De Amsteldamsche Hecuba.

De Amsteldamsche Hecuba.DE EERSTE HANDEL.HECUBA.Die op een rijk vertrouwt, en kracht geeft zijn' gebodenIn een geweldig hof, en niet is voor der GodenLichtvaardigheid beducht, en, na zijns harten lust,Te reukeloos in weelde en blijde voorspoed rust,Die spiegel zich aan mij en Trojen eens te dege;'t Lot wees nooit klaarder aan, hoe slibbrig d' opgestegeEn pratte vorsten staan. Die pijler, trots en schoon,Die zuil van Aziën, dat werrekstuk der Goôn,Te gronde is neêrgestort, wien ooit[15]ten dienste stondenHij, die den Tanais[16]drinkt, die uit zijn zeven mondenDe koele stroomen braakt; hij, die met recht gezichtZiet rijzen en begroet 't herboren zonnelicht,En 's Tigers laauwen vliet mengt met de roode baren[17];En zij, die, buurvorstin[18]der Scythen, met veel scharen,En weduwlijke stoet, staag Pontus' strand berent;—Dat Troje leît ter neêr, door vier en staal geschend,Pergamum[19]heeft op 't lest met puin bestulpt zich zelve.Daar leit die hooge praal van heerlijken gewelve[20],'t Geweld van muren, met zijn daken, gants tot schand,Vernield door 't wellend vier. 't Hof staat in lichten brand;'t Huis van Assaracus rookt over alle straten.De vlam geen plondring weert van woedende soldaten.In 't brandend Trojen elk om 't zeerste rooft en ruit,En 't kolken[21]van den rook den open Hemel sluit;De vonken en het vier van d' Iliasche gevelsBezwalkt den dag, als waar hij dik bekleed met nevels.Ziet den verwinner daar eens heet van gramschap staan,Die vast de taaye stad schouwt met zijne oogen aan;De gramme krijgsman, nu gemat[22]en wel ervaren,Den tijd ontschuldigt, die gesleept heeft vijf paar jaren.Nog schrikt hij al bedeesd voor de overheerde stad,En schoon zij leît verplet, nog naauwlijks acht hij, datZij voor hem winbaar was. De plonderaars die slepenEn torschen vast den roof, te zwaar, om duizend schepenTe laden met den schat. Ik, droef en afgetreurd,Der Goden heiligheid, op mij dus hoog gesteurd,Neem tot getuige, en d' asch mijns vaderlands te gader,En u, der Frygen voogd[23], en veler vorsten vader,Den welken Troje dekt, bestulpt door al 't gewichtVan 't neêrgedreven rijk, dat boven op u ligt!Daartoe[24]den geest van u, die al 't geweld hield tege',En Ilium hield staan, en waart der Frygen zege,Zoo lang gij staande bleeft[25]; en u, o groote schaar,Maar kleindre schimmen doch, mijn' kinders al te gaâr!Dat ik al 't leed, 'twelk ooit ons prangde, en 'tgeen de ontsteldeApollo's priesteres[26]ons ooit te voren spelde(Met een bezeten[27]mond, als van verstand beroofd,Maar door 't beleid der Goôn van d' onze nooit geloofd),Al lang te voren heb, van mijnen Paris zwanger,In eenen droom voorzien, en heb mijn vrees niet langerVerzwegen, noch geheeld; maar, vóór Cassandra vroeg[28],Elk mijn waarzeggen steeds als zotternij beloeg.De schalke Ulysses niet, noch die hem 's nachts verzelde,Noch Sinon, vol bedrogs, in brand ons Trojen stelde;Ik, ik ben stokebrand: mijn vier is 't dat er blaakt,En Ilium is van mijn toorts in brand geraakt.Maar, ouderdom, die zijt te leefbaar! waartoe 't weenen,Om de uitgerooide stad, om de omgestorte steenen?Rampzalige vorstin! den verschen rouw aanschouwt:Zet Trojen aan d' een' zij'[29]: dat ongeluk is oud.Ik heb vervloekter feit gezien, vol schriks, en beven,Des ouden konings moord, een schellemstuk, bedrevenDoor Pyrrhus' wreed geweer; die zelf, voor 't hoog outaarDer Goôn, met felle vuist, het grijze koningshaarOmwrong, en dreef het staal, o droevige vertooning!Wel diep ter wonden in; 'twelk d' afgeleefde koningVrijwillig heeft ontvaân; zoo dat het zwaard verwoedTen strotte aan d' andere zijde is uitgekeerd bebloed.Wien zou die grijze kop, wien zouden de getuigenVan 't schelmstuk, zelfs de Goôn niet hebben konnen buigen?En 't oude heiligdom van 't neêrgevallen rijk?Priaam gebeurt geen graf; hij, die zoo groot een wijk,En steun van kindren had, tot vesting van zijn landstaat,Derft nu zijn leste vlam[30], daar[31]Troje gants in brand staat.Nog bluscht dit jammer niet der Goden gramschap uit:De vorsten met de bus vast loten om den buitVan 't hooggeboren bloed, om vreedzaam t'huis te varen,Met Priaams dochteren, en aangehuwde snaren[32].Wie zal mij, slechten buit! meêvoeren over zee?Dees heeft zich Hectors bruid[33]ten troost verloofd alreê;Dees wenscht om d' eêgemaal van Helenus, mijn zone,Die om Anthenors lief; en, o, mijn overschooneCassandra, droeve maagd! daar is er meer als een,Die na uw kuischheid dingt. Ik oude vrouw alleenDer Grieken afkeer ben; mijn lot doet ieder duchten.O gij gevangen sleep! wat houdt gij op van zuchten?Slaat droevig voor uw borst, en tijt aan 't huilen stout:Heft op een veldgeschrei, en Trojens uitvaart houdt.Op, op! met droeven galm: laat Ide[34]uw klachten hooren,Wiens vierschaar heilloos was tot ons bederf beschoren.REI VAN VROUWEN, HECUBA.REI.'t Kermen is niet nieuw, noch 't klagen.Die[35]gij rouw belast te dragen:Neen, wij pleegden dit geweenHeele jaren achter een;Sedert Paris' minne blaakte,En de Grieksche Amyclen[36]naakte;Sedert hij de Ægeesche zeeMet zijn heilig[37]pijnhout sneê;Ida tienmaal was beslagenGrijs van sneeuw, en wintervlagen;Ida kaal gemaakt van hout,Om onz' lijken[38], menigvoud.Tienmaal ook de maayer maaideIn 't Sigeesche veld 't gezaaide,Dat er niet een dag en gleê,Of hij brocht zijn' droefheid meê;Of de daaglijksche ongenuchtenGaven oorzaak om te zuchten;Houdt in treuren al die maat,Daar Mevrouw ons voor in gaat.Hef dan op uwe hand, Mevrouwe!Wij zijn volgsters van den rouwe,Die[39]getreur en droefenisLichtelijk te leeren is.HECUBA.O, getrouwe gezellinnenOnzes vals, bedrukt van zinnen!Slaat uw haren in den wind,En uw tuiten fluks ontbindt.Laat de ontsnoerde vlechten dekken,En beslaan de droeve nekken;Dat de schaar, met luid geschrei,De armen uitstrekke allebeî,En, begruisd van d' asch der stede,Die berei'[40]met lossen kleede;Onderknoopt ook uwen schoot,'t Lijf zij tot den buik toe bloot.Kuischeid, die nu zijt gevangen,Waarom verwt de schaamte uw wangen?Op wat bruiloft hoopt ge nu,Dat ge uw borsten dekt zoo schuw?Dat de sluyer met zijn vouwenGord' den neêrgeslagen bouwen[41]!Handen, randt het lichaam aan,En beledigt u[42]tot slaan!O dat jammeren, dat slaagt[43]me!O dat wezen, dat behaagt me!Dat behaagt me! 't voegt ons lot:'k Zie nu Trojens overschot.Dat zich wederom verheffe't Oud getreur, en overtreffeDe gewone droefheid vrij:Hector, u beschreyen wij!REI.'t Haar, gedund door al het scheuren,En 't veelvuldiglijk betreuren,Wij, met rouw in 't hart geroerd,Hebben al te zaam ontsnoerd:Knoop- en strikkeloos al wederHangen nu de vlechten neder,En ons aanschijn op dit pasIs begruisd met smeulende asch.HECUBA.Vult met puin en stof uw handen;Want de vijand, na 't verbrandenVan onze uitgerooide stad,Niet[44]gelaten heeft als dat.Laat de kleedren van u allenVan de naakte schoudren vallen,En de neêrgezakte kleênStutten van ter zij de leên!Nu, nu droefheid! baar[45]uw krachten,Want de bloote borsten wachtenNaar de rechte en slinkehand;Vult met druk 't Rhœteesche strand!Dat de galm, die zich gaat schuilenIn 't gebergte, in holle kuilen,Niet, gelijk hij is gewend,'t Leste woord te rugge zend;Maar de gansche klachten strooyeWederom, van 't woeste Troje.Laat vrij hooren zee en luchtOns gesteen, en ons gezucht!Smijt de borst met felle slagen.Handen, woedt! 't gewoonlijk klagenMij niet mag vernoegen nu.Hector, wij beschreyen u!REI.Om u, zonder zich t' erbarmen.Slaat en krabt onz' hand dees armen;Om u is zij dus verwoedOp de schouders, vocht van bloed;Om u slaat ze 't hoofd vol wonden;Om u hangt de borst geschonden,Opgekrabt en aangerand,Van een wreede moeders hand.All' de wonden en kwetsuren,Die ik eertijds most verduren,Die ik aan mijn lichaam gaf,Op uwe uitvaart, aan uw graf,Vloeyen, opgekrabt, als beken;Van veel bloeds zij stadig leken.Zuil, die hielt in zijnen stand,'t Lang verdedigd vaderland!O, die weêrstond, zoo veel dagen,Deze ons toegeschikte plagen;Gij waart ons een muur en schut,En der matte Frygen stut.Tien jaar hebt gij, met uw schoudren,'t Rijk gestuttet uwer oudren;Gij alleen hebt, tien jaar lang,Ons bewaard voor ondergang.Maar zoo haast gij zijt gevallen,Vielen ook die heilge wallen;'t Was een zelve laatste dag,Die onz' stad en Hector zag.HECUBA.Keert uw klachten elders henenEn wilt Priaams lijk beweenen;Schreit op nieuw met luide keel,Want mijn Hector heeft zijn deel.REI.Hoor het zuchten en het schreyenVan onz' weeuwelijke reyen,Onze vader! die vermandTweemaal waart van 's vijands hand.Trojen heeft, in uwe dagen,Geene plaag maar eens gedragen;Dardans muren zijn tweemaalOmgebeukt van 't Grieksche staal.Pergamum most tweemaal zwichtenVoor Alcides'[46]boog en schichten,Nadat al gebracht ter aard'Is, dat Hecub' heeft gebaard:Na 't verbranden zulker beenen[47],Die hier halve Goden schenen,Draagt me uw lijk, o vader! uit:Dat de leste stacy sluit;En geslacht Jupijn ter eeren,Moet uw lichaam 't graf ontberen,En uw romp, met smaad en schand,Drukken het Sigeesche strand.HECUBA.Elders, dochters der TrojanenKeert uw biggelende tranen:Jammert niet om Priaams end,Hij voelt droefheid noch ellend.Zegt, dat het een groot geluk isDat hij vóór ons uit den druk is,En zoo vrij benedenwaart,Naar het rijk der schimmen, vaart.Hij en zal niet, half bezweken,Dragen 't lastig juk der Greeken[48]Droef op een gebonden hals;Schouwspel na veel ongevals!Hij heeft niet gezien de AtridenIn zijn ongeluk verblijden[49]:Noch aanschouwt in zijne smartDien Ulysses, valsch van hart.Noch op Argos zegefeesteZal hij niet, beangst van geeste,Dragen met stokoude leênHun hovaardige trofeên;Noch men zal zijn handen beide,Daar hij scepters mede zweide[50],Tot zijn hartzeer en verdriet,Op den rugge vleuglen niet;Noch de last van gulde boeyenZal zijne armen niet vermoeyen;En, na zoo veel tegenspoeds,Zal hij Agamemnons koetsNiet, met ijzers aan zijn beenen,Volgen, en 't verheugd Mycenen[51]Zonder purper, zonder kroon,Tot een schouwspel staan ten toon.REI.Priaam, van de dood verbeten,Wij te zamen zalig heeten;Varende op eene andre steê,Droeg hij zijne rijken meê.Veilig gaat hij druk versmadenOnder de Elyzeesche bladen,Bij de vrome schimmen, daarHij zijn Hector wordt gewaar.Wel hem, die in nederlagenAlles met zich ziet verslagen!Dit viel Priaam nu te beurt,Dies niet langer om hem treurt!

HECUBA.Die op een rijk vertrouwt, en kracht geeft zijn' gebodenIn een geweldig hof, en niet is voor der GodenLichtvaardigheid beducht, en, na zijns harten lust,Te reukeloos in weelde en blijde voorspoed rust,Die spiegel zich aan mij en Trojen eens te dege;'t Lot wees nooit klaarder aan, hoe slibbrig d' opgestegeEn pratte vorsten staan. Die pijler, trots en schoon,Die zuil van Aziën, dat werrekstuk der Goôn,Te gronde is neêrgestort, wien ooit[15]ten dienste stondenHij, die den Tanais[16]drinkt, die uit zijn zeven mondenDe koele stroomen braakt; hij, die met recht gezichtZiet rijzen en begroet 't herboren zonnelicht,En 's Tigers laauwen vliet mengt met de roode baren[17];En zij, die, buurvorstin[18]der Scythen, met veel scharen,En weduwlijke stoet, staag Pontus' strand berent;—Dat Troje leît ter neêr, door vier en staal geschend,Pergamum[19]heeft op 't lest met puin bestulpt zich zelve.Daar leit die hooge praal van heerlijken gewelve[20],'t Geweld van muren, met zijn daken, gants tot schand,Vernield door 't wellend vier. 't Hof staat in lichten brand;'t Huis van Assaracus rookt over alle straten.De vlam geen plondring weert van woedende soldaten.In 't brandend Trojen elk om 't zeerste rooft en ruit,En 't kolken[21]van den rook den open Hemel sluit;De vonken en het vier van d' Iliasche gevelsBezwalkt den dag, als waar hij dik bekleed met nevels.Ziet den verwinner daar eens heet van gramschap staan,Die vast de taaye stad schouwt met zijne oogen aan;De gramme krijgsman, nu gemat[22]en wel ervaren,Den tijd ontschuldigt, die gesleept heeft vijf paar jaren.Nog schrikt hij al bedeesd voor de overheerde stad,En schoon zij leît verplet, nog naauwlijks acht hij, datZij voor hem winbaar was. De plonderaars die slepenEn torschen vast den roof, te zwaar, om duizend schepenTe laden met den schat. Ik, droef en afgetreurd,Der Goden heiligheid, op mij dus hoog gesteurd,Neem tot getuige, en d' asch mijns vaderlands te gader,En u, der Frygen voogd[23], en veler vorsten vader,Den welken Troje dekt, bestulpt door al 't gewichtVan 't neêrgedreven rijk, dat boven op u ligt!Daartoe[24]den geest van u, die al 't geweld hield tege',En Ilium hield staan, en waart der Frygen zege,Zoo lang gij staande bleeft[25]; en u, o groote schaar,Maar kleindre schimmen doch, mijn' kinders al te gaâr!Dat ik al 't leed, 'twelk ooit ons prangde, en 'tgeen de ontsteldeApollo's priesteres[26]ons ooit te voren spelde(Met een bezeten[27]mond, als van verstand beroofd,Maar door 't beleid der Goôn van d' onze nooit geloofd),Al lang te voren heb, van mijnen Paris zwanger,In eenen droom voorzien, en heb mijn vrees niet langerVerzwegen, noch geheeld; maar, vóór Cassandra vroeg[28],Elk mijn waarzeggen steeds als zotternij beloeg.De schalke Ulysses niet, noch die hem 's nachts verzelde,Noch Sinon, vol bedrogs, in brand ons Trojen stelde;Ik, ik ben stokebrand: mijn vier is 't dat er blaakt,En Ilium is van mijn toorts in brand geraakt.Maar, ouderdom, die zijt te leefbaar! waartoe 't weenen,Om de uitgerooide stad, om de omgestorte steenen?Rampzalige vorstin! den verschen rouw aanschouwt:Zet Trojen aan d' een' zij'[29]: dat ongeluk is oud.Ik heb vervloekter feit gezien, vol schriks, en beven,Des ouden konings moord, een schellemstuk, bedrevenDoor Pyrrhus' wreed geweer; die zelf, voor 't hoog outaarDer Goôn, met felle vuist, het grijze koningshaarOmwrong, en dreef het staal, o droevige vertooning!Wel diep ter wonden in; 'twelk d' afgeleefde koningVrijwillig heeft ontvaân; zoo dat het zwaard verwoedTen strotte aan d' andere zijde is uitgekeerd bebloed.Wien zou die grijze kop, wien zouden de getuigenVan 't schelmstuk, zelfs de Goôn niet hebben konnen buigen?En 't oude heiligdom van 't neêrgevallen rijk?Priaam gebeurt geen graf; hij, die zoo groot een wijk,En steun van kindren had, tot vesting van zijn landstaat,Derft nu zijn leste vlam[30], daar[31]Troje gants in brand staat.Nog bluscht dit jammer niet der Goden gramschap uit:De vorsten met de bus vast loten om den buitVan 't hooggeboren bloed, om vreedzaam t'huis te varen,Met Priaams dochteren, en aangehuwde snaren[32].Wie zal mij, slechten buit! meêvoeren over zee?Dees heeft zich Hectors bruid[33]ten troost verloofd alreê;Dees wenscht om d' eêgemaal van Helenus, mijn zone,Die om Anthenors lief; en, o, mijn overschooneCassandra, droeve maagd! daar is er meer als een,Die na uw kuischheid dingt. Ik oude vrouw alleenDer Grieken afkeer ben; mijn lot doet ieder duchten.O gij gevangen sleep! wat houdt gij op van zuchten?Slaat droevig voor uw borst, en tijt aan 't huilen stout:Heft op een veldgeschrei, en Trojens uitvaart houdt.Op, op! met droeven galm: laat Ide[34]uw klachten hooren,Wiens vierschaar heilloos was tot ons bederf beschoren.REI VAN VROUWEN, HECUBA.REI.'t Kermen is niet nieuw, noch 't klagen.Die[35]gij rouw belast te dragen:Neen, wij pleegden dit geweenHeele jaren achter een;Sedert Paris' minne blaakte,En de Grieksche Amyclen[36]naakte;Sedert hij de Ægeesche zeeMet zijn heilig[37]pijnhout sneê;Ida tienmaal was beslagenGrijs van sneeuw, en wintervlagen;Ida kaal gemaakt van hout,Om onz' lijken[38], menigvoud.Tienmaal ook de maayer maaideIn 't Sigeesche veld 't gezaaide,Dat er niet een dag en gleê,Of hij brocht zijn' droefheid meê;Of de daaglijksche ongenuchtenGaven oorzaak om te zuchten;Houdt in treuren al die maat,Daar Mevrouw ons voor in gaat.Hef dan op uwe hand, Mevrouwe!Wij zijn volgsters van den rouwe,Die[39]getreur en droefenisLichtelijk te leeren is.HECUBA.O, getrouwe gezellinnenOnzes vals, bedrukt van zinnen!Slaat uw haren in den wind,En uw tuiten fluks ontbindt.Laat de ontsnoerde vlechten dekken,En beslaan de droeve nekken;Dat de schaar, met luid geschrei,De armen uitstrekke allebeî,En, begruisd van d' asch der stede,Die berei'[40]met lossen kleede;Onderknoopt ook uwen schoot,'t Lijf zij tot den buik toe bloot.Kuischeid, die nu zijt gevangen,Waarom verwt de schaamte uw wangen?Op wat bruiloft hoopt ge nu,Dat ge uw borsten dekt zoo schuw?Dat de sluyer met zijn vouwenGord' den neêrgeslagen bouwen[41]!Handen, randt het lichaam aan,En beledigt u[42]tot slaan!O dat jammeren, dat slaagt[43]me!O dat wezen, dat behaagt me!Dat behaagt me! 't voegt ons lot:'k Zie nu Trojens overschot.Dat zich wederom verheffe't Oud getreur, en overtreffeDe gewone droefheid vrij:Hector, u beschreyen wij!REI.'t Haar, gedund door al het scheuren,En 't veelvuldiglijk betreuren,Wij, met rouw in 't hart geroerd,Hebben al te zaam ontsnoerd:Knoop- en strikkeloos al wederHangen nu de vlechten neder,En ons aanschijn op dit pasIs begruisd met smeulende asch.HECUBA.Vult met puin en stof uw handen;Want de vijand, na 't verbrandenVan onze uitgerooide stad,Niet[44]gelaten heeft als dat.Laat de kleedren van u allenVan de naakte schoudren vallen,En de neêrgezakte kleênStutten van ter zij de leên!Nu, nu droefheid! baar[45]uw krachten,Want de bloote borsten wachtenNaar de rechte en slinkehand;Vult met druk 't Rhœteesche strand!Dat de galm, die zich gaat schuilenIn 't gebergte, in holle kuilen,Niet, gelijk hij is gewend,'t Leste woord te rugge zend;Maar de gansche klachten strooyeWederom, van 't woeste Troje.Laat vrij hooren zee en luchtOns gesteen, en ons gezucht!Smijt de borst met felle slagen.Handen, woedt! 't gewoonlijk klagenMij niet mag vernoegen nu.Hector, wij beschreyen u!REI.Om u, zonder zich t' erbarmen.Slaat en krabt onz' hand dees armen;Om u is zij dus verwoedOp de schouders, vocht van bloed;Om u slaat ze 't hoofd vol wonden;Om u hangt de borst geschonden,Opgekrabt en aangerand,Van een wreede moeders hand.All' de wonden en kwetsuren,Die ik eertijds most verduren,Die ik aan mijn lichaam gaf,Op uwe uitvaart, aan uw graf,Vloeyen, opgekrabt, als beken;Van veel bloeds zij stadig leken.Zuil, die hielt in zijnen stand,'t Lang verdedigd vaderland!O, die weêrstond, zoo veel dagen,Deze ons toegeschikte plagen;Gij waart ons een muur en schut,En der matte Frygen stut.Tien jaar hebt gij, met uw schoudren,'t Rijk gestuttet uwer oudren;Gij alleen hebt, tien jaar lang,Ons bewaard voor ondergang.Maar zoo haast gij zijt gevallen,Vielen ook die heilge wallen;'t Was een zelve laatste dag,Die onz' stad en Hector zag.HECUBA.Keert uw klachten elders henenEn wilt Priaams lijk beweenen;Schreit op nieuw met luide keel,Want mijn Hector heeft zijn deel.REI.Hoor het zuchten en het schreyenVan onz' weeuwelijke reyen,Onze vader! die vermandTweemaal waart van 's vijands hand.Trojen heeft, in uwe dagen,Geene plaag maar eens gedragen;Dardans muren zijn tweemaalOmgebeukt van 't Grieksche staal.Pergamum most tweemaal zwichtenVoor Alcides'[46]boog en schichten,Nadat al gebracht ter aard'Is, dat Hecub' heeft gebaard:Na 't verbranden zulker beenen[47],Die hier halve Goden schenen,Draagt me uw lijk, o vader! uit:Dat de leste stacy sluit;En geslacht Jupijn ter eeren,Moet uw lichaam 't graf ontberen,En uw romp, met smaad en schand,Drukken het Sigeesche strand.HECUBA.Elders, dochters der TrojanenKeert uw biggelende tranen:Jammert niet om Priaams end,Hij voelt droefheid noch ellend.Zegt, dat het een groot geluk isDat hij vóór ons uit den druk is,En zoo vrij benedenwaart,Naar het rijk der schimmen, vaart.Hij en zal niet, half bezweken,Dragen 't lastig juk der Greeken[48]Droef op een gebonden hals;Schouwspel na veel ongevals!Hij heeft niet gezien de AtridenIn zijn ongeluk verblijden[49]:Noch aanschouwt in zijne smartDien Ulysses, valsch van hart.Noch op Argos zegefeesteZal hij niet, beangst van geeste,Dragen met stokoude leênHun hovaardige trofeên;Noch men zal zijn handen beide,Daar hij scepters mede zweide[50],Tot zijn hartzeer en verdriet,Op den rugge vleuglen niet;Noch de last van gulde boeyenZal zijne armen niet vermoeyen;En, na zoo veel tegenspoeds,Zal hij Agamemnons koetsNiet, met ijzers aan zijn beenen,Volgen, en 't verheugd Mycenen[51]Zonder purper, zonder kroon,Tot een schouwspel staan ten toon.REI.Priaam, van de dood verbeten,Wij te zamen zalig heeten;Varende op eene andre steê,Droeg hij zijne rijken meê.Veilig gaat hij druk versmadenOnder de Elyzeesche bladen,Bij de vrome schimmen, daarHij zijn Hector wordt gewaar.Wel hem, die in nederlagenAlles met zich ziet verslagen!Dit viel Priaam nu te beurt,Dies niet langer om hem treurt!

HECUBA.Die op een rijk vertrouwt, en kracht geeft zijn' gebodenIn een geweldig hof, en niet is voor der GodenLichtvaardigheid beducht, en, na zijns harten lust,Te reukeloos in weelde en blijde voorspoed rust,Die spiegel zich aan mij en Trojen eens te dege;'t Lot wees nooit klaarder aan, hoe slibbrig d' opgestegeEn pratte vorsten staan. Die pijler, trots en schoon,Die zuil van Aziën, dat werrekstuk der Goôn,Te gronde is neêrgestort, wien ooit[15]ten dienste stondenHij, die den Tanais[16]drinkt, die uit zijn zeven mondenDe koele stroomen braakt; hij, die met recht gezichtZiet rijzen en begroet 't herboren zonnelicht,En 's Tigers laauwen vliet mengt met de roode baren[17];En zij, die, buurvorstin[18]der Scythen, met veel scharen,En weduwlijke stoet, staag Pontus' strand berent;—Dat Troje leît ter neêr, door vier en staal geschend,Pergamum[19]heeft op 't lest met puin bestulpt zich zelve.Daar leit die hooge praal van heerlijken gewelve[20],'t Geweld van muren, met zijn daken, gants tot schand,Vernield door 't wellend vier. 't Hof staat in lichten brand;'t Huis van Assaracus rookt over alle straten.De vlam geen plondring weert van woedende soldaten.In 't brandend Trojen elk om 't zeerste rooft en ruit,En 't kolken[21]van den rook den open Hemel sluit;De vonken en het vier van d' Iliasche gevelsBezwalkt den dag, als waar hij dik bekleed met nevels.Ziet den verwinner daar eens heet van gramschap staan,Die vast de taaye stad schouwt met zijne oogen aan;De gramme krijgsman, nu gemat[22]en wel ervaren,Den tijd ontschuldigt, die gesleept heeft vijf paar jaren.Nog schrikt hij al bedeesd voor de overheerde stad,En schoon zij leît verplet, nog naauwlijks acht hij, datZij voor hem winbaar was. De plonderaars die slepenEn torschen vast den roof, te zwaar, om duizend schepenTe laden met den schat. Ik, droef en afgetreurd,Der Goden heiligheid, op mij dus hoog gesteurd,Neem tot getuige, en d' asch mijns vaderlands te gader,En u, der Frygen voogd[23], en veler vorsten vader,Den welken Troje dekt, bestulpt door al 't gewichtVan 't neêrgedreven rijk, dat boven op u ligt!Daartoe[24]den geest van u, die al 't geweld hield tege',En Ilium hield staan, en waart der Frygen zege,Zoo lang gij staande bleeft[25]; en u, o groote schaar,Maar kleindre schimmen doch, mijn' kinders al te gaâr!Dat ik al 't leed, 'twelk ooit ons prangde, en 'tgeen de ontsteldeApollo's priesteres[26]ons ooit te voren spelde(Met een bezeten[27]mond, als van verstand beroofd,Maar door 't beleid der Goôn van d' onze nooit geloofd),Al lang te voren heb, van mijnen Paris zwanger,In eenen droom voorzien, en heb mijn vrees niet langerVerzwegen, noch geheeld; maar, vóór Cassandra vroeg[28],Elk mijn waarzeggen steeds als zotternij beloeg.De schalke Ulysses niet, noch die hem 's nachts verzelde,Noch Sinon, vol bedrogs, in brand ons Trojen stelde;Ik, ik ben stokebrand: mijn vier is 't dat er blaakt,En Ilium is van mijn toorts in brand geraakt.Maar, ouderdom, die zijt te leefbaar! waartoe 't weenen,Om de uitgerooide stad, om de omgestorte steenen?Rampzalige vorstin! den verschen rouw aanschouwt:Zet Trojen aan d' een' zij'[29]: dat ongeluk is oud.Ik heb vervloekter feit gezien, vol schriks, en beven,Des ouden konings moord, een schellemstuk, bedrevenDoor Pyrrhus' wreed geweer; die zelf, voor 't hoog outaarDer Goôn, met felle vuist, het grijze koningshaarOmwrong, en dreef het staal, o droevige vertooning!Wel diep ter wonden in; 'twelk d' afgeleefde koningVrijwillig heeft ontvaân; zoo dat het zwaard verwoedTen strotte aan d' andere zijde is uitgekeerd bebloed.Wien zou die grijze kop, wien zouden de getuigenVan 't schelmstuk, zelfs de Goôn niet hebben konnen buigen?En 't oude heiligdom van 't neêrgevallen rijk?Priaam gebeurt geen graf; hij, die zoo groot een wijk,En steun van kindren had, tot vesting van zijn landstaat,Derft nu zijn leste vlam[30], daar[31]Troje gants in brand staat.Nog bluscht dit jammer niet der Goden gramschap uit:De vorsten met de bus vast loten om den buitVan 't hooggeboren bloed, om vreedzaam t'huis te varen,Met Priaams dochteren, en aangehuwde snaren[32].Wie zal mij, slechten buit! meêvoeren over zee?Dees heeft zich Hectors bruid[33]ten troost verloofd alreê;Dees wenscht om d' eêgemaal van Helenus, mijn zone,Die om Anthenors lief; en, o, mijn overschooneCassandra, droeve maagd! daar is er meer als een,Die na uw kuischheid dingt. Ik oude vrouw alleenDer Grieken afkeer ben; mijn lot doet ieder duchten.O gij gevangen sleep! wat houdt gij op van zuchten?Slaat droevig voor uw borst, en tijt aan 't huilen stout:Heft op een veldgeschrei, en Trojens uitvaart houdt.Op, op! met droeven galm: laat Ide[34]uw klachten hooren,Wiens vierschaar heilloos was tot ons bederf beschoren.REI VAN VROUWEN, HECUBA.REI.'t Kermen is niet nieuw, noch 't klagen.Die[35]gij rouw belast te dragen:Neen, wij pleegden dit geweenHeele jaren achter een;Sedert Paris' minne blaakte,En de Grieksche Amyclen[36]naakte;Sedert hij de Ægeesche zeeMet zijn heilig[37]pijnhout sneê;Ida tienmaal was beslagenGrijs van sneeuw, en wintervlagen;Ida kaal gemaakt van hout,Om onz' lijken[38], menigvoud.Tienmaal ook de maayer maaideIn 't Sigeesche veld 't gezaaide,Dat er niet een dag en gleê,Of hij brocht zijn' droefheid meê;Of de daaglijksche ongenuchtenGaven oorzaak om te zuchten;Houdt in treuren al die maat,Daar Mevrouw ons voor in gaat.Hef dan op uwe hand, Mevrouwe!Wij zijn volgsters van den rouwe,Die[39]getreur en droefenisLichtelijk te leeren is.HECUBA.O, getrouwe gezellinnenOnzes vals, bedrukt van zinnen!Slaat uw haren in den wind,En uw tuiten fluks ontbindt.Laat de ontsnoerde vlechten dekken,En beslaan de droeve nekken;Dat de schaar, met luid geschrei,De armen uitstrekke allebeî,En, begruisd van d' asch der stede,Die berei'[40]met lossen kleede;Onderknoopt ook uwen schoot,'t Lijf zij tot den buik toe bloot.Kuischeid, die nu zijt gevangen,Waarom verwt de schaamte uw wangen?Op wat bruiloft hoopt ge nu,Dat ge uw borsten dekt zoo schuw?Dat de sluyer met zijn vouwenGord' den neêrgeslagen bouwen[41]!Handen, randt het lichaam aan,En beledigt u[42]tot slaan!O dat jammeren, dat slaagt[43]me!O dat wezen, dat behaagt me!Dat behaagt me! 't voegt ons lot:'k Zie nu Trojens overschot.Dat zich wederom verheffe't Oud getreur, en overtreffeDe gewone droefheid vrij:Hector, u beschreyen wij!REI.'t Haar, gedund door al het scheuren,En 't veelvuldiglijk betreuren,Wij, met rouw in 't hart geroerd,Hebben al te zaam ontsnoerd:Knoop- en strikkeloos al wederHangen nu de vlechten neder,En ons aanschijn op dit pasIs begruisd met smeulende asch.HECUBA.Vult met puin en stof uw handen;Want de vijand, na 't verbrandenVan onze uitgerooide stad,Niet[44]gelaten heeft als dat.Laat de kleedren van u allenVan de naakte schoudren vallen,En de neêrgezakte kleênStutten van ter zij de leên!Nu, nu droefheid! baar[45]uw krachten,Want de bloote borsten wachtenNaar de rechte en slinkehand;Vult met druk 't Rhœteesche strand!Dat de galm, die zich gaat schuilenIn 't gebergte, in holle kuilen,Niet, gelijk hij is gewend,'t Leste woord te rugge zend;Maar de gansche klachten strooyeWederom, van 't woeste Troje.Laat vrij hooren zee en luchtOns gesteen, en ons gezucht!Smijt de borst met felle slagen.Handen, woedt! 't gewoonlijk klagenMij niet mag vernoegen nu.Hector, wij beschreyen u!REI.Om u, zonder zich t' erbarmen.Slaat en krabt onz' hand dees armen;Om u is zij dus verwoedOp de schouders, vocht van bloed;Om u slaat ze 't hoofd vol wonden;Om u hangt de borst geschonden,Opgekrabt en aangerand,Van een wreede moeders hand.All' de wonden en kwetsuren,Die ik eertijds most verduren,Die ik aan mijn lichaam gaf,Op uwe uitvaart, aan uw graf,Vloeyen, opgekrabt, als beken;Van veel bloeds zij stadig leken.Zuil, die hielt in zijnen stand,'t Lang verdedigd vaderland!O, die weêrstond, zoo veel dagen,Deze ons toegeschikte plagen;Gij waart ons een muur en schut,En der matte Frygen stut.Tien jaar hebt gij, met uw schoudren,'t Rijk gestuttet uwer oudren;Gij alleen hebt, tien jaar lang,Ons bewaard voor ondergang.Maar zoo haast gij zijt gevallen,Vielen ook die heilge wallen;'t Was een zelve laatste dag,Die onz' stad en Hector zag.HECUBA.Keert uw klachten elders henenEn wilt Priaams lijk beweenen;Schreit op nieuw met luide keel,Want mijn Hector heeft zijn deel.REI.Hoor het zuchten en het schreyenVan onz' weeuwelijke reyen,Onze vader! die vermandTweemaal waart van 's vijands hand.Trojen heeft, in uwe dagen,Geene plaag maar eens gedragen;Dardans muren zijn tweemaalOmgebeukt van 't Grieksche staal.Pergamum most tweemaal zwichtenVoor Alcides'[46]boog en schichten,Nadat al gebracht ter aard'Is, dat Hecub' heeft gebaard:Na 't verbranden zulker beenen[47],Die hier halve Goden schenen,Draagt me uw lijk, o vader! uit:Dat de leste stacy sluit;En geslacht Jupijn ter eeren,Moet uw lichaam 't graf ontberen,En uw romp, met smaad en schand,Drukken het Sigeesche strand.HECUBA.Elders, dochters der TrojanenKeert uw biggelende tranen:Jammert niet om Priaams end,Hij voelt droefheid noch ellend.Zegt, dat het een groot geluk isDat hij vóór ons uit den druk is,En zoo vrij benedenwaart,Naar het rijk der schimmen, vaart.Hij en zal niet, half bezweken,Dragen 't lastig juk der Greeken[48]Droef op een gebonden hals;Schouwspel na veel ongevals!Hij heeft niet gezien de AtridenIn zijn ongeluk verblijden[49]:Noch aanschouwt in zijne smartDien Ulysses, valsch van hart.Noch op Argos zegefeesteZal hij niet, beangst van geeste,Dragen met stokoude leênHun hovaardige trofeên;Noch men zal zijn handen beide,Daar hij scepters mede zweide[50],Tot zijn hartzeer en verdriet,Op den rugge vleuglen niet;Noch de last van gulde boeyenZal zijne armen niet vermoeyen;En, na zoo veel tegenspoeds,Zal hij Agamemnons koetsNiet, met ijzers aan zijn beenen,Volgen, en 't verheugd Mycenen[51]Zonder purper, zonder kroon,Tot een schouwspel staan ten toon.REI.Priaam, van de dood verbeten,Wij te zamen zalig heeten;Varende op eene andre steê,Droeg hij zijne rijken meê.Veilig gaat hij druk versmadenOnder de Elyzeesche bladen,Bij de vrome schimmen, daarHij zijn Hector wordt gewaar.Wel hem, die in nederlagenAlles met zich ziet verslagen!Dit viel Priaam nu te beurt,Dies niet langer om hem treurt!

HECUBA.

HECUBA.

Die op een rijk vertrouwt, en kracht geeft zijn' gebodenIn een geweldig hof, en niet is voor der GodenLichtvaardigheid beducht, en, na zijns harten lust,Te reukeloos in weelde en blijde voorspoed rust,Die spiegel zich aan mij en Trojen eens te dege;'t Lot wees nooit klaarder aan, hoe slibbrig d' opgestegeEn pratte vorsten staan. Die pijler, trots en schoon,Die zuil van Aziën, dat werrekstuk der Goôn,Te gronde is neêrgestort, wien ooit[15]ten dienste stondenHij, die den Tanais[16]drinkt, die uit zijn zeven mondenDe koele stroomen braakt; hij, die met recht gezichtZiet rijzen en begroet 't herboren zonnelicht,En 's Tigers laauwen vliet mengt met de roode baren[17];En zij, die, buurvorstin[18]der Scythen, met veel scharen,En weduwlijke stoet, staag Pontus' strand berent;—Dat Troje leît ter neêr, door vier en staal geschend,Pergamum[19]heeft op 't lest met puin bestulpt zich zelve.Daar leit die hooge praal van heerlijken gewelve[20],'t Geweld van muren, met zijn daken, gants tot schand,Vernield door 't wellend vier. 't Hof staat in lichten brand;'t Huis van Assaracus rookt over alle straten.De vlam geen plondring weert van woedende soldaten.In 't brandend Trojen elk om 't zeerste rooft en ruit,En 't kolken[21]van den rook den open Hemel sluit;De vonken en het vier van d' Iliasche gevelsBezwalkt den dag, als waar hij dik bekleed met nevels.Ziet den verwinner daar eens heet van gramschap staan,Die vast de taaye stad schouwt met zijne oogen aan;De gramme krijgsman, nu gemat[22]en wel ervaren,Den tijd ontschuldigt, die gesleept heeft vijf paar jaren.Nog schrikt hij al bedeesd voor de overheerde stad,En schoon zij leît verplet, nog naauwlijks acht hij, datZij voor hem winbaar was. De plonderaars die slepenEn torschen vast den roof, te zwaar, om duizend schepenTe laden met den schat. Ik, droef en afgetreurd,Der Goden heiligheid, op mij dus hoog gesteurd,Neem tot getuige, en d' asch mijns vaderlands te gader,En u, der Frygen voogd[23], en veler vorsten vader,Den welken Troje dekt, bestulpt door al 't gewichtVan 't neêrgedreven rijk, dat boven op u ligt!Daartoe[24]den geest van u, die al 't geweld hield tege',En Ilium hield staan, en waart der Frygen zege,Zoo lang gij staande bleeft[25]; en u, o groote schaar,Maar kleindre schimmen doch, mijn' kinders al te gaâr!Dat ik al 't leed, 'twelk ooit ons prangde, en 'tgeen de ontsteldeApollo's priesteres[26]ons ooit te voren spelde(Met een bezeten[27]mond, als van verstand beroofd,Maar door 't beleid der Goôn van d' onze nooit geloofd),Al lang te voren heb, van mijnen Paris zwanger,In eenen droom voorzien, en heb mijn vrees niet langerVerzwegen, noch geheeld; maar, vóór Cassandra vroeg[28],Elk mijn waarzeggen steeds als zotternij beloeg.De schalke Ulysses niet, noch die hem 's nachts verzelde,Noch Sinon, vol bedrogs, in brand ons Trojen stelde;Ik, ik ben stokebrand: mijn vier is 't dat er blaakt,En Ilium is van mijn toorts in brand geraakt.Maar, ouderdom, die zijt te leefbaar! waartoe 't weenen,Om de uitgerooide stad, om de omgestorte steenen?Rampzalige vorstin! den verschen rouw aanschouwt:Zet Trojen aan d' een' zij'[29]: dat ongeluk is oud.Ik heb vervloekter feit gezien, vol schriks, en beven,Des ouden konings moord, een schellemstuk, bedrevenDoor Pyrrhus' wreed geweer; die zelf, voor 't hoog outaarDer Goôn, met felle vuist, het grijze koningshaarOmwrong, en dreef het staal, o droevige vertooning!Wel diep ter wonden in; 'twelk d' afgeleefde koningVrijwillig heeft ontvaân; zoo dat het zwaard verwoedTen strotte aan d' andere zijde is uitgekeerd bebloed.Wien zou die grijze kop, wien zouden de getuigenVan 't schelmstuk, zelfs de Goôn niet hebben konnen buigen?En 't oude heiligdom van 't neêrgevallen rijk?Priaam gebeurt geen graf; hij, die zoo groot een wijk,En steun van kindren had, tot vesting van zijn landstaat,Derft nu zijn leste vlam[30], daar[31]Troje gants in brand staat.Nog bluscht dit jammer niet der Goden gramschap uit:De vorsten met de bus vast loten om den buitVan 't hooggeboren bloed, om vreedzaam t'huis te varen,Met Priaams dochteren, en aangehuwde snaren[32].Wie zal mij, slechten buit! meêvoeren over zee?Dees heeft zich Hectors bruid[33]ten troost verloofd alreê;Dees wenscht om d' eêgemaal van Helenus, mijn zone,Die om Anthenors lief; en, o, mijn overschooneCassandra, droeve maagd! daar is er meer als een,Die na uw kuischheid dingt. Ik oude vrouw alleenDer Grieken afkeer ben; mijn lot doet ieder duchten.O gij gevangen sleep! wat houdt gij op van zuchten?Slaat droevig voor uw borst, en tijt aan 't huilen stout:Heft op een veldgeschrei, en Trojens uitvaart houdt.Op, op! met droeven galm: laat Ide[34]uw klachten hooren,Wiens vierschaar heilloos was tot ons bederf beschoren.

Die op een rijk vertrouwt, en kracht geeft zijn' geboden

In een geweldig hof, en niet is voor der Goden

Lichtvaardigheid beducht, en, na zijns harten lust,

Te reukeloos in weelde en blijde voorspoed rust,

Die spiegel zich aan mij en Trojen eens te dege;

't Lot wees nooit klaarder aan, hoe slibbrig d' opgestege

En pratte vorsten staan. Die pijler, trots en schoon,

Die zuil van Aziën, dat werrekstuk der Goôn,

Te gronde is neêrgestort, wien ooit[15]ten dienste stonden

Hij, die den Tanais[16]drinkt, die uit zijn zeven monden

De koele stroomen braakt; hij, die met recht gezicht

Ziet rijzen en begroet 't herboren zonnelicht,

En 's Tigers laauwen vliet mengt met de roode baren[17];

En zij, die, buurvorstin[18]der Scythen, met veel scharen,

En weduwlijke stoet, staag Pontus' strand berent;—

Dat Troje leît ter neêr, door vier en staal geschend,

Pergamum[19]heeft op 't lest met puin bestulpt zich zelve.

Daar leit die hooge praal van heerlijken gewelve[20],

't Geweld van muren, met zijn daken, gants tot schand,

Vernield door 't wellend vier. 't Hof staat in lichten brand;

't Huis van Assaracus rookt over alle straten.

De vlam geen plondring weert van woedende soldaten.

In 't brandend Trojen elk om 't zeerste rooft en ruit,

En 't kolken[21]van den rook den open Hemel sluit;

De vonken en het vier van d' Iliasche gevels

Bezwalkt den dag, als waar hij dik bekleed met nevels.

Ziet den verwinner daar eens heet van gramschap staan,

Die vast de taaye stad schouwt met zijne oogen aan;

De gramme krijgsman, nu gemat[22]en wel ervaren,

Den tijd ontschuldigt, die gesleept heeft vijf paar jaren.

Nog schrikt hij al bedeesd voor de overheerde stad,

En schoon zij leît verplet, nog naauwlijks acht hij, dat

Zij voor hem winbaar was. De plonderaars die slepen

En torschen vast den roof, te zwaar, om duizend schepen

Te laden met den schat. Ik, droef en afgetreurd,

Der Goden heiligheid, op mij dus hoog gesteurd,

Neem tot getuige, en d' asch mijns vaderlands te gader,

En u, der Frygen voogd[23], en veler vorsten vader,

Den welken Troje dekt, bestulpt door al 't gewicht

Van 't neêrgedreven rijk, dat boven op u ligt!

Daartoe[24]den geest van u, die al 't geweld hield tege',

En Ilium hield staan, en waart der Frygen zege,

Zoo lang gij staande bleeft[25]; en u, o groote schaar,

Maar kleindre schimmen doch, mijn' kinders al te gaâr!

Dat ik al 't leed, 'twelk ooit ons prangde, en 'tgeen de ontstelde

Apollo's priesteres[26]ons ooit te voren spelde

(Met een bezeten[27]mond, als van verstand beroofd,

Maar door 't beleid der Goôn van d' onze nooit geloofd),

Al lang te voren heb, van mijnen Paris zwanger,

In eenen droom voorzien, en heb mijn vrees niet langer

Verzwegen, noch geheeld; maar, vóór Cassandra vroeg[28],

Elk mijn waarzeggen steeds als zotternij beloeg.

De schalke Ulysses niet, noch die hem 's nachts verzelde,

Noch Sinon, vol bedrogs, in brand ons Trojen stelde;

Ik, ik ben stokebrand: mijn vier is 't dat er blaakt,

En Ilium is van mijn toorts in brand geraakt.

Maar, ouderdom, die zijt te leefbaar! waartoe 't weenen,

Om de uitgerooide stad, om de omgestorte steenen?

Rampzalige vorstin! den verschen rouw aanschouwt:

Zet Trojen aan d' een' zij'[29]: dat ongeluk is oud.

Ik heb vervloekter feit gezien, vol schriks, en beven,

Des ouden konings moord, een schellemstuk, bedreven

Door Pyrrhus' wreed geweer; die zelf, voor 't hoog outaar

Der Goôn, met felle vuist, het grijze koningshaar

Omwrong, en dreef het staal, o droevige vertooning!

Wel diep ter wonden in; 'twelk d' afgeleefde koning

Vrijwillig heeft ontvaân; zoo dat het zwaard verwoed

Ten strotte aan d' andere zijde is uitgekeerd bebloed.

Wien zou die grijze kop, wien zouden de getuigen

Van 't schelmstuk, zelfs de Goôn niet hebben konnen buigen?

En 't oude heiligdom van 't neêrgevallen rijk?

Priaam gebeurt geen graf; hij, die zoo groot een wijk,

En steun van kindren had, tot vesting van zijn landstaat,

Derft nu zijn leste vlam[30], daar[31]Troje gants in brand staat.

Nog bluscht dit jammer niet der Goden gramschap uit:

De vorsten met de bus vast loten om den buit

Van 't hooggeboren bloed, om vreedzaam t'huis te varen,

Met Priaams dochteren, en aangehuwde snaren[32].

Wie zal mij, slechten buit! meêvoeren over zee?

Dees heeft zich Hectors bruid[33]ten troost verloofd alreê;

Dees wenscht om d' eêgemaal van Helenus, mijn zone,

Die om Anthenors lief; en, o, mijn overschoone

Cassandra, droeve maagd! daar is er meer als een,

Die na uw kuischheid dingt. Ik oude vrouw alleen

Der Grieken afkeer ben; mijn lot doet ieder duchten.

O gij gevangen sleep! wat houdt gij op van zuchten?

Slaat droevig voor uw borst, en tijt aan 't huilen stout:

Heft op een veldgeschrei, en Trojens uitvaart houdt.

Op, op! met droeven galm: laat Ide[34]uw klachten hooren,

Wiens vierschaar heilloos was tot ons bederf beschoren.

REI VAN VROUWEN, HECUBA.

REI VAN VROUWEN, HECUBA.

REI.

REI.

't Kermen is niet nieuw, noch 't klagen.Die[35]gij rouw belast te dragen:Neen, wij pleegden dit geweenHeele jaren achter een;

't Kermen is niet nieuw, noch 't klagen.

Die[35]gij rouw belast te dragen:

Neen, wij pleegden dit geween

Heele jaren achter een;

Sedert Paris' minne blaakte,En de Grieksche Amyclen[36]naakte;Sedert hij de Ægeesche zeeMet zijn heilig[37]pijnhout sneê;

Sedert Paris' minne blaakte,

En de Grieksche Amyclen[36]naakte;

Sedert hij de Ægeesche zee

Met zijn heilig[37]pijnhout sneê;

Ida tienmaal was beslagenGrijs van sneeuw, en wintervlagen;Ida kaal gemaakt van hout,Om onz' lijken[38], menigvoud.

Ida tienmaal was beslagen

Grijs van sneeuw, en wintervlagen;

Ida kaal gemaakt van hout,

Om onz' lijken[38], menigvoud.

Tienmaal ook de maayer maaideIn 't Sigeesche veld 't gezaaide,Dat er niet een dag en gleê,Of hij brocht zijn' droefheid meê;

Tienmaal ook de maayer maaide

In 't Sigeesche veld 't gezaaide,

Dat er niet een dag en gleê,

Of hij brocht zijn' droefheid meê;

Of de daaglijksche ongenuchtenGaven oorzaak om te zuchten;Houdt in treuren al die maat,Daar Mevrouw ons voor in gaat.

Of de daaglijksche ongenuchten

Gaven oorzaak om te zuchten;

Houdt in treuren al die maat,

Daar Mevrouw ons voor in gaat.

Hef dan op uwe hand, Mevrouwe!Wij zijn volgsters van den rouwe,Die[39]getreur en droefenisLichtelijk te leeren is.

Hef dan op uwe hand, Mevrouwe!

Wij zijn volgsters van den rouwe,

Die[39]getreur en droefenis

Lichtelijk te leeren is.

HECUBA.

HECUBA.

O, getrouwe gezellinnenOnzes vals, bedrukt van zinnen!Slaat uw haren in den wind,En uw tuiten fluks ontbindt.

O, getrouwe gezellinnen

Onzes vals, bedrukt van zinnen!

Slaat uw haren in den wind,

En uw tuiten fluks ontbindt.

Laat de ontsnoerde vlechten dekken,En beslaan de droeve nekken;Dat de schaar, met luid geschrei,De armen uitstrekke allebeî,

Laat de ontsnoerde vlechten dekken,

En beslaan de droeve nekken;

Dat de schaar, met luid geschrei,

De armen uitstrekke allebeî,

En, begruisd van d' asch der stede,Die berei'[40]met lossen kleede;Onderknoopt ook uwen schoot,'t Lijf zij tot den buik toe bloot.

En, begruisd van d' asch der stede,

Die berei'[40]met lossen kleede;

Onderknoopt ook uwen schoot,

't Lijf zij tot den buik toe bloot.

Kuischeid, die nu zijt gevangen,Waarom verwt de schaamte uw wangen?Op wat bruiloft hoopt ge nu,Dat ge uw borsten dekt zoo schuw?

Kuischeid, die nu zijt gevangen,

Waarom verwt de schaamte uw wangen?

Op wat bruiloft hoopt ge nu,

Dat ge uw borsten dekt zoo schuw?

Dat de sluyer met zijn vouwenGord' den neêrgeslagen bouwen[41]!Handen, randt het lichaam aan,En beledigt u[42]tot slaan!

Dat de sluyer met zijn vouwen

Gord' den neêrgeslagen bouwen[41]!

Handen, randt het lichaam aan,

En beledigt u[42]tot slaan!

O dat jammeren, dat slaagt[43]me!O dat wezen, dat behaagt me!Dat behaagt me! 't voegt ons lot:'k Zie nu Trojens overschot.

O dat jammeren, dat slaagt[43]me!

O dat wezen, dat behaagt me!

Dat behaagt me! 't voegt ons lot:

'k Zie nu Trojens overschot.

Dat zich wederom verheffe't Oud getreur, en overtreffeDe gewone droefheid vrij:Hector, u beschreyen wij!

Dat zich wederom verheffe

't Oud getreur, en overtreffe

De gewone droefheid vrij:

Hector, u beschreyen wij!

REI.

REI.

't Haar, gedund door al het scheuren,En 't veelvuldiglijk betreuren,Wij, met rouw in 't hart geroerd,Hebben al te zaam ontsnoerd:

't Haar, gedund door al het scheuren,

En 't veelvuldiglijk betreuren,

Wij, met rouw in 't hart geroerd,

Hebben al te zaam ontsnoerd:

Knoop- en strikkeloos al wederHangen nu de vlechten neder,En ons aanschijn op dit pasIs begruisd met smeulende asch.

Knoop- en strikkeloos al weder

Hangen nu de vlechten neder,

En ons aanschijn op dit pas

Is begruisd met smeulende asch.

HECUBA.

HECUBA.

Vult met puin en stof uw handen;Want de vijand, na 't verbrandenVan onze uitgerooide stad,Niet[44]gelaten heeft als dat.

Vult met puin en stof uw handen;

Want de vijand, na 't verbranden

Van onze uitgerooide stad,

Niet[44]gelaten heeft als dat.

Laat de kleedren van u allenVan de naakte schoudren vallen,En de neêrgezakte kleênStutten van ter zij de leên!

Laat de kleedren van u allen

Van de naakte schoudren vallen,

En de neêrgezakte kleên

Stutten van ter zij de leên!

Nu, nu droefheid! baar[45]uw krachten,Want de bloote borsten wachtenNaar de rechte en slinkehand;Vult met druk 't Rhœteesche strand!

Nu, nu droefheid! baar[45]uw krachten,

Want de bloote borsten wachten

Naar de rechte en slinkehand;

Vult met druk 't Rhœteesche strand!

Dat de galm, die zich gaat schuilenIn 't gebergte, in holle kuilen,Niet, gelijk hij is gewend,'t Leste woord te rugge zend;

Dat de galm, die zich gaat schuilen

In 't gebergte, in holle kuilen,

Niet, gelijk hij is gewend,

't Leste woord te rugge zend;

Maar de gansche klachten strooyeWederom, van 't woeste Troje.Laat vrij hooren zee en luchtOns gesteen, en ons gezucht!

Maar de gansche klachten strooye

Wederom, van 't woeste Troje.

Laat vrij hooren zee en lucht

Ons gesteen, en ons gezucht!

Smijt de borst met felle slagen.Handen, woedt! 't gewoonlijk klagenMij niet mag vernoegen nu.Hector, wij beschreyen u!

Smijt de borst met felle slagen.

Handen, woedt! 't gewoonlijk klagen

Mij niet mag vernoegen nu.

Hector, wij beschreyen u!

REI.

REI.

Om u, zonder zich t' erbarmen.Slaat en krabt onz' hand dees armen;Om u is zij dus verwoedOp de schouders, vocht van bloed;

Om u, zonder zich t' erbarmen.

Slaat en krabt onz' hand dees armen;

Om u is zij dus verwoed

Op de schouders, vocht van bloed;

Om u slaat ze 't hoofd vol wonden;Om u hangt de borst geschonden,Opgekrabt en aangerand,Van een wreede moeders hand.

Om u slaat ze 't hoofd vol wonden;

Om u hangt de borst geschonden,

Opgekrabt en aangerand,

Van een wreede moeders hand.

All' de wonden en kwetsuren,Die ik eertijds most verduren,Die ik aan mijn lichaam gaf,Op uwe uitvaart, aan uw graf,

All' de wonden en kwetsuren,

Die ik eertijds most verduren,

Die ik aan mijn lichaam gaf,

Op uwe uitvaart, aan uw graf,

Vloeyen, opgekrabt, als beken;Van veel bloeds zij stadig leken.Zuil, die hielt in zijnen stand,'t Lang verdedigd vaderland!

Vloeyen, opgekrabt, als beken;

Van veel bloeds zij stadig leken.

Zuil, die hielt in zijnen stand,

't Lang verdedigd vaderland!

O, die weêrstond, zoo veel dagen,Deze ons toegeschikte plagen;Gij waart ons een muur en schut,En der matte Frygen stut.

O, die weêrstond, zoo veel dagen,

Deze ons toegeschikte plagen;

Gij waart ons een muur en schut,

En der matte Frygen stut.

Tien jaar hebt gij, met uw schoudren,'t Rijk gestuttet uwer oudren;Gij alleen hebt, tien jaar lang,Ons bewaard voor ondergang.

Tien jaar hebt gij, met uw schoudren,

't Rijk gestuttet uwer oudren;

Gij alleen hebt, tien jaar lang,

Ons bewaard voor ondergang.

Maar zoo haast gij zijt gevallen,Vielen ook die heilge wallen;'t Was een zelve laatste dag,Die onz' stad en Hector zag.

Maar zoo haast gij zijt gevallen,

Vielen ook die heilge wallen;

't Was een zelve laatste dag,

Die onz' stad en Hector zag.

HECUBA.

HECUBA.

Keert uw klachten elders henenEn wilt Priaams lijk beweenen;Schreit op nieuw met luide keel,Want mijn Hector heeft zijn deel.

Keert uw klachten elders henen

En wilt Priaams lijk beweenen;

Schreit op nieuw met luide keel,

Want mijn Hector heeft zijn deel.

REI.

REI.

Hoor het zuchten en het schreyenVan onz' weeuwelijke reyen,Onze vader! die vermandTweemaal waart van 's vijands hand.

Hoor het zuchten en het schreyen

Van onz' weeuwelijke reyen,

Onze vader! die vermand

Tweemaal waart van 's vijands hand.

Trojen heeft, in uwe dagen,Geene plaag maar eens gedragen;Dardans muren zijn tweemaalOmgebeukt van 't Grieksche staal.

Trojen heeft, in uwe dagen,

Geene plaag maar eens gedragen;

Dardans muren zijn tweemaal

Omgebeukt van 't Grieksche staal.

Pergamum most tweemaal zwichtenVoor Alcides'[46]boog en schichten,Nadat al gebracht ter aard'Is, dat Hecub' heeft gebaard:

Pergamum most tweemaal zwichten

Voor Alcides'[46]boog en schichten,

Nadat al gebracht ter aard'

Is, dat Hecub' heeft gebaard:

Na 't verbranden zulker beenen[47],Die hier halve Goden schenen,Draagt me uw lijk, o vader! uit:Dat de leste stacy sluit;

Na 't verbranden zulker beenen[47],

Die hier halve Goden schenen,

Draagt me uw lijk, o vader! uit:

Dat de leste stacy sluit;

En geslacht Jupijn ter eeren,Moet uw lichaam 't graf ontberen,En uw romp, met smaad en schand,Drukken het Sigeesche strand.

En geslacht Jupijn ter eeren,

Moet uw lichaam 't graf ontberen,

En uw romp, met smaad en schand,

Drukken het Sigeesche strand.

HECUBA.

HECUBA.

Elders, dochters der TrojanenKeert uw biggelende tranen:Jammert niet om Priaams end,Hij voelt droefheid noch ellend.

Elders, dochters der Trojanen

Keert uw biggelende tranen:

Jammert niet om Priaams end,

Hij voelt droefheid noch ellend.

Zegt, dat het een groot geluk isDat hij vóór ons uit den druk is,En zoo vrij benedenwaart,Naar het rijk der schimmen, vaart.

Zegt, dat het een groot geluk is

Dat hij vóór ons uit den druk is,

En zoo vrij benedenwaart,

Naar het rijk der schimmen, vaart.

Hij en zal niet, half bezweken,Dragen 't lastig juk der Greeken[48]Droef op een gebonden hals;Schouwspel na veel ongevals!

Hij en zal niet, half bezweken,

Dragen 't lastig juk der Greeken[48]

Droef op een gebonden hals;

Schouwspel na veel ongevals!

Hij heeft niet gezien de AtridenIn zijn ongeluk verblijden[49]:Noch aanschouwt in zijne smartDien Ulysses, valsch van hart.

Hij heeft niet gezien de Atriden

In zijn ongeluk verblijden[49]:

Noch aanschouwt in zijne smart

Dien Ulysses, valsch van hart.

Noch op Argos zegefeesteZal hij niet, beangst van geeste,Dragen met stokoude leênHun hovaardige trofeên;

Noch op Argos zegefeeste

Zal hij niet, beangst van geeste,

Dragen met stokoude leên

Hun hovaardige trofeên;

Noch men zal zijn handen beide,Daar hij scepters mede zweide[50],Tot zijn hartzeer en verdriet,Op den rugge vleuglen niet;

Noch men zal zijn handen beide,

Daar hij scepters mede zweide[50],

Tot zijn hartzeer en verdriet,

Op den rugge vleuglen niet;

Noch de last van gulde boeyenZal zijne armen niet vermoeyen;En, na zoo veel tegenspoeds,Zal hij Agamemnons koets

Noch de last van gulde boeyen

Zal zijne armen niet vermoeyen;

En, na zoo veel tegenspoeds,

Zal hij Agamemnons koets

Niet, met ijzers aan zijn beenen,Volgen, en 't verheugd Mycenen[51]Zonder purper, zonder kroon,Tot een schouwspel staan ten toon.

Niet, met ijzers aan zijn beenen,

Volgen, en 't verheugd Mycenen[51]

Zonder purper, zonder kroon,

Tot een schouwspel staan ten toon.

REI.

REI.

Priaam, van de dood verbeten,Wij te zamen zalig heeten;Varende op eene andre steê,Droeg hij zijne rijken meê.

Priaam, van de dood verbeten,

Wij te zamen zalig heeten;

Varende op eene andre steê,

Droeg hij zijne rijken meê.

Veilig gaat hij druk versmadenOnder de Elyzeesche bladen,Bij de vrome schimmen, daarHij zijn Hector wordt gewaar.

Veilig gaat hij druk versmaden

Onder de Elyzeesche bladen,

Bij de vrome schimmen, daar

Hij zijn Hector wordt gewaar.

Wel hem, die in nederlagenAlles met zich ziet verslagen!Dit viel Priaam nu te beurt,Dies niet langer om hem treurt!

Wel hem, die in nederlagen

Alles met zich ziet verslagen!

Dit viel Priaam nu te beurt,

Dies niet langer om hem treurt!


Back to IndexNext