"Vermids geen ander liefd' brandt in uw eed'le borste;Ik wil, dat gij bezit, als tot een toegift veil,[142]Gezondheid, rijkdom, eer, en overvloed van heil,Terwijl gij dient dees maagd, in mijnen dienst u bouwe[143]:Oon[144]eersleep mag niet treên zoo welgeboren vrouwe."Als Salomon ontwaakt, hij merkelijken zietDat de gematigdheid[145]van 's lichaams dampen nietVeroorzaakt in zijn geest een droom zoo wonderbaarlijk;Maar 't afgezette beeld van d' hand eens Engels waarlijk:Want zalig hem oon kunst de kunsten staan ter hand,Geleerdheid zonder moeite; een ongemeen verstandZijn doen verguldt; hij vliegt om hoog, en gaat doorzoekenVan 's werelds ingewand de diepte, en donkre hoeken.De raadsels van 't gewijd pampier zijn hem gemeen,En daaglijks zijn gesprake[146]; en zijn diepzinnig breinVan weinig woorden, die de goddelijke veêrenBeschreven, zoude eerlang veel boeken ons stoffeeren.Geleerdlijk[147]hij de zon oon vreeze sterven ziet:De dwalinge onverdwaald der sterren hij bespiedt:Hij weet of 't is nature, of engel, die de rondeMet een drievoude keer doet op één tijd en stonde:Of Febus licht van zijn, de Maan van anders[148]vuur:Of d'herfst de zomer, lent, en winter, koud en stuur,Der zonnen[149]kindren zijn: en van wat rook, zoo verreOm hoog, de locht ontsteekt een langgehaarde sterre:Wat polsen, stijf van dreun, wind telen slinks en krom:Wat vuurge pennen dat de bliksems dragen om:Wat breidel d'oceaan dwingt binnen zijne palen;Of hij gehoorzaamt 't licht met zijn gehoornde stralen;Of 't zweetrig kussen[150]des verliefden hemels frischDer peerlen vader, en der oestren bruigom is:Of 't waar is, dat hij droef de slijmige ons uitzondert,De blinkende als hij lacht, de bleeke teelt als 't dondert:Of 't vochtig element 't grijze Amber teelt gewis,Of datmen 't vette drek zal achten van een visch.Hij weet, waaromme de aarde is vast rond, oon begintsel[151],Des werelds middelpunt, en der naturen bindsel:Hij kan ze meten, en verstaat nog, of hij 't zag,Hoe doch de coloquint met zulken oordeel magUitpikken 't witte vocht in duist're en donkere adren,'t Elleborum het zwart, de Rha het groen vergadren:En of zulks toegaat, in ons zwak en teder lijf,Of halende tot zich, of jagende uit heel stijf.Kortom, der planten kracht hij kent, die, groot en teder,Nature in wezen houdt van d'Hysoop tot den Ceder.Hij weet, waarom de tand des bijtwolfs, droef van aard,'t Peerd groote snelheid geeft, en ook zijn spoor verzwaart:Hoe in een oogenblik hyëna 's teven[152]blaffen,In't nadren met haar schaauw, behend[153]weet af te schaffen:Hoe 't komt dat d'elefant, verhit door 's gramschaps vlam,Getemd wordt, als hem naakt de ruiggevliesde ram;Hoe't komt, dat d'Alderhoogst' vrijt[154]d'adeler voor't slingrenDes bliksems, die hij schiet met gloeyendige vingren;Waarom de zeegans ook haar eyers, groot van schel,Broeit met haer poten uit, heel heet en breed van vel,En zonder tonge schreeuwt, geteugeld aan[155]haar vlerken,Zoo zij naar wensch niet kan de zoute velden merken.Hij weet, of uit een damp ontstaat de keizelsteen,Of uit gekookte slijm; geleerdlijk geeft hij reênOf van 't kwikzilver, of van zwavel de metalenOntstaan, of van een sap gedikt door 's winters dralen,En rein geveegd door d'hitte, of van een aschig vocht,Of dat hij, die 't gewoel der dikke baren wrocht,Het hemels keizerrijk, de bontgespikkelde eerde,Gelijk men ze uittrekt nu, almachtig die[156]formeerde.Hij weet, waarom de deugd des heldren jaspis helptDen bloedenden, en 't bloed behendiglijken stelpt;De safier heelt 't gezicht, de topaas zal bestrijenVrouw Venus; de Amethist dien God, wien 't veil[157]wil vlijen,[158]En hoe 't zich toedraagt, dat jeloers de diamantZich tegen des magneets behende[159]diefstal kant.Getalen, maat, en toon zijn geest weet t' achterhalen,En d'effenmatigheid der lijven met haar talen[160]:En van den Nectar zat, die d'hemel stort altijd,De bij heeft d'honig op zijn lippen geconfijt.Maar hij omhelst geensins des spieglings bloote aanmerkingMet zulken ijver als de nutzame[161]bewerking,Noch draagt het snatren van een weetzucht zoo veel gunst,Noch d'hovaard eens sofists, als deze brave kunstDie vestigt eenen staat, het heilig roer kan vaten[162],En met eenstemmigheid voên hooge en leege staten.Voor al hij 't recht niet krenkt, der wetten kracht hij vergt,En, als d' uitstekendst' van 't hoog Pyreneesch gebergt'[163],Zijn voorhoofd hij verklaart[164], en 't hooft steekt in de lochten,Versmaadt slagregens, 't ijs, de winden, en de tochten:De stormen hij belacht, en braaf[165]worpt bovendienDes donders hovaardij ter neder voor zijn kniên.Oon vlekke draagt hij zich[166], onbuiglijk vonniswijzer,Noch niemands gunst ontrukt zijn vuist het wrekende ijzer,Noch haat en wettet[167]niet; de gunsten hij vertreedtMet zijne voeten; hij 's volks vreeze en tranen kneedt;'s Gouds stralen nimmermeer doen schemeren zijn oogen,Noch vindt zich met een wolk van onkund' niet betogen.Zijn spraak wordt een geheim geacht van minst en meest,En uit 's lands wetten hij scherpzinnig trekt den geest.In zaak van twijfel spitst hij zich op 's dingers[168]perten[169]Omzichtig, en ontleedt der loozer[170]pleiters herten.Van zijn geboortendag geen vijftien oogsten[171]nooit,Verschudden haar perruik, met goud schoon opgetooid,Als hij gelukkig scheidde[172], en wijs'lijk uit kost voeren't Vermaarde pleitgeschil van twee doorslepen hoeren:"Laas, aarde!" de eerste zegt, "is 't mooglijk, dat gebelgdGij, berstende van spijt, niet levendig verzwelgtDit vuil afgrijslijk wijf? Heer koning! is het mooglijk,Dat uitgaande, om bestaan een stuk zoo ongedooglijk,Zij schaamtloos uwen troon derf nadren met bedrog,Niet om kwijtschelding, maar om aan te klagen nog?Die stiefmoer, van de slaap, van spijze en wijn vertreden,Heeft haren zoon versmacht[173], den jongsten nacht geleden,Doen[174], vindend' hem ijskoud oon pols en roering, let,Erglistelijken legt hem fijntjens in mijn bed,Nam 't mijn weêr in de plaatse;—houd daar, o oû slaapbye[175]!O meer als eerlooz'! houd, ô zaad van bastardye!Uw prije[176]neemt; houd daar! en geeft mij mijn gerief,Mijn hoop, mijn tijdverdrijf, mijn herteken, mijn lief!O bitter avontuur! o zeldzaam kerkendiefte[177]!Dit klein fraai Engelken gij kussen naar beliefte!Hij zoetert lachen om uw staamlende gebaar,En zich verwerren in uw vuil, uw luizig haar!Dit poppeken de vreugd doen in uw ziel oprijzen,En, groot geworden, uw wanschapen oudheid[178]spijzen:Maar ik, och arm'! helaas! heb voor mijn lot alleenDen last van 't zwanger gaan, en 's barens herde weên,Het schudden van zijn wieg, van 's waters musk[179]de luchten,En van zijn kinds-geschrei de moeilijke geruchten.[180]O, onder sterflijke' ik de ellendigste in 't verdriet!O kinderlooze moêr! ach, dat uw handen nietZijn met een mes voorzien, als 't hert met razernijen!Neen, eer ik zal dien smaad zoo wederweerdig lijen,Wil ik dees teve doôn, en fellijk eer bestaan,Haar boezem woênde met mijn hand te randen aan."Dus antwoord de ander: "ha, wolvin! ha, heetst' der teven!He! wie geloofde ooit, dat een boosheid zoo doordrevenDen wijn verzelde: indien Gods ooge u niet vervaart,Vreest 's Konings wakkre geest nog[181], die zijn plaats bewaart.'t Vernoegt u niet dat gij mij aantijgt, door uw boosheid,Doortraptheid, dronkenschap, moord, meineed, en eerloosheid,Gij wilt mij, maar vergeefs, ontnemen nog mijn kind:Neen, al te vast hem liefde in 's moeders ermen bindtHij rooft mij 't leven, die mij rooft mijn kind goedaardig.Gerechten Davids zoon! die zijt als hij rechtvaardig,Ik bidde, dat uit gunst des gunsts, die hij u eerBewees, doen hij weêr kinds, met toegeneigd gebeer[182],Uw tranen stilde, en met zijn tonge, uit groot begeeren,Van jongs op u de spraak ging leeren fatzoeneeren:Of als, bebloed en warm en kuchende en begaan,Hij keerde met den roof der koningen verlaân[183],U in zijn beuk'laar wiegde, u vrund'lijk liep omermen,En schreyend hief u op zijn schouder met zijn ermen:Gij greept zijn baard en loegt[184], als gij zaagt lachen stoutEen ander Salomon, in 't helder vlammend goudVan 't vaderlijk helmet, en bootste honderd lachjensTer zijden 't pluimdonst[185]van zijn witte reigerschachtjens:En, met de baren van een pluim bedekt, gij doenEen vogel scheent, die in een hage zingt in 't groen:O, ik bezweere u, bij den naam des hoogberomdeBathseba, die des nachts haar duizendmalen kromdeKoud over uwe wieg, en eer gij d'uchtend kreegt[186],Haar tepel van wit bloed had honderdmaal geleêgd;Die met 't bepeerlde goud[187]uw hoofd ging overwelven,En leefd' zorgvuldig meer bij u als bij haar zelven:O groote Koning! ik bezweer u, bij al 't gunt[188]Hier 't heiligst' wordt geschat, dat gij mij recht vergunt:Dat, zoo uw goedheid, laas! te hinderlijk mijn zake,Van mijn ontfangen leed vergunnen wil geen wrake,Ten minste neemt mij niet 't geen mij natuur met smertGaf buiten uwe jonst: ontrukt mij niet mijn hert:Ontvreemt, met oorlof, mij mijn bloed niet; daarbenevenMaakt ons niet kinderloos, gedurende's kindsleven!"Terwijl met roepen zij 't den Koning maken moê"Mijn is het kind!" "'t is mijn!" "gij liegt, 't behoort mij toe!"Het volk reeds half geschift is: d'een, naar 's herten oordeelDees vrouw draagt, d'ander wijst het ander wijf te voordeel.Gelijk twee tuisschers[189]op een speelberd, op goê hoop,Kasteelen, wijngaards, land vertrouwen 's teerlings loop:Een strijdige begeerte ontroert al de ommestandren,D'een d'eene gunstig is, en d'ander draagt den andren,En elk, door vreeze en hoop gedreven, na als voor,Ontstelt 't bewegen van 't bedriegelijk yvoor[190].De koning dut[191]alleen, en zijn wijze ooren hoordenGeen ongelijkheid in gehuil, geklag, en woorden.'s Kinds aanzicht aangemerkt, 't en teekent noch 't en wroegt[192]De een meer als de ander niet: noch 's rechters geest vernoegdWordt, zoo men overslaat haar jaren vergeleken;Duttende[193], vindt hij zich van waartuig[194]ook versteken,Daarna spreekt hij aldus: "maar, 't schijnt, een droomenpraat;Als rechters vlijtigheid alle onderzoek ontstaat[195],Moet iet aanmerk'lijks, uit naturens schoot behendlijkGeput, zijn toevlucht zijn, of zich[196]behelpen endlijkMet 's pijnbanks strengigheid: nu 't moederlijk gemoedEen vast gezet[197]is van nature mild en goed,En nimmermeer natuur haar strenger stelt ten tooneDan in 't geen lijdende is een moeder in haar zone!"Daar op gelijk ontwaakt: "tsa! zegt hij, 't zweerd gewet!Tsa, dat u 't kind nu toegedeeld werd'[198]juist en net!'t Recht en meêdoogendheid verplaatst laat elders zwerven,De billijkheid niet duldt dat een 't zal heel be-erven."O herd geschil! daar ziet de rechter, in 't besluit[199],Haars herten heimlijkheên elk kenbaar breken uit:'t Momaanzicht is gelicht: haar tonge, flaauw van krachten,Met een oprechte wensch geeft antwoord hun gedachten.De valsche moeder zegt: "'t geschiede, ik wil 't, houd daar!Rechtveerdig deelt 't gebeent', zijn naglen, en zijn haar.""Och deelet[200]niet! ik geef," zegt de ander, "u te voren,Mijn recht, vervloekte vrouw! daar, neem mijn uitverkorenKlein kind in uw bezit; nog liever ik 't voor dijHoud levende en geheel, als dood ontleed voor mij."De koning zegt: "'t hoort u, die 't barend' hebt verkregen,'t Hoort u toe, door mijn recht en 't moederlijk bewegen[201]."Gelijk een zelve mijn nu voortbrengt, met het goud,Veel goed chrysocolon en zilver menigvoud,Eens rijkdoms rijke schat, een ongelooflijke eereVerzelt van Davids zoon de wijsheid meer en meere:Te water hij gebiedt, hij heerscht te lande ontzien,Wel honderd kroonen fluks zijn tulband manschap biên;Sidon, de zee des Nijls naast aan zijn grenzen palen,Voor hem de vochte Eufraat zijn hoornen leeg laat dalen;Peru in zijn trezoor vloeit rijklijk, zoo men zeît[202].Te Sion 't goud als zand gemeen voor elk een leît,De peerle als keizelsteen; en heel Judeê in vredenAlsins vloeit in een zee, zoo 't schijnt, van zaligheden.Elk zonder afgunst leest[203], en zonder krijgsgerucht,Zijns wijnstoks trossen en zijns vijgbooms zoete vrucht.Hij overvloeit van als[204], niet op dat hij naar wenscheVan mensch worde een vuil zwijn, maar Engel van een mensche,D' onsterflijke tot lof, die, daar hij hier nog leeft,Van 't hemelsche vermaak hem reede een voorsmaak geeft.'t Welriekende gerucht van 's konings heerlijkheden,Rijkdom, schoontaligheid zich gaat alom verspreeden.De Tyriêrs willig hem als bondgenoot ontvaân.Zijn zoonschap Faro zoekt; de nabuur bidt hem aanNiet min als d' onderzaat, en 't vuur zijns oogs met ijleOntsteekt der jonffren[205]bloem op de oevren van den Nijle.Wat maakty, Salomon? och armen! ziet uw geestNiet, dat dees bruiloft u een strik is en geen feest?Een hymen, geschakeerd van ongelijke willen,En voor 't onsterflijk zaad[206]recht doodlijke geschillen:Dat d' os en d' ezel, in een zelve juk gepaard,Niet voeglijk ploegen om de korendragend' aard'.Wie met een heidensch bloed zich echtlijk gaat verzellen,Doet eêbreuk[207]voor den Heer; 't geloof wil altijd hellen[208],'t Vereischt een hulpe, en geen bekoorster meer om haar[209]Van 't eerste werktuig van den ouden Logenaar,Noch gift dat dood'lijk in uw bed ligt, heet van minne,En d' ongodvruchtigheid u blaast ten lippen inne.Groot koning! die gij van den vloed des Nijls ontleent,Geen vleesch is van uw vleesch, geen been van uw gebeent'.'t Is een uitheemsch gebeente, een ribb' van woeste onvrije,Een lid geheel verrot van Faro's lazerije[210].Maar, zuldy zeggen, hoe? alreê de schoone bruidVan d' afgodischen Nijl 't bevlekt gewaad trok uit,In 't wit haar cieren gaat, d' onnoozelheid omgorden,En door 't geloove is nu Abrahams zaad geworden.Zulks stemmen wij licht toe, en d' heil'ge schoonheids cier,Waar van zij 't beelde draagt, mij lichtelijken hierDoet hellen aan[211]die kant: maar ducht ik, of verslimde[212]Haar eersleep al uw hof, dat God op u vergrimde,D' Onsterflijke, die niet wil dulden, dat men slinksGaat mengen Izaks bloed met 't bloed eens vreemdelings.Recht onder d' Evenaar de aanminnige natureBesprengt een aardig bosch, dit boomgroent t' aller ure,Daar, door het gantsche jaar, de Mei in 't groene staat,Die met zijn verwe alom 't schoon veld tapijten[213]gaat.De aard' lacht hier overal, en, hoe men meer wil buigenDe bloemen, schoon gesternt, te meer zij levend' juichen.'t Groeit hier al zonder moeite, of is 't door arbeids pijn,De zoete Zefier zal alleen de bouwheer zijn.De Zuidwind botster[214]niet, en d' hagel, na lang dreigen,'t Onsterflijk woud niet snoeit; de rechte palm in 't neigenKust vrundelijk zijn bruid; de planeboom aldaarAl schuifelende vrijt zijn weêrgâ 't gantsche jaar.De popelier aanbiedt zijn dienst den popelieren.De kromme olm wordt omhelsd van d' wijngaard goedertieren.'t Veil kleeft aan d' eiken dicht, en 't groeit en 't leeft er al,En 't wordt er al geteeld vrouw Cypris[215]te geval.De waan poortwachterse[216]is, en hoedt met groote stoutheidDe poort voor gierigheid, zorge, en verstorven oudheid[217],Zooze op 't gebloeid poortaal van 't groenend' huis niet heen[218]Uit achteloosheid werpt[218]het paksken van de reên:Doch wel onthaalt z' hierin de bloode stoutigheden,Schoontaligheids gebaar, de vleyende gebeden,De gramschap haast gebluscht, de tranen haast weêr droog,Behende dieverij, 't vertwijf'len, 't lachende oog,De slappe ledigheid, de wellust in haar bloeyen,Wien d' heilge Nectar men welriekend' ziet ontvloeyen,'t Gerâbraakt waken, d' hoop van 's vuur'gen wensch geniet[219],D' onsterfelijke spijs, het aangenaam verdriet,'t Ontbondene verlof, en overdaads niet achten,De tooverlieden[220], en de zoete minneklachten.De telg verladen[221]van het balsem druppend houtSteeds onder 't nestlen trilt der Liefdekens veelvoud:De schoonheid legt[222]: lust broeit: d' hertstochten, door 't veel tergenDes brands, 't gebroedsel kipt[223]van dees Pygmeesche dwergen:'t Een ligt in 't eiwit nog, en 't ander leeft al vlug:Een ander tot een wieg strekt 's moeders lieve rug:Een ander stoppelhaart: een ander leerling jeugdigVan tak in tak, van hage in hage wispelt vreugdig.'t Een in eens applaars[224]schaaûw zacht dobbedobt en slaat,En van zijn ermen neêr zijn koker hangen laat,Die vuur'ge damp uitbraakt, en op een muschken tederProeft 't ander zijnen boog, die reuzen velt ter neder.Lijmstrikken 't ander spant voor 't sijsken met een zwink,Voor 't zoet kanariken, en voor den snatervink.Ziet, ziet, hoe stille dees, hangvleuglende te bijster,De vog'len noopen gaan: die dwers beschrijdt een lijster:Die vliegen doet een paauw: die een faisant ment fraai:Die noopt een blanke zwaan: die jaagt een papegaai:
"Vermids geen ander liefd' brandt in uw eed'le borste;Ik wil, dat gij bezit, als tot een toegift veil,[142]Gezondheid, rijkdom, eer, en overvloed van heil,Terwijl gij dient dees maagd, in mijnen dienst u bouwe[143]:Oon[144]eersleep mag niet treên zoo welgeboren vrouwe."Als Salomon ontwaakt, hij merkelijken zietDat de gematigdheid[145]van 's lichaams dampen nietVeroorzaakt in zijn geest een droom zoo wonderbaarlijk;Maar 't afgezette beeld van d' hand eens Engels waarlijk:Want zalig hem oon kunst de kunsten staan ter hand,Geleerdheid zonder moeite; een ongemeen verstandZijn doen verguldt; hij vliegt om hoog, en gaat doorzoekenVan 's werelds ingewand de diepte, en donkre hoeken.De raadsels van 't gewijd pampier zijn hem gemeen,En daaglijks zijn gesprake[146]; en zijn diepzinnig breinVan weinig woorden, die de goddelijke veêrenBeschreven, zoude eerlang veel boeken ons stoffeeren.Geleerdlijk[147]hij de zon oon vreeze sterven ziet:De dwalinge onverdwaald der sterren hij bespiedt:Hij weet of 't is nature, of engel, die de rondeMet een drievoude keer doet op één tijd en stonde:Of Febus licht van zijn, de Maan van anders[148]vuur:Of d'herfst de zomer, lent, en winter, koud en stuur,Der zonnen[149]kindren zijn: en van wat rook, zoo verreOm hoog, de locht ontsteekt een langgehaarde sterre:Wat polsen, stijf van dreun, wind telen slinks en krom:Wat vuurge pennen dat de bliksems dragen om:Wat breidel d'oceaan dwingt binnen zijne palen;Of hij gehoorzaamt 't licht met zijn gehoornde stralen;Of 't zweetrig kussen[150]des verliefden hemels frischDer peerlen vader, en der oestren bruigom is:Of 't waar is, dat hij droef de slijmige ons uitzondert,De blinkende als hij lacht, de bleeke teelt als 't dondert:Of 't vochtig element 't grijze Amber teelt gewis,Of datmen 't vette drek zal achten van een visch.Hij weet, waaromme de aarde is vast rond, oon begintsel[151],Des werelds middelpunt, en der naturen bindsel:Hij kan ze meten, en verstaat nog, of hij 't zag,Hoe doch de coloquint met zulken oordeel magUitpikken 't witte vocht in duist're en donkere adren,'t Elleborum het zwart, de Rha het groen vergadren:En of zulks toegaat, in ons zwak en teder lijf,Of halende tot zich, of jagende uit heel stijf.Kortom, der planten kracht hij kent, die, groot en teder,Nature in wezen houdt van d'Hysoop tot den Ceder.Hij weet, waarom de tand des bijtwolfs, droef van aard,'t Peerd groote snelheid geeft, en ook zijn spoor verzwaart:Hoe in een oogenblik hyëna 's teven[152]blaffen,In't nadren met haar schaauw, behend[153]weet af te schaffen:Hoe 't komt dat d'elefant, verhit door 's gramschaps vlam,Getemd wordt, als hem naakt de ruiggevliesde ram;Hoe't komt, dat d'Alderhoogst' vrijt[154]d'adeler voor't slingrenDes bliksems, die hij schiet met gloeyendige vingren;Waarom de zeegans ook haar eyers, groot van schel,Broeit met haer poten uit, heel heet en breed van vel,En zonder tonge schreeuwt, geteugeld aan[155]haar vlerken,Zoo zij naar wensch niet kan de zoute velden merken.Hij weet, of uit een damp ontstaat de keizelsteen,Of uit gekookte slijm; geleerdlijk geeft hij reênOf van 't kwikzilver, of van zwavel de metalenOntstaan, of van een sap gedikt door 's winters dralen,En rein geveegd door d'hitte, of van een aschig vocht,Of dat hij, die 't gewoel der dikke baren wrocht,Het hemels keizerrijk, de bontgespikkelde eerde,Gelijk men ze uittrekt nu, almachtig die[156]formeerde.Hij weet, waarom de deugd des heldren jaspis helptDen bloedenden, en 't bloed behendiglijken stelpt;De safier heelt 't gezicht, de topaas zal bestrijenVrouw Venus; de Amethist dien God, wien 't veil[157]wil vlijen,[158]En hoe 't zich toedraagt, dat jeloers de diamantZich tegen des magneets behende[159]diefstal kant.Getalen, maat, en toon zijn geest weet t' achterhalen,En d'effenmatigheid der lijven met haar talen[160]:En van den Nectar zat, die d'hemel stort altijd,De bij heeft d'honig op zijn lippen geconfijt.Maar hij omhelst geensins des spieglings bloote aanmerkingMet zulken ijver als de nutzame[161]bewerking,Noch draagt het snatren van een weetzucht zoo veel gunst,Noch d'hovaard eens sofists, als deze brave kunstDie vestigt eenen staat, het heilig roer kan vaten[162],En met eenstemmigheid voên hooge en leege staten.Voor al hij 't recht niet krenkt, der wetten kracht hij vergt,En, als d' uitstekendst' van 't hoog Pyreneesch gebergt'[163],Zijn voorhoofd hij verklaart[164], en 't hooft steekt in de lochten,Versmaadt slagregens, 't ijs, de winden, en de tochten:De stormen hij belacht, en braaf[165]worpt bovendienDes donders hovaardij ter neder voor zijn kniên.Oon vlekke draagt hij zich[166], onbuiglijk vonniswijzer,Noch niemands gunst ontrukt zijn vuist het wrekende ijzer,Noch haat en wettet[167]niet; de gunsten hij vertreedtMet zijne voeten; hij 's volks vreeze en tranen kneedt;'s Gouds stralen nimmermeer doen schemeren zijn oogen,Noch vindt zich met een wolk van onkund' niet betogen.Zijn spraak wordt een geheim geacht van minst en meest,En uit 's lands wetten hij scherpzinnig trekt den geest.In zaak van twijfel spitst hij zich op 's dingers[168]perten[169]Omzichtig, en ontleedt der loozer[170]pleiters herten.Van zijn geboortendag geen vijftien oogsten[171]nooit,Verschudden haar perruik, met goud schoon opgetooid,Als hij gelukkig scheidde[172], en wijs'lijk uit kost voeren't Vermaarde pleitgeschil van twee doorslepen hoeren:"Laas, aarde!" de eerste zegt, "is 't mooglijk, dat gebelgdGij, berstende van spijt, niet levendig verzwelgtDit vuil afgrijslijk wijf? Heer koning! is het mooglijk,Dat uitgaande, om bestaan een stuk zoo ongedooglijk,Zij schaamtloos uwen troon derf nadren met bedrog,Niet om kwijtschelding, maar om aan te klagen nog?Die stiefmoer, van de slaap, van spijze en wijn vertreden,Heeft haren zoon versmacht[173], den jongsten nacht geleden,Doen[174], vindend' hem ijskoud oon pols en roering, let,Erglistelijken legt hem fijntjens in mijn bed,Nam 't mijn weêr in de plaatse;—houd daar, o oû slaapbye[175]!O meer als eerlooz'! houd, ô zaad van bastardye!Uw prije[176]neemt; houd daar! en geeft mij mijn gerief,Mijn hoop, mijn tijdverdrijf, mijn herteken, mijn lief!O bitter avontuur! o zeldzaam kerkendiefte[177]!Dit klein fraai Engelken gij kussen naar beliefte!Hij zoetert lachen om uw staamlende gebaar,En zich verwerren in uw vuil, uw luizig haar!Dit poppeken de vreugd doen in uw ziel oprijzen,En, groot geworden, uw wanschapen oudheid[178]spijzen:Maar ik, och arm'! helaas! heb voor mijn lot alleenDen last van 't zwanger gaan, en 's barens herde weên,Het schudden van zijn wieg, van 's waters musk[179]de luchten,En van zijn kinds-geschrei de moeilijke geruchten.[180]O, onder sterflijke' ik de ellendigste in 't verdriet!O kinderlooze moêr! ach, dat uw handen nietZijn met een mes voorzien, als 't hert met razernijen!Neen, eer ik zal dien smaad zoo wederweerdig lijen,Wil ik dees teve doôn, en fellijk eer bestaan,Haar boezem woênde met mijn hand te randen aan."Dus antwoord de ander: "ha, wolvin! ha, heetst' der teven!He! wie geloofde ooit, dat een boosheid zoo doordrevenDen wijn verzelde: indien Gods ooge u niet vervaart,Vreest 's Konings wakkre geest nog[181], die zijn plaats bewaart.'t Vernoegt u niet dat gij mij aantijgt, door uw boosheid,Doortraptheid, dronkenschap, moord, meineed, en eerloosheid,Gij wilt mij, maar vergeefs, ontnemen nog mijn kind:Neen, al te vast hem liefde in 's moeders ermen bindtHij rooft mij 't leven, die mij rooft mijn kind goedaardig.Gerechten Davids zoon! die zijt als hij rechtvaardig,Ik bidde, dat uit gunst des gunsts, die hij u eerBewees, doen hij weêr kinds, met toegeneigd gebeer[182],Uw tranen stilde, en met zijn tonge, uit groot begeeren,Van jongs op u de spraak ging leeren fatzoeneeren:Of als, bebloed en warm en kuchende en begaan,Hij keerde met den roof der koningen verlaân[183],U in zijn beuk'laar wiegde, u vrund'lijk liep omermen,En schreyend hief u op zijn schouder met zijn ermen:Gij greept zijn baard en loegt[184], als gij zaagt lachen stoutEen ander Salomon, in 't helder vlammend goudVan 't vaderlijk helmet, en bootste honderd lachjensTer zijden 't pluimdonst[185]van zijn witte reigerschachtjens:En, met de baren van een pluim bedekt, gij doenEen vogel scheent, die in een hage zingt in 't groen:O, ik bezweere u, bij den naam des hoogberomdeBathseba, die des nachts haar duizendmalen kromdeKoud over uwe wieg, en eer gij d'uchtend kreegt[186],Haar tepel van wit bloed had honderdmaal geleêgd;Die met 't bepeerlde goud[187]uw hoofd ging overwelven,En leefd' zorgvuldig meer bij u als bij haar zelven:O groote Koning! ik bezweer u, bij al 't gunt[188]Hier 't heiligst' wordt geschat, dat gij mij recht vergunt:Dat, zoo uw goedheid, laas! te hinderlijk mijn zake,Van mijn ontfangen leed vergunnen wil geen wrake,Ten minste neemt mij niet 't geen mij natuur met smertGaf buiten uwe jonst: ontrukt mij niet mijn hert:Ontvreemt, met oorlof, mij mijn bloed niet; daarbenevenMaakt ons niet kinderloos, gedurende's kindsleven!"Terwijl met roepen zij 't den Koning maken moê"Mijn is het kind!" "'t is mijn!" "gij liegt, 't behoort mij toe!"Het volk reeds half geschift is: d'een, naar 's herten oordeelDees vrouw draagt, d'ander wijst het ander wijf te voordeel.Gelijk twee tuisschers[189]op een speelberd, op goê hoop,Kasteelen, wijngaards, land vertrouwen 's teerlings loop:Een strijdige begeerte ontroert al de ommestandren,D'een d'eene gunstig is, en d'ander draagt den andren,En elk, door vreeze en hoop gedreven, na als voor,Ontstelt 't bewegen van 't bedriegelijk yvoor[190].De koning dut[191]alleen, en zijn wijze ooren hoordenGeen ongelijkheid in gehuil, geklag, en woorden.'s Kinds aanzicht aangemerkt, 't en teekent noch 't en wroegt[192]De een meer als de ander niet: noch 's rechters geest vernoegdWordt, zoo men overslaat haar jaren vergeleken;Duttende[193], vindt hij zich van waartuig[194]ook versteken,Daarna spreekt hij aldus: "maar, 't schijnt, een droomenpraat;Als rechters vlijtigheid alle onderzoek ontstaat[195],Moet iet aanmerk'lijks, uit naturens schoot behendlijkGeput, zijn toevlucht zijn, of zich[196]behelpen endlijkMet 's pijnbanks strengigheid: nu 't moederlijk gemoedEen vast gezet[197]is van nature mild en goed,En nimmermeer natuur haar strenger stelt ten tooneDan in 't geen lijdende is een moeder in haar zone!"Daar op gelijk ontwaakt: "tsa! zegt hij, 't zweerd gewet!Tsa, dat u 't kind nu toegedeeld werd'[198]juist en net!'t Recht en meêdoogendheid verplaatst laat elders zwerven,De billijkheid niet duldt dat een 't zal heel be-erven."O herd geschil! daar ziet de rechter, in 't besluit[199],Haars herten heimlijkheên elk kenbaar breken uit:'t Momaanzicht is gelicht: haar tonge, flaauw van krachten,Met een oprechte wensch geeft antwoord hun gedachten.De valsche moeder zegt: "'t geschiede, ik wil 't, houd daar!Rechtveerdig deelt 't gebeent', zijn naglen, en zijn haar.""Och deelet[200]niet! ik geef," zegt de ander, "u te voren,Mijn recht, vervloekte vrouw! daar, neem mijn uitverkorenKlein kind in uw bezit; nog liever ik 't voor dijHoud levende en geheel, als dood ontleed voor mij."De koning zegt: "'t hoort u, die 't barend' hebt verkregen,'t Hoort u toe, door mijn recht en 't moederlijk bewegen[201]."Gelijk een zelve mijn nu voortbrengt, met het goud,Veel goed chrysocolon en zilver menigvoud,Eens rijkdoms rijke schat, een ongelooflijke eereVerzelt van Davids zoon de wijsheid meer en meere:Te water hij gebiedt, hij heerscht te lande ontzien,Wel honderd kroonen fluks zijn tulband manschap biên;Sidon, de zee des Nijls naast aan zijn grenzen palen,Voor hem de vochte Eufraat zijn hoornen leeg laat dalen;Peru in zijn trezoor vloeit rijklijk, zoo men zeît[202].Te Sion 't goud als zand gemeen voor elk een leît,De peerle als keizelsteen; en heel Judeê in vredenAlsins vloeit in een zee, zoo 't schijnt, van zaligheden.Elk zonder afgunst leest[203], en zonder krijgsgerucht,Zijns wijnstoks trossen en zijns vijgbooms zoete vrucht.Hij overvloeit van als[204], niet op dat hij naar wenscheVan mensch worde een vuil zwijn, maar Engel van een mensche,D' onsterflijke tot lof, die, daar hij hier nog leeft,Van 't hemelsche vermaak hem reede een voorsmaak geeft.'t Welriekende gerucht van 's konings heerlijkheden,Rijkdom, schoontaligheid zich gaat alom verspreeden.De Tyriêrs willig hem als bondgenoot ontvaân.Zijn zoonschap Faro zoekt; de nabuur bidt hem aanNiet min als d' onderzaat, en 't vuur zijns oogs met ijleOntsteekt der jonffren[205]bloem op de oevren van den Nijle.Wat maakty, Salomon? och armen! ziet uw geestNiet, dat dees bruiloft u een strik is en geen feest?Een hymen, geschakeerd van ongelijke willen,En voor 't onsterflijk zaad[206]recht doodlijke geschillen:Dat d' os en d' ezel, in een zelve juk gepaard,Niet voeglijk ploegen om de korendragend' aard'.Wie met een heidensch bloed zich echtlijk gaat verzellen,Doet eêbreuk[207]voor den Heer; 't geloof wil altijd hellen[208],'t Vereischt een hulpe, en geen bekoorster meer om haar[209]Van 't eerste werktuig van den ouden Logenaar,Noch gift dat dood'lijk in uw bed ligt, heet van minne,En d' ongodvruchtigheid u blaast ten lippen inne.Groot koning! die gij van den vloed des Nijls ontleent,Geen vleesch is van uw vleesch, geen been van uw gebeent'.'t Is een uitheemsch gebeente, een ribb' van woeste onvrije,Een lid geheel verrot van Faro's lazerije[210].Maar, zuldy zeggen, hoe? alreê de schoone bruidVan d' afgodischen Nijl 't bevlekt gewaad trok uit,In 't wit haar cieren gaat, d' onnoozelheid omgorden,En door 't geloove is nu Abrahams zaad geworden.Zulks stemmen wij licht toe, en d' heil'ge schoonheids cier,Waar van zij 't beelde draagt, mij lichtelijken hierDoet hellen aan[211]die kant: maar ducht ik, of verslimde[212]Haar eersleep al uw hof, dat God op u vergrimde,D' Onsterflijke, die niet wil dulden, dat men slinksGaat mengen Izaks bloed met 't bloed eens vreemdelings.Recht onder d' Evenaar de aanminnige natureBesprengt een aardig bosch, dit boomgroent t' aller ure,Daar, door het gantsche jaar, de Mei in 't groene staat,Die met zijn verwe alom 't schoon veld tapijten[213]gaat.De aard' lacht hier overal, en, hoe men meer wil buigenDe bloemen, schoon gesternt, te meer zij levend' juichen.'t Groeit hier al zonder moeite, of is 't door arbeids pijn,De zoete Zefier zal alleen de bouwheer zijn.De Zuidwind botster[214]niet, en d' hagel, na lang dreigen,'t Onsterflijk woud niet snoeit; de rechte palm in 't neigenKust vrundelijk zijn bruid; de planeboom aldaarAl schuifelende vrijt zijn weêrgâ 't gantsche jaar.De popelier aanbiedt zijn dienst den popelieren.De kromme olm wordt omhelsd van d' wijngaard goedertieren.'t Veil kleeft aan d' eiken dicht, en 't groeit en 't leeft er al,En 't wordt er al geteeld vrouw Cypris[215]te geval.De waan poortwachterse[216]is, en hoedt met groote stoutheidDe poort voor gierigheid, zorge, en verstorven oudheid[217],Zooze op 't gebloeid poortaal van 't groenend' huis niet heen[218]Uit achteloosheid werpt[218]het paksken van de reên:Doch wel onthaalt z' hierin de bloode stoutigheden,Schoontaligheids gebaar, de vleyende gebeden,De gramschap haast gebluscht, de tranen haast weêr droog,Behende dieverij, 't vertwijf'len, 't lachende oog,De slappe ledigheid, de wellust in haar bloeyen,Wien d' heilge Nectar men welriekend' ziet ontvloeyen,'t Gerâbraakt waken, d' hoop van 's vuur'gen wensch geniet[219],D' onsterfelijke spijs, het aangenaam verdriet,'t Ontbondene verlof, en overdaads niet achten,De tooverlieden[220], en de zoete minneklachten.De telg verladen[221]van het balsem druppend houtSteeds onder 't nestlen trilt der Liefdekens veelvoud:De schoonheid legt[222]: lust broeit: d' hertstochten, door 't veel tergenDes brands, 't gebroedsel kipt[223]van dees Pygmeesche dwergen:'t Een ligt in 't eiwit nog, en 't ander leeft al vlug:Een ander tot een wieg strekt 's moeders lieve rug:Een ander stoppelhaart: een ander leerling jeugdigVan tak in tak, van hage in hage wispelt vreugdig.'t Een in eens applaars[224]schaaûw zacht dobbedobt en slaat,En van zijn ermen neêr zijn koker hangen laat,Die vuur'ge damp uitbraakt, en op een muschken tederProeft 't ander zijnen boog, die reuzen velt ter neder.Lijmstrikken 't ander spant voor 't sijsken met een zwink,Voor 't zoet kanariken, en voor den snatervink.Ziet, ziet, hoe stille dees, hangvleuglende te bijster,De vog'len noopen gaan: die dwers beschrijdt een lijster:Die vliegen doet een paauw: die een faisant ment fraai:Die noopt een blanke zwaan: die jaagt een papegaai:
"Vermids geen ander liefd' brandt in uw eed'le borste;Ik wil, dat gij bezit, als tot een toegift veil,[142]Gezondheid, rijkdom, eer, en overvloed van heil,Terwijl gij dient dees maagd, in mijnen dienst u bouwe[143]:Oon[144]eersleep mag niet treên zoo welgeboren vrouwe."Als Salomon ontwaakt, hij merkelijken zietDat de gematigdheid[145]van 's lichaams dampen nietVeroorzaakt in zijn geest een droom zoo wonderbaarlijk;Maar 't afgezette beeld van d' hand eens Engels waarlijk:Want zalig hem oon kunst de kunsten staan ter hand,Geleerdheid zonder moeite; een ongemeen verstandZijn doen verguldt; hij vliegt om hoog, en gaat doorzoekenVan 's werelds ingewand de diepte, en donkre hoeken.De raadsels van 't gewijd pampier zijn hem gemeen,En daaglijks zijn gesprake[146]; en zijn diepzinnig breinVan weinig woorden, die de goddelijke veêrenBeschreven, zoude eerlang veel boeken ons stoffeeren.Geleerdlijk[147]hij de zon oon vreeze sterven ziet:De dwalinge onverdwaald der sterren hij bespiedt:Hij weet of 't is nature, of engel, die de rondeMet een drievoude keer doet op één tijd en stonde:Of Febus licht van zijn, de Maan van anders[148]vuur:Of d'herfst de zomer, lent, en winter, koud en stuur,Der zonnen[149]kindren zijn: en van wat rook, zoo verreOm hoog, de locht ontsteekt een langgehaarde sterre:Wat polsen, stijf van dreun, wind telen slinks en krom:Wat vuurge pennen dat de bliksems dragen om:Wat breidel d'oceaan dwingt binnen zijne palen;Of hij gehoorzaamt 't licht met zijn gehoornde stralen;Of 't zweetrig kussen[150]des verliefden hemels frischDer peerlen vader, en der oestren bruigom is:Of 't waar is, dat hij droef de slijmige ons uitzondert,De blinkende als hij lacht, de bleeke teelt als 't dondert:Of 't vochtig element 't grijze Amber teelt gewis,Of datmen 't vette drek zal achten van een visch.Hij weet, waaromme de aarde is vast rond, oon begintsel[151],Des werelds middelpunt, en der naturen bindsel:Hij kan ze meten, en verstaat nog, of hij 't zag,Hoe doch de coloquint met zulken oordeel magUitpikken 't witte vocht in duist're en donkere adren,'t Elleborum het zwart, de Rha het groen vergadren:En of zulks toegaat, in ons zwak en teder lijf,Of halende tot zich, of jagende uit heel stijf.Kortom, der planten kracht hij kent, die, groot en teder,Nature in wezen houdt van d'Hysoop tot den Ceder.Hij weet, waarom de tand des bijtwolfs, droef van aard,'t Peerd groote snelheid geeft, en ook zijn spoor verzwaart:Hoe in een oogenblik hyëna 's teven[152]blaffen,In't nadren met haar schaauw, behend[153]weet af te schaffen:Hoe 't komt dat d'elefant, verhit door 's gramschaps vlam,Getemd wordt, als hem naakt de ruiggevliesde ram;Hoe't komt, dat d'Alderhoogst' vrijt[154]d'adeler voor't slingrenDes bliksems, die hij schiet met gloeyendige vingren;Waarom de zeegans ook haar eyers, groot van schel,Broeit met haer poten uit, heel heet en breed van vel,En zonder tonge schreeuwt, geteugeld aan[155]haar vlerken,Zoo zij naar wensch niet kan de zoute velden merken.Hij weet, of uit een damp ontstaat de keizelsteen,Of uit gekookte slijm; geleerdlijk geeft hij reênOf van 't kwikzilver, of van zwavel de metalenOntstaan, of van een sap gedikt door 's winters dralen,En rein geveegd door d'hitte, of van een aschig vocht,Of dat hij, die 't gewoel der dikke baren wrocht,Het hemels keizerrijk, de bontgespikkelde eerde,Gelijk men ze uittrekt nu, almachtig die[156]formeerde.Hij weet, waarom de deugd des heldren jaspis helptDen bloedenden, en 't bloed behendiglijken stelpt;De safier heelt 't gezicht, de topaas zal bestrijenVrouw Venus; de Amethist dien God, wien 't veil[157]wil vlijen,[158]En hoe 't zich toedraagt, dat jeloers de diamantZich tegen des magneets behende[159]diefstal kant.Getalen, maat, en toon zijn geest weet t' achterhalen,En d'effenmatigheid der lijven met haar talen[160]:En van den Nectar zat, die d'hemel stort altijd,De bij heeft d'honig op zijn lippen geconfijt.Maar hij omhelst geensins des spieglings bloote aanmerkingMet zulken ijver als de nutzame[161]bewerking,Noch draagt het snatren van een weetzucht zoo veel gunst,Noch d'hovaard eens sofists, als deze brave kunstDie vestigt eenen staat, het heilig roer kan vaten[162],En met eenstemmigheid voên hooge en leege staten.Voor al hij 't recht niet krenkt, der wetten kracht hij vergt,En, als d' uitstekendst' van 't hoog Pyreneesch gebergt'[163],Zijn voorhoofd hij verklaart[164], en 't hooft steekt in de lochten,Versmaadt slagregens, 't ijs, de winden, en de tochten:De stormen hij belacht, en braaf[165]worpt bovendienDes donders hovaardij ter neder voor zijn kniên.Oon vlekke draagt hij zich[166], onbuiglijk vonniswijzer,Noch niemands gunst ontrukt zijn vuist het wrekende ijzer,Noch haat en wettet[167]niet; de gunsten hij vertreedtMet zijne voeten; hij 's volks vreeze en tranen kneedt;'s Gouds stralen nimmermeer doen schemeren zijn oogen,Noch vindt zich met een wolk van onkund' niet betogen.Zijn spraak wordt een geheim geacht van minst en meest,En uit 's lands wetten hij scherpzinnig trekt den geest.In zaak van twijfel spitst hij zich op 's dingers[168]perten[169]Omzichtig, en ontleedt der loozer[170]pleiters herten.Van zijn geboortendag geen vijftien oogsten[171]nooit,Verschudden haar perruik, met goud schoon opgetooid,Als hij gelukkig scheidde[172], en wijs'lijk uit kost voeren't Vermaarde pleitgeschil van twee doorslepen hoeren:"Laas, aarde!" de eerste zegt, "is 't mooglijk, dat gebelgdGij, berstende van spijt, niet levendig verzwelgtDit vuil afgrijslijk wijf? Heer koning! is het mooglijk,Dat uitgaande, om bestaan een stuk zoo ongedooglijk,Zij schaamtloos uwen troon derf nadren met bedrog,Niet om kwijtschelding, maar om aan te klagen nog?Die stiefmoer, van de slaap, van spijze en wijn vertreden,Heeft haren zoon versmacht[173], den jongsten nacht geleden,Doen[174], vindend' hem ijskoud oon pols en roering, let,Erglistelijken legt hem fijntjens in mijn bed,Nam 't mijn weêr in de plaatse;—houd daar, o oû slaapbye[175]!O meer als eerlooz'! houd, ô zaad van bastardye!Uw prije[176]neemt; houd daar! en geeft mij mijn gerief,Mijn hoop, mijn tijdverdrijf, mijn herteken, mijn lief!O bitter avontuur! o zeldzaam kerkendiefte[177]!Dit klein fraai Engelken gij kussen naar beliefte!Hij zoetert lachen om uw staamlende gebaar,En zich verwerren in uw vuil, uw luizig haar!Dit poppeken de vreugd doen in uw ziel oprijzen,En, groot geworden, uw wanschapen oudheid[178]spijzen:Maar ik, och arm'! helaas! heb voor mijn lot alleenDen last van 't zwanger gaan, en 's barens herde weên,Het schudden van zijn wieg, van 's waters musk[179]de luchten,En van zijn kinds-geschrei de moeilijke geruchten.[180]O, onder sterflijke' ik de ellendigste in 't verdriet!O kinderlooze moêr! ach, dat uw handen nietZijn met een mes voorzien, als 't hert met razernijen!Neen, eer ik zal dien smaad zoo wederweerdig lijen,Wil ik dees teve doôn, en fellijk eer bestaan,Haar boezem woênde met mijn hand te randen aan."Dus antwoord de ander: "ha, wolvin! ha, heetst' der teven!He! wie geloofde ooit, dat een boosheid zoo doordrevenDen wijn verzelde: indien Gods ooge u niet vervaart,Vreest 's Konings wakkre geest nog[181], die zijn plaats bewaart.'t Vernoegt u niet dat gij mij aantijgt, door uw boosheid,Doortraptheid, dronkenschap, moord, meineed, en eerloosheid,Gij wilt mij, maar vergeefs, ontnemen nog mijn kind:Neen, al te vast hem liefde in 's moeders ermen bindtHij rooft mij 't leven, die mij rooft mijn kind goedaardig.Gerechten Davids zoon! die zijt als hij rechtvaardig,Ik bidde, dat uit gunst des gunsts, die hij u eerBewees, doen hij weêr kinds, met toegeneigd gebeer[182],Uw tranen stilde, en met zijn tonge, uit groot begeeren,Van jongs op u de spraak ging leeren fatzoeneeren:Of als, bebloed en warm en kuchende en begaan,Hij keerde met den roof der koningen verlaân[183],U in zijn beuk'laar wiegde, u vrund'lijk liep omermen,En schreyend hief u op zijn schouder met zijn ermen:Gij greept zijn baard en loegt[184], als gij zaagt lachen stoutEen ander Salomon, in 't helder vlammend goudVan 't vaderlijk helmet, en bootste honderd lachjensTer zijden 't pluimdonst[185]van zijn witte reigerschachtjens:En, met de baren van een pluim bedekt, gij doenEen vogel scheent, die in een hage zingt in 't groen:O, ik bezweere u, bij den naam des hoogberomdeBathseba, die des nachts haar duizendmalen kromdeKoud over uwe wieg, en eer gij d'uchtend kreegt[186],Haar tepel van wit bloed had honderdmaal geleêgd;Die met 't bepeerlde goud[187]uw hoofd ging overwelven,En leefd' zorgvuldig meer bij u als bij haar zelven:O groote Koning! ik bezweer u, bij al 't gunt[188]Hier 't heiligst' wordt geschat, dat gij mij recht vergunt:Dat, zoo uw goedheid, laas! te hinderlijk mijn zake,Van mijn ontfangen leed vergunnen wil geen wrake,Ten minste neemt mij niet 't geen mij natuur met smertGaf buiten uwe jonst: ontrukt mij niet mijn hert:Ontvreemt, met oorlof, mij mijn bloed niet; daarbenevenMaakt ons niet kinderloos, gedurende's kindsleven!"Terwijl met roepen zij 't den Koning maken moê"Mijn is het kind!" "'t is mijn!" "gij liegt, 't behoort mij toe!"Het volk reeds half geschift is: d'een, naar 's herten oordeelDees vrouw draagt, d'ander wijst het ander wijf te voordeel.Gelijk twee tuisschers[189]op een speelberd, op goê hoop,Kasteelen, wijngaards, land vertrouwen 's teerlings loop:Een strijdige begeerte ontroert al de ommestandren,D'een d'eene gunstig is, en d'ander draagt den andren,En elk, door vreeze en hoop gedreven, na als voor,Ontstelt 't bewegen van 't bedriegelijk yvoor[190].De koning dut[191]alleen, en zijn wijze ooren hoordenGeen ongelijkheid in gehuil, geklag, en woorden.'s Kinds aanzicht aangemerkt, 't en teekent noch 't en wroegt[192]De een meer als de ander niet: noch 's rechters geest vernoegdWordt, zoo men overslaat haar jaren vergeleken;Duttende[193], vindt hij zich van waartuig[194]ook versteken,Daarna spreekt hij aldus: "maar, 't schijnt, een droomenpraat;Als rechters vlijtigheid alle onderzoek ontstaat[195],Moet iet aanmerk'lijks, uit naturens schoot behendlijkGeput, zijn toevlucht zijn, of zich[196]behelpen endlijkMet 's pijnbanks strengigheid: nu 't moederlijk gemoedEen vast gezet[197]is van nature mild en goed,En nimmermeer natuur haar strenger stelt ten tooneDan in 't geen lijdende is een moeder in haar zone!"Daar op gelijk ontwaakt: "tsa! zegt hij, 't zweerd gewet!Tsa, dat u 't kind nu toegedeeld werd'[198]juist en net!'t Recht en meêdoogendheid verplaatst laat elders zwerven,De billijkheid niet duldt dat een 't zal heel be-erven."O herd geschil! daar ziet de rechter, in 't besluit[199],Haars herten heimlijkheên elk kenbaar breken uit:'t Momaanzicht is gelicht: haar tonge, flaauw van krachten,Met een oprechte wensch geeft antwoord hun gedachten.De valsche moeder zegt: "'t geschiede, ik wil 't, houd daar!Rechtveerdig deelt 't gebeent', zijn naglen, en zijn haar.""Och deelet[200]niet! ik geef," zegt de ander, "u te voren,Mijn recht, vervloekte vrouw! daar, neem mijn uitverkorenKlein kind in uw bezit; nog liever ik 't voor dijHoud levende en geheel, als dood ontleed voor mij."De koning zegt: "'t hoort u, die 't barend' hebt verkregen,'t Hoort u toe, door mijn recht en 't moederlijk bewegen[201]."Gelijk een zelve mijn nu voortbrengt, met het goud,Veel goed chrysocolon en zilver menigvoud,Eens rijkdoms rijke schat, een ongelooflijke eereVerzelt van Davids zoon de wijsheid meer en meere:Te water hij gebiedt, hij heerscht te lande ontzien,Wel honderd kroonen fluks zijn tulband manschap biên;Sidon, de zee des Nijls naast aan zijn grenzen palen,Voor hem de vochte Eufraat zijn hoornen leeg laat dalen;Peru in zijn trezoor vloeit rijklijk, zoo men zeît[202].Te Sion 't goud als zand gemeen voor elk een leît,De peerle als keizelsteen; en heel Judeê in vredenAlsins vloeit in een zee, zoo 't schijnt, van zaligheden.Elk zonder afgunst leest[203], en zonder krijgsgerucht,Zijns wijnstoks trossen en zijns vijgbooms zoete vrucht.Hij overvloeit van als[204], niet op dat hij naar wenscheVan mensch worde een vuil zwijn, maar Engel van een mensche,D' onsterflijke tot lof, die, daar hij hier nog leeft,Van 't hemelsche vermaak hem reede een voorsmaak geeft.'t Welriekende gerucht van 's konings heerlijkheden,Rijkdom, schoontaligheid zich gaat alom verspreeden.De Tyriêrs willig hem als bondgenoot ontvaân.Zijn zoonschap Faro zoekt; de nabuur bidt hem aanNiet min als d' onderzaat, en 't vuur zijns oogs met ijleOntsteekt der jonffren[205]bloem op de oevren van den Nijle.Wat maakty, Salomon? och armen! ziet uw geestNiet, dat dees bruiloft u een strik is en geen feest?Een hymen, geschakeerd van ongelijke willen,En voor 't onsterflijk zaad[206]recht doodlijke geschillen:Dat d' os en d' ezel, in een zelve juk gepaard,Niet voeglijk ploegen om de korendragend' aard'.Wie met een heidensch bloed zich echtlijk gaat verzellen,Doet eêbreuk[207]voor den Heer; 't geloof wil altijd hellen[208],'t Vereischt een hulpe, en geen bekoorster meer om haar[209]Van 't eerste werktuig van den ouden Logenaar,Noch gift dat dood'lijk in uw bed ligt, heet van minne,En d' ongodvruchtigheid u blaast ten lippen inne.Groot koning! die gij van den vloed des Nijls ontleent,Geen vleesch is van uw vleesch, geen been van uw gebeent'.'t Is een uitheemsch gebeente, een ribb' van woeste onvrije,Een lid geheel verrot van Faro's lazerije[210].Maar, zuldy zeggen, hoe? alreê de schoone bruidVan d' afgodischen Nijl 't bevlekt gewaad trok uit,In 't wit haar cieren gaat, d' onnoozelheid omgorden,En door 't geloove is nu Abrahams zaad geworden.Zulks stemmen wij licht toe, en d' heil'ge schoonheids cier,Waar van zij 't beelde draagt, mij lichtelijken hierDoet hellen aan[211]die kant: maar ducht ik, of verslimde[212]Haar eersleep al uw hof, dat God op u vergrimde,D' Onsterflijke, die niet wil dulden, dat men slinksGaat mengen Izaks bloed met 't bloed eens vreemdelings.Recht onder d' Evenaar de aanminnige natureBesprengt een aardig bosch, dit boomgroent t' aller ure,Daar, door het gantsche jaar, de Mei in 't groene staat,Die met zijn verwe alom 't schoon veld tapijten[213]gaat.De aard' lacht hier overal, en, hoe men meer wil buigenDe bloemen, schoon gesternt, te meer zij levend' juichen.'t Groeit hier al zonder moeite, of is 't door arbeids pijn,De zoete Zefier zal alleen de bouwheer zijn.De Zuidwind botster[214]niet, en d' hagel, na lang dreigen,'t Onsterflijk woud niet snoeit; de rechte palm in 't neigenKust vrundelijk zijn bruid; de planeboom aldaarAl schuifelende vrijt zijn weêrgâ 't gantsche jaar.De popelier aanbiedt zijn dienst den popelieren.De kromme olm wordt omhelsd van d' wijngaard goedertieren.'t Veil kleeft aan d' eiken dicht, en 't groeit en 't leeft er al,En 't wordt er al geteeld vrouw Cypris[215]te geval.De waan poortwachterse[216]is, en hoedt met groote stoutheidDe poort voor gierigheid, zorge, en verstorven oudheid[217],Zooze op 't gebloeid poortaal van 't groenend' huis niet heen[218]Uit achteloosheid werpt[218]het paksken van de reên:Doch wel onthaalt z' hierin de bloode stoutigheden,Schoontaligheids gebaar, de vleyende gebeden,De gramschap haast gebluscht, de tranen haast weêr droog,Behende dieverij, 't vertwijf'len, 't lachende oog,De slappe ledigheid, de wellust in haar bloeyen,Wien d' heilge Nectar men welriekend' ziet ontvloeyen,'t Gerâbraakt waken, d' hoop van 's vuur'gen wensch geniet[219],D' onsterfelijke spijs, het aangenaam verdriet,'t Ontbondene verlof, en overdaads niet achten,De tooverlieden[220], en de zoete minneklachten.De telg verladen[221]van het balsem druppend houtSteeds onder 't nestlen trilt der Liefdekens veelvoud:De schoonheid legt[222]: lust broeit: d' hertstochten, door 't veel tergenDes brands, 't gebroedsel kipt[223]van dees Pygmeesche dwergen:'t Een ligt in 't eiwit nog, en 't ander leeft al vlug:Een ander tot een wieg strekt 's moeders lieve rug:Een ander stoppelhaart: een ander leerling jeugdigVan tak in tak, van hage in hage wispelt vreugdig.'t Een in eens applaars[224]schaaûw zacht dobbedobt en slaat,En van zijn ermen neêr zijn koker hangen laat,Die vuur'ge damp uitbraakt, en op een muschken tederProeft 't ander zijnen boog, die reuzen velt ter neder.Lijmstrikken 't ander spant voor 't sijsken met een zwink,Voor 't zoet kanariken, en voor den snatervink.Ziet, ziet, hoe stille dees, hangvleuglende te bijster,De vog'len noopen gaan: die dwers beschrijdt een lijster:Die vliegen doet een paauw: die een faisant ment fraai:Die noopt een blanke zwaan: die jaagt een papegaai:
"Vermids geen ander liefd' brandt in uw eed'le borste;Ik wil, dat gij bezit, als tot een toegift veil,[142]Gezondheid, rijkdom, eer, en overvloed van heil,Terwijl gij dient dees maagd, in mijnen dienst u bouwe[143]:Oon[144]eersleep mag niet treên zoo welgeboren vrouwe."Als Salomon ontwaakt, hij merkelijken zietDat de gematigdheid[145]van 's lichaams dampen nietVeroorzaakt in zijn geest een droom zoo wonderbaarlijk;Maar 't afgezette beeld van d' hand eens Engels waarlijk:Want zalig hem oon kunst de kunsten staan ter hand,Geleerdheid zonder moeite; een ongemeen verstandZijn doen verguldt; hij vliegt om hoog, en gaat doorzoekenVan 's werelds ingewand de diepte, en donkre hoeken.De raadsels van 't gewijd pampier zijn hem gemeen,En daaglijks zijn gesprake[146]; en zijn diepzinnig breinVan weinig woorden, die de goddelijke veêrenBeschreven, zoude eerlang veel boeken ons stoffeeren.Geleerdlijk[147]hij de zon oon vreeze sterven ziet:De dwalinge onverdwaald der sterren hij bespiedt:Hij weet of 't is nature, of engel, die de rondeMet een drievoude keer doet op één tijd en stonde:Of Febus licht van zijn, de Maan van anders[148]vuur:Of d'herfst de zomer, lent, en winter, koud en stuur,Der zonnen[149]kindren zijn: en van wat rook, zoo verreOm hoog, de locht ontsteekt een langgehaarde sterre:Wat polsen, stijf van dreun, wind telen slinks en krom:Wat vuurge pennen dat de bliksems dragen om:Wat breidel d'oceaan dwingt binnen zijne palen;Of hij gehoorzaamt 't licht met zijn gehoornde stralen;Of 't zweetrig kussen[150]des verliefden hemels frischDer peerlen vader, en der oestren bruigom is:Of 't waar is, dat hij droef de slijmige ons uitzondert,De blinkende als hij lacht, de bleeke teelt als 't dondert:Of 't vochtig element 't grijze Amber teelt gewis,Of datmen 't vette drek zal achten van een visch.Hij weet, waaromme de aarde is vast rond, oon begintsel[151],Des werelds middelpunt, en der naturen bindsel:Hij kan ze meten, en verstaat nog, of hij 't zag,Hoe doch de coloquint met zulken oordeel magUitpikken 't witte vocht in duist're en donkere adren,'t Elleborum het zwart, de Rha het groen vergadren:En of zulks toegaat, in ons zwak en teder lijf,Of halende tot zich, of jagende uit heel stijf.Kortom, der planten kracht hij kent, die, groot en teder,Nature in wezen houdt van d'Hysoop tot den Ceder.Hij weet, waarom de tand des bijtwolfs, droef van aard,'t Peerd groote snelheid geeft, en ook zijn spoor verzwaart:Hoe in een oogenblik hyëna 's teven[152]blaffen,In't nadren met haar schaauw, behend[153]weet af te schaffen:Hoe 't komt dat d'elefant, verhit door 's gramschaps vlam,Getemd wordt, als hem naakt de ruiggevliesde ram;Hoe't komt, dat d'Alderhoogst' vrijt[154]d'adeler voor't slingrenDes bliksems, die hij schiet met gloeyendige vingren;Waarom de zeegans ook haar eyers, groot van schel,Broeit met haer poten uit, heel heet en breed van vel,En zonder tonge schreeuwt, geteugeld aan[155]haar vlerken,Zoo zij naar wensch niet kan de zoute velden merken.Hij weet, of uit een damp ontstaat de keizelsteen,Of uit gekookte slijm; geleerdlijk geeft hij reênOf van 't kwikzilver, of van zwavel de metalenOntstaan, of van een sap gedikt door 's winters dralen,En rein geveegd door d'hitte, of van een aschig vocht,Of dat hij, die 't gewoel der dikke baren wrocht,Het hemels keizerrijk, de bontgespikkelde eerde,Gelijk men ze uittrekt nu, almachtig die[156]formeerde.Hij weet, waarom de deugd des heldren jaspis helptDen bloedenden, en 't bloed behendiglijken stelpt;De safier heelt 't gezicht, de topaas zal bestrijenVrouw Venus; de Amethist dien God, wien 't veil[157]wil vlijen,[158]En hoe 't zich toedraagt, dat jeloers de diamantZich tegen des magneets behende[159]diefstal kant.Getalen, maat, en toon zijn geest weet t' achterhalen,En d'effenmatigheid der lijven met haar talen[160]:En van den Nectar zat, die d'hemel stort altijd,De bij heeft d'honig op zijn lippen geconfijt.Maar hij omhelst geensins des spieglings bloote aanmerkingMet zulken ijver als de nutzame[161]bewerking,Noch draagt het snatren van een weetzucht zoo veel gunst,Noch d'hovaard eens sofists, als deze brave kunstDie vestigt eenen staat, het heilig roer kan vaten[162],En met eenstemmigheid voên hooge en leege staten.Voor al hij 't recht niet krenkt, der wetten kracht hij vergt,En, als d' uitstekendst' van 't hoog Pyreneesch gebergt'[163],Zijn voorhoofd hij verklaart[164], en 't hooft steekt in de lochten,Versmaadt slagregens, 't ijs, de winden, en de tochten:De stormen hij belacht, en braaf[165]worpt bovendienDes donders hovaardij ter neder voor zijn kniên.Oon vlekke draagt hij zich[166], onbuiglijk vonniswijzer,Noch niemands gunst ontrukt zijn vuist het wrekende ijzer,Noch haat en wettet[167]niet; de gunsten hij vertreedtMet zijne voeten; hij 's volks vreeze en tranen kneedt;'s Gouds stralen nimmermeer doen schemeren zijn oogen,Noch vindt zich met een wolk van onkund' niet betogen.Zijn spraak wordt een geheim geacht van minst en meest,En uit 's lands wetten hij scherpzinnig trekt den geest.In zaak van twijfel spitst hij zich op 's dingers[168]perten[169]Omzichtig, en ontleedt der loozer[170]pleiters herten.Van zijn geboortendag geen vijftien oogsten[171]nooit,Verschudden haar perruik, met goud schoon opgetooid,Als hij gelukkig scheidde[172], en wijs'lijk uit kost voeren't Vermaarde pleitgeschil van twee doorslepen hoeren:"Laas, aarde!" de eerste zegt, "is 't mooglijk, dat gebelgdGij, berstende van spijt, niet levendig verzwelgtDit vuil afgrijslijk wijf? Heer koning! is het mooglijk,Dat uitgaande, om bestaan een stuk zoo ongedooglijk,Zij schaamtloos uwen troon derf nadren met bedrog,Niet om kwijtschelding, maar om aan te klagen nog?Die stiefmoer, van de slaap, van spijze en wijn vertreden,Heeft haren zoon versmacht[173], den jongsten nacht geleden,Doen[174], vindend' hem ijskoud oon pols en roering, let,Erglistelijken legt hem fijntjens in mijn bed,Nam 't mijn weêr in de plaatse;—houd daar, o oû slaapbye[175]!O meer als eerlooz'! houd, ô zaad van bastardye!Uw prije[176]neemt; houd daar! en geeft mij mijn gerief,Mijn hoop, mijn tijdverdrijf, mijn herteken, mijn lief!O bitter avontuur! o zeldzaam kerkendiefte[177]!Dit klein fraai Engelken gij kussen naar beliefte!Hij zoetert lachen om uw staamlende gebaar,En zich verwerren in uw vuil, uw luizig haar!Dit poppeken de vreugd doen in uw ziel oprijzen,En, groot geworden, uw wanschapen oudheid[178]spijzen:Maar ik, och arm'! helaas! heb voor mijn lot alleenDen last van 't zwanger gaan, en 's barens herde weên,Het schudden van zijn wieg, van 's waters musk[179]de luchten,En van zijn kinds-geschrei de moeilijke geruchten.[180]O, onder sterflijke' ik de ellendigste in 't verdriet!O kinderlooze moêr! ach, dat uw handen nietZijn met een mes voorzien, als 't hert met razernijen!Neen, eer ik zal dien smaad zoo wederweerdig lijen,Wil ik dees teve doôn, en fellijk eer bestaan,Haar boezem woênde met mijn hand te randen aan."Dus antwoord de ander: "ha, wolvin! ha, heetst' der teven!He! wie geloofde ooit, dat een boosheid zoo doordrevenDen wijn verzelde: indien Gods ooge u niet vervaart,Vreest 's Konings wakkre geest nog[181], die zijn plaats bewaart.'t Vernoegt u niet dat gij mij aantijgt, door uw boosheid,Doortraptheid, dronkenschap, moord, meineed, en eerloosheid,Gij wilt mij, maar vergeefs, ontnemen nog mijn kind:Neen, al te vast hem liefde in 's moeders ermen bindtHij rooft mij 't leven, die mij rooft mijn kind goedaardig.Gerechten Davids zoon! die zijt als hij rechtvaardig,Ik bidde, dat uit gunst des gunsts, die hij u eerBewees, doen hij weêr kinds, met toegeneigd gebeer[182],Uw tranen stilde, en met zijn tonge, uit groot begeeren,Van jongs op u de spraak ging leeren fatzoeneeren:Of als, bebloed en warm en kuchende en begaan,Hij keerde met den roof der koningen verlaân[183],U in zijn beuk'laar wiegde, u vrund'lijk liep omermen,En schreyend hief u op zijn schouder met zijn ermen:Gij greept zijn baard en loegt[184], als gij zaagt lachen stoutEen ander Salomon, in 't helder vlammend goudVan 't vaderlijk helmet, en bootste honderd lachjensTer zijden 't pluimdonst[185]van zijn witte reigerschachtjens:En, met de baren van een pluim bedekt, gij doenEen vogel scheent, die in een hage zingt in 't groen:O, ik bezweere u, bij den naam des hoogberomdeBathseba, die des nachts haar duizendmalen kromdeKoud over uwe wieg, en eer gij d'uchtend kreegt[186],Haar tepel van wit bloed had honderdmaal geleêgd;Die met 't bepeerlde goud[187]uw hoofd ging overwelven,En leefd' zorgvuldig meer bij u als bij haar zelven:O groote Koning! ik bezweer u, bij al 't gunt[188]Hier 't heiligst' wordt geschat, dat gij mij recht vergunt:Dat, zoo uw goedheid, laas! te hinderlijk mijn zake,Van mijn ontfangen leed vergunnen wil geen wrake,Ten minste neemt mij niet 't geen mij natuur met smertGaf buiten uwe jonst: ontrukt mij niet mijn hert:Ontvreemt, met oorlof, mij mijn bloed niet; daarbenevenMaakt ons niet kinderloos, gedurende's kindsleven!"Terwijl met roepen zij 't den Koning maken moê"Mijn is het kind!" "'t is mijn!" "gij liegt, 't behoort mij toe!"Het volk reeds half geschift is: d'een, naar 's herten oordeelDees vrouw draagt, d'ander wijst het ander wijf te voordeel.Gelijk twee tuisschers[189]op een speelberd, op goê hoop,Kasteelen, wijngaards, land vertrouwen 's teerlings loop:Een strijdige begeerte ontroert al de ommestandren,D'een d'eene gunstig is, en d'ander draagt den andren,En elk, door vreeze en hoop gedreven, na als voor,Ontstelt 't bewegen van 't bedriegelijk yvoor[190].De koning dut[191]alleen, en zijn wijze ooren hoordenGeen ongelijkheid in gehuil, geklag, en woorden.'s Kinds aanzicht aangemerkt, 't en teekent noch 't en wroegt[192]De een meer als de ander niet: noch 's rechters geest vernoegdWordt, zoo men overslaat haar jaren vergeleken;Duttende[193], vindt hij zich van waartuig[194]ook versteken,Daarna spreekt hij aldus: "maar, 't schijnt, een droomenpraat;Als rechters vlijtigheid alle onderzoek ontstaat[195],Moet iet aanmerk'lijks, uit naturens schoot behendlijkGeput, zijn toevlucht zijn, of zich[196]behelpen endlijkMet 's pijnbanks strengigheid: nu 't moederlijk gemoedEen vast gezet[197]is van nature mild en goed,En nimmermeer natuur haar strenger stelt ten tooneDan in 't geen lijdende is een moeder in haar zone!"Daar op gelijk ontwaakt: "tsa! zegt hij, 't zweerd gewet!Tsa, dat u 't kind nu toegedeeld werd'[198]juist en net!'t Recht en meêdoogendheid verplaatst laat elders zwerven,De billijkheid niet duldt dat een 't zal heel be-erven."O herd geschil! daar ziet de rechter, in 't besluit[199],Haars herten heimlijkheên elk kenbaar breken uit:'t Momaanzicht is gelicht: haar tonge, flaauw van krachten,Met een oprechte wensch geeft antwoord hun gedachten.De valsche moeder zegt: "'t geschiede, ik wil 't, houd daar!Rechtveerdig deelt 't gebeent', zijn naglen, en zijn haar.""Och deelet[200]niet! ik geef," zegt de ander, "u te voren,Mijn recht, vervloekte vrouw! daar, neem mijn uitverkorenKlein kind in uw bezit; nog liever ik 't voor dijHoud levende en geheel, als dood ontleed voor mij."De koning zegt: "'t hoort u, die 't barend' hebt verkregen,'t Hoort u toe, door mijn recht en 't moederlijk bewegen[201]."Gelijk een zelve mijn nu voortbrengt, met het goud,Veel goed chrysocolon en zilver menigvoud,Eens rijkdoms rijke schat, een ongelooflijke eereVerzelt van Davids zoon de wijsheid meer en meere:Te water hij gebiedt, hij heerscht te lande ontzien,Wel honderd kroonen fluks zijn tulband manschap biên;Sidon, de zee des Nijls naast aan zijn grenzen palen,Voor hem de vochte Eufraat zijn hoornen leeg laat dalen;Peru in zijn trezoor vloeit rijklijk, zoo men zeît[202].Te Sion 't goud als zand gemeen voor elk een leît,De peerle als keizelsteen; en heel Judeê in vredenAlsins vloeit in een zee, zoo 't schijnt, van zaligheden.Elk zonder afgunst leest[203], en zonder krijgsgerucht,Zijns wijnstoks trossen en zijns vijgbooms zoete vrucht.Hij overvloeit van als[204], niet op dat hij naar wenscheVan mensch worde een vuil zwijn, maar Engel van een mensche,D' onsterflijke tot lof, die, daar hij hier nog leeft,Van 't hemelsche vermaak hem reede een voorsmaak geeft.'t Welriekende gerucht van 's konings heerlijkheden,Rijkdom, schoontaligheid zich gaat alom verspreeden.De Tyriêrs willig hem als bondgenoot ontvaân.Zijn zoonschap Faro zoekt; de nabuur bidt hem aanNiet min als d' onderzaat, en 't vuur zijns oogs met ijleOntsteekt der jonffren[205]bloem op de oevren van den Nijle.Wat maakty, Salomon? och armen! ziet uw geestNiet, dat dees bruiloft u een strik is en geen feest?Een hymen, geschakeerd van ongelijke willen,En voor 't onsterflijk zaad[206]recht doodlijke geschillen:Dat d' os en d' ezel, in een zelve juk gepaard,Niet voeglijk ploegen om de korendragend' aard'.Wie met een heidensch bloed zich echtlijk gaat verzellen,Doet eêbreuk[207]voor den Heer; 't geloof wil altijd hellen[208],'t Vereischt een hulpe, en geen bekoorster meer om haar[209]Van 't eerste werktuig van den ouden Logenaar,Noch gift dat dood'lijk in uw bed ligt, heet van minne,En d' ongodvruchtigheid u blaast ten lippen inne.Groot koning! die gij van den vloed des Nijls ontleent,Geen vleesch is van uw vleesch, geen been van uw gebeent'.'t Is een uitheemsch gebeente, een ribb' van woeste onvrije,Een lid geheel verrot van Faro's lazerije[210].Maar, zuldy zeggen, hoe? alreê de schoone bruidVan d' afgodischen Nijl 't bevlekt gewaad trok uit,In 't wit haar cieren gaat, d' onnoozelheid omgorden,En door 't geloove is nu Abrahams zaad geworden.Zulks stemmen wij licht toe, en d' heil'ge schoonheids cier,Waar van zij 't beelde draagt, mij lichtelijken hierDoet hellen aan[211]die kant: maar ducht ik, of verslimde[212]Haar eersleep al uw hof, dat God op u vergrimde,D' Onsterflijke, die niet wil dulden, dat men slinksGaat mengen Izaks bloed met 't bloed eens vreemdelings.Recht onder d' Evenaar de aanminnige natureBesprengt een aardig bosch, dit boomgroent t' aller ure,Daar, door het gantsche jaar, de Mei in 't groene staat,Die met zijn verwe alom 't schoon veld tapijten[213]gaat.De aard' lacht hier overal, en, hoe men meer wil buigenDe bloemen, schoon gesternt, te meer zij levend' juichen.'t Groeit hier al zonder moeite, of is 't door arbeids pijn,De zoete Zefier zal alleen de bouwheer zijn.De Zuidwind botster[214]niet, en d' hagel, na lang dreigen,'t Onsterflijk woud niet snoeit; de rechte palm in 't neigenKust vrundelijk zijn bruid; de planeboom aldaarAl schuifelende vrijt zijn weêrgâ 't gantsche jaar.De popelier aanbiedt zijn dienst den popelieren.De kromme olm wordt omhelsd van d' wijngaard goedertieren.'t Veil kleeft aan d' eiken dicht, en 't groeit en 't leeft er al,En 't wordt er al geteeld vrouw Cypris[215]te geval.De waan poortwachterse[216]is, en hoedt met groote stoutheidDe poort voor gierigheid, zorge, en verstorven oudheid[217],Zooze op 't gebloeid poortaal van 't groenend' huis niet heen[218]Uit achteloosheid werpt[218]het paksken van de reên:Doch wel onthaalt z' hierin de bloode stoutigheden,Schoontaligheids gebaar, de vleyende gebeden,De gramschap haast gebluscht, de tranen haast weêr droog,Behende dieverij, 't vertwijf'len, 't lachende oog,De slappe ledigheid, de wellust in haar bloeyen,Wien d' heilge Nectar men welriekend' ziet ontvloeyen,'t Gerâbraakt waken, d' hoop van 's vuur'gen wensch geniet[219],D' onsterfelijke spijs, het aangenaam verdriet,'t Ontbondene verlof, en overdaads niet achten,De tooverlieden[220], en de zoete minneklachten.De telg verladen[221]van het balsem druppend houtSteeds onder 't nestlen trilt der Liefdekens veelvoud:De schoonheid legt[222]: lust broeit: d' hertstochten, door 't veel tergenDes brands, 't gebroedsel kipt[223]van dees Pygmeesche dwergen:'t Een ligt in 't eiwit nog, en 't ander leeft al vlug:Een ander tot een wieg strekt 's moeders lieve rug:Een ander stoppelhaart: een ander leerling jeugdigVan tak in tak, van hage in hage wispelt vreugdig.'t Een in eens applaars[224]schaaûw zacht dobbedobt en slaat,En van zijn ermen neêr zijn koker hangen laat,Die vuur'ge damp uitbraakt, en op een muschken tederProeft 't ander zijnen boog, die reuzen velt ter neder.Lijmstrikken 't ander spant voor 't sijsken met een zwink,Voor 't zoet kanariken, en voor den snatervink.Ziet, ziet, hoe stille dees, hangvleuglende te bijster,De vog'len noopen gaan: die dwers beschrijdt een lijster:Die vliegen doet een paauw: die een faisant ment fraai:Die noopt een blanke zwaan: die jaagt een papegaai:
"Vermids geen ander liefd' brandt in uw eed'le borste;
Ik wil, dat gij bezit, als tot een toegift veil,[142]
Gezondheid, rijkdom, eer, en overvloed van heil,
Terwijl gij dient dees maagd, in mijnen dienst u bouwe[143]:
Oon[144]eersleep mag niet treên zoo welgeboren vrouwe."
Als Salomon ontwaakt, hij merkelijken ziet
Dat de gematigdheid[145]van 's lichaams dampen niet
Veroorzaakt in zijn geest een droom zoo wonderbaarlijk;
Maar 't afgezette beeld van d' hand eens Engels waarlijk:
Want zalig hem oon kunst de kunsten staan ter hand,
Geleerdheid zonder moeite; een ongemeen verstand
Zijn doen verguldt; hij vliegt om hoog, en gaat doorzoeken
Van 's werelds ingewand de diepte, en donkre hoeken.
De raadsels van 't gewijd pampier zijn hem gemeen,
En daaglijks zijn gesprake[146]; en zijn diepzinnig brein
Van weinig woorden, die de goddelijke veêren
Beschreven, zoude eerlang veel boeken ons stoffeeren.
Geleerdlijk[147]hij de zon oon vreeze sterven ziet:
De dwalinge onverdwaald der sterren hij bespiedt:
Hij weet of 't is nature, of engel, die de ronde
Met een drievoude keer doet op één tijd en stonde:
Of Febus licht van zijn, de Maan van anders[148]vuur:
Of d'herfst de zomer, lent, en winter, koud en stuur,
Der zonnen[149]kindren zijn: en van wat rook, zoo verre
Om hoog, de locht ontsteekt een langgehaarde sterre:
Wat polsen, stijf van dreun, wind telen slinks en krom:
Wat vuurge pennen dat de bliksems dragen om:
Wat breidel d'oceaan dwingt binnen zijne palen;
Of hij gehoorzaamt 't licht met zijn gehoornde stralen;
Of 't zweetrig kussen[150]des verliefden hemels frisch
Der peerlen vader, en der oestren bruigom is:
Of 't waar is, dat hij droef de slijmige ons uitzondert,
De blinkende als hij lacht, de bleeke teelt als 't dondert:
Of 't vochtig element 't grijze Amber teelt gewis,
Of datmen 't vette drek zal achten van een visch.
Hij weet, waaromme de aarde is vast rond, oon begintsel[151],
Des werelds middelpunt, en der naturen bindsel:
Hij kan ze meten, en verstaat nog, of hij 't zag,
Hoe doch de coloquint met zulken oordeel mag
Uitpikken 't witte vocht in duist're en donkere adren,
't Elleborum het zwart, de Rha het groen vergadren:
En of zulks toegaat, in ons zwak en teder lijf,
Of halende tot zich, of jagende uit heel stijf.
Kortom, der planten kracht hij kent, die, groot en teder,
Nature in wezen houdt van d'Hysoop tot den Ceder.
Hij weet, waarom de tand des bijtwolfs, droef van aard,
't Peerd groote snelheid geeft, en ook zijn spoor verzwaart:
Hoe in een oogenblik hyëna 's teven[152]blaffen,
In't nadren met haar schaauw, behend[153]weet af te schaffen:
Hoe 't komt dat d'elefant, verhit door 's gramschaps vlam,
Getemd wordt, als hem naakt de ruiggevliesde ram;
Hoe't komt, dat d'Alderhoogst' vrijt[154]d'adeler voor't slingren
Des bliksems, die hij schiet met gloeyendige vingren;
Waarom de zeegans ook haar eyers, groot van schel,
Broeit met haer poten uit, heel heet en breed van vel,
En zonder tonge schreeuwt, geteugeld aan[155]haar vlerken,
Zoo zij naar wensch niet kan de zoute velden merken.
Hij weet, of uit een damp ontstaat de keizelsteen,
Of uit gekookte slijm; geleerdlijk geeft hij reên
Of van 't kwikzilver, of van zwavel de metalen
Ontstaan, of van een sap gedikt door 's winters dralen,
En rein geveegd door d'hitte, of van een aschig vocht,
Of dat hij, die 't gewoel der dikke baren wrocht,
Het hemels keizerrijk, de bontgespikkelde eerde,
Gelijk men ze uittrekt nu, almachtig die[156]formeerde.
Hij weet, waarom de deugd des heldren jaspis helpt
Den bloedenden, en 't bloed behendiglijken stelpt;
De safier heelt 't gezicht, de topaas zal bestrijen
Vrouw Venus; de Amethist dien God, wien 't veil[157]wil vlijen,[158]
En hoe 't zich toedraagt, dat jeloers de diamant
Zich tegen des magneets behende[159]diefstal kant.
Getalen, maat, en toon zijn geest weet t' achterhalen,
En d'effenmatigheid der lijven met haar talen[160]:
En van den Nectar zat, die d'hemel stort altijd,
De bij heeft d'honig op zijn lippen geconfijt.
Maar hij omhelst geensins des spieglings bloote aanmerking
Met zulken ijver als de nutzame[161]bewerking,
Noch draagt het snatren van een weetzucht zoo veel gunst,
Noch d'hovaard eens sofists, als deze brave kunst
Die vestigt eenen staat, het heilig roer kan vaten[162],
En met eenstemmigheid voên hooge en leege staten.
Voor al hij 't recht niet krenkt, der wetten kracht hij vergt,
En, als d' uitstekendst' van 't hoog Pyreneesch gebergt'[163],
Zijn voorhoofd hij verklaart[164], en 't hooft steekt in de lochten,
Versmaadt slagregens, 't ijs, de winden, en de tochten:
De stormen hij belacht, en braaf[165]worpt bovendien
Des donders hovaardij ter neder voor zijn kniên.
Oon vlekke draagt hij zich[166], onbuiglijk vonniswijzer,
Noch niemands gunst ontrukt zijn vuist het wrekende ijzer,
Noch haat en wettet[167]niet; de gunsten hij vertreedt
Met zijne voeten; hij 's volks vreeze en tranen kneedt;
's Gouds stralen nimmermeer doen schemeren zijn oogen,
Noch vindt zich met een wolk van onkund' niet betogen.
Zijn spraak wordt een geheim geacht van minst en meest,
En uit 's lands wetten hij scherpzinnig trekt den geest.
In zaak van twijfel spitst hij zich op 's dingers[168]perten[169]
Omzichtig, en ontleedt der loozer[170]pleiters herten.
Van zijn geboortendag geen vijftien oogsten[171]nooit,
Verschudden haar perruik, met goud schoon opgetooid,
Als hij gelukkig scheidde[172], en wijs'lijk uit kost voeren
't Vermaarde pleitgeschil van twee doorslepen hoeren:
"Laas, aarde!" de eerste zegt, "is 't mooglijk, dat gebelgd
Gij, berstende van spijt, niet levendig verzwelgt
Dit vuil afgrijslijk wijf? Heer koning! is het mooglijk,
Dat uitgaande, om bestaan een stuk zoo ongedooglijk,
Zij schaamtloos uwen troon derf nadren met bedrog,
Niet om kwijtschelding, maar om aan te klagen nog?
Die stiefmoer, van de slaap, van spijze en wijn vertreden,
Heeft haren zoon versmacht[173], den jongsten nacht geleden,
Doen[174], vindend' hem ijskoud oon pols en roering, let,
Erglistelijken legt hem fijntjens in mijn bed,
Nam 't mijn weêr in de plaatse;—houd daar, o oû slaapbye[175]!
O meer als eerlooz'! houd, ô zaad van bastardye!
Uw prije[176]neemt; houd daar! en geeft mij mijn gerief,
Mijn hoop, mijn tijdverdrijf, mijn herteken, mijn lief!
O bitter avontuur! o zeldzaam kerkendiefte[177]!
Dit klein fraai Engelken gij kussen naar beliefte!
Hij zoetert lachen om uw staamlende gebaar,
En zich verwerren in uw vuil, uw luizig haar!
Dit poppeken de vreugd doen in uw ziel oprijzen,
En, groot geworden, uw wanschapen oudheid[178]spijzen:
Maar ik, och arm'! helaas! heb voor mijn lot alleen
Den last van 't zwanger gaan, en 's barens herde weên,
Het schudden van zijn wieg, van 's waters musk[179]de luchten,
En van zijn kinds-geschrei de moeilijke geruchten.[180]
O, onder sterflijke' ik de ellendigste in 't verdriet!
O kinderlooze moêr! ach, dat uw handen niet
Zijn met een mes voorzien, als 't hert met razernijen!
Neen, eer ik zal dien smaad zoo wederweerdig lijen,
Wil ik dees teve doôn, en fellijk eer bestaan,
Haar boezem woênde met mijn hand te randen aan."
Dus antwoord de ander: "ha, wolvin! ha, heetst' der teven!
He! wie geloofde ooit, dat een boosheid zoo doordreven
Den wijn verzelde: indien Gods ooge u niet vervaart,
Vreest 's Konings wakkre geest nog[181], die zijn plaats bewaart.
't Vernoegt u niet dat gij mij aantijgt, door uw boosheid,
Doortraptheid, dronkenschap, moord, meineed, en eerloosheid,
Gij wilt mij, maar vergeefs, ontnemen nog mijn kind:
Neen, al te vast hem liefde in 's moeders ermen bindt
Hij rooft mij 't leven, die mij rooft mijn kind goedaardig.
Gerechten Davids zoon! die zijt als hij rechtvaardig,
Ik bidde, dat uit gunst des gunsts, die hij u eer
Bewees, doen hij weêr kinds, met toegeneigd gebeer[182],
Uw tranen stilde, en met zijn tonge, uit groot begeeren,
Van jongs op u de spraak ging leeren fatzoeneeren:
Of als, bebloed en warm en kuchende en begaan,
Hij keerde met den roof der koningen verlaân[183],
U in zijn beuk'laar wiegde, u vrund'lijk liep omermen,
En schreyend hief u op zijn schouder met zijn ermen:
Gij greept zijn baard en loegt[184], als gij zaagt lachen stout
Een ander Salomon, in 't helder vlammend goud
Van 't vaderlijk helmet, en bootste honderd lachjens
Ter zijden 't pluimdonst[185]van zijn witte reigerschachtjens:
En, met de baren van een pluim bedekt, gij doen
Een vogel scheent, die in een hage zingt in 't groen:
O, ik bezweere u, bij den naam des hoogberomde
Bathseba, die des nachts haar duizendmalen kromde
Koud over uwe wieg, en eer gij d'uchtend kreegt[186],
Haar tepel van wit bloed had honderdmaal geleêgd;
Die met 't bepeerlde goud[187]uw hoofd ging overwelven,
En leefd' zorgvuldig meer bij u als bij haar zelven:
O groote Koning! ik bezweer u, bij al 't gunt[188]
Hier 't heiligst' wordt geschat, dat gij mij recht vergunt:
Dat, zoo uw goedheid, laas! te hinderlijk mijn zake,
Van mijn ontfangen leed vergunnen wil geen wrake,
Ten minste neemt mij niet 't geen mij natuur met smert
Gaf buiten uwe jonst: ontrukt mij niet mijn hert:
Ontvreemt, met oorlof, mij mijn bloed niet; daarbeneven
Maakt ons niet kinderloos, gedurende's kindsleven!"
Terwijl met roepen zij 't den Koning maken moê
"Mijn is het kind!" "'t is mijn!" "gij liegt, 't behoort mij toe!"
Het volk reeds half geschift is: d'een, naar 's herten oordeel
Dees vrouw draagt, d'ander wijst het ander wijf te voordeel.
Gelijk twee tuisschers[189]op een speelberd, op goê hoop,
Kasteelen, wijngaards, land vertrouwen 's teerlings loop:
Een strijdige begeerte ontroert al de ommestandren,
D'een d'eene gunstig is, en d'ander draagt den andren,
En elk, door vreeze en hoop gedreven, na als voor,
Ontstelt 't bewegen van 't bedriegelijk yvoor[190].
De koning dut[191]alleen, en zijn wijze ooren hoorden
Geen ongelijkheid in gehuil, geklag, en woorden.
's Kinds aanzicht aangemerkt, 't en teekent noch 't en wroegt[192]
De een meer als de ander niet: noch 's rechters geest vernoegd
Wordt, zoo men overslaat haar jaren vergeleken;
Duttende[193], vindt hij zich van waartuig[194]ook versteken,
Daarna spreekt hij aldus: "maar, 't schijnt, een droomenpraat;
Als rechters vlijtigheid alle onderzoek ontstaat[195],
Moet iet aanmerk'lijks, uit naturens schoot behendlijk
Geput, zijn toevlucht zijn, of zich[196]behelpen endlijk
Met 's pijnbanks strengigheid: nu 't moederlijk gemoed
Een vast gezet[197]is van nature mild en goed,
En nimmermeer natuur haar strenger stelt ten toone
Dan in 't geen lijdende is een moeder in haar zone!"
Daar op gelijk ontwaakt: "tsa! zegt hij, 't zweerd gewet!
Tsa, dat u 't kind nu toegedeeld werd'[198]juist en net!
't Recht en meêdoogendheid verplaatst laat elders zwerven,
De billijkheid niet duldt dat een 't zal heel be-erven."
O herd geschil! daar ziet de rechter, in 't besluit[199],
Haars herten heimlijkheên elk kenbaar breken uit:
't Momaanzicht is gelicht: haar tonge, flaauw van krachten,
Met een oprechte wensch geeft antwoord hun gedachten.
De valsche moeder zegt: "'t geschiede, ik wil 't, houd daar!
Rechtveerdig deelt 't gebeent', zijn naglen, en zijn haar."
"Och deelet[200]niet! ik geef," zegt de ander, "u te voren,
Mijn recht, vervloekte vrouw! daar, neem mijn uitverkoren
Klein kind in uw bezit; nog liever ik 't voor dij
Houd levende en geheel, als dood ontleed voor mij."
De koning zegt: "'t hoort u, die 't barend' hebt verkregen,
't Hoort u toe, door mijn recht en 't moederlijk bewegen[201]."
Gelijk een zelve mijn nu voortbrengt, met het goud,
Veel goed chrysocolon en zilver menigvoud,
Eens rijkdoms rijke schat, een ongelooflijke eere
Verzelt van Davids zoon de wijsheid meer en meere:
Te water hij gebiedt, hij heerscht te lande ontzien,
Wel honderd kroonen fluks zijn tulband manschap biên;
Sidon, de zee des Nijls naast aan zijn grenzen palen,
Voor hem de vochte Eufraat zijn hoornen leeg laat dalen;
Peru in zijn trezoor vloeit rijklijk, zoo men zeît[202].
Te Sion 't goud als zand gemeen voor elk een leît,
De peerle als keizelsteen; en heel Judeê in vreden
Alsins vloeit in een zee, zoo 't schijnt, van zaligheden.
Elk zonder afgunst leest[203], en zonder krijgsgerucht,
Zijns wijnstoks trossen en zijns vijgbooms zoete vrucht.
Hij overvloeit van als[204], niet op dat hij naar wensche
Van mensch worde een vuil zwijn, maar Engel van een mensche,
D' onsterflijke tot lof, die, daar hij hier nog leeft,
Van 't hemelsche vermaak hem reede een voorsmaak geeft.
't Welriekende gerucht van 's konings heerlijkheden,
Rijkdom, schoontaligheid zich gaat alom verspreeden.
De Tyriêrs willig hem als bondgenoot ontvaân.
Zijn zoonschap Faro zoekt; de nabuur bidt hem aan
Niet min als d' onderzaat, en 't vuur zijns oogs met ijle
Ontsteekt der jonffren[205]bloem op de oevren van den Nijle.
Wat maakty, Salomon? och armen! ziet uw geest
Niet, dat dees bruiloft u een strik is en geen feest?
Een hymen, geschakeerd van ongelijke willen,
En voor 't onsterflijk zaad[206]recht doodlijke geschillen:
Dat d' os en d' ezel, in een zelve juk gepaard,
Niet voeglijk ploegen om de korendragend' aard'.
Wie met een heidensch bloed zich echtlijk gaat verzellen,
Doet eêbreuk[207]voor den Heer; 't geloof wil altijd hellen[208],
't Vereischt een hulpe, en geen bekoorster meer om haar[209]
Van 't eerste werktuig van den ouden Logenaar,
Noch gift dat dood'lijk in uw bed ligt, heet van minne,
En d' ongodvruchtigheid u blaast ten lippen inne.
Groot koning! die gij van den vloed des Nijls ontleent,
Geen vleesch is van uw vleesch, geen been van uw gebeent'.
't Is een uitheemsch gebeente, een ribb' van woeste onvrije,
Een lid geheel verrot van Faro's lazerije[210].
Maar, zuldy zeggen, hoe? alreê de schoone bruid
Van d' afgodischen Nijl 't bevlekt gewaad trok uit,
In 't wit haar cieren gaat, d' onnoozelheid omgorden,
En door 't geloove is nu Abrahams zaad geworden.
Zulks stemmen wij licht toe, en d' heil'ge schoonheids cier,
Waar van zij 't beelde draagt, mij lichtelijken hier
Doet hellen aan[211]die kant: maar ducht ik, of verslimde[212]
Haar eersleep al uw hof, dat God op u vergrimde,
D' Onsterflijke, die niet wil dulden, dat men slinks
Gaat mengen Izaks bloed met 't bloed eens vreemdelings.
Recht onder d' Evenaar de aanminnige nature
Besprengt een aardig bosch, dit boomgroent t' aller ure,
Daar, door het gantsche jaar, de Mei in 't groene staat,
Die met zijn verwe alom 't schoon veld tapijten[213]gaat.
De aard' lacht hier overal, en, hoe men meer wil buigen
De bloemen, schoon gesternt, te meer zij levend' juichen.
't Groeit hier al zonder moeite, of is 't door arbeids pijn,
De zoete Zefier zal alleen de bouwheer zijn.
De Zuidwind botster[214]niet, en d' hagel, na lang dreigen,
't Onsterflijk woud niet snoeit; de rechte palm in 't neigen
Kust vrundelijk zijn bruid; de planeboom aldaar
Al schuifelende vrijt zijn weêrgâ 't gantsche jaar.
De popelier aanbiedt zijn dienst den popelieren.
De kromme olm wordt omhelsd van d' wijngaard goedertieren.
't Veil kleeft aan d' eiken dicht, en 't groeit en 't leeft er al,
En 't wordt er al geteeld vrouw Cypris[215]te geval.
De waan poortwachterse[216]is, en hoedt met groote stoutheid
De poort voor gierigheid, zorge, en verstorven oudheid[217],
Zooze op 't gebloeid poortaal van 't groenend' huis niet heen[218]
Uit achteloosheid werpt[218]het paksken van de reên:
Doch wel onthaalt z' hierin de bloode stoutigheden,
Schoontaligheids gebaar, de vleyende gebeden,
De gramschap haast gebluscht, de tranen haast weêr droog,
Behende dieverij, 't vertwijf'len, 't lachende oog,
De slappe ledigheid, de wellust in haar bloeyen,
Wien d' heilge Nectar men welriekend' ziet ontvloeyen,
't Gerâbraakt waken, d' hoop van 's vuur'gen wensch geniet[219],
D' onsterfelijke spijs, het aangenaam verdriet,
't Ontbondene verlof, en overdaads niet achten,
De tooverlieden[220], en de zoete minneklachten.
De telg verladen[221]van het balsem druppend hout
Steeds onder 't nestlen trilt der Liefdekens veelvoud:
De schoonheid legt[222]: lust broeit: d' hertstochten, door 't veel tergen
Des brands, 't gebroedsel kipt[223]van dees Pygmeesche dwergen:
't Een ligt in 't eiwit nog, en 't ander leeft al vlug:
Een ander tot een wieg strekt 's moeders lieve rug:
Een ander stoppelhaart: een ander leerling jeugdig
Van tak in tak, van hage in hage wispelt vreugdig.
't Een in eens applaars[224]schaaûw zacht dobbedobt en slaat,
En van zijn ermen neêr zijn koker hangen laat,
Die vuur'ge damp uitbraakt, en op een muschken teder
Proeft 't ander zijnen boog, die reuzen velt ter neder.
Lijmstrikken 't ander spant voor 't sijsken met een zwink,
Voor 't zoet kanariken, en voor den snatervink.
Ziet, ziet, hoe stille dees, hangvleuglende te bijster,
De vog'len noopen gaan: die dwers beschrijdt een lijster:
Die vliegen doet een paauw: die een faisant ment fraai:
Die noopt een blanke zwaan: die jaagt een papegaai: