Wat zijdy zalig! die gij[30], abel van verstand,Uw rijmen-mate stelt naar dat uw ijver brandt;Die moêgeblokt, met uws ervaren breins verschoonen,Uw hers'nen niet verduft: die steeds met and're toonenGaat uiten, met een zang, nu deftig, nu weêr zoet,Wat u voorvallen mag en eerst loopt te gemoet:Die met opschriften nu, nu wederom met lieden[31],Doet smoken 't vuur, dat uw gemoeden[31]brengt aan't zieden.Maar, mijnen roem, mijn eed den Hemel eens gedaan,In dit streng werkhuis houdt mijn voeten stadig aanGekluisterd als een slaaf; mijn geest blijft hier onledig:Geen ander jeuksel knaagt mij dag en nacht onvredig:Ik, veel te bezig, slacht den meulesteen[32]altoos,Dien eenen waterval omwentelt eindeloos.Dus is 't, dat ik zoo vaak in spijt van Febus zinge,Naai veerzen lang van sleep uit ernst[33]te zonderlinge,Die d' Hemel in mij blaast, en tiktak even kloekVan wol en zacht katoen dit heerlijk gouden doek.Gij put 't vermogen van uw vleug'len t' eenemalen[34]Niet uit, maar wispelsteert[35]gelijk de nachtegalenGedurende uwe lent, van d' een in d' ander haag,Van stoffe in stof, van lied tot lied, al even staâg:Maar ik de Zwaluw' na te volgen niet en vruchte[36],Vind nergens nesteltak[37], passeere met der vluchteEen veler eeuwen zee, die boom noch oever roert,Nu van het Zuiden, nu van 't Noorden weggevoerd.Uw loopbaan eindigt kort[38], is vol, is wonder lieflijk,Elk veldweegs gij verpoost[39], uw adem schept gerieflijk,Vindt eenig groen gestoelt', verfrischt u voor een tijdIn lustprieelen braaf[40]met rozen getapijt:Maar eind'loos is mijn loop: nu schure ik d' ijsgewelven;Nu sneuv'lende[41]van 't steil, verduizeld, vind mij zelven;Nu klaver ik om hoog; nu kruise ik 't bosch met ijl;Ik struikel, ik verlies mij zelf, ik val somwijl:En als kwaad mortel lijmt den melksteen, de porfieren,Den jaspis, serpentijn, en marbel, om te cieren,Om mijn vertelling gaâr[42]te hechten, dan en nuEen kreupel veers insluipt slim, half geveild en ruw.Daarom nochtans ik niet het aangevangen stake,Is 't werk groot, grooter is de lust daar ik in blake.Nog is niet uitgeput mijn hert van 't heilig vuur;Niet[43]schoons men zonder zweet bekomt en arbeid zuur;De dalen leeren 't oog de bergen onderscheiden,En 't kunstrijk beeldsel, dat de Kunstenaar laat weidenIn een mozaïsch werk[44], tot meerder cieraad, hijIn verwen onderscheidt, hoeveelheid, en waardij.God geeft, dat in mijn rijm de merkelijkste smetteZij als een mug, die haar aan 't sneeuwit aanschijn zetteVan een ontloken maagd, en luttel feilen thansMeer luisters brengen toe mijns hoogen ijvers glans.
Wat zijdy zalig! die gij[30], abel van verstand,Uw rijmen-mate stelt naar dat uw ijver brandt;Die moêgeblokt, met uws ervaren breins verschoonen,Uw hers'nen niet verduft: die steeds met and're toonenGaat uiten, met een zang, nu deftig, nu weêr zoet,Wat u voorvallen mag en eerst loopt te gemoet:Die met opschriften nu, nu wederom met lieden[31],Doet smoken 't vuur, dat uw gemoeden[31]brengt aan't zieden.Maar, mijnen roem, mijn eed den Hemel eens gedaan,In dit streng werkhuis houdt mijn voeten stadig aanGekluisterd als een slaaf; mijn geest blijft hier onledig:Geen ander jeuksel knaagt mij dag en nacht onvredig:Ik, veel te bezig, slacht den meulesteen[32]altoos,Dien eenen waterval omwentelt eindeloos.Dus is 't, dat ik zoo vaak in spijt van Febus zinge,Naai veerzen lang van sleep uit ernst[33]te zonderlinge,Die d' Hemel in mij blaast, en tiktak even kloekVan wol en zacht katoen dit heerlijk gouden doek.Gij put 't vermogen van uw vleug'len t' eenemalen[34]Niet uit, maar wispelsteert[35]gelijk de nachtegalenGedurende uwe lent, van d' een in d' ander haag,Van stoffe in stof, van lied tot lied, al even staâg:Maar ik de Zwaluw' na te volgen niet en vruchte[36],Vind nergens nesteltak[37], passeere met der vluchteEen veler eeuwen zee, die boom noch oever roert,Nu van het Zuiden, nu van 't Noorden weggevoerd.Uw loopbaan eindigt kort[38], is vol, is wonder lieflijk,Elk veldweegs gij verpoost[39], uw adem schept gerieflijk,Vindt eenig groen gestoelt', verfrischt u voor een tijdIn lustprieelen braaf[40]met rozen getapijt:Maar eind'loos is mijn loop: nu schure ik d' ijsgewelven;Nu sneuv'lende[41]van 't steil, verduizeld, vind mij zelven;Nu klaver ik om hoog; nu kruise ik 't bosch met ijl;Ik struikel, ik verlies mij zelf, ik val somwijl:En als kwaad mortel lijmt den melksteen, de porfieren,Den jaspis, serpentijn, en marbel, om te cieren,Om mijn vertelling gaâr[42]te hechten, dan en nuEen kreupel veers insluipt slim, half geveild en ruw.Daarom nochtans ik niet het aangevangen stake,Is 't werk groot, grooter is de lust daar ik in blake.Nog is niet uitgeput mijn hert van 't heilig vuur;Niet[43]schoons men zonder zweet bekomt en arbeid zuur;De dalen leeren 't oog de bergen onderscheiden,En 't kunstrijk beeldsel, dat de Kunstenaar laat weidenIn een mozaïsch werk[44], tot meerder cieraad, hijIn verwen onderscheidt, hoeveelheid, en waardij.God geeft, dat in mijn rijm de merkelijkste smetteZij als een mug, die haar aan 't sneeuwit aanschijn zetteVan een ontloken maagd, en luttel feilen thansMeer luisters brengen toe mijns hoogen ijvers glans.
Wat zijdy zalig! die gij[30], abel van verstand,Uw rijmen-mate stelt naar dat uw ijver brandt;Die moêgeblokt, met uws ervaren breins verschoonen,Uw hers'nen niet verduft: die steeds met and're toonenGaat uiten, met een zang, nu deftig, nu weêr zoet,Wat u voorvallen mag en eerst loopt te gemoet:Die met opschriften nu, nu wederom met lieden[31],Doet smoken 't vuur, dat uw gemoeden[31]brengt aan't zieden.Maar, mijnen roem, mijn eed den Hemel eens gedaan,In dit streng werkhuis houdt mijn voeten stadig aanGekluisterd als een slaaf; mijn geest blijft hier onledig:Geen ander jeuksel knaagt mij dag en nacht onvredig:Ik, veel te bezig, slacht den meulesteen[32]altoos,Dien eenen waterval omwentelt eindeloos.Dus is 't, dat ik zoo vaak in spijt van Febus zinge,Naai veerzen lang van sleep uit ernst[33]te zonderlinge,Die d' Hemel in mij blaast, en tiktak even kloekVan wol en zacht katoen dit heerlijk gouden doek.Gij put 't vermogen van uw vleug'len t' eenemalen[34]Niet uit, maar wispelsteert[35]gelijk de nachtegalenGedurende uwe lent, van d' een in d' ander haag,Van stoffe in stof, van lied tot lied, al even staâg:Maar ik de Zwaluw' na te volgen niet en vruchte[36],Vind nergens nesteltak[37], passeere met der vluchteEen veler eeuwen zee, die boom noch oever roert,Nu van het Zuiden, nu van 't Noorden weggevoerd.Uw loopbaan eindigt kort[38], is vol, is wonder lieflijk,Elk veldweegs gij verpoost[39], uw adem schept gerieflijk,Vindt eenig groen gestoelt', verfrischt u voor een tijdIn lustprieelen braaf[40]met rozen getapijt:Maar eind'loos is mijn loop: nu schure ik d' ijsgewelven;Nu sneuv'lende[41]van 't steil, verduizeld, vind mij zelven;Nu klaver ik om hoog; nu kruise ik 't bosch met ijl;Ik struikel, ik verlies mij zelf, ik val somwijl:En als kwaad mortel lijmt den melksteen, de porfieren,Den jaspis, serpentijn, en marbel, om te cieren,Om mijn vertelling gaâr[42]te hechten, dan en nuEen kreupel veers insluipt slim, half geveild en ruw.Daarom nochtans ik niet het aangevangen stake,Is 't werk groot, grooter is de lust daar ik in blake.Nog is niet uitgeput mijn hert van 't heilig vuur;Niet[43]schoons men zonder zweet bekomt en arbeid zuur;De dalen leeren 't oog de bergen onderscheiden,En 't kunstrijk beeldsel, dat de Kunstenaar laat weidenIn een mozaïsch werk[44], tot meerder cieraad, hijIn verwen onderscheidt, hoeveelheid, en waardij.God geeft, dat in mijn rijm de merkelijkste smetteZij als een mug, die haar aan 't sneeuwit aanschijn zetteVan een ontloken maagd, en luttel feilen thansMeer luisters brengen toe mijns hoogen ijvers glans.
Wat zijdy zalig! die gij[30], abel van verstand,Uw rijmen-mate stelt naar dat uw ijver brandt;Die moêgeblokt, met uws ervaren breins verschoonen,Uw hers'nen niet verduft: die steeds met and're toonenGaat uiten, met een zang, nu deftig, nu weêr zoet,Wat u voorvallen mag en eerst loopt te gemoet:Die met opschriften nu, nu wederom met lieden[31],Doet smoken 't vuur, dat uw gemoeden[31]brengt aan't zieden.Maar, mijnen roem, mijn eed den Hemel eens gedaan,In dit streng werkhuis houdt mijn voeten stadig aanGekluisterd als een slaaf; mijn geest blijft hier onledig:Geen ander jeuksel knaagt mij dag en nacht onvredig:Ik, veel te bezig, slacht den meulesteen[32]altoos,Dien eenen waterval omwentelt eindeloos.Dus is 't, dat ik zoo vaak in spijt van Febus zinge,Naai veerzen lang van sleep uit ernst[33]te zonderlinge,Die d' Hemel in mij blaast, en tiktak even kloekVan wol en zacht katoen dit heerlijk gouden doek.Gij put 't vermogen van uw vleug'len t' eenemalen[34]Niet uit, maar wispelsteert[35]gelijk de nachtegalenGedurende uwe lent, van d' een in d' ander haag,Van stoffe in stof, van lied tot lied, al even staâg:Maar ik de Zwaluw' na te volgen niet en vruchte[36],Vind nergens nesteltak[37], passeere met der vluchteEen veler eeuwen zee, die boom noch oever roert,Nu van het Zuiden, nu van 't Noorden weggevoerd.Uw loopbaan eindigt kort[38], is vol, is wonder lieflijk,Elk veldweegs gij verpoost[39], uw adem schept gerieflijk,Vindt eenig groen gestoelt', verfrischt u voor een tijdIn lustprieelen braaf[40]met rozen getapijt:Maar eind'loos is mijn loop: nu schure ik d' ijsgewelven;Nu sneuv'lende[41]van 't steil, verduizeld, vind mij zelven;Nu klaver ik om hoog; nu kruise ik 't bosch met ijl;Ik struikel, ik verlies mij zelf, ik val somwijl:En als kwaad mortel lijmt den melksteen, de porfieren,Den jaspis, serpentijn, en marbel, om te cieren,Om mijn vertelling gaâr[42]te hechten, dan en nuEen kreupel veers insluipt slim, half geveild en ruw.Daarom nochtans ik niet het aangevangen stake,Is 't werk groot, grooter is de lust daar ik in blake.Nog is niet uitgeput mijn hert van 't heilig vuur;Niet[43]schoons men zonder zweet bekomt en arbeid zuur;De dalen leeren 't oog de bergen onderscheiden,En 't kunstrijk beeldsel, dat de Kunstenaar laat weidenIn een mozaïsch werk[44], tot meerder cieraad, hijIn verwen onderscheidt, hoeveelheid, en waardij.God geeft, dat in mijn rijm de merkelijkste smetteZij als een mug, die haar aan 't sneeuwit aanschijn zetteVan een ontloken maagd, en luttel feilen thansMeer luisters brengen toe mijns hoogen ijvers glans.
Wat zijdy zalig! die gij[30], abel van verstand,
Uw rijmen-mate stelt naar dat uw ijver brandt;
Die moêgeblokt, met uws ervaren breins verschoonen,
Uw hers'nen niet verduft: die steeds met and're toonen
Gaat uiten, met een zang, nu deftig, nu weêr zoet,
Wat u voorvallen mag en eerst loopt te gemoet:
Die met opschriften nu, nu wederom met lieden[31],
Doet smoken 't vuur, dat uw gemoeden[31]brengt aan't zieden.
Maar, mijnen roem, mijn eed den Hemel eens gedaan,
In dit streng werkhuis houdt mijn voeten stadig aan
Gekluisterd als een slaaf; mijn geest blijft hier onledig:
Geen ander jeuksel knaagt mij dag en nacht onvredig:
Ik, veel te bezig, slacht den meulesteen[32]altoos,
Dien eenen waterval omwentelt eindeloos.
Dus is 't, dat ik zoo vaak in spijt van Febus zinge,
Naai veerzen lang van sleep uit ernst[33]te zonderlinge,
Die d' Hemel in mij blaast, en tiktak even kloek
Van wol en zacht katoen dit heerlijk gouden doek.
Gij put 't vermogen van uw vleug'len t' eenemalen[34]
Niet uit, maar wispelsteert[35]gelijk de nachtegalen
Gedurende uwe lent, van d' een in d' ander haag,
Van stoffe in stof, van lied tot lied, al even staâg:
Maar ik de Zwaluw' na te volgen niet en vruchte[36],
Vind nergens nesteltak[37], passeere met der vluchte
Een veler eeuwen zee, die boom noch oever roert,
Nu van het Zuiden, nu van 't Noorden weggevoerd.
Uw loopbaan eindigt kort[38], is vol, is wonder lieflijk,
Elk veldweegs gij verpoost[39], uw adem schept gerieflijk,
Vindt eenig groen gestoelt', verfrischt u voor een tijd
In lustprieelen braaf[40]met rozen getapijt:
Maar eind'loos is mijn loop: nu schure ik d' ijsgewelven;
Nu sneuv'lende[41]van 't steil, verduizeld, vind mij zelven;
Nu klaver ik om hoog; nu kruise ik 't bosch met ijl;
Ik struikel, ik verlies mij zelf, ik val somwijl:
En als kwaad mortel lijmt den melksteen, de porfieren,
Den jaspis, serpentijn, en marbel, om te cieren,
Om mijn vertelling gaâr[42]te hechten, dan en nu
Een kreupel veers insluipt slim, half geveild en ruw.
Daarom nochtans ik niet het aangevangen stake,
Is 't werk groot, grooter is de lust daar ik in blake.
Nog is niet uitgeput mijn hert van 't heilig vuur;
Niet[43]schoons men zonder zweet bekomt en arbeid zuur;
De dalen leeren 't oog de bergen onderscheiden,
En 't kunstrijk beeldsel, dat de Kunstenaar laat weiden
In een mozaïsch werk[44], tot meerder cieraad, hij
In verwen onderscheidt, hoeveelheid, en waardij.
God geeft, dat in mijn rijm de merkelijkste smette
Zij als een mug, die haar aan 't sneeuwit aanschijn zette
Van een ontloken maagd, en luttel feilen thans
Meer luisters brengen toe mijns hoogen ijvers glans.