Die leidt vast aarzelings het duifken glad van kuive;Die draayen doet rondom een wilde ringelduive.Ziet, hoe een bende van dees pottertjens[225]te gaârDe gulden witjens jaagt zoo dertel hier en daar,'t Een met een rozetak wil vangen 't zomeruiltjen,Die met zijn handjens teêr, een ander met een tuiltjen:'t Gehoornde vogelken[226]ontslipt ze, en leurt[227]een vlaag[228],Met lichte sprong op sprong, der minneboefjens laag."Mijn buisjens[229]!" Cypris roept, "weg met dees malle mijntjens[230],Want voor een zomeruil, mijn kleintjens! moogdy fijntjensDoen sneuvelen ter neêr een dertel Venuskind,Gehoornde Cupidons genoeg men alzins[231]vindt."Twee tweelingen daar op, wiens gulden minneflitsenIn 't koninklijke bloed slechts weeken hare spitsen:"Tza, broeder!" zeggen zij, "dat onz' hand inder ijlIn dees twee herten elk ga schieten eenen pijl:"De daad zoo snel gaat, als 't gevlerkte woord, zijn gangen.Zij doen een keer twee drie om zoo de vlucht t' erlangen:'t Gepluimde vlerksken elk klep, klep! beweegt en zwaaitDen krink[232]gekarmozijnd tot driemaal, ingezaaidHier 't goud, daar 't hemelsblaauw, 't een naar Judeên gaat pogen,En 't ander spoedt naar 't strand des Nijls, hoog opgetogen;Ziet, Faroos dochter doen[233], haars tijds bragaat[234]en eer,Haar vlechten streelde[235], die ter aarden golfden neêr,En in een klein vertrek, gevloerd met geele platen[236],De geestig' hand van drie kunstjonffren stond gelaten[237];Met 't weêrzijds honderdmaal getande palmhout daarDe lokken ploegde d' een van haar uitvloeyend haar[238],En d' ander overstortt' haar guldene perruiken[239]Met eenen Nectarstroom zachtglijend', zoet om ruiken:De derde, nu met naald, nu met een vinger eêl,Frizeert en nopt en krolt en kronkelt een goed deel,En d' ander watert z' hier en daar naar de oû gewoonheid,En, smalende op de kunst, verheerlijken haar schoonheid:Als dezer tweelings een met 't schut, dat vurig blaakt,In zwaluwen gestalt, daar snellijk binnen raakt,En op haar boezem lost, 'k en weet niet hoe, de veugelSchalk 't gouden boogsken, dat school onder slinker[240]vleugel;De maagd zegt: "ik heb 't weg, 'k heb 't in de lenden, ach!"Maar als zij bij haar bloed nog geen litteeken[241]zag,"Neen, 't is geen wonde och arm! ik wedde," zegt ze al droever,"Dat, slapende op de kant van 't naaste beekskens oever,Een adder boos van aard in mijnen boezem gleê;Zij pikt mij in mijn herte! o, reikt mij hand op steê[242],Brengt mij fluks beddewaarts, eens ijzig vuurs vernielenEen heete ijskegel is de kwelgeest mijner zielen[243]."Hoe vele ga!s helaas! o, wicht, te fel en bits!Met uwen honig mengt uw invergifte[244]flits!De maagd, die op 't vermaal[245]der velden plag te weyen,Te lachen, springen, en te dansen met haar reyen,Lieft de eenzaamheid, is droef, en bij haar zelven[246]stom,Steent, mijmert, en verzucht, en weet niet eens waarom.De rijkdom, 't prat geweld der naalden opgetogenHaar stelt der Jebuzeên bolwerken naakt voor oogen.In 't kristalijn des Nijls verschijnt haar de Jordaan,In Memfis Solyme[247], en steeds t' elken weder aanHaar hand bootst op 't stramien, van zelf en ongeboden,'t Beeld en schoon voorhoofd van de vorst en prins der Joden:Dien, als hij voorslag[248]vast van d' heil'ge tempel maakt,Juist op een zelve tijd het ander tweeling raakt:De pijl hecht in 't gebeent, de ramp zit in zijn âren,De slaap doet niet in slaap zijn zoete smerten varen,Faronide is zijn hert, Faronide is alleenDe eenige stoffe van zijn hooge wonderreên.Hij voedt een burgerkrijg in zijn gemoed van binnen.Nu rijst de alziende zon, om 's aardrijks lijst[249]te winnen,Nu sticht ze 's middags brand, nu rust ze in schaduw frisch,Maar zijne min steeds op haar heete middag is.Hij temt zijn peerden als voorheen niet zoo vermetel,Hij leest noch schrijft, noch klimt op zijnen rechters zetel,Om hooren 's weduws klacht, noch zorgt voor 't hofgezin,Hij stelt geen wet meer, hij ontvangt ze van de min.Gezanten, die beraân[250]dees feeste gaat betrachten[251],Met tafereelen noch met ringen wilt bevrachtenUw koets; de schrandre min heeft lang 't afzetsel zoetGesneden, met zijn schicht, in 't diepst' van haar gemoed;D' een steeds in d' ander leeft, zij hebben, zeldzaam perten[252]!Verwisseld tegen een elkanders vuurge herten;Veel min genoegens 't hert vindt in als buiten haar,Maar 't wenscht met zijnen gast te huwen 't lijf te gaâr.'t Gebeurt welhaast, de maagd men uit de prangende ermenHaars moeders rukt en trekt, die al beroerd[253]gaat kermen,En blijde is te gelijk, en schreyende en ontsteld,De vader, oude stok[254], dus haar vertrek verzelt:"Mijn kind, mijn zoete zorg, Osiris leide uw wegen,De loyende[255]Isis brenge uw huis eerlang den zegenEens guldenen geslachts, en met uw dagen nuDe kuische liefde groei van Salomon en u!"Vrouw, maagd, kind, jong en oud, gezonde en kranke menschenVan toornen[256]volgen haar met wenken en goê wenschen.De stille Nijl woelt min als hij wel anders doet.Het Zuiden strekt schips wind en onwind voor den vloed.Haar voetzool 't land alsins welriekende doet schijnen:Haar ooge vruchtbaar maakt de Arabische woestijnen.'t Is Idumeër feeste; alsins men, al den dag,Niet dan kromhoornen hoort, gepijp, en trommel-slag.Als mieren krielet[257]volk bekranst te veldwaarts inne,En juicht en roept: "veel heils! veel heils de koninginne!O, dat ze een loot gelijk', dien de overschaauwde voetVan een te weeldig hout bleekverwig treuren doet,Maar van een zoeter wind haar elders op laat kweeken,En trotsch haar ruigte doet ten blonden Hemel steken:'t Lacht t' haarwaarts al, daar[258]in nieuwe aard' zij willig tiert,En met gulde' app'len zij den gantschen lusthof ciert."Van 't rijke Sion men kan straten zien noch raken.'t Beneênste is getapijt met ruiggehaard scharlaken,De zijden zijn van zij', 't borduursel onbevlektDie voor de stralen van te heeten zon bedekt;Men dringt, men stoeit te hoop; een tij[259]van menschen hedenVolgt golvende alsins na de maget[260]aangebeden.De jonffren worpen[261]van de daken even zeerOp haar weêrlichtend[262]hoofd een bloemenregen neêr,Jeloers, dat telken niet haars kaakskens tweelingrozenDie rozen schande aandoen, die van naturen[263]blozen.Ten leste komt ons hier der vorsten eere en pracht:Dees twee gelieven, als ter maanden halver drachtDe klare zon en maan malkandren hel belonken,En worpen minlijk toe d' een d' ander duizend vonken.Zij zijn te gaâr gelijk schoon, jeugdig, groen, en blij,Gelijk in aardigheid; en wie niet van nabijNoch huif, noch mutse[264]ziet haar gulden hoofden cieren,Waant 't zijn Adonissen, of 't zijn twee Venus-dieren[265],Uit vreeze beven reê dees leerlings van de min:Haar eerste ontmoeten schijnt t' ontstellen hert en zin.De zoete bernkool[266], die inwendig broeit, mitsdezenSchiet roode vlammen door haar teder vrouw'lijk wezen,Haar tonge stamelt, en haar starende oogen stilEen schaamzaam[267]lamfer, schijnt[268], uit schaamt' bedekken wil.O prachtig' hymen! maar waar voerdy mij om hooge?Ben ik reed' Heidensch niet omtrent die zaal'ge boge,Daar hooge en leeger Goôn, en mindren, blij van geestMaaltijden, sprongen om, op Thetis' bruiloftsfeest[269]?Van 't Idumeesche land Juppijn de groot'[270]hier, onderZijn lichte voeten, treedt den vuurge' en heeten donder,Verliest zijn majesteit door 't lachende gelaat,Van koning hoovling wordt, van vorst een onderzaat,Den kleinsten heel gelijk; en evenwel te meereBlinkt op zijn aangezicht al steeds de veinzende[271]eere.Meer als een Febus hier, meer als een Musa licht[272]Op 't gulde boogsken springt, en 't lieflijk maatgedicht[269],Zoo aardig, dat bijna arcadische[273]en pilarenOpspringen op 't gedreun van zang en zoete snaren.Veel Juno's schouw ik hier en veel Minerven aan,En veel Dianen, die in looze strikken vaânWel duizend heeren, naar dat rijkdoms lust en liefde,Of eer of schoonheids brand haar 't herte kwetste en griefde.Veel aardig' Hebens, en meer als een Chiron hierOm dienst begaan, omtrent de bedden[274]goedertierDen nectar schaffen op; de disch ontvangt met belgenDe schootlen die, gebeeld[275], de ambrosia verzwelgen.Wel honderd Marsen hier, oon bloeddorst op de been,Wel honderd Hermens voên tien duizend vrolijkheên.Tien-tien[276]Oreades, Pans, Satyrs narrisch[277]vlijenZich[278], aan te stellen tien-tien[276]zotte mommerijen:Want, ik en weet niet hoe, Gods knechten in 't gemeenInzuipen 't zoet vergif van woeste uitheemsche zeên.Van zoo veel beelden, daar een ander zich aan kwijtenMag, en die cieren met zijn heerlijke tapijten[279].Ik onder 't tijdverdrijf wil kiezen eenen dans,Die met wijszoet vermaak zij vergezelschapt gants,Kuisch' heilge defte[280]dans, dans, die te zonderlingenAan Sal'mons grootheid past en aan mijn heilig zingen.De lekkre schootlen nu gelicht[281], na 't dralen lang,De dans vangt aan te gaan, in 't wijde en ruim bevangEens zaals, die klaar, die rond, Augustisch[282]altemale,Te recht men noemen mag des werelds groote zale.O welken wellust! te zien hupplen zij aan zijIn 't rond, langs hooge muur, een bende vrouwen blijEn helden; haar oog licht als Farus[283]blinkt in 't duister,Haar lijf gecierd is met klinkanten[284], schoon van luister!'t En is geen aars'len, maar een glijding zoet van pas;Eenstemmigheid haar toom is, zij gaan even ras;D' een luistert naar den gang des and'ren, juist en even,Die 't ziet, waant dat ze van één geest zijn voortgedreven;Al snellen zij, men zou 't noch zeggen, noch vermoên:Zij posten[285], tusschen tien-tien-duist schreên die ze doen,Een schreê zij rugwaarts gaan: de een ronde doen ze op de ander,En vruchtbaar lonken zij in 't loopen op malkander.In 't midden van de vloer zich sluyerwijs verspreedtEen hemelsblaauwe riem, gemarbeld[286]lang en breedMet beelden, daar met vlam betogen wij aanschouwenEn dansen zien te hoop vijf heeren en twee vrouwen[287].Hier danst een oude stok, met zijnen mantel lang[288]En bruingraauw, stijf omgord met een blaauwe adderslang,Die knaagt haar krunkelsteert, en kunstelijk ik sporeRuit, vierkruid, en komijn, alruin en[289]mandragoreVoortskruipen in zijn kleed, waarin geschilderd zijnNaar 't leven het kameel, de beer, den ezel, 't zwijn:De wakkre vogel-kraan luid schreeuwt met veel geschals hier,De paauw zijn steert opsteekt: hij draagter tot een hals-cierEen groote cornalijn, daar 's kunst'naars ijzer dichtDen tijd in sneê met zijn drievoudig aangezicht.Zijn treden zijn gewis, zijn aanzicht nors van 't veinzen,Zijn lichaam is wel hier, maar elders zijn gepeinzen.D' heer[290]Zadok gaat'er met een gang, kloek, gaauw, en vlug,Braaf is hij, vro[291], en hupsch: op zijnen stijven rugEen zijdenkleed, wiens verwe op[292]'t blanke tin wil trekken,Met groote plooyen zich en vouwen uit gaat strekken,Gebeeld met eekel, aar, met lelie, violet,Olijf, mirobalaan: geboord, en rond omzetMet aarnen[293], droef[294]van pluim, met heerlijke faisanten,En met gejukte toornverschuddende[295]elefanten,Bezaaid met esmerald, en diamantscherp ook,En hoog en leeg doorvoerd met zoete geur en rook[296].De derde[297]op 't zelve plein[298]verhaast nog meer benedenVan zijn soldaatsche dans de woeste krijgsmans treden;'t Gelaat is enkel vuur, en menig Jaspis schoon,En menige Amethist, op d' appel klaar ten toonVan zijn krom slagzweerd blinkt: van hoofdscheêl tot den tenenBlaauwt het gereten staal om 't moedig lichaam henen,'t Goud op zijn beuk'laar vlamt, wiens rand, alom verguld,Met peerden snel te voet en wolven is gebuld[299]:En d'ommeloop des schilds gecierd is en beladenMet 't loofwerk van Euforb' en Scammonye bladen.Wie zijdy, schoone[300]! die met 't vuur uws oogs steekt aanDen hemel, en de locht, en de aarde, en d' oceaan?O, aller schoonen schoonste! u zelven ons wilt mellen[301]:Wien tortel, mussche, en duif, bij nacht bij daag verzellenMet groote eerbiedigheid: wiens gulden vlechthaar blinkt,Dat met roô rozen, thijm, en myrten is omringd;Die eenen cestes[302]gordt welriekende om uw lenden,Daar aardig nest'len in der minneguitjens benden:Om wiens gewaad een boord van veel granaten loopt,Gezoomd met klaar beryl, met safier toegeknoopt:Wiens voet verkleinende, in 't verklaard gewelf der sterrenNu volgt der dansers vorst, nu voordanst weêr van verren:Zijt gij 't o schoone! niet, die met een kuischzoet vuur,Onz' eega's herten in één hert smolt en natuur?En deze, die u volgt met aangename stappen[303],Deed hij behend niet die schoontalige[304]boodschappen?O, ziet, wat vreemder dracht! zijn mantel kakelbontGeboord met beekskens van kwikzilver schijnt in 't rond,En elke streep, die door 't scharlaken men ziet zwieren,Strekt tot een vlok aan 't einde agaatsteen of porfieren:Een koppel honden vast vervolgen hier den das:Daar weêr den loozen vos: daar 't geitken snel en ras:De leeuwerk, nachtegaal, en 't sijsken ongevangenGebootst op 't schijngeboomt, de vlerken latend' hangen,Haar keel schijnt zwellen doen, en, met zoet veldgeschrei,Al kwinkeleerend' te beschamen den schalmei.D'eerdrook[305], de pimpernel, en petercelieblârenBeschaauwt 't gevlochten loof van zijn gekrunkeld' haren.Hij keert, hij draait, hij is vrijpostig net bespraakt;Veel kleine kringen in zijn groote rond' hij maakt:Zijn geschakeerde loop zich hier en gins gaat spreeden,En nog[306]verzelt één maat deze ongeregeldheden.Ruimbaan, o ieders walg! onheilige, aan een kant!Noch lot noch deel hebt ge aan dees heilge wellusts brand;Maar, zuivre zielen, komt! doorsnijdt gij vrij 't gedrange,Tza, wint de voorplaats, dat dit paar[307]verzade[308], eerlange,Ons oog met haar gelaat, dat overschoone paar:Alleen, alleen de feest wordt aangesteld om haar.O, 'k zie ze dicht hierbij, help God! wat fakkel licht er!Ik kan ze dulden niet, o eerste klaarheids stichter!O, zonne van de zon! helaas! de punten hierWat van uw stralen koelt, en matigt wat uw vier,Met uitgestorte glans uw zuster gaat verrassen;'t Is uit met mij, ik kan niet meer, ik keer tot asschen.O zaalge weêrgaân! nu 't met oorlof niet kan schien,Uw bevrunde aangezicht oon hinder aan te zien,Duldt, dat ik uwen dans, uws cieraads gulden stukkenEn zoete woorden, in mijn dichten uit mag drukken.De koningin haar haar (haar, waarvan distileertSteeds frissche dauw) draagt in veel krollen gefrizeerd:D'een vloeit ten voeten neêr in heldre lokskens, de anderRijst met lang peerlesnoer gebonden aan malkander.Haar keurs damast is, met een zilvren frangiën-zoom,Geloof werkt rijklijk met het zilver van een stroom,Met maankruid, met kouwoerd[309]heel uitheemsch gaâr[310]geweven,En met het dier vermaald, dat bij de locht moet leven[311].Wat wildy, Musa! met een errenstig pinceel,In 't breede afmalen al haar schoonheid in 't geheel:Van al de schoonheid, glans, gunst, rijkdom uitgescheyen[312],Daar d' hemel meê beschonk de huppelende reyenZij moeder is alleen, en, als een kristalijn[313],Den dans-aanschouw'ren zij'r af[314]jont den wederschijn.Een hoed[315], geweven gaâr[310]van bloemen die wel gaayen,[316]Citroenen, aren, en clytien die steeds draayen,En met robijn borduurd, balais, en chrysolijt,Bekroont 't straalworpend hoofd des bruidegoms[317]altijd.Zijn gesaffraande kraag tot spelwerk[318]heeft wel honderdKarbonk'len, rood als vuur, de balsem uitgezonderd[319],De ceder, de kanneel, de lauwer rijk gebeeld,
Die leidt vast aarzelings het duifken glad van kuive;Die draayen doet rondom een wilde ringelduive.Ziet, hoe een bende van dees pottertjens[225]te gaârDe gulden witjens jaagt zoo dertel hier en daar,'t Een met een rozetak wil vangen 't zomeruiltjen,Die met zijn handjens teêr, een ander met een tuiltjen:'t Gehoornde vogelken[226]ontslipt ze, en leurt[227]een vlaag[228],Met lichte sprong op sprong, der minneboefjens laag."Mijn buisjens[229]!" Cypris roept, "weg met dees malle mijntjens[230],Want voor een zomeruil, mijn kleintjens! moogdy fijntjensDoen sneuvelen ter neêr een dertel Venuskind,Gehoornde Cupidons genoeg men alzins[231]vindt."Twee tweelingen daar op, wiens gulden minneflitsenIn 't koninklijke bloed slechts weeken hare spitsen:"Tza, broeder!" zeggen zij, "dat onz' hand inder ijlIn dees twee herten elk ga schieten eenen pijl:"De daad zoo snel gaat, als 't gevlerkte woord, zijn gangen.Zij doen een keer twee drie om zoo de vlucht t' erlangen:'t Gepluimde vlerksken elk klep, klep! beweegt en zwaaitDen krink[232]gekarmozijnd tot driemaal, ingezaaidHier 't goud, daar 't hemelsblaauw, 't een naar Judeên gaat pogen,En 't ander spoedt naar 't strand des Nijls, hoog opgetogen;Ziet, Faroos dochter doen[233], haars tijds bragaat[234]en eer,Haar vlechten streelde[235], die ter aarden golfden neêr,En in een klein vertrek, gevloerd met geele platen[236],De geestig' hand van drie kunstjonffren stond gelaten[237];Met 't weêrzijds honderdmaal getande palmhout daarDe lokken ploegde d' een van haar uitvloeyend haar[238],En d' ander overstortt' haar guldene perruiken[239]Met eenen Nectarstroom zachtglijend', zoet om ruiken:De derde, nu met naald, nu met een vinger eêl,Frizeert en nopt en krolt en kronkelt een goed deel,En d' ander watert z' hier en daar naar de oû gewoonheid,En, smalende op de kunst, verheerlijken haar schoonheid:Als dezer tweelings een met 't schut, dat vurig blaakt,In zwaluwen gestalt, daar snellijk binnen raakt,En op haar boezem lost, 'k en weet niet hoe, de veugelSchalk 't gouden boogsken, dat school onder slinker[240]vleugel;De maagd zegt: "ik heb 't weg, 'k heb 't in de lenden, ach!"Maar als zij bij haar bloed nog geen litteeken[241]zag,"Neen, 't is geen wonde och arm! ik wedde," zegt ze al droever,"Dat, slapende op de kant van 't naaste beekskens oever,Een adder boos van aard in mijnen boezem gleê;Zij pikt mij in mijn herte! o, reikt mij hand op steê[242],Brengt mij fluks beddewaarts, eens ijzig vuurs vernielenEen heete ijskegel is de kwelgeest mijner zielen[243]."Hoe vele ga!s helaas! o, wicht, te fel en bits!Met uwen honig mengt uw invergifte[244]flits!De maagd, die op 't vermaal[245]der velden plag te weyen,Te lachen, springen, en te dansen met haar reyen,Lieft de eenzaamheid, is droef, en bij haar zelven[246]stom,Steent, mijmert, en verzucht, en weet niet eens waarom.De rijkdom, 't prat geweld der naalden opgetogenHaar stelt der Jebuzeên bolwerken naakt voor oogen.In 't kristalijn des Nijls verschijnt haar de Jordaan,In Memfis Solyme[247], en steeds t' elken weder aanHaar hand bootst op 't stramien, van zelf en ongeboden,'t Beeld en schoon voorhoofd van de vorst en prins der Joden:Dien, als hij voorslag[248]vast van d' heil'ge tempel maakt,Juist op een zelve tijd het ander tweeling raakt:De pijl hecht in 't gebeent, de ramp zit in zijn âren,De slaap doet niet in slaap zijn zoete smerten varen,Faronide is zijn hert, Faronide is alleenDe eenige stoffe van zijn hooge wonderreên.Hij voedt een burgerkrijg in zijn gemoed van binnen.Nu rijst de alziende zon, om 's aardrijks lijst[249]te winnen,Nu sticht ze 's middags brand, nu rust ze in schaduw frisch,Maar zijne min steeds op haar heete middag is.Hij temt zijn peerden als voorheen niet zoo vermetel,Hij leest noch schrijft, noch klimt op zijnen rechters zetel,Om hooren 's weduws klacht, noch zorgt voor 't hofgezin,Hij stelt geen wet meer, hij ontvangt ze van de min.Gezanten, die beraân[250]dees feeste gaat betrachten[251],Met tafereelen noch met ringen wilt bevrachtenUw koets; de schrandre min heeft lang 't afzetsel zoetGesneden, met zijn schicht, in 't diepst' van haar gemoed;D' een steeds in d' ander leeft, zij hebben, zeldzaam perten[252]!Verwisseld tegen een elkanders vuurge herten;Veel min genoegens 't hert vindt in als buiten haar,Maar 't wenscht met zijnen gast te huwen 't lijf te gaâr.'t Gebeurt welhaast, de maagd men uit de prangende ermenHaars moeders rukt en trekt, die al beroerd[253]gaat kermen,En blijde is te gelijk, en schreyende en ontsteld,De vader, oude stok[254], dus haar vertrek verzelt:"Mijn kind, mijn zoete zorg, Osiris leide uw wegen,De loyende[255]Isis brenge uw huis eerlang den zegenEens guldenen geslachts, en met uw dagen nuDe kuische liefde groei van Salomon en u!"Vrouw, maagd, kind, jong en oud, gezonde en kranke menschenVan toornen[256]volgen haar met wenken en goê wenschen.De stille Nijl woelt min als hij wel anders doet.Het Zuiden strekt schips wind en onwind voor den vloed.Haar voetzool 't land alsins welriekende doet schijnen:Haar ooge vruchtbaar maakt de Arabische woestijnen.'t Is Idumeër feeste; alsins men, al den dag,Niet dan kromhoornen hoort, gepijp, en trommel-slag.Als mieren krielet[257]volk bekranst te veldwaarts inne,En juicht en roept: "veel heils! veel heils de koninginne!O, dat ze een loot gelijk', dien de overschaauwde voetVan een te weeldig hout bleekverwig treuren doet,Maar van een zoeter wind haar elders op laat kweeken,En trotsch haar ruigte doet ten blonden Hemel steken:'t Lacht t' haarwaarts al, daar[258]in nieuwe aard' zij willig tiert,En met gulde' app'len zij den gantschen lusthof ciert."Van 't rijke Sion men kan straten zien noch raken.'t Beneênste is getapijt met ruiggehaard scharlaken,De zijden zijn van zij', 't borduursel onbevlektDie voor de stralen van te heeten zon bedekt;Men dringt, men stoeit te hoop; een tij[259]van menschen hedenVolgt golvende alsins na de maget[260]aangebeden.De jonffren worpen[261]van de daken even zeerOp haar weêrlichtend[262]hoofd een bloemenregen neêr,Jeloers, dat telken niet haars kaakskens tweelingrozenDie rozen schande aandoen, die van naturen[263]blozen.Ten leste komt ons hier der vorsten eere en pracht:Dees twee gelieven, als ter maanden halver drachtDe klare zon en maan malkandren hel belonken,En worpen minlijk toe d' een d' ander duizend vonken.Zij zijn te gaâr gelijk schoon, jeugdig, groen, en blij,Gelijk in aardigheid; en wie niet van nabijNoch huif, noch mutse[264]ziet haar gulden hoofden cieren,Waant 't zijn Adonissen, of 't zijn twee Venus-dieren[265],Uit vreeze beven reê dees leerlings van de min:Haar eerste ontmoeten schijnt t' ontstellen hert en zin.De zoete bernkool[266], die inwendig broeit, mitsdezenSchiet roode vlammen door haar teder vrouw'lijk wezen,Haar tonge stamelt, en haar starende oogen stilEen schaamzaam[267]lamfer, schijnt[268], uit schaamt' bedekken wil.O prachtig' hymen! maar waar voerdy mij om hooge?Ben ik reed' Heidensch niet omtrent die zaal'ge boge,Daar hooge en leeger Goôn, en mindren, blij van geestMaaltijden, sprongen om, op Thetis' bruiloftsfeest[269]?Van 't Idumeesche land Juppijn de groot'[270]hier, onderZijn lichte voeten, treedt den vuurge' en heeten donder,Verliest zijn majesteit door 't lachende gelaat,Van koning hoovling wordt, van vorst een onderzaat,Den kleinsten heel gelijk; en evenwel te meereBlinkt op zijn aangezicht al steeds de veinzende[271]eere.Meer als een Febus hier, meer als een Musa licht[272]Op 't gulde boogsken springt, en 't lieflijk maatgedicht[269],Zoo aardig, dat bijna arcadische[273]en pilarenOpspringen op 't gedreun van zang en zoete snaren.Veel Juno's schouw ik hier en veel Minerven aan,En veel Dianen, die in looze strikken vaânWel duizend heeren, naar dat rijkdoms lust en liefde,Of eer of schoonheids brand haar 't herte kwetste en griefde.Veel aardig' Hebens, en meer als een Chiron hierOm dienst begaan, omtrent de bedden[274]goedertierDen nectar schaffen op; de disch ontvangt met belgenDe schootlen die, gebeeld[275], de ambrosia verzwelgen.Wel honderd Marsen hier, oon bloeddorst op de been,Wel honderd Hermens voên tien duizend vrolijkheên.Tien-tien[276]Oreades, Pans, Satyrs narrisch[277]vlijenZich[278], aan te stellen tien-tien[276]zotte mommerijen:Want, ik en weet niet hoe, Gods knechten in 't gemeenInzuipen 't zoet vergif van woeste uitheemsche zeên.Van zoo veel beelden, daar een ander zich aan kwijtenMag, en die cieren met zijn heerlijke tapijten[279].Ik onder 't tijdverdrijf wil kiezen eenen dans,Die met wijszoet vermaak zij vergezelschapt gants,Kuisch' heilge defte[280]dans, dans, die te zonderlingenAan Sal'mons grootheid past en aan mijn heilig zingen.De lekkre schootlen nu gelicht[281], na 't dralen lang,De dans vangt aan te gaan, in 't wijde en ruim bevangEens zaals, die klaar, die rond, Augustisch[282]altemale,Te recht men noemen mag des werelds groote zale.O welken wellust! te zien hupplen zij aan zijIn 't rond, langs hooge muur, een bende vrouwen blijEn helden; haar oog licht als Farus[283]blinkt in 't duister,Haar lijf gecierd is met klinkanten[284], schoon van luister!'t En is geen aars'len, maar een glijding zoet van pas;Eenstemmigheid haar toom is, zij gaan even ras;D' een luistert naar den gang des and'ren, juist en even,Die 't ziet, waant dat ze van één geest zijn voortgedreven;Al snellen zij, men zou 't noch zeggen, noch vermoên:Zij posten[285], tusschen tien-tien-duist schreên die ze doen,Een schreê zij rugwaarts gaan: de een ronde doen ze op de ander,En vruchtbaar lonken zij in 't loopen op malkander.In 't midden van de vloer zich sluyerwijs verspreedtEen hemelsblaauwe riem, gemarbeld[286]lang en breedMet beelden, daar met vlam betogen wij aanschouwenEn dansen zien te hoop vijf heeren en twee vrouwen[287].Hier danst een oude stok, met zijnen mantel lang[288]En bruingraauw, stijf omgord met een blaauwe adderslang,Die knaagt haar krunkelsteert, en kunstelijk ik sporeRuit, vierkruid, en komijn, alruin en[289]mandragoreVoortskruipen in zijn kleed, waarin geschilderd zijnNaar 't leven het kameel, de beer, den ezel, 't zwijn:De wakkre vogel-kraan luid schreeuwt met veel geschals hier,De paauw zijn steert opsteekt: hij draagter tot een hals-cierEen groote cornalijn, daar 's kunst'naars ijzer dichtDen tijd in sneê met zijn drievoudig aangezicht.Zijn treden zijn gewis, zijn aanzicht nors van 't veinzen,Zijn lichaam is wel hier, maar elders zijn gepeinzen.D' heer[290]Zadok gaat'er met een gang, kloek, gaauw, en vlug,Braaf is hij, vro[291], en hupsch: op zijnen stijven rugEen zijdenkleed, wiens verwe op[292]'t blanke tin wil trekken,Met groote plooyen zich en vouwen uit gaat strekken,Gebeeld met eekel, aar, met lelie, violet,Olijf, mirobalaan: geboord, en rond omzetMet aarnen[293], droef[294]van pluim, met heerlijke faisanten,En met gejukte toornverschuddende[295]elefanten,Bezaaid met esmerald, en diamantscherp ook,En hoog en leeg doorvoerd met zoete geur en rook[296].De derde[297]op 't zelve plein[298]verhaast nog meer benedenVan zijn soldaatsche dans de woeste krijgsmans treden;'t Gelaat is enkel vuur, en menig Jaspis schoon,En menige Amethist, op d' appel klaar ten toonVan zijn krom slagzweerd blinkt: van hoofdscheêl tot den tenenBlaauwt het gereten staal om 't moedig lichaam henen,'t Goud op zijn beuk'laar vlamt, wiens rand, alom verguld,Met peerden snel te voet en wolven is gebuld[299]:En d'ommeloop des schilds gecierd is en beladenMet 't loofwerk van Euforb' en Scammonye bladen.Wie zijdy, schoone[300]! die met 't vuur uws oogs steekt aanDen hemel, en de locht, en de aarde, en d' oceaan?O, aller schoonen schoonste! u zelven ons wilt mellen[301]:Wien tortel, mussche, en duif, bij nacht bij daag verzellenMet groote eerbiedigheid: wiens gulden vlechthaar blinkt,Dat met roô rozen, thijm, en myrten is omringd;Die eenen cestes[302]gordt welriekende om uw lenden,Daar aardig nest'len in der minneguitjens benden:Om wiens gewaad een boord van veel granaten loopt,Gezoomd met klaar beryl, met safier toegeknoopt:Wiens voet verkleinende, in 't verklaard gewelf der sterrenNu volgt der dansers vorst, nu voordanst weêr van verren:Zijt gij 't o schoone! niet, die met een kuischzoet vuur,Onz' eega's herten in één hert smolt en natuur?En deze, die u volgt met aangename stappen[303],Deed hij behend niet die schoontalige[304]boodschappen?O, ziet, wat vreemder dracht! zijn mantel kakelbontGeboord met beekskens van kwikzilver schijnt in 't rond,En elke streep, die door 't scharlaken men ziet zwieren,Strekt tot een vlok aan 't einde agaatsteen of porfieren:Een koppel honden vast vervolgen hier den das:Daar weêr den loozen vos: daar 't geitken snel en ras:De leeuwerk, nachtegaal, en 't sijsken ongevangenGebootst op 't schijngeboomt, de vlerken latend' hangen,Haar keel schijnt zwellen doen, en, met zoet veldgeschrei,Al kwinkeleerend' te beschamen den schalmei.D'eerdrook[305], de pimpernel, en petercelieblârenBeschaauwt 't gevlochten loof van zijn gekrunkeld' haren.Hij keert, hij draait, hij is vrijpostig net bespraakt;Veel kleine kringen in zijn groote rond' hij maakt:Zijn geschakeerde loop zich hier en gins gaat spreeden,En nog[306]verzelt één maat deze ongeregeldheden.Ruimbaan, o ieders walg! onheilige, aan een kant!Noch lot noch deel hebt ge aan dees heilge wellusts brand;Maar, zuivre zielen, komt! doorsnijdt gij vrij 't gedrange,Tza, wint de voorplaats, dat dit paar[307]verzade[308], eerlange,Ons oog met haar gelaat, dat overschoone paar:Alleen, alleen de feest wordt aangesteld om haar.O, 'k zie ze dicht hierbij, help God! wat fakkel licht er!Ik kan ze dulden niet, o eerste klaarheids stichter!O, zonne van de zon! helaas! de punten hierWat van uw stralen koelt, en matigt wat uw vier,Met uitgestorte glans uw zuster gaat verrassen;'t Is uit met mij, ik kan niet meer, ik keer tot asschen.O zaalge weêrgaân! nu 't met oorlof niet kan schien,Uw bevrunde aangezicht oon hinder aan te zien,Duldt, dat ik uwen dans, uws cieraads gulden stukkenEn zoete woorden, in mijn dichten uit mag drukken.De koningin haar haar (haar, waarvan distileertSteeds frissche dauw) draagt in veel krollen gefrizeerd:D'een vloeit ten voeten neêr in heldre lokskens, de anderRijst met lang peerlesnoer gebonden aan malkander.Haar keurs damast is, met een zilvren frangiën-zoom,Geloof werkt rijklijk met het zilver van een stroom,Met maankruid, met kouwoerd[309]heel uitheemsch gaâr[310]geweven,En met het dier vermaald, dat bij de locht moet leven[311].Wat wildy, Musa! met een errenstig pinceel,In 't breede afmalen al haar schoonheid in 't geheel:Van al de schoonheid, glans, gunst, rijkdom uitgescheyen[312],Daar d' hemel meê beschonk de huppelende reyenZij moeder is alleen, en, als een kristalijn[313],Den dans-aanschouw'ren zij'r af[314]jont den wederschijn.Een hoed[315], geweven gaâr[310]van bloemen die wel gaayen,[316]Citroenen, aren, en clytien die steeds draayen,En met robijn borduurd, balais, en chrysolijt,Bekroont 't straalworpend hoofd des bruidegoms[317]altijd.Zijn gesaffraande kraag tot spelwerk[318]heeft wel honderdKarbonk'len, rood als vuur, de balsem uitgezonderd[319],De ceder, de kanneel, de lauwer rijk gebeeld,
Die leidt vast aarzelings het duifken glad van kuive;Die draayen doet rondom een wilde ringelduive.Ziet, hoe een bende van dees pottertjens[225]te gaârDe gulden witjens jaagt zoo dertel hier en daar,'t Een met een rozetak wil vangen 't zomeruiltjen,Die met zijn handjens teêr, een ander met een tuiltjen:'t Gehoornde vogelken[226]ontslipt ze, en leurt[227]een vlaag[228],Met lichte sprong op sprong, der minneboefjens laag."Mijn buisjens[229]!" Cypris roept, "weg met dees malle mijntjens[230],Want voor een zomeruil, mijn kleintjens! moogdy fijntjensDoen sneuvelen ter neêr een dertel Venuskind,Gehoornde Cupidons genoeg men alzins[231]vindt."Twee tweelingen daar op, wiens gulden minneflitsenIn 't koninklijke bloed slechts weeken hare spitsen:"Tza, broeder!" zeggen zij, "dat onz' hand inder ijlIn dees twee herten elk ga schieten eenen pijl:"De daad zoo snel gaat, als 't gevlerkte woord, zijn gangen.Zij doen een keer twee drie om zoo de vlucht t' erlangen:'t Gepluimde vlerksken elk klep, klep! beweegt en zwaaitDen krink[232]gekarmozijnd tot driemaal, ingezaaidHier 't goud, daar 't hemelsblaauw, 't een naar Judeên gaat pogen,En 't ander spoedt naar 't strand des Nijls, hoog opgetogen;Ziet, Faroos dochter doen[233], haars tijds bragaat[234]en eer,Haar vlechten streelde[235], die ter aarden golfden neêr,En in een klein vertrek, gevloerd met geele platen[236],De geestig' hand van drie kunstjonffren stond gelaten[237];Met 't weêrzijds honderdmaal getande palmhout daarDe lokken ploegde d' een van haar uitvloeyend haar[238],En d' ander overstortt' haar guldene perruiken[239]Met eenen Nectarstroom zachtglijend', zoet om ruiken:De derde, nu met naald, nu met een vinger eêl,Frizeert en nopt en krolt en kronkelt een goed deel,En d' ander watert z' hier en daar naar de oû gewoonheid,En, smalende op de kunst, verheerlijken haar schoonheid:Als dezer tweelings een met 't schut, dat vurig blaakt,In zwaluwen gestalt, daar snellijk binnen raakt,En op haar boezem lost, 'k en weet niet hoe, de veugelSchalk 't gouden boogsken, dat school onder slinker[240]vleugel;De maagd zegt: "ik heb 't weg, 'k heb 't in de lenden, ach!"Maar als zij bij haar bloed nog geen litteeken[241]zag,"Neen, 't is geen wonde och arm! ik wedde," zegt ze al droever,"Dat, slapende op de kant van 't naaste beekskens oever,Een adder boos van aard in mijnen boezem gleê;Zij pikt mij in mijn herte! o, reikt mij hand op steê[242],Brengt mij fluks beddewaarts, eens ijzig vuurs vernielenEen heete ijskegel is de kwelgeest mijner zielen[243]."Hoe vele ga!s helaas! o, wicht, te fel en bits!Met uwen honig mengt uw invergifte[244]flits!De maagd, die op 't vermaal[245]der velden plag te weyen,Te lachen, springen, en te dansen met haar reyen,Lieft de eenzaamheid, is droef, en bij haar zelven[246]stom,Steent, mijmert, en verzucht, en weet niet eens waarom.De rijkdom, 't prat geweld der naalden opgetogenHaar stelt der Jebuzeên bolwerken naakt voor oogen.In 't kristalijn des Nijls verschijnt haar de Jordaan,In Memfis Solyme[247], en steeds t' elken weder aanHaar hand bootst op 't stramien, van zelf en ongeboden,'t Beeld en schoon voorhoofd van de vorst en prins der Joden:Dien, als hij voorslag[248]vast van d' heil'ge tempel maakt,Juist op een zelve tijd het ander tweeling raakt:De pijl hecht in 't gebeent, de ramp zit in zijn âren,De slaap doet niet in slaap zijn zoete smerten varen,Faronide is zijn hert, Faronide is alleenDe eenige stoffe van zijn hooge wonderreên.Hij voedt een burgerkrijg in zijn gemoed van binnen.Nu rijst de alziende zon, om 's aardrijks lijst[249]te winnen,Nu sticht ze 's middags brand, nu rust ze in schaduw frisch,Maar zijne min steeds op haar heete middag is.Hij temt zijn peerden als voorheen niet zoo vermetel,Hij leest noch schrijft, noch klimt op zijnen rechters zetel,Om hooren 's weduws klacht, noch zorgt voor 't hofgezin,Hij stelt geen wet meer, hij ontvangt ze van de min.Gezanten, die beraân[250]dees feeste gaat betrachten[251],Met tafereelen noch met ringen wilt bevrachtenUw koets; de schrandre min heeft lang 't afzetsel zoetGesneden, met zijn schicht, in 't diepst' van haar gemoed;D' een steeds in d' ander leeft, zij hebben, zeldzaam perten[252]!Verwisseld tegen een elkanders vuurge herten;Veel min genoegens 't hert vindt in als buiten haar,Maar 't wenscht met zijnen gast te huwen 't lijf te gaâr.'t Gebeurt welhaast, de maagd men uit de prangende ermenHaars moeders rukt en trekt, die al beroerd[253]gaat kermen,En blijde is te gelijk, en schreyende en ontsteld,De vader, oude stok[254], dus haar vertrek verzelt:"Mijn kind, mijn zoete zorg, Osiris leide uw wegen,De loyende[255]Isis brenge uw huis eerlang den zegenEens guldenen geslachts, en met uw dagen nuDe kuische liefde groei van Salomon en u!"Vrouw, maagd, kind, jong en oud, gezonde en kranke menschenVan toornen[256]volgen haar met wenken en goê wenschen.De stille Nijl woelt min als hij wel anders doet.Het Zuiden strekt schips wind en onwind voor den vloed.Haar voetzool 't land alsins welriekende doet schijnen:Haar ooge vruchtbaar maakt de Arabische woestijnen.'t Is Idumeër feeste; alsins men, al den dag,Niet dan kromhoornen hoort, gepijp, en trommel-slag.Als mieren krielet[257]volk bekranst te veldwaarts inne,En juicht en roept: "veel heils! veel heils de koninginne!O, dat ze een loot gelijk', dien de overschaauwde voetVan een te weeldig hout bleekverwig treuren doet,Maar van een zoeter wind haar elders op laat kweeken,En trotsch haar ruigte doet ten blonden Hemel steken:'t Lacht t' haarwaarts al, daar[258]in nieuwe aard' zij willig tiert,En met gulde' app'len zij den gantschen lusthof ciert."Van 't rijke Sion men kan straten zien noch raken.'t Beneênste is getapijt met ruiggehaard scharlaken,De zijden zijn van zij', 't borduursel onbevlektDie voor de stralen van te heeten zon bedekt;Men dringt, men stoeit te hoop; een tij[259]van menschen hedenVolgt golvende alsins na de maget[260]aangebeden.De jonffren worpen[261]van de daken even zeerOp haar weêrlichtend[262]hoofd een bloemenregen neêr,Jeloers, dat telken niet haars kaakskens tweelingrozenDie rozen schande aandoen, die van naturen[263]blozen.Ten leste komt ons hier der vorsten eere en pracht:Dees twee gelieven, als ter maanden halver drachtDe klare zon en maan malkandren hel belonken,En worpen minlijk toe d' een d' ander duizend vonken.Zij zijn te gaâr gelijk schoon, jeugdig, groen, en blij,Gelijk in aardigheid; en wie niet van nabijNoch huif, noch mutse[264]ziet haar gulden hoofden cieren,Waant 't zijn Adonissen, of 't zijn twee Venus-dieren[265],Uit vreeze beven reê dees leerlings van de min:Haar eerste ontmoeten schijnt t' ontstellen hert en zin.De zoete bernkool[266], die inwendig broeit, mitsdezenSchiet roode vlammen door haar teder vrouw'lijk wezen,Haar tonge stamelt, en haar starende oogen stilEen schaamzaam[267]lamfer, schijnt[268], uit schaamt' bedekken wil.O prachtig' hymen! maar waar voerdy mij om hooge?Ben ik reed' Heidensch niet omtrent die zaal'ge boge,Daar hooge en leeger Goôn, en mindren, blij van geestMaaltijden, sprongen om, op Thetis' bruiloftsfeest[269]?Van 't Idumeesche land Juppijn de groot'[270]hier, onderZijn lichte voeten, treedt den vuurge' en heeten donder,Verliest zijn majesteit door 't lachende gelaat,Van koning hoovling wordt, van vorst een onderzaat,Den kleinsten heel gelijk; en evenwel te meereBlinkt op zijn aangezicht al steeds de veinzende[271]eere.Meer als een Febus hier, meer als een Musa licht[272]Op 't gulde boogsken springt, en 't lieflijk maatgedicht[269],Zoo aardig, dat bijna arcadische[273]en pilarenOpspringen op 't gedreun van zang en zoete snaren.Veel Juno's schouw ik hier en veel Minerven aan,En veel Dianen, die in looze strikken vaânWel duizend heeren, naar dat rijkdoms lust en liefde,Of eer of schoonheids brand haar 't herte kwetste en griefde.Veel aardig' Hebens, en meer als een Chiron hierOm dienst begaan, omtrent de bedden[274]goedertierDen nectar schaffen op; de disch ontvangt met belgenDe schootlen die, gebeeld[275], de ambrosia verzwelgen.Wel honderd Marsen hier, oon bloeddorst op de been,Wel honderd Hermens voên tien duizend vrolijkheên.Tien-tien[276]Oreades, Pans, Satyrs narrisch[277]vlijenZich[278], aan te stellen tien-tien[276]zotte mommerijen:Want, ik en weet niet hoe, Gods knechten in 't gemeenInzuipen 't zoet vergif van woeste uitheemsche zeên.Van zoo veel beelden, daar een ander zich aan kwijtenMag, en die cieren met zijn heerlijke tapijten[279].Ik onder 't tijdverdrijf wil kiezen eenen dans,Die met wijszoet vermaak zij vergezelschapt gants,Kuisch' heilge defte[280]dans, dans, die te zonderlingenAan Sal'mons grootheid past en aan mijn heilig zingen.De lekkre schootlen nu gelicht[281], na 't dralen lang,De dans vangt aan te gaan, in 't wijde en ruim bevangEens zaals, die klaar, die rond, Augustisch[282]altemale,Te recht men noemen mag des werelds groote zale.O welken wellust! te zien hupplen zij aan zijIn 't rond, langs hooge muur, een bende vrouwen blijEn helden; haar oog licht als Farus[283]blinkt in 't duister,Haar lijf gecierd is met klinkanten[284], schoon van luister!'t En is geen aars'len, maar een glijding zoet van pas;Eenstemmigheid haar toom is, zij gaan even ras;D' een luistert naar den gang des and'ren, juist en even,Die 't ziet, waant dat ze van één geest zijn voortgedreven;Al snellen zij, men zou 't noch zeggen, noch vermoên:Zij posten[285], tusschen tien-tien-duist schreên die ze doen,Een schreê zij rugwaarts gaan: de een ronde doen ze op de ander,En vruchtbaar lonken zij in 't loopen op malkander.In 't midden van de vloer zich sluyerwijs verspreedtEen hemelsblaauwe riem, gemarbeld[286]lang en breedMet beelden, daar met vlam betogen wij aanschouwenEn dansen zien te hoop vijf heeren en twee vrouwen[287].Hier danst een oude stok, met zijnen mantel lang[288]En bruingraauw, stijf omgord met een blaauwe adderslang,Die knaagt haar krunkelsteert, en kunstelijk ik sporeRuit, vierkruid, en komijn, alruin en[289]mandragoreVoortskruipen in zijn kleed, waarin geschilderd zijnNaar 't leven het kameel, de beer, den ezel, 't zwijn:De wakkre vogel-kraan luid schreeuwt met veel geschals hier,De paauw zijn steert opsteekt: hij draagter tot een hals-cierEen groote cornalijn, daar 's kunst'naars ijzer dichtDen tijd in sneê met zijn drievoudig aangezicht.Zijn treden zijn gewis, zijn aanzicht nors van 't veinzen,Zijn lichaam is wel hier, maar elders zijn gepeinzen.D' heer[290]Zadok gaat'er met een gang, kloek, gaauw, en vlug,Braaf is hij, vro[291], en hupsch: op zijnen stijven rugEen zijdenkleed, wiens verwe op[292]'t blanke tin wil trekken,Met groote plooyen zich en vouwen uit gaat strekken,Gebeeld met eekel, aar, met lelie, violet,Olijf, mirobalaan: geboord, en rond omzetMet aarnen[293], droef[294]van pluim, met heerlijke faisanten,En met gejukte toornverschuddende[295]elefanten,Bezaaid met esmerald, en diamantscherp ook,En hoog en leeg doorvoerd met zoete geur en rook[296].De derde[297]op 't zelve plein[298]verhaast nog meer benedenVan zijn soldaatsche dans de woeste krijgsmans treden;'t Gelaat is enkel vuur, en menig Jaspis schoon,En menige Amethist, op d' appel klaar ten toonVan zijn krom slagzweerd blinkt: van hoofdscheêl tot den tenenBlaauwt het gereten staal om 't moedig lichaam henen,'t Goud op zijn beuk'laar vlamt, wiens rand, alom verguld,Met peerden snel te voet en wolven is gebuld[299]:En d'ommeloop des schilds gecierd is en beladenMet 't loofwerk van Euforb' en Scammonye bladen.Wie zijdy, schoone[300]! die met 't vuur uws oogs steekt aanDen hemel, en de locht, en de aarde, en d' oceaan?O, aller schoonen schoonste! u zelven ons wilt mellen[301]:Wien tortel, mussche, en duif, bij nacht bij daag verzellenMet groote eerbiedigheid: wiens gulden vlechthaar blinkt,Dat met roô rozen, thijm, en myrten is omringd;Die eenen cestes[302]gordt welriekende om uw lenden,Daar aardig nest'len in der minneguitjens benden:Om wiens gewaad een boord van veel granaten loopt,Gezoomd met klaar beryl, met safier toegeknoopt:Wiens voet verkleinende, in 't verklaard gewelf der sterrenNu volgt der dansers vorst, nu voordanst weêr van verren:Zijt gij 't o schoone! niet, die met een kuischzoet vuur,Onz' eega's herten in één hert smolt en natuur?En deze, die u volgt met aangename stappen[303],Deed hij behend niet die schoontalige[304]boodschappen?O, ziet, wat vreemder dracht! zijn mantel kakelbontGeboord met beekskens van kwikzilver schijnt in 't rond,En elke streep, die door 't scharlaken men ziet zwieren,Strekt tot een vlok aan 't einde agaatsteen of porfieren:Een koppel honden vast vervolgen hier den das:Daar weêr den loozen vos: daar 't geitken snel en ras:De leeuwerk, nachtegaal, en 't sijsken ongevangenGebootst op 't schijngeboomt, de vlerken latend' hangen,Haar keel schijnt zwellen doen, en, met zoet veldgeschrei,Al kwinkeleerend' te beschamen den schalmei.D'eerdrook[305], de pimpernel, en petercelieblârenBeschaauwt 't gevlochten loof van zijn gekrunkeld' haren.Hij keert, hij draait, hij is vrijpostig net bespraakt;Veel kleine kringen in zijn groote rond' hij maakt:Zijn geschakeerde loop zich hier en gins gaat spreeden,En nog[306]verzelt één maat deze ongeregeldheden.Ruimbaan, o ieders walg! onheilige, aan een kant!Noch lot noch deel hebt ge aan dees heilge wellusts brand;Maar, zuivre zielen, komt! doorsnijdt gij vrij 't gedrange,Tza, wint de voorplaats, dat dit paar[307]verzade[308], eerlange,Ons oog met haar gelaat, dat overschoone paar:Alleen, alleen de feest wordt aangesteld om haar.O, 'k zie ze dicht hierbij, help God! wat fakkel licht er!Ik kan ze dulden niet, o eerste klaarheids stichter!O, zonne van de zon! helaas! de punten hierWat van uw stralen koelt, en matigt wat uw vier,Met uitgestorte glans uw zuster gaat verrassen;'t Is uit met mij, ik kan niet meer, ik keer tot asschen.O zaalge weêrgaân! nu 't met oorlof niet kan schien,Uw bevrunde aangezicht oon hinder aan te zien,Duldt, dat ik uwen dans, uws cieraads gulden stukkenEn zoete woorden, in mijn dichten uit mag drukken.De koningin haar haar (haar, waarvan distileertSteeds frissche dauw) draagt in veel krollen gefrizeerd:D'een vloeit ten voeten neêr in heldre lokskens, de anderRijst met lang peerlesnoer gebonden aan malkander.Haar keurs damast is, met een zilvren frangiën-zoom,Geloof werkt rijklijk met het zilver van een stroom,Met maankruid, met kouwoerd[309]heel uitheemsch gaâr[310]geweven,En met het dier vermaald, dat bij de locht moet leven[311].Wat wildy, Musa! met een errenstig pinceel,In 't breede afmalen al haar schoonheid in 't geheel:Van al de schoonheid, glans, gunst, rijkdom uitgescheyen[312],Daar d' hemel meê beschonk de huppelende reyenZij moeder is alleen, en, als een kristalijn[313],Den dans-aanschouw'ren zij'r af[314]jont den wederschijn.Een hoed[315], geweven gaâr[310]van bloemen die wel gaayen,[316]Citroenen, aren, en clytien die steeds draayen,En met robijn borduurd, balais, en chrysolijt,Bekroont 't straalworpend hoofd des bruidegoms[317]altijd.Zijn gesaffraande kraag tot spelwerk[318]heeft wel honderdKarbonk'len, rood als vuur, de balsem uitgezonderd[319],De ceder, de kanneel, de lauwer rijk gebeeld,
Die leidt vast aarzelings het duifken glad van kuive;Die draayen doet rondom een wilde ringelduive.Ziet, hoe een bende van dees pottertjens[225]te gaârDe gulden witjens jaagt zoo dertel hier en daar,'t Een met een rozetak wil vangen 't zomeruiltjen,Die met zijn handjens teêr, een ander met een tuiltjen:'t Gehoornde vogelken[226]ontslipt ze, en leurt[227]een vlaag[228],Met lichte sprong op sprong, der minneboefjens laag."Mijn buisjens[229]!" Cypris roept, "weg met dees malle mijntjens[230],Want voor een zomeruil, mijn kleintjens! moogdy fijntjensDoen sneuvelen ter neêr een dertel Venuskind,Gehoornde Cupidons genoeg men alzins[231]vindt."Twee tweelingen daar op, wiens gulden minneflitsenIn 't koninklijke bloed slechts weeken hare spitsen:"Tza, broeder!" zeggen zij, "dat onz' hand inder ijlIn dees twee herten elk ga schieten eenen pijl:"De daad zoo snel gaat, als 't gevlerkte woord, zijn gangen.Zij doen een keer twee drie om zoo de vlucht t' erlangen:'t Gepluimde vlerksken elk klep, klep! beweegt en zwaaitDen krink[232]gekarmozijnd tot driemaal, ingezaaidHier 't goud, daar 't hemelsblaauw, 't een naar Judeên gaat pogen,En 't ander spoedt naar 't strand des Nijls, hoog opgetogen;Ziet, Faroos dochter doen[233], haars tijds bragaat[234]en eer,Haar vlechten streelde[235], die ter aarden golfden neêr,En in een klein vertrek, gevloerd met geele platen[236],De geestig' hand van drie kunstjonffren stond gelaten[237];Met 't weêrzijds honderdmaal getande palmhout daarDe lokken ploegde d' een van haar uitvloeyend haar[238],En d' ander overstortt' haar guldene perruiken[239]Met eenen Nectarstroom zachtglijend', zoet om ruiken:De derde, nu met naald, nu met een vinger eêl,Frizeert en nopt en krolt en kronkelt een goed deel,En d' ander watert z' hier en daar naar de oû gewoonheid,En, smalende op de kunst, verheerlijken haar schoonheid:Als dezer tweelings een met 't schut, dat vurig blaakt,In zwaluwen gestalt, daar snellijk binnen raakt,En op haar boezem lost, 'k en weet niet hoe, de veugelSchalk 't gouden boogsken, dat school onder slinker[240]vleugel;De maagd zegt: "ik heb 't weg, 'k heb 't in de lenden, ach!"Maar als zij bij haar bloed nog geen litteeken[241]zag,"Neen, 't is geen wonde och arm! ik wedde," zegt ze al droever,"Dat, slapende op de kant van 't naaste beekskens oever,Een adder boos van aard in mijnen boezem gleê;Zij pikt mij in mijn herte! o, reikt mij hand op steê[242],Brengt mij fluks beddewaarts, eens ijzig vuurs vernielenEen heete ijskegel is de kwelgeest mijner zielen[243]."Hoe vele ga!s helaas! o, wicht, te fel en bits!Met uwen honig mengt uw invergifte[244]flits!De maagd, die op 't vermaal[245]der velden plag te weyen,Te lachen, springen, en te dansen met haar reyen,Lieft de eenzaamheid, is droef, en bij haar zelven[246]stom,Steent, mijmert, en verzucht, en weet niet eens waarom.De rijkdom, 't prat geweld der naalden opgetogenHaar stelt der Jebuzeên bolwerken naakt voor oogen.In 't kristalijn des Nijls verschijnt haar de Jordaan,In Memfis Solyme[247], en steeds t' elken weder aanHaar hand bootst op 't stramien, van zelf en ongeboden,'t Beeld en schoon voorhoofd van de vorst en prins der Joden:Dien, als hij voorslag[248]vast van d' heil'ge tempel maakt,Juist op een zelve tijd het ander tweeling raakt:De pijl hecht in 't gebeent, de ramp zit in zijn âren,De slaap doet niet in slaap zijn zoete smerten varen,Faronide is zijn hert, Faronide is alleenDe eenige stoffe van zijn hooge wonderreên.Hij voedt een burgerkrijg in zijn gemoed van binnen.Nu rijst de alziende zon, om 's aardrijks lijst[249]te winnen,Nu sticht ze 's middags brand, nu rust ze in schaduw frisch,Maar zijne min steeds op haar heete middag is.Hij temt zijn peerden als voorheen niet zoo vermetel,Hij leest noch schrijft, noch klimt op zijnen rechters zetel,Om hooren 's weduws klacht, noch zorgt voor 't hofgezin,Hij stelt geen wet meer, hij ontvangt ze van de min.Gezanten, die beraân[250]dees feeste gaat betrachten[251],Met tafereelen noch met ringen wilt bevrachtenUw koets; de schrandre min heeft lang 't afzetsel zoetGesneden, met zijn schicht, in 't diepst' van haar gemoed;D' een steeds in d' ander leeft, zij hebben, zeldzaam perten[252]!Verwisseld tegen een elkanders vuurge herten;Veel min genoegens 't hert vindt in als buiten haar,Maar 't wenscht met zijnen gast te huwen 't lijf te gaâr.'t Gebeurt welhaast, de maagd men uit de prangende ermenHaars moeders rukt en trekt, die al beroerd[253]gaat kermen,En blijde is te gelijk, en schreyende en ontsteld,De vader, oude stok[254], dus haar vertrek verzelt:"Mijn kind, mijn zoete zorg, Osiris leide uw wegen,De loyende[255]Isis brenge uw huis eerlang den zegenEens guldenen geslachts, en met uw dagen nuDe kuische liefde groei van Salomon en u!"Vrouw, maagd, kind, jong en oud, gezonde en kranke menschenVan toornen[256]volgen haar met wenken en goê wenschen.De stille Nijl woelt min als hij wel anders doet.Het Zuiden strekt schips wind en onwind voor den vloed.Haar voetzool 't land alsins welriekende doet schijnen:Haar ooge vruchtbaar maakt de Arabische woestijnen.'t Is Idumeër feeste; alsins men, al den dag,Niet dan kromhoornen hoort, gepijp, en trommel-slag.Als mieren krielet[257]volk bekranst te veldwaarts inne,En juicht en roept: "veel heils! veel heils de koninginne!O, dat ze een loot gelijk', dien de overschaauwde voetVan een te weeldig hout bleekverwig treuren doet,Maar van een zoeter wind haar elders op laat kweeken,En trotsch haar ruigte doet ten blonden Hemel steken:'t Lacht t' haarwaarts al, daar[258]in nieuwe aard' zij willig tiert,En met gulde' app'len zij den gantschen lusthof ciert."Van 't rijke Sion men kan straten zien noch raken.'t Beneênste is getapijt met ruiggehaard scharlaken,De zijden zijn van zij', 't borduursel onbevlektDie voor de stralen van te heeten zon bedekt;Men dringt, men stoeit te hoop; een tij[259]van menschen hedenVolgt golvende alsins na de maget[260]aangebeden.De jonffren worpen[261]van de daken even zeerOp haar weêrlichtend[262]hoofd een bloemenregen neêr,Jeloers, dat telken niet haars kaakskens tweelingrozenDie rozen schande aandoen, die van naturen[263]blozen.Ten leste komt ons hier der vorsten eere en pracht:Dees twee gelieven, als ter maanden halver drachtDe klare zon en maan malkandren hel belonken,En worpen minlijk toe d' een d' ander duizend vonken.Zij zijn te gaâr gelijk schoon, jeugdig, groen, en blij,Gelijk in aardigheid; en wie niet van nabijNoch huif, noch mutse[264]ziet haar gulden hoofden cieren,Waant 't zijn Adonissen, of 't zijn twee Venus-dieren[265],Uit vreeze beven reê dees leerlings van de min:Haar eerste ontmoeten schijnt t' ontstellen hert en zin.De zoete bernkool[266], die inwendig broeit, mitsdezenSchiet roode vlammen door haar teder vrouw'lijk wezen,Haar tonge stamelt, en haar starende oogen stilEen schaamzaam[267]lamfer, schijnt[268], uit schaamt' bedekken wil.O prachtig' hymen! maar waar voerdy mij om hooge?Ben ik reed' Heidensch niet omtrent die zaal'ge boge,Daar hooge en leeger Goôn, en mindren, blij van geestMaaltijden, sprongen om, op Thetis' bruiloftsfeest[269]?Van 't Idumeesche land Juppijn de groot'[270]hier, onderZijn lichte voeten, treedt den vuurge' en heeten donder,Verliest zijn majesteit door 't lachende gelaat,Van koning hoovling wordt, van vorst een onderzaat,Den kleinsten heel gelijk; en evenwel te meereBlinkt op zijn aangezicht al steeds de veinzende[271]eere.Meer als een Febus hier, meer als een Musa licht[272]Op 't gulde boogsken springt, en 't lieflijk maatgedicht[269],Zoo aardig, dat bijna arcadische[273]en pilarenOpspringen op 't gedreun van zang en zoete snaren.Veel Juno's schouw ik hier en veel Minerven aan,En veel Dianen, die in looze strikken vaânWel duizend heeren, naar dat rijkdoms lust en liefde,Of eer of schoonheids brand haar 't herte kwetste en griefde.Veel aardig' Hebens, en meer als een Chiron hierOm dienst begaan, omtrent de bedden[274]goedertierDen nectar schaffen op; de disch ontvangt met belgenDe schootlen die, gebeeld[275], de ambrosia verzwelgen.Wel honderd Marsen hier, oon bloeddorst op de been,Wel honderd Hermens voên tien duizend vrolijkheên.Tien-tien[276]Oreades, Pans, Satyrs narrisch[277]vlijenZich[278], aan te stellen tien-tien[276]zotte mommerijen:Want, ik en weet niet hoe, Gods knechten in 't gemeenInzuipen 't zoet vergif van woeste uitheemsche zeên.Van zoo veel beelden, daar een ander zich aan kwijtenMag, en die cieren met zijn heerlijke tapijten[279].Ik onder 't tijdverdrijf wil kiezen eenen dans,Die met wijszoet vermaak zij vergezelschapt gants,Kuisch' heilge defte[280]dans, dans, die te zonderlingenAan Sal'mons grootheid past en aan mijn heilig zingen.De lekkre schootlen nu gelicht[281], na 't dralen lang,De dans vangt aan te gaan, in 't wijde en ruim bevangEens zaals, die klaar, die rond, Augustisch[282]altemale,Te recht men noemen mag des werelds groote zale.O welken wellust! te zien hupplen zij aan zijIn 't rond, langs hooge muur, een bende vrouwen blijEn helden; haar oog licht als Farus[283]blinkt in 't duister,Haar lijf gecierd is met klinkanten[284], schoon van luister!'t En is geen aars'len, maar een glijding zoet van pas;Eenstemmigheid haar toom is, zij gaan even ras;D' een luistert naar den gang des and'ren, juist en even,Die 't ziet, waant dat ze van één geest zijn voortgedreven;Al snellen zij, men zou 't noch zeggen, noch vermoên:Zij posten[285], tusschen tien-tien-duist schreên die ze doen,Een schreê zij rugwaarts gaan: de een ronde doen ze op de ander,En vruchtbaar lonken zij in 't loopen op malkander.In 't midden van de vloer zich sluyerwijs verspreedtEen hemelsblaauwe riem, gemarbeld[286]lang en breedMet beelden, daar met vlam betogen wij aanschouwenEn dansen zien te hoop vijf heeren en twee vrouwen[287].Hier danst een oude stok, met zijnen mantel lang[288]En bruingraauw, stijf omgord met een blaauwe adderslang,Die knaagt haar krunkelsteert, en kunstelijk ik sporeRuit, vierkruid, en komijn, alruin en[289]mandragoreVoortskruipen in zijn kleed, waarin geschilderd zijnNaar 't leven het kameel, de beer, den ezel, 't zwijn:De wakkre vogel-kraan luid schreeuwt met veel geschals hier,De paauw zijn steert opsteekt: hij draagter tot een hals-cierEen groote cornalijn, daar 's kunst'naars ijzer dichtDen tijd in sneê met zijn drievoudig aangezicht.Zijn treden zijn gewis, zijn aanzicht nors van 't veinzen,Zijn lichaam is wel hier, maar elders zijn gepeinzen.D' heer[290]Zadok gaat'er met een gang, kloek, gaauw, en vlug,Braaf is hij, vro[291], en hupsch: op zijnen stijven rugEen zijdenkleed, wiens verwe op[292]'t blanke tin wil trekken,Met groote plooyen zich en vouwen uit gaat strekken,Gebeeld met eekel, aar, met lelie, violet,Olijf, mirobalaan: geboord, en rond omzetMet aarnen[293], droef[294]van pluim, met heerlijke faisanten,En met gejukte toornverschuddende[295]elefanten,Bezaaid met esmerald, en diamantscherp ook,En hoog en leeg doorvoerd met zoete geur en rook[296].De derde[297]op 't zelve plein[298]verhaast nog meer benedenVan zijn soldaatsche dans de woeste krijgsmans treden;'t Gelaat is enkel vuur, en menig Jaspis schoon,En menige Amethist, op d' appel klaar ten toonVan zijn krom slagzweerd blinkt: van hoofdscheêl tot den tenenBlaauwt het gereten staal om 't moedig lichaam henen,'t Goud op zijn beuk'laar vlamt, wiens rand, alom verguld,Met peerden snel te voet en wolven is gebuld[299]:En d'ommeloop des schilds gecierd is en beladenMet 't loofwerk van Euforb' en Scammonye bladen.Wie zijdy, schoone[300]! die met 't vuur uws oogs steekt aanDen hemel, en de locht, en de aarde, en d' oceaan?O, aller schoonen schoonste! u zelven ons wilt mellen[301]:Wien tortel, mussche, en duif, bij nacht bij daag verzellenMet groote eerbiedigheid: wiens gulden vlechthaar blinkt,Dat met roô rozen, thijm, en myrten is omringd;Die eenen cestes[302]gordt welriekende om uw lenden,Daar aardig nest'len in der minneguitjens benden:Om wiens gewaad een boord van veel granaten loopt,Gezoomd met klaar beryl, met safier toegeknoopt:Wiens voet verkleinende, in 't verklaard gewelf der sterrenNu volgt der dansers vorst, nu voordanst weêr van verren:Zijt gij 't o schoone! niet, die met een kuischzoet vuur,Onz' eega's herten in één hert smolt en natuur?En deze, die u volgt met aangename stappen[303],Deed hij behend niet die schoontalige[304]boodschappen?O, ziet, wat vreemder dracht! zijn mantel kakelbontGeboord met beekskens van kwikzilver schijnt in 't rond,En elke streep, die door 't scharlaken men ziet zwieren,Strekt tot een vlok aan 't einde agaatsteen of porfieren:Een koppel honden vast vervolgen hier den das:Daar weêr den loozen vos: daar 't geitken snel en ras:De leeuwerk, nachtegaal, en 't sijsken ongevangenGebootst op 't schijngeboomt, de vlerken latend' hangen,Haar keel schijnt zwellen doen, en, met zoet veldgeschrei,Al kwinkeleerend' te beschamen den schalmei.D'eerdrook[305], de pimpernel, en petercelieblârenBeschaauwt 't gevlochten loof van zijn gekrunkeld' haren.Hij keert, hij draait, hij is vrijpostig net bespraakt;Veel kleine kringen in zijn groote rond' hij maakt:Zijn geschakeerde loop zich hier en gins gaat spreeden,En nog[306]verzelt één maat deze ongeregeldheden.Ruimbaan, o ieders walg! onheilige, aan een kant!Noch lot noch deel hebt ge aan dees heilge wellusts brand;Maar, zuivre zielen, komt! doorsnijdt gij vrij 't gedrange,Tza, wint de voorplaats, dat dit paar[307]verzade[308], eerlange,Ons oog met haar gelaat, dat overschoone paar:Alleen, alleen de feest wordt aangesteld om haar.O, 'k zie ze dicht hierbij, help God! wat fakkel licht er!Ik kan ze dulden niet, o eerste klaarheids stichter!O, zonne van de zon! helaas! de punten hierWat van uw stralen koelt, en matigt wat uw vier,Met uitgestorte glans uw zuster gaat verrassen;'t Is uit met mij, ik kan niet meer, ik keer tot asschen.O zaalge weêrgaân! nu 't met oorlof niet kan schien,Uw bevrunde aangezicht oon hinder aan te zien,Duldt, dat ik uwen dans, uws cieraads gulden stukkenEn zoete woorden, in mijn dichten uit mag drukken.De koningin haar haar (haar, waarvan distileertSteeds frissche dauw) draagt in veel krollen gefrizeerd:D'een vloeit ten voeten neêr in heldre lokskens, de anderRijst met lang peerlesnoer gebonden aan malkander.Haar keurs damast is, met een zilvren frangiën-zoom,Geloof werkt rijklijk met het zilver van een stroom,Met maankruid, met kouwoerd[309]heel uitheemsch gaâr[310]geweven,En met het dier vermaald, dat bij de locht moet leven[311].Wat wildy, Musa! met een errenstig pinceel,In 't breede afmalen al haar schoonheid in 't geheel:Van al de schoonheid, glans, gunst, rijkdom uitgescheyen[312],Daar d' hemel meê beschonk de huppelende reyenZij moeder is alleen, en, als een kristalijn[313],Den dans-aanschouw'ren zij'r af[314]jont den wederschijn.Een hoed[315], geweven gaâr[310]van bloemen die wel gaayen,[316]Citroenen, aren, en clytien die steeds draayen,En met robijn borduurd, balais, en chrysolijt,Bekroont 't straalworpend hoofd des bruidegoms[317]altijd.Zijn gesaffraande kraag tot spelwerk[318]heeft wel honderdKarbonk'len, rood als vuur, de balsem uitgezonderd[319],De ceder, de kanneel, de lauwer rijk gebeeld,
Die leidt vast aarzelings het duifken glad van kuive;
Die draayen doet rondom een wilde ringelduive.
Ziet, hoe een bende van dees pottertjens[225]te gaâr
De gulden witjens jaagt zoo dertel hier en daar,
't Een met een rozetak wil vangen 't zomeruiltjen,
Die met zijn handjens teêr, een ander met een tuiltjen:
't Gehoornde vogelken[226]ontslipt ze, en leurt[227]een vlaag[228],
Met lichte sprong op sprong, der minneboefjens laag.
"Mijn buisjens[229]!" Cypris roept, "weg met dees malle mijntjens[230],
Want voor een zomeruil, mijn kleintjens! moogdy fijntjens
Doen sneuvelen ter neêr een dertel Venuskind,
Gehoornde Cupidons genoeg men alzins[231]vindt."
Twee tweelingen daar op, wiens gulden minneflitsen
In 't koninklijke bloed slechts weeken hare spitsen:
"Tza, broeder!" zeggen zij, "dat onz' hand inder ijl
In dees twee herten elk ga schieten eenen pijl:"
De daad zoo snel gaat, als 't gevlerkte woord, zijn gangen.
Zij doen een keer twee drie om zoo de vlucht t' erlangen:
't Gepluimde vlerksken elk klep, klep! beweegt en zwaait
Den krink[232]gekarmozijnd tot driemaal, ingezaaid
Hier 't goud, daar 't hemelsblaauw, 't een naar Judeên gaat pogen,
En 't ander spoedt naar 't strand des Nijls, hoog opgetogen;
Ziet, Faroos dochter doen[233], haars tijds bragaat[234]en eer,
Haar vlechten streelde[235], die ter aarden golfden neêr,
En in een klein vertrek, gevloerd met geele platen[236],
De geestig' hand van drie kunstjonffren stond gelaten[237];
Met 't weêrzijds honderdmaal getande palmhout daar
De lokken ploegde d' een van haar uitvloeyend haar[238],
En d' ander overstortt' haar guldene perruiken[239]
Met eenen Nectarstroom zachtglijend', zoet om ruiken:
De derde, nu met naald, nu met een vinger eêl,
Frizeert en nopt en krolt en kronkelt een goed deel,
En d' ander watert z' hier en daar naar de oû gewoonheid,
En, smalende op de kunst, verheerlijken haar schoonheid:
Als dezer tweelings een met 't schut, dat vurig blaakt,
In zwaluwen gestalt, daar snellijk binnen raakt,
En op haar boezem lost, 'k en weet niet hoe, de veugel
Schalk 't gouden boogsken, dat school onder slinker[240]vleugel;
De maagd zegt: "ik heb 't weg, 'k heb 't in de lenden, ach!"
Maar als zij bij haar bloed nog geen litteeken[241]zag,
"Neen, 't is geen wonde och arm! ik wedde," zegt ze al droever,
"Dat, slapende op de kant van 't naaste beekskens oever,
Een adder boos van aard in mijnen boezem gleê;
Zij pikt mij in mijn herte! o, reikt mij hand op steê[242],
Brengt mij fluks beddewaarts, eens ijzig vuurs vernielen
Een heete ijskegel is de kwelgeest mijner zielen[243]."
Hoe vele ga!s helaas! o, wicht, te fel en bits!
Met uwen honig mengt uw invergifte[244]flits!
De maagd, die op 't vermaal[245]der velden plag te weyen,
Te lachen, springen, en te dansen met haar reyen,
Lieft de eenzaamheid, is droef, en bij haar zelven[246]stom,
Steent, mijmert, en verzucht, en weet niet eens waarom.
De rijkdom, 't prat geweld der naalden opgetogen
Haar stelt der Jebuzeên bolwerken naakt voor oogen.
In 't kristalijn des Nijls verschijnt haar de Jordaan,
In Memfis Solyme[247], en steeds t' elken weder aan
Haar hand bootst op 't stramien, van zelf en ongeboden,
't Beeld en schoon voorhoofd van de vorst en prins der Joden:
Dien, als hij voorslag[248]vast van d' heil'ge tempel maakt,
Juist op een zelve tijd het ander tweeling raakt:
De pijl hecht in 't gebeent, de ramp zit in zijn âren,
De slaap doet niet in slaap zijn zoete smerten varen,
Faronide is zijn hert, Faronide is alleen
De eenige stoffe van zijn hooge wonderreên.
Hij voedt een burgerkrijg in zijn gemoed van binnen.
Nu rijst de alziende zon, om 's aardrijks lijst[249]te winnen,
Nu sticht ze 's middags brand, nu rust ze in schaduw frisch,
Maar zijne min steeds op haar heete middag is.
Hij temt zijn peerden als voorheen niet zoo vermetel,
Hij leest noch schrijft, noch klimt op zijnen rechters zetel,
Om hooren 's weduws klacht, noch zorgt voor 't hofgezin,
Hij stelt geen wet meer, hij ontvangt ze van de min.
Gezanten, die beraân[250]dees feeste gaat betrachten[251],
Met tafereelen noch met ringen wilt bevrachten
Uw koets; de schrandre min heeft lang 't afzetsel zoet
Gesneden, met zijn schicht, in 't diepst' van haar gemoed;
D' een steeds in d' ander leeft, zij hebben, zeldzaam perten[252]!
Verwisseld tegen een elkanders vuurge herten;
Veel min genoegens 't hert vindt in als buiten haar,
Maar 't wenscht met zijnen gast te huwen 't lijf te gaâr.
't Gebeurt welhaast, de maagd men uit de prangende ermen
Haars moeders rukt en trekt, die al beroerd[253]gaat kermen,
En blijde is te gelijk, en schreyende en ontsteld,
De vader, oude stok[254], dus haar vertrek verzelt:
"Mijn kind, mijn zoete zorg, Osiris leide uw wegen,
De loyende[255]Isis brenge uw huis eerlang den zegen
Eens guldenen geslachts, en met uw dagen nu
De kuische liefde groei van Salomon en u!"
Vrouw, maagd, kind, jong en oud, gezonde en kranke menschen
Van toornen[256]volgen haar met wenken en goê wenschen.
De stille Nijl woelt min als hij wel anders doet.
Het Zuiden strekt schips wind en onwind voor den vloed.
Haar voetzool 't land alsins welriekende doet schijnen:
Haar ooge vruchtbaar maakt de Arabische woestijnen.
't Is Idumeër feeste; alsins men, al den dag,
Niet dan kromhoornen hoort, gepijp, en trommel-slag.
Als mieren krielet[257]volk bekranst te veldwaarts inne,
En juicht en roept: "veel heils! veel heils de koninginne!
O, dat ze een loot gelijk', dien de overschaauwde voet
Van een te weeldig hout bleekverwig treuren doet,
Maar van een zoeter wind haar elders op laat kweeken,
En trotsch haar ruigte doet ten blonden Hemel steken:
't Lacht t' haarwaarts al, daar[258]in nieuwe aard' zij willig tiert,
En met gulde' app'len zij den gantschen lusthof ciert."
Van 't rijke Sion men kan straten zien noch raken.
't Beneênste is getapijt met ruiggehaard scharlaken,
De zijden zijn van zij', 't borduursel onbevlekt
Die voor de stralen van te heeten zon bedekt;
Men dringt, men stoeit te hoop; een tij[259]van menschen heden
Volgt golvende alsins na de maget[260]aangebeden.
De jonffren worpen[261]van de daken even zeer
Op haar weêrlichtend[262]hoofd een bloemenregen neêr,
Jeloers, dat telken niet haars kaakskens tweelingrozen
Die rozen schande aandoen, die van naturen[263]blozen.
Ten leste komt ons hier der vorsten eere en pracht:
Dees twee gelieven, als ter maanden halver dracht
De klare zon en maan malkandren hel belonken,
En worpen minlijk toe d' een d' ander duizend vonken.
Zij zijn te gaâr gelijk schoon, jeugdig, groen, en blij,
Gelijk in aardigheid; en wie niet van nabij
Noch huif, noch mutse[264]ziet haar gulden hoofden cieren,
Waant 't zijn Adonissen, of 't zijn twee Venus-dieren[265],
Uit vreeze beven reê dees leerlings van de min:
Haar eerste ontmoeten schijnt t' ontstellen hert en zin.
De zoete bernkool[266], die inwendig broeit, mitsdezen
Schiet roode vlammen door haar teder vrouw'lijk wezen,
Haar tonge stamelt, en haar starende oogen stil
Een schaamzaam[267]lamfer, schijnt[268], uit schaamt' bedekken wil.
O prachtig' hymen! maar waar voerdy mij om hooge?
Ben ik reed' Heidensch niet omtrent die zaal'ge boge,
Daar hooge en leeger Goôn, en mindren, blij van geest
Maaltijden, sprongen om, op Thetis' bruiloftsfeest[269]?
Van 't Idumeesche land Juppijn de groot'[270]hier, onder
Zijn lichte voeten, treedt den vuurge' en heeten donder,
Verliest zijn majesteit door 't lachende gelaat,
Van koning hoovling wordt, van vorst een onderzaat,
Den kleinsten heel gelijk; en evenwel te meere
Blinkt op zijn aangezicht al steeds de veinzende[271]eere.
Meer als een Febus hier, meer als een Musa licht[272]
Op 't gulde boogsken springt, en 't lieflijk maatgedicht[269],
Zoo aardig, dat bijna arcadische[273]en pilaren
Opspringen op 't gedreun van zang en zoete snaren.
Veel Juno's schouw ik hier en veel Minerven aan,
En veel Dianen, die in looze strikken vaân
Wel duizend heeren, naar dat rijkdoms lust en liefde,
Of eer of schoonheids brand haar 't herte kwetste en griefde.
Veel aardig' Hebens, en meer als een Chiron hier
Om dienst begaan, omtrent de bedden[274]goedertier
Den nectar schaffen op; de disch ontvangt met belgen
De schootlen die, gebeeld[275], de ambrosia verzwelgen.
Wel honderd Marsen hier, oon bloeddorst op de been,
Wel honderd Hermens voên tien duizend vrolijkheên.
Tien-tien[276]Oreades, Pans, Satyrs narrisch[277]vlijen
Zich[278], aan te stellen tien-tien[276]zotte mommerijen:
Want, ik en weet niet hoe, Gods knechten in 't gemeen
Inzuipen 't zoet vergif van woeste uitheemsche zeên.
Van zoo veel beelden, daar een ander zich aan kwijten
Mag, en die cieren met zijn heerlijke tapijten[279].
Ik onder 't tijdverdrijf wil kiezen eenen dans,
Die met wijszoet vermaak zij vergezelschapt gants,
Kuisch' heilge defte[280]dans, dans, die te zonderlingen
Aan Sal'mons grootheid past en aan mijn heilig zingen.
De lekkre schootlen nu gelicht[281], na 't dralen lang,
De dans vangt aan te gaan, in 't wijde en ruim bevang
Eens zaals, die klaar, die rond, Augustisch[282]altemale,
Te recht men noemen mag des werelds groote zale.
O welken wellust! te zien hupplen zij aan zij
In 't rond, langs hooge muur, een bende vrouwen blij
En helden; haar oog licht als Farus[283]blinkt in 't duister,
Haar lijf gecierd is met klinkanten[284], schoon van luister!
't En is geen aars'len, maar een glijding zoet van pas;
Eenstemmigheid haar toom is, zij gaan even ras;
D' een luistert naar den gang des and'ren, juist en even,
Die 't ziet, waant dat ze van één geest zijn voortgedreven;
Al snellen zij, men zou 't noch zeggen, noch vermoên:
Zij posten[285], tusschen tien-tien-duist schreên die ze doen,
Een schreê zij rugwaarts gaan: de een ronde doen ze op de ander,
En vruchtbaar lonken zij in 't loopen op malkander.
In 't midden van de vloer zich sluyerwijs verspreedt
Een hemelsblaauwe riem, gemarbeld[286]lang en breed
Met beelden, daar met vlam betogen wij aanschouwen
En dansen zien te hoop vijf heeren en twee vrouwen[287].
Hier danst een oude stok, met zijnen mantel lang[288]
En bruingraauw, stijf omgord met een blaauwe adderslang,
Die knaagt haar krunkelsteert, en kunstelijk ik spore
Ruit, vierkruid, en komijn, alruin en[289]mandragore
Voortskruipen in zijn kleed, waarin geschilderd zijn
Naar 't leven het kameel, de beer, den ezel, 't zwijn:
De wakkre vogel-kraan luid schreeuwt met veel geschals hier,
De paauw zijn steert opsteekt: hij draagter tot een hals-cier
Een groote cornalijn, daar 's kunst'naars ijzer dicht
Den tijd in sneê met zijn drievoudig aangezicht.
Zijn treden zijn gewis, zijn aanzicht nors van 't veinzen,
Zijn lichaam is wel hier, maar elders zijn gepeinzen.
D' heer[290]Zadok gaat'er met een gang, kloek, gaauw, en vlug,
Braaf is hij, vro[291], en hupsch: op zijnen stijven rug
Een zijdenkleed, wiens verwe op[292]'t blanke tin wil trekken,
Met groote plooyen zich en vouwen uit gaat strekken,
Gebeeld met eekel, aar, met lelie, violet,
Olijf, mirobalaan: geboord, en rond omzet
Met aarnen[293], droef[294]van pluim, met heerlijke faisanten,
En met gejukte toornverschuddende[295]elefanten,
Bezaaid met esmerald, en diamantscherp ook,
En hoog en leeg doorvoerd met zoete geur en rook[296].
De derde[297]op 't zelve plein[298]verhaast nog meer beneden
Van zijn soldaatsche dans de woeste krijgsmans treden;
't Gelaat is enkel vuur, en menig Jaspis schoon,
En menige Amethist, op d' appel klaar ten toon
Van zijn krom slagzweerd blinkt: van hoofdscheêl tot den tenen
Blaauwt het gereten staal om 't moedig lichaam henen,
't Goud op zijn beuk'laar vlamt, wiens rand, alom verguld,
Met peerden snel te voet en wolven is gebuld[299]:
En d'ommeloop des schilds gecierd is en beladen
Met 't loofwerk van Euforb' en Scammonye bladen.
Wie zijdy, schoone[300]! die met 't vuur uws oogs steekt aan
Den hemel, en de locht, en de aarde, en d' oceaan?
O, aller schoonen schoonste! u zelven ons wilt mellen[301]:
Wien tortel, mussche, en duif, bij nacht bij daag verzellen
Met groote eerbiedigheid: wiens gulden vlechthaar blinkt,
Dat met roô rozen, thijm, en myrten is omringd;
Die eenen cestes[302]gordt welriekende om uw lenden,
Daar aardig nest'len in der minneguitjens benden:
Om wiens gewaad een boord van veel granaten loopt,
Gezoomd met klaar beryl, met safier toegeknoopt:
Wiens voet verkleinende, in 't verklaard gewelf der sterren
Nu volgt der dansers vorst, nu voordanst weêr van verren:
Zijt gij 't o schoone! niet, die met een kuischzoet vuur,
Onz' eega's herten in één hert smolt en natuur?
En deze, die u volgt met aangename stappen[303],
Deed hij behend niet die schoontalige[304]boodschappen?
O, ziet, wat vreemder dracht! zijn mantel kakelbont
Geboord met beekskens van kwikzilver schijnt in 't rond,
En elke streep, die door 't scharlaken men ziet zwieren,
Strekt tot een vlok aan 't einde agaatsteen of porfieren:
Een koppel honden vast vervolgen hier den das:
Daar weêr den loozen vos: daar 't geitken snel en ras:
De leeuwerk, nachtegaal, en 't sijsken ongevangen
Gebootst op 't schijngeboomt, de vlerken latend' hangen,
Haar keel schijnt zwellen doen, en, met zoet veldgeschrei,
Al kwinkeleerend' te beschamen den schalmei.
D'eerdrook[305], de pimpernel, en petercelieblâren
Beschaauwt 't gevlochten loof van zijn gekrunkeld' haren.
Hij keert, hij draait, hij is vrijpostig net bespraakt;
Veel kleine kringen in zijn groote rond' hij maakt:
Zijn geschakeerde loop zich hier en gins gaat spreeden,
En nog[306]verzelt één maat deze ongeregeldheden.
Ruimbaan, o ieders walg! onheilige, aan een kant!
Noch lot noch deel hebt ge aan dees heilge wellusts brand;
Maar, zuivre zielen, komt! doorsnijdt gij vrij 't gedrange,
Tza, wint de voorplaats, dat dit paar[307]verzade[308], eerlange,
Ons oog met haar gelaat, dat overschoone paar:
Alleen, alleen de feest wordt aangesteld om haar.
O, 'k zie ze dicht hierbij, help God! wat fakkel licht er!
Ik kan ze dulden niet, o eerste klaarheids stichter!
O, zonne van de zon! helaas! de punten hier
Wat van uw stralen koelt, en matigt wat uw vier,
Met uitgestorte glans uw zuster gaat verrassen;
't Is uit met mij, ik kan niet meer, ik keer tot asschen.
O zaalge weêrgaân! nu 't met oorlof niet kan schien,
Uw bevrunde aangezicht oon hinder aan te zien,
Duldt, dat ik uwen dans, uws cieraads gulden stukken
En zoete woorden, in mijn dichten uit mag drukken.
De koningin haar haar (haar, waarvan distileert
Steeds frissche dauw) draagt in veel krollen gefrizeerd:
D'een vloeit ten voeten neêr in heldre lokskens, de ander
Rijst met lang peerlesnoer gebonden aan malkander.
Haar keurs damast is, met een zilvren frangiën-zoom,
Geloof werkt rijklijk met het zilver van een stroom,
Met maankruid, met kouwoerd[309]heel uitheemsch gaâr[310]geweven,
En met het dier vermaald, dat bij de locht moet leven[311].
Wat wildy, Musa! met een errenstig pinceel,
In 't breede afmalen al haar schoonheid in 't geheel:
Van al de schoonheid, glans, gunst, rijkdom uitgescheyen[312],
Daar d' hemel meê beschonk de huppelende reyen
Zij moeder is alleen, en, als een kristalijn[313],
Den dans-aanschouw'ren zij'r af[314]jont den wederschijn.
Een hoed[315], geweven gaâr[310]van bloemen die wel gaayen,[316]
Citroenen, aren, en clytien die steeds draayen,
En met robijn borduurd, balais, en chrysolijt,
Bekroont 't straalworpend hoofd des bruidegoms[317]altijd.
Zijn gesaffraande kraag tot spelwerk[318]heeft wel honderd
Karbonk'len, rood als vuur, de balsem uitgezonderd[319],
De ceder, de kanneel, de lauwer rijk gebeeld,