HOOFDSTUK VI.De woestijntocht.Toen we het gevechtsterrein inspecteerden, zagen we dat we zeven-en-dertig zwarten gedood hadden, waaronder drie vrouwen, en omstreeks vier-en-zestig zoo zwaar gewond, dat ze zich niet van de plaats konden verroeren. Met onmenschelijke koelbloedigheid maakten onze negers hen achter onzen rug af; een lafhartige daad, waarover we zoo verontwaardigd waren, dat we hen met hetzelfde lot dreigden indien wij er hen ooit weer op mochten betrappen.Buit viel er bij de gevallenen niet veel te halen; sommige hadden veeren in ’t haar en andere droegen een soort van halsband als sieraad, dat was alles; maar toch vonden onze negers hier wel iets van hun gading, waarmee ook wij heel blij waren, n.l. de pijlen en bogen der gesneuvelden en gewonden, waarvan ze er zooveel bijeenbrachten, dat we niet wisten wat er mee aan te vangen. Evenwel lieten we hen alles bewaren, van oordeel, dat ze ons later te pas konden komen.Na het gevecht zonden we er onze, nu gewapende gevangenen in troepjes op uit om te zien of ze iets eetbaars schieten konden, maarze brachten ons iets beters mee, namelijk nog vier jonge stieren of buffels, gedresseerd om lasten te dragen. Blijkbaar hadden ze de dieren aan het eelt op hun ruggen herkend, want iets wat naar een zadel geleek, was in de streek niet gebruikelijk.De buffels verschaften onze gevangenen niet alleen groote verlichting maar stelden ons ook in de gelegenheid meer proviand mee te nemen. Onze negers belaadden ze dan ook zwaar met vleesch en wortels, waaraan we later misschien gebrek zouden kunnen krijgen.Hadden de negers het geheel als huisdier behandeld.Hadden de negers het geheel als huisdier behandeld.In dit negerdorp vonden we een aardig klein luipaardje, nog geen halve meter hoog, dat buitengewoon tam bleek en als een kat spon wanneer we het streelden. Blijkbaar hadden de negers het geheel als huisdier behandeld. Bij het doorzoeken der verlaten hutten vond onze Prins het beestje,en nadat hij het telkens had aangehaald en toegesproken en een paar stukjes vleesch gevoerd, volgde het hem als een hond.Onder de negers die in ’t gevecht gedood werden, was er ook een die een goudstukje ter groote van een halven gulden aan een gedraaiden darm om den hals droeg, waaruit wij afleidden dat hij een hoogen rang bekleed moest hebben. Ook bracht het sieraad ons op het denkbeeld te gaan zoeken of ze soms nog meer goud bezaten, maar we vonden nergens iets meer van dat edele metaal.Van hier trokken we omstreeks vijftien dagen lang verder het land in, tot we op een ontzaglijk hoogen bergketen stuitten, en daar we geen anderen wegwijzer bezaten dan ons kleine zakkompas, hadden we geen flauw idee wat de beste richting voor ons zou wezen en moesten we maar hopen dat het geluk ons zou dienen.Eer we die bergen bereikten, ontmoetten we nog verscheiden wilde stammen, welke ons allen vrij wat zachter en vriendschappelijker tegemoet kwamen dan die waartegen we ons pas hadden moeten verdedigen. Met moeite werden we uit hun mededeelingen in zooverre wijs, dat zich achter den bergketen een groote woestijn moest uitstrekken, „met veel leeuw en veel gevlekte kat†(luipaarden), zooals onze negers het uitdrukten. Ook beduidden ze ons vooral water mee te nemen.Bij de laatste nederzetting gekomen, voorzagen we ons van zooveel proviand als de negers en buffels maar eenigszins torsen konden, en stelde ik voor, om ons ten minste eenige zekerheid omtrentden te volgen weg te verschaffen, uit de laatste hutten die we aantroffen eenige bewoners gevangen te nemen om hen tot gidsen in de woestijn en tot het helpen dragen van den mondkost te gebruiken. Deze raad was te aannemelijk om in den wind te worden geslagen, en toen we van de vreemde neger stam begrepen, dat er aan de andere zijde van ’t gebergte, eer we aan de eigenlijke woestijn kwamen, ook nog menschen woonden, besloten we ons daar goedschiks of kwaadschiks van gidsen te voorzien.Volgens een matige schatting moesten we ons omstreeks zevenhonderd mijlen van de kust bevinden, en met mannenmoed begonnen we den berg vóór ons te bestijgen. Toen we na een ontzaglijke inspanning den top bereikten en het land voor ons over een groote uitgestrektheid konden overzien, zonk het hart den meesten van ons echter in de schoenen. Geen boom, geen beek, geen struik, zoover het oog reikte; niets dan dor, gloeiend zand, dat, wanneer de wind even opstak, in dichte wolken werd opgejaagd en mensch en dier dreigde te verstikken en te bedelven. Nergens was een einde, een begrenzing der zandzee te zien. Geen wonder dat het onze mannen beklemd te moede werd en ze van terugkeeren begonnen te reppen. Wij vroegen ons af, of we ons wel over zulk een afschrikwekkend terrein mochten begeven, waar niets dan een wisse dood ons scheen te wachten.Hoewel ik, wat mezelf betreft, niet minder ontsteld was bij ’t vooruitzicht dan mijn kameraden,kon ik de gedachte onverrichterzake terug te keeren toch niet verdragen. „De zevenhonderd mijlen die wij achter ons hebben, zouden dan te vergeefs zijn afgelegd,†zei ik, „en de terugtocht lijkt mij erger dan de dood. Ik stel voor ons plan door te zetten, en blijkt het onmogelijk de woestijn over te steken, welnu dan kunnen we immers nog naar Kaap de Goede Hoop trachten te komen of in noordelijke richting in het Nijlgebied. Misschien vinden we ook hier of daar nog een weg naar het westen; heel Afrika zal toch wel geen woestijn zijn!â€Onze kanonnier, bij ’t kiezen van een richting altijd onze autoriteit, zette, toen we zijn meening vroegen, een ernstig gezicht en antwoordde ten slotte: „Ik durf niet aan te raden naar de Kaap te trekken, omdat de afstand zoo ontzettend groot is; zeker niet minder dan vijftienhonderd mijlen. Naar mijn berekening bevinden we ons nu op een derde van den afstand naar de kust van Angola. Als je de kaart raadpleegt, kun je zien dat we, naar mate we noordelijker komen, oneindig grooter afstand tot aan de westkust zouden moeten afleggen, door een streek die waarschijnlijk niet beter is dan deze woestijn. Daarom zou ik zeggen: laten we in westelijke richting voortgaan tot we de helft van ons water en onze proviand verbruikt hebben. Zien we dan geen uitkomst, dan kunnen we altijd nog, zonder gebrek te lijden, terugkeeren.â€Die raad leek ons zoo verstandig, dat we met algemeene stemmen besloten hem te volgen. We berekenden dat we omstreeks twee-en-veertigdagen voedsel zouden kunnen meenemen, doch voor niet meer dan twintig dagen water, ’t geen buitendien reeds voor dien tijd onbruikbaar zou zijn, waarop we besloten terug te keeren, wanneer we na een dag of tien geen beek of riviertje hadden aangetroffen. Vonden we evenwel drinkwater, dan zouden we een-en-twintig dagen kunnen doorreizen en eerst daarna—wanneer we ten minste geen einde aan de woestijn zagen—den terugtocht overwegen.Na deze afspraak daalden we van den bergrug af naar de laagvlakte die we pas den tweeden dag bereikten, maar waarin we een heldere, breede beek, overvloed van groot wild en een soort van haas vonden, niet zoo vlug, maar even goed van smaak als de ons uit Europa bekende. Een teleurstelling was echter dat we geen bewoners ontmoetten en dus geen gevangenen konden maken om onze bepakking te helpen dragen of als wegwijzers dienst te doen.Nadat we ons ruimschoots van allerlei leeftocht voorzien hadden, aanvaardden we, gezond als we allen gelukkig waren, met vertrouwen de groote reis; maar onmiddellijk bij ’t betreden der eigenlijke woestijn, begon onze moed al te zinken, want het zand was zoo diep en door de hitte zoo pijnlijk aan de voeten, dat we ons na een marsch, of liever na een doorwaden van een mijl of acht, al totaal uitgeput gevoelden. Zelfs de negers vielen hijgend neer als dieren die zich boven hun krachten hebben ingespannen.Weldra maakten we kennis met nog meer moeilijkhedenaan een verblijf in de woestijn verbonden. Tot nu toe hadden we ons ’s nachts altijd hutten gebouwd om ons tegen de nadeelige nachtlucht in de tropen te beschutten, maar hier vonden we na dien afmattenden tocht nergens eenig onderkomen. Er was geen boom, geen struikje zelfs te zien, en toen we tegen den nacht van alle kanten het gehuil van wolven en hyena’s, het gebrul van leeuwen en het balken van tallooze wilde ezels hoorden, kwam er van rusten zoo goed als niets.Geërgerd over onze domheid, verweten we onszelf dat we geen palen en stokken hadden meegenomen om, hoe gebrekkig misschien ook, toch een soort van palissadenhut te kunnen bouwen. Eindelijk kwamen we op het denkbeeld onze lansen en bogen in den grond te planten, de boveneinden zoo dicht mogelijk naar elkaar toe te buigen, deze met onze jassen te behangen en eenige huiden op het zand uit te spreiden. Op deze wijze richtten we ons een soort van tent in, waarin we uitstekend sliepen. Natuurlijk zorgden we voor een goed gewapende wacht,—waarbij we elkaar twee aan twee aflosten—een zeker niet overbodige voorzorg, daar de woestijn vol wilde dieren van allerlei soort bleek te zijn die soms tot vlak bij onze legerplaats kwamen.Onze schildwachts hadden bevel gekregen ons niet met schieten te wekken, maar het kruit op de pan af te branden, wat de dieren evengoed op de vlucht joeg.Twee aan twee op wacht...Twee aan twee op wacht...Hoewel we afwisselend geslapen hadden, voelden we ons ’s morgens niet veel minder vermoeid vanden nacht dan den vorigen avond van den inspannenden dagmarsch, en onze Zwarte Prins waarschuwde ons, dat we zonder behoorlijk nachtlogies allen zouden omkomen. Op zijn aanraden (hij begon zich al eenigszins in onze taal uit te drukken), trokken we weer terug naar de groote beek die ons van water voor de woestijnreis voorzien had, om ons daar een aantal biezen matten te vlechten zooals we de inlanders hadden zien doen.Op dezen terugtocht, waarover eenigen van ons twee dagen werkten, deden de achterblijvers een eigenaardige ervaring op, die hen voor ’t vervolg wel wat angstiger maakte zich af te scheiden.’s Morgens van den tweeden dag namelijk, toen ze nog geen mijl hadden afgelegd, zagen ze achter zich een geweldige zandwolk opstijgen, ongeveer zooals wij ’s zomers wel eens op een stoffigen landweg zien, wanneer er een kudde koeien wordt voortgedreven. Doch deze wolk was oneindig grooter en dichter, en ze konden duidelijk waarnemen, dat het opgejaagde zand hen naderde, en wel veel sneller dan zij uit de voeten konden komen.Hun eerste vermoeden was, dat er een vijandelijk leger in aantocht moest zijn, maar bij eenig nadenken zagen ze de onwaarschijnlijkheid hiervan in. Hoe zou de een of anderevolksstamvan onze voorgenomen tocht iets kunnen afweten en nog wel uit de onbewoonbare woestijn achter hen? Mocht het dus een leger zijn—paarden waren er in die streek niet—dan moest het toevallig in dezelfde richting trekken. Maar misschien warenhet wel wilde beesten! Inmiddels naderde de zandwolk met dreigende snelheid, en in doodsangst, verscheurd of onder den voet te worden geloopen, besloten ze te probeeren om door verandering van richting aan dit gevaar te ontkomen. Toen ze ongeveer een minuut of vijf naar het noorden waren afgeslagen, hielden ze halt om te zien wat het verschijnsel veroorzaakt had. Hiertoe werd een der lichtste en lenigste negers er op afgestuurd, en gauwer dan ze gedacht hadden kwam hij door ’t mulle zand teruggeloopen, door teekens en geluiden te kennen gevende dat het een groote kudde olifanten was.Nieuwsgierig zoo’n ongewoon schouwspel te zien, wilden onze mannen er op afgaan en bekroop onzen kanonnier, die bij dit troepje was achtergebleven, de lust eens te beproeven of de dikhuiden werkelijk voor kogels ondoordringbaar waren; maar ze trachtten hem allen van dit voornemen af te brengen, uit vrees dat de dieren, verschrikt door het ongewone geluid, op ons zouden afstormen, daar zij zich, hoe log ook in hun bewegingen, verwonderlijk gauw door het mulle zand kunnen voortbewegen.Het waren ontzaglijk groote beesten, twintig à dertig in aantal, en ofschoon ze bewijzen gaven onze mannen heel goed te zien, weken ze toch niet uit de richting. Wij die de voorhoede vormden, merkten de stofwolk ook wel op, zij het ook op zeer grooten afstand, maar meenden dat het onze eigen karavaan was en namen er dus verder geen notitie van. Eerst ’s avonds deden onzemakkers ons ’t verhaal van hun ervaring, waaruit we leering putten voor ons verdere gedrag tijdens den woestijntocht.Zoo gauw mogelijk vingen we onzen arbeid aan, waarbij onze Zwarte Prins, die het handwerk uitstekend verstond, de leiding op zich nam. Al zijn onderhoorigen konden trouwens matten vlechten, zoodat we er in korten tijd een honderdtal klaar hadden, waarvan iedere neger er zonder moeite een bij zijn gewone vracht droeg. Meer bezwaar leverden eerst de palen en stokken op, tot een der inboorlingen op het denkbeeld kwam, ze tusschen hen in op de schouders te dragen, een aan ’t vóór en een aan ’t achtereinde en er allerlei bagage aan te hangen.Zoodra wij dit zagen trokken wij er nog het voordeel van om elk paar lattendragers bovendien met een waterzak te belasten, waardoor we voor meer dan een dagreis extra water konden meenemen.Na een onderbreking van acht dagen, zetten we ons weer in beweging. Tot onze groote blijdschap viel er den nacht voor ons vertrek geweldig veel regen, waarvan we de uitwerking dadelijk aan het zand konden waarnemen. Wel was de oppervlakte weer gauw even droog als te voren, maar de ondergrond bleek steviger, vaster geworden en onze voeten werden niet zoo brandend heet, zoodat we dien dag zonder inspanning ongeveer veertien, in plaats van zeven mijlen aflegden.Toen het tot kampeeren kwam, hadden we ons nachtverblijf ook spoedig in orde, dank zij een vooroefening, aan de beek gehouden. In minderdan een uur was de uit twee ruimten bestaande tent kant en klaar. In de binnenste lagen wij, in de buitenste onze negers, allen op matten en met hetzelfde materiaal toegedekt. Ook hadden we een kleine omheinde ruimte afgepaald voor onze buffels die ons zulke uitstekende diensten bewezen en ons niets geen last bezorgden, daar ze een soort van witte peen of pastinak aten, die we overal—behalve natuurlijk in die verschrikkelijke woestijn—overvloedig aantroffen.Den volgenden morgen braken onze negers de tent weer af, en in minder tijd dan het opstellen gekost had, stonden we allen weer marschvaardig.Zoo trokken we acht dagen verder, zonder iets te zien wat op het einde der woestijn wees; alles bleef even woest en kaal als in ’t begin, alleen was het zand niet meer zoo mul en diep als de drie eerste dagen. Naar ons idee vond dit zijn oorzaak in de omstandigheid, dat de wind, die hier zes maanden van ’t jaar uit het westen blaast, het zand voortdurend naar dat gedeelte der woestijn had opgestuwd waar wij onze reis aanvingen, terwijl de oostmoesson in de andere helft van ’t jaar door de hooge bergen in ’t oosten verhinderd werd het zand met dezelfde kracht terug te drijven. En deze veronderstelling werd bevestigd toen we aan de uiterste westgrens der woestijn weer dezelfde dikke zandlaag te doorwaden kregen.Op den negenden dag van onzen woestijntocht kwamen we aan een uitgestrekt meer, een gezicht dat ons allen met de grootste vreugde vervulde,want we hadden nog maar voor drie dagen water, behalve dan het allernoodzakelijkste voor een mogelijken terugkeer. Toch had het twee dagen langer gestrekt dan we hadden durven hopen, doordat onze buffels de laatste dagen een soort van doornloozen distel ontdekt hadden, die hun zoowel tot eten als tot drinken diende.Den volgenden dag bereikten we den oever van dit meer, en gelukkig den zuidelijken, want in noordelijke richting was er geen einde aan te zien. Gedurende drie dagen marcheerden we langs den rand en behoefden we dus—een groote verlichting—geen water mee te sleepen. Vreemd genoeg verloor de woestijn ondanks die groote uitgestrektheid water, niets van zijn dor, onvruchtbaar karakter.Op voorstel van den kanonnier besloten we hier aan het meer een behoorlijke rust te nemen, wat ons na een veertiendaagsche onafgebroken reis ook wel toekwam, en te trachten wat eetbare visch te vangen. Met behulp van eenige vischhaken, die onze smid weer wist te fabriceeren, lukte ons dit uitstekend. Niet alleen vingen we er meer dan genoeg voor onze onmiddellijke behoefte, maar we droogden er ook een massa, die we voor onze verdere reis bestemden.Maakten we kleine tochtjes, vischten.Maakten we kleine tochtjes, vischten.Ongeveer vijf dagen rustten we aan deze koeltebrengende watervlakte uit, in welken tijd we ontelbare interessante avonturen met allerlei wilde dieren beleefden, o.a. een wedloop tusschen een leeuwin en een soort van groot hert of antilope. Met een voorsprong van ongeveer driehonderdmeter, vloog de antilope ons als de wind voorbij, maar we merkten al heel gauw op dat de leeuwin, dank zij haar geweldige spierkracht en sterke longen, het snelvoetige dier begon in te halen. Op ongeveer drie minuten afstands renden ze langs ons heen, en het duurde geruimen tijd eer ze uit ons gezicht verdwenen. Tot onze groote verbazing kwamen ze evenwel, na een uur ongeveer, van den anderen kant op ons afgestormd; de leeuwin nu slechts een twintig à dertig meter van de antilope verwijderd. Ademloos volgden we de opwindende jacht, waarbij beide dieren een geweldige krachtsinspanning aan den dag legden. Bij het meer gekomen, deed het hert in zijn wanhoop een sprong in het water en begon voor zijn levente zwemmen zooals het er tot nu toe voor geloopen had.De leeuwin sprong het na, maar keerde al heel gauw terug en hief, weer aan land gekomen, in haar teleurstelling zoo’n vervaarlijk gebrul aan, dat het sommigen van ons deed beven.’s Morgens maakten we kleine tochtjes, vischten of gingen ter jacht, maar op ’t heetst van den dag kropen we in onze tenten.Plotseling aangevallen door een krokodil.Plotseling aangevallen door een krokodil.Op zekeren morgen waren we getuige van een andere vervolging, die ons meer van nabij raakte dan de eerste. Onze Zwarte Prins namelijk werd, rustig langs het meer loopende, plotseling aangevallen door een krokodil, en hoe vlug ook in zijn bewegingen, wist onze vriend maar nauwelijks te ontkomen en hulp bij ons te zoeken. Goederaad was duur; de negers hadden ons meer dan eens verzekerd dat een kogel niet door een krokodillenhuid heendrong, en dit scheen ook werkelijk het geval te wezen, want hoewel drie onzer mannen op het monster vuurden, trok dit er zich niets van aan. Onze kanonnier evenwel, een dappere kerel, altijd bereid tot een kloeke daad, trad nu zóó dicht op den vijand toe, dat hij hem den mond van ’t geweer in den muil kon steken en vuurde toen, waarna hij echter zijn vuurroer in den steek liet en aan den haal ging. Het ondier ging geweldig te keer en koelde zijn woede aan het wapen, den loop met zijn tanden plat bijtende. Na eenigen tijd zagen we hem echter zwakker en rustiger worden, tot hij eindelijk den geest gaf.Gedurende ons oponthoud aan het meer zwierven onze negers in den omtrek rond om wild te bemachtigen en brachten ze ons ten slotte drie antilopen aan, een van de drie buitengewoon groot, de beide andere heel klein.Het eenige pluimvee dat we op onzen woestijntocht ontmoetten waren verschillende, watervogels die we op het meer zagen, maar ze kwamen nooit genoeg in onze nabijheid om ze onder schot te kunnen krijgen.Wel doodden we een paar civetkatten, doch hun vleesch was oneetbaar, door den sterken muskussmaak. Olifanten zagen we bij massa’s op een afstand, en het trof ons dat die geweldige dieren altijd in groote troepen voorttrekken, alles wat hun in den weg komt, onder den voet loopendeof met hun snuit in de lucht slingerend. Hoe log gebouwd ook, weet deze sterke planteneter toch zoo behendig met zijn slurf om te gaan, dat hij er een leeuw of ander wild dier mee opneemt, op den grond smakt en dan met zijn zware pooten dood trapt.Dat deze reusachtige viervoeters in groote getale in Afrika moesten voorkomen, bleek wel uit het ongelooflijk groote aantal olifantstanden dat wij in de woestijn aantroffen.Op zekeren avond—de meesten van ons lagen al op hun matten te slapen—kwamen onze schildwachts aangerend, verschrikt door het gebrul van eenige leeuwen, die blijkbaar al vlak in hun nabijheid waren, hoewel ze de dieren in de duisternis niet gezien hadden. Bij nader onderzoek bleek het een volledige leeuwenfamilie te zijn: een oude leeuw, een leeuwin en drie al tamelijk groote jongen. Een dezer jongen was onverhoeds op een der op post staande negers aangevallen, die doodelijk ontsteld naar onze hutten snelde. De tweede schildwacht, met een geweer gewapend, had geen tegenwoordigheid van geest genoeg om het dier dood te schieten, maar bracht het met den kolf een slag toe die het jong eerst deed huilen en toen dreigend grommen. Drie der onzen grepen hun geweren en vlogen naar de tentdeur, waar we onmiddellijk den grooten leeuwenkoning onderscheidden door het vuur dat uit zijn oogen straalde. Ze schoten, maar troffen het dier niet—tenminste niet doodelijk, want alle vijf draafden weg, onder een gebrul dat—alsof ze om hulp haddengeroepen—van alle kanten beantwoord werd. Deze huilende, jankende, schreeuwende woestijnmuziek gaf ons een gevoel alsof de verscheurende dieren van heel Afrika op onze legerplaats losstormden om ons te verslinden.In onzen angst vroegen we onzen Zwarten Prins wat wij toch beginnen moesten. „Mij gaan en allemaal bang maak,†zei hij in zijn gebroken taaltje, en meteen greep hij twee van onze slechtste matten van den grond. Daarop beval hij een paar negers vuur te slaan, hing een der matten aan een staak en stak dien, toen de mat flink vlamde, omhoog, waarop de gansche bende ondieren de vlucht nam.„Als dat helpen kan,†zei toen onze kanonnier, „behoeven we onze matten niet te verbranden; die kunnen ons betere diensten bewijzen. Wacht, maats!†En nadat hij een heelen tijd in onze tent bezig was geweest, kwam hij te voorschijn met een paar eenvoudige stukken vuurwerk, waarvan de schildwachts er elk een kregen om zoo noodig dadelijk te kunnen gebruiken. Daarna maakte hij een vuurrad vast aan denzelfden staak, waaraan eerst de mat was vastgebonden geweest en liet dit zoolang branden tot er van de lastige bezoekers niets meer te hooren of te zien was.De groote kans op hun terugkomst deed ons evenwel besluiten twee dagen eerder op te breken dan we aanvankelijk van plan waren geweest, en verder trekkende vonden we—al was het einde der woestijn ook nog steeds niet te zien—voldoende groen voor ons vee. Ook ontmoetten we verschillenderiviertjes, die blijkbaar allen in het meer uitmondden, zoodat het ons in de lagere gedeelten nergens aan water ontbrak. Na nog zestien dagen reizens begon het terrein wat te stijgen en vulden we voorzichtigheidshalve onze waterzakken. Het stijgen hield drie dagen onafgebroken aan, waarna we plotseling tot de ontdekking kwamen, dat we, bijna onmerkbaar, den top van een bergketen beklommen hadden.
HOOFDSTUK VI.De woestijntocht.Toen we het gevechtsterrein inspecteerden, zagen we dat we zeven-en-dertig zwarten gedood hadden, waaronder drie vrouwen, en omstreeks vier-en-zestig zoo zwaar gewond, dat ze zich niet van de plaats konden verroeren. Met onmenschelijke koelbloedigheid maakten onze negers hen achter onzen rug af; een lafhartige daad, waarover we zoo verontwaardigd waren, dat we hen met hetzelfde lot dreigden indien wij er hen ooit weer op mochten betrappen.Buit viel er bij de gevallenen niet veel te halen; sommige hadden veeren in ’t haar en andere droegen een soort van halsband als sieraad, dat was alles; maar toch vonden onze negers hier wel iets van hun gading, waarmee ook wij heel blij waren, n.l. de pijlen en bogen der gesneuvelden en gewonden, waarvan ze er zooveel bijeenbrachten, dat we niet wisten wat er mee aan te vangen. Evenwel lieten we hen alles bewaren, van oordeel, dat ze ons later te pas konden komen.Na het gevecht zonden we er onze, nu gewapende gevangenen in troepjes op uit om te zien of ze iets eetbaars schieten konden, maarze brachten ons iets beters mee, namelijk nog vier jonge stieren of buffels, gedresseerd om lasten te dragen. Blijkbaar hadden ze de dieren aan het eelt op hun ruggen herkend, want iets wat naar een zadel geleek, was in de streek niet gebruikelijk.De buffels verschaften onze gevangenen niet alleen groote verlichting maar stelden ons ook in de gelegenheid meer proviand mee te nemen. Onze negers belaadden ze dan ook zwaar met vleesch en wortels, waaraan we later misschien gebrek zouden kunnen krijgen.Hadden de negers het geheel als huisdier behandeld.Hadden de negers het geheel als huisdier behandeld.In dit negerdorp vonden we een aardig klein luipaardje, nog geen halve meter hoog, dat buitengewoon tam bleek en als een kat spon wanneer we het streelden. Blijkbaar hadden de negers het geheel als huisdier behandeld. Bij het doorzoeken der verlaten hutten vond onze Prins het beestje,en nadat hij het telkens had aangehaald en toegesproken en een paar stukjes vleesch gevoerd, volgde het hem als een hond.Onder de negers die in ’t gevecht gedood werden, was er ook een die een goudstukje ter groote van een halven gulden aan een gedraaiden darm om den hals droeg, waaruit wij afleidden dat hij een hoogen rang bekleed moest hebben. Ook bracht het sieraad ons op het denkbeeld te gaan zoeken of ze soms nog meer goud bezaten, maar we vonden nergens iets meer van dat edele metaal.Van hier trokken we omstreeks vijftien dagen lang verder het land in, tot we op een ontzaglijk hoogen bergketen stuitten, en daar we geen anderen wegwijzer bezaten dan ons kleine zakkompas, hadden we geen flauw idee wat de beste richting voor ons zou wezen en moesten we maar hopen dat het geluk ons zou dienen.Eer we die bergen bereikten, ontmoetten we nog verscheiden wilde stammen, welke ons allen vrij wat zachter en vriendschappelijker tegemoet kwamen dan die waartegen we ons pas hadden moeten verdedigen. Met moeite werden we uit hun mededeelingen in zooverre wijs, dat zich achter den bergketen een groote woestijn moest uitstrekken, „met veel leeuw en veel gevlekte kat†(luipaarden), zooals onze negers het uitdrukten. Ook beduidden ze ons vooral water mee te nemen.Bij de laatste nederzetting gekomen, voorzagen we ons van zooveel proviand als de negers en buffels maar eenigszins torsen konden, en stelde ik voor, om ons ten minste eenige zekerheid omtrentden te volgen weg te verschaffen, uit de laatste hutten die we aantroffen eenige bewoners gevangen te nemen om hen tot gidsen in de woestijn en tot het helpen dragen van den mondkost te gebruiken. Deze raad was te aannemelijk om in den wind te worden geslagen, en toen we van de vreemde neger stam begrepen, dat er aan de andere zijde van ’t gebergte, eer we aan de eigenlijke woestijn kwamen, ook nog menschen woonden, besloten we ons daar goedschiks of kwaadschiks van gidsen te voorzien.Volgens een matige schatting moesten we ons omstreeks zevenhonderd mijlen van de kust bevinden, en met mannenmoed begonnen we den berg vóór ons te bestijgen. Toen we na een ontzaglijke inspanning den top bereikten en het land voor ons over een groote uitgestrektheid konden overzien, zonk het hart den meesten van ons echter in de schoenen. Geen boom, geen beek, geen struik, zoover het oog reikte; niets dan dor, gloeiend zand, dat, wanneer de wind even opstak, in dichte wolken werd opgejaagd en mensch en dier dreigde te verstikken en te bedelven. Nergens was een einde, een begrenzing der zandzee te zien. Geen wonder dat het onze mannen beklemd te moede werd en ze van terugkeeren begonnen te reppen. Wij vroegen ons af, of we ons wel over zulk een afschrikwekkend terrein mochten begeven, waar niets dan een wisse dood ons scheen te wachten.Hoewel ik, wat mezelf betreft, niet minder ontsteld was bij ’t vooruitzicht dan mijn kameraden,kon ik de gedachte onverrichterzake terug te keeren toch niet verdragen. „De zevenhonderd mijlen die wij achter ons hebben, zouden dan te vergeefs zijn afgelegd,†zei ik, „en de terugtocht lijkt mij erger dan de dood. Ik stel voor ons plan door te zetten, en blijkt het onmogelijk de woestijn over te steken, welnu dan kunnen we immers nog naar Kaap de Goede Hoop trachten te komen of in noordelijke richting in het Nijlgebied. Misschien vinden we ook hier of daar nog een weg naar het westen; heel Afrika zal toch wel geen woestijn zijn!â€Onze kanonnier, bij ’t kiezen van een richting altijd onze autoriteit, zette, toen we zijn meening vroegen, een ernstig gezicht en antwoordde ten slotte: „Ik durf niet aan te raden naar de Kaap te trekken, omdat de afstand zoo ontzettend groot is; zeker niet minder dan vijftienhonderd mijlen. Naar mijn berekening bevinden we ons nu op een derde van den afstand naar de kust van Angola. Als je de kaart raadpleegt, kun je zien dat we, naar mate we noordelijker komen, oneindig grooter afstand tot aan de westkust zouden moeten afleggen, door een streek die waarschijnlijk niet beter is dan deze woestijn. Daarom zou ik zeggen: laten we in westelijke richting voortgaan tot we de helft van ons water en onze proviand verbruikt hebben. Zien we dan geen uitkomst, dan kunnen we altijd nog, zonder gebrek te lijden, terugkeeren.â€Die raad leek ons zoo verstandig, dat we met algemeene stemmen besloten hem te volgen. We berekenden dat we omstreeks twee-en-veertigdagen voedsel zouden kunnen meenemen, doch voor niet meer dan twintig dagen water, ’t geen buitendien reeds voor dien tijd onbruikbaar zou zijn, waarop we besloten terug te keeren, wanneer we na een dag of tien geen beek of riviertje hadden aangetroffen. Vonden we evenwel drinkwater, dan zouden we een-en-twintig dagen kunnen doorreizen en eerst daarna—wanneer we ten minste geen einde aan de woestijn zagen—den terugtocht overwegen.Na deze afspraak daalden we van den bergrug af naar de laagvlakte die we pas den tweeden dag bereikten, maar waarin we een heldere, breede beek, overvloed van groot wild en een soort van haas vonden, niet zoo vlug, maar even goed van smaak als de ons uit Europa bekende. Een teleurstelling was echter dat we geen bewoners ontmoetten en dus geen gevangenen konden maken om onze bepakking te helpen dragen of als wegwijzers dienst te doen.Nadat we ons ruimschoots van allerlei leeftocht voorzien hadden, aanvaardden we, gezond als we allen gelukkig waren, met vertrouwen de groote reis; maar onmiddellijk bij ’t betreden der eigenlijke woestijn, begon onze moed al te zinken, want het zand was zoo diep en door de hitte zoo pijnlijk aan de voeten, dat we ons na een marsch, of liever na een doorwaden van een mijl of acht, al totaal uitgeput gevoelden. Zelfs de negers vielen hijgend neer als dieren die zich boven hun krachten hebben ingespannen.Weldra maakten we kennis met nog meer moeilijkhedenaan een verblijf in de woestijn verbonden. Tot nu toe hadden we ons ’s nachts altijd hutten gebouwd om ons tegen de nadeelige nachtlucht in de tropen te beschutten, maar hier vonden we na dien afmattenden tocht nergens eenig onderkomen. Er was geen boom, geen struikje zelfs te zien, en toen we tegen den nacht van alle kanten het gehuil van wolven en hyena’s, het gebrul van leeuwen en het balken van tallooze wilde ezels hoorden, kwam er van rusten zoo goed als niets.Geërgerd over onze domheid, verweten we onszelf dat we geen palen en stokken hadden meegenomen om, hoe gebrekkig misschien ook, toch een soort van palissadenhut te kunnen bouwen. Eindelijk kwamen we op het denkbeeld onze lansen en bogen in den grond te planten, de boveneinden zoo dicht mogelijk naar elkaar toe te buigen, deze met onze jassen te behangen en eenige huiden op het zand uit te spreiden. Op deze wijze richtten we ons een soort van tent in, waarin we uitstekend sliepen. Natuurlijk zorgden we voor een goed gewapende wacht,—waarbij we elkaar twee aan twee aflosten—een zeker niet overbodige voorzorg, daar de woestijn vol wilde dieren van allerlei soort bleek te zijn die soms tot vlak bij onze legerplaats kwamen.Onze schildwachts hadden bevel gekregen ons niet met schieten te wekken, maar het kruit op de pan af te branden, wat de dieren evengoed op de vlucht joeg.Twee aan twee op wacht...Twee aan twee op wacht...Hoewel we afwisselend geslapen hadden, voelden we ons ’s morgens niet veel minder vermoeid vanden nacht dan den vorigen avond van den inspannenden dagmarsch, en onze Zwarte Prins waarschuwde ons, dat we zonder behoorlijk nachtlogies allen zouden omkomen. Op zijn aanraden (hij begon zich al eenigszins in onze taal uit te drukken), trokken we weer terug naar de groote beek die ons van water voor de woestijnreis voorzien had, om ons daar een aantal biezen matten te vlechten zooals we de inlanders hadden zien doen.Op dezen terugtocht, waarover eenigen van ons twee dagen werkten, deden de achterblijvers een eigenaardige ervaring op, die hen voor ’t vervolg wel wat angstiger maakte zich af te scheiden.’s Morgens van den tweeden dag namelijk, toen ze nog geen mijl hadden afgelegd, zagen ze achter zich een geweldige zandwolk opstijgen, ongeveer zooals wij ’s zomers wel eens op een stoffigen landweg zien, wanneer er een kudde koeien wordt voortgedreven. Doch deze wolk was oneindig grooter en dichter, en ze konden duidelijk waarnemen, dat het opgejaagde zand hen naderde, en wel veel sneller dan zij uit de voeten konden komen.Hun eerste vermoeden was, dat er een vijandelijk leger in aantocht moest zijn, maar bij eenig nadenken zagen ze de onwaarschijnlijkheid hiervan in. Hoe zou de een of anderevolksstamvan onze voorgenomen tocht iets kunnen afweten en nog wel uit de onbewoonbare woestijn achter hen? Mocht het dus een leger zijn—paarden waren er in die streek niet—dan moest het toevallig in dezelfde richting trekken. Maar misschien warenhet wel wilde beesten! Inmiddels naderde de zandwolk met dreigende snelheid, en in doodsangst, verscheurd of onder den voet te worden geloopen, besloten ze te probeeren om door verandering van richting aan dit gevaar te ontkomen. Toen ze ongeveer een minuut of vijf naar het noorden waren afgeslagen, hielden ze halt om te zien wat het verschijnsel veroorzaakt had. Hiertoe werd een der lichtste en lenigste negers er op afgestuurd, en gauwer dan ze gedacht hadden kwam hij door ’t mulle zand teruggeloopen, door teekens en geluiden te kennen gevende dat het een groote kudde olifanten was.Nieuwsgierig zoo’n ongewoon schouwspel te zien, wilden onze mannen er op afgaan en bekroop onzen kanonnier, die bij dit troepje was achtergebleven, de lust eens te beproeven of de dikhuiden werkelijk voor kogels ondoordringbaar waren; maar ze trachtten hem allen van dit voornemen af te brengen, uit vrees dat de dieren, verschrikt door het ongewone geluid, op ons zouden afstormen, daar zij zich, hoe log ook in hun bewegingen, verwonderlijk gauw door het mulle zand kunnen voortbewegen.Het waren ontzaglijk groote beesten, twintig à dertig in aantal, en ofschoon ze bewijzen gaven onze mannen heel goed te zien, weken ze toch niet uit de richting. Wij die de voorhoede vormden, merkten de stofwolk ook wel op, zij het ook op zeer grooten afstand, maar meenden dat het onze eigen karavaan was en namen er dus verder geen notitie van. Eerst ’s avonds deden onzemakkers ons ’t verhaal van hun ervaring, waaruit we leering putten voor ons verdere gedrag tijdens den woestijntocht.Zoo gauw mogelijk vingen we onzen arbeid aan, waarbij onze Zwarte Prins, die het handwerk uitstekend verstond, de leiding op zich nam. Al zijn onderhoorigen konden trouwens matten vlechten, zoodat we er in korten tijd een honderdtal klaar hadden, waarvan iedere neger er zonder moeite een bij zijn gewone vracht droeg. Meer bezwaar leverden eerst de palen en stokken op, tot een der inboorlingen op het denkbeeld kwam, ze tusschen hen in op de schouders te dragen, een aan ’t vóór en een aan ’t achtereinde en er allerlei bagage aan te hangen.Zoodra wij dit zagen trokken wij er nog het voordeel van om elk paar lattendragers bovendien met een waterzak te belasten, waardoor we voor meer dan een dagreis extra water konden meenemen.Na een onderbreking van acht dagen, zetten we ons weer in beweging. Tot onze groote blijdschap viel er den nacht voor ons vertrek geweldig veel regen, waarvan we de uitwerking dadelijk aan het zand konden waarnemen. Wel was de oppervlakte weer gauw even droog als te voren, maar de ondergrond bleek steviger, vaster geworden en onze voeten werden niet zoo brandend heet, zoodat we dien dag zonder inspanning ongeveer veertien, in plaats van zeven mijlen aflegden.Toen het tot kampeeren kwam, hadden we ons nachtverblijf ook spoedig in orde, dank zij een vooroefening, aan de beek gehouden. In minderdan een uur was de uit twee ruimten bestaande tent kant en klaar. In de binnenste lagen wij, in de buitenste onze negers, allen op matten en met hetzelfde materiaal toegedekt. Ook hadden we een kleine omheinde ruimte afgepaald voor onze buffels die ons zulke uitstekende diensten bewezen en ons niets geen last bezorgden, daar ze een soort van witte peen of pastinak aten, die we overal—behalve natuurlijk in die verschrikkelijke woestijn—overvloedig aantroffen.Den volgenden morgen braken onze negers de tent weer af, en in minder tijd dan het opstellen gekost had, stonden we allen weer marschvaardig.Zoo trokken we acht dagen verder, zonder iets te zien wat op het einde der woestijn wees; alles bleef even woest en kaal als in ’t begin, alleen was het zand niet meer zoo mul en diep als de drie eerste dagen. Naar ons idee vond dit zijn oorzaak in de omstandigheid, dat de wind, die hier zes maanden van ’t jaar uit het westen blaast, het zand voortdurend naar dat gedeelte der woestijn had opgestuwd waar wij onze reis aanvingen, terwijl de oostmoesson in de andere helft van ’t jaar door de hooge bergen in ’t oosten verhinderd werd het zand met dezelfde kracht terug te drijven. En deze veronderstelling werd bevestigd toen we aan de uiterste westgrens der woestijn weer dezelfde dikke zandlaag te doorwaden kregen.Op den negenden dag van onzen woestijntocht kwamen we aan een uitgestrekt meer, een gezicht dat ons allen met de grootste vreugde vervulde,want we hadden nog maar voor drie dagen water, behalve dan het allernoodzakelijkste voor een mogelijken terugkeer. Toch had het twee dagen langer gestrekt dan we hadden durven hopen, doordat onze buffels de laatste dagen een soort van doornloozen distel ontdekt hadden, die hun zoowel tot eten als tot drinken diende.Den volgenden dag bereikten we den oever van dit meer, en gelukkig den zuidelijken, want in noordelijke richting was er geen einde aan te zien. Gedurende drie dagen marcheerden we langs den rand en behoefden we dus—een groote verlichting—geen water mee te sleepen. Vreemd genoeg verloor de woestijn ondanks die groote uitgestrektheid water, niets van zijn dor, onvruchtbaar karakter.Op voorstel van den kanonnier besloten we hier aan het meer een behoorlijke rust te nemen, wat ons na een veertiendaagsche onafgebroken reis ook wel toekwam, en te trachten wat eetbare visch te vangen. Met behulp van eenige vischhaken, die onze smid weer wist te fabriceeren, lukte ons dit uitstekend. Niet alleen vingen we er meer dan genoeg voor onze onmiddellijke behoefte, maar we droogden er ook een massa, die we voor onze verdere reis bestemden.Maakten we kleine tochtjes, vischten.Maakten we kleine tochtjes, vischten.Ongeveer vijf dagen rustten we aan deze koeltebrengende watervlakte uit, in welken tijd we ontelbare interessante avonturen met allerlei wilde dieren beleefden, o.a. een wedloop tusschen een leeuwin en een soort van groot hert of antilope. Met een voorsprong van ongeveer driehonderdmeter, vloog de antilope ons als de wind voorbij, maar we merkten al heel gauw op dat de leeuwin, dank zij haar geweldige spierkracht en sterke longen, het snelvoetige dier begon in te halen. Op ongeveer drie minuten afstands renden ze langs ons heen, en het duurde geruimen tijd eer ze uit ons gezicht verdwenen. Tot onze groote verbazing kwamen ze evenwel, na een uur ongeveer, van den anderen kant op ons afgestormd; de leeuwin nu slechts een twintig à dertig meter van de antilope verwijderd. Ademloos volgden we de opwindende jacht, waarbij beide dieren een geweldige krachtsinspanning aan den dag legden. Bij het meer gekomen, deed het hert in zijn wanhoop een sprong in het water en begon voor zijn levente zwemmen zooals het er tot nu toe voor geloopen had.De leeuwin sprong het na, maar keerde al heel gauw terug en hief, weer aan land gekomen, in haar teleurstelling zoo’n vervaarlijk gebrul aan, dat het sommigen van ons deed beven.’s Morgens maakten we kleine tochtjes, vischten of gingen ter jacht, maar op ’t heetst van den dag kropen we in onze tenten.Plotseling aangevallen door een krokodil.Plotseling aangevallen door een krokodil.Op zekeren morgen waren we getuige van een andere vervolging, die ons meer van nabij raakte dan de eerste. Onze Zwarte Prins namelijk werd, rustig langs het meer loopende, plotseling aangevallen door een krokodil, en hoe vlug ook in zijn bewegingen, wist onze vriend maar nauwelijks te ontkomen en hulp bij ons te zoeken. Goederaad was duur; de negers hadden ons meer dan eens verzekerd dat een kogel niet door een krokodillenhuid heendrong, en dit scheen ook werkelijk het geval te wezen, want hoewel drie onzer mannen op het monster vuurden, trok dit er zich niets van aan. Onze kanonnier evenwel, een dappere kerel, altijd bereid tot een kloeke daad, trad nu zóó dicht op den vijand toe, dat hij hem den mond van ’t geweer in den muil kon steken en vuurde toen, waarna hij echter zijn vuurroer in den steek liet en aan den haal ging. Het ondier ging geweldig te keer en koelde zijn woede aan het wapen, den loop met zijn tanden plat bijtende. Na eenigen tijd zagen we hem echter zwakker en rustiger worden, tot hij eindelijk den geest gaf.Gedurende ons oponthoud aan het meer zwierven onze negers in den omtrek rond om wild te bemachtigen en brachten ze ons ten slotte drie antilopen aan, een van de drie buitengewoon groot, de beide andere heel klein.Het eenige pluimvee dat we op onzen woestijntocht ontmoetten waren verschillende, watervogels die we op het meer zagen, maar ze kwamen nooit genoeg in onze nabijheid om ze onder schot te kunnen krijgen.Wel doodden we een paar civetkatten, doch hun vleesch was oneetbaar, door den sterken muskussmaak. Olifanten zagen we bij massa’s op een afstand, en het trof ons dat die geweldige dieren altijd in groote troepen voorttrekken, alles wat hun in den weg komt, onder den voet loopendeof met hun snuit in de lucht slingerend. Hoe log gebouwd ook, weet deze sterke planteneter toch zoo behendig met zijn slurf om te gaan, dat hij er een leeuw of ander wild dier mee opneemt, op den grond smakt en dan met zijn zware pooten dood trapt.Dat deze reusachtige viervoeters in groote getale in Afrika moesten voorkomen, bleek wel uit het ongelooflijk groote aantal olifantstanden dat wij in de woestijn aantroffen.Op zekeren avond—de meesten van ons lagen al op hun matten te slapen—kwamen onze schildwachts aangerend, verschrikt door het gebrul van eenige leeuwen, die blijkbaar al vlak in hun nabijheid waren, hoewel ze de dieren in de duisternis niet gezien hadden. Bij nader onderzoek bleek het een volledige leeuwenfamilie te zijn: een oude leeuw, een leeuwin en drie al tamelijk groote jongen. Een dezer jongen was onverhoeds op een der op post staande negers aangevallen, die doodelijk ontsteld naar onze hutten snelde. De tweede schildwacht, met een geweer gewapend, had geen tegenwoordigheid van geest genoeg om het dier dood te schieten, maar bracht het met den kolf een slag toe die het jong eerst deed huilen en toen dreigend grommen. Drie der onzen grepen hun geweren en vlogen naar de tentdeur, waar we onmiddellijk den grooten leeuwenkoning onderscheidden door het vuur dat uit zijn oogen straalde. Ze schoten, maar troffen het dier niet—tenminste niet doodelijk, want alle vijf draafden weg, onder een gebrul dat—alsof ze om hulp haddengeroepen—van alle kanten beantwoord werd. Deze huilende, jankende, schreeuwende woestijnmuziek gaf ons een gevoel alsof de verscheurende dieren van heel Afrika op onze legerplaats losstormden om ons te verslinden.In onzen angst vroegen we onzen Zwarten Prins wat wij toch beginnen moesten. „Mij gaan en allemaal bang maak,†zei hij in zijn gebroken taaltje, en meteen greep hij twee van onze slechtste matten van den grond. Daarop beval hij een paar negers vuur te slaan, hing een der matten aan een staak en stak dien, toen de mat flink vlamde, omhoog, waarop de gansche bende ondieren de vlucht nam.„Als dat helpen kan,†zei toen onze kanonnier, „behoeven we onze matten niet te verbranden; die kunnen ons betere diensten bewijzen. Wacht, maats!†En nadat hij een heelen tijd in onze tent bezig was geweest, kwam hij te voorschijn met een paar eenvoudige stukken vuurwerk, waarvan de schildwachts er elk een kregen om zoo noodig dadelijk te kunnen gebruiken. Daarna maakte hij een vuurrad vast aan denzelfden staak, waaraan eerst de mat was vastgebonden geweest en liet dit zoolang branden tot er van de lastige bezoekers niets meer te hooren of te zien was.De groote kans op hun terugkomst deed ons evenwel besluiten twee dagen eerder op te breken dan we aanvankelijk van plan waren geweest, en verder trekkende vonden we—al was het einde der woestijn ook nog steeds niet te zien—voldoende groen voor ons vee. Ook ontmoetten we verschillenderiviertjes, die blijkbaar allen in het meer uitmondden, zoodat het ons in de lagere gedeelten nergens aan water ontbrak. Na nog zestien dagen reizens begon het terrein wat te stijgen en vulden we voorzichtigheidshalve onze waterzakken. Het stijgen hield drie dagen onafgebroken aan, waarna we plotseling tot de ontdekking kwamen, dat we, bijna onmerkbaar, den top van een bergketen beklommen hadden.
HOOFDSTUK VI.De woestijntocht.
Toen we het gevechtsterrein inspecteerden, zagen we dat we zeven-en-dertig zwarten gedood hadden, waaronder drie vrouwen, en omstreeks vier-en-zestig zoo zwaar gewond, dat ze zich niet van de plaats konden verroeren. Met onmenschelijke koelbloedigheid maakten onze negers hen achter onzen rug af; een lafhartige daad, waarover we zoo verontwaardigd waren, dat we hen met hetzelfde lot dreigden indien wij er hen ooit weer op mochten betrappen.Buit viel er bij de gevallenen niet veel te halen; sommige hadden veeren in ’t haar en andere droegen een soort van halsband als sieraad, dat was alles; maar toch vonden onze negers hier wel iets van hun gading, waarmee ook wij heel blij waren, n.l. de pijlen en bogen der gesneuvelden en gewonden, waarvan ze er zooveel bijeenbrachten, dat we niet wisten wat er mee aan te vangen. Evenwel lieten we hen alles bewaren, van oordeel, dat ze ons later te pas konden komen.Na het gevecht zonden we er onze, nu gewapende gevangenen in troepjes op uit om te zien of ze iets eetbaars schieten konden, maarze brachten ons iets beters mee, namelijk nog vier jonge stieren of buffels, gedresseerd om lasten te dragen. Blijkbaar hadden ze de dieren aan het eelt op hun ruggen herkend, want iets wat naar een zadel geleek, was in de streek niet gebruikelijk.De buffels verschaften onze gevangenen niet alleen groote verlichting maar stelden ons ook in de gelegenheid meer proviand mee te nemen. Onze negers belaadden ze dan ook zwaar met vleesch en wortels, waaraan we later misschien gebrek zouden kunnen krijgen.Hadden de negers het geheel als huisdier behandeld.Hadden de negers het geheel als huisdier behandeld.In dit negerdorp vonden we een aardig klein luipaardje, nog geen halve meter hoog, dat buitengewoon tam bleek en als een kat spon wanneer we het streelden. Blijkbaar hadden de negers het geheel als huisdier behandeld. Bij het doorzoeken der verlaten hutten vond onze Prins het beestje,en nadat hij het telkens had aangehaald en toegesproken en een paar stukjes vleesch gevoerd, volgde het hem als een hond.Onder de negers die in ’t gevecht gedood werden, was er ook een die een goudstukje ter groote van een halven gulden aan een gedraaiden darm om den hals droeg, waaruit wij afleidden dat hij een hoogen rang bekleed moest hebben. Ook bracht het sieraad ons op het denkbeeld te gaan zoeken of ze soms nog meer goud bezaten, maar we vonden nergens iets meer van dat edele metaal.Van hier trokken we omstreeks vijftien dagen lang verder het land in, tot we op een ontzaglijk hoogen bergketen stuitten, en daar we geen anderen wegwijzer bezaten dan ons kleine zakkompas, hadden we geen flauw idee wat de beste richting voor ons zou wezen en moesten we maar hopen dat het geluk ons zou dienen.Eer we die bergen bereikten, ontmoetten we nog verscheiden wilde stammen, welke ons allen vrij wat zachter en vriendschappelijker tegemoet kwamen dan die waartegen we ons pas hadden moeten verdedigen. Met moeite werden we uit hun mededeelingen in zooverre wijs, dat zich achter den bergketen een groote woestijn moest uitstrekken, „met veel leeuw en veel gevlekte kat†(luipaarden), zooals onze negers het uitdrukten. Ook beduidden ze ons vooral water mee te nemen.Bij de laatste nederzetting gekomen, voorzagen we ons van zooveel proviand als de negers en buffels maar eenigszins torsen konden, en stelde ik voor, om ons ten minste eenige zekerheid omtrentden te volgen weg te verschaffen, uit de laatste hutten die we aantroffen eenige bewoners gevangen te nemen om hen tot gidsen in de woestijn en tot het helpen dragen van den mondkost te gebruiken. Deze raad was te aannemelijk om in den wind te worden geslagen, en toen we van de vreemde neger stam begrepen, dat er aan de andere zijde van ’t gebergte, eer we aan de eigenlijke woestijn kwamen, ook nog menschen woonden, besloten we ons daar goedschiks of kwaadschiks van gidsen te voorzien.Volgens een matige schatting moesten we ons omstreeks zevenhonderd mijlen van de kust bevinden, en met mannenmoed begonnen we den berg vóór ons te bestijgen. Toen we na een ontzaglijke inspanning den top bereikten en het land voor ons over een groote uitgestrektheid konden overzien, zonk het hart den meesten van ons echter in de schoenen. Geen boom, geen beek, geen struik, zoover het oog reikte; niets dan dor, gloeiend zand, dat, wanneer de wind even opstak, in dichte wolken werd opgejaagd en mensch en dier dreigde te verstikken en te bedelven. Nergens was een einde, een begrenzing der zandzee te zien. Geen wonder dat het onze mannen beklemd te moede werd en ze van terugkeeren begonnen te reppen. Wij vroegen ons af, of we ons wel over zulk een afschrikwekkend terrein mochten begeven, waar niets dan een wisse dood ons scheen te wachten.Hoewel ik, wat mezelf betreft, niet minder ontsteld was bij ’t vooruitzicht dan mijn kameraden,kon ik de gedachte onverrichterzake terug te keeren toch niet verdragen. „De zevenhonderd mijlen die wij achter ons hebben, zouden dan te vergeefs zijn afgelegd,†zei ik, „en de terugtocht lijkt mij erger dan de dood. Ik stel voor ons plan door te zetten, en blijkt het onmogelijk de woestijn over te steken, welnu dan kunnen we immers nog naar Kaap de Goede Hoop trachten te komen of in noordelijke richting in het Nijlgebied. Misschien vinden we ook hier of daar nog een weg naar het westen; heel Afrika zal toch wel geen woestijn zijn!â€Onze kanonnier, bij ’t kiezen van een richting altijd onze autoriteit, zette, toen we zijn meening vroegen, een ernstig gezicht en antwoordde ten slotte: „Ik durf niet aan te raden naar de Kaap te trekken, omdat de afstand zoo ontzettend groot is; zeker niet minder dan vijftienhonderd mijlen. Naar mijn berekening bevinden we ons nu op een derde van den afstand naar de kust van Angola. Als je de kaart raadpleegt, kun je zien dat we, naar mate we noordelijker komen, oneindig grooter afstand tot aan de westkust zouden moeten afleggen, door een streek die waarschijnlijk niet beter is dan deze woestijn. Daarom zou ik zeggen: laten we in westelijke richting voortgaan tot we de helft van ons water en onze proviand verbruikt hebben. Zien we dan geen uitkomst, dan kunnen we altijd nog, zonder gebrek te lijden, terugkeeren.â€Die raad leek ons zoo verstandig, dat we met algemeene stemmen besloten hem te volgen. We berekenden dat we omstreeks twee-en-veertigdagen voedsel zouden kunnen meenemen, doch voor niet meer dan twintig dagen water, ’t geen buitendien reeds voor dien tijd onbruikbaar zou zijn, waarop we besloten terug te keeren, wanneer we na een dag of tien geen beek of riviertje hadden aangetroffen. Vonden we evenwel drinkwater, dan zouden we een-en-twintig dagen kunnen doorreizen en eerst daarna—wanneer we ten minste geen einde aan de woestijn zagen—den terugtocht overwegen.Na deze afspraak daalden we van den bergrug af naar de laagvlakte die we pas den tweeden dag bereikten, maar waarin we een heldere, breede beek, overvloed van groot wild en een soort van haas vonden, niet zoo vlug, maar even goed van smaak als de ons uit Europa bekende. Een teleurstelling was echter dat we geen bewoners ontmoetten en dus geen gevangenen konden maken om onze bepakking te helpen dragen of als wegwijzers dienst te doen.Nadat we ons ruimschoots van allerlei leeftocht voorzien hadden, aanvaardden we, gezond als we allen gelukkig waren, met vertrouwen de groote reis; maar onmiddellijk bij ’t betreden der eigenlijke woestijn, begon onze moed al te zinken, want het zand was zoo diep en door de hitte zoo pijnlijk aan de voeten, dat we ons na een marsch, of liever na een doorwaden van een mijl of acht, al totaal uitgeput gevoelden. Zelfs de negers vielen hijgend neer als dieren die zich boven hun krachten hebben ingespannen.Weldra maakten we kennis met nog meer moeilijkhedenaan een verblijf in de woestijn verbonden. Tot nu toe hadden we ons ’s nachts altijd hutten gebouwd om ons tegen de nadeelige nachtlucht in de tropen te beschutten, maar hier vonden we na dien afmattenden tocht nergens eenig onderkomen. Er was geen boom, geen struikje zelfs te zien, en toen we tegen den nacht van alle kanten het gehuil van wolven en hyena’s, het gebrul van leeuwen en het balken van tallooze wilde ezels hoorden, kwam er van rusten zoo goed als niets.Geërgerd over onze domheid, verweten we onszelf dat we geen palen en stokken hadden meegenomen om, hoe gebrekkig misschien ook, toch een soort van palissadenhut te kunnen bouwen. Eindelijk kwamen we op het denkbeeld onze lansen en bogen in den grond te planten, de boveneinden zoo dicht mogelijk naar elkaar toe te buigen, deze met onze jassen te behangen en eenige huiden op het zand uit te spreiden. Op deze wijze richtten we ons een soort van tent in, waarin we uitstekend sliepen. Natuurlijk zorgden we voor een goed gewapende wacht,—waarbij we elkaar twee aan twee aflosten—een zeker niet overbodige voorzorg, daar de woestijn vol wilde dieren van allerlei soort bleek te zijn die soms tot vlak bij onze legerplaats kwamen.Onze schildwachts hadden bevel gekregen ons niet met schieten te wekken, maar het kruit op de pan af te branden, wat de dieren evengoed op de vlucht joeg.Twee aan twee op wacht...Twee aan twee op wacht...Hoewel we afwisselend geslapen hadden, voelden we ons ’s morgens niet veel minder vermoeid vanden nacht dan den vorigen avond van den inspannenden dagmarsch, en onze Zwarte Prins waarschuwde ons, dat we zonder behoorlijk nachtlogies allen zouden omkomen. Op zijn aanraden (hij begon zich al eenigszins in onze taal uit te drukken), trokken we weer terug naar de groote beek die ons van water voor de woestijnreis voorzien had, om ons daar een aantal biezen matten te vlechten zooals we de inlanders hadden zien doen.Op dezen terugtocht, waarover eenigen van ons twee dagen werkten, deden de achterblijvers een eigenaardige ervaring op, die hen voor ’t vervolg wel wat angstiger maakte zich af te scheiden.’s Morgens van den tweeden dag namelijk, toen ze nog geen mijl hadden afgelegd, zagen ze achter zich een geweldige zandwolk opstijgen, ongeveer zooals wij ’s zomers wel eens op een stoffigen landweg zien, wanneer er een kudde koeien wordt voortgedreven. Doch deze wolk was oneindig grooter en dichter, en ze konden duidelijk waarnemen, dat het opgejaagde zand hen naderde, en wel veel sneller dan zij uit de voeten konden komen.Hun eerste vermoeden was, dat er een vijandelijk leger in aantocht moest zijn, maar bij eenig nadenken zagen ze de onwaarschijnlijkheid hiervan in. Hoe zou de een of anderevolksstamvan onze voorgenomen tocht iets kunnen afweten en nog wel uit de onbewoonbare woestijn achter hen? Mocht het dus een leger zijn—paarden waren er in die streek niet—dan moest het toevallig in dezelfde richting trekken. Maar misschien warenhet wel wilde beesten! Inmiddels naderde de zandwolk met dreigende snelheid, en in doodsangst, verscheurd of onder den voet te worden geloopen, besloten ze te probeeren om door verandering van richting aan dit gevaar te ontkomen. Toen ze ongeveer een minuut of vijf naar het noorden waren afgeslagen, hielden ze halt om te zien wat het verschijnsel veroorzaakt had. Hiertoe werd een der lichtste en lenigste negers er op afgestuurd, en gauwer dan ze gedacht hadden kwam hij door ’t mulle zand teruggeloopen, door teekens en geluiden te kennen gevende dat het een groote kudde olifanten was.Nieuwsgierig zoo’n ongewoon schouwspel te zien, wilden onze mannen er op afgaan en bekroop onzen kanonnier, die bij dit troepje was achtergebleven, de lust eens te beproeven of de dikhuiden werkelijk voor kogels ondoordringbaar waren; maar ze trachtten hem allen van dit voornemen af te brengen, uit vrees dat de dieren, verschrikt door het ongewone geluid, op ons zouden afstormen, daar zij zich, hoe log ook in hun bewegingen, verwonderlijk gauw door het mulle zand kunnen voortbewegen.Het waren ontzaglijk groote beesten, twintig à dertig in aantal, en ofschoon ze bewijzen gaven onze mannen heel goed te zien, weken ze toch niet uit de richting. Wij die de voorhoede vormden, merkten de stofwolk ook wel op, zij het ook op zeer grooten afstand, maar meenden dat het onze eigen karavaan was en namen er dus verder geen notitie van. Eerst ’s avonds deden onzemakkers ons ’t verhaal van hun ervaring, waaruit we leering putten voor ons verdere gedrag tijdens den woestijntocht.Zoo gauw mogelijk vingen we onzen arbeid aan, waarbij onze Zwarte Prins, die het handwerk uitstekend verstond, de leiding op zich nam. Al zijn onderhoorigen konden trouwens matten vlechten, zoodat we er in korten tijd een honderdtal klaar hadden, waarvan iedere neger er zonder moeite een bij zijn gewone vracht droeg. Meer bezwaar leverden eerst de palen en stokken op, tot een der inboorlingen op het denkbeeld kwam, ze tusschen hen in op de schouders te dragen, een aan ’t vóór en een aan ’t achtereinde en er allerlei bagage aan te hangen.Zoodra wij dit zagen trokken wij er nog het voordeel van om elk paar lattendragers bovendien met een waterzak te belasten, waardoor we voor meer dan een dagreis extra water konden meenemen.Na een onderbreking van acht dagen, zetten we ons weer in beweging. Tot onze groote blijdschap viel er den nacht voor ons vertrek geweldig veel regen, waarvan we de uitwerking dadelijk aan het zand konden waarnemen. Wel was de oppervlakte weer gauw even droog als te voren, maar de ondergrond bleek steviger, vaster geworden en onze voeten werden niet zoo brandend heet, zoodat we dien dag zonder inspanning ongeveer veertien, in plaats van zeven mijlen aflegden.Toen het tot kampeeren kwam, hadden we ons nachtverblijf ook spoedig in orde, dank zij een vooroefening, aan de beek gehouden. In minderdan een uur was de uit twee ruimten bestaande tent kant en klaar. In de binnenste lagen wij, in de buitenste onze negers, allen op matten en met hetzelfde materiaal toegedekt. Ook hadden we een kleine omheinde ruimte afgepaald voor onze buffels die ons zulke uitstekende diensten bewezen en ons niets geen last bezorgden, daar ze een soort van witte peen of pastinak aten, die we overal—behalve natuurlijk in die verschrikkelijke woestijn—overvloedig aantroffen.Den volgenden morgen braken onze negers de tent weer af, en in minder tijd dan het opstellen gekost had, stonden we allen weer marschvaardig.Zoo trokken we acht dagen verder, zonder iets te zien wat op het einde der woestijn wees; alles bleef even woest en kaal als in ’t begin, alleen was het zand niet meer zoo mul en diep als de drie eerste dagen. Naar ons idee vond dit zijn oorzaak in de omstandigheid, dat de wind, die hier zes maanden van ’t jaar uit het westen blaast, het zand voortdurend naar dat gedeelte der woestijn had opgestuwd waar wij onze reis aanvingen, terwijl de oostmoesson in de andere helft van ’t jaar door de hooge bergen in ’t oosten verhinderd werd het zand met dezelfde kracht terug te drijven. En deze veronderstelling werd bevestigd toen we aan de uiterste westgrens der woestijn weer dezelfde dikke zandlaag te doorwaden kregen.Op den negenden dag van onzen woestijntocht kwamen we aan een uitgestrekt meer, een gezicht dat ons allen met de grootste vreugde vervulde,want we hadden nog maar voor drie dagen water, behalve dan het allernoodzakelijkste voor een mogelijken terugkeer. Toch had het twee dagen langer gestrekt dan we hadden durven hopen, doordat onze buffels de laatste dagen een soort van doornloozen distel ontdekt hadden, die hun zoowel tot eten als tot drinken diende.Den volgenden dag bereikten we den oever van dit meer, en gelukkig den zuidelijken, want in noordelijke richting was er geen einde aan te zien. Gedurende drie dagen marcheerden we langs den rand en behoefden we dus—een groote verlichting—geen water mee te sleepen. Vreemd genoeg verloor de woestijn ondanks die groote uitgestrektheid water, niets van zijn dor, onvruchtbaar karakter.Op voorstel van den kanonnier besloten we hier aan het meer een behoorlijke rust te nemen, wat ons na een veertiendaagsche onafgebroken reis ook wel toekwam, en te trachten wat eetbare visch te vangen. Met behulp van eenige vischhaken, die onze smid weer wist te fabriceeren, lukte ons dit uitstekend. Niet alleen vingen we er meer dan genoeg voor onze onmiddellijke behoefte, maar we droogden er ook een massa, die we voor onze verdere reis bestemden.Maakten we kleine tochtjes, vischten.Maakten we kleine tochtjes, vischten.Ongeveer vijf dagen rustten we aan deze koeltebrengende watervlakte uit, in welken tijd we ontelbare interessante avonturen met allerlei wilde dieren beleefden, o.a. een wedloop tusschen een leeuwin en een soort van groot hert of antilope. Met een voorsprong van ongeveer driehonderdmeter, vloog de antilope ons als de wind voorbij, maar we merkten al heel gauw op dat de leeuwin, dank zij haar geweldige spierkracht en sterke longen, het snelvoetige dier begon in te halen. Op ongeveer drie minuten afstands renden ze langs ons heen, en het duurde geruimen tijd eer ze uit ons gezicht verdwenen. Tot onze groote verbazing kwamen ze evenwel, na een uur ongeveer, van den anderen kant op ons afgestormd; de leeuwin nu slechts een twintig à dertig meter van de antilope verwijderd. Ademloos volgden we de opwindende jacht, waarbij beide dieren een geweldige krachtsinspanning aan den dag legden. Bij het meer gekomen, deed het hert in zijn wanhoop een sprong in het water en begon voor zijn levente zwemmen zooals het er tot nu toe voor geloopen had.De leeuwin sprong het na, maar keerde al heel gauw terug en hief, weer aan land gekomen, in haar teleurstelling zoo’n vervaarlijk gebrul aan, dat het sommigen van ons deed beven.’s Morgens maakten we kleine tochtjes, vischten of gingen ter jacht, maar op ’t heetst van den dag kropen we in onze tenten.Plotseling aangevallen door een krokodil.Plotseling aangevallen door een krokodil.Op zekeren morgen waren we getuige van een andere vervolging, die ons meer van nabij raakte dan de eerste. Onze Zwarte Prins namelijk werd, rustig langs het meer loopende, plotseling aangevallen door een krokodil, en hoe vlug ook in zijn bewegingen, wist onze vriend maar nauwelijks te ontkomen en hulp bij ons te zoeken. Goederaad was duur; de negers hadden ons meer dan eens verzekerd dat een kogel niet door een krokodillenhuid heendrong, en dit scheen ook werkelijk het geval te wezen, want hoewel drie onzer mannen op het monster vuurden, trok dit er zich niets van aan. Onze kanonnier evenwel, een dappere kerel, altijd bereid tot een kloeke daad, trad nu zóó dicht op den vijand toe, dat hij hem den mond van ’t geweer in den muil kon steken en vuurde toen, waarna hij echter zijn vuurroer in den steek liet en aan den haal ging. Het ondier ging geweldig te keer en koelde zijn woede aan het wapen, den loop met zijn tanden plat bijtende. Na eenigen tijd zagen we hem echter zwakker en rustiger worden, tot hij eindelijk den geest gaf.Gedurende ons oponthoud aan het meer zwierven onze negers in den omtrek rond om wild te bemachtigen en brachten ze ons ten slotte drie antilopen aan, een van de drie buitengewoon groot, de beide andere heel klein.Het eenige pluimvee dat we op onzen woestijntocht ontmoetten waren verschillende, watervogels die we op het meer zagen, maar ze kwamen nooit genoeg in onze nabijheid om ze onder schot te kunnen krijgen.Wel doodden we een paar civetkatten, doch hun vleesch was oneetbaar, door den sterken muskussmaak. Olifanten zagen we bij massa’s op een afstand, en het trof ons dat die geweldige dieren altijd in groote troepen voorttrekken, alles wat hun in den weg komt, onder den voet loopendeof met hun snuit in de lucht slingerend. Hoe log gebouwd ook, weet deze sterke planteneter toch zoo behendig met zijn slurf om te gaan, dat hij er een leeuw of ander wild dier mee opneemt, op den grond smakt en dan met zijn zware pooten dood trapt.Dat deze reusachtige viervoeters in groote getale in Afrika moesten voorkomen, bleek wel uit het ongelooflijk groote aantal olifantstanden dat wij in de woestijn aantroffen.Op zekeren avond—de meesten van ons lagen al op hun matten te slapen—kwamen onze schildwachts aangerend, verschrikt door het gebrul van eenige leeuwen, die blijkbaar al vlak in hun nabijheid waren, hoewel ze de dieren in de duisternis niet gezien hadden. Bij nader onderzoek bleek het een volledige leeuwenfamilie te zijn: een oude leeuw, een leeuwin en drie al tamelijk groote jongen. Een dezer jongen was onverhoeds op een der op post staande negers aangevallen, die doodelijk ontsteld naar onze hutten snelde. De tweede schildwacht, met een geweer gewapend, had geen tegenwoordigheid van geest genoeg om het dier dood te schieten, maar bracht het met den kolf een slag toe die het jong eerst deed huilen en toen dreigend grommen. Drie der onzen grepen hun geweren en vlogen naar de tentdeur, waar we onmiddellijk den grooten leeuwenkoning onderscheidden door het vuur dat uit zijn oogen straalde. Ze schoten, maar troffen het dier niet—tenminste niet doodelijk, want alle vijf draafden weg, onder een gebrul dat—alsof ze om hulp haddengeroepen—van alle kanten beantwoord werd. Deze huilende, jankende, schreeuwende woestijnmuziek gaf ons een gevoel alsof de verscheurende dieren van heel Afrika op onze legerplaats losstormden om ons te verslinden.In onzen angst vroegen we onzen Zwarten Prins wat wij toch beginnen moesten. „Mij gaan en allemaal bang maak,†zei hij in zijn gebroken taaltje, en meteen greep hij twee van onze slechtste matten van den grond. Daarop beval hij een paar negers vuur te slaan, hing een der matten aan een staak en stak dien, toen de mat flink vlamde, omhoog, waarop de gansche bende ondieren de vlucht nam.„Als dat helpen kan,†zei toen onze kanonnier, „behoeven we onze matten niet te verbranden; die kunnen ons betere diensten bewijzen. Wacht, maats!†En nadat hij een heelen tijd in onze tent bezig was geweest, kwam hij te voorschijn met een paar eenvoudige stukken vuurwerk, waarvan de schildwachts er elk een kregen om zoo noodig dadelijk te kunnen gebruiken. Daarna maakte hij een vuurrad vast aan denzelfden staak, waaraan eerst de mat was vastgebonden geweest en liet dit zoolang branden tot er van de lastige bezoekers niets meer te hooren of te zien was.De groote kans op hun terugkomst deed ons evenwel besluiten twee dagen eerder op te breken dan we aanvankelijk van plan waren geweest, en verder trekkende vonden we—al was het einde der woestijn ook nog steeds niet te zien—voldoende groen voor ons vee. Ook ontmoetten we verschillenderiviertjes, die blijkbaar allen in het meer uitmondden, zoodat het ons in de lagere gedeelten nergens aan water ontbrak. Na nog zestien dagen reizens begon het terrein wat te stijgen en vulden we voorzichtigheidshalve onze waterzakken. Het stijgen hield drie dagen onafgebroken aan, waarna we plotseling tot de ontdekking kwamen, dat we, bijna onmerkbaar, den top van een bergketen beklommen hadden.
Toen we het gevechtsterrein inspecteerden, zagen we dat we zeven-en-dertig zwarten gedood hadden, waaronder drie vrouwen, en omstreeks vier-en-zestig zoo zwaar gewond, dat ze zich niet van de plaats konden verroeren. Met onmenschelijke koelbloedigheid maakten onze negers hen achter onzen rug af; een lafhartige daad, waarover we zoo verontwaardigd waren, dat we hen met hetzelfde lot dreigden indien wij er hen ooit weer op mochten betrappen.
Buit viel er bij de gevallenen niet veel te halen; sommige hadden veeren in ’t haar en andere droegen een soort van halsband als sieraad, dat was alles; maar toch vonden onze negers hier wel iets van hun gading, waarmee ook wij heel blij waren, n.l. de pijlen en bogen der gesneuvelden en gewonden, waarvan ze er zooveel bijeenbrachten, dat we niet wisten wat er mee aan te vangen. Evenwel lieten we hen alles bewaren, van oordeel, dat ze ons later te pas konden komen.
Na het gevecht zonden we er onze, nu gewapende gevangenen in troepjes op uit om te zien of ze iets eetbaars schieten konden, maarze brachten ons iets beters mee, namelijk nog vier jonge stieren of buffels, gedresseerd om lasten te dragen. Blijkbaar hadden ze de dieren aan het eelt op hun ruggen herkend, want iets wat naar een zadel geleek, was in de streek niet gebruikelijk.
De buffels verschaften onze gevangenen niet alleen groote verlichting maar stelden ons ook in de gelegenheid meer proviand mee te nemen. Onze negers belaadden ze dan ook zwaar met vleesch en wortels, waaraan we later misschien gebrek zouden kunnen krijgen.
Hadden de negers het geheel als huisdier behandeld.Hadden de negers het geheel als huisdier behandeld.
Hadden de negers het geheel als huisdier behandeld.
In dit negerdorp vonden we een aardig klein luipaardje, nog geen halve meter hoog, dat buitengewoon tam bleek en als een kat spon wanneer we het streelden. Blijkbaar hadden de negers het geheel als huisdier behandeld. Bij het doorzoeken der verlaten hutten vond onze Prins het beestje,en nadat hij het telkens had aangehaald en toegesproken en een paar stukjes vleesch gevoerd, volgde het hem als een hond.
Onder de negers die in ’t gevecht gedood werden, was er ook een die een goudstukje ter groote van een halven gulden aan een gedraaiden darm om den hals droeg, waaruit wij afleidden dat hij een hoogen rang bekleed moest hebben. Ook bracht het sieraad ons op het denkbeeld te gaan zoeken of ze soms nog meer goud bezaten, maar we vonden nergens iets meer van dat edele metaal.
Van hier trokken we omstreeks vijftien dagen lang verder het land in, tot we op een ontzaglijk hoogen bergketen stuitten, en daar we geen anderen wegwijzer bezaten dan ons kleine zakkompas, hadden we geen flauw idee wat de beste richting voor ons zou wezen en moesten we maar hopen dat het geluk ons zou dienen.
Eer we die bergen bereikten, ontmoetten we nog verscheiden wilde stammen, welke ons allen vrij wat zachter en vriendschappelijker tegemoet kwamen dan die waartegen we ons pas hadden moeten verdedigen. Met moeite werden we uit hun mededeelingen in zooverre wijs, dat zich achter den bergketen een groote woestijn moest uitstrekken, „met veel leeuw en veel gevlekte kat†(luipaarden), zooals onze negers het uitdrukten. Ook beduidden ze ons vooral water mee te nemen.
Bij de laatste nederzetting gekomen, voorzagen we ons van zooveel proviand als de negers en buffels maar eenigszins torsen konden, en stelde ik voor, om ons ten minste eenige zekerheid omtrentden te volgen weg te verschaffen, uit de laatste hutten die we aantroffen eenige bewoners gevangen te nemen om hen tot gidsen in de woestijn en tot het helpen dragen van den mondkost te gebruiken. Deze raad was te aannemelijk om in den wind te worden geslagen, en toen we van de vreemde neger stam begrepen, dat er aan de andere zijde van ’t gebergte, eer we aan de eigenlijke woestijn kwamen, ook nog menschen woonden, besloten we ons daar goedschiks of kwaadschiks van gidsen te voorzien.
Volgens een matige schatting moesten we ons omstreeks zevenhonderd mijlen van de kust bevinden, en met mannenmoed begonnen we den berg vóór ons te bestijgen. Toen we na een ontzaglijke inspanning den top bereikten en het land voor ons over een groote uitgestrektheid konden overzien, zonk het hart den meesten van ons echter in de schoenen. Geen boom, geen beek, geen struik, zoover het oog reikte; niets dan dor, gloeiend zand, dat, wanneer de wind even opstak, in dichte wolken werd opgejaagd en mensch en dier dreigde te verstikken en te bedelven. Nergens was een einde, een begrenzing der zandzee te zien. Geen wonder dat het onze mannen beklemd te moede werd en ze van terugkeeren begonnen te reppen. Wij vroegen ons af, of we ons wel over zulk een afschrikwekkend terrein mochten begeven, waar niets dan een wisse dood ons scheen te wachten.
Hoewel ik, wat mezelf betreft, niet minder ontsteld was bij ’t vooruitzicht dan mijn kameraden,kon ik de gedachte onverrichterzake terug te keeren toch niet verdragen. „De zevenhonderd mijlen die wij achter ons hebben, zouden dan te vergeefs zijn afgelegd,†zei ik, „en de terugtocht lijkt mij erger dan de dood. Ik stel voor ons plan door te zetten, en blijkt het onmogelijk de woestijn over te steken, welnu dan kunnen we immers nog naar Kaap de Goede Hoop trachten te komen of in noordelijke richting in het Nijlgebied. Misschien vinden we ook hier of daar nog een weg naar het westen; heel Afrika zal toch wel geen woestijn zijn!â€
Onze kanonnier, bij ’t kiezen van een richting altijd onze autoriteit, zette, toen we zijn meening vroegen, een ernstig gezicht en antwoordde ten slotte: „Ik durf niet aan te raden naar de Kaap te trekken, omdat de afstand zoo ontzettend groot is; zeker niet minder dan vijftienhonderd mijlen. Naar mijn berekening bevinden we ons nu op een derde van den afstand naar de kust van Angola. Als je de kaart raadpleegt, kun je zien dat we, naar mate we noordelijker komen, oneindig grooter afstand tot aan de westkust zouden moeten afleggen, door een streek die waarschijnlijk niet beter is dan deze woestijn. Daarom zou ik zeggen: laten we in westelijke richting voortgaan tot we de helft van ons water en onze proviand verbruikt hebben. Zien we dan geen uitkomst, dan kunnen we altijd nog, zonder gebrek te lijden, terugkeeren.â€
Die raad leek ons zoo verstandig, dat we met algemeene stemmen besloten hem te volgen. We berekenden dat we omstreeks twee-en-veertigdagen voedsel zouden kunnen meenemen, doch voor niet meer dan twintig dagen water, ’t geen buitendien reeds voor dien tijd onbruikbaar zou zijn, waarop we besloten terug te keeren, wanneer we na een dag of tien geen beek of riviertje hadden aangetroffen. Vonden we evenwel drinkwater, dan zouden we een-en-twintig dagen kunnen doorreizen en eerst daarna—wanneer we ten minste geen einde aan de woestijn zagen—den terugtocht overwegen.
Na deze afspraak daalden we van den bergrug af naar de laagvlakte die we pas den tweeden dag bereikten, maar waarin we een heldere, breede beek, overvloed van groot wild en een soort van haas vonden, niet zoo vlug, maar even goed van smaak als de ons uit Europa bekende. Een teleurstelling was echter dat we geen bewoners ontmoetten en dus geen gevangenen konden maken om onze bepakking te helpen dragen of als wegwijzers dienst te doen.
Nadat we ons ruimschoots van allerlei leeftocht voorzien hadden, aanvaardden we, gezond als we allen gelukkig waren, met vertrouwen de groote reis; maar onmiddellijk bij ’t betreden der eigenlijke woestijn, begon onze moed al te zinken, want het zand was zoo diep en door de hitte zoo pijnlijk aan de voeten, dat we ons na een marsch, of liever na een doorwaden van een mijl of acht, al totaal uitgeput gevoelden. Zelfs de negers vielen hijgend neer als dieren die zich boven hun krachten hebben ingespannen.
Weldra maakten we kennis met nog meer moeilijkhedenaan een verblijf in de woestijn verbonden. Tot nu toe hadden we ons ’s nachts altijd hutten gebouwd om ons tegen de nadeelige nachtlucht in de tropen te beschutten, maar hier vonden we na dien afmattenden tocht nergens eenig onderkomen. Er was geen boom, geen struikje zelfs te zien, en toen we tegen den nacht van alle kanten het gehuil van wolven en hyena’s, het gebrul van leeuwen en het balken van tallooze wilde ezels hoorden, kwam er van rusten zoo goed als niets.
Geërgerd over onze domheid, verweten we onszelf dat we geen palen en stokken hadden meegenomen om, hoe gebrekkig misschien ook, toch een soort van palissadenhut te kunnen bouwen. Eindelijk kwamen we op het denkbeeld onze lansen en bogen in den grond te planten, de boveneinden zoo dicht mogelijk naar elkaar toe te buigen, deze met onze jassen te behangen en eenige huiden op het zand uit te spreiden. Op deze wijze richtten we ons een soort van tent in, waarin we uitstekend sliepen. Natuurlijk zorgden we voor een goed gewapende wacht,—waarbij we elkaar twee aan twee aflosten—een zeker niet overbodige voorzorg, daar de woestijn vol wilde dieren van allerlei soort bleek te zijn die soms tot vlak bij onze legerplaats kwamen.
Onze schildwachts hadden bevel gekregen ons niet met schieten te wekken, maar het kruit op de pan af te branden, wat de dieren evengoed op de vlucht joeg.
Twee aan twee op wacht...Twee aan twee op wacht...
Twee aan twee op wacht...
Hoewel we afwisselend geslapen hadden, voelden we ons ’s morgens niet veel minder vermoeid vanden nacht dan den vorigen avond van den inspannenden dagmarsch, en onze Zwarte Prins waarschuwde ons, dat we zonder behoorlijk nachtlogies allen zouden omkomen. Op zijn aanraden (hij begon zich al eenigszins in onze taal uit te drukken), trokken we weer terug naar de groote beek die ons van water voor de woestijnreis voorzien had, om ons daar een aantal biezen matten te vlechten zooals we de inlanders hadden zien doen.
Op dezen terugtocht, waarover eenigen van ons twee dagen werkten, deden de achterblijvers een eigenaardige ervaring op, die hen voor ’t vervolg wel wat angstiger maakte zich af te scheiden.
’s Morgens van den tweeden dag namelijk, toen ze nog geen mijl hadden afgelegd, zagen ze achter zich een geweldige zandwolk opstijgen, ongeveer zooals wij ’s zomers wel eens op een stoffigen landweg zien, wanneer er een kudde koeien wordt voortgedreven. Doch deze wolk was oneindig grooter en dichter, en ze konden duidelijk waarnemen, dat het opgejaagde zand hen naderde, en wel veel sneller dan zij uit de voeten konden komen.
Hun eerste vermoeden was, dat er een vijandelijk leger in aantocht moest zijn, maar bij eenig nadenken zagen ze de onwaarschijnlijkheid hiervan in. Hoe zou de een of anderevolksstamvan onze voorgenomen tocht iets kunnen afweten en nog wel uit de onbewoonbare woestijn achter hen? Mocht het dus een leger zijn—paarden waren er in die streek niet—dan moest het toevallig in dezelfde richting trekken. Maar misschien warenhet wel wilde beesten! Inmiddels naderde de zandwolk met dreigende snelheid, en in doodsangst, verscheurd of onder den voet te worden geloopen, besloten ze te probeeren om door verandering van richting aan dit gevaar te ontkomen. Toen ze ongeveer een minuut of vijf naar het noorden waren afgeslagen, hielden ze halt om te zien wat het verschijnsel veroorzaakt had. Hiertoe werd een der lichtste en lenigste negers er op afgestuurd, en gauwer dan ze gedacht hadden kwam hij door ’t mulle zand teruggeloopen, door teekens en geluiden te kennen gevende dat het een groote kudde olifanten was.
Nieuwsgierig zoo’n ongewoon schouwspel te zien, wilden onze mannen er op afgaan en bekroop onzen kanonnier, die bij dit troepje was achtergebleven, de lust eens te beproeven of de dikhuiden werkelijk voor kogels ondoordringbaar waren; maar ze trachtten hem allen van dit voornemen af te brengen, uit vrees dat de dieren, verschrikt door het ongewone geluid, op ons zouden afstormen, daar zij zich, hoe log ook in hun bewegingen, verwonderlijk gauw door het mulle zand kunnen voortbewegen.
Het waren ontzaglijk groote beesten, twintig à dertig in aantal, en ofschoon ze bewijzen gaven onze mannen heel goed te zien, weken ze toch niet uit de richting. Wij die de voorhoede vormden, merkten de stofwolk ook wel op, zij het ook op zeer grooten afstand, maar meenden dat het onze eigen karavaan was en namen er dus verder geen notitie van. Eerst ’s avonds deden onzemakkers ons ’t verhaal van hun ervaring, waaruit we leering putten voor ons verdere gedrag tijdens den woestijntocht.
Zoo gauw mogelijk vingen we onzen arbeid aan, waarbij onze Zwarte Prins, die het handwerk uitstekend verstond, de leiding op zich nam. Al zijn onderhoorigen konden trouwens matten vlechten, zoodat we er in korten tijd een honderdtal klaar hadden, waarvan iedere neger er zonder moeite een bij zijn gewone vracht droeg. Meer bezwaar leverden eerst de palen en stokken op, tot een der inboorlingen op het denkbeeld kwam, ze tusschen hen in op de schouders te dragen, een aan ’t vóór en een aan ’t achtereinde en er allerlei bagage aan te hangen.
Zoodra wij dit zagen trokken wij er nog het voordeel van om elk paar lattendragers bovendien met een waterzak te belasten, waardoor we voor meer dan een dagreis extra water konden meenemen.
Na een onderbreking van acht dagen, zetten we ons weer in beweging. Tot onze groote blijdschap viel er den nacht voor ons vertrek geweldig veel regen, waarvan we de uitwerking dadelijk aan het zand konden waarnemen. Wel was de oppervlakte weer gauw even droog als te voren, maar de ondergrond bleek steviger, vaster geworden en onze voeten werden niet zoo brandend heet, zoodat we dien dag zonder inspanning ongeveer veertien, in plaats van zeven mijlen aflegden.
Toen het tot kampeeren kwam, hadden we ons nachtverblijf ook spoedig in orde, dank zij een vooroefening, aan de beek gehouden. In minderdan een uur was de uit twee ruimten bestaande tent kant en klaar. In de binnenste lagen wij, in de buitenste onze negers, allen op matten en met hetzelfde materiaal toegedekt. Ook hadden we een kleine omheinde ruimte afgepaald voor onze buffels die ons zulke uitstekende diensten bewezen en ons niets geen last bezorgden, daar ze een soort van witte peen of pastinak aten, die we overal—behalve natuurlijk in die verschrikkelijke woestijn—overvloedig aantroffen.
Den volgenden morgen braken onze negers de tent weer af, en in minder tijd dan het opstellen gekost had, stonden we allen weer marschvaardig.
Zoo trokken we acht dagen verder, zonder iets te zien wat op het einde der woestijn wees; alles bleef even woest en kaal als in ’t begin, alleen was het zand niet meer zoo mul en diep als de drie eerste dagen. Naar ons idee vond dit zijn oorzaak in de omstandigheid, dat de wind, die hier zes maanden van ’t jaar uit het westen blaast, het zand voortdurend naar dat gedeelte der woestijn had opgestuwd waar wij onze reis aanvingen, terwijl de oostmoesson in de andere helft van ’t jaar door de hooge bergen in ’t oosten verhinderd werd het zand met dezelfde kracht terug te drijven. En deze veronderstelling werd bevestigd toen we aan de uiterste westgrens der woestijn weer dezelfde dikke zandlaag te doorwaden kregen.
Op den negenden dag van onzen woestijntocht kwamen we aan een uitgestrekt meer, een gezicht dat ons allen met de grootste vreugde vervulde,want we hadden nog maar voor drie dagen water, behalve dan het allernoodzakelijkste voor een mogelijken terugkeer. Toch had het twee dagen langer gestrekt dan we hadden durven hopen, doordat onze buffels de laatste dagen een soort van doornloozen distel ontdekt hadden, die hun zoowel tot eten als tot drinken diende.
Den volgenden dag bereikten we den oever van dit meer, en gelukkig den zuidelijken, want in noordelijke richting was er geen einde aan te zien. Gedurende drie dagen marcheerden we langs den rand en behoefden we dus—een groote verlichting—geen water mee te sleepen. Vreemd genoeg verloor de woestijn ondanks die groote uitgestrektheid water, niets van zijn dor, onvruchtbaar karakter.
Op voorstel van den kanonnier besloten we hier aan het meer een behoorlijke rust te nemen, wat ons na een veertiendaagsche onafgebroken reis ook wel toekwam, en te trachten wat eetbare visch te vangen. Met behulp van eenige vischhaken, die onze smid weer wist te fabriceeren, lukte ons dit uitstekend. Niet alleen vingen we er meer dan genoeg voor onze onmiddellijke behoefte, maar we droogden er ook een massa, die we voor onze verdere reis bestemden.
Maakten we kleine tochtjes, vischten.Maakten we kleine tochtjes, vischten.
Maakten we kleine tochtjes, vischten.
Ongeveer vijf dagen rustten we aan deze koeltebrengende watervlakte uit, in welken tijd we ontelbare interessante avonturen met allerlei wilde dieren beleefden, o.a. een wedloop tusschen een leeuwin en een soort van groot hert of antilope. Met een voorsprong van ongeveer driehonderdmeter, vloog de antilope ons als de wind voorbij, maar we merkten al heel gauw op dat de leeuwin, dank zij haar geweldige spierkracht en sterke longen, het snelvoetige dier begon in te halen. Op ongeveer drie minuten afstands renden ze langs ons heen, en het duurde geruimen tijd eer ze uit ons gezicht verdwenen. Tot onze groote verbazing kwamen ze evenwel, na een uur ongeveer, van den anderen kant op ons afgestormd; de leeuwin nu slechts een twintig à dertig meter van de antilope verwijderd. Ademloos volgden we de opwindende jacht, waarbij beide dieren een geweldige krachtsinspanning aan den dag legden. Bij het meer gekomen, deed het hert in zijn wanhoop een sprong in het water en begon voor zijn levente zwemmen zooals het er tot nu toe voor geloopen had.
De leeuwin sprong het na, maar keerde al heel gauw terug en hief, weer aan land gekomen, in haar teleurstelling zoo’n vervaarlijk gebrul aan, dat het sommigen van ons deed beven.
’s Morgens maakten we kleine tochtjes, vischten of gingen ter jacht, maar op ’t heetst van den dag kropen we in onze tenten.
Plotseling aangevallen door een krokodil.Plotseling aangevallen door een krokodil.
Plotseling aangevallen door een krokodil.
Op zekeren morgen waren we getuige van een andere vervolging, die ons meer van nabij raakte dan de eerste. Onze Zwarte Prins namelijk werd, rustig langs het meer loopende, plotseling aangevallen door een krokodil, en hoe vlug ook in zijn bewegingen, wist onze vriend maar nauwelijks te ontkomen en hulp bij ons te zoeken. Goederaad was duur; de negers hadden ons meer dan eens verzekerd dat een kogel niet door een krokodillenhuid heendrong, en dit scheen ook werkelijk het geval te wezen, want hoewel drie onzer mannen op het monster vuurden, trok dit er zich niets van aan. Onze kanonnier evenwel, een dappere kerel, altijd bereid tot een kloeke daad, trad nu zóó dicht op den vijand toe, dat hij hem den mond van ’t geweer in den muil kon steken en vuurde toen, waarna hij echter zijn vuurroer in den steek liet en aan den haal ging. Het ondier ging geweldig te keer en koelde zijn woede aan het wapen, den loop met zijn tanden plat bijtende. Na eenigen tijd zagen we hem echter zwakker en rustiger worden, tot hij eindelijk den geest gaf.
Gedurende ons oponthoud aan het meer zwierven onze negers in den omtrek rond om wild te bemachtigen en brachten ze ons ten slotte drie antilopen aan, een van de drie buitengewoon groot, de beide andere heel klein.
Het eenige pluimvee dat we op onzen woestijntocht ontmoetten waren verschillende, watervogels die we op het meer zagen, maar ze kwamen nooit genoeg in onze nabijheid om ze onder schot te kunnen krijgen.
Wel doodden we een paar civetkatten, doch hun vleesch was oneetbaar, door den sterken muskussmaak. Olifanten zagen we bij massa’s op een afstand, en het trof ons dat die geweldige dieren altijd in groote troepen voorttrekken, alles wat hun in den weg komt, onder den voet loopendeof met hun snuit in de lucht slingerend. Hoe log gebouwd ook, weet deze sterke planteneter toch zoo behendig met zijn slurf om te gaan, dat hij er een leeuw of ander wild dier mee opneemt, op den grond smakt en dan met zijn zware pooten dood trapt.
Dat deze reusachtige viervoeters in groote getale in Afrika moesten voorkomen, bleek wel uit het ongelooflijk groote aantal olifantstanden dat wij in de woestijn aantroffen.
Op zekeren avond—de meesten van ons lagen al op hun matten te slapen—kwamen onze schildwachts aangerend, verschrikt door het gebrul van eenige leeuwen, die blijkbaar al vlak in hun nabijheid waren, hoewel ze de dieren in de duisternis niet gezien hadden. Bij nader onderzoek bleek het een volledige leeuwenfamilie te zijn: een oude leeuw, een leeuwin en drie al tamelijk groote jongen. Een dezer jongen was onverhoeds op een der op post staande negers aangevallen, die doodelijk ontsteld naar onze hutten snelde. De tweede schildwacht, met een geweer gewapend, had geen tegenwoordigheid van geest genoeg om het dier dood te schieten, maar bracht het met den kolf een slag toe die het jong eerst deed huilen en toen dreigend grommen. Drie der onzen grepen hun geweren en vlogen naar de tentdeur, waar we onmiddellijk den grooten leeuwenkoning onderscheidden door het vuur dat uit zijn oogen straalde. Ze schoten, maar troffen het dier niet—tenminste niet doodelijk, want alle vijf draafden weg, onder een gebrul dat—alsof ze om hulp haddengeroepen—van alle kanten beantwoord werd. Deze huilende, jankende, schreeuwende woestijnmuziek gaf ons een gevoel alsof de verscheurende dieren van heel Afrika op onze legerplaats losstormden om ons te verslinden.
In onzen angst vroegen we onzen Zwarten Prins wat wij toch beginnen moesten. „Mij gaan en allemaal bang maak,†zei hij in zijn gebroken taaltje, en meteen greep hij twee van onze slechtste matten van den grond. Daarop beval hij een paar negers vuur te slaan, hing een der matten aan een staak en stak dien, toen de mat flink vlamde, omhoog, waarop de gansche bende ondieren de vlucht nam.
„Als dat helpen kan,†zei toen onze kanonnier, „behoeven we onze matten niet te verbranden; die kunnen ons betere diensten bewijzen. Wacht, maats!†En nadat hij een heelen tijd in onze tent bezig was geweest, kwam hij te voorschijn met een paar eenvoudige stukken vuurwerk, waarvan de schildwachts er elk een kregen om zoo noodig dadelijk te kunnen gebruiken. Daarna maakte hij een vuurrad vast aan denzelfden staak, waaraan eerst de mat was vastgebonden geweest en liet dit zoolang branden tot er van de lastige bezoekers niets meer te hooren of te zien was.
De groote kans op hun terugkomst deed ons evenwel besluiten twee dagen eerder op te breken dan we aanvankelijk van plan waren geweest, en verder trekkende vonden we—al was het einde der woestijn ook nog steeds niet te zien—voldoende groen voor ons vee. Ook ontmoetten we verschillenderiviertjes, die blijkbaar allen in het meer uitmondden, zoodat het ons in de lagere gedeelten nergens aan water ontbrak. Na nog zestien dagen reizens begon het terrein wat te stijgen en vulden we voorzichtigheidshalve onze waterzakken. Het stijgen hield drie dagen onafgebroken aan, waarna we plotseling tot de ontdekking kwamen, dat we, bijna onmerkbaar, den top van een bergketen beklommen hadden.