Al zwakker David wierd, en 't lemmet van zijn leven(Wien 't olie-achtig sap des wortels ging begeven)Allengs brandde in de pijp, als hij, op zijn verscheên[45],Nog wakker met verstand gaat uiten deze reên,Leeraren[46]Salomon, en, door 't Geheim[47]gedreven,In 't koninklijk gestoelt hem zetten hoogverheven:"Mijn zoon! dien[48]zonder twist, meêvrijer[49], of geweldGeluk, nature, en wet de kroon heeft opgesteld.In 't heerschen wijsheid voegt en goedheid te doen blijken,Wenscht hij te mennen lang den teugel van zijn rijken;Maar die door hulpe van 't geluk het koningschapBereikt, en daar toe komt langs ongewone trap,Moet meer als mensche zijn, en, in de deugd ervaren,D' ontziene tulband zich verzek'ren op zijn haren.Maar Salomon! gij kent het bed daar af gij daalt,Gij ziet, hoe Israël Adoniam onthaalt,Hoe, om uw eer jeloers, de zeden[50]moeten wijken,En om uw grootheid wij natuur verongelijken:Streeft naar volmaaktheid dan, en, dapper van gemoed,'t Gebrek verduistert van uw ondoorluchtig bloed.Monarch van Jacobs stam! dient 's werelds koning stadig,Op 't eenig steunsel van zijn vrijgelei beradig[51]Uw stoutste aanslagen grondt, en altijd, vroeg en spaad'Uw ooge en uwen geest op zijn voorschriften slaat:'t Godlasterlijk geblaf der honden vliedt verbolgen,En, onder-koning, wilt uws Heeren zeden volgen.Denkt, dat de dikte van uw hooge muren zelfs,Veel poorten zwaar van staal, veel hoffelijk gewelfs[52]Niet hindren, dat zijn oog bekeurende achterhaleUws herten Dedalus[53]in uw geheimste zale.Mijn zoon, zoo 't noodgeheim[54], of de geboort' veel eerU Edomieter teelde of Filistijner Heer,Zoo 't erflijk u gemaakt had Faroos titels eigen,Zoo Meden[55]aan uw kniên kwam zijnen mijter[56]neigen,Zoo Perzen[55]waar uw leen, uw hoogheid nochtans veugt[57]En eischt alom te zijn geborstweerd met de deugd;—Maar om 't zaad Abrahams 't jukdragen te gewennen,Gevoegelijk den toom van 't heilig volk te mennen,Bezitten Jozua's en Samsons stoel[58]naar wensch,Een nazaat[59]Gods te zijn, gij meer moet zijn als mensch.Wilt boven d' ouden knecht d' aankomeling niet achten:Gebiedenskunst bestaat in kunst min als 't betrachten;De most wijkt d' oude wijn in smaak, en d' hovenierUit 't hert[60]zijns lusthofs niet roeit, met een dwaas bestier,Een groeizaam weeldig hout, dat twintig wintervlagenMet zoete vruchten heeft zijn lekk're disch beslagen,Om pooten in zijn plaatse een loote of struik, wiens vruchtHij proefde met 't gebit alleen van valsch gerucht.De vleyers, Salomon! oorlingen[61]zijn, die waarlijkDen wijsten koning staan tot hindernis gevaarlijk,Wat rechten zij niet aan! vermids zij vinden haarSnoô weergade in ons herte, een erger huichelaar,De liefde van ons zelfs, een altijd woênde peste,Die aanspant met dees vreemde en haatlijk rot op 't leste.Den bloôn verbeelden[62]zij, dat hij is wijs altoos.Den dronkaart blij van geest, d' ontrouwe erg[63]en loos,Rechtveerdig vorst en prins zij noemen 's volks verdemper[64],Den domme stemmig Heer, Augustus den verslemper[65],En als doorsnuff'lend zij zijn neiging nu verstaan,Zij, als in hem veraârd, zijn boosheid bidden aan.Vlucht die gedrochten dan, ontslaat u dan der boozenAfgrijslijke ommegang, 't gezelschap der eerloozen:Geen toegang in uw hof den roover toe en laat:Geen moorders 't hoofd ophoudt: de toovenaren haat,Uit vreeze, dat ze met haar adems gift te gaderNiet smetten doodelijk stads borrensprong[66]en ader:De zeden niet vergift, fontein, daar d' onderzaatUitputten zal voortaan van beids[67]òf goed òf kwaad:Beheerscht uw lusten, wordt uw toorne en angst te machtig,Die niet zich zelfs gebiedt geen koning is warachtig:Doet niet wat gij vermoogt, maar zulks doet als u past:Uw nek eerst[68]onderwerpt der wetten juk en last.Den onderzaat, als hij tot leidsman heeft zijn koning,Door water, berg, en bosch rent zonder lijfs-verschooning[69].Bewijst gespraakzaam[70]u, goed, liefgetal[71], mijn zoon!En volgt vermetel niet de beelden dezer[72]Goôn,Die uit haar gulden bus men jaarlijks eens verlochtigt[73],Opdat den Hemel, nu verbeên, het aardrijk vochtigt.Zijn woord opeten[74]past geen koning wijs gezind,Al wie zijn trouwe breekt, geloof noch trouwe vindt,Bedriegend' polt[75]zich zelf; het volk, jeloers[76]om schouwen't Gevaar zijns lichten aards, zich wapent met wantrouwen.En 't nageburig rijk, een leeuw van sterkheid grootHeeft, liever als een vos, tot zijn trouw bondgenoot.Zij[77]in 't beloonen mild, in 't straffen schaarsch en vrekke[78]:Maakt, dat standvastigheid uw borst alzins bedekke.'t Uitstekendste is omringd van rampspoên aldernaast,En de alderfelste storm op hooge poorten raast.Uit eerzucht 't aardrijk niet met wapens gaat beroeren;Indien geweld of eere u oorlog prangt[79]te voeren,Bewijst u Davids zoon, maakt, dat uw krijgsmansarmZoo koud[80]zij in 't bestaan[81], als in 't uitvoeren warm.Waakt, zweet, en redeneert, en, heldisch niet om temmen[82],Vrijt den geronnen[83]stroom te voet, en 't nat in 't zwemmen:Het schaduwende lof eens planebooms[84]u frischEen zonnehoed verstrekk', een beukelaar uw disch,Uw oefeninge[85]uw vuur, wat zoôn uw bedstede ergen[86];Met lekker dischgerecht wilt uwen mond niet tergen:Zware arbeid zij uw sausse: in 't hol eens stormhoeds meêZuipt 't water uit een beek, vermengd met slijm en snee.Laat trommel, laat trompet, laat omgewielde[87]fluitenUw klavecymb'len zijn, uw cithers, en uw luiten:Hardvochtig eenen berg al dravende overschiet[88],Al loopende een ruim veld, al springende eenen vliet:Uw hoofd met stof en zweet zij wel doortrokken echter[89]:Zijt overste en soldaat, een bliksem is de vechterAls hij zijn koning heeft, die moedig treedt vooraan,Gezelle[90]in 't avontuur en rechter van zijn daân.Met lust tot leerzucht zoude ik uw gemoed ontsteken,Zage ik alreede niet de Godlijkheid uitbrekenVan uw diepzinnigheid: maakt, dat geleerdheids cierDien' tot een hulp de kunst van 't koninklijk bestier,En ga slaat[91], dat, gelijk natvochtigheids vervelen[92]Versmacht[93]eens fruitbooms ziel, haar groeizaam leven stelen[94],De veel te zware les, der kunsten weelde en lustZoo fraaye geesten niet haar geestigheid uitblust,Noch maakt uw zinnen niet door slaapzucht dom ellendig,Noch van 't gemeene-best-bevordren 't hert afwendig.Met een gevlerkte geest den loop verzelschapt voortsVan 't nachtgeleidend' licht, den daggeleider toorts[95].De eislijke ondiepten meld, die d' Ocean bewegen.De grijze toppen meet der bergen hoog gestegen.Doorsnuffelt hoek voor hoek dit nederig gesticht[96],Doch om verwond'ren[97], hoe in 't werk de wijsheid ligtDes geens, die 't zoo wel schikte: en wilt vooral niet slachtenD' arm' hoveling, die dor en uitgeput van krachtenIn 't leeger[98]hof veroudt, en die zijn oogen sterkOp 's pijlers groeven slaat, op 't voet- en heuvelwerk;Die suf beschouwt 't vermaal[99], medalliën, beelden, standen,En d' hoofdcieraden van de koninklijke wanden,Die, hem vergapende, is nù bij nù buiten zich,Terwijl zijn makkers zien den koning scepterdrig[100].De weegschaal houd recht op, 't oog toe, uw handen reine;Wreekt streng 't bekende kwaad en onrecht; 't uwe alleineVergetenheid beveelt; de tranen ziet, en hoort't Geschrei des geens, die in een zee van droefheid smoort.Hoort d' oogen[101]menigmaal die op uw landen oogen:Die niet wil rechter zijn, geen vorst is om gedoogen[102];En in der eeuwigheid scheid nimmermeer, noch weertVan 't scepter des gerechts het schitt'rende oorlogszweerd!Begunstigt grooten niet, noch drukt die 't kwalijk hebben;Noch van uw wetten maakt een ijdel spinnewebben,Waarin de mug verwert, terwijlen het gebeurt,Dat ruisschende de wesp den inslag rijt en scheurt.Verdrijft die herders, die d' onnoozle kudd' verteeren;Zulke overheden kiest, die haren staat vereeren,Die d' Alderhoogste ontzien, die 't vonnis strijken recht;Men oordeelt in 't gemeen den meester naar den knecht.Den vrome mild begaaft, maar wilt uw leen niet schiften[103];Hij stopt, die roert den grond, de borne[104]van zijn giften.Voor al, mijn troetelkind! verdrenkt[105], om Gods wil, dy[105]Niet in 't bedrieglijk meer van 's boels liefkozerij:Helaas! helaas! ik ducht! keert, o alwijze, algoedeGod! mijns gezichts gevolg[106]doch af van mijnen bloede,Aanstaande is 't, ducht ik, dat dit zoet vergif, o kruis!Nog met afgoderij zal smetten Davids huis:Dat, zoo 's deugds heilge liefde u niet ontsteke t' elken,Zoo een geduurzaamheid van naams en faams verwelkenU niet te rug doe zien, tracht dat u in die kampNog tot een lesse dien' de vaderlijke ramp.D' Almachtige, mijn kind! mij roept u te begeven,Vaart wel! ik wandel door den dood in 't eeuwig leven,Om hooger heerschen, vrij van 't menschelijk gekwel:Uw handen ik beveel den staf van Israël.Gij, die om 't kwaad eens vorsts 's kroons glinsterende stralenVan 't een in 't ander huis, van land tot land doet dwalen,Verletze[107]bij de mijne, en brengt, van mijns zoons zoon,Dien Grooten Koning eens te voorschijn en ten toon,Daar Israël op hoopt, daarna[108]ik zucht te voren,Groot Koning, die het rijk des Duivels zal verstoren."Zoo sterft hij, en de zoon zijn voetspoor gade slaat,En 's Hemels God met hert en mond aanbidden gaat:Door Godvruchts deure treedt in 't rijke met verlangen,En speelt tot 's Heeren lof veel lieden[109], veel gezangen,En smookt te Gibeon, en in den geest aanschouwt,Terwijl zijn vleesch nog slaapt, dien God dien hij vertrouwt,Groot God, die rijk gekroond met flonkerende vieren,Hem vier joffrouwen toont, en geeft hem keur van vieren[110].De Glorie zwikt[111]een schicht, dieze in haar rechter vaat[112],En treedt er niet als maagd, maar als een braaf[113]soldaat,In 't glinst'rende gesternt' verbergt z' haar hoofd en kruine,En in een sluyer draagt ze een heldere bazuine,Wiens wind is enkel lof, trompet, wiens hel geruischVult van de schoone zon het een en 't ander huis:'tHoveerdig weefsel van haar sleepkeurs, die zoo glorietMet 's vijands onderlage[114], is bloedig gehistoriet[115],Met benden, met trofeên, en ringen: met de voetZij duizend koningen vertreênde zuchten doet.De Rijkdom mag[116]men prat niet wijd van hier zien brommen,Met Pluto's, Rhea's, en vrouw Thetis haar rijkdommen:Eens lakens held're glans bedekt haar lichaam houdt,Robijnscherp[117], en gestijfd van ingeslagen goud:Haar rechte en slinker stort een bus, waar uit gestegenKomt neêrwaarts een Pactool'[118], een blonden Englen[119]regen,Een glinsterende Taag: haar knechts 't geluk men heet,Het waken, spaarzaamheid, en d' arbeid nat bezweet.Gezondheid toont haar ginds, geen rimp'len 't voorhoofd breken,Haar oog geen peerlen dauwt, haar kaken niet verbleeken;Blij, levend', poezelig, vertoont ze een kinds-gelaat,Zij huppelt, danst, en springt, en vliegt, waar dat ze gaat:Des levens held're toorts blaakt in haar vuist ten toone,En d' heil'ge vederbos des Fenix overschoone't Begin haars keurs verstrekt; en ziet, aan de ander zijKomt ons de Wijsheid met haar statig aanzicht bij;Die, opdat z' hoog verzel de voetelooze vooglenVan 't eeuwig Paradijs, zijn aangehecht twee vlooglen:Stil is ze van gebaar, haar gang verzwaart ze zeer,Men ziet ze oon[120]regelmaat en passer nimmermeer:De spiegel van nature, en haar zelf tot haar vordel[121],Hangt aan de ketenkens van haren rijken gordel.De vorst, zijn oogen op haar schoonheid slaande knap[122],Waant ingelijfd te zijn in 's Hemels borgerschap:Hij vindt zich met den glans eens Paradijs besloten,En twijfelt, wat hij zal uit zoo veel goed'ren loten;Ten leste spreekt hij dus: "wat hebbe ik, Heer! gedaan,Om van uw handen zoo veel eer en goeds t' ontvaân?Gij voorkomt mijn verdienste, of liever bouwt Uw eereAls gij mijn snoodheid[123]eert: o, de Overhand[124]is, Heere!Een keizerlijk geschenk, en niets en is zoo zoetDan dat men 's gramschaps brand maakt dronken in het bloed;Maar laas! vaak volgen haar veel woênde razernijen,En d' oû gewoonte van bebloede moorderijenMaakt metter tijd gelijk d' onstrengsten koning schierEen tijger, felle leeuw, wildzwijn, of panterdier.Die schijnt gelukkig, die zijn vruchtb're kudd' ziet zwillen,[125]En stelen Carmelus[126]zijn groenende achterbillen[127];Om wien een wijnrijk land en vruchtbaar korenaard'[128]Doorploegd met ijzer scherp, oneind'lijk teelt en baart:Die van de Seres heeft de blonde en goudgeel âren,Het dierbaar schoon gesteent' van de Arabische baren,De wouden Entidors, 't Ofirisch goud daar bij,Van Sabba 't reukwerk zoet, en Tyrus' pelterij.Maar hoe! men ziet alzins, waar rijkdom staat in 't bloeyen,'t Opmerken[129]sterven en vermetelheid meer groeyen:De rijke slaaft om 't goud, en wie, naar God geaard,Zijn oogen en gemoed wil opslaan Hemelwaart,Moet arm zijn in der daad, of arm zich toe gaan stellen:En vreeze en rijkdom ook malkand'ren steeds verzellen.Lang leven waar mijn wensch, mijns herten lust en wit,Dat ik mijn zonen zage in 't derde en vierde lid:Maar ik bezorg mij[130]voor de rampspoên, die verbolgenGemeenelijken dicht mijns levens langheid volgen:Wie wel leeft leeft genoeg, want 's levens loop, die kortIs, naar der dagen tal niet afgemeten wordt,Maar naar doorluchte daân; en 't leven, kort en sterflijk,Is maar een oogenblik, een niet bij 't onbederflijk.Zulks is de wijsheid niet, de eere acht zij als 't gespookEens winds, die licht vervliegt, het leven enkel rook,De scepter eenen tak van masthout klein van weerden,De peerlen zand en gruis, het goud maar slijm der eerden[131]:Zij is een spiegel Gods, een bliksem, die ontgaatDen donderkogel van zijn Goddelijk gelaat:Een heil'ge instortinge ook des milden Hemels, nimmerDe schoonheid is gebluscht haars voorhoofds klaar[132]van schimmer[133],Altijd haar zelf gelijk, zij niet alleen zoo netEen zelfde spoor vervolgt, maar houdt een zelfde tred:Gezondheid buiten haar, eer, rijkdom in 't gemeeneMij drie venijnen waar[134]; de Wijsheid is 't alleene,Die van alle andre goên[135]mag strekken zonderling[136]Haar leidsvrouw, werktuig, born, cieraad, en matiging.Brengtze, o God! voor den dag, laatze, o God! mij verstrekkenEen bedgenoot altijd, op dat ik steeds mag lekkenDen zoeten geur, die vloeit uit haren heil'gen mond,Datze in het vierschaar mij verzelschap t' allerstond,En ik nog kindsch[137]en teêr, met haren staf beschuddenIn vette weiden mag d' Abrahamietsche kudden,[138]Oneindelijcke kudd', ja, kudde, die gewisEen trouwen herder van den Hemel weerdig is.Heer! geeftze mij, ik kwijn, ik flaauwe, of, zoo ik leve,Ik, heilge vuurvliege, in haar vlamme leve en zweve,En, nieuwe zomeruil[139], te stout, in 't licht gesmookVan hare lampkens, ik mijn vlerkskens teêr verschrook."[140]"Houd daar, ik schenk ze u!" zegt d' onsterfelijke vorste,[141]
Al zwakker David wierd, en 't lemmet van zijn leven(Wien 't olie-achtig sap des wortels ging begeven)Allengs brandde in de pijp, als hij, op zijn verscheên[45],Nog wakker met verstand gaat uiten deze reên,Leeraren[46]Salomon, en, door 't Geheim[47]gedreven,In 't koninklijk gestoelt hem zetten hoogverheven:"Mijn zoon! dien[48]zonder twist, meêvrijer[49], of geweldGeluk, nature, en wet de kroon heeft opgesteld.In 't heerschen wijsheid voegt en goedheid te doen blijken,Wenscht hij te mennen lang den teugel van zijn rijken;Maar die door hulpe van 't geluk het koningschapBereikt, en daar toe komt langs ongewone trap,Moet meer als mensche zijn, en, in de deugd ervaren,D' ontziene tulband zich verzek'ren op zijn haren.Maar Salomon! gij kent het bed daar af gij daalt,Gij ziet, hoe Israël Adoniam onthaalt,Hoe, om uw eer jeloers, de zeden[50]moeten wijken,En om uw grootheid wij natuur verongelijken:Streeft naar volmaaktheid dan, en, dapper van gemoed,'t Gebrek verduistert van uw ondoorluchtig bloed.Monarch van Jacobs stam! dient 's werelds koning stadig,Op 't eenig steunsel van zijn vrijgelei beradig[51]Uw stoutste aanslagen grondt, en altijd, vroeg en spaad'Uw ooge en uwen geest op zijn voorschriften slaat:'t Godlasterlijk geblaf der honden vliedt verbolgen,En, onder-koning, wilt uws Heeren zeden volgen.Denkt, dat de dikte van uw hooge muren zelfs,Veel poorten zwaar van staal, veel hoffelijk gewelfs[52]Niet hindren, dat zijn oog bekeurende achterhaleUws herten Dedalus[53]in uw geheimste zale.Mijn zoon, zoo 't noodgeheim[54], of de geboort' veel eerU Edomieter teelde of Filistijner Heer,Zoo 't erflijk u gemaakt had Faroos titels eigen,Zoo Meden[55]aan uw kniên kwam zijnen mijter[56]neigen,Zoo Perzen[55]waar uw leen, uw hoogheid nochtans veugt[57]En eischt alom te zijn geborstweerd met de deugd;—Maar om 't zaad Abrahams 't jukdragen te gewennen,Gevoegelijk den toom van 't heilig volk te mennen,Bezitten Jozua's en Samsons stoel[58]naar wensch,Een nazaat[59]Gods te zijn, gij meer moet zijn als mensch.Wilt boven d' ouden knecht d' aankomeling niet achten:Gebiedenskunst bestaat in kunst min als 't betrachten;De most wijkt d' oude wijn in smaak, en d' hovenierUit 't hert[60]zijns lusthofs niet roeit, met een dwaas bestier,Een groeizaam weeldig hout, dat twintig wintervlagenMet zoete vruchten heeft zijn lekk're disch beslagen,Om pooten in zijn plaatse een loote of struik, wiens vruchtHij proefde met 't gebit alleen van valsch gerucht.De vleyers, Salomon! oorlingen[61]zijn, die waarlijkDen wijsten koning staan tot hindernis gevaarlijk,Wat rechten zij niet aan! vermids zij vinden haarSnoô weergade in ons herte, een erger huichelaar,De liefde van ons zelfs, een altijd woênde peste,Die aanspant met dees vreemde en haatlijk rot op 't leste.Den bloôn verbeelden[62]zij, dat hij is wijs altoos.Den dronkaart blij van geest, d' ontrouwe erg[63]en loos,Rechtveerdig vorst en prins zij noemen 's volks verdemper[64],Den domme stemmig Heer, Augustus den verslemper[65],En als doorsnuff'lend zij zijn neiging nu verstaan,Zij, als in hem veraârd, zijn boosheid bidden aan.Vlucht die gedrochten dan, ontslaat u dan der boozenAfgrijslijke ommegang, 't gezelschap der eerloozen:Geen toegang in uw hof den roover toe en laat:Geen moorders 't hoofd ophoudt: de toovenaren haat,Uit vreeze, dat ze met haar adems gift te gaderNiet smetten doodelijk stads borrensprong[66]en ader:De zeden niet vergift, fontein, daar d' onderzaatUitputten zal voortaan van beids[67]òf goed òf kwaad:Beheerscht uw lusten, wordt uw toorne en angst te machtig,Die niet zich zelfs gebiedt geen koning is warachtig:Doet niet wat gij vermoogt, maar zulks doet als u past:Uw nek eerst[68]onderwerpt der wetten juk en last.Den onderzaat, als hij tot leidsman heeft zijn koning,Door water, berg, en bosch rent zonder lijfs-verschooning[69].Bewijst gespraakzaam[70]u, goed, liefgetal[71], mijn zoon!En volgt vermetel niet de beelden dezer[72]Goôn,Die uit haar gulden bus men jaarlijks eens verlochtigt[73],Opdat den Hemel, nu verbeên, het aardrijk vochtigt.Zijn woord opeten[74]past geen koning wijs gezind,Al wie zijn trouwe breekt, geloof noch trouwe vindt,Bedriegend' polt[75]zich zelf; het volk, jeloers[76]om schouwen't Gevaar zijns lichten aards, zich wapent met wantrouwen.En 't nageburig rijk, een leeuw van sterkheid grootHeeft, liever als een vos, tot zijn trouw bondgenoot.Zij[77]in 't beloonen mild, in 't straffen schaarsch en vrekke[78]:Maakt, dat standvastigheid uw borst alzins bedekke.'t Uitstekendste is omringd van rampspoên aldernaast,En de alderfelste storm op hooge poorten raast.Uit eerzucht 't aardrijk niet met wapens gaat beroeren;Indien geweld of eere u oorlog prangt[79]te voeren,Bewijst u Davids zoon, maakt, dat uw krijgsmansarmZoo koud[80]zij in 't bestaan[81], als in 't uitvoeren warm.Waakt, zweet, en redeneert, en, heldisch niet om temmen[82],Vrijt den geronnen[83]stroom te voet, en 't nat in 't zwemmen:Het schaduwende lof eens planebooms[84]u frischEen zonnehoed verstrekk', een beukelaar uw disch,Uw oefeninge[85]uw vuur, wat zoôn uw bedstede ergen[86];Met lekker dischgerecht wilt uwen mond niet tergen:Zware arbeid zij uw sausse: in 't hol eens stormhoeds meêZuipt 't water uit een beek, vermengd met slijm en snee.Laat trommel, laat trompet, laat omgewielde[87]fluitenUw klavecymb'len zijn, uw cithers, en uw luiten:Hardvochtig eenen berg al dravende overschiet[88],Al loopende een ruim veld, al springende eenen vliet:Uw hoofd met stof en zweet zij wel doortrokken echter[89]:Zijt overste en soldaat, een bliksem is de vechterAls hij zijn koning heeft, die moedig treedt vooraan,Gezelle[90]in 't avontuur en rechter van zijn daân.Met lust tot leerzucht zoude ik uw gemoed ontsteken,Zage ik alreede niet de Godlijkheid uitbrekenVan uw diepzinnigheid: maakt, dat geleerdheids cierDien' tot een hulp de kunst van 't koninklijk bestier,En ga slaat[91], dat, gelijk natvochtigheids vervelen[92]Versmacht[93]eens fruitbooms ziel, haar groeizaam leven stelen[94],De veel te zware les, der kunsten weelde en lustZoo fraaye geesten niet haar geestigheid uitblust,Noch maakt uw zinnen niet door slaapzucht dom ellendig,Noch van 't gemeene-best-bevordren 't hert afwendig.Met een gevlerkte geest den loop verzelschapt voortsVan 't nachtgeleidend' licht, den daggeleider toorts[95].De eislijke ondiepten meld, die d' Ocean bewegen.De grijze toppen meet der bergen hoog gestegen.Doorsnuffelt hoek voor hoek dit nederig gesticht[96],Doch om verwond'ren[97], hoe in 't werk de wijsheid ligtDes geens, die 't zoo wel schikte: en wilt vooral niet slachtenD' arm' hoveling, die dor en uitgeput van krachtenIn 't leeger[98]hof veroudt, en die zijn oogen sterkOp 's pijlers groeven slaat, op 't voet- en heuvelwerk;Die suf beschouwt 't vermaal[99], medalliën, beelden, standen,En d' hoofdcieraden van de koninklijke wanden,Die, hem vergapende, is nù bij nù buiten zich,Terwijl zijn makkers zien den koning scepterdrig[100].De weegschaal houd recht op, 't oog toe, uw handen reine;Wreekt streng 't bekende kwaad en onrecht; 't uwe alleineVergetenheid beveelt; de tranen ziet, en hoort't Geschrei des geens, die in een zee van droefheid smoort.Hoort d' oogen[101]menigmaal die op uw landen oogen:Die niet wil rechter zijn, geen vorst is om gedoogen[102];En in der eeuwigheid scheid nimmermeer, noch weertVan 't scepter des gerechts het schitt'rende oorlogszweerd!Begunstigt grooten niet, noch drukt die 't kwalijk hebben;Noch van uw wetten maakt een ijdel spinnewebben,Waarin de mug verwert, terwijlen het gebeurt,Dat ruisschende de wesp den inslag rijt en scheurt.Verdrijft die herders, die d' onnoozle kudd' verteeren;Zulke overheden kiest, die haren staat vereeren,Die d' Alderhoogste ontzien, die 't vonnis strijken recht;Men oordeelt in 't gemeen den meester naar den knecht.Den vrome mild begaaft, maar wilt uw leen niet schiften[103];Hij stopt, die roert den grond, de borne[104]van zijn giften.Voor al, mijn troetelkind! verdrenkt[105], om Gods wil, dy[105]Niet in 't bedrieglijk meer van 's boels liefkozerij:Helaas! helaas! ik ducht! keert, o alwijze, algoedeGod! mijns gezichts gevolg[106]doch af van mijnen bloede,Aanstaande is 't, ducht ik, dat dit zoet vergif, o kruis!Nog met afgoderij zal smetten Davids huis:Dat, zoo 's deugds heilge liefde u niet ontsteke t' elken,Zoo een geduurzaamheid van naams en faams verwelkenU niet te rug doe zien, tracht dat u in die kampNog tot een lesse dien' de vaderlijke ramp.D' Almachtige, mijn kind! mij roept u te begeven,Vaart wel! ik wandel door den dood in 't eeuwig leven,Om hooger heerschen, vrij van 't menschelijk gekwel:Uw handen ik beveel den staf van Israël.Gij, die om 't kwaad eens vorsts 's kroons glinsterende stralenVan 't een in 't ander huis, van land tot land doet dwalen,Verletze[107]bij de mijne, en brengt, van mijns zoons zoon,Dien Grooten Koning eens te voorschijn en ten toon,Daar Israël op hoopt, daarna[108]ik zucht te voren,Groot Koning, die het rijk des Duivels zal verstoren."Zoo sterft hij, en de zoon zijn voetspoor gade slaat,En 's Hemels God met hert en mond aanbidden gaat:Door Godvruchts deure treedt in 't rijke met verlangen,En speelt tot 's Heeren lof veel lieden[109], veel gezangen,En smookt te Gibeon, en in den geest aanschouwt,Terwijl zijn vleesch nog slaapt, dien God dien hij vertrouwt,Groot God, die rijk gekroond met flonkerende vieren,Hem vier joffrouwen toont, en geeft hem keur van vieren[110].De Glorie zwikt[111]een schicht, dieze in haar rechter vaat[112],En treedt er niet als maagd, maar als een braaf[113]soldaat,In 't glinst'rende gesternt' verbergt z' haar hoofd en kruine,En in een sluyer draagt ze een heldere bazuine,Wiens wind is enkel lof, trompet, wiens hel geruischVult van de schoone zon het een en 't ander huis:'tHoveerdig weefsel van haar sleepkeurs, die zoo glorietMet 's vijands onderlage[114], is bloedig gehistoriet[115],Met benden, met trofeên, en ringen: met de voetZij duizend koningen vertreênde zuchten doet.De Rijkdom mag[116]men prat niet wijd van hier zien brommen,Met Pluto's, Rhea's, en vrouw Thetis haar rijkdommen:Eens lakens held're glans bedekt haar lichaam houdt,Robijnscherp[117], en gestijfd van ingeslagen goud:Haar rechte en slinker stort een bus, waar uit gestegenKomt neêrwaarts een Pactool'[118], een blonden Englen[119]regen,Een glinsterende Taag: haar knechts 't geluk men heet,Het waken, spaarzaamheid, en d' arbeid nat bezweet.Gezondheid toont haar ginds, geen rimp'len 't voorhoofd breken,Haar oog geen peerlen dauwt, haar kaken niet verbleeken;Blij, levend', poezelig, vertoont ze een kinds-gelaat,Zij huppelt, danst, en springt, en vliegt, waar dat ze gaat:Des levens held're toorts blaakt in haar vuist ten toone,En d' heil'ge vederbos des Fenix overschoone't Begin haars keurs verstrekt; en ziet, aan de ander zijKomt ons de Wijsheid met haar statig aanzicht bij;Die, opdat z' hoog verzel de voetelooze vooglenVan 't eeuwig Paradijs, zijn aangehecht twee vlooglen:Stil is ze van gebaar, haar gang verzwaart ze zeer,Men ziet ze oon[120]regelmaat en passer nimmermeer:De spiegel van nature, en haar zelf tot haar vordel[121],Hangt aan de ketenkens van haren rijken gordel.De vorst, zijn oogen op haar schoonheid slaande knap[122],Waant ingelijfd te zijn in 's Hemels borgerschap:Hij vindt zich met den glans eens Paradijs besloten,En twijfelt, wat hij zal uit zoo veel goed'ren loten;Ten leste spreekt hij dus: "wat hebbe ik, Heer! gedaan,Om van uw handen zoo veel eer en goeds t' ontvaân?Gij voorkomt mijn verdienste, of liever bouwt Uw eereAls gij mijn snoodheid[123]eert: o, de Overhand[124]is, Heere!Een keizerlijk geschenk, en niets en is zoo zoetDan dat men 's gramschaps brand maakt dronken in het bloed;Maar laas! vaak volgen haar veel woênde razernijen,En d' oû gewoonte van bebloede moorderijenMaakt metter tijd gelijk d' onstrengsten koning schierEen tijger, felle leeuw, wildzwijn, of panterdier.Die schijnt gelukkig, die zijn vruchtb're kudd' ziet zwillen,[125]En stelen Carmelus[126]zijn groenende achterbillen[127];Om wien een wijnrijk land en vruchtbaar korenaard'[128]Doorploegd met ijzer scherp, oneind'lijk teelt en baart:Die van de Seres heeft de blonde en goudgeel âren,Het dierbaar schoon gesteent' van de Arabische baren,De wouden Entidors, 't Ofirisch goud daar bij,Van Sabba 't reukwerk zoet, en Tyrus' pelterij.Maar hoe! men ziet alzins, waar rijkdom staat in 't bloeyen,'t Opmerken[129]sterven en vermetelheid meer groeyen:De rijke slaaft om 't goud, en wie, naar God geaard,Zijn oogen en gemoed wil opslaan Hemelwaart,Moet arm zijn in der daad, of arm zich toe gaan stellen:En vreeze en rijkdom ook malkand'ren steeds verzellen.Lang leven waar mijn wensch, mijns herten lust en wit,Dat ik mijn zonen zage in 't derde en vierde lid:Maar ik bezorg mij[130]voor de rampspoên, die verbolgenGemeenelijken dicht mijns levens langheid volgen:Wie wel leeft leeft genoeg, want 's levens loop, die kortIs, naar der dagen tal niet afgemeten wordt,Maar naar doorluchte daân; en 't leven, kort en sterflijk,Is maar een oogenblik, een niet bij 't onbederflijk.Zulks is de wijsheid niet, de eere acht zij als 't gespookEens winds, die licht vervliegt, het leven enkel rook,De scepter eenen tak van masthout klein van weerden,De peerlen zand en gruis, het goud maar slijm der eerden[131]:Zij is een spiegel Gods, een bliksem, die ontgaatDen donderkogel van zijn Goddelijk gelaat:Een heil'ge instortinge ook des milden Hemels, nimmerDe schoonheid is gebluscht haars voorhoofds klaar[132]van schimmer[133],Altijd haar zelf gelijk, zij niet alleen zoo netEen zelfde spoor vervolgt, maar houdt een zelfde tred:Gezondheid buiten haar, eer, rijkdom in 't gemeeneMij drie venijnen waar[134]; de Wijsheid is 't alleene,Die van alle andre goên[135]mag strekken zonderling[136]Haar leidsvrouw, werktuig, born, cieraad, en matiging.Brengtze, o God! voor den dag, laatze, o God! mij verstrekkenEen bedgenoot altijd, op dat ik steeds mag lekkenDen zoeten geur, die vloeit uit haren heil'gen mond,Datze in het vierschaar mij verzelschap t' allerstond,En ik nog kindsch[137]en teêr, met haren staf beschuddenIn vette weiden mag d' Abrahamietsche kudden,[138]Oneindelijcke kudd', ja, kudde, die gewisEen trouwen herder van den Hemel weerdig is.Heer! geeftze mij, ik kwijn, ik flaauwe, of, zoo ik leve,Ik, heilge vuurvliege, in haar vlamme leve en zweve,En, nieuwe zomeruil[139], te stout, in 't licht gesmookVan hare lampkens, ik mijn vlerkskens teêr verschrook."[140]"Houd daar, ik schenk ze u!" zegt d' onsterfelijke vorste,[141]
Al zwakker David wierd, en 't lemmet van zijn leven(Wien 't olie-achtig sap des wortels ging begeven)Allengs brandde in de pijp, als hij, op zijn verscheên[45],Nog wakker met verstand gaat uiten deze reên,Leeraren[46]Salomon, en, door 't Geheim[47]gedreven,In 't koninklijk gestoelt hem zetten hoogverheven:"Mijn zoon! dien[48]zonder twist, meêvrijer[49], of geweldGeluk, nature, en wet de kroon heeft opgesteld.In 't heerschen wijsheid voegt en goedheid te doen blijken,Wenscht hij te mennen lang den teugel van zijn rijken;Maar die door hulpe van 't geluk het koningschapBereikt, en daar toe komt langs ongewone trap,Moet meer als mensche zijn, en, in de deugd ervaren,D' ontziene tulband zich verzek'ren op zijn haren.Maar Salomon! gij kent het bed daar af gij daalt,Gij ziet, hoe Israël Adoniam onthaalt,Hoe, om uw eer jeloers, de zeden[50]moeten wijken,En om uw grootheid wij natuur verongelijken:Streeft naar volmaaktheid dan, en, dapper van gemoed,'t Gebrek verduistert van uw ondoorluchtig bloed.Monarch van Jacobs stam! dient 's werelds koning stadig,Op 't eenig steunsel van zijn vrijgelei beradig[51]Uw stoutste aanslagen grondt, en altijd, vroeg en spaad'Uw ooge en uwen geest op zijn voorschriften slaat:'t Godlasterlijk geblaf der honden vliedt verbolgen,En, onder-koning, wilt uws Heeren zeden volgen.Denkt, dat de dikte van uw hooge muren zelfs,Veel poorten zwaar van staal, veel hoffelijk gewelfs[52]Niet hindren, dat zijn oog bekeurende achterhaleUws herten Dedalus[53]in uw geheimste zale.Mijn zoon, zoo 't noodgeheim[54], of de geboort' veel eerU Edomieter teelde of Filistijner Heer,Zoo 't erflijk u gemaakt had Faroos titels eigen,Zoo Meden[55]aan uw kniên kwam zijnen mijter[56]neigen,Zoo Perzen[55]waar uw leen, uw hoogheid nochtans veugt[57]En eischt alom te zijn geborstweerd met de deugd;—Maar om 't zaad Abrahams 't jukdragen te gewennen,Gevoegelijk den toom van 't heilig volk te mennen,Bezitten Jozua's en Samsons stoel[58]naar wensch,Een nazaat[59]Gods te zijn, gij meer moet zijn als mensch.Wilt boven d' ouden knecht d' aankomeling niet achten:Gebiedenskunst bestaat in kunst min als 't betrachten;De most wijkt d' oude wijn in smaak, en d' hovenierUit 't hert[60]zijns lusthofs niet roeit, met een dwaas bestier,Een groeizaam weeldig hout, dat twintig wintervlagenMet zoete vruchten heeft zijn lekk're disch beslagen,Om pooten in zijn plaatse een loote of struik, wiens vruchtHij proefde met 't gebit alleen van valsch gerucht.De vleyers, Salomon! oorlingen[61]zijn, die waarlijkDen wijsten koning staan tot hindernis gevaarlijk,Wat rechten zij niet aan! vermids zij vinden haarSnoô weergade in ons herte, een erger huichelaar,De liefde van ons zelfs, een altijd woênde peste,Die aanspant met dees vreemde en haatlijk rot op 't leste.Den bloôn verbeelden[62]zij, dat hij is wijs altoos.Den dronkaart blij van geest, d' ontrouwe erg[63]en loos,Rechtveerdig vorst en prins zij noemen 's volks verdemper[64],Den domme stemmig Heer, Augustus den verslemper[65],En als doorsnuff'lend zij zijn neiging nu verstaan,Zij, als in hem veraârd, zijn boosheid bidden aan.Vlucht die gedrochten dan, ontslaat u dan der boozenAfgrijslijke ommegang, 't gezelschap der eerloozen:Geen toegang in uw hof den roover toe en laat:Geen moorders 't hoofd ophoudt: de toovenaren haat,Uit vreeze, dat ze met haar adems gift te gaderNiet smetten doodelijk stads borrensprong[66]en ader:De zeden niet vergift, fontein, daar d' onderzaatUitputten zal voortaan van beids[67]òf goed òf kwaad:Beheerscht uw lusten, wordt uw toorne en angst te machtig,Die niet zich zelfs gebiedt geen koning is warachtig:Doet niet wat gij vermoogt, maar zulks doet als u past:Uw nek eerst[68]onderwerpt der wetten juk en last.Den onderzaat, als hij tot leidsman heeft zijn koning,Door water, berg, en bosch rent zonder lijfs-verschooning[69].Bewijst gespraakzaam[70]u, goed, liefgetal[71], mijn zoon!En volgt vermetel niet de beelden dezer[72]Goôn,Die uit haar gulden bus men jaarlijks eens verlochtigt[73],Opdat den Hemel, nu verbeên, het aardrijk vochtigt.Zijn woord opeten[74]past geen koning wijs gezind,Al wie zijn trouwe breekt, geloof noch trouwe vindt,Bedriegend' polt[75]zich zelf; het volk, jeloers[76]om schouwen't Gevaar zijns lichten aards, zich wapent met wantrouwen.En 't nageburig rijk, een leeuw van sterkheid grootHeeft, liever als een vos, tot zijn trouw bondgenoot.Zij[77]in 't beloonen mild, in 't straffen schaarsch en vrekke[78]:Maakt, dat standvastigheid uw borst alzins bedekke.'t Uitstekendste is omringd van rampspoên aldernaast,En de alderfelste storm op hooge poorten raast.Uit eerzucht 't aardrijk niet met wapens gaat beroeren;Indien geweld of eere u oorlog prangt[79]te voeren,Bewijst u Davids zoon, maakt, dat uw krijgsmansarmZoo koud[80]zij in 't bestaan[81], als in 't uitvoeren warm.Waakt, zweet, en redeneert, en, heldisch niet om temmen[82],Vrijt den geronnen[83]stroom te voet, en 't nat in 't zwemmen:Het schaduwende lof eens planebooms[84]u frischEen zonnehoed verstrekk', een beukelaar uw disch,Uw oefeninge[85]uw vuur, wat zoôn uw bedstede ergen[86];Met lekker dischgerecht wilt uwen mond niet tergen:Zware arbeid zij uw sausse: in 't hol eens stormhoeds meêZuipt 't water uit een beek, vermengd met slijm en snee.Laat trommel, laat trompet, laat omgewielde[87]fluitenUw klavecymb'len zijn, uw cithers, en uw luiten:Hardvochtig eenen berg al dravende overschiet[88],Al loopende een ruim veld, al springende eenen vliet:Uw hoofd met stof en zweet zij wel doortrokken echter[89]:Zijt overste en soldaat, een bliksem is de vechterAls hij zijn koning heeft, die moedig treedt vooraan,Gezelle[90]in 't avontuur en rechter van zijn daân.Met lust tot leerzucht zoude ik uw gemoed ontsteken,Zage ik alreede niet de Godlijkheid uitbrekenVan uw diepzinnigheid: maakt, dat geleerdheids cierDien' tot een hulp de kunst van 't koninklijk bestier,En ga slaat[91], dat, gelijk natvochtigheids vervelen[92]Versmacht[93]eens fruitbooms ziel, haar groeizaam leven stelen[94],De veel te zware les, der kunsten weelde en lustZoo fraaye geesten niet haar geestigheid uitblust,Noch maakt uw zinnen niet door slaapzucht dom ellendig,Noch van 't gemeene-best-bevordren 't hert afwendig.Met een gevlerkte geest den loop verzelschapt voortsVan 't nachtgeleidend' licht, den daggeleider toorts[95].De eislijke ondiepten meld, die d' Ocean bewegen.De grijze toppen meet der bergen hoog gestegen.Doorsnuffelt hoek voor hoek dit nederig gesticht[96],Doch om verwond'ren[97], hoe in 't werk de wijsheid ligtDes geens, die 't zoo wel schikte: en wilt vooral niet slachtenD' arm' hoveling, die dor en uitgeput van krachtenIn 't leeger[98]hof veroudt, en die zijn oogen sterkOp 's pijlers groeven slaat, op 't voet- en heuvelwerk;Die suf beschouwt 't vermaal[99], medalliën, beelden, standen,En d' hoofdcieraden van de koninklijke wanden,Die, hem vergapende, is nù bij nù buiten zich,Terwijl zijn makkers zien den koning scepterdrig[100].De weegschaal houd recht op, 't oog toe, uw handen reine;Wreekt streng 't bekende kwaad en onrecht; 't uwe alleineVergetenheid beveelt; de tranen ziet, en hoort't Geschrei des geens, die in een zee van droefheid smoort.Hoort d' oogen[101]menigmaal die op uw landen oogen:Die niet wil rechter zijn, geen vorst is om gedoogen[102];En in der eeuwigheid scheid nimmermeer, noch weertVan 't scepter des gerechts het schitt'rende oorlogszweerd!Begunstigt grooten niet, noch drukt die 't kwalijk hebben;Noch van uw wetten maakt een ijdel spinnewebben,Waarin de mug verwert, terwijlen het gebeurt,Dat ruisschende de wesp den inslag rijt en scheurt.Verdrijft die herders, die d' onnoozle kudd' verteeren;Zulke overheden kiest, die haren staat vereeren,Die d' Alderhoogste ontzien, die 't vonnis strijken recht;Men oordeelt in 't gemeen den meester naar den knecht.Den vrome mild begaaft, maar wilt uw leen niet schiften[103];Hij stopt, die roert den grond, de borne[104]van zijn giften.Voor al, mijn troetelkind! verdrenkt[105], om Gods wil, dy[105]Niet in 't bedrieglijk meer van 's boels liefkozerij:Helaas! helaas! ik ducht! keert, o alwijze, algoedeGod! mijns gezichts gevolg[106]doch af van mijnen bloede,Aanstaande is 't, ducht ik, dat dit zoet vergif, o kruis!Nog met afgoderij zal smetten Davids huis:Dat, zoo 's deugds heilge liefde u niet ontsteke t' elken,Zoo een geduurzaamheid van naams en faams verwelkenU niet te rug doe zien, tracht dat u in die kampNog tot een lesse dien' de vaderlijke ramp.D' Almachtige, mijn kind! mij roept u te begeven,Vaart wel! ik wandel door den dood in 't eeuwig leven,Om hooger heerschen, vrij van 't menschelijk gekwel:Uw handen ik beveel den staf van Israël.Gij, die om 't kwaad eens vorsts 's kroons glinsterende stralenVan 't een in 't ander huis, van land tot land doet dwalen,Verletze[107]bij de mijne, en brengt, van mijns zoons zoon,Dien Grooten Koning eens te voorschijn en ten toon,Daar Israël op hoopt, daarna[108]ik zucht te voren,Groot Koning, die het rijk des Duivels zal verstoren."Zoo sterft hij, en de zoon zijn voetspoor gade slaat,En 's Hemels God met hert en mond aanbidden gaat:Door Godvruchts deure treedt in 't rijke met verlangen,En speelt tot 's Heeren lof veel lieden[109], veel gezangen,En smookt te Gibeon, en in den geest aanschouwt,Terwijl zijn vleesch nog slaapt, dien God dien hij vertrouwt,Groot God, die rijk gekroond met flonkerende vieren,Hem vier joffrouwen toont, en geeft hem keur van vieren[110].De Glorie zwikt[111]een schicht, dieze in haar rechter vaat[112],En treedt er niet als maagd, maar als een braaf[113]soldaat,In 't glinst'rende gesternt' verbergt z' haar hoofd en kruine,En in een sluyer draagt ze een heldere bazuine,Wiens wind is enkel lof, trompet, wiens hel geruischVult van de schoone zon het een en 't ander huis:'tHoveerdig weefsel van haar sleepkeurs, die zoo glorietMet 's vijands onderlage[114], is bloedig gehistoriet[115],Met benden, met trofeên, en ringen: met de voetZij duizend koningen vertreênde zuchten doet.De Rijkdom mag[116]men prat niet wijd van hier zien brommen,Met Pluto's, Rhea's, en vrouw Thetis haar rijkdommen:Eens lakens held're glans bedekt haar lichaam houdt,Robijnscherp[117], en gestijfd van ingeslagen goud:Haar rechte en slinker stort een bus, waar uit gestegenKomt neêrwaarts een Pactool'[118], een blonden Englen[119]regen,Een glinsterende Taag: haar knechts 't geluk men heet,Het waken, spaarzaamheid, en d' arbeid nat bezweet.Gezondheid toont haar ginds, geen rimp'len 't voorhoofd breken,Haar oog geen peerlen dauwt, haar kaken niet verbleeken;Blij, levend', poezelig, vertoont ze een kinds-gelaat,Zij huppelt, danst, en springt, en vliegt, waar dat ze gaat:Des levens held're toorts blaakt in haar vuist ten toone,En d' heil'ge vederbos des Fenix overschoone't Begin haars keurs verstrekt; en ziet, aan de ander zijKomt ons de Wijsheid met haar statig aanzicht bij;Die, opdat z' hoog verzel de voetelooze vooglenVan 't eeuwig Paradijs, zijn aangehecht twee vlooglen:Stil is ze van gebaar, haar gang verzwaart ze zeer,Men ziet ze oon[120]regelmaat en passer nimmermeer:De spiegel van nature, en haar zelf tot haar vordel[121],Hangt aan de ketenkens van haren rijken gordel.De vorst, zijn oogen op haar schoonheid slaande knap[122],Waant ingelijfd te zijn in 's Hemels borgerschap:Hij vindt zich met den glans eens Paradijs besloten,En twijfelt, wat hij zal uit zoo veel goed'ren loten;Ten leste spreekt hij dus: "wat hebbe ik, Heer! gedaan,Om van uw handen zoo veel eer en goeds t' ontvaân?Gij voorkomt mijn verdienste, of liever bouwt Uw eereAls gij mijn snoodheid[123]eert: o, de Overhand[124]is, Heere!Een keizerlijk geschenk, en niets en is zoo zoetDan dat men 's gramschaps brand maakt dronken in het bloed;Maar laas! vaak volgen haar veel woênde razernijen,En d' oû gewoonte van bebloede moorderijenMaakt metter tijd gelijk d' onstrengsten koning schierEen tijger, felle leeuw, wildzwijn, of panterdier.Die schijnt gelukkig, die zijn vruchtb're kudd' ziet zwillen,[125]En stelen Carmelus[126]zijn groenende achterbillen[127];Om wien een wijnrijk land en vruchtbaar korenaard'[128]Doorploegd met ijzer scherp, oneind'lijk teelt en baart:Die van de Seres heeft de blonde en goudgeel âren,Het dierbaar schoon gesteent' van de Arabische baren,De wouden Entidors, 't Ofirisch goud daar bij,Van Sabba 't reukwerk zoet, en Tyrus' pelterij.Maar hoe! men ziet alzins, waar rijkdom staat in 't bloeyen,'t Opmerken[129]sterven en vermetelheid meer groeyen:De rijke slaaft om 't goud, en wie, naar God geaard,Zijn oogen en gemoed wil opslaan Hemelwaart,Moet arm zijn in der daad, of arm zich toe gaan stellen:En vreeze en rijkdom ook malkand'ren steeds verzellen.Lang leven waar mijn wensch, mijns herten lust en wit,Dat ik mijn zonen zage in 't derde en vierde lid:Maar ik bezorg mij[130]voor de rampspoên, die verbolgenGemeenelijken dicht mijns levens langheid volgen:Wie wel leeft leeft genoeg, want 's levens loop, die kortIs, naar der dagen tal niet afgemeten wordt,Maar naar doorluchte daân; en 't leven, kort en sterflijk,Is maar een oogenblik, een niet bij 't onbederflijk.Zulks is de wijsheid niet, de eere acht zij als 't gespookEens winds, die licht vervliegt, het leven enkel rook,De scepter eenen tak van masthout klein van weerden,De peerlen zand en gruis, het goud maar slijm der eerden[131]:Zij is een spiegel Gods, een bliksem, die ontgaatDen donderkogel van zijn Goddelijk gelaat:Een heil'ge instortinge ook des milden Hemels, nimmerDe schoonheid is gebluscht haars voorhoofds klaar[132]van schimmer[133],Altijd haar zelf gelijk, zij niet alleen zoo netEen zelfde spoor vervolgt, maar houdt een zelfde tred:Gezondheid buiten haar, eer, rijkdom in 't gemeeneMij drie venijnen waar[134]; de Wijsheid is 't alleene,Die van alle andre goên[135]mag strekken zonderling[136]Haar leidsvrouw, werktuig, born, cieraad, en matiging.Brengtze, o God! voor den dag, laatze, o God! mij verstrekkenEen bedgenoot altijd, op dat ik steeds mag lekkenDen zoeten geur, die vloeit uit haren heil'gen mond,Datze in het vierschaar mij verzelschap t' allerstond,En ik nog kindsch[137]en teêr, met haren staf beschuddenIn vette weiden mag d' Abrahamietsche kudden,[138]Oneindelijcke kudd', ja, kudde, die gewisEen trouwen herder van den Hemel weerdig is.Heer! geeftze mij, ik kwijn, ik flaauwe, of, zoo ik leve,Ik, heilge vuurvliege, in haar vlamme leve en zweve,En, nieuwe zomeruil[139], te stout, in 't licht gesmookVan hare lampkens, ik mijn vlerkskens teêr verschrook."[140]"Houd daar, ik schenk ze u!" zegt d' onsterfelijke vorste,[141]
Al zwakker David wierd, en 't lemmet van zijn leven(Wien 't olie-achtig sap des wortels ging begeven)Allengs brandde in de pijp, als hij, op zijn verscheên[45],Nog wakker met verstand gaat uiten deze reên,Leeraren[46]Salomon, en, door 't Geheim[47]gedreven,In 't koninklijk gestoelt hem zetten hoogverheven:"Mijn zoon! dien[48]zonder twist, meêvrijer[49], of geweldGeluk, nature, en wet de kroon heeft opgesteld.In 't heerschen wijsheid voegt en goedheid te doen blijken,Wenscht hij te mennen lang den teugel van zijn rijken;Maar die door hulpe van 't geluk het koningschapBereikt, en daar toe komt langs ongewone trap,Moet meer als mensche zijn, en, in de deugd ervaren,D' ontziene tulband zich verzek'ren op zijn haren.Maar Salomon! gij kent het bed daar af gij daalt,Gij ziet, hoe Israël Adoniam onthaalt,Hoe, om uw eer jeloers, de zeden[50]moeten wijken,En om uw grootheid wij natuur verongelijken:Streeft naar volmaaktheid dan, en, dapper van gemoed,'t Gebrek verduistert van uw ondoorluchtig bloed.Monarch van Jacobs stam! dient 's werelds koning stadig,Op 't eenig steunsel van zijn vrijgelei beradig[51]Uw stoutste aanslagen grondt, en altijd, vroeg en spaad'Uw ooge en uwen geest op zijn voorschriften slaat:'t Godlasterlijk geblaf der honden vliedt verbolgen,En, onder-koning, wilt uws Heeren zeden volgen.Denkt, dat de dikte van uw hooge muren zelfs,Veel poorten zwaar van staal, veel hoffelijk gewelfs[52]Niet hindren, dat zijn oog bekeurende achterhaleUws herten Dedalus[53]in uw geheimste zale.Mijn zoon, zoo 't noodgeheim[54], of de geboort' veel eerU Edomieter teelde of Filistijner Heer,Zoo 't erflijk u gemaakt had Faroos titels eigen,Zoo Meden[55]aan uw kniên kwam zijnen mijter[56]neigen,Zoo Perzen[55]waar uw leen, uw hoogheid nochtans veugt[57]En eischt alom te zijn geborstweerd met de deugd;—Maar om 't zaad Abrahams 't jukdragen te gewennen,Gevoegelijk den toom van 't heilig volk te mennen,Bezitten Jozua's en Samsons stoel[58]naar wensch,Een nazaat[59]Gods te zijn, gij meer moet zijn als mensch.Wilt boven d' ouden knecht d' aankomeling niet achten:Gebiedenskunst bestaat in kunst min als 't betrachten;De most wijkt d' oude wijn in smaak, en d' hovenierUit 't hert[60]zijns lusthofs niet roeit, met een dwaas bestier,Een groeizaam weeldig hout, dat twintig wintervlagenMet zoete vruchten heeft zijn lekk're disch beslagen,Om pooten in zijn plaatse een loote of struik, wiens vruchtHij proefde met 't gebit alleen van valsch gerucht.De vleyers, Salomon! oorlingen[61]zijn, die waarlijkDen wijsten koning staan tot hindernis gevaarlijk,Wat rechten zij niet aan! vermids zij vinden haarSnoô weergade in ons herte, een erger huichelaar,De liefde van ons zelfs, een altijd woênde peste,Die aanspant met dees vreemde en haatlijk rot op 't leste.Den bloôn verbeelden[62]zij, dat hij is wijs altoos.Den dronkaart blij van geest, d' ontrouwe erg[63]en loos,Rechtveerdig vorst en prins zij noemen 's volks verdemper[64],Den domme stemmig Heer, Augustus den verslemper[65],En als doorsnuff'lend zij zijn neiging nu verstaan,Zij, als in hem veraârd, zijn boosheid bidden aan.Vlucht die gedrochten dan, ontslaat u dan der boozenAfgrijslijke ommegang, 't gezelschap der eerloozen:Geen toegang in uw hof den roover toe en laat:Geen moorders 't hoofd ophoudt: de toovenaren haat,Uit vreeze, dat ze met haar adems gift te gaderNiet smetten doodelijk stads borrensprong[66]en ader:De zeden niet vergift, fontein, daar d' onderzaatUitputten zal voortaan van beids[67]òf goed òf kwaad:Beheerscht uw lusten, wordt uw toorne en angst te machtig,Die niet zich zelfs gebiedt geen koning is warachtig:Doet niet wat gij vermoogt, maar zulks doet als u past:Uw nek eerst[68]onderwerpt der wetten juk en last.Den onderzaat, als hij tot leidsman heeft zijn koning,Door water, berg, en bosch rent zonder lijfs-verschooning[69].Bewijst gespraakzaam[70]u, goed, liefgetal[71], mijn zoon!En volgt vermetel niet de beelden dezer[72]Goôn,Die uit haar gulden bus men jaarlijks eens verlochtigt[73],Opdat den Hemel, nu verbeên, het aardrijk vochtigt.Zijn woord opeten[74]past geen koning wijs gezind,Al wie zijn trouwe breekt, geloof noch trouwe vindt,Bedriegend' polt[75]zich zelf; het volk, jeloers[76]om schouwen't Gevaar zijns lichten aards, zich wapent met wantrouwen.En 't nageburig rijk, een leeuw van sterkheid grootHeeft, liever als een vos, tot zijn trouw bondgenoot.Zij[77]in 't beloonen mild, in 't straffen schaarsch en vrekke[78]:Maakt, dat standvastigheid uw borst alzins bedekke.'t Uitstekendste is omringd van rampspoên aldernaast,En de alderfelste storm op hooge poorten raast.Uit eerzucht 't aardrijk niet met wapens gaat beroeren;Indien geweld of eere u oorlog prangt[79]te voeren,Bewijst u Davids zoon, maakt, dat uw krijgsmansarmZoo koud[80]zij in 't bestaan[81], als in 't uitvoeren warm.Waakt, zweet, en redeneert, en, heldisch niet om temmen[82],Vrijt den geronnen[83]stroom te voet, en 't nat in 't zwemmen:Het schaduwende lof eens planebooms[84]u frischEen zonnehoed verstrekk', een beukelaar uw disch,Uw oefeninge[85]uw vuur, wat zoôn uw bedstede ergen[86];Met lekker dischgerecht wilt uwen mond niet tergen:Zware arbeid zij uw sausse: in 't hol eens stormhoeds meêZuipt 't water uit een beek, vermengd met slijm en snee.Laat trommel, laat trompet, laat omgewielde[87]fluitenUw klavecymb'len zijn, uw cithers, en uw luiten:Hardvochtig eenen berg al dravende overschiet[88],Al loopende een ruim veld, al springende eenen vliet:Uw hoofd met stof en zweet zij wel doortrokken echter[89]:Zijt overste en soldaat, een bliksem is de vechterAls hij zijn koning heeft, die moedig treedt vooraan,Gezelle[90]in 't avontuur en rechter van zijn daân.Met lust tot leerzucht zoude ik uw gemoed ontsteken,Zage ik alreede niet de Godlijkheid uitbrekenVan uw diepzinnigheid: maakt, dat geleerdheids cierDien' tot een hulp de kunst van 't koninklijk bestier,En ga slaat[91], dat, gelijk natvochtigheids vervelen[92]Versmacht[93]eens fruitbooms ziel, haar groeizaam leven stelen[94],De veel te zware les, der kunsten weelde en lustZoo fraaye geesten niet haar geestigheid uitblust,Noch maakt uw zinnen niet door slaapzucht dom ellendig,Noch van 't gemeene-best-bevordren 't hert afwendig.Met een gevlerkte geest den loop verzelschapt voortsVan 't nachtgeleidend' licht, den daggeleider toorts[95].De eislijke ondiepten meld, die d' Ocean bewegen.De grijze toppen meet der bergen hoog gestegen.Doorsnuffelt hoek voor hoek dit nederig gesticht[96],Doch om verwond'ren[97], hoe in 't werk de wijsheid ligtDes geens, die 't zoo wel schikte: en wilt vooral niet slachtenD' arm' hoveling, die dor en uitgeput van krachtenIn 't leeger[98]hof veroudt, en die zijn oogen sterkOp 's pijlers groeven slaat, op 't voet- en heuvelwerk;Die suf beschouwt 't vermaal[99], medalliën, beelden, standen,En d' hoofdcieraden van de koninklijke wanden,Die, hem vergapende, is nù bij nù buiten zich,Terwijl zijn makkers zien den koning scepterdrig[100].De weegschaal houd recht op, 't oog toe, uw handen reine;Wreekt streng 't bekende kwaad en onrecht; 't uwe alleineVergetenheid beveelt; de tranen ziet, en hoort't Geschrei des geens, die in een zee van droefheid smoort.Hoort d' oogen[101]menigmaal die op uw landen oogen:Die niet wil rechter zijn, geen vorst is om gedoogen[102];En in der eeuwigheid scheid nimmermeer, noch weertVan 't scepter des gerechts het schitt'rende oorlogszweerd!Begunstigt grooten niet, noch drukt die 't kwalijk hebben;Noch van uw wetten maakt een ijdel spinnewebben,Waarin de mug verwert, terwijlen het gebeurt,Dat ruisschende de wesp den inslag rijt en scheurt.Verdrijft die herders, die d' onnoozle kudd' verteeren;Zulke overheden kiest, die haren staat vereeren,Die d' Alderhoogste ontzien, die 't vonnis strijken recht;Men oordeelt in 't gemeen den meester naar den knecht.Den vrome mild begaaft, maar wilt uw leen niet schiften[103];Hij stopt, die roert den grond, de borne[104]van zijn giften.Voor al, mijn troetelkind! verdrenkt[105], om Gods wil, dy[105]Niet in 't bedrieglijk meer van 's boels liefkozerij:Helaas! helaas! ik ducht! keert, o alwijze, algoedeGod! mijns gezichts gevolg[106]doch af van mijnen bloede,Aanstaande is 't, ducht ik, dat dit zoet vergif, o kruis!Nog met afgoderij zal smetten Davids huis:Dat, zoo 's deugds heilge liefde u niet ontsteke t' elken,Zoo een geduurzaamheid van naams en faams verwelkenU niet te rug doe zien, tracht dat u in die kampNog tot een lesse dien' de vaderlijke ramp.D' Almachtige, mijn kind! mij roept u te begeven,Vaart wel! ik wandel door den dood in 't eeuwig leven,Om hooger heerschen, vrij van 't menschelijk gekwel:Uw handen ik beveel den staf van Israël.Gij, die om 't kwaad eens vorsts 's kroons glinsterende stralenVan 't een in 't ander huis, van land tot land doet dwalen,Verletze[107]bij de mijne, en brengt, van mijns zoons zoon,Dien Grooten Koning eens te voorschijn en ten toon,Daar Israël op hoopt, daarna[108]ik zucht te voren,Groot Koning, die het rijk des Duivels zal verstoren."Zoo sterft hij, en de zoon zijn voetspoor gade slaat,En 's Hemels God met hert en mond aanbidden gaat:Door Godvruchts deure treedt in 't rijke met verlangen,En speelt tot 's Heeren lof veel lieden[109], veel gezangen,En smookt te Gibeon, en in den geest aanschouwt,Terwijl zijn vleesch nog slaapt, dien God dien hij vertrouwt,Groot God, die rijk gekroond met flonkerende vieren,Hem vier joffrouwen toont, en geeft hem keur van vieren[110].De Glorie zwikt[111]een schicht, dieze in haar rechter vaat[112],En treedt er niet als maagd, maar als een braaf[113]soldaat,In 't glinst'rende gesternt' verbergt z' haar hoofd en kruine,En in een sluyer draagt ze een heldere bazuine,Wiens wind is enkel lof, trompet, wiens hel geruischVult van de schoone zon het een en 't ander huis:'tHoveerdig weefsel van haar sleepkeurs, die zoo glorietMet 's vijands onderlage[114], is bloedig gehistoriet[115],Met benden, met trofeên, en ringen: met de voetZij duizend koningen vertreênde zuchten doet.De Rijkdom mag[116]men prat niet wijd van hier zien brommen,Met Pluto's, Rhea's, en vrouw Thetis haar rijkdommen:Eens lakens held're glans bedekt haar lichaam houdt,Robijnscherp[117], en gestijfd van ingeslagen goud:Haar rechte en slinker stort een bus, waar uit gestegenKomt neêrwaarts een Pactool'[118], een blonden Englen[119]regen,Een glinsterende Taag: haar knechts 't geluk men heet,Het waken, spaarzaamheid, en d' arbeid nat bezweet.Gezondheid toont haar ginds, geen rimp'len 't voorhoofd breken,Haar oog geen peerlen dauwt, haar kaken niet verbleeken;Blij, levend', poezelig, vertoont ze een kinds-gelaat,Zij huppelt, danst, en springt, en vliegt, waar dat ze gaat:Des levens held're toorts blaakt in haar vuist ten toone,En d' heil'ge vederbos des Fenix overschoone't Begin haars keurs verstrekt; en ziet, aan de ander zijKomt ons de Wijsheid met haar statig aanzicht bij;Die, opdat z' hoog verzel de voetelooze vooglenVan 't eeuwig Paradijs, zijn aangehecht twee vlooglen:Stil is ze van gebaar, haar gang verzwaart ze zeer,Men ziet ze oon[120]regelmaat en passer nimmermeer:De spiegel van nature, en haar zelf tot haar vordel[121],Hangt aan de ketenkens van haren rijken gordel.De vorst, zijn oogen op haar schoonheid slaande knap[122],Waant ingelijfd te zijn in 's Hemels borgerschap:Hij vindt zich met den glans eens Paradijs besloten,En twijfelt, wat hij zal uit zoo veel goed'ren loten;Ten leste spreekt hij dus: "wat hebbe ik, Heer! gedaan,Om van uw handen zoo veel eer en goeds t' ontvaân?Gij voorkomt mijn verdienste, of liever bouwt Uw eereAls gij mijn snoodheid[123]eert: o, de Overhand[124]is, Heere!Een keizerlijk geschenk, en niets en is zoo zoetDan dat men 's gramschaps brand maakt dronken in het bloed;Maar laas! vaak volgen haar veel woênde razernijen,En d' oû gewoonte van bebloede moorderijenMaakt metter tijd gelijk d' onstrengsten koning schierEen tijger, felle leeuw, wildzwijn, of panterdier.Die schijnt gelukkig, die zijn vruchtb're kudd' ziet zwillen,[125]En stelen Carmelus[126]zijn groenende achterbillen[127];Om wien een wijnrijk land en vruchtbaar korenaard'[128]Doorploegd met ijzer scherp, oneind'lijk teelt en baart:Die van de Seres heeft de blonde en goudgeel âren,Het dierbaar schoon gesteent' van de Arabische baren,De wouden Entidors, 't Ofirisch goud daar bij,Van Sabba 't reukwerk zoet, en Tyrus' pelterij.Maar hoe! men ziet alzins, waar rijkdom staat in 't bloeyen,'t Opmerken[129]sterven en vermetelheid meer groeyen:De rijke slaaft om 't goud, en wie, naar God geaard,Zijn oogen en gemoed wil opslaan Hemelwaart,Moet arm zijn in der daad, of arm zich toe gaan stellen:En vreeze en rijkdom ook malkand'ren steeds verzellen.Lang leven waar mijn wensch, mijns herten lust en wit,Dat ik mijn zonen zage in 't derde en vierde lid:Maar ik bezorg mij[130]voor de rampspoên, die verbolgenGemeenelijken dicht mijns levens langheid volgen:Wie wel leeft leeft genoeg, want 's levens loop, die kortIs, naar der dagen tal niet afgemeten wordt,Maar naar doorluchte daân; en 't leven, kort en sterflijk,Is maar een oogenblik, een niet bij 't onbederflijk.Zulks is de wijsheid niet, de eere acht zij als 't gespookEens winds, die licht vervliegt, het leven enkel rook,De scepter eenen tak van masthout klein van weerden,De peerlen zand en gruis, het goud maar slijm der eerden[131]:Zij is een spiegel Gods, een bliksem, die ontgaatDen donderkogel van zijn Goddelijk gelaat:Een heil'ge instortinge ook des milden Hemels, nimmerDe schoonheid is gebluscht haars voorhoofds klaar[132]van schimmer[133],Altijd haar zelf gelijk, zij niet alleen zoo netEen zelfde spoor vervolgt, maar houdt een zelfde tred:Gezondheid buiten haar, eer, rijkdom in 't gemeeneMij drie venijnen waar[134]; de Wijsheid is 't alleene,Die van alle andre goên[135]mag strekken zonderling[136]Haar leidsvrouw, werktuig, born, cieraad, en matiging.Brengtze, o God! voor den dag, laatze, o God! mij verstrekkenEen bedgenoot altijd, op dat ik steeds mag lekkenDen zoeten geur, die vloeit uit haren heil'gen mond,Datze in het vierschaar mij verzelschap t' allerstond,En ik nog kindsch[137]en teêr, met haren staf beschuddenIn vette weiden mag d' Abrahamietsche kudden,[138]Oneindelijcke kudd', ja, kudde, die gewisEen trouwen herder van den Hemel weerdig is.Heer! geeftze mij, ik kwijn, ik flaauwe, of, zoo ik leve,Ik, heilge vuurvliege, in haar vlamme leve en zweve,En, nieuwe zomeruil[139], te stout, in 't licht gesmookVan hare lampkens, ik mijn vlerkskens teêr verschrook."[140]"Houd daar, ik schenk ze u!" zegt d' onsterfelijke vorste,[141]
Al zwakker David wierd, en 't lemmet van zijn leven
(Wien 't olie-achtig sap des wortels ging begeven)
Allengs brandde in de pijp, als hij, op zijn verscheên[45],
Nog wakker met verstand gaat uiten deze reên,
Leeraren[46]Salomon, en, door 't Geheim[47]gedreven,
In 't koninklijk gestoelt hem zetten hoogverheven:
"Mijn zoon! dien[48]zonder twist, meêvrijer[49], of geweld
Geluk, nature, en wet de kroon heeft opgesteld.
In 't heerschen wijsheid voegt en goedheid te doen blijken,
Wenscht hij te mennen lang den teugel van zijn rijken;
Maar die door hulpe van 't geluk het koningschap
Bereikt, en daar toe komt langs ongewone trap,
Moet meer als mensche zijn, en, in de deugd ervaren,
D' ontziene tulband zich verzek'ren op zijn haren.
Maar Salomon! gij kent het bed daar af gij daalt,
Gij ziet, hoe Israël Adoniam onthaalt,
Hoe, om uw eer jeloers, de zeden[50]moeten wijken,
En om uw grootheid wij natuur verongelijken:
Streeft naar volmaaktheid dan, en, dapper van gemoed,
't Gebrek verduistert van uw ondoorluchtig bloed.
Monarch van Jacobs stam! dient 's werelds koning stadig,
Op 't eenig steunsel van zijn vrijgelei beradig[51]
Uw stoutste aanslagen grondt, en altijd, vroeg en spaad'
Uw ooge en uwen geest op zijn voorschriften slaat:
't Godlasterlijk geblaf der honden vliedt verbolgen,
En, onder-koning, wilt uws Heeren zeden volgen.
Denkt, dat de dikte van uw hooge muren zelfs,
Veel poorten zwaar van staal, veel hoffelijk gewelfs[52]
Niet hindren, dat zijn oog bekeurende achterhale
Uws herten Dedalus[53]in uw geheimste zale.
Mijn zoon, zoo 't noodgeheim[54], of de geboort' veel eer
U Edomieter teelde of Filistijner Heer,
Zoo 't erflijk u gemaakt had Faroos titels eigen,
Zoo Meden[55]aan uw kniên kwam zijnen mijter[56]neigen,
Zoo Perzen[55]waar uw leen, uw hoogheid nochtans veugt[57]
En eischt alom te zijn geborstweerd met de deugd;—
Maar om 't zaad Abrahams 't jukdragen te gewennen,
Gevoegelijk den toom van 't heilig volk te mennen,
Bezitten Jozua's en Samsons stoel[58]naar wensch,
Een nazaat[59]Gods te zijn, gij meer moet zijn als mensch.
Wilt boven d' ouden knecht d' aankomeling niet achten:
Gebiedenskunst bestaat in kunst min als 't betrachten;
De most wijkt d' oude wijn in smaak, en d' hovenier
Uit 't hert[60]zijns lusthofs niet roeit, met een dwaas bestier,
Een groeizaam weeldig hout, dat twintig wintervlagen
Met zoete vruchten heeft zijn lekk're disch beslagen,
Om pooten in zijn plaatse een loote of struik, wiens vrucht
Hij proefde met 't gebit alleen van valsch gerucht.
De vleyers, Salomon! oorlingen[61]zijn, die waarlijk
Den wijsten koning staan tot hindernis gevaarlijk,
Wat rechten zij niet aan! vermids zij vinden haar
Snoô weergade in ons herte, een erger huichelaar,
De liefde van ons zelfs, een altijd woênde peste,
Die aanspant met dees vreemde en haatlijk rot op 't leste.
Den bloôn verbeelden[62]zij, dat hij is wijs altoos.
Den dronkaart blij van geest, d' ontrouwe erg[63]en loos,
Rechtveerdig vorst en prins zij noemen 's volks verdemper[64],
Den domme stemmig Heer, Augustus den verslemper[65],
En als doorsnuff'lend zij zijn neiging nu verstaan,
Zij, als in hem veraârd, zijn boosheid bidden aan.
Vlucht die gedrochten dan, ontslaat u dan der boozen
Afgrijslijke ommegang, 't gezelschap der eerloozen:
Geen toegang in uw hof den roover toe en laat:
Geen moorders 't hoofd ophoudt: de toovenaren haat,
Uit vreeze, dat ze met haar adems gift te gader
Niet smetten doodelijk stads borrensprong[66]en ader:
De zeden niet vergift, fontein, daar d' onderzaat
Uitputten zal voortaan van beids[67]òf goed òf kwaad:
Beheerscht uw lusten, wordt uw toorne en angst te machtig,
Die niet zich zelfs gebiedt geen koning is warachtig:
Doet niet wat gij vermoogt, maar zulks doet als u past:
Uw nek eerst[68]onderwerpt der wetten juk en last.
Den onderzaat, als hij tot leidsman heeft zijn koning,
Door water, berg, en bosch rent zonder lijfs-verschooning[69].
Bewijst gespraakzaam[70]u, goed, liefgetal[71], mijn zoon!
En volgt vermetel niet de beelden dezer[72]Goôn,
Die uit haar gulden bus men jaarlijks eens verlochtigt[73],
Opdat den Hemel, nu verbeên, het aardrijk vochtigt.
Zijn woord opeten[74]past geen koning wijs gezind,
Al wie zijn trouwe breekt, geloof noch trouwe vindt,
Bedriegend' polt[75]zich zelf; het volk, jeloers[76]om schouwen
't Gevaar zijns lichten aards, zich wapent met wantrouwen.
En 't nageburig rijk, een leeuw van sterkheid groot
Heeft, liever als een vos, tot zijn trouw bondgenoot.
Zij[77]in 't beloonen mild, in 't straffen schaarsch en vrekke[78]:
Maakt, dat standvastigheid uw borst alzins bedekke.
't Uitstekendste is omringd van rampspoên aldernaast,
En de alderfelste storm op hooge poorten raast.
Uit eerzucht 't aardrijk niet met wapens gaat beroeren;
Indien geweld of eere u oorlog prangt[79]te voeren,
Bewijst u Davids zoon, maakt, dat uw krijgsmansarm
Zoo koud[80]zij in 't bestaan[81], als in 't uitvoeren warm.
Waakt, zweet, en redeneert, en, heldisch niet om temmen[82],
Vrijt den geronnen[83]stroom te voet, en 't nat in 't zwemmen:
Het schaduwende lof eens planebooms[84]u frisch
Een zonnehoed verstrekk', een beukelaar uw disch,
Uw oefeninge[85]uw vuur, wat zoôn uw bedstede ergen[86];
Met lekker dischgerecht wilt uwen mond niet tergen:
Zware arbeid zij uw sausse: in 't hol eens stormhoeds meê
Zuipt 't water uit een beek, vermengd met slijm en snee.
Laat trommel, laat trompet, laat omgewielde[87]fluiten
Uw klavecymb'len zijn, uw cithers, en uw luiten:
Hardvochtig eenen berg al dravende overschiet[88],
Al loopende een ruim veld, al springende eenen vliet:
Uw hoofd met stof en zweet zij wel doortrokken echter[89]:
Zijt overste en soldaat, een bliksem is de vechter
Als hij zijn koning heeft, die moedig treedt vooraan,
Gezelle[90]in 't avontuur en rechter van zijn daân.
Met lust tot leerzucht zoude ik uw gemoed ontsteken,
Zage ik alreede niet de Godlijkheid uitbreken
Van uw diepzinnigheid: maakt, dat geleerdheids cier
Dien' tot een hulp de kunst van 't koninklijk bestier,
En ga slaat[91], dat, gelijk natvochtigheids vervelen[92]
Versmacht[93]eens fruitbooms ziel, haar groeizaam leven stelen[94],
De veel te zware les, der kunsten weelde en lust
Zoo fraaye geesten niet haar geestigheid uitblust,
Noch maakt uw zinnen niet door slaapzucht dom ellendig,
Noch van 't gemeene-best-bevordren 't hert afwendig.
Met een gevlerkte geest den loop verzelschapt voorts
Van 't nachtgeleidend' licht, den daggeleider toorts[95].
De eislijke ondiepten meld, die d' Ocean bewegen.
De grijze toppen meet der bergen hoog gestegen.
Doorsnuffelt hoek voor hoek dit nederig gesticht[96],
Doch om verwond'ren[97], hoe in 't werk de wijsheid ligt
Des geens, die 't zoo wel schikte: en wilt vooral niet slachten
D' arm' hoveling, die dor en uitgeput van krachten
In 't leeger[98]hof veroudt, en die zijn oogen sterk
Op 's pijlers groeven slaat, op 't voet- en heuvelwerk;
Die suf beschouwt 't vermaal[99], medalliën, beelden, standen,
En d' hoofdcieraden van de koninklijke wanden,
Die, hem vergapende, is nù bij nù buiten zich,
Terwijl zijn makkers zien den koning scepterdrig[100].
De weegschaal houd recht op, 't oog toe, uw handen reine;
Wreekt streng 't bekende kwaad en onrecht; 't uwe alleine
Vergetenheid beveelt; de tranen ziet, en hoort
't Geschrei des geens, die in een zee van droefheid smoort.
Hoort d' oogen[101]menigmaal die op uw landen oogen:
Die niet wil rechter zijn, geen vorst is om gedoogen[102];
En in der eeuwigheid scheid nimmermeer, noch weert
Van 't scepter des gerechts het schitt'rende oorlogszweerd!
Begunstigt grooten niet, noch drukt die 't kwalijk hebben;
Noch van uw wetten maakt een ijdel spinnewebben,
Waarin de mug verwert, terwijlen het gebeurt,
Dat ruisschende de wesp den inslag rijt en scheurt.
Verdrijft die herders, die d' onnoozle kudd' verteeren;
Zulke overheden kiest, die haren staat vereeren,
Die d' Alderhoogste ontzien, die 't vonnis strijken recht;
Men oordeelt in 't gemeen den meester naar den knecht.
Den vrome mild begaaft, maar wilt uw leen niet schiften[103];
Hij stopt, die roert den grond, de borne[104]van zijn giften.
Voor al, mijn troetelkind! verdrenkt[105], om Gods wil, dy[105]
Niet in 't bedrieglijk meer van 's boels liefkozerij:
Helaas! helaas! ik ducht! keert, o alwijze, algoede
God! mijns gezichts gevolg[106]doch af van mijnen bloede,
Aanstaande is 't, ducht ik, dat dit zoet vergif, o kruis!
Nog met afgoderij zal smetten Davids huis:
Dat, zoo 's deugds heilge liefde u niet ontsteke t' elken,
Zoo een geduurzaamheid van naams en faams verwelken
U niet te rug doe zien, tracht dat u in die kamp
Nog tot een lesse dien' de vaderlijke ramp.
D' Almachtige, mijn kind! mij roept u te begeven,
Vaart wel! ik wandel door den dood in 't eeuwig leven,
Om hooger heerschen, vrij van 't menschelijk gekwel:
Uw handen ik beveel den staf van Israël.
Gij, die om 't kwaad eens vorsts 's kroons glinsterende stralen
Van 't een in 't ander huis, van land tot land doet dwalen,
Verletze[107]bij de mijne, en brengt, van mijns zoons zoon,
Dien Grooten Koning eens te voorschijn en ten toon,
Daar Israël op hoopt, daarna[108]ik zucht te voren,
Groot Koning, die het rijk des Duivels zal verstoren."
Zoo sterft hij, en de zoon zijn voetspoor gade slaat,
En 's Hemels God met hert en mond aanbidden gaat:
Door Godvruchts deure treedt in 't rijke met verlangen,
En speelt tot 's Heeren lof veel lieden[109], veel gezangen,
En smookt te Gibeon, en in den geest aanschouwt,
Terwijl zijn vleesch nog slaapt, dien God dien hij vertrouwt,
Groot God, die rijk gekroond met flonkerende vieren,
Hem vier joffrouwen toont, en geeft hem keur van vieren[110].
De Glorie zwikt[111]een schicht, dieze in haar rechter vaat[112],
En treedt er niet als maagd, maar als een braaf[113]soldaat,
In 't glinst'rende gesternt' verbergt z' haar hoofd en kruine,
En in een sluyer draagt ze een heldere bazuine,
Wiens wind is enkel lof, trompet, wiens hel geruisch
Vult van de schoone zon het een en 't ander huis:
'tHoveerdig weefsel van haar sleepkeurs, die zoo gloriet
Met 's vijands onderlage[114], is bloedig gehistoriet[115],
Met benden, met trofeên, en ringen: met de voet
Zij duizend koningen vertreênde zuchten doet.
De Rijkdom mag[116]men prat niet wijd van hier zien brommen,
Met Pluto's, Rhea's, en vrouw Thetis haar rijkdommen:
Eens lakens held're glans bedekt haar lichaam houdt,
Robijnscherp[117], en gestijfd van ingeslagen goud:
Haar rechte en slinker stort een bus, waar uit gestegen
Komt neêrwaarts een Pactool'[118], een blonden Englen[119]regen,
Een glinsterende Taag: haar knechts 't geluk men heet,
Het waken, spaarzaamheid, en d' arbeid nat bezweet.
Gezondheid toont haar ginds, geen rimp'len 't voorhoofd breken,
Haar oog geen peerlen dauwt, haar kaken niet verbleeken;
Blij, levend', poezelig, vertoont ze een kinds-gelaat,
Zij huppelt, danst, en springt, en vliegt, waar dat ze gaat:
Des levens held're toorts blaakt in haar vuist ten toone,
En d' heil'ge vederbos des Fenix overschoone
't Begin haars keurs verstrekt; en ziet, aan de ander zij
Komt ons de Wijsheid met haar statig aanzicht bij;
Die, opdat z' hoog verzel de voetelooze vooglen
Van 't eeuwig Paradijs, zijn aangehecht twee vlooglen:
Stil is ze van gebaar, haar gang verzwaart ze zeer,
Men ziet ze oon[120]regelmaat en passer nimmermeer:
De spiegel van nature, en haar zelf tot haar vordel[121],
Hangt aan de ketenkens van haren rijken gordel.
De vorst, zijn oogen op haar schoonheid slaande knap[122],
Waant ingelijfd te zijn in 's Hemels borgerschap:
Hij vindt zich met den glans eens Paradijs besloten,
En twijfelt, wat hij zal uit zoo veel goed'ren loten;
Ten leste spreekt hij dus: "wat hebbe ik, Heer! gedaan,
Om van uw handen zoo veel eer en goeds t' ontvaân?
Gij voorkomt mijn verdienste, of liever bouwt Uw eere
Als gij mijn snoodheid[123]eert: o, de Overhand[124]is, Heere!
Een keizerlijk geschenk, en niets en is zoo zoet
Dan dat men 's gramschaps brand maakt dronken in het bloed;
Maar laas! vaak volgen haar veel woênde razernijen,
En d' oû gewoonte van bebloede moorderijen
Maakt metter tijd gelijk d' onstrengsten koning schier
Een tijger, felle leeuw, wildzwijn, of panterdier.
Die schijnt gelukkig, die zijn vruchtb're kudd' ziet zwillen,[125]
En stelen Carmelus[126]zijn groenende achterbillen[127];
Om wien een wijnrijk land en vruchtbaar korenaard'[128]
Doorploegd met ijzer scherp, oneind'lijk teelt en baart:
Die van de Seres heeft de blonde en goudgeel âren,
Het dierbaar schoon gesteent' van de Arabische baren,
De wouden Entidors, 't Ofirisch goud daar bij,
Van Sabba 't reukwerk zoet, en Tyrus' pelterij.
Maar hoe! men ziet alzins, waar rijkdom staat in 't bloeyen,
't Opmerken[129]sterven en vermetelheid meer groeyen:
De rijke slaaft om 't goud, en wie, naar God geaard,
Zijn oogen en gemoed wil opslaan Hemelwaart,
Moet arm zijn in der daad, of arm zich toe gaan stellen:
En vreeze en rijkdom ook malkand'ren steeds verzellen.
Lang leven waar mijn wensch, mijns herten lust en wit,
Dat ik mijn zonen zage in 't derde en vierde lid:
Maar ik bezorg mij[130]voor de rampspoên, die verbolgen
Gemeenelijken dicht mijns levens langheid volgen:
Wie wel leeft leeft genoeg, want 's levens loop, die kort
Is, naar der dagen tal niet afgemeten wordt,
Maar naar doorluchte daân; en 't leven, kort en sterflijk,
Is maar een oogenblik, een niet bij 't onbederflijk.
Zulks is de wijsheid niet, de eere acht zij als 't gespook
Eens winds, die licht vervliegt, het leven enkel rook,
De scepter eenen tak van masthout klein van weerden,
De peerlen zand en gruis, het goud maar slijm der eerden[131]:
Zij is een spiegel Gods, een bliksem, die ontgaat
Den donderkogel van zijn Goddelijk gelaat:
Een heil'ge instortinge ook des milden Hemels, nimmer
De schoonheid is gebluscht haars voorhoofds klaar[132]van schimmer[133],
Altijd haar zelf gelijk, zij niet alleen zoo net
Een zelfde spoor vervolgt, maar houdt een zelfde tred:
Gezondheid buiten haar, eer, rijkdom in 't gemeene
Mij drie venijnen waar[134]; de Wijsheid is 't alleene,
Die van alle andre goên[135]mag strekken zonderling[136]
Haar leidsvrouw, werktuig, born, cieraad, en matiging.
Brengtze, o God! voor den dag, laatze, o God! mij verstrekken
Een bedgenoot altijd, op dat ik steeds mag lekken
Den zoeten geur, die vloeit uit haren heil'gen mond,
Datze in het vierschaar mij verzelschap t' allerstond,
En ik nog kindsch[137]en teêr, met haren staf beschudden
In vette weiden mag d' Abrahamietsche kudden,[138]
Oneindelijcke kudd', ja, kudde, die gewis
Een trouwen herder van den Hemel weerdig is.
Heer! geeftze mij, ik kwijn, ik flaauwe, of, zoo ik leve,
Ik, heilge vuurvliege, in haar vlamme leve en zweve,
En, nieuwe zomeruil[139], te stout, in 't licht gesmook
Van hare lampkens, ik mijn vlerkskens teêr verschrook."[140]
"Houd daar, ik schenk ze u!" zegt d' onsterfelijke vorste,[141]