HOOFDSTUK VIII.Ontmoeting met een blanke.Aan den oever van deze rivier ontdekten we reeds den eersten dag sporen van bewoners, hoewel we er nog geen enkel mensch ontmoetten. Den tweeden dag kwamen we eerst in een bewoonde streek, waar alle inboorlingen, de vrouwen zoowel als de mannen, geheel naakt liepen.Nadat we hen met vriendschapsteekenen tegemoet waren getreden, leerden we ze al gauw als een onbevangen, goedmoedig en betrouwbaar soort van menschen kennen. Zonder de geringste schuwheid kwamen ze naar onze negers toe en gaven ons geen enkele reden om hen van slinksche streken te verdenken, zooals dit bij andere volksstammen wel eens ’t geval was geweest.Zoodra we hun door gebaren te kennen gaven dat we honger hadden, liepen eenige vrouwen hard weg om met een grooten voorraad wortelen en kalabassen terug te komen, die wij dadelijk in goed vertrouwen opaten. Daarop liet onze fijnsmid hun een paar van zijn ijzeren en zilveren sieraden zien, waarbij ze wel zooveel begrip toonden te bezitten dat ze gretiger de zilveren dan de ijzeren aannamen. Toen we hen daarna de goudenfraaiigheden toonden, bemerkten we, dat ze die echter van minder waarde achtten dan de eerste.In ruil voor eenige van die prullen, brachten ze ons nog meer levensmiddelen, onder andere drie dieren ongeveer zoo groot als kalveren, die we nooit eerder gezien hadden, maar die heerlijk smaakten. Later kwamen ze nog met twaalf stuks van datzelfde vee aan en met een half dozijn kleinere dieren, die aan hazen deden denken. Een en ander was ons bij den voedselnood waarin we ons bevonden, meer dan welkom.Binnen korten tijd stonden we met deze negerstam op zeer vriendschappelijken voet. Nog nooit hadden we zulke vriendelijke, gedienstige inwoners aangetroffen. Ze deden al wat we maar verlangden met de grootste bereidwilligheid en, wat een buitengewoon aangename ervaring was, we konden ons oneindig gemakkelijker verstaanbaar maken dan dit tot nu toe ooit bij een der Afrikaansche negerstammen het geval was geweest.Toen wij na verloop van een week ongeveer, onze reis wilden hervatten en hen, naar het westen wijzende, om inlichtingen vroegen, beduidden ze ons dat die richting niet te volgen was maar we noordwestelijk moesten aanhouden. Uit hun gebaren maakten we op dat ons een meer in den weg moest liggen, en dit bleek ook werkelijk het geval. Na een tocht van twee dagen kregen we het in ’t oog en we zagen het steeds links van ons liggen tot we den evenaar gepasseerd waren.Onzen kanonnier beviel dat voorttrekken in noordelijke richting volstrekt niet, en met eenbezorgd gezicht wees hij me op de kaart aan, dat het vasteland zich, van 6° noorderbreedte af, zoo ver naar ’t westen begon uit te strekken, dat we ruim vijftienhonderd mijlen meer zouden moeten afleggen, dan wanneer we op een zuidelijker punt de zee konden bereiken.„Is er geen kans dat we hier eens een bevaarbare rivier ontmoeten, die ons naar den westelijken oceaan brengt?” vroeg ik hem. „Dan zouden we ons den stroom kunnen laten afzakken en kwam het er niet op aan, al was ’t tweemaal vijftienhonderd mijlen, wanneer we maar mondkost konden vinden langs de oevers.”Daarop legde hij me opnieuw de kaart voor en wees mij dat er geen rivier scheen te bestaan, lang genoeg om ons van eenigen dienst te kunnen zijn; ze werden allemaal pas op omstreeks twee of driehonderd mijlen van de kust bevaarbaar, de Niger, of „Rio Grande” zooals de Portugeezen haar noemden uitgezonderd.„Die ligt ook stellig nog wel een zevenhonderd mijl noordelijker van ons dan waar we nu zijn,” verklaarde hij, „en ’t is op geen stukken na te bepalen hoe we ons door dien afstand zullen heenslaan. De hitte ten noorden van den evenaar is al even ondragelijk als ten zuiden daarvan, en het land waarschijnlijk veel woester, onvruchtbaarder en onherbergzamer. Daarbij loopen we groot gevaar, wanneer we tusschen de negers aan de noordkust verzeilen, vijandig ontvangen te worden, uit wraak over de slechte behandeling die zij zich over ’t geheel van de Europeanen met wie zehandel drijven, moeten laten welgevallen.”Dit alles overwegende, ried hij ons aan, zoo gauw we het meer voorbij waren, naar het Z.W. af te buigen en te trachten de Kongorivier te bereiken, waarnaar de kust genoemd is, die even ten N. van Angola, ons oorspronkelijke doel was geweest.„Ben je ooit aan de Kongo-kust geweest?” vroeg ik hem.„Jawel, dat is te zeggen, ik heb er voor anker gelegen,” antwoordde onze kanonnier. „Aan wal ben ik er nooit geweest.”„Maar hoe kunnen we vandaar een landingsplaats voor Europeesche schepen bereiken?” vroeg ik weer. „Als het vasteland van Afrika zoowat vijftienhonderd mijlen naar het westen vooruitspringt, moeten we toch langs die heele kust trekken om de westelijke punt te bereiken.„Tien tegen één,” verzekerde mijn vriend,„dat we wel van ’t een of ander Europeesch schip zullen hooren, dat ons wil opnemen. De kusten van Kongo en Angola worden dikwijls door handelaars bezocht, en al mocht dit nu eens niet het geval zijn, dan behoeven we in ieder geval toch niet bang te zijn voor voedselgebrek en kunnen we evengoed langs de kust als over de rivier varen tot we aan de Goudkust komen. Die ligt niet meer dan een goede vier mijl ten noorden van den Kongo. Daar zijn ook Engelsche, Hollandsche en Fransche nederzettingen en factorijen.”Ik moet bekennen dat ik, ondanks zijn heele betoog veel liever naar ’t noorden was gegaanom ons op den Niger of Negro in te schepen en zoo ten slotte Kaap Verde te bereiken, waar we stellig op verlossing zouden kunnen rekenen. Tot aan de westkust hadden we nog een geweldig eind voor den boeg, zoowel te land als te water en allicht geen ander verschiet dan ons het noodigste voedsel met geweld en groote moeite te moeten verzekeren. Voor ’t oogenblik hield ik echter mijn mond, uit ontzag voor de meening van mijn leermeester.Maar toen we nu het meer voorbij waren en dus het punt bereikt hadden waar we volgens zijn wensch, zuidwaarts zouden afslaan, begonnen al onze mannen te mopperen en zich te verzetten, overtuigd dat we nu toch zeker en gewis op den verkeerden weg waren en hoe langer hoe verder van huis raakten. Na veel heen en weer gepraat kreeg de kanonnier echter zijn zin, tot we twaalf dagen na ’t begin van den tocht (acht hadden we noodig gehad om om ’t meer heen te komen en vier dagreizen waren we nu al in zuidwestelijke richting getrokken) opnieuw gedwongen werden halt te houden. Het land dat zich voor ons uitstrekte was namelijk zoo woest en dor, dat we niet recht wisten of we ons verder mochten wagen, ja, dan neen. Het leek ons één onafzienbare woestenij, zonder bosch, struik of water en totaal onbewoond. Hoe zouden we ons hier van mondkost kunnen voorzien, voldoende voor zulk een woestijntocht, zooals we dat vroeger altijd hadden gedaan? En vier dagen terugmarcheeren naar het groote meer lachte ons ook al heel weinig toe.Toch ondernamen we het waagstuk. Menschendie zulke onherbergzame streken waren doorgetrokken als wij, lieten zich ook door de dreigendste moeilijkheden, niet meer afschrikken. Daarbij was het feit dat we in westelijke richting, zij ’t ook op grooten afstand, bergtoppen zagen oprijzen wel van eenigen invloed op ons besluit, overtuigd als we waren dat we in en bij ’t gebergte bronnen en rivieren zouden vinden. Waar rivieren zijn, groeien planten en boomen, waar planten en boomen groeien, leeft vee, en waar vee leeft zullen allicht ook menschelijke bewoners zijn, redeneerden we. Met opgewekt vertrouwen in deze gunstige kansen aanvaardden we onzen nieuwen woestijntocht met niet meer provisie dan een voorraad wortelen en planten, die ons, de gewoonte der inboorlingen volgende, tot brood dienden; een klein beetje vleesch en zout en ook heel weinig water.Na twee dagen voortgezwoegd te zijn, schenen de bergen nog wel even ver van ons af als toen we begonnen, maar na vijf volle dagreizen hadden we ze gelukkig bereikt. Het tempo van onzen marsch was trouwens langzaam geweest, daar het, zoo dicht bij den aequator, ondraaglijk heet was.Waar bergen zijn, zullen ook wel bronnen en rivieren ontspringen, hadden we vertrouwd, en dit bleek ook het geval; maar tot onze verbazing en schrik kwamen we tot de ontdekking dat het water der eerste bron dat er kristalhelder en aanlokkelijk uitzag, bremzout was. Een ontzettende teleurstelling, die ons het eerste oogenblik met angstige voorgevoelens vervulde. Onze kanonnier evenwel, nooit gauw uit het veld geslagen, zeidat we ons hierdoor volstrekt niet behoefden te laten ontmoedigen, maar eerder dankbaar moesten zijn, daar we zout juist zoo hoog noodig hadden. Ongetwijfeld zouden we ook nog wel zoet water vinden. En onze heelmeester die dit laatste met hem eens was, stelde ons nog verder gerust door ons te verzekeren dat hij een manier wist om zout water in zoet te veranderen. Al begrepen we in de verste verte niet hoe hij dit zou klaarspelen, vertrouwden we toch dat hij ons niet voor den gek hield en zagen onzen toestand dus weer hoopvoller in.Inmiddels waren eenige van onze mannen al aan ’t zoeken gegaan naar andere bronnen. Zonder groote moeite vonden ze er verscheidene, maar helaas geen enkele met zoet water. Hierdoor kwamen we tot de gevolgtrekking, dat er steenzoutlagen in het gebergte moesten voorkomen en we dus geen kans hadden zoet water te vinden. Des te nieuwsgieriger werden we hierdoor naar het toovermiddel waardoor onze chirurgijn dit zoute water in bruikbaar drinkwater zou veranderen. ’t Bleek een wonderlijke methode te zijn, maar hij trok aan ’t werk met een zelfvertrouwen en een beslistheid, alsof hij het zaakje al herhaaldelijk op dezelfde plaats bij de hand had gehad.Deze opening moest een neger met water vullen.Deze opening moest een neger met water vullen.Twee van onze groote matten nemende, naaide hij die zoo aan elkaar, dat ze een soort van zak vormden die vier voet lang en drie-en-een-halven voet breed was en gevuld, ongeveer anderhalven voet dik zou zijn. Dezen zak moesten we met droog zand vol scheppen en het zoo vast metonze voeten aanstampen als slechts, zonder de matten te scheuren, mogelijk was. Toen we den zak op die manier tot op een voet na van boven gevuld hadden, schepte hij een andere aardsoort waarmee hij de overige ruimte liet aanstampen. Daarop maakte hij in de bovenste laag een opening, ongeveer zoo groot als een hoedebol, maar wat minder diep. Deze opening moest een neger met water vullen en er telkens wanneer het was weggezakt, wat bijgieten, zoodat de holte steeds vol bleef staan. Vooraf had hij zelf den zak op twee stukken hout, ongeveer een voet boven den grond gezet en er een paar van onze waterdichte huiden onder uitgespreid. Na een uur ongeveer—zeker niet eerder—begon het water druppelsgewijzeonder uit den zak te lekken, en tot onze groote blijdschap proefden we dat het volkomen frisch en zoutloos was. Nadat we het eenige uren lang gretig hadden opgevangen, begon het weer eenigszins brak te smaken en moesten we de zakken met nieuw zand vullen.Den volgenden dag beklommen we met groote inspanning, daar de felle hitte ons alle lichaamsbewegingen tot een last maakte, den hoogsten bergtop om ons te kunnen oriënteeren, en alsof we nog niet genoeg tegenspoed ondervonden hadden, strekte zich, zoover onze oogen reikten, naar ’t zuiden, westen en noordwesten, een afschuwelijke woestenij voor ons uit. Geen boom of beek, ja geen enkel sprietje groen gaf, voor zoover wij ontdekken konden, eenige afwisseling. Evenals het gedeelte dat we achter ons hadden, was de bodem slechts bedekt met een soort van mos, zoo grauw en doodsch van tint, dat het blijkbaar mensch noch dier tot voedsel zou kunnen dienen.Waren we slechts—zooals bij ’t aanvaarden van onzen eersten woestijntocht—voor een dag of tien, twintig van voedsel en drinkwater voorzien geweest, we waren, zelfs op gevaar af weer terug te moeten trekken, met frisschen moed op marsch gegaan, te meer daar we, in noordelijke richting, hoogstwaarschijnlijk voor dezelfde bodemgesteldheid zouden komen te staan. Maar het totaal gebrek aan levensmiddelen en de onmogelijkheid ze ons te verschaffen, maakten de onderneming geheel onuitvoerbaar.Wel doodden we aan den voet van ’t gebergtenog eenige wilde dieren, maar behalve een paar die we nooit eerder hadden geschoten, waren ze oneetbaar. Die ons onbekende beesten hielden het midden tusschen een buffel en een hert; ze hadden geen horens, maar de pooten van een koe en den mooien kop en hals van een hert. Een paar maal doodden we ook een tijger en twee jonge leeuwen en een wolf, maar gelukkig waren we nog niet zóó ten einde raad, dat we dit sterk smakende vleesch behoefden te eten.Bij dit dreigende voedselgebrek kwam ik opnieuw met mijn voorstel aan, om liever noordwaarts te trekken naar den Niger of Rio Grande, dan in westelijke richting naar de Engelsche nederzettingen aan de goudkust; en allen vielen mij bij, met uitzondering van onzen kanonnier die—ofschoon hij zich nu blijkbaar vergist had—toch onze beste gids was. Hij drong ons liever noordwestelijk aan te houden om op die wijze den een of anderen zijtak van den Niger te bereiken, of mogelijk een rivier die aan de Goudkust uitmondde. In beide gevallen konden we ons dan den stroom laten afzakken en met weinig moeite ons doel bereiken. „Buitendien,” besloot hij, „is in de buurt van een rivier het eerst vruchtbaar en bewoond land te verwachten en dus ook de kans ons weer behoorlijk van proviand te voorzien.”De raad scheen te verstandig om in den wind te slaan; maar vóór alles moesten we beproeven van deverschrikkelijkeplaats waar we ons bevonden weg te komen.Achter ons lag een woestijn die ons al vijf dagreizengekost had, terwijl we bij gebrek aan vijf dagen leeftocht niet langs denzelfden weg terug konden gaan; en vóór ons strekte zich een nog verlatener landstreek uit. Na lang wikken en wegen besloten we eindelijk langs de oostelijke helling van ’t gebergte, die nog eenige sporen van plantengroei vertoonde, zoover mogelijk naar ’t noorden te trekken en inmiddels vlijtig naar voedsel rond te zien.Daar we geen tijd te verliezen hadden, zetten we ons den volgenden morgen reeds vroeg in beweging, en tot onze groote verlichting vonden we den middag van dienzelfden dag nog een paar heerlijke zoetwaterbronnen, waaruit we, na onze dorst ruimschoots gelescht te hebben, onze leeren waterflesschen vulden. Ik verzuimde nog te vertellen, dat onze heelmeester die ons zoetwater bezorgd had, ook een paar flinke zakken zout uit die zilte bronnen gewonnen had.Den derden dag vonden we—geheel onverwachts—levensmiddelen genoeg. Het gebergte wemelde hier namelijk van hazen, die uiterlijk nogal van de Europeesche verschilden, grooter en niet zoo vlug, maar zeer goed van smaak waren. We schoten er verscheiden, en de kleine tamme luipaard, die we uit het verlaten negerdorp hadden meegenomen, bewees ons bij deze jacht goede diensten. Bijna elken dag hielp hij ons er een paar vangen door ze als een goed-gedresseerde hond op te jagen, zonder ze ooit zelf te eten. We zoutten de hazen even, droogden ze in de zon en verzamelden zoo een flinken reisvoorraad—misschienwel een driehonderd stuks—er op rekenend dat we waarschijnlijk in langen tijd niets eetbaars meer zouden vinden.Nadat we onzen tocht nog een dag of acht zonder buitengewone inspanning hadden voortgezet, merkten we met vreugde op, dat het land om ons heen er minder troosteloos begon uit te zien. Toen een paar van onze mannen met eenige negers de berghelling beklommen om te kijken of het terrein ten westen ook sporen van meer vruchtbaarheid begon te vertoonen, keerden ze echter teleurgesteld terug. Er was nog geen eind aan de woestenij te zien die zich ook noordwaards bleef uitstrekken. Toen we dus den tienden dag een punt bereikten, waar de bergrug een bocht maakte en als ’t ware in de woestijn uitliep, lieten we ’t gebergte in den steek en vervolgden onzen weg naar ’t noorden. Gelukkig kwam hier langzamerhand eenige afwisseling in het landschap. We troffen verschillende boschrijke gedeelten aan, onderbroken door korte stukjes woestijn, tot we ons den negentienden dag, volgens verklaring van onzen kanonnier, op een noorderbreedte van 8° 5′ bevonden.Ook in deze streek ontmoetten we geen menschelijke ziel; wel een overvloed van wilde dieren, die ons echter—men gewend aan alles—weinig vrees meer inboezemden. Elken morgen en avond zagen we leeuwen en tijgers of luipaarden, maar daar ze zelden vlak bij ons kwamen, lieten we hen ook met rust. Naderden ze ons te dicht naar onzen zin, dan behoefden we maar even wat kruitop een geweerpan te branden en ze gingen verschrikt aan den haal.Wat levensmiddelen betreft, hadden we ons hier niet te beklagen. Soms schoten we hazen, een anderen keer vogels, maar wat voor soorten het waren zou ik met geen mogelijkheid kunnen zeggen, behalve dat er een soort van patrijs onder voorkwam en een vogel die op een tortel leek. Nu en dan ontmoetten we ook weer kudden olifanten, een dierenreus, die bij voorkeur de boomrijke gedeelten van Afrika opzoekt.De lang voortgezette tocht vermoeide ons ontzaglijk; twee onzer mannen werden zóó ziek dat we vreesden hen te moeten verliezen, terwijl een sterke neger plotseling stierf. Volgens onzen heelmeester moest hij een beroerte gehad hebben. Een tweede neger was er ook naar aan toe, doch toen hij zich, op aanraden, of feitelijk meer op bevel van onzen dokter had doen aderlaten, genas hij weer.Terwille van onze zieken maakten we nu twaalf dagen halt en in dien rusttijd overreedde de heelmeester mij en nog drie of vier kameraads, ons ook te doen aderlaten ’t geen, gevoegd bij verschillende andere middelen, er stellig veel toe bijdroeg ons gedurende zoo’n langgerekten tochtineen heet klimaat gezond te houden.Ook gedurende dezen marsch sloegen we iederen nacht onze matten-tenten op, waarin we ons behaaglijker gevoelden dan onder het bladerdak, dat ons anders op de meeste plaatsen wel zou beschut hebben.Allervreemdst bleven we het vinden, dat we in deze geheele landstreek geen enkelen inwoner aantroffen. Eerst later vonden we hiervoor een verklaring. We waren namelijk, aanvankelijk naar ’t westen en daarna naar ’t noorden trekkende, te lang in ’t midden van ’t land, in ’t onvruchtbaarste gedeelte gebleven, terwijl de inwoners zich natuurlijk alleen aan de rivieren, meren en in de groene laaglanden in ’t hooge noorden en ’t zuidwesten ophouden.De beken die we in dit terrein aantroffen, stonden zoo droog dat er, behalve in een poel of kuil hier en daar, nauwelijks van water sprake was. Feitelijk vormden ze niet meer dan kleine afwateringen gedurende den regentijd; stroomend water vonden we nergens. Naar menschelijke berekening zouden we dus waarschijnlijk nog een grooten afstand hebben af te leggen, eer we het Nigerdal konden bereiken. Deze omstandigheid ontmoedigde ons echter volstrekt niet zoolang het ons niet aan levensmiddelen ontbrak en aan een behoorlijke beschutting tegen de hitte, die mij nu nog ondraaglijker voorkwam dan toen de zon recht boven onze hoofden stond.Zoodra onze zieken hersteld waren, zetten we ons—voldoende van voedsel en water voorzien—weer in beweging. We liepen in noordwestelijke richting, altijd nog hopende een rivier te vinden, die met kano’s bevaarbaar zou zijn, ’t geen ons eerst na twintig dagen gelukte. Van dien tijd hadden we echter zeker een derde deel rustende doorgebracht omdat onze mannen uitgeput raakten.Terwijl de zwakkeren zich zoo goed mogelijk weer herstelden, trokken de sterksten van ons dan met onze negers ter jacht om onzen snel afnemenden mondvoorraad weer wat aan te vullen.In die twintig dagen kwamen we vier graden verder noordwaarts en ongeveer de breedte van een meridiaan verder naar het westen. Vooral in de houtrijke gedeelten troffen we op deze reis een massa olifantstanden aan, waaronder buitengewoon groote. Hoe kostbaar ook, waren ze geen buit voor ons. We zouden ons noodeloos vermoeid hebben met ze mee te sleepen en moesten er slechts op bedacht zijn proviand te veroveren en onzen weg naar de zee te vinden. Een mooie vette antilope was onder onze omstandigheden vrij wat meer waard geweest dan een scheepslading olifantstanden, maar toch zouden we later, toen we weer bevaarbaar water vonden, graag een groote kano gemaakt hebben, enkel om die met ivoor te beladen. Toen we de tanden zoo in overvloed vonden, wisten we evenwel ook niets van den toestand der rivieren en hadden we natuurlijk geen flauwe voorstelling van de moeilijkheden: de watervallen, stroomversnellingen enz. die we gedurende dat traject zouden hebben te overwinnen, eer we ons zwaar, lastig te vervoeren materiaal naar de plaats zouden hebben gebracht waar wij ons ten slotte konden inschepen.Aan ’t einde van dien tocht van twintig dagen zagen we op eenigen afstand voor ons een dal, waardoor een rivier stroomde, blijkbaar in noord-noordwestelijke richting, juist dus zooals we wenschten, en daar we sinds lang op de mogelijkheidvan een tochtje te water gehoopt hadden, waren we ’t er allen over eens het hier te gaan probeeren en marcheerden we met versnelden pas op het dal toe.Tusschen het punt waar we ons bevonden en de rivier, lag een van die kleine boschjes die we al meer in deze streek ontmoet hadden, en toen we er zonder een zweem van argwaan of onrust langs trokken, werd een onzer negers plotseling gevaarlijk door een pijl gewond, juist tusschen de schouderbladen. We hielden natuurlijk onmiddellijk halt, wezen drie onzer mannen en twee negers aan om het struikgewas te doorzoeken en wachtten in spanning den uitslag af, terwijl onze heelmeester den gewonde hielp. Het duurde niet lang of onze mannen kwamen met het bericht terug dat ze een neger met een boog, zonder pijl ontdekt hadden, die getracht had zich haastig uit de voeten te maken. Een onzer matrozen schoot hem echter neer, waardoor ons de gelegenheid ontging hem gevangen te nemen en misschien waardevolle dingen van hem te weten te komen.Dienzelfden dag kwamen we bij vijf negerhutten, geheel anders gebouwd dan de soorten die we vroeger gezien hadden. Aan de deur van een dier hutten lagen zeven olifant standen tegen den wand der hut gestapeld, alsof ze bestemd waren om ter markt gebracht te worden. Mannen zagen we niet bij de woningen, enkel een zevental vrouwen en ongeveer twintig kinderen. Besloten hun vriendelijk te behandelen, gaven we elk der vrouwen een dun stukje geslagen zilver in den vorm van een kruisof een vogeltje, waarop ze ons in hun kinderlijke blijdschap, allerlei levensmiddelen aanbrachten, die ons tot nu toe onbekend waren, o.a. een soort van koeken die uit wortelmeel bereid, en in de zon gebakken waren en lang niet kwaad smaakten.Een eindje verder sloegen we ons nachtkwartier op, vertrouwende dat onze vriendelijkheid tegenover de vrouwen niet zou nalaten de mannen bij hun thuiskomst gunstig voor ons te stemmen.En werkelijk, den volgenden morgen kwam een gezelschap, bestaande uit de zeven vrouwen, elf mannen, vijf jongens en twee groote meisjes op ons kamp af.Op korten afstand van onze hutten halt houdende, hieven de vrouwen een eigenaardig gekrijsch aan als om ons naar buiten te roepen, en toen we hieraan gevolg gaven, hielden twee der negerinnen de sieraden omhoog die we hun geschonken hadden, wezen daarna op het troepje achter hen en begonnen allerlei teekenen te maken, die onmiskenbaar hun vriendelijke gezindheid moesten vertolken. Daarna kwamen de mannen naar ons toe, legden pijl en boog op den grond, bogen zich diep ter aarde, bestrooiden hun hoofden met zand en draaiden—de handen op het hoofd houdende—driemaal in de rondte, ’t geen een plechtige betuiging van vriendschap scheen te zijn. Toen we hen wenkten naderbij te treden, zonden ze eerst de jongens en meisjes op ons af, met nog meer koeken en eetbare kruiden. Nadat we de goede gaven in ontvangst hadden genomen, tilden we een paar der kinderen omhoog om hen te kussen, waaropde mannen eindelijk het oogenblik gekomen schenen ons geheel te vertrouwen, naar ons toe te komen en op den grond bij ons neer te hurken, ons beduidende hun voorbeeld te volgen. Hierop volgde een levendig gesprek tusschen de inboorlingen, waarvan we geen enkelen klank begrepen, terwijl onze woorden hun natuurlijk even onverstaanbaar waren. Van ’t verkrijgen van eenige inlichting omtrent den te volgen weg, was dus geen sprake. ’t Eenige wat hen duidelijk scheen, was dat we voedsel noodig hadden. Even nadat we hun dit aan ’t verstand hadden gebracht, zag ik een der negers een oogenblik onafgewend naar een heuvelhelling turen, die wel ongeveer een kwartier gaans van ons verwijderd moest zijn. Opeens sprong hij overeind, liep naar de plek waar ze hun wapens hadden neergelegd, greep een boog met twee pijlen en joeg als een renpaard naar den heuvel. Daar aangekomen schoot hij zijn beide pijlen af en vloog met dezelfde haast weer naar ons toe. Daar we zagen dat hij met den boog alleen, zonder pijlen, terugkwam, werden we nog nieuwsgieriger, doch hij sprak geen woord, wenkte alleen een van onze negers hem te volgen, wat deze op ons bevel deed en voerde hem mee naar de berghelling, waar een door zijn pijlen geraakte antilope stervend op den grond lag. Met vereende krachten brachten ze ons toen het dier, dat ons buitengewoon welkom was, daar onze proviand sterk verminderde.Den volgenden dag kwamen er wel een honderd mannen en vrouwen naar ons toe, die ons opallerlei vreemdsoortige manieren hun vriendschap betuigden. Ze dansten voor ons, grijnsden ons vriendelijk aan en gaven ons al wat ze maar hadden. ’t Bleef ons onverklaarbaar hoe de neger in ’t bosch op den vijandigen inval gekomen was, zonder eenige aanleiding op een onzer zwarten te schieten, daar deze inboorlingen zich overigens van zoo’n gunstigen, welwillenden kant lieten kennen.Van hier trokken we naar den oever der kleine rivier, die we sinds lang in ’t oog hadden, en nu bleek al heel gauw dat we in een steeds dichter bevolkte streek geraakten, door groote negerstammen bewoond, omtrent wier houding ten opzichte van ons we natuurlijk geheel in ’t onzekere verkeerden.Voorloopig konden we ons plan de rivier te bevaren, helaas nog niet ten uitvoer brengen, en we waren zeker vijf dagen langs den oever verder getrokken, eer onze timmerman, meenende dat het water langzamerhand genoeg diepte had gekregen, ons voorstelde nu onze tenten op te slaan en kano’s te gaan maken. We trokken met ijver aan den arbeid en hadden al een dag of vier aan ’t omhouwen van eenige geschikte boomen besteed, toen een paar onzer matrozen van een excursie stroomafwaarts terugkeerden met de ongelukstijding dat de rivier eerder ondieper dan dieper werd en wel geheel in ’t zand scheen te verloopen of door de hitte te verdampen.Tot onze bittere teleurstelling moesten we dus opnieuw van ’t aanlokkelijke kanoplan afzien en te voet verder trekken.Van nu af aan reisden we drie dagen lang inzuiver westelijke richting, daar het land in ’t noorden buitengewoon bergachtig bleek en de grond zoo dor en vol spleten als we ’t nog niet gezien hadden. Daarentegen vonden we naar ’t westen toe, een vriendelijk dal dat tusschen twee hooge bergruggen lag ingesloten. De bergen aan weerskanten zagen er afschrikwekkend kaal uit, er was geen sprietje of struikje op te bekennen, maar in de vallei groeide overvloed van gras en lage boomen en troffen we eetbare dieren en zelfs eenige menschelijke bewoners aan. Nu en dan kwamen we een paar hutten dier inboorlingen voorbij, maar zoodra de zwarten ons zagen naderen, vluchtten ze in de bergen. Aan het einde van het dal geraakten we in een dicht bevolkte streek, ’t geen ons even in tweestrijd bracht of we er midden doorheen zouden trekken, dan wel ons aan de bergen houden, die meer noordelijk liepen; en daar ons doel bleef zoo mogelijk den Niger te bereiken, besloten wij tot het laatste en sloegen we, na ’t compas te hebben geraadpleegd, de noordwestelijke richting in.Op deze wijze trokken we, zonder onderbreking, zeven dagen verder, na welk tijdsverloop we tot de ontdekking van een toestand kwamen, die nog veel troosteloozer en moeilijker was dan de omstandigheden waarin wij ons hadden bevonden.Behalve wanneer we hen voor de aanvulling onzer provisie of om ons te orienteeren noodig hadden, zochten we geen aanraking met de bevolking die vooral naar het zuiden toe, dus links van ons, tamelijk dicht bleek.Hoewel we over ’t geheel voldoende voedsel konden vergaren, kwam het toch menigmaal zeer krap aan, en met blijdschap begroetten we eindelijk een frisch stroomend water, dat wel nauwelijks groot genoeg was om rivier te noemen, doch in noord-noordwestelijke richting liep, dus ons uitstekend te pas kwam.Aan den anderen kant van dit water zagen we een paar negerhutten en in een klein dal een veldje mais of Indiaansch koren, ’t geen ons dadelijk op de gedachte bracht, dat hier een meer ontwikkelde stam moest wonen dan we over ’t geheel hadden aangetroffen.Terwijl onze kleine karavaan regelmatig opgesteld verder marcheerde, riepen plotseling de negers die in ’t voorste gelid liepen, dat ze een „witman” zagen. ’t Eerste oogenblik waren we niet buitengewoon verwonderd, overtuigd dat de zwartjes zich vergist moesten hebben, maar toen ik, naar hen toegaande, vroeg, wat ze eigenlijk bedoelden, wezen ze opgewonden naar een hut aan den anderen oever, waar ik werkelijk een blanke onderscheidde. De man stond, geheel naakt, bij den ingang der hut, diep voorovergebogen met iets in zijn hand, een werktuig blijkbaar, waarmee hij bezig was, en met zijn rug naar ons toegekeerd, zoodat hij ons niet zien kon.Ik beduidde den negers geen lawaai te maken en wachtte tot de anderen ons hadden ingehaald om hen te kunnen overtuigen dat hier geen sprake was van een vergissing. Op dit oogenblik scheen de blanke onze nadering te bespeuren; hij richttezich als verschrikt op, en tuurde naar ons, blijkbaar niet minder verrast dan wij zelve en naar ’t mij voorkwam, eerder angstig dan blij.’t Duurde niet lang of ook de overige bewoners kregen ons in ’t oog en allen liepen aan den anderen kant der breede beek te hoop, niet wetende, zooals de blanke ons later vertelde, of ze zouden blijven wachten of vluchten.Als er blanken onder hen leven, dacht ik, moet het ons natuurlijk veel gemakkelijker vallen ons met hen te verstaan dan met de overige negerbevolking, en dus bond ik een witten lap aan een stok en zond er twee negers meetot aanden oever, hen bevelende dit vredesteeken flink omhoog te houden. Het signaal werd onmiddellijk begrepen, en de blanke trad met twee negers zoo dicht mogelijk aan den anderen zoom.Daar de man echter geen Portugeesch sprak, konden ze elkaar slechts door gebaren en teekens eenigszins verstaan, maar onze negers beduidden hem dat er ook blanken bij ons gezelschap waren, waarop de „witman” zooals ze mij vertelden, gelachen had. Na korten tijd kwamen onze negers terug met het bericht dat het allemaal goede vrienden waren, en na een poos begaven zich vier der onzen met twee inboorlingen en den Zwarten Prins naar den oever om zich nader met den blanke in verbinding te stellen.Geen tien minuten zullen verloopen zijn geweest of een der negers kwam naar mij toegerend met het bericht dat de „witman” een „Inglese” was zooals hij hem noemde, waarop ik zoo gauw ikkon met hem naar de beek terugliep om werkelijk in den naakten vreemdeling een landgenoot te vinden. De man geraakte geheel van streek en drukte mij diep ontroerd beide handen, terwijl de tranen hem langs het gezicht stroomden. Eer wij hem bij de beek ontmoetten, was de eerste verbazing over onze komst al voorbij, maar ieder kan er zich wel een voorstelling van maken, die het verhaal hoort van zijn allerellendigste omstandigheden en zijn wonderbaarlijke redding, zóó wonderbaarlijk als geen tweede mensch ter wereld misschien beleefde, want het was duizend tegen één, dat hij ooit uit dien vreeselijken toestand verlost zou zijn geworden, wanneer wij niet na al onze ongehoorde lotgevallen als door een wonder met hem in aanraking waren gekomen.Uit allerlei kleinigheden: zijn houding, zijn wijze van spreken, zijn geheele optreden, bleek mij dat hij een man van goede afkomst was, zelfs in zijn barbaarsche omgeving had hij het stempel der beschaving niet verloren.Naar schatting moest hij een kleine veertig jaar oud zijn, hoewel zijn lange baard en het slordige haar, dat voor een deel rug en borst bedekte, hem ouder deden schijnen. Zijn teere huid was geheel verbrand en hier en daar met blaren en schilfers bedekt door de felle hitte der zon. Sedert ruim twee jaar had hij het al, zooals hij ons vertelde, geheel zonder kleeren moeten stellen.De zenuwachtige blijdschap over onze ontmoeting wond hem zóó op, dat hij nauwelijks in staat was den eersten dag rustig met ons te praten, en toenwe hem, een paar uur na ons korte gesprek, alleen zagen rondloopen, maakte hij de dolste gebaren en bewegingen als om zijn niet te beheerschen blijdschap lucht te geven. Ja, zelfs nog dagen later sprongen hem telkens weer opnieuw de tranen in de oogen, wanneer we het onderwerp van onze gelukkige ontmoeting—en altijd kwamen we daarop terug—maar aanroerden.Trad zijn beschaafde aard aan den dag.Trad zijn beschaafde aard aan den dag.Steeds meer leerden we hem als een beleefd, goedhartig en edel mensch kennen. In al wat hij deed of zei de, trad zijn beschaafde aard aan den dag, en onze mannen toonden zich bijzonder met hem ingenomen. Hij had een hoogeschool bezocht, was een goed wiskunstenaar en kon, al had hij dan geen Portugeesch geleerd, Latijn spreken metonzen chirurg, Fransch met een onzer matrozen en Italiaansch met een ander.Aanvankelijk bleek hij te onrustig van geest om ons te vragen waar we vandaan kwamen, hoe we in zulk een eenzamen streek waren verzeild en wat wel het doel van onzen tocht kon zijn; één ding scheen hém genoeg: dat wij als door den hemel gezonden waren om hem te verlossen uit de ellendigste positie waarin een mensch ooit kon gebracht worden.
HOOFDSTUK VIII.Ontmoeting met een blanke.Aan den oever van deze rivier ontdekten we reeds den eersten dag sporen van bewoners, hoewel we er nog geen enkel mensch ontmoetten. Den tweeden dag kwamen we eerst in een bewoonde streek, waar alle inboorlingen, de vrouwen zoowel als de mannen, geheel naakt liepen.Nadat we hen met vriendschapsteekenen tegemoet waren getreden, leerden we ze al gauw als een onbevangen, goedmoedig en betrouwbaar soort van menschen kennen. Zonder de geringste schuwheid kwamen ze naar onze negers toe en gaven ons geen enkele reden om hen van slinksche streken te verdenken, zooals dit bij andere volksstammen wel eens ’t geval was geweest.Zoodra we hun door gebaren te kennen gaven dat we honger hadden, liepen eenige vrouwen hard weg om met een grooten voorraad wortelen en kalabassen terug te komen, die wij dadelijk in goed vertrouwen opaten. Daarop liet onze fijnsmid hun een paar van zijn ijzeren en zilveren sieraden zien, waarbij ze wel zooveel begrip toonden te bezitten dat ze gretiger de zilveren dan de ijzeren aannamen. Toen we hen daarna de goudenfraaiigheden toonden, bemerkten we, dat ze die echter van minder waarde achtten dan de eerste.In ruil voor eenige van die prullen, brachten ze ons nog meer levensmiddelen, onder andere drie dieren ongeveer zoo groot als kalveren, die we nooit eerder gezien hadden, maar die heerlijk smaakten. Later kwamen ze nog met twaalf stuks van datzelfde vee aan en met een half dozijn kleinere dieren, die aan hazen deden denken. Een en ander was ons bij den voedselnood waarin we ons bevonden, meer dan welkom.Binnen korten tijd stonden we met deze negerstam op zeer vriendschappelijken voet. Nog nooit hadden we zulke vriendelijke, gedienstige inwoners aangetroffen. Ze deden al wat we maar verlangden met de grootste bereidwilligheid en, wat een buitengewoon aangename ervaring was, we konden ons oneindig gemakkelijker verstaanbaar maken dan dit tot nu toe ooit bij een der Afrikaansche negerstammen het geval was geweest.Toen wij na verloop van een week ongeveer, onze reis wilden hervatten en hen, naar het westen wijzende, om inlichtingen vroegen, beduidden ze ons dat die richting niet te volgen was maar we noordwestelijk moesten aanhouden. Uit hun gebaren maakten we op dat ons een meer in den weg moest liggen, en dit bleek ook werkelijk het geval. Na een tocht van twee dagen kregen we het in ’t oog en we zagen het steeds links van ons liggen tot we den evenaar gepasseerd waren.Onzen kanonnier beviel dat voorttrekken in noordelijke richting volstrekt niet, en met eenbezorgd gezicht wees hij me op de kaart aan, dat het vasteland zich, van 6° noorderbreedte af, zoo ver naar ’t westen begon uit te strekken, dat we ruim vijftienhonderd mijlen meer zouden moeten afleggen, dan wanneer we op een zuidelijker punt de zee konden bereiken.„Is er geen kans dat we hier eens een bevaarbare rivier ontmoeten, die ons naar den westelijken oceaan brengt?” vroeg ik hem. „Dan zouden we ons den stroom kunnen laten afzakken en kwam het er niet op aan, al was ’t tweemaal vijftienhonderd mijlen, wanneer we maar mondkost konden vinden langs de oevers.”Daarop legde hij me opnieuw de kaart voor en wees mij dat er geen rivier scheen te bestaan, lang genoeg om ons van eenigen dienst te kunnen zijn; ze werden allemaal pas op omstreeks twee of driehonderd mijlen van de kust bevaarbaar, de Niger, of „Rio Grande” zooals de Portugeezen haar noemden uitgezonderd.„Die ligt ook stellig nog wel een zevenhonderd mijl noordelijker van ons dan waar we nu zijn,” verklaarde hij, „en ’t is op geen stukken na te bepalen hoe we ons door dien afstand zullen heenslaan. De hitte ten noorden van den evenaar is al even ondragelijk als ten zuiden daarvan, en het land waarschijnlijk veel woester, onvruchtbaarder en onherbergzamer. Daarbij loopen we groot gevaar, wanneer we tusschen de negers aan de noordkust verzeilen, vijandig ontvangen te worden, uit wraak over de slechte behandeling die zij zich over ’t geheel van de Europeanen met wie zehandel drijven, moeten laten welgevallen.”Dit alles overwegende, ried hij ons aan, zoo gauw we het meer voorbij waren, naar het Z.W. af te buigen en te trachten de Kongorivier te bereiken, waarnaar de kust genoemd is, die even ten N. van Angola, ons oorspronkelijke doel was geweest.„Ben je ooit aan de Kongo-kust geweest?” vroeg ik hem.„Jawel, dat is te zeggen, ik heb er voor anker gelegen,” antwoordde onze kanonnier. „Aan wal ben ik er nooit geweest.”„Maar hoe kunnen we vandaar een landingsplaats voor Europeesche schepen bereiken?” vroeg ik weer. „Als het vasteland van Afrika zoowat vijftienhonderd mijlen naar het westen vooruitspringt, moeten we toch langs die heele kust trekken om de westelijke punt te bereiken.„Tien tegen één,” verzekerde mijn vriend,„dat we wel van ’t een of ander Europeesch schip zullen hooren, dat ons wil opnemen. De kusten van Kongo en Angola worden dikwijls door handelaars bezocht, en al mocht dit nu eens niet het geval zijn, dan behoeven we in ieder geval toch niet bang te zijn voor voedselgebrek en kunnen we evengoed langs de kust als over de rivier varen tot we aan de Goudkust komen. Die ligt niet meer dan een goede vier mijl ten noorden van den Kongo. Daar zijn ook Engelsche, Hollandsche en Fransche nederzettingen en factorijen.”Ik moet bekennen dat ik, ondanks zijn heele betoog veel liever naar ’t noorden was gegaanom ons op den Niger of Negro in te schepen en zoo ten slotte Kaap Verde te bereiken, waar we stellig op verlossing zouden kunnen rekenen. Tot aan de westkust hadden we nog een geweldig eind voor den boeg, zoowel te land als te water en allicht geen ander verschiet dan ons het noodigste voedsel met geweld en groote moeite te moeten verzekeren. Voor ’t oogenblik hield ik echter mijn mond, uit ontzag voor de meening van mijn leermeester.Maar toen we nu het meer voorbij waren en dus het punt bereikt hadden waar we volgens zijn wensch, zuidwaarts zouden afslaan, begonnen al onze mannen te mopperen en zich te verzetten, overtuigd dat we nu toch zeker en gewis op den verkeerden weg waren en hoe langer hoe verder van huis raakten. Na veel heen en weer gepraat kreeg de kanonnier echter zijn zin, tot we twaalf dagen na ’t begin van den tocht (acht hadden we noodig gehad om om ’t meer heen te komen en vier dagreizen waren we nu al in zuidwestelijke richting getrokken) opnieuw gedwongen werden halt te houden. Het land dat zich voor ons uitstrekte was namelijk zoo woest en dor, dat we niet recht wisten of we ons verder mochten wagen, ja, dan neen. Het leek ons één onafzienbare woestenij, zonder bosch, struik of water en totaal onbewoond. Hoe zouden we ons hier van mondkost kunnen voorzien, voldoende voor zulk een woestijntocht, zooals we dat vroeger altijd hadden gedaan? En vier dagen terugmarcheeren naar het groote meer lachte ons ook al heel weinig toe.Toch ondernamen we het waagstuk. Menschendie zulke onherbergzame streken waren doorgetrokken als wij, lieten zich ook door de dreigendste moeilijkheden, niet meer afschrikken. Daarbij was het feit dat we in westelijke richting, zij ’t ook op grooten afstand, bergtoppen zagen oprijzen wel van eenigen invloed op ons besluit, overtuigd als we waren dat we in en bij ’t gebergte bronnen en rivieren zouden vinden. Waar rivieren zijn, groeien planten en boomen, waar planten en boomen groeien, leeft vee, en waar vee leeft zullen allicht ook menschelijke bewoners zijn, redeneerden we. Met opgewekt vertrouwen in deze gunstige kansen aanvaardden we onzen nieuwen woestijntocht met niet meer provisie dan een voorraad wortelen en planten, die ons, de gewoonte der inboorlingen volgende, tot brood dienden; een klein beetje vleesch en zout en ook heel weinig water.Na twee dagen voortgezwoegd te zijn, schenen de bergen nog wel even ver van ons af als toen we begonnen, maar na vijf volle dagreizen hadden we ze gelukkig bereikt. Het tempo van onzen marsch was trouwens langzaam geweest, daar het, zoo dicht bij den aequator, ondraaglijk heet was.Waar bergen zijn, zullen ook wel bronnen en rivieren ontspringen, hadden we vertrouwd, en dit bleek ook het geval; maar tot onze verbazing en schrik kwamen we tot de ontdekking dat het water der eerste bron dat er kristalhelder en aanlokkelijk uitzag, bremzout was. Een ontzettende teleurstelling, die ons het eerste oogenblik met angstige voorgevoelens vervulde. Onze kanonnier evenwel, nooit gauw uit het veld geslagen, zeidat we ons hierdoor volstrekt niet behoefden te laten ontmoedigen, maar eerder dankbaar moesten zijn, daar we zout juist zoo hoog noodig hadden. Ongetwijfeld zouden we ook nog wel zoet water vinden. En onze heelmeester die dit laatste met hem eens was, stelde ons nog verder gerust door ons te verzekeren dat hij een manier wist om zout water in zoet te veranderen. Al begrepen we in de verste verte niet hoe hij dit zou klaarspelen, vertrouwden we toch dat hij ons niet voor den gek hield en zagen onzen toestand dus weer hoopvoller in.Inmiddels waren eenige van onze mannen al aan ’t zoeken gegaan naar andere bronnen. Zonder groote moeite vonden ze er verscheidene, maar helaas geen enkele met zoet water. Hierdoor kwamen we tot de gevolgtrekking, dat er steenzoutlagen in het gebergte moesten voorkomen en we dus geen kans hadden zoet water te vinden. Des te nieuwsgieriger werden we hierdoor naar het toovermiddel waardoor onze chirurgijn dit zoute water in bruikbaar drinkwater zou veranderen. ’t Bleek een wonderlijke methode te zijn, maar hij trok aan ’t werk met een zelfvertrouwen en een beslistheid, alsof hij het zaakje al herhaaldelijk op dezelfde plaats bij de hand had gehad.Deze opening moest een neger met water vullen.Deze opening moest een neger met water vullen.Twee van onze groote matten nemende, naaide hij die zoo aan elkaar, dat ze een soort van zak vormden die vier voet lang en drie-en-een-halven voet breed was en gevuld, ongeveer anderhalven voet dik zou zijn. Dezen zak moesten we met droog zand vol scheppen en het zoo vast metonze voeten aanstampen als slechts, zonder de matten te scheuren, mogelijk was. Toen we den zak op die manier tot op een voet na van boven gevuld hadden, schepte hij een andere aardsoort waarmee hij de overige ruimte liet aanstampen. Daarop maakte hij in de bovenste laag een opening, ongeveer zoo groot als een hoedebol, maar wat minder diep. Deze opening moest een neger met water vullen en er telkens wanneer het was weggezakt, wat bijgieten, zoodat de holte steeds vol bleef staan. Vooraf had hij zelf den zak op twee stukken hout, ongeveer een voet boven den grond gezet en er een paar van onze waterdichte huiden onder uitgespreid. Na een uur ongeveer—zeker niet eerder—begon het water druppelsgewijzeonder uit den zak te lekken, en tot onze groote blijdschap proefden we dat het volkomen frisch en zoutloos was. Nadat we het eenige uren lang gretig hadden opgevangen, begon het weer eenigszins brak te smaken en moesten we de zakken met nieuw zand vullen.Den volgenden dag beklommen we met groote inspanning, daar de felle hitte ons alle lichaamsbewegingen tot een last maakte, den hoogsten bergtop om ons te kunnen oriënteeren, en alsof we nog niet genoeg tegenspoed ondervonden hadden, strekte zich, zoover onze oogen reikten, naar ’t zuiden, westen en noordwesten, een afschuwelijke woestenij voor ons uit. Geen boom of beek, ja geen enkel sprietje groen gaf, voor zoover wij ontdekken konden, eenige afwisseling. Evenals het gedeelte dat we achter ons hadden, was de bodem slechts bedekt met een soort van mos, zoo grauw en doodsch van tint, dat het blijkbaar mensch noch dier tot voedsel zou kunnen dienen.Waren we slechts—zooals bij ’t aanvaarden van onzen eersten woestijntocht—voor een dag of tien, twintig van voedsel en drinkwater voorzien geweest, we waren, zelfs op gevaar af weer terug te moeten trekken, met frisschen moed op marsch gegaan, te meer daar we, in noordelijke richting, hoogstwaarschijnlijk voor dezelfde bodemgesteldheid zouden komen te staan. Maar het totaal gebrek aan levensmiddelen en de onmogelijkheid ze ons te verschaffen, maakten de onderneming geheel onuitvoerbaar.Wel doodden we aan den voet van ’t gebergtenog eenige wilde dieren, maar behalve een paar die we nooit eerder hadden geschoten, waren ze oneetbaar. Die ons onbekende beesten hielden het midden tusschen een buffel en een hert; ze hadden geen horens, maar de pooten van een koe en den mooien kop en hals van een hert. Een paar maal doodden we ook een tijger en twee jonge leeuwen en een wolf, maar gelukkig waren we nog niet zóó ten einde raad, dat we dit sterk smakende vleesch behoefden te eten.Bij dit dreigende voedselgebrek kwam ik opnieuw met mijn voorstel aan, om liever noordwaarts te trekken naar den Niger of Rio Grande, dan in westelijke richting naar de Engelsche nederzettingen aan de goudkust; en allen vielen mij bij, met uitzondering van onzen kanonnier die—ofschoon hij zich nu blijkbaar vergist had—toch onze beste gids was. Hij drong ons liever noordwestelijk aan te houden om op die wijze den een of anderen zijtak van den Niger te bereiken, of mogelijk een rivier die aan de Goudkust uitmondde. In beide gevallen konden we ons dan den stroom laten afzakken en met weinig moeite ons doel bereiken. „Buitendien,” besloot hij, „is in de buurt van een rivier het eerst vruchtbaar en bewoond land te verwachten en dus ook de kans ons weer behoorlijk van proviand te voorzien.”De raad scheen te verstandig om in den wind te slaan; maar vóór alles moesten we beproeven van deverschrikkelijkeplaats waar we ons bevonden weg te komen.Achter ons lag een woestijn die ons al vijf dagreizengekost had, terwijl we bij gebrek aan vijf dagen leeftocht niet langs denzelfden weg terug konden gaan; en vóór ons strekte zich een nog verlatener landstreek uit. Na lang wikken en wegen besloten we eindelijk langs de oostelijke helling van ’t gebergte, die nog eenige sporen van plantengroei vertoonde, zoover mogelijk naar ’t noorden te trekken en inmiddels vlijtig naar voedsel rond te zien.Daar we geen tijd te verliezen hadden, zetten we ons den volgenden morgen reeds vroeg in beweging, en tot onze groote verlichting vonden we den middag van dienzelfden dag nog een paar heerlijke zoetwaterbronnen, waaruit we, na onze dorst ruimschoots gelescht te hebben, onze leeren waterflesschen vulden. Ik verzuimde nog te vertellen, dat onze heelmeester die ons zoetwater bezorgd had, ook een paar flinke zakken zout uit die zilte bronnen gewonnen had.Den derden dag vonden we—geheel onverwachts—levensmiddelen genoeg. Het gebergte wemelde hier namelijk van hazen, die uiterlijk nogal van de Europeesche verschilden, grooter en niet zoo vlug, maar zeer goed van smaak waren. We schoten er verscheiden, en de kleine tamme luipaard, die we uit het verlaten negerdorp hadden meegenomen, bewees ons bij deze jacht goede diensten. Bijna elken dag hielp hij ons er een paar vangen door ze als een goed-gedresseerde hond op te jagen, zonder ze ooit zelf te eten. We zoutten de hazen even, droogden ze in de zon en verzamelden zoo een flinken reisvoorraad—misschienwel een driehonderd stuks—er op rekenend dat we waarschijnlijk in langen tijd niets eetbaars meer zouden vinden.Nadat we onzen tocht nog een dag of acht zonder buitengewone inspanning hadden voortgezet, merkten we met vreugde op, dat het land om ons heen er minder troosteloos begon uit te zien. Toen een paar van onze mannen met eenige negers de berghelling beklommen om te kijken of het terrein ten westen ook sporen van meer vruchtbaarheid begon te vertoonen, keerden ze echter teleurgesteld terug. Er was nog geen eind aan de woestenij te zien die zich ook noordwaards bleef uitstrekken. Toen we dus den tienden dag een punt bereikten, waar de bergrug een bocht maakte en als ’t ware in de woestijn uitliep, lieten we ’t gebergte in den steek en vervolgden onzen weg naar ’t noorden. Gelukkig kwam hier langzamerhand eenige afwisseling in het landschap. We troffen verschillende boschrijke gedeelten aan, onderbroken door korte stukjes woestijn, tot we ons den negentienden dag, volgens verklaring van onzen kanonnier, op een noorderbreedte van 8° 5′ bevonden.Ook in deze streek ontmoetten we geen menschelijke ziel; wel een overvloed van wilde dieren, die ons echter—men gewend aan alles—weinig vrees meer inboezemden. Elken morgen en avond zagen we leeuwen en tijgers of luipaarden, maar daar ze zelden vlak bij ons kwamen, lieten we hen ook met rust. Naderden ze ons te dicht naar onzen zin, dan behoefden we maar even wat kruitop een geweerpan te branden en ze gingen verschrikt aan den haal.Wat levensmiddelen betreft, hadden we ons hier niet te beklagen. Soms schoten we hazen, een anderen keer vogels, maar wat voor soorten het waren zou ik met geen mogelijkheid kunnen zeggen, behalve dat er een soort van patrijs onder voorkwam en een vogel die op een tortel leek. Nu en dan ontmoetten we ook weer kudden olifanten, een dierenreus, die bij voorkeur de boomrijke gedeelten van Afrika opzoekt.De lang voortgezette tocht vermoeide ons ontzaglijk; twee onzer mannen werden zóó ziek dat we vreesden hen te moeten verliezen, terwijl een sterke neger plotseling stierf. Volgens onzen heelmeester moest hij een beroerte gehad hebben. Een tweede neger was er ook naar aan toe, doch toen hij zich, op aanraden, of feitelijk meer op bevel van onzen dokter had doen aderlaten, genas hij weer.Terwille van onze zieken maakten we nu twaalf dagen halt en in dien rusttijd overreedde de heelmeester mij en nog drie of vier kameraads, ons ook te doen aderlaten ’t geen, gevoegd bij verschillende andere middelen, er stellig veel toe bijdroeg ons gedurende zoo’n langgerekten tochtineen heet klimaat gezond te houden.Ook gedurende dezen marsch sloegen we iederen nacht onze matten-tenten op, waarin we ons behaaglijker gevoelden dan onder het bladerdak, dat ons anders op de meeste plaatsen wel zou beschut hebben.Allervreemdst bleven we het vinden, dat we in deze geheele landstreek geen enkelen inwoner aantroffen. Eerst later vonden we hiervoor een verklaring. We waren namelijk, aanvankelijk naar ’t westen en daarna naar ’t noorden trekkende, te lang in ’t midden van ’t land, in ’t onvruchtbaarste gedeelte gebleven, terwijl de inwoners zich natuurlijk alleen aan de rivieren, meren en in de groene laaglanden in ’t hooge noorden en ’t zuidwesten ophouden.De beken die we in dit terrein aantroffen, stonden zoo droog dat er, behalve in een poel of kuil hier en daar, nauwelijks van water sprake was. Feitelijk vormden ze niet meer dan kleine afwateringen gedurende den regentijd; stroomend water vonden we nergens. Naar menschelijke berekening zouden we dus waarschijnlijk nog een grooten afstand hebben af te leggen, eer we het Nigerdal konden bereiken. Deze omstandigheid ontmoedigde ons echter volstrekt niet zoolang het ons niet aan levensmiddelen ontbrak en aan een behoorlijke beschutting tegen de hitte, die mij nu nog ondraaglijker voorkwam dan toen de zon recht boven onze hoofden stond.Zoodra onze zieken hersteld waren, zetten we ons—voldoende van voedsel en water voorzien—weer in beweging. We liepen in noordwestelijke richting, altijd nog hopende een rivier te vinden, die met kano’s bevaarbaar zou zijn, ’t geen ons eerst na twintig dagen gelukte. Van dien tijd hadden we echter zeker een derde deel rustende doorgebracht omdat onze mannen uitgeput raakten.Terwijl de zwakkeren zich zoo goed mogelijk weer herstelden, trokken de sterksten van ons dan met onze negers ter jacht om onzen snel afnemenden mondvoorraad weer wat aan te vullen.In die twintig dagen kwamen we vier graden verder noordwaarts en ongeveer de breedte van een meridiaan verder naar het westen. Vooral in de houtrijke gedeelten troffen we op deze reis een massa olifantstanden aan, waaronder buitengewoon groote. Hoe kostbaar ook, waren ze geen buit voor ons. We zouden ons noodeloos vermoeid hebben met ze mee te sleepen en moesten er slechts op bedacht zijn proviand te veroveren en onzen weg naar de zee te vinden. Een mooie vette antilope was onder onze omstandigheden vrij wat meer waard geweest dan een scheepslading olifantstanden, maar toch zouden we later, toen we weer bevaarbaar water vonden, graag een groote kano gemaakt hebben, enkel om die met ivoor te beladen. Toen we de tanden zoo in overvloed vonden, wisten we evenwel ook niets van den toestand der rivieren en hadden we natuurlijk geen flauwe voorstelling van de moeilijkheden: de watervallen, stroomversnellingen enz. die we gedurende dat traject zouden hebben te overwinnen, eer we ons zwaar, lastig te vervoeren materiaal naar de plaats zouden hebben gebracht waar wij ons ten slotte konden inschepen.Aan ’t einde van dien tocht van twintig dagen zagen we op eenigen afstand voor ons een dal, waardoor een rivier stroomde, blijkbaar in noord-noordwestelijke richting, juist dus zooals we wenschten, en daar we sinds lang op de mogelijkheidvan een tochtje te water gehoopt hadden, waren we ’t er allen over eens het hier te gaan probeeren en marcheerden we met versnelden pas op het dal toe.Tusschen het punt waar we ons bevonden en de rivier, lag een van die kleine boschjes die we al meer in deze streek ontmoet hadden, en toen we er zonder een zweem van argwaan of onrust langs trokken, werd een onzer negers plotseling gevaarlijk door een pijl gewond, juist tusschen de schouderbladen. We hielden natuurlijk onmiddellijk halt, wezen drie onzer mannen en twee negers aan om het struikgewas te doorzoeken en wachtten in spanning den uitslag af, terwijl onze heelmeester den gewonde hielp. Het duurde niet lang of onze mannen kwamen met het bericht terug dat ze een neger met een boog, zonder pijl ontdekt hadden, die getracht had zich haastig uit de voeten te maken. Een onzer matrozen schoot hem echter neer, waardoor ons de gelegenheid ontging hem gevangen te nemen en misschien waardevolle dingen van hem te weten te komen.Dienzelfden dag kwamen we bij vijf negerhutten, geheel anders gebouwd dan de soorten die we vroeger gezien hadden. Aan de deur van een dier hutten lagen zeven olifant standen tegen den wand der hut gestapeld, alsof ze bestemd waren om ter markt gebracht te worden. Mannen zagen we niet bij de woningen, enkel een zevental vrouwen en ongeveer twintig kinderen. Besloten hun vriendelijk te behandelen, gaven we elk der vrouwen een dun stukje geslagen zilver in den vorm van een kruisof een vogeltje, waarop ze ons in hun kinderlijke blijdschap, allerlei levensmiddelen aanbrachten, die ons tot nu toe onbekend waren, o.a. een soort van koeken die uit wortelmeel bereid, en in de zon gebakken waren en lang niet kwaad smaakten.Een eindje verder sloegen we ons nachtkwartier op, vertrouwende dat onze vriendelijkheid tegenover de vrouwen niet zou nalaten de mannen bij hun thuiskomst gunstig voor ons te stemmen.En werkelijk, den volgenden morgen kwam een gezelschap, bestaande uit de zeven vrouwen, elf mannen, vijf jongens en twee groote meisjes op ons kamp af.Op korten afstand van onze hutten halt houdende, hieven de vrouwen een eigenaardig gekrijsch aan als om ons naar buiten te roepen, en toen we hieraan gevolg gaven, hielden twee der negerinnen de sieraden omhoog die we hun geschonken hadden, wezen daarna op het troepje achter hen en begonnen allerlei teekenen te maken, die onmiskenbaar hun vriendelijke gezindheid moesten vertolken. Daarna kwamen de mannen naar ons toe, legden pijl en boog op den grond, bogen zich diep ter aarde, bestrooiden hun hoofden met zand en draaiden—de handen op het hoofd houdende—driemaal in de rondte, ’t geen een plechtige betuiging van vriendschap scheen te zijn. Toen we hen wenkten naderbij te treden, zonden ze eerst de jongens en meisjes op ons af, met nog meer koeken en eetbare kruiden. Nadat we de goede gaven in ontvangst hadden genomen, tilden we een paar der kinderen omhoog om hen te kussen, waaropde mannen eindelijk het oogenblik gekomen schenen ons geheel te vertrouwen, naar ons toe te komen en op den grond bij ons neer te hurken, ons beduidende hun voorbeeld te volgen. Hierop volgde een levendig gesprek tusschen de inboorlingen, waarvan we geen enkelen klank begrepen, terwijl onze woorden hun natuurlijk even onverstaanbaar waren. Van ’t verkrijgen van eenige inlichting omtrent den te volgen weg, was dus geen sprake. ’t Eenige wat hen duidelijk scheen, was dat we voedsel noodig hadden. Even nadat we hun dit aan ’t verstand hadden gebracht, zag ik een der negers een oogenblik onafgewend naar een heuvelhelling turen, die wel ongeveer een kwartier gaans van ons verwijderd moest zijn. Opeens sprong hij overeind, liep naar de plek waar ze hun wapens hadden neergelegd, greep een boog met twee pijlen en joeg als een renpaard naar den heuvel. Daar aangekomen schoot hij zijn beide pijlen af en vloog met dezelfde haast weer naar ons toe. Daar we zagen dat hij met den boog alleen, zonder pijlen, terugkwam, werden we nog nieuwsgieriger, doch hij sprak geen woord, wenkte alleen een van onze negers hem te volgen, wat deze op ons bevel deed en voerde hem mee naar de berghelling, waar een door zijn pijlen geraakte antilope stervend op den grond lag. Met vereende krachten brachten ze ons toen het dier, dat ons buitengewoon welkom was, daar onze proviand sterk verminderde.Den volgenden dag kwamen er wel een honderd mannen en vrouwen naar ons toe, die ons opallerlei vreemdsoortige manieren hun vriendschap betuigden. Ze dansten voor ons, grijnsden ons vriendelijk aan en gaven ons al wat ze maar hadden. ’t Bleef ons onverklaarbaar hoe de neger in ’t bosch op den vijandigen inval gekomen was, zonder eenige aanleiding op een onzer zwarten te schieten, daar deze inboorlingen zich overigens van zoo’n gunstigen, welwillenden kant lieten kennen.Van hier trokken we naar den oever der kleine rivier, die we sinds lang in ’t oog hadden, en nu bleek al heel gauw dat we in een steeds dichter bevolkte streek geraakten, door groote negerstammen bewoond, omtrent wier houding ten opzichte van ons we natuurlijk geheel in ’t onzekere verkeerden.Voorloopig konden we ons plan de rivier te bevaren, helaas nog niet ten uitvoer brengen, en we waren zeker vijf dagen langs den oever verder getrokken, eer onze timmerman, meenende dat het water langzamerhand genoeg diepte had gekregen, ons voorstelde nu onze tenten op te slaan en kano’s te gaan maken. We trokken met ijver aan den arbeid en hadden al een dag of vier aan ’t omhouwen van eenige geschikte boomen besteed, toen een paar onzer matrozen van een excursie stroomafwaarts terugkeerden met de ongelukstijding dat de rivier eerder ondieper dan dieper werd en wel geheel in ’t zand scheen te verloopen of door de hitte te verdampen.Tot onze bittere teleurstelling moesten we dus opnieuw van ’t aanlokkelijke kanoplan afzien en te voet verder trekken.Van nu af aan reisden we drie dagen lang inzuiver westelijke richting, daar het land in ’t noorden buitengewoon bergachtig bleek en de grond zoo dor en vol spleten als we ’t nog niet gezien hadden. Daarentegen vonden we naar ’t westen toe, een vriendelijk dal dat tusschen twee hooge bergruggen lag ingesloten. De bergen aan weerskanten zagen er afschrikwekkend kaal uit, er was geen sprietje of struikje op te bekennen, maar in de vallei groeide overvloed van gras en lage boomen en troffen we eetbare dieren en zelfs eenige menschelijke bewoners aan. Nu en dan kwamen we een paar hutten dier inboorlingen voorbij, maar zoodra de zwarten ons zagen naderen, vluchtten ze in de bergen. Aan het einde van het dal geraakten we in een dicht bevolkte streek, ’t geen ons even in tweestrijd bracht of we er midden doorheen zouden trekken, dan wel ons aan de bergen houden, die meer noordelijk liepen; en daar ons doel bleef zoo mogelijk den Niger te bereiken, besloten wij tot het laatste en sloegen we, na ’t compas te hebben geraadpleegd, de noordwestelijke richting in.Op deze wijze trokken we, zonder onderbreking, zeven dagen verder, na welk tijdsverloop we tot de ontdekking van een toestand kwamen, die nog veel troosteloozer en moeilijker was dan de omstandigheden waarin wij ons hadden bevonden.Behalve wanneer we hen voor de aanvulling onzer provisie of om ons te orienteeren noodig hadden, zochten we geen aanraking met de bevolking die vooral naar het zuiden toe, dus links van ons, tamelijk dicht bleek.Hoewel we over ’t geheel voldoende voedsel konden vergaren, kwam het toch menigmaal zeer krap aan, en met blijdschap begroetten we eindelijk een frisch stroomend water, dat wel nauwelijks groot genoeg was om rivier te noemen, doch in noord-noordwestelijke richting liep, dus ons uitstekend te pas kwam.Aan den anderen kant van dit water zagen we een paar negerhutten en in een klein dal een veldje mais of Indiaansch koren, ’t geen ons dadelijk op de gedachte bracht, dat hier een meer ontwikkelde stam moest wonen dan we over ’t geheel hadden aangetroffen.Terwijl onze kleine karavaan regelmatig opgesteld verder marcheerde, riepen plotseling de negers die in ’t voorste gelid liepen, dat ze een „witman” zagen. ’t Eerste oogenblik waren we niet buitengewoon verwonderd, overtuigd dat de zwartjes zich vergist moesten hebben, maar toen ik, naar hen toegaande, vroeg, wat ze eigenlijk bedoelden, wezen ze opgewonden naar een hut aan den anderen oever, waar ik werkelijk een blanke onderscheidde. De man stond, geheel naakt, bij den ingang der hut, diep voorovergebogen met iets in zijn hand, een werktuig blijkbaar, waarmee hij bezig was, en met zijn rug naar ons toegekeerd, zoodat hij ons niet zien kon.Ik beduidde den negers geen lawaai te maken en wachtte tot de anderen ons hadden ingehaald om hen te kunnen overtuigen dat hier geen sprake was van een vergissing. Op dit oogenblik scheen de blanke onze nadering te bespeuren; hij richttezich als verschrikt op, en tuurde naar ons, blijkbaar niet minder verrast dan wij zelve en naar ’t mij voorkwam, eerder angstig dan blij.’t Duurde niet lang of ook de overige bewoners kregen ons in ’t oog en allen liepen aan den anderen kant der breede beek te hoop, niet wetende, zooals de blanke ons later vertelde, of ze zouden blijven wachten of vluchten.Als er blanken onder hen leven, dacht ik, moet het ons natuurlijk veel gemakkelijker vallen ons met hen te verstaan dan met de overige negerbevolking, en dus bond ik een witten lap aan een stok en zond er twee negers meetot aanden oever, hen bevelende dit vredesteeken flink omhoog te houden. Het signaal werd onmiddellijk begrepen, en de blanke trad met twee negers zoo dicht mogelijk aan den anderen zoom.Daar de man echter geen Portugeesch sprak, konden ze elkaar slechts door gebaren en teekens eenigszins verstaan, maar onze negers beduidden hem dat er ook blanken bij ons gezelschap waren, waarop de „witman” zooals ze mij vertelden, gelachen had. Na korten tijd kwamen onze negers terug met het bericht dat het allemaal goede vrienden waren, en na een poos begaven zich vier der onzen met twee inboorlingen en den Zwarten Prins naar den oever om zich nader met den blanke in verbinding te stellen.Geen tien minuten zullen verloopen zijn geweest of een der negers kwam naar mij toegerend met het bericht dat de „witman” een „Inglese” was zooals hij hem noemde, waarop ik zoo gauw ikkon met hem naar de beek terugliep om werkelijk in den naakten vreemdeling een landgenoot te vinden. De man geraakte geheel van streek en drukte mij diep ontroerd beide handen, terwijl de tranen hem langs het gezicht stroomden. Eer wij hem bij de beek ontmoetten, was de eerste verbazing over onze komst al voorbij, maar ieder kan er zich wel een voorstelling van maken, die het verhaal hoort van zijn allerellendigste omstandigheden en zijn wonderbaarlijke redding, zóó wonderbaarlijk als geen tweede mensch ter wereld misschien beleefde, want het was duizend tegen één, dat hij ooit uit dien vreeselijken toestand verlost zou zijn geworden, wanneer wij niet na al onze ongehoorde lotgevallen als door een wonder met hem in aanraking waren gekomen.Uit allerlei kleinigheden: zijn houding, zijn wijze van spreken, zijn geheele optreden, bleek mij dat hij een man van goede afkomst was, zelfs in zijn barbaarsche omgeving had hij het stempel der beschaving niet verloren.Naar schatting moest hij een kleine veertig jaar oud zijn, hoewel zijn lange baard en het slordige haar, dat voor een deel rug en borst bedekte, hem ouder deden schijnen. Zijn teere huid was geheel verbrand en hier en daar met blaren en schilfers bedekt door de felle hitte der zon. Sedert ruim twee jaar had hij het al, zooals hij ons vertelde, geheel zonder kleeren moeten stellen.De zenuwachtige blijdschap over onze ontmoeting wond hem zóó op, dat hij nauwelijks in staat was den eersten dag rustig met ons te praten, en toenwe hem, een paar uur na ons korte gesprek, alleen zagen rondloopen, maakte hij de dolste gebaren en bewegingen als om zijn niet te beheerschen blijdschap lucht te geven. Ja, zelfs nog dagen later sprongen hem telkens weer opnieuw de tranen in de oogen, wanneer we het onderwerp van onze gelukkige ontmoeting—en altijd kwamen we daarop terug—maar aanroerden.Trad zijn beschaafde aard aan den dag.Trad zijn beschaafde aard aan den dag.Steeds meer leerden we hem als een beleefd, goedhartig en edel mensch kennen. In al wat hij deed of zei de, trad zijn beschaafde aard aan den dag, en onze mannen toonden zich bijzonder met hem ingenomen. Hij had een hoogeschool bezocht, was een goed wiskunstenaar en kon, al had hij dan geen Portugeesch geleerd, Latijn spreken metonzen chirurg, Fransch met een onzer matrozen en Italiaansch met een ander.Aanvankelijk bleek hij te onrustig van geest om ons te vragen waar we vandaan kwamen, hoe we in zulk een eenzamen streek waren verzeild en wat wel het doel van onzen tocht kon zijn; één ding scheen hém genoeg: dat wij als door den hemel gezonden waren om hem te verlossen uit de ellendigste positie waarin een mensch ooit kon gebracht worden.
HOOFDSTUK VIII.Ontmoeting met een blanke.
Aan den oever van deze rivier ontdekten we reeds den eersten dag sporen van bewoners, hoewel we er nog geen enkel mensch ontmoetten. Den tweeden dag kwamen we eerst in een bewoonde streek, waar alle inboorlingen, de vrouwen zoowel als de mannen, geheel naakt liepen.Nadat we hen met vriendschapsteekenen tegemoet waren getreden, leerden we ze al gauw als een onbevangen, goedmoedig en betrouwbaar soort van menschen kennen. Zonder de geringste schuwheid kwamen ze naar onze negers toe en gaven ons geen enkele reden om hen van slinksche streken te verdenken, zooals dit bij andere volksstammen wel eens ’t geval was geweest.Zoodra we hun door gebaren te kennen gaven dat we honger hadden, liepen eenige vrouwen hard weg om met een grooten voorraad wortelen en kalabassen terug te komen, die wij dadelijk in goed vertrouwen opaten. Daarop liet onze fijnsmid hun een paar van zijn ijzeren en zilveren sieraden zien, waarbij ze wel zooveel begrip toonden te bezitten dat ze gretiger de zilveren dan de ijzeren aannamen. Toen we hen daarna de goudenfraaiigheden toonden, bemerkten we, dat ze die echter van minder waarde achtten dan de eerste.In ruil voor eenige van die prullen, brachten ze ons nog meer levensmiddelen, onder andere drie dieren ongeveer zoo groot als kalveren, die we nooit eerder gezien hadden, maar die heerlijk smaakten. Later kwamen ze nog met twaalf stuks van datzelfde vee aan en met een half dozijn kleinere dieren, die aan hazen deden denken. Een en ander was ons bij den voedselnood waarin we ons bevonden, meer dan welkom.Binnen korten tijd stonden we met deze negerstam op zeer vriendschappelijken voet. Nog nooit hadden we zulke vriendelijke, gedienstige inwoners aangetroffen. Ze deden al wat we maar verlangden met de grootste bereidwilligheid en, wat een buitengewoon aangename ervaring was, we konden ons oneindig gemakkelijker verstaanbaar maken dan dit tot nu toe ooit bij een der Afrikaansche negerstammen het geval was geweest.Toen wij na verloop van een week ongeveer, onze reis wilden hervatten en hen, naar het westen wijzende, om inlichtingen vroegen, beduidden ze ons dat die richting niet te volgen was maar we noordwestelijk moesten aanhouden. Uit hun gebaren maakten we op dat ons een meer in den weg moest liggen, en dit bleek ook werkelijk het geval. Na een tocht van twee dagen kregen we het in ’t oog en we zagen het steeds links van ons liggen tot we den evenaar gepasseerd waren.Onzen kanonnier beviel dat voorttrekken in noordelijke richting volstrekt niet, en met eenbezorgd gezicht wees hij me op de kaart aan, dat het vasteland zich, van 6° noorderbreedte af, zoo ver naar ’t westen begon uit te strekken, dat we ruim vijftienhonderd mijlen meer zouden moeten afleggen, dan wanneer we op een zuidelijker punt de zee konden bereiken.„Is er geen kans dat we hier eens een bevaarbare rivier ontmoeten, die ons naar den westelijken oceaan brengt?” vroeg ik hem. „Dan zouden we ons den stroom kunnen laten afzakken en kwam het er niet op aan, al was ’t tweemaal vijftienhonderd mijlen, wanneer we maar mondkost konden vinden langs de oevers.”Daarop legde hij me opnieuw de kaart voor en wees mij dat er geen rivier scheen te bestaan, lang genoeg om ons van eenigen dienst te kunnen zijn; ze werden allemaal pas op omstreeks twee of driehonderd mijlen van de kust bevaarbaar, de Niger, of „Rio Grande” zooals de Portugeezen haar noemden uitgezonderd.„Die ligt ook stellig nog wel een zevenhonderd mijl noordelijker van ons dan waar we nu zijn,” verklaarde hij, „en ’t is op geen stukken na te bepalen hoe we ons door dien afstand zullen heenslaan. De hitte ten noorden van den evenaar is al even ondragelijk als ten zuiden daarvan, en het land waarschijnlijk veel woester, onvruchtbaarder en onherbergzamer. Daarbij loopen we groot gevaar, wanneer we tusschen de negers aan de noordkust verzeilen, vijandig ontvangen te worden, uit wraak over de slechte behandeling die zij zich over ’t geheel van de Europeanen met wie zehandel drijven, moeten laten welgevallen.”Dit alles overwegende, ried hij ons aan, zoo gauw we het meer voorbij waren, naar het Z.W. af te buigen en te trachten de Kongorivier te bereiken, waarnaar de kust genoemd is, die even ten N. van Angola, ons oorspronkelijke doel was geweest.„Ben je ooit aan de Kongo-kust geweest?” vroeg ik hem.„Jawel, dat is te zeggen, ik heb er voor anker gelegen,” antwoordde onze kanonnier. „Aan wal ben ik er nooit geweest.”„Maar hoe kunnen we vandaar een landingsplaats voor Europeesche schepen bereiken?” vroeg ik weer. „Als het vasteland van Afrika zoowat vijftienhonderd mijlen naar het westen vooruitspringt, moeten we toch langs die heele kust trekken om de westelijke punt te bereiken.„Tien tegen één,” verzekerde mijn vriend,„dat we wel van ’t een of ander Europeesch schip zullen hooren, dat ons wil opnemen. De kusten van Kongo en Angola worden dikwijls door handelaars bezocht, en al mocht dit nu eens niet het geval zijn, dan behoeven we in ieder geval toch niet bang te zijn voor voedselgebrek en kunnen we evengoed langs de kust als over de rivier varen tot we aan de Goudkust komen. Die ligt niet meer dan een goede vier mijl ten noorden van den Kongo. Daar zijn ook Engelsche, Hollandsche en Fransche nederzettingen en factorijen.”Ik moet bekennen dat ik, ondanks zijn heele betoog veel liever naar ’t noorden was gegaanom ons op den Niger of Negro in te schepen en zoo ten slotte Kaap Verde te bereiken, waar we stellig op verlossing zouden kunnen rekenen. Tot aan de westkust hadden we nog een geweldig eind voor den boeg, zoowel te land als te water en allicht geen ander verschiet dan ons het noodigste voedsel met geweld en groote moeite te moeten verzekeren. Voor ’t oogenblik hield ik echter mijn mond, uit ontzag voor de meening van mijn leermeester.Maar toen we nu het meer voorbij waren en dus het punt bereikt hadden waar we volgens zijn wensch, zuidwaarts zouden afslaan, begonnen al onze mannen te mopperen en zich te verzetten, overtuigd dat we nu toch zeker en gewis op den verkeerden weg waren en hoe langer hoe verder van huis raakten. Na veel heen en weer gepraat kreeg de kanonnier echter zijn zin, tot we twaalf dagen na ’t begin van den tocht (acht hadden we noodig gehad om om ’t meer heen te komen en vier dagreizen waren we nu al in zuidwestelijke richting getrokken) opnieuw gedwongen werden halt te houden. Het land dat zich voor ons uitstrekte was namelijk zoo woest en dor, dat we niet recht wisten of we ons verder mochten wagen, ja, dan neen. Het leek ons één onafzienbare woestenij, zonder bosch, struik of water en totaal onbewoond. Hoe zouden we ons hier van mondkost kunnen voorzien, voldoende voor zulk een woestijntocht, zooals we dat vroeger altijd hadden gedaan? En vier dagen terugmarcheeren naar het groote meer lachte ons ook al heel weinig toe.Toch ondernamen we het waagstuk. Menschendie zulke onherbergzame streken waren doorgetrokken als wij, lieten zich ook door de dreigendste moeilijkheden, niet meer afschrikken. Daarbij was het feit dat we in westelijke richting, zij ’t ook op grooten afstand, bergtoppen zagen oprijzen wel van eenigen invloed op ons besluit, overtuigd als we waren dat we in en bij ’t gebergte bronnen en rivieren zouden vinden. Waar rivieren zijn, groeien planten en boomen, waar planten en boomen groeien, leeft vee, en waar vee leeft zullen allicht ook menschelijke bewoners zijn, redeneerden we. Met opgewekt vertrouwen in deze gunstige kansen aanvaardden we onzen nieuwen woestijntocht met niet meer provisie dan een voorraad wortelen en planten, die ons, de gewoonte der inboorlingen volgende, tot brood dienden; een klein beetje vleesch en zout en ook heel weinig water.Na twee dagen voortgezwoegd te zijn, schenen de bergen nog wel even ver van ons af als toen we begonnen, maar na vijf volle dagreizen hadden we ze gelukkig bereikt. Het tempo van onzen marsch was trouwens langzaam geweest, daar het, zoo dicht bij den aequator, ondraaglijk heet was.Waar bergen zijn, zullen ook wel bronnen en rivieren ontspringen, hadden we vertrouwd, en dit bleek ook het geval; maar tot onze verbazing en schrik kwamen we tot de ontdekking dat het water der eerste bron dat er kristalhelder en aanlokkelijk uitzag, bremzout was. Een ontzettende teleurstelling, die ons het eerste oogenblik met angstige voorgevoelens vervulde. Onze kanonnier evenwel, nooit gauw uit het veld geslagen, zeidat we ons hierdoor volstrekt niet behoefden te laten ontmoedigen, maar eerder dankbaar moesten zijn, daar we zout juist zoo hoog noodig hadden. Ongetwijfeld zouden we ook nog wel zoet water vinden. En onze heelmeester die dit laatste met hem eens was, stelde ons nog verder gerust door ons te verzekeren dat hij een manier wist om zout water in zoet te veranderen. Al begrepen we in de verste verte niet hoe hij dit zou klaarspelen, vertrouwden we toch dat hij ons niet voor den gek hield en zagen onzen toestand dus weer hoopvoller in.Inmiddels waren eenige van onze mannen al aan ’t zoeken gegaan naar andere bronnen. Zonder groote moeite vonden ze er verscheidene, maar helaas geen enkele met zoet water. Hierdoor kwamen we tot de gevolgtrekking, dat er steenzoutlagen in het gebergte moesten voorkomen en we dus geen kans hadden zoet water te vinden. Des te nieuwsgieriger werden we hierdoor naar het toovermiddel waardoor onze chirurgijn dit zoute water in bruikbaar drinkwater zou veranderen. ’t Bleek een wonderlijke methode te zijn, maar hij trok aan ’t werk met een zelfvertrouwen en een beslistheid, alsof hij het zaakje al herhaaldelijk op dezelfde plaats bij de hand had gehad.Deze opening moest een neger met water vullen.Deze opening moest een neger met water vullen.Twee van onze groote matten nemende, naaide hij die zoo aan elkaar, dat ze een soort van zak vormden die vier voet lang en drie-en-een-halven voet breed was en gevuld, ongeveer anderhalven voet dik zou zijn. Dezen zak moesten we met droog zand vol scheppen en het zoo vast metonze voeten aanstampen als slechts, zonder de matten te scheuren, mogelijk was. Toen we den zak op die manier tot op een voet na van boven gevuld hadden, schepte hij een andere aardsoort waarmee hij de overige ruimte liet aanstampen. Daarop maakte hij in de bovenste laag een opening, ongeveer zoo groot als een hoedebol, maar wat minder diep. Deze opening moest een neger met water vullen en er telkens wanneer het was weggezakt, wat bijgieten, zoodat de holte steeds vol bleef staan. Vooraf had hij zelf den zak op twee stukken hout, ongeveer een voet boven den grond gezet en er een paar van onze waterdichte huiden onder uitgespreid. Na een uur ongeveer—zeker niet eerder—begon het water druppelsgewijzeonder uit den zak te lekken, en tot onze groote blijdschap proefden we dat het volkomen frisch en zoutloos was. Nadat we het eenige uren lang gretig hadden opgevangen, begon het weer eenigszins brak te smaken en moesten we de zakken met nieuw zand vullen.Den volgenden dag beklommen we met groote inspanning, daar de felle hitte ons alle lichaamsbewegingen tot een last maakte, den hoogsten bergtop om ons te kunnen oriënteeren, en alsof we nog niet genoeg tegenspoed ondervonden hadden, strekte zich, zoover onze oogen reikten, naar ’t zuiden, westen en noordwesten, een afschuwelijke woestenij voor ons uit. Geen boom of beek, ja geen enkel sprietje groen gaf, voor zoover wij ontdekken konden, eenige afwisseling. Evenals het gedeelte dat we achter ons hadden, was de bodem slechts bedekt met een soort van mos, zoo grauw en doodsch van tint, dat het blijkbaar mensch noch dier tot voedsel zou kunnen dienen.Waren we slechts—zooals bij ’t aanvaarden van onzen eersten woestijntocht—voor een dag of tien, twintig van voedsel en drinkwater voorzien geweest, we waren, zelfs op gevaar af weer terug te moeten trekken, met frisschen moed op marsch gegaan, te meer daar we, in noordelijke richting, hoogstwaarschijnlijk voor dezelfde bodemgesteldheid zouden komen te staan. Maar het totaal gebrek aan levensmiddelen en de onmogelijkheid ze ons te verschaffen, maakten de onderneming geheel onuitvoerbaar.Wel doodden we aan den voet van ’t gebergtenog eenige wilde dieren, maar behalve een paar die we nooit eerder hadden geschoten, waren ze oneetbaar. Die ons onbekende beesten hielden het midden tusschen een buffel en een hert; ze hadden geen horens, maar de pooten van een koe en den mooien kop en hals van een hert. Een paar maal doodden we ook een tijger en twee jonge leeuwen en een wolf, maar gelukkig waren we nog niet zóó ten einde raad, dat we dit sterk smakende vleesch behoefden te eten.Bij dit dreigende voedselgebrek kwam ik opnieuw met mijn voorstel aan, om liever noordwaarts te trekken naar den Niger of Rio Grande, dan in westelijke richting naar de Engelsche nederzettingen aan de goudkust; en allen vielen mij bij, met uitzondering van onzen kanonnier die—ofschoon hij zich nu blijkbaar vergist had—toch onze beste gids was. Hij drong ons liever noordwestelijk aan te houden om op die wijze den een of anderen zijtak van den Niger te bereiken, of mogelijk een rivier die aan de Goudkust uitmondde. In beide gevallen konden we ons dan den stroom laten afzakken en met weinig moeite ons doel bereiken. „Buitendien,” besloot hij, „is in de buurt van een rivier het eerst vruchtbaar en bewoond land te verwachten en dus ook de kans ons weer behoorlijk van proviand te voorzien.”De raad scheen te verstandig om in den wind te slaan; maar vóór alles moesten we beproeven van deverschrikkelijkeplaats waar we ons bevonden weg te komen.Achter ons lag een woestijn die ons al vijf dagreizengekost had, terwijl we bij gebrek aan vijf dagen leeftocht niet langs denzelfden weg terug konden gaan; en vóór ons strekte zich een nog verlatener landstreek uit. Na lang wikken en wegen besloten we eindelijk langs de oostelijke helling van ’t gebergte, die nog eenige sporen van plantengroei vertoonde, zoover mogelijk naar ’t noorden te trekken en inmiddels vlijtig naar voedsel rond te zien.Daar we geen tijd te verliezen hadden, zetten we ons den volgenden morgen reeds vroeg in beweging, en tot onze groote verlichting vonden we den middag van dienzelfden dag nog een paar heerlijke zoetwaterbronnen, waaruit we, na onze dorst ruimschoots gelescht te hebben, onze leeren waterflesschen vulden. Ik verzuimde nog te vertellen, dat onze heelmeester die ons zoetwater bezorgd had, ook een paar flinke zakken zout uit die zilte bronnen gewonnen had.Den derden dag vonden we—geheel onverwachts—levensmiddelen genoeg. Het gebergte wemelde hier namelijk van hazen, die uiterlijk nogal van de Europeesche verschilden, grooter en niet zoo vlug, maar zeer goed van smaak waren. We schoten er verscheiden, en de kleine tamme luipaard, die we uit het verlaten negerdorp hadden meegenomen, bewees ons bij deze jacht goede diensten. Bijna elken dag hielp hij ons er een paar vangen door ze als een goed-gedresseerde hond op te jagen, zonder ze ooit zelf te eten. We zoutten de hazen even, droogden ze in de zon en verzamelden zoo een flinken reisvoorraad—misschienwel een driehonderd stuks—er op rekenend dat we waarschijnlijk in langen tijd niets eetbaars meer zouden vinden.Nadat we onzen tocht nog een dag of acht zonder buitengewone inspanning hadden voortgezet, merkten we met vreugde op, dat het land om ons heen er minder troosteloos begon uit te zien. Toen een paar van onze mannen met eenige negers de berghelling beklommen om te kijken of het terrein ten westen ook sporen van meer vruchtbaarheid begon te vertoonen, keerden ze echter teleurgesteld terug. Er was nog geen eind aan de woestenij te zien die zich ook noordwaards bleef uitstrekken. Toen we dus den tienden dag een punt bereikten, waar de bergrug een bocht maakte en als ’t ware in de woestijn uitliep, lieten we ’t gebergte in den steek en vervolgden onzen weg naar ’t noorden. Gelukkig kwam hier langzamerhand eenige afwisseling in het landschap. We troffen verschillende boschrijke gedeelten aan, onderbroken door korte stukjes woestijn, tot we ons den negentienden dag, volgens verklaring van onzen kanonnier, op een noorderbreedte van 8° 5′ bevonden.Ook in deze streek ontmoetten we geen menschelijke ziel; wel een overvloed van wilde dieren, die ons echter—men gewend aan alles—weinig vrees meer inboezemden. Elken morgen en avond zagen we leeuwen en tijgers of luipaarden, maar daar ze zelden vlak bij ons kwamen, lieten we hen ook met rust. Naderden ze ons te dicht naar onzen zin, dan behoefden we maar even wat kruitop een geweerpan te branden en ze gingen verschrikt aan den haal.Wat levensmiddelen betreft, hadden we ons hier niet te beklagen. Soms schoten we hazen, een anderen keer vogels, maar wat voor soorten het waren zou ik met geen mogelijkheid kunnen zeggen, behalve dat er een soort van patrijs onder voorkwam en een vogel die op een tortel leek. Nu en dan ontmoetten we ook weer kudden olifanten, een dierenreus, die bij voorkeur de boomrijke gedeelten van Afrika opzoekt.De lang voortgezette tocht vermoeide ons ontzaglijk; twee onzer mannen werden zóó ziek dat we vreesden hen te moeten verliezen, terwijl een sterke neger plotseling stierf. Volgens onzen heelmeester moest hij een beroerte gehad hebben. Een tweede neger was er ook naar aan toe, doch toen hij zich, op aanraden, of feitelijk meer op bevel van onzen dokter had doen aderlaten, genas hij weer.Terwille van onze zieken maakten we nu twaalf dagen halt en in dien rusttijd overreedde de heelmeester mij en nog drie of vier kameraads, ons ook te doen aderlaten ’t geen, gevoegd bij verschillende andere middelen, er stellig veel toe bijdroeg ons gedurende zoo’n langgerekten tochtineen heet klimaat gezond te houden.Ook gedurende dezen marsch sloegen we iederen nacht onze matten-tenten op, waarin we ons behaaglijker gevoelden dan onder het bladerdak, dat ons anders op de meeste plaatsen wel zou beschut hebben.Allervreemdst bleven we het vinden, dat we in deze geheele landstreek geen enkelen inwoner aantroffen. Eerst later vonden we hiervoor een verklaring. We waren namelijk, aanvankelijk naar ’t westen en daarna naar ’t noorden trekkende, te lang in ’t midden van ’t land, in ’t onvruchtbaarste gedeelte gebleven, terwijl de inwoners zich natuurlijk alleen aan de rivieren, meren en in de groene laaglanden in ’t hooge noorden en ’t zuidwesten ophouden.De beken die we in dit terrein aantroffen, stonden zoo droog dat er, behalve in een poel of kuil hier en daar, nauwelijks van water sprake was. Feitelijk vormden ze niet meer dan kleine afwateringen gedurende den regentijd; stroomend water vonden we nergens. Naar menschelijke berekening zouden we dus waarschijnlijk nog een grooten afstand hebben af te leggen, eer we het Nigerdal konden bereiken. Deze omstandigheid ontmoedigde ons echter volstrekt niet zoolang het ons niet aan levensmiddelen ontbrak en aan een behoorlijke beschutting tegen de hitte, die mij nu nog ondraaglijker voorkwam dan toen de zon recht boven onze hoofden stond.Zoodra onze zieken hersteld waren, zetten we ons—voldoende van voedsel en water voorzien—weer in beweging. We liepen in noordwestelijke richting, altijd nog hopende een rivier te vinden, die met kano’s bevaarbaar zou zijn, ’t geen ons eerst na twintig dagen gelukte. Van dien tijd hadden we echter zeker een derde deel rustende doorgebracht omdat onze mannen uitgeput raakten.Terwijl de zwakkeren zich zoo goed mogelijk weer herstelden, trokken de sterksten van ons dan met onze negers ter jacht om onzen snel afnemenden mondvoorraad weer wat aan te vullen.In die twintig dagen kwamen we vier graden verder noordwaarts en ongeveer de breedte van een meridiaan verder naar het westen. Vooral in de houtrijke gedeelten troffen we op deze reis een massa olifantstanden aan, waaronder buitengewoon groote. Hoe kostbaar ook, waren ze geen buit voor ons. We zouden ons noodeloos vermoeid hebben met ze mee te sleepen en moesten er slechts op bedacht zijn proviand te veroveren en onzen weg naar de zee te vinden. Een mooie vette antilope was onder onze omstandigheden vrij wat meer waard geweest dan een scheepslading olifantstanden, maar toch zouden we later, toen we weer bevaarbaar water vonden, graag een groote kano gemaakt hebben, enkel om die met ivoor te beladen. Toen we de tanden zoo in overvloed vonden, wisten we evenwel ook niets van den toestand der rivieren en hadden we natuurlijk geen flauwe voorstelling van de moeilijkheden: de watervallen, stroomversnellingen enz. die we gedurende dat traject zouden hebben te overwinnen, eer we ons zwaar, lastig te vervoeren materiaal naar de plaats zouden hebben gebracht waar wij ons ten slotte konden inschepen.Aan ’t einde van dien tocht van twintig dagen zagen we op eenigen afstand voor ons een dal, waardoor een rivier stroomde, blijkbaar in noord-noordwestelijke richting, juist dus zooals we wenschten, en daar we sinds lang op de mogelijkheidvan een tochtje te water gehoopt hadden, waren we ’t er allen over eens het hier te gaan probeeren en marcheerden we met versnelden pas op het dal toe.Tusschen het punt waar we ons bevonden en de rivier, lag een van die kleine boschjes die we al meer in deze streek ontmoet hadden, en toen we er zonder een zweem van argwaan of onrust langs trokken, werd een onzer negers plotseling gevaarlijk door een pijl gewond, juist tusschen de schouderbladen. We hielden natuurlijk onmiddellijk halt, wezen drie onzer mannen en twee negers aan om het struikgewas te doorzoeken en wachtten in spanning den uitslag af, terwijl onze heelmeester den gewonde hielp. Het duurde niet lang of onze mannen kwamen met het bericht terug dat ze een neger met een boog, zonder pijl ontdekt hadden, die getracht had zich haastig uit de voeten te maken. Een onzer matrozen schoot hem echter neer, waardoor ons de gelegenheid ontging hem gevangen te nemen en misschien waardevolle dingen van hem te weten te komen.Dienzelfden dag kwamen we bij vijf negerhutten, geheel anders gebouwd dan de soorten die we vroeger gezien hadden. Aan de deur van een dier hutten lagen zeven olifant standen tegen den wand der hut gestapeld, alsof ze bestemd waren om ter markt gebracht te worden. Mannen zagen we niet bij de woningen, enkel een zevental vrouwen en ongeveer twintig kinderen. Besloten hun vriendelijk te behandelen, gaven we elk der vrouwen een dun stukje geslagen zilver in den vorm van een kruisof een vogeltje, waarop ze ons in hun kinderlijke blijdschap, allerlei levensmiddelen aanbrachten, die ons tot nu toe onbekend waren, o.a. een soort van koeken die uit wortelmeel bereid, en in de zon gebakken waren en lang niet kwaad smaakten.Een eindje verder sloegen we ons nachtkwartier op, vertrouwende dat onze vriendelijkheid tegenover de vrouwen niet zou nalaten de mannen bij hun thuiskomst gunstig voor ons te stemmen.En werkelijk, den volgenden morgen kwam een gezelschap, bestaande uit de zeven vrouwen, elf mannen, vijf jongens en twee groote meisjes op ons kamp af.Op korten afstand van onze hutten halt houdende, hieven de vrouwen een eigenaardig gekrijsch aan als om ons naar buiten te roepen, en toen we hieraan gevolg gaven, hielden twee der negerinnen de sieraden omhoog die we hun geschonken hadden, wezen daarna op het troepje achter hen en begonnen allerlei teekenen te maken, die onmiskenbaar hun vriendelijke gezindheid moesten vertolken. Daarna kwamen de mannen naar ons toe, legden pijl en boog op den grond, bogen zich diep ter aarde, bestrooiden hun hoofden met zand en draaiden—de handen op het hoofd houdende—driemaal in de rondte, ’t geen een plechtige betuiging van vriendschap scheen te zijn. Toen we hen wenkten naderbij te treden, zonden ze eerst de jongens en meisjes op ons af, met nog meer koeken en eetbare kruiden. Nadat we de goede gaven in ontvangst hadden genomen, tilden we een paar der kinderen omhoog om hen te kussen, waaropde mannen eindelijk het oogenblik gekomen schenen ons geheel te vertrouwen, naar ons toe te komen en op den grond bij ons neer te hurken, ons beduidende hun voorbeeld te volgen. Hierop volgde een levendig gesprek tusschen de inboorlingen, waarvan we geen enkelen klank begrepen, terwijl onze woorden hun natuurlijk even onverstaanbaar waren. Van ’t verkrijgen van eenige inlichting omtrent den te volgen weg, was dus geen sprake. ’t Eenige wat hen duidelijk scheen, was dat we voedsel noodig hadden. Even nadat we hun dit aan ’t verstand hadden gebracht, zag ik een der negers een oogenblik onafgewend naar een heuvelhelling turen, die wel ongeveer een kwartier gaans van ons verwijderd moest zijn. Opeens sprong hij overeind, liep naar de plek waar ze hun wapens hadden neergelegd, greep een boog met twee pijlen en joeg als een renpaard naar den heuvel. Daar aangekomen schoot hij zijn beide pijlen af en vloog met dezelfde haast weer naar ons toe. Daar we zagen dat hij met den boog alleen, zonder pijlen, terugkwam, werden we nog nieuwsgieriger, doch hij sprak geen woord, wenkte alleen een van onze negers hem te volgen, wat deze op ons bevel deed en voerde hem mee naar de berghelling, waar een door zijn pijlen geraakte antilope stervend op den grond lag. Met vereende krachten brachten ze ons toen het dier, dat ons buitengewoon welkom was, daar onze proviand sterk verminderde.Den volgenden dag kwamen er wel een honderd mannen en vrouwen naar ons toe, die ons opallerlei vreemdsoortige manieren hun vriendschap betuigden. Ze dansten voor ons, grijnsden ons vriendelijk aan en gaven ons al wat ze maar hadden. ’t Bleef ons onverklaarbaar hoe de neger in ’t bosch op den vijandigen inval gekomen was, zonder eenige aanleiding op een onzer zwarten te schieten, daar deze inboorlingen zich overigens van zoo’n gunstigen, welwillenden kant lieten kennen.Van hier trokken we naar den oever der kleine rivier, die we sinds lang in ’t oog hadden, en nu bleek al heel gauw dat we in een steeds dichter bevolkte streek geraakten, door groote negerstammen bewoond, omtrent wier houding ten opzichte van ons we natuurlijk geheel in ’t onzekere verkeerden.Voorloopig konden we ons plan de rivier te bevaren, helaas nog niet ten uitvoer brengen, en we waren zeker vijf dagen langs den oever verder getrokken, eer onze timmerman, meenende dat het water langzamerhand genoeg diepte had gekregen, ons voorstelde nu onze tenten op te slaan en kano’s te gaan maken. We trokken met ijver aan den arbeid en hadden al een dag of vier aan ’t omhouwen van eenige geschikte boomen besteed, toen een paar onzer matrozen van een excursie stroomafwaarts terugkeerden met de ongelukstijding dat de rivier eerder ondieper dan dieper werd en wel geheel in ’t zand scheen te verloopen of door de hitte te verdampen.Tot onze bittere teleurstelling moesten we dus opnieuw van ’t aanlokkelijke kanoplan afzien en te voet verder trekken.Van nu af aan reisden we drie dagen lang inzuiver westelijke richting, daar het land in ’t noorden buitengewoon bergachtig bleek en de grond zoo dor en vol spleten als we ’t nog niet gezien hadden. Daarentegen vonden we naar ’t westen toe, een vriendelijk dal dat tusschen twee hooge bergruggen lag ingesloten. De bergen aan weerskanten zagen er afschrikwekkend kaal uit, er was geen sprietje of struikje op te bekennen, maar in de vallei groeide overvloed van gras en lage boomen en troffen we eetbare dieren en zelfs eenige menschelijke bewoners aan. Nu en dan kwamen we een paar hutten dier inboorlingen voorbij, maar zoodra de zwarten ons zagen naderen, vluchtten ze in de bergen. Aan het einde van het dal geraakten we in een dicht bevolkte streek, ’t geen ons even in tweestrijd bracht of we er midden doorheen zouden trekken, dan wel ons aan de bergen houden, die meer noordelijk liepen; en daar ons doel bleef zoo mogelijk den Niger te bereiken, besloten wij tot het laatste en sloegen we, na ’t compas te hebben geraadpleegd, de noordwestelijke richting in.Op deze wijze trokken we, zonder onderbreking, zeven dagen verder, na welk tijdsverloop we tot de ontdekking van een toestand kwamen, die nog veel troosteloozer en moeilijker was dan de omstandigheden waarin wij ons hadden bevonden.Behalve wanneer we hen voor de aanvulling onzer provisie of om ons te orienteeren noodig hadden, zochten we geen aanraking met de bevolking die vooral naar het zuiden toe, dus links van ons, tamelijk dicht bleek.Hoewel we over ’t geheel voldoende voedsel konden vergaren, kwam het toch menigmaal zeer krap aan, en met blijdschap begroetten we eindelijk een frisch stroomend water, dat wel nauwelijks groot genoeg was om rivier te noemen, doch in noord-noordwestelijke richting liep, dus ons uitstekend te pas kwam.Aan den anderen kant van dit water zagen we een paar negerhutten en in een klein dal een veldje mais of Indiaansch koren, ’t geen ons dadelijk op de gedachte bracht, dat hier een meer ontwikkelde stam moest wonen dan we over ’t geheel hadden aangetroffen.Terwijl onze kleine karavaan regelmatig opgesteld verder marcheerde, riepen plotseling de negers die in ’t voorste gelid liepen, dat ze een „witman” zagen. ’t Eerste oogenblik waren we niet buitengewoon verwonderd, overtuigd dat de zwartjes zich vergist moesten hebben, maar toen ik, naar hen toegaande, vroeg, wat ze eigenlijk bedoelden, wezen ze opgewonden naar een hut aan den anderen oever, waar ik werkelijk een blanke onderscheidde. De man stond, geheel naakt, bij den ingang der hut, diep voorovergebogen met iets in zijn hand, een werktuig blijkbaar, waarmee hij bezig was, en met zijn rug naar ons toegekeerd, zoodat hij ons niet zien kon.Ik beduidde den negers geen lawaai te maken en wachtte tot de anderen ons hadden ingehaald om hen te kunnen overtuigen dat hier geen sprake was van een vergissing. Op dit oogenblik scheen de blanke onze nadering te bespeuren; hij richttezich als verschrikt op, en tuurde naar ons, blijkbaar niet minder verrast dan wij zelve en naar ’t mij voorkwam, eerder angstig dan blij.’t Duurde niet lang of ook de overige bewoners kregen ons in ’t oog en allen liepen aan den anderen kant der breede beek te hoop, niet wetende, zooals de blanke ons later vertelde, of ze zouden blijven wachten of vluchten.Als er blanken onder hen leven, dacht ik, moet het ons natuurlijk veel gemakkelijker vallen ons met hen te verstaan dan met de overige negerbevolking, en dus bond ik een witten lap aan een stok en zond er twee negers meetot aanden oever, hen bevelende dit vredesteeken flink omhoog te houden. Het signaal werd onmiddellijk begrepen, en de blanke trad met twee negers zoo dicht mogelijk aan den anderen zoom.Daar de man echter geen Portugeesch sprak, konden ze elkaar slechts door gebaren en teekens eenigszins verstaan, maar onze negers beduidden hem dat er ook blanken bij ons gezelschap waren, waarop de „witman” zooals ze mij vertelden, gelachen had. Na korten tijd kwamen onze negers terug met het bericht dat het allemaal goede vrienden waren, en na een poos begaven zich vier der onzen met twee inboorlingen en den Zwarten Prins naar den oever om zich nader met den blanke in verbinding te stellen.Geen tien minuten zullen verloopen zijn geweest of een der negers kwam naar mij toegerend met het bericht dat de „witman” een „Inglese” was zooals hij hem noemde, waarop ik zoo gauw ikkon met hem naar de beek terugliep om werkelijk in den naakten vreemdeling een landgenoot te vinden. De man geraakte geheel van streek en drukte mij diep ontroerd beide handen, terwijl de tranen hem langs het gezicht stroomden. Eer wij hem bij de beek ontmoetten, was de eerste verbazing over onze komst al voorbij, maar ieder kan er zich wel een voorstelling van maken, die het verhaal hoort van zijn allerellendigste omstandigheden en zijn wonderbaarlijke redding, zóó wonderbaarlijk als geen tweede mensch ter wereld misschien beleefde, want het was duizend tegen één, dat hij ooit uit dien vreeselijken toestand verlost zou zijn geworden, wanneer wij niet na al onze ongehoorde lotgevallen als door een wonder met hem in aanraking waren gekomen.Uit allerlei kleinigheden: zijn houding, zijn wijze van spreken, zijn geheele optreden, bleek mij dat hij een man van goede afkomst was, zelfs in zijn barbaarsche omgeving had hij het stempel der beschaving niet verloren.Naar schatting moest hij een kleine veertig jaar oud zijn, hoewel zijn lange baard en het slordige haar, dat voor een deel rug en borst bedekte, hem ouder deden schijnen. Zijn teere huid was geheel verbrand en hier en daar met blaren en schilfers bedekt door de felle hitte der zon. Sedert ruim twee jaar had hij het al, zooals hij ons vertelde, geheel zonder kleeren moeten stellen.De zenuwachtige blijdschap over onze ontmoeting wond hem zóó op, dat hij nauwelijks in staat was den eersten dag rustig met ons te praten, en toenwe hem, een paar uur na ons korte gesprek, alleen zagen rondloopen, maakte hij de dolste gebaren en bewegingen als om zijn niet te beheerschen blijdschap lucht te geven. Ja, zelfs nog dagen later sprongen hem telkens weer opnieuw de tranen in de oogen, wanneer we het onderwerp van onze gelukkige ontmoeting—en altijd kwamen we daarop terug—maar aanroerden.Trad zijn beschaafde aard aan den dag.Trad zijn beschaafde aard aan den dag.Steeds meer leerden we hem als een beleefd, goedhartig en edel mensch kennen. In al wat hij deed of zei de, trad zijn beschaafde aard aan den dag, en onze mannen toonden zich bijzonder met hem ingenomen. Hij had een hoogeschool bezocht, was een goed wiskunstenaar en kon, al had hij dan geen Portugeesch geleerd, Latijn spreken metonzen chirurg, Fransch met een onzer matrozen en Italiaansch met een ander.Aanvankelijk bleek hij te onrustig van geest om ons te vragen waar we vandaan kwamen, hoe we in zulk een eenzamen streek waren verzeild en wat wel het doel van onzen tocht kon zijn; één ding scheen hém genoeg: dat wij als door den hemel gezonden waren om hem te verlossen uit de ellendigste positie waarin een mensch ooit kon gebracht worden.
Aan den oever van deze rivier ontdekten we reeds den eersten dag sporen van bewoners, hoewel we er nog geen enkel mensch ontmoetten. Den tweeden dag kwamen we eerst in een bewoonde streek, waar alle inboorlingen, de vrouwen zoowel als de mannen, geheel naakt liepen.
Nadat we hen met vriendschapsteekenen tegemoet waren getreden, leerden we ze al gauw als een onbevangen, goedmoedig en betrouwbaar soort van menschen kennen. Zonder de geringste schuwheid kwamen ze naar onze negers toe en gaven ons geen enkele reden om hen van slinksche streken te verdenken, zooals dit bij andere volksstammen wel eens ’t geval was geweest.
Zoodra we hun door gebaren te kennen gaven dat we honger hadden, liepen eenige vrouwen hard weg om met een grooten voorraad wortelen en kalabassen terug te komen, die wij dadelijk in goed vertrouwen opaten. Daarop liet onze fijnsmid hun een paar van zijn ijzeren en zilveren sieraden zien, waarbij ze wel zooveel begrip toonden te bezitten dat ze gretiger de zilveren dan de ijzeren aannamen. Toen we hen daarna de goudenfraaiigheden toonden, bemerkten we, dat ze die echter van minder waarde achtten dan de eerste.
In ruil voor eenige van die prullen, brachten ze ons nog meer levensmiddelen, onder andere drie dieren ongeveer zoo groot als kalveren, die we nooit eerder gezien hadden, maar die heerlijk smaakten. Later kwamen ze nog met twaalf stuks van datzelfde vee aan en met een half dozijn kleinere dieren, die aan hazen deden denken. Een en ander was ons bij den voedselnood waarin we ons bevonden, meer dan welkom.
Binnen korten tijd stonden we met deze negerstam op zeer vriendschappelijken voet. Nog nooit hadden we zulke vriendelijke, gedienstige inwoners aangetroffen. Ze deden al wat we maar verlangden met de grootste bereidwilligheid en, wat een buitengewoon aangename ervaring was, we konden ons oneindig gemakkelijker verstaanbaar maken dan dit tot nu toe ooit bij een der Afrikaansche negerstammen het geval was geweest.
Toen wij na verloop van een week ongeveer, onze reis wilden hervatten en hen, naar het westen wijzende, om inlichtingen vroegen, beduidden ze ons dat die richting niet te volgen was maar we noordwestelijk moesten aanhouden. Uit hun gebaren maakten we op dat ons een meer in den weg moest liggen, en dit bleek ook werkelijk het geval. Na een tocht van twee dagen kregen we het in ’t oog en we zagen het steeds links van ons liggen tot we den evenaar gepasseerd waren.
Onzen kanonnier beviel dat voorttrekken in noordelijke richting volstrekt niet, en met eenbezorgd gezicht wees hij me op de kaart aan, dat het vasteland zich, van 6° noorderbreedte af, zoo ver naar ’t westen begon uit te strekken, dat we ruim vijftienhonderd mijlen meer zouden moeten afleggen, dan wanneer we op een zuidelijker punt de zee konden bereiken.
„Is er geen kans dat we hier eens een bevaarbare rivier ontmoeten, die ons naar den westelijken oceaan brengt?” vroeg ik hem. „Dan zouden we ons den stroom kunnen laten afzakken en kwam het er niet op aan, al was ’t tweemaal vijftienhonderd mijlen, wanneer we maar mondkost konden vinden langs de oevers.”
Daarop legde hij me opnieuw de kaart voor en wees mij dat er geen rivier scheen te bestaan, lang genoeg om ons van eenigen dienst te kunnen zijn; ze werden allemaal pas op omstreeks twee of driehonderd mijlen van de kust bevaarbaar, de Niger, of „Rio Grande” zooals de Portugeezen haar noemden uitgezonderd.
„Die ligt ook stellig nog wel een zevenhonderd mijl noordelijker van ons dan waar we nu zijn,” verklaarde hij, „en ’t is op geen stukken na te bepalen hoe we ons door dien afstand zullen heenslaan. De hitte ten noorden van den evenaar is al even ondragelijk als ten zuiden daarvan, en het land waarschijnlijk veel woester, onvruchtbaarder en onherbergzamer. Daarbij loopen we groot gevaar, wanneer we tusschen de negers aan de noordkust verzeilen, vijandig ontvangen te worden, uit wraak over de slechte behandeling die zij zich over ’t geheel van de Europeanen met wie zehandel drijven, moeten laten welgevallen.”
Dit alles overwegende, ried hij ons aan, zoo gauw we het meer voorbij waren, naar het Z.W. af te buigen en te trachten de Kongorivier te bereiken, waarnaar de kust genoemd is, die even ten N. van Angola, ons oorspronkelijke doel was geweest.
„Ben je ooit aan de Kongo-kust geweest?” vroeg ik hem.
„Jawel, dat is te zeggen, ik heb er voor anker gelegen,” antwoordde onze kanonnier. „Aan wal ben ik er nooit geweest.”
„Maar hoe kunnen we vandaar een landingsplaats voor Europeesche schepen bereiken?” vroeg ik weer. „Als het vasteland van Afrika zoowat vijftienhonderd mijlen naar het westen vooruitspringt, moeten we toch langs die heele kust trekken om de westelijke punt te bereiken.
„Tien tegen één,” verzekerde mijn vriend,„dat we wel van ’t een of ander Europeesch schip zullen hooren, dat ons wil opnemen. De kusten van Kongo en Angola worden dikwijls door handelaars bezocht, en al mocht dit nu eens niet het geval zijn, dan behoeven we in ieder geval toch niet bang te zijn voor voedselgebrek en kunnen we evengoed langs de kust als over de rivier varen tot we aan de Goudkust komen. Die ligt niet meer dan een goede vier mijl ten noorden van den Kongo. Daar zijn ook Engelsche, Hollandsche en Fransche nederzettingen en factorijen.”
Ik moet bekennen dat ik, ondanks zijn heele betoog veel liever naar ’t noorden was gegaanom ons op den Niger of Negro in te schepen en zoo ten slotte Kaap Verde te bereiken, waar we stellig op verlossing zouden kunnen rekenen. Tot aan de westkust hadden we nog een geweldig eind voor den boeg, zoowel te land als te water en allicht geen ander verschiet dan ons het noodigste voedsel met geweld en groote moeite te moeten verzekeren. Voor ’t oogenblik hield ik echter mijn mond, uit ontzag voor de meening van mijn leermeester.
Maar toen we nu het meer voorbij waren en dus het punt bereikt hadden waar we volgens zijn wensch, zuidwaarts zouden afslaan, begonnen al onze mannen te mopperen en zich te verzetten, overtuigd dat we nu toch zeker en gewis op den verkeerden weg waren en hoe langer hoe verder van huis raakten. Na veel heen en weer gepraat kreeg de kanonnier echter zijn zin, tot we twaalf dagen na ’t begin van den tocht (acht hadden we noodig gehad om om ’t meer heen te komen en vier dagreizen waren we nu al in zuidwestelijke richting getrokken) opnieuw gedwongen werden halt te houden. Het land dat zich voor ons uitstrekte was namelijk zoo woest en dor, dat we niet recht wisten of we ons verder mochten wagen, ja, dan neen. Het leek ons één onafzienbare woestenij, zonder bosch, struik of water en totaal onbewoond. Hoe zouden we ons hier van mondkost kunnen voorzien, voldoende voor zulk een woestijntocht, zooals we dat vroeger altijd hadden gedaan? En vier dagen terugmarcheeren naar het groote meer lachte ons ook al heel weinig toe.
Toch ondernamen we het waagstuk. Menschendie zulke onherbergzame streken waren doorgetrokken als wij, lieten zich ook door de dreigendste moeilijkheden, niet meer afschrikken. Daarbij was het feit dat we in westelijke richting, zij ’t ook op grooten afstand, bergtoppen zagen oprijzen wel van eenigen invloed op ons besluit, overtuigd als we waren dat we in en bij ’t gebergte bronnen en rivieren zouden vinden. Waar rivieren zijn, groeien planten en boomen, waar planten en boomen groeien, leeft vee, en waar vee leeft zullen allicht ook menschelijke bewoners zijn, redeneerden we. Met opgewekt vertrouwen in deze gunstige kansen aanvaardden we onzen nieuwen woestijntocht met niet meer provisie dan een voorraad wortelen en planten, die ons, de gewoonte der inboorlingen volgende, tot brood dienden; een klein beetje vleesch en zout en ook heel weinig water.
Na twee dagen voortgezwoegd te zijn, schenen de bergen nog wel even ver van ons af als toen we begonnen, maar na vijf volle dagreizen hadden we ze gelukkig bereikt. Het tempo van onzen marsch was trouwens langzaam geweest, daar het, zoo dicht bij den aequator, ondraaglijk heet was.
Waar bergen zijn, zullen ook wel bronnen en rivieren ontspringen, hadden we vertrouwd, en dit bleek ook het geval; maar tot onze verbazing en schrik kwamen we tot de ontdekking dat het water der eerste bron dat er kristalhelder en aanlokkelijk uitzag, bremzout was. Een ontzettende teleurstelling, die ons het eerste oogenblik met angstige voorgevoelens vervulde. Onze kanonnier evenwel, nooit gauw uit het veld geslagen, zeidat we ons hierdoor volstrekt niet behoefden te laten ontmoedigen, maar eerder dankbaar moesten zijn, daar we zout juist zoo hoog noodig hadden. Ongetwijfeld zouden we ook nog wel zoet water vinden. En onze heelmeester die dit laatste met hem eens was, stelde ons nog verder gerust door ons te verzekeren dat hij een manier wist om zout water in zoet te veranderen. Al begrepen we in de verste verte niet hoe hij dit zou klaarspelen, vertrouwden we toch dat hij ons niet voor den gek hield en zagen onzen toestand dus weer hoopvoller in.
Inmiddels waren eenige van onze mannen al aan ’t zoeken gegaan naar andere bronnen. Zonder groote moeite vonden ze er verscheidene, maar helaas geen enkele met zoet water. Hierdoor kwamen we tot de gevolgtrekking, dat er steenzoutlagen in het gebergte moesten voorkomen en we dus geen kans hadden zoet water te vinden. Des te nieuwsgieriger werden we hierdoor naar het toovermiddel waardoor onze chirurgijn dit zoute water in bruikbaar drinkwater zou veranderen. ’t Bleek een wonderlijke methode te zijn, maar hij trok aan ’t werk met een zelfvertrouwen en een beslistheid, alsof hij het zaakje al herhaaldelijk op dezelfde plaats bij de hand had gehad.
Deze opening moest een neger met water vullen.Deze opening moest een neger met water vullen.
Deze opening moest een neger met water vullen.
Twee van onze groote matten nemende, naaide hij die zoo aan elkaar, dat ze een soort van zak vormden die vier voet lang en drie-en-een-halven voet breed was en gevuld, ongeveer anderhalven voet dik zou zijn. Dezen zak moesten we met droog zand vol scheppen en het zoo vast metonze voeten aanstampen als slechts, zonder de matten te scheuren, mogelijk was. Toen we den zak op die manier tot op een voet na van boven gevuld hadden, schepte hij een andere aardsoort waarmee hij de overige ruimte liet aanstampen. Daarop maakte hij in de bovenste laag een opening, ongeveer zoo groot als een hoedebol, maar wat minder diep. Deze opening moest een neger met water vullen en er telkens wanneer het was weggezakt, wat bijgieten, zoodat de holte steeds vol bleef staan. Vooraf had hij zelf den zak op twee stukken hout, ongeveer een voet boven den grond gezet en er een paar van onze waterdichte huiden onder uitgespreid. Na een uur ongeveer—zeker niet eerder—begon het water druppelsgewijzeonder uit den zak te lekken, en tot onze groote blijdschap proefden we dat het volkomen frisch en zoutloos was. Nadat we het eenige uren lang gretig hadden opgevangen, begon het weer eenigszins brak te smaken en moesten we de zakken met nieuw zand vullen.
Den volgenden dag beklommen we met groote inspanning, daar de felle hitte ons alle lichaamsbewegingen tot een last maakte, den hoogsten bergtop om ons te kunnen oriënteeren, en alsof we nog niet genoeg tegenspoed ondervonden hadden, strekte zich, zoover onze oogen reikten, naar ’t zuiden, westen en noordwesten, een afschuwelijke woestenij voor ons uit. Geen boom of beek, ja geen enkel sprietje groen gaf, voor zoover wij ontdekken konden, eenige afwisseling. Evenals het gedeelte dat we achter ons hadden, was de bodem slechts bedekt met een soort van mos, zoo grauw en doodsch van tint, dat het blijkbaar mensch noch dier tot voedsel zou kunnen dienen.
Waren we slechts—zooals bij ’t aanvaarden van onzen eersten woestijntocht—voor een dag of tien, twintig van voedsel en drinkwater voorzien geweest, we waren, zelfs op gevaar af weer terug te moeten trekken, met frisschen moed op marsch gegaan, te meer daar we, in noordelijke richting, hoogstwaarschijnlijk voor dezelfde bodemgesteldheid zouden komen te staan. Maar het totaal gebrek aan levensmiddelen en de onmogelijkheid ze ons te verschaffen, maakten de onderneming geheel onuitvoerbaar.
Wel doodden we aan den voet van ’t gebergtenog eenige wilde dieren, maar behalve een paar die we nooit eerder hadden geschoten, waren ze oneetbaar. Die ons onbekende beesten hielden het midden tusschen een buffel en een hert; ze hadden geen horens, maar de pooten van een koe en den mooien kop en hals van een hert. Een paar maal doodden we ook een tijger en twee jonge leeuwen en een wolf, maar gelukkig waren we nog niet zóó ten einde raad, dat we dit sterk smakende vleesch behoefden te eten.
Bij dit dreigende voedselgebrek kwam ik opnieuw met mijn voorstel aan, om liever noordwaarts te trekken naar den Niger of Rio Grande, dan in westelijke richting naar de Engelsche nederzettingen aan de goudkust; en allen vielen mij bij, met uitzondering van onzen kanonnier die—ofschoon hij zich nu blijkbaar vergist had—toch onze beste gids was. Hij drong ons liever noordwestelijk aan te houden om op die wijze den een of anderen zijtak van den Niger te bereiken, of mogelijk een rivier die aan de Goudkust uitmondde. In beide gevallen konden we ons dan den stroom laten afzakken en met weinig moeite ons doel bereiken. „Buitendien,” besloot hij, „is in de buurt van een rivier het eerst vruchtbaar en bewoond land te verwachten en dus ook de kans ons weer behoorlijk van proviand te voorzien.”
De raad scheen te verstandig om in den wind te slaan; maar vóór alles moesten we beproeven van deverschrikkelijkeplaats waar we ons bevonden weg te komen.
Achter ons lag een woestijn die ons al vijf dagreizengekost had, terwijl we bij gebrek aan vijf dagen leeftocht niet langs denzelfden weg terug konden gaan; en vóór ons strekte zich een nog verlatener landstreek uit. Na lang wikken en wegen besloten we eindelijk langs de oostelijke helling van ’t gebergte, die nog eenige sporen van plantengroei vertoonde, zoover mogelijk naar ’t noorden te trekken en inmiddels vlijtig naar voedsel rond te zien.
Daar we geen tijd te verliezen hadden, zetten we ons den volgenden morgen reeds vroeg in beweging, en tot onze groote verlichting vonden we den middag van dienzelfden dag nog een paar heerlijke zoetwaterbronnen, waaruit we, na onze dorst ruimschoots gelescht te hebben, onze leeren waterflesschen vulden. Ik verzuimde nog te vertellen, dat onze heelmeester die ons zoetwater bezorgd had, ook een paar flinke zakken zout uit die zilte bronnen gewonnen had.
Den derden dag vonden we—geheel onverwachts—levensmiddelen genoeg. Het gebergte wemelde hier namelijk van hazen, die uiterlijk nogal van de Europeesche verschilden, grooter en niet zoo vlug, maar zeer goed van smaak waren. We schoten er verscheiden, en de kleine tamme luipaard, die we uit het verlaten negerdorp hadden meegenomen, bewees ons bij deze jacht goede diensten. Bijna elken dag hielp hij ons er een paar vangen door ze als een goed-gedresseerde hond op te jagen, zonder ze ooit zelf te eten. We zoutten de hazen even, droogden ze in de zon en verzamelden zoo een flinken reisvoorraad—misschienwel een driehonderd stuks—er op rekenend dat we waarschijnlijk in langen tijd niets eetbaars meer zouden vinden.
Nadat we onzen tocht nog een dag of acht zonder buitengewone inspanning hadden voortgezet, merkten we met vreugde op, dat het land om ons heen er minder troosteloos begon uit te zien. Toen een paar van onze mannen met eenige negers de berghelling beklommen om te kijken of het terrein ten westen ook sporen van meer vruchtbaarheid begon te vertoonen, keerden ze echter teleurgesteld terug. Er was nog geen eind aan de woestenij te zien die zich ook noordwaards bleef uitstrekken. Toen we dus den tienden dag een punt bereikten, waar de bergrug een bocht maakte en als ’t ware in de woestijn uitliep, lieten we ’t gebergte in den steek en vervolgden onzen weg naar ’t noorden. Gelukkig kwam hier langzamerhand eenige afwisseling in het landschap. We troffen verschillende boschrijke gedeelten aan, onderbroken door korte stukjes woestijn, tot we ons den negentienden dag, volgens verklaring van onzen kanonnier, op een noorderbreedte van 8° 5′ bevonden.
Ook in deze streek ontmoetten we geen menschelijke ziel; wel een overvloed van wilde dieren, die ons echter—men gewend aan alles—weinig vrees meer inboezemden. Elken morgen en avond zagen we leeuwen en tijgers of luipaarden, maar daar ze zelden vlak bij ons kwamen, lieten we hen ook met rust. Naderden ze ons te dicht naar onzen zin, dan behoefden we maar even wat kruitop een geweerpan te branden en ze gingen verschrikt aan den haal.
Wat levensmiddelen betreft, hadden we ons hier niet te beklagen. Soms schoten we hazen, een anderen keer vogels, maar wat voor soorten het waren zou ik met geen mogelijkheid kunnen zeggen, behalve dat er een soort van patrijs onder voorkwam en een vogel die op een tortel leek. Nu en dan ontmoetten we ook weer kudden olifanten, een dierenreus, die bij voorkeur de boomrijke gedeelten van Afrika opzoekt.
De lang voortgezette tocht vermoeide ons ontzaglijk; twee onzer mannen werden zóó ziek dat we vreesden hen te moeten verliezen, terwijl een sterke neger plotseling stierf. Volgens onzen heelmeester moest hij een beroerte gehad hebben. Een tweede neger was er ook naar aan toe, doch toen hij zich, op aanraden, of feitelijk meer op bevel van onzen dokter had doen aderlaten, genas hij weer.
Terwille van onze zieken maakten we nu twaalf dagen halt en in dien rusttijd overreedde de heelmeester mij en nog drie of vier kameraads, ons ook te doen aderlaten ’t geen, gevoegd bij verschillende andere middelen, er stellig veel toe bijdroeg ons gedurende zoo’n langgerekten tochtineen heet klimaat gezond te houden.
Ook gedurende dezen marsch sloegen we iederen nacht onze matten-tenten op, waarin we ons behaaglijker gevoelden dan onder het bladerdak, dat ons anders op de meeste plaatsen wel zou beschut hebben.
Allervreemdst bleven we het vinden, dat we in deze geheele landstreek geen enkelen inwoner aantroffen. Eerst later vonden we hiervoor een verklaring. We waren namelijk, aanvankelijk naar ’t westen en daarna naar ’t noorden trekkende, te lang in ’t midden van ’t land, in ’t onvruchtbaarste gedeelte gebleven, terwijl de inwoners zich natuurlijk alleen aan de rivieren, meren en in de groene laaglanden in ’t hooge noorden en ’t zuidwesten ophouden.
De beken die we in dit terrein aantroffen, stonden zoo droog dat er, behalve in een poel of kuil hier en daar, nauwelijks van water sprake was. Feitelijk vormden ze niet meer dan kleine afwateringen gedurende den regentijd; stroomend water vonden we nergens. Naar menschelijke berekening zouden we dus waarschijnlijk nog een grooten afstand hebben af te leggen, eer we het Nigerdal konden bereiken. Deze omstandigheid ontmoedigde ons echter volstrekt niet zoolang het ons niet aan levensmiddelen ontbrak en aan een behoorlijke beschutting tegen de hitte, die mij nu nog ondraaglijker voorkwam dan toen de zon recht boven onze hoofden stond.
Zoodra onze zieken hersteld waren, zetten we ons—voldoende van voedsel en water voorzien—weer in beweging. We liepen in noordwestelijke richting, altijd nog hopende een rivier te vinden, die met kano’s bevaarbaar zou zijn, ’t geen ons eerst na twintig dagen gelukte. Van dien tijd hadden we echter zeker een derde deel rustende doorgebracht omdat onze mannen uitgeput raakten.Terwijl de zwakkeren zich zoo goed mogelijk weer herstelden, trokken de sterksten van ons dan met onze negers ter jacht om onzen snel afnemenden mondvoorraad weer wat aan te vullen.
In die twintig dagen kwamen we vier graden verder noordwaarts en ongeveer de breedte van een meridiaan verder naar het westen. Vooral in de houtrijke gedeelten troffen we op deze reis een massa olifantstanden aan, waaronder buitengewoon groote. Hoe kostbaar ook, waren ze geen buit voor ons. We zouden ons noodeloos vermoeid hebben met ze mee te sleepen en moesten er slechts op bedacht zijn proviand te veroveren en onzen weg naar de zee te vinden. Een mooie vette antilope was onder onze omstandigheden vrij wat meer waard geweest dan een scheepslading olifantstanden, maar toch zouden we later, toen we weer bevaarbaar water vonden, graag een groote kano gemaakt hebben, enkel om die met ivoor te beladen. Toen we de tanden zoo in overvloed vonden, wisten we evenwel ook niets van den toestand der rivieren en hadden we natuurlijk geen flauwe voorstelling van de moeilijkheden: de watervallen, stroomversnellingen enz. die we gedurende dat traject zouden hebben te overwinnen, eer we ons zwaar, lastig te vervoeren materiaal naar de plaats zouden hebben gebracht waar wij ons ten slotte konden inschepen.
Aan ’t einde van dien tocht van twintig dagen zagen we op eenigen afstand voor ons een dal, waardoor een rivier stroomde, blijkbaar in noord-noordwestelijke richting, juist dus zooals we wenschten, en daar we sinds lang op de mogelijkheidvan een tochtje te water gehoopt hadden, waren we ’t er allen over eens het hier te gaan probeeren en marcheerden we met versnelden pas op het dal toe.
Tusschen het punt waar we ons bevonden en de rivier, lag een van die kleine boschjes die we al meer in deze streek ontmoet hadden, en toen we er zonder een zweem van argwaan of onrust langs trokken, werd een onzer negers plotseling gevaarlijk door een pijl gewond, juist tusschen de schouderbladen. We hielden natuurlijk onmiddellijk halt, wezen drie onzer mannen en twee negers aan om het struikgewas te doorzoeken en wachtten in spanning den uitslag af, terwijl onze heelmeester den gewonde hielp. Het duurde niet lang of onze mannen kwamen met het bericht terug dat ze een neger met een boog, zonder pijl ontdekt hadden, die getracht had zich haastig uit de voeten te maken. Een onzer matrozen schoot hem echter neer, waardoor ons de gelegenheid ontging hem gevangen te nemen en misschien waardevolle dingen van hem te weten te komen.
Dienzelfden dag kwamen we bij vijf negerhutten, geheel anders gebouwd dan de soorten die we vroeger gezien hadden. Aan de deur van een dier hutten lagen zeven olifant standen tegen den wand der hut gestapeld, alsof ze bestemd waren om ter markt gebracht te worden. Mannen zagen we niet bij de woningen, enkel een zevental vrouwen en ongeveer twintig kinderen. Besloten hun vriendelijk te behandelen, gaven we elk der vrouwen een dun stukje geslagen zilver in den vorm van een kruisof een vogeltje, waarop ze ons in hun kinderlijke blijdschap, allerlei levensmiddelen aanbrachten, die ons tot nu toe onbekend waren, o.a. een soort van koeken die uit wortelmeel bereid, en in de zon gebakken waren en lang niet kwaad smaakten.
Een eindje verder sloegen we ons nachtkwartier op, vertrouwende dat onze vriendelijkheid tegenover de vrouwen niet zou nalaten de mannen bij hun thuiskomst gunstig voor ons te stemmen.
En werkelijk, den volgenden morgen kwam een gezelschap, bestaande uit de zeven vrouwen, elf mannen, vijf jongens en twee groote meisjes op ons kamp af.
Op korten afstand van onze hutten halt houdende, hieven de vrouwen een eigenaardig gekrijsch aan als om ons naar buiten te roepen, en toen we hieraan gevolg gaven, hielden twee der negerinnen de sieraden omhoog die we hun geschonken hadden, wezen daarna op het troepje achter hen en begonnen allerlei teekenen te maken, die onmiskenbaar hun vriendelijke gezindheid moesten vertolken. Daarna kwamen de mannen naar ons toe, legden pijl en boog op den grond, bogen zich diep ter aarde, bestrooiden hun hoofden met zand en draaiden—de handen op het hoofd houdende—driemaal in de rondte, ’t geen een plechtige betuiging van vriendschap scheen te zijn. Toen we hen wenkten naderbij te treden, zonden ze eerst de jongens en meisjes op ons af, met nog meer koeken en eetbare kruiden. Nadat we de goede gaven in ontvangst hadden genomen, tilden we een paar der kinderen omhoog om hen te kussen, waaropde mannen eindelijk het oogenblik gekomen schenen ons geheel te vertrouwen, naar ons toe te komen en op den grond bij ons neer te hurken, ons beduidende hun voorbeeld te volgen. Hierop volgde een levendig gesprek tusschen de inboorlingen, waarvan we geen enkelen klank begrepen, terwijl onze woorden hun natuurlijk even onverstaanbaar waren. Van ’t verkrijgen van eenige inlichting omtrent den te volgen weg, was dus geen sprake. ’t Eenige wat hen duidelijk scheen, was dat we voedsel noodig hadden. Even nadat we hun dit aan ’t verstand hadden gebracht, zag ik een der negers een oogenblik onafgewend naar een heuvelhelling turen, die wel ongeveer een kwartier gaans van ons verwijderd moest zijn. Opeens sprong hij overeind, liep naar de plek waar ze hun wapens hadden neergelegd, greep een boog met twee pijlen en joeg als een renpaard naar den heuvel. Daar aangekomen schoot hij zijn beide pijlen af en vloog met dezelfde haast weer naar ons toe. Daar we zagen dat hij met den boog alleen, zonder pijlen, terugkwam, werden we nog nieuwsgieriger, doch hij sprak geen woord, wenkte alleen een van onze negers hem te volgen, wat deze op ons bevel deed en voerde hem mee naar de berghelling, waar een door zijn pijlen geraakte antilope stervend op den grond lag. Met vereende krachten brachten ze ons toen het dier, dat ons buitengewoon welkom was, daar onze proviand sterk verminderde.
Den volgenden dag kwamen er wel een honderd mannen en vrouwen naar ons toe, die ons opallerlei vreemdsoortige manieren hun vriendschap betuigden. Ze dansten voor ons, grijnsden ons vriendelijk aan en gaven ons al wat ze maar hadden. ’t Bleef ons onverklaarbaar hoe de neger in ’t bosch op den vijandigen inval gekomen was, zonder eenige aanleiding op een onzer zwarten te schieten, daar deze inboorlingen zich overigens van zoo’n gunstigen, welwillenden kant lieten kennen.
Van hier trokken we naar den oever der kleine rivier, die we sinds lang in ’t oog hadden, en nu bleek al heel gauw dat we in een steeds dichter bevolkte streek geraakten, door groote negerstammen bewoond, omtrent wier houding ten opzichte van ons we natuurlijk geheel in ’t onzekere verkeerden.
Voorloopig konden we ons plan de rivier te bevaren, helaas nog niet ten uitvoer brengen, en we waren zeker vijf dagen langs den oever verder getrokken, eer onze timmerman, meenende dat het water langzamerhand genoeg diepte had gekregen, ons voorstelde nu onze tenten op te slaan en kano’s te gaan maken. We trokken met ijver aan den arbeid en hadden al een dag of vier aan ’t omhouwen van eenige geschikte boomen besteed, toen een paar onzer matrozen van een excursie stroomafwaarts terugkeerden met de ongelukstijding dat de rivier eerder ondieper dan dieper werd en wel geheel in ’t zand scheen te verloopen of door de hitte te verdampen.
Tot onze bittere teleurstelling moesten we dus opnieuw van ’t aanlokkelijke kanoplan afzien en te voet verder trekken.
Van nu af aan reisden we drie dagen lang inzuiver westelijke richting, daar het land in ’t noorden buitengewoon bergachtig bleek en de grond zoo dor en vol spleten als we ’t nog niet gezien hadden. Daarentegen vonden we naar ’t westen toe, een vriendelijk dal dat tusschen twee hooge bergruggen lag ingesloten. De bergen aan weerskanten zagen er afschrikwekkend kaal uit, er was geen sprietje of struikje op te bekennen, maar in de vallei groeide overvloed van gras en lage boomen en troffen we eetbare dieren en zelfs eenige menschelijke bewoners aan. Nu en dan kwamen we een paar hutten dier inboorlingen voorbij, maar zoodra de zwarten ons zagen naderen, vluchtten ze in de bergen. Aan het einde van het dal geraakten we in een dicht bevolkte streek, ’t geen ons even in tweestrijd bracht of we er midden doorheen zouden trekken, dan wel ons aan de bergen houden, die meer noordelijk liepen; en daar ons doel bleef zoo mogelijk den Niger te bereiken, besloten wij tot het laatste en sloegen we, na ’t compas te hebben geraadpleegd, de noordwestelijke richting in.
Op deze wijze trokken we, zonder onderbreking, zeven dagen verder, na welk tijdsverloop we tot de ontdekking van een toestand kwamen, die nog veel troosteloozer en moeilijker was dan de omstandigheden waarin wij ons hadden bevonden.
Behalve wanneer we hen voor de aanvulling onzer provisie of om ons te orienteeren noodig hadden, zochten we geen aanraking met de bevolking die vooral naar het zuiden toe, dus links van ons, tamelijk dicht bleek.
Hoewel we over ’t geheel voldoende voedsel konden vergaren, kwam het toch menigmaal zeer krap aan, en met blijdschap begroetten we eindelijk een frisch stroomend water, dat wel nauwelijks groot genoeg was om rivier te noemen, doch in noord-noordwestelijke richting liep, dus ons uitstekend te pas kwam.
Aan den anderen kant van dit water zagen we een paar negerhutten en in een klein dal een veldje mais of Indiaansch koren, ’t geen ons dadelijk op de gedachte bracht, dat hier een meer ontwikkelde stam moest wonen dan we over ’t geheel hadden aangetroffen.
Terwijl onze kleine karavaan regelmatig opgesteld verder marcheerde, riepen plotseling de negers die in ’t voorste gelid liepen, dat ze een „witman” zagen. ’t Eerste oogenblik waren we niet buitengewoon verwonderd, overtuigd dat de zwartjes zich vergist moesten hebben, maar toen ik, naar hen toegaande, vroeg, wat ze eigenlijk bedoelden, wezen ze opgewonden naar een hut aan den anderen oever, waar ik werkelijk een blanke onderscheidde. De man stond, geheel naakt, bij den ingang der hut, diep voorovergebogen met iets in zijn hand, een werktuig blijkbaar, waarmee hij bezig was, en met zijn rug naar ons toegekeerd, zoodat hij ons niet zien kon.
Ik beduidde den negers geen lawaai te maken en wachtte tot de anderen ons hadden ingehaald om hen te kunnen overtuigen dat hier geen sprake was van een vergissing. Op dit oogenblik scheen de blanke onze nadering te bespeuren; hij richttezich als verschrikt op, en tuurde naar ons, blijkbaar niet minder verrast dan wij zelve en naar ’t mij voorkwam, eerder angstig dan blij.
’t Duurde niet lang of ook de overige bewoners kregen ons in ’t oog en allen liepen aan den anderen kant der breede beek te hoop, niet wetende, zooals de blanke ons later vertelde, of ze zouden blijven wachten of vluchten.
Als er blanken onder hen leven, dacht ik, moet het ons natuurlijk veel gemakkelijker vallen ons met hen te verstaan dan met de overige negerbevolking, en dus bond ik een witten lap aan een stok en zond er twee negers meetot aanden oever, hen bevelende dit vredesteeken flink omhoog te houden. Het signaal werd onmiddellijk begrepen, en de blanke trad met twee negers zoo dicht mogelijk aan den anderen zoom.
Daar de man echter geen Portugeesch sprak, konden ze elkaar slechts door gebaren en teekens eenigszins verstaan, maar onze negers beduidden hem dat er ook blanken bij ons gezelschap waren, waarop de „witman” zooals ze mij vertelden, gelachen had. Na korten tijd kwamen onze negers terug met het bericht dat het allemaal goede vrienden waren, en na een poos begaven zich vier der onzen met twee inboorlingen en den Zwarten Prins naar den oever om zich nader met den blanke in verbinding te stellen.
Geen tien minuten zullen verloopen zijn geweest of een der negers kwam naar mij toegerend met het bericht dat de „witman” een „Inglese” was zooals hij hem noemde, waarop ik zoo gauw ikkon met hem naar de beek terugliep om werkelijk in den naakten vreemdeling een landgenoot te vinden. De man geraakte geheel van streek en drukte mij diep ontroerd beide handen, terwijl de tranen hem langs het gezicht stroomden. Eer wij hem bij de beek ontmoetten, was de eerste verbazing over onze komst al voorbij, maar ieder kan er zich wel een voorstelling van maken, die het verhaal hoort van zijn allerellendigste omstandigheden en zijn wonderbaarlijke redding, zóó wonderbaarlijk als geen tweede mensch ter wereld misschien beleefde, want het was duizend tegen één, dat hij ooit uit dien vreeselijken toestand verlost zou zijn geworden, wanneer wij niet na al onze ongehoorde lotgevallen als door een wonder met hem in aanraking waren gekomen.
Uit allerlei kleinigheden: zijn houding, zijn wijze van spreken, zijn geheele optreden, bleek mij dat hij een man van goede afkomst was, zelfs in zijn barbaarsche omgeving had hij het stempel der beschaving niet verloren.
Naar schatting moest hij een kleine veertig jaar oud zijn, hoewel zijn lange baard en het slordige haar, dat voor een deel rug en borst bedekte, hem ouder deden schijnen. Zijn teere huid was geheel verbrand en hier en daar met blaren en schilfers bedekt door de felle hitte der zon. Sedert ruim twee jaar had hij het al, zooals hij ons vertelde, geheel zonder kleeren moeten stellen.
De zenuwachtige blijdschap over onze ontmoeting wond hem zóó op, dat hij nauwelijks in staat was den eersten dag rustig met ons te praten, en toenwe hem, een paar uur na ons korte gesprek, alleen zagen rondloopen, maakte hij de dolste gebaren en bewegingen als om zijn niet te beheerschen blijdschap lucht te geven. Ja, zelfs nog dagen later sprongen hem telkens weer opnieuw de tranen in de oogen, wanneer we het onderwerp van onze gelukkige ontmoeting—en altijd kwamen we daarop terug—maar aanroerden.
Trad zijn beschaafde aard aan den dag.Trad zijn beschaafde aard aan den dag.
Trad zijn beschaafde aard aan den dag.
Steeds meer leerden we hem als een beleefd, goedhartig en edel mensch kennen. In al wat hij deed of zei de, trad zijn beschaafde aard aan den dag, en onze mannen toonden zich bijzonder met hem ingenomen. Hij had een hoogeschool bezocht, was een goed wiskunstenaar en kon, al had hij dan geen Portugeesch geleerd, Latijn spreken metonzen chirurg, Fransch met een onzer matrozen en Italiaansch met een ander.
Aanvankelijk bleek hij te onrustig van geest om ons te vragen waar we vandaan kwamen, hoe we in zulk een eenzamen streek waren verzeild en wat wel het doel van onzen tocht kon zijn; één ding scheen hém genoeg: dat wij als door den hemel gezonden waren om hem te verlossen uit de ellendigste positie waarin een mensch ooit kon gebracht worden.