Een zelve[413]is 't, éénen God; wie de eenheid loochent, ziet,Maakt, godlooze atheïst! de Godheid gants tot niet;In Gode de eenheid staat, de Satan tweeheid stichtet,De groote wereld heeft één zon maar, die haar lichtet,De kleine[414]maar één ziel, en beids zij hebben éénGroot God, in wezen één, in drien[415]onderscheên.De leên, die, welgedeeld, staan dit gesticht gelaten[416],Dit lijf vervult met vreê, met weêrliefde, en met maten[417],Dees welgeschikte kerk, met rijkdom rijk begift,Deze uitgegoten kunst, en mag niet zijn geschiftAls met één zin, en hij maar van één Meester wordenGedeeld, gelijk zijn werk één Meester houdt in orden:Want anders zou men, in slagordeningen, zaan[418]Wel honderd duizend zien malkandren randen aan,Een burgerlijken krijg zou 't aardrijk onderhouwen[419],En dees beroerden[420]al zijn ondergang fluks brouwen.Dewijl van eeuwigheid God is oneindlijk dan,En in zich meer als een eindloosheid vaten kan,Vermids de macht van d' een geen mate stelt den andren,Of eer zijn naam vernielt en wezen met malkandren:Wat houdt gij, Heid'nen! dan, als in 't gevangenhuis,D' Oneindlijke bemuurd in een benaauwde kluis?Of waarom sluit gij hem in eenen stronk[421]verachtlijk?Of waarom schilderdy d' Onzienlijke onbedachtlijk?En waarom offerdy den driemaal Hooge meest[422]Al t' zamen vleeschlijke eer, daar hij is zuiver geest?""Maar," zegt ze, "waarom dus, gestut door onze werken[423],Bant gij de Onsterflijkheid in 't binnenste eender kerken[424]?Besluit hem in een ark[425], en beestlijken hem voedtMet beestenvleesch, en niet met myrre en wierook zoet?""Dit huis, zoo heilig als in schoonheid uitgenomen,God," zegt hij, "niet besluit, maar wel de schaar der vromenDie hem aanbidt, en eert, en wanen[426]niet, och arm!Dat dien, die de aarde neemt en Hemel in zijn erm,Een kofferken vervaat[427], maar 't bond van durige eeuwen,Het statige[428]verbond, dat de afkomst der HebreeuwenMet God den Heer verbindt, de vrome aan 's vromen zaad,En aarde en Hemel met dees' plaats verknoopen gaat.Kortom, onze offerande, ons wasschingen, ons smokenIs geen verzierde[429]dienst, zoo[430]dikmaal wordt gesproken:God is d' insteller, die ons innerlijk gemoedIn d' hoop zijns Zoons met al deze elementen[431]voedt,En zichtlijk ons hier mede aan d' offer doet gedenken,Die eens in Kristus bloed zal onze zonden drenken.Komt, komt, o Heere! dan, o, einder van de wet!Groot Koning, groot Profeet, Hoogpriester onbesmet!Komt, driemaal Groote komt! ons toevlucht, die wij wenschen,Voorspreker, en rantsoen, en Rechter aller menschen!Zoet Slachtlam, sterke Leeuw, genezende Serpent!Noodscheidsman tusschen ons en d' Hemel in het end!Komt, komt, o Waarheid! wit[432], en bijstand, en verlangenVan onzen offer! o, Messias! wilt aanvangenIn Sion te gebiên, en, in den geest ge-eerd,Dees booze wereld in een gulden tijd verkeert!Dees koninginne aanveerd en wilt als d' eerst'ling duldenVan 's werelds koningen, legt op u onze schuldenZoo wèl, dat wij, ontkleed van Adams kwaden aard,Met d' heilige Englen in den Hemel zijn verklaard[433]!"Zeer na flaauwt[434]de vorstin, bezweken van verwondren,En spreekt: "Heer koning! steeds, in 't vliegen en stijf dondren,De faam al grooter wordt, en, snaterbek in schijn[435],De deugden grooter maakt, als zij wel daadlijk zijn:En de eedle geesten zijn gelijk de tafereelen,Die wel gedaan in 't oog met meer verwondren spelenVan verre als van nabij: maar zoo veel als voorwaarUwe eere elks kroon verdooft, blinkt uw deugd boven haar[436]:Uw lof oon weêrga nog uws leernens[437]prijs behindert,En 't nijdige gerucht uws wijsheids roem vermindert."
Een zelve[413]is 't, éénen God; wie de eenheid loochent, ziet,Maakt, godlooze atheïst! de Godheid gants tot niet;In Gode de eenheid staat, de Satan tweeheid stichtet,De groote wereld heeft één zon maar, die haar lichtet,De kleine[414]maar één ziel, en beids zij hebben éénGroot God, in wezen één, in drien[415]onderscheên.De leên, die, welgedeeld, staan dit gesticht gelaten[416],Dit lijf vervult met vreê, met weêrliefde, en met maten[417],Dees welgeschikte kerk, met rijkdom rijk begift,Deze uitgegoten kunst, en mag niet zijn geschiftAls met één zin, en hij maar van één Meester wordenGedeeld, gelijk zijn werk één Meester houdt in orden:Want anders zou men, in slagordeningen, zaan[418]Wel honderd duizend zien malkandren randen aan,Een burgerlijken krijg zou 't aardrijk onderhouwen[419],En dees beroerden[420]al zijn ondergang fluks brouwen.Dewijl van eeuwigheid God is oneindlijk dan,En in zich meer als een eindloosheid vaten kan,Vermids de macht van d' een geen mate stelt den andren,Of eer zijn naam vernielt en wezen met malkandren:Wat houdt gij, Heid'nen! dan, als in 't gevangenhuis,D' Oneindlijke bemuurd in een benaauwde kluis?Of waarom sluit gij hem in eenen stronk[421]verachtlijk?Of waarom schilderdy d' Onzienlijke onbedachtlijk?En waarom offerdy den driemaal Hooge meest[422]Al t' zamen vleeschlijke eer, daar hij is zuiver geest?""Maar," zegt ze, "waarom dus, gestut door onze werken[423],Bant gij de Onsterflijkheid in 't binnenste eender kerken[424]?Besluit hem in een ark[425], en beestlijken hem voedtMet beestenvleesch, en niet met myrre en wierook zoet?""Dit huis, zoo heilig als in schoonheid uitgenomen,God," zegt hij, "niet besluit, maar wel de schaar der vromenDie hem aanbidt, en eert, en wanen[426]niet, och arm!Dat dien, die de aarde neemt en Hemel in zijn erm,Een kofferken vervaat[427], maar 't bond van durige eeuwen,Het statige[428]verbond, dat de afkomst der HebreeuwenMet God den Heer verbindt, de vrome aan 's vromen zaad,En aarde en Hemel met dees' plaats verknoopen gaat.Kortom, onze offerande, ons wasschingen, ons smokenIs geen verzierde[429]dienst, zoo[430]dikmaal wordt gesproken:God is d' insteller, die ons innerlijk gemoedIn d' hoop zijns Zoons met al deze elementen[431]voedt,En zichtlijk ons hier mede aan d' offer doet gedenken,Die eens in Kristus bloed zal onze zonden drenken.Komt, komt, o Heere! dan, o, einder van de wet!Groot Koning, groot Profeet, Hoogpriester onbesmet!Komt, driemaal Groote komt! ons toevlucht, die wij wenschen,Voorspreker, en rantsoen, en Rechter aller menschen!Zoet Slachtlam, sterke Leeuw, genezende Serpent!Noodscheidsman tusschen ons en d' Hemel in het end!Komt, komt, o Waarheid! wit[432], en bijstand, en verlangenVan onzen offer! o, Messias! wilt aanvangenIn Sion te gebiên, en, in den geest ge-eerd,Dees booze wereld in een gulden tijd verkeert!Dees koninginne aanveerd en wilt als d' eerst'ling duldenVan 's werelds koningen, legt op u onze schuldenZoo wèl, dat wij, ontkleed van Adams kwaden aard,Met d' heilige Englen in den Hemel zijn verklaard[433]!"Zeer na flaauwt[434]de vorstin, bezweken van verwondren,En spreekt: "Heer koning! steeds, in 't vliegen en stijf dondren,De faam al grooter wordt, en, snaterbek in schijn[435],De deugden grooter maakt, als zij wel daadlijk zijn:En de eedle geesten zijn gelijk de tafereelen,Die wel gedaan in 't oog met meer verwondren spelenVan verre als van nabij: maar zoo veel als voorwaarUwe eere elks kroon verdooft, blinkt uw deugd boven haar[436]:Uw lof oon weêrga nog uws leernens[437]prijs behindert,En 't nijdige gerucht uws wijsheids roem vermindert."
Een zelve[413]is 't, éénen God; wie de eenheid loochent, ziet,Maakt, godlooze atheïst! de Godheid gants tot niet;In Gode de eenheid staat, de Satan tweeheid stichtet,De groote wereld heeft één zon maar, die haar lichtet,De kleine[414]maar één ziel, en beids zij hebben éénGroot God, in wezen één, in drien[415]onderscheên.De leên, die, welgedeeld, staan dit gesticht gelaten[416],Dit lijf vervult met vreê, met weêrliefde, en met maten[417],Dees welgeschikte kerk, met rijkdom rijk begift,Deze uitgegoten kunst, en mag niet zijn geschiftAls met één zin, en hij maar van één Meester wordenGedeeld, gelijk zijn werk één Meester houdt in orden:Want anders zou men, in slagordeningen, zaan[418]Wel honderd duizend zien malkandren randen aan,Een burgerlijken krijg zou 't aardrijk onderhouwen[419],En dees beroerden[420]al zijn ondergang fluks brouwen.Dewijl van eeuwigheid God is oneindlijk dan,En in zich meer als een eindloosheid vaten kan,Vermids de macht van d' een geen mate stelt den andren,Of eer zijn naam vernielt en wezen met malkandren:Wat houdt gij, Heid'nen! dan, als in 't gevangenhuis,D' Oneindlijke bemuurd in een benaauwde kluis?Of waarom sluit gij hem in eenen stronk[421]verachtlijk?Of waarom schilderdy d' Onzienlijke onbedachtlijk?En waarom offerdy den driemaal Hooge meest[422]Al t' zamen vleeschlijke eer, daar hij is zuiver geest?""Maar," zegt ze, "waarom dus, gestut door onze werken[423],Bant gij de Onsterflijkheid in 't binnenste eender kerken[424]?Besluit hem in een ark[425], en beestlijken hem voedtMet beestenvleesch, en niet met myrre en wierook zoet?""Dit huis, zoo heilig als in schoonheid uitgenomen,God," zegt hij, "niet besluit, maar wel de schaar der vromenDie hem aanbidt, en eert, en wanen[426]niet, och arm!Dat dien, die de aarde neemt en Hemel in zijn erm,Een kofferken vervaat[427], maar 't bond van durige eeuwen,Het statige[428]verbond, dat de afkomst der HebreeuwenMet God den Heer verbindt, de vrome aan 's vromen zaad,En aarde en Hemel met dees' plaats verknoopen gaat.Kortom, onze offerande, ons wasschingen, ons smokenIs geen verzierde[429]dienst, zoo[430]dikmaal wordt gesproken:God is d' insteller, die ons innerlijk gemoedIn d' hoop zijns Zoons met al deze elementen[431]voedt,En zichtlijk ons hier mede aan d' offer doet gedenken,Die eens in Kristus bloed zal onze zonden drenken.Komt, komt, o Heere! dan, o, einder van de wet!Groot Koning, groot Profeet, Hoogpriester onbesmet!Komt, driemaal Groote komt! ons toevlucht, die wij wenschen,Voorspreker, en rantsoen, en Rechter aller menschen!Zoet Slachtlam, sterke Leeuw, genezende Serpent!Noodscheidsman tusschen ons en d' Hemel in het end!Komt, komt, o Waarheid! wit[432], en bijstand, en verlangenVan onzen offer! o, Messias! wilt aanvangenIn Sion te gebiên, en, in den geest ge-eerd,Dees booze wereld in een gulden tijd verkeert!Dees koninginne aanveerd en wilt als d' eerst'ling duldenVan 's werelds koningen, legt op u onze schuldenZoo wèl, dat wij, ontkleed van Adams kwaden aard,Met d' heilige Englen in den Hemel zijn verklaard[433]!"Zeer na flaauwt[434]de vorstin, bezweken van verwondren,En spreekt: "Heer koning! steeds, in 't vliegen en stijf dondren,De faam al grooter wordt, en, snaterbek in schijn[435],De deugden grooter maakt, als zij wel daadlijk zijn:En de eedle geesten zijn gelijk de tafereelen,Die wel gedaan in 't oog met meer verwondren spelenVan verre als van nabij: maar zoo veel als voorwaarUwe eere elks kroon verdooft, blinkt uw deugd boven haar[436]:Uw lof oon weêrga nog uws leernens[437]prijs behindert,En 't nijdige gerucht uws wijsheids roem vermindert."
Een zelve[413]is 't, éénen God; wie de eenheid loochent, ziet,Maakt, godlooze atheïst! de Godheid gants tot niet;In Gode de eenheid staat, de Satan tweeheid stichtet,De groote wereld heeft één zon maar, die haar lichtet,De kleine[414]maar één ziel, en beids zij hebben éénGroot God, in wezen één, in drien[415]onderscheên.De leên, die, welgedeeld, staan dit gesticht gelaten[416],Dit lijf vervult met vreê, met weêrliefde, en met maten[417],Dees welgeschikte kerk, met rijkdom rijk begift,Deze uitgegoten kunst, en mag niet zijn geschiftAls met één zin, en hij maar van één Meester wordenGedeeld, gelijk zijn werk één Meester houdt in orden:Want anders zou men, in slagordeningen, zaan[418]Wel honderd duizend zien malkandren randen aan,Een burgerlijken krijg zou 't aardrijk onderhouwen[419],En dees beroerden[420]al zijn ondergang fluks brouwen.Dewijl van eeuwigheid God is oneindlijk dan,En in zich meer als een eindloosheid vaten kan,Vermids de macht van d' een geen mate stelt den andren,Of eer zijn naam vernielt en wezen met malkandren:Wat houdt gij, Heid'nen! dan, als in 't gevangenhuis,D' Oneindlijke bemuurd in een benaauwde kluis?Of waarom sluit gij hem in eenen stronk[421]verachtlijk?Of waarom schilderdy d' Onzienlijke onbedachtlijk?En waarom offerdy den driemaal Hooge meest[422]Al t' zamen vleeschlijke eer, daar hij is zuiver geest?""Maar," zegt ze, "waarom dus, gestut door onze werken[423],Bant gij de Onsterflijkheid in 't binnenste eender kerken[424]?Besluit hem in een ark[425], en beestlijken hem voedtMet beestenvleesch, en niet met myrre en wierook zoet?""Dit huis, zoo heilig als in schoonheid uitgenomen,God," zegt hij, "niet besluit, maar wel de schaar der vromenDie hem aanbidt, en eert, en wanen[426]niet, och arm!Dat dien, die de aarde neemt en Hemel in zijn erm,Een kofferken vervaat[427], maar 't bond van durige eeuwen,Het statige[428]verbond, dat de afkomst der HebreeuwenMet God den Heer verbindt, de vrome aan 's vromen zaad,En aarde en Hemel met dees' plaats verknoopen gaat.Kortom, onze offerande, ons wasschingen, ons smokenIs geen verzierde[429]dienst, zoo[430]dikmaal wordt gesproken:God is d' insteller, die ons innerlijk gemoedIn d' hoop zijns Zoons met al deze elementen[431]voedt,En zichtlijk ons hier mede aan d' offer doet gedenken,Die eens in Kristus bloed zal onze zonden drenken.Komt, komt, o Heere! dan, o, einder van de wet!Groot Koning, groot Profeet, Hoogpriester onbesmet!Komt, driemaal Groote komt! ons toevlucht, die wij wenschen,Voorspreker, en rantsoen, en Rechter aller menschen!Zoet Slachtlam, sterke Leeuw, genezende Serpent!Noodscheidsman tusschen ons en d' Hemel in het end!Komt, komt, o Waarheid! wit[432], en bijstand, en verlangenVan onzen offer! o, Messias! wilt aanvangenIn Sion te gebiên, en, in den geest ge-eerd,Dees booze wereld in een gulden tijd verkeert!Dees koninginne aanveerd en wilt als d' eerst'ling duldenVan 's werelds koningen, legt op u onze schuldenZoo wèl, dat wij, ontkleed van Adams kwaden aard,Met d' heilige Englen in den Hemel zijn verklaard[433]!"Zeer na flaauwt[434]de vorstin, bezweken van verwondren,En spreekt: "Heer koning! steeds, in 't vliegen en stijf dondren,De faam al grooter wordt, en, snaterbek in schijn[435],De deugden grooter maakt, als zij wel daadlijk zijn:En de eedle geesten zijn gelijk de tafereelen,Die wel gedaan in 't oog met meer verwondren spelenVan verre als van nabij: maar zoo veel als voorwaarUwe eere elks kroon verdooft, blinkt uw deugd boven haar[436]:Uw lof oon weêrga nog uws leernens[437]prijs behindert,En 't nijdige gerucht uws wijsheids roem vermindert."
Een zelve[413]is 't, éénen God; wie de eenheid loochent, ziet,
Maakt, godlooze atheïst! de Godheid gants tot niet;
In Gode de eenheid staat, de Satan tweeheid stichtet,
De groote wereld heeft één zon maar, die haar lichtet,
De kleine[414]maar één ziel, en beids zij hebben één
Groot God, in wezen één, in drien[415]onderscheên.
De leên, die, welgedeeld, staan dit gesticht gelaten[416],
Dit lijf vervult met vreê, met weêrliefde, en met maten[417],
Dees welgeschikte kerk, met rijkdom rijk begift,
Deze uitgegoten kunst, en mag niet zijn geschift
Als met één zin, en hij maar van één Meester worden
Gedeeld, gelijk zijn werk één Meester houdt in orden:
Want anders zou men, in slagordeningen, zaan[418]
Wel honderd duizend zien malkandren randen aan,
Een burgerlijken krijg zou 't aardrijk onderhouwen[419],
En dees beroerden[420]al zijn ondergang fluks brouwen.
Dewijl van eeuwigheid God is oneindlijk dan,
En in zich meer als een eindloosheid vaten kan,
Vermids de macht van d' een geen mate stelt den andren,
Of eer zijn naam vernielt en wezen met malkandren:
Wat houdt gij, Heid'nen! dan, als in 't gevangenhuis,
D' Oneindlijke bemuurd in een benaauwde kluis?
Of waarom sluit gij hem in eenen stronk[421]verachtlijk?
Of waarom schilderdy d' Onzienlijke onbedachtlijk?
En waarom offerdy den driemaal Hooge meest[422]
Al t' zamen vleeschlijke eer, daar hij is zuiver geest?"
"Maar," zegt ze, "waarom dus, gestut door onze werken[423],
Bant gij de Onsterflijkheid in 't binnenste eender kerken[424]?
Besluit hem in een ark[425], en beestlijken hem voedt
Met beestenvleesch, en niet met myrre en wierook zoet?"
"Dit huis, zoo heilig als in schoonheid uitgenomen,
God," zegt hij, "niet besluit, maar wel de schaar der vromen
Die hem aanbidt, en eert, en wanen[426]niet, och arm!
Dat dien, die de aarde neemt en Hemel in zijn erm,
Een kofferken vervaat[427], maar 't bond van durige eeuwen,
Het statige[428]verbond, dat de afkomst der Hebreeuwen
Met God den Heer verbindt, de vrome aan 's vromen zaad,
En aarde en Hemel met dees' plaats verknoopen gaat.
Kortom, onze offerande, ons wasschingen, ons smoken
Is geen verzierde[429]dienst, zoo[430]dikmaal wordt gesproken:
God is d' insteller, die ons innerlijk gemoed
In d' hoop zijns Zoons met al deze elementen[431]voedt,
En zichtlijk ons hier mede aan d' offer doet gedenken,
Die eens in Kristus bloed zal onze zonden drenken.
Komt, komt, o Heere! dan, o, einder van de wet!
Groot Koning, groot Profeet, Hoogpriester onbesmet!
Komt, driemaal Groote komt! ons toevlucht, die wij wenschen,
Voorspreker, en rantsoen, en Rechter aller menschen!
Zoet Slachtlam, sterke Leeuw, genezende Serpent!
Noodscheidsman tusschen ons en d' Hemel in het end!
Komt, komt, o Waarheid! wit[432], en bijstand, en verlangen
Van onzen offer! o, Messias! wilt aanvangen
In Sion te gebiên, en, in den geest ge-eerd,
Dees booze wereld in een gulden tijd verkeert!
Dees koninginne aanveerd en wilt als d' eerst'ling dulden
Van 's werelds koningen, legt op u onze schulden
Zoo wèl, dat wij, ontkleed van Adams kwaden aard,
Met d' heilige Englen in den Hemel zijn verklaard[433]!"
Zeer na flaauwt[434]de vorstin, bezweken van verwondren,
En spreekt: "Heer koning! steeds, in 't vliegen en stijf dondren,
De faam al grooter wordt, en, snaterbek in schijn[435],
De deugden grooter maakt, als zij wel daadlijk zijn:
En de eedle geesten zijn gelijk de tafereelen,
Die wel gedaan in 't oog met meer verwondren spelen
Van verre als van nabij: maar zoo veel als voorwaar
Uwe eere elks kroon verdooft, blinkt uw deugd boven haar[436]:
Uw lof oon weêrga nog uws leernens[437]prijs behindert,
En 't nijdige gerucht uws wijsheids roem vermindert."