HOOFDSTUK VII.Aan de Goudrivier.Tot onze groote vreugde bewees het ruime uitzicht boven van den top, dat we het einde der woestijn hadden bereikt. De geheele streek vóór ons was bedekt met frisch groen, een overvloed van boomen en een breede rivier, en we twijfelden er niet aan of we zouden er ook wel menschen en vee vinden. Onze kanonnier rekende uit dat we in de vier-en-dertig dagen die we in dit vreeselijk oord hadden doorgebracht, omstreeks vier honderd mijlen moesten hebben afgelegd, terwijl onze geheele tocht te land ongeveer elf honderd mijlen had bedragen.Hoe graag zouden we nog dienzelfden avond in het dal zijn afgedaald, maar het was te laat. Den volgenden morgen zagen we alles duidelijker en strekten we ons heerlijk uit in de schaduw van een paar boomen. Nadat we ons een maand lang hadden moeten laten verzengen, was zoo’n koel bladerdak een weldadige verkwikking. Ook vonden we hier allerlei wild, onder anderen een soort van geit en een overvloed van vogels, die aan patrijzen deden denken, maar niet zoo groot noch zoo schoon waren. ’t Bleek hier dus eenwaar paradijs na al ’t geen we achter ons hadden. Bewoners troffen we tot onze verwondering niet aan, en als om onze blijde stemming eenigszins te kalmeeren, hoorden we bijna elken nacht het brullen en huilen van leeuwen en tijgers. Olifanten schenen hier niet meer voor te komen.Na een marsch van nog drie dagen bereikten we een rivier, die we van de berghoogte al gezien hadden en Goudrivier doopten. Ze had een buitengewoon sterk verval en liep in noordelijke richting, en onze kanonnier die onmiddellijk zijn kaart te voorschijn haalde, verzekerde mij, dat het óf de Nijl moest wezen, óf een der rivieren die in het groote meer uitloopt waarin naar men zegt de Nijl ontspringt.„Als het werkelijk de Nijl is,” meende mijn vriend verder, „wat verhindert ons dan om zooveel kano’s te maken als we noodig hebben en ons den stroom te laten afzakken. ’t Lijkt mij toch in ieder geval veel beter dan om ons weer aan zoo’n verschroeiende hitte bloot te stellen, en ten slotte een kust te bereiken vanwaar we misschien even weinig kans hebben ons land te bereiken als van Madagaskar.”Dit leek nu wel heel waar en mooi, maar er kwamen toch bezwaren bij sommigen van ons op, die niemand goed wist te weerleggen. Vooral onze chirurgijn beschouwde het plan als onuitvoerbaar. Hij verstond wel niet veel van de zeevaart, maar had veel en met oordeel gelezen.„Voor zoover ik me herinner,” zei hij, „moet de afstand door al de krommingen van de rivierwel ongeveer vier duizend mijlen bedragen. Verder vrees ik dat we al heel weinig kans hebben aan de krokodillen te ontkomen en moeten we rekening houden met het naderende regenseizoen. Door het zwellen van de rivier overstroomt de omliggende streek dan over zoo’n grooten afstand, dat we niet zullen weten of we in de bedding van de Nijl zijn of niet. Onze kano’s zouden wis en zeker afdrijven, omkantelen of telkens aan den grond raken, ’t lijkt mij dus een hachelijke onderneming zoo’n rivier te bevaren.”Van dit laatste bezwaar wist hij ons zoo te overtuigen, dat we besloten het plan op te geven en naar ’t westen verder te koersen. Maar eerst wilden we nog twee dagen voor ons genoegen aan de rivier blijven.Gedurende dit oponthoud dwaalde onze Zwarte Prins dikwijls in zijn eentje rond, en den tweeden avond bracht hij verscheiden stukjes van een mineraal mee, dat hem onbekend was, zwaar woog en er in zijn oogen zoo mooi uitzag, dat hij ’t mij als een rariteit liet zien.Ik deed alsof ik niets geen bizondere waarde aan zijn vondst hechtte, maar liet de stukjes even later aan den kanonnier zien om hem te vragen of hij het mineraal niet voor goud hield. Daar hij het geheel met mij eens was, spraken we af, den volgenden dag den Prins mee te nemen en ons de plaats te laten wijzen waar hij het ontdekt had. Mocht er véél te vinden zijn, dan zouden we de anderen in het buitenkansje laten deelen, maar bleef het bij een paar kleine stukjes, danwaren we van plan er niet van te reppen en het voordeeltje voor ons zelf te houden.Dom genoeg, vergaten we evenwel den Prins in ons vertrouwen te nemen, en in zijn onschuld praatte hij zooveel tegen de anderen over het gevondene, dat ze allen gisten wat het wezen moest en kwamen kijken. Geheel open kaart spelen was dus verder ’t beste, en toen ook onze fijnsmid het gevonden metaal voor goud verklaarde, stelde ik voor, allen met onzen Prins naar de vindplaats te gaan en te oordeelen of het de moeite zou loonen ons nog eenige dagen aan de rivier op te houden.Zooals wel van zelf sprak wilde iedereen van de partij zijn, en vol verwachting volgden we allen den Prins naar een plek aan den westoever der rivier, waar een zijtak in den hoofdstroom uitmondde. Nadat we een oogenblik het rivierzand omgewoeld en elk een paar handenvol schoongespoeld hadden, hielden de meesten van ons eenige korrels goud over, meestal niet grooter dan speldeknoppen, maar soms ook wel eens als druivenpitten. Na op deze wijze een uur of drie bezig te zijn geweest, had ieder van ons een klein hoopje bijeengebracht, waarop wij besloten het er voor ’t oogenblik bij te laten en eerst te gaan middageten.Onder den maaltijd kwam de gedachte bij mij op of er geen groote kans bestond, dat juist het goud waaraan we zoo groote waarde hechtten, ons ongeluk zou kunnen worden door onderlinge afgunst te wekken en de goede verstandhouding te verstoren.„Ik ben wel de jongste van ons heele gezelschap,” begon ik, besloten uit te spreken wat er in mij omging, „maar jullie hebt al dikwijls naar mijn meening gevraagd en die ook soms opgevolgd, dus durf ik wel een voorstel te doen, waaraan jullie, naar ik denk, je goedkeuring zult hechten. We zijn hier nu in een streek aangeland waarheen de heele wereld schepen zend om er goud te halen. Of we gelukkig zullen zijn bij ons zoeken, is niet vooruit te zeggen. Daarom zou ik willen voorstellen, al wat we vinden bij elkaar te voegen en later eerlijk te verdeelen, om geen gevaar te loopen de vriendschap en eendracht tusschen ons te verbreken, die in onze omstandigheid meer waard is dan alle schatten ter wereld. Bij gelijke verdeeling van den buit zal ieder van ons stellig ijverig werken en kan er geen nijd of twist tusschen ons ontstaan.”Mijn voorslag vond algemeen instemming, en we gaven er elkaar allemaal plechtig de hand op, niet het geringste korreltje achter te houden. Mocht iemand toch nog op oneerlijkheid betrapt worden, dan verspeelde hij zonder pardon zijn geheele aandeel.Onze kanonnier voegde hieraan nog den verstandigen raad toe, ons onderling te verplichten tot teruggeven van alle goud, wat we met spelen of wedden aan elkaar mochten verliezen. Hiermee werd meteen een eind gemaakt aan den zucht tot dobbelen, die sommige onzer kameraden niet schenen te kunnen overwinnen.Een eind gemaakt aan den zucht tot dobbelen.Een eind gemaakt aan den zucht tot dobbelen.Na het sluiten van deze heilzame overeenkomsttrokken we allen met veel lust aan den arbeid en wezen onzen negers hoe ze voor ons moesten werken. Nauwkeurig doorzochten we beide oevers van den ondiepen zijstroom, zoowel als den zachten bodem en brachten zoo drie weken aan en in het water door. In dien tijd waren we niet veel meer dan zes mijlen verder westwaarts gekomen, en hoe hooger we kwamen, hoe meer goud we vonden, tot zich plotseling, aan den anderen kant van een heuvel, geen korrel meer voordeed. Daar het metaal dus blijkbaar van de helling door ’t water werd meegevoerd, begonnen we hier het terrein te onderzoeken. De grond was er los en geelachtig van kleur; ook stootten we telkens op een harde witte steensoort, volgens geleerdenwie ik het later beschreef, waarschijnlijk het spaath, dat het gouderts in de mijnen omvat.Hoe dit zij, al was het ook zuiver goud geweest, bezaten we toch geen werktuig om het los te hakken, dus lieten we het rustig zitten. Bij het woelen in de losse aarde troffen we een plek waar het zand om zoo te zeggen al uiteenviel als we er slechts aan raakten, en tot onze groote verrassing bevatte het een massa goudkorrels. Den geheelen voorraad, ongeveer twee schepel, voorzichtig naar het water dragende, spoelden we de leemige, gele aarde er af en hielden het zuivere goudstof over. Merkwaardig was het, dat we in de harde aardlagen om die losse plek heen, geen greintje van het metaal meer vonden.’s Avonds kwamen we allen bij elkaar om te zien hoeveel we al vergaard hadden, en het bleek dat die losse zandhoop alleen bijna vijftig pond stof goud had opgeleverd, terwijl we aan ons zoeken in de rivier nog vier-en-dertig pond te danken hadden.Feitelijk was het een gelukkige tegenvaller voor ons dat hiermee ongeveer een eind kwam aan ons goudzoeken, want ik geloof niet dat we het zouden hebben opgegeven als onze hernieuwde pogingen in en langs de rivier met beteren uitslag bekroond waren geworden. Nu vonden we ten slotte nog maar zóó weinig, dat we overeenkwamen den arbeid te staken om ons en onze negers niet door oververmoeienis ongeschikt te maken voor onze verdere reis. Volgens de weegschaal die onze smid gemaakt had, kreeg ieder van ons nagenoegdrie-en-een-half pond goud. Dit gewicht was uit den aard der zaak ruw geschat, doch volgens den smid zou het eerder meer dan minder bedragen, en later bleek dat hij gelijk had. Het overschot van zeven of acht pond vertrouwden we hem toe om er sieraden van te maken, die ons nog verder goed te pas zouden kunnen komen om er ons levensmiddelen of misschien vriendschap mee te koopen. Ook onze Zwarte Prins kreeg een pond, en nadat hij van den smid een paar werktuigen geleend had, hamerde hij zijn schat eigenhandig tot kleine ronde kogeltjes, boorde er gaatjes in en hing deze goudkralen aan een touwtje om zijn zwarten hals. De arbeid kostte hem een paar maanden tijd, en hij was dan ook niet weinig trotsch op zijn met zooveel moeite veroverde versiering.Zoo eindigde dus ons eerste goudavontuur. We begonnen nu echter te begrijpen dat we niet ernstig genoeg over onze toekomst hadden nagedacht en dat we onzen tocht geruimen tijd zouden dienen te onderbreken. Sedert vijf maanden onderweg, naderde de seizoenverwisseling, m.a.w. het natte jaargetijde, waarin we door de geweldige tropische regens en de vele overstroomingen niet goed zouden kunnen reizen. Wel hadden we den regentijd al eens op Madagaskar meegemaakt, maar toch hadden we er, tamelijk zorgeloos, geen rekening mee gehouden bij ’t opmaken van ons Afrikaansche plan, toen de zon op den grootsten noordelijken afstand van ons stond en de omstandigheden dus mèt ons waren geweest.Terwijl we deze aanstaande moeilijkheden overwogen, barstte de regen al los, en ijlings raad beleggende, besloten we met algemeene stemmen te blijven waar we waren; tot ons geluk, zooals later blijken zou.Onze eerste maatregel was dus, de negers aan ’t werk te zetten om ons hutten te bouwen, en wel op veiligen afstand van de rivier, met het oog op een mogelijke overstrooming. Toen alles gereed was, zag ons kampement er uit als een kleine stad. Onze hutten stonden in ’t midden van het terrein en hadden tot centrum een groote tent, waarin al onze slaapplaatsen uitkwamen en waar wij onze maaltijden, vergaderingen en gezellige bijeenkomsten hielden. Voor dit vertrek maakten onze timmerlieden ons zooveel banken en tafels als we maar begeerden.Schoorsteenen hadden we niet noodig; ’t was zonder vuur meer dan heet genoeg, doch tenslotte zagen we ons toch verplicht elken nacht een vuur aan te leggen om de wilde dieren—die ons hier niet minder dan in de woestijn lastig vielen—op een afstand te houden. Daar antilopen en ander onschuldig wild de begroeide omgeving van meer en rivieren opzochten om zich te voeden en te verschuilen, kon het niet uitblijven of de leeuwen en tijgers volgden hier hun prooi.De schrik over deze ontdekking deed ons aanvankelijk besluiten onze matten weer op te rollen, maar na lang beraad kwamen we overeen ons kamp liever zoo te omheinen, dat we geen gevaar van ongewenschte gasten te duchten hadden.Daar het ons gelukkig niet aan hout ontbrak, togen onze timmerlieden dadelijk aan den arbeid om ons kamp met hooge palen te omringen; niet naast elkaar, zooals bij een gewone omheining, maar onregelmatig geplant, nu eens hooger, dan eens lager en allen van scherpe punten voorzien. Op vele plaatsen vormde deze beschutting een wel twee el diepen gordel, zoodat een dier al een geweldigen sprong moest nemen, wilde het er over heen komen en niet met zijn buik op de punten blijven hangen.Bij den ingang van onze vesting stonden dikkere palen, zóó voor elkaar gezet, dat ze drie of vier korte bochten maakten, waardoor geen wild dier, grooter dan een hond, zou kunnen binnendringen. Ten overvloede stookten we elken nacht een flink vuur voor den ingang van onze palissade, waar we een hut hadden neergezet om onze schildwachts tegen den regen te beschutten. Om dit vuur te onderhouden, velden we verscheiden boomen die we in stukken zaagden en opstapelden om te laten drogen, terwijl we de groene takken gebruikten om onze hutten nog beter af te dekken en te beschutten tegen den regen.Nauwelijks hadden we al dit werk volbracht, of het begon zoo geweldig te regenen, dat we onmogelijk op jacht konden gaan om onzen mondkost aan vullen. Gelukkig scheen al dat hemelwater onze negers met hun naakte lichamen veel minder dan ons Europeanen te deren.Van half Juni tot half October bleven we in dit kampement, want hoewel het hevigste vanden regenmousson tegen den tijd van den equinox bedaarde, stond de zon nu vlak boven ons hoofd, waarom we besloten nog rustig te blijven waar we waren tot zij wat meer naar het zuiden zou gedraaid zijn.Gedurende dit oponthoud beleefden we nog verscheiden avonturen met de roofdieren uit deze streek, en hadden we ons vuur niet altijd brandende gehouden, dan betwijfel ik zeer, of onze omheining ons voldoende zou beveiligd hebben, hoewel we haar nog met veertien rijen palen versterkten. ’t Was of de beesten ’t er op zetten, ons juist altijd ’s nachts te komen verontrusten, soms bij zulke troepen te gelijk, dat het scheen alsof de leeuwen, tijgers, luipaarden en hyena’s van heel Afrika ons kwamen aanvallen, en we door ’t gebrul en geschreeuw geen oog konden dicht doen.Op zekeren stormachtigen regennacht werden we allen door onze wacht gewekt, die een overval van de wilde dieren vreesde. Aan de vuurzijde vertoonden ze zich nooit, doch hun aantal was zoo groot dat we, ofschoon vertrouwende op onze palissade, toch het zekere voor ’t onzekere namen en naar onze wapens grepen. ’t Was bijna volle maan en de lucht vol jagende wolken. Toen ik naar onze hutten omkeek, meende ik een tijger binnenin onze fortificatie te onderscheiden, en dit bleek ook bijna het geval. Blijkbaar was het ondier met een geweldigen sprong over onze omheining gekomen en toen op een ver boven de andere uitstekende paal, blijven hangen. Door zijn eigen zwaarte was de punt hem in de dij gedrongenen zoo hing de panter daar nu, want dat bleek het te zijn, huilende en in ’t hout bijtende van woede.Een neger die naast mij stond zijn lans afgrijpende, snelde ik op het beest toe en maakte het met een steek of drie, vier af. Ik wilde namelijk niet schieten, omdat ik van plan was de overige verscheurende dieren, die zoo dicht op elkaar schenen te staan als de ossen op een veemarkt, met een salvo te begroeten. Mijn kameraads bijeen roepende, schoten we nu allen tegelijk onze geweren af op de plek waar ze het dichtst bijeen stonden. De uitwerking was schitterend; alle namen overhaast de vlucht, behalve de dooden en gewonden die achterbleven—de laatste afschuwelijk brullend—maar waarnaar we nog geen onderzoek durfden gaan instellen. Het kolossale aantal was misschien te wijten aan de ingewanden van een geslachte antilope en van drie of vier geiten, die we over de palissaden hadden weggegooid.Zoodra de dag begon aan te breken verlieten we onze legerplaats om het slagveld in oogenschouw te nemen, waarop we drie doode tijgers en twee hyena’s vonden. Bovendien troffen we ook nog levend een prachtigen ouden leeuw aan. Het arme dier waren beide voorpooten kapot geschoten, zoodat hij zich niet van de plaats bewegen kon, hoe ontzaglijk hij zich hiervoor ook had ingespannen. Hij was dus de gewonde held geweest, wiens woedend gebrul ons den ganschen nacht verontrust had.„Als ik overtuigd was,” zei onze chirurgijn, denleeuw met medelijden beschouwend, „dat het dier mij even dankbaar zou zijn als een van Zijn Majesteits voorvaderen het Androkles, den Romeinschen slaaf, was, dan zou ik stellig zijn beide pooten zetten.”Den leeuw met medelijden beschouwend.Den leeuw met medelijden beschouwend.„Ja, dat is niet vooruit te zeggen,” zei ik, „je moest maar met de behandeling beginnen en dan vertrouwen op het eergevoel van den woestijn-koning.”Maar de onderneming leek onzen heelmeester toch wat te gewaagd, en om een einde te maken aan het lijden van het afgemartelde beest, schoot hij het door den kop, wat hem voor ’t vervolg den naam van „koningsmoordenaar” bezorgde.Later vonden onze negers nog vijf verwondedieren, die in de omgeving van ons kamp bezweken waren: een hyena, een mooi-gevlekten luipaard en nog drie andere beesten, die we niet eerder gezien hadden.’t Bleef wel niet bij deze eerste nachtelijke bezoeken, maar in zoo groote getale kwamen ze toch nooit meer opzetten. ’t Grootste bezwaar er van was nog, dat ze het onschadelijk wild uit onze buurt verjoegen, wier nabijheid zoo noodig was voor ons levensonderhoud. Gelukkig waagden zich onze negers toch dagelijks op de jacht en keerden ze zelden zonder eenigen buit terug. Tegen het einde van den regentijd vonden we in dit gedeelte van ’t land ook overvloed van eetbaar watergevogelte, zooals eenden, talingen, smienten, ganzen enz. Verder vingen we heel wat visch, zoo dat het ons nooit aan voedsel ontbrak. Het eenige wat we zeer begonnen te missen was zout, waarvan we nog maar een kleinen voorraad bezaten, die we natuurlijk uitsluitend voor onszelve hielden; de negers aten hun vleesch trouwens liever geheel ontoebereid.Het weer begon nu langzamerhand op te klaren; de regens bedaarden, het water trok zich in zijn beddingen terug, en daar de zon door haar zenith en naar het zuiden was gedraaid besloten we onze reis te hervatten.Den 12denOctober zetten we ons weer in beweging. Moeilijk was de tocht in dit gedeelte van het land volstrekt niet. We vonden overal voedsel en water, legden ongeveer vijf-en-twintig mijlen per dag af en hielden gedurende de eerste elfdagen maar één dag rust, om een vlot te maken dat ons over een nog sterk gezwollen riviertje moest helpen.Toen wij dit riviertje, dat ook naar ’t noorden stroomde, achter ons hadden, stootten we al gauw op een heuvelrij, aan weerszijden waarvan zich een mooie laagvlakte uitstrekte. Niet van plan evenwel, onze westelijke richting ter wille van een bergketen te wijzigen, trokken we dus moedig verder. Men stelle zich onze blijde verrassing voor, toen een onzer timmerlui, die met een paar negers het eerst den bergrug bereikte, ons opgewonden toeriep: „De zee! De zee!” en van pure uitgelatenheid begon te springen en te dansen.’t Meest verrast waren misschien wel de kanonnier en ik, want we hadden juist ’s morgens nog uitgerekend, dat we nog meer dan duizend mijl van de kust verwijderd moesten zijn en dus nóg wel een regentijd op het Afrikaansche vasteland zouden moeten doorbrengen.Toen onze timmerman nu zoo uitbundig zijn vreugde uitte, werd de kanonnier kwaad en riep hem toe: „Je bent gek!” Maar boven gekomen moest hij die woorden wel herroepen, want wáár we ook keken, ’t zij naar ’t westen, ’t zuiden of ’t noorden, we zagen niets dan water en nog eens water, een uitgestrektheid alleen door den horizon begrensd.Verrast en verward daalden we in de vlakte af, niet in staat te verklaren waar we ons bevonden, daar we volgens onze kaarten nog zoo ver van den Atlantischen Oceaan waren en dezezee op geen drie mijlen af stands voor ons lag. Nog grooter werd onze verwondering toen we ontdekten dat het water heel goed drinkbaar bleek.Welken koers nu verder te nemen? De zee, of wat het dan mocht wezen, maakte verder trekken in westelijke richting onmogelijk. Na kort beraad besloten we noordwaards te marcheeren, de richting die ons in ieder geval dichter naar ons vurig begeerde doel, het vaderland zou voeren.Gedurende drie-en-twintig dagen trokken we zoo langs den oever van deze ontzaglijke watervlakte, zonder feitelijk te weten wat het was. Aan het einde van dien termijn werden we verblijd door den juichkreet „Land!” door een onzer matrozen ’s morgens in de vroegte aangeheven, en gelukkig bleek het geen valsch alarm. Duidelijk onderscheidden we op grooten afstand in westelijke richting eenige bergtoppen. Nu wisten we meteen dat we niet langs de kust van een eigenlijke zee, maar van een reusachtig meer of binnenzee gereisd hadden. Toen we eindelijk, na nog acht dagen zwoegens, den noordelijken rand bereikt hadden, zagen we dat het meer zich in een groote rivier ontlastte, die in noordelijke of noordoostelijke richting liep.Bij nauwkeuriger overweging kwam mijn vriend de kanonnier nu tot het inzicht dat hij zich vroeger vergist had en dit nu de Nijl moest wezen, maar hij bleef bij zijn opinie dat een reis naar Egypte niet was aan te bevelen. Dus kwamen we overeen de rivier over te steken, wat met groote moeilijkheden gepaard bleek te gaan, daar de stroomingbuitengewoon sterk en de bedding breed was.Er ging nog wel een week mee heen, eer we onszelf en ons vee aan den anderen kant hadden, want al groeiden er boomen in overvloed, we konden er geen enkele vinden, groot genoeg om er een kano van te maken.Dit gedeelte van onzen tocht werd buitengewoon vermoeiend. Telkens belemmerd door de ontelbare kleine riviertjes, die van de oostelijk gelegen heuvels naar de binnenzee vloeiden, konden we elken dag slechts een korten afstand afleggen.De laatste drie dagen van onze reis zagen we af en toe eenige inwoners, die evenwel niet aan het water doch in ’t gebergte woonden. Wat onze voedselvoorziening betrof, geraakten we wat in ’t nauw, daar we geen wild onder schot kregen en de zee weinig vischrijk scheen te zijn.Tegenover deze bezwaren stond echter, dat we gedurende den geheelen tocht langs de binnenzee geen last van wilde dieren hadden gehad. De eenige onaangename ervaringen van dien aard waren de ontmoetingen met de giftige slangen, die op dit vochtige terrein tierden en ons een paar maal aanvielen. Trachtten we ze dood te slaan, dan richtten ze zich op en sisten zoo doordringend, dat we het op vrij grooten afstand hooren konden.Hoogst merkwaardig kwam het ons voor, dat we over een uitgestrektheid van duizend mijlen geen menschen aantroffen. Wij hadden een marsch door het hart van Afrika gemaakt, en het scheen wel alsof geen sterfelijk wezen hier een voet gezet had sedert Noachs zonen zich over den aardbodemverspreid hadden. Toen onze kanonnier met behulp van zijn meetinstrument de hoogte van onze verblijfplaats had vastgesteld, bleek het dat we ons, na een reis van drie-en-twintig dagen in noordelijke richting, op 6° 22′ zuiderbreedte bevonden.Met groote inspanning over bovengenoemde rivier gekomen, zagen we een woeste, onherbergzame streek voor ons, die ons met angst deed verder trekken. Het terrein was bergachtig, onvruchtbaar en moeilijk begaanbaar, terwijl het er van verscheurende dieren wemelde. Van bewoners geen spoor. Bij dit alles kwam nog dat onze mondkost ten einde raakte en we geen kans zagen dien aan te vullen.Bij zeer zuinig overleg zouden we ’t met onze gedroogde visschen ongeveer vijf dagen kunnen uithouden, en na eenige aarzeling besloten we ’t er op te wagen, vertrouwende inmiddels wel weer eetbare dieren of planten te zullen aantreffen. Dat viel echter niet mee; den zesden dag moesten we vasten. Met bezwaarde harten legden we ons ’s avonds te ruste en den achtsten zagen we ons genoodzaakt een van onze trouwe stieren te slachten, die zoo geduldig onze lasten gedragen had. Zijn vleesch smaakte uitstekend, en we wisten er zoo zuinig mee om te gaan, dat het ons drie en een halven dag voor honger bewaarde. Al op ’t punt een tweeden buffel te dooden, daagde er gelukkig in de verte een vruchtbaarder streek op met boomen en een rivier.Met nieuwen moed bezield, verhaastten we, ondanksonze leege magen en groote vermoeidheid, ons marschtempo om zoo gauw mogelijk den oever te bereiken, en tot ons geluk kwamen ons, nog eer we zoover waren, een paar jonge antilopen onder schot, een lekkernij waarnaar we reeds dikwijls verlangd hadden en die we dan ook als hongerige wolven verslonden.
HOOFDSTUK VII.Aan de Goudrivier.Tot onze groote vreugde bewees het ruime uitzicht boven van den top, dat we het einde der woestijn hadden bereikt. De geheele streek vóór ons was bedekt met frisch groen, een overvloed van boomen en een breede rivier, en we twijfelden er niet aan of we zouden er ook wel menschen en vee vinden. Onze kanonnier rekende uit dat we in de vier-en-dertig dagen die we in dit vreeselijk oord hadden doorgebracht, omstreeks vier honderd mijlen moesten hebben afgelegd, terwijl onze geheele tocht te land ongeveer elf honderd mijlen had bedragen.Hoe graag zouden we nog dienzelfden avond in het dal zijn afgedaald, maar het was te laat. Den volgenden morgen zagen we alles duidelijker en strekten we ons heerlijk uit in de schaduw van een paar boomen. Nadat we ons een maand lang hadden moeten laten verzengen, was zoo’n koel bladerdak een weldadige verkwikking. Ook vonden we hier allerlei wild, onder anderen een soort van geit en een overvloed van vogels, die aan patrijzen deden denken, maar niet zoo groot noch zoo schoon waren. ’t Bleek hier dus eenwaar paradijs na al ’t geen we achter ons hadden. Bewoners troffen we tot onze verwondering niet aan, en als om onze blijde stemming eenigszins te kalmeeren, hoorden we bijna elken nacht het brullen en huilen van leeuwen en tijgers. Olifanten schenen hier niet meer voor te komen.Na een marsch van nog drie dagen bereikten we een rivier, die we van de berghoogte al gezien hadden en Goudrivier doopten. Ze had een buitengewoon sterk verval en liep in noordelijke richting, en onze kanonnier die onmiddellijk zijn kaart te voorschijn haalde, verzekerde mij, dat het óf de Nijl moest wezen, óf een der rivieren die in het groote meer uitloopt waarin naar men zegt de Nijl ontspringt.„Als het werkelijk de Nijl is,” meende mijn vriend verder, „wat verhindert ons dan om zooveel kano’s te maken als we noodig hebben en ons den stroom te laten afzakken. ’t Lijkt mij toch in ieder geval veel beter dan om ons weer aan zoo’n verschroeiende hitte bloot te stellen, en ten slotte een kust te bereiken vanwaar we misschien even weinig kans hebben ons land te bereiken als van Madagaskar.”Dit leek nu wel heel waar en mooi, maar er kwamen toch bezwaren bij sommigen van ons op, die niemand goed wist te weerleggen. Vooral onze chirurgijn beschouwde het plan als onuitvoerbaar. Hij verstond wel niet veel van de zeevaart, maar had veel en met oordeel gelezen.„Voor zoover ik me herinner,” zei hij, „moet de afstand door al de krommingen van de rivierwel ongeveer vier duizend mijlen bedragen. Verder vrees ik dat we al heel weinig kans hebben aan de krokodillen te ontkomen en moeten we rekening houden met het naderende regenseizoen. Door het zwellen van de rivier overstroomt de omliggende streek dan over zoo’n grooten afstand, dat we niet zullen weten of we in de bedding van de Nijl zijn of niet. Onze kano’s zouden wis en zeker afdrijven, omkantelen of telkens aan den grond raken, ’t lijkt mij dus een hachelijke onderneming zoo’n rivier te bevaren.”Van dit laatste bezwaar wist hij ons zoo te overtuigen, dat we besloten het plan op te geven en naar ’t westen verder te koersen. Maar eerst wilden we nog twee dagen voor ons genoegen aan de rivier blijven.Gedurende dit oponthoud dwaalde onze Zwarte Prins dikwijls in zijn eentje rond, en den tweeden avond bracht hij verscheiden stukjes van een mineraal mee, dat hem onbekend was, zwaar woog en er in zijn oogen zoo mooi uitzag, dat hij ’t mij als een rariteit liet zien.Ik deed alsof ik niets geen bizondere waarde aan zijn vondst hechtte, maar liet de stukjes even later aan den kanonnier zien om hem te vragen of hij het mineraal niet voor goud hield. Daar hij het geheel met mij eens was, spraken we af, den volgenden dag den Prins mee te nemen en ons de plaats te laten wijzen waar hij het ontdekt had. Mocht er véél te vinden zijn, dan zouden we de anderen in het buitenkansje laten deelen, maar bleef het bij een paar kleine stukjes, danwaren we van plan er niet van te reppen en het voordeeltje voor ons zelf te houden.Dom genoeg, vergaten we evenwel den Prins in ons vertrouwen te nemen, en in zijn onschuld praatte hij zooveel tegen de anderen over het gevondene, dat ze allen gisten wat het wezen moest en kwamen kijken. Geheel open kaart spelen was dus verder ’t beste, en toen ook onze fijnsmid het gevonden metaal voor goud verklaarde, stelde ik voor, allen met onzen Prins naar de vindplaats te gaan en te oordeelen of het de moeite zou loonen ons nog eenige dagen aan de rivier op te houden.Zooals wel van zelf sprak wilde iedereen van de partij zijn, en vol verwachting volgden we allen den Prins naar een plek aan den westoever der rivier, waar een zijtak in den hoofdstroom uitmondde. Nadat we een oogenblik het rivierzand omgewoeld en elk een paar handenvol schoongespoeld hadden, hielden de meesten van ons eenige korrels goud over, meestal niet grooter dan speldeknoppen, maar soms ook wel eens als druivenpitten. Na op deze wijze een uur of drie bezig te zijn geweest, had ieder van ons een klein hoopje bijeengebracht, waarop wij besloten het er voor ’t oogenblik bij te laten en eerst te gaan middageten.Onder den maaltijd kwam de gedachte bij mij op of er geen groote kans bestond, dat juist het goud waaraan we zoo groote waarde hechtten, ons ongeluk zou kunnen worden door onderlinge afgunst te wekken en de goede verstandhouding te verstoren.„Ik ben wel de jongste van ons heele gezelschap,” begon ik, besloten uit te spreken wat er in mij omging, „maar jullie hebt al dikwijls naar mijn meening gevraagd en die ook soms opgevolgd, dus durf ik wel een voorstel te doen, waaraan jullie, naar ik denk, je goedkeuring zult hechten. We zijn hier nu in een streek aangeland waarheen de heele wereld schepen zend om er goud te halen. Of we gelukkig zullen zijn bij ons zoeken, is niet vooruit te zeggen. Daarom zou ik willen voorstellen, al wat we vinden bij elkaar te voegen en later eerlijk te verdeelen, om geen gevaar te loopen de vriendschap en eendracht tusschen ons te verbreken, die in onze omstandigheid meer waard is dan alle schatten ter wereld. Bij gelijke verdeeling van den buit zal ieder van ons stellig ijverig werken en kan er geen nijd of twist tusschen ons ontstaan.”Mijn voorslag vond algemeen instemming, en we gaven er elkaar allemaal plechtig de hand op, niet het geringste korreltje achter te houden. Mocht iemand toch nog op oneerlijkheid betrapt worden, dan verspeelde hij zonder pardon zijn geheele aandeel.Onze kanonnier voegde hieraan nog den verstandigen raad toe, ons onderling te verplichten tot teruggeven van alle goud, wat we met spelen of wedden aan elkaar mochten verliezen. Hiermee werd meteen een eind gemaakt aan den zucht tot dobbelen, die sommige onzer kameraden niet schenen te kunnen overwinnen.Een eind gemaakt aan den zucht tot dobbelen.Een eind gemaakt aan den zucht tot dobbelen.Na het sluiten van deze heilzame overeenkomsttrokken we allen met veel lust aan den arbeid en wezen onzen negers hoe ze voor ons moesten werken. Nauwkeurig doorzochten we beide oevers van den ondiepen zijstroom, zoowel als den zachten bodem en brachten zoo drie weken aan en in het water door. In dien tijd waren we niet veel meer dan zes mijlen verder westwaarts gekomen, en hoe hooger we kwamen, hoe meer goud we vonden, tot zich plotseling, aan den anderen kant van een heuvel, geen korrel meer voordeed. Daar het metaal dus blijkbaar van de helling door ’t water werd meegevoerd, begonnen we hier het terrein te onderzoeken. De grond was er los en geelachtig van kleur; ook stootten we telkens op een harde witte steensoort, volgens geleerdenwie ik het later beschreef, waarschijnlijk het spaath, dat het gouderts in de mijnen omvat.Hoe dit zij, al was het ook zuiver goud geweest, bezaten we toch geen werktuig om het los te hakken, dus lieten we het rustig zitten. Bij het woelen in de losse aarde troffen we een plek waar het zand om zoo te zeggen al uiteenviel als we er slechts aan raakten, en tot onze groote verrassing bevatte het een massa goudkorrels. Den geheelen voorraad, ongeveer twee schepel, voorzichtig naar het water dragende, spoelden we de leemige, gele aarde er af en hielden het zuivere goudstof over. Merkwaardig was het, dat we in de harde aardlagen om die losse plek heen, geen greintje van het metaal meer vonden.’s Avonds kwamen we allen bij elkaar om te zien hoeveel we al vergaard hadden, en het bleek dat die losse zandhoop alleen bijna vijftig pond stof goud had opgeleverd, terwijl we aan ons zoeken in de rivier nog vier-en-dertig pond te danken hadden.Feitelijk was het een gelukkige tegenvaller voor ons dat hiermee ongeveer een eind kwam aan ons goudzoeken, want ik geloof niet dat we het zouden hebben opgegeven als onze hernieuwde pogingen in en langs de rivier met beteren uitslag bekroond waren geworden. Nu vonden we ten slotte nog maar zóó weinig, dat we overeenkwamen den arbeid te staken om ons en onze negers niet door oververmoeienis ongeschikt te maken voor onze verdere reis. Volgens de weegschaal die onze smid gemaakt had, kreeg ieder van ons nagenoegdrie-en-een-half pond goud. Dit gewicht was uit den aard der zaak ruw geschat, doch volgens den smid zou het eerder meer dan minder bedragen, en later bleek dat hij gelijk had. Het overschot van zeven of acht pond vertrouwden we hem toe om er sieraden van te maken, die ons nog verder goed te pas zouden kunnen komen om er ons levensmiddelen of misschien vriendschap mee te koopen. Ook onze Zwarte Prins kreeg een pond, en nadat hij van den smid een paar werktuigen geleend had, hamerde hij zijn schat eigenhandig tot kleine ronde kogeltjes, boorde er gaatjes in en hing deze goudkralen aan een touwtje om zijn zwarten hals. De arbeid kostte hem een paar maanden tijd, en hij was dan ook niet weinig trotsch op zijn met zooveel moeite veroverde versiering.Zoo eindigde dus ons eerste goudavontuur. We begonnen nu echter te begrijpen dat we niet ernstig genoeg over onze toekomst hadden nagedacht en dat we onzen tocht geruimen tijd zouden dienen te onderbreken. Sedert vijf maanden onderweg, naderde de seizoenverwisseling, m.a.w. het natte jaargetijde, waarin we door de geweldige tropische regens en de vele overstroomingen niet goed zouden kunnen reizen. Wel hadden we den regentijd al eens op Madagaskar meegemaakt, maar toch hadden we er, tamelijk zorgeloos, geen rekening mee gehouden bij ’t opmaken van ons Afrikaansche plan, toen de zon op den grootsten noordelijken afstand van ons stond en de omstandigheden dus mèt ons waren geweest.Terwijl we deze aanstaande moeilijkheden overwogen, barstte de regen al los, en ijlings raad beleggende, besloten we met algemeene stemmen te blijven waar we waren; tot ons geluk, zooals later blijken zou.Onze eerste maatregel was dus, de negers aan ’t werk te zetten om ons hutten te bouwen, en wel op veiligen afstand van de rivier, met het oog op een mogelijke overstrooming. Toen alles gereed was, zag ons kampement er uit als een kleine stad. Onze hutten stonden in ’t midden van het terrein en hadden tot centrum een groote tent, waarin al onze slaapplaatsen uitkwamen en waar wij onze maaltijden, vergaderingen en gezellige bijeenkomsten hielden. Voor dit vertrek maakten onze timmerlieden ons zooveel banken en tafels als we maar begeerden.Schoorsteenen hadden we niet noodig; ’t was zonder vuur meer dan heet genoeg, doch tenslotte zagen we ons toch verplicht elken nacht een vuur aan te leggen om de wilde dieren—die ons hier niet minder dan in de woestijn lastig vielen—op een afstand te houden. Daar antilopen en ander onschuldig wild de begroeide omgeving van meer en rivieren opzochten om zich te voeden en te verschuilen, kon het niet uitblijven of de leeuwen en tijgers volgden hier hun prooi.De schrik over deze ontdekking deed ons aanvankelijk besluiten onze matten weer op te rollen, maar na lang beraad kwamen we overeen ons kamp liever zoo te omheinen, dat we geen gevaar van ongewenschte gasten te duchten hadden.Daar het ons gelukkig niet aan hout ontbrak, togen onze timmerlieden dadelijk aan den arbeid om ons kamp met hooge palen te omringen; niet naast elkaar, zooals bij een gewone omheining, maar onregelmatig geplant, nu eens hooger, dan eens lager en allen van scherpe punten voorzien. Op vele plaatsen vormde deze beschutting een wel twee el diepen gordel, zoodat een dier al een geweldigen sprong moest nemen, wilde het er over heen komen en niet met zijn buik op de punten blijven hangen.Bij den ingang van onze vesting stonden dikkere palen, zóó voor elkaar gezet, dat ze drie of vier korte bochten maakten, waardoor geen wild dier, grooter dan een hond, zou kunnen binnendringen. Ten overvloede stookten we elken nacht een flink vuur voor den ingang van onze palissade, waar we een hut hadden neergezet om onze schildwachts tegen den regen te beschutten. Om dit vuur te onderhouden, velden we verscheiden boomen die we in stukken zaagden en opstapelden om te laten drogen, terwijl we de groene takken gebruikten om onze hutten nog beter af te dekken en te beschutten tegen den regen.Nauwelijks hadden we al dit werk volbracht, of het begon zoo geweldig te regenen, dat we onmogelijk op jacht konden gaan om onzen mondkost aan vullen. Gelukkig scheen al dat hemelwater onze negers met hun naakte lichamen veel minder dan ons Europeanen te deren.Van half Juni tot half October bleven we in dit kampement, want hoewel het hevigste vanden regenmousson tegen den tijd van den equinox bedaarde, stond de zon nu vlak boven ons hoofd, waarom we besloten nog rustig te blijven waar we waren tot zij wat meer naar het zuiden zou gedraaid zijn.Gedurende dit oponthoud beleefden we nog verscheiden avonturen met de roofdieren uit deze streek, en hadden we ons vuur niet altijd brandende gehouden, dan betwijfel ik zeer, of onze omheining ons voldoende zou beveiligd hebben, hoewel we haar nog met veertien rijen palen versterkten. ’t Was of de beesten ’t er op zetten, ons juist altijd ’s nachts te komen verontrusten, soms bij zulke troepen te gelijk, dat het scheen alsof de leeuwen, tijgers, luipaarden en hyena’s van heel Afrika ons kwamen aanvallen, en we door ’t gebrul en geschreeuw geen oog konden dicht doen.Op zekeren stormachtigen regennacht werden we allen door onze wacht gewekt, die een overval van de wilde dieren vreesde. Aan de vuurzijde vertoonden ze zich nooit, doch hun aantal was zoo groot dat we, ofschoon vertrouwende op onze palissade, toch het zekere voor ’t onzekere namen en naar onze wapens grepen. ’t Was bijna volle maan en de lucht vol jagende wolken. Toen ik naar onze hutten omkeek, meende ik een tijger binnenin onze fortificatie te onderscheiden, en dit bleek ook bijna het geval. Blijkbaar was het ondier met een geweldigen sprong over onze omheining gekomen en toen op een ver boven de andere uitstekende paal, blijven hangen. Door zijn eigen zwaarte was de punt hem in de dij gedrongenen zoo hing de panter daar nu, want dat bleek het te zijn, huilende en in ’t hout bijtende van woede.Een neger die naast mij stond zijn lans afgrijpende, snelde ik op het beest toe en maakte het met een steek of drie, vier af. Ik wilde namelijk niet schieten, omdat ik van plan was de overige verscheurende dieren, die zoo dicht op elkaar schenen te staan als de ossen op een veemarkt, met een salvo te begroeten. Mijn kameraads bijeen roepende, schoten we nu allen tegelijk onze geweren af op de plek waar ze het dichtst bijeen stonden. De uitwerking was schitterend; alle namen overhaast de vlucht, behalve de dooden en gewonden die achterbleven—de laatste afschuwelijk brullend—maar waarnaar we nog geen onderzoek durfden gaan instellen. Het kolossale aantal was misschien te wijten aan de ingewanden van een geslachte antilope en van drie of vier geiten, die we over de palissaden hadden weggegooid.Zoodra de dag begon aan te breken verlieten we onze legerplaats om het slagveld in oogenschouw te nemen, waarop we drie doode tijgers en twee hyena’s vonden. Bovendien troffen we ook nog levend een prachtigen ouden leeuw aan. Het arme dier waren beide voorpooten kapot geschoten, zoodat hij zich niet van de plaats bewegen kon, hoe ontzaglijk hij zich hiervoor ook had ingespannen. Hij was dus de gewonde held geweest, wiens woedend gebrul ons den ganschen nacht verontrust had.„Als ik overtuigd was,” zei onze chirurgijn, denleeuw met medelijden beschouwend, „dat het dier mij even dankbaar zou zijn als een van Zijn Majesteits voorvaderen het Androkles, den Romeinschen slaaf, was, dan zou ik stellig zijn beide pooten zetten.”Den leeuw met medelijden beschouwend.Den leeuw met medelijden beschouwend.„Ja, dat is niet vooruit te zeggen,” zei ik, „je moest maar met de behandeling beginnen en dan vertrouwen op het eergevoel van den woestijn-koning.”Maar de onderneming leek onzen heelmeester toch wat te gewaagd, en om een einde te maken aan het lijden van het afgemartelde beest, schoot hij het door den kop, wat hem voor ’t vervolg den naam van „koningsmoordenaar” bezorgde.Later vonden onze negers nog vijf verwondedieren, die in de omgeving van ons kamp bezweken waren: een hyena, een mooi-gevlekten luipaard en nog drie andere beesten, die we niet eerder gezien hadden.’t Bleef wel niet bij deze eerste nachtelijke bezoeken, maar in zoo groote getale kwamen ze toch nooit meer opzetten. ’t Grootste bezwaar er van was nog, dat ze het onschadelijk wild uit onze buurt verjoegen, wier nabijheid zoo noodig was voor ons levensonderhoud. Gelukkig waagden zich onze negers toch dagelijks op de jacht en keerden ze zelden zonder eenigen buit terug. Tegen het einde van den regentijd vonden we in dit gedeelte van ’t land ook overvloed van eetbaar watergevogelte, zooals eenden, talingen, smienten, ganzen enz. Verder vingen we heel wat visch, zoo dat het ons nooit aan voedsel ontbrak. Het eenige wat we zeer begonnen te missen was zout, waarvan we nog maar een kleinen voorraad bezaten, die we natuurlijk uitsluitend voor onszelve hielden; de negers aten hun vleesch trouwens liever geheel ontoebereid.Het weer begon nu langzamerhand op te klaren; de regens bedaarden, het water trok zich in zijn beddingen terug, en daar de zon door haar zenith en naar het zuiden was gedraaid besloten we onze reis te hervatten.Den 12denOctober zetten we ons weer in beweging. Moeilijk was de tocht in dit gedeelte van het land volstrekt niet. We vonden overal voedsel en water, legden ongeveer vijf-en-twintig mijlen per dag af en hielden gedurende de eerste elfdagen maar één dag rust, om een vlot te maken dat ons over een nog sterk gezwollen riviertje moest helpen.Toen wij dit riviertje, dat ook naar ’t noorden stroomde, achter ons hadden, stootten we al gauw op een heuvelrij, aan weerszijden waarvan zich een mooie laagvlakte uitstrekte. Niet van plan evenwel, onze westelijke richting ter wille van een bergketen te wijzigen, trokken we dus moedig verder. Men stelle zich onze blijde verrassing voor, toen een onzer timmerlui, die met een paar negers het eerst den bergrug bereikte, ons opgewonden toeriep: „De zee! De zee!” en van pure uitgelatenheid begon te springen en te dansen.’t Meest verrast waren misschien wel de kanonnier en ik, want we hadden juist ’s morgens nog uitgerekend, dat we nog meer dan duizend mijl van de kust verwijderd moesten zijn en dus nóg wel een regentijd op het Afrikaansche vasteland zouden moeten doorbrengen.Toen onze timmerman nu zoo uitbundig zijn vreugde uitte, werd de kanonnier kwaad en riep hem toe: „Je bent gek!” Maar boven gekomen moest hij die woorden wel herroepen, want wáár we ook keken, ’t zij naar ’t westen, ’t zuiden of ’t noorden, we zagen niets dan water en nog eens water, een uitgestrektheid alleen door den horizon begrensd.Verrast en verward daalden we in de vlakte af, niet in staat te verklaren waar we ons bevonden, daar we volgens onze kaarten nog zoo ver van den Atlantischen Oceaan waren en dezezee op geen drie mijlen af stands voor ons lag. Nog grooter werd onze verwondering toen we ontdekten dat het water heel goed drinkbaar bleek.Welken koers nu verder te nemen? De zee, of wat het dan mocht wezen, maakte verder trekken in westelijke richting onmogelijk. Na kort beraad besloten we noordwaards te marcheeren, de richting die ons in ieder geval dichter naar ons vurig begeerde doel, het vaderland zou voeren.Gedurende drie-en-twintig dagen trokken we zoo langs den oever van deze ontzaglijke watervlakte, zonder feitelijk te weten wat het was. Aan het einde van dien termijn werden we verblijd door den juichkreet „Land!” door een onzer matrozen ’s morgens in de vroegte aangeheven, en gelukkig bleek het geen valsch alarm. Duidelijk onderscheidden we op grooten afstand in westelijke richting eenige bergtoppen. Nu wisten we meteen dat we niet langs de kust van een eigenlijke zee, maar van een reusachtig meer of binnenzee gereisd hadden. Toen we eindelijk, na nog acht dagen zwoegens, den noordelijken rand bereikt hadden, zagen we dat het meer zich in een groote rivier ontlastte, die in noordelijke of noordoostelijke richting liep.Bij nauwkeuriger overweging kwam mijn vriend de kanonnier nu tot het inzicht dat hij zich vroeger vergist had en dit nu de Nijl moest wezen, maar hij bleef bij zijn opinie dat een reis naar Egypte niet was aan te bevelen. Dus kwamen we overeen de rivier over te steken, wat met groote moeilijkheden gepaard bleek te gaan, daar de stroomingbuitengewoon sterk en de bedding breed was.Er ging nog wel een week mee heen, eer we onszelf en ons vee aan den anderen kant hadden, want al groeiden er boomen in overvloed, we konden er geen enkele vinden, groot genoeg om er een kano van te maken.Dit gedeelte van onzen tocht werd buitengewoon vermoeiend. Telkens belemmerd door de ontelbare kleine riviertjes, die van de oostelijk gelegen heuvels naar de binnenzee vloeiden, konden we elken dag slechts een korten afstand afleggen.De laatste drie dagen van onze reis zagen we af en toe eenige inwoners, die evenwel niet aan het water doch in ’t gebergte woonden. Wat onze voedselvoorziening betrof, geraakten we wat in ’t nauw, daar we geen wild onder schot kregen en de zee weinig vischrijk scheen te zijn.Tegenover deze bezwaren stond echter, dat we gedurende den geheelen tocht langs de binnenzee geen last van wilde dieren hadden gehad. De eenige onaangename ervaringen van dien aard waren de ontmoetingen met de giftige slangen, die op dit vochtige terrein tierden en ons een paar maal aanvielen. Trachtten we ze dood te slaan, dan richtten ze zich op en sisten zoo doordringend, dat we het op vrij grooten afstand hooren konden.Hoogst merkwaardig kwam het ons voor, dat we over een uitgestrektheid van duizend mijlen geen menschen aantroffen. Wij hadden een marsch door het hart van Afrika gemaakt, en het scheen wel alsof geen sterfelijk wezen hier een voet gezet had sedert Noachs zonen zich over den aardbodemverspreid hadden. Toen onze kanonnier met behulp van zijn meetinstrument de hoogte van onze verblijfplaats had vastgesteld, bleek het dat we ons, na een reis van drie-en-twintig dagen in noordelijke richting, op 6° 22′ zuiderbreedte bevonden.Met groote inspanning over bovengenoemde rivier gekomen, zagen we een woeste, onherbergzame streek voor ons, die ons met angst deed verder trekken. Het terrein was bergachtig, onvruchtbaar en moeilijk begaanbaar, terwijl het er van verscheurende dieren wemelde. Van bewoners geen spoor. Bij dit alles kwam nog dat onze mondkost ten einde raakte en we geen kans zagen dien aan te vullen.Bij zeer zuinig overleg zouden we ’t met onze gedroogde visschen ongeveer vijf dagen kunnen uithouden, en na eenige aarzeling besloten we ’t er op te wagen, vertrouwende inmiddels wel weer eetbare dieren of planten te zullen aantreffen. Dat viel echter niet mee; den zesden dag moesten we vasten. Met bezwaarde harten legden we ons ’s avonds te ruste en den achtsten zagen we ons genoodzaakt een van onze trouwe stieren te slachten, die zoo geduldig onze lasten gedragen had. Zijn vleesch smaakte uitstekend, en we wisten er zoo zuinig mee om te gaan, dat het ons drie en een halven dag voor honger bewaarde. Al op ’t punt een tweeden buffel te dooden, daagde er gelukkig in de verte een vruchtbaarder streek op met boomen en een rivier.Met nieuwen moed bezield, verhaastten we, ondanksonze leege magen en groote vermoeidheid, ons marschtempo om zoo gauw mogelijk den oever te bereiken, en tot ons geluk kwamen ons, nog eer we zoover waren, een paar jonge antilopen onder schot, een lekkernij waarnaar we reeds dikwijls verlangd hadden en die we dan ook als hongerige wolven verslonden.
HOOFDSTUK VII.Aan de Goudrivier.
Tot onze groote vreugde bewees het ruime uitzicht boven van den top, dat we het einde der woestijn hadden bereikt. De geheele streek vóór ons was bedekt met frisch groen, een overvloed van boomen en een breede rivier, en we twijfelden er niet aan of we zouden er ook wel menschen en vee vinden. Onze kanonnier rekende uit dat we in de vier-en-dertig dagen die we in dit vreeselijk oord hadden doorgebracht, omstreeks vier honderd mijlen moesten hebben afgelegd, terwijl onze geheele tocht te land ongeveer elf honderd mijlen had bedragen.Hoe graag zouden we nog dienzelfden avond in het dal zijn afgedaald, maar het was te laat. Den volgenden morgen zagen we alles duidelijker en strekten we ons heerlijk uit in de schaduw van een paar boomen. Nadat we ons een maand lang hadden moeten laten verzengen, was zoo’n koel bladerdak een weldadige verkwikking. Ook vonden we hier allerlei wild, onder anderen een soort van geit en een overvloed van vogels, die aan patrijzen deden denken, maar niet zoo groot noch zoo schoon waren. ’t Bleek hier dus eenwaar paradijs na al ’t geen we achter ons hadden. Bewoners troffen we tot onze verwondering niet aan, en als om onze blijde stemming eenigszins te kalmeeren, hoorden we bijna elken nacht het brullen en huilen van leeuwen en tijgers. Olifanten schenen hier niet meer voor te komen.Na een marsch van nog drie dagen bereikten we een rivier, die we van de berghoogte al gezien hadden en Goudrivier doopten. Ze had een buitengewoon sterk verval en liep in noordelijke richting, en onze kanonnier die onmiddellijk zijn kaart te voorschijn haalde, verzekerde mij, dat het óf de Nijl moest wezen, óf een der rivieren die in het groote meer uitloopt waarin naar men zegt de Nijl ontspringt.„Als het werkelijk de Nijl is,” meende mijn vriend verder, „wat verhindert ons dan om zooveel kano’s te maken als we noodig hebben en ons den stroom te laten afzakken. ’t Lijkt mij toch in ieder geval veel beter dan om ons weer aan zoo’n verschroeiende hitte bloot te stellen, en ten slotte een kust te bereiken vanwaar we misschien even weinig kans hebben ons land te bereiken als van Madagaskar.”Dit leek nu wel heel waar en mooi, maar er kwamen toch bezwaren bij sommigen van ons op, die niemand goed wist te weerleggen. Vooral onze chirurgijn beschouwde het plan als onuitvoerbaar. Hij verstond wel niet veel van de zeevaart, maar had veel en met oordeel gelezen.„Voor zoover ik me herinner,” zei hij, „moet de afstand door al de krommingen van de rivierwel ongeveer vier duizend mijlen bedragen. Verder vrees ik dat we al heel weinig kans hebben aan de krokodillen te ontkomen en moeten we rekening houden met het naderende regenseizoen. Door het zwellen van de rivier overstroomt de omliggende streek dan over zoo’n grooten afstand, dat we niet zullen weten of we in de bedding van de Nijl zijn of niet. Onze kano’s zouden wis en zeker afdrijven, omkantelen of telkens aan den grond raken, ’t lijkt mij dus een hachelijke onderneming zoo’n rivier te bevaren.”Van dit laatste bezwaar wist hij ons zoo te overtuigen, dat we besloten het plan op te geven en naar ’t westen verder te koersen. Maar eerst wilden we nog twee dagen voor ons genoegen aan de rivier blijven.Gedurende dit oponthoud dwaalde onze Zwarte Prins dikwijls in zijn eentje rond, en den tweeden avond bracht hij verscheiden stukjes van een mineraal mee, dat hem onbekend was, zwaar woog en er in zijn oogen zoo mooi uitzag, dat hij ’t mij als een rariteit liet zien.Ik deed alsof ik niets geen bizondere waarde aan zijn vondst hechtte, maar liet de stukjes even later aan den kanonnier zien om hem te vragen of hij het mineraal niet voor goud hield. Daar hij het geheel met mij eens was, spraken we af, den volgenden dag den Prins mee te nemen en ons de plaats te laten wijzen waar hij het ontdekt had. Mocht er véél te vinden zijn, dan zouden we de anderen in het buitenkansje laten deelen, maar bleef het bij een paar kleine stukjes, danwaren we van plan er niet van te reppen en het voordeeltje voor ons zelf te houden.Dom genoeg, vergaten we evenwel den Prins in ons vertrouwen te nemen, en in zijn onschuld praatte hij zooveel tegen de anderen over het gevondene, dat ze allen gisten wat het wezen moest en kwamen kijken. Geheel open kaart spelen was dus verder ’t beste, en toen ook onze fijnsmid het gevonden metaal voor goud verklaarde, stelde ik voor, allen met onzen Prins naar de vindplaats te gaan en te oordeelen of het de moeite zou loonen ons nog eenige dagen aan de rivier op te houden.Zooals wel van zelf sprak wilde iedereen van de partij zijn, en vol verwachting volgden we allen den Prins naar een plek aan den westoever der rivier, waar een zijtak in den hoofdstroom uitmondde. Nadat we een oogenblik het rivierzand omgewoeld en elk een paar handenvol schoongespoeld hadden, hielden de meesten van ons eenige korrels goud over, meestal niet grooter dan speldeknoppen, maar soms ook wel eens als druivenpitten. Na op deze wijze een uur of drie bezig te zijn geweest, had ieder van ons een klein hoopje bijeengebracht, waarop wij besloten het er voor ’t oogenblik bij te laten en eerst te gaan middageten.Onder den maaltijd kwam de gedachte bij mij op of er geen groote kans bestond, dat juist het goud waaraan we zoo groote waarde hechtten, ons ongeluk zou kunnen worden door onderlinge afgunst te wekken en de goede verstandhouding te verstoren.„Ik ben wel de jongste van ons heele gezelschap,” begon ik, besloten uit te spreken wat er in mij omging, „maar jullie hebt al dikwijls naar mijn meening gevraagd en die ook soms opgevolgd, dus durf ik wel een voorstel te doen, waaraan jullie, naar ik denk, je goedkeuring zult hechten. We zijn hier nu in een streek aangeland waarheen de heele wereld schepen zend om er goud te halen. Of we gelukkig zullen zijn bij ons zoeken, is niet vooruit te zeggen. Daarom zou ik willen voorstellen, al wat we vinden bij elkaar te voegen en later eerlijk te verdeelen, om geen gevaar te loopen de vriendschap en eendracht tusschen ons te verbreken, die in onze omstandigheid meer waard is dan alle schatten ter wereld. Bij gelijke verdeeling van den buit zal ieder van ons stellig ijverig werken en kan er geen nijd of twist tusschen ons ontstaan.”Mijn voorslag vond algemeen instemming, en we gaven er elkaar allemaal plechtig de hand op, niet het geringste korreltje achter te houden. Mocht iemand toch nog op oneerlijkheid betrapt worden, dan verspeelde hij zonder pardon zijn geheele aandeel.Onze kanonnier voegde hieraan nog den verstandigen raad toe, ons onderling te verplichten tot teruggeven van alle goud, wat we met spelen of wedden aan elkaar mochten verliezen. Hiermee werd meteen een eind gemaakt aan den zucht tot dobbelen, die sommige onzer kameraden niet schenen te kunnen overwinnen.Een eind gemaakt aan den zucht tot dobbelen.Een eind gemaakt aan den zucht tot dobbelen.Na het sluiten van deze heilzame overeenkomsttrokken we allen met veel lust aan den arbeid en wezen onzen negers hoe ze voor ons moesten werken. Nauwkeurig doorzochten we beide oevers van den ondiepen zijstroom, zoowel als den zachten bodem en brachten zoo drie weken aan en in het water door. In dien tijd waren we niet veel meer dan zes mijlen verder westwaarts gekomen, en hoe hooger we kwamen, hoe meer goud we vonden, tot zich plotseling, aan den anderen kant van een heuvel, geen korrel meer voordeed. Daar het metaal dus blijkbaar van de helling door ’t water werd meegevoerd, begonnen we hier het terrein te onderzoeken. De grond was er los en geelachtig van kleur; ook stootten we telkens op een harde witte steensoort, volgens geleerdenwie ik het later beschreef, waarschijnlijk het spaath, dat het gouderts in de mijnen omvat.Hoe dit zij, al was het ook zuiver goud geweest, bezaten we toch geen werktuig om het los te hakken, dus lieten we het rustig zitten. Bij het woelen in de losse aarde troffen we een plek waar het zand om zoo te zeggen al uiteenviel als we er slechts aan raakten, en tot onze groote verrassing bevatte het een massa goudkorrels. Den geheelen voorraad, ongeveer twee schepel, voorzichtig naar het water dragende, spoelden we de leemige, gele aarde er af en hielden het zuivere goudstof over. Merkwaardig was het, dat we in de harde aardlagen om die losse plek heen, geen greintje van het metaal meer vonden.’s Avonds kwamen we allen bij elkaar om te zien hoeveel we al vergaard hadden, en het bleek dat die losse zandhoop alleen bijna vijftig pond stof goud had opgeleverd, terwijl we aan ons zoeken in de rivier nog vier-en-dertig pond te danken hadden.Feitelijk was het een gelukkige tegenvaller voor ons dat hiermee ongeveer een eind kwam aan ons goudzoeken, want ik geloof niet dat we het zouden hebben opgegeven als onze hernieuwde pogingen in en langs de rivier met beteren uitslag bekroond waren geworden. Nu vonden we ten slotte nog maar zóó weinig, dat we overeenkwamen den arbeid te staken om ons en onze negers niet door oververmoeienis ongeschikt te maken voor onze verdere reis. Volgens de weegschaal die onze smid gemaakt had, kreeg ieder van ons nagenoegdrie-en-een-half pond goud. Dit gewicht was uit den aard der zaak ruw geschat, doch volgens den smid zou het eerder meer dan minder bedragen, en later bleek dat hij gelijk had. Het overschot van zeven of acht pond vertrouwden we hem toe om er sieraden van te maken, die ons nog verder goed te pas zouden kunnen komen om er ons levensmiddelen of misschien vriendschap mee te koopen. Ook onze Zwarte Prins kreeg een pond, en nadat hij van den smid een paar werktuigen geleend had, hamerde hij zijn schat eigenhandig tot kleine ronde kogeltjes, boorde er gaatjes in en hing deze goudkralen aan een touwtje om zijn zwarten hals. De arbeid kostte hem een paar maanden tijd, en hij was dan ook niet weinig trotsch op zijn met zooveel moeite veroverde versiering.Zoo eindigde dus ons eerste goudavontuur. We begonnen nu echter te begrijpen dat we niet ernstig genoeg over onze toekomst hadden nagedacht en dat we onzen tocht geruimen tijd zouden dienen te onderbreken. Sedert vijf maanden onderweg, naderde de seizoenverwisseling, m.a.w. het natte jaargetijde, waarin we door de geweldige tropische regens en de vele overstroomingen niet goed zouden kunnen reizen. Wel hadden we den regentijd al eens op Madagaskar meegemaakt, maar toch hadden we er, tamelijk zorgeloos, geen rekening mee gehouden bij ’t opmaken van ons Afrikaansche plan, toen de zon op den grootsten noordelijken afstand van ons stond en de omstandigheden dus mèt ons waren geweest.Terwijl we deze aanstaande moeilijkheden overwogen, barstte de regen al los, en ijlings raad beleggende, besloten we met algemeene stemmen te blijven waar we waren; tot ons geluk, zooals later blijken zou.Onze eerste maatregel was dus, de negers aan ’t werk te zetten om ons hutten te bouwen, en wel op veiligen afstand van de rivier, met het oog op een mogelijke overstrooming. Toen alles gereed was, zag ons kampement er uit als een kleine stad. Onze hutten stonden in ’t midden van het terrein en hadden tot centrum een groote tent, waarin al onze slaapplaatsen uitkwamen en waar wij onze maaltijden, vergaderingen en gezellige bijeenkomsten hielden. Voor dit vertrek maakten onze timmerlieden ons zooveel banken en tafels als we maar begeerden.Schoorsteenen hadden we niet noodig; ’t was zonder vuur meer dan heet genoeg, doch tenslotte zagen we ons toch verplicht elken nacht een vuur aan te leggen om de wilde dieren—die ons hier niet minder dan in de woestijn lastig vielen—op een afstand te houden. Daar antilopen en ander onschuldig wild de begroeide omgeving van meer en rivieren opzochten om zich te voeden en te verschuilen, kon het niet uitblijven of de leeuwen en tijgers volgden hier hun prooi.De schrik over deze ontdekking deed ons aanvankelijk besluiten onze matten weer op te rollen, maar na lang beraad kwamen we overeen ons kamp liever zoo te omheinen, dat we geen gevaar van ongewenschte gasten te duchten hadden.Daar het ons gelukkig niet aan hout ontbrak, togen onze timmerlieden dadelijk aan den arbeid om ons kamp met hooge palen te omringen; niet naast elkaar, zooals bij een gewone omheining, maar onregelmatig geplant, nu eens hooger, dan eens lager en allen van scherpe punten voorzien. Op vele plaatsen vormde deze beschutting een wel twee el diepen gordel, zoodat een dier al een geweldigen sprong moest nemen, wilde het er over heen komen en niet met zijn buik op de punten blijven hangen.Bij den ingang van onze vesting stonden dikkere palen, zóó voor elkaar gezet, dat ze drie of vier korte bochten maakten, waardoor geen wild dier, grooter dan een hond, zou kunnen binnendringen. Ten overvloede stookten we elken nacht een flink vuur voor den ingang van onze palissade, waar we een hut hadden neergezet om onze schildwachts tegen den regen te beschutten. Om dit vuur te onderhouden, velden we verscheiden boomen die we in stukken zaagden en opstapelden om te laten drogen, terwijl we de groene takken gebruikten om onze hutten nog beter af te dekken en te beschutten tegen den regen.Nauwelijks hadden we al dit werk volbracht, of het begon zoo geweldig te regenen, dat we onmogelijk op jacht konden gaan om onzen mondkost aan vullen. Gelukkig scheen al dat hemelwater onze negers met hun naakte lichamen veel minder dan ons Europeanen te deren.Van half Juni tot half October bleven we in dit kampement, want hoewel het hevigste vanden regenmousson tegen den tijd van den equinox bedaarde, stond de zon nu vlak boven ons hoofd, waarom we besloten nog rustig te blijven waar we waren tot zij wat meer naar het zuiden zou gedraaid zijn.Gedurende dit oponthoud beleefden we nog verscheiden avonturen met de roofdieren uit deze streek, en hadden we ons vuur niet altijd brandende gehouden, dan betwijfel ik zeer, of onze omheining ons voldoende zou beveiligd hebben, hoewel we haar nog met veertien rijen palen versterkten. ’t Was of de beesten ’t er op zetten, ons juist altijd ’s nachts te komen verontrusten, soms bij zulke troepen te gelijk, dat het scheen alsof de leeuwen, tijgers, luipaarden en hyena’s van heel Afrika ons kwamen aanvallen, en we door ’t gebrul en geschreeuw geen oog konden dicht doen.Op zekeren stormachtigen regennacht werden we allen door onze wacht gewekt, die een overval van de wilde dieren vreesde. Aan de vuurzijde vertoonden ze zich nooit, doch hun aantal was zoo groot dat we, ofschoon vertrouwende op onze palissade, toch het zekere voor ’t onzekere namen en naar onze wapens grepen. ’t Was bijna volle maan en de lucht vol jagende wolken. Toen ik naar onze hutten omkeek, meende ik een tijger binnenin onze fortificatie te onderscheiden, en dit bleek ook bijna het geval. Blijkbaar was het ondier met een geweldigen sprong over onze omheining gekomen en toen op een ver boven de andere uitstekende paal, blijven hangen. Door zijn eigen zwaarte was de punt hem in de dij gedrongenen zoo hing de panter daar nu, want dat bleek het te zijn, huilende en in ’t hout bijtende van woede.Een neger die naast mij stond zijn lans afgrijpende, snelde ik op het beest toe en maakte het met een steek of drie, vier af. Ik wilde namelijk niet schieten, omdat ik van plan was de overige verscheurende dieren, die zoo dicht op elkaar schenen te staan als de ossen op een veemarkt, met een salvo te begroeten. Mijn kameraads bijeen roepende, schoten we nu allen tegelijk onze geweren af op de plek waar ze het dichtst bijeen stonden. De uitwerking was schitterend; alle namen overhaast de vlucht, behalve de dooden en gewonden die achterbleven—de laatste afschuwelijk brullend—maar waarnaar we nog geen onderzoek durfden gaan instellen. Het kolossale aantal was misschien te wijten aan de ingewanden van een geslachte antilope en van drie of vier geiten, die we over de palissaden hadden weggegooid.Zoodra de dag begon aan te breken verlieten we onze legerplaats om het slagveld in oogenschouw te nemen, waarop we drie doode tijgers en twee hyena’s vonden. Bovendien troffen we ook nog levend een prachtigen ouden leeuw aan. Het arme dier waren beide voorpooten kapot geschoten, zoodat hij zich niet van de plaats bewegen kon, hoe ontzaglijk hij zich hiervoor ook had ingespannen. Hij was dus de gewonde held geweest, wiens woedend gebrul ons den ganschen nacht verontrust had.„Als ik overtuigd was,” zei onze chirurgijn, denleeuw met medelijden beschouwend, „dat het dier mij even dankbaar zou zijn als een van Zijn Majesteits voorvaderen het Androkles, den Romeinschen slaaf, was, dan zou ik stellig zijn beide pooten zetten.”Den leeuw met medelijden beschouwend.Den leeuw met medelijden beschouwend.„Ja, dat is niet vooruit te zeggen,” zei ik, „je moest maar met de behandeling beginnen en dan vertrouwen op het eergevoel van den woestijn-koning.”Maar de onderneming leek onzen heelmeester toch wat te gewaagd, en om een einde te maken aan het lijden van het afgemartelde beest, schoot hij het door den kop, wat hem voor ’t vervolg den naam van „koningsmoordenaar” bezorgde.Later vonden onze negers nog vijf verwondedieren, die in de omgeving van ons kamp bezweken waren: een hyena, een mooi-gevlekten luipaard en nog drie andere beesten, die we niet eerder gezien hadden.’t Bleef wel niet bij deze eerste nachtelijke bezoeken, maar in zoo groote getale kwamen ze toch nooit meer opzetten. ’t Grootste bezwaar er van was nog, dat ze het onschadelijk wild uit onze buurt verjoegen, wier nabijheid zoo noodig was voor ons levensonderhoud. Gelukkig waagden zich onze negers toch dagelijks op de jacht en keerden ze zelden zonder eenigen buit terug. Tegen het einde van den regentijd vonden we in dit gedeelte van ’t land ook overvloed van eetbaar watergevogelte, zooals eenden, talingen, smienten, ganzen enz. Verder vingen we heel wat visch, zoo dat het ons nooit aan voedsel ontbrak. Het eenige wat we zeer begonnen te missen was zout, waarvan we nog maar een kleinen voorraad bezaten, die we natuurlijk uitsluitend voor onszelve hielden; de negers aten hun vleesch trouwens liever geheel ontoebereid.Het weer begon nu langzamerhand op te klaren; de regens bedaarden, het water trok zich in zijn beddingen terug, en daar de zon door haar zenith en naar het zuiden was gedraaid besloten we onze reis te hervatten.Den 12denOctober zetten we ons weer in beweging. Moeilijk was de tocht in dit gedeelte van het land volstrekt niet. We vonden overal voedsel en water, legden ongeveer vijf-en-twintig mijlen per dag af en hielden gedurende de eerste elfdagen maar één dag rust, om een vlot te maken dat ons over een nog sterk gezwollen riviertje moest helpen.Toen wij dit riviertje, dat ook naar ’t noorden stroomde, achter ons hadden, stootten we al gauw op een heuvelrij, aan weerszijden waarvan zich een mooie laagvlakte uitstrekte. Niet van plan evenwel, onze westelijke richting ter wille van een bergketen te wijzigen, trokken we dus moedig verder. Men stelle zich onze blijde verrassing voor, toen een onzer timmerlui, die met een paar negers het eerst den bergrug bereikte, ons opgewonden toeriep: „De zee! De zee!” en van pure uitgelatenheid begon te springen en te dansen.’t Meest verrast waren misschien wel de kanonnier en ik, want we hadden juist ’s morgens nog uitgerekend, dat we nog meer dan duizend mijl van de kust verwijderd moesten zijn en dus nóg wel een regentijd op het Afrikaansche vasteland zouden moeten doorbrengen.Toen onze timmerman nu zoo uitbundig zijn vreugde uitte, werd de kanonnier kwaad en riep hem toe: „Je bent gek!” Maar boven gekomen moest hij die woorden wel herroepen, want wáár we ook keken, ’t zij naar ’t westen, ’t zuiden of ’t noorden, we zagen niets dan water en nog eens water, een uitgestrektheid alleen door den horizon begrensd.Verrast en verward daalden we in de vlakte af, niet in staat te verklaren waar we ons bevonden, daar we volgens onze kaarten nog zoo ver van den Atlantischen Oceaan waren en dezezee op geen drie mijlen af stands voor ons lag. Nog grooter werd onze verwondering toen we ontdekten dat het water heel goed drinkbaar bleek.Welken koers nu verder te nemen? De zee, of wat het dan mocht wezen, maakte verder trekken in westelijke richting onmogelijk. Na kort beraad besloten we noordwaards te marcheeren, de richting die ons in ieder geval dichter naar ons vurig begeerde doel, het vaderland zou voeren.Gedurende drie-en-twintig dagen trokken we zoo langs den oever van deze ontzaglijke watervlakte, zonder feitelijk te weten wat het was. Aan het einde van dien termijn werden we verblijd door den juichkreet „Land!” door een onzer matrozen ’s morgens in de vroegte aangeheven, en gelukkig bleek het geen valsch alarm. Duidelijk onderscheidden we op grooten afstand in westelijke richting eenige bergtoppen. Nu wisten we meteen dat we niet langs de kust van een eigenlijke zee, maar van een reusachtig meer of binnenzee gereisd hadden. Toen we eindelijk, na nog acht dagen zwoegens, den noordelijken rand bereikt hadden, zagen we dat het meer zich in een groote rivier ontlastte, die in noordelijke of noordoostelijke richting liep.Bij nauwkeuriger overweging kwam mijn vriend de kanonnier nu tot het inzicht dat hij zich vroeger vergist had en dit nu de Nijl moest wezen, maar hij bleef bij zijn opinie dat een reis naar Egypte niet was aan te bevelen. Dus kwamen we overeen de rivier over te steken, wat met groote moeilijkheden gepaard bleek te gaan, daar de stroomingbuitengewoon sterk en de bedding breed was.Er ging nog wel een week mee heen, eer we onszelf en ons vee aan den anderen kant hadden, want al groeiden er boomen in overvloed, we konden er geen enkele vinden, groot genoeg om er een kano van te maken.Dit gedeelte van onzen tocht werd buitengewoon vermoeiend. Telkens belemmerd door de ontelbare kleine riviertjes, die van de oostelijk gelegen heuvels naar de binnenzee vloeiden, konden we elken dag slechts een korten afstand afleggen.De laatste drie dagen van onze reis zagen we af en toe eenige inwoners, die evenwel niet aan het water doch in ’t gebergte woonden. Wat onze voedselvoorziening betrof, geraakten we wat in ’t nauw, daar we geen wild onder schot kregen en de zee weinig vischrijk scheen te zijn.Tegenover deze bezwaren stond echter, dat we gedurende den geheelen tocht langs de binnenzee geen last van wilde dieren hadden gehad. De eenige onaangename ervaringen van dien aard waren de ontmoetingen met de giftige slangen, die op dit vochtige terrein tierden en ons een paar maal aanvielen. Trachtten we ze dood te slaan, dan richtten ze zich op en sisten zoo doordringend, dat we het op vrij grooten afstand hooren konden.Hoogst merkwaardig kwam het ons voor, dat we over een uitgestrektheid van duizend mijlen geen menschen aantroffen. Wij hadden een marsch door het hart van Afrika gemaakt, en het scheen wel alsof geen sterfelijk wezen hier een voet gezet had sedert Noachs zonen zich over den aardbodemverspreid hadden. Toen onze kanonnier met behulp van zijn meetinstrument de hoogte van onze verblijfplaats had vastgesteld, bleek het dat we ons, na een reis van drie-en-twintig dagen in noordelijke richting, op 6° 22′ zuiderbreedte bevonden.Met groote inspanning over bovengenoemde rivier gekomen, zagen we een woeste, onherbergzame streek voor ons, die ons met angst deed verder trekken. Het terrein was bergachtig, onvruchtbaar en moeilijk begaanbaar, terwijl het er van verscheurende dieren wemelde. Van bewoners geen spoor. Bij dit alles kwam nog dat onze mondkost ten einde raakte en we geen kans zagen dien aan te vullen.Bij zeer zuinig overleg zouden we ’t met onze gedroogde visschen ongeveer vijf dagen kunnen uithouden, en na eenige aarzeling besloten we ’t er op te wagen, vertrouwende inmiddels wel weer eetbare dieren of planten te zullen aantreffen. Dat viel echter niet mee; den zesden dag moesten we vasten. Met bezwaarde harten legden we ons ’s avonds te ruste en den achtsten zagen we ons genoodzaakt een van onze trouwe stieren te slachten, die zoo geduldig onze lasten gedragen had. Zijn vleesch smaakte uitstekend, en we wisten er zoo zuinig mee om te gaan, dat het ons drie en een halven dag voor honger bewaarde. Al op ’t punt een tweeden buffel te dooden, daagde er gelukkig in de verte een vruchtbaarder streek op met boomen en een rivier.Met nieuwen moed bezield, verhaastten we, ondanksonze leege magen en groote vermoeidheid, ons marschtempo om zoo gauw mogelijk den oever te bereiken, en tot ons geluk kwamen ons, nog eer we zoover waren, een paar jonge antilopen onder schot, een lekkernij waarnaar we reeds dikwijls verlangd hadden en die we dan ook als hongerige wolven verslonden.
Tot onze groote vreugde bewees het ruime uitzicht boven van den top, dat we het einde der woestijn hadden bereikt. De geheele streek vóór ons was bedekt met frisch groen, een overvloed van boomen en een breede rivier, en we twijfelden er niet aan of we zouden er ook wel menschen en vee vinden. Onze kanonnier rekende uit dat we in de vier-en-dertig dagen die we in dit vreeselijk oord hadden doorgebracht, omstreeks vier honderd mijlen moesten hebben afgelegd, terwijl onze geheele tocht te land ongeveer elf honderd mijlen had bedragen.
Hoe graag zouden we nog dienzelfden avond in het dal zijn afgedaald, maar het was te laat. Den volgenden morgen zagen we alles duidelijker en strekten we ons heerlijk uit in de schaduw van een paar boomen. Nadat we ons een maand lang hadden moeten laten verzengen, was zoo’n koel bladerdak een weldadige verkwikking. Ook vonden we hier allerlei wild, onder anderen een soort van geit en een overvloed van vogels, die aan patrijzen deden denken, maar niet zoo groot noch zoo schoon waren. ’t Bleek hier dus eenwaar paradijs na al ’t geen we achter ons hadden. Bewoners troffen we tot onze verwondering niet aan, en als om onze blijde stemming eenigszins te kalmeeren, hoorden we bijna elken nacht het brullen en huilen van leeuwen en tijgers. Olifanten schenen hier niet meer voor te komen.
Na een marsch van nog drie dagen bereikten we een rivier, die we van de berghoogte al gezien hadden en Goudrivier doopten. Ze had een buitengewoon sterk verval en liep in noordelijke richting, en onze kanonnier die onmiddellijk zijn kaart te voorschijn haalde, verzekerde mij, dat het óf de Nijl moest wezen, óf een der rivieren die in het groote meer uitloopt waarin naar men zegt de Nijl ontspringt.
„Als het werkelijk de Nijl is,” meende mijn vriend verder, „wat verhindert ons dan om zooveel kano’s te maken als we noodig hebben en ons den stroom te laten afzakken. ’t Lijkt mij toch in ieder geval veel beter dan om ons weer aan zoo’n verschroeiende hitte bloot te stellen, en ten slotte een kust te bereiken vanwaar we misschien even weinig kans hebben ons land te bereiken als van Madagaskar.”
Dit leek nu wel heel waar en mooi, maar er kwamen toch bezwaren bij sommigen van ons op, die niemand goed wist te weerleggen. Vooral onze chirurgijn beschouwde het plan als onuitvoerbaar. Hij verstond wel niet veel van de zeevaart, maar had veel en met oordeel gelezen.
„Voor zoover ik me herinner,” zei hij, „moet de afstand door al de krommingen van de rivierwel ongeveer vier duizend mijlen bedragen. Verder vrees ik dat we al heel weinig kans hebben aan de krokodillen te ontkomen en moeten we rekening houden met het naderende regenseizoen. Door het zwellen van de rivier overstroomt de omliggende streek dan over zoo’n grooten afstand, dat we niet zullen weten of we in de bedding van de Nijl zijn of niet. Onze kano’s zouden wis en zeker afdrijven, omkantelen of telkens aan den grond raken, ’t lijkt mij dus een hachelijke onderneming zoo’n rivier te bevaren.”
Van dit laatste bezwaar wist hij ons zoo te overtuigen, dat we besloten het plan op te geven en naar ’t westen verder te koersen. Maar eerst wilden we nog twee dagen voor ons genoegen aan de rivier blijven.
Gedurende dit oponthoud dwaalde onze Zwarte Prins dikwijls in zijn eentje rond, en den tweeden avond bracht hij verscheiden stukjes van een mineraal mee, dat hem onbekend was, zwaar woog en er in zijn oogen zoo mooi uitzag, dat hij ’t mij als een rariteit liet zien.
Ik deed alsof ik niets geen bizondere waarde aan zijn vondst hechtte, maar liet de stukjes even later aan den kanonnier zien om hem te vragen of hij het mineraal niet voor goud hield. Daar hij het geheel met mij eens was, spraken we af, den volgenden dag den Prins mee te nemen en ons de plaats te laten wijzen waar hij het ontdekt had. Mocht er véél te vinden zijn, dan zouden we de anderen in het buitenkansje laten deelen, maar bleef het bij een paar kleine stukjes, danwaren we van plan er niet van te reppen en het voordeeltje voor ons zelf te houden.
Dom genoeg, vergaten we evenwel den Prins in ons vertrouwen te nemen, en in zijn onschuld praatte hij zooveel tegen de anderen over het gevondene, dat ze allen gisten wat het wezen moest en kwamen kijken. Geheel open kaart spelen was dus verder ’t beste, en toen ook onze fijnsmid het gevonden metaal voor goud verklaarde, stelde ik voor, allen met onzen Prins naar de vindplaats te gaan en te oordeelen of het de moeite zou loonen ons nog eenige dagen aan de rivier op te houden.
Zooals wel van zelf sprak wilde iedereen van de partij zijn, en vol verwachting volgden we allen den Prins naar een plek aan den westoever der rivier, waar een zijtak in den hoofdstroom uitmondde. Nadat we een oogenblik het rivierzand omgewoeld en elk een paar handenvol schoongespoeld hadden, hielden de meesten van ons eenige korrels goud over, meestal niet grooter dan speldeknoppen, maar soms ook wel eens als druivenpitten. Na op deze wijze een uur of drie bezig te zijn geweest, had ieder van ons een klein hoopje bijeengebracht, waarop wij besloten het er voor ’t oogenblik bij te laten en eerst te gaan middageten.
Onder den maaltijd kwam de gedachte bij mij op of er geen groote kans bestond, dat juist het goud waaraan we zoo groote waarde hechtten, ons ongeluk zou kunnen worden door onderlinge afgunst te wekken en de goede verstandhouding te verstoren.
„Ik ben wel de jongste van ons heele gezelschap,” begon ik, besloten uit te spreken wat er in mij omging, „maar jullie hebt al dikwijls naar mijn meening gevraagd en die ook soms opgevolgd, dus durf ik wel een voorstel te doen, waaraan jullie, naar ik denk, je goedkeuring zult hechten. We zijn hier nu in een streek aangeland waarheen de heele wereld schepen zend om er goud te halen. Of we gelukkig zullen zijn bij ons zoeken, is niet vooruit te zeggen. Daarom zou ik willen voorstellen, al wat we vinden bij elkaar te voegen en later eerlijk te verdeelen, om geen gevaar te loopen de vriendschap en eendracht tusschen ons te verbreken, die in onze omstandigheid meer waard is dan alle schatten ter wereld. Bij gelijke verdeeling van den buit zal ieder van ons stellig ijverig werken en kan er geen nijd of twist tusschen ons ontstaan.”
Mijn voorslag vond algemeen instemming, en we gaven er elkaar allemaal plechtig de hand op, niet het geringste korreltje achter te houden. Mocht iemand toch nog op oneerlijkheid betrapt worden, dan verspeelde hij zonder pardon zijn geheele aandeel.
Onze kanonnier voegde hieraan nog den verstandigen raad toe, ons onderling te verplichten tot teruggeven van alle goud, wat we met spelen of wedden aan elkaar mochten verliezen. Hiermee werd meteen een eind gemaakt aan den zucht tot dobbelen, die sommige onzer kameraden niet schenen te kunnen overwinnen.
Een eind gemaakt aan den zucht tot dobbelen.Een eind gemaakt aan den zucht tot dobbelen.
Een eind gemaakt aan den zucht tot dobbelen.
Na het sluiten van deze heilzame overeenkomsttrokken we allen met veel lust aan den arbeid en wezen onzen negers hoe ze voor ons moesten werken. Nauwkeurig doorzochten we beide oevers van den ondiepen zijstroom, zoowel als den zachten bodem en brachten zoo drie weken aan en in het water door. In dien tijd waren we niet veel meer dan zes mijlen verder westwaarts gekomen, en hoe hooger we kwamen, hoe meer goud we vonden, tot zich plotseling, aan den anderen kant van een heuvel, geen korrel meer voordeed. Daar het metaal dus blijkbaar van de helling door ’t water werd meegevoerd, begonnen we hier het terrein te onderzoeken. De grond was er los en geelachtig van kleur; ook stootten we telkens op een harde witte steensoort, volgens geleerdenwie ik het later beschreef, waarschijnlijk het spaath, dat het gouderts in de mijnen omvat.
Hoe dit zij, al was het ook zuiver goud geweest, bezaten we toch geen werktuig om het los te hakken, dus lieten we het rustig zitten. Bij het woelen in de losse aarde troffen we een plek waar het zand om zoo te zeggen al uiteenviel als we er slechts aan raakten, en tot onze groote verrassing bevatte het een massa goudkorrels. Den geheelen voorraad, ongeveer twee schepel, voorzichtig naar het water dragende, spoelden we de leemige, gele aarde er af en hielden het zuivere goudstof over. Merkwaardig was het, dat we in de harde aardlagen om die losse plek heen, geen greintje van het metaal meer vonden.
’s Avonds kwamen we allen bij elkaar om te zien hoeveel we al vergaard hadden, en het bleek dat die losse zandhoop alleen bijna vijftig pond stof goud had opgeleverd, terwijl we aan ons zoeken in de rivier nog vier-en-dertig pond te danken hadden.
Feitelijk was het een gelukkige tegenvaller voor ons dat hiermee ongeveer een eind kwam aan ons goudzoeken, want ik geloof niet dat we het zouden hebben opgegeven als onze hernieuwde pogingen in en langs de rivier met beteren uitslag bekroond waren geworden. Nu vonden we ten slotte nog maar zóó weinig, dat we overeenkwamen den arbeid te staken om ons en onze negers niet door oververmoeienis ongeschikt te maken voor onze verdere reis. Volgens de weegschaal die onze smid gemaakt had, kreeg ieder van ons nagenoegdrie-en-een-half pond goud. Dit gewicht was uit den aard der zaak ruw geschat, doch volgens den smid zou het eerder meer dan minder bedragen, en later bleek dat hij gelijk had. Het overschot van zeven of acht pond vertrouwden we hem toe om er sieraden van te maken, die ons nog verder goed te pas zouden kunnen komen om er ons levensmiddelen of misschien vriendschap mee te koopen. Ook onze Zwarte Prins kreeg een pond, en nadat hij van den smid een paar werktuigen geleend had, hamerde hij zijn schat eigenhandig tot kleine ronde kogeltjes, boorde er gaatjes in en hing deze goudkralen aan een touwtje om zijn zwarten hals. De arbeid kostte hem een paar maanden tijd, en hij was dan ook niet weinig trotsch op zijn met zooveel moeite veroverde versiering.
Zoo eindigde dus ons eerste goudavontuur. We begonnen nu echter te begrijpen dat we niet ernstig genoeg over onze toekomst hadden nagedacht en dat we onzen tocht geruimen tijd zouden dienen te onderbreken. Sedert vijf maanden onderweg, naderde de seizoenverwisseling, m.a.w. het natte jaargetijde, waarin we door de geweldige tropische regens en de vele overstroomingen niet goed zouden kunnen reizen. Wel hadden we den regentijd al eens op Madagaskar meegemaakt, maar toch hadden we er, tamelijk zorgeloos, geen rekening mee gehouden bij ’t opmaken van ons Afrikaansche plan, toen de zon op den grootsten noordelijken afstand van ons stond en de omstandigheden dus mèt ons waren geweest.
Terwijl we deze aanstaande moeilijkheden overwogen, barstte de regen al los, en ijlings raad beleggende, besloten we met algemeene stemmen te blijven waar we waren; tot ons geluk, zooals later blijken zou.
Onze eerste maatregel was dus, de negers aan ’t werk te zetten om ons hutten te bouwen, en wel op veiligen afstand van de rivier, met het oog op een mogelijke overstrooming. Toen alles gereed was, zag ons kampement er uit als een kleine stad. Onze hutten stonden in ’t midden van het terrein en hadden tot centrum een groote tent, waarin al onze slaapplaatsen uitkwamen en waar wij onze maaltijden, vergaderingen en gezellige bijeenkomsten hielden. Voor dit vertrek maakten onze timmerlieden ons zooveel banken en tafels als we maar begeerden.
Schoorsteenen hadden we niet noodig; ’t was zonder vuur meer dan heet genoeg, doch tenslotte zagen we ons toch verplicht elken nacht een vuur aan te leggen om de wilde dieren—die ons hier niet minder dan in de woestijn lastig vielen—op een afstand te houden. Daar antilopen en ander onschuldig wild de begroeide omgeving van meer en rivieren opzochten om zich te voeden en te verschuilen, kon het niet uitblijven of de leeuwen en tijgers volgden hier hun prooi.
De schrik over deze ontdekking deed ons aanvankelijk besluiten onze matten weer op te rollen, maar na lang beraad kwamen we overeen ons kamp liever zoo te omheinen, dat we geen gevaar van ongewenschte gasten te duchten hadden.
Daar het ons gelukkig niet aan hout ontbrak, togen onze timmerlieden dadelijk aan den arbeid om ons kamp met hooge palen te omringen; niet naast elkaar, zooals bij een gewone omheining, maar onregelmatig geplant, nu eens hooger, dan eens lager en allen van scherpe punten voorzien. Op vele plaatsen vormde deze beschutting een wel twee el diepen gordel, zoodat een dier al een geweldigen sprong moest nemen, wilde het er over heen komen en niet met zijn buik op de punten blijven hangen.
Bij den ingang van onze vesting stonden dikkere palen, zóó voor elkaar gezet, dat ze drie of vier korte bochten maakten, waardoor geen wild dier, grooter dan een hond, zou kunnen binnendringen. Ten overvloede stookten we elken nacht een flink vuur voor den ingang van onze palissade, waar we een hut hadden neergezet om onze schildwachts tegen den regen te beschutten. Om dit vuur te onderhouden, velden we verscheiden boomen die we in stukken zaagden en opstapelden om te laten drogen, terwijl we de groene takken gebruikten om onze hutten nog beter af te dekken en te beschutten tegen den regen.
Nauwelijks hadden we al dit werk volbracht, of het begon zoo geweldig te regenen, dat we onmogelijk op jacht konden gaan om onzen mondkost aan vullen. Gelukkig scheen al dat hemelwater onze negers met hun naakte lichamen veel minder dan ons Europeanen te deren.
Van half Juni tot half October bleven we in dit kampement, want hoewel het hevigste vanden regenmousson tegen den tijd van den equinox bedaarde, stond de zon nu vlak boven ons hoofd, waarom we besloten nog rustig te blijven waar we waren tot zij wat meer naar het zuiden zou gedraaid zijn.
Gedurende dit oponthoud beleefden we nog verscheiden avonturen met de roofdieren uit deze streek, en hadden we ons vuur niet altijd brandende gehouden, dan betwijfel ik zeer, of onze omheining ons voldoende zou beveiligd hebben, hoewel we haar nog met veertien rijen palen versterkten. ’t Was of de beesten ’t er op zetten, ons juist altijd ’s nachts te komen verontrusten, soms bij zulke troepen te gelijk, dat het scheen alsof de leeuwen, tijgers, luipaarden en hyena’s van heel Afrika ons kwamen aanvallen, en we door ’t gebrul en geschreeuw geen oog konden dicht doen.
Op zekeren stormachtigen regennacht werden we allen door onze wacht gewekt, die een overval van de wilde dieren vreesde. Aan de vuurzijde vertoonden ze zich nooit, doch hun aantal was zoo groot dat we, ofschoon vertrouwende op onze palissade, toch het zekere voor ’t onzekere namen en naar onze wapens grepen. ’t Was bijna volle maan en de lucht vol jagende wolken. Toen ik naar onze hutten omkeek, meende ik een tijger binnenin onze fortificatie te onderscheiden, en dit bleek ook bijna het geval. Blijkbaar was het ondier met een geweldigen sprong over onze omheining gekomen en toen op een ver boven de andere uitstekende paal, blijven hangen. Door zijn eigen zwaarte was de punt hem in de dij gedrongenen zoo hing de panter daar nu, want dat bleek het te zijn, huilende en in ’t hout bijtende van woede.
Een neger die naast mij stond zijn lans afgrijpende, snelde ik op het beest toe en maakte het met een steek of drie, vier af. Ik wilde namelijk niet schieten, omdat ik van plan was de overige verscheurende dieren, die zoo dicht op elkaar schenen te staan als de ossen op een veemarkt, met een salvo te begroeten. Mijn kameraads bijeen roepende, schoten we nu allen tegelijk onze geweren af op de plek waar ze het dichtst bijeen stonden. De uitwerking was schitterend; alle namen overhaast de vlucht, behalve de dooden en gewonden die achterbleven—de laatste afschuwelijk brullend—maar waarnaar we nog geen onderzoek durfden gaan instellen. Het kolossale aantal was misschien te wijten aan de ingewanden van een geslachte antilope en van drie of vier geiten, die we over de palissaden hadden weggegooid.
Zoodra de dag begon aan te breken verlieten we onze legerplaats om het slagveld in oogenschouw te nemen, waarop we drie doode tijgers en twee hyena’s vonden. Bovendien troffen we ook nog levend een prachtigen ouden leeuw aan. Het arme dier waren beide voorpooten kapot geschoten, zoodat hij zich niet van de plaats bewegen kon, hoe ontzaglijk hij zich hiervoor ook had ingespannen. Hij was dus de gewonde held geweest, wiens woedend gebrul ons den ganschen nacht verontrust had.
„Als ik overtuigd was,” zei onze chirurgijn, denleeuw met medelijden beschouwend, „dat het dier mij even dankbaar zou zijn als een van Zijn Majesteits voorvaderen het Androkles, den Romeinschen slaaf, was, dan zou ik stellig zijn beide pooten zetten.”
Den leeuw met medelijden beschouwend.Den leeuw met medelijden beschouwend.
Den leeuw met medelijden beschouwend.
„Ja, dat is niet vooruit te zeggen,” zei ik, „je moest maar met de behandeling beginnen en dan vertrouwen op het eergevoel van den woestijn-koning.”
Maar de onderneming leek onzen heelmeester toch wat te gewaagd, en om een einde te maken aan het lijden van het afgemartelde beest, schoot hij het door den kop, wat hem voor ’t vervolg den naam van „koningsmoordenaar” bezorgde.
Later vonden onze negers nog vijf verwondedieren, die in de omgeving van ons kamp bezweken waren: een hyena, een mooi-gevlekten luipaard en nog drie andere beesten, die we niet eerder gezien hadden.
’t Bleef wel niet bij deze eerste nachtelijke bezoeken, maar in zoo groote getale kwamen ze toch nooit meer opzetten. ’t Grootste bezwaar er van was nog, dat ze het onschadelijk wild uit onze buurt verjoegen, wier nabijheid zoo noodig was voor ons levensonderhoud. Gelukkig waagden zich onze negers toch dagelijks op de jacht en keerden ze zelden zonder eenigen buit terug. Tegen het einde van den regentijd vonden we in dit gedeelte van ’t land ook overvloed van eetbaar watergevogelte, zooals eenden, talingen, smienten, ganzen enz. Verder vingen we heel wat visch, zoo dat het ons nooit aan voedsel ontbrak. Het eenige wat we zeer begonnen te missen was zout, waarvan we nog maar een kleinen voorraad bezaten, die we natuurlijk uitsluitend voor onszelve hielden; de negers aten hun vleesch trouwens liever geheel ontoebereid.
Het weer begon nu langzamerhand op te klaren; de regens bedaarden, het water trok zich in zijn beddingen terug, en daar de zon door haar zenith en naar het zuiden was gedraaid besloten we onze reis te hervatten.
Den 12denOctober zetten we ons weer in beweging. Moeilijk was de tocht in dit gedeelte van het land volstrekt niet. We vonden overal voedsel en water, legden ongeveer vijf-en-twintig mijlen per dag af en hielden gedurende de eerste elfdagen maar één dag rust, om een vlot te maken dat ons over een nog sterk gezwollen riviertje moest helpen.
Toen wij dit riviertje, dat ook naar ’t noorden stroomde, achter ons hadden, stootten we al gauw op een heuvelrij, aan weerszijden waarvan zich een mooie laagvlakte uitstrekte. Niet van plan evenwel, onze westelijke richting ter wille van een bergketen te wijzigen, trokken we dus moedig verder. Men stelle zich onze blijde verrassing voor, toen een onzer timmerlui, die met een paar negers het eerst den bergrug bereikte, ons opgewonden toeriep: „De zee! De zee!” en van pure uitgelatenheid begon te springen en te dansen.
’t Meest verrast waren misschien wel de kanonnier en ik, want we hadden juist ’s morgens nog uitgerekend, dat we nog meer dan duizend mijl van de kust verwijderd moesten zijn en dus nóg wel een regentijd op het Afrikaansche vasteland zouden moeten doorbrengen.
Toen onze timmerman nu zoo uitbundig zijn vreugde uitte, werd de kanonnier kwaad en riep hem toe: „Je bent gek!” Maar boven gekomen moest hij die woorden wel herroepen, want wáár we ook keken, ’t zij naar ’t westen, ’t zuiden of ’t noorden, we zagen niets dan water en nog eens water, een uitgestrektheid alleen door den horizon begrensd.
Verrast en verward daalden we in de vlakte af, niet in staat te verklaren waar we ons bevonden, daar we volgens onze kaarten nog zoo ver van den Atlantischen Oceaan waren en dezezee op geen drie mijlen af stands voor ons lag. Nog grooter werd onze verwondering toen we ontdekten dat het water heel goed drinkbaar bleek.
Welken koers nu verder te nemen? De zee, of wat het dan mocht wezen, maakte verder trekken in westelijke richting onmogelijk. Na kort beraad besloten we noordwaards te marcheeren, de richting die ons in ieder geval dichter naar ons vurig begeerde doel, het vaderland zou voeren.
Gedurende drie-en-twintig dagen trokken we zoo langs den oever van deze ontzaglijke watervlakte, zonder feitelijk te weten wat het was. Aan het einde van dien termijn werden we verblijd door den juichkreet „Land!” door een onzer matrozen ’s morgens in de vroegte aangeheven, en gelukkig bleek het geen valsch alarm. Duidelijk onderscheidden we op grooten afstand in westelijke richting eenige bergtoppen. Nu wisten we meteen dat we niet langs de kust van een eigenlijke zee, maar van een reusachtig meer of binnenzee gereisd hadden. Toen we eindelijk, na nog acht dagen zwoegens, den noordelijken rand bereikt hadden, zagen we dat het meer zich in een groote rivier ontlastte, die in noordelijke of noordoostelijke richting liep.
Bij nauwkeuriger overweging kwam mijn vriend de kanonnier nu tot het inzicht dat hij zich vroeger vergist had en dit nu de Nijl moest wezen, maar hij bleef bij zijn opinie dat een reis naar Egypte niet was aan te bevelen. Dus kwamen we overeen de rivier over te steken, wat met groote moeilijkheden gepaard bleek te gaan, daar de stroomingbuitengewoon sterk en de bedding breed was.
Er ging nog wel een week mee heen, eer we onszelf en ons vee aan den anderen kant hadden, want al groeiden er boomen in overvloed, we konden er geen enkele vinden, groot genoeg om er een kano van te maken.
Dit gedeelte van onzen tocht werd buitengewoon vermoeiend. Telkens belemmerd door de ontelbare kleine riviertjes, die van de oostelijk gelegen heuvels naar de binnenzee vloeiden, konden we elken dag slechts een korten afstand afleggen.
De laatste drie dagen van onze reis zagen we af en toe eenige inwoners, die evenwel niet aan het water doch in ’t gebergte woonden. Wat onze voedselvoorziening betrof, geraakten we wat in ’t nauw, daar we geen wild onder schot kregen en de zee weinig vischrijk scheen te zijn.
Tegenover deze bezwaren stond echter, dat we gedurende den geheelen tocht langs de binnenzee geen last van wilde dieren hadden gehad. De eenige onaangename ervaringen van dien aard waren de ontmoetingen met de giftige slangen, die op dit vochtige terrein tierden en ons een paar maal aanvielen. Trachtten we ze dood te slaan, dan richtten ze zich op en sisten zoo doordringend, dat we het op vrij grooten afstand hooren konden.
Hoogst merkwaardig kwam het ons voor, dat we over een uitgestrektheid van duizend mijlen geen menschen aantroffen. Wij hadden een marsch door het hart van Afrika gemaakt, en het scheen wel alsof geen sterfelijk wezen hier een voet gezet had sedert Noachs zonen zich over den aardbodemverspreid hadden. Toen onze kanonnier met behulp van zijn meetinstrument de hoogte van onze verblijfplaats had vastgesteld, bleek het dat we ons, na een reis van drie-en-twintig dagen in noordelijke richting, op 6° 22′ zuiderbreedte bevonden.
Met groote inspanning over bovengenoemde rivier gekomen, zagen we een woeste, onherbergzame streek voor ons, die ons met angst deed verder trekken. Het terrein was bergachtig, onvruchtbaar en moeilijk begaanbaar, terwijl het er van verscheurende dieren wemelde. Van bewoners geen spoor. Bij dit alles kwam nog dat onze mondkost ten einde raakte en we geen kans zagen dien aan te vullen.
Bij zeer zuinig overleg zouden we ’t met onze gedroogde visschen ongeveer vijf dagen kunnen uithouden, en na eenige aarzeling besloten we ’t er op te wagen, vertrouwende inmiddels wel weer eetbare dieren of planten te zullen aantreffen. Dat viel echter niet mee; den zesden dag moesten we vasten. Met bezwaarde harten legden we ons ’s avonds te ruste en den achtsten zagen we ons genoodzaakt een van onze trouwe stieren te slachten, die zoo geduldig onze lasten gedragen had. Zijn vleesch smaakte uitstekend, en we wisten er zoo zuinig mee om te gaan, dat het ons drie en een halven dag voor honger bewaarde. Al op ’t punt een tweeden buffel te dooden, daagde er gelukkig in de verte een vruchtbaarder streek op met boomen en een rivier.
Met nieuwen moed bezield, verhaastten we, ondanksonze leege magen en groote vermoeidheid, ons marschtempo om zoo gauw mogelijk den oever te bereiken, en tot ons geluk kwamen ons, nog eer we zoover waren, een paar jonge antilopen onder schot, een lekkernij waarnaar we reeds dikwijls verlangd hadden en die we dan ook als hongerige wolven verslonden.