Vechtzang,VOOR JOFFROUWMARIA TESSELSCHADE.WIJZE: DROEFHEID MAG IK WEL KLAGEN.De vleyende Sireen,Wiens zang en vedelsnaarVerlokten naar beneênDen fieren Adelaar[1];Die met zijn wieken hing,Daar zang zijn hart bekneep,Tot hij verslingerd vingHet keeltje, dat hem greep;Dees op den oever stond,Daar Glaukus[2], heet van min,Kust en herkust den mondDer blanke stroomgodin[3],Die in zijn armen glijdt,En zijgt van liever leê,En voegt haar bruidschat bij't Rijk hyliksgoed der zee.Pan zangziek, op dat pas,Had Dafnis laten noôn,En, om te luistren, wasHier Tityr mede ontboôn.Zij hukte neêr in 't groen,Daar, van een hoogen wal,Het oog moogt ronde doen,En weyen overal.Toen sloeg haar keel geluid;Help God, wat zoeter zang!Zwijg, Tityrs boerefluit!Wat was hier een gedrangVan ooren, om dit liedTe vangen in de lucht,Toen tot haar neigde riet,Geboomte, en vogelvlucht."Ach, Dafnis!" zong zij, "ach!Wat gaat u, ridder, aan[4]?Zoo dit uw moeder zag,Het haar te berg zou staan.Is 't groen, daar gij op staat,Dan te eng en veel te naauw,Dat gy 't verwislen gaatVoor 't wilde woeste blaauw[5]?Verzin eer gij begint,En hoû uw oude buurt;Denk wat de zee verslindt,Als zij den afgrond schuurt,En gaapt den Hemel toe,En grimt, dat alle GoônOptrekken[6], schrikkens moê,Hun aangevochten troon.Wat is hij overstout,Die leven, lijf, en zielDen lichten wind betrouwt,Op 't drijven van een kiel:En stuift ter wereld uit,Daar lood geen gronden peilt:Daar 't schip aan starren stuit,En door de klippen zeilt.Nog hiel ik 't u te goê,Indien uw trotsche moedNiet reedde een oorloog toe;O gruwel! op den vloed,Op grondeloozen plasTe vechten, lijf om lijf!Die bodem is van glas,O reuzen, treedt niet stijf[7]!Te lande is vluchtens troost;De wanhoop drijft in 't schuim.Och, of gij 't land verkoost!Gij schudt helmet en pluim,En slaat mijn beden af.Wel aan, ik neem geduld;Gij kiest dan 't levend graf,En ik blijf zonder schuld.Ten minste, denk om mij,Wanneer gij, als Jupijn,Zult, op uw vijands zij,Met bliksems woênde zijn,En Hollands zeebanierMet hoop van zege voên,En braken vlam en vierIn 's konings galioen.Dan denk eens, hoe 't mij kruist,Als gij den Spanjaart tart,Met 't slagzwaard in de vuist;En duî 't zorgvuldig[8]hartVan uw Sireen dien raad[9]Altijd ten beste na;Mits ik uw schipbreuk haat,Niet naar uw leven sta[10]."[1]Klankspeling op den naam van Tesselschade's verloofde,AllartKrombalg.[2]Een der mindere Zeegoden, en hier dus voor de Zuiderzee, aan den mond der Vecht, optredend.[3]De Vecht.[4]Krombalg was zeeman, en op 't punt om ten oorlog uit te zeilen (zie vervolgens).[5]Min gelukkige tegenstelling van beide kleuren, voor de daarmeê aangeduide ruimten, zee en land.[6]op hooger plaats, in veiligheid stellen.[7]voorzichtig.[8]Voorzorgvol, bezorgd.[9]Bovengemelden, van om haar te denken.[10]Uw dood niet wensch.
WIJZE: DROEFHEID MAG IK WEL KLAGEN.
De vleyende Sireen,Wiens zang en vedelsnaarVerlokten naar beneênDen fieren Adelaar[1];Die met zijn wieken hing,Daar zang zijn hart bekneep,Tot hij verslingerd vingHet keeltje, dat hem greep;Dees op den oever stond,Daar Glaukus[2], heet van min,Kust en herkust den mondDer blanke stroomgodin[3],Die in zijn armen glijdt,En zijgt van liever leê,En voegt haar bruidschat bij't Rijk hyliksgoed der zee.Pan zangziek, op dat pas,Had Dafnis laten noôn,En, om te luistren, wasHier Tityr mede ontboôn.Zij hukte neêr in 't groen,Daar, van een hoogen wal,Het oog moogt ronde doen,En weyen overal.Toen sloeg haar keel geluid;Help God, wat zoeter zang!Zwijg, Tityrs boerefluit!Wat was hier een gedrangVan ooren, om dit liedTe vangen in de lucht,Toen tot haar neigde riet,Geboomte, en vogelvlucht."Ach, Dafnis!" zong zij, "ach!Wat gaat u, ridder, aan[4]?Zoo dit uw moeder zag,Het haar te berg zou staan.Is 't groen, daar gij op staat,Dan te eng en veel te naauw,Dat gy 't verwislen gaatVoor 't wilde woeste blaauw[5]?Verzin eer gij begint,En hoû uw oude buurt;Denk wat de zee verslindt,Als zij den afgrond schuurt,En gaapt den Hemel toe,En grimt, dat alle GoônOptrekken[6], schrikkens moê,Hun aangevochten troon.Wat is hij overstout,Die leven, lijf, en zielDen lichten wind betrouwt,Op 't drijven van een kiel:En stuift ter wereld uit,Daar lood geen gronden peilt:Daar 't schip aan starren stuit,En door de klippen zeilt.Nog hiel ik 't u te goê,Indien uw trotsche moedNiet reedde een oorloog toe;O gruwel! op den vloed,Op grondeloozen plasTe vechten, lijf om lijf!Die bodem is van glas,O reuzen, treedt niet stijf[7]!Te lande is vluchtens troost;De wanhoop drijft in 't schuim.Och, of gij 't land verkoost!Gij schudt helmet en pluim,En slaat mijn beden af.Wel aan, ik neem geduld;Gij kiest dan 't levend graf,En ik blijf zonder schuld.Ten minste, denk om mij,Wanneer gij, als Jupijn,Zult, op uw vijands zij,Met bliksems woênde zijn,En Hollands zeebanierMet hoop van zege voên,En braken vlam en vierIn 's konings galioen.Dan denk eens, hoe 't mij kruist,Als gij den Spanjaart tart,Met 't slagzwaard in de vuist;En duî 't zorgvuldig[8]hartVan uw Sireen dien raad[9]Altijd ten beste na;Mits ik uw schipbreuk haat,Niet naar uw leven sta[10]."
De vleyende Sireen,Wiens zang en vedelsnaarVerlokten naar beneênDen fieren Adelaar[1];Die met zijn wieken hing,Daar zang zijn hart bekneep,Tot hij verslingerd vingHet keeltje, dat hem greep;Dees op den oever stond,Daar Glaukus[2], heet van min,Kust en herkust den mondDer blanke stroomgodin[3],Die in zijn armen glijdt,En zijgt van liever leê,En voegt haar bruidschat bij't Rijk hyliksgoed der zee.Pan zangziek, op dat pas,Had Dafnis laten noôn,En, om te luistren, wasHier Tityr mede ontboôn.Zij hukte neêr in 't groen,Daar, van een hoogen wal,Het oog moogt ronde doen,En weyen overal.Toen sloeg haar keel geluid;Help God, wat zoeter zang!Zwijg, Tityrs boerefluit!Wat was hier een gedrangVan ooren, om dit liedTe vangen in de lucht,Toen tot haar neigde riet,Geboomte, en vogelvlucht."Ach, Dafnis!" zong zij, "ach!Wat gaat u, ridder, aan[4]?Zoo dit uw moeder zag,Het haar te berg zou staan.Is 't groen, daar gij op staat,Dan te eng en veel te naauw,Dat gy 't verwislen gaatVoor 't wilde woeste blaauw[5]?Verzin eer gij begint,En hoû uw oude buurt;Denk wat de zee verslindt,Als zij den afgrond schuurt,En gaapt den Hemel toe,En grimt, dat alle GoônOptrekken[6], schrikkens moê,Hun aangevochten troon.Wat is hij overstout,Die leven, lijf, en zielDen lichten wind betrouwt,Op 't drijven van een kiel:En stuift ter wereld uit,Daar lood geen gronden peilt:Daar 't schip aan starren stuit,En door de klippen zeilt.Nog hiel ik 't u te goê,Indien uw trotsche moedNiet reedde een oorloog toe;O gruwel! op den vloed,Op grondeloozen plasTe vechten, lijf om lijf!Die bodem is van glas,O reuzen, treedt niet stijf[7]!Te lande is vluchtens troost;De wanhoop drijft in 't schuim.Och, of gij 't land verkoost!Gij schudt helmet en pluim,En slaat mijn beden af.Wel aan, ik neem geduld;Gij kiest dan 't levend graf,En ik blijf zonder schuld.Ten minste, denk om mij,Wanneer gij, als Jupijn,Zult, op uw vijands zij,Met bliksems woênde zijn,En Hollands zeebanierMet hoop van zege voên,En braken vlam en vierIn 's konings galioen.Dan denk eens, hoe 't mij kruist,Als gij den Spanjaart tart,Met 't slagzwaard in de vuist;En duî 't zorgvuldig[8]hartVan uw Sireen dien raad[9]Altijd ten beste na;Mits ik uw schipbreuk haat,Niet naar uw leven sta[10]."
De vleyende Sireen,Wiens zang en vedelsnaarVerlokten naar beneênDen fieren Adelaar[1];Die met zijn wieken hing,Daar zang zijn hart bekneep,Tot hij verslingerd vingHet keeltje, dat hem greep;
De vleyende Sireen,
Wiens zang en vedelsnaar
Verlokten naar beneên
Den fieren Adelaar[1];
Die met zijn wieken hing,
Daar zang zijn hart bekneep,
Tot hij verslingerd ving
Het keeltje, dat hem greep;
Dees op den oever stond,Daar Glaukus[2], heet van min,Kust en herkust den mondDer blanke stroomgodin[3],Die in zijn armen glijdt,En zijgt van liever leê,En voegt haar bruidschat bij't Rijk hyliksgoed der zee.
Dees op den oever stond,
Daar Glaukus[2], heet van min,
Kust en herkust den mond
Der blanke stroomgodin[3],
Die in zijn armen glijdt,
En zijgt van liever leê,
En voegt haar bruidschat bij
't Rijk hyliksgoed der zee.
Pan zangziek, op dat pas,Had Dafnis laten noôn,En, om te luistren, wasHier Tityr mede ontboôn.Zij hukte neêr in 't groen,Daar, van een hoogen wal,Het oog moogt ronde doen,En weyen overal.
Pan zangziek, op dat pas,
Had Dafnis laten noôn,
En, om te luistren, was
Hier Tityr mede ontboôn.
Zij hukte neêr in 't groen,
Daar, van een hoogen wal,
Het oog moogt ronde doen,
En weyen overal.
Toen sloeg haar keel geluid;Help God, wat zoeter zang!Zwijg, Tityrs boerefluit!Wat was hier een gedrangVan ooren, om dit liedTe vangen in de lucht,Toen tot haar neigde riet,Geboomte, en vogelvlucht.
Toen sloeg haar keel geluid;
Help God, wat zoeter zang!
Zwijg, Tityrs boerefluit!
Wat was hier een gedrang
Van ooren, om dit lied
Te vangen in de lucht,
Toen tot haar neigde riet,
Geboomte, en vogelvlucht.
"Ach, Dafnis!" zong zij, "ach!Wat gaat u, ridder, aan[4]?Zoo dit uw moeder zag,Het haar te berg zou staan.Is 't groen, daar gij op staat,Dan te eng en veel te naauw,Dat gy 't verwislen gaatVoor 't wilde woeste blaauw[5]?
"Ach, Dafnis!" zong zij, "ach!
Wat gaat u, ridder, aan[4]?
Zoo dit uw moeder zag,
Het haar te berg zou staan.
Is 't groen, daar gij op staat,
Dan te eng en veel te naauw,
Dat gy 't verwislen gaat
Voor 't wilde woeste blaauw[5]?
Verzin eer gij begint,En hoû uw oude buurt;Denk wat de zee verslindt,Als zij den afgrond schuurt,En gaapt den Hemel toe,En grimt, dat alle GoônOptrekken[6], schrikkens moê,Hun aangevochten troon.
Verzin eer gij begint,
En hoû uw oude buurt;
Denk wat de zee verslindt,
Als zij den afgrond schuurt,
En gaapt den Hemel toe,
En grimt, dat alle Goôn
Optrekken[6], schrikkens moê,
Hun aangevochten troon.
Wat is hij overstout,Die leven, lijf, en zielDen lichten wind betrouwt,Op 't drijven van een kiel:En stuift ter wereld uit,Daar lood geen gronden peilt:Daar 't schip aan starren stuit,En door de klippen zeilt.
Wat is hij overstout,
Die leven, lijf, en ziel
Den lichten wind betrouwt,
Op 't drijven van een kiel:
En stuift ter wereld uit,
Daar lood geen gronden peilt:
Daar 't schip aan starren stuit,
En door de klippen zeilt.
Nog hiel ik 't u te goê,Indien uw trotsche moedNiet reedde een oorloog toe;O gruwel! op den vloed,Op grondeloozen plasTe vechten, lijf om lijf!Die bodem is van glas,O reuzen, treedt niet stijf[7]!
Nog hiel ik 't u te goê,
Indien uw trotsche moed
Niet reedde een oorloog toe;
O gruwel! op den vloed,
Op grondeloozen plas
Te vechten, lijf om lijf!
Die bodem is van glas,
O reuzen, treedt niet stijf[7]!
Te lande is vluchtens troost;De wanhoop drijft in 't schuim.Och, of gij 't land verkoost!Gij schudt helmet en pluim,En slaat mijn beden af.Wel aan, ik neem geduld;Gij kiest dan 't levend graf,En ik blijf zonder schuld.
Te lande is vluchtens troost;
De wanhoop drijft in 't schuim.
Och, of gij 't land verkoost!
Gij schudt helmet en pluim,
En slaat mijn beden af.
Wel aan, ik neem geduld;
Gij kiest dan 't levend graf,
En ik blijf zonder schuld.
Ten minste, denk om mij,Wanneer gij, als Jupijn,Zult, op uw vijands zij,Met bliksems woênde zijn,En Hollands zeebanierMet hoop van zege voên,En braken vlam en vierIn 's konings galioen.
Ten minste, denk om mij,
Wanneer gij, als Jupijn,
Zult, op uw vijands zij,
Met bliksems woênde zijn,
En Hollands zeebanier
Met hoop van zege voên,
En braken vlam en vier
In 's konings galioen.
Dan denk eens, hoe 't mij kruist,Als gij den Spanjaart tart,Met 't slagzwaard in de vuist;En duî 't zorgvuldig[8]hartVan uw Sireen dien raad[9]Altijd ten beste na;Mits ik uw schipbreuk haat,Niet naar uw leven sta[10]."
Dan denk eens, hoe 't mij kruist,
Als gij den Spanjaart tart,
Met 't slagzwaard in de vuist;
En duî 't zorgvuldig[8]hart
Van uw Sireen dien raad[9]
Altijd ten beste na;
Mits ik uw schipbreuk haat,
Niet naar uw leven sta[10]."
[1]Klankspeling op den naam van Tesselschade's verloofde,AllartKrombalg.
[1]Klankspeling op den naam van Tesselschade's verloofde,AllartKrombalg.
[2]Een der mindere Zeegoden, en hier dus voor de Zuiderzee, aan den mond der Vecht, optredend.
[2]Een der mindere Zeegoden, en hier dus voor de Zuiderzee, aan den mond der Vecht, optredend.
[3]De Vecht.
[3]De Vecht.
[4]Krombalg was zeeman, en op 't punt om ten oorlog uit te zeilen (zie vervolgens).
[4]Krombalg was zeeman, en op 't punt om ten oorlog uit te zeilen (zie vervolgens).
[5]Min gelukkige tegenstelling van beide kleuren, voor de daarmeê aangeduide ruimten, zee en land.
[5]Min gelukkige tegenstelling van beide kleuren, voor de daarmeê aangeduide ruimten, zee en land.
[6]op hooger plaats, in veiligheid stellen.
[6]op hooger plaats, in veiligheid stellen.
[7]voorzichtig.
[7]voorzichtig.
[8]Voorzorgvol, bezorgd.
[8]Voorzorgvol, bezorgd.
[9]Bovengemelden, van om haar te denken.
[9]Bovengemelden, van om haar te denken.
[10]Uw dood niet wensch.
[10]Uw dood niet wensch.