HOOFDSTUK V.

HOOFDSTUK V.Stroomopwaarts.Voorloopig dus vleeschvoorraad genoeg. Wat brood betreft moesten we ons tevreden stellen met een niet zeer smakelijk gebak van gemalen wortelen. Daarna overlegden we, hoe we aan groote knapzakken zouden komen om den mondkost in te vervoeren, en daar de geiten gedood waren, gaf ik bevel de huiden in de zon uit te spreiden, waarna ze binnen twee dagen zoo droog waren als we maar konden wenschen. Toen de Zwarte Prins begreep waarvoor ze bestemd waren en hoe gemakkelijk een last hierdoor te dragen viel, glimlachte hij en zond een paar mannen weg, die, geholpen door twee andere negers, met een grooten voorraad huiden terugkwam. Deze huiden bleken veel beter gedroogd en behandeld dan de onze en van diersoorten, ons tot nu toe onbekend.Verder brachten de zwarten hun vorst nog twee lansen mee, ongeveer zooals ze die in hun gevechten gebruikten, doch veel mooier. Ze waren van een donkere houtsoort vervaardigd, die aan ebbenhout deed denken en aan ’t uiteinde voorzien van een scherpe punt, bestaande uit een langen tand van ’t een of ander wild dier. Met verbazing en bewonderingvoelden we hoe scherp de spits was en hoe stevig de tand, niet langer dan mijn duim, er in bevestigd zat.De vorst wilde de wapens niet aannemen voor ik hem verlof gaf en wenkte de inboorlingen, ze mij aan te bieden, doch ik stond hem gaarne toe ze zelf te gebruiken, daar ik hem als een man van nobele en rechtvaardige beginselen meende te mogen beschouwen.Toen we marschvaardig stonden, kwam de Prins naar mij toe, om mij, achtereenvolgens naar de vier windstreken wijzende, te vragen, welken kant we dachten uit te trekken, en toen ik naar het westen wees, beduidde hij ons, dat er, iets noordelijker, een stroom liep die onze sloep verscheiden mijlen ver landwaarts in zou kunnen brengen.Dankbaar van den wenk gebruik makende, stelde ik mijn makkers voor, onze reis op deze wijze te vergemakkelijken.Volgens den Prins was de riviermonding omstreeks een dagreis van ons verwijderd, en onze kaarten raadplegende, moest het de rivier zijn, die op het meest noordelijke gedeelte van de kust van Mozambique staat aangegeven en daar Quilloa genoemd wordt.Na rijp beraad, besloten we den prins en zooveel van de gevangenen als we bergen konden in ons schip te nemen en den stroom bij de baai binnen te varen, terwijl acht der onzen met de overige gevangenen over land naar de rivier zouden trekken en hen daar ontmoeten. Dit was gemakkelijk te doen, daar de afstand tot aan een zuidelijke bocht—van een heuvel af duidelijk te zien—naar onze schatting niet meer dan zeven mijlen kon bedragen.Bij vier tegelijk door de dieren dragen.Bij vier tegelijk door de dieren dragen.Mij viel het lot te beurt den tocht te voet te maken en als aanvoerder van de kleine karavaan op te treden. Behalve zevenendertig gevangenen kreeg ik acht van onze gewapende mannen mee, terwijl we alle bagage aan boord lieten. Eigenaardig, zoo tam als de jonge stieren waren, die we voor ons uitdreven! De negers lieten zich, soms bij vier tegelijk, door de goedige dieren dragen; ze aten uit onze hand, likten ons de voeten en waren zoo volgzaam als huishonden.Behalve de stieren hadden we ook zes of zeven koeien voor onze voeding, en tot groote verbazing van de negers zagen ze later hoe we het rundvleeschzoutten en droogden, een manier die ze buitengewoon lekker schenen te vinden en gretig navolgden.Voor ons, die de reis over land maakten, bleek het al een heel gemakkelijke tocht, maar het duurde ongeveer vijf dagen eer de anderen ons daar troffen. De wind was in de baai geheel gaan liggen en de afstand langs de rivier, door een niet verwachte kromming in haar loop, ongeveer vijftig Engelsche mijlen.Gelukkig konden we den wachttijd nuttig besteden, daar de inboorlingen die den Prins de mooie lansen gebracht hadden, ons leerden een soort van flesschen van geitenvellen te maken om daar zoet water in te bewaren; en de zwartjes deden dit zoo handig, dat—nog eer ons schip in zicht kwam—ieder voorzien was van een buidel of blaasvormigen zak, dien ze door middel van een riem, uit smalle reepjes van een andere huid gesneden, over hun schouder hingen.Ten einde ons van den trouw der mannen te verzekeren, had de Prins bevolen, hen twee aan twee met de polsen aan elkaar te binden, zooals we bij ’t vervoer van Engelsche gevangenen doen, en hij wist hen zoo te overtuigen van het redelijke van dezen eisch, dat hij er hen toe bracht zichzelf te koppelen, waarvoor hij er vier van hen aanwees. Wij vonden hen echter zoo betrouwbaar en vooral zoo absoluut gehoorzaam aan hun aanvoerder, dat we hen, toen we wat verder weg waren van de streek waar ze gewoond hadden, de volledige vrijheid van beweging hergaven.De oevers der rivier waren zoover wij zien konden,vrij hoog; nergens moerassig land; het groen zag er malsch en frisch uit en waar we ook keken, ontdekten we dan ook kleine kudden vee, die hier blijkbaar naar hartelust voedsel vonden. In onze onmiddellijke nabijheid lag geen bosch, doch verderop onderscheidden we ceders, eiken en sparren, sommige kolossaal hoog.De rivier was ongeveer zoo breed als de Theems bij Gravesend en vrij diep. Gebruik makende van den vloed en van de windrichting, die nog steeds Oost en O. N. O. bleef, zeilden we vroolijk de rivier op en vorderden zelfs nog behoorlijk, toen de eb intrad, maar zoodra we den invloed van ’t getij niet meer ondergingen en de stroom in volle kracht tegen kregen, werd het ons te machtig en begonnen we er ernstig over te denken ons schip te verlaten. Onze Prins wilde hier evenwel niet van hooren, en daar hij gezien had, dat we een vrij grooten voorraad gevlochten vezeltouw aan boord hadden, beval hij al de gevangenen aan wal, die touwen beet te pakken en ons te trekken, en daar we ons zeil hadden opgezet om het hun wat gemakkelijker te maken, kwamen we nog met een behoorlijk vaartje vooruit.Naar onze berekening maakten we op die wijze nog over een afstand van tweehonderd mijlen gebruik van de rivier. Toen werd deze echter steeds smaller, en na nog een dag reizens, kwamen we aan een geweldigen waterval, die ons plotseling verhinderde verder te varen. ’t Was alsof de heele watermassa opeens loodrecht van een hoogte van omstreeks zestig voet naar beneden stortte meteen donderend geraas, waarbij ons hooren en zien verging en dat we al op tien mijlen afstands gehoord hadden, zonder te weten wat het veroorzaakte.Kwamen we aan een geweldige waterval.Kwamen we aan een geweldige waterval.Hadden we kano’s of andere bootjes bezeten die gepagaaid of geroeid konden worden, dan zouden we de rivier nog wel een tweehonderd mijlen bevaren hebben, maar nu lieten we de gevangenen die elkaar aan de lijn hadden afgewisseld, het eerst van boord gaan en allen met elkaar een welverdiende rust genieten.Gedurende dit heele traject hadden we mooie vruchtbare groene oevers gezien met veel vee en hier en daar een paar menschen. ’t Bleek evenwel dat onze negers zich niet met hen verstaanbaar konden maken daar ze een andere taal sprakenen tot een anderen stam behoorden.Wilde beesten hadden we nauwelijks ontmoet. Slechts eenmaal, twee dagen voor we den waterval bereikten, zagen we aan den noordelijken oever—onze gevangenen waren alle aan de zuidzijde van den stroom—drie prachtexemplaren van luipaarden die roerloos op den hoogen oever stonden te kijken.Onze kanonnier kreeg ze het eerst in ’t oog, vloog weg om zijn geweer te halen, stopte er een extra kogel in en riep me toe: „Zeg, Kap’tein Bob, waar zit je prins ergens?” en toen ik hem gehaald had, verzocht hij hem: „Waarschuw je mannen dat ze niet bang moeten zijn, maar eens goed kijken hoe dit vuurding in mijn hand op grooten afstand de wilde dieren kan dooden.”Hoewel hun aanvoerder onmiddellijk het verzoek opvolgde, keken de arme negers elkaar toch aan alsof ze ieder oogenblik hun eigen dood verwachtten. Angstig staarden ze daarop naar den kanonnier die, uitstekend schutter als hij was, aanlegde en een der dieren met twee kogels in den kop trof. Het luipaard sprong op, stond een oogenblik op de achterpooten, zwaaide met zijn voorpooten heen en weer, viel op zijn rug, lag nog even huilend en grommend te stuiptrekken en bleef dood, terwijl de andere twee, verschrikt door het schot waren weggevlucht en in minder dan geen tijd uit het gezicht verdwenen.Maar de ontsteltenis der luipaarden haalde niet bij die van onze negers! Vier of vijf van hen stortten neer alsof ze getroffen waren, verscheiden anderevielen op deknieënen hieven hun handen tot ons op; of dit was uit vereering of om den dood af te weren, weet ik niet, en het kostte hun aanvoerder wien wij verzochten hen gerust te stellen, heel wat moeite hen weer tot rede te brengen. Ja de prins zelf—ofschoon geheel door ons voorbereid en op de hoogte van wat er gebeuren zou—sprong, toen het schot afging, omhoog zoodat we vreesden hem in de rivier te zien terecht komen.Toen we den luipaard dood zagen liggen, bekroop mij de begeerte naar zijn mooie huid en ik beduidde dus den prins het dier door zijn mannen te laten stroopen. Nauwelijks had hij hun mijn wensch kenbaar gemaakt, of verscheiden negers boden zich aan, waarvan hij er vier aanwees, die onmiddellijk in de rivier sprongen en naar den overkant zwommen. Met een mes, den aanvoerder vroeger door ons geschonken, had hij, ongelooflijk handig, vier zeer bruikbare houten messen gemaakt, en hiermee gewapend trokken de zwarten aan ’t werk. In minder dan een uur brachten ze me de huid, die van kop tot staart ongeveer zeven voet lang was, over den rug gemeten nagenoeg vijf voet breed en buitengewoon mooi gevlekt. Ik bewaarde de vacht dan ook zuinig en nam hem jaren later mee naar Londen.Nu ons vaartuig niet verder gebruikt kon worden en we allen ontscheept waren, stonden we dus, wat het voortzetten der reis betrof, allemaal gelijk. Geen wonder echter dat het in den steek laten van onze met moeite veroverde sloep ons aan ’t hart ging, en daar de rivier zijn weg nog vele mijlenvervolgen zou, kwam een van ons op de gedachte om ons schip uit elkaar te slaan en van het hout kleine bootjes te maken, waarmee we den stroom zouden kunnen opvaren. Onze timmerlui voorzagen evenwel, dat hier heel veel tijd mee zou gemoeid zijn en we, bij gebrek aan spijkers, pek en teer, er niet in zouden slagen onze vaartuigjes waterdicht te maken. Toen de prins onze bezwaren begreep, raadde hij ons te wachten tot we een paar groote boomen aan den oever vonden. Zijn mannen konden ons dan in een vierde van den tijd een paar kano’s maken, die ons dezelfde diensten zouden bewijzen als onze bootjes, en die ze, kwamen we aan een waterval, op hun schouders konden nemen en dragen tot de stroom opnieuw bevaarbaar zou zijn.Het verstandige van dezen raad inziende, trokken we ons hart van de sloep af, en sleepten we het scheepje in een nauwen inham, waar een beek in de rivier mondde, en reizigers die na ons mochten komen, er misschien nog iets aan hebben zouden.Hoe ongelooflijk het klinken moge, gingen er toch nog twee dagen heen met het verdeelen en opladen van al ons reisgoed.Met onze munitie—misschien het kostbaarste, van wat we bezaten—handelden we aldus: het kruit verdeelden we in kleine leeren zakjes—d.w.z. zakjes van gedroogde huiden, het haar naar binnen, om den inhoud goed droog te bewaren. Daarna stopten we die zakjes in andere zakken van stierenhuiden, met het haar naar buiten om alle vocht er uit te weren, en deze methode bleek zóó practisch, datwe er zelfs bij de geweldigste en aanhoudendste regens in slaagden, ons kruit volkomen droog te bewaren. Buiten deze zakjes die ons groote magazijn vormden, deelden we nog aan ieder een kwart pond kruit en een half pond kogels uit om altijd bij de hand te hebben. Meer dan het hoognoodige besloten we, met het oog op de hitte, niet op ons te dragen.Daar wij tot nu toe niet verder het land in waren gegaan, maar steeds aan den oever waren gebleven, hadden we nog zeer weinig aanraking met de bewoners van die streken gehad. Onze sloep had heel wat provisie aan boord, dus behoefden we niet op jacht te gaan naar mondkost, maar nu onze voetreizen weer aanvingen, moesten we natuurlijk naar voedsel omzien.De eerste plek dicht bij de rivier, waar we ons even ophielden was een kleine negerkolonie van ongeveer vijftig hutten met naar schatting een vierhonderdtal bewoners.Bij onze nadering kwamen allen te voorschijn, om ons verbaasd aan te gapen, en toen ze onze gevangenen zagen, grepen de hutbewoners naar de wapens, meenende dat een vijandelijke stam hen kwam bestrijden. Hoewel onze negers hun taal niet kenden, wisten ze hun gauw te beduiden, dat ze geen wapens droegen en zelfs twee aan twee aan elkaar waren gebonden, waartoe de Zwarte Prins hen weer gedwongen had, en dat de blanken hen allen naar willekeur konden dooden en weer levend maken, maar dat ze met vreedzame bedoelingen kwamen.Zoodra dit tot hen was doorgedrongen, legden ze hun lansen, pijlen en bogen neer en haalden twaalf staken, die ze als een vredesteeken in den grond plantten, zich diep en eerbiedig voor ons terneer buigende. Nauwelijks echter kregen ze een paar van onze mannen, die een baard of knevel droegen, in ’t oog, of ze renden onder angstig geschreeuw weg.Van meening dat het verstandiger was niet te gauw vertrouwelijk met hen te worden, hielden we ons op een afstand, en droegen onze gevangenen op, hen te beduiden dat we voedsel verlangden.Schijnbaar zeer bereidwillig kwamen ze daarop met een paar zwarte runderen aan—dat gedeelte van Afrika scheen een overvloed van koeien, buffels en ook veel herten op te leveren—en toen onze fijnsmid, die nu een heelen voorraad sieradiën vervaardigd had, hun eenige van diefraaiighedenaanbood, waren ze uitgelaten van vreugde. Uit dankbaarheid brachten ze ons allerlei vruchten en wortels, die wij tot nu toe niet kenden, maar die onze gevangenen zich voortreffelijk lieten smaken, waarop wij ook veilig konden toetasten.Nadat we ons op deze nederzetting flink van vleesch en plantenkost voorzien hadden, verdeelden wij den last onder onze negers, ieder zoo ongeveer dertig pond toewijzende, wat meer dan voldoende was in zoo’n heet klimaat. De wilden voelden er zich blijkbaar volstrekt niet door bezwaard, maar hielpen elkaar nog wanneer er eens een vermoeidheid toonde, wat evenwel zeer zelden voorkwam. Buitendien werden hun lasten—evenals Aesopus’ broodmand—daar ze hoofdzakelijk uit mondkost bestonden, met den dag lichter, tot we weer een gelegenheid vonden, het verbruikte aan te vullen.—Ik moet hierbij opmerken dat we hun handen, wanneer ze dragen moesten, losmaakten, doch hen dan twee aan twee met een hunner voeten aan elkaar bonden.Den derden dag na het opbreken van onze laatste rustplaats, verzocht onze eerste timmerman ons halt te houden en onze hutten op te slaan, daar hij een paar boomen in ’t oog had gekregen, die hem buitengewoon geschikt schenen, om er kano’s van te maken. Naar zijn oordeel zouden we nog lang genoeg op de been moeten zijn als we de rivier niet meer onder ons bereik hadden, en hij voor zich had ten minste vast besloten niet meer te loopen, dan strikt noodig was. Dit denkbeeld leek verstandig, en nauwelijks hadden we het aan de negers vertolkt en hen van hun lasten ontheven, of ze trokken aan ’t werk. Met verwondering zagen we, hoe ze, ondanks hun gebonden voeten, met groote vaardigheid in zeer korten tijd een aantal hutten bouwden.Onder waarborg van hun aanvoerder, lieten wij eenige van de zwartjes hier geheel vrij om ze tot handlangers van de timmerlui aan te stellen, ’t geen ze na enkele aanwijzingen zeer handig deden.Eenige anderen zonden wij uit om te zien, of ze in de buurt ook voedsel konden bemachtigen, maar in plaats daarvan kwamen er drie van hen terug met bogen en pijlen en vijf lansen. Slechts met moeite konden we uit hun verklaringen wijs worden, dat ze die wapens gevonden hadden ineen paar verlaten hutten, waaruit de vrouwen en kinderen bij hun nadering schenen weggevlucht.Terwijl we ons zeer boos hielden, lieten we hen door den Zwarten Prins vragen of ze die vrouwen en kinderen niet vermoord hadden. Mocht dit de ware toedracht der zaak zijn, dan zouden wij hen tot straf ook laten dooden. Ze betuigden echter zóó nadrukkelijk hun onschuld, dat we hen vergaven.De lansen, bogen en pijlen leverden ze ons onmiddellijk uit, maar op voorstel van hun vorst gaven we hun de pijlen en bogen terug om te zien of ze wat vogels of wild voor ons konden schieten.Tegelijkertijd schreven we hun de wapenwet voor, hierin bestaande, dat wanneer iemand hen ooit mocht aanvallen of op hen schieten of op eenige wijze geweld aandoen, zij hem mochten dooden, maar dat ze niemand leed mochten toebrengen, die met vreedzame bedoelingen tot hen kwam en de wapens neerlegde. Ook was het onder geen beding geoorloofd tegen vrouwen of kinderen de wapens te hanteeren. Aan deze voorschriften zou streng de hand worden gehouden.De beide negers zullen zoo ongeveer drie of vier uur weg zijn geweest, toen een van hen zonder zijn pijl en boog in draf terugkwam, al maar roepende „Okoamo! Okoamo!” ’t geen „Help! Help!” scheen te beteekenen.De andere gevangenen vlogen dan ook haastig op en liepen naar hen toe, zoo snel als hun koppelbanden het veroorloofden, terwijl de Zwarte Prins keek, alsof er iets ongelukkigs gebeurd was en eenige onzer mannen al naar de wapens grepenom op alle mogelijkheden bedacht te zijn. Maar de zaak werd ons al heel gauw duidelijk, toen vier onzer gevangenen na korten tijd terugkeerden met een flinken last vleesch op hun schouders. De twee zwarten die verlof hadden gekregen er met pijl en boog op uit te gaan, hadden in de vlakte een groote kudde herten aangetroffen en zich zóó goed van hun wapens bediend, dat ze er drie schoten. Een der jagers was daarop teruggekomen om hulp te halen voor het wegdragen der zware dieren.Daar dit het eerste wild was, dat we tot nu toe op onze voetreis ontmoet hadden, smulden we er terdege aan en zelfs onze Prins liet zich overhalen om zijn vleesch gebraden te eten zooals wij, een voorbeeld, dat bij de overige inboorlingen, die het tot nu toe nooit anders dan rauw gegeten hadden, navolging vond.Feitelijk speet het ons nu, niet meer pijlen en bogen bij ons te hebben, want we begonnen onze negers meer en meer te vertrouwen en lieten ze voor een groot deel zonder banden rondloopen.Alleen al, omdat ze zonder ons den weg niet wisten te vinden, waren we overtuigd, dat ze terug zouden komen. Onze geweren vertrouwden we hun evenwel niet toe, en we lieten ze graag in den waan dat er een bovennatuurlijke kracht in die wapens stak, die vuur, rook en donder te voorschijn riep en wanneer men het hen slechts beval, op groote afstanden doodde.Na verloop van acht dagen waren er drie kano’s klaar, waarin wij onze blanke manschappen, onze bagage, den Prins en eenige gevangenen inscheepten.Een paar der onzen moesten altijd aan den oever blijven, niet alleen om de negers te bewaken, doch ook om hen te verdedigen tegen mogelijke aanvallen van wilde dieren.Op dezen tocht zagen we voor ’t eerst eenige olifanten en leeuwen en merkten op, dat de inboorlingen veel meer angst voor deze dieren hadden dan wij—waarschijnlijk omdat hun de wapenen ontbraken waarmee ze gewend waren om te gaan en zich te verdedigen.Door steeds met onze geweren gereed te zijn, genazen we hen echter al heel gauw van dien overdreven angst.Voordeel van het schieten dezer dieren hadden wij volstrekt niet; het vleesch was ongenietbaar en hun huiden meenemen zou ons slechts last hebben veroorzaakt; dus besloten wij, om onze kostbare munitie te sparen, bij eenige onzer geweren enkel wat los kruit op de pan te doen, want de vuurstraal en de slag van het kruit alleen deed hen al zoo geweldig schrikken, dat ze—zelfs de leeuwen—onmiddellijk aan den haal gingen.Naarmate wij den bovenloop der rivier verder volgden, werd de streek dichter bewoond; ook vee scheen hier in overvloed te leven, vooral in de nabijheid der rivier.Den achtsten dag, nadat we onze kanovaart hadden aangevangen kwamen we aan een negerdorp, waar omheen een korenachtig gewas, dat aan rijst deed denken, verbouwd werd, ’t geen uitstekend smaakte. Na wat loven en bieden stonden de inwoners ons wat van dit product af, en toen weer een soort van brooden of koeken van gekneed hadden, bakten we ze op den grond. Eerst stookten we n.l. een vuurtje, veegden de asch weg en roosterden de koeken op de heete aarde. Zoo ontbrak het ons dus tot nu toe aan niets.Daar de negers afwisselend aan de lijn liepen, schoten onze kano’s vrij snel door ’t water; naar onze berekening moesten wij stellig ruim twintig mijlen per dag vorderen. De diepe stroom behield gedurende dit traject overal ongeveer dezelfde breedte, tot we den tweeden dag aan een tweeden waterval kwamen.Een hooge bergketen doorkruiste hier de bedding, en het water stortte op zoo’n eigenaardige, schilderachtige manier van rots op rots, dat zich een lange reeks watervallen vormde die onderling wel eens een kwart mijl van elkaar verwijderd lagen. Het geraas was oorverdoovend.Aanvankelijk vreesden we dat het nu voor goed met het varen gedaan zou zijn, maar toen drie van ons met een paar negers een hoogen heuvel beklommen hadden, om den loop der rivier te overzien, brachten ze het blijde nieuws, dat er op ongeveer een kwartier afstands weer een glad vaarwater begon, dat oogenschijnlijk niet gauw onderbroken zou worden.Met frisschen moed sloegen we dus allen de handen aan ’t werk om onze kano’s aan wal te sleepen en te beproeven of we ze konden dragen.Dat viel lang niet mee, maar gelukkig konden onze timmerlui ze in ongeveer een dag veel lichter maken door er al het overtollige hout van buitenaf te hakken en te steken. Toen dat karwei volbracht was, namen tien negers een der kano’s op lange dikke stokken en droegen het vaartuigje zonder eenige zichtbare inspanning weg, na welke proefneming we voor elke kano twintig man aanwezen, opdat ze elkaar zouden kunnen aflossen.Een hoogen heuvel beklommen hadden.Een hoogen heuvel beklommen hadden.Op deze wijze vervoerden we onze kleine vloot, en toen ze hoogerop weer te water was gelaten, keerden we terug om onze bagage te halen en in te laden, waarna wij den volgenden morgen vroeg de reis hervatten.Toen we zoo weer een dag of vier verder getrokken waren, merkte onze kanonnier, ook tot loods aangesteld, op, dat we eenigszins van de richting afweken die we ons hadden voorgenomen te volgen.De stroom begon namelijk naar ’t noorden te buigen.Maar we wilden het groote voordeel van een vervoer te water niet gaarne opgeven en besloten dus nog een tweehonderd mijlen verder te varen. Hier werd de bedding echter zeer nauw en ondiep en merkten we buitengewoon veel beken en stroompjes op, die zich in de rivier ontlastten, tot deze zelf niet meer dan een groote beek werd.Zoover onze kano’s varen konden, lieten we ons nog trekken, wat alleen mogelijk bleek door alle bagage er uit te halen, maar eindelijk en ten laatste, na twaalf dagen reizens langs den bovenstroom, moesten we van alle verdere transport te water afzien.Dat we den tocht nu op zoo’n veel meer inspannende wijze zouden dienen voort te zetten was nog het ergste niet; maar met groote zorg dachten we aan onze zoetwaterprovisie. We beklommen dan ook elken bergtop die onder ons bereik kwam, om te zien welken weg we het best zouden kunnen volgen om altijd water bij de hand te hebben.Gedurende dertig dagen marcheerden we door een vruchtbare, vrij dichtbevolkte streek, rijk aan boomen en water en maakten we het ons zoo aangenaam mogelijk door te rusten of te loopen, al naarmate we lust gevoelden en de lichamelijke toestand van onszelf en onze negers dit vereischte.Omstreeks het midden van dien tocht, kwamen we aan een kleine laagvlakte, waar zich een opmerkelijk dichte bevolking gevestigd had, een onaangenameontdekking, daar het woeste, ruwe, onbetrouwbare menschen bleken te zijn, die ons als roovers beschouwden en onmiddellijk bijeenscholen om ons aan te vallen.Met angst namen onze negers de vijandelijke houding waar, en zelfs onze Zwarte Prins legde een ongewone vrees aan den dag, maar ik hield hem een onzer geweren voor en vroeg hem glimlachend, of hij niet vertrouwde dat het wapen, dat de gevlekte kat op zoo’n grooten afstand doodde, in staat zou zijn een heele bende van die naakte wezens met één schot te doen sterven, waarop hij lachte en bevestigend knikte.„Goed,” zei ik, „vertel uw mannen dan, dat ze geen angst behoeven te hebben. Als dit vreemde volk ons te na komt, zullen we ze laten gevoelen wat onze geweren kunnen uitrichten.”Ondanks deze grootspraak voelden we ons evenwel zelf ook niet geheel op ons gemak. We bevonden ons in een uitgestrekt land en wisten natuurlijk in de verste verte niet, hoe talrijk en gevaarlijk de omwonende volksstammen konden zijn. Best mogelijk dat we de hulp van onze naaste omgeving nog eens noodig zouden hebben, en dus leek het ons ’t verstandigst onze gevangenen aan te sporen, als ’t kon, vriendschap te sluiten met de achterdochtige vreemdelingen.We zonden dus de twee mannen die pijlen en bogen hadden en twee die we de mooie lansen van den Zwarten Prins toevertrouwden, op het dorp af, met nog vijf onzer gevangenen die lange staken droegen. Op korten afstand van hen volgden tiender onzen, terwijl wij ons allen bereid hielden om te hulp te snellen, zoodra dit noodig mocht blijken.Toen ze de hutten naderden, begonnen onze negers, op de bij hen gebruikelijke manier, te roepen en te schreeuwen, waarop de mannen antwoordden door een tegenroep die onmiddellijk de geheele bevolking—mannen, vrouwen en kinderen—op de been bracht. Daarop traden onze negers nog wat verder naar voren, om hun staken in den grond te planten, ten teeken van vredelievendheid, doch de vreemde volksstam scheen dit symbool niet te verstaan. Ten slotte legden de boogdragers dit wapen neer en begonnen ze verschillende vredesteekenen te maken, die de dorpelingen eindelijk schenen te begrijpen. Twee van hen ten minste legden ook hun bogen af en kwamen nader. Op alle denkbare manieren trachten de onzen nu hun vriendschappelijke gezindheid te uiten, en ten slotte brachten ze ook de handen aan den mond om hen te beduiden dat we voedsel noodig hadden, waarop de onderhandelaars met vriendelijke gebaren naar hun makkers terugkeerden. Na eenig druk heen en weer gepraat kwamen ze terug om ons kenbaar te maken, dat ze ons nog voor zonsondergang mondkost zouden bezorgen.Een uur voor zonsondergang stelden de onzen zich weer in dezelfde volgorde op om de beloofde eetwaren: wild, wortelen en de reeds besproken rijstsoort in ontvangst te nemen. Uit erkentelijkheid boden we hun eenige van onze ijzeren snuisterijen aan, waarover ze niet minder verheugd schenendan de zwarten van andere stammen.Den volgenden dag verschenen ze opnieuw, doch nu in veel sterker aantal. We bekommerden ons hier echter niet veel om, daar tien man met geladen geweer gereed stonden, en onze heele troep hen naar wij meenden eerbied zou inboezemen; maar ons vertrouwen bleek te groot te zijn geweest. Nauwelijks zagen ze onze gevangenen naderen tot aan de plek waarop ze den vorigen dag onderhandeld hadden, of ze grepen pijl en boog en stormden als ware furien op hen aan. Op bevel onzer schutters zochten onze zwartjes beveiliging achter de gewapende macht. Terwijl zij vluchtten, schoten de vijanden wel een honderd pijlen op hen af, waardoor twee onzer negers gewond werden en een voor dood bleef liggen. Bij de staken gekomen, die onze gezanten in den grond hadden geplant, bleven ze staan, bekeken en betastten de voorwerpen en schenen maar niet te begrijpen wat ze beteekenden. Nu zonden we uit onze achterhoede bericht naar de tien voorste gewapenden met bevel te schieten en de gewone lading nog met een partijtje schroot te versterken, waarna wij ons zoo snel mogelijk bij hen zouden voegen. Op dit oogenblik zette zich het zwarte leger in beweging. Toen de aanvallers evenwel achter de nu veilig opgestelde negers nog een troep gewapende blanken ontdekten, aarzelden ze, niet wetende wat ze van ons maken moesten, en stellig nam hun verwondering niet weinig toe, toen ze onze mannen op een dichten drom der hunnen zagen aanleggen en ons salvo op een afstand van ongeveer honderd twintig meter losbrandde.’t Is onmogelijk den schrik en het afschuwelijke geschreeuw te beschrijven, dat op ons schieten volgde. Zes onzer aanvallers stortten dood neer, terwijl wij een dozijn gewonden telden. De niet-gewonden stonden verbaasd over de uitwerking van onze geheimzinnige wapens en konden maar niet begrijpen waardoor ze gedood waren, terwijl de vuurstraal en het knallen hun vrouwen en kinderen zóó buiten bezinning hadden gebracht, dat deze als een troep krankzinnigen weg liepen. Doch met dat al hadden we ons doel: de mannen op de vlucht te jagen, niet bereikt. Zij schenen ook geen van allen door den schrik gestorven te zijn zooals we onder andere negers hadden waargenomen, en dus besloten we een tweede salvo af te vuren en daarna op hen los te trekken. Inmiddels hadden we ook onze reserve laten naderen en spraken we af, slechts drie aan drie te schieten en in peletons vooruit te rukken. Allen op één linie staande, vuurden we nu beurtelings drie van rechts en drie van links, waarbij we telkens eenige onzer vijanden doodden, zonder hen echter tot vluchten te dwingen, hoewel ze zoo verschrikt waren, dat ze vergaten van hun eigen wapens gebruik te maken. Hun aantal scheen wel voortdurend aan te groeien, en dus riep ik onze mannen toe halt te houden, nog eens een salvo te lossen, daarna, evenals bij ons eerste gevecht, onder woest krijgsgeschreeuw op hen los te stormen en ze desnoods met onze geweerkolven af te maken.Maar ze waren te slim om het zoover te laten komen. Zoodra wij gevuurd hadden en onze krijgskretenaanhieven, nam de gansche bende overijld de vlucht. In minder dan geen tijd was er geen enkele vijand meer te zien, behalve dan de enkele gewonden, die zich kermend trachtten op te richten en hun makkers maar al te graag gevolgd waren.

HOOFDSTUK V.Stroomopwaarts.Voorloopig dus vleeschvoorraad genoeg. Wat brood betreft moesten we ons tevreden stellen met een niet zeer smakelijk gebak van gemalen wortelen. Daarna overlegden we, hoe we aan groote knapzakken zouden komen om den mondkost in te vervoeren, en daar de geiten gedood waren, gaf ik bevel de huiden in de zon uit te spreiden, waarna ze binnen twee dagen zoo droog waren als we maar konden wenschen. Toen de Zwarte Prins begreep waarvoor ze bestemd waren en hoe gemakkelijk een last hierdoor te dragen viel, glimlachte hij en zond een paar mannen weg, die, geholpen door twee andere negers, met een grooten voorraad huiden terugkwam. Deze huiden bleken veel beter gedroogd en behandeld dan de onze en van diersoorten, ons tot nu toe onbekend.Verder brachten de zwarten hun vorst nog twee lansen mee, ongeveer zooals ze die in hun gevechten gebruikten, doch veel mooier. Ze waren van een donkere houtsoort vervaardigd, die aan ebbenhout deed denken en aan ’t uiteinde voorzien van een scherpe punt, bestaande uit een langen tand van ’t een of ander wild dier. Met verbazing en bewonderingvoelden we hoe scherp de spits was en hoe stevig de tand, niet langer dan mijn duim, er in bevestigd zat.De vorst wilde de wapens niet aannemen voor ik hem verlof gaf en wenkte de inboorlingen, ze mij aan te bieden, doch ik stond hem gaarne toe ze zelf te gebruiken, daar ik hem als een man van nobele en rechtvaardige beginselen meende te mogen beschouwen.Toen we marschvaardig stonden, kwam de Prins naar mij toe, om mij, achtereenvolgens naar de vier windstreken wijzende, te vragen, welken kant we dachten uit te trekken, en toen ik naar het westen wees, beduidde hij ons, dat er, iets noordelijker, een stroom liep die onze sloep verscheiden mijlen ver landwaarts in zou kunnen brengen.Dankbaar van den wenk gebruik makende, stelde ik mijn makkers voor, onze reis op deze wijze te vergemakkelijken.Volgens den Prins was de riviermonding omstreeks een dagreis van ons verwijderd, en onze kaarten raadplegende, moest het de rivier zijn, die op het meest noordelijke gedeelte van de kust van Mozambique staat aangegeven en daar Quilloa genoemd wordt.Na rijp beraad, besloten we den prins en zooveel van de gevangenen als we bergen konden in ons schip te nemen en den stroom bij de baai binnen te varen, terwijl acht der onzen met de overige gevangenen over land naar de rivier zouden trekken en hen daar ontmoeten. Dit was gemakkelijk te doen, daar de afstand tot aan een zuidelijke bocht—van een heuvel af duidelijk te zien—naar onze schatting niet meer dan zeven mijlen kon bedragen.Bij vier tegelijk door de dieren dragen.Bij vier tegelijk door de dieren dragen.Mij viel het lot te beurt den tocht te voet te maken en als aanvoerder van de kleine karavaan op te treden. Behalve zevenendertig gevangenen kreeg ik acht van onze gewapende mannen mee, terwijl we alle bagage aan boord lieten. Eigenaardig, zoo tam als de jonge stieren waren, die we voor ons uitdreven! De negers lieten zich, soms bij vier tegelijk, door de goedige dieren dragen; ze aten uit onze hand, likten ons de voeten en waren zoo volgzaam als huishonden.Behalve de stieren hadden we ook zes of zeven koeien voor onze voeding, en tot groote verbazing van de negers zagen ze later hoe we het rundvleeschzoutten en droogden, een manier die ze buitengewoon lekker schenen te vinden en gretig navolgden.Voor ons, die de reis over land maakten, bleek het al een heel gemakkelijke tocht, maar het duurde ongeveer vijf dagen eer de anderen ons daar troffen. De wind was in de baai geheel gaan liggen en de afstand langs de rivier, door een niet verwachte kromming in haar loop, ongeveer vijftig Engelsche mijlen.Gelukkig konden we den wachttijd nuttig besteden, daar de inboorlingen die den Prins de mooie lansen gebracht hadden, ons leerden een soort van flesschen van geitenvellen te maken om daar zoet water in te bewaren; en de zwartjes deden dit zoo handig, dat—nog eer ons schip in zicht kwam—ieder voorzien was van een buidel of blaasvormigen zak, dien ze door middel van een riem, uit smalle reepjes van een andere huid gesneden, over hun schouder hingen.Ten einde ons van den trouw der mannen te verzekeren, had de Prins bevolen, hen twee aan twee met de polsen aan elkaar te binden, zooals we bij ’t vervoer van Engelsche gevangenen doen, en hij wist hen zoo te overtuigen van het redelijke van dezen eisch, dat hij er hen toe bracht zichzelf te koppelen, waarvoor hij er vier van hen aanwees. Wij vonden hen echter zoo betrouwbaar en vooral zoo absoluut gehoorzaam aan hun aanvoerder, dat we hen, toen we wat verder weg waren van de streek waar ze gewoond hadden, de volledige vrijheid van beweging hergaven.De oevers der rivier waren zoover wij zien konden,vrij hoog; nergens moerassig land; het groen zag er malsch en frisch uit en waar we ook keken, ontdekten we dan ook kleine kudden vee, die hier blijkbaar naar hartelust voedsel vonden. In onze onmiddellijke nabijheid lag geen bosch, doch verderop onderscheidden we ceders, eiken en sparren, sommige kolossaal hoog.De rivier was ongeveer zoo breed als de Theems bij Gravesend en vrij diep. Gebruik makende van den vloed en van de windrichting, die nog steeds Oost en O. N. O. bleef, zeilden we vroolijk de rivier op en vorderden zelfs nog behoorlijk, toen de eb intrad, maar zoodra we den invloed van ’t getij niet meer ondergingen en de stroom in volle kracht tegen kregen, werd het ons te machtig en begonnen we er ernstig over te denken ons schip te verlaten. Onze Prins wilde hier evenwel niet van hooren, en daar hij gezien had, dat we een vrij grooten voorraad gevlochten vezeltouw aan boord hadden, beval hij al de gevangenen aan wal, die touwen beet te pakken en ons te trekken, en daar we ons zeil hadden opgezet om het hun wat gemakkelijker te maken, kwamen we nog met een behoorlijk vaartje vooruit.Naar onze berekening maakten we op die wijze nog over een afstand van tweehonderd mijlen gebruik van de rivier. Toen werd deze echter steeds smaller, en na nog een dag reizens, kwamen we aan een geweldigen waterval, die ons plotseling verhinderde verder te varen. ’t Was alsof de heele watermassa opeens loodrecht van een hoogte van omstreeks zestig voet naar beneden stortte meteen donderend geraas, waarbij ons hooren en zien verging en dat we al op tien mijlen afstands gehoord hadden, zonder te weten wat het veroorzaakte.Kwamen we aan een geweldige waterval.Kwamen we aan een geweldige waterval.Hadden we kano’s of andere bootjes bezeten die gepagaaid of geroeid konden worden, dan zouden we de rivier nog wel een tweehonderd mijlen bevaren hebben, maar nu lieten we de gevangenen die elkaar aan de lijn hadden afgewisseld, het eerst van boord gaan en allen met elkaar een welverdiende rust genieten.Gedurende dit heele traject hadden we mooie vruchtbare groene oevers gezien met veel vee en hier en daar een paar menschen. ’t Bleek evenwel dat onze negers zich niet met hen verstaanbaar konden maken daar ze een andere taal sprakenen tot een anderen stam behoorden.Wilde beesten hadden we nauwelijks ontmoet. Slechts eenmaal, twee dagen voor we den waterval bereikten, zagen we aan den noordelijken oever—onze gevangenen waren alle aan de zuidzijde van den stroom—drie prachtexemplaren van luipaarden die roerloos op den hoogen oever stonden te kijken.Onze kanonnier kreeg ze het eerst in ’t oog, vloog weg om zijn geweer te halen, stopte er een extra kogel in en riep me toe: „Zeg, Kap’tein Bob, waar zit je prins ergens?” en toen ik hem gehaald had, verzocht hij hem: „Waarschuw je mannen dat ze niet bang moeten zijn, maar eens goed kijken hoe dit vuurding in mijn hand op grooten afstand de wilde dieren kan dooden.”Hoewel hun aanvoerder onmiddellijk het verzoek opvolgde, keken de arme negers elkaar toch aan alsof ze ieder oogenblik hun eigen dood verwachtten. Angstig staarden ze daarop naar den kanonnier die, uitstekend schutter als hij was, aanlegde en een der dieren met twee kogels in den kop trof. Het luipaard sprong op, stond een oogenblik op de achterpooten, zwaaide met zijn voorpooten heen en weer, viel op zijn rug, lag nog even huilend en grommend te stuiptrekken en bleef dood, terwijl de andere twee, verschrikt door het schot waren weggevlucht en in minder dan geen tijd uit het gezicht verdwenen.Maar de ontsteltenis der luipaarden haalde niet bij die van onze negers! Vier of vijf van hen stortten neer alsof ze getroffen waren, verscheiden anderevielen op deknieënen hieven hun handen tot ons op; of dit was uit vereering of om den dood af te weren, weet ik niet, en het kostte hun aanvoerder wien wij verzochten hen gerust te stellen, heel wat moeite hen weer tot rede te brengen. Ja de prins zelf—ofschoon geheel door ons voorbereid en op de hoogte van wat er gebeuren zou—sprong, toen het schot afging, omhoog zoodat we vreesden hem in de rivier te zien terecht komen.Toen we den luipaard dood zagen liggen, bekroop mij de begeerte naar zijn mooie huid en ik beduidde dus den prins het dier door zijn mannen te laten stroopen. Nauwelijks had hij hun mijn wensch kenbaar gemaakt, of verscheiden negers boden zich aan, waarvan hij er vier aanwees, die onmiddellijk in de rivier sprongen en naar den overkant zwommen. Met een mes, den aanvoerder vroeger door ons geschonken, had hij, ongelooflijk handig, vier zeer bruikbare houten messen gemaakt, en hiermee gewapend trokken de zwarten aan ’t werk. In minder dan een uur brachten ze me de huid, die van kop tot staart ongeveer zeven voet lang was, over den rug gemeten nagenoeg vijf voet breed en buitengewoon mooi gevlekt. Ik bewaarde de vacht dan ook zuinig en nam hem jaren later mee naar Londen.Nu ons vaartuig niet verder gebruikt kon worden en we allen ontscheept waren, stonden we dus, wat het voortzetten der reis betrof, allemaal gelijk. Geen wonder echter dat het in den steek laten van onze met moeite veroverde sloep ons aan ’t hart ging, en daar de rivier zijn weg nog vele mijlenvervolgen zou, kwam een van ons op de gedachte om ons schip uit elkaar te slaan en van het hout kleine bootjes te maken, waarmee we den stroom zouden kunnen opvaren. Onze timmerlui voorzagen evenwel, dat hier heel veel tijd mee zou gemoeid zijn en we, bij gebrek aan spijkers, pek en teer, er niet in zouden slagen onze vaartuigjes waterdicht te maken. Toen de prins onze bezwaren begreep, raadde hij ons te wachten tot we een paar groote boomen aan den oever vonden. Zijn mannen konden ons dan in een vierde van den tijd een paar kano’s maken, die ons dezelfde diensten zouden bewijzen als onze bootjes, en die ze, kwamen we aan een waterval, op hun schouders konden nemen en dragen tot de stroom opnieuw bevaarbaar zou zijn.Het verstandige van dezen raad inziende, trokken we ons hart van de sloep af, en sleepten we het scheepje in een nauwen inham, waar een beek in de rivier mondde, en reizigers die na ons mochten komen, er misschien nog iets aan hebben zouden.Hoe ongelooflijk het klinken moge, gingen er toch nog twee dagen heen met het verdeelen en opladen van al ons reisgoed.Met onze munitie—misschien het kostbaarste, van wat we bezaten—handelden we aldus: het kruit verdeelden we in kleine leeren zakjes—d.w.z. zakjes van gedroogde huiden, het haar naar binnen, om den inhoud goed droog te bewaren. Daarna stopten we die zakjes in andere zakken van stierenhuiden, met het haar naar buiten om alle vocht er uit te weren, en deze methode bleek zóó practisch, datwe er zelfs bij de geweldigste en aanhoudendste regens in slaagden, ons kruit volkomen droog te bewaren. Buiten deze zakjes die ons groote magazijn vormden, deelden we nog aan ieder een kwart pond kruit en een half pond kogels uit om altijd bij de hand te hebben. Meer dan het hoognoodige besloten we, met het oog op de hitte, niet op ons te dragen.Daar wij tot nu toe niet verder het land in waren gegaan, maar steeds aan den oever waren gebleven, hadden we nog zeer weinig aanraking met de bewoners van die streken gehad. Onze sloep had heel wat provisie aan boord, dus behoefden we niet op jacht te gaan naar mondkost, maar nu onze voetreizen weer aanvingen, moesten we natuurlijk naar voedsel omzien.De eerste plek dicht bij de rivier, waar we ons even ophielden was een kleine negerkolonie van ongeveer vijftig hutten met naar schatting een vierhonderdtal bewoners.Bij onze nadering kwamen allen te voorschijn, om ons verbaasd aan te gapen, en toen ze onze gevangenen zagen, grepen de hutbewoners naar de wapens, meenende dat een vijandelijke stam hen kwam bestrijden. Hoewel onze negers hun taal niet kenden, wisten ze hun gauw te beduiden, dat ze geen wapens droegen en zelfs twee aan twee aan elkaar waren gebonden, waartoe de Zwarte Prins hen weer gedwongen had, en dat de blanken hen allen naar willekeur konden dooden en weer levend maken, maar dat ze met vreedzame bedoelingen kwamen.Zoodra dit tot hen was doorgedrongen, legden ze hun lansen, pijlen en bogen neer en haalden twaalf staken, die ze als een vredesteeken in den grond plantten, zich diep en eerbiedig voor ons terneer buigende. Nauwelijks echter kregen ze een paar van onze mannen, die een baard of knevel droegen, in ’t oog, of ze renden onder angstig geschreeuw weg.Van meening dat het verstandiger was niet te gauw vertrouwelijk met hen te worden, hielden we ons op een afstand, en droegen onze gevangenen op, hen te beduiden dat we voedsel verlangden.Schijnbaar zeer bereidwillig kwamen ze daarop met een paar zwarte runderen aan—dat gedeelte van Afrika scheen een overvloed van koeien, buffels en ook veel herten op te leveren—en toen onze fijnsmid, die nu een heelen voorraad sieradiën vervaardigd had, hun eenige van diefraaiighedenaanbood, waren ze uitgelaten van vreugde. Uit dankbaarheid brachten ze ons allerlei vruchten en wortels, die wij tot nu toe niet kenden, maar die onze gevangenen zich voortreffelijk lieten smaken, waarop wij ook veilig konden toetasten.Nadat we ons op deze nederzetting flink van vleesch en plantenkost voorzien hadden, verdeelden wij den last onder onze negers, ieder zoo ongeveer dertig pond toewijzende, wat meer dan voldoende was in zoo’n heet klimaat. De wilden voelden er zich blijkbaar volstrekt niet door bezwaard, maar hielpen elkaar nog wanneer er eens een vermoeidheid toonde, wat evenwel zeer zelden voorkwam. Buitendien werden hun lasten—evenals Aesopus’ broodmand—daar ze hoofdzakelijk uit mondkost bestonden, met den dag lichter, tot we weer een gelegenheid vonden, het verbruikte aan te vullen.—Ik moet hierbij opmerken dat we hun handen, wanneer ze dragen moesten, losmaakten, doch hen dan twee aan twee met een hunner voeten aan elkaar bonden.Den derden dag na het opbreken van onze laatste rustplaats, verzocht onze eerste timmerman ons halt te houden en onze hutten op te slaan, daar hij een paar boomen in ’t oog had gekregen, die hem buitengewoon geschikt schenen, om er kano’s van te maken. Naar zijn oordeel zouden we nog lang genoeg op de been moeten zijn als we de rivier niet meer onder ons bereik hadden, en hij voor zich had ten minste vast besloten niet meer te loopen, dan strikt noodig was. Dit denkbeeld leek verstandig, en nauwelijks hadden we het aan de negers vertolkt en hen van hun lasten ontheven, of ze trokken aan ’t werk. Met verwondering zagen we, hoe ze, ondanks hun gebonden voeten, met groote vaardigheid in zeer korten tijd een aantal hutten bouwden.Onder waarborg van hun aanvoerder, lieten wij eenige van de zwartjes hier geheel vrij om ze tot handlangers van de timmerlui aan te stellen, ’t geen ze na enkele aanwijzingen zeer handig deden.Eenige anderen zonden wij uit om te zien, of ze in de buurt ook voedsel konden bemachtigen, maar in plaats daarvan kwamen er drie van hen terug met bogen en pijlen en vijf lansen. Slechts met moeite konden we uit hun verklaringen wijs worden, dat ze die wapens gevonden hadden ineen paar verlaten hutten, waaruit de vrouwen en kinderen bij hun nadering schenen weggevlucht.Terwijl we ons zeer boos hielden, lieten we hen door den Zwarten Prins vragen of ze die vrouwen en kinderen niet vermoord hadden. Mocht dit de ware toedracht der zaak zijn, dan zouden wij hen tot straf ook laten dooden. Ze betuigden echter zóó nadrukkelijk hun onschuld, dat we hen vergaven.De lansen, bogen en pijlen leverden ze ons onmiddellijk uit, maar op voorstel van hun vorst gaven we hun de pijlen en bogen terug om te zien of ze wat vogels of wild voor ons konden schieten.Tegelijkertijd schreven we hun de wapenwet voor, hierin bestaande, dat wanneer iemand hen ooit mocht aanvallen of op hen schieten of op eenige wijze geweld aandoen, zij hem mochten dooden, maar dat ze niemand leed mochten toebrengen, die met vreedzame bedoelingen tot hen kwam en de wapens neerlegde. Ook was het onder geen beding geoorloofd tegen vrouwen of kinderen de wapens te hanteeren. Aan deze voorschriften zou streng de hand worden gehouden.De beide negers zullen zoo ongeveer drie of vier uur weg zijn geweest, toen een van hen zonder zijn pijl en boog in draf terugkwam, al maar roepende „Okoamo! Okoamo!” ’t geen „Help! Help!” scheen te beteekenen.De andere gevangenen vlogen dan ook haastig op en liepen naar hen toe, zoo snel als hun koppelbanden het veroorloofden, terwijl de Zwarte Prins keek, alsof er iets ongelukkigs gebeurd was en eenige onzer mannen al naar de wapens grepenom op alle mogelijkheden bedacht te zijn. Maar de zaak werd ons al heel gauw duidelijk, toen vier onzer gevangenen na korten tijd terugkeerden met een flinken last vleesch op hun schouders. De twee zwarten die verlof hadden gekregen er met pijl en boog op uit te gaan, hadden in de vlakte een groote kudde herten aangetroffen en zich zóó goed van hun wapens bediend, dat ze er drie schoten. Een der jagers was daarop teruggekomen om hulp te halen voor het wegdragen der zware dieren.Daar dit het eerste wild was, dat we tot nu toe op onze voetreis ontmoet hadden, smulden we er terdege aan en zelfs onze Prins liet zich overhalen om zijn vleesch gebraden te eten zooals wij, een voorbeeld, dat bij de overige inboorlingen, die het tot nu toe nooit anders dan rauw gegeten hadden, navolging vond.Feitelijk speet het ons nu, niet meer pijlen en bogen bij ons te hebben, want we begonnen onze negers meer en meer te vertrouwen en lieten ze voor een groot deel zonder banden rondloopen.Alleen al, omdat ze zonder ons den weg niet wisten te vinden, waren we overtuigd, dat ze terug zouden komen. Onze geweren vertrouwden we hun evenwel niet toe, en we lieten ze graag in den waan dat er een bovennatuurlijke kracht in die wapens stak, die vuur, rook en donder te voorschijn riep en wanneer men het hen slechts beval, op groote afstanden doodde.Na verloop van acht dagen waren er drie kano’s klaar, waarin wij onze blanke manschappen, onze bagage, den Prins en eenige gevangenen inscheepten.Een paar der onzen moesten altijd aan den oever blijven, niet alleen om de negers te bewaken, doch ook om hen te verdedigen tegen mogelijke aanvallen van wilde dieren.Op dezen tocht zagen we voor ’t eerst eenige olifanten en leeuwen en merkten op, dat de inboorlingen veel meer angst voor deze dieren hadden dan wij—waarschijnlijk omdat hun de wapenen ontbraken waarmee ze gewend waren om te gaan en zich te verdedigen.Door steeds met onze geweren gereed te zijn, genazen we hen echter al heel gauw van dien overdreven angst.Voordeel van het schieten dezer dieren hadden wij volstrekt niet; het vleesch was ongenietbaar en hun huiden meenemen zou ons slechts last hebben veroorzaakt; dus besloten wij, om onze kostbare munitie te sparen, bij eenige onzer geweren enkel wat los kruit op de pan te doen, want de vuurstraal en de slag van het kruit alleen deed hen al zoo geweldig schrikken, dat ze—zelfs de leeuwen—onmiddellijk aan den haal gingen.Naarmate wij den bovenloop der rivier verder volgden, werd de streek dichter bewoond; ook vee scheen hier in overvloed te leven, vooral in de nabijheid der rivier.Den achtsten dag, nadat we onze kanovaart hadden aangevangen kwamen we aan een negerdorp, waar omheen een korenachtig gewas, dat aan rijst deed denken, verbouwd werd, ’t geen uitstekend smaakte. Na wat loven en bieden stonden de inwoners ons wat van dit product af, en toen weer een soort van brooden of koeken van gekneed hadden, bakten we ze op den grond. Eerst stookten we n.l. een vuurtje, veegden de asch weg en roosterden de koeken op de heete aarde. Zoo ontbrak het ons dus tot nu toe aan niets.Daar de negers afwisselend aan de lijn liepen, schoten onze kano’s vrij snel door ’t water; naar onze berekening moesten wij stellig ruim twintig mijlen per dag vorderen. De diepe stroom behield gedurende dit traject overal ongeveer dezelfde breedte, tot we den tweeden dag aan een tweeden waterval kwamen.Een hooge bergketen doorkruiste hier de bedding, en het water stortte op zoo’n eigenaardige, schilderachtige manier van rots op rots, dat zich een lange reeks watervallen vormde die onderling wel eens een kwart mijl van elkaar verwijderd lagen. Het geraas was oorverdoovend.Aanvankelijk vreesden we dat het nu voor goed met het varen gedaan zou zijn, maar toen drie van ons met een paar negers een hoogen heuvel beklommen hadden, om den loop der rivier te overzien, brachten ze het blijde nieuws, dat er op ongeveer een kwartier afstands weer een glad vaarwater begon, dat oogenschijnlijk niet gauw onderbroken zou worden.Met frisschen moed sloegen we dus allen de handen aan ’t werk om onze kano’s aan wal te sleepen en te beproeven of we ze konden dragen.Dat viel lang niet mee, maar gelukkig konden onze timmerlui ze in ongeveer een dag veel lichter maken door er al het overtollige hout van buitenaf te hakken en te steken. Toen dat karwei volbracht was, namen tien negers een der kano’s op lange dikke stokken en droegen het vaartuigje zonder eenige zichtbare inspanning weg, na welke proefneming we voor elke kano twintig man aanwezen, opdat ze elkaar zouden kunnen aflossen.Een hoogen heuvel beklommen hadden.Een hoogen heuvel beklommen hadden.Op deze wijze vervoerden we onze kleine vloot, en toen ze hoogerop weer te water was gelaten, keerden we terug om onze bagage te halen en in te laden, waarna wij den volgenden morgen vroeg de reis hervatten.Toen we zoo weer een dag of vier verder getrokken waren, merkte onze kanonnier, ook tot loods aangesteld, op, dat we eenigszins van de richting afweken die we ons hadden voorgenomen te volgen.De stroom begon namelijk naar ’t noorden te buigen.Maar we wilden het groote voordeel van een vervoer te water niet gaarne opgeven en besloten dus nog een tweehonderd mijlen verder te varen. Hier werd de bedding echter zeer nauw en ondiep en merkten we buitengewoon veel beken en stroompjes op, die zich in de rivier ontlastten, tot deze zelf niet meer dan een groote beek werd.Zoover onze kano’s varen konden, lieten we ons nog trekken, wat alleen mogelijk bleek door alle bagage er uit te halen, maar eindelijk en ten laatste, na twaalf dagen reizens langs den bovenstroom, moesten we van alle verdere transport te water afzien.Dat we den tocht nu op zoo’n veel meer inspannende wijze zouden dienen voort te zetten was nog het ergste niet; maar met groote zorg dachten we aan onze zoetwaterprovisie. We beklommen dan ook elken bergtop die onder ons bereik kwam, om te zien welken weg we het best zouden kunnen volgen om altijd water bij de hand te hebben.Gedurende dertig dagen marcheerden we door een vruchtbare, vrij dichtbevolkte streek, rijk aan boomen en water en maakten we het ons zoo aangenaam mogelijk door te rusten of te loopen, al naarmate we lust gevoelden en de lichamelijke toestand van onszelf en onze negers dit vereischte.Omstreeks het midden van dien tocht, kwamen we aan een kleine laagvlakte, waar zich een opmerkelijk dichte bevolking gevestigd had, een onaangenameontdekking, daar het woeste, ruwe, onbetrouwbare menschen bleken te zijn, die ons als roovers beschouwden en onmiddellijk bijeenscholen om ons aan te vallen.Met angst namen onze negers de vijandelijke houding waar, en zelfs onze Zwarte Prins legde een ongewone vrees aan den dag, maar ik hield hem een onzer geweren voor en vroeg hem glimlachend, of hij niet vertrouwde dat het wapen, dat de gevlekte kat op zoo’n grooten afstand doodde, in staat zou zijn een heele bende van die naakte wezens met één schot te doen sterven, waarop hij lachte en bevestigend knikte.„Goed,” zei ik, „vertel uw mannen dan, dat ze geen angst behoeven te hebben. Als dit vreemde volk ons te na komt, zullen we ze laten gevoelen wat onze geweren kunnen uitrichten.”Ondanks deze grootspraak voelden we ons evenwel zelf ook niet geheel op ons gemak. We bevonden ons in een uitgestrekt land en wisten natuurlijk in de verste verte niet, hoe talrijk en gevaarlijk de omwonende volksstammen konden zijn. Best mogelijk dat we de hulp van onze naaste omgeving nog eens noodig zouden hebben, en dus leek het ons ’t verstandigst onze gevangenen aan te sporen, als ’t kon, vriendschap te sluiten met de achterdochtige vreemdelingen.We zonden dus de twee mannen die pijlen en bogen hadden en twee die we de mooie lansen van den Zwarten Prins toevertrouwden, op het dorp af, met nog vijf onzer gevangenen die lange staken droegen. Op korten afstand van hen volgden tiender onzen, terwijl wij ons allen bereid hielden om te hulp te snellen, zoodra dit noodig mocht blijken.Toen ze de hutten naderden, begonnen onze negers, op de bij hen gebruikelijke manier, te roepen en te schreeuwen, waarop de mannen antwoordden door een tegenroep die onmiddellijk de geheele bevolking—mannen, vrouwen en kinderen—op de been bracht. Daarop traden onze negers nog wat verder naar voren, om hun staken in den grond te planten, ten teeken van vredelievendheid, doch de vreemde volksstam scheen dit symbool niet te verstaan. Ten slotte legden de boogdragers dit wapen neer en begonnen ze verschillende vredesteekenen te maken, die de dorpelingen eindelijk schenen te begrijpen. Twee van hen ten minste legden ook hun bogen af en kwamen nader. Op alle denkbare manieren trachten de onzen nu hun vriendschappelijke gezindheid te uiten, en ten slotte brachten ze ook de handen aan den mond om hen te beduiden dat we voedsel noodig hadden, waarop de onderhandelaars met vriendelijke gebaren naar hun makkers terugkeerden. Na eenig druk heen en weer gepraat kwamen ze terug om ons kenbaar te maken, dat ze ons nog voor zonsondergang mondkost zouden bezorgen.Een uur voor zonsondergang stelden de onzen zich weer in dezelfde volgorde op om de beloofde eetwaren: wild, wortelen en de reeds besproken rijstsoort in ontvangst te nemen. Uit erkentelijkheid boden we hun eenige van onze ijzeren snuisterijen aan, waarover ze niet minder verheugd schenendan de zwarten van andere stammen.Den volgenden dag verschenen ze opnieuw, doch nu in veel sterker aantal. We bekommerden ons hier echter niet veel om, daar tien man met geladen geweer gereed stonden, en onze heele troep hen naar wij meenden eerbied zou inboezemen; maar ons vertrouwen bleek te groot te zijn geweest. Nauwelijks zagen ze onze gevangenen naderen tot aan de plek waarop ze den vorigen dag onderhandeld hadden, of ze grepen pijl en boog en stormden als ware furien op hen aan. Op bevel onzer schutters zochten onze zwartjes beveiliging achter de gewapende macht. Terwijl zij vluchtten, schoten de vijanden wel een honderd pijlen op hen af, waardoor twee onzer negers gewond werden en een voor dood bleef liggen. Bij de staken gekomen, die onze gezanten in den grond hadden geplant, bleven ze staan, bekeken en betastten de voorwerpen en schenen maar niet te begrijpen wat ze beteekenden. Nu zonden we uit onze achterhoede bericht naar de tien voorste gewapenden met bevel te schieten en de gewone lading nog met een partijtje schroot te versterken, waarna wij ons zoo snel mogelijk bij hen zouden voegen. Op dit oogenblik zette zich het zwarte leger in beweging. Toen de aanvallers evenwel achter de nu veilig opgestelde negers nog een troep gewapende blanken ontdekten, aarzelden ze, niet wetende wat ze van ons maken moesten, en stellig nam hun verwondering niet weinig toe, toen ze onze mannen op een dichten drom der hunnen zagen aanleggen en ons salvo op een afstand van ongeveer honderd twintig meter losbrandde.’t Is onmogelijk den schrik en het afschuwelijke geschreeuw te beschrijven, dat op ons schieten volgde. Zes onzer aanvallers stortten dood neer, terwijl wij een dozijn gewonden telden. De niet-gewonden stonden verbaasd over de uitwerking van onze geheimzinnige wapens en konden maar niet begrijpen waardoor ze gedood waren, terwijl de vuurstraal en het knallen hun vrouwen en kinderen zóó buiten bezinning hadden gebracht, dat deze als een troep krankzinnigen weg liepen. Doch met dat al hadden we ons doel: de mannen op de vlucht te jagen, niet bereikt. Zij schenen ook geen van allen door den schrik gestorven te zijn zooals we onder andere negers hadden waargenomen, en dus besloten we een tweede salvo af te vuren en daarna op hen los te trekken. Inmiddels hadden we ook onze reserve laten naderen en spraken we af, slechts drie aan drie te schieten en in peletons vooruit te rukken. Allen op één linie staande, vuurden we nu beurtelings drie van rechts en drie van links, waarbij we telkens eenige onzer vijanden doodden, zonder hen echter tot vluchten te dwingen, hoewel ze zoo verschrikt waren, dat ze vergaten van hun eigen wapens gebruik te maken. Hun aantal scheen wel voortdurend aan te groeien, en dus riep ik onze mannen toe halt te houden, nog eens een salvo te lossen, daarna, evenals bij ons eerste gevecht, onder woest krijgsgeschreeuw op hen los te stormen en ze desnoods met onze geweerkolven af te maken.Maar ze waren te slim om het zoover te laten komen. Zoodra wij gevuurd hadden en onze krijgskretenaanhieven, nam de gansche bende overijld de vlucht. In minder dan geen tijd was er geen enkele vijand meer te zien, behalve dan de enkele gewonden, die zich kermend trachtten op te richten en hun makkers maar al te graag gevolgd waren.

HOOFDSTUK V.Stroomopwaarts.

Voorloopig dus vleeschvoorraad genoeg. Wat brood betreft moesten we ons tevreden stellen met een niet zeer smakelijk gebak van gemalen wortelen. Daarna overlegden we, hoe we aan groote knapzakken zouden komen om den mondkost in te vervoeren, en daar de geiten gedood waren, gaf ik bevel de huiden in de zon uit te spreiden, waarna ze binnen twee dagen zoo droog waren als we maar konden wenschen. Toen de Zwarte Prins begreep waarvoor ze bestemd waren en hoe gemakkelijk een last hierdoor te dragen viel, glimlachte hij en zond een paar mannen weg, die, geholpen door twee andere negers, met een grooten voorraad huiden terugkwam. Deze huiden bleken veel beter gedroogd en behandeld dan de onze en van diersoorten, ons tot nu toe onbekend.Verder brachten de zwarten hun vorst nog twee lansen mee, ongeveer zooals ze die in hun gevechten gebruikten, doch veel mooier. Ze waren van een donkere houtsoort vervaardigd, die aan ebbenhout deed denken en aan ’t uiteinde voorzien van een scherpe punt, bestaande uit een langen tand van ’t een of ander wild dier. Met verbazing en bewonderingvoelden we hoe scherp de spits was en hoe stevig de tand, niet langer dan mijn duim, er in bevestigd zat.De vorst wilde de wapens niet aannemen voor ik hem verlof gaf en wenkte de inboorlingen, ze mij aan te bieden, doch ik stond hem gaarne toe ze zelf te gebruiken, daar ik hem als een man van nobele en rechtvaardige beginselen meende te mogen beschouwen.Toen we marschvaardig stonden, kwam de Prins naar mij toe, om mij, achtereenvolgens naar de vier windstreken wijzende, te vragen, welken kant we dachten uit te trekken, en toen ik naar het westen wees, beduidde hij ons, dat er, iets noordelijker, een stroom liep die onze sloep verscheiden mijlen ver landwaarts in zou kunnen brengen.Dankbaar van den wenk gebruik makende, stelde ik mijn makkers voor, onze reis op deze wijze te vergemakkelijken.Volgens den Prins was de riviermonding omstreeks een dagreis van ons verwijderd, en onze kaarten raadplegende, moest het de rivier zijn, die op het meest noordelijke gedeelte van de kust van Mozambique staat aangegeven en daar Quilloa genoemd wordt.Na rijp beraad, besloten we den prins en zooveel van de gevangenen als we bergen konden in ons schip te nemen en den stroom bij de baai binnen te varen, terwijl acht der onzen met de overige gevangenen over land naar de rivier zouden trekken en hen daar ontmoeten. Dit was gemakkelijk te doen, daar de afstand tot aan een zuidelijke bocht—van een heuvel af duidelijk te zien—naar onze schatting niet meer dan zeven mijlen kon bedragen.Bij vier tegelijk door de dieren dragen.Bij vier tegelijk door de dieren dragen.Mij viel het lot te beurt den tocht te voet te maken en als aanvoerder van de kleine karavaan op te treden. Behalve zevenendertig gevangenen kreeg ik acht van onze gewapende mannen mee, terwijl we alle bagage aan boord lieten. Eigenaardig, zoo tam als de jonge stieren waren, die we voor ons uitdreven! De negers lieten zich, soms bij vier tegelijk, door de goedige dieren dragen; ze aten uit onze hand, likten ons de voeten en waren zoo volgzaam als huishonden.Behalve de stieren hadden we ook zes of zeven koeien voor onze voeding, en tot groote verbazing van de negers zagen ze later hoe we het rundvleeschzoutten en droogden, een manier die ze buitengewoon lekker schenen te vinden en gretig navolgden.Voor ons, die de reis over land maakten, bleek het al een heel gemakkelijke tocht, maar het duurde ongeveer vijf dagen eer de anderen ons daar troffen. De wind was in de baai geheel gaan liggen en de afstand langs de rivier, door een niet verwachte kromming in haar loop, ongeveer vijftig Engelsche mijlen.Gelukkig konden we den wachttijd nuttig besteden, daar de inboorlingen die den Prins de mooie lansen gebracht hadden, ons leerden een soort van flesschen van geitenvellen te maken om daar zoet water in te bewaren; en de zwartjes deden dit zoo handig, dat—nog eer ons schip in zicht kwam—ieder voorzien was van een buidel of blaasvormigen zak, dien ze door middel van een riem, uit smalle reepjes van een andere huid gesneden, over hun schouder hingen.Ten einde ons van den trouw der mannen te verzekeren, had de Prins bevolen, hen twee aan twee met de polsen aan elkaar te binden, zooals we bij ’t vervoer van Engelsche gevangenen doen, en hij wist hen zoo te overtuigen van het redelijke van dezen eisch, dat hij er hen toe bracht zichzelf te koppelen, waarvoor hij er vier van hen aanwees. Wij vonden hen echter zoo betrouwbaar en vooral zoo absoluut gehoorzaam aan hun aanvoerder, dat we hen, toen we wat verder weg waren van de streek waar ze gewoond hadden, de volledige vrijheid van beweging hergaven.De oevers der rivier waren zoover wij zien konden,vrij hoog; nergens moerassig land; het groen zag er malsch en frisch uit en waar we ook keken, ontdekten we dan ook kleine kudden vee, die hier blijkbaar naar hartelust voedsel vonden. In onze onmiddellijke nabijheid lag geen bosch, doch verderop onderscheidden we ceders, eiken en sparren, sommige kolossaal hoog.De rivier was ongeveer zoo breed als de Theems bij Gravesend en vrij diep. Gebruik makende van den vloed en van de windrichting, die nog steeds Oost en O. N. O. bleef, zeilden we vroolijk de rivier op en vorderden zelfs nog behoorlijk, toen de eb intrad, maar zoodra we den invloed van ’t getij niet meer ondergingen en de stroom in volle kracht tegen kregen, werd het ons te machtig en begonnen we er ernstig over te denken ons schip te verlaten. Onze Prins wilde hier evenwel niet van hooren, en daar hij gezien had, dat we een vrij grooten voorraad gevlochten vezeltouw aan boord hadden, beval hij al de gevangenen aan wal, die touwen beet te pakken en ons te trekken, en daar we ons zeil hadden opgezet om het hun wat gemakkelijker te maken, kwamen we nog met een behoorlijk vaartje vooruit.Naar onze berekening maakten we op die wijze nog over een afstand van tweehonderd mijlen gebruik van de rivier. Toen werd deze echter steeds smaller, en na nog een dag reizens, kwamen we aan een geweldigen waterval, die ons plotseling verhinderde verder te varen. ’t Was alsof de heele watermassa opeens loodrecht van een hoogte van omstreeks zestig voet naar beneden stortte meteen donderend geraas, waarbij ons hooren en zien verging en dat we al op tien mijlen afstands gehoord hadden, zonder te weten wat het veroorzaakte.Kwamen we aan een geweldige waterval.Kwamen we aan een geweldige waterval.Hadden we kano’s of andere bootjes bezeten die gepagaaid of geroeid konden worden, dan zouden we de rivier nog wel een tweehonderd mijlen bevaren hebben, maar nu lieten we de gevangenen die elkaar aan de lijn hadden afgewisseld, het eerst van boord gaan en allen met elkaar een welverdiende rust genieten.Gedurende dit heele traject hadden we mooie vruchtbare groene oevers gezien met veel vee en hier en daar een paar menschen. ’t Bleek evenwel dat onze negers zich niet met hen verstaanbaar konden maken daar ze een andere taal sprakenen tot een anderen stam behoorden.Wilde beesten hadden we nauwelijks ontmoet. Slechts eenmaal, twee dagen voor we den waterval bereikten, zagen we aan den noordelijken oever—onze gevangenen waren alle aan de zuidzijde van den stroom—drie prachtexemplaren van luipaarden die roerloos op den hoogen oever stonden te kijken.Onze kanonnier kreeg ze het eerst in ’t oog, vloog weg om zijn geweer te halen, stopte er een extra kogel in en riep me toe: „Zeg, Kap’tein Bob, waar zit je prins ergens?” en toen ik hem gehaald had, verzocht hij hem: „Waarschuw je mannen dat ze niet bang moeten zijn, maar eens goed kijken hoe dit vuurding in mijn hand op grooten afstand de wilde dieren kan dooden.”Hoewel hun aanvoerder onmiddellijk het verzoek opvolgde, keken de arme negers elkaar toch aan alsof ze ieder oogenblik hun eigen dood verwachtten. Angstig staarden ze daarop naar den kanonnier die, uitstekend schutter als hij was, aanlegde en een der dieren met twee kogels in den kop trof. Het luipaard sprong op, stond een oogenblik op de achterpooten, zwaaide met zijn voorpooten heen en weer, viel op zijn rug, lag nog even huilend en grommend te stuiptrekken en bleef dood, terwijl de andere twee, verschrikt door het schot waren weggevlucht en in minder dan geen tijd uit het gezicht verdwenen.Maar de ontsteltenis der luipaarden haalde niet bij die van onze negers! Vier of vijf van hen stortten neer alsof ze getroffen waren, verscheiden anderevielen op deknieënen hieven hun handen tot ons op; of dit was uit vereering of om den dood af te weren, weet ik niet, en het kostte hun aanvoerder wien wij verzochten hen gerust te stellen, heel wat moeite hen weer tot rede te brengen. Ja de prins zelf—ofschoon geheel door ons voorbereid en op de hoogte van wat er gebeuren zou—sprong, toen het schot afging, omhoog zoodat we vreesden hem in de rivier te zien terecht komen.Toen we den luipaard dood zagen liggen, bekroop mij de begeerte naar zijn mooie huid en ik beduidde dus den prins het dier door zijn mannen te laten stroopen. Nauwelijks had hij hun mijn wensch kenbaar gemaakt, of verscheiden negers boden zich aan, waarvan hij er vier aanwees, die onmiddellijk in de rivier sprongen en naar den overkant zwommen. Met een mes, den aanvoerder vroeger door ons geschonken, had hij, ongelooflijk handig, vier zeer bruikbare houten messen gemaakt, en hiermee gewapend trokken de zwarten aan ’t werk. In minder dan een uur brachten ze me de huid, die van kop tot staart ongeveer zeven voet lang was, over den rug gemeten nagenoeg vijf voet breed en buitengewoon mooi gevlekt. Ik bewaarde de vacht dan ook zuinig en nam hem jaren later mee naar Londen.Nu ons vaartuig niet verder gebruikt kon worden en we allen ontscheept waren, stonden we dus, wat het voortzetten der reis betrof, allemaal gelijk. Geen wonder echter dat het in den steek laten van onze met moeite veroverde sloep ons aan ’t hart ging, en daar de rivier zijn weg nog vele mijlenvervolgen zou, kwam een van ons op de gedachte om ons schip uit elkaar te slaan en van het hout kleine bootjes te maken, waarmee we den stroom zouden kunnen opvaren. Onze timmerlui voorzagen evenwel, dat hier heel veel tijd mee zou gemoeid zijn en we, bij gebrek aan spijkers, pek en teer, er niet in zouden slagen onze vaartuigjes waterdicht te maken. Toen de prins onze bezwaren begreep, raadde hij ons te wachten tot we een paar groote boomen aan den oever vonden. Zijn mannen konden ons dan in een vierde van den tijd een paar kano’s maken, die ons dezelfde diensten zouden bewijzen als onze bootjes, en die ze, kwamen we aan een waterval, op hun schouders konden nemen en dragen tot de stroom opnieuw bevaarbaar zou zijn.Het verstandige van dezen raad inziende, trokken we ons hart van de sloep af, en sleepten we het scheepje in een nauwen inham, waar een beek in de rivier mondde, en reizigers die na ons mochten komen, er misschien nog iets aan hebben zouden.Hoe ongelooflijk het klinken moge, gingen er toch nog twee dagen heen met het verdeelen en opladen van al ons reisgoed.Met onze munitie—misschien het kostbaarste, van wat we bezaten—handelden we aldus: het kruit verdeelden we in kleine leeren zakjes—d.w.z. zakjes van gedroogde huiden, het haar naar binnen, om den inhoud goed droog te bewaren. Daarna stopten we die zakjes in andere zakken van stierenhuiden, met het haar naar buiten om alle vocht er uit te weren, en deze methode bleek zóó practisch, datwe er zelfs bij de geweldigste en aanhoudendste regens in slaagden, ons kruit volkomen droog te bewaren. Buiten deze zakjes die ons groote magazijn vormden, deelden we nog aan ieder een kwart pond kruit en een half pond kogels uit om altijd bij de hand te hebben. Meer dan het hoognoodige besloten we, met het oog op de hitte, niet op ons te dragen.Daar wij tot nu toe niet verder het land in waren gegaan, maar steeds aan den oever waren gebleven, hadden we nog zeer weinig aanraking met de bewoners van die streken gehad. Onze sloep had heel wat provisie aan boord, dus behoefden we niet op jacht te gaan naar mondkost, maar nu onze voetreizen weer aanvingen, moesten we natuurlijk naar voedsel omzien.De eerste plek dicht bij de rivier, waar we ons even ophielden was een kleine negerkolonie van ongeveer vijftig hutten met naar schatting een vierhonderdtal bewoners.Bij onze nadering kwamen allen te voorschijn, om ons verbaasd aan te gapen, en toen ze onze gevangenen zagen, grepen de hutbewoners naar de wapens, meenende dat een vijandelijke stam hen kwam bestrijden. Hoewel onze negers hun taal niet kenden, wisten ze hun gauw te beduiden, dat ze geen wapens droegen en zelfs twee aan twee aan elkaar waren gebonden, waartoe de Zwarte Prins hen weer gedwongen had, en dat de blanken hen allen naar willekeur konden dooden en weer levend maken, maar dat ze met vreedzame bedoelingen kwamen.Zoodra dit tot hen was doorgedrongen, legden ze hun lansen, pijlen en bogen neer en haalden twaalf staken, die ze als een vredesteeken in den grond plantten, zich diep en eerbiedig voor ons terneer buigende. Nauwelijks echter kregen ze een paar van onze mannen, die een baard of knevel droegen, in ’t oog, of ze renden onder angstig geschreeuw weg.Van meening dat het verstandiger was niet te gauw vertrouwelijk met hen te worden, hielden we ons op een afstand, en droegen onze gevangenen op, hen te beduiden dat we voedsel verlangden.Schijnbaar zeer bereidwillig kwamen ze daarop met een paar zwarte runderen aan—dat gedeelte van Afrika scheen een overvloed van koeien, buffels en ook veel herten op te leveren—en toen onze fijnsmid, die nu een heelen voorraad sieradiën vervaardigd had, hun eenige van diefraaiighedenaanbood, waren ze uitgelaten van vreugde. Uit dankbaarheid brachten ze ons allerlei vruchten en wortels, die wij tot nu toe niet kenden, maar die onze gevangenen zich voortreffelijk lieten smaken, waarop wij ook veilig konden toetasten.Nadat we ons op deze nederzetting flink van vleesch en plantenkost voorzien hadden, verdeelden wij den last onder onze negers, ieder zoo ongeveer dertig pond toewijzende, wat meer dan voldoende was in zoo’n heet klimaat. De wilden voelden er zich blijkbaar volstrekt niet door bezwaard, maar hielpen elkaar nog wanneer er eens een vermoeidheid toonde, wat evenwel zeer zelden voorkwam. Buitendien werden hun lasten—evenals Aesopus’ broodmand—daar ze hoofdzakelijk uit mondkost bestonden, met den dag lichter, tot we weer een gelegenheid vonden, het verbruikte aan te vullen.—Ik moet hierbij opmerken dat we hun handen, wanneer ze dragen moesten, losmaakten, doch hen dan twee aan twee met een hunner voeten aan elkaar bonden.Den derden dag na het opbreken van onze laatste rustplaats, verzocht onze eerste timmerman ons halt te houden en onze hutten op te slaan, daar hij een paar boomen in ’t oog had gekregen, die hem buitengewoon geschikt schenen, om er kano’s van te maken. Naar zijn oordeel zouden we nog lang genoeg op de been moeten zijn als we de rivier niet meer onder ons bereik hadden, en hij voor zich had ten minste vast besloten niet meer te loopen, dan strikt noodig was. Dit denkbeeld leek verstandig, en nauwelijks hadden we het aan de negers vertolkt en hen van hun lasten ontheven, of ze trokken aan ’t werk. Met verwondering zagen we, hoe ze, ondanks hun gebonden voeten, met groote vaardigheid in zeer korten tijd een aantal hutten bouwden.Onder waarborg van hun aanvoerder, lieten wij eenige van de zwartjes hier geheel vrij om ze tot handlangers van de timmerlui aan te stellen, ’t geen ze na enkele aanwijzingen zeer handig deden.Eenige anderen zonden wij uit om te zien, of ze in de buurt ook voedsel konden bemachtigen, maar in plaats daarvan kwamen er drie van hen terug met bogen en pijlen en vijf lansen. Slechts met moeite konden we uit hun verklaringen wijs worden, dat ze die wapens gevonden hadden ineen paar verlaten hutten, waaruit de vrouwen en kinderen bij hun nadering schenen weggevlucht.Terwijl we ons zeer boos hielden, lieten we hen door den Zwarten Prins vragen of ze die vrouwen en kinderen niet vermoord hadden. Mocht dit de ware toedracht der zaak zijn, dan zouden wij hen tot straf ook laten dooden. Ze betuigden echter zóó nadrukkelijk hun onschuld, dat we hen vergaven.De lansen, bogen en pijlen leverden ze ons onmiddellijk uit, maar op voorstel van hun vorst gaven we hun de pijlen en bogen terug om te zien of ze wat vogels of wild voor ons konden schieten.Tegelijkertijd schreven we hun de wapenwet voor, hierin bestaande, dat wanneer iemand hen ooit mocht aanvallen of op hen schieten of op eenige wijze geweld aandoen, zij hem mochten dooden, maar dat ze niemand leed mochten toebrengen, die met vreedzame bedoelingen tot hen kwam en de wapens neerlegde. Ook was het onder geen beding geoorloofd tegen vrouwen of kinderen de wapens te hanteeren. Aan deze voorschriften zou streng de hand worden gehouden.De beide negers zullen zoo ongeveer drie of vier uur weg zijn geweest, toen een van hen zonder zijn pijl en boog in draf terugkwam, al maar roepende „Okoamo! Okoamo!” ’t geen „Help! Help!” scheen te beteekenen.De andere gevangenen vlogen dan ook haastig op en liepen naar hen toe, zoo snel als hun koppelbanden het veroorloofden, terwijl de Zwarte Prins keek, alsof er iets ongelukkigs gebeurd was en eenige onzer mannen al naar de wapens grepenom op alle mogelijkheden bedacht te zijn. Maar de zaak werd ons al heel gauw duidelijk, toen vier onzer gevangenen na korten tijd terugkeerden met een flinken last vleesch op hun schouders. De twee zwarten die verlof hadden gekregen er met pijl en boog op uit te gaan, hadden in de vlakte een groote kudde herten aangetroffen en zich zóó goed van hun wapens bediend, dat ze er drie schoten. Een der jagers was daarop teruggekomen om hulp te halen voor het wegdragen der zware dieren.Daar dit het eerste wild was, dat we tot nu toe op onze voetreis ontmoet hadden, smulden we er terdege aan en zelfs onze Prins liet zich overhalen om zijn vleesch gebraden te eten zooals wij, een voorbeeld, dat bij de overige inboorlingen, die het tot nu toe nooit anders dan rauw gegeten hadden, navolging vond.Feitelijk speet het ons nu, niet meer pijlen en bogen bij ons te hebben, want we begonnen onze negers meer en meer te vertrouwen en lieten ze voor een groot deel zonder banden rondloopen.Alleen al, omdat ze zonder ons den weg niet wisten te vinden, waren we overtuigd, dat ze terug zouden komen. Onze geweren vertrouwden we hun evenwel niet toe, en we lieten ze graag in den waan dat er een bovennatuurlijke kracht in die wapens stak, die vuur, rook en donder te voorschijn riep en wanneer men het hen slechts beval, op groote afstanden doodde.Na verloop van acht dagen waren er drie kano’s klaar, waarin wij onze blanke manschappen, onze bagage, den Prins en eenige gevangenen inscheepten.Een paar der onzen moesten altijd aan den oever blijven, niet alleen om de negers te bewaken, doch ook om hen te verdedigen tegen mogelijke aanvallen van wilde dieren.Op dezen tocht zagen we voor ’t eerst eenige olifanten en leeuwen en merkten op, dat de inboorlingen veel meer angst voor deze dieren hadden dan wij—waarschijnlijk omdat hun de wapenen ontbraken waarmee ze gewend waren om te gaan en zich te verdedigen.Door steeds met onze geweren gereed te zijn, genazen we hen echter al heel gauw van dien overdreven angst.Voordeel van het schieten dezer dieren hadden wij volstrekt niet; het vleesch was ongenietbaar en hun huiden meenemen zou ons slechts last hebben veroorzaakt; dus besloten wij, om onze kostbare munitie te sparen, bij eenige onzer geweren enkel wat los kruit op de pan te doen, want de vuurstraal en de slag van het kruit alleen deed hen al zoo geweldig schrikken, dat ze—zelfs de leeuwen—onmiddellijk aan den haal gingen.Naarmate wij den bovenloop der rivier verder volgden, werd de streek dichter bewoond; ook vee scheen hier in overvloed te leven, vooral in de nabijheid der rivier.Den achtsten dag, nadat we onze kanovaart hadden aangevangen kwamen we aan een negerdorp, waar omheen een korenachtig gewas, dat aan rijst deed denken, verbouwd werd, ’t geen uitstekend smaakte. Na wat loven en bieden stonden de inwoners ons wat van dit product af, en toen weer een soort van brooden of koeken van gekneed hadden, bakten we ze op den grond. Eerst stookten we n.l. een vuurtje, veegden de asch weg en roosterden de koeken op de heete aarde. Zoo ontbrak het ons dus tot nu toe aan niets.Daar de negers afwisselend aan de lijn liepen, schoten onze kano’s vrij snel door ’t water; naar onze berekening moesten wij stellig ruim twintig mijlen per dag vorderen. De diepe stroom behield gedurende dit traject overal ongeveer dezelfde breedte, tot we den tweeden dag aan een tweeden waterval kwamen.Een hooge bergketen doorkruiste hier de bedding, en het water stortte op zoo’n eigenaardige, schilderachtige manier van rots op rots, dat zich een lange reeks watervallen vormde die onderling wel eens een kwart mijl van elkaar verwijderd lagen. Het geraas was oorverdoovend.Aanvankelijk vreesden we dat het nu voor goed met het varen gedaan zou zijn, maar toen drie van ons met een paar negers een hoogen heuvel beklommen hadden, om den loop der rivier te overzien, brachten ze het blijde nieuws, dat er op ongeveer een kwartier afstands weer een glad vaarwater begon, dat oogenschijnlijk niet gauw onderbroken zou worden.Met frisschen moed sloegen we dus allen de handen aan ’t werk om onze kano’s aan wal te sleepen en te beproeven of we ze konden dragen.Dat viel lang niet mee, maar gelukkig konden onze timmerlui ze in ongeveer een dag veel lichter maken door er al het overtollige hout van buitenaf te hakken en te steken. Toen dat karwei volbracht was, namen tien negers een der kano’s op lange dikke stokken en droegen het vaartuigje zonder eenige zichtbare inspanning weg, na welke proefneming we voor elke kano twintig man aanwezen, opdat ze elkaar zouden kunnen aflossen.Een hoogen heuvel beklommen hadden.Een hoogen heuvel beklommen hadden.Op deze wijze vervoerden we onze kleine vloot, en toen ze hoogerop weer te water was gelaten, keerden we terug om onze bagage te halen en in te laden, waarna wij den volgenden morgen vroeg de reis hervatten.Toen we zoo weer een dag of vier verder getrokken waren, merkte onze kanonnier, ook tot loods aangesteld, op, dat we eenigszins van de richting afweken die we ons hadden voorgenomen te volgen.De stroom begon namelijk naar ’t noorden te buigen.Maar we wilden het groote voordeel van een vervoer te water niet gaarne opgeven en besloten dus nog een tweehonderd mijlen verder te varen. Hier werd de bedding echter zeer nauw en ondiep en merkten we buitengewoon veel beken en stroompjes op, die zich in de rivier ontlastten, tot deze zelf niet meer dan een groote beek werd.Zoover onze kano’s varen konden, lieten we ons nog trekken, wat alleen mogelijk bleek door alle bagage er uit te halen, maar eindelijk en ten laatste, na twaalf dagen reizens langs den bovenstroom, moesten we van alle verdere transport te water afzien.Dat we den tocht nu op zoo’n veel meer inspannende wijze zouden dienen voort te zetten was nog het ergste niet; maar met groote zorg dachten we aan onze zoetwaterprovisie. We beklommen dan ook elken bergtop die onder ons bereik kwam, om te zien welken weg we het best zouden kunnen volgen om altijd water bij de hand te hebben.Gedurende dertig dagen marcheerden we door een vruchtbare, vrij dichtbevolkte streek, rijk aan boomen en water en maakten we het ons zoo aangenaam mogelijk door te rusten of te loopen, al naarmate we lust gevoelden en de lichamelijke toestand van onszelf en onze negers dit vereischte.Omstreeks het midden van dien tocht, kwamen we aan een kleine laagvlakte, waar zich een opmerkelijk dichte bevolking gevestigd had, een onaangenameontdekking, daar het woeste, ruwe, onbetrouwbare menschen bleken te zijn, die ons als roovers beschouwden en onmiddellijk bijeenscholen om ons aan te vallen.Met angst namen onze negers de vijandelijke houding waar, en zelfs onze Zwarte Prins legde een ongewone vrees aan den dag, maar ik hield hem een onzer geweren voor en vroeg hem glimlachend, of hij niet vertrouwde dat het wapen, dat de gevlekte kat op zoo’n grooten afstand doodde, in staat zou zijn een heele bende van die naakte wezens met één schot te doen sterven, waarop hij lachte en bevestigend knikte.„Goed,” zei ik, „vertel uw mannen dan, dat ze geen angst behoeven te hebben. Als dit vreemde volk ons te na komt, zullen we ze laten gevoelen wat onze geweren kunnen uitrichten.”Ondanks deze grootspraak voelden we ons evenwel zelf ook niet geheel op ons gemak. We bevonden ons in een uitgestrekt land en wisten natuurlijk in de verste verte niet, hoe talrijk en gevaarlijk de omwonende volksstammen konden zijn. Best mogelijk dat we de hulp van onze naaste omgeving nog eens noodig zouden hebben, en dus leek het ons ’t verstandigst onze gevangenen aan te sporen, als ’t kon, vriendschap te sluiten met de achterdochtige vreemdelingen.We zonden dus de twee mannen die pijlen en bogen hadden en twee die we de mooie lansen van den Zwarten Prins toevertrouwden, op het dorp af, met nog vijf onzer gevangenen die lange staken droegen. Op korten afstand van hen volgden tiender onzen, terwijl wij ons allen bereid hielden om te hulp te snellen, zoodra dit noodig mocht blijken.Toen ze de hutten naderden, begonnen onze negers, op de bij hen gebruikelijke manier, te roepen en te schreeuwen, waarop de mannen antwoordden door een tegenroep die onmiddellijk de geheele bevolking—mannen, vrouwen en kinderen—op de been bracht. Daarop traden onze negers nog wat verder naar voren, om hun staken in den grond te planten, ten teeken van vredelievendheid, doch de vreemde volksstam scheen dit symbool niet te verstaan. Ten slotte legden de boogdragers dit wapen neer en begonnen ze verschillende vredesteekenen te maken, die de dorpelingen eindelijk schenen te begrijpen. Twee van hen ten minste legden ook hun bogen af en kwamen nader. Op alle denkbare manieren trachten de onzen nu hun vriendschappelijke gezindheid te uiten, en ten slotte brachten ze ook de handen aan den mond om hen te beduiden dat we voedsel noodig hadden, waarop de onderhandelaars met vriendelijke gebaren naar hun makkers terugkeerden. Na eenig druk heen en weer gepraat kwamen ze terug om ons kenbaar te maken, dat ze ons nog voor zonsondergang mondkost zouden bezorgen.Een uur voor zonsondergang stelden de onzen zich weer in dezelfde volgorde op om de beloofde eetwaren: wild, wortelen en de reeds besproken rijstsoort in ontvangst te nemen. Uit erkentelijkheid boden we hun eenige van onze ijzeren snuisterijen aan, waarover ze niet minder verheugd schenendan de zwarten van andere stammen.Den volgenden dag verschenen ze opnieuw, doch nu in veel sterker aantal. We bekommerden ons hier echter niet veel om, daar tien man met geladen geweer gereed stonden, en onze heele troep hen naar wij meenden eerbied zou inboezemen; maar ons vertrouwen bleek te groot te zijn geweest. Nauwelijks zagen ze onze gevangenen naderen tot aan de plek waarop ze den vorigen dag onderhandeld hadden, of ze grepen pijl en boog en stormden als ware furien op hen aan. Op bevel onzer schutters zochten onze zwartjes beveiliging achter de gewapende macht. Terwijl zij vluchtten, schoten de vijanden wel een honderd pijlen op hen af, waardoor twee onzer negers gewond werden en een voor dood bleef liggen. Bij de staken gekomen, die onze gezanten in den grond hadden geplant, bleven ze staan, bekeken en betastten de voorwerpen en schenen maar niet te begrijpen wat ze beteekenden. Nu zonden we uit onze achterhoede bericht naar de tien voorste gewapenden met bevel te schieten en de gewone lading nog met een partijtje schroot te versterken, waarna wij ons zoo snel mogelijk bij hen zouden voegen. Op dit oogenblik zette zich het zwarte leger in beweging. Toen de aanvallers evenwel achter de nu veilig opgestelde negers nog een troep gewapende blanken ontdekten, aarzelden ze, niet wetende wat ze van ons maken moesten, en stellig nam hun verwondering niet weinig toe, toen ze onze mannen op een dichten drom der hunnen zagen aanleggen en ons salvo op een afstand van ongeveer honderd twintig meter losbrandde.’t Is onmogelijk den schrik en het afschuwelijke geschreeuw te beschrijven, dat op ons schieten volgde. Zes onzer aanvallers stortten dood neer, terwijl wij een dozijn gewonden telden. De niet-gewonden stonden verbaasd over de uitwerking van onze geheimzinnige wapens en konden maar niet begrijpen waardoor ze gedood waren, terwijl de vuurstraal en het knallen hun vrouwen en kinderen zóó buiten bezinning hadden gebracht, dat deze als een troep krankzinnigen weg liepen. Doch met dat al hadden we ons doel: de mannen op de vlucht te jagen, niet bereikt. Zij schenen ook geen van allen door den schrik gestorven te zijn zooals we onder andere negers hadden waargenomen, en dus besloten we een tweede salvo af te vuren en daarna op hen los te trekken. Inmiddels hadden we ook onze reserve laten naderen en spraken we af, slechts drie aan drie te schieten en in peletons vooruit te rukken. Allen op één linie staande, vuurden we nu beurtelings drie van rechts en drie van links, waarbij we telkens eenige onzer vijanden doodden, zonder hen echter tot vluchten te dwingen, hoewel ze zoo verschrikt waren, dat ze vergaten van hun eigen wapens gebruik te maken. Hun aantal scheen wel voortdurend aan te groeien, en dus riep ik onze mannen toe halt te houden, nog eens een salvo te lossen, daarna, evenals bij ons eerste gevecht, onder woest krijgsgeschreeuw op hen los te stormen en ze desnoods met onze geweerkolven af te maken.Maar ze waren te slim om het zoover te laten komen. Zoodra wij gevuurd hadden en onze krijgskretenaanhieven, nam de gansche bende overijld de vlucht. In minder dan geen tijd was er geen enkele vijand meer te zien, behalve dan de enkele gewonden, die zich kermend trachtten op te richten en hun makkers maar al te graag gevolgd waren.

Voorloopig dus vleeschvoorraad genoeg. Wat brood betreft moesten we ons tevreden stellen met een niet zeer smakelijk gebak van gemalen wortelen. Daarna overlegden we, hoe we aan groote knapzakken zouden komen om den mondkost in te vervoeren, en daar de geiten gedood waren, gaf ik bevel de huiden in de zon uit te spreiden, waarna ze binnen twee dagen zoo droog waren als we maar konden wenschen. Toen de Zwarte Prins begreep waarvoor ze bestemd waren en hoe gemakkelijk een last hierdoor te dragen viel, glimlachte hij en zond een paar mannen weg, die, geholpen door twee andere negers, met een grooten voorraad huiden terugkwam. Deze huiden bleken veel beter gedroogd en behandeld dan de onze en van diersoorten, ons tot nu toe onbekend.

Verder brachten de zwarten hun vorst nog twee lansen mee, ongeveer zooals ze die in hun gevechten gebruikten, doch veel mooier. Ze waren van een donkere houtsoort vervaardigd, die aan ebbenhout deed denken en aan ’t uiteinde voorzien van een scherpe punt, bestaande uit een langen tand van ’t een of ander wild dier. Met verbazing en bewonderingvoelden we hoe scherp de spits was en hoe stevig de tand, niet langer dan mijn duim, er in bevestigd zat.

De vorst wilde de wapens niet aannemen voor ik hem verlof gaf en wenkte de inboorlingen, ze mij aan te bieden, doch ik stond hem gaarne toe ze zelf te gebruiken, daar ik hem als een man van nobele en rechtvaardige beginselen meende te mogen beschouwen.

Toen we marschvaardig stonden, kwam de Prins naar mij toe, om mij, achtereenvolgens naar de vier windstreken wijzende, te vragen, welken kant we dachten uit te trekken, en toen ik naar het westen wees, beduidde hij ons, dat er, iets noordelijker, een stroom liep die onze sloep verscheiden mijlen ver landwaarts in zou kunnen brengen.

Dankbaar van den wenk gebruik makende, stelde ik mijn makkers voor, onze reis op deze wijze te vergemakkelijken.

Volgens den Prins was de riviermonding omstreeks een dagreis van ons verwijderd, en onze kaarten raadplegende, moest het de rivier zijn, die op het meest noordelijke gedeelte van de kust van Mozambique staat aangegeven en daar Quilloa genoemd wordt.

Na rijp beraad, besloten we den prins en zooveel van de gevangenen als we bergen konden in ons schip te nemen en den stroom bij de baai binnen te varen, terwijl acht der onzen met de overige gevangenen over land naar de rivier zouden trekken en hen daar ontmoeten. Dit was gemakkelijk te doen, daar de afstand tot aan een zuidelijke bocht—van een heuvel af duidelijk te zien—naar onze schatting niet meer dan zeven mijlen kon bedragen.

Bij vier tegelijk door de dieren dragen.Bij vier tegelijk door de dieren dragen.

Bij vier tegelijk door de dieren dragen.

Mij viel het lot te beurt den tocht te voet te maken en als aanvoerder van de kleine karavaan op te treden. Behalve zevenendertig gevangenen kreeg ik acht van onze gewapende mannen mee, terwijl we alle bagage aan boord lieten. Eigenaardig, zoo tam als de jonge stieren waren, die we voor ons uitdreven! De negers lieten zich, soms bij vier tegelijk, door de goedige dieren dragen; ze aten uit onze hand, likten ons de voeten en waren zoo volgzaam als huishonden.

Behalve de stieren hadden we ook zes of zeven koeien voor onze voeding, en tot groote verbazing van de negers zagen ze later hoe we het rundvleeschzoutten en droogden, een manier die ze buitengewoon lekker schenen te vinden en gretig navolgden.

Voor ons, die de reis over land maakten, bleek het al een heel gemakkelijke tocht, maar het duurde ongeveer vijf dagen eer de anderen ons daar troffen. De wind was in de baai geheel gaan liggen en de afstand langs de rivier, door een niet verwachte kromming in haar loop, ongeveer vijftig Engelsche mijlen.

Gelukkig konden we den wachttijd nuttig besteden, daar de inboorlingen die den Prins de mooie lansen gebracht hadden, ons leerden een soort van flesschen van geitenvellen te maken om daar zoet water in te bewaren; en de zwartjes deden dit zoo handig, dat—nog eer ons schip in zicht kwam—ieder voorzien was van een buidel of blaasvormigen zak, dien ze door middel van een riem, uit smalle reepjes van een andere huid gesneden, over hun schouder hingen.

Ten einde ons van den trouw der mannen te verzekeren, had de Prins bevolen, hen twee aan twee met de polsen aan elkaar te binden, zooals we bij ’t vervoer van Engelsche gevangenen doen, en hij wist hen zoo te overtuigen van het redelijke van dezen eisch, dat hij er hen toe bracht zichzelf te koppelen, waarvoor hij er vier van hen aanwees. Wij vonden hen echter zoo betrouwbaar en vooral zoo absoluut gehoorzaam aan hun aanvoerder, dat we hen, toen we wat verder weg waren van de streek waar ze gewoond hadden, de volledige vrijheid van beweging hergaven.

De oevers der rivier waren zoover wij zien konden,vrij hoog; nergens moerassig land; het groen zag er malsch en frisch uit en waar we ook keken, ontdekten we dan ook kleine kudden vee, die hier blijkbaar naar hartelust voedsel vonden. In onze onmiddellijke nabijheid lag geen bosch, doch verderop onderscheidden we ceders, eiken en sparren, sommige kolossaal hoog.

De rivier was ongeveer zoo breed als de Theems bij Gravesend en vrij diep. Gebruik makende van den vloed en van de windrichting, die nog steeds Oost en O. N. O. bleef, zeilden we vroolijk de rivier op en vorderden zelfs nog behoorlijk, toen de eb intrad, maar zoodra we den invloed van ’t getij niet meer ondergingen en de stroom in volle kracht tegen kregen, werd het ons te machtig en begonnen we er ernstig over te denken ons schip te verlaten. Onze Prins wilde hier evenwel niet van hooren, en daar hij gezien had, dat we een vrij grooten voorraad gevlochten vezeltouw aan boord hadden, beval hij al de gevangenen aan wal, die touwen beet te pakken en ons te trekken, en daar we ons zeil hadden opgezet om het hun wat gemakkelijker te maken, kwamen we nog met een behoorlijk vaartje vooruit.

Naar onze berekening maakten we op die wijze nog over een afstand van tweehonderd mijlen gebruik van de rivier. Toen werd deze echter steeds smaller, en na nog een dag reizens, kwamen we aan een geweldigen waterval, die ons plotseling verhinderde verder te varen. ’t Was alsof de heele watermassa opeens loodrecht van een hoogte van omstreeks zestig voet naar beneden stortte meteen donderend geraas, waarbij ons hooren en zien verging en dat we al op tien mijlen afstands gehoord hadden, zonder te weten wat het veroorzaakte.

Kwamen we aan een geweldige waterval.Kwamen we aan een geweldige waterval.

Kwamen we aan een geweldige waterval.

Hadden we kano’s of andere bootjes bezeten die gepagaaid of geroeid konden worden, dan zouden we de rivier nog wel een tweehonderd mijlen bevaren hebben, maar nu lieten we de gevangenen die elkaar aan de lijn hadden afgewisseld, het eerst van boord gaan en allen met elkaar een welverdiende rust genieten.

Gedurende dit heele traject hadden we mooie vruchtbare groene oevers gezien met veel vee en hier en daar een paar menschen. ’t Bleek evenwel dat onze negers zich niet met hen verstaanbaar konden maken daar ze een andere taal sprakenen tot een anderen stam behoorden.

Wilde beesten hadden we nauwelijks ontmoet. Slechts eenmaal, twee dagen voor we den waterval bereikten, zagen we aan den noordelijken oever—onze gevangenen waren alle aan de zuidzijde van den stroom—drie prachtexemplaren van luipaarden die roerloos op den hoogen oever stonden te kijken.

Onze kanonnier kreeg ze het eerst in ’t oog, vloog weg om zijn geweer te halen, stopte er een extra kogel in en riep me toe: „Zeg, Kap’tein Bob, waar zit je prins ergens?” en toen ik hem gehaald had, verzocht hij hem: „Waarschuw je mannen dat ze niet bang moeten zijn, maar eens goed kijken hoe dit vuurding in mijn hand op grooten afstand de wilde dieren kan dooden.”

Hoewel hun aanvoerder onmiddellijk het verzoek opvolgde, keken de arme negers elkaar toch aan alsof ze ieder oogenblik hun eigen dood verwachtten. Angstig staarden ze daarop naar den kanonnier die, uitstekend schutter als hij was, aanlegde en een der dieren met twee kogels in den kop trof. Het luipaard sprong op, stond een oogenblik op de achterpooten, zwaaide met zijn voorpooten heen en weer, viel op zijn rug, lag nog even huilend en grommend te stuiptrekken en bleef dood, terwijl de andere twee, verschrikt door het schot waren weggevlucht en in minder dan geen tijd uit het gezicht verdwenen.

Maar de ontsteltenis der luipaarden haalde niet bij die van onze negers! Vier of vijf van hen stortten neer alsof ze getroffen waren, verscheiden anderevielen op deknieënen hieven hun handen tot ons op; of dit was uit vereering of om den dood af te weren, weet ik niet, en het kostte hun aanvoerder wien wij verzochten hen gerust te stellen, heel wat moeite hen weer tot rede te brengen. Ja de prins zelf—ofschoon geheel door ons voorbereid en op de hoogte van wat er gebeuren zou—sprong, toen het schot afging, omhoog zoodat we vreesden hem in de rivier te zien terecht komen.

Toen we den luipaard dood zagen liggen, bekroop mij de begeerte naar zijn mooie huid en ik beduidde dus den prins het dier door zijn mannen te laten stroopen. Nauwelijks had hij hun mijn wensch kenbaar gemaakt, of verscheiden negers boden zich aan, waarvan hij er vier aanwees, die onmiddellijk in de rivier sprongen en naar den overkant zwommen. Met een mes, den aanvoerder vroeger door ons geschonken, had hij, ongelooflijk handig, vier zeer bruikbare houten messen gemaakt, en hiermee gewapend trokken de zwarten aan ’t werk. In minder dan een uur brachten ze me de huid, die van kop tot staart ongeveer zeven voet lang was, over den rug gemeten nagenoeg vijf voet breed en buitengewoon mooi gevlekt. Ik bewaarde de vacht dan ook zuinig en nam hem jaren later mee naar Londen.

Nu ons vaartuig niet verder gebruikt kon worden en we allen ontscheept waren, stonden we dus, wat het voortzetten der reis betrof, allemaal gelijk. Geen wonder echter dat het in den steek laten van onze met moeite veroverde sloep ons aan ’t hart ging, en daar de rivier zijn weg nog vele mijlenvervolgen zou, kwam een van ons op de gedachte om ons schip uit elkaar te slaan en van het hout kleine bootjes te maken, waarmee we den stroom zouden kunnen opvaren. Onze timmerlui voorzagen evenwel, dat hier heel veel tijd mee zou gemoeid zijn en we, bij gebrek aan spijkers, pek en teer, er niet in zouden slagen onze vaartuigjes waterdicht te maken. Toen de prins onze bezwaren begreep, raadde hij ons te wachten tot we een paar groote boomen aan den oever vonden. Zijn mannen konden ons dan in een vierde van den tijd een paar kano’s maken, die ons dezelfde diensten zouden bewijzen als onze bootjes, en die ze, kwamen we aan een waterval, op hun schouders konden nemen en dragen tot de stroom opnieuw bevaarbaar zou zijn.

Het verstandige van dezen raad inziende, trokken we ons hart van de sloep af, en sleepten we het scheepje in een nauwen inham, waar een beek in de rivier mondde, en reizigers die na ons mochten komen, er misschien nog iets aan hebben zouden.

Hoe ongelooflijk het klinken moge, gingen er toch nog twee dagen heen met het verdeelen en opladen van al ons reisgoed.

Met onze munitie—misschien het kostbaarste, van wat we bezaten—handelden we aldus: het kruit verdeelden we in kleine leeren zakjes—d.w.z. zakjes van gedroogde huiden, het haar naar binnen, om den inhoud goed droog te bewaren. Daarna stopten we die zakjes in andere zakken van stierenhuiden, met het haar naar buiten om alle vocht er uit te weren, en deze methode bleek zóó practisch, datwe er zelfs bij de geweldigste en aanhoudendste regens in slaagden, ons kruit volkomen droog te bewaren. Buiten deze zakjes die ons groote magazijn vormden, deelden we nog aan ieder een kwart pond kruit en een half pond kogels uit om altijd bij de hand te hebben. Meer dan het hoognoodige besloten we, met het oog op de hitte, niet op ons te dragen.

Daar wij tot nu toe niet verder het land in waren gegaan, maar steeds aan den oever waren gebleven, hadden we nog zeer weinig aanraking met de bewoners van die streken gehad. Onze sloep had heel wat provisie aan boord, dus behoefden we niet op jacht te gaan naar mondkost, maar nu onze voetreizen weer aanvingen, moesten we natuurlijk naar voedsel omzien.

De eerste plek dicht bij de rivier, waar we ons even ophielden was een kleine negerkolonie van ongeveer vijftig hutten met naar schatting een vierhonderdtal bewoners.

Bij onze nadering kwamen allen te voorschijn, om ons verbaasd aan te gapen, en toen ze onze gevangenen zagen, grepen de hutbewoners naar de wapens, meenende dat een vijandelijke stam hen kwam bestrijden. Hoewel onze negers hun taal niet kenden, wisten ze hun gauw te beduiden, dat ze geen wapens droegen en zelfs twee aan twee aan elkaar waren gebonden, waartoe de Zwarte Prins hen weer gedwongen had, en dat de blanken hen allen naar willekeur konden dooden en weer levend maken, maar dat ze met vreedzame bedoelingen kwamen.

Zoodra dit tot hen was doorgedrongen, legden ze hun lansen, pijlen en bogen neer en haalden twaalf staken, die ze als een vredesteeken in den grond plantten, zich diep en eerbiedig voor ons terneer buigende. Nauwelijks echter kregen ze een paar van onze mannen, die een baard of knevel droegen, in ’t oog, of ze renden onder angstig geschreeuw weg.

Van meening dat het verstandiger was niet te gauw vertrouwelijk met hen te worden, hielden we ons op een afstand, en droegen onze gevangenen op, hen te beduiden dat we voedsel verlangden.

Schijnbaar zeer bereidwillig kwamen ze daarop met een paar zwarte runderen aan—dat gedeelte van Afrika scheen een overvloed van koeien, buffels en ook veel herten op te leveren—en toen onze fijnsmid, die nu een heelen voorraad sieradiën vervaardigd had, hun eenige van diefraaiighedenaanbood, waren ze uitgelaten van vreugde. Uit dankbaarheid brachten ze ons allerlei vruchten en wortels, die wij tot nu toe niet kenden, maar die onze gevangenen zich voortreffelijk lieten smaken, waarop wij ook veilig konden toetasten.

Nadat we ons op deze nederzetting flink van vleesch en plantenkost voorzien hadden, verdeelden wij den last onder onze negers, ieder zoo ongeveer dertig pond toewijzende, wat meer dan voldoende was in zoo’n heet klimaat. De wilden voelden er zich blijkbaar volstrekt niet door bezwaard, maar hielpen elkaar nog wanneer er eens een vermoeidheid toonde, wat evenwel zeer zelden voorkwam. Buitendien werden hun lasten—evenals Aesopus’ broodmand—daar ze hoofdzakelijk uit mondkost bestonden, met den dag lichter, tot we weer een gelegenheid vonden, het verbruikte aan te vullen.—Ik moet hierbij opmerken dat we hun handen, wanneer ze dragen moesten, losmaakten, doch hen dan twee aan twee met een hunner voeten aan elkaar bonden.

Den derden dag na het opbreken van onze laatste rustplaats, verzocht onze eerste timmerman ons halt te houden en onze hutten op te slaan, daar hij een paar boomen in ’t oog had gekregen, die hem buitengewoon geschikt schenen, om er kano’s van te maken. Naar zijn oordeel zouden we nog lang genoeg op de been moeten zijn als we de rivier niet meer onder ons bereik hadden, en hij voor zich had ten minste vast besloten niet meer te loopen, dan strikt noodig was. Dit denkbeeld leek verstandig, en nauwelijks hadden we het aan de negers vertolkt en hen van hun lasten ontheven, of ze trokken aan ’t werk. Met verwondering zagen we, hoe ze, ondanks hun gebonden voeten, met groote vaardigheid in zeer korten tijd een aantal hutten bouwden.

Onder waarborg van hun aanvoerder, lieten wij eenige van de zwartjes hier geheel vrij om ze tot handlangers van de timmerlui aan te stellen, ’t geen ze na enkele aanwijzingen zeer handig deden.

Eenige anderen zonden wij uit om te zien, of ze in de buurt ook voedsel konden bemachtigen, maar in plaats daarvan kwamen er drie van hen terug met bogen en pijlen en vijf lansen. Slechts met moeite konden we uit hun verklaringen wijs worden, dat ze die wapens gevonden hadden ineen paar verlaten hutten, waaruit de vrouwen en kinderen bij hun nadering schenen weggevlucht.

Terwijl we ons zeer boos hielden, lieten we hen door den Zwarten Prins vragen of ze die vrouwen en kinderen niet vermoord hadden. Mocht dit de ware toedracht der zaak zijn, dan zouden wij hen tot straf ook laten dooden. Ze betuigden echter zóó nadrukkelijk hun onschuld, dat we hen vergaven.

De lansen, bogen en pijlen leverden ze ons onmiddellijk uit, maar op voorstel van hun vorst gaven we hun de pijlen en bogen terug om te zien of ze wat vogels of wild voor ons konden schieten.

Tegelijkertijd schreven we hun de wapenwet voor, hierin bestaande, dat wanneer iemand hen ooit mocht aanvallen of op hen schieten of op eenige wijze geweld aandoen, zij hem mochten dooden, maar dat ze niemand leed mochten toebrengen, die met vreedzame bedoelingen tot hen kwam en de wapens neerlegde. Ook was het onder geen beding geoorloofd tegen vrouwen of kinderen de wapens te hanteeren. Aan deze voorschriften zou streng de hand worden gehouden.

De beide negers zullen zoo ongeveer drie of vier uur weg zijn geweest, toen een van hen zonder zijn pijl en boog in draf terugkwam, al maar roepende „Okoamo! Okoamo!” ’t geen „Help! Help!” scheen te beteekenen.

De andere gevangenen vlogen dan ook haastig op en liepen naar hen toe, zoo snel als hun koppelbanden het veroorloofden, terwijl de Zwarte Prins keek, alsof er iets ongelukkigs gebeurd was en eenige onzer mannen al naar de wapens grepenom op alle mogelijkheden bedacht te zijn. Maar de zaak werd ons al heel gauw duidelijk, toen vier onzer gevangenen na korten tijd terugkeerden met een flinken last vleesch op hun schouders. De twee zwarten die verlof hadden gekregen er met pijl en boog op uit te gaan, hadden in de vlakte een groote kudde herten aangetroffen en zich zóó goed van hun wapens bediend, dat ze er drie schoten. Een der jagers was daarop teruggekomen om hulp te halen voor het wegdragen der zware dieren.

Daar dit het eerste wild was, dat we tot nu toe op onze voetreis ontmoet hadden, smulden we er terdege aan en zelfs onze Prins liet zich overhalen om zijn vleesch gebraden te eten zooals wij, een voorbeeld, dat bij de overige inboorlingen, die het tot nu toe nooit anders dan rauw gegeten hadden, navolging vond.

Feitelijk speet het ons nu, niet meer pijlen en bogen bij ons te hebben, want we begonnen onze negers meer en meer te vertrouwen en lieten ze voor een groot deel zonder banden rondloopen.

Alleen al, omdat ze zonder ons den weg niet wisten te vinden, waren we overtuigd, dat ze terug zouden komen. Onze geweren vertrouwden we hun evenwel niet toe, en we lieten ze graag in den waan dat er een bovennatuurlijke kracht in die wapens stak, die vuur, rook en donder te voorschijn riep en wanneer men het hen slechts beval, op groote afstanden doodde.

Na verloop van acht dagen waren er drie kano’s klaar, waarin wij onze blanke manschappen, onze bagage, den Prins en eenige gevangenen inscheepten.Een paar der onzen moesten altijd aan den oever blijven, niet alleen om de negers te bewaken, doch ook om hen te verdedigen tegen mogelijke aanvallen van wilde dieren.

Op dezen tocht zagen we voor ’t eerst eenige olifanten en leeuwen en merkten op, dat de inboorlingen veel meer angst voor deze dieren hadden dan wij—waarschijnlijk omdat hun de wapenen ontbraken waarmee ze gewend waren om te gaan en zich te verdedigen.

Door steeds met onze geweren gereed te zijn, genazen we hen echter al heel gauw van dien overdreven angst.

Voordeel van het schieten dezer dieren hadden wij volstrekt niet; het vleesch was ongenietbaar en hun huiden meenemen zou ons slechts last hebben veroorzaakt; dus besloten wij, om onze kostbare munitie te sparen, bij eenige onzer geweren enkel wat los kruit op de pan te doen, want de vuurstraal en de slag van het kruit alleen deed hen al zoo geweldig schrikken, dat ze—zelfs de leeuwen—onmiddellijk aan den haal gingen.

Naarmate wij den bovenloop der rivier verder volgden, werd de streek dichter bewoond; ook vee scheen hier in overvloed te leven, vooral in de nabijheid der rivier.

Den achtsten dag, nadat we onze kanovaart hadden aangevangen kwamen we aan een negerdorp, waar omheen een korenachtig gewas, dat aan rijst deed denken, verbouwd werd, ’t geen uitstekend smaakte. Na wat loven en bieden stonden de inwoners ons wat van dit product af, en toen weer een soort van brooden of koeken van gekneed hadden, bakten we ze op den grond. Eerst stookten we n.l. een vuurtje, veegden de asch weg en roosterden de koeken op de heete aarde. Zoo ontbrak het ons dus tot nu toe aan niets.

Daar de negers afwisselend aan de lijn liepen, schoten onze kano’s vrij snel door ’t water; naar onze berekening moesten wij stellig ruim twintig mijlen per dag vorderen. De diepe stroom behield gedurende dit traject overal ongeveer dezelfde breedte, tot we den tweeden dag aan een tweeden waterval kwamen.

Een hooge bergketen doorkruiste hier de bedding, en het water stortte op zoo’n eigenaardige, schilderachtige manier van rots op rots, dat zich een lange reeks watervallen vormde die onderling wel eens een kwart mijl van elkaar verwijderd lagen. Het geraas was oorverdoovend.

Aanvankelijk vreesden we dat het nu voor goed met het varen gedaan zou zijn, maar toen drie van ons met een paar negers een hoogen heuvel beklommen hadden, om den loop der rivier te overzien, brachten ze het blijde nieuws, dat er op ongeveer een kwartier afstands weer een glad vaarwater begon, dat oogenschijnlijk niet gauw onderbroken zou worden.

Met frisschen moed sloegen we dus allen de handen aan ’t werk om onze kano’s aan wal te sleepen en te beproeven of we ze konden dragen.

Dat viel lang niet mee, maar gelukkig konden onze timmerlui ze in ongeveer een dag veel lichter maken door er al het overtollige hout van buitenaf te hakken en te steken. Toen dat karwei volbracht was, namen tien negers een der kano’s op lange dikke stokken en droegen het vaartuigje zonder eenige zichtbare inspanning weg, na welke proefneming we voor elke kano twintig man aanwezen, opdat ze elkaar zouden kunnen aflossen.

Een hoogen heuvel beklommen hadden.Een hoogen heuvel beklommen hadden.

Een hoogen heuvel beklommen hadden.

Op deze wijze vervoerden we onze kleine vloot, en toen ze hoogerop weer te water was gelaten, keerden we terug om onze bagage te halen en in te laden, waarna wij den volgenden morgen vroeg de reis hervatten.

Toen we zoo weer een dag of vier verder getrokken waren, merkte onze kanonnier, ook tot loods aangesteld, op, dat we eenigszins van de richting afweken die we ons hadden voorgenomen te volgen.De stroom begon namelijk naar ’t noorden te buigen.

Maar we wilden het groote voordeel van een vervoer te water niet gaarne opgeven en besloten dus nog een tweehonderd mijlen verder te varen. Hier werd de bedding echter zeer nauw en ondiep en merkten we buitengewoon veel beken en stroompjes op, die zich in de rivier ontlastten, tot deze zelf niet meer dan een groote beek werd.

Zoover onze kano’s varen konden, lieten we ons nog trekken, wat alleen mogelijk bleek door alle bagage er uit te halen, maar eindelijk en ten laatste, na twaalf dagen reizens langs den bovenstroom, moesten we van alle verdere transport te water afzien.

Dat we den tocht nu op zoo’n veel meer inspannende wijze zouden dienen voort te zetten was nog het ergste niet; maar met groote zorg dachten we aan onze zoetwaterprovisie. We beklommen dan ook elken bergtop die onder ons bereik kwam, om te zien welken weg we het best zouden kunnen volgen om altijd water bij de hand te hebben.

Gedurende dertig dagen marcheerden we door een vruchtbare, vrij dichtbevolkte streek, rijk aan boomen en water en maakten we het ons zoo aangenaam mogelijk door te rusten of te loopen, al naarmate we lust gevoelden en de lichamelijke toestand van onszelf en onze negers dit vereischte.

Omstreeks het midden van dien tocht, kwamen we aan een kleine laagvlakte, waar zich een opmerkelijk dichte bevolking gevestigd had, een onaangenameontdekking, daar het woeste, ruwe, onbetrouwbare menschen bleken te zijn, die ons als roovers beschouwden en onmiddellijk bijeenscholen om ons aan te vallen.

Met angst namen onze negers de vijandelijke houding waar, en zelfs onze Zwarte Prins legde een ongewone vrees aan den dag, maar ik hield hem een onzer geweren voor en vroeg hem glimlachend, of hij niet vertrouwde dat het wapen, dat de gevlekte kat op zoo’n grooten afstand doodde, in staat zou zijn een heele bende van die naakte wezens met één schot te doen sterven, waarop hij lachte en bevestigend knikte.

„Goed,” zei ik, „vertel uw mannen dan, dat ze geen angst behoeven te hebben. Als dit vreemde volk ons te na komt, zullen we ze laten gevoelen wat onze geweren kunnen uitrichten.”

Ondanks deze grootspraak voelden we ons evenwel zelf ook niet geheel op ons gemak. We bevonden ons in een uitgestrekt land en wisten natuurlijk in de verste verte niet, hoe talrijk en gevaarlijk de omwonende volksstammen konden zijn. Best mogelijk dat we de hulp van onze naaste omgeving nog eens noodig zouden hebben, en dus leek het ons ’t verstandigst onze gevangenen aan te sporen, als ’t kon, vriendschap te sluiten met de achterdochtige vreemdelingen.

We zonden dus de twee mannen die pijlen en bogen hadden en twee die we de mooie lansen van den Zwarten Prins toevertrouwden, op het dorp af, met nog vijf onzer gevangenen die lange staken droegen. Op korten afstand van hen volgden tiender onzen, terwijl wij ons allen bereid hielden om te hulp te snellen, zoodra dit noodig mocht blijken.

Toen ze de hutten naderden, begonnen onze negers, op de bij hen gebruikelijke manier, te roepen en te schreeuwen, waarop de mannen antwoordden door een tegenroep die onmiddellijk de geheele bevolking—mannen, vrouwen en kinderen—op de been bracht. Daarop traden onze negers nog wat verder naar voren, om hun staken in den grond te planten, ten teeken van vredelievendheid, doch de vreemde volksstam scheen dit symbool niet te verstaan. Ten slotte legden de boogdragers dit wapen neer en begonnen ze verschillende vredesteekenen te maken, die de dorpelingen eindelijk schenen te begrijpen. Twee van hen ten minste legden ook hun bogen af en kwamen nader. Op alle denkbare manieren trachten de onzen nu hun vriendschappelijke gezindheid te uiten, en ten slotte brachten ze ook de handen aan den mond om hen te beduiden dat we voedsel noodig hadden, waarop de onderhandelaars met vriendelijke gebaren naar hun makkers terugkeerden. Na eenig druk heen en weer gepraat kwamen ze terug om ons kenbaar te maken, dat ze ons nog voor zonsondergang mondkost zouden bezorgen.

Een uur voor zonsondergang stelden de onzen zich weer in dezelfde volgorde op om de beloofde eetwaren: wild, wortelen en de reeds besproken rijstsoort in ontvangst te nemen. Uit erkentelijkheid boden we hun eenige van onze ijzeren snuisterijen aan, waarover ze niet minder verheugd schenendan de zwarten van andere stammen.

Den volgenden dag verschenen ze opnieuw, doch nu in veel sterker aantal. We bekommerden ons hier echter niet veel om, daar tien man met geladen geweer gereed stonden, en onze heele troep hen naar wij meenden eerbied zou inboezemen; maar ons vertrouwen bleek te groot te zijn geweest. Nauwelijks zagen ze onze gevangenen naderen tot aan de plek waarop ze den vorigen dag onderhandeld hadden, of ze grepen pijl en boog en stormden als ware furien op hen aan. Op bevel onzer schutters zochten onze zwartjes beveiliging achter de gewapende macht. Terwijl zij vluchtten, schoten de vijanden wel een honderd pijlen op hen af, waardoor twee onzer negers gewond werden en een voor dood bleef liggen. Bij de staken gekomen, die onze gezanten in den grond hadden geplant, bleven ze staan, bekeken en betastten de voorwerpen en schenen maar niet te begrijpen wat ze beteekenden. Nu zonden we uit onze achterhoede bericht naar de tien voorste gewapenden met bevel te schieten en de gewone lading nog met een partijtje schroot te versterken, waarna wij ons zoo snel mogelijk bij hen zouden voegen. Op dit oogenblik zette zich het zwarte leger in beweging. Toen de aanvallers evenwel achter de nu veilig opgestelde negers nog een troep gewapende blanken ontdekten, aarzelden ze, niet wetende wat ze van ons maken moesten, en stellig nam hun verwondering niet weinig toe, toen ze onze mannen op een dichten drom der hunnen zagen aanleggen en ons salvo op een afstand van ongeveer honderd twintig meter losbrandde.

’t Is onmogelijk den schrik en het afschuwelijke geschreeuw te beschrijven, dat op ons schieten volgde. Zes onzer aanvallers stortten dood neer, terwijl wij een dozijn gewonden telden. De niet-gewonden stonden verbaasd over de uitwerking van onze geheimzinnige wapens en konden maar niet begrijpen waardoor ze gedood waren, terwijl de vuurstraal en het knallen hun vrouwen en kinderen zóó buiten bezinning hadden gebracht, dat deze als een troep krankzinnigen weg liepen. Doch met dat al hadden we ons doel: de mannen op de vlucht te jagen, niet bereikt. Zij schenen ook geen van allen door den schrik gestorven te zijn zooals we onder andere negers hadden waargenomen, en dus besloten we een tweede salvo af te vuren en daarna op hen los te trekken. Inmiddels hadden we ook onze reserve laten naderen en spraken we af, slechts drie aan drie te schieten en in peletons vooruit te rukken. Allen op één linie staande, vuurden we nu beurtelings drie van rechts en drie van links, waarbij we telkens eenige onzer vijanden doodden, zonder hen echter tot vluchten te dwingen, hoewel ze zoo verschrikt waren, dat ze vergaten van hun eigen wapens gebruik te maken. Hun aantal scheen wel voortdurend aan te groeien, en dus riep ik onze mannen toe halt te houden, nog eens een salvo te lossen, daarna, evenals bij ons eerste gevecht, onder woest krijgsgeschreeuw op hen los te stormen en ze desnoods met onze geweerkolven af te maken.

Maar ze waren te slim om het zoover te laten komen. Zoodra wij gevuurd hadden en onze krijgskretenaanhieven, nam de gansche bende overijld de vlucht. In minder dan geen tijd was er geen enkele vijand meer te zien, behalve dan de enkele gewonden, die zich kermend trachtten op te richten en hun makkers maar al te graag gevolgd waren.


Back to IndexNext