dit oogenblik af noemden de Portugezen mij half spottend, half in ernstSeignior Capitanio, maar toen ik hen zei dat ik geen „Seignior” wenschte te heeten, stelde de kanonnier, die vrij goed Engelsch sprak voor, mij „Kapitein Bob” te noemen, en dezen titel behield ik voortaan.

Een eigenaardigheid van de Portugeezen, die ik telkens gedurende mijn leven onder hen opmerkte, is, dat ze—zoowel in massa als ieder afzonderlijk—zich flink genoeg gedragen wanneer ze een opwekkend voorbeeld hebben, krachtig worden aangespoord en gesteund; zijn ze evenwel geheel op zichzelf aangewezen, dan laten ze gauw den moed zinken en brengen het tot niets. Zoo zouden ze ook in ons geval ongetwijfeld voor een troep wilden gevlucht zijn—al hadden ze op die wijze toch hun leven niet kunnen redden—als ik hun niet had toegeroepen stand te houden en de heele geschiedenis eerder als een spel dan als een ernstig gevecht had voorgesteld.

Ook bij verschillende volgende gelegenheden, merkte ik deze karakterzwakte op, en ik moet bekennen, dat ik me menigmaal later afvroeg, hoe een troepje mannen—dat in critieke oogenblikken zoo in geestkracht te kort schoot—het stoute besluit kon hebben gevat om de roekelooste enslechtst uitvoerbaren tocht te beramen, welke ooit ter wereld ondernomen werd.

Twee of drie flinke kerels vormden den kern van ons gezelschap en hielden het door hun energie en werkkracht bijeen. Van den beginne af hadden deze trouwens eenige leiding aan onze zwerftochten gegeven en in moeilijke gevallen raad weten te schaffen; het waren in de eerste plaats de kanonnier, ten tweede onze artiest, de fijnsmid, en ten derde—hoewel niet met de twee vorigen te vergelijken—een van onze timmerlieden. Dit drietal vormde de ziel van elke onderneming en aan hun persoonlijken moed dankten de overigen de standvastigheid, die ze nu en dan nog aan den dag legden. Toen zij zagen dat ik bereid was ook een deel van de verantwoordelijkheid op me te nemen, drukten ze mij de hand en bij volgende gelegenheden vroegen ze altijd mijn oordeel.

Onze kanonnier was een uitstekend wiskunstenaar, die veel gelezen en op zijn manier gestudeerd had. Door veel met hem te praten, leerde ik ook de gronden van de verschillende wetenschappen kennen, die met de scheepvaart verband houden, en voornamelijk over aardrijkskundige aangelegenheden vertelde hij gaarne.

Toen hij bemerkte, dat ik gretig verlangde te weten en te begrijpen, bracht hij me op velerlei gebied zijn algemeene kennis bij, gaf mij een juist begrip van den vorm der aarde, de ligging der landen ten opzichte van elkaar, den loop der rivieren en deelde hij me mede wat hij wist van de leerstellingen omtrent de sferen en de beweging dersterren. Deze laatste wetenschap vooral wekte sterk mijn belangstelling, en in mijn later leven heb ik er steeds naar getracht voor mezelf een aannemelijk astronomisch stelsel op te bouwen.

Bracht hij me zijn algemeene kennis bij.Bracht hij me zijn algemeene kennis bij.

Bracht hij me zijn algemeene kennis bij.

De omgang met dezen eenvoudigen, ontwikkelden man deed den vurigen wensch bij mij ontwaken, om ál wat onder mijn bereik kwam te leeren en overtuigde mij, dat ik het nooit tot iets flinks in de wereld zou kunnen brengen, wanneer ik niet een grootere mate van kennis vergaarde dan waarover zeelieden gewoonlijk beschikken. Hij wees er mij op, dat onwetendheid den mensch altijd tot een onderschikten rang veroordeelt en prees mij om mijn begeerte en vatbaarheid om te leeren.

Door zijn lof gevleid en niet vrij van eerzucht, besloot ik later—als we weer in Europa terugmochten komen en ik ooit wat geld bezitten zou, alles in ’t werk te stellen, om datgene te bestudeeren wat iemand tot een knap zeevaarder kan maken.

Maar ik moet tot mijn verhaal terugkeeren.

Toen de kanonnier mij, na mijn ingrijpen in ’t gevecht, hoorde voorstellen een deel onzer gevangenen als lastdragers mee te voeren, keerde hij zich naar mij toe en zei op luiden toon:

„Kap’tein Bob, ik ben van oordeel dat jij voortaan onze leider moet zijn, want we danken den goeden afloop van dit ernstige avontuur enkel en alleen aan jou.”

„Neen,” weerde ik af. „Je moet niet overdrijven wat ik gedaan heb. Laten we jou liever tot Capitano kiezen. Ik ben veel te jong.”

Zoo werd toen besloten dat hij onze aanvoerder zou wezen; maar daar hij niet alleen de verantwoordelijkheid wilde dragen, verzocht hij mij hem te willen ter zijde staan, en toen allen zijn verzoek ondersteunden, moest ik hier wel in toestemmen.

De eerste opdracht die ik in mijn nieuwe waardigheid kreeg was al buitengewoon moeilijk, n.l. om de leiding van de gevangenen op mij te nemen, ’t geen ik echter met goed vertrouwen ondernam. Lastiger dan dit „karweitje” bleken evenwel nog de vraagstukken waarover wij raad belegden: welken weg we zouden inslaan en hoe we ons van den noodigen proviand konden voorzien.

Onder de gevangenen bevond zich een lange, knappe, welgemaakte neger, wien de overigen veel eerbied bewezen en die, zooals we later hoorden, de zoon van een hunner koningen was. Naar’t scheenwerd zijn vader bij ons eerste salvo gedood, terwijl hij een schot in den arm en in de heup gekregen had. Daar het laatste schot in het vleezige gedeelte was aangekomen, voelde hij zich doodzwak door al het bloedverlies. Beide wonden hadden hem geheel buiten gevecht gesteld en we zouden hem misschien rustig hebben laten sterven, indien het niet bij me was opgekomen, dat hij ons van grooten dienst zou kunnen zijn, als een soort van bevelvoerder over onze lastdragers. Ik verzocht dus onzen chirurgijnsleerling hem onder handen te nemen en beduidde den armen drommel zoo goed ik kon, dat we hem weer zouden genezen.

Niet te verwonderen dat het verzorgen en verbinden van hun vorst den eerbied der negers voor ons nog verhoogde! Blijkbaar meenden ze dat we op een even geheimzinnige manier konden dooden als weer levend maken, en nadat de Zwarte Prins, zooals we hem gemakshalve noemden, een zes of zevental negers bij zich geroepen en hun iets bevolen had, kwamen ze alle zeven naar mij toe, vielen op de knieën en maakten—telkens naar de plek wijzende, waar hun koning gevallen was—aandoenlijk smeekende gebaren.

Eerst begreep ik niet wat ze wilden, maar toen een van hen den doode oprichtte, op zijn hoofdwond en toen naar den chirurgijn wees, werd het ons duidelijk, dat ze ons in staat achtten ook de gesneuvelden tot het leven terug te brengen.

Ons onvermogen wijselijk verbergende, deelden we hen mee dat de gedooden de personen waren, die ons het eerst hadden aangevallen en dat we zedaarom in geen geval weer levend wilden maken, maar dat we den jongen vorst, mits hij ons gehoorzaam bleef, niet zouden laten sterven en zijn pols en been genezen.

Hierna liet hij een der mannen een langen pijl halen en voor hem op den grond leggen. Den pijl met zijn linkerhand aanvattende—de rechterpols was gebroken—wees hij naar de zon, brak den schicht toen in tweeën, richtte de punt op zijn borst en reikte mij die toen aan. Uit een en ander maakten wij op, dat hij de zon tot getuige riep van zijn onveranderlijke vriendschap voor mij. En geen Christen had zich ooit nauwgezetter aan een eed kunnen houden dan deze wilde koningszoon, die zich gedurende vele moeilijke maanden een verknocht dienaar betoonde.

Toen ik hem bij den chirurgijn had gebracht, begon deze de wonden onmiddellijk te verzorgen. Wat de heup betreft—de kogel was er gelukkig niet in doorgedrongen, maar had slechts een oppervlakkige vleeschwonde veroorzaakt, die, behoorlijk gereinigd en verbonden, spoedig weer genas; maar met den pols was het ernstiger gesteld; een der beenderen van den onderarm bleek gebroken. Nadat onze dokter het lichaamsdeel gezet en gespalkt had, bond hij het in een draagband of lichter, die hij om den nek van den patiënt vastmaakte, hem beduidende dat hij den arm niet mocht bewegen. Dit voorschrift volgde de wilde zoo stipt op, dat hij ging zitten en zich niet verroerde, tenzij de chirurgijn hem permissie gaf.

Ik getroostte mij veel moeite om dezen negerverstaanbaar te maken wat ons plan was en welke diensten we van zijn mannen wilden vergen; in de eerste plaats leerde ik hem de beteekenis van verschillende veelgebruikte woorden, en daar hij zeer vlug van begrip bleek, bereikte ik veel meer met mijn onderricht dan ik me had voorgesteld.

Begon deze de wonden te verzorgen.Begon deze de wonden te verzorgen.

Begon deze de wonden te verzorgen.

Toen hij uit onze toebereidselen opmaakte dat we ook voor ’t begin van de reis proviand vergaarden, deelde hij ons mee, dat dit geheel overbodig was, daar we nog gedurende veertig dagreizen voedsel zouden vinden. Aanvankelijk kon hij ons het getal veertig niet begrijpelijk maken, tot eindelijk een der negers, op zijn bevel, veertig steentjes op een rij legde, ons met gebaren beduidende, dat we zooveel dagen voedsel zouden vinden als hij steentjes neerlegde.

Daarop toonde ik hem onze bagage, een heele vracht, dank zij onze munitie, onze timmermans- en smidsgereedschappen, onze zeemans-instrumenten, kisten met flesschen enz. Nadat hij eenige artikelen ter hand had genomen, om het gewicht te keuren, schudde hij het hoofd, waarop ik onze mannen verzocht al hun hebben en houden zoo beknopt mogelijk te verpakken en wat niet strikt noodig was achter te laten. Met leedwezen offerden we dus onze elf kisten op, die ons bij ’t kampeeren zulke goede diensten hadden bewezen.

Daarop beloofde hij ons eenige jonge buffels om de pakken te dragen, te kennen gevende, dat ze ons als we moe werden, ook een tijdlang op hun rug konden nemen, een denkbeeld dat we met verontwaardiging afwezen. Wel overlegden we, dat de buffels, als we ze niet langer als pakdieren noodig hadden, zeer eetbaar voedsel zouden opleveren.

Toen dit alles vastgesteld was, bracht ik hem naar onze sloep, waarover hij de grootste verbazing uitte. Nog nooit had hij iets dergelijks gezien.

Hun booten waren maar armzalige vaartuigjes, zonder stuur of steven, gemaakt uit geitenvellen, die ze met gedroogde darmen aaneennaaiden en met een mengsel van hars en olie bestreken, dat een afschuwelijke lucht van zich gaf. De kano’s van de inboorlingen op Madagaskar konden meesterstukken van scheepsbouw genoemd worden bij deze ongelukkige dingen vergeleken.

Toen we onzen vorst aan boord geholpen hadden, want zijn been hinderde hem nog, lieten we hem den inhoud zien en beduidden hem dat zijn mannendat alles voor ons dragen moesten. „Ce Seignior”, en „Yes Sir” antwoordde hij lachend, en een pak optillende, gaf hij te kennen, dat hij zelf ook zou helpen dragen, zoo gauw zijn arm genezen was, wat echter niet in onze bedoeling lag, daar hij boven de andere negers moest staan.

Onze gevangenen hadden we inmiddels binnen een ruw paalwerk of palissade opgesloten en hen met touwen van gevlochten plantenvezels gebonden. Nadat we hun vorst weer aan wal hadden gedragen, namen we hem mee naar de gevangenen en lieten hun vragen of ze met ons wilden reizen naar het land van de leeuwen. Uit zijn druk gepraat begrepen we alleen maar dat ze „Ce Seignior” moesten zeggen als ze mee wilden, en tot onze verwondering riepen ze allen „Ce Seignior! Ce Seignior!” in hun handen klappende en naar de zon opkijkende, ’t geen, volgens hun hoofdman, een gelofte van trouw beteekende.

Onmiddellijk na het afleggen van dezen eed evenwel, begon een van hen een lange rede tegen den vorst te houden, waarin hij telkens met de dwaaste gebaren op ons wees en iets van ons scheen te wenschen, dat hun allen na aan ’t harte ging. Toen ik den jongen koningszoon vroeg wat ze begeerden, zei hij: de zekerheid dat we hen niet zouden dooden maar henchiaruck(voedsel) zouden geven en niet door de wilde dieren laten verscheuren. Deze gelofte legde ik gaarne af, waarop hij naar de zon wees en in de handen klapte, een voorbeeld, dat ik begreep te moeten volgen, en nadat ik mijn verklaring dus onder eede bevestigd had, vielenal de gevangenen plat op den grond en uitten, weer opgestaan, de vreemdste, schrilste kreten die ik ooit van menschelijke wezens gehoord heb.

Zoodra deze plechtigheid was afgeloopen, wijdden we al onze aandacht aan het vraagstuk van de proviand, die wij toch, zoowel voor onze gevangenen, als voor onszelf zouden noodig hebben, en in mijn gebarengesprek hieromtrent met den vorst, gaf hij mij te verstaan, dat als ik een der gevangenen wilde loslaten, deze naar hun dorp zou gaan, om lastdieren en voedsel te halen. Blijkbaar zette ik een gezicht alsof ik de zaak niet vertrouwde, hij begon tenminste betuigingen van trouw te uiten en bond o.a. een stuk touw om zijn hals, waarvan hij mij het eene einde toehield, te kennen gevende, dat ik hem mocht ophangen als de neger niet terugkwam. Ik stemde dus toe en liet den slaaf vrij, die daarop uitvoerige instructies van zijn meester ontving, ook betreffende den tijd van zijn terugkomst, ’t geen viel af te leiden uit hun zorgvuldig waarnemen van den zonnestand.

De neger rende alsof hij bezeten was en hield dit vol tot hij geheel uit het gezicht verdween, waaruit ik opmaakte, dat hij een langen weg had af te leggen.

Den volgenden morgen, omstreeks twee uur na zonsopgang, wenkte „de Zwarte Prins” mij dringend, bij hem te komen, een verzoek, dat hij met een eigenaardig geroep ondersteunde. Toen ik naast hem stond, wees hij naar een heuvel op ongeveer twee mijlen afstands en scherp turende, onderscheidde ik duidelijk een kleine drift vee en verscheiden inboorlingen.

Dit waren, zooals hij me beduidde, de mannen die hij had uitgezonden en eenige stamgenooten.

Nog voor den afgesproken tijd kwam hij dan ook bij onze hutten aan met verscheiden runderen, ongeveer zestien geiten en vier jonge buffels, geoefend in het dragen van lasten.

1Zietitelplaat.↑

1Zietitelplaat.↑

1Zietitelplaat.↑


Back to IndexNext