Chapter 7

DE VIJFDE HANDEL.BODE, ANDROMACHE, HECUBA.BODE.O noodlot, vol van vloek, van wreedheid, deernis, schrik!Heeft Mars, in tien jaar krijgs, met zoo verwoed een stik[251],Zijne oogen ooit vermaakt: wat zal ik eerst verklaren?Wat heft mijn klacht eerst op: uw eiselijk bezwaren,O uitgeleefde vrouw? Of zal 't uw rouwe zijn?HECUBA.Wat leed, dat gij beschreit, gij zult beschreyen 't mijn.Elk heeft zijn eige ramp; mij zij te gaâr aantaste',En wie ellendig is, die is te mijnen laste.BODE.Ik heb de maagd zien slaan[252], 't kind worpen[253]van de tin,Maar met een moedig hart haar sterven, hem niet min.HECUBA.Verhaal de dobble moord, en reeks van schelmerijen.Het wroeten in mijn wonde is mijn gemoeds verblijen.Leg al de toekomst uit.BODE.Één toren heeft de brandVan 't groote Trojen slechts gelaten in zijn stand:Van wiens verheven top en gekanteelde boorden,Plag Priaam zittende te stieren de slagoorden,En d' oorloogsmaat te slaan. Hij, grootvaâr, hier zijn neef[254]In zachten schoot gestoofd, wees aan, hoe Hector dreefDen Griek, en deê terug gemeenen man en heeren,Als hij met vier en zwaard daar achter her was, keeren,Door last van grooten angst; en liet den jongen heldAanschouwen, welk een man zijn vader was in 't veld.Dees toren, eerst bekend voor een cieraad der vesten,Maar nu een moordklip, wordt door 't graauw en door de bestenVan ieder oord omringd. Al 't volk, met ééne veeg,Komt derwaarts aangerukt. De schepen loopen leêg.Een menigt' hier van liên zich op een heuvel zette,In vrije lucht, daar niets het uitgezicht[255]belette;Daar, op eene hooge rots zijn kruin[256]; alwaar zij gaanZich plantende in 't gewicht op hunne tenen staan;Andre op een pijnboom, beuk, of lauwer zich begeven,En 't opgehangen volk het gansche woud doet beven.Zulk, voor de keur[257], den kant van steilen berge nam,Een ander een stuk daks vergeten van de vlam.Zulk een beklimt een muur, die reed staat om te breken,En 't lijf waagt op een steen, onvast door 't oversteken;Ja, 'k heb gezien de tomb van Hector dienen meê,Fy onbarmhartigheid! den kijker tot een steê.Doen kwam, met fieren moede en hooggeheve schreden,Scheil[258]makende in den drang, Ulysses aangetreden:Bij zijner rechtehand hij Priaams neefken[259]had,En trok hem voorts. Het kind met wakkren gange tradNa d' hooge vest; het sloeg niet eens versaagd nu herwaart,Staande op den torenkant, zijn streng[260]gezicht, nu derwaart.Gelijk een teder jong van een geweldig wild,Al is 't nog zwak van tand, zijne ijdle beten spiltIn 't toonen van den aard, die 't doet tot forschheid neigen,En, van verbolgenheid gezwollen, woedt met dreigen;Alzoo dat brave kind, van vijands hand bekneld,Had volk en vorsten, ja, Ulysses zelf ontsteld,En zijn gehardheid deê den mannen 't hart ontvallen;Alleen en schreit hij niet, die wordt beschreit van allen.En middlerwijle dat Laërtes' zoon bestondDen paap[261]te bidden na, en aanhitst, stijf van mond[262],Ten offer wreede Goôn, is de onversaagde jongenVan zelven midden in zijn grootvaârs rijk gesprongen.ANDROMACHE.'t Geslacht van Colchos, fel en bitter in den aard,De onburgerlijke Scyth, met wien zijn huis vervaart[263],Of 't wetloos volk, hetwelk bewoont d' Hyrcaansche stranden,Waar heeftet ooit geschend aan zulk een stuk zijn handen?Wie hoorde van Busyr[264], dien wreedaart, zulk een maar,En dat ooit kinderbloed besprenkelde 't altaar?Zijn paarden, menschen-vleesch gewend voor voeder t' eten,En heeft het Diomeed zoo jong nooit voorgesmeten.Maar wie bestelpt[265]uw leên, en levert ze aan het graf?BODE.Wat leden spaarde doch de steile plaats daar af?De zwaarte, die, recht toe recht aan, en zonder horten,Met zoo gezwind een slag kwam tegens d' aarde storten,Heeft al de leên geknist[266]en vliegen doen om veer.'t Uitmuntend lijf, die mond gelijkt zich zelf niet meer.Zijns vaders edel kroost[267], in hoogsels, diepsels, holtenZich openbarende, leît t' eenemaal gesmolten.De nek is uit het lid, en uit het harsen-vat,Door eenen keizelsteen gekraakt, is 't brein gespat.Het lijf leît maakselloos[268].ANDROMACHE.Het zweemt[269]zijn vader weder.BODE.Na dat geworpen was het kind van boven neder,En 't heer den grouwel, dien 't gewrocht had, heeft beweend,Valt aan een ander stuk de zelleve[270]gemeent,En aan Achilles' tomb. De golven slaan van buitenHier tegens zachtlijk aan. Van de andre zijde stuitenDe vlakke velden op een heuvel, die al heelHet middelst sluit, en rijst als zitsteên van tooneel[271].De groote toeloop vult terstond den ganschen oever.Een deel is van geloof, dat deze daad de schroever[272]Der schepen wezen zal, en brengen ze in gebruik;Een ander ziet met lust uitdrogen 's vijands struik[273];Een groot deel graauws (waarbij zijn lichtigheden blijken)Verfoeit het schellemstuk, en loopt het lijkwel[274]kijken.Niet min en spoeit zich naar zijne uitvaart de Trojaan,Die met zich zelven komt te lijk en graafnis gaan;Onmachtig, door den angst, van siddren zich t' onthouwen,Zoekt hij den laatsten val van Trojens vest t' aanschouwen.Met[275]komen huwlijkswijs de fakkelen voor uit;Heleen, met bukkend hoofd, gaat treurig voor de bruid.Den Troischen dunkt die toorts gehaald uit Pluto's hoeken,En zulk een stacy zij Hermione[276]toevloeken,De vuil' Heleen alzoo haar man zij thuis gevoerd!Een schrik ter wederzijds 't verbaasde volk ontroert.De maagd haar aanschijn laat van schaamt voor over hangen,Een glans, die speelt haar op de jeugdelijke wangen;Des niettemin, en 't fraai[277]nu loopende op een end,Ruim zoo bevallijk blinkt als het ooit was gewend;Gelijk als op zijn schoonst Apol is, wen zijn rossenTe wedd' gaan, en hem 't licht der starren komt verlossen,En dat de twijfeldag[278]den nacht krijgt op den hals.De menigt staat versuft. Men prijst, doch naauw van all'sEen ding zoo zeer, als 'tgeen dat ons nu wordt onttogen;Die[279]door haar schoonheid, dees is door haar jeugd bewogen,Dees door het dwaalziek luk, dat heining kent noch sloot,Al tzamen door dien moed, uitdager van de dood;Z' heeft Pyrrhus achter haar; ja, d' harten zelfs der riddren,Zoo wel als van het schuim des legers, staan en siddren,Vol van meêdoogendheid en van verwondering.Na dat den steilen berg ten top de jongelingBeklommen, en dat hij nu op de kruin verhevenVan vaders hooge tomb zich had in stand begeven,De dappere mannin in 't minste niet en zwicht;Zij staat hem, forsch den slag biênde een fel[280]aangezicht.Zoo kloek een moed doorsnijdt het hart van stoute en bloode.En een nieuw wonder is hier Pyrrhus suf op doode'[281].Met dat[282], van zijner hand de stijfgejaagde klingIn d' overschoone borst tot aan 't gevest toe ging,En maakt een wijde wond, zoo dat de ribben knarsten,De dood daar in, het bloed daar schielijk uit kwam barsten;In 't sterven zelf nochtans zij van den moed niet scheidt:Voor over stortte zij met gramme krachtigheid,Alsof ze Achilles had met d' aarde willen pletten.De scharen schreyende zich allebeide ontzetten:De Frygiaan bedeesd geluid van stenen slaat,De triomfeerder klaar zijn stenen hooren laat.Dus ging het offer toe. Al 't bloed werd van 't verbolgenEn wreede graf, eer 't staan of vloeyen kon, verzwolgen.HECUBA.Gaat Grieken, gaat! u roept een veilge weg te rug:Ontvouwt het laken[283], maakt uw hooge stevens vlug,En spouwt[284]de zee; gij hebt haar weigren niet te schromen.De maagd en 't kind zijn om-, de krijg ten end gekomen.Waar met mijn tranen heen? waar, leider! spuw ik uitD' oûwijfelijke[285]ziel van dezen taayen huid?Zal ik mijn docht'r, of neef, mijn man of land betreuren?Of all' of mij? o, dood! mocht gij mij slechts gebeuren!De jonge kinderen, de maagden gij verdoet[286]Met kracht, en overal met haastigheden woedt;Alleene schreumtge[287]mij, en weet me tusschen 't stuwenDer pijlen, onder 't zwaard, en in den brand te schuwen.Gij hebt mij, die u zocht, den heelen nacht geweerd,En vijand, val, noch vier mijn leden heeft gedeerd.Stond ik u niet zoo reed[288]als Priaam?BODE.Slaafsche hoopen,Ras t' scheep! de vloot wil t' zeil, en is al afgeloopen.

BODE, ANDROMACHE, HECUBA.BODE.O noodlot, vol van vloek, van wreedheid, deernis, schrik!Heeft Mars, in tien jaar krijgs, met zoo verwoed een stik[251],Zijne oogen ooit vermaakt: wat zal ik eerst verklaren?Wat heft mijn klacht eerst op: uw eiselijk bezwaren,O uitgeleefde vrouw? Of zal 't uw rouwe zijn?HECUBA.Wat leed, dat gij beschreit, gij zult beschreyen 't mijn.Elk heeft zijn eige ramp; mij zij te gaâr aantaste',En wie ellendig is, die is te mijnen laste.BODE.Ik heb de maagd zien slaan[252], 't kind worpen[253]van de tin,Maar met een moedig hart haar sterven, hem niet min.HECUBA.Verhaal de dobble moord, en reeks van schelmerijen.Het wroeten in mijn wonde is mijn gemoeds verblijen.Leg al de toekomst uit.BODE.Één toren heeft de brandVan 't groote Trojen slechts gelaten in zijn stand:Van wiens verheven top en gekanteelde boorden,Plag Priaam zittende te stieren de slagoorden,En d' oorloogsmaat te slaan. Hij, grootvaâr, hier zijn neef[254]In zachten schoot gestoofd, wees aan, hoe Hector dreefDen Griek, en deê terug gemeenen man en heeren,Als hij met vier en zwaard daar achter her was, keeren,Door last van grooten angst; en liet den jongen heldAanschouwen, welk een man zijn vader was in 't veld.Dees toren, eerst bekend voor een cieraad der vesten,Maar nu een moordklip, wordt door 't graauw en door de bestenVan ieder oord omringd. Al 't volk, met ééne veeg,Komt derwaarts aangerukt. De schepen loopen leêg.Een menigt' hier van liên zich op een heuvel zette,In vrije lucht, daar niets het uitgezicht[255]belette;Daar, op eene hooge rots zijn kruin[256]; alwaar zij gaanZich plantende in 't gewicht op hunne tenen staan;Andre op een pijnboom, beuk, of lauwer zich begeven,En 't opgehangen volk het gansche woud doet beven.Zulk, voor de keur[257], den kant van steilen berge nam,Een ander een stuk daks vergeten van de vlam.Zulk een beklimt een muur, die reed staat om te breken,En 't lijf waagt op een steen, onvast door 't oversteken;Ja, 'k heb gezien de tomb van Hector dienen meê,Fy onbarmhartigheid! den kijker tot een steê.Doen kwam, met fieren moede en hooggeheve schreden,Scheil[258]makende in den drang, Ulysses aangetreden:Bij zijner rechtehand hij Priaams neefken[259]had,En trok hem voorts. Het kind met wakkren gange tradNa d' hooge vest; het sloeg niet eens versaagd nu herwaart,Staande op den torenkant, zijn streng[260]gezicht, nu derwaart.Gelijk een teder jong van een geweldig wild,Al is 't nog zwak van tand, zijne ijdle beten spiltIn 't toonen van den aard, die 't doet tot forschheid neigen,En, van verbolgenheid gezwollen, woedt met dreigen;Alzoo dat brave kind, van vijands hand bekneld,Had volk en vorsten, ja, Ulysses zelf ontsteld,En zijn gehardheid deê den mannen 't hart ontvallen;Alleen en schreit hij niet, die wordt beschreit van allen.En middlerwijle dat Laërtes' zoon bestondDen paap[261]te bidden na, en aanhitst, stijf van mond[262],Ten offer wreede Goôn, is de onversaagde jongenVan zelven midden in zijn grootvaârs rijk gesprongen.ANDROMACHE.'t Geslacht van Colchos, fel en bitter in den aard,De onburgerlijke Scyth, met wien zijn huis vervaart[263],Of 't wetloos volk, hetwelk bewoont d' Hyrcaansche stranden,Waar heeftet ooit geschend aan zulk een stuk zijn handen?Wie hoorde van Busyr[264], dien wreedaart, zulk een maar,En dat ooit kinderbloed besprenkelde 't altaar?Zijn paarden, menschen-vleesch gewend voor voeder t' eten,En heeft het Diomeed zoo jong nooit voorgesmeten.Maar wie bestelpt[265]uw leên, en levert ze aan het graf?BODE.Wat leden spaarde doch de steile plaats daar af?De zwaarte, die, recht toe recht aan, en zonder horten,Met zoo gezwind een slag kwam tegens d' aarde storten,Heeft al de leên geknist[266]en vliegen doen om veer.'t Uitmuntend lijf, die mond gelijkt zich zelf niet meer.Zijns vaders edel kroost[267], in hoogsels, diepsels, holtenZich openbarende, leît t' eenemaal gesmolten.De nek is uit het lid, en uit het harsen-vat,Door eenen keizelsteen gekraakt, is 't brein gespat.Het lijf leît maakselloos[268].ANDROMACHE.Het zweemt[269]zijn vader weder.BODE.Na dat geworpen was het kind van boven neder,En 't heer den grouwel, dien 't gewrocht had, heeft beweend,Valt aan een ander stuk de zelleve[270]gemeent,En aan Achilles' tomb. De golven slaan van buitenHier tegens zachtlijk aan. Van de andre zijde stuitenDe vlakke velden op een heuvel, die al heelHet middelst sluit, en rijst als zitsteên van tooneel[271].De groote toeloop vult terstond den ganschen oever.Een deel is van geloof, dat deze daad de schroever[272]Der schepen wezen zal, en brengen ze in gebruik;Een ander ziet met lust uitdrogen 's vijands struik[273];Een groot deel graauws (waarbij zijn lichtigheden blijken)Verfoeit het schellemstuk, en loopt het lijkwel[274]kijken.Niet min en spoeit zich naar zijne uitvaart de Trojaan,Die met zich zelven komt te lijk en graafnis gaan;Onmachtig, door den angst, van siddren zich t' onthouwen,Zoekt hij den laatsten val van Trojens vest t' aanschouwen.Met[275]komen huwlijkswijs de fakkelen voor uit;Heleen, met bukkend hoofd, gaat treurig voor de bruid.Den Troischen dunkt die toorts gehaald uit Pluto's hoeken,En zulk een stacy zij Hermione[276]toevloeken,De vuil' Heleen alzoo haar man zij thuis gevoerd!Een schrik ter wederzijds 't verbaasde volk ontroert.De maagd haar aanschijn laat van schaamt voor over hangen,Een glans, die speelt haar op de jeugdelijke wangen;Des niettemin, en 't fraai[277]nu loopende op een end,Ruim zoo bevallijk blinkt als het ooit was gewend;Gelijk als op zijn schoonst Apol is, wen zijn rossenTe wedd' gaan, en hem 't licht der starren komt verlossen,En dat de twijfeldag[278]den nacht krijgt op den hals.De menigt staat versuft. Men prijst, doch naauw van all'sEen ding zoo zeer, als 'tgeen dat ons nu wordt onttogen;Die[279]door haar schoonheid, dees is door haar jeugd bewogen,Dees door het dwaalziek luk, dat heining kent noch sloot,Al tzamen door dien moed, uitdager van de dood;Z' heeft Pyrrhus achter haar; ja, d' harten zelfs der riddren,Zoo wel als van het schuim des legers, staan en siddren,Vol van meêdoogendheid en van verwondering.Na dat den steilen berg ten top de jongelingBeklommen, en dat hij nu op de kruin verhevenVan vaders hooge tomb zich had in stand begeven,De dappere mannin in 't minste niet en zwicht;Zij staat hem, forsch den slag biênde een fel[280]aangezicht.Zoo kloek een moed doorsnijdt het hart van stoute en bloode.En een nieuw wonder is hier Pyrrhus suf op doode'[281].Met dat[282], van zijner hand de stijfgejaagde klingIn d' overschoone borst tot aan 't gevest toe ging,En maakt een wijde wond, zoo dat de ribben knarsten,De dood daar in, het bloed daar schielijk uit kwam barsten;In 't sterven zelf nochtans zij van den moed niet scheidt:Voor over stortte zij met gramme krachtigheid,Alsof ze Achilles had met d' aarde willen pletten.De scharen schreyende zich allebeide ontzetten:De Frygiaan bedeesd geluid van stenen slaat,De triomfeerder klaar zijn stenen hooren laat.Dus ging het offer toe. Al 't bloed werd van 't verbolgenEn wreede graf, eer 't staan of vloeyen kon, verzwolgen.HECUBA.Gaat Grieken, gaat! u roept een veilge weg te rug:Ontvouwt het laken[283], maakt uw hooge stevens vlug,En spouwt[284]de zee; gij hebt haar weigren niet te schromen.De maagd en 't kind zijn om-, de krijg ten end gekomen.Waar met mijn tranen heen? waar, leider! spuw ik uitD' oûwijfelijke[285]ziel van dezen taayen huid?Zal ik mijn docht'r, of neef, mijn man of land betreuren?Of all' of mij? o, dood! mocht gij mij slechts gebeuren!De jonge kinderen, de maagden gij verdoet[286]Met kracht, en overal met haastigheden woedt;Alleene schreumtge[287]mij, en weet me tusschen 't stuwenDer pijlen, onder 't zwaard, en in den brand te schuwen.Gij hebt mij, die u zocht, den heelen nacht geweerd,En vijand, val, noch vier mijn leden heeft gedeerd.Stond ik u niet zoo reed[288]als Priaam?BODE.Slaafsche hoopen,Ras t' scheep! de vloot wil t' zeil, en is al afgeloopen.

BODE, ANDROMACHE, HECUBA.BODE.O noodlot, vol van vloek, van wreedheid, deernis, schrik!Heeft Mars, in tien jaar krijgs, met zoo verwoed een stik[251],Zijne oogen ooit vermaakt: wat zal ik eerst verklaren?Wat heft mijn klacht eerst op: uw eiselijk bezwaren,O uitgeleefde vrouw? Of zal 't uw rouwe zijn?HECUBA.Wat leed, dat gij beschreit, gij zult beschreyen 't mijn.Elk heeft zijn eige ramp; mij zij te gaâr aantaste',En wie ellendig is, die is te mijnen laste.BODE.Ik heb de maagd zien slaan[252], 't kind worpen[253]van de tin,Maar met een moedig hart haar sterven, hem niet min.HECUBA.Verhaal de dobble moord, en reeks van schelmerijen.Het wroeten in mijn wonde is mijn gemoeds verblijen.Leg al de toekomst uit.BODE.Één toren heeft de brandVan 't groote Trojen slechts gelaten in zijn stand:Van wiens verheven top en gekanteelde boorden,Plag Priaam zittende te stieren de slagoorden,En d' oorloogsmaat te slaan. Hij, grootvaâr, hier zijn neef[254]In zachten schoot gestoofd, wees aan, hoe Hector dreefDen Griek, en deê terug gemeenen man en heeren,Als hij met vier en zwaard daar achter her was, keeren,Door last van grooten angst; en liet den jongen heldAanschouwen, welk een man zijn vader was in 't veld.Dees toren, eerst bekend voor een cieraad der vesten,Maar nu een moordklip, wordt door 't graauw en door de bestenVan ieder oord omringd. Al 't volk, met ééne veeg,Komt derwaarts aangerukt. De schepen loopen leêg.Een menigt' hier van liên zich op een heuvel zette,In vrije lucht, daar niets het uitgezicht[255]belette;Daar, op eene hooge rots zijn kruin[256]; alwaar zij gaanZich plantende in 't gewicht op hunne tenen staan;Andre op een pijnboom, beuk, of lauwer zich begeven,En 't opgehangen volk het gansche woud doet beven.Zulk, voor de keur[257], den kant van steilen berge nam,Een ander een stuk daks vergeten van de vlam.Zulk een beklimt een muur, die reed staat om te breken,En 't lijf waagt op een steen, onvast door 't oversteken;Ja, 'k heb gezien de tomb van Hector dienen meê,Fy onbarmhartigheid! den kijker tot een steê.Doen kwam, met fieren moede en hooggeheve schreden,Scheil[258]makende in den drang, Ulysses aangetreden:Bij zijner rechtehand hij Priaams neefken[259]had,En trok hem voorts. Het kind met wakkren gange tradNa d' hooge vest; het sloeg niet eens versaagd nu herwaart,Staande op den torenkant, zijn streng[260]gezicht, nu derwaart.Gelijk een teder jong van een geweldig wild,Al is 't nog zwak van tand, zijne ijdle beten spiltIn 't toonen van den aard, die 't doet tot forschheid neigen,En, van verbolgenheid gezwollen, woedt met dreigen;Alzoo dat brave kind, van vijands hand bekneld,Had volk en vorsten, ja, Ulysses zelf ontsteld,En zijn gehardheid deê den mannen 't hart ontvallen;Alleen en schreit hij niet, die wordt beschreit van allen.En middlerwijle dat Laërtes' zoon bestondDen paap[261]te bidden na, en aanhitst, stijf van mond[262],Ten offer wreede Goôn, is de onversaagde jongenVan zelven midden in zijn grootvaârs rijk gesprongen.ANDROMACHE.'t Geslacht van Colchos, fel en bitter in den aard,De onburgerlijke Scyth, met wien zijn huis vervaart[263],Of 't wetloos volk, hetwelk bewoont d' Hyrcaansche stranden,Waar heeftet ooit geschend aan zulk een stuk zijn handen?Wie hoorde van Busyr[264], dien wreedaart, zulk een maar,En dat ooit kinderbloed besprenkelde 't altaar?Zijn paarden, menschen-vleesch gewend voor voeder t' eten,En heeft het Diomeed zoo jong nooit voorgesmeten.Maar wie bestelpt[265]uw leên, en levert ze aan het graf?BODE.Wat leden spaarde doch de steile plaats daar af?De zwaarte, die, recht toe recht aan, en zonder horten,Met zoo gezwind een slag kwam tegens d' aarde storten,Heeft al de leên geknist[266]en vliegen doen om veer.'t Uitmuntend lijf, die mond gelijkt zich zelf niet meer.Zijns vaders edel kroost[267], in hoogsels, diepsels, holtenZich openbarende, leît t' eenemaal gesmolten.De nek is uit het lid, en uit het harsen-vat,Door eenen keizelsteen gekraakt, is 't brein gespat.Het lijf leît maakselloos[268].ANDROMACHE.Het zweemt[269]zijn vader weder.BODE.Na dat geworpen was het kind van boven neder,En 't heer den grouwel, dien 't gewrocht had, heeft beweend,Valt aan een ander stuk de zelleve[270]gemeent,En aan Achilles' tomb. De golven slaan van buitenHier tegens zachtlijk aan. Van de andre zijde stuitenDe vlakke velden op een heuvel, die al heelHet middelst sluit, en rijst als zitsteên van tooneel[271].De groote toeloop vult terstond den ganschen oever.Een deel is van geloof, dat deze daad de schroever[272]Der schepen wezen zal, en brengen ze in gebruik;Een ander ziet met lust uitdrogen 's vijands struik[273];Een groot deel graauws (waarbij zijn lichtigheden blijken)Verfoeit het schellemstuk, en loopt het lijkwel[274]kijken.Niet min en spoeit zich naar zijne uitvaart de Trojaan,Die met zich zelven komt te lijk en graafnis gaan;Onmachtig, door den angst, van siddren zich t' onthouwen,Zoekt hij den laatsten val van Trojens vest t' aanschouwen.Met[275]komen huwlijkswijs de fakkelen voor uit;Heleen, met bukkend hoofd, gaat treurig voor de bruid.Den Troischen dunkt die toorts gehaald uit Pluto's hoeken,En zulk een stacy zij Hermione[276]toevloeken,De vuil' Heleen alzoo haar man zij thuis gevoerd!Een schrik ter wederzijds 't verbaasde volk ontroert.De maagd haar aanschijn laat van schaamt voor over hangen,Een glans, die speelt haar op de jeugdelijke wangen;Des niettemin, en 't fraai[277]nu loopende op een end,Ruim zoo bevallijk blinkt als het ooit was gewend;Gelijk als op zijn schoonst Apol is, wen zijn rossenTe wedd' gaan, en hem 't licht der starren komt verlossen,En dat de twijfeldag[278]den nacht krijgt op den hals.De menigt staat versuft. Men prijst, doch naauw van all'sEen ding zoo zeer, als 'tgeen dat ons nu wordt onttogen;Die[279]door haar schoonheid, dees is door haar jeugd bewogen,Dees door het dwaalziek luk, dat heining kent noch sloot,Al tzamen door dien moed, uitdager van de dood;Z' heeft Pyrrhus achter haar; ja, d' harten zelfs der riddren,Zoo wel als van het schuim des legers, staan en siddren,Vol van meêdoogendheid en van verwondering.Na dat den steilen berg ten top de jongelingBeklommen, en dat hij nu op de kruin verhevenVan vaders hooge tomb zich had in stand begeven,De dappere mannin in 't minste niet en zwicht;Zij staat hem, forsch den slag biênde een fel[280]aangezicht.Zoo kloek een moed doorsnijdt het hart van stoute en bloode.En een nieuw wonder is hier Pyrrhus suf op doode'[281].Met dat[282], van zijner hand de stijfgejaagde klingIn d' overschoone borst tot aan 't gevest toe ging,En maakt een wijde wond, zoo dat de ribben knarsten,De dood daar in, het bloed daar schielijk uit kwam barsten;In 't sterven zelf nochtans zij van den moed niet scheidt:Voor over stortte zij met gramme krachtigheid,Alsof ze Achilles had met d' aarde willen pletten.De scharen schreyende zich allebeide ontzetten:De Frygiaan bedeesd geluid van stenen slaat,De triomfeerder klaar zijn stenen hooren laat.Dus ging het offer toe. Al 't bloed werd van 't verbolgenEn wreede graf, eer 't staan of vloeyen kon, verzwolgen.HECUBA.Gaat Grieken, gaat! u roept een veilge weg te rug:Ontvouwt het laken[283], maakt uw hooge stevens vlug,En spouwt[284]de zee; gij hebt haar weigren niet te schromen.De maagd en 't kind zijn om-, de krijg ten end gekomen.Waar met mijn tranen heen? waar, leider! spuw ik uitD' oûwijfelijke[285]ziel van dezen taayen huid?Zal ik mijn docht'r, of neef, mijn man of land betreuren?Of all' of mij? o, dood! mocht gij mij slechts gebeuren!De jonge kinderen, de maagden gij verdoet[286]Met kracht, en overal met haastigheden woedt;Alleene schreumtge[287]mij, en weet me tusschen 't stuwenDer pijlen, onder 't zwaard, en in den brand te schuwen.Gij hebt mij, die u zocht, den heelen nacht geweerd,En vijand, val, noch vier mijn leden heeft gedeerd.Stond ik u niet zoo reed[288]als Priaam?BODE.Slaafsche hoopen,Ras t' scheep! de vloot wil t' zeil, en is al afgeloopen.

BODE, ANDROMACHE, HECUBA.

BODE, ANDROMACHE, HECUBA.

BODE.

BODE.

O noodlot, vol van vloek, van wreedheid, deernis, schrik!Heeft Mars, in tien jaar krijgs, met zoo verwoed een stik[251],Zijne oogen ooit vermaakt: wat zal ik eerst verklaren?Wat heft mijn klacht eerst op: uw eiselijk bezwaren,O uitgeleefde vrouw? Of zal 't uw rouwe zijn?

O noodlot, vol van vloek, van wreedheid, deernis, schrik!

Heeft Mars, in tien jaar krijgs, met zoo verwoed een stik[251],

Zijne oogen ooit vermaakt: wat zal ik eerst verklaren?

Wat heft mijn klacht eerst op: uw eiselijk bezwaren,

O uitgeleefde vrouw? Of zal 't uw rouwe zijn?

HECUBA.

HECUBA.

Wat leed, dat gij beschreit, gij zult beschreyen 't mijn.Elk heeft zijn eige ramp; mij zij te gaâr aantaste',En wie ellendig is, die is te mijnen laste.

Wat leed, dat gij beschreit, gij zult beschreyen 't mijn.

Elk heeft zijn eige ramp; mij zij te gaâr aantaste',

En wie ellendig is, die is te mijnen laste.

BODE.

BODE.

Ik heb de maagd zien slaan[252], 't kind worpen[253]van de tin,Maar met een moedig hart haar sterven, hem niet min.

Ik heb de maagd zien slaan[252], 't kind worpen[253]van de tin,

Maar met een moedig hart haar sterven, hem niet min.

HECUBA.

HECUBA.

Verhaal de dobble moord, en reeks van schelmerijen.Het wroeten in mijn wonde is mijn gemoeds verblijen.Leg al de toekomst uit.

Verhaal de dobble moord, en reeks van schelmerijen.

Het wroeten in mijn wonde is mijn gemoeds verblijen.

Leg al de toekomst uit.

BODE.

BODE.

Één toren heeft de brandVan 't groote Trojen slechts gelaten in zijn stand:Van wiens verheven top en gekanteelde boorden,Plag Priaam zittende te stieren de slagoorden,En d' oorloogsmaat te slaan. Hij, grootvaâr, hier zijn neef[254]In zachten schoot gestoofd, wees aan, hoe Hector dreefDen Griek, en deê terug gemeenen man en heeren,Als hij met vier en zwaard daar achter her was, keeren,Door last van grooten angst; en liet den jongen heldAanschouwen, welk een man zijn vader was in 't veld.Dees toren, eerst bekend voor een cieraad der vesten,Maar nu een moordklip, wordt door 't graauw en door de bestenVan ieder oord omringd. Al 't volk, met ééne veeg,Komt derwaarts aangerukt. De schepen loopen leêg.Een menigt' hier van liên zich op een heuvel zette,In vrije lucht, daar niets het uitgezicht[255]belette;Daar, op eene hooge rots zijn kruin[256]; alwaar zij gaanZich plantende in 't gewicht op hunne tenen staan;Andre op een pijnboom, beuk, of lauwer zich begeven,En 't opgehangen volk het gansche woud doet beven.Zulk, voor de keur[257], den kant van steilen berge nam,Een ander een stuk daks vergeten van de vlam.Zulk een beklimt een muur, die reed staat om te breken,En 't lijf waagt op een steen, onvast door 't oversteken;Ja, 'k heb gezien de tomb van Hector dienen meê,Fy onbarmhartigheid! den kijker tot een steê.Doen kwam, met fieren moede en hooggeheve schreden,Scheil[258]makende in den drang, Ulysses aangetreden:Bij zijner rechtehand hij Priaams neefken[259]had,En trok hem voorts. Het kind met wakkren gange tradNa d' hooge vest; het sloeg niet eens versaagd nu herwaart,Staande op den torenkant, zijn streng[260]gezicht, nu derwaart.Gelijk een teder jong van een geweldig wild,Al is 't nog zwak van tand, zijne ijdle beten spiltIn 't toonen van den aard, die 't doet tot forschheid neigen,En, van verbolgenheid gezwollen, woedt met dreigen;Alzoo dat brave kind, van vijands hand bekneld,Had volk en vorsten, ja, Ulysses zelf ontsteld,En zijn gehardheid deê den mannen 't hart ontvallen;Alleen en schreit hij niet, die wordt beschreit van allen.En middlerwijle dat Laërtes' zoon bestondDen paap[261]te bidden na, en aanhitst, stijf van mond[262],Ten offer wreede Goôn, is de onversaagde jongenVan zelven midden in zijn grootvaârs rijk gesprongen.

Één toren heeft de brand

Van 't groote Trojen slechts gelaten in zijn stand:

Van wiens verheven top en gekanteelde boorden,

Plag Priaam zittende te stieren de slagoorden,

En d' oorloogsmaat te slaan. Hij, grootvaâr, hier zijn neef[254]

In zachten schoot gestoofd, wees aan, hoe Hector dreef

Den Griek, en deê terug gemeenen man en heeren,

Als hij met vier en zwaard daar achter her was, keeren,

Door last van grooten angst; en liet den jongen held

Aanschouwen, welk een man zijn vader was in 't veld.

Dees toren, eerst bekend voor een cieraad der vesten,

Maar nu een moordklip, wordt door 't graauw en door de besten

Van ieder oord omringd. Al 't volk, met ééne veeg,

Komt derwaarts aangerukt. De schepen loopen leêg.

Een menigt' hier van liên zich op een heuvel zette,

In vrije lucht, daar niets het uitgezicht[255]belette;

Daar, op eene hooge rots zijn kruin[256]; alwaar zij gaan

Zich plantende in 't gewicht op hunne tenen staan;

Andre op een pijnboom, beuk, of lauwer zich begeven,

En 't opgehangen volk het gansche woud doet beven.

Zulk, voor de keur[257], den kant van steilen berge nam,

Een ander een stuk daks vergeten van de vlam.

Zulk een beklimt een muur, die reed staat om te breken,

En 't lijf waagt op een steen, onvast door 't oversteken;

Ja, 'k heb gezien de tomb van Hector dienen meê,

Fy onbarmhartigheid! den kijker tot een steê.

Doen kwam, met fieren moede en hooggeheve schreden,

Scheil[258]makende in den drang, Ulysses aangetreden:

Bij zijner rechtehand hij Priaams neefken[259]had,

En trok hem voorts. Het kind met wakkren gange trad

Na d' hooge vest; het sloeg niet eens versaagd nu herwaart,

Staande op den torenkant, zijn streng[260]gezicht, nu derwaart.

Gelijk een teder jong van een geweldig wild,

Al is 't nog zwak van tand, zijne ijdle beten spilt

In 't toonen van den aard, die 't doet tot forschheid neigen,

En, van verbolgenheid gezwollen, woedt met dreigen;

Alzoo dat brave kind, van vijands hand bekneld,

Had volk en vorsten, ja, Ulysses zelf ontsteld,

En zijn gehardheid deê den mannen 't hart ontvallen;

Alleen en schreit hij niet, die wordt beschreit van allen.

En middlerwijle dat Laërtes' zoon bestond

Den paap[261]te bidden na, en aanhitst, stijf van mond[262],

Ten offer wreede Goôn, is de onversaagde jongen

Van zelven midden in zijn grootvaârs rijk gesprongen.

ANDROMACHE.

ANDROMACHE.

't Geslacht van Colchos, fel en bitter in den aard,De onburgerlijke Scyth, met wien zijn huis vervaart[263],Of 't wetloos volk, hetwelk bewoont d' Hyrcaansche stranden,Waar heeftet ooit geschend aan zulk een stuk zijn handen?Wie hoorde van Busyr[264], dien wreedaart, zulk een maar,En dat ooit kinderbloed besprenkelde 't altaar?Zijn paarden, menschen-vleesch gewend voor voeder t' eten,En heeft het Diomeed zoo jong nooit voorgesmeten.Maar wie bestelpt[265]uw leên, en levert ze aan het graf?

't Geslacht van Colchos, fel en bitter in den aard,

De onburgerlijke Scyth, met wien zijn huis vervaart[263],

Of 't wetloos volk, hetwelk bewoont d' Hyrcaansche stranden,

Waar heeftet ooit geschend aan zulk een stuk zijn handen?

Wie hoorde van Busyr[264], dien wreedaart, zulk een maar,

En dat ooit kinderbloed besprenkelde 't altaar?

Zijn paarden, menschen-vleesch gewend voor voeder t' eten,

En heeft het Diomeed zoo jong nooit voorgesmeten.

Maar wie bestelpt[265]uw leên, en levert ze aan het graf?

BODE.

BODE.

Wat leden spaarde doch de steile plaats daar af?De zwaarte, die, recht toe recht aan, en zonder horten,Met zoo gezwind een slag kwam tegens d' aarde storten,Heeft al de leên geknist[266]en vliegen doen om veer.'t Uitmuntend lijf, die mond gelijkt zich zelf niet meer.Zijns vaders edel kroost[267], in hoogsels, diepsels, holtenZich openbarende, leît t' eenemaal gesmolten.De nek is uit het lid, en uit het harsen-vat,Door eenen keizelsteen gekraakt, is 't brein gespat.Het lijf leît maakselloos[268].

Wat leden spaarde doch de steile plaats daar af?

De zwaarte, die, recht toe recht aan, en zonder horten,

Met zoo gezwind een slag kwam tegens d' aarde storten,

Heeft al de leên geknist[266]en vliegen doen om veer.

't Uitmuntend lijf, die mond gelijkt zich zelf niet meer.

Zijns vaders edel kroost[267], in hoogsels, diepsels, holten

Zich openbarende, leît t' eenemaal gesmolten.

De nek is uit het lid, en uit het harsen-vat,

Door eenen keizelsteen gekraakt, is 't brein gespat.

Het lijf leît maakselloos[268].

ANDROMACHE.

ANDROMACHE.

Het zweemt[269]zijn vader weder.

Het zweemt[269]zijn vader weder.

BODE.

BODE.

Na dat geworpen was het kind van boven neder,En 't heer den grouwel, dien 't gewrocht had, heeft beweend,Valt aan een ander stuk de zelleve[270]gemeent,En aan Achilles' tomb. De golven slaan van buitenHier tegens zachtlijk aan. Van de andre zijde stuitenDe vlakke velden op een heuvel, die al heelHet middelst sluit, en rijst als zitsteên van tooneel[271].De groote toeloop vult terstond den ganschen oever.Een deel is van geloof, dat deze daad de schroever[272]Der schepen wezen zal, en brengen ze in gebruik;Een ander ziet met lust uitdrogen 's vijands struik[273];Een groot deel graauws (waarbij zijn lichtigheden blijken)Verfoeit het schellemstuk, en loopt het lijkwel[274]kijken.Niet min en spoeit zich naar zijne uitvaart de Trojaan,Die met zich zelven komt te lijk en graafnis gaan;Onmachtig, door den angst, van siddren zich t' onthouwen,Zoekt hij den laatsten val van Trojens vest t' aanschouwen.Met[275]komen huwlijkswijs de fakkelen voor uit;Heleen, met bukkend hoofd, gaat treurig voor de bruid.Den Troischen dunkt die toorts gehaald uit Pluto's hoeken,En zulk een stacy zij Hermione[276]toevloeken,De vuil' Heleen alzoo haar man zij thuis gevoerd!Een schrik ter wederzijds 't verbaasde volk ontroert.De maagd haar aanschijn laat van schaamt voor over hangen,Een glans, die speelt haar op de jeugdelijke wangen;Des niettemin, en 't fraai[277]nu loopende op een end,Ruim zoo bevallijk blinkt als het ooit was gewend;Gelijk als op zijn schoonst Apol is, wen zijn rossenTe wedd' gaan, en hem 't licht der starren komt verlossen,En dat de twijfeldag[278]den nacht krijgt op den hals.De menigt staat versuft. Men prijst, doch naauw van all'sEen ding zoo zeer, als 'tgeen dat ons nu wordt onttogen;Die[279]door haar schoonheid, dees is door haar jeugd bewogen,Dees door het dwaalziek luk, dat heining kent noch sloot,Al tzamen door dien moed, uitdager van de dood;Z' heeft Pyrrhus achter haar; ja, d' harten zelfs der riddren,Zoo wel als van het schuim des legers, staan en siddren,Vol van meêdoogendheid en van verwondering.Na dat den steilen berg ten top de jongelingBeklommen, en dat hij nu op de kruin verhevenVan vaders hooge tomb zich had in stand begeven,De dappere mannin in 't minste niet en zwicht;Zij staat hem, forsch den slag biênde een fel[280]aangezicht.Zoo kloek een moed doorsnijdt het hart van stoute en bloode.En een nieuw wonder is hier Pyrrhus suf op doode'[281].Met dat[282], van zijner hand de stijfgejaagde klingIn d' overschoone borst tot aan 't gevest toe ging,En maakt een wijde wond, zoo dat de ribben knarsten,De dood daar in, het bloed daar schielijk uit kwam barsten;In 't sterven zelf nochtans zij van den moed niet scheidt:Voor over stortte zij met gramme krachtigheid,Alsof ze Achilles had met d' aarde willen pletten.De scharen schreyende zich allebeide ontzetten:De Frygiaan bedeesd geluid van stenen slaat,De triomfeerder klaar zijn stenen hooren laat.Dus ging het offer toe. Al 't bloed werd van 't verbolgenEn wreede graf, eer 't staan of vloeyen kon, verzwolgen.

Na dat geworpen was het kind van boven neder,

En 't heer den grouwel, dien 't gewrocht had, heeft beweend,

Valt aan een ander stuk de zelleve[270]gemeent,

En aan Achilles' tomb. De golven slaan van buiten

Hier tegens zachtlijk aan. Van de andre zijde stuiten

De vlakke velden op een heuvel, die al heel

Het middelst sluit, en rijst als zitsteên van tooneel[271].

De groote toeloop vult terstond den ganschen oever.

Een deel is van geloof, dat deze daad de schroever[272]

Der schepen wezen zal, en brengen ze in gebruik;

Een ander ziet met lust uitdrogen 's vijands struik[273];

Een groot deel graauws (waarbij zijn lichtigheden blijken)

Verfoeit het schellemstuk, en loopt het lijkwel[274]kijken.

Niet min en spoeit zich naar zijne uitvaart de Trojaan,

Die met zich zelven komt te lijk en graafnis gaan;

Onmachtig, door den angst, van siddren zich t' onthouwen,

Zoekt hij den laatsten val van Trojens vest t' aanschouwen.

Met[275]komen huwlijkswijs de fakkelen voor uit;

Heleen, met bukkend hoofd, gaat treurig voor de bruid.

Den Troischen dunkt die toorts gehaald uit Pluto's hoeken,

En zulk een stacy zij Hermione[276]toevloeken,

De vuil' Heleen alzoo haar man zij thuis gevoerd!

Een schrik ter wederzijds 't verbaasde volk ontroert.

De maagd haar aanschijn laat van schaamt voor over hangen,

Een glans, die speelt haar op de jeugdelijke wangen;

Des niettemin, en 't fraai[277]nu loopende op een end,

Ruim zoo bevallijk blinkt als het ooit was gewend;

Gelijk als op zijn schoonst Apol is, wen zijn rossen

Te wedd' gaan, en hem 't licht der starren komt verlossen,

En dat de twijfeldag[278]den nacht krijgt op den hals.

De menigt staat versuft. Men prijst, doch naauw van all's

Een ding zoo zeer, als 'tgeen dat ons nu wordt onttogen;

Die[279]door haar schoonheid, dees is door haar jeugd bewogen,

Dees door het dwaalziek luk, dat heining kent noch sloot,

Al tzamen door dien moed, uitdager van de dood;

Z' heeft Pyrrhus achter haar; ja, d' harten zelfs der riddren,

Zoo wel als van het schuim des legers, staan en siddren,

Vol van meêdoogendheid en van verwondering.

Na dat den steilen berg ten top de jongeling

Beklommen, en dat hij nu op de kruin verheven

Van vaders hooge tomb zich had in stand begeven,

De dappere mannin in 't minste niet en zwicht;

Zij staat hem, forsch den slag biênde een fel[280]aangezicht.

Zoo kloek een moed doorsnijdt het hart van stoute en bloode.

En een nieuw wonder is hier Pyrrhus suf op doode'[281].

Met dat[282], van zijner hand de stijfgejaagde kling

In d' overschoone borst tot aan 't gevest toe ging,

En maakt een wijde wond, zoo dat de ribben knarsten,

De dood daar in, het bloed daar schielijk uit kwam barsten;

In 't sterven zelf nochtans zij van den moed niet scheidt:

Voor over stortte zij met gramme krachtigheid,

Alsof ze Achilles had met d' aarde willen pletten.

De scharen schreyende zich allebeide ontzetten:

De Frygiaan bedeesd geluid van stenen slaat,

De triomfeerder klaar zijn stenen hooren laat.

Dus ging het offer toe. Al 't bloed werd van 't verbolgen

En wreede graf, eer 't staan of vloeyen kon, verzwolgen.

HECUBA.

HECUBA.

Gaat Grieken, gaat! u roept een veilge weg te rug:Ontvouwt het laken[283], maakt uw hooge stevens vlug,En spouwt[284]de zee; gij hebt haar weigren niet te schromen.De maagd en 't kind zijn om-, de krijg ten end gekomen.Waar met mijn tranen heen? waar, leider! spuw ik uitD' oûwijfelijke[285]ziel van dezen taayen huid?Zal ik mijn docht'r, of neef, mijn man of land betreuren?Of all' of mij? o, dood! mocht gij mij slechts gebeuren!De jonge kinderen, de maagden gij verdoet[286]Met kracht, en overal met haastigheden woedt;Alleene schreumtge[287]mij, en weet me tusschen 't stuwenDer pijlen, onder 't zwaard, en in den brand te schuwen.Gij hebt mij, die u zocht, den heelen nacht geweerd,En vijand, val, noch vier mijn leden heeft gedeerd.Stond ik u niet zoo reed[288]als Priaam?

Gaat Grieken, gaat! u roept een veilge weg te rug:

Ontvouwt het laken[283], maakt uw hooge stevens vlug,

En spouwt[284]de zee; gij hebt haar weigren niet te schromen.

De maagd en 't kind zijn om-, de krijg ten end gekomen.

Waar met mijn tranen heen? waar, leider! spuw ik uit

D' oûwijfelijke[285]ziel van dezen taayen huid?

Zal ik mijn docht'r, of neef, mijn man of land betreuren?

Of all' of mij? o, dood! mocht gij mij slechts gebeuren!

De jonge kinderen, de maagden gij verdoet[286]

Met kracht, en overal met haastigheden woedt;

Alleene schreumtge[287]mij, en weet me tusschen 't stuwen

Der pijlen, onder 't zwaard, en in den brand te schuwen.

Gij hebt mij, die u zocht, den heelen nacht geweerd,

En vijand, val, noch vier mijn leden heeft gedeerd.

Stond ik u niet zoo reed[288]als Priaam?

BODE.

BODE.

Slaafsche hoopen,Ras t' scheep! de vloot wil t' zeil, en is al afgeloopen.

Slaafsche hoopen,

Ras t' scheep! de vloot wil t' zeil, en is al afgeloopen.

[1]Priam's weduwe van Troje.

[1]Priam's weduwe van Troje.

[2]van Priam.

[2]van Priam.

[3]kwansuis; wellicht verbasterd van 't Spaanscheachaque; anders met het gewonekak(inkakpeis,kakhiel, 't Zeeuwschekekkemeggeen 't plat-Engelschecackmag(voorijdele praatjens)) in verband te brengen, en in zooverre De Vries' verklaring van 't woord op Warenar (bladz.132) te wijzigen, als ookkeckevandaar wel herkomstig zijn zal.

[3]kwansuis; wellicht verbasterd van 't Spaanscheachaque; anders met het gewonekak(inkakpeis,kakhiel, 't Zeeuwschekekkemeggeen 't plat-Engelschecackmag(voorijdele praatjens)) in verband te brengen, en in zooverre De Vries' verklaring van 't woord op Warenar (bladz.132) te wijzigen, als ookkeckevandaar wel herkomstig zijn zal.

[4]Reael en Hooft hadden haar namelijk eerst naar Seneca'sTroadesin proza vertaald, en was zij daarop door Vondel in verzen gebracht.

[4]Reael en Hooft hadden haar namelijk eerst naar Seneca'sTroadesin proza vertaald, en was zij daarop door Vondel in verzen gebracht.

[5]Voorhoortofbehoort(verg. 't Hoogd.gehört).

[5]Voorhoortofbehoort(verg. 't Hoogd.gehört).

[6]dij; verg, vroeger.

[6]dij; verg, vroeger.

[7]Dithyrambe, met averechtsche afleiding als ware hetdoor twee deuren gegaan. 't Woord is van onzekere herkomst, maar metthriambos(zang) verwant.

[7]Dithyrambe, met averechtsche afleiding als ware hetdoor twee deuren gegaan. 't Woord is van onzekere herkomst, maar metthriambos(zang) verwant.

[8]Hugo de Groot.

[8]Hugo de Groot.

[9]De HubertsPsalmberijming.

[9]De HubertsPsalmberijming.

[10]eindbesluit(verg. 't Hoogd. Reichs-abschied).

[10]eindbesluit(verg. 't Hoogd. Reichs-abschied).

[11]DeWaerschouwingevoor die Psalmberijming in 't licht gegeven, als de uitkomst der Taalbespiegelingen van de dichters Hooft, Vondel, en De Hubert in hun onderlinge bijeenkomsten.

[11]DeWaerschouwingevoor die Psalmberijming in 't licht gegeven, als de uitkomst der Taalbespiegelingen van de dichters Hooft, Vondel, en De Hubert in hun onderlinge bijeenkomsten.

[12]Hecuba's dochter.

[12]Hecuba's dochter.

[13]Achilles.

[13]Achilles.

[14]uitgedost.

[14]uitgedost.

[15]steeds.

[15]steeds.

[16]ThansDon.

[16]ThansDon.

[17]Van den Tigris tot de Roode Zee.

[17]Van den Tigris tot de Roode Zee.

[18]Penthesilea; zie boven, bl. 157b, aant.77.

[18]Penthesilea; zie boven, bl. 157b, aant.77.

[19]Lees:Pérgamum, en niet (als de maatslag verkeerdelijk meêbrengt)Pergámum.

[19]Lees:Pérgamum, en niet (als de maatslag verkeerdelijk meêbrengt)Pergámum.

[20]Voorwelfsel.

[20]Voorwelfsel.

[21]opdwarrelen.

[21]opdwarrelen.

[22]Voorbezadigd.

[22]Voorbezadigd.

[23]Haar overleden echtgenoot, koning Priam.

[23]Haar overleden echtgenoot, koning Priam.

[24]Daarbij.

[24]Daarbij.

[25]Hector.

[25]Hector.

[26]De onheilspellende Cassandra.

[26]De onheilspellende Cassandra.

[27]Van den geest vervoerd.

[27]Van den geest vervoerd.

[28]lang vóór Cassandra.

[28]lang vóór Cassandra.

[29]stel ter zij; laat daar.

[29]stel ter zij; laat daar.

[30]Van zijnlijk-verbranding, niet (met V. L.) van zijn levensvlam te verstaan. De vertaling, in deze drie breedsprakige regels, van twee bondige Latijnsche, is niet zeer gelukkig.

[30]Van zijnlijk-verbranding, niet (met V. L.) van zijn levensvlam te verstaan. De vertaling, in deze drie breedsprakige regels, van twee bondige Latijnsche, is niet zeer gelukkig.

[31]terwijl.

[31]terwijl.

[32]Verouderd voorschoondochters.

[32]Verouderd voorschoondochters.

[33]Voorvrouw, Andromache.

[33]Voorvrouw, Andromache.

[34]De berg, waar Paris zijn uitspraak deed.

[34]De berg, waar Paris zijn uitspraak deed.

[35]Versta:voor haar, die.

[35]Versta:voor haar, die.

[36]De stadAmyclae, in den Peloponnezus.

[36]De stadAmyclae, in den Peloponnezus.

[37]Voorgeheiligd(aan de Godin Cybele).

[37]Voorgeheiligd(aan de Godin Cybele).

[38]Versta:te verbranden.

[38]Versta:te verbranden.

[39]Aan welke(volgsters nam.).

[39]Aan welke(volgsters nam.).

[40]in reizang betreure.

[40]in reizang betreure.

[41]vrouwenrok; hier voor 't onderkleed in 't algemeen.

[41]vrouwenrok; hier voor 't onderkleed in 't algemeen.

[42]verledigt u, houdt u onledig.

[42]verledigt u, houdt u onledig.

[43]past, voegt mij.

[43]past, voegt mij.

[44]Thansniets.

[44]Thansniets.

[45]open-baar, leg bloot.

[45]open-baar, leg bloot.

[46]Herkules, die eerst (tijdens 't bewind van Laomedon) zelf de stad ingenomen had, en wiens boog en pijlen thans door Filoctetes waren meêgebracht.

[46]Herkules, die eerst (tijdens 't bewind van Laomedon) zelf de stad ingenomen had, en wiens boog en pijlen thans door Filoctetes waren meêgebracht.

[47]beenderen.

[47]beenderen.

[48]VoorGrieken(verg. 't Lat.Græci).

[48]VoorGrieken(verg. 't Lat.Græci).

[49]Spreek uit als met dubbele i, naar den oorspronkelijken aard der ij.

[49]Spreek uit als met dubbele i, naar den oorspronkelijken aard der ij.

[50]Rijmshalve voorzwaaide.

[50]Rijmshalve voorzwaaide.

[51]Agamemnons hofstad.

[51]Agamemnons hofstad.

[52]Naar de levende spreektaal, voorwelke God.

[52]Naar de levende spreektaal, voorwelke God.

[53]droggezicht.

[53]droggezicht.

[54]gepersd.

[54]gepersd.

[55]vermorseling, vergruizing.

[55]vermorseling, vergruizing.

[56]Achilles.

[56]Achilles.

[57]Stoplap van Vondel.

[57]Stoplap van Vondel.

[58]Achilles, als hoofd van Scyros.

[58]Achilles, als hoofd van Scyros.

[59]leidde.

[59]leidde.

[60]Cygnus.

[60]Cygnus.

[61]Voorbedding.

[61]Voorbedding.

[62]Verkeerdelijk voornalatige.

[62]Verkeerdelijk voornalatige.

[63]ontbindt, maakt los.

[63]ontbindt, maakt los.

[64]Germ. voorzee.

[64]Germ. voorzee.

[65]Ontkennend; verg. vroeger.

[65]Ontkennend; verg. vroeger.

[66]Naar de dagelijksche spreektaal. Evenzoo 16 regels lagerwanneer dat.

[66]Naar de dagelijksche spreektaal. Evenzoo 16 regels lagerwanneer dat.

[67]goed gemaakt.

[67]goed gemaakt.

[68]vertoefd, vertreuzeld.

[68]vertoefd, vertreuzeld.

[69]Zoo lees ik voorval, dat geen zin geeft.

[69]Zoo lees ik voorval, dat geen zin geeft.

[70]vallen zou.

[70]vallen zou.

[71]Hetzwaard, dat hij van den vermomden Ulysses aannam, en waardoor hij zich—in zijn vrouwelijke kleeding—als man verried.

[71]Hetzwaard, dat hij van den vermomden Ulysses aannam, en waardoor hij zich—in zijn vrouwelijke kleeding—als man verried.

[72]Zie boven, aant.66.

[72]Zie boven, aant.66.

[73]Voorwond, hem, den koning,(van Myzië)toegebracht.

[73]Voorwond, hem, den koning,(van Myzië)toegebracht.

[74]Door de genezing, die hem (naar de uitspraak van het orakel) van dezelfde hand gewerd.

[74]Door de genezing, die hem (naar de uitspraak van het orakel) van dezelfde hand gewerd.

[75]vermaard.

[75]vermaard.

[76]Rivier van Myzië.

[76]Rivier van Myzië.

[77]Thans met verscherping en afsluitingter loops; (verg.trouwens, doorgaans, benevens, enz.).

[77]Thans met verscherping en afsluitingter loops; (verg.trouwens, doorgaans, benevens, enz.).

[78]Rijmshalve voorplaatsen.

[78]Rijmshalve voorplaatsen.

[79]voorbereiding, inleiding.

[79]voorbereiding, inleiding.

[80]drom.

[80]drom.

[81]Koning van Ethiopië, die Priam was komen helpen.

[81]Koning van Ethiopië, die Priam was komen helpen.

[82]Thans in 't verlengdevertoonenzaamgetrokken.

[82]Thans in 't verlengdevertoonenzaamgetrokken.

[83]vorm, voorkomen.

[83]vorm, voorkomen.

[84]Zoo lees ik, naar Vondels doorgaande gewoonte, voor 't wanluidende laterezijn'r eige daad.

[84]Zoo lees ik, naar Vondels doorgaande gewoonte, voor 't wanluidende laterezijn'r eige daad.

[85]laatste vrees.

[85]laatste vrees.

[86]wakkerste, stoutste.

[86]wakkerste, stoutste.

[87]rondborstig spreken.

[87]rondborstig spreken.

[88]overwinning.

[88]overwinning.

[89]In zijn oorspronkelijke beteekenis vanverdriet('t Lat.dolor).

[89]In zijn oorspronkelijke beteekenis vanverdriet('t Lat.dolor).

[90]verheft, verheugt.

[90]verheft, verheugt.

[91]Priamus.

[91]Priamus.

[92]Gelijk steeds voortoen.

[92]Gelijk steeds voortoen.

[93]Versta:levensadem, leven.

[93]Versta:levensadem, leven.

[94]Agamemnons vader en oom, Atreus en Thyestes.

[94]Agamemnons vader en oom, Atreus en Thyestes.

[95]Door zijne grootmoeder, Thetis, als Zeegodin.

[95]Door zijne grootmoeder, Thetis, als Zeegodin.

[96]Achilles' grootvader, die met Rhadamanthus en Minos de onderaardsche vierschaar vormde.

[96]Achilles' grootvader, die met Rhadamanthus en Minos de onderaardsche vierschaar vormde.

[97]Namelijk Calchas, tot wien hij zich thans wendt.

[97]Namelijk Calchas, tot wien hij zich thans wendt.

[98]Zaamgetrokken uitGodes, andersGods.

[98]Zaamgetrokken uitGodes, andersGods.

[99]voor.

[99]voor.

[100]prijs.

[100]prijs.

[101]leiden tot.

[101]leiden tot.

[102]"In dezen Rei wordt voorgesteld het schadelijk gevoelen der Epicureën en Stoïcynen; daar zich geen Kristen aan zal argeren, te min alzoo het hier met sommige gelijkenissen eer opgepronkt en verlicht wordt, als bewezen." (Vondel).

[102]"In dezen Rei wordt voorgesteld het schadelijk gevoelen der Epicureën en Stoïcynen; daar zich geen Kristen aan zal argeren, te min alzoo het hier met sommige gelijkenissen eer opgepronkt en verlicht wordt, als bewezen." (Vondel).

[103]verergere, afneme.

[103]verergere, afneme.

[104]echt-(d. i. eigenlijkwet-)genoot.

[104]echt-(d. i. eigenlijkwet-)genoot.

[105]Voorurn, lijkbus.

[105]Voorurn, lijkbus.

[106]Ontkennend.

[106]Ontkennend.

[107]Het bekende, gevleugeldedichtpaard.

[107]Het bekende, gevleugeldedichtpaard.

[108]Die van den Dierenriem.

[108]Die van den Dierenriem.

[109]Als Maangodes.

[109]Als Maangodes.

[110]kromme.

[110]kromme.

[111]Verbeter:Voor korte wijl(spatium per breve).

[111]Verbeter:Voor korte wijl(spatium per breve).


Back to IndexNext