Elk met haar ranken ciert zijn plooyen opgestreeld[320].De witgevlerkte zwaan hem toejuicht, met vermaken,Een nieuwe lofzang op zijns mantels gulde laken.De fenix hier zijn nest en grafstéê bouwen wil.Uit 't nat rijst 't met pantsier gewapend crocodil.De maayer zwert-gebraân zein[321], garven haast ontvielen,En snelle vrees hem fluks ent vleug'len aan zijn hielen.De felle leeuw worpt vuur en vlam uit d' oogen beus[322],En slingersteertend' hij, door bakhuis, muil en neus,Zijn gramschap eislijk slijpt[323], en d' adren gaat ontspannenOm een welriekend rot van panters aan te rannen[324]:Als juist den braven haan met purpren vederbosZijn trotsche kop verciert: een kuif, half peersch en ros,En half verguld, men op zijn kruin hoog uit ziet steken,En langs zijn stijve borst, met spikklen bont bestreken,Een roode baard vloeit: in zijn geelgroen oogen leîtDe schrik gelegerd, en zijn leden zijn bespreidMet ongesponnen goud: zijn korte bek zich krommet:Zijn voet gespoord in 't treên gelijk een krijgsman brommet:Zijn groote steert zich in twee welfde[325]takken takt:Met vleugelruisschen hij zijn lenden ribbezakt[326]:Hij zingt[327], zoo 't schijnt, en met zijn bijzijn en trotsch brallenHij van de sterke leeuw de kuif en moed doet vallen.Dees zalige eegaân, met een welbedreven spoor[328],Nu hupp'len achterwaart, nu zijlings, nu weêr voor:Zij dansen, zoo het schijnt, d' Hispanischepavane,En nochtans nimmer men haar lieve dans ziet gane[329]Uit 's gordels kringk[330], die met gesternde dieren, breedEn wijd vermaald, alsins 't plaveisel onderscheet[331].Als de eedle bruidegom naar Silo's berg gaat wandren[332],Ontluiken duistderlei[333]schoon bloemen elk voor andren[334]:Als hij d' Olijfberg groet, hij, waar zijn lichte treêOok loopt, duist vlokskens laat van nevel, rijm, en snee:Want 't glinst'rig vloersel met zijn aarzelen[335]geslagen,D' onruste wevertreên gelijk is, in die dagen.Nu kussen zich dees twee, nu aarsling[336]zij weêr gaan,En zien malkand'ren nu bedroefd, nu lachende aan,Nu voorwaarts, nu ter zij, met ongelijke gangen.De koninklijke maagd men merk'lijk ziet ontvangenVerandringe in 't kristal haars voorhoofds, schoon verjongd,Naar maat' haar 't helder ooge haars bruidegoms belonkt:Dat, zooder[337]hindernis komt plotslijk tusschen beideDe twee geliefkens, wordt zij droef alsof ze schreide;Het schijnt al of ze storf, haar helder oog gaat uit,Zoo werkt kuisch' heil'ge brand in zoo verheven bruid,Maar dit 's ten aanzien van haar maatzang niets met allen,Haar Engelen-geluid zij houwen[338]met bevallenMet zorgbetoover[339]luit, viool, en voetgelicht[340],En houden dus gespraak met lieflijk maatgedicht[341]:"O klaargeoogde maagd! wat zijdy schoon te achten,Mijn lief! hoe lieve ik u! mijn duifken, wit van schachten!O God! hoe lieve ik u, ach! 'k ben mij zelfs niet meer,Ik sterve om u, mijn lief! om u verrijze ik weêr:Wat zijdy schoon in 't oog! hoe lieve ik u, mijn herte!Al wakende ik bezwijm, ik flaauwe, ik stort met smerte.Door 't stralen uws gezichts, en slapende evenwel[342]Voel waken in mijn schoot mijn zuur en zoet gekwel.Wat stort uw zoete pruik[343]voor reuken, mijn vriendinne!Watte amber, wierook stort uw zoeten adem inneTwee fijne purpren draân! wat myrre, zoo veelvoud,Ontvloeit uw vingren, die gereept[344]zijn met schoon goud!""Mijn vrund, hoe zoet is mij de reuk van uw genuchten[345]!Wat stort uw zoete locht al heim'lijk-zoete luchtenIn mijn ontsteken borst! en watten honig nietOntvloeit uw zoete keel, die beek en gulden vliet!Mijn bloem, een lely, roos mids[346]in 't gebloemt gekropen,Een roze, een lely is, de een toe en de ander open:Dees bloeme met mijn hand ik d' eerste afplukken wil,Die rieken, kussen, in mijn boezem steken stil.Als d' app'laar gij, mijn lief, zijt onder de andre boomen,En vrucht èn bloezem hebt gij uit één stam bekomen:De vrucht ik smaken wil, de bloezem rieken, ach!En in uw koele schaauw gaan leegren nacht en dag."Den schoonen avondstond terwijl, met haar azurenKoetswagen, sleept een schaar van kleine en mindre vuren;De willekomme[347]slaap doet de oef'ning wijken dra,En de beneênste[348]bruid volgt 's Hemels Venus na.Dees Hymen uitgevierd, geen andere worm den koningEn knaagt, noch droomt niet el[349]als aan des Heeren woning,Zijn schatkist open staat, geen onkost hij en schouwt[350],En 's kunstnaars zinnen hij verlet[351]en bezig houdt.Wel tien duist handen men fluks zweeten ziet en ijlen,In alle bosschen men slechts hamers hoort en bijlen,En d' haarge toppen nu van d' heilge LibanusNaar 't water rollen, om op Sion stijgen flus:Men snijdt in balk en deel de bosschen met de zage,Het groote steengebergt vast krimpt van daag te dage;Met bijtels, hamers, de steenhouwer, eer men 't meent,Doorsnuffelt 't stijf gedarmt' van 't hemel-hoog gesteent':Hij venstert een gebergt, dat rijst naar boven eislijk,En temt fluks den porfier van d' eeuwen onverbrijslijk.D' een de gebakken steen doorkloven[352]heeft met vier,En d' ander die begraaft in een diepe afgrond hier,Den marbel[353]gepolijst met kunstig' handen veerdig,Ja, marbel, 't voorhoofd[354]van 't gebouw eens konings weerdig:Dees houwt een pijlers kop: een bult[355]die, met zijn hand:Een tegenbult[356]verzoet dees: die een voet-vierkant:Dees maakt een hanebalk: die een beschot ter zijden:Dees schaaft de delen glad: die gaat ze kunstig snijden.Bezielt doô cedren, en met 't schett'ren van een hout,Gebeeren[357], stemmen wekt, en zuchten menigvoud.En andren, met 't begrijp[358]van d' heil'ge muur, gerezenDoen, met haar stout bedrijf, den Hemel zelven vreezen:Men werkt met lust, nog klaagt de kunstenaar altijd,Dat in midzomer hem de dag te haast ontglijdt.De druivenlezers zoo, al zingende uit genuchten,Met 't snoeimes kromgebekt afsnoeyen Bacchus vruchtenIn 't vaatjen zoet van reuk: en trossen gaauw en vlugHaars handgifts zware last met kromgebogen rug,En, tot de lenden in de mostkuip neêrgestegen,Al hupplend' vloeyen doen een purpren druiven-regen.Men ploegt d' onlust te spijt,'t werk ziet men spoên met lust,Wie 't 's morgens heeft gezien, wanneer de zonne rust,Erkent, hoe 't groeit: de alwijze en ingoed' Heer der heerenAan dezen arbeid schijnt zich zelf te willen keeren,En 's nachts te werken, als een zoete rust op 't bedDer metsers[359]zeenwen en gebeenten houdt verlet[360].Groot-koning! van waar kwam dat reuzen-hert[361]gekropen,Van zoo veel bergen tot een lichaam op te hoopen?Met watte wagens, met wat sterke rollen danMen dees vierkanten lomp[362]zoo wijd verslepen kan?Wat krommer vastigheid van opgehangen bogenTen bonten wolken draagt dat pak hoog opgetogen?Indien op 't buitenwerk ik met mijn oogen let,De mets'laar heeft gevoegd den kant des steens zóó net,Dat, zoo hij zijn gebouw niet kakelbont deê schijnen,Met Syrische allebast en herde serpentijnen,Met honderd gadingen[363]van marber, vast en klaar[364],Men waande, of d' heele muur een enkel vierkant waar.Zoo 't binnenwerk wij zien, het buitenst' wij verfoeyen,Een rijkdom men alsins uitmuntend' hier ziet gloeyen,De wanden, 't vloersel, en de zolders opgebouwdMet cedren zijn beplakt[365], de cedren weêr met goud,En al de plaastering, met loof gevoêrd van binnen,Met bloemwerk, wild kouwoerd, en lodder[366]Cherubinnen.Van d' heilge ciersels ik gewag doe noch vermaan,Die in weerdije verr' 't gebouw te boven gaan:De kunst de stoffe antwoordt[367], de stof 't gebruik te wonder[368],O kunstenaar volmaakt! gij bootste uw werk bijzonderNa 's werelds ide[369], en zoo als voormaals ongefeildIn loten driederlei de wereld wierd gedeild;En dat de almachtig' hand des Heeren schiep volkomenEen aardsch, een hemelsch, een heel Godlijk uitgenomen[370]:Met bloemen, voglen, en met beesten cierend' 't eerst,Met fakklen 't ander, en met deugden 't alderveerst'[371]:Als God, aan 't schildren, met schoon blaauw de baren krulde,De velden groende alom, en 't krom gewelf verguldde:Als hij 't gesteente schonk zijn verwen licht van straal,De bloemen spikkelde, en gaf glansen aan 't metaal.Beeldsnijende, doorwrocht de stronken en de blârenDer planten, met zoo veel fraai beelden, draân, en âren,En, gieter[372], bootste ons nog zoo veel gedaanten hierVan posten snel gewiekt[373], veel visch, en menig dier.In driën deeldy nog dit Godshuis driemaal heilig:'t Een 't Alderheiligst is, daar niemand wandelt veiligAls[374]God, de Cherub, en Hij, die stadhouder trotschIs van Melchisedech, ware, eeuwig zone Gods.Het binnenste portaal is slechts voor de Levieten[375],Die helder zon op zon toeworpen d' IsralietenDe stralen van haar leere, en, met 's wets honigsapHaar[376]voedende, ingelijfd zijn 's Hemels borgerschap.Het voorpoortaal gij schikt voor die ik minder reken,Voor 't leeggezeten volk en de algemeene leken,En, werkman ondermengd[377], gij alsins wonder zoetAppelles, Fedrus'[378]kunst, en Miron bloeyen doet.Dit staal u zoo behaagt, dat gij daarna gaat makenUws Goddelijken geests langdurige nachtwaken:Uw boek, gemarberd rijk metSpreukenin Gods taal,Men rijkelijken mag toe-eignen 't voorpoortaal,Dewijl het ons verzorgt d' huiswetten nog op heden,Bijzondre leeringen, en burgerlijke zeden:En dat de stralen, die hij uitschiet overhoop[379],Vast oogen meerendeels op 't menschelijk beloop.In 't binnenste poortaal dePredikerwil schijnen(Die met zijn voeten kneênde[380]al wat de mensch met pijnenVergaart van aangenaam, goed, kostlijk, schoon, en dier)In 's Hemels herberge ons te voeren wijd van hier,En roepende: ijdelheid, gans ijdel 's werelds zegen,Al 's menschen heil is in de vreeze Gods gelegen!'t Geheimste is dit gezang[381], daar, met verborgen spel[382],Aan 's werelds Koning gij gaat houwen Israël:Daar gij weêrschallen doet 't zoet bruiloftslied alreedeVan Christus en zijn Kerk: daar d' heilge ziele in vredeGespraak houdt met haar God, de locht hoort met 't gebed[383],In 't vuur zijns stralend' oogs, haar[384]loutert rein en net,Zijn min geniet, en in zijn heilig bed gerieflijkDen mond der liefden zelfs mag kussen zoet en lieflijk."O, God!" zegt Salomon, na dat hij heeft voltooidDes Heeren huis,"groot[385]God! die, mij bevolen ooitDen bouw liet uws Paleis, helaas! maakt mij, o Heere!Daar levend' steen af[386], wekt in Davids zaad zijn eere.Oneindlijk Koning, die behelst[387]de oneindlijkheid,Monarch, die in uw troon zit naar uw Majesteit,In d' afgrond naar gerecht, alom naar uw vermogen:O Vader! herbergt[388]hier, om ons uw hulp te toogen:Mag 't zijn in twijfelzaak zoo spoeit u tot den eed[389],Ontwerret dezen knoop, straft strengelijk en wreedDe stoute meineed ook, en maakt niet, dat men zondigU voortaan houde en achte onwetende en onkondig.Verliest de boom zijn blos, zoo hagels d' akkren slaan,Zoo de âren ijl en leêg, zoo ons verwaaide graanOns honger zeggen toe, zoo, met veel ijzren banden,Gij sluit van 's Hemels sprong de poorten, met uw handen,En wij ootmoedig 't oog slaan op dit huis alleen;—Zoo hoort, almachtig God! verhoort doch ons gebeên.Zoo wij gevangen in uitheemsche landen kermen,Zoo ons in krijg bezwijkt 't geluk, het hert, en de ermen,En wij ootmoedig 't oog slaan op dit huis alleen,Zoo hoort, almachtig God! verhoort doch ons gebeên!Zoo uwer wondren faam den vreemdeling hier wenken,Om hooren uw geheim, u t' offren zijn geschenken,En in dit huis zijn kniên te krommen naar beneên,Zoo hoort, almachtig God! verhoort doch zijn gebeên!Verhoort van d' Hemel hem, en trekt, door weldoens koorden,In uw gewijde Kerk, Oost, Westen, Zuiden, Noorden!"'t Uitmuntende verstand van Isrels koning isZoo heldren tortse, dat vergeefs men die gewisMet onkunde overstulpt: zijn licht zich alsins toogenGaat, en zijn bliksemstraal licht glinsterig in d' oogenDes geens, die wijs den toom van 't burgerlijk beleed[390]Der teêre[391]Arabers met haar hand te mennen weet:Die binnen Saba heerscht, daar steedsche[392]lentens telenDen wierook zoet van reuk, den myrre, en roô kaneelen,Daar iedermans kantoor eens konings schat inhoudt,De vaten zilver zijn, de bedspon[393]louter goud,Met uitgelezen steen de muur bekleed oon[394]breuken,Met strikken ingewrocht, afbeeldingen, en spreuken:En nochtans zoo veel heils en grootheên laat ze staan,Om komen Salomon zijn zeên te merken aan,Zijn leering leenen 't oor, zijn stad bezien met vreugden,De schole des geloofs, en vaste burcht der deugden.Gij, die 't oog toesluit voor dees groote klaarheid meestDie in onze eeuwe blinkt, wiens aangeklopte[395]geest,Voor dolingen vermuft[396]de waarheid uit gaat sluiten,Die langzaam nacht en dag klopt aan uw poorten buiten,En die, om op te doen, u niet eens keert noch wendt,Om met God spreken en zijn dobbel Testament:Hoe vreesdy niet, dat dees princes, ten jongsten dage,Van groote ondankbaarheid en traagheid u verklage?Die vrouwe, die monarche en Heidene[397]met lustDe wellusten versmaadt, haar goud, en zoete rust:Dweerst[398]met veel moeite en kost, en met langdurig zwieren,Een weg, belegerd van struikroovers en van dieren,En andren Hemel gaat bezoeken, met de wensch,Om eenmaal mond aan mond te spreken met een mensch.Zij kwist geen tijd, maar gaat beschouwen, al verwonderd,De trotsche schoonheid van Gods tempel uitgezonderd[399]De bollewerken van veel steden, hoog naar eisch,Een uitgelezen troon, een prachtig trotsch paleis,Wiens muren kostlijk zijn, en d' huisraad nog veel rijker;'t Getal der knechten zijn rijk hof ciert statelijker,Meer haar geschiktheid nog: men hoort' er geen gerucht.Elk van den haren op zijn ampt let heel beducht[400]:En zoo als te gelijk de duim geroerd het levenDen zenuwsnaarkens kan van een quiterne[401]geven,En om verrijken nog zijn tooverig gezangVerwekt een middelbare, een hooge, een leege klang[402]:Met één woord, Salomon, met één gebeer[403], met wenkenBeroert de stoeten van zijn knechten, die gedenkenHeel gaauw aan haren plicht: elk neemt zijn les in acht,En ieder gaat gekleed met een bijzondre dracht.Eer zij vertrok van haar welriekende eilands-kuste,Met zware raadselen haar[404]dees princes toerustte,Belust den koning met verwerde vragen knap[405]T' ontmoeten, om te zien zijn groote wetenschap.Ziet welken Oedipus[406]! de voorspraak[407], die ervarenVoor 't vierschaar heeft bijna versleten al zijn jaren,En eindigt niet zoo haast een twijfel, lang bepleit,Die 't oud gebruik haast wijst, of 's lands gewoonheid scheidt[408],Of geestig hij ontknoopt dees Gordiaansche strikken,Ziet door dees nachten heen, en speelt alle oogenblikkenMet twijfelingen, die eer zweeten deên met pijnEen dapper school-sofist, Druides, of Bramijn[409]:En wetende dat, hoe een goed zich uitbreidt stijverHoe 't altijd grooter wordt, 't geloove hij vol ijverHaar in te scherpen tracht, en gaat, naar wensch, gemeinHaar maken[410]'t kostlijk goed van zijn gezegend brein:"Hoe zeer beklage ik u, afgodisch volk! die zotlijkGoud, zilver, hout," spreekt hij, "en kalk aanbidt bespotlijk,En door de schijnreên laas! der magi[411]onderrechtZoo vele pakken hebt den menschen opgelegd:Daar is, mevrouwe! één God, één hoogste, één ongeboren,Een Vorst van de eeuwigheid, zelf d' eeuwigheid verkoren.Oneindlijk, afgescheên van als[412], in allen doch,Beginslen-aanvang, en 't eind van alle einden nog,Der lichten schoonste licht, der wezens hoogste wezen,Der machten zuivre daad, der daden macht geprezen,Oorzaak van allen ook, alziender, goedheids zee,Des levens leven en het meer des schoonheids meê,Onoverwinnelijk, en sterrenvoogd bekwame,Die zelf eenvormig vormt zoo veel gestalten t' zame:
Elk met haar ranken ciert zijn plooyen opgestreeld[320].De witgevlerkte zwaan hem toejuicht, met vermaken,Een nieuwe lofzang op zijns mantels gulde laken.De fenix hier zijn nest en grafstéê bouwen wil.Uit 't nat rijst 't met pantsier gewapend crocodil.De maayer zwert-gebraân zein[321], garven haast ontvielen,En snelle vrees hem fluks ent vleug'len aan zijn hielen.De felle leeuw worpt vuur en vlam uit d' oogen beus[322],En slingersteertend' hij, door bakhuis, muil en neus,Zijn gramschap eislijk slijpt[323], en d' adren gaat ontspannenOm een welriekend rot van panters aan te rannen[324]:Als juist den braven haan met purpren vederbosZijn trotsche kop verciert: een kuif, half peersch en ros,En half verguld, men op zijn kruin hoog uit ziet steken,En langs zijn stijve borst, met spikklen bont bestreken,Een roode baard vloeit: in zijn geelgroen oogen leîtDe schrik gelegerd, en zijn leden zijn bespreidMet ongesponnen goud: zijn korte bek zich krommet:Zijn voet gespoord in 't treên gelijk een krijgsman brommet:Zijn groote steert zich in twee welfde[325]takken takt:Met vleugelruisschen hij zijn lenden ribbezakt[326]:Hij zingt[327], zoo 't schijnt, en met zijn bijzijn en trotsch brallenHij van de sterke leeuw de kuif en moed doet vallen.Dees zalige eegaân, met een welbedreven spoor[328],Nu hupp'len achterwaart, nu zijlings, nu weêr voor:Zij dansen, zoo het schijnt, d' Hispanischepavane,En nochtans nimmer men haar lieve dans ziet gane[329]Uit 's gordels kringk[330], die met gesternde dieren, breedEn wijd vermaald, alsins 't plaveisel onderscheet[331].Als de eedle bruidegom naar Silo's berg gaat wandren[332],Ontluiken duistderlei[333]schoon bloemen elk voor andren[334]:Als hij d' Olijfberg groet, hij, waar zijn lichte treêOok loopt, duist vlokskens laat van nevel, rijm, en snee:Want 't glinst'rig vloersel met zijn aarzelen[335]geslagen,D' onruste wevertreên gelijk is, in die dagen.Nu kussen zich dees twee, nu aarsling[336]zij weêr gaan,En zien malkand'ren nu bedroefd, nu lachende aan,Nu voorwaarts, nu ter zij, met ongelijke gangen.De koninklijke maagd men merk'lijk ziet ontvangenVerandringe in 't kristal haars voorhoofds, schoon verjongd,Naar maat' haar 't helder ooge haars bruidegoms belonkt:Dat, zooder[337]hindernis komt plotslijk tusschen beideDe twee geliefkens, wordt zij droef alsof ze schreide;Het schijnt al of ze storf, haar helder oog gaat uit,Zoo werkt kuisch' heil'ge brand in zoo verheven bruid,Maar dit 's ten aanzien van haar maatzang niets met allen,Haar Engelen-geluid zij houwen[338]met bevallenMet zorgbetoover[339]luit, viool, en voetgelicht[340],En houden dus gespraak met lieflijk maatgedicht[341]:"O klaargeoogde maagd! wat zijdy schoon te achten,Mijn lief! hoe lieve ik u! mijn duifken, wit van schachten!O God! hoe lieve ik u, ach! 'k ben mij zelfs niet meer,Ik sterve om u, mijn lief! om u verrijze ik weêr:Wat zijdy schoon in 't oog! hoe lieve ik u, mijn herte!Al wakende ik bezwijm, ik flaauwe, ik stort met smerte.Door 't stralen uws gezichts, en slapende evenwel[342]Voel waken in mijn schoot mijn zuur en zoet gekwel.Wat stort uw zoete pruik[343]voor reuken, mijn vriendinne!Watte amber, wierook stort uw zoeten adem inneTwee fijne purpren draân! wat myrre, zoo veelvoud,Ontvloeit uw vingren, die gereept[344]zijn met schoon goud!""Mijn vrund, hoe zoet is mij de reuk van uw genuchten[345]!Wat stort uw zoete locht al heim'lijk-zoete luchtenIn mijn ontsteken borst! en watten honig nietOntvloeit uw zoete keel, die beek en gulden vliet!Mijn bloem, een lely, roos mids[346]in 't gebloemt gekropen,Een roze, een lely is, de een toe en de ander open:Dees bloeme met mijn hand ik d' eerste afplukken wil,Die rieken, kussen, in mijn boezem steken stil.Als d' app'laar gij, mijn lief, zijt onder de andre boomen,En vrucht èn bloezem hebt gij uit één stam bekomen:De vrucht ik smaken wil, de bloezem rieken, ach!En in uw koele schaauw gaan leegren nacht en dag."Den schoonen avondstond terwijl, met haar azurenKoetswagen, sleept een schaar van kleine en mindre vuren;De willekomme[347]slaap doet de oef'ning wijken dra,En de beneênste[348]bruid volgt 's Hemels Venus na.Dees Hymen uitgevierd, geen andere worm den koningEn knaagt, noch droomt niet el[349]als aan des Heeren woning,Zijn schatkist open staat, geen onkost hij en schouwt[350],En 's kunstnaars zinnen hij verlet[351]en bezig houdt.Wel tien duist handen men fluks zweeten ziet en ijlen,In alle bosschen men slechts hamers hoort en bijlen,En d' haarge toppen nu van d' heilge LibanusNaar 't water rollen, om op Sion stijgen flus:Men snijdt in balk en deel de bosschen met de zage,Het groote steengebergt vast krimpt van daag te dage;Met bijtels, hamers, de steenhouwer, eer men 't meent,Doorsnuffelt 't stijf gedarmt' van 't hemel-hoog gesteent':Hij venstert een gebergt, dat rijst naar boven eislijk,En temt fluks den porfier van d' eeuwen onverbrijslijk.D' een de gebakken steen doorkloven[352]heeft met vier,En d' ander die begraaft in een diepe afgrond hier,Den marbel[353]gepolijst met kunstig' handen veerdig,Ja, marbel, 't voorhoofd[354]van 't gebouw eens konings weerdig:Dees houwt een pijlers kop: een bult[355]die, met zijn hand:Een tegenbult[356]verzoet dees: die een voet-vierkant:Dees maakt een hanebalk: die een beschot ter zijden:Dees schaaft de delen glad: die gaat ze kunstig snijden.Bezielt doô cedren, en met 't schett'ren van een hout,Gebeeren[357], stemmen wekt, en zuchten menigvoud.En andren, met 't begrijp[358]van d' heil'ge muur, gerezenDoen, met haar stout bedrijf, den Hemel zelven vreezen:Men werkt met lust, nog klaagt de kunstenaar altijd,Dat in midzomer hem de dag te haast ontglijdt.De druivenlezers zoo, al zingende uit genuchten,Met 't snoeimes kromgebekt afsnoeyen Bacchus vruchtenIn 't vaatjen zoet van reuk: en trossen gaauw en vlugHaars handgifts zware last met kromgebogen rug,En, tot de lenden in de mostkuip neêrgestegen,Al hupplend' vloeyen doen een purpren druiven-regen.Men ploegt d' onlust te spijt,'t werk ziet men spoên met lust,Wie 't 's morgens heeft gezien, wanneer de zonne rust,Erkent, hoe 't groeit: de alwijze en ingoed' Heer der heerenAan dezen arbeid schijnt zich zelf te willen keeren,En 's nachts te werken, als een zoete rust op 't bedDer metsers[359]zeenwen en gebeenten houdt verlet[360].Groot-koning! van waar kwam dat reuzen-hert[361]gekropen,Van zoo veel bergen tot een lichaam op te hoopen?Met watte wagens, met wat sterke rollen danMen dees vierkanten lomp[362]zoo wijd verslepen kan?Wat krommer vastigheid van opgehangen bogenTen bonten wolken draagt dat pak hoog opgetogen?Indien op 't buitenwerk ik met mijn oogen let,De mets'laar heeft gevoegd den kant des steens zóó net,Dat, zoo hij zijn gebouw niet kakelbont deê schijnen,Met Syrische allebast en herde serpentijnen,Met honderd gadingen[363]van marber, vast en klaar[364],Men waande, of d' heele muur een enkel vierkant waar.Zoo 't binnenwerk wij zien, het buitenst' wij verfoeyen,Een rijkdom men alsins uitmuntend' hier ziet gloeyen,De wanden, 't vloersel, en de zolders opgebouwdMet cedren zijn beplakt[365], de cedren weêr met goud,En al de plaastering, met loof gevoêrd van binnen,Met bloemwerk, wild kouwoerd, en lodder[366]Cherubinnen.Van d' heilge ciersels ik gewag doe noch vermaan,Die in weerdije verr' 't gebouw te boven gaan:De kunst de stoffe antwoordt[367], de stof 't gebruik te wonder[368],O kunstenaar volmaakt! gij bootste uw werk bijzonderNa 's werelds ide[369], en zoo als voormaals ongefeildIn loten driederlei de wereld wierd gedeild;En dat de almachtig' hand des Heeren schiep volkomenEen aardsch, een hemelsch, een heel Godlijk uitgenomen[370]:Met bloemen, voglen, en met beesten cierend' 't eerst,Met fakklen 't ander, en met deugden 't alderveerst'[371]:Als God, aan 't schildren, met schoon blaauw de baren krulde,De velden groende alom, en 't krom gewelf verguldde:Als hij 't gesteente schonk zijn verwen licht van straal,De bloemen spikkelde, en gaf glansen aan 't metaal.Beeldsnijende, doorwrocht de stronken en de blârenDer planten, met zoo veel fraai beelden, draân, en âren,En, gieter[372], bootste ons nog zoo veel gedaanten hierVan posten snel gewiekt[373], veel visch, en menig dier.In driën deeldy nog dit Godshuis driemaal heilig:'t Een 't Alderheiligst is, daar niemand wandelt veiligAls[374]God, de Cherub, en Hij, die stadhouder trotschIs van Melchisedech, ware, eeuwig zone Gods.Het binnenste portaal is slechts voor de Levieten[375],Die helder zon op zon toeworpen d' IsralietenDe stralen van haar leere, en, met 's wets honigsapHaar[376]voedende, ingelijfd zijn 's Hemels borgerschap.Het voorpoortaal gij schikt voor die ik minder reken,Voor 't leeggezeten volk en de algemeene leken,En, werkman ondermengd[377], gij alsins wonder zoetAppelles, Fedrus'[378]kunst, en Miron bloeyen doet.Dit staal u zoo behaagt, dat gij daarna gaat makenUws Goddelijken geests langdurige nachtwaken:Uw boek, gemarberd rijk metSpreukenin Gods taal,Men rijkelijken mag toe-eignen 't voorpoortaal,Dewijl het ons verzorgt d' huiswetten nog op heden,Bijzondre leeringen, en burgerlijke zeden:En dat de stralen, die hij uitschiet overhoop[379],Vast oogen meerendeels op 't menschelijk beloop.In 't binnenste poortaal dePredikerwil schijnen(Die met zijn voeten kneênde[380]al wat de mensch met pijnenVergaart van aangenaam, goed, kostlijk, schoon, en dier)In 's Hemels herberge ons te voeren wijd van hier,En roepende: ijdelheid, gans ijdel 's werelds zegen,Al 's menschen heil is in de vreeze Gods gelegen!'t Geheimste is dit gezang[381], daar, met verborgen spel[382],Aan 's werelds Koning gij gaat houwen Israël:Daar gij weêrschallen doet 't zoet bruiloftslied alreedeVan Christus en zijn Kerk: daar d' heilge ziele in vredeGespraak houdt met haar God, de locht hoort met 't gebed[383],In 't vuur zijns stralend' oogs, haar[384]loutert rein en net,Zijn min geniet, en in zijn heilig bed gerieflijkDen mond der liefden zelfs mag kussen zoet en lieflijk."O, God!" zegt Salomon, na dat hij heeft voltooidDes Heeren huis,"groot[385]God! die, mij bevolen ooitDen bouw liet uws Paleis, helaas! maakt mij, o Heere!Daar levend' steen af[386], wekt in Davids zaad zijn eere.Oneindlijk Koning, die behelst[387]de oneindlijkheid,Monarch, die in uw troon zit naar uw Majesteit,In d' afgrond naar gerecht, alom naar uw vermogen:O Vader! herbergt[388]hier, om ons uw hulp te toogen:Mag 't zijn in twijfelzaak zoo spoeit u tot den eed[389],Ontwerret dezen knoop, straft strengelijk en wreedDe stoute meineed ook, en maakt niet, dat men zondigU voortaan houde en achte onwetende en onkondig.Verliest de boom zijn blos, zoo hagels d' akkren slaan,Zoo de âren ijl en leêg, zoo ons verwaaide graanOns honger zeggen toe, zoo, met veel ijzren banden,Gij sluit van 's Hemels sprong de poorten, met uw handen,En wij ootmoedig 't oog slaan op dit huis alleen;—Zoo hoort, almachtig God! verhoort doch ons gebeên.Zoo wij gevangen in uitheemsche landen kermen,Zoo ons in krijg bezwijkt 't geluk, het hert, en de ermen,En wij ootmoedig 't oog slaan op dit huis alleen,Zoo hoort, almachtig God! verhoort doch ons gebeên!Zoo uwer wondren faam den vreemdeling hier wenken,Om hooren uw geheim, u t' offren zijn geschenken,En in dit huis zijn kniên te krommen naar beneên,Zoo hoort, almachtig God! verhoort doch zijn gebeên!Verhoort van d' Hemel hem, en trekt, door weldoens koorden,In uw gewijde Kerk, Oost, Westen, Zuiden, Noorden!"'t Uitmuntende verstand van Isrels koning isZoo heldren tortse, dat vergeefs men die gewisMet onkunde overstulpt: zijn licht zich alsins toogenGaat, en zijn bliksemstraal licht glinsterig in d' oogenDes geens, die wijs den toom van 't burgerlijk beleed[390]Der teêre[391]Arabers met haar hand te mennen weet:Die binnen Saba heerscht, daar steedsche[392]lentens telenDen wierook zoet van reuk, den myrre, en roô kaneelen,Daar iedermans kantoor eens konings schat inhoudt,De vaten zilver zijn, de bedspon[393]louter goud,Met uitgelezen steen de muur bekleed oon[394]breuken,Met strikken ingewrocht, afbeeldingen, en spreuken:En nochtans zoo veel heils en grootheên laat ze staan,Om komen Salomon zijn zeên te merken aan,Zijn leering leenen 't oor, zijn stad bezien met vreugden,De schole des geloofs, en vaste burcht der deugden.Gij, die 't oog toesluit voor dees groote klaarheid meestDie in onze eeuwe blinkt, wiens aangeklopte[395]geest,Voor dolingen vermuft[396]de waarheid uit gaat sluiten,Die langzaam nacht en dag klopt aan uw poorten buiten,En die, om op te doen, u niet eens keert noch wendt,Om met God spreken en zijn dobbel Testament:Hoe vreesdy niet, dat dees princes, ten jongsten dage,Van groote ondankbaarheid en traagheid u verklage?Die vrouwe, die monarche en Heidene[397]met lustDe wellusten versmaadt, haar goud, en zoete rust:Dweerst[398]met veel moeite en kost, en met langdurig zwieren,Een weg, belegerd van struikroovers en van dieren,En andren Hemel gaat bezoeken, met de wensch,Om eenmaal mond aan mond te spreken met een mensch.Zij kwist geen tijd, maar gaat beschouwen, al verwonderd,De trotsche schoonheid van Gods tempel uitgezonderd[399]De bollewerken van veel steden, hoog naar eisch,Een uitgelezen troon, een prachtig trotsch paleis,Wiens muren kostlijk zijn, en d' huisraad nog veel rijker;'t Getal der knechten zijn rijk hof ciert statelijker,Meer haar geschiktheid nog: men hoort' er geen gerucht.Elk van den haren op zijn ampt let heel beducht[400]:En zoo als te gelijk de duim geroerd het levenDen zenuwsnaarkens kan van een quiterne[401]geven,En om verrijken nog zijn tooverig gezangVerwekt een middelbare, een hooge, een leege klang[402]:Met één woord, Salomon, met één gebeer[403], met wenkenBeroert de stoeten van zijn knechten, die gedenkenHeel gaauw aan haren plicht: elk neemt zijn les in acht,En ieder gaat gekleed met een bijzondre dracht.Eer zij vertrok van haar welriekende eilands-kuste,Met zware raadselen haar[404]dees princes toerustte,Belust den koning met verwerde vragen knap[405]T' ontmoeten, om te zien zijn groote wetenschap.Ziet welken Oedipus[406]! de voorspraak[407], die ervarenVoor 't vierschaar heeft bijna versleten al zijn jaren,En eindigt niet zoo haast een twijfel, lang bepleit,Die 't oud gebruik haast wijst, of 's lands gewoonheid scheidt[408],Of geestig hij ontknoopt dees Gordiaansche strikken,Ziet door dees nachten heen, en speelt alle oogenblikkenMet twijfelingen, die eer zweeten deên met pijnEen dapper school-sofist, Druides, of Bramijn[409]:En wetende dat, hoe een goed zich uitbreidt stijverHoe 't altijd grooter wordt, 't geloove hij vol ijverHaar in te scherpen tracht, en gaat, naar wensch, gemeinHaar maken[410]'t kostlijk goed van zijn gezegend brein:"Hoe zeer beklage ik u, afgodisch volk! die zotlijkGoud, zilver, hout," spreekt hij, "en kalk aanbidt bespotlijk,En door de schijnreên laas! der magi[411]onderrechtZoo vele pakken hebt den menschen opgelegd:Daar is, mevrouwe! één God, één hoogste, één ongeboren,Een Vorst van de eeuwigheid, zelf d' eeuwigheid verkoren.Oneindlijk, afgescheên van als[412], in allen doch,Beginslen-aanvang, en 't eind van alle einden nog,Der lichten schoonste licht, der wezens hoogste wezen,Der machten zuivre daad, der daden macht geprezen,Oorzaak van allen ook, alziender, goedheids zee,Des levens leven en het meer des schoonheids meê,Onoverwinnelijk, en sterrenvoogd bekwame,Die zelf eenvormig vormt zoo veel gestalten t' zame:
Elk met haar ranken ciert zijn plooyen opgestreeld[320].De witgevlerkte zwaan hem toejuicht, met vermaken,Een nieuwe lofzang op zijns mantels gulde laken.De fenix hier zijn nest en grafstéê bouwen wil.Uit 't nat rijst 't met pantsier gewapend crocodil.De maayer zwert-gebraân zein[321], garven haast ontvielen,En snelle vrees hem fluks ent vleug'len aan zijn hielen.De felle leeuw worpt vuur en vlam uit d' oogen beus[322],En slingersteertend' hij, door bakhuis, muil en neus,Zijn gramschap eislijk slijpt[323], en d' adren gaat ontspannenOm een welriekend rot van panters aan te rannen[324]:Als juist den braven haan met purpren vederbosZijn trotsche kop verciert: een kuif, half peersch en ros,En half verguld, men op zijn kruin hoog uit ziet steken,En langs zijn stijve borst, met spikklen bont bestreken,Een roode baard vloeit: in zijn geelgroen oogen leîtDe schrik gelegerd, en zijn leden zijn bespreidMet ongesponnen goud: zijn korte bek zich krommet:Zijn voet gespoord in 't treên gelijk een krijgsman brommet:Zijn groote steert zich in twee welfde[325]takken takt:Met vleugelruisschen hij zijn lenden ribbezakt[326]:Hij zingt[327], zoo 't schijnt, en met zijn bijzijn en trotsch brallenHij van de sterke leeuw de kuif en moed doet vallen.Dees zalige eegaân, met een welbedreven spoor[328],Nu hupp'len achterwaart, nu zijlings, nu weêr voor:Zij dansen, zoo het schijnt, d' Hispanischepavane,En nochtans nimmer men haar lieve dans ziet gane[329]Uit 's gordels kringk[330], die met gesternde dieren, breedEn wijd vermaald, alsins 't plaveisel onderscheet[331].Als de eedle bruidegom naar Silo's berg gaat wandren[332],Ontluiken duistderlei[333]schoon bloemen elk voor andren[334]:Als hij d' Olijfberg groet, hij, waar zijn lichte treêOok loopt, duist vlokskens laat van nevel, rijm, en snee:Want 't glinst'rig vloersel met zijn aarzelen[335]geslagen,D' onruste wevertreên gelijk is, in die dagen.Nu kussen zich dees twee, nu aarsling[336]zij weêr gaan,En zien malkand'ren nu bedroefd, nu lachende aan,Nu voorwaarts, nu ter zij, met ongelijke gangen.De koninklijke maagd men merk'lijk ziet ontvangenVerandringe in 't kristal haars voorhoofds, schoon verjongd,Naar maat' haar 't helder ooge haars bruidegoms belonkt:Dat, zooder[337]hindernis komt plotslijk tusschen beideDe twee geliefkens, wordt zij droef alsof ze schreide;Het schijnt al of ze storf, haar helder oog gaat uit,Zoo werkt kuisch' heil'ge brand in zoo verheven bruid,Maar dit 's ten aanzien van haar maatzang niets met allen,Haar Engelen-geluid zij houwen[338]met bevallenMet zorgbetoover[339]luit, viool, en voetgelicht[340],En houden dus gespraak met lieflijk maatgedicht[341]:"O klaargeoogde maagd! wat zijdy schoon te achten,Mijn lief! hoe lieve ik u! mijn duifken, wit van schachten!O God! hoe lieve ik u, ach! 'k ben mij zelfs niet meer,Ik sterve om u, mijn lief! om u verrijze ik weêr:Wat zijdy schoon in 't oog! hoe lieve ik u, mijn herte!Al wakende ik bezwijm, ik flaauwe, ik stort met smerte.Door 't stralen uws gezichts, en slapende evenwel[342]Voel waken in mijn schoot mijn zuur en zoet gekwel.Wat stort uw zoete pruik[343]voor reuken, mijn vriendinne!Watte amber, wierook stort uw zoeten adem inneTwee fijne purpren draân! wat myrre, zoo veelvoud,Ontvloeit uw vingren, die gereept[344]zijn met schoon goud!""Mijn vrund, hoe zoet is mij de reuk van uw genuchten[345]!Wat stort uw zoete locht al heim'lijk-zoete luchtenIn mijn ontsteken borst! en watten honig nietOntvloeit uw zoete keel, die beek en gulden vliet!Mijn bloem, een lely, roos mids[346]in 't gebloemt gekropen,Een roze, een lely is, de een toe en de ander open:Dees bloeme met mijn hand ik d' eerste afplukken wil,Die rieken, kussen, in mijn boezem steken stil.Als d' app'laar gij, mijn lief, zijt onder de andre boomen,En vrucht èn bloezem hebt gij uit één stam bekomen:De vrucht ik smaken wil, de bloezem rieken, ach!En in uw koele schaauw gaan leegren nacht en dag."Den schoonen avondstond terwijl, met haar azurenKoetswagen, sleept een schaar van kleine en mindre vuren;De willekomme[347]slaap doet de oef'ning wijken dra,En de beneênste[348]bruid volgt 's Hemels Venus na.Dees Hymen uitgevierd, geen andere worm den koningEn knaagt, noch droomt niet el[349]als aan des Heeren woning,Zijn schatkist open staat, geen onkost hij en schouwt[350],En 's kunstnaars zinnen hij verlet[351]en bezig houdt.Wel tien duist handen men fluks zweeten ziet en ijlen,In alle bosschen men slechts hamers hoort en bijlen,En d' haarge toppen nu van d' heilge LibanusNaar 't water rollen, om op Sion stijgen flus:Men snijdt in balk en deel de bosschen met de zage,Het groote steengebergt vast krimpt van daag te dage;Met bijtels, hamers, de steenhouwer, eer men 't meent,Doorsnuffelt 't stijf gedarmt' van 't hemel-hoog gesteent':Hij venstert een gebergt, dat rijst naar boven eislijk,En temt fluks den porfier van d' eeuwen onverbrijslijk.D' een de gebakken steen doorkloven[352]heeft met vier,En d' ander die begraaft in een diepe afgrond hier,Den marbel[353]gepolijst met kunstig' handen veerdig,Ja, marbel, 't voorhoofd[354]van 't gebouw eens konings weerdig:Dees houwt een pijlers kop: een bult[355]die, met zijn hand:Een tegenbult[356]verzoet dees: die een voet-vierkant:Dees maakt een hanebalk: die een beschot ter zijden:Dees schaaft de delen glad: die gaat ze kunstig snijden.Bezielt doô cedren, en met 't schett'ren van een hout,Gebeeren[357], stemmen wekt, en zuchten menigvoud.En andren, met 't begrijp[358]van d' heil'ge muur, gerezenDoen, met haar stout bedrijf, den Hemel zelven vreezen:Men werkt met lust, nog klaagt de kunstenaar altijd,Dat in midzomer hem de dag te haast ontglijdt.De druivenlezers zoo, al zingende uit genuchten,Met 't snoeimes kromgebekt afsnoeyen Bacchus vruchtenIn 't vaatjen zoet van reuk: en trossen gaauw en vlugHaars handgifts zware last met kromgebogen rug,En, tot de lenden in de mostkuip neêrgestegen,Al hupplend' vloeyen doen een purpren druiven-regen.Men ploegt d' onlust te spijt,'t werk ziet men spoên met lust,Wie 't 's morgens heeft gezien, wanneer de zonne rust,Erkent, hoe 't groeit: de alwijze en ingoed' Heer der heerenAan dezen arbeid schijnt zich zelf te willen keeren,En 's nachts te werken, als een zoete rust op 't bedDer metsers[359]zeenwen en gebeenten houdt verlet[360].Groot-koning! van waar kwam dat reuzen-hert[361]gekropen,Van zoo veel bergen tot een lichaam op te hoopen?Met watte wagens, met wat sterke rollen danMen dees vierkanten lomp[362]zoo wijd verslepen kan?Wat krommer vastigheid van opgehangen bogenTen bonten wolken draagt dat pak hoog opgetogen?Indien op 't buitenwerk ik met mijn oogen let,De mets'laar heeft gevoegd den kant des steens zóó net,Dat, zoo hij zijn gebouw niet kakelbont deê schijnen,Met Syrische allebast en herde serpentijnen,Met honderd gadingen[363]van marber, vast en klaar[364],Men waande, of d' heele muur een enkel vierkant waar.Zoo 't binnenwerk wij zien, het buitenst' wij verfoeyen,Een rijkdom men alsins uitmuntend' hier ziet gloeyen,De wanden, 't vloersel, en de zolders opgebouwdMet cedren zijn beplakt[365], de cedren weêr met goud,En al de plaastering, met loof gevoêrd van binnen,Met bloemwerk, wild kouwoerd, en lodder[366]Cherubinnen.Van d' heilge ciersels ik gewag doe noch vermaan,Die in weerdije verr' 't gebouw te boven gaan:De kunst de stoffe antwoordt[367], de stof 't gebruik te wonder[368],O kunstenaar volmaakt! gij bootste uw werk bijzonderNa 's werelds ide[369], en zoo als voormaals ongefeildIn loten driederlei de wereld wierd gedeild;En dat de almachtig' hand des Heeren schiep volkomenEen aardsch, een hemelsch, een heel Godlijk uitgenomen[370]:Met bloemen, voglen, en met beesten cierend' 't eerst,Met fakklen 't ander, en met deugden 't alderveerst'[371]:Als God, aan 't schildren, met schoon blaauw de baren krulde,De velden groende alom, en 't krom gewelf verguldde:Als hij 't gesteente schonk zijn verwen licht van straal,De bloemen spikkelde, en gaf glansen aan 't metaal.Beeldsnijende, doorwrocht de stronken en de blârenDer planten, met zoo veel fraai beelden, draân, en âren,En, gieter[372], bootste ons nog zoo veel gedaanten hierVan posten snel gewiekt[373], veel visch, en menig dier.In driën deeldy nog dit Godshuis driemaal heilig:'t Een 't Alderheiligst is, daar niemand wandelt veiligAls[374]God, de Cherub, en Hij, die stadhouder trotschIs van Melchisedech, ware, eeuwig zone Gods.Het binnenste portaal is slechts voor de Levieten[375],Die helder zon op zon toeworpen d' IsralietenDe stralen van haar leere, en, met 's wets honigsapHaar[376]voedende, ingelijfd zijn 's Hemels borgerschap.Het voorpoortaal gij schikt voor die ik minder reken,Voor 't leeggezeten volk en de algemeene leken,En, werkman ondermengd[377], gij alsins wonder zoetAppelles, Fedrus'[378]kunst, en Miron bloeyen doet.Dit staal u zoo behaagt, dat gij daarna gaat makenUws Goddelijken geests langdurige nachtwaken:Uw boek, gemarberd rijk metSpreukenin Gods taal,Men rijkelijken mag toe-eignen 't voorpoortaal,Dewijl het ons verzorgt d' huiswetten nog op heden,Bijzondre leeringen, en burgerlijke zeden:En dat de stralen, die hij uitschiet overhoop[379],Vast oogen meerendeels op 't menschelijk beloop.In 't binnenste poortaal dePredikerwil schijnen(Die met zijn voeten kneênde[380]al wat de mensch met pijnenVergaart van aangenaam, goed, kostlijk, schoon, en dier)In 's Hemels herberge ons te voeren wijd van hier,En roepende: ijdelheid, gans ijdel 's werelds zegen,Al 's menschen heil is in de vreeze Gods gelegen!'t Geheimste is dit gezang[381], daar, met verborgen spel[382],Aan 's werelds Koning gij gaat houwen Israël:Daar gij weêrschallen doet 't zoet bruiloftslied alreedeVan Christus en zijn Kerk: daar d' heilge ziele in vredeGespraak houdt met haar God, de locht hoort met 't gebed[383],In 't vuur zijns stralend' oogs, haar[384]loutert rein en net,Zijn min geniet, en in zijn heilig bed gerieflijkDen mond der liefden zelfs mag kussen zoet en lieflijk."O, God!" zegt Salomon, na dat hij heeft voltooidDes Heeren huis,"groot[385]God! die, mij bevolen ooitDen bouw liet uws Paleis, helaas! maakt mij, o Heere!Daar levend' steen af[386], wekt in Davids zaad zijn eere.Oneindlijk Koning, die behelst[387]de oneindlijkheid,Monarch, die in uw troon zit naar uw Majesteit,In d' afgrond naar gerecht, alom naar uw vermogen:O Vader! herbergt[388]hier, om ons uw hulp te toogen:Mag 't zijn in twijfelzaak zoo spoeit u tot den eed[389],Ontwerret dezen knoop, straft strengelijk en wreedDe stoute meineed ook, en maakt niet, dat men zondigU voortaan houde en achte onwetende en onkondig.Verliest de boom zijn blos, zoo hagels d' akkren slaan,Zoo de âren ijl en leêg, zoo ons verwaaide graanOns honger zeggen toe, zoo, met veel ijzren banden,Gij sluit van 's Hemels sprong de poorten, met uw handen,En wij ootmoedig 't oog slaan op dit huis alleen;—Zoo hoort, almachtig God! verhoort doch ons gebeên.Zoo wij gevangen in uitheemsche landen kermen,Zoo ons in krijg bezwijkt 't geluk, het hert, en de ermen,En wij ootmoedig 't oog slaan op dit huis alleen,Zoo hoort, almachtig God! verhoort doch ons gebeên!Zoo uwer wondren faam den vreemdeling hier wenken,Om hooren uw geheim, u t' offren zijn geschenken,En in dit huis zijn kniên te krommen naar beneên,Zoo hoort, almachtig God! verhoort doch zijn gebeên!Verhoort van d' Hemel hem, en trekt, door weldoens koorden,In uw gewijde Kerk, Oost, Westen, Zuiden, Noorden!"'t Uitmuntende verstand van Isrels koning isZoo heldren tortse, dat vergeefs men die gewisMet onkunde overstulpt: zijn licht zich alsins toogenGaat, en zijn bliksemstraal licht glinsterig in d' oogenDes geens, die wijs den toom van 't burgerlijk beleed[390]Der teêre[391]Arabers met haar hand te mennen weet:Die binnen Saba heerscht, daar steedsche[392]lentens telenDen wierook zoet van reuk, den myrre, en roô kaneelen,Daar iedermans kantoor eens konings schat inhoudt,De vaten zilver zijn, de bedspon[393]louter goud,Met uitgelezen steen de muur bekleed oon[394]breuken,Met strikken ingewrocht, afbeeldingen, en spreuken:En nochtans zoo veel heils en grootheên laat ze staan,Om komen Salomon zijn zeên te merken aan,Zijn leering leenen 't oor, zijn stad bezien met vreugden,De schole des geloofs, en vaste burcht der deugden.Gij, die 't oog toesluit voor dees groote klaarheid meestDie in onze eeuwe blinkt, wiens aangeklopte[395]geest,Voor dolingen vermuft[396]de waarheid uit gaat sluiten,Die langzaam nacht en dag klopt aan uw poorten buiten,En die, om op te doen, u niet eens keert noch wendt,Om met God spreken en zijn dobbel Testament:Hoe vreesdy niet, dat dees princes, ten jongsten dage,Van groote ondankbaarheid en traagheid u verklage?Die vrouwe, die monarche en Heidene[397]met lustDe wellusten versmaadt, haar goud, en zoete rust:Dweerst[398]met veel moeite en kost, en met langdurig zwieren,Een weg, belegerd van struikroovers en van dieren,En andren Hemel gaat bezoeken, met de wensch,Om eenmaal mond aan mond te spreken met een mensch.Zij kwist geen tijd, maar gaat beschouwen, al verwonderd,De trotsche schoonheid van Gods tempel uitgezonderd[399]De bollewerken van veel steden, hoog naar eisch,Een uitgelezen troon, een prachtig trotsch paleis,Wiens muren kostlijk zijn, en d' huisraad nog veel rijker;'t Getal der knechten zijn rijk hof ciert statelijker,Meer haar geschiktheid nog: men hoort' er geen gerucht.Elk van den haren op zijn ampt let heel beducht[400]:En zoo als te gelijk de duim geroerd het levenDen zenuwsnaarkens kan van een quiterne[401]geven,En om verrijken nog zijn tooverig gezangVerwekt een middelbare, een hooge, een leege klang[402]:Met één woord, Salomon, met één gebeer[403], met wenkenBeroert de stoeten van zijn knechten, die gedenkenHeel gaauw aan haren plicht: elk neemt zijn les in acht,En ieder gaat gekleed met een bijzondre dracht.Eer zij vertrok van haar welriekende eilands-kuste,Met zware raadselen haar[404]dees princes toerustte,Belust den koning met verwerde vragen knap[405]T' ontmoeten, om te zien zijn groote wetenschap.Ziet welken Oedipus[406]! de voorspraak[407], die ervarenVoor 't vierschaar heeft bijna versleten al zijn jaren,En eindigt niet zoo haast een twijfel, lang bepleit,Die 't oud gebruik haast wijst, of 's lands gewoonheid scheidt[408],Of geestig hij ontknoopt dees Gordiaansche strikken,Ziet door dees nachten heen, en speelt alle oogenblikkenMet twijfelingen, die eer zweeten deên met pijnEen dapper school-sofist, Druides, of Bramijn[409]:En wetende dat, hoe een goed zich uitbreidt stijverHoe 't altijd grooter wordt, 't geloove hij vol ijverHaar in te scherpen tracht, en gaat, naar wensch, gemeinHaar maken[410]'t kostlijk goed van zijn gezegend brein:"Hoe zeer beklage ik u, afgodisch volk! die zotlijkGoud, zilver, hout," spreekt hij, "en kalk aanbidt bespotlijk,En door de schijnreên laas! der magi[411]onderrechtZoo vele pakken hebt den menschen opgelegd:Daar is, mevrouwe! één God, één hoogste, één ongeboren,Een Vorst van de eeuwigheid, zelf d' eeuwigheid verkoren.Oneindlijk, afgescheên van als[412], in allen doch,Beginslen-aanvang, en 't eind van alle einden nog,Der lichten schoonste licht, der wezens hoogste wezen,Der machten zuivre daad, der daden macht geprezen,Oorzaak van allen ook, alziender, goedheids zee,Des levens leven en het meer des schoonheids meê,Onoverwinnelijk, en sterrenvoogd bekwame,Die zelf eenvormig vormt zoo veel gestalten t' zame:
Elk met haar ranken ciert zijn plooyen opgestreeld[320].De witgevlerkte zwaan hem toejuicht, met vermaken,Een nieuwe lofzang op zijns mantels gulde laken.De fenix hier zijn nest en grafstéê bouwen wil.Uit 't nat rijst 't met pantsier gewapend crocodil.De maayer zwert-gebraân zein[321], garven haast ontvielen,En snelle vrees hem fluks ent vleug'len aan zijn hielen.De felle leeuw worpt vuur en vlam uit d' oogen beus[322],En slingersteertend' hij, door bakhuis, muil en neus,Zijn gramschap eislijk slijpt[323], en d' adren gaat ontspannenOm een welriekend rot van panters aan te rannen[324]:Als juist den braven haan met purpren vederbosZijn trotsche kop verciert: een kuif, half peersch en ros,En half verguld, men op zijn kruin hoog uit ziet steken,En langs zijn stijve borst, met spikklen bont bestreken,Een roode baard vloeit: in zijn geelgroen oogen leîtDe schrik gelegerd, en zijn leden zijn bespreidMet ongesponnen goud: zijn korte bek zich krommet:Zijn voet gespoord in 't treên gelijk een krijgsman brommet:Zijn groote steert zich in twee welfde[325]takken takt:Met vleugelruisschen hij zijn lenden ribbezakt[326]:Hij zingt[327], zoo 't schijnt, en met zijn bijzijn en trotsch brallenHij van de sterke leeuw de kuif en moed doet vallen.Dees zalige eegaân, met een welbedreven spoor[328],Nu hupp'len achterwaart, nu zijlings, nu weêr voor:Zij dansen, zoo het schijnt, d' Hispanischepavane,En nochtans nimmer men haar lieve dans ziet gane[329]Uit 's gordels kringk[330], die met gesternde dieren, breedEn wijd vermaald, alsins 't plaveisel onderscheet[331].Als de eedle bruidegom naar Silo's berg gaat wandren[332],Ontluiken duistderlei[333]schoon bloemen elk voor andren[334]:Als hij d' Olijfberg groet, hij, waar zijn lichte treêOok loopt, duist vlokskens laat van nevel, rijm, en snee:Want 't glinst'rig vloersel met zijn aarzelen[335]geslagen,D' onruste wevertreên gelijk is, in die dagen.Nu kussen zich dees twee, nu aarsling[336]zij weêr gaan,En zien malkand'ren nu bedroefd, nu lachende aan,Nu voorwaarts, nu ter zij, met ongelijke gangen.De koninklijke maagd men merk'lijk ziet ontvangenVerandringe in 't kristal haars voorhoofds, schoon verjongd,Naar maat' haar 't helder ooge haars bruidegoms belonkt:Dat, zooder[337]hindernis komt plotslijk tusschen beideDe twee geliefkens, wordt zij droef alsof ze schreide;Het schijnt al of ze storf, haar helder oog gaat uit,Zoo werkt kuisch' heil'ge brand in zoo verheven bruid,Maar dit 's ten aanzien van haar maatzang niets met allen,Haar Engelen-geluid zij houwen[338]met bevallenMet zorgbetoover[339]luit, viool, en voetgelicht[340],En houden dus gespraak met lieflijk maatgedicht[341]:"O klaargeoogde maagd! wat zijdy schoon te achten,Mijn lief! hoe lieve ik u! mijn duifken, wit van schachten!O God! hoe lieve ik u, ach! 'k ben mij zelfs niet meer,Ik sterve om u, mijn lief! om u verrijze ik weêr:Wat zijdy schoon in 't oog! hoe lieve ik u, mijn herte!Al wakende ik bezwijm, ik flaauwe, ik stort met smerte.Door 't stralen uws gezichts, en slapende evenwel[342]Voel waken in mijn schoot mijn zuur en zoet gekwel.Wat stort uw zoete pruik[343]voor reuken, mijn vriendinne!Watte amber, wierook stort uw zoeten adem inneTwee fijne purpren draân! wat myrre, zoo veelvoud,Ontvloeit uw vingren, die gereept[344]zijn met schoon goud!""Mijn vrund, hoe zoet is mij de reuk van uw genuchten[345]!Wat stort uw zoete locht al heim'lijk-zoete luchtenIn mijn ontsteken borst! en watten honig nietOntvloeit uw zoete keel, die beek en gulden vliet!Mijn bloem, een lely, roos mids[346]in 't gebloemt gekropen,Een roze, een lely is, de een toe en de ander open:Dees bloeme met mijn hand ik d' eerste afplukken wil,Die rieken, kussen, in mijn boezem steken stil.Als d' app'laar gij, mijn lief, zijt onder de andre boomen,En vrucht èn bloezem hebt gij uit één stam bekomen:De vrucht ik smaken wil, de bloezem rieken, ach!En in uw koele schaauw gaan leegren nacht en dag."Den schoonen avondstond terwijl, met haar azurenKoetswagen, sleept een schaar van kleine en mindre vuren;De willekomme[347]slaap doet de oef'ning wijken dra,En de beneênste[348]bruid volgt 's Hemels Venus na.Dees Hymen uitgevierd, geen andere worm den koningEn knaagt, noch droomt niet el[349]als aan des Heeren woning,Zijn schatkist open staat, geen onkost hij en schouwt[350],En 's kunstnaars zinnen hij verlet[351]en bezig houdt.Wel tien duist handen men fluks zweeten ziet en ijlen,In alle bosschen men slechts hamers hoort en bijlen,En d' haarge toppen nu van d' heilge LibanusNaar 't water rollen, om op Sion stijgen flus:Men snijdt in balk en deel de bosschen met de zage,Het groote steengebergt vast krimpt van daag te dage;Met bijtels, hamers, de steenhouwer, eer men 't meent,Doorsnuffelt 't stijf gedarmt' van 't hemel-hoog gesteent':Hij venstert een gebergt, dat rijst naar boven eislijk,En temt fluks den porfier van d' eeuwen onverbrijslijk.D' een de gebakken steen doorkloven[352]heeft met vier,En d' ander die begraaft in een diepe afgrond hier,Den marbel[353]gepolijst met kunstig' handen veerdig,Ja, marbel, 't voorhoofd[354]van 't gebouw eens konings weerdig:Dees houwt een pijlers kop: een bult[355]die, met zijn hand:Een tegenbult[356]verzoet dees: die een voet-vierkant:Dees maakt een hanebalk: die een beschot ter zijden:Dees schaaft de delen glad: die gaat ze kunstig snijden.Bezielt doô cedren, en met 't schett'ren van een hout,Gebeeren[357], stemmen wekt, en zuchten menigvoud.En andren, met 't begrijp[358]van d' heil'ge muur, gerezenDoen, met haar stout bedrijf, den Hemel zelven vreezen:Men werkt met lust, nog klaagt de kunstenaar altijd,Dat in midzomer hem de dag te haast ontglijdt.De druivenlezers zoo, al zingende uit genuchten,Met 't snoeimes kromgebekt afsnoeyen Bacchus vruchtenIn 't vaatjen zoet van reuk: en trossen gaauw en vlugHaars handgifts zware last met kromgebogen rug,En, tot de lenden in de mostkuip neêrgestegen,Al hupplend' vloeyen doen een purpren druiven-regen.Men ploegt d' onlust te spijt,'t werk ziet men spoên met lust,Wie 't 's morgens heeft gezien, wanneer de zonne rust,Erkent, hoe 't groeit: de alwijze en ingoed' Heer der heerenAan dezen arbeid schijnt zich zelf te willen keeren,En 's nachts te werken, als een zoete rust op 't bedDer metsers[359]zeenwen en gebeenten houdt verlet[360].Groot-koning! van waar kwam dat reuzen-hert[361]gekropen,Van zoo veel bergen tot een lichaam op te hoopen?Met watte wagens, met wat sterke rollen danMen dees vierkanten lomp[362]zoo wijd verslepen kan?Wat krommer vastigheid van opgehangen bogenTen bonten wolken draagt dat pak hoog opgetogen?Indien op 't buitenwerk ik met mijn oogen let,De mets'laar heeft gevoegd den kant des steens zóó net,Dat, zoo hij zijn gebouw niet kakelbont deê schijnen,Met Syrische allebast en herde serpentijnen,Met honderd gadingen[363]van marber, vast en klaar[364],Men waande, of d' heele muur een enkel vierkant waar.Zoo 't binnenwerk wij zien, het buitenst' wij verfoeyen,Een rijkdom men alsins uitmuntend' hier ziet gloeyen,De wanden, 't vloersel, en de zolders opgebouwdMet cedren zijn beplakt[365], de cedren weêr met goud,En al de plaastering, met loof gevoêrd van binnen,Met bloemwerk, wild kouwoerd, en lodder[366]Cherubinnen.Van d' heilge ciersels ik gewag doe noch vermaan,Die in weerdije verr' 't gebouw te boven gaan:De kunst de stoffe antwoordt[367], de stof 't gebruik te wonder[368],O kunstenaar volmaakt! gij bootste uw werk bijzonderNa 's werelds ide[369], en zoo als voormaals ongefeildIn loten driederlei de wereld wierd gedeild;En dat de almachtig' hand des Heeren schiep volkomenEen aardsch, een hemelsch, een heel Godlijk uitgenomen[370]:Met bloemen, voglen, en met beesten cierend' 't eerst,Met fakklen 't ander, en met deugden 't alderveerst'[371]:Als God, aan 't schildren, met schoon blaauw de baren krulde,De velden groende alom, en 't krom gewelf verguldde:Als hij 't gesteente schonk zijn verwen licht van straal,De bloemen spikkelde, en gaf glansen aan 't metaal.Beeldsnijende, doorwrocht de stronken en de blârenDer planten, met zoo veel fraai beelden, draân, en âren,En, gieter[372], bootste ons nog zoo veel gedaanten hierVan posten snel gewiekt[373], veel visch, en menig dier.In driën deeldy nog dit Godshuis driemaal heilig:'t Een 't Alderheiligst is, daar niemand wandelt veiligAls[374]God, de Cherub, en Hij, die stadhouder trotschIs van Melchisedech, ware, eeuwig zone Gods.Het binnenste portaal is slechts voor de Levieten[375],Die helder zon op zon toeworpen d' IsralietenDe stralen van haar leere, en, met 's wets honigsapHaar[376]voedende, ingelijfd zijn 's Hemels borgerschap.Het voorpoortaal gij schikt voor die ik minder reken,Voor 't leeggezeten volk en de algemeene leken,En, werkman ondermengd[377], gij alsins wonder zoetAppelles, Fedrus'[378]kunst, en Miron bloeyen doet.Dit staal u zoo behaagt, dat gij daarna gaat makenUws Goddelijken geests langdurige nachtwaken:Uw boek, gemarberd rijk metSpreukenin Gods taal,Men rijkelijken mag toe-eignen 't voorpoortaal,Dewijl het ons verzorgt d' huiswetten nog op heden,Bijzondre leeringen, en burgerlijke zeden:En dat de stralen, die hij uitschiet overhoop[379],Vast oogen meerendeels op 't menschelijk beloop.In 't binnenste poortaal dePredikerwil schijnen(Die met zijn voeten kneênde[380]al wat de mensch met pijnenVergaart van aangenaam, goed, kostlijk, schoon, en dier)In 's Hemels herberge ons te voeren wijd van hier,En roepende: ijdelheid, gans ijdel 's werelds zegen,Al 's menschen heil is in de vreeze Gods gelegen!'t Geheimste is dit gezang[381], daar, met verborgen spel[382],Aan 's werelds Koning gij gaat houwen Israël:Daar gij weêrschallen doet 't zoet bruiloftslied alreedeVan Christus en zijn Kerk: daar d' heilge ziele in vredeGespraak houdt met haar God, de locht hoort met 't gebed[383],In 't vuur zijns stralend' oogs, haar[384]loutert rein en net,Zijn min geniet, en in zijn heilig bed gerieflijkDen mond der liefden zelfs mag kussen zoet en lieflijk."O, God!" zegt Salomon, na dat hij heeft voltooidDes Heeren huis,"groot[385]God! die, mij bevolen ooitDen bouw liet uws Paleis, helaas! maakt mij, o Heere!Daar levend' steen af[386], wekt in Davids zaad zijn eere.Oneindlijk Koning, die behelst[387]de oneindlijkheid,Monarch, die in uw troon zit naar uw Majesteit,In d' afgrond naar gerecht, alom naar uw vermogen:O Vader! herbergt[388]hier, om ons uw hulp te toogen:Mag 't zijn in twijfelzaak zoo spoeit u tot den eed[389],Ontwerret dezen knoop, straft strengelijk en wreedDe stoute meineed ook, en maakt niet, dat men zondigU voortaan houde en achte onwetende en onkondig.Verliest de boom zijn blos, zoo hagels d' akkren slaan,Zoo de âren ijl en leêg, zoo ons verwaaide graanOns honger zeggen toe, zoo, met veel ijzren banden,Gij sluit van 's Hemels sprong de poorten, met uw handen,En wij ootmoedig 't oog slaan op dit huis alleen;—Zoo hoort, almachtig God! verhoort doch ons gebeên.Zoo wij gevangen in uitheemsche landen kermen,Zoo ons in krijg bezwijkt 't geluk, het hert, en de ermen,En wij ootmoedig 't oog slaan op dit huis alleen,Zoo hoort, almachtig God! verhoort doch ons gebeên!Zoo uwer wondren faam den vreemdeling hier wenken,Om hooren uw geheim, u t' offren zijn geschenken,En in dit huis zijn kniên te krommen naar beneên,Zoo hoort, almachtig God! verhoort doch zijn gebeên!Verhoort van d' Hemel hem, en trekt, door weldoens koorden,In uw gewijde Kerk, Oost, Westen, Zuiden, Noorden!"'t Uitmuntende verstand van Isrels koning isZoo heldren tortse, dat vergeefs men die gewisMet onkunde overstulpt: zijn licht zich alsins toogenGaat, en zijn bliksemstraal licht glinsterig in d' oogenDes geens, die wijs den toom van 't burgerlijk beleed[390]Der teêre[391]Arabers met haar hand te mennen weet:Die binnen Saba heerscht, daar steedsche[392]lentens telenDen wierook zoet van reuk, den myrre, en roô kaneelen,Daar iedermans kantoor eens konings schat inhoudt,De vaten zilver zijn, de bedspon[393]louter goud,Met uitgelezen steen de muur bekleed oon[394]breuken,Met strikken ingewrocht, afbeeldingen, en spreuken:En nochtans zoo veel heils en grootheên laat ze staan,Om komen Salomon zijn zeên te merken aan,Zijn leering leenen 't oor, zijn stad bezien met vreugden,De schole des geloofs, en vaste burcht der deugden.Gij, die 't oog toesluit voor dees groote klaarheid meestDie in onze eeuwe blinkt, wiens aangeklopte[395]geest,Voor dolingen vermuft[396]de waarheid uit gaat sluiten,Die langzaam nacht en dag klopt aan uw poorten buiten,En die, om op te doen, u niet eens keert noch wendt,Om met God spreken en zijn dobbel Testament:Hoe vreesdy niet, dat dees princes, ten jongsten dage,Van groote ondankbaarheid en traagheid u verklage?Die vrouwe, die monarche en Heidene[397]met lustDe wellusten versmaadt, haar goud, en zoete rust:Dweerst[398]met veel moeite en kost, en met langdurig zwieren,Een weg, belegerd van struikroovers en van dieren,En andren Hemel gaat bezoeken, met de wensch,Om eenmaal mond aan mond te spreken met een mensch.Zij kwist geen tijd, maar gaat beschouwen, al verwonderd,De trotsche schoonheid van Gods tempel uitgezonderd[399]De bollewerken van veel steden, hoog naar eisch,Een uitgelezen troon, een prachtig trotsch paleis,Wiens muren kostlijk zijn, en d' huisraad nog veel rijker;'t Getal der knechten zijn rijk hof ciert statelijker,Meer haar geschiktheid nog: men hoort' er geen gerucht.Elk van den haren op zijn ampt let heel beducht[400]:En zoo als te gelijk de duim geroerd het levenDen zenuwsnaarkens kan van een quiterne[401]geven,En om verrijken nog zijn tooverig gezangVerwekt een middelbare, een hooge, een leege klang[402]:Met één woord, Salomon, met één gebeer[403], met wenkenBeroert de stoeten van zijn knechten, die gedenkenHeel gaauw aan haren plicht: elk neemt zijn les in acht,En ieder gaat gekleed met een bijzondre dracht.Eer zij vertrok van haar welriekende eilands-kuste,Met zware raadselen haar[404]dees princes toerustte,Belust den koning met verwerde vragen knap[405]T' ontmoeten, om te zien zijn groote wetenschap.Ziet welken Oedipus[406]! de voorspraak[407], die ervarenVoor 't vierschaar heeft bijna versleten al zijn jaren,En eindigt niet zoo haast een twijfel, lang bepleit,Die 't oud gebruik haast wijst, of 's lands gewoonheid scheidt[408],Of geestig hij ontknoopt dees Gordiaansche strikken,Ziet door dees nachten heen, en speelt alle oogenblikkenMet twijfelingen, die eer zweeten deên met pijnEen dapper school-sofist, Druides, of Bramijn[409]:En wetende dat, hoe een goed zich uitbreidt stijverHoe 't altijd grooter wordt, 't geloove hij vol ijverHaar in te scherpen tracht, en gaat, naar wensch, gemeinHaar maken[410]'t kostlijk goed van zijn gezegend brein:"Hoe zeer beklage ik u, afgodisch volk! die zotlijkGoud, zilver, hout," spreekt hij, "en kalk aanbidt bespotlijk,En door de schijnreên laas! der magi[411]onderrechtZoo vele pakken hebt den menschen opgelegd:Daar is, mevrouwe! één God, één hoogste, één ongeboren,Een Vorst van de eeuwigheid, zelf d' eeuwigheid verkoren.Oneindlijk, afgescheên van als[412], in allen doch,Beginslen-aanvang, en 't eind van alle einden nog,Der lichten schoonste licht, der wezens hoogste wezen,Der machten zuivre daad, der daden macht geprezen,Oorzaak van allen ook, alziender, goedheids zee,Des levens leven en het meer des schoonheids meê,Onoverwinnelijk, en sterrenvoogd bekwame,Die zelf eenvormig vormt zoo veel gestalten t' zame:
Elk met haar ranken ciert zijn plooyen opgestreeld[320].
De witgevlerkte zwaan hem toejuicht, met vermaken,
Een nieuwe lofzang op zijns mantels gulde laken.
De fenix hier zijn nest en grafstéê bouwen wil.
Uit 't nat rijst 't met pantsier gewapend crocodil.
De maayer zwert-gebraân zein[321], garven haast ontvielen,
En snelle vrees hem fluks ent vleug'len aan zijn hielen.
De felle leeuw worpt vuur en vlam uit d' oogen beus[322],
En slingersteertend' hij, door bakhuis, muil en neus,
Zijn gramschap eislijk slijpt[323], en d' adren gaat ontspannen
Om een welriekend rot van panters aan te rannen[324]:
Als juist den braven haan met purpren vederbos
Zijn trotsche kop verciert: een kuif, half peersch en ros,
En half verguld, men op zijn kruin hoog uit ziet steken,
En langs zijn stijve borst, met spikklen bont bestreken,
Een roode baard vloeit: in zijn geelgroen oogen leît
De schrik gelegerd, en zijn leden zijn bespreid
Met ongesponnen goud: zijn korte bek zich krommet:
Zijn voet gespoord in 't treên gelijk een krijgsman brommet:
Zijn groote steert zich in twee welfde[325]takken takt:
Met vleugelruisschen hij zijn lenden ribbezakt[326]:
Hij zingt[327], zoo 't schijnt, en met zijn bijzijn en trotsch brallen
Hij van de sterke leeuw de kuif en moed doet vallen.
Dees zalige eegaân, met een welbedreven spoor[328],
Nu hupp'len achterwaart, nu zijlings, nu weêr voor:
Zij dansen, zoo het schijnt, d' Hispanischepavane,
En nochtans nimmer men haar lieve dans ziet gane[329]
Uit 's gordels kringk[330], die met gesternde dieren, breed
En wijd vermaald, alsins 't plaveisel onderscheet[331].
Als de eedle bruidegom naar Silo's berg gaat wandren[332],
Ontluiken duistderlei[333]schoon bloemen elk voor andren[334]:
Als hij d' Olijfberg groet, hij, waar zijn lichte treê
Ook loopt, duist vlokskens laat van nevel, rijm, en snee:
Want 't glinst'rig vloersel met zijn aarzelen[335]geslagen,
D' onruste wevertreên gelijk is, in die dagen.
Nu kussen zich dees twee, nu aarsling[336]zij weêr gaan,
En zien malkand'ren nu bedroefd, nu lachende aan,
Nu voorwaarts, nu ter zij, met ongelijke gangen.
De koninklijke maagd men merk'lijk ziet ontvangen
Verandringe in 't kristal haars voorhoofds, schoon verjongd,
Naar maat' haar 't helder ooge haars bruidegoms belonkt:
Dat, zooder[337]hindernis komt plotslijk tusschen beide
De twee geliefkens, wordt zij droef alsof ze schreide;
Het schijnt al of ze storf, haar helder oog gaat uit,
Zoo werkt kuisch' heil'ge brand in zoo verheven bruid,
Maar dit 's ten aanzien van haar maatzang niets met allen,
Haar Engelen-geluid zij houwen[338]met bevallen
Met zorgbetoover[339]luit, viool, en voetgelicht[340],
En houden dus gespraak met lieflijk maatgedicht[341]:
"O klaargeoogde maagd! wat zijdy schoon te achten,
Mijn lief! hoe lieve ik u! mijn duifken, wit van schachten!
O God! hoe lieve ik u, ach! 'k ben mij zelfs niet meer,
Ik sterve om u, mijn lief! om u verrijze ik weêr:
Wat zijdy schoon in 't oog! hoe lieve ik u, mijn herte!
Al wakende ik bezwijm, ik flaauwe, ik stort met smerte.
Door 't stralen uws gezichts, en slapende evenwel[342]
Voel waken in mijn schoot mijn zuur en zoet gekwel.
Wat stort uw zoete pruik[343]voor reuken, mijn vriendinne!
Watte amber, wierook stort uw zoeten adem inne
Twee fijne purpren draân! wat myrre, zoo veelvoud,
Ontvloeit uw vingren, die gereept[344]zijn met schoon goud!"
"Mijn vrund, hoe zoet is mij de reuk van uw genuchten[345]!
Wat stort uw zoete locht al heim'lijk-zoete luchten
In mijn ontsteken borst! en watten honig niet
Ontvloeit uw zoete keel, die beek en gulden vliet!
Mijn bloem, een lely, roos mids[346]in 't gebloemt gekropen,
Een roze, een lely is, de een toe en de ander open:
Dees bloeme met mijn hand ik d' eerste afplukken wil,
Die rieken, kussen, in mijn boezem steken stil.
Als d' app'laar gij, mijn lief, zijt onder de andre boomen,
En vrucht èn bloezem hebt gij uit één stam bekomen:
De vrucht ik smaken wil, de bloezem rieken, ach!
En in uw koele schaauw gaan leegren nacht en dag."
Den schoonen avondstond terwijl, met haar azuren
Koetswagen, sleept een schaar van kleine en mindre vuren;
De willekomme[347]slaap doet de oef'ning wijken dra,
En de beneênste[348]bruid volgt 's Hemels Venus na.
Dees Hymen uitgevierd, geen andere worm den koning
En knaagt, noch droomt niet el[349]als aan des Heeren woning,
Zijn schatkist open staat, geen onkost hij en schouwt[350],
En 's kunstnaars zinnen hij verlet[351]en bezig houdt.
Wel tien duist handen men fluks zweeten ziet en ijlen,
In alle bosschen men slechts hamers hoort en bijlen,
En d' haarge toppen nu van d' heilge Libanus
Naar 't water rollen, om op Sion stijgen flus:
Men snijdt in balk en deel de bosschen met de zage,
Het groote steengebergt vast krimpt van daag te dage;
Met bijtels, hamers, de steenhouwer, eer men 't meent,
Doorsnuffelt 't stijf gedarmt' van 't hemel-hoog gesteent':
Hij venstert een gebergt, dat rijst naar boven eislijk,
En temt fluks den porfier van d' eeuwen onverbrijslijk.
D' een de gebakken steen doorkloven[352]heeft met vier,
En d' ander die begraaft in een diepe afgrond hier,
Den marbel[353]gepolijst met kunstig' handen veerdig,
Ja, marbel, 't voorhoofd[354]van 't gebouw eens konings weerdig:
Dees houwt een pijlers kop: een bult[355]die, met zijn hand:
Een tegenbult[356]verzoet dees: die een voet-vierkant:
Dees maakt een hanebalk: die een beschot ter zijden:
Dees schaaft de delen glad: die gaat ze kunstig snijden.
Bezielt doô cedren, en met 't schett'ren van een hout,
Gebeeren[357], stemmen wekt, en zuchten menigvoud.
En andren, met 't begrijp[358]van d' heil'ge muur, gerezen
Doen, met haar stout bedrijf, den Hemel zelven vreezen:
Men werkt met lust, nog klaagt de kunstenaar altijd,
Dat in midzomer hem de dag te haast ontglijdt.
De druivenlezers zoo, al zingende uit genuchten,
Met 't snoeimes kromgebekt afsnoeyen Bacchus vruchten
In 't vaatjen zoet van reuk: en trossen gaauw en vlug
Haars handgifts zware last met kromgebogen rug,
En, tot de lenden in de mostkuip neêrgestegen,
Al hupplend' vloeyen doen een purpren druiven-regen.
Men ploegt d' onlust te spijt,'t werk ziet men spoên met lust,
Wie 't 's morgens heeft gezien, wanneer de zonne rust,
Erkent, hoe 't groeit: de alwijze en ingoed' Heer der heeren
Aan dezen arbeid schijnt zich zelf te willen keeren,
En 's nachts te werken, als een zoete rust op 't bed
Der metsers[359]zeenwen en gebeenten houdt verlet[360].
Groot-koning! van waar kwam dat reuzen-hert[361]gekropen,
Van zoo veel bergen tot een lichaam op te hoopen?
Met watte wagens, met wat sterke rollen dan
Men dees vierkanten lomp[362]zoo wijd verslepen kan?
Wat krommer vastigheid van opgehangen bogen
Ten bonten wolken draagt dat pak hoog opgetogen?
Indien op 't buitenwerk ik met mijn oogen let,
De mets'laar heeft gevoegd den kant des steens zóó net,
Dat, zoo hij zijn gebouw niet kakelbont deê schijnen,
Met Syrische allebast en herde serpentijnen,
Met honderd gadingen[363]van marber, vast en klaar[364],
Men waande, of d' heele muur een enkel vierkant waar.
Zoo 't binnenwerk wij zien, het buitenst' wij verfoeyen,
Een rijkdom men alsins uitmuntend' hier ziet gloeyen,
De wanden, 't vloersel, en de zolders opgebouwd
Met cedren zijn beplakt[365], de cedren weêr met goud,
En al de plaastering, met loof gevoêrd van binnen,
Met bloemwerk, wild kouwoerd, en lodder[366]Cherubinnen.
Van d' heilge ciersels ik gewag doe noch vermaan,
Die in weerdije verr' 't gebouw te boven gaan:
De kunst de stoffe antwoordt[367], de stof 't gebruik te wonder[368],
O kunstenaar volmaakt! gij bootste uw werk bijzonder
Na 's werelds ide[369], en zoo als voormaals ongefeild
In loten driederlei de wereld wierd gedeild;
En dat de almachtig' hand des Heeren schiep volkomen
Een aardsch, een hemelsch, een heel Godlijk uitgenomen[370]:
Met bloemen, voglen, en met beesten cierend' 't eerst,
Met fakklen 't ander, en met deugden 't alderveerst'[371]:
Als God, aan 't schildren, met schoon blaauw de baren krulde,
De velden groende alom, en 't krom gewelf verguldde:
Als hij 't gesteente schonk zijn verwen licht van straal,
De bloemen spikkelde, en gaf glansen aan 't metaal.
Beeldsnijende, doorwrocht de stronken en de blâren
Der planten, met zoo veel fraai beelden, draân, en âren,
En, gieter[372], bootste ons nog zoo veel gedaanten hier
Van posten snel gewiekt[373], veel visch, en menig dier.
In driën deeldy nog dit Godshuis driemaal heilig:
't Een 't Alderheiligst is, daar niemand wandelt veilig
Als[374]God, de Cherub, en Hij, die stadhouder trotsch
Is van Melchisedech, ware, eeuwig zone Gods.
Het binnenste portaal is slechts voor de Levieten[375],
Die helder zon op zon toeworpen d' Isralieten
De stralen van haar leere, en, met 's wets honigsap
Haar[376]voedende, ingelijfd zijn 's Hemels borgerschap.
Het voorpoortaal gij schikt voor die ik minder reken,
Voor 't leeggezeten volk en de algemeene leken,
En, werkman ondermengd[377], gij alsins wonder zoet
Appelles, Fedrus'[378]kunst, en Miron bloeyen doet.
Dit staal u zoo behaagt, dat gij daarna gaat maken
Uws Goddelijken geests langdurige nachtwaken:
Uw boek, gemarberd rijk metSpreukenin Gods taal,
Men rijkelijken mag toe-eignen 't voorpoortaal,
Dewijl het ons verzorgt d' huiswetten nog op heden,
Bijzondre leeringen, en burgerlijke zeden:
En dat de stralen, die hij uitschiet overhoop[379],
Vast oogen meerendeels op 't menschelijk beloop.
In 't binnenste poortaal dePredikerwil schijnen
(Die met zijn voeten kneênde[380]al wat de mensch met pijnen
Vergaart van aangenaam, goed, kostlijk, schoon, en dier)
In 's Hemels herberge ons te voeren wijd van hier,
En roepende: ijdelheid, gans ijdel 's werelds zegen,
Al 's menschen heil is in de vreeze Gods gelegen!
't Geheimste is dit gezang[381], daar, met verborgen spel[382],
Aan 's werelds Koning gij gaat houwen Israël:
Daar gij weêrschallen doet 't zoet bruiloftslied alreede
Van Christus en zijn Kerk: daar d' heilge ziele in vrede
Gespraak houdt met haar God, de locht hoort met 't gebed[383],
In 't vuur zijns stralend' oogs, haar[384]loutert rein en net,
Zijn min geniet, en in zijn heilig bed gerieflijk
Den mond der liefden zelfs mag kussen zoet en lieflijk.
"O, God!" zegt Salomon, na dat hij heeft voltooid
Des Heeren huis,"groot[385]God! die, mij bevolen ooit
Den bouw liet uws Paleis, helaas! maakt mij, o Heere!
Daar levend' steen af[386], wekt in Davids zaad zijn eere.
Oneindlijk Koning, die behelst[387]de oneindlijkheid,
Monarch, die in uw troon zit naar uw Majesteit,
In d' afgrond naar gerecht, alom naar uw vermogen:
O Vader! herbergt[388]hier, om ons uw hulp te toogen:
Mag 't zijn in twijfelzaak zoo spoeit u tot den eed[389],
Ontwerret dezen knoop, straft strengelijk en wreed
De stoute meineed ook, en maakt niet, dat men zondig
U voortaan houde en achte onwetende en onkondig.
Verliest de boom zijn blos, zoo hagels d' akkren slaan,
Zoo de âren ijl en leêg, zoo ons verwaaide graan
Ons honger zeggen toe, zoo, met veel ijzren banden,
Gij sluit van 's Hemels sprong de poorten, met uw handen,
En wij ootmoedig 't oog slaan op dit huis alleen;—
Zoo hoort, almachtig God! verhoort doch ons gebeên.
Zoo wij gevangen in uitheemsche landen kermen,
Zoo ons in krijg bezwijkt 't geluk, het hert, en de ermen,
En wij ootmoedig 't oog slaan op dit huis alleen,
Zoo hoort, almachtig God! verhoort doch ons gebeên!
Zoo uwer wondren faam den vreemdeling hier wenken,
Om hooren uw geheim, u t' offren zijn geschenken,
En in dit huis zijn kniên te krommen naar beneên,
Zoo hoort, almachtig God! verhoort doch zijn gebeên!
Verhoort van d' Hemel hem, en trekt, door weldoens koorden,
In uw gewijde Kerk, Oost, Westen, Zuiden, Noorden!"
't Uitmuntende verstand van Isrels koning is
Zoo heldren tortse, dat vergeefs men die gewis
Met onkunde overstulpt: zijn licht zich alsins toogen
Gaat, en zijn bliksemstraal licht glinsterig in d' oogen
Des geens, die wijs den toom van 't burgerlijk beleed[390]
Der teêre[391]Arabers met haar hand te mennen weet:
Die binnen Saba heerscht, daar steedsche[392]lentens telen
Den wierook zoet van reuk, den myrre, en roô kaneelen,
Daar iedermans kantoor eens konings schat inhoudt,
De vaten zilver zijn, de bedspon[393]louter goud,
Met uitgelezen steen de muur bekleed oon[394]breuken,
Met strikken ingewrocht, afbeeldingen, en spreuken:
En nochtans zoo veel heils en grootheên laat ze staan,
Om komen Salomon zijn zeên te merken aan,
Zijn leering leenen 't oor, zijn stad bezien met vreugden,
De schole des geloofs, en vaste burcht der deugden.
Gij, die 't oog toesluit voor dees groote klaarheid meest
Die in onze eeuwe blinkt, wiens aangeklopte[395]geest,
Voor dolingen vermuft[396]de waarheid uit gaat sluiten,
Die langzaam nacht en dag klopt aan uw poorten buiten,
En die, om op te doen, u niet eens keert noch wendt,
Om met God spreken en zijn dobbel Testament:
Hoe vreesdy niet, dat dees princes, ten jongsten dage,
Van groote ondankbaarheid en traagheid u verklage?
Die vrouwe, die monarche en Heidene[397]met lust
De wellusten versmaadt, haar goud, en zoete rust:
Dweerst[398]met veel moeite en kost, en met langdurig zwieren,
Een weg, belegerd van struikroovers en van dieren,
En andren Hemel gaat bezoeken, met de wensch,
Om eenmaal mond aan mond te spreken met een mensch.
Zij kwist geen tijd, maar gaat beschouwen, al verwonderd,
De trotsche schoonheid van Gods tempel uitgezonderd[399]
De bollewerken van veel steden, hoog naar eisch,
Een uitgelezen troon, een prachtig trotsch paleis,
Wiens muren kostlijk zijn, en d' huisraad nog veel rijker;
't Getal der knechten zijn rijk hof ciert statelijker,
Meer haar geschiktheid nog: men hoort' er geen gerucht.
Elk van den haren op zijn ampt let heel beducht[400]:
En zoo als te gelijk de duim geroerd het leven
Den zenuwsnaarkens kan van een quiterne[401]geven,
En om verrijken nog zijn tooverig gezang
Verwekt een middelbare, een hooge, een leege klang[402]:
Met één woord, Salomon, met één gebeer[403], met wenken
Beroert de stoeten van zijn knechten, die gedenken
Heel gaauw aan haren plicht: elk neemt zijn les in acht,
En ieder gaat gekleed met een bijzondre dracht.
Eer zij vertrok van haar welriekende eilands-kuste,
Met zware raadselen haar[404]dees princes toerustte,
Belust den koning met verwerde vragen knap[405]
T' ontmoeten, om te zien zijn groote wetenschap.
Ziet welken Oedipus[406]! de voorspraak[407], die ervaren
Voor 't vierschaar heeft bijna versleten al zijn jaren,
En eindigt niet zoo haast een twijfel, lang bepleit,
Die 't oud gebruik haast wijst, of 's lands gewoonheid scheidt[408],
Of geestig hij ontknoopt dees Gordiaansche strikken,
Ziet door dees nachten heen, en speelt alle oogenblikken
Met twijfelingen, die eer zweeten deên met pijn
Een dapper school-sofist, Druides, of Bramijn[409]:
En wetende dat, hoe een goed zich uitbreidt stijver
Hoe 't altijd grooter wordt, 't geloove hij vol ijver
Haar in te scherpen tracht, en gaat, naar wensch, gemein
Haar maken[410]'t kostlijk goed van zijn gezegend brein:
"Hoe zeer beklage ik u, afgodisch volk! die zotlijk
Goud, zilver, hout," spreekt hij, "en kalk aanbidt bespotlijk,
En door de schijnreên laas! der magi[411]onderrecht
Zoo vele pakken hebt den menschen opgelegd:
Daar is, mevrouwe! één God, één hoogste, één ongeboren,
Een Vorst van de eeuwigheid, zelf d' eeuwigheid verkoren.
Oneindlijk, afgescheên van als[412], in allen doch,
Beginslen-aanvang, en 't eind van alle einden nog,
Der lichten schoonste licht, der wezens hoogste wezen,
Der machten zuivre daad, der daden macht geprezen,
Oorzaak van allen ook, alziender, goedheids zee,
Des levens leven en het meer des schoonheids meê,
Onoverwinnelijk, en sterrenvoogd bekwame,
Die zelf eenvormig vormt zoo veel gestalten t' zame: