DE VIERDE HANDEL.HELENE, ANDROMACHE, HECUBA.HELENE.Wat bruiloft doodsch en droef, met kermen, bloed, en moord,En klachten wordt gevierd, daarvan, na[211]recht, behoort't Beleid toe aan Heleen. Mij derf men nog beladen,Om den verdelgden Frijg in 't uiterst te beschaden;Aan mij beveelt men nog te boodschappen 't geveinsdEn ijdel huwelijk van Pyrrhus, en op 't reinst[212]De bruid, na Grieksche wijs, te cieren en te kleeden.Prins Paris' zuster wordt door mijne trekken hedenMisleid, en raakt om hals door mijn versierd[213]bedrog.Verschalkt ze vrij, ik acht zulks voor haar 't lichtste nog.'t Is een gewenschte dood te sterven, zonder schrikkenVoor 't lijden van de dood. Wat draalt ge te beschikkenHetgeen u is belast? De stichter draagt de schuldVan 't opgedrongen kwaad. Uw jammer is vervuld,O welgeboorne maagd, van Dardans bloed gesproten!Een milder God heeft u, die deerlijk waart verstooten,Goedgunstig aangezien, en is vast bezig, omTe schenken aan uw jeugd een zaalgen bruidegom;Al heerschte Priam zelf, schoon Trojens muren stonden,Tot zulk een huwelijk zij u niet brengen konden:Want d' overkijker[214]zelf van d' eedle Grieksche stamU tot het heilig recht van kuische minnevlamEn wettig bed verzoekt, wiens breed gebied gelegenIs aan 't Thessalisch veld. O, welk een groote zegen!De groote Thetis, en zoo menige GodesVan 't zoute pekelschuim, daartoe de zeeprincesVrouw Tethys, de voogdes van de opgeblazen baren,U voor haar aangehuwde en eigen pand verklaren,En Peleus, als gij nu zijt Pyrrhus wederga,U noemen zal zijn' snaar[215], en Nereus even na.Leg af 't bezwalkt gewaad, trek weder aan een statig,Verleer slavin te zijn, weest niet zoo ongelatig[216];Strijk neêr 't gerezen haar, duld, dat het word' geschikt,En met een aardig' hand getooid en opgeflikt.Dit[217]ramp misschien u voert tot hoogren staat en orden,'t Heeft velen nut geweest des vijands roof te worden.ANDROMACHE.Te schaatren eens van vreugd was 't eenig onheil, datDen Frygen nog ontbrak, en d' uitgerooide stad,'t Geslechte Pergamum vast brandt aan allen hoeken.O tijd van hijliken! maakt iemand zich te zoeken?Zoude iemand weigeren te treên na 't bruiloftsbed,Daar 't lief juweel toe raadt, Heleen! 't bederf, de smetDer beide volleken? Ziet eenmaal[218]doch met weenenDie vorstengrafsteên aan, deze onbegrave beenenLangs 't veld gezaaid: die heeft uw bruiloftsfeest verspreid!Om u men 't Aziaansche, om u men 't vaak beschreidEuropisch heldenbloed, al sissende, zag storten;Als gij koelmoedig[219]zaagt de mannen t' zamenhorten,Onzeker wien ge droegt. Vaart voorts, en maakt met groenDe bruiloftskamer toe. Wat is er toorts van doen,Of fakkel na gewoonte, of vier? Laat Troje uitrichtenDien dienst, en met zijn' vlam 't nieuw bruiloftsbed toelichten.Trojaansche borger! viert, viert Pyrrhus' huwlijksfeest,Ja, viert ze na waardij, dat 's met een bangen geest;Maakt droefheid en misbaar!HELENE.Hoewel de groote smarteIn geene rede staat, noch wordt vermorwd in 't harte,Ja, boven dat nog vaak haar' rouwgenooten haat;Zoo is het evenwel, dat zoo mijn zake staat,Dat ik ze nimmermeer te pleiten mij zal schromen,Al was de rechter schoon met gramschap ingenomen.'k En loochen niet, dat u wel overkomen zijOndragelijke smart; maar 't staat u echter vrij,Dat gij Priaam, en gij uw Hector moogt beweenen;Maar ik, helaas! ik moet in 't heimelijk bestenenMijn Paris, dien ik mis. 't Is een ondraaglijk juk,In slavernij te zijn; dat heb ik ook, met druk,Als een gevange vrouw, tien jaren lang gedragen.Uw Trojen leît ter neêr, d' Huisgoden zijn verslagen,'t Is wel een zwaar verlies het derven zijner stad;Maar zwaarder ik mijn vrees, dan alle rampen schat.'t Gezelschap in uw kwaad uw smart wat kan vergoeden,Op mij verwinner beide en overwonne woeden.'t Heeft in onzekre kans nu langen tijd gestaan,Wie dat een' ieder zou voor zijn slavin ontvaân,Mij kreeg terstond mijn heer, en zonder eenig loten.De krijg, verwijt gij mij, is eerst uit mij gesproten:Eene oorzaak van 't verdriet, dat Trojen overviel;Dit zou zoo wezen, waar 't dat onz' Spartaansche kielUw zeên eerst kloofde. Maar zoo de Trojaansche vechterMij roofde, als Venus mij geschonken had den rechter,Zoo weet het Paris dank. Mijn zaak zal vinden welEen scheidsman, maar helaas! voor mij niet dan te fel.'t Is Menelaüs, die hier over recht zal spreken.Wilt nu, Andromache! uw treuren doch wat breken,En murwen het gemoed van dees bedrukte vrouw[220],De tranen dringen mij ten oogen uit van rouw.ANDROMACHE.'t Moet zijn een groot verdriet, dat ons Heleen doet schreyen,Wat doet haar doch aldus de vochte tranen spreyen?Zeg op, zeg op! waar is Ulysses nu op uit?Wat schelmstuk, of wat list is eindlijk zijn besluit?Zeg op, hoe dat men zal met d' arme dochter leven:Zal zij met volle kracht heronder[221]zijn gedrevenVan Ida's toppen, daar hij rijst met heuvelkruin?Of zal een wreed soldaat haar schieten[222], steil en schuin,Van 's onlangs hoogen burgs verre uitgesteke klippen?Of zal ze in 't woeste meer afwentlen van de tippen,Die Trojens voorgebergt, met zijn gespouwe[223]zij'En lenden steekt om hoog, zoo dik en vaak als hijZiet alsins overheer[224]d' inhammen, licht om gronden?Zeg op, wat uw gelaat bedekt voor looze vonden.Dat Pyrrhus zwager wordt van Hecube en Priaam,Gaat boven alle ramp. Nu geef de straffe een naam.Zeg op, wat jammer gij ons wijders toe wilt zenden.Beneem dit eenig leed al overige ellenden,Dat's d' ijdle en valsche waan vol twijfelmoedigheid,En deze onzekre hoop. Gij ziet, wij zijn bereid,Den jongsten slag des doods geduldelijk te lijen.HELENE.Och, of der Goden tolk mij toeliet af te snijen't Verlet van 't hatig licht, of, voor Achilles' graf,Door Pyrrhus' woedend' hand, als speelnoot van uw straf[225]En droevig ongeluk, te sneuvlen met den zwaarde!Helaas, Polyxena! wiens schoonheid de vermaardeAchilles voor zijne asch ter slachting daagt door 't staal,Om in 't Elyzisch veld te strekken uw gemaal!ANDROMACHE.Ziet, hoe dat moedig dier, gelijk den dag van eeren,Haar sterfdag noemen hoort. Ze eischt koninklijke kleêrenTot voegelijk cieraad; dat m' hare vlechten streelt,En d' handen slaat aan 't haar, haar leed doet noch verveelt;Het ander hield ze een dood, dit rekent ze bruids stacy;Maar 't moederlijk gemoed beklagelijk, eilacy!Verstokt door deze maar, bezwijkt door groote smart;'t Verstand ontzonken is. Schep moed, rampzalig hart!Hef uwe geesten op! Hoe hangt de ziel des menschenAan zulk een dunnen draad? Hier waar niet veel te wenschen;Een lutske[226]en Hecuba gezaligd ons begeeft.Zij haalt den aassem weêr, verkomt allengs, zij leeft.De dood vliedt aldermeest voor die zich baadt in tranen.HECUBA.Wel, leeft Achilles nog tot straf der Frygianen?Steekt hij nog d' ooren op, ruig, woest, en omgetemd?Hoe weinig heeft mijn zoons, vorst Paris, hand geklemd[227]!Zijn tombe en de assche zelve ons 't leven nog benijden,En snakken naar ons bloed. Thans[228]waren beî mijn' zijdenBecingeld van een schaar, en zaalge zielenrei;Ik werd van 't kussen moede, en 't liefelijk gevleiVan moederlijke jonst den kindren uit te deelen.Deze is er nu alleen slechts over van zoo velen;Mijn wensch, mijn gezellin, verlichting en genucht,En 's aangevochten[229]rust. Dit 's, Hecube! al uw vrucht:De naam van moeder vloeit me alleen uit deze lippen.Rampzaalge en taaye ziel! voorts, voorts, gaat eenmaal slippen,En schelt me eens endlijk kwijt deze eenige uitvaart, ach!De kaken zijn bevocht van schreyen dag aan dag,Van 't drukkig aanschijn stort een onverziensche regen.Mijn dochter, weest verheugd! Hoe zou, om zulk een zegen,Om dit uw huwelijk Cassandra zijn begaan!Hoe zou Andromache naar uwe bruiloft staan!ANDROMACHE.Wij, Hecuba! zijn eer, wij, wij zijn te betreuren,Wie fluks de zeilbre vloot zal van malkandre scheuren,En spreyen hier en gins; zij, lieflijk uitgestrekt,Wordt van geboortige aarde in 't vaderland bedekt,HELENE.Indien ge uw lot verstondt, gij zoudt haar meer misgunnen.ANDROMACHE.Wat straffe dreigt ons dan, die wij niet weten kunnen?HELENE.De bus, die is geschud; elk heeft zijn heeren[230]al.ANDROMACHE.Wat heer is mij bescheerd? Zeg, wien ik dienen zal.HELENE.Maar[231], Scyros' jongeling[232]dy trok ten eersten lote.ANDROMACHE.Hoe zalig is de maagd Cassandra, die de vloteDer Grieken niet en vreest, en door haar razerij[233]En Fœbus[234]veilig is, en blijft van loting vrij.HELENE.Het hoofd der koningen houdt dees voor zijn gevange.HECUBA.Wil iemand Hecuba ook voor de zijne ontvange'?HELENE.D' onwilgen Ithakois[235]gij vielt tot roof te beurt.HECUBA.Wat loter wreed van aard, ondwingbaar en versteurd,Der ongerechte busse, heeft, zonder staatverschooning,Den eenen vorst gezet tot 's anders vorst en koning?Wat euvler[236]God verdeelt de slaven hier en daar?Wat, den bedrukten streng en onzacht, middelaarZoo luttel kennis draagt in heeren uit te keuren,En leît d' ellendige nog heilloos ramp te veuren[237],In 't wreken al te wreed, van hand en van gemoed?Wie voegt de moeder doch van Hector bij het bloedVan Æacus[238], en bij zijn' wapenen en troepen?Of word ik weder naar den Ithakois geroepen?Nu dunkt me, ik ben slavin: nu wint de Griek den kamp:Nu dunkt me, ik ben bezet van allerhande ramp.Ik schaam mij zulken heer, maar niet, dat ik moet slaven.Zal die met Hectors buit zoo trotsch gaan henen draven,Die, Ajax eer te spijt, Achilles' roof[239]ontdroeg?Daar ooit de zee rondom 't onvruchtbaar eiland sloeg,Zal hier mijn grafsteê zijn? koom hier, koom hier, verbolgenUlysses! leid me weg, ik zal mijn meester volgen;Ik kreunsme[240]niet, mijn lot mij navolg', naar mijn lust.Geen stilte zij op zee, noch aangename rust.Van winden woede 't meer; dat Priaams ongelukken,En mijne, en krijg en vier der Grieken legers drukken:En ondertusschen dat deze onderwege zijn,Zoo woed' dees straf alreê. Ik, vol verdriet en pijn,Heb u een lot verstrekt, dies is u 't loon onttogen.Maar Pyrrhus komt daar aan, met wrevelmoedige oogen,En spoedt met snelle treên. Wat wacht ge Pyrrhus? hoe!Koom, opent mijne borst met ijzer: treê vrij toe,En help den schoonvaâr doch en schoonmoêr van uw vaderEens bij malkanderen. Gij slachter, gij verraderVan grijze en oude liên! dit bloed dy meê betaamt[241];Koom, sleept me, ontrukt me meê; met neêrslag[242]onbeschaamdOok d' Oppergoôn bevlekt, en schimmen dieder waren[243].Wat zee wensch ik uw vloot? ik wensch haar zulke barenGelijk uwe offerande en gruwel wel vereischt.De gansche Grieksche vlote, als gij nu henen reist,Uw duizend schepen fluks (als mijn' bedroefde ziele[244]Gevoerd wordt) overkoom' hetgeen ik wensch mijn kiele.REI.Die treurt en zit verslagen,Is 't zoet, dat vele klagen,Is 't zoet, dat heele volkenBang stenen naar de wolken.De tranen en misbarenMin nijpen, als er scharenBedrukt te gader weenen,En om haar rampspoed stenen.Die groote droefheid smaken,Zich altijd nog vermaken,Dat hunn' kwade avonturenVele andere ook bezuren,En dat ze niet alleeneZijn weerloos voor die peene[245].Geen mensch ontzeit te dragen's Volks algemeene plagen.Geen acht zich dan ellendigAl is hij 't schoon inwendig.Neemt weg die zaliglijkenBedijen; zet de rijkenTer zijden, die beklijvenMet goude en zilvre schijven;Neemt weg, die steeds met zwoegenDe rijke landen ploegen,Met honderd ossen tevens:Zoo zal, vol moeds en levens,Zich 's armen moed verheffen,Ziende alle staten effen;Want niemand, hoe bezweken,Is arm, als[246]vergeleken.Zoet valtet[247]boven allenWiens zaken zijn vervallen,Dat niemand onder 't maanlichtLacht met een vrolijk aanzicht.Die met een schip, uit liefdeVan winst, de baren kliefde,Wanneer hij naakt ontzwommenDe zeestrand heeft beklommen,Hij zal bedroefd, och armen!Om zulk een rampspoed karmen.Hier tegens wij bevinden,Dat,diende storremwinden,Ja, schade minder wonden,Die in de woeste grondenZag teffens duizend schepenVan 't onweêr onder slepen,En 't heele vlak zag drijvenVol hout en doode lijven,Als Corus'[248]strenge onweêrenDe zee belet te keeren,Met d' aangeparste golven.Eer Fryxus[249], schier bedolvenVan 't schuim, vol schriks en beven,En eenig overbleven,Heeft Helles lijk bekreten,Helaas! doen ze afgesmetenViel midden in de vloeden,Die tuimelen en woeden;Doen haar de ram afschudde,De leidsman van de kudde,Wiens lijf was overtrokkenMet glinsterende vlokken;Wiens gouden rug de broederEn zuster, hunn' stiefmoederOntvluchtende, beschreden.Zelf Pyrrh'[250]hiel zich tevreden,Als haar gemaal behoudenEn zij de zee aanschouwden,En niet als zee vernamen,Doen zij 't alleene ontkwamen.De vloot nu schielijk herwaartsGedreven, nu weêr derwaarts,Zal dit gezelschap scheyen,En onze tranen spreyen:Als schippers en stierlieden,Op scheeptrompets gebieden,Tzeil gaan, en hunne roeyers,Als kloeke waterspoeyers,De diepte eens vatten vlugge,Als 't strand zal vliên te rugge:Hoe zullen dan uw zinnenTe moê zijn, o slavinnen?Als gij de groote plassenZiet groeyen, 't land ontwassen;Als Ide allengs zal blaauwen,Neerduiken, en verflaauwen?De moeder zal haar zonen,De zoon de moeder toonen,In welken oord en wegen,Dat Trojen is gelegen;En met den vinger wijzenEn zeggen: "daar gij rijzenZiet hemelhoog dat smoken,Die damp, en 't leelijk rooken,Daar zijn Neptunus' vestenVerwoest, vernield, ten lestenVan dees vervloekte Greeken."De Frijg zal bij dat teekenVan verre zich gewennen,Zijn vaderland te kennen.
HELENE, ANDROMACHE, HECUBA.HELENE.Wat bruiloft doodsch en droef, met kermen, bloed, en moord,En klachten wordt gevierd, daarvan, na[211]recht, behoort't Beleid toe aan Heleen. Mij derf men nog beladen,Om den verdelgden Frijg in 't uiterst te beschaden;Aan mij beveelt men nog te boodschappen 't geveinsdEn ijdel huwelijk van Pyrrhus, en op 't reinst[212]De bruid, na Grieksche wijs, te cieren en te kleeden.Prins Paris' zuster wordt door mijne trekken hedenMisleid, en raakt om hals door mijn versierd[213]bedrog.Verschalkt ze vrij, ik acht zulks voor haar 't lichtste nog.'t Is een gewenschte dood te sterven, zonder schrikkenVoor 't lijden van de dood. Wat draalt ge te beschikkenHetgeen u is belast? De stichter draagt de schuldVan 't opgedrongen kwaad. Uw jammer is vervuld,O welgeboorne maagd, van Dardans bloed gesproten!Een milder God heeft u, die deerlijk waart verstooten,Goedgunstig aangezien, en is vast bezig, omTe schenken aan uw jeugd een zaalgen bruidegom;Al heerschte Priam zelf, schoon Trojens muren stonden,Tot zulk een huwelijk zij u niet brengen konden:Want d' overkijker[214]zelf van d' eedle Grieksche stamU tot het heilig recht van kuische minnevlamEn wettig bed verzoekt, wiens breed gebied gelegenIs aan 't Thessalisch veld. O, welk een groote zegen!De groote Thetis, en zoo menige GodesVan 't zoute pekelschuim, daartoe de zeeprincesVrouw Tethys, de voogdes van de opgeblazen baren,U voor haar aangehuwde en eigen pand verklaren,En Peleus, als gij nu zijt Pyrrhus wederga,U noemen zal zijn' snaar[215], en Nereus even na.Leg af 't bezwalkt gewaad, trek weder aan een statig,Verleer slavin te zijn, weest niet zoo ongelatig[216];Strijk neêr 't gerezen haar, duld, dat het word' geschikt,En met een aardig' hand getooid en opgeflikt.Dit[217]ramp misschien u voert tot hoogren staat en orden,'t Heeft velen nut geweest des vijands roof te worden.ANDROMACHE.Te schaatren eens van vreugd was 't eenig onheil, datDen Frygen nog ontbrak, en d' uitgerooide stad,'t Geslechte Pergamum vast brandt aan allen hoeken.O tijd van hijliken! maakt iemand zich te zoeken?Zoude iemand weigeren te treên na 't bruiloftsbed,Daar 't lief juweel toe raadt, Heleen! 't bederf, de smetDer beide volleken? Ziet eenmaal[218]doch met weenenDie vorstengrafsteên aan, deze onbegrave beenenLangs 't veld gezaaid: die heeft uw bruiloftsfeest verspreid!Om u men 't Aziaansche, om u men 't vaak beschreidEuropisch heldenbloed, al sissende, zag storten;Als gij koelmoedig[219]zaagt de mannen t' zamenhorten,Onzeker wien ge droegt. Vaart voorts, en maakt met groenDe bruiloftskamer toe. Wat is er toorts van doen,Of fakkel na gewoonte, of vier? Laat Troje uitrichtenDien dienst, en met zijn' vlam 't nieuw bruiloftsbed toelichten.Trojaansche borger! viert, viert Pyrrhus' huwlijksfeest,Ja, viert ze na waardij, dat 's met een bangen geest;Maakt droefheid en misbaar!HELENE.Hoewel de groote smarteIn geene rede staat, noch wordt vermorwd in 't harte,Ja, boven dat nog vaak haar' rouwgenooten haat;Zoo is het evenwel, dat zoo mijn zake staat,Dat ik ze nimmermeer te pleiten mij zal schromen,Al was de rechter schoon met gramschap ingenomen.'k En loochen niet, dat u wel overkomen zijOndragelijke smart; maar 't staat u echter vrij,Dat gij Priaam, en gij uw Hector moogt beweenen;Maar ik, helaas! ik moet in 't heimelijk bestenenMijn Paris, dien ik mis. 't Is een ondraaglijk juk,In slavernij te zijn; dat heb ik ook, met druk,Als een gevange vrouw, tien jaren lang gedragen.Uw Trojen leît ter neêr, d' Huisgoden zijn verslagen,'t Is wel een zwaar verlies het derven zijner stad;Maar zwaarder ik mijn vrees, dan alle rampen schat.'t Gezelschap in uw kwaad uw smart wat kan vergoeden,Op mij verwinner beide en overwonne woeden.'t Heeft in onzekre kans nu langen tijd gestaan,Wie dat een' ieder zou voor zijn slavin ontvaân,Mij kreeg terstond mijn heer, en zonder eenig loten.De krijg, verwijt gij mij, is eerst uit mij gesproten:Eene oorzaak van 't verdriet, dat Trojen overviel;Dit zou zoo wezen, waar 't dat onz' Spartaansche kielUw zeên eerst kloofde. Maar zoo de Trojaansche vechterMij roofde, als Venus mij geschonken had den rechter,Zoo weet het Paris dank. Mijn zaak zal vinden welEen scheidsman, maar helaas! voor mij niet dan te fel.'t Is Menelaüs, die hier over recht zal spreken.Wilt nu, Andromache! uw treuren doch wat breken,En murwen het gemoed van dees bedrukte vrouw[220],De tranen dringen mij ten oogen uit van rouw.ANDROMACHE.'t Moet zijn een groot verdriet, dat ons Heleen doet schreyen,Wat doet haar doch aldus de vochte tranen spreyen?Zeg op, zeg op! waar is Ulysses nu op uit?Wat schelmstuk, of wat list is eindlijk zijn besluit?Zeg op, hoe dat men zal met d' arme dochter leven:Zal zij met volle kracht heronder[221]zijn gedrevenVan Ida's toppen, daar hij rijst met heuvelkruin?Of zal een wreed soldaat haar schieten[222], steil en schuin,Van 's onlangs hoogen burgs verre uitgesteke klippen?Of zal ze in 't woeste meer afwentlen van de tippen,Die Trojens voorgebergt, met zijn gespouwe[223]zij'En lenden steekt om hoog, zoo dik en vaak als hijZiet alsins overheer[224]d' inhammen, licht om gronden?Zeg op, wat uw gelaat bedekt voor looze vonden.Dat Pyrrhus zwager wordt van Hecube en Priaam,Gaat boven alle ramp. Nu geef de straffe een naam.Zeg op, wat jammer gij ons wijders toe wilt zenden.Beneem dit eenig leed al overige ellenden,Dat's d' ijdle en valsche waan vol twijfelmoedigheid,En deze onzekre hoop. Gij ziet, wij zijn bereid,Den jongsten slag des doods geduldelijk te lijen.HELENE.Och, of der Goden tolk mij toeliet af te snijen't Verlet van 't hatig licht, of, voor Achilles' graf,Door Pyrrhus' woedend' hand, als speelnoot van uw straf[225]En droevig ongeluk, te sneuvlen met den zwaarde!Helaas, Polyxena! wiens schoonheid de vermaardeAchilles voor zijne asch ter slachting daagt door 't staal,Om in 't Elyzisch veld te strekken uw gemaal!ANDROMACHE.Ziet, hoe dat moedig dier, gelijk den dag van eeren,Haar sterfdag noemen hoort. Ze eischt koninklijke kleêrenTot voegelijk cieraad; dat m' hare vlechten streelt,En d' handen slaat aan 't haar, haar leed doet noch verveelt;Het ander hield ze een dood, dit rekent ze bruids stacy;Maar 't moederlijk gemoed beklagelijk, eilacy!Verstokt door deze maar, bezwijkt door groote smart;'t Verstand ontzonken is. Schep moed, rampzalig hart!Hef uwe geesten op! Hoe hangt de ziel des menschenAan zulk een dunnen draad? Hier waar niet veel te wenschen;Een lutske[226]en Hecuba gezaligd ons begeeft.Zij haalt den aassem weêr, verkomt allengs, zij leeft.De dood vliedt aldermeest voor die zich baadt in tranen.HECUBA.Wel, leeft Achilles nog tot straf der Frygianen?Steekt hij nog d' ooren op, ruig, woest, en omgetemd?Hoe weinig heeft mijn zoons, vorst Paris, hand geklemd[227]!Zijn tombe en de assche zelve ons 't leven nog benijden,En snakken naar ons bloed. Thans[228]waren beî mijn' zijdenBecingeld van een schaar, en zaalge zielenrei;Ik werd van 't kussen moede, en 't liefelijk gevleiVan moederlijke jonst den kindren uit te deelen.Deze is er nu alleen slechts over van zoo velen;Mijn wensch, mijn gezellin, verlichting en genucht,En 's aangevochten[229]rust. Dit 's, Hecube! al uw vrucht:De naam van moeder vloeit me alleen uit deze lippen.Rampzaalge en taaye ziel! voorts, voorts, gaat eenmaal slippen,En schelt me eens endlijk kwijt deze eenige uitvaart, ach!De kaken zijn bevocht van schreyen dag aan dag,Van 't drukkig aanschijn stort een onverziensche regen.Mijn dochter, weest verheugd! Hoe zou, om zulk een zegen,Om dit uw huwelijk Cassandra zijn begaan!Hoe zou Andromache naar uwe bruiloft staan!ANDROMACHE.Wij, Hecuba! zijn eer, wij, wij zijn te betreuren,Wie fluks de zeilbre vloot zal van malkandre scheuren,En spreyen hier en gins; zij, lieflijk uitgestrekt,Wordt van geboortige aarde in 't vaderland bedekt,HELENE.Indien ge uw lot verstondt, gij zoudt haar meer misgunnen.ANDROMACHE.Wat straffe dreigt ons dan, die wij niet weten kunnen?HELENE.De bus, die is geschud; elk heeft zijn heeren[230]al.ANDROMACHE.Wat heer is mij bescheerd? Zeg, wien ik dienen zal.HELENE.Maar[231], Scyros' jongeling[232]dy trok ten eersten lote.ANDROMACHE.Hoe zalig is de maagd Cassandra, die de vloteDer Grieken niet en vreest, en door haar razerij[233]En Fœbus[234]veilig is, en blijft van loting vrij.HELENE.Het hoofd der koningen houdt dees voor zijn gevange.HECUBA.Wil iemand Hecuba ook voor de zijne ontvange'?HELENE.D' onwilgen Ithakois[235]gij vielt tot roof te beurt.HECUBA.Wat loter wreed van aard, ondwingbaar en versteurd,Der ongerechte busse, heeft, zonder staatverschooning,Den eenen vorst gezet tot 's anders vorst en koning?Wat euvler[236]God verdeelt de slaven hier en daar?Wat, den bedrukten streng en onzacht, middelaarZoo luttel kennis draagt in heeren uit te keuren,En leît d' ellendige nog heilloos ramp te veuren[237],In 't wreken al te wreed, van hand en van gemoed?Wie voegt de moeder doch van Hector bij het bloedVan Æacus[238], en bij zijn' wapenen en troepen?Of word ik weder naar den Ithakois geroepen?Nu dunkt me, ik ben slavin: nu wint de Griek den kamp:Nu dunkt me, ik ben bezet van allerhande ramp.Ik schaam mij zulken heer, maar niet, dat ik moet slaven.Zal die met Hectors buit zoo trotsch gaan henen draven,Die, Ajax eer te spijt, Achilles' roof[239]ontdroeg?Daar ooit de zee rondom 't onvruchtbaar eiland sloeg,Zal hier mijn grafsteê zijn? koom hier, koom hier, verbolgenUlysses! leid me weg, ik zal mijn meester volgen;Ik kreunsme[240]niet, mijn lot mij navolg', naar mijn lust.Geen stilte zij op zee, noch aangename rust.Van winden woede 't meer; dat Priaams ongelukken,En mijne, en krijg en vier der Grieken legers drukken:En ondertusschen dat deze onderwege zijn,Zoo woed' dees straf alreê. Ik, vol verdriet en pijn,Heb u een lot verstrekt, dies is u 't loon onttogen.Maar Pyrrhus komt daar aan, met wrevelmoedige oogen,En spoedt met snelle treên. Wat wacht ge Pyrrhus? hoe!Koom, opent mijne borst met ijzer: treê vrij toe,En help den schoonvaâr doch en schoonmoêr van uw vaderEens bij malkanderen. Gij slachter, gij verraderVan grijze en oude liên! dit bloed dy meê betaamt[241];Koom, sleept me, ontrukt me meê; met neêrslag[242]onbeschaamdOok d' Oppergoôn bevlekt, en schimmen dieder waren[243].Wat zee wensch ik uw vloot? ik wensch haar zulke barenGelijk uwe offerande en gruwel wel vereischt.De gansche Grieksche vlote, als gij nu henen reist,Uw duizend schepen fluks (als mijn' bedroefde ziele[244]Gevoerd wordt) overkoom' hetgeen ik wensch mijn kiele.REI.Die treurt en zit verslagen,Is 't zoet, dat vele klagen,Is 't zoet, dat heele volkenBang stenen naar de wolken.De tranen en misbarenMin nijpen, als er scharenBedrukt te gader weenen,En om haar rampspoed stenen.Die groote droefheid smaken,Zich altijd nog vermaken,Dat hunn' kwade avonturenVele andere ook bezuren,En dat ze niet alleeneZijn weerloos voor die peene[245].Geen mensch ontzeit te dragen's Volks algemeene plagen.Geen acht zich dan ellendigAl is hij 't schoon inwendig.Neemt weg die zaliglijkenBedijen; zet de rijkenTer zijden, die beklijvenMet goude en zilvre schijven;Neemt weg, die steeds met zwoegenDe rijke landen ploegen,Met honderd ossen tevens:Zoo zal, vol moeds en levens,Zich 's armen moed verheffen,Ziende alle staten effen;Want niemand, hoe bezweken,Is arm, als[246]vergeleken.Zoet valtet[247]boven allenWiens zaken zijn vervallen,Dat niemand onder 't maanlichtLacht met een vrolijk aanzicht.Die met een schip, uit liefdeVan winst, de baren kliefde,Wanneer hij naakt ontzwommenDe zeestrand heeft beklommen,Hij zal bedroefd, och armen!Om zulk een rampspoed karmen.Hier tegens wij bevinden,Dat,diende storremwinden,Ja, schade minder wonden,Die in de woeste grondenZag teffens duizend schepenVan 't onweêr onder slepen,En 't heele vlak zag drijvenVol hout en doode lijven,Als Corus'[248]strenge onweêrenDe zee belet te keeren,Met d' aangeparste golven.Eer Fryxus[249], schier bedolvenVan 't schuim, vol schriks en beven,En eenig overbleven,Heeft Helles lijk bekreten,Helaas! doen ze afgesmetenViel midden in de vloeden,Die tuimelen en woeden;Doen haar de ram afschudde,De leidsman van de kudde,Wiens lijf was overtrokkenMet glinsterende vlokken;Wiens gouden rug de broederEn zuster, hunn' stiefmoederOntvluchtende, beschreden.Zelf Pyrrh'[250]hiel zich tevreden,Als haar gemaal behoudenEn zij de zee aanschouwden,En niet als zee vernamen,Doen zij 't alleene ontkwamen.De vloot nu schielijk herwaartsGedreven, nu weêr derwaarts,Zal dit gezelschap scheyen,En onze tranen spreyen:Als schippers en stierlieden,Op scheeptrompets gebieden,Tzeil gaan, en hunne roeyers,Als kloeke waterspoeyers,De diepte eens vatten vlugge,Als 't strand zal vliên te rugge:Hoe zullen dan uw zinnenTe moê zijn, o slavinnen?Als gij de groote plassenZiet groeyen, 't land ontwassen;Als Ide allengs zal blaauwen,Neerduiken, en verflaauwen?De moeder zal haar zonen,De zoon de moeder toonen,In welken oord en wegen,Dat Trojen is gelegen;En met den vinger wijzenEn zeggen: "daar gij rijzenZiet hemelhoog dat smoken,Die damp, en 't leelijk rooken,Daar zijn Neptunus' vestenVerwoest, vernield, ten lestenVan dees vervloekte Greeken."De Frijg zal bij dat teekenVan verre zich gewennen,Zijn vaderland te kennen.
HELENE, ANDROMACHE, HECUBA.HELENE.Wat bruiloft doodsch en droef, met kermen, bloed, en moord,En klachten wordt gevierd, daarvan, na[211]recht, behoort't Beleid toe aan Heleen. Mij derf men nog beladen,Om den verdelgden Frijg in 't uiterst te beschaden;Aan mij beveelt men nog te boodschappen 't geveinsdEn ijdel huwelijk van Pyrrhus, en op 't reinst[212]De bruid, na Grieksche wijs, te cieren en te kleeden.Prins Paris' zuster wordt door mijne trekken hedenMisleid, en raakt om hals door mijn versierd[213]bedrog.Verschalkt ze vrij, ik acht zulks voor haar 't lichtste nog.'t Is een gewenschte dood te sterven, zonder schrikkenVoor 't lijden van de dood. Wat draalt ge te beschikkenHetgeen u is belast? De stichter draagt de schuldVan 't opgedrongen kwaad. Uw jammer is vervuld,O welgeboorne maagd, van Dardans bloed gesproten!Een milder God heeft u, die deerlijk waart verstooten,Goedgunstig aangezien, en is vast bezig, omTe schenken aan uw jeugd een zaalgen bruidegom;Al heerschte Priam zelf, schoon Trojens muren stonden,Tot zulk een huwelijk zij u niet brengen konden:Want d' overkijker[214]zelf van d' eedle Grieksche stamU tot het heilig recht van kuische minnevlamEn wettig bed verzoekt, wiens breed gebied gelegenIs aan 't Thessalisch veld. O, welk een groote zegen!De groote Thetis, en zoo menige GodesVan 't zoute pekelschuim, daartoe de zeeprincesVrouw Tethys, de voogdes van de opgeblazen baren,U voor haar aangehuwde en eigen pand verklaren,En Peleus, als gij nu zijt Pyrrhus wederga,U noemen zal zijn' snaar[215], en Nereus even na.Leg af 't bezwalkt gewaad, trek weder aan een statig,Verleer slavin te zijn, weest niet zoo ongelatig[216];Strijk neêr 't gerezen haar, duld, dat het word' geschikt,En met een aardig' hand getooid en opgeflikt.Dit[217]ramp misschien u voert tot hoogren staat en orden,'t Heeft velen nut geweest des vijands roof te worden.ANDROMACHE.Te schaatren eens van vreugd was 't eenig onheil, datDen Frygen nog ontbrak, en d' uitgerooide stad,'t Geslechte Pergamum vast brandt aan allen hoeken.O tijd van hijliken! maakt iemand zich te zoeken?Zoude iemand weigeren te treên na 't bruiloftsbed,Daar 't lief juweel toe raadt, Heleen! 't bederf, de smetDer beide volleken? Ziet eenmaal[218]doch met weenenDie vorstengrafsteên aan, deze onbegrave beenenLangs 't veld gezaaid: die heeft uw bruiloftsfeest verspreid!Om u men 't Aziaansche, om u men 't vaak beschreidEuropisch heldenbloed, al sissende, zag storten;Als gij koelmoedig[219]zaagt de mannen t' zamenhorten,Onzeker wien ge droegt. Vaart voorts, en maakt met groenDe bruiloftskamer toe. Wat is er toorts van doen,Of fakkel na gewoonte, of vier? Laat Troje uitrichtenDien dienst, en met zijn' vlam 't nieuw bruiloftsbed toelichten.Trojaansche borger! viert, viert Pyrrhus' huwlijksfeest,Ja, viert ze na waardij, dat 's met een bangen geest;Maakt droefheid en misbaar!HELENE.Hoewel de groote smarteIn geene rede staat, noch wordt vermorwd in 't harte,Ja, boven dat nog vaak haar' rouwgenooten haat;Zoo is het evenwel, dat zoo mijn zake staat,Dat ik ze nimmermeer te pleiten mij zal schromen,Al was de rechter schoon met gramschap ingenomen.'k En loochen niet, dat u wel overkomen zijOndragelijke smart; maar 't staat u echter vrij,Dat gij Priaam, en gij uw Hector moogt beweenen;Maar ik, helaas! ik moet in 't heimelijk bestenenMijn Paris, dien ik mis. 't Is een ondraaglijk juk,In slavernij te zijn; dat heb ik ook, met druk,Als een gevange vrouw, tien jaren lang gedragen.Uw Trojen leît ter neêr, d' Huisgoden zijn verslagen,'t Is wel een zwaar verlies het derven zijner stad;Maar zwaarder ik mijn vrees, dan alle rampen schat.'t Gezelschap in uw kwaad uw smart wat kan vergoeden,Op mij verwinner beide en overwonne woeden.'t Heeft in onzekre kans nu langen tijd gestaan,Wie dat een' ieder zou voor zijn slavin ontvaân,Mij kreeg terstond mijn heer, en zonder eenig loten.De krijg, verwijt gij mij, is eerst uit mij gesproten:Eene oorzaak van 't verdriet, dat Trojen overviel;Dit zou zoo wezen, waar 't dat onz' Spartaansche kielUw zeên eerst kloofde. Maar zoo de Trojaansche vechterMij roofde, als Venus mij geschonken had den rechter,Zoo weet het Paris dank. Mijn zaak zal vinden welEen scheidsman, maar helaas! voor mij niet dan te fel.'t Is Menelaüs, die hier over recht zal spreken.Wilt nu, Andromache! uw treuren doch wat breken,En murwen het gemoed van dees bedrukte vrouw[220],De tranen dringen mij ten oogen uit van rouw.ANDROMACHE.'t Moet zijn een groot verdriet, dat ons Heleen doet schreyen,Wat doet haar doch aldus de vochte tranen spreyen?Zeg op, zeg op! waar is Ulysses nu op uit?Wat schelmstuk, of wat list is eindlijk zijn besluit?Zeg op, hoe dat men zal met d' arme dochter leven:Zal zij met volle kracht heronder[221]zijn gedrevenVan Ida's toppen, daar hij rijst met heuvelkruin?Of zal een wreed soldaat haar schieten[222], steil en schuin,Van 's onlangs hoogen burgs verre uitgesteke klippen?Of zal ze in 't woeste meer afwentlen van de tippen,Die Trojens voorgebergt, met zijn gespouwe[223]zij'En lenden steekt om hoog, zoo dik en vaak als hijZiet alsins overheer[224]d' inhammen, licht om gronden?Zeg op, wat uw gelaat bedekt voor looze vonden.Dat Pyrrhus zwager wordt van Hecube en Priaam,Gaat boven alle ramp. Nu geef de straffe een naam.Zeg op, wat jammer gij ons wijders toe wilt zenden.Beneem dit eenig leed al overige ellenden,Dat's d' ijdle en valsche waan vol twijfelmoedigheid,En deze onzekre hoop. Gij ziet, wij zijn bereid,Den jongsten slag des doods geduldelijk te lijen.HELENE.Och, of der Goden tolk mij toeliet af te snijen't Verlet van 't hatig licht, of, voor Achilles' graf,Door Pyrrhus' woedend' hand, als speelnoot van uw straf[225]En droevig ongeluk, te sneuvlen met den zwaarde!Helaas, Polyxena! wiens schoonheid de vermaardeAchilles voor zijne asch ter slachting daagt door 't staal,Om in 't Elyzisch veld te strekken uw gemaal!ANDROMACHE.Ziet, hoe dat moedig dier, gelijk den dag van eeren,Haar sterfdag noemen hoort. Ze eischt koninklijke kleêrenTot voegelijk cieraad; dat m' hare vlechten streelt,En d' handen slaat aan 't haar, haar leed doet noch verveelt;Het ander hield ze een dood, dit rekent ze bruids stacy;Maar 't moederlijk gemoed beklagelijk, eilacy!Verstokt door deze maar, bezwijkt door groote smart;'t Verstand ontzonken is. Schep moed, rampzalig hart!Hef uwe geesten op! Hoe hangt de ziel des menschenAan zulk een dunnen draad? Hier waar niet veel te wenschen;Een lutske[226]en Hecuba gezaligd ons begeeft.Zij haalt den aassem weêr, verkomt allengs, zij leeft.De dood vliedt aldermeest voor die zich baadt in tranen.HECUBA.Wel, leeft Achilles nog tot straf der Frygianen?Steekt hij nog d' ooren op, ruig, woest, en omgetemd?Hoe weinig heeft mijn zoons, vorst Paris, hand geklemd[227]!Zijn tombe en de assche zelve ons 't leven nog benijden,En snakken naar ons bloed. Thans[228]waren beî mijn' zijdenBecingeld van een schaar, en zaalge zielenrei;Ik werd van 't kussen moede, en 't liefelijk gevleiVan moederlijke jonst den kindren uit te deelen.Deze is er nu alleen slechts over van zoo velen;Mijn wensch, mijn gezellin, verlichting en genucht,En 's aangevochten[229]rust. Dit 's, Hecube! al uw vrucht:De naam van moeder vloeit me alleen uit deze lippen.Rampzaalge en taaye ziel! voorts, voorts, gaat eenmaal slippen,En schelt me eens endlijk kwijt deze eenige uitvaart, ach!De kaken zijn bevocht van schreyen dag aan dag,Van 't drukkig aanschijn stort een onverziensche regen.Mijn dochter, weest verheugd! Hoe zou, om zulk een zegen,Om dit uw huwelijk Cassandra zijn begaan!Hoe zou Andromache naar uwe bruiloft staan!ANDROMACHE.Wij, Hecuba! zijn eer, wij, wij zijn te betreuren,Wie fluks de zeilbre vloot zal van malkandre scheuren,En spreyen hier en gins; zij, lieflijk uitgestrekt,Wordt van geboortige aarde in 't vaderland bedekt,HELENE.Indien ge uw lot verstondt, gij zoudt haar meer misgunnen.ANDROMACHE.Wat straffe dreigt ons dan, die wij niet weten kunnen?HELENE.De bus, die is geschud; elk heeft zijn heeren[230]al.ANDROMACHE.Wat heer is mij bescheerd? Zeg, wien ik dienen zal.HELENE.Maar[231], Scyros' jongeling[232]dy trok ten eersten lote.ANDROMACHE.Hoe zalig is de maagd Cassandra, die de vloteDer Grieken niet en vreest, en door haar razerij[233]En Fœbus[234]veilig is, en blijft van loting vrij.HELENE.Het hoofd der koningen houdt dees voor zijn gevange.HECUBA.Wil iemand Hecuba ook voor de zijne ontvange'?HELENE.D' onwilgen Ithakois[235]gij vielt tot roof te beurt.HECUBA.Wat loter wreed van aard, ondwingbaar en versteurd,Der ongerechte busse, heeft, zonder staatverschooning,Den eenen vorst gezet tot 's anders vorst en koning?Wat euvler[236]God verdeelt de slaven hier en daar?Wat, den bedrukten streng en onzacht, middelaarZoo luttel kennis draagt in heeren uit te keuren,En leît d' ellendige nog heilloos ramp te veuren[237],In 't wreken al te wreed, van hand en van gemoed?Wie voegt de moeder doch van Hector bij het bloedVan Æacus[238], en bij zijn' wapenen en troepen?Of word ik weder naar den Ithakois geroepen?Nu dunkt me, ik ben slavin: nu wint de Griek den kamp:Nu dunkt me, ik ben bezet van allerhande ramp.Ik schaam mij zulken heer, maar niet, dat ik moet slaven.Zal die met Hectors buit zoo trotsch gaan henen draven,Die, Ajax eer te spijt, Achilles' roof[239]ontdroeg?Daar ooit de zee rondom 't onvruchtbaar eiland sloeg,Zal hier mijn grafsteê zijn? koom hier, koom hier, verbolgenUlysses! leid me weg, ik zal mijn meester volgen;Ik kreunsme[240]niet, mijn lot mij navolg', naar mijn lust.Geen stilte zij op zee, noch aangename rust.Van winden woede 't meer; dat Priaams ongelukken,En mijne, en krijg en vier der Grieken legers drukken:En ondertusschen dat deze onderwege zijn,Zoo woed' dees straf alreê. Ik, vol verdriet en pijn,Heb u een lot verstrekt, dies is u 't loon onttogen.Maar Pyrrhus komt daar aan, met wrevelmoedige oogen,En spoedt met snelle treên. Wat wacht ge Pyrrhus? hoe!Koom, opent mijne borst met ijzer: treê vrij toe,En help den schoonvaâr doch en schoonmoêr van uw vaderEens bij malkanderen. Gij slachter, gij verraderVan grijze en oude liên! dit bloed dy meê betaamt[241];Koom, sleept me, ontrukt me meê; met neêrslag[242]onbeschaamdOok d' Oppergoôn bevlekt, en schimmen dieder waren[243].Wat zee wensch ik uw vloot? ik wensch haar zulke barenGelijk uwe offerande en gruwel wel vereischt.De gansche Grieksche vlote, als gij nu henen reist,Uw duizend schepen fluks (als mijn' bedroefde ziele[244]Gevoerd wordt) overkoom' hetgeen ik wensch mijn kiele.REI.Die treurt en zit verslagen,Is 't zoet, dat vele klagen,Is 't zoet, dat heele volkenBang stenen naar de wolken.De tranen en misbarenMin nijpen, als er scharenBedrukt te gader weenen,En om haar rampspoed stenen.Die groote droefheid smaken,Zich altijd nog vermaken,Dat hunn' kwade avonturenVele andere ook bezuren,En dat ze niet alleeneZijn weerloos voor die peene[245].Geen mensch ontzeit te dragen's Volks algemeene plagen.Geen acht zich dan ellendigAl is hij 't schoon inwendig.Neemt weg die zaliglijkenBedijen; zet de rijkenTer zijden, die beklijvenMet goude en zilvre schijven;Neemt weg, die steeds met zwoegenDe rijke landen ploegen,Met honderd ossen tevens:Zoo zal, vol moeds en levens,Zich 's armen moed verheffen,Ziende alle staten effen;Want niemand, hoe bezweken,Is arm, als[246]vergeleken.Zoet valtet[247]boven allenWiens zaken zijn vervallen,Dat niemand onder 't maanlichtLacht met een vrolijk aanzicht.Die met een schip, uit liefdeVan winst, de baren kliefde,Wanneer hij naakt ontzwommenDe zeestrand heeft beklommen,Hij zal bedroefd, och armen!Om zulk een rampspoed karmen.Hier tegens wij bevinden,Dat,diende storremwinden,Ja, schade minder wonden,Die in de woeste grondenZag teffens duizend schepenVan 't onweêr onder slepen,En 't heele vlak zag drijvenVol hout en doode lijven,Als Corus'[248]strenge onweêrenDe zee belet te keeren,Met d' aangeparste golven.Eer Fryxus[249], schier bedolvenVan 't schuim, vol schriks en beven,En eenig overbleven,Heeft Helles lijk bekreten,Helaas! doen ze afgesmetenViel midden in de vloeden,Die tuimelen en woeden;Doen haar de ram afschudde,De leidsman van de kudde,Wiens lijf was overtrokkenMet glinsterende vlokken;Wiens gouden rug de broederEn zuster, hunn' stiefmoederOntvluchtende, beschreden.Zelf Pyrrh'[250]hiel zich tevreden,Als haar gemaal behoudenEn zij de zee aanschouwden,En niet als zee vernamen,Doen zij 't alleene ontkwamen.De vloot nu schielijk herwaartsGedreven, nu weêr derwaarts,Zal dit gezelschap scheyen,En onze tranen spreyen:Als schippers en stierlieden,Op scheeptrompets gebieden,Tzeil gaan, en hunne roeyers,Als kloeke waterspoeyers,De diepte eens vatten vlugge,Als 't strand zal vliên te rugge:Hoe zullen dan uw zinnenTe moê zijn, o slavinnen?Als gij de groote plassenZiet groeyen, 't land ontwassen;Als Ide allengs zal blaauwen,Neerduiken, en verflaauwen?De moeder zal haar zonen,De zoon de moeder toonen,In welken oord en wegen,Dat Trojen is gelegen;En met den vinger wijzenEn zeggen: "daar gij rijzenZiet hemelhoog dat smoken,Die damp, en 't leelijk rooken,Daar zijn Neptunus' vestenVerwoest, vernield, ten lestenVan dees vervloekte Greeken."De Frijg zal bij dat teekenVan verre zich gewennen,Zijn vaderland te kennen.
HELENE, ANDROMACHE, HECUBA.
HELENE, ANDROMACHE, HECUBA.
HELENE.
HELENE.
Wat bruiloft doodsch en droef, met kermen, bloed, en moord,En klachten wordt gevierd, daarvan, na[211]recht, behoort't Beleid toe aan Heleen. Mij derf men nog beladen,Om den verdelgden Frijg in 't uiterst te beschaden;Aan mij beveelt men nog te boodschappen 't geveinsdEn ijdel huwelijk van Pyrrhus, en op 't reinst[212]De bruid, na Grieksche wijs, te cieren en te kleeden.Prins Paris' zuster wordt door mijne trekken hedenMisleid, en raakt om hals door mijn versierd[213]bedrog.Verschalkt ze vrij, ik acht zulks voor haar 't lichtste nog.'t Is een gewenschte dood te sterven, zonder schrikkenVoor 't lijden van de dood. Wat draalt ge te beschikkenHetgeen u is belast? De stichter draagt de schuldVan 't opgedrongen kwaad. Uw jammer is vervuld,O welgeboorne maagd, van Dardans bloed gesproten!Een milder God heeft u, die deerlijk waart verstooten,Goedgunstig aangezien, en is vast bezig, omTe schenken aan uw jeugd een zaalgen bruidegom;Al heerschte Priam zelf, schoon Trojens muren stonden,Tot zulk een huwelijk zij u niet brengen konden:Want d' overkijker[214]zelf van d' eedle Grieksche stamU tot het heilig recht van kuische minnevlamEn wettig bed verzoekt, wiens breed gebied gelegenIs aan 't Thessalisch veld. O, welk een groote zegen!De groote Thetis, en zoo menige GodesVan 't zoute pekelschuim, daartoe de zeeprincesVrouw Tethys, de voogdes van de opgeblazen baren,U voor haar aangehuwde en eigen pand verklaren,En Peleus, als gij nu zijt Pyrrhus wederga,U noemen zal zijn' snaar[215], en Nereus even na.Leg af 't bezwalkt gewaad, trek weder aan een statig,Verleer slavin te zijn, weest niet zoo ongelatig[216];Strijk neêr 't gerezen haar, duld, dat het word' geschikt,En met een aardig' hand getooid en opgeflikt.Dit[217]ramp misschien u voert tot hoogren staat en orden,'t Heeft velen nut geweest des vijands roof te worden.
Wat bruiloft doodsch en droef, met kermen, bloed, en moord,
En klachten wordt gevierd, daarvan, na[211]recht, behoort
't Beleid toe aan Heleen. Mij derf men nog beladen,
Om den verdelgden Frijg in 't uiterst te beschaden;
Aan mij beveelt men nog te boodschappen 't geveinsd
En ijdel huwelijk van Pyrrhus, en op 't reinst[212]
De bruid, na Grieksche wijs, te cieren en te kleeden.
Prins Paris' zuster wordt door mijne trekken heden
Misleid, en raakt om hals door mijn versierd[213]bedrog.
Verschalkt ze vrij, ik acht zulks voor haar 't lichtste nog.
't Is een gewenschte dood te sterven, zonder schrikken
Voor 't lijden van de dood. Wat draalt ge te beschikken
Hetgeen u is belast? De stichter draagt de schuld
Van 't opgedrongen kwaad. Uw jammer is vervuld,
O welgeboorne maagd, van Dardans bloed gesproten!
Een milder God heeft u, die deerlijk waart verstooten,
Goedgunstig aangezien, en is vast bezig, om
Te schenken aan uw jeugd een zaalgen bruidegom;
Al heerschte Priam zelf, schoon Trojens muren stonden,
Tot zulk een huwelijk zij u niet brengen konden:
Want d' overkijker[214]zelf van d' eedle Grieksche stam
U tot het heilig recht van kuische minnevlam
En wettig bed verzoekt, wiens breed gebied gelegen
Is aan 't Thessalisch veld. O, welk een groote zegen!
De groote Thetis, en zoo menige Godes
Van 't zoute pekelschuim, daartoe de zeeprinces
Vrouw Tethys, de voogdes van de opgeblazen baren,
U voor haar aangehuwde en eigen pand verklaren,
En Peleus, als gij nu zijt Pyrrhus wederga,
U noemen zal zijn' snaar[215], en Nereus even na.
Leg af 't bezwalkt gewaad, trek weder aan een statig,
Verleer slavin te zijn, weest niet zoo ongelatig[216];
Strijk neêr 't gerezen haar, duld, dat het word' geschikt,
En met een aardig' hand getooid en opgeflikt.
Dit[217]ramp misschien u voert tot hoogren staat en orden,
't Heeft velen nut geweest des vijands roof te worden.
ANDROMACHE.
ANDROMACHE.
Te schaatren eens van vreugd was 't eenig onheil, datDen Frygen nog ontbrak, en d' uitgerooide stad,'t Geslechte Pergamum vast brandt aan allen hoeken.O tijd van hijliken! maakt iemand zich te zoeken?Zoude iemand weigeren te treên na 't bruiloftsbed,Daar 't lief juweel toe raadt, Heleen! 't bederf, de smetDer beide volleken? Ziet eenmaal[218]doch met weenenDie vorstengrafsteên aan, deze onbegrave beenenLangs 't veld gezaaid: die heeft uw bruiloftsfeest verspreid!Om u men 't Aziaansche, om u men 't vaak beschreidEuropisch heldenbloed, al sissende, zag storten;Als gij koelmoedig[219]zaagt de mannen t' zamenhorten,Onzeker wien ge droegt. Vaart voorts, en maakt met groenDe bruiloftskamer toe. Wat is er toorts van doen,Of fakkel na gewoonte, of vier? Laat Troje uitrichtenDien dienst, en met zijn' vlam 't nieuw bruiloftsbed toelichten.Trojaansche borger! viert, viert Pyrrhus' huwlijksfeest,Ja, viert ze na waardij, dat 's met een bangen geest;Maakt droefheid en misbaar!
Te schaatren eens van vreugd was 't eenig onheil, dat
Den Frygen nog ontbrak, en d' uitgerooide stad,
't Geslechte Pergamum vast brandt aan allen hoeken.
O tijd van hijliken! maakt iemand zich te zoeken?
Zoude iemand weigeren te treên na 't bruiloftsbed,
Daar 't lief juweel toe raadt, Heleen! 't bederf, de smet
Der beide volleken? Ziet eenmaal[218]doch met weenen
Die vorstengrafsteên aan, deze onbegrave beenen
Langs 't veld gezaaid: die heeft uw bruiloftsfeest verspreid!
Om u men 't Aziaansche, om u men 't vaak beschreid
Europisch heldenbloed, al sissende, zag storten;
Als gij koelmoedig[219]zaagt de mannen t' zamenhorten,
Onzeker wien ge droegt. Vaart voorts, en maakt met groen
De bruiloftskamer toe. Wat is er toorts van doen,
Of fakkel na gewoonte, of vier? Laat Troje uitrichten
Dien dienst, en met zijn' vlam 't nieuw bruiloftsbed toelichten.
Trojaansche borger! viert, viert Pyrrhus' huwlijksfeest,
Ja, viert ze na waardij, dat 's met een bangen geest;
Maakt droefheid en misbaar!
HELENE.
HELENE.
Hoewel de groote smarteIn geene rede staat, noch wordt vermorwd in 't harte,Ja, boven dat nog vaak haar' rouwgenooten haat;Zoo is het evenwel, dat zoo mijn zake staat,Dat ik ze nimmermeer te pleiten mij zal schromen,Al was de rechter schoon met gramschap ingenomen.'k En loochen niet, dat u wel overkomen zijOndragelijke smart; maar 't staat u echter vrij,Dat gij Priaam, en gij uw Hector moogt beweenen;Maar ik, helaas! ik moet in 't heimelijk bestenenMijn Paris, dien ik mis. 't Is een ondraaglijk juk,In slavernij te zijn; dat heb ik ook, met druk,Als een gevange vrouw, tien jaren lang gedragen.Uw Trojen leît ter neêr, d' Huisgoden zijn verslagen,'t Is wel een zwaar verlies het derven zijner stad;Maar zwaarder ik mijn vrees, dan alle rampen schat.'t Gezelschap in uw kwaad uw smart wat kan vergoeden,Op mij verwinner beide en overwonne woeden.'t Heeft in onzekre kans nu langen tijd gestaan,Wie dat een' ieder zou voor zijn slavin ontvaân,Mij kreeg terstond mijn heer, en zonder eenig loten.De krijg, verwijt gij mij, is eerst uit mij gesproten:Eene oorzaak van 't verdriet, dat Trojen overviel;Dit zou zoo wezen, waar 't dat onz' Spartaansche kielUw zeên eerst kloofde. Maar zoo de Trojaansche vechterMij roofde, als Venus mij geschonken had den rechter,Zoo weet het Paris dank. Mijn zaak zal vinden welEen scheidsman, maar helaas! voor mij niet dan te fel.'t Is Menelaüs, die hier over recht zal spreken.Wilt nu, Andromache! uw treuren doch wat breken,En murwen het gemoed van dees bedrukte vrouw[220],De tranen dringen mij ten oogen uit van rouw.
Hoewel de groote smarte
In geene rede staat, noch wordt vermorwd in 't harte,
Ja, boven dat nog vaak haar' rouwgenooten haat;
Zoo is het evenwel, dat zoo mijn zake staat,
Dat ik ze nimmermeer te pleiten mij zal schromen,
Al was de rechter schoon met gramschap ingenomen.
'k En loochen niet, dat u wel overkomen zij
Ondragelijke smart; maar 't staat u echter vrij,
Dat gij Priaam, en gij uw Hector moogt beweenen;
Maar ik, helaas! ik moet in 't heimelijk bestenen
Mijn Paris, dien ik mis. 't Is een ondraaglijk juk,
In slavernij te zijn; dat heb ik ook, met druk,
Als een gevange vrouw, tien jaren lang gedragen.
Uw Trojen leît ter neêr, d' Huisgoden zijn verslagen,
't Is wel een zwaar verlies het derven zijner stad;
Maar zwaarder ik mijn vrees, dan alle rampen schat.
't Gezelschap in uw kwaad uw smart wat kan vergoeden,
Op mij verwinner beide en overwonne woeden.
't Heeft in onzekre kans nu langen tijd gestaan,
Wie dat een' ieder zou voor zijn slavin ontvaân,
Mij kreeg terstond mijn heer, en zonder eenig loten.
De krijg, verwijt gij mij, is eerst uit mij gesproten:
Eene oorzaak van 't verdriet, dat Trojen overviel;
Dit zou zoo wezen, waar 't dat onz' Spartaansche kiel
Uw zeên eerst kloofde. Maar zoo de Trojaansche vechter
Mij roofde, als Venus mij geschonken had den rechter,
Zoo weet het Paris dank. Mijn zaak zal vinden wel
Een scheidsman, maar helaas! voor mij niet dan te fel.
't Is Menelaüs, die hier over recht zal spreken.
Wilt nu, Andromache! uw treuren doch wat breken,
En murwen het gemoed van dees bedrukte vrouw[220],
De tranen dringen mij ten oogen uit van rouw.
ANDROMACHE.
ANDROMACHE.
't Moet zijn een groot verdriet, dat ons Heleen doet schreyen,Wat doet haar doch aldus de vochte tranen spreyen?Zeg op, zeg op! waar is Ulysses nu op uit?Wat schelmstuk, of wat list is eindlijk zijn besluit?Zeg op, hoe dat men zal met d' arme dochter leven:Zal zij met volle kracht heronder[221]zijn gedrevenVan Ida's toppen, daar hij rijst met heuvelkruin?Of zal een wreed soldaat haar schieten[222], steil en schuin,Van 's onlangs hoogen burgs verre uitgesteke klippen?Of zal ze in 't woeste meer afwentlen van de tippen,Die Trojens voorgebergt, met zijn gespouwe[223]zij'En lenden steekt om hoog, zoo dik en vaak als hijZiet alsins overheer[224]d' inhammen, licht om gronden?Zeg op, wat uw gelaat bedekt voor looze vonden.Dat Pyrrhus zwager wordt van Hecube en Priaam,Gaat boven alle ramp. Nu geef de straffe een naam.Zeg op, wat jammer gij ons wijders toe wilt zenden.Beneem dit eenig leed al overige ellenden,Dat's d' ijdle en valsche waan vol twijfelmoedigheid,En deze onzekre hoop. Gij ziet, wij zijn bereid,Den jongsten slag des doods geduldelijk te lijen.
't Moet zijn een groot verdriet, dat ons Heleen doet schreyen,
Wat doet haar doch aldus de vochte tranen spreyen?
Zeg op, zeg op! waar is Ulysses nu op uit?
Wat schelmstuk, of wat list is eindlijk zijn besluit?
Zeg op, hoe dat men zal met d' arme dochter leven:
Zal zij met volle kracht heronder[221]zijn gedreven
Van Ida's toppen, daar hij rijst met heuvelkruin?
Of zal een wreed soldaat haar schieten[222], steil en schuin,
Van 's onlangs hoogen burgs verre uitgesteke klippen?
Of zal ze in 't woeste meer afwentlen van de tippen,
Die Trojens voorgebergt, met zijn gespouwe[223]zij'
En lenden steekt om hoog, zoo dik en vaak als hij
Ziet alsins overheer[224]d' inhammen, licht om gronden?
Zeg op, wat uw gelaat bedekt voor looze vonden.
Dat Pyrrhus zwager wordt van Hecube en Priaam,
Gaat boven alle ramp. Nu geef de straffe een naam.
Zeg op, wat jammer gij ons wijders toe wilt zenden.
Beneem dit eenig leed al overige ellenden,
Dat's d' ijdle en valsche waan vol twijfelmoedigheid,
En deze onzekre hoop. Gij ziet, wij zijn bereid,
Den jongsten slag des doods geduldelijk te lijen.
HELENE.
HELENE.
Och, of der Goden tolk mij toeliet af te snijen't Verlet van 't hatig licht, of, voor Achilles' graf,Door Pyrrhus' woedend' hand, als speelnoot van uw straf[225]En droevig ongeluk, te sneuvlen met den zwaarde!Helaas, Polyxena! wiens schoonheid de vermaardeAchilles voor zijne asch ter slachting daagt door 't staal,Om in 't Elyzisch veld te strekken uw gemaal!
Och, of der Goden tolk mij toeliet af te snijen
't Verlet van 't hatig licht, of, voor Achilles' graf,
Door Pyrrhus' woedend' hand, als speelnoot van uw straf[225]
En droevig ongeluk, te sneuvlen met den zwaarde!
Helaas, Polyxena! wiens schoonheid de vermaarde
Achilles voor zijne asch ter slachting daagt door 't staal,
Om in 't Elyzisch veld te strekken uw gemaal!
ANDROMACHE.
ANDROMACHE.
Ziet, hoe dat moedig dier, gelijk den dag van eeren,Haar sterfdag noemen hoort. Ze eischt koninklijke kleêrenTot voegelijk cieraad; dat m' hare vlechten streelt,En d' handen slaat aan 't haar, haar leed doet noch verveelt;Het ander hield ze een dood, dit rekent ze bruids stacy;Maar 't moederlijk gemoed beklagelijk, eilacy!Verstokt door deze maar, bezwijkt door groote smart;'t Verstand ontzonken is. Schep moed, rampzalig hart!Hef uwe geesten op! Hoe hangt de ziel des menschenAan zulk een dunnen draad? Hier waar niet veel te wenschen;Een lutske[226]en Hecuba gezaligd ons begeeft.Zij haalt den aassem weêr, verkomt allengs, zij leeft.De dood vliedt aldermeest voor die zich baadt in tranen.
Ziet, hoe dat moedig dier, gelijk den dag van eeren,
Haar sterfdag noemen hoort. Ze eischt koninklijke kleêren
Tot voegelijk cieraad; dat m' hare vlechten streelt,
En d' handen slaat aan 't haar, haar leed doet noch verveelt;
Het ander hield ze een dood, dit rekent ze bruids stacy;
Maar 't moederlijk gemoed beklagelijk, eilacy!
Verstokt door deze maar, bezwijkt door groote smart;
't Verstand ontzonken is. Schep moed, rampzalig hart!
Hef uwe geesten op! Hoe hangt de ziel des menschen
Aan zulk een dunnen draad? Hier waar niet veel te wenschen;
Een lutske[226]en Hecuba gezaligd ons begeeft.
Zij haalt den aassem weêr, verkomt allengs, zij leeft.
De dood vliedt aldermeest voor die zich baadt in tranen.
HECUBA.
HECUBA.
Wel, leeft Achilles nog tot straf der Frygianen?Steekt hij nog d' ooren op, ruig, woest, en omgetemd?Hoe weinig heeft mijn zoons, vorst Paris, hand geklemd[227]!Zijn tombe en de assche zelve ons 't leven nog benijden,En snakken naar ons bloed. Thans[228]waren beî mijn' zijdenBecingeld van een schaar, en zaalge zielenrei;Ik werd van 't kussen moede, en 't liefelijk gevleiVan moederlijke jonst den kindren uit te deelen.Deze is er nu alleen slechts over van zoo velen;Mijn wensch, mijn gezellin, verlichting en genucht,En 's aangevochten[229]rust. Dit 's, Hecube! al uw vrucht:De naam van moeder vloeit me alleen uit deze lippen.Rampzaalge en taaye ziel! voorts, voorts, gaat eenmaal slippen,En schelt me eens endlijk kwijt deze eenige uitvaart, ach!De kaken zijn bevocht van schreyen dag aan dag,Van 't drukkig aanschijn stort een onverziensche regen.Mijn dochter, weest verheugd! Hoe zou, om zulk een zegen,Om dit uw huwelijk Cassandra zijn begaan!Hoe zou Andromache naar uwe bruiloft staan!
Wel, leeft Achilles nog tot straf der Frygianen?
Steekt hij nog d' ooren op, ruig, woest, en omgetemd?
Hoe weinig heeft mijn zoons, vorst Paris, hand geklemd[227]!
Zijn tombe en de assche zelve ons 't leven nog benijden,
En snakken naar ons bloed. Thans[228]waren beî mijn' zijden
Becingeld van een schaar, en zaalge zielenrei;
Ik werd van 't kussen moede, en 't liefelijk gevlei
Van moederlijke jonst den kindren uit te deelen.
Deze is er nu alleen slechts over van zoo velen;
Mijn wensch, mijn gezellin, verlichting en genucht,
En 's aangevochten[229]rust. Dit 's, Hecube! al uw vrucht:
De naam van moeder vloeit me alleen uit deze lippen.
Rampzaalge en taaye ziel! voorts, voorts, gaat eenmaal slippen,
En schelt me eens endlijk kwijt deze eenige uitvaart, ach!
De kaken zijn bevocht van schreyen dag aan dag,
Van 't drukkig aanschijn stort een onverziensche regen.
Mijn dochter, weest verheugd! Hoe zou, om zulk een zegen,
Om dit uw huwelijk Cassandra zijn begaan!
Hoe zou Andromache naar uwe bruiloft staan!
ANDROMACHE.
ANDROMACHE.
Wij, Hecuba! zijn eer, wij, wij zijn te betreuren,Wie fluks de zeilbre vloot zal van malkandre scheuren,En spreyen hier en gins; zij, lieflijk uitgestrekt,Wordt van geboortige aarde in 't vaderland bedekt,
Wij, Hecuba! zijn eer, wij, wij zijn te betreuren,
Wie fluks de zeilbre vloot zal van malkandre scheuren,
En spreyen hier en gins; zij, lieflijk uitgestrekt,
Wordt van geboortige aarde in 't vaderland bedekt,
HELENE.
HELENE.
Indien ge uw lot verstondt, gij zoudt haar meer misgunnen.
Indien ge uw lot verstondt, gij zoudt haar meer misgunnen.
ANDROMACHE.
ANDROMACHE.
Wat straffe dreigt ons dan, die wij niet weten kunnen?
Wat straffe dreigt ons dan, die wij niet weten kunnen?
HELENE.
HELENE.
De bus, die is geschud; elk heeft zijn heeren[230]al.
De bus, die is geschud; elk heeft zijn heeren[230]al.
ANDROMACHE.
ANDROMACHE.
Wat heer is mij bescheerd? Zeg, wien ik dienen zal.
Wat heer is mij bescheerd? Zeg, wien ik dienen zal.
HELENE.
HELENE.
Maar[231], Scyros' jongeling[232]dy trok ten eersten lote.
Maar[231], Scyros' jongeling[232]dy trok ten eersten lote.
ANDROMACHE.
ANDROMACHE.
Hoe zalig is de maagd Cassandra, die de vloteDer Grieken niet en vreest, en door haar razerij[233]En Fœbus[234]veilig is, en blijft van loting vrij.
Hoe zalig is de maagd Cassandra, die de vlote
Der Grieken niet en vreest, en door haar razerij[233]
En Fœbus[234]veilig is, en blijft van loting vrij.
HELENE.
HELENE.
Het hoofd der koningen houdt dees voor zijn gevange.
Het hoofd der koningen houdt dees voor zijn gevange.
HECUBA.
HECUBA.
Wil iemand Hecuba ook voor de zijne ontvange'?
Wil iemand Hecuba ook voor de zijne ontvange'?
HELENE.
HELENE.
D' onwilgen Ithakois[235]gij vielt tot roof te beurt.
D' onwilgen Ithakois[235]gij vielt tot roof te beurt.
HECUBA.
HECUBA.
Wat loter wreed van aard, ondwingbaar en versteurd,Der ongerechte busse, heeft, zonder staatverschooning,Den eenen vorst gezet tot 's anders vorst en koning?Wat euvler[236]God verdeelt de slaven hier en daar?Wat, den bedrukten streng en onzacht, middelaarZoo luttel kennis draagt in heeren uit te keuren,En leît d' ellendige nog heilloos ramp te veuren[237],In 't wreken al te wreed, van hand en van gemoed?Wie voegt de moeder doch van Hector bij het bloedVan Æacus[238], en bij zijn' wapenen en troepen?Of word ik weder naar den Ithakois geroepen?Nu dunkt me, ik ben slavin: nu wint de Griek den kamp:Nu dunkt me, ik ben bezet van allerhande ramp.Ik schaam mij zulken heer, maar niet, dat ik moet slaven.Zal die met Hectors buit zoo trotsch gaan henen draven,Die, Ajax eer te spijt, Achilles' roof[239]ontdroeg?Daar ooit de zee rondom 't onvruchtbaar eiland sloeg,Zal hier mijn grafsteê zijn? koom hier, koom hier, verbolgenUlysses! leid me weg, ik zal mijn meester volgen;Ik kreunsme[240]niet, mijn lot mij navolg', naar mijn lust.Geen stilte zij op zee, noch aangename rust.Van winden woede 't meer; dat Priaams ongelukken,En mijne, en krijg en vier der Grieken legers drukken:En ondertusschen dat deze onderwege zijn,Zoo woed' dees straf alreê. Ik, vol verdriet en pijn,Heb u een lot verstrekt, dies is u 't loon onttogen.Maar Pyrrhus komt daar aan, met wrevelmoedige oogen,En spoedt met snelle treên. Wat wacht ge Pyrrhus? hoe!Koom, opent mijne borst met ijzer: treê vrij toe,En help den schoonvaâr doch en schoonmoêr van uw vaderEens bij malkanderen. Gij slachter, gij verraderVan grijze en oude liên! dit bloed dy meê betaamt[241];Koom, sleept me, ontrukt me meê; met neêrslag[242]onbeschaamdOok d' Oppergoôn bevlekt, en schimmen dieder waren[243].Wat zee wensch ik uw vloot? ik wensch haar zulke barenGelijk uwe offerande en gruwel wel vereischt.De gansche Grieksche vlote, als gij nu henen reist,Uw duizend schepen fluks (als mijn' bedroefde ziele[244]Gevoerd wordt) overkoom' hetgeen ik wensch mijn kiele.
Wat loter wreed van aard, ondwingbaar en versteurd,
Der ongerechte busse, heeft, zonder staatverschooning,
Den eenen vorst gezet tot 's anders vorst en koning?
Wat euvler[236]God verdeelt de slaven hier en daar?
Wat, den bedrukten streng en onzacht, middelaar
Zoo luttel kennis draagt in heeren uit te keuren,
En leît d' ellendige nog heilloos ramp te veuren[237],
In 't wreken al te wreed, van hand en van gemoed?
Wie voegt de moeder doch van Hector bij het bloed
Van Æacus[238], en bij zijn' wapenen en troepen?
Of word ik weder naar den Ithakois geroepen?
Nu dunkt me, ik ben slavin: nu wint de Griek den kamp:
Nu dunkt me, ik ben bezet van allerhande ramp.
Ik schaam mij zulken heer, maar niet, dat ik moet slaven.
Zal die met Hectors buit zoo trotsch gaan henen draven,
Die, Ajax eer te spijt, Achilles' roof[239]ontdroeg?
Daar ooit de zee rondom 't onvruchtbaar eiland sloeg,
Zal hier mijn grafsteê zijn? koom hier, koom hier, verbolgen
Ulysses! leid me weg, ik zal mijn meester volgen;
Ik kreunsme[240]niet, mijn lot mij navolg', naar mijn lust.
Geen stilte zij op zee, noch aangename rust.
Van winden woede 't meer; dat Priaams ongelukken,
En mijne, en krijg en vier der Grieken legers drukken:
En ondertusschen dat deze onderwege zijn,
Zoo woed' dees straf alreê. Ik, vol verdriet en pijn,
Heb u een lot verstrekt, dies is u 't loon onttogen.
Maar Pyrrhus komt daar aan, met wrevelmoedige oogen,
En spoedt met snelle treên. Wat wacht ge Pyrrhus? hoe!
Koom, opent mijne borst met ijzer: treê vrij toe,
En help den schoonvaâr doch en schoonmoêr van uw vader
Eens bij malkanderen. Gij slachter, gij verrader
Van grijze en oude liên! dit bloed dy meê betaamt[241];
Koom, sleept me, ontrukt me meê; met neêrslag[242]onbeschaamd
Ook d' Oppergoôn bevlekt, en schimmen dieder waren[243].
Wat zee wensch ik uw vloot? ik wensch haar zulke baren
Gelijk uwe offerande en gruwel wel vereischt.
De gansche Grieksche vlote, als gij nu henen reist,
Uw duizend schepen fluks (als mijn' bedroefde ziele[244]
Gevoerd wordt) overkoom' hetgeen ik wensch mijn kiele.
REI.
REI.
Die treurt en zit verslagen,Is 't zoet, dat vele klagen,Is 't zoet, dat heele volkenBang stenen naar de wolken.De tranen en misbarenMin nijpen, als er scharenBedrukt te gader weenen,En om haar rampspoed stenen.Die groote droefheid smaken,Zich altijd nog vermaken,Dat hunn' kwade avonturenVele andere ook bezuren,En dat ze niet alleeneZijn weerloos voor die peene[245].Geen mensch ontzeit te dragen's Volks algemeene plagen.Geen acht zich dan ellendigAl is hij 't schoon inwendig.Neemt weg die zaliglijkenBedijen; zet de rijkenTer zijden, die beklijvenMet goude en zilvre schijven;Neemt weg, die steeds met zwoegenDe rijke landen ploegen,Met honderd ossen tevens:Zoo zal, vol moeds en levens,Zich 's armen moed verheffen,Ziende alle staten effen;Want niemand, hoe bezweken,Is arm, als[246]vergeleken.Zoet valtet[247]boven allenWiens zaken zijn vervallen,Dat niemand onder 't maanlichtLacht met een vrolijk aanzicht.Die met een schip, uit liefdeVan winst, de baren kliefde,Wanneer hij naakt ontzwommenDe zeestrand heeft beklommen,Hij zal bedroefd, och armen!Om zulk een rampspoed karmen.Hier tegens wij bevinden,Dat,diende storremwinden,Ja, schade minder wonden,Die in de woeste grondenZag teffens duizend schepenVan 't onweêr onder slepen,En 't heele vlak zag drijvenVol hout en doode lijven,Als Corus'[248]strenge onweêrenDe zee belet te keeren,Met d' aangeparste golven.Eer Fryxus[249], schier bedolvenVan 't schuim, vol schriks en beven,En eenig overbleven,Heeft Helles lijk bekreten,Helaas! doen ze afgesmetenViel midden in de vloeden,Die tuimelen en woeden;Doen haar de ram afschudde,De leidsman van de kudde,Wiens lijf was overtrokkenMet glinsterende vlokken;Wiens gouden rug de broederEn zuster, hunn' stiefmoederOntvluchtende, beschreden.Zelf Pyrrh'[250]hiel zich tevreden,Als haar gemaal behoudenEn zij de zee aanschouwden,En niet als zee vernamen,Doen zij 't alleene ontkwamen.De vloot nu schielijk herwaartsGedreven, nu weêr derwaarts,Zal dit gezelschap scheyen,En onze tranen spreyen:Als schippers en stierlieden,Op scheeptrompets gebieden,Tzeil gaan, en hunne roeyers,Als kloeke waterspoeyers,De diepte eens vatten vlugge,Als 't strand zal vliên te rugge:Hoe zullen dan uw zinnenTe moê zijn, o slavinnen?Als gij de groote plassenZiet groeyen, 't land ontwassen;Als Ide allengs zal blaauwen,Neerduiken, en verflaauwen?De moeder zal haar zonen,De zoon de moeder toonen,In welken oord en wegen,Dat Trojen is gelegen;En met den vinger wijzenEn zeggen: "daar gij rijzenZiet hemelhoog dat smoken,Die damp, en 't leelijk rooken,Daar zijn Neptunus' vestenVerwoest, vernield, ten lestenVan dees vervloekte Greeken."De Frijg zal bij dat teekenVan verre zich gewennen,Zijn vaderland te kennen.
Die treurt en zit verslagen,
Is 't zoet, dat vele klagen,
Is 't zoet, dat heele volken
Bang stenen naar de wolken.
De tranen en misbaren
Min nijpen, als er scharen
Bedrukt te gader weenen,
En om haar rampspoed stenen.
Die groote droefheid smaken,
Zich altijd nog vermaken,
Dat hunn' kwade avonturen
Vele andere ook bezuren,
En dat ze niet alleene
Zijn weerloos voor die peene[245].
Geen mensch ontzeit te dragen
's Volks algemeene plagen.
Geen acht zich dan ellendig
Al is hij 't schoon inwendig.
Neemt weg die zaliglijken
Bedijen; zet de rijken
Ter zijden, die beklijven
Met goude en zilvre schijven;
Neemt weg, die steeds met zwoegen
De rijke landen ploegen,
Met honderd ossen tevens:
Zoo zal, vol moeds en levens,
Zich 's armen moed verheffen,
Ziende alle staten effen;
Want niemand, hoe bezweken,
Is arm, als[246]vergeleken.
Zoet valtet[247]boven allen
Wiens zaken zijn vervallen,
Dat niemand onder 't maanlicht
Lacht met een vrolijk aanzicht.
Die met een schip, uit liefde
Van winst, de baren kliefde,
Wanneer hij naakt ontzwommen
De zeestrand heeft beklommen,
Hij zal bedroefd, och armen!
Om zulk een rampspoed karmen.
Hier tegens wij bevinden,
Dat,diende storremwinden,
Ja, schade minder wonden,
Die in de woeste gronden
Zag teffens duizend schepen
Van 't onweêr onder slepen,
En 't heele vlak zag drijven
Vol hout en doode lijven,
Als Corus'[248]strenge onweêren
De zee belet te keeren,
Met d' aangeparste golven.
Eer Fryxus[249], schier bedolven
Van 't schuim, vol schriks en beven,
En eenig overbleven,
Heeft Helles lijk bekreten,
Helaas! doen ze afgesmeten
Viel midden in de vloeden,
Die tuimelen en woeden;
Doen haar de ram afschudde,
De leidsman van de kudde,
Wiens lijf was overtrokken
Met glinsterende vlokken;
Wiens gouden rug de broeder
En zuster, hunn' stiefmoeder
Ontvluchtende, beschreden.
Zelf Pyrrh'[250]hiel zich tevreden,
Als haar gemaal behouden
En zij de zee aanschouwden,
En niet als zee vernamen,
Doen zij 't alleene ontkwamen.
De vloot nu schielijk herwaarts
Gedreven, nu weêr derwaarts,
Zal dit gezelschap scheyen,
En onze tranen spreyen:
Als schippers en stierlieden,
Op scheeptrompets gebieden,
Tzeil gaan, en hunne roeyers,
Als kloeke waterspoeyers,
De diepte eens vatten vlugge,
Als 't strand zal vliên te rugge:
Hoe zullen dan uw zinnen
Te moê zijn, o slavinnen?
Als gij de groote plassen
Ziet groeyen, 't land ontwassen;
Als Ide allengs zal blaauwen,
Neerduiken, en verflaauwen?
De moeder zal haar zonen,
De zoon de moeder toonen,
In welken oord en wegen,
Dat Trojen is gelegen;
En met den vinger wijzen
En zeggen: "daar gij rijzen
Ziet hemelhoog dat smoken,
Die damp, en 't leelijk rooken,
Daar zijn Neptunus' vesten
Verwoest, vernield, ten lesten
Van dees vervloekte Greeken."
De Frijg zal bij dat teeken
Van verre zich gewennen,
Zijn vaderland te kennen.